Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 DECEMBER 2002. - Wet houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2002 en tekstbijwerking tot 09-01-2023)
Titre
16 DECEMBRE 2002. - Loi portant création de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2002 et mise à jour au 09-01-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (17)
Texte (17)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. Bij de minister die belast is met het beleid van gelijkheid van vrouwen en mannen wordt een " Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen " opgericht, hierna het Instituut genoemd.
Het Instituut heeft rechtspersoonlijkheid.
De wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, is van toepassing op het Instituut behoudens afwijkingen die door deze wet worden gesteld.
In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wordt onder categorie B en in alfabetische volgorde, het " Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen " ingevoegd.
Het Instituut heeft rechtspersoonlijkheid.
De wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, is van toepassing op het Instituut behoudens afwijkingen die door deze wet worden gesteld.
In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wordt onder categorie B en in alfabetische volgorde, het " Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen " ingevoegd.
Art. 2. Il est créé auprès du/de la ministre chargé(e) de la politique d'égalité des femmes et des hommes, un " Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ", ci-après dénommé l'Institut.
L'Institut est doté de la personnalité juridique.
La loi 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public s'applique à l'Institut, sauf dérogations apportées par la présente loi.
A l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont insérés dans la catégorie B et dans l'ordre alphabétique " Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ".
L'Institut est doté de la personnalité juridique.
La loi 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public s'applique à l'Institut, sauf dérogations apportées par la présente loi.
A l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont insérés dans la catégorie B et dans l'ordre alphabétique " Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ".
Art. 3. Het Instituut heeft als taak toe te zien op de naleving van de gelijkheid van vrouwen en mannen; elke vorm van discriminatie en ongelijkheid op basis van [1 een door de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen beschermd criterium]1 te bestrijden; en de instrumenten en strategieën die gestoeld zijn op een geïntegreerde aanpak van de genderdimensie uit te werken.
Het Instituut oefent zijn taak uit in een geest van dialoog en medewerking met de verenigingen, instellingen, organen en diensten die, geheel of gedeeltelijk, een opdracht vervullen, of die onmiddellijk betrokken zijn bij de vervulling van deze opdracht.
Het Instituut oefent zijn taak uit in een geest van dialoog en medewerking met de verenigingen, instellingen, organen en diensten die, geheel of gedeeltelijk, een opdracht vervullen, of die onmiddellijk betrokken zijn bij de vervulling van deze opdracht.
Modifications
Art. 3. L'Institut a pour objet de veiller au respect de l'égalité des femmes et des hommes, de combattre toute forme de discrimination et d'inégalité basée sur [1 un critère protégé par la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes]1 et d'élaborer des instruments et stratégies fondés sur une approche intégrée de la dimension du genre.
Dans l'accomplissement de sa mission, l'Institut dialogue et collabore avec les associations, institutions, organes et services dont l'action se situe, exclusivement ou en partie, en ce même domaine ou qui sont immédiatement associés à l'accomplissement de ladite mission.
Dans l'accomplissement de sa mission, l'Institut dialogue et collabore avec les associations, institutions, organes et services dont l'action se situe, exclusivement ou en partie, en ce même domaine ou qui sont immédiatement associés à l'accomplissement de ladite mission.
Modifications
Art. 4. Het Instituut is bevoegd om :
1° de studies en onderzoeken betreffende gender en gelijkheid van vrouwen en mannen te verrichten, ontwikkelen, ondersteunen en coördineren, en de impact van de concrete beleidslijnen, programma's en maatregelen vanuit genderperspectief te evalueren;
2° aanbevelingen te richten tot de overheid ter verbetering van de wetten en reglementeringen, met toepassing van artikel 3;
3° aanbevelingen te richten tot de overheid, privé-personen of instellingen naar aanleiding van de resultaten van de onder 1° vermelde studies en onderzoeken;
4° ondersteuning en bijstand te organiseren aan de verenigingen die actief zijn op het vlak van [1 gendergelijkheid]1, of voor projecten tot bevordering van [1 gendergelijkheid]1;
5° binnen de perken van zijn doel, hulp te verlenen aan iedereen die om raad vraagt in verband met de omvang van zijn rechten en verplichtingen. Die hulp laat toe aan de betrokkene om inlichtingen en raadgevingen over de middelen die hij/zij kan aanwenden om zijn/haar rechten te doen gelden, te verkrijgen;
6° [3 in rechte op te treden in de rechtsgeschillen die verband houden met de wettelijke opdracht van het Instituut zoals omschreven in artikel 3. Wanneer het slachtoffer een geïdentificeerd natuurlijk persoon of rechtspersoon is, is een vordering namens dit slachtoffer enkel ontvankelijk met diens instemming. Voor een vordering van het Instituut in eigen naam is geen instemming van een geïdentificeerd slachtoffer vereist.]3
[2 6° /1 [4 ...]4]2
7° in het kader van zijn opdracht, alle nodige informatie, documentatie en archieven aan te leggen en te verstrekken;
8° de statistische gegevens en de rechterlijke beslissingen die nuttig zijn voor de evaluatie van de wetten en reglementeringen betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen te verzamelen en te publiceren, zonder mogelijkheid tot identificering van de betrokken partijen;
9° wanneer het Instituut feiten inroept die aanleiding geven tot een vermoeden van een discriminerende behandeling zoals bedoeld in de wetten en reglementering betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen, aan de bevoegde overheid te vragen om op de hoogte te worden gebracht en gehouden van de resultaten van de analyse van de bewuste feiten.
De overheid brengt het Instituut op een met redenen omklede wijze op de hoogte van het gevolg dat eraan wordt verleend;
10° een netwerkstructuur uit te werken met de verschillende actoren op het vlak van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
De minister bevoegd voor het beleid van gelijkheid tussen vrouwen en mannen geeft aan het Instituut, in het kader van de opdrachten bedoeld in het vorig lid, geen andere uitdrukkelijke bevelen dan positieve.
1° de studies en onderzoeken betreffende gender en gelijkheid van vrouwen en mannen te verrichten, ontwikkelen, ondersteunen en coördineren, en de impact van de concrete beleidslijnen, programma's en maatregelen vanuit genderperspectief te evalueren;
2° aanbevelingen te richten tot de overheid ter verbetering van de wetten en reglementeringen, met toepassing van artikel 3;
3° aanbevelingen te richten tot de overheid, privé-personen of instellingen naar aanleiding van de resultaten van de onder 1° vermelde studies en onderzoeken;
4° ondersteuning en bijstand te organiseren aan de verenigingen die actief zijn op het vlak van [1 gendergelijkheid]1, of voor projecten tot bevordering van [1 gendergelijkheid]1;
5° binnen de perken van zijn doel, hulp te verlenen aan iedereen die om raad vraagt in verband met de omvang van zijn rechten en verplichtingen. Die hulp laat toe aan de betrokkene om inlichtingen en raadgevingen over de middelen die hij/zij kan aanwenden om zijn/haar rechten te doen gelden, te verkrijgen;
6° [3 in rechte op te treden in de rechtsgeschillen die verband houden met de wettelijke opdracht van het Instituut zoals omschreven in artikel 3. Wanneer het slachtoffer een geïdentificeerd natuurlijk persoon of rechtspersoon is, is een vordering namens dit slachtoffer enkel ontvankelijk met diens instemming. Voor een vordering van het Instituut in eigen naam is geen instemming van een geïdentificeerd slachtoffer vereist.]3
[2 6° /1 [4 ...]4]2
7° in het kader van zijn opdracht, alle nodige informatie, documentatie en archieven aan te leggen en te verstrekken;
8° de statistische gegevens en de rechterlijke beslissingen die nuttig zijn voor de evaluatie van de wetten en reglementeringen betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen te verzamelen en te publiceren, zonder mogelijkheid tot identificering van de betrokken partijen;
9° wanneer het Instituut feiten inroept die aanleiding geven tot een vermoeden van een discriminerende behandeling zoals bedoeld in de wetten en reglementering betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen, aan de bevoegde overheid te vragen om op de hoogte te worden gebracht en gehouden van de resultaten van de analyse van de bewuste feiten.
De overheid brengt het Instituut op een met redenen omklede wijze op de hoogte van het gevolg dat eraan wordt verleend;
10° een netwerkstructuur uit te werken met de verschillende actoren op het vlak van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
De minister bevoegd voor het beleid van gelijkheid tussen vrouwen en mannen geeft aan het Instituut, in het kader van de opdrachten bedoeld in het vorig lid, geen andere uitdrukkelijke bevelen dan positieve.
Art. 4. L'Institut est habilité à :
1° faire, développer, soutenir et coordonner les études et recherches en matière de genre et d'égalité des femmes et des hommes et évaluer l'impact en terme de genre des politiques, programmes et mesures mis en oeuvre;
2° adresser des recommandations aux pouvoirs publics en vue de l'amélioration des lois et réglementations en application de l'article 3;
3° adresser des recommandations aux pouvoirs publics et aux personnes et institutions privées sur la base des résultats des études et des recherches visées au 1°;
4° organiser le soutien aux associations actives en matière d'égalité [1 des genres]1 ou les projets ayant pour finalité la réalisation de l'égalité [1 des genres]1;
5° aider, dans les limites de son objet, toute personne sollicitant une consultation sur l'étendue de ses droits et obligations. Cette aide permet à son/sa bénéficiaire d'obtenir des informations et des conseils sur les moyens de faire valoir ses droits;
6° [3 agir en justice dans les litiges en lien avec la mission légale de l'Institut telle que définie à l'article 3. Lorsque la victime est une personne physique ou morale identifiée l'action au nom de cette victime n'est recevable qu'avec son consentement. Une action de l'Institut en son nom propre ne nécessite pas le consentement d'une victime identifiée;]3
[2 6° /1 [4 ...]4]2
7° produire et fournir toute information, documentation, et archives utiles dans le cadre de son objet;
8° recueillir et publier, sans possibilité d'identification des parties en cause, les données statistiques et les décisions juridictionnelles utiles à l'évaluation des lois et réglementations relatives à l'égalité des femmes et des hommes;
9° demander à l'autorité compétente lorsque l'Institut invoque des faits qui permettent de présumer l'existence d'un traitement discriminatoire, tel que visé dans les lois et réglementations relatives à l'égalité des femmes et des hommes, de s'informer et de tenir informé celui-ci des résultats de l'analyse des faits dont il est question.
L'autorité informe l'Institut de manière motivée des suites qui y sont réservées;
10° élaborer une structure de réseau avec les différents acteurs dans le domaine de l'égalité des femmes et des hommes.
Le/la ministre ayant la politique d'égalité des femmes et des hommes dans ses attributions ne peut donner que des injonctions positives à l'Institut dans le cadre des missions visées à l'alinéa précédent.
1° faire, développer, soutenir et coordonner les études et recherches en matière de genre et d'égalité des femmes et des hommes et évaluer l'impact en terme de genre des politiques, programmes et mesures mis en oeuvre;
2° adresser des recommandations aux pouvoirs publics en vue de l'amélioration des lois et réglementations en application de l'article 3;
3° adresser des recommandations aux pouvoirs publics et aux personnes et institutions privées sur la base des résultats des études et des recherches visées au 1°;
4° organiser le soutien aux associations actives en matière d'égalité [1 des genres]1 ou les projets ayant pour finalité la réalisation de l'égalité [1 des genres]1;
5° aider, dans les limites de son objet, toute personne sollicitant une consultation sur l'étendue de ses droits et obligations. Cette aide permet à son/sa bénéficiaire d'obtenir des informations et des conseils sur les moyens de faire valoir ses droits;
6° [3 agir en justice dans les litiges en lien avec la mission légale de l'Institut telle que définie à l'article 3. Lorsque la victime est une personne physique ou morale identifiée l'action au nom de cette victime n'est recevable qu'avec son consentement. Une action de l'Institut en son nom propre ne nécessite pas le consentement d'une victime identifiée;]3
[2 6° /1 [4 ...]4]2
7° produire et fournir toute information, documentation, et archives utiles dans le cadre de son objet;
8° recueillir et publier, sans possibilité d'identification des parties en cause, les données statistiques et les décisions juridictionnelles utiles à l'évaluation des lois et réglementations relatives à l'égalité des femmes et des hommes;
9° demander à l'autorité compétente lorsque l'Institut invoque des faits qui permettent de présumer l'existence d'un traitement discriminatoire, tel que visé dans les lois et réglementations relatives à l'égalité des femmes et des hommes, de s'informer et de tenir informé celui-ci des résultats de l'analyse des faits dont il est question.
L'autorité informe l'Institut de manière motivée des suites qui y sont réservées;
10° élaborer une structure de réseau avec les différents acteurs dans le domaine de l'égalité des femmes et des hommes.
Le/la ministre ayant la politique d'égalité des femmes et des hommes dans ses attributions ne peut donner que des injonctions positives à l'Institut dans le cadre des missions visées à l'alinéa précédent.
Art. 5. Het Instituut is belast met de voorbereiding en uitvoering van de regeringsbeslissingen en met de opvolging van het internationale en Europese beleid inzake de gelijkheid van vrouwen en mannen. Het voert deze opdrachten uit onder het gezag van de minister die belast is met het beleid van de gelijkheid van vrouwen en mannen.
Art. 5. L'Institut est chargé de la préparation et de l'application des décisions du gouvernement et du suivi des politiques européennes et internationales, en matière d'égalité des femmes et des hommes. Il exerce ces missions sous l'autorité du/de la ministre chargé(e) de la politique d'égalité des femmes et des hommes.
Art. 6. De bevoegde ministers en staatssecretarissen stellen, op verzoek van het Instituut, de informatie ter beschikking die vereist is voor de volbrenging van zijn opdracht. Het Instituut kan het advies inwinnen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provinciale en de lokale overheden en van elke andere openbare instelling als dit nuttig is voor de uitvoering van zijn opdracht.
Art. 6. Les ministres et secrétaires d'Etat compétents mettent à la disposition de l'Institut, à sa demande, les informations nécessaires à l'accomplissement de ses missions. L'Institut peut demander l'avis des Communautés, des Régions, des autorités provinciales et locales ainsi que de tout autre organisme public, si cela s'avère utile à l'exécution de sa mission.
Art. 7. Het Instituut bestaat uit een raad van bestuur en een directie, waarvan de bevoegdheden worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De leden van de raad van bestuur worden aangeduid door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De directie van het Instituut wordt door de Koning benoemd.
De leden van de raad van bestuur worden aangeduid door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De directie van het Instituut wordt door de Koning benoemd.
Art. 7. L'Institut comprend un conseil d'administration et une direction, dont les compétences sont fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Les membres du conseil d'administration sont désignés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
La direction de l'Institut est nommée par le Roi.
Les membres du conseil d'administration sont désignés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
La direction de l'Institut est nommée par le Roi.
Art. 8. § 1. De Raad van bestuur beschikt over alle machten die nodig zijn voor de werking van het Instituut en voor de uitvoering van zijn opdrachten. Het heeft onder meer als taak, het algemeen beleid van het Instituut te bepalen.
§ 2. De directie is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur alsmede van de beslissingen bedoeld in de artikelen 4 en 5.
Zij verzekert het dagelijkse bestuur van het Instituut.
Zij stelt jaarlijks een verslag op over de uitvoering van het algemene beleid van het Instituut.
In dringende gevallen kan zij elke beslissing treffen die noodzakelijk blijkt binnen het kader van de opdrachten en de werking van het Instituut. Deze beslissing moet aan de voorzit(s)ter van de raad van bestuur schriftelijk worden meegedeeld en wordt ambtshalve ingeschreven op de dagorde van de volgende raad van bestuur.
§ 2. De directie is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur alsmede van de beslissingen bedoeld in de artikelen 4 en 5.
Zij verzekert het dagelijkse bestuur van het Instituut.
Zij stelt jaarlijks een verslag op over de uitvoering van het algemene beleid van het Instituut.
In dringende gevallen kan zij elke beslissing treffen die noodzakelijk blijkt binnen het kader van de opdrachten en de werking van het Instituut. Deze beslissing moet aan de voorzit(s)ter van de raad van bestuur schriftelijk worden meegedeeld en wordt ambtshalve ingeschreven op de dagorde van de volgende raad van bestuur.
Art. 8. § 1er. Le conseil d'administration dispose de tous les pouvoirs nécessaires au fonctionnement de l'Institut et à l'exécution de ses missions. Il a notamment pour tâche de déterminer la politique générale de l'Institut.
§ 2. La direction est chargée d'exécuter les décisions du conseil d'administration ainsi que les décisions visées aux articles 4 et 5.
Elle assure la gestion journalière de l'Institut.
Elle établit chaque année un rapport relatif à la mise en oeuvre de la politique générale de l'Institut.
En cas d'urgence, elle peut prendre toute décision qui s'avère nécessaire dans le cadre des missions et du fonctionnement de l'Institut. Cette décision doit être communiquée par écrit dans les cinq jours au/à la président(e) du conseil d'administration et est inscrite d'office à l'ordre du jour du prochain conseil d'administration.
§ 2. La direction est chargée d'exécuter les décisions du conseil d'administration ainsi que les décisions visées aux articles 4 et 5.
Elle assure la gestion journalière de l'Institut.
Elle établit chaque année un rapport relatif à la mise en oeuvre de la politique générale de l'Institut.
En cas d'urgence, elle peut prendre toute décision qui s'avère nécessaire dans le cadre des missions et du fonctionnement de l'Institut. Cette décision doit être communiquée par écrit dans les cinq jours au/à la président(e) du conseil d'administration et est inscrite d'office à l'ordre du jour du prochain conseil d'administration.
Art. 9. De Koning bepaalt het organiek statuut van het Instituut bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Dit statuut bepaalt onder andere :
1° de structuur van het Instituut, zodat de verschillende taken, zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5, optimaal georganiseerd kunnen worden en de medewerking van de Gemeenschappen en Gewesten mogelijk is;
2° de samenstelling van de organen zoals bedoeld in artikel 7;
3° het personeelsstatuut.
1° de structuur van het Instituut, zodat de verschillende taken, zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5, optimaal georganiseerd kunnen worden en de medewerking van de Gemeenschappen en Gewesten mogelijk is;
2° de samenstelling van de organen zoals bedoeld in artikel 7;
3° het personeelsstatuut.
Art. 9. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le statut organique de l'Institut. Ce statut arrête notamment :
1° la structure de l'Institut, de manière à pouvoir organiser de façon optimale les différentes compétences mentionnées aux articles 4 et 5 et permettre la collaboration des Communautés et des Régions;
2° la composition des organes précités à l'article 7;
3° le statut du personnel;
1° la structure de l'Institut, de manière à pouvoir organiser de façon optimale les différentes compétences mentionnées aux articles 4 et 5 et permettre la collaboration des Communautés et des Régions;
2° la composition des organes précités à l'article 7;
3° le statut du personnel;
Art. 10. Het Instituut wordt gefinancierd via :
1° een subsidie ten laste van de algemene uitgavenbegroting;
2° subsidies vanwege andere overheden, instellingen of openbare instellingen;
3° giften en legaten;
4° occasionele inkomsten;
5° andere inkomsten voortvloeiend uit de uitvoering van haar statutaire opdracht.
1° een subsidie ten laste van de algemene uitgavenbegroting;
2° subsidies vanwege andere overheden, instellingen of openbare instellingen;
3° giften en legaten;
4° occasionele inkomsten;
5° andere inkomsten voortvloeiend uit de uitvoering van haar statutaire opdracht.
Art. 10. L'Institut est financé par :
1° une subvention à charge du budget général des dépenses;
2° des subventions octroyées par d'autres pouvoirs, institutions ou organismes publics;
3° des dons et des legs :
4° des revenus occasionnels;
5° toute autre recette provenant de l'exécution de son objet statutaire.
1° une subvention à charge du budget général des dépenses;
2° des subventions octroyées par d'autres pouvoirs, institutions ou organismes publics;
3° des dons et des legs :
4° des revenus occasionnels;
5° toute autre recette provenant de l'exécution de son objet statutaire.
Art. 11. De ontwerpbegroting wordt opgemaakt door de raad van bestuur.
Binnen dit kader voorziet het Instituut in zijn begroting in een post om projecten te steunen die de bevordering beogen van de gelijkheid van vrouwen en mannen, en een post voor overeenkomsten die de waarborging beogen van de gelijkheid van vrouwen en mannen.
Binnen dit kader voorziet het Instituut in zijn begroting in een post om projecten te steunen die de bevordering beogen van de gelijkheid van vrouwen en mannen, en een post voor overeenkomsten die de waarborging beogen van de gelijkheid van vrouwen en mannen.
Art. 11. Le projet de budget est établi par le conseil d'administration.
Dans ce cadre, l'Institut assure à charge de ses moyens budgétaires le soutien des projets ponctuels visant la promotion de l'égalité des femmes et des hommes, développés par des associations, et le financement de conventions visant à garantir l'égalité des femmes et des hommes.
Dans ce cadre, l'Institut assure à charge de ses moyens budgétaires le soutien des projets ponctuels visant la promotion de l'égalité des femmes et des hommes, développés par des associations, et le financement de conventions visant à garantir l'égalité des femmes et des hommes.
Art. 12. Het Instituut brengt jaarlijks aan de minister belast met de gelijkheid van vrouwen en mannen uitvoerig verslag uit over de uitvoering van zijn opdracht. De minister zendt het verslag aan de federale wetgevende kamers.
Art. 12. L'Institut remet annuellement un rapport circonstancié de l'exécution de sa mission au/à la ministre en charge de la politique d'égalité des femmes et des hommes. Celle-ci/celui-ci transmet ce rapport aux chambres législatives fédérales.
Art. 13. Artikel 26, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, wordt aangevuld als volgt :
8° " het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, wanneer de feiten een discriminerende behandeling laten vermoeden of indruisen tegen de wetten en reglementeringen betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen. ".
8° " het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, wanneer de feiten een discriminerende behandeling laten vermoeden of indruisen tegen de wetten en reglementeringen betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen. ".
Art. 13. L'article 26, alinéa 2, de la loi du 13 mai 1999 contenant le statut disciplinaire des agents des services de police est complété comme suit :
8° " L'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes lorsque les faits laissent supposer un traitement discriminatoire ou qui vont à l'encontre des lois et réglementations sur l'égalité des femmes et des homes. ".
8° " L'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes lorsque les faits laissent supposer un traitement discriminatoire ou qui vont à l'encontre des lois et réglementations sur l'égalité des femmes et des homes. ".
Art. 14. In artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vervangen bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt 3° aangevuld als volgt :
" - het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ".
" - het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ".
Art. 14. A l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, remplacé par la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, le 3° est complété comme suit :
" - l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ".
" - l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes ".
Art. 15. Voor de uitvoering van zijn opdrachten neemt het Instituut het personeel over van de Directie Gelijkheid van Kansen van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De Koning bepaalt, na overleg met de representatieve personeelsorganisaties, de datum en de werkwijze voor de overdracht van de personeelsleden, bedoeld in het voorgaande id. Deze leden worden overgedragen met hun graad of met een overeenkomstige graad en in hun hoedanigheid. Zij behouden tenminste de retributie en de anciënniteit die zij hadden of zouden verkregen hebben indien zij in hun oorspronkelijke dienst de functie zouden hebben blijven uitoefenen waarvan zij titularis waren op het ogenblik van hun overdracht. Het juridisch statuut van deze leden blijft geregeld door de terzake in voege zijnde bepalingen, zolang de Koning van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt.
De Koning bepaalt, na overleg met de representatieve personeelsorganisaties, de datum en de werkwijze voor de overdracht van de personeelsleden, bedoeld in het voorgaande id. Deze leden worden overgedragen met hun graad of met een overeenkomstige graad en in hun hoedanigheid. Zij behouden tenminste de retributie en de anciënniteit die zij hadden of zouden verkregen hebben indien zij in hun oorspronkelijke dienst de functie zouden hebben blijven uitoefenen waarvan zij titularis waren op het ogenblik van hun overdracht. Het juridisch statuut van deze leden blijft geregeld door de terzake in voege zijnde bepalingen, zolang de Koning van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt.
Art. 15. Pour l'exécution de ses missions, l'Institut reprend le personnel de la Direction de l'Egalité des chances du Ministère de l'Emploi et du Travail.
Le Roi détermine, après concertation des organisations représentatives du personnel, la date et les modalités du transfert des membres du personnel visé à l'alinéa précédent. Ces membres sont transférés dans leur grade ou un grade équivalent et en leur qualité. Ils conservent au moins la rétribution et l'ancienneté qu'ils avaient ou auraient obtenues s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert. Le statut juridique de ces membres demeure régi par les dispositions en vigueur en cette matière, aussi longtemps que le Roi n'aura pas fait usage de cette compétence.
Le Roi détermine, après concertation des organisations représentatives du personnel, la date et les modalités du transfert des membres du personnel visé à l'alinéa précédent. Ces membres sont transférés dans leur grade ou un grade équivalent et en leur qualité. Ils conservent au moins la rétribution et l'ancienneté qu'ils avaient ou auraient obtenues s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert. Le statut juridique de ces membres demeure régi par les dispositions en vigueur en cette matière, aussi longtemps que le Roi n'aura pas fait usage de cette compétence.
Art. 16. De Regie der Gebouwen stelt de nodige lokalen ter beschikking van het Instituut opdat het zijn opdrachten kan volbrengen.
Art. 16. La Régie des Bâtiments met à la disposition de l'Institut des locaux nécessaires à l'accomplissement de son objet.
Art. 17. Deze wet treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum.
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 31-03-2003 door KB 2003-03-19/31, art. 23)
(NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 31-03-2003 door KB 2003-03-19/31, art. 23)
Art. 17. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
(NOTE : Entrée en vigueur fixée le 31-03-2003 par AR 2003-03-19/31, art. 23)
(NOTE : Entrée en vigueur fixée le 31-03-2003 par AR 2003-03-19/31, art. 23)