Artikel 1. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Sectoraal Fonds van de openbare non-profit sector aangesloten bij de RSZPPO, bedoeld in artikel 1, § 7, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Aan de werkgever bedoeld in artikel 2 van het raamakkoord, wiens kandidatuur door het Beheerscomité wordt goedgekeurd, wordt minstens een tegemoetkoming toegekend die overeenstemt met het verschil tussen het bedrag van de vermindering waarvan hij geniet op grond van de Sociale Maribel of het raamakkoord en het noodzakelijke bedrag voor de bijkomende indienstneming van een halftijdse werknemer. ".
2° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" § 2, eerste lid. Bovendien kan de werkgever die is toegetreden tot het raamakkoord op zijn verzoek genieten van een bijkomende tegemoetkoming overeenkomstig de criteria die het Beheerscomité vaststelt rekening houdend met de bepalingen van artikel 9. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
2 APRIL 2001. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot inrichting van het Sectoraal Fonds van de openbare non-profit sector aangesloten bij de RSZPPO, bedoeld in artikel 1, § 7, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.
Titre
2 AVRIL 2001. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 3 mai 1999 organisant le Fonds sectoriel du secteur non-marchand public affilié à l'ONSSAPL, visé à l'article 1er, § 7, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales.
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE 1. - Dispositions générales.
Article 1. A l'article 4 de l'arrêté royal du 3 mai 1999 organisant le Fonds sectoriel du secteur non-marchand public affilié à l'ONSSAPL, visé à l'article 1er, § 7, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Il est accordé à l'employeur visé à l'article 2 de l'accord-cadre, dont la candidature est approuvée par le Comité de gestion, une intervention correspondant au moins à la différence entre le montant de la réduction dont il bénéficie sur base du Maribel ou de l'accord-cadre et le montant nécessaire pour l'engagement supplémentaire d'un travailleur à mi-temps. ".
2° Le § 2, alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2 alinéa 1. En outre, l'employeur qui a adhéré à l'accord-cadre peut bénéficier à sa demande d'une intervention supplémentaire conformément aux critères fixés par le Comité de gestion compte tenu des dispositions de l'article 9. ".
1° Le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Il est accordé à l'employeur visé à l'article 2 de l'accord-cadre, dont la candidature est approuvée par le Comité de gestion, une intervention correspondant au moins à la différence entre le montant de la réduction dont il bénéficie sur base du Maribel ou de l'accord-cadre et le montant nécessaire pour l'engagement supplémentaire d'un travailleur à mi-temps. ".
2° Le § 2, alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2 alinéa 1. En outre, l'employeur qui a adhéré à l'accord-cadre peut bénéficier à sa demande d'une intervention supplémentaire conformément aux critères fixés par le Comité de gestion compte tenu des dispositions de l'article 9. ".
Art. 2. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
" Art. 4bis. Ten belope van de niet-recurrente middelen waarover het Fonds op 30 juni 2000 beschikt en met naleving van de gewestelijke en communautaire verdeling bedoeld in artikel 4, § 3, wordt aan de in artikel 1 bedoelde werkgevers een forfaitaire tegemoetkoming toegekend voor de werknemers die werknemers vervangen die een opleiding volgen in het kader van opleidingsprojecten, georganiseerd door een door de Ministers goedgekeurd raamakkoord. ".
" Art. 4bis. Ten belope van de niet-recurrente middelen waarover het Fonds op 30 juni 2000 beschikt en met naleving van de gewestelijke en communautaire verdeling bedoeld in artikel 4, § 3, wordt aan de in artikel 1 bedoelde werkgevers een forfaitaire tegemoetkoming toegekend voor de werknemers die werknemers vervangen die een opleiding volgen in het kader van opleidingsprojecten, georganiseerd door een door de Ministers goedgekeurd raamakkoord. ".
Art. 2. Un article 4bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté royal :
" Art. 4bis. A concurrence des moyens non récurrents dont dispose le fonds au 30 juin 2000 et dans le respect de la répartition régionale et communautaire visée à l'article 4, § 3, il est accordé aux employeurs visés à l'article 1er une intervention forfaitaire pour les travailleurs en remplacement des travailleurs qui suivent une formation dans le cadre de projets de formation organisés par un accord-cadre approuvé par les Ministres. ".
" Art. 4bis. A concurrence des moyens non récurrents dont dispose le fonds au 30 juin 2000 et dans le respect de la répartition régionale et communautaire visée à l'article 4, § 3, il est accordé aux employeurs visés à l'article 1er une intervention forfaitaire pour les travailleurs en remplacement des travailleurs qui suivent une formation dans le cadre de projets de formation organisés par un accord-cadre approuvé par les Ministres. ".
Art. 3. Artikel 7, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit wordt opgeheven.
Art. 3. L'article 7, § 3, du même arrêté royal est abrogé.
Art. 4. Artikel 8, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Vervolgens, indien nodig, de lineaire vermindering van het bedrag van de tegemoetkomingen. ".
" Vervolgens, indien nodig, de lineaire vermindering van het bedrag van de tegemoetkomingen. ".
Art. 4. L'article 8, troisième alinéa, du même arrêté royal est remplacé par la disposition suivante :
" Ensuite, si nécessaire, de diminuer de manière linéaire le montant des interventions. ".
" Ensuite, si nécessaire, de diminuer de manière linéaire le montant des interventions. ".
Art. 5. In artikel 10 van het voormeld koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de getallen "250 000 BEF", "275 000 BEF" en "300 000 BEF" worden vervangen door respectievelijk de getallen "270 000 BEF", "318 000 BEF" en "318 000 BEF";
2° het eerste lid wordt als volgt aangevuld :
" Het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming is evenwel vastgesteld op 318 000 BEF per kwartaal en per nieuw voltijds aangeworven werknemer wanneer het gaat om tewerkstelling in het kader van opleidingsprojecten gefinancierd door niet-recurrente middelen waarover het fonds beschikt. ".
1° de getallen "250 000 BEF", "275 000 BEF" en "300 000 BEF" worden vervangen door respectievelijk de getallen "270 000 BEF", "318 000 BEF" en "318 000 BEF";
2° het eerste lid wordt als volgt aangevuld :
" Het bedrag van de forfaitaire tegemoetkoming is evenwel vastgesteld op 318 000 BEF per kwartaal en per nieuw voltijds aangeworven werknemer wanneer het gaat om tewerkstelling in het kader van opleidingsprojecten gefinancierd door niet-recurrente middelen waarover het fonds beschikt. ".
Art. 5. A l'article 10 du même arrêté royal, les modifications suivantes sont apportées :
1° les chiffres "250 000 BEF", "275 000 BEF" et "300 000 BEF" sont remplacés respectivement par les chiffres "270 000 BEF", "318 000 BEF" et "318 000 BEF";
2° L'alinéa premier est complété comme suit :
" Toutefois, le montant de l'intervention forfaitaire est fixé à 318 000 BEF par trimestre et par nouveau travailleur engagé à temps plein lorsqu'il s'agit d'une occupation dans le cadre de projets de formation, financés par des moyens non récurrents dont dispose le fonds. ".
1° les chiffres "250 000 BEF", "275 000 BEF" et "300 000 BEF" sont remplacés respectivement par les chiffres "270 000 BEF", "318 000 BEF" et "318 000 BEF";
2° L'alinéa premier est complété comme suit :
" Toutefois, le montant de l'intervention forfaitaire est fixé à 318 000 BEF par trimestre et par nouveau travailleur engagé à temps plein lorsqu'il s'agit d'une occupation dans le cadre de projets de formation, financés par des moyens non récurrents dont dispose le fonds. ".
HOOFDSTUK II. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 6. De werkgevers die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een forfaitaire tegemoetkoming van het Sectoraal Fonds genieten met toepassing van artikel 4, § 1, b) van het voormeld koninklijk besluit vóór zijn wijziging bij huidig besluit, worden geacht tot het raamakkoord toegetreden te zijn op de datum met ingang waarvan de voormelde forfaitaire tegemoetkoming wordt toegekend.
Art. 6. Les employeurs, qui bénéficient à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté d'une intervention forfaitaire du Fonds sectoriel en application de l'article 4, § 1er, b) de l'arrêté royal précité avant sa modification par le présent arrêté, sont censés avoir adhéré à l'accord-cadre à la date à partir de laquelle l'intervention forfaitaire précitée est accordée.
Art. 7. De werkgevers die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit een bijkomende tegemoetkoming van het Sectoraal Fonds genieten met toepassing van artikel 4, § 2, eerste lid van het voormeld koninklijk besluit vóór zijn wijziging bij huidig besluit, zijn met toepassing van voormelde bepaling, zoals zij luidt na de inwerkingtreding van dit besluit, gerechtigd op een bijkomende tegemoetkoming die minstens gelijk is aan diegene die zij reeds genieten.
Art. 7. Les employeurs, qui bénéficient à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté d'une intervention supplémentaire du Fonds sectoriel en application de l'article 4, § 2, alinéa 1er de l'arrêté royal précité avant sa modification par le présent arrêté, peuvent en application de la disposition précitée, telle qu'elle est libellée après l'entrée en vigueur de cet arrêté, prétendre à une intervention supplémentaire qui est au moins égale à celle dont ils bénéficient déjà.
Art. 8. De op 1 januari 2001 gerealiseerde bijkomende tewerkstelling die, ingevolge de wijziging van artikel 7 van het raamakkoord van 26 mei 1997 bij het raamakkoord van 22 maart 2001 of artikel 6, § 3 van het raamakkoord van 3 juni 1998 bij het raamakkoord van 22 maart 2001, de bijkomende netto- aangroei van de tewerkstelling overtreft die op voormelde datum gerealiseerd had moeten zijn met toepassing van artikel 7 zoals gewijzigd bij het raamakkoord van 22 maart 2001 of van artikel 6, § 3 zoals gewijzigd bij het raamakkoord van 22 maart 2001, wordt, indien de werkgever erom verzoekt, volgens de modaliteiten bepaald door het Beheerscomité en binnen de perken van de beschikbare budgettaire middelen ten laste genomen door het Sectoraal Fonds ten belope van de forfaitaire tegemoetkoming bedoeld in artikel 10.
Art. 8. L'emploi supplémentaire réalisé au 1er janvier 2001 qui, à la suite de la modification de l'article 7 de l'accord-cadre du 26 mai 1997 par l'accord-cadre du 22 mars 2001 ou de l'article 6, § 3 de l'accord-cadre du 3 juin 1998 par l'accord-cadre du 22 mars 2001, dépasse l'augmentation nette supplémentaire qui aurait dû être réalisée à la date précitée en application de l'article 7 comme modifié par l'accord-cadre du 22 mars 2001 ou de l'article 6, § 3 comme modifié par l'accord-cadre du 22 mars 2001, est pris en charge par le Fonds sectoriel jusqu'à concurrence de l'intervention forfaitaire visée à l'article 10 à la demande de l'employeur, et ceci selon les modalités fixées par le Comité de gestion et dans les limites des disponibilités budgétaires.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2001, met uitzondering van de artikelen 2 en 5 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2000 en artikel 8 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2001.
Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2001, à l'exception des articles 2 et 5 qui produisent leurs effets le 1er juillet 2000 et de l'article 8 qui produit ses effets le 1er janvier 2001.
Art. 10. Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Sociale Zaken evenals, voor de sectoren waarvoor hij bevoegd is, Onze Minister van Volksgezondheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 2 april 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
F. VANDENBROUCKE.
Gegeven te Brussel, 2 april 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
Mevr. M. AELVOET
De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
F. VANDENBROUCKE.
Art. 10. Notre Ministre de l'Emploi et Notre Ministre des Affaires sociales et, pour les secteurs pour lesquels il est compétent, Notre Ministre de la Santé publique sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles le 2 avril 2001.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
La Ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique, et de Environnement,
Mme M. AELVOET
Le Ministre des Affaires Sociales et des Pensions,
F. VANDENBROUCKE.
Donné à Bruxelles le 2 avril 2001.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX
La Ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique, et de Environnement,
Mme M. AELVOET
Le Ministre des Affaires Sociales et des Pensions,
F. VANDENBROUCKE.