Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 JANUARI 2001. - Koninklijk besluit betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-02-2001 en tekstbijwerking tot 14-04-2023)
Titre
25 JANVIER 2001. - Arrêté royal concernant les chantiers temporaires ou mobiles. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-02-2001 et mise à jour au 14-04-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities. Afdeling II. - (Bouwwerken met een totale opper... Onderafdeling I. - De coördinatie van het ontwe... Onderafdeling II.De coördinatie van de verwezen... Afdeling III. - (Bouwwerken met een totale oppe... Onderafdeling I. - De coördinatie van het ontwe... Onderafdeling II. - De coördinatie van de verwe... Afdeling IV. - (Bijzondere verplichtingen in ve... Onderafdeling I. - Het veiligheids- en gezondhe... Onderafdeling II. - Het coördinatiedagboek. Onderafdeling III. - Het postinterventiedossier. Onderafdeling IV. - De coördinatiestructuur. Afdeling V. - Bouwplaatsen waar de werken door ... Afdeling VI. - Bepalingen van toepassing op all... Onderafdeling I. - Toepassingsgebied. Onderafdeling II. - Voorafgaande kennisgeving. Onderafdeling III. - De overdracht, de terbesch... Onderafdeling IV. - Specifieke verplichtingen v... Onderafdeling V. - Specifieke verplichtingen va... Afdeling VII. - Voorwaarden voor de uitoefening... Onderafdeling I. - (Tijdelijke of mobiele bouwp... Basisvorming en nuttige beroepservaring. (Aanvullende vorming en andere kennis.) Bijzondere gevallen. Ondergrondse nutsleidingen Adjunct-coördinatoren. Overgangsmaatregelen. (Certificatie). Onderafdeling II. - Tijdelijke of mobiele bouwp... Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de ... Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de ... Onderafdeling III. - Voorwaarden geldend voor a... Burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering. Bijscholing. Afdeling VIII. - Slotbepalingen. BIJLAGEN.
Table des matières
Section I. - Champ d'application et définitions. Section II. - (Ouvrages dont la surface totale ... Sous-section Ire. - La coordination du projet d... Sous-section II. - La coordination de la réalis... Section III. - (Ouvrages dont la surface totale... Sous-section I. - La coordination du projet de ... Sous-section II. - La coordination de la réalis... Section IV. - (Obligations particulières en mat... Sous-section I. - Le plan de sécurité et de santé. Sous-section II. - Le journal de coordination. Sous-section III. - Le dossier d'intervention u... Sous-section IV. - La structure de coordination. Section V. - Chantiers où les travaux sont exéc... Section VI. - Dispositions applicables à tous l... Sous-section I. - Champ d'application. Sous-section II. - Notification préalable. Sous-section III. - La transmission, la mise à ... Sous-section IV. - Obligations spécifiques des ... Sous-section V. - Obligations spécifiques des i... Section VII. - Conditions d'exercice de la fonc... Sous-section I. - (Chantiers temporaires ou mob... Formation de base et expérience professionnelle... (Formation complémentaire et autres connaissances) Cas particuliers. Conduites utilitaires souterraines Coordinateurs adjoints Mesures transitoires. (Certification). Sous-section II. - Chantiers temporaires ou mob... Chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels ... Chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels ... Sous-section III. - Conditions applicables à to... Assurance en responsabilité civile. Formation continue. Section VIII. - Dispositions finales. ANNEXES.
Tekst (145)
Texte (144)
Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities.
Section I. - Champ d'application et définitions.
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet, evenals op de personen die betrokken zijn bij de werkzaamheden betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in artikel 2, § 2, en artikel 14 van de wet.
Article 1. Le présent arrêté s'applique aux employeurs et aux travailleurs et aux personnes assimilées aux travailleurs visés à l'article 2, § 1er de la loi, ainsi qu'aux personnes qui sont concernées par les travaux relatifs aux chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 2, § 2, et à l'article 14 de la loi.
Art.2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, namelijk de plaatsen waar de volgende bouwwerken of werken van burgerlijke bouwkunde worden uitgevoerd :
  1° graafwerken;
  2° grondwerken;
  3° funderings- en verstevigingswerken;
  4° waterbouwkundige werken;
  5° wegenwerken;
  6° plaatsing van nutsleidingen, inzonderheid, riolen, gasleidingen, elektriciteitskabels, en tussenkomsten op deze leidingen, voorafgegaan door andere in deze paragraaf bedoelde werken;
  7° bouwwerken;
  8° montage en demontage van, inzonderheid, geprefabriceerde elementen, liggers en kolommen;
  9° inrichtings- of uitrustingswerken;
  10° verbouwingswerken;
  11° vernieuwbouw;
  12° herstellingswerken;
  13° ontmantelingswerken;
  14° sloopwerken;
  15° instandhoudingswerken;
  16° onderhouds-, schilder- en reinigingswerken;
  17° saneringswerken;
  18° afwerkingswerkzaamheden behorende bij één of meer werken bedoeld in de punten 1° tot 17°.
  § 2. Dit besluit is niet van toepassing op :
  1° de boor- en winningswerkzaamheden in de winningsindustrieën;
  2° de montage van installaties, inzonderheid, productie-, transformatie-, transport- en behandelingsinstallaties en de tussenkomsten op deze installaties, met uitzondering van de werken bedoeld in § 1, 6°, en van de werken die betrekking hebben op de funderingen, op de beton- en de metselwerken en op de dragende structuren;
  3° de werken bedoeld in § 1 die door één enkele aannemer worden uitgevoerd in een inrichting waar de opdrachtgever werknemers tewerkstelt.
  De bepalingen van afdeling VI zijn evenwel van toepassing op de werken bedoeld in het eerste lid, 3°.
Art.2. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux chantiers temporaires ou mobiles, c'est-à-dire les lieux où s'effectuent les travaux du bâtiment ou de génie civil suivants :
  1° travaux d'excavation;
  2° travaux de terrassement;
  3° travaux de fondation et de renforcement;
  4° travaux hydrauliques;
  5° travaux de voirie;
  6° pose de conduits utilitaires, notamment, des égouts, des conduits de gaz, des câbles électriques, et interventions sur ces conduits, précédées par d'autres travaux visés au présent paragraphe;
  7° travaux de construction;
  8° travaux de montage et démontage, notamment, d'éléments préfabriqués, de poutres et de colonnes;
  9° travaux d'aménagement ou d'équipement;
  10° travaux de transformation;
  11° travaux de rénovation;
  12° travaux de réparation;
  13° travaux de démantèlement;
  14° travaux de démolition;
  15° travaux de maintenance;
  16° travaux d'entretien, de peinture et de nettoyage;
  17° travaux d'assainissement;
  18° travaux de finition se rapportant à un ou plusieurs travaux visés aux points 1° à 17°.
  § 2. Le présent arrêté ne s'applique pas :
  1° aux activités de forage et d'extraction dans les industries extractives;
  2° au montage d'installations, notamment, les installations de production, de transformation, de transport et de traitement et aux interventions sur ces installations, à l'exception des travaux visés au § 1er, 6°, et des travaux se rapportant aux fondations, au bétonnage, à la maçonnerie et aux structures portantes;
  3° aux travaux visés au § 1er qui sont effectués par un seul entrepreneur dans un établissement où le maître d'ouvrage occupe des travailleurs.
  Les dispositions de la section VI s'appliquent toutefois aux travaux visés au premier alinéa, 3°.
Art.3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder :
  1° "wet" : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  2° "tussenkomende partij" : elke persoon bedoeld in artikel 14 van de wet, met uitzondering van de werknemers;
  3° "coördinator-ontwerp" : "coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk", bedoeld in de wet;
  4° "coördinator-verwezenlijking" : "coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk", bedoeld in de wet.
  (5° "totale oppervlakte van een bouwwerk" : de som van de horizontaal gemeten oppervlaktes van de verschillende niveaus van het te verwezenlijken bouwwerk.
  Maken deel uit van eenzelfde bouwwerk, alle al dan niet aan elkaar palende constructies die deel uitmaken van eenzelfde project.
  De oppervlakte van de niveaus wordt berekend tussen de buitenwanden, de oppervlakte ingenomen door de wanden zelf inbegrepen.
  Op de niveaus waar de buitenwanden van een bouwwerk of van een deel ervan, geheel of gedeeltelijk afwezig zijn, of in de gevallen waar het bouwwerk van dergelijke aard is dat het niet toelaat één of meer niveaus te definiëren, worden de oppervlaktes begrensd door de verticale projectie van de buitenste contouren van het bouwwerk.
  Op de plaatsen waar openingen in de vloer van een niveau zijn aangebracht, inzonderheid voor de verwezenlijking van een atrium of voor de doorgang van trappen, liften of technische leidingen, worden de oppervlaktes van deze openingen opgeteld bij de vloeroppervlaktes.
  De dakvlakken die uitsluitend de functie van dakbedekking hebben worden niet opgenomen in de berekening van de totale oppervlakte van het bouwwerk.
  Worden evenmin opgenomen in de berekening van de totale oppervlakte van het bouwwerk, de oppervlaktes van de grondwerken die uitsluitend uitgevoerd worden om de verwezenlijking van een bouwwerk mogelijk te maken.
  Bij verbouwing, uitbreiding, gedeeltelijke wederopbouw, of afbraak van een bouwwerk worden voor de berekening van de totale oppervlakte van het bouwwerk, per niveau, enkel de oppervlaktes in rekening gebracht van de lokalen of zones waar één of meer van de werken, opgesomd in artikel 2, § 1, worden uitgevoerd.
  6° "veiligheids- en gezondheidsplan" : document of het geheel van documenten waarvan de inhoud beantwoordt aan de bijlage I, deel A, en dat de op basis van risicoanalyses vastgestelde preventiemaatregelen bevat ter voorkoming van de risico's waaraan de werknemers kunnen blootgesteld worden als gevolg van :
  a) de aard van het bouwwerk;
  b) de wederzijdse inwerking van activiteiten van de diverse tussenkomende partijen die tegelijkertijd op de tijdelijke of mobiele bouwplaats aanwezig zijn;
  c) de opeenvolging van activiteiten van de diverse tussenkomende partijen op een tijdelijke of mobiele bouwplaats wanneer een tussenkomst, na het beëindigen ervan, risico's laat bestaan voor de andere tussenkomende partijen die later zullen tussenkomen;
  d) de wederzijdse inwerking van alle installaties of alle andere activiteiten op of in de nabijheid van de site waar de tijdelijke of mobiele bouwplaats is gevestigd, inzonderheid het openbaar of privaat goederen- of personenvervoer, het aanvatten of de voortzetting van het gebruik van een gebouw of de voortzetting van eender welke exploitatie;
  e) de uitvoering van mogelijke latere werkzaamheden aan het bouwwerk;
  7° "coördinatiedagboek" : document of geheel van documenten waarvan de inhoud beantwoordt aan de bijlage I, deel B, en dat door de coördinator wordt bijgehouden en dat de gegevens en bemerkingen vermeldt betreffende de coördinatie en gebeurtenissen op de bouwplaats;
  8° "postinterventiedossier" : dossier waarvan de inhoud beantwoordt aan de bijlage I, deel C, en dat de voor de veiligheid en de gezondheid nuttige elementen bevat waarmee bij eventuele latere werkzaamheden moet worden rekening gehouden en dat aangepast is aan de kenmerken van het bouwwerk;
  9° "coördinatiestructuur" : orgaan waarvan de samenstelling beantwoordt aan de bijlage I, deel D, en dat bijdraagt tot de organisatie van de coördinatie inzake veiligheid en gezondheid op de bouwplaats door inzonderheid :
  a) te zorgen voor de vereenvoudiging van de informatie en de raadpleging van de verschillende tussenkomende partijen evenals van hun onderlinge communicatie;
  b) te zorgen voor een efficiënt overleg tussen de tussenkomende partijen omtrent de toepassing van de preventiemaatregelen op de bouwplaats;
  c) te zorgen voor de regeling van elke betwisting of onduidelijkheid inzake de naleving van de preventiemaatregelen op de bouwplaats;
  d) adviezen inzake veiligheid en gezondheid uit te brengen.) <KB 2005-01-19/31, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.3. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° "loi" : la loi du 4 août 1996 concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail;
  2° "intervenant" : toute personne visée à l'article 14 de la loi, à l'exception des travailleurs;
  3° "coordinateur-projet" : "coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant l'élaboration du projet de l'ouvrage" visé par la loi;
  4° "coordinateur-réalisation" : "coordinateur en matière de sécurité et de santé pendant la réalisation de l'ouvrage" visé par la loi.
  (5° "surface totale d'un ouvrage" : la somme des surfaces mesurées horizontalement des différents niveaux de l'ouvrage à réaliser.
  Font partie d'un même ouvrage, tous les ouvrages attenants ou non qui font partie d'un même projet.
  La surface des niveaux est calculée entre les parois extérieures, la surface occupée par les parois étant comprise.
  Aux niveaux où les parois extérieures d'un ouvrage ou d'une partie de celui-ci manquent totalement ou partiellement, ou dans les cas où l'ouvrage est d'une nature telle qu'il ne permet pas de définir un ou plusieurs niveaux, les surfaces sont délimitées par la projection verticale des contours extérieurs de l'ouvrage.
  Aux endroits où des ouvertures sont pratiquées dans le plancher d'un niveau, notamment pour la réalisation d'un atrium ou pour le passage d'escaliers, ascenseurs ou conduites techniques, les surfaces de ces ouvertures sont ajoutées aux surfaces des planchers.
  Les pans de toiture qui n'ont pour seule fonction que la couverture de la toiture ne sont pas compris dans le calcul de la surface totale de l'ouvrage.
  Ne sont pas non plus compris dans le calcul de la surface totale de l'ouvrage, les surfaces des travaux de terrassement qui ne sont exécutés que pour permettre la réalisation d'un ouvrage.
  Lors de la transformation, de l'extension, de la reconstruction partielle ou de la démolition d'un ouvrage, par niveau, seules les surfaces des locaux ou zones où sont exécutés un ou plusieurs des travaux énumérés à l'article 2, § 1er, sont prises en considération pour le calcul de la surface totale de l'ouvrage.
  6° "plan de sécurité et de santé" : document ou ensemble de documents dont le contenu répond à l'annexe Ire, partie A, et qui contient les mesures de prévention des risques, déterminées sur la base d'analyses de risques, auxquels les travailleurs peuvent être exposés à la suite de :
  a) la nature de l'ouvrage;
  b) l'interférence des activités des divers intervenants qui sont simultanément présents sur le chantier temporaire ou mobile;
  c) la succession des activités des divers intervenants sur un chantier temporaire ou mobile, lorsqu'une intervention laisse subsister, après son achèvement, des risques pour les autres intervenants qui interviendront ultérieurement;
  d) l'interférence de toutes les installations ou de toutes les autres activités à l'intérieur ou à proximité du site sur lequel est implanté le chantier temporaire ou mobile, notamment, le transport public ou privé de biens ou de personnes, le début ou la poursuite de l'utilisation d'un bâtiment ou la poursuite d'une exploitation quelconque;
  e) l'exécution d'éventuels travaux ultérieurs à l'ouvrage;
  7° "journal de coordination" : document ou ensemble de documents dont le contenu répond à l'annexe Ire, partie B et qui est tenu à jour par le coordinateur et mentionne les éléments et remarques concernant la coordination et les événements sur le chantier;
  8° "dossier d'intervention ultérieure" : dossier dont le contenu répond à l'annexe Ire, partie C, et qui contient les éléments utiles pour la sécurité et la santé dont il faut tenir compte lors de travaux ultérieurs éventuels et qui est adapté aux caractéristiques de l'ouvrage;
  9° "structure de coordination" : organe dont la composition répond à l'annexe Ire, partie D et qui contribue à l'organisation de la coordination en matière de sécurité et de santé sur le chantier, notamment en :
  a) obtenant la simplification de l'information et de la consultation des différents intervenants ainsi que de la communication entre eux;
  b) obtenant une concertation efficace entre les intervenants quant à la mise en oeuvre des mesures de prévention sur le chantier;
  c) obtenant l'arrangement de tout litige ou toute imprécision concernant le respect des mesures de prévention sur le chantier;
  d) émettant des avis en matière de sécurité et de santé.) <AR 2005-01-19/31, art. 2, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Afdeling II. - (Bouwwerken met een totale oppervlakte kleiner dan 500 m2 waar werken worden uitgevoerd door meerdere aannemers.)
Section II. - (Ouvrages dont la surface totale est inférieure à 500 m2 où des travaux sont exécutés par plusieurs entrepreneurs.)
Art.4. <KB 2005-01-19/31, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen die betrekking hebben op bouwwerken waarvan de totale oppervlakte kleiner is dan 500 m2 en waar werken worden uitgevoerd door ten minste twee aannemers, die tegelijkertijd of achtereenvolgens tussenkomen.
  § 2. Het bouwen en het afbreken van bouwwerken opgenomen in de lijst vastgesteld in de bijlage V zijn van de toepassing van de bepalingen van deze afdeling uitgesloten.
Art.4. <AR 2005-01-19/31, art. 3, 004; En vigueur : 27-01-2005> § 1er. Les dispositions de la présente section s'appliquent aux chantiers temporaires ou mobiles qui concernent des ouvrages dont la surface totale est inférieure à 500 m2 et où des travaux sont exécutés par au moins deux entrepreneurs, qui interviennent simultanément ou successivement.
  § 2. La construction et la démolition d'ouvrages repris dans la liste fixée à l'annexe V, sont exclues de l'application des dispositions de la présente section.
Onderafdeling I. - De coördinatie van het ontwerp van het bouwwerk.
Sous-section Ire. - La coordination du projet de l'ouvrage.
Art. 4bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Behalve indien met zekerheid vaststaat dat de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaats door één enkele aannemer zullen worden uitgevoerd, stelt de bouwdirectie belast met het ontwerp tijdens de studiefase van het ontwerp van het bouwwerk één coördinator-ontwerp aan.
  (In afwijking van vorig lid mag een opdrachtgever die werkgever is, de verplichting van de bouwdirectie belast met het ontwerp te zijnen laste nemen. In dit geval vervult de opdrachtgever alle verplichtingen van de bouwdirectie belast met het ontwerp bedoeld in deze onderafdeling.) <KB 2006-03-22/45, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 22-04-2006>
  Indien het ontwerp van het bouwwerk de medewerking van een architect wettelijk vereist, wordt de functie van coördinator-ontwerp uitgeoefend door :
  1° hetzij een architect die voldoet aan de bepalingen van artikel 65ter, § 1;
  2° hetzij een coördinator-ontwerp die voldoet aan de bepalingen van artikel 65ter, § 1;
  3° hetzij een coördinator-verwezenlijking met een continue praktische beroepservaring van ten minste drie jaar als coördinator-verwezenlijking en die voldoet aan de bepalingen van artikel 65ter, § 1.
  Indien het ontwerp van het bouwwerk wettelijk niet de medewerking van een architect vereist, wordt de functie van coördinator-ontwerp uitgeoefend door :
  1° hetzij één van de in het tweede lid bedoelde personen;
  2° hetzij een bouwdirectie belast met de uitvoering of een aannemer die voldoen aan de bepalingen van, al naargelang het geval, artikel 65quater, § 2 of artikel 65quinquies, 3°.
Art. 4bis. Sauf s'il est établi avec certitude que les travaux sur le chantier temporaire ou mobile seront exécutés par un seul entrepreneur, le maître d'oeuvre chargé du projet désigne un seul coordinateur-projet lors de la phase d'étude du projet de l'ouvrage.
  (Par dérogation à l'alinéa précédent, un maître d'ouvrage qui est employeur, peut prendre l'obligation du maître d'oeuvre chargé de la conception à sa charge. Dans ce cas, le maître d'ouvrage répond de toutes les obligations du maître d'oeuvre chargé de la conception, visées par la présente sous-section.) <AR 2006-03-22/45, art. 1, 006; En vigueur : 22-04-2006>
  Si le projet de l'ouvrage requiert légalement la collaboration d'un architecte, la fonction de coordinateur-projet est exercée par :
  1° soit un architecte qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 1er;
  2° soit un coordinateur-projet qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 1er;
  3° soit un coordinateur-réalisation ayant une expérience professionnelle pratique continue d'au moins trois ans comme coordinateur-réalisation et qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 1er.
  Si le projet de l'ouvrage ne requiert pas légalement la collaboration d'un architecte, la fonction de coordinateur-projet est exercée par :
  1° soit l'une des personnes visées à l'alinéa 2;
  2° soit un maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou un entrepreneur qui répondent, suivant le cas, aux dispositions de l'article 65quater, § 2 ou de l'article 65quinquies, 3°.
Art. 4ter. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De bouwdirectie belast met het ontwerp mag de uitwerking van het project niet aanvatten of verder zetten, zolang de coördinator-ontwerp niet is aangesteld.
Art. 4ter. Le maître d'oeuvre chargé de la conception ne peut entamer ni poursuivre l'élaboration du projet tant que le coordinateur-projet n'est pas désigné.
Art. 4quater. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. De bouwdirectie belast met het ontwerp ziet erop toe dat de coördinator-ontwerp :
  1° zijn opdrachten, bedoeld in artikel 4sexies, volledig en adequaat vervult;
  2° betrokken wordt bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de uitwerking, wijzigingen en aanpassingen van het ontwerp van het bouwwerk;
  3° alle informatie krijgt die nodig is voor de uitvoering van zijn opdrachten; hiertoe wordt de coördinator uitgenodigd op alle vergaderingen, georganiseerd door de bouwdirectie belast met het ontwerp, en ontvangt hij alle door deze bouwdirectie verwezenlijkte studies binnen een termijn die hem toelaat zijn opdrachten uit te voeren;
  4° bij het einde van zijn opdracht een exemplaar van het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan, het eventuele geactualiseerde coördinatiedagboek en het geactualiseerde postinterventiedossier aan de opdrachtgever, of in het geval van meerdere opdrachtgevers, aan de opdrachtgevers overmaakt.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende tussenkomende partijen, ziet de bouwdirectie belast met het ontwerp erop toe dat de verschillende tussenkomende partijen samenwerken en hun activiteiten coördineren, teneinde aan de coördinator-ontwerp de bevoegdheid, de middelen en de informatie te verzekeren, nodig voor de goede uitvoering van zijn opdrachten.
Art. 4quater. § 1er. Le maître d'oeuvre chargé de la conception veille à ce que le coordinateur projet :
  1° remplisse entièrement et de façon adéquate les tâches visées à l'article 4sexies ;
  2° soit associé à toutes les étapes des activités relatives à l'élaboration, aux modifications et aux adaptations du projet de l'ouvrage;
  3° reçoive toutes les informations nécessaires à l'exécution de ses tâches; à cet effet, le coordinateur est invité à toutes les réunions organisées par le maître d'oeuvre chargé de la conception et reçoit toutes les études réalisées par ce maître d'oeuvre dans un délai lui permettant d'exécuter ses tâches;
  4° remette, en fin de mission, au maître d'ouvrage ou, dans le cas de plusieurs maîtres d'ouvrage, à ceux-ci, un exemplaire du plan de sécurité et de santé actualisé, de l'éventuel journal de coordination actualisé, et du dossier d'intervention ultérieure.
  § 2. Sans préjudice des responsabilités des différents intervenants, le maître d'oeuvre chargé de la conception veille à ce que les différents intervenants coopèrent et coordonnent leurs activités afin d'assurer au coordinateur la compétence, les moyens et les informations nécessaires à la bonne exécution de ses tâches.
Art. 4quater decies. § 1er. Lorsque le maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation n'exerce pas la fonction de coordinateur-réalisation, la désignation de ce dernier fait l'objet d'une convention écrite entre ces deux parties.
  Lorsque le coordinateur-réalisation est un travailleur du maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation, la désignation du coordinateur fait l'objet d'un document signé par ce maître d'oeuvre et le coordinateur.
  § 2. la convention ou le document visés au § 1er, alinéas 1er et 2, définit les règles relatives à l'accomplissement des tâches du coordinateur-réalisation ainsi que les moyens mis à sa disposition.
  Cette convention ou ce document ne peut contenir de clause qui transfère au coordinateur tout ou partie des responsabilités incombant aux autres intervenants en application de la loi ou du présent arrêté.
  § 3. La convention ou le document précise notamment :
  1° les tâches que le coordinateur-réalisation est tenu d'accomplir en application de l'article 4quinquies decies ;
  2° le moment auquel le coordinateur-réalisation entame sa mission;
  3° les obligations du maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation découlant des dispositions de l'article 4duodecies ;4° les phases critiques pour la sécurité et la santé où le coordinateur-réalisation sera au moins présent sur le chantier.
  § 4. Le document visé au § 1er, alinéa 2, précise en outre :
  1° le cas échéant, les collaborateurs, les locaux et les équipements de travail mis à la disposition du coordinateur-réalisation;
  2° le temps mis à la disposition du coordinateur-réalisation et de ses collaborateurs éventuels pour l'exécution de la mission de coordination.
Art. 4quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. Wanneer de bouwdirectie belast met het ontwerp niet de functie van coördinator-ontwerp uitoefent, maakt de aanstelling van deze laatste het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst, gesloten tussen deze beide partijen.
  Wanneer de coördinator-ontwerp een werknemer is van de bouwdirectie belast met het ontwerp, maakt de aanstelling van de coördinator het voorwerp uit van een document dat door deze bouwdirectie en de coördinator is ondertekend.
  § 2. De overeenkomst of het document, bedoeld in § 1, eerste en tweede lid, bepalen de regels voor het vervullen van de opdrachten van de coördinator-ontwerp en de hem ter beschikking gestelde middelen.
  Deze overeenkomst, of dit document mogen geen clausules bevatten, die de verantwoordelijkheden, welke krachtens de wet of dit besluit aan de andere tussenkomende partijen toekomen, geheel of gedeeltelijk aan de coördinator overdragen.
  § 3. De overeenkomst, of het document bepalen inzonderheid nader :
  1° de taken die de coördinator-ontwerp in toepassing van artikel 4sexies moet vervullen;
  2° het ogenblik waarop de coördinator-ontwerp zijn opdracht aanvangt;
  3° de verplichtingen van de bouwdirectie belast met het ontwerp, voortvloeiend uit de bepalingen van artikel 4quater.
  4° de momenten in de verschillende fases van het ontwerp waarop de coördinator-ontwerp met de opdrachtgevers en de bouwdirectie belast met het ontwerp overlegt of kan overleggen en de door hen gemaakte keuzen, bedoeld in artikel 17 van de wet, in het veiligheids- en gezondheidsplan vastlegt;
  § 4. Het document bedoeld in § 1, tweede lid, bepaalt bovendien nader :
  1° in voorkomend geval, de medewerkers, lokalen en arbeidsmiddelen, die ter beschikking gesteld worden van de coördinator-ontwerp;
  2° de tijd die de coördinator-ontwerp en zijn eventuele medewerkers voor het vervullen van de coördinatieopdracht ter beschikking gesteld wordt.
Art. 4quinquies. § 1er. Lorsque le maître d'oeuvre chargé de la conception n'exerce pas la fonction de coordinateur-projet, la désignation de ce dernier fait l'objet d'une convention écrite conclue entre ces deux parties.
  Lorsque le coordinateur-projet est un travailleur du maître d'oeuvre chargé de la conception, la désignation du coordinateur fait l'objet d'un document signé par ce maître d'oeuvre et le coordinateur.
  § 2. la convention ou le document visés au § 1er, alinéas 1er et 2, définit les règles relatives à l'accomplissement des tâches du coordinateur-projet ainsi que les moyens mis à sa disposition.
  Cette convention ou ce document ne peut contenir de clause qui transfère au coordinateur tout ou partie des responsabilités incombant aux autres intervenants en application de la loi ou du présent arrêté.
  § 3. La convention ou le document précise notamment :
  1° les tâches que le coordinateur-projet est tenu d'accomplir en application de l'article 4sexies ;
  2° le moment auquel le coordinateur-projet entame sa mission;
  3° les obligations du maître d'oeuvre chargé de la conception découlant des dispositions de l'article 4quater.
  4° les moments lors des différentes phases du projet où le coordinateur-projet se concerte ou peut se concerter avec les maîtres d'ouvrage et le maître d'oeuvre chargé de la conception et où il consigne leurs choix, visés à l'article 17 de la loi, dans le plan de sécurité et de santé;
  § 4. Le document visé au § 1er, alinéa 2, précise en outre :
  1° le cas échéant, les collaborateurs, locaux et moyens mis à la disposition du coordinateur-projet;
  2° le temps dont disposent le coordinateur-projet et ses collaborateurs éventuels en vue de remplir la mission de coordination.
Art. 4sexies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Naast de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 18 van de wet is de coördinator-ontwerp, inzonderheid, belast met de volgende taken :
  1° hij stelt het veiligheids- en gezondheidsplan op en neemt er de keuzen, bedoeld in artikel 17 van de wet in op, alsook de voor de veiligheid en de gezondheid kritieke fasen waarop de coördinator-verwezenlijking ten minste op de bouwplaats aanwezig moet zijn;
  2° hij past het veiligheids- en gezondheidsplan aan aan elke wijziging aangebracht aan het ontwerp;
  3° hij maakt de elementen uit het veiligheids- en gezondheidsplan over aan de tussenkomende partijen voorzover deze elementen hen betreffen;
  4° hij zorgt ervoor dat de betrokkenen schriftelijk in kennis worden gesteld van hun eventuele gedragingen, handelingen, keuzen of nalatigheden die in strijd zijn met de algemene preventieprincipes; daartoe mag hij ook een coördinatiedagboek aanwenden;
  5° hij adviseert de opdrachtgevers inzake de overeenstemming van het document gevoegd bij de offertes, bedoeld in artikel 30, tweede lid, 1°, met het veiligheids- en gezondheidsplan en stelt hen in kennis van eventuele niet-overeenstemmingen;
  6° hij opent het postinterventiedossier, houdt het bij en vult het aan;
  7° hij draagt het veiligheids- en gezondheidsplan, het eventuele coördinatiedagboek en het postinterventiedossier over aan de opdrachtgevers en stelt die overdracht en het einde van het ontwerp van bouwwerk schriftelijk vast.
Art. 4sexies. 0utre l'exécution des missions visées à l'article 18 de la loi, le coordinateur-projet est en particulier chargé des tâches suivantes :
  1° Il établit le plan de sécurité et de santé et y reprend les choix visés à l'article 17 de la loi, ainsi que les phases critiques pour la sécurité et la santé où le coordinateur-réalisation doit au moins être présent sur le chantier;
  2° il adapte le plan de sécurité et de santé à toute modification apportée au projet;
  3° il transmet les éléments du plan de sécurité et de santé aux intervenants pour autant que ces éléments les concernent;
  4° il fait en sorte que les intéressés soient informés par écrit de leurs comportements, actions, choix ou négligences éventuels qui sont contraires aux principes généraux de prévention; à cet effet, il peut aussi utiliser un journal de coordination;
  5° il conseille les maîtres d'ouvrage concernant la conformité du document joint aux offres, visé à l'article 30, alinéa 2, 1°, avec le plan de sécurité et de santé et les informe de non-conformités éventuelles;
  6° il ouvre le dossier d'intervention ultérieure, le tient et le complète;
  7° il remet le plan de sécurité et de santé, le journal de coordination éventuel et le dossier d'intervention ultérieure aux maîtres d'ouvrage et constate par écrit cette remise et la fin du projet de l'ouvrage.
Art. 4septies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De opdracht van de coördinator-ontwerp wordt beëindigd door de overdracht bedoeld in artikel 4sexies, 7°.
Art. 4septies. La mission du coordinateur-projet prend fin par la remise des documents visée à l'article 4sexies, 7°.
Onderafdeling II.De coördinatie van de verwezenlijking van het bouwwerk
Sous-section II. - La coordination de la réalisation de l'ouvrage.
Art. 4octies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De coördinatie, uitgevoerd in de loop van het ontwerp van het bouwwerk, wordt tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk niet verder gezet, wanneer alle werken door één enkele aannemer worden uitgevoerd.
  In dit geval passen de opdrachtgever en de aannemer de voorschriften van de artikelen 42 en 43 toe.
Art. 4octies. La coordination exécutée au cours du projet de l'ouvrage ne se poursuit pas pendant la réalisation de l'ouvrage si tous les travaux sont exécutés par un seul entrepreneur.
  Dans ce cas, le maître d'ouvrage et l'entrepreneur appliquent les dispositions des articles 42 et 43.
Art. 4nonies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Wanneer de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaats door één enkele aannemer worden uitgevoerd, moet, behalve in geval van overmacht, de verplichting bedoeld in artikel 4decies worden nageleefd van zodra zich onvoorziene omstandigheden voordoen die de aannemer of de opdrachtgever ertoe aanzetten beroep te doen op één of meerdere bijkomende aannemers.
Art. 4nonies. Lorsque les travaux sur le chantier temporaire ou mobile sont exécutés par un seul entrepreneur, sauf cas de force majeure, l'obligation visée à l'article 4decies doit être respectée dès que des circonstances imprévues se produisent amenant l'entrepreneur ou le maître d'ouvrage à faire appel à un ou plusieurs entrepreneurs supplémentaires.
Art. 4decies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. Vóór het begin van de uitvoering van de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaats stelt de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering één coördinator-verwezenlijking aan.
  § 2. Bij ontstentenis van een bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering valt, de in § 1 bedoelde verplichting ten laste van :
  1° de bouwdirectie belast met de uitvoering;
  2° ingeval er meerdere bouwdirecties belast met de uitvoering zijn, de bouwdirectie die als eerste een overeenkomst afsluit met de opdrachtgevers;
  3° ingeval er meerdere bouwdirecties belast met de uitvoering zijn, en waarbij geen bouwdirectie, noch haar aannemers of haar onderaannemers gelijktijdig met andere bouwdirecties, hun aannemers of onderaannemers op de bouwplaats tussenkomen, de bouwdirectie die als eerste op de bouwplaats tussenkomt; bij beëindiging van haar tussenkomst gaat voormelde verplichting over naar de volgende bouwdirectie tot beëindiging van haar tussenkomst en gaat alzo verder over van de ene bouwdirectie op de volgende, tot de beëindiging van het project.
  De in vorig lid, 3°, bedoelde bouwdirectie die haar tussenkomst beëindigt, maakt de instrumenten bij de coördinatie met de nodige toelichtingen, over aan de bouwdirectie die haar opvolgt. Indien deze bouwdirectie door haar niet gekend is, maakt zij de instrumenten bij de coördinatie met een schriftelijke toelichting over aan de opdrachtgever, die deze bewaart en ter beschikking houdt van de volgende tussenkomende bouwdirectie.
  Indien de instrumenten bij de coördinatie hen niet verstrekt worden, vragen de in het eerste lid, 3°, bedoelde bouwdirecties die niet als eerste op de bouwplaats tussenkomen, deze op bij al naargelang het geval, de voorgaande bouwdirectie of de opdrachtgever.
  (§ 2bis. In afwijking van § 1 en § 2, mag een opdrachtgever die werkgever is, de verplichting van de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, respectievelijk de bouwdirectie of de bouwdirecties belast met de uitvoering te zijnen laste nemen. In dit geval vervult de opdrachtgever alle verplichtingen van deze bouwdirectie of bouwdirecties bedoeld in deze onderafdeling.) <KB 2006-03-22/45, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 22-04-2006>
  § 3. De functie van coördinator-verwezenlijking wordt uitgeoefend door :
  1° hetzij een architect die voldoet aan de bepalingen van artikel 65ter, § 1;
  2° hetzij een coördinator-verwezenlijking die voldoet aan de bepalingen van artikel 65ter, § 1;
  3° hetzij een bouwdirectie belast met de uitvoering of een aannemer die voldoen aan de bepalingen van artikel 65ter, § 2.
Art. 4decies. § 1er. Avant le début de l'exécution des travaux sur le chantier temporaire ou mobile, le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution désigne un coordinateur-réalisation.
  § 2. A défaut de maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, l'obligation visée au § 1er incombe :
  1° au maître d'oeuvre chargé de l'exécution;
  2° s'il y a plusieurs maîtres d'oeuvre chargés de l'exécution, au premier maître d'oeuvre qui conclut une convention avec les maîtres d'ouvrage;
  3° s'il y a plusieurs maîtres d'oeuvre chargés de l'exécution, et qu'aucun maître d'oeuvre, ni ses entrepreneurs ou sous-traitants n'interviennent simultanément avec d'autres maîtres d'oeuvre, leurs entrepreneurs ou leurs sous-traitants sur le chantier, au maître d'oeuvre qui intervient le premier sur le chantier; à l'achèvement de son intervention, l'obligation précitée se transfère sur le maître d'oeuvre suivant jusqu'à l'achèvement de son intervention et continue ainsi à se transférer d'un maître d'oeuvre sur le suivant, jusqu'à l'achèvement du projet.
  Le maître d'oeuvre visé au précédant alinéa, 3°, qui achève son intervention, transmet les instruments lors de la coordination avec les explications nécessaires au maître d'oeuvre suivant. S'il ne connaît pas ce dernier, il transmet les instruments lors de la coordination avec une explication écrite au maître d'ouvrage, qui les conserve et les tient à la disposition du maître d'oeuvre suivant qui intervient.
  Si les instruments lors de la coordination ne leur sont pas fournis, les maîtres d'oeuvre visés à l'alinéa 1er, 3°, qui n'interviennent pas le premier sur le chantier, les exigent, suivant le cas, auprès du maître d'oeuvre précédant où du maître d'ouvrage.
  (§ 2bis. Par dérogation au § 1er et au § 2, un maître d'ouvrage qui est employeur, peut prendre l'obligation du maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, respectivement du maître ou des maîtres d'ouvrage chargés de l'exécution, à sa charge. Dans ce cas, le maître d'ouvrage répond de toutes les obligations de ce maître d'oeuvre ou de ces maîtres d'oeuvre, visées par la présente sous-section.) <AR 2006-03-22/45, art. 2, 006; En vigueur : 22-04-2006>
  § 3. La fonction de coordinateur-réalisation est exercée par :
  1° soit un architecte qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 1er;
  2° soit un coordinateur-réalisation qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 1er;
  3° soit un maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou un entrepreneur qui répond aux dispositions de l'article 65ter, § 2.
Art. 4undecies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Behalve in geval van overmacht mogen de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen slechts aangevat of verdergezet worden na de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking.
Art. 4undecies. Sauf cas de force majeure, les travaux sur le chantier temporaire ou mobile ne peuvent être entamés ou poursuivis qu'après la désignation du coordinateur-réalisation.
Art. 4duodecies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. De bouwdirectie belast met de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking ziet er op toe dat deze in het bezit gesteld wordt van een exemplaar van het veiligheids- en gezondheidsplan, van het eventuele coördinatiedagboek en van het postinterventiedossier.
  § 2. De bouwdirectie belast met de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking ziet er op toe dat deze :
  1° zijn opdrachten, bedoeld in artikel 4quinquies decies, volledig en adequaat vervult;
  2° betrokken wordt bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de verwezenlijking van het bouwwerk;
  3° alle informatie krijgt die nodig is voor de uitvoering van zijn opdrachten; hiertoe wordt de coördinator uitgenodigd op alle vergaderingen, georganiseerd door de bouwdirectie belast met de uitvoering of door de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, en ontvangt hij alle door deze bouwdirecties verwezenlijkte studies binnen een termijn die hem toelaat zijn opdrachten uit te voeren;
  4° bij het einde van zijn opdracht een exemplaar van het veiligheids- en gezondheidsplan, het eventuele coördinatiedagboek en het postinterventiedossier, allen aangepast overeenkomstig de bepalingen van de bijlage I, aan de opdrachtgevers tegen ontvangstbewijs overmaakt.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende tussenkomende partijen, ziet de bouwdirectie belast met de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking erop toe dat de verschillende tussenkomende partijen samenwerken en hun activiteiten coördineren, teneinde aan de coördinator-verwezenlijking de bevoegdheid, de middelen en de informatie te verzekeren, nodig voor de goede uitvoering van zijn opdrachten.
Art. 4duodecies. § 1er. Le maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation veille à ce que celui-ci reçoive un exemplaire du plan de sécurité et de santé, de l'éventuel journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure.
  § 2. Le maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation veille à ce que celui-ci :
  1° remplisse entièrement et de façon adéquate les tâches visées à l'article 4quinquies decies ;
  2° soit associé à toutes les étapes des activités relatives à l'élaboration de l'ouvrage;
  3° reçoive toutes les informations nécessaires à l'exécution de ses tâches; à cet effet, le coordinateur est invité à toutes les réunions organisées par le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, ou par le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, et reçoit toutes les études réalisées par ces maîtres d'oeuvre dans un délai lui permettant d'exécuter ses tâches;
  4° remette aux maîtres d'ouvrage, en fin de mission, avec accusé de réception, un exemplaire du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination éventuel, et du dossier d'intervention ultérieure, tous adaptés conformément aux dispositions de l'annexe Ire.
  § 3. Sans préjudice des responsabilités des différents intervenants, Le maître d'oeuvre chargé de la désignation du coordinateur-réalisation veille à ce que les différents intervenants coopèrent et coordonnent leurs activités afin d'assurer au coordinateur-réalisation la compétence, les moyens et les informations nécessaires à la bonne exécution de ses tâches
Art. 4terdecies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De functies van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking mogen door een zelfde persoon vervuld worden.
Art. 4terdecies. Les fonctions de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation peuvent être exercées par une seule et même personne.
Art. 4quaterdecies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. Wanneer de bouwdirectie belast met aanstelling van de coördinator-verwezenlijking niet de functie van coördinator-verwezenlijking uitoefent, maakt de aanstelling van deze laatste het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst, gesloten tussen deze beide partijen.
  Wanneer de coördinator-verwezenlijking een werknemer is van de bouwdirectie belast met aanstelling van de coördinator-verwezenlijking, maakt de aanstelling van de coördinator het voorwerp uit van een document dat door deze bouwdirectie en de coördinator is ondertekend.
  § 2. De overeenkomst of het document, bedoeld in § 1, eerste en tweede lid, bepalen de regels voor het vervullen van de opdrachten van de coördinator-verwezenlijking en de hem ter beschikking gestelde middelen.
  Deze overeenkomst, of dit document mogen geen clausules bevatten, die de verantwoordelijkheden, welke krachtens de wet of dit besluit aan de andere tussenkomende partijen toekomen, geheel of gedeeltelijk aan de coördinator overdragen.
  § 3. De overeenkomst, of het document bepalen inzonderheid nader :
  1° de taken die de coördinator-verwezenlijking in toepassing van artikel 4quinquies decies moet vervullen;
  2° het ogenblik waarop de coördinator-verwezenlijking zijn opdracht aanvangt;
  3° de verplichtingen van de bouwdirectie belast met de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking, voortvloeiend uit de bepalingen van artikel 4duodecies;
  4° de voor de veiligheid en de gezondheid kritieke fasen waarop de coördinator-verwezenlijking ten minste op de bouwplaats aanwezig zal zijn.
  § 4. Het document bedoeld in § 1, tweede lid, bepaalt bovendien nader :
  1° in voorkomend geval, de medewerkers, lokalen en arbeidsmiddelen, die ter beschikking gesteld worden van de coördinator-verwezenlijking;
  2° de tijd die de coördinator-verwezenlijking en zijn eventuele medewerkers voor het vervullen van de coördinatieopdracht ter beschikking gesteld wordt.
Art. 4quinquiesdecies. Outre l'exécution des missions visées à l'article 22 de la loi, le coordinateur-réalisation est chargé des tâches suivantes :
  1° il adapte le plan de sécurité et de santé conformément l'annexe Ire, partie A, section II, alinéa 2 et transmet les éléments du plan de sécurité et de santé adapté aux intervenants pour autant que ces éléments les concernent;
  2° il fait en sorte que les intéressés soient informés par écrit de leurs éventuels comportements, actions, choix ou négligences qui sont en contradiction avec les principes généraux de prévention; à cet effet, il peut également utiliser un journal de coordination éventuel;
  3° il convoque une éventuelle structure de coordination conformément aux dispositions de l'article 40;
  4° il complète le dossier d'intervention ultérieure en fonction des éléments du plan de sécurité et de santé actualisé qui présentent un intérêt pour l'exécution de travaux ultérieurs à l'ouvrage;
  5° lors de la réception provisoire de l'ouvrage, ou à défaut, lors de la réception de l'ouvrage, il remet aux maîtres d'ouvrage le plan de sécurité et de santé actualisé, l'éventuel journal de coordination et le dossier d'intervention ultérieure et prend acte de cette remise dans un procès-verbal qu'il joint au dossier d'intervention ultérieure; le coordinateur désigné en application de l'article 4decies, § 2, 3°, remet ces documents toutefois au maître d'oeuvre qui l'a désigné.
  Nonobstant la constitution d'une éventuelle structure de coordination, le coordinateur-réalisation répond à toute requête motivée par la coordination de la sécurité ou de la santé, émanant d'un ou de plusieurs intervenants sollicitant sa présence sur le chantier.
Art. 4quinquiesdecies. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 3; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Naast de uitvoering van de opdrachten bepaald in artikel 22 van de wet is de coördinator-verwezenlijking belast met de volgende opdrachten :
  1° hij past het veiligheids- en gezondheidsplan aan overeenkomstig de bijlage I, deel A, afdeling II, tweede lid, en maakt de elementen van het aangepaste veiligheids- en gezondheidsplan over aan de tussenkomende partijen voorzover deze elementen hen aanbelangen;
  2° hij zorgt ervoor dat de betrokkenen schriftelijk in kennis worden gesteld van hun eventuele gedragingen, handelingen, keuzen of nalatigheden die in strijd zijn met de algemene preventieprincipes; daartoe mag hij ook een eventueel coördinatiedagboek aanwenden;
  3° hij roept een eventuele coördinatiestructuur samen overeenkomstig de bepalingen van artikel 40;
  4° hij vult het postinterventiedossier aan in functie van de elementen van het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan die voor de uitvoering van latere werkzaamheden aan het bouwwerk van belang zijn;
  5° hij draagt, bij de voorlopige oplevering van de werken, of bij ontstentenis, bij de oplevering van de werken, het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan, het eventuele coördinatiedagboek en het postinterventiedossier over aan de opdrachtgevers en stelt die overdracht vast in een proces-verbaal dat bij het postinterventiedossier wordt gevoegd; de coördinator aangesteld in toepassing van artikel 4decies, § 2, 3°, draagt deze documenten evenwel over aan de bouwdirectie die hem aanstelde.
  Ongeacht de oprichting van een eventuele coördinatiestructuur of niet gaat de coördinator-verwezenlijking in op het op grond van de coördinatie van de veiligheid of de gezondheid gemotiveerd verzoek van één of meer tussenkomende partijen om op de bouwplaats aanwezig te zijn.
Art. 4sexiesdecies. La mission du coordinateur-réalisation prend fin par la remise des documents visés à l'article 4quinquies decies, 5°."
Art. 4sexiesdecies. De opdracht van de coördinator-verwezenlijking wordt beëindigd door de overdracht van de documenten bedoeld in artikel 4quinquies decies, 5°.
Section III. - (Ouvrages dont la surface totale est égale ou supérieure à 500 m2 ou qui appartient à l'annexe V, et où des travaux sont exécutés par plusieurs entrepreneurs.)
Afdeling III. - (Bouwwerken met een totale oppervlakte gelijk aan of groter dan 500 m2 of die behoren tot de bijlage V, en waar werken worden uitgevoerd door meerdere aannemers.)
Art. 4septiesdecies. § 1er. Les dispositions de la présente section sont applicables aux chantiers temporaires ou mobiles où s'effectuent des travaux par au moins deux entrepreneurs intervenant simultanément ou successivement et qui concernent les ouvrages dont la surface totale est égale ou supérieure à 500 m2.
Art. 4septiesdecies. § 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar werken worden uitgevoerd door ten minste twee aannemers, die tegelijkertijd of achtereenvolgens tussenkomen en die betrekking hebben op bouwwerken waarvan de totale oppervlakte gelijk is aan of groter dan 500 m2.
Sous-section I. - La coordination du projet de l'ouvrage.
Onderafdeling I. - De coördinatie van het ontwerp van het bouwwerk.
Art.5. (...). Sauf dans les cas où il est établi avec certitude que les travaux sur le chantier temporaire ou mobile seront exécutés par un seul entrepreneur, le maître d'ouvrage désigne un seul coordinateur-projet lors de la phase d'étude du projet de l'ouvrage.
Art.5. (...) Behalve indien met zekerheid vaststaat dat de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaats door één enkele aannemer zullen worden uitgevoerd, stelt de opdrachtgever tijdens de studiefase van het ontwerp van het bouwwerk één coördinator-ontwerp aan. <KB 2005-01-19/31, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Wanneer op een zelfde plaats gelijktijdig bouwwerken of werken van burgerlijke bouwkunde worden uitgevoerd voor rekening van meerdere opdrachtgevers, stellen zij tijdens de studiefase van het ontwerp van het bouwwerk één gemeenschapplijke coördinator-ontwerp aan via een schriftelijke overeenkomst.
  § 2. (...) <KB 2005-01-19/31, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.6. Le maître d'oeuvre chargé de la conception ne peut entamer ou poursuivre l'élaboration du projet tant que le coordinateur-projet n'est pas désigné.
Art.6. De bouwdirectie belast met het ontwerp mag de uitwerking van het project niet aanvatten of verderzetten, zolang de coördinator-ontwerp niet is aangesteld.
Art.7. § 1er. Les (maîtres d'ouvrage) veillent à ce que celui-ci : <AR 2005-01-19/31, art. 7, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  1° remplisse, (entièrement) et de façon adéquate, les tâches visées à l'article 11; <AR 2005-01-19/31, art. 7, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  2° soit associé à toutes les étapes des activités relatives à l'élaboration, aux modifications et aux adaptations du projet de l'ouvrage;
  3° reçoive toutes les informations nécessaires à l'exécution de ses tâches; à cet effet, le coordinateur est invité à toutes les réunions organisées par le maître d'oeuvre chargé de la conception et est rendu destinataire, dans un délai permettant l'exécution de ses tâches, de toutes les études réalisées par ce maître d'oeuvre;
  4° leur remette, en fin de mission, un exemplaire du plan de sécurité et de santé actualisé, du journal de coordination actualisé, et du dossier d'intervention ultérieure.
  § 2. Sans préjudice des responsabilités des différents intervenants, les (maîtres d'ouvrage) veillent à ce que les différents intervenants coopèrent et coordonnent leurs activités, afin d'assurer au coordinateur la compétence, les moyens et les informations nécessaires à la bonne exécution de ses tâches. <AR 2005-01-19/31, art. 7, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.7. § 1. De (opdrachtgevers) zien erop toe dat deze : <KB 2005-01-19/31, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° zijn opdrachten, bedoeld in artikel 11, (...) volledig en adequaat vervult; <KB 2005-01-19/31, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  2° betrokken wordt bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de uitwerking, wijzigingen en aanpassingen van het ontwerp van het bouwwerk;
  3° alle informatie krijgt die nodig is voor de uitvoering van zijn opdrachten; hiertoe wordt de coördinator uitgenodigd op alle vergaderingen, georganiseerd door de bouwdirectie belast met het ontwerp, en ontvangt hij alle door deze bouwdirectie verwezenlijkte studies binnen een termijn die hem toelaat zijn opdrachten uit te voeren;
  4° hen bij het einde van zijn opdracht een exemplaar van het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan, het geactualiseerde coördinatiedagboek en het postinterventiedossier overmaakt.
  § 2. Zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende tussenkomende partijen, zien de (opdrachtgevers) erop toe dat de verschillende tussenkomende partijen samenwerken en hun activiteiten coördineren, teneinde aan de coördinator de bevoegdheid, de middelen en de informatie te verzekeren, nodig voor de goede uitvoering van zijn opdrachten.<KB 2005-01-19/31, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.8. Le coordinateur-projet désigné peut être assisté par un ou plusieurs adjoints.
  Ces adjoints sont soumis, pour l'accomplissement de leur mission, aux mêmes dispositions que le coordinateur-projet.
Art.8. De aangeduide coördinator-ontwerp kan bijgestaan worden door één of meerdere adjuncten.
  Deze adjuncten zijn voor het vervullen van hun opdracht onderworpen aan dezelfde bepalingen als de coördinator-ontwerp.
Art.9. <AR 2005-01-19/31, art. 8, 004; En vigueur : 27-01-2005> La désignation du coordinateur-projet fait l'objet d'une convention écrite, conclue entre le coordinateur et les maîtres d'ouvrage.
  Lorsque le coordinateur-projet est un travailleur d'un maître d'ouvrage, sa désignation fera l'objet d'un document signé par le coordinateur et ce maître d'ouvrage et, dans le cas de plusieurs maîtres d'ouvrage, également d'une convention écrite conclue entre l'employeur du coordinateur et les autres maîtres d'ouvrage.
Art.9. <KB 2005-01-19/31, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De aanstelling van de coördinator-ontwerp maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst, gesloten tussen deze coördinator en de opdrachtgevers.
  Wanneer de coördinator-ontwerp een werknemer is van een opdrachtgever, maakt zijn aanstelling het voorwerp uit van een document dat door de coördinator en deze opdrachtgever is ondertekend en, in de gevallen van meerdere opdrachtgevers, tevens van een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de werkgever van de coördinator en de andere opdrachtgevers.
Art.10. § 1er. La convention ou le document, visé à l'article 9, premier et deuxième alinéas, définissent les règles relatives à l'accomplissement des tâches du coordinateur-projet, ainsi que les moyens mis à sa disposition.
  Cette convention, ou ce document ne peuvent contenir de clauses qui transfèrent au coordinateur tout ou partie des responsabilités incombant aux autres intervenants en application de la loi ou du présent arrêté.
  § 2. La convention, ou le document précisent notamment :
  1° les tâches que le coordinateur-projet est tenu d'accomplir, en exécution de l'article 11;
  2° le moment auquel le coordinateur-projet entame sa mission;
  3° les obligations des (maîtres d'ouvrage), qui résultent des dispositions de l'article 7. <AR 2005-01-19/31, art. 9, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  (4° les moments lors des différentes phases du projet auxquels le coordinateur-projet se concerte ou peut se concerter avec les maîtres d'ouvrage et le maître d'oeuvre chargé de la conception et auxquels il consigne leurs choix, visés à l'article 17 de la loi, dans le plan de sécurité et de santé.) <AR 2005-01-19/31, art. 9, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 3. Le document visé à l'article 9, deuxième alinéa, précise en outre :
  1° le cas échéant, le nombre d'adjoints du coordinateur-projet et leur mode de désignation;
  2° le cas échéant, les collaborateurs, les locaux et les équipements de travail mis à la disposition du coordinateur-projet;
  3° le temps mis à la disposition du coordinateur-projet et de ses adjoints et collaborateurs éventuels pour l'exécution de la mission de coordination.
Art.10. § 1. De overeenkomst of het document, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, bepalen de regels voor het vervullen van de opdrachten van de coördinator-ontwerp en de hem ter beschikking gestelde middelen.
  Deze overeenkomst, of dit document mogen geen clausules bevatten, die de verantwoordelijkheden, welke krachtens de wet of dit besluit aan de andere tussenkomende partijen toekomen, geheel of gedeeltelijk aan de coördinator overdragen.
  § 2. De overeenkomst, of het document bepalen inzonderheid nader :
  1° de taken die de coördinator-ontwerp in toepassing van artikel 11 moet vervullen;
  2° het ogenblik waarop de coördinator-ontwerp zijn opdracht aanvangt;
  3° de verplichtingen van de (opdrachtgevers), voortvloeiend uit de bepalingen van artikel 7. <KB 2005-01-19/31, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  (4° de momenten in de verschillende fases van het ontwerp waarop de coördinator-ontwerp met de opdrachtgevers en de bouwdirectie belast met het ontwerp overlegt of kan overleggen en de door hen gemaakte keuzen, bedoeld in artikel 17 van de wet, in het veiligheids- en gezondheidsplan vastlegt.) <KB 2005-01-19/31, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 3. Het document bedoeld in artikel 9, tweede lid, bepaalt bovendien nader :
  1° in voorkomend geval, het aantal adjuncten van de coördinator-ontwerp en de wijze waarop zij worden aangesteld;
  2° in voorkomend geval, de medewerkers, lokalen en arbeidsmiddelen, die ter beschikking gesteld worden van de coördinator-ontwerp;
  3° de tijd die de coördinator-ontwerp en zijn eventuele adjuncten en medewerkers voor het vervullen van de coördinatieopdracht ter beschikking gesteld wordt.
Art.11. Outre l'exécution des missions visées à l'article 18 de la loi le coordinateur-projet est, notamment, chargé des tâches suivantes :
  1° il établit le plan de sécurité et de santé (et y reprend les choix visés à l'article 17 de la loi ainsi que les phases critiques pour la sécurité et la santé où le coordinateur-réalisation doit au moins être présent sur le chantier); <AR 2005-01-19/31, art. 10, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  2° il adapte le plan de sécurité et de santé à chaque modification apportée au projet;
  3° il transmet les éléments du plan de sécurité et de santé aux intervenants pour autant que ces éléments les concernent;
  4° il conseille les (maîtres d'ouvrage) en ce qui concerne la conformité du document annexé aux offres, visé à l'article 30, deuxième alinéa, 1°, au plan de sécurité et de santé et leur notifie les éventuelles non-conformités; <AR 2005-01-19/31, art. 10, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  5° il ouvre le journal de coordination et le dossier d'intervention ultérieure, les tient et les complète (...); <AR 2005-01-19/31, art. 10, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  6° il transmet le plan de sécurité et de santé, le journal de coordination et le dossier d'intervention ultérieure (aux maîtres d'ouvrage) et acte cette transmission et la fin du projet de l'ouvrage dans le journal de coordination et dans un document distinct. <AR 2005-01-19/31, art. 10, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.11. Naast de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 18 van de wet is de coördinator-ontwerp, inzonderheid, belast met de volgende taken :
  1° hij stelt het veiligheids- en gezondheidsplan op, (en neemt er de keuzen, bedoeld in artikel 17 van de wet in op, alsook de voor de veiligheid en de gezondheid kritieke fasen waarop de coördinator-verwezenlijking ten minste op de bouwplaats aanwezig moet zijn); <KB 2005-01-19/31, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  2° hij past het veiligheids- en gezondheidsplan aan aan elke wijziging aangebracht aan het ontwerp;
  3° hij maakt de elementen uit het veiligheids- en gezondheidsplan over aan de tussenkomende partijen voor zover deze elementen hen betreffen;
  4° hij adviseert de (opdrachtgevers) inzake de overeenstemming van het document gevoegd bij de offertes, bedoeld in artikel 30, tweede lid, 1°, met het veiligheids- en gezondheidsplan en stelt hen in kennis van eventuele niet-overeenstemmingen; <KB 2005-01-19/31, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  5° hij opent het coördinatiedagboek en postinterventiedossier, houdt ze bij en vult ze aan (...); <KB 2005-01-19/31, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  6° hij draagt het veiligheids- en gezondheidsplan, het coördinatiedagboek en het postinterventiedossier over aan de (opdrachtgevers) en stelt die overdracht en het einde van het ontwerp van bouwwerk vast in het coördinatiedagboek en in een afzonderlijk document. <KB 2005-01-19/31, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.12. La mission du coordinateur-projet prend fin par la transmission visée à l'article 11, 6°.
Art.12. De opdracht van de coördinator-ontwerp wordt beëindigd door de overdracht bedoeld in artikel 11, 6°.
Sous-section II. - La coordination de la réalisation de l'ouvrage.
Onderafdeling II. - De coördinatie van de verwezenlijking van het bouwwerk.
Art.13. La coordination, exécutée au cours du projet de l'ouvrage, n'est pas poursuivie durant la réalisation de l'ouvrage lorsque tous les travaux sont exécutés par un seul entrepreneur.
Art.13. De coördinatie, uitgevoerd in de loop van het ontwerp van het bouwwerk, wordt tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk niet verdergezet, wanneer alle werken door één enkele aannemer worden uitgevoerd.
  In dit geval passen de opdrachtgever en de aannemer de voorschriften van de artikelen 42 en 43 toe.
Art.14. Lorsque les travaux sur les chantiers temporaires ou mobiles sont exécutés par un seul entrepreneur, l'obligation visée à l'article 15 (...) doit être respectée, sauf cas de force majeure, dès le moment de la survenance de circonstances imprévues qui amènent l'entrepreneur ou le maître d'ouvrage à faire appel à un ou à plusieurs entrepreneurs complémentaires. <AR 2005-01-19/31, art. 11, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.14. Wanneer de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen door één enkele aannemer worden uitgevoerd, moet, behalve in geval van overmacht, de verplichting bedoeld in artikel 15 (...) worden nageleefd van zodra zich onvoorziene omstandigheden voordoen die de aannemer of de opdrachtgever ertoe aanzetten beroep te doen op één of meerdere bijkomende aannemers. <KB 2005-01-19/31, art. 11, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.15. (...) Avant le début de l'exécution des travaux sur le chantier temporaire ou mobile, le maître d'ouvrage désigne un seul coordinateur-réalisation. <AR 2005-01-19/31, art. 12, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  Lorsque, sur un même lieu, s'effectuent simultanément des travaux du bâtiment ou des travaux de génie civil pour le compte de plusieurs maîtres d'ouvrage, ils désignent avant le début de l'exécution des travaux un seul coordinateur-réalisation commun par une convention écrite.
  § 2. (...) <AR 2005-01-19/31, art. 12, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.15. (...) Vóór het begin van de uitvoering van de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen stelt de opdrachtgever één coördinator-verwezenlijking aan. <KB 2005-01-19/31, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Wanneer op een zelfde plaats gelijktijdig bouwwerken of werken van burgerlijke bouwkunde worden uitgevoerd voor rekening van meerdere opdrachtgevers, stellen zij vóór het begin van de uitvoering van de werken één gemeenschappelijke coördinator-verwezenlijking aan via een schriftelijke overeenkomst.
  § 2. (...) <KB 2005-01-19/31, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.16. § 1er. Le maître d'ouvrage peut faire appel à des candidats pour la fonction de coordinateur-réalisation par le biais d'un cahier des charges établi spécifiquement pour l'exercice de la mission de coordination.
  Le maître d'ouvrage qui fait toutefois appel à des candidats pour la fonction de coordinateur-réalisation par le biais d'un cahier des charges établi pour un marché de travaux, doit décrire toutes les tâches relatives à la mission de coordination dans un poste séparé de ce cahier.
  § 2. Sauf cas de force majeure, les travaux ne peuvent débuter ou se poursuivre sur les chantiers temporaires ou mobiles qu'après la désignation du coordinateur-réalisation.
Art.16. § 1. De opdrachtgever kan een oproep doen tot kandidaten voor de functie van coördinator-verwezenlijking aan de hand van een bestek dat specifiek is opgesteld voor de uitoefening van de coördinatieopdracht.
  De opdrachtgever die evenwel een oproep tot kandidaten voor de functie van coördinator-verwezenlijking doet aan de hand van een voor de opdracht van de werken opgesteld bestek, moet alle taken in verband met de coördinatieopdracht beschrijven in een afzonderlijke post van dit bestek.
  § 2. Behalve in geval van overmacht mogen de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen slechts aangevat of verdergezet worden na de aanstelling van de coördinator-verwezenlijking.
Art.17. § 1er. Les (maîtres d'ouvrage) veillent à ce que ce coordinateur soit mis en possession d'un exemplaire du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure.
  § 2. Les (maîtres d'ouvrage) veillent à ce que celui-ci : <AR 2005-01-19/31, art. 13, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  1° remplisse (entièrement) de façon adéquate ses missions, visées à l'article 22; <AR 2006-03-22/45, art. 3, 006; En vigueur : 22-04-2006>
  2° soit associé à toutes les étapes des activités relatives à la réalisation de l'ouvrage;
  3° reçoive toutes les informations nécessaires à l'exécution de ses tâches; à cet effet, le coordinateur est invité à toutes les réunions, organisées par le maître d'oeuvre chargé de l'exécution ou par le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, et reçoit, dans un délai permettant l'exécution de ses tâches, toutes les études réalisées par ces maîtres d'oeuvre;
  4° leur remette, en fin de mission, avec accusé de réception, un exemplaire du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure, adaptés conformément aux dispositions de l'article 22, 2° à 4°.
  § 3. Sans préjudice des responsabilités des différents intervenants, les (maîtres d'ouvrage) veillent à ce que les différents intervenants coopèrent et coordonnent leurs activités, afin d'assurer au coordinateur la compétence, les moyens et les informations nécessaires à la bonne exécution de ses tâches.<AR 2005-01-19/31, art. 13, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.17. § 1. De (opdrachtgevers) zien er op toe dat die coördinator in het bezit gesteld wordt van een exemplaar van het veiligheids- en gezondheidsplan, van het coördinatiedagboek en van het postinterventiedossier. <KB 2005-01-19/31, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 2. De (opdrachtgevers) zien erop toe dat deze : <KB 2005-01-19/31, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° zijn opdrachten, bedoeld in artikel 22, (...) volledig en adequaat vervult; <KB 2006-03-22/45, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 22-04-2006>
  2° betrokken wordt bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de verwezenlijking van het bouwwerk;
  3° alle informatie krijgt die nodig is voor de uitvoering van zijn opdrachten; hiertoe wordt de coördinator uitgenodigd op alle vergaderingen, georganiseerd door de bouwdirectie belast met de uitvoering of door de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, en ontvangt hij alle door deze bouwdirecties verwezenlijkte studies binnen een termijn die hem toelaat zijn opdrachten uit te voeren;
  4° hen bij het einde van zijn opdracht een exemplaar van het veiligheids- en gezondheidsplan, het coördinatiedagboek en het postinterventiedossier, allen aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 22, 2° tot 4°, tegen ontvangstbewijs overmaakt.
  § 3. Zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende tussenkomende partijen, zien de (opdrachtgevers) erop toe dat de verschillende tussenkomende partijen samenwerken en hun activiteiten coördineren, teneinde aan de coördinator de bevoegdheid, de middelen en de informatie te verzekeren, nodig voor de goede uitvoering van zijn opdrachten. <KB 2005-01-19/31, art. 13, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.18. Les fonctions de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation peuvent être remplies par une même personne.
Art.18. De functies van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking mogen door een zelfde persoon vervuld worden.
Art.19. Le coordinateur-réalisation désigné peut être assisté par un ou plusieurs adjoints.
  Ces adjoints sont soumis, pour l'accomplissement de leur mission, aux mêmes dispositions que le coordinateur-réalisation.
Art.19. De aangeduide coördinator-verwezenlijking kan bijgestaan worden door één of meerdere adjuncten.
  Deze adjuncten zijn voor het vervullen van hun opdracht onderworpen aan dezelfde bepalingen als de coördinator-verwezenlijking.
Art.20. <AR 2005-01-19/31, art. 14, 004; En vigueur : 27-01-2005> La désignation du coordinateur-réalisation fait l'objet d'une convention écrite, conclue entre ce coordinateur et les maîtres d'ouvrage.
  Lorsque le coordinateur-réalisation est un travailleur d'un maître d'ouvrage, sa désignation fait l'objet d'un document signé par le coordinateur et ce maître d'ouvrage et, dans les cas de plusieurs maîtres d'ouvrage, également d'une convention écrite conclue entre l'employeur du coordinateur et les autres maîtres d'ouvrage.
Art.20. <KB 2005-01-19/31, art. 14, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De aanstelling van de coördinator-verwezenlijking maakt het voorwerp uit van een schriftelijke overeenkomst, gesloten tussen deze coördinator en de opdrachtgevers.
  Wanneer de coördinator-verwezenlijking een werknemer is van een opdrachtgever, maakt zijn aanstelling het voorwerp uit van een document dat door de coördinator en deze opdrachtgever is ondertekend en, in de gevallen van meerdere opdrachtgevers, tevens van een schriftelijke overeenkomst gesloten tussen de werkgever van de coördinator en de andere opdrachtgevers.
Art.21. § 1er. La convention, ou le document, visé à l'article 20, premier et deuxième alinéas, définissent les règles relatives à l'accomplissement des tâches du coordinateur-réalisation, ainsi que les moyens mis à sa disposition.
  Cette convention, ou ce document ne peuvent contenir des clauses qui transfèrent au coordinateur tout ou partie des responsabilités incombant aux autres intervenants en application de la loi ou du présent arrêté.
  § 2. La convention, ou le document précisent notamment :
  1° les tâches que le coordinateur-réalisation est tenu d'accomplir, en exécution de l'article 22;
  2° le moment auquel le coordinateur-réalisation entame sa mission;
  3° les obligations des (maîtres d'ouvrage), qui résultent des dispositions de l'article 17. <AR 2005-01-19/31, art. 15, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  (4° les phases critiques pour la sécurité et la santé où le coordinateur-réalisation sera au moins présent sur le chantier.) <AR 2005-01-19/31, art. 15, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 3. Le document visé à l'article 20, deuxième alinéa, précise en outre :
  1° le cas échéant, le nombre d'adjoints du coordinateur-réalisation et leur mode de désignation;
  2° le cas échéant, les collaborateurs, les locaux et les équipements de travail mis à la disposition du coordinateur-réalisation;
  3° le temps mis à la disposition du coordinateur-réalisation et de ses adjoints et collaborateurs éventuels pour l'exécution de la mission de coordination.
Art.21. § 1. De overeenkomst, of het document, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, bepalen de regels voor het vervullen van de opdrachten van de coördinator-verwezenlijking en de hem ter beschikking gestelde middelen.
  Deze overeenkomst, of dit document mogen geen clausules bevatten, die de verantwoordelijkheden, welke krachtens de wet of dit besluit aan de andere tussenkomende partijen toekomen, geheel of gedeeltelijk aan de coördinator overdragen.
  § 2. De overeenkomst, of het document bepalen inzonderheid nader :
  1° de taken die de coördinator-verwezenlijking in toepassing van artikel 22 moet vervullen;
  2° het ogenblik waarop de coördinator-verwezenlijking zijn opdracht aanvangt;
  3° de verplichtingen van de (opdrachtgevers), voortvloeiend uit de bepalingen van artikel 17. <KB 2005-01-19/31, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  (4° de voor de veiligheid en de gezondheid kritieke fasen waarop de coördinator-verwezenlijking ten minste op de bouwplaats aanwezig zal zijn.) <KB 2005-01-19/31, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 3. Het document bedoeld in artikel 20, tweede lid, bepaalt bovendien nader :
  1° in voorkomend geval, het aantal adjuncten van de coördinator-verwezenlijking en de wijze waarop zij worden aangesteld;
  2° in voorkomend geval, de medewerkers, lokalen en arbeidsmiddelen, die ter beschikking gesteld worden van de coördinator-verwezenlijking;
  3° de tijd die de coördinator-verwezenlijking en zijn eventuele adjuncten en medewerkers voor het vervullen van de coördinatieopdracht ter beschikking gesteld wordt.
Art.22. Outre l'exécution des missions visées à l'article 22 de la loi, le coordinateur-réalisation est chargé des missions suivantes :
  1° il adapte le plan de sécurité et de santé conformément (à l'annexe Ire, partie A, section Ire, alinéa 2,) et transmet les éléments du plan de sécurité et de santé adapté aux intervenants pour autant que ces éléments les concernent; <AR 2005-01-19/31, art. 16, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  2° il tient le journal de coordination et le complète (...); <AR 2005-01-19/31, art. 16, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  3° il inscrit les manquements des intervenants visés à l'(annexe Ire, partie B, 6°, dans le journal de coordination et les notifie aux maîtres d'ouvrage); <AR 2005-01-19/31, art. 16, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  4° il inscrit les remarques des entrepreneurs dans le journal de coordination et les laisse viser par les intéressés;
  5° il convoque la structure de coordination conformément aux dispositions de l'article 40;
  6° il complète le dossier d'intervention ultérieure en fonction des éléments du plan de sécurité et de santé actualisé qui présentent un intérêt pour l'exécution de travaux ultérieurs à l'ouvrage;
  7° lors de la réception provisoire de l'ouvrage, ou à défaut, lors de la réception de l'ouvrage, il remet le plan de sécurité et de santé actualisé, le journal de coordination actualisé et le dossier d'intervention ultérieure (aux maîtres d'ouvrage)et prend acte de cette remise dans un procès-verbal qu'il joint au dossier d'intervention ultérieure. <AR 2005-01-19/31, art. 16, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  (Nonobstant la constitution d'une structure de coordination, le coordinateur-réalisation répondra à toute requête motivée par la sécurité ou la santé émanant d'un ou de plusieurs intervenants sollicitant sa présence sur le chantier.) <AR 2005-01-19/31, art. 16, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.22. Naast de uitvoering van de opdrachten bepaald in artikel 22 van de wet is de coördinator-verwezenlijking belast met de volgende opdrachten :
  1° hij past het veiligheids- en gezondheidsplan aan overeenkomstig (de bijlage I, deel A, afdeling I, tweede lid,) en maakt de elementen van het aangepaste veiligheids- en gezondheidsplan over aan de tussenkomende partijen voor zover deze elementen hen aanbelangen; <KB 2005-01-19/31, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  2° hij houdt het coördinatiedagboek bij en vult het aan (...); <KB 2005-01-19/31, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  3° hij noteert in het coördinatiedagboek de tekortkomingen van de tussenkomende partijen bedoeld in (bijlage I, deel B, 6°, en stelt de opdrachtgevers) hiervan in kennis; <KB 2005-01-19/31, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  4° hij noteert de opmerkingen van de aannemers in het coördinatiedagboek en laat ze door de betrokken partijen viseren;
  5° hij roept de coördinatiestructuur samen overeenkomstig de bepalingen van artikel 40;
  6° hij vult het postinterventiedossier aan in functie van de elementen van het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan die voor de uitvoering van latere werkzaamheden aan het bouwwerk van belang zijn;
  7° hij draagt, bij de voorlopige oplevering van de werken, of bij ontstentenis, bij de oplevering van de werken, het geactualiseerde veiligheids- en gezondheidsplan, het geactualiseerde coördinatiedagboek en het postinterventiedossier over aan de (opdrachtgevers) en stelt die overdracht vast in een proces-verbaal dat bij het postinterventiedossier wordt gevoegd. <KB 2005-01-19/31, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  (Ongeacht de oprichting van een coördinatiestructuur of niet gaat de coördinator-verwezenlijking in op het op grond van de veiligheid of de gezondheid gemotiveerd verzoek van één of meer tussenkomende partijen om op de bouwplaats aanwezig te zijn.) <KB 2005-01-19/31, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.23. La mission du coordinateur-réalisation prend fin par la remise des documents visés à l'article 22, 7°.
Art.23. De opdracht van de coördinator-verwezenlijking wordt beëindigd door de overdracht van de documenten bedoeld in artikel 22, 7°.
Art.24. (Opgeheven)
Section IV. - (Obligations particulières en matière d'instruments lors de la coordination.)
Afdeling IV. - (Bijzondere verplichtingen in verband met de instrumenten bij de coördinatie.)
Sous-section I. - Le plan de sécurité et de santé.
Onderafdeling I. - Het veiligheids- en gezondheidsplan.
Art.25. (Abrogé)
Art.26. § 1er. Nonobstant les mesures de prévention prévues, l'établissement et la tenue d'un plan de sécurité et de santé sont toujours obligatoires pour les chantiers temporaires ou mobiles (pour lesquels un coordinateur-projet ou un coordinateur-réalisation doit être désigné et) où un ou plusieurs des travaux suivants sont exécutés : <AR 2005-01-19/31, art. 20, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  1° travaux, tels que visés au second alinéa, qui exposent les travailleurs à des dangers d'ensevelissement, d'enlisement ou de chute de hauteur, particulièrement aggravés par la nature de l'activité ou des procédés mis en oeuvre ou par l'environnement du poste de travail ou de l'ouvrage;
  2° travaux exposant les travailleurs à des agents chimiques ou biologiques qui présentent un risque particulier pour la sécurité et la santé des travailleurs;
  3° tout travail avec radiations ionisantes qui exige la désignation de zones contrôlées ou surveillées telles que définies à l'article 2 de l'arrêté royal du 28 février 1963 portant règlement général de la protection de la population et des travailleurs contre le danger des radiations ionisantes;
  4° travaux à proximité de lignes ou câbles électriques à haute tension (ou de conduites sous une pression intérieure de 15 bar ou plus); <AR 2005-01-19/31, art. 20, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  5° travaux exposant les travailleurs à un risque de noyade;
  6° travaux de terrassements souterrains et de tunnels;
  7° travaux en plongée appareillée;
  8° travaux en caisson à air comprimé;
  9° travaux comportant l'usage d'explosifs;
  10° travaux de montage ou de démontage d'éléments préfabriqués (lourds). <AR 2005-01-19/31, art. 20, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  Pour l'application du premier alinéa, 1°, sont notamment considérés comme dangers particulièrement aggravés :
  a) le creusement de tranchées ou de puits dont la profondeur excède 1,20 m et les travaux à, ou dans ces puits;
  b) le travail dans les environs immédiats de matériaux tels que le sable mouvant ou la vase;
  c) le travail avec danger de chute d'une hauteur de 5 m ou plus.
  § 2. (Pour les chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels un coordinateur-projet ou un coordinateur-réalisation doit être désigné, l'établissement et la tenue d'un plan de sécurité et de santé sont en outre obligatoires lorsque le chantier est d'une importance telle que :
  1° soit, la durée présumée des travaux excède trente jours ouvrables et où, à un ou plusieurs moments, plus de vingt travailleurs sont occupés simultanément;
  2° soit, le volume présumé des travaux est supérieur à 500 hommes-jour.) <AR 2005-01-19/31, art. 20, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  Pour la détermination de l'importance de chantiers temporaires ou mobiles faisant l'objet d'une mission continue ou d'un groupe de missions sans rapport entre eux, l'ensemble des travaux ayant un rapport entre eux est considéré comme un chantier temporaire ou mobile distinct.
  § 3. (Pour les chantiers temporaires ou mobiles, autres que ceux visés au § 1er et au § 2, et pour lesquels un coordinateur-projet ou un coordinateur-réalisation doit être désigné, l'établissement et la tenue d'un plan de sécurité et de santé ou d'une convention écrite est obligatoire conformément aux dispositions, selon le cas, de l'article 27, § 2, ou de l'article 29.) <AR 2005-01-19/31, art. 20, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.26. § 1. Ongeacht de voorziene preventiemaatregelen, is het opstellen en bijhouden van een veiligheids- en gezondheidsplan steeds verplicht voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen (waarvoor een coördinator-ontwerp of een coördinator-verwezenlijking moet worden aangesteld en) waar één of meer van de volgende werkzaamheden uitgevoerd worden : <KB 2005-01-19/31, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° werkzaamheden, zoals bedoeld in het tweede lid, die de werknemers aan gevaren van bedelving, wegzinken of vallen blootstellen, gevaren die bijzonder vergroot worden door de aard van de werkzaamheden of van de toegepaste procédés of door de omgeving van de arbeidsplaats of de werken;
  2° werkzaamheden die de werknemers blootstellen aan chemische of biologische agentia die een bijzonder risico voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers inhouden;
  3° elk werk met ioniserende stralingen waarvoor de aanwijzing van gecontroleerde of bewaakte zones zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, vereist is;
  4° werkzaamheden in de nabijheid van elektrische hoogspanningslijnen of -kabels (of van leidingen onder een inwendige druk van 15 bar of meer); <KB 2005-01-19/31, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  5° werkzaamheden die de werknemers blootstellen aan een risico op verdrinking;
  6° ondergrondse werken en tunnelwerken;
  7° werkzaamheden met duikuitrusting;
  8° werkzaamheden onder overdruk;
  9° werkzaamheden waarbij springstoffen worden gebruikt;
  10° werkzaamheden in verband met de montage of demontage van (zware) geprefabriceerde elementen. <KB 2005-01-19/31, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Voor de toepassing van het eerste lid, 1° worden inzonderheid als bijzonder vergrote gevaren beschouwd :
  a) het graven van sleuven of putten van meer dan 1,20 m diepte en het werken aan of in deze putten;
  b) het werken in de onmiddellijke nabijheid van materialen zoals drijfzand of slib;
  c) het werken met een valgevaar van een hoogte van 5 m of meer.
  § 2. (Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor een coördinator-ontwerp of een coördinator-verwezenlijking moet worden aangesteld, is het opstellen en het bijhouden van een veiligheids- en gezondheidsplan bovendien verplicht wanneer de omvang van de bouwplaats van aard is dat :
  1° hetzij, de vermoedelijke duur van de werkzaamheden langer is dan dertig werkdagen en waar op één of meer ogenblikken meer dan twintig werknemers tegelijkertijd aan het werk zijn;
  2° hetzij, het vermoedelijke werkvolume groter is dan 500 mandagen.) <KB 2005-01-19/31, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Voor de bepaling van de omvang van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen die het voorwerp uitmaken van een continue opdracht of van een pakket opdrachten zonder onderling verband, wordt het geheel van de werken die een onderling verband hebben, als een afzonderlijke tijdelijke of mobiele bouwplaats beschouwd.
  § 3. (Voor de andere tijdelijke of mobiele bouwplaatsen dan deze bedoeld in § 1 en § 2 en waarvoor een coördinator-ontwerp of een coördinator-verwezenlijking moet worden aangesteld, is het opstellen en bijhouden van een veiligheids- en gezondheidsplan of een schriftelijke overeenkomst verplicht overeenkomstig de bepalingen van artikel 27, § 2, respectievelijk artikel 29.) <KB 2005-01-19/31, art. 20, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.27. <AR 2005-01-19/31, art. 21, 004; En vigueur : 27-01-2005> § 1er. Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 26, § 1er, ou à l'article 26, § 2, et pour lesquels les dispositions de la section III sont d'application, le contenu du plan de sécurité et de santé répond au moins à l'annexe Ire, partie A, section Ire.
  § 2. Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 26, § 3 et pour lesquels les dispositions de la section III sont d'application, un plan simplifié de sécurité et de sante est mis en oeuvre dont le contenu répond au moins à l'annexe Ire, partie A, section II.
Art.27. <KB 2005-01-19/31, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in artikel 26, § 1, of artikel 26, § 2, en waarop de bepalingen van de afdeling III van toepassing zijn, beantwoordt de inhoud van het veiligheids- en gezondheidsplan ten minste aan de bijlage I, deel A, afdeling I.
  § 2. Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld artikel 26, § 3 en waarop de bepalingen van de afdeling III van toepassing zijn, wordt gebruik gemaakt van een vereenvoudigd veiligheids- en gezondheidsplan waarvan de inhoud ten minste beantwoordt aan de bijlage I, deel A, afdeling II.
Art.28. <AR 2005-01-19/31, art. 22, 004; En vigueur : 27-01-2005> Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 26, § 1er, ou à l'article 26, § 2, et pour lesquels les dispositions de la section II sont d'application, un plan simplifié de sécurité et de santé est mis en oeuvre dont le contenu répond au moins à l'annexe Ire, partie A, section II.
Art.28. <KB 2005-01-19/31, art. 22, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in artikel 26, § 1, of artikel 26, § 2, en waarop de bepalingen van de afdeling II van toepassing zijn, wordt gebruik gemaakt van een vereenvoudigd veiligheids- en gezondheidsplan waarvan de inhoud ten minste beantwoordt aan de bijlage I, deel A, afdeling II.
Art. 29. <AR 2005-01-19/31, art. 23, 004; En vigueur : 27-01-2005> Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 26, § 3, et pour lesquels les dispositions de la section II sont d'application, les intervenants concluent, sur proposition du coordinateur qui intervient en premier lieu, une convention écrite contenant au moins les clauses suivantes :
  1° des accords précis concernant tous les travaux qui seront réalisés simultanément ou successivement en mentionnant les entrepreneurs qui les effectueront ainsi que le délai de réalisation de chacun de ces travaux;
  2° le constat détaillé des mesures de prévention qui seront prises en identifiant les maîtres d'oeuvre, les entrepreneurs et, le cas échéant, les maîtres d'ouvrage qui seront chargés de la prise de ces mesures.
  En application de l'article 17 de la loi, les délais de réalisation visés à l'alinéa précédent, 1°, sont fixés en tenant compte de l'application des principes généraux de prevention.
-
  [
  DROIT FUTUR
  [
Art. 29. <AR 2005-01-19/31, art. 23, 004; En vigueur : 27-01-2005> Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à l'article 26, § 3, et pour lesquels les dispositions de la section II sont d'application, les intervenants concluent, sur proposition du coordinateur qui intervient en premier lieu, une convention écrite contenant au moins les clauses suivantes :
  1° des accords précis concernant tous les travaux qui seront réalisés simultanément ou successivement en mentionnant les entrepreneurs qui les effectueront ainsi que le délai de réalisation de chacun de ces travaux;
  2° le constat détaillé des mesures de prévention qui seront prises en identifiant les maîtres d'oeuvre, les entrepreneurs et, le cas échéant, les maîtres d'ouvrage qui seront chargés de la prise de ces mesures.
  En application de l'article 17 de la loi, les délais de réalisation visés à l'alinéa précédent, 1°, sont fixés en tenant compte de l'application des principes généraux de prévention.
  [1 Le maître d'ouvrage qui est un pouvoir adjudicateur au sens de l'article 2 de la loi du 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services, a le choix entre l'établissement et la tenue d'un plan de sécurité et de santé conformément à l'article 28 ou la conclusion de la convention visée au présent article.]1
  
Art. 29. <KB 2005-01-19/31, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in artikel 26, § 3, en waarop de bepalingen van de afdeling II van toepassing zijn, sluiten de tussenkomende partijen, op voorstel van de coördinator die het eerst tussenkomt, een schriftelijke overeenkomst af, waarin ten minste de volgende bedingen zijn opgenomen :
  1° duidelijke afspraken betreffende alle werkzaamheden die gelijktijdig of achtereenvolgens zullen uitgevoerd worden met vermelding van de aannemers die ze zullen uitvoeren en de uitvoeringstermijn van elk van de werkzaamheden;
  2° de gedetailleerde vaststelling van de preventiemaatregelen die zullen getroffen worden met de identificatie van de bouwdirecties, de aannemers, en in voorkomend geval, de opdrachtgevers die zullen instaan voor het treffen van deze maatregelen.
  In toepassing van artikel 17 van de wet, zijn de uitvoeringstermijnen bedoeld in vorig lid, 1°, vastgesteld rekening houdend met de toepassing van de algemene preventieprincipes.
Art. 30. Le maître d'ouvrage prend les mesures nécessaires pour que le plan de sécurité et de santé fasse partie, suivant le cas, du cahier spécial de charges, de la demande de prix, ou des documents contractuels et y est repris dans une partie séparée, intitulée comme telle.
  Afin que les mesures déterminées dans le plan de sécurité et de santé puissent effectivement être appliquées lors de l'exécution des travaux, il fait en sorte que :
  1° les candidats annexent à leurs offres un document qui réfère au plan de sécurité et de santé et dans lequel ils décrivent la manière dont ils exécuteront l'ouvrage pour tenir compte de ce plan de sécurité et de santé;
  2° les candidats annexent à leurs offres un calcul de prix séparé concernant les mesures et moyens de prévention déterminés par le plan de sécurité et de santé, y compris les mesures et moyens extraordinaires de protection individuelle;
  3° le coordinateur-projet puisse remplir sa tâche visée [aux articles 4sexies, 5°, et 11, 4°]. <AR 2005-01-19/31, art. 24, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  [Les maîtres d'ouvrage des chantiers temporaires ou mobiles auxquels s'appliquent les dispositions de l'article 29, sont dispensés de l'application du présent article.] <AR 2005-01-19/31, art. 24, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  [
  TOEKOMSTIG RECHT
  [
Art. 29. <KB 2005-01-19/31, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in artikel 26, § 3, en waarop de bepalingen van de afdeling II van toepassing zijn, sluiten de tussenkomende partijen, op voorstel van de coördinator die het eerst tussenkomt, een schriftelijke overeenkomst af, waarin ten minste de volgende bedingen zijn opgenomen :
  1° duidelijke afspraken betreffende alle werkzaamheden die gelijktijdig of achtereenvolgens zullen uitgevoerd worden met vermelding van de aannemers die ze zullen uitvoeren en de uitvoeringstermijn van elk van de werkzaamheden;
  2° de gedetailleerde vaststelling van de preventiemaatregelen die zullen getroffen worden met de identificatie van de bouwdirecties, de aannemers, en in voorkomend geval, de opdrachtgevers die zullen instaan voor het treffen van deze maatregelen.
  In toepassing van artikel 17 van de wet, zijn de uitvoeringstermijnen bedoeld in vorig lid, 1°, vastgesteld rekening houdend met de toepassing van de algemene preventieprincipes.
  [1 De opdrachtgever die een aanbestedende overheid is in de zin van artikel 2 van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, van 15 juni 2006 heeft de keuze tussen het opstellen en het opvolgen van een veiligheids- en gezondheidsplan overeenkomstig artikel 28 of het sluiten van een overeenkomst zoals bedoeld in dit artikel.]1
  
  [
  DROIT FUTUR
  [
Art. 30. Le maître d'ouvrage prend les mesures nécessaires pour que le plan de sécurité et de santé fasse partie, suivant le cas, du cahier spécial de charges, de la demande de prix, ou des documents contractuels et y est repris dans une partie séparée, intitulée comme telle.
  Afin que les mesures déterminées dans le plan de sécurité et de santé puissent effectivement être appliquées lors de l'exécution des travaux, il fait en sorte que :
  1° les candidats annexent à leurs offres un document qui réfère au plan de sécurité et de santé et dans lequel ils décrivent la manière dont ils exécuteront l'ouvrage pour tenir compte de ce plan de sécurité et de santé;
  2° les candidats annexent à leurs offres un calcul de prix séparé concernant les mesures et moyens de prévention déterminés par le plan de sécurité et de santé, y compris les mesures et moyens extraordinaires de protection individuelle;
  3° le coordinateur-projet puisse remplir sa tâche visée [aux articles 4sexies, 5°, et 11, 4°]. <AR 2005-01-19/31, art. 24, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  [1 Les maîtres d'ouvrage des chantiers temporaires ou mobiles auxquels s'appliquent les dispositions de l'article 29 sont dispensés de l'application des alinéas qui précèdent.]1
  [1 Sans préjudice de l'alinéa qui précède, lorsque le maître d'ouvrage est un pouvoir adjudicateur au sens de l'article 2 de la loi du 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services, il n'est tenu de prescrire que les soumissionnaires annexent à leur offre le document et le calcul de prix séparé visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, que si le coordinateur-projet justifie que la demande de ce document ou de ce calcul est nécessaire afin que les mesures déterminées dans le plan de sécurité et de santé puissent effectivement être appliquées et pour autant qu'il précise les éléments pour lesquels ce document ou ce calcul de prix est nécessaire.]1
  
Art. 30.De opdrachtgever neemt de nodige maatregelen opdat het veiligheids- en gezondheidsplan deel zou uitmaken van, al naargelang het geval, het bijzonder bestek, de prijsaanvraag of de contractuele documenten en daarin als een afzonderlijk en als dusdanig betiteld deel wordt opgenomen.
Sous-section II. - Le journal de coordination.
Onderafdeling II. - Het coördinatiedagboek.
Art.31. Le journal de coordination est obligatoire pour tous les chantiers temporaires ou mobiles visés à la section III pour lesquels un coordinateur-projet ou un coordinateur-réalisation doit être désignés.
Art.31. <KB 2005-01-19/31, art. 25, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Het coördinatiedagboek is verplicht op alle tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in afdeling III waarvoor een coördinator-ontwerp of een coördinator-verwezenlijking moet worden aangesteld.
  In afwijking van vorig lid mag de coördinator op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen van de afdeling III, die tevens bouwplaatsen zijn bedoeld in artikel 26, § 3, de toepassing van de bepalingen betreffende het coördinatiedagboek beperken tot het schriftelijk in kennis stellen van de betrokkenen van hun eventuele gedragingen, handelingen, keuzen of nalatigheden die in strijd zijn met de algemene preventieprincipes.
Art.32. <AR 2005-01-19/31, art. 26, 004; En vigueur : 27-01-2005> Le journal de coordination peut être un document distinct ou un ensemble de documents distincts; il peut aussi être combiné avec le journal des travaux ou avec d'autres documents qui ont une fonction équivalente.
Art.32. <KB 2005-01-19/31, art. 26, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Het coördinatiedagboek mag een afzonderlijk document of een geheel van afzonderlijke documenten zijn; het mag ook gecombineerd worden met het dagboek der werken of met andere documenten die een gelijkaardige functie hebben.
Art.33. <AR 2005-01-19/31, art. 27, 004; En vigueur : 27-01-2005> Les données et les remarques sont renseignées sur des pages numérotées ou enregistrées à l'aide d'un moyen technologique approprié rendant impossible tout écartement des données ou remarques mentionnées.
Art.33. De gegevens en de bemerkingen worden vermeld op genummerde bladzijden of geregistreerd aan de hand van een geschikt technologisch middel derwijze dat de verwijdering van de vermelde gegevens of bemerkingen onmogelijk is.
Sous-section III. - Le dossier d'intervention ultérieure.
Onderafdeling III. - Het postinterventiedossier.
Art.34. Le dossier d'intervention ultérieure est obligatoire sur tous les chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels les sections II, III et V sont d'application.
Art.34. <KB 2005-01-19/31, art. 28, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Het postinterventiedossier is verplicht op alle tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar de bepalingen van de afdelingen II, III en V op van toepassing zijn.
Art.35. <AR 2005-01-19/31, art. 29, 004; En vigueur : 27-01-2005> Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés à la section III, à l'exception de ceux mentionnés à l'article 36, le contenu du dossier d'intervention ultérieure correspond à l'annexe Ire, partie C, section Ire.
Art.35. <KB 2005-01-19/31, art. 29, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in afdeling III, met uitzondering van deze vermeld in artikel 36, beantwoordt de inhoud van het postinterventiedossier aan de bijlage I, deel C, afdeling I.
Art.36. <AR 2005-01-19/31, art. 30, 004; En vigueur : 27-01-2005> Pour les chantiers temporaires ou mobiles visés aux sections II et V, ainsi que pour les chantiers temporaires et mobiles de la section III, qui sont également des chantiers visés à l'article 26, § 3, le contenu du dossier d'intervention ultérieure correspond à l'annexe Ire, partie C, section II.
Art.36. <KB 2005-01-19/31, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in de afdelingen II en V, alsook op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen van de afdeling III die tevens bouwplaatsen zijn bedoeld in artikel 26, § 3, beantwoordt de inhoud van het postinterventiedossier aan de bijlage I, deel C, afdeling II.
Art. 36bis. Pour les ouvrages ou groupes d'ouvrages auxquels s'appliquent ou peuvent s'appliquer les principes de la copropriété forcée, les dossiers d'intervention ultérieure qui ont été remis par le coordinateur-réalisation après le 30 avril 2006, sont subdivisés par ce dernier en une partie ayant trait aux parties de ces ouvrages relevant de la copropriété forcée et les parties ayant trait aux parties privatives de ces ouvrages.
  Chaque partie du dossier d'intervention ultérieure ayant trait a une partie privative comporte, non seulement l'information sur la partie privative concernée, mais aussi l'information sur les éléments qui desservent d'autres parties privatives ou qui appartiennent aux parties relevant de la copropriété forcée et qui, en cas de travaux dans la partie privative concernée, est indispensable pour ne pas compromettre la sécurité, la santé ou le confort des utilisateurs des parties privatives, notamment, l'emplacement de conduites et de gaines incorporées dans les murs ou le caractère portant d'une poutre ou d'un mur.
Art. 36bis. Voor de bouwwerken of groepen van bouwwerken waarop de beginselen met betrekking tot de gedwongen mede-eigendom van toepassing zijn of kunnen zijn, worden de postinterventiedossiers die door de coördinator-verwezenlijking overgedragen worden na 30 april 2006, door deze laatste onderverdeeld in een gedeelte dat betrekking heeft op de delen van deze bouwwerken in gedwongen mede-eigendom en gedeelten die betrekking hebben op de privatieve delen van deze bouwwerken.
Sous-section IV. - La structure de coordination.
Onderafdeling IV. - De coördinatiestructuur.
Art.37. Une structure de coordination est instaurée sur tous les chantiers dont, soit, le volume présumé des travaux est supérieur à 5 000 hommes-jour, soit, le prix total des travaux estimé par le maître d'oeuvre chargé de la conception excède 2 500 000 EUR, hors T.V.A., et où au moins trois entrepreneurs interviennent simultanément.
Art.37. Een coördinatiestructuur wordt opgericht op alle bouwplaatsen waarvan, hetzij, het vermoedelijk werkvolume meer dan 5 000 mandagen bedraagt, hetzij de totale prijs van de werken, geschat door de bouwdirectie belast met het ontwerp, 2 500 000 EUR, BTW niet meegerekend overschrijdt, en waar ten minste drie aannemers gelijktijdig werken uitvoeren.
  (Het in vorig lid vermeld bedrag wordt gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de beginselen bepaald door de artikelen 2, 4, 5 en 6, 1° van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.
  Artikel 4 van dezelfde wet, aangevuld bij artikel 18, § 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen, voorziet dat enkel de gezuiverde gezondheidsindex in aanmerking mag genomen worden voor de sociale prestaties.
  De basisspilindex bedraagt 107,30.) <KB 2005-01-19/31, art. 31, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Op het gemotiveerd verzoek van de coördinator-verwezenlijking organiseert de opdrachtgever een coördinatiestructuur op andere bouwplaatsen dan deze bedoeld in het eerste lid.
Art.40. Le coordinateur-réalisation préside la structure de coordination.
  Il la convoque d'initiative ou à la demande motivée d'un membre ou du fonctionnaire charge de la surveillance.
Art.40. De coördinator-verwezenlijking zit de coördinatiestructuur voor.
Section V. - Chantiers où les travaux sont exécutés par un seul entrepreneur.
Afdeling V. - Bouwplaatsen waar de werken door één enkele aannemer worden uitgevoerd.
Art.41. Les dispositions de la présente section sont applicables aux chantiers temporaires ou mobiles où s'effectuent des travaux exécutés par un seul entrepreneur.
Art.41. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar de werken worden uitgevoerd door één enkele aannemer.
Art.42. § 1er. Lors de l'application (des articles 4octies ou 13) le maître d'ouvrage est tenu de remettre un exemplaire du plan de sécurité et de santé à l'entrepreneur. <AR 2005-01-19/31, art. 33, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 2. Lorsque l'ouvrage est destiné à un usage professionnel (, lucratif) ou commercial, le maître d'ouvrage est tenu : <AR 2005-01-19/31, art. 33, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  1° lors de l'application (des articles 4octies ou 13), de respecter les dispositions du plan de sécurité et de santé qui lui sont applicables en tant que maître d'ouvrage; <AR 2005-01-19/31, art. 33, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  2° de veiller à ce que l'entrepreneur reçoive les informations nécessaires concernant les risques relatifs au bien-être des personnes concernées sur le lieu où sont exécutés les travaux;
  3° lorsque les travaux sont exécutés dans l'établissement d'un employeur, de veiller à ce que les activités sur le lieu de leur exécution soient coordonnées et a ce qu'il y ait une collaboration avec l'entrepreneur lors de l'exécution des mesures relatives à la santé et la sécurité des personnes concernées par l'exécution des travaux;
  4° dans les autres cas que ceux visés sous 3°, de coordonner les activités sur le lieu d'exécution des travaux et de collaborer avec l'entrepreneur lors de l'exécution des mesures relatives à la santé et la sécurité des personnes concernées par l'exécution des travaux.
  § 3. L'entrepreneur est tenu :
  1° lors de l'application du § 2, de donner au maître d'ouvrage les informations nécessaires à propos des risques inhérents à ces travaux;
  2° de coopérer à la coordination et à la collaboration visée au § 2, 3° et 4°.
  § 4. lors de l'application du § 2, 3°, l'employeur dans l'établissement duquel les travaux sont exécutés, est tenu de coopérer à la coordination et à la collaboration.
Art.42. § 1. Bij de toepassing van (de artikelen 4octies of 13) is de opdrachtgever ertoe gehouden een exemplaar van het veiligheids- en gezondheidsplan aan de aannemer over te maken. <KB 2005-01-19/31, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 2. Wanneer het bouwwerk voor professioneel (, winstgevend,) of commercieel gebruik bestemd is, is de opdrachtgever ertoe gehouden : <KB 2005-01-19/31, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° bij de toepassing van (de artikelen 4octies of 13), de bepalingen van het veiligheids- en gezondheidsplan die op hem, in de hoedanigheid van opdrachtgever, van toepassing zijn, na te leven; <KB 2005-01-19/31, art. 33, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  2° erover te waken dat de aannemer de nodige informatie ontvangt met betrekking tot de risico's inzake het welzijn van de betrokken personen op de plaats waar de werken worden uitgevoerd;
  3° indien de werken in een inrichting van een werkgever worden uitgevoerd, erover te waken dat de activiteiten op de plaats van uitvoering van de werken worden gecoördineerd en dat met de aannemer wordt samengewerkt bij de uitvoering van de maatregelen inzake veiligheid en gezondheid van de personen betrokken bij het uitvoeren van de werken;
  4° in de andere dan de onder 3° bedoelde gevallen, de activiteiten op de plaats van uitvoering van de werken te coördineren en met de aannemer samen te werken bij de uitvoering van de maatregelen inzake veiligheid en gezondheid van de personen betrokken bij het uitvoeren van de werken.
  § 3. De aannemer is ertoe gehouden :
  1° bij toepassing van § 2, aan de opdrachtgever de nodige informatie te verstrekken over de risico's eigen aan die werken;
  2° zijn medewerking te verlenen aan de coördinatie en samenwerking bedoeld in § 2, 3° en 4°.
  § 4. Bij de toepassing van § 2, 3°, is de werkgever, in wiens inrichting de werken worden verricht, ertoe gehouden zijn medewerking te verlenen aan de coördinatie en samenwerking.
Art.43. § 1er. (Un dossier d'intervention ultérieure est établi conformément aux dispositions de l'article 36.) <AR 2005-01-19/31, art. 34, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 2. Le dossier d'intervention ultérieure visé au § 1er est établi par le maître d'ouvrage ou par un tiers qu'il désigne.
  Le maître d'ouvrage veille également à ce que le dossier d'intervention ultérieure soit adapté aux éventuelles modifications apportées au projet durant la réalisation du projet.
Art.43. § 1. (Een postinterventiedossier wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 36.)
Section VI. - Dispositions applicables à tous les chantiers.
Afdeling VI. - Bepalingen van toepassing op alle bouwplaatsen.
Sous-section I. - Champ d'application.
Onderafdeling I. - Toepassingsgebied.
Art.44. Les dispositions de la présente section sont applicables aux chantiers temporaires ou mobiles où s'effectuent des travaux exécutes par un ou plusieurs entrepreneurs.
Art.44. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar werken door één of meerdere aannemers worden uitgevoerd.
Sous-section II. - Notification préalable.
Onderafdeling II. - Voorafgaande kennisgeving.
Art.45. Le maître d'oeuvre chargé de l'exécution fait une notification préalable à l'ouverture du chantier, en ce qui concerne :
Art.45. De bouwdirectie belast met de uitvoering, doet een voorafgaande kennisgeving vóór de opening van de bouwplaats, wat betreft :
  1° elke tijdelijke of mobiele bouwplaats waar één of meer werkzaamheden, opgesomd in artikel 26, § 1, uitgevoerd worden en waarvan de totale duur vijf werkdagen overschrijdt.
  2° elke tijdelijke of mobiele bouwplaats waarvan de vermoedelijke omvang van de werken beantwoordt aan deze bedoeld in artikel 26, § 2.
  Op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar meerdere bouwdirecties belast met de uitvoering actief zijn, valt de in het eerste lid bedoelde kennisgeving ten laste van elke bouwdirectie die als eerste activiteiten op de bouwplaats uitvoert.
Art.46. La notification préalable est faite au fonctionnaire chargé de la surveillance relative à la sécurité du travail, au moins quinze jours calendriers avant le début des travaux sur le chantier et reprend au moins les données énumérées à l'annexe II du présent arrête.
  Une copie de la notification préalable doit être affichée visiblement sur le chantier à un endroit aisément accessible pour le personnel au moins dix jours calendriers avant le début des travaux.
Art.46. De voorafgaande kennisgeving wordt ten minste vijftien kalenderdagen vóór het begin van de werken op de bouwplaats gedaan aan de met het toezicht inzake arbeidsveiligheid belaste ambtenaar en bevat ten minste de in de bijlage II van dit besluit opgesomde gegevens.
  Een kopie van de voorafgaande kennisgeving moet zichtbaar op de bouwplaats op een voor het personeel gemakkelijk toegankelijke plaats, worden aangeplakt ten minste tien kalenderdagen vóór het begin van de werken.
Art.47. En cas de travaux imprévus et urgents, ou si la période entre la date de réception de l'ordre pour entamer les travaux et la date effective du début des travaux ne permet pas de faire la notification dans le délai prévu à l'article 46, la notification préalable est remplacée par une communication au fonctionnaire chargé de la surveillance relative à la sécurité du travail, faite au plus tard le jour même du début des travaux, par un moyen approprié.
  Une copie de la communication doit être affichée sur le chantier de façon visible et à un endroit aisément accessible pour le personnel, au plus tard le jour même du début des travaux.
  Les données contenues dans cette communication sont les mêmes que celles de l'annexe II du présent arrêté.
Art.47. In geval van onvoorziene en dringende werken, of in geval de periode tussen de ontvangst van de opdracht en de datum van de effectieve aanvang der werken niet toelaat om de kennisgeving binnen de door artikel 46 voorziene termijn te doen, wordt de voorafgaande kennisgeving vervangen door een mededeling aan de met het toezicht inzake arbeidsveiligheid belaste ambtenaar, gedaan ten laatste de dag zelf van het begin van de werken bij wijze van een geschikt middel.
Sous-section III. - La transmission, la mise à disposition et la réclamation du dossier d'intervention ultérieure.
Onderafdeling III. - De overdracht, de terbeschikkingstelling en de opvraging van het postinterventiedossier.
Art.48. Afin de permettre au nouveau propriétaire de répondre à ses obligations futures en tant que maître d'ouvrage d'éventuels travaux ultérieurs à l'ouvrage, la personne ou les personnes qui cèdent l'ouvrage, remettent, lors de chaque mutation totale ou partielle de l'ouvrage, le dossier d'intervention ultérieure au nouveau propriétaire.
Art.48. Teneinde de nieuwe eigenaar inzonderheid toe te laten zijn toekomstige verplichtingen als opdrachtgever van eventuele latere werken aan het bouwwerk uit te oefenen, overhandigt de persoon of overhandigen de personen, die, bij elke gehele of gedeeltelijke overdracht van het bouwwerk, het bouwwerk afstaan of overdragen, het postinterventiedossier aan de nieuwe eigenaar.
  Deze overhandiging wordt in de akte die de overdracht bevestigt, opgetekend.
  (In de gevallen van een overdracht van een bouwwerk of een deel ervan op het ogenblik dat de tijdelijke of mobiele bouwplaats voor dit bouwwerk nog niet beëindigd is, wordt in de akte die de overdracht bevestigt, vermeld dat de persoon die het bouwwerk afstaat of overdraagt, zich ertoe verbindt het postinterventiedossier aan de nieuwe eigenaar te overhandigen, zodra de voorlopige oplevering, of bij ontstentenis, de oplevering van het bouwwerk heeft plaats gehad.) <KB 2006-03-22/45, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 22-04-2006>
  Tevens houdt elke eigenaar van het geheel of een gedeelte van het bouwwerk een exemplaar van het postinterventiedossier ter beschikking van elke persoon die hierin als opdrachtgever van latere werken aan het bouwwerk mag optreden, inzonderheid, een huurder.
Art.49. § 1er. Le maître d'ouvrage est tenu de mettre les parties du dossier d'intervention ultérieure qui les concernent, à la disposition du coordinateur ou, à défaut, de l'entrepreneur, au moment où ces personnes sont concernées par la coordination ou l'exécution de travaux ultérieurs à l'ouvrage.
  § 2. Avant d'entamer un travail ultérieur à l'ouvrage, le coordinateur ou, à défaut, l'entrepreneur demande au maître d'ouvrage que les parties du dossier d'intervention ultérieure qui les concernent, soient mises à leur disposition.
Art.49. § 1. De opdrachtgever is ertoe gehouden de delen van het postinterventiedossier die hen aanbelangen, ter beschikking te stellen van de coördinator of, bij ontstentenis, van de aannemer op het ogenblik dat deze personen betrokken worden bij de coördinatie of de uitvoering van de latere werken aan het bouwwerk.
  § 2. Vooraleer een later werk aan het bouwwerk aan te vatten, vragen de coördinator of, bij ontstentenis, de aannemer aan de opdrachtgever dat de delen van het postinterventiedossier die hen aanbelangen, te hunner beschikking zou worden gesteld.
Art. 49bis. Dans les cas d'ouvrages ou de groupes d'ouvrages auxquels s'appliquent les principes de la copropriété forcée, les copropriétaires, en leur qualité d'éventuels futurs maîtres d'ouvrage, peuvent confier au syndic leurs tâches et obligations relatives à la partie du dossier d'intervention ultérieure ayant trait aux parties de ces ouvrages relevant de la copropriété forcée.
  La décision à ce sujet est reprise dans les statuts visés à l'article 577-4, § 1er, du Code civil, lorsque les statuts sont fixés pour la première fois après le 30 avril 2006.
  Si les statuts ont été établis avant ou à cette date, la décision est consignée dans le procès-verbal de l'assemblée générale de l'association des copropriétaires et ultérieurement transcrite dans les statuts, à l'occasion d'une modification des statuts pour une autre raison.
  Lors de l'application du premier alinéa, le dossier d'intervention ultérieure est tenu au bureau du syndic de l'association des copropriétaires, ou il peut être consulté gratuitement par chaque intéressé, et l'obligation de remise du dossier entre les propriétaires successifs en cas de mutation partielle de l'ouvrage, est limitée à ses parties ayant trait aux parties privatives mutées.
Art. 49bis. In de gevallen van bouwwerken of groepen van bouwwerken waarop de beginselen met betrekking tot de gedwongen mede-eigendom van toepassing zijn, kunnen de mede-eigenaars, in hun hoedanigheid van eventuele toekomstige opdrachtgevers, hun taken en verplichtingen inzake het gedeelte van het postinterventiedossier dat betrekking heeft op de delen van deze bouwwerken in gedwongen mede-eigendom, aan de syndicus toevertrouwen.
Sous-section IV. - Obligations spécifiques des entrepreneurs.
Onderafdeling IV. - Specifieke verplichtingen van de aannemers.
Art.50. Sans préjudice des obligations qui leur incombent, en application d'autres dispositions concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, les entrepreneurs appliquent les principes généraux de prévention visés à l'article 5 de la loi, notamment, en ce qui concerne :
Art.50. Onverminderd de verplichtingen die zij hebben ingevolge andere bepalingen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, passen de aannemers de algemene preventiebeginselen toe bedoeld in artikel 5 van de wet, inzonderheid wat betreft :
  1° het in goede orde en met voldoende bescherming van de gezondheid in stand houden van de bouwplaats;
  2° de keuze van de plaatsing van de werkplekken rekening houdend met de toegangsmogelijkheden tot de werkplekken, en de vaststelling van verplaatsings- of verkeerswegen of -zones;
  3° de voorwaarden van intern transport en interne behandeling van de materialen en het materieel;
  4° het onderhoud, de controle vóór inbedrijfstelling en de periodieke controle van de installaties en toestellen, ten einde gebreken te voorkomen die de veiligheid en gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen;
  5° de afbakening en inrichting van zones voor definitieve en tussenopslag van verschillende materialen, in het bijzonder wanneer het gaat om gevaarlijke materialen of stoffen;
  6° de voorwaarden voor de verwijdering van gevaarlijke materialen;
  7° de opslag en de verwijdering of afvoer van afval en puin;
  8° de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de verschillende soorten werken of werkfasen, afhankelijk van de evolutie van de bouwplaats;
  9° de samenwerking tussen de aannemers;
  10° de wederzijdse inwerkingen met exploitatie- of andere activiteiten ter plaatse op, of in de nabijheid van, de bouwplaats.
  Hiertoe passen zij de voorschriften toe bedoeld in de bijlage III, voor zover er geen specifieke of strengere bepalingen zijn die zijn vastgesteld in uitvoering van de wet.
Art. 50bis. [1 § 1er. Afin d'effectuer des travaux sur un chantier temporaire ou mobile, liés à la réalisation de l'ouvrage, chaque entrepreneur est tenu de fournir à ses travailleurs une formation de base en sécurité concernant les chantiers temporaires ou mobiles.
   Cette formation de base en sécurité a pour objectif de sensibiliser les travailleurs aux risques qui peuvent être présents sur un chantier temporaire ou mobile, que ces risques découlent de leur propre activité ou des activités d'autres entrepreneurs qui sont ou seront présents sur le chantier.
   Sans préjudice de l'obligation légale éventuelle de suivre une formation spécifique, cette formation de base en sécurité vise aux moins les objectifs suivants :
   1° posséder une connaissance de base du rôle et des tâches des acteurs impliqués dans les chantiers temporaires ou mobiles;
   2° posséder une connaissance de base de l'organisation d'une collaboration efficace sur un chantier temporaire ou mobile en vue d'assurer la sécurité et la santé sur le chantier et le bien-être au travail;
   3° posséder une connaissance de base des principes généraux de prévention visés à l'article 5 de la loi;
   4° posséder une connaissance de l'application des mesures de prévention adéquates;
   5° comprendre et appliquer un comportement sûr et sain sur un chantier temporaire ou mobile.
   L'entrepreneur doit pouvoir démontrer à tout moment que la formation de base en sécurité suivie par ses travailleurs répond aux objectifs visés à l'alinéa 3.
   Cette formation a une durée totale d'au moins huit heures.
   § 2. Les travailleurs qui exécutent des activités sur un chantier temporaire ou mobile sont présumés disposer de la formation de base en sécurité visée par le présent article, pour autant qu'une des conditions suivantes soit réunie :
   1° soit ils disposent d'une attestation, qui démontre qu'ils ont acquis les connaissances visées au § 1er, en suivant une autre formation;
   2° soit ils peuvent démontrer avoir acquis une expérience relative à l'exécution des activités sur un chantier temporaire ou mobile d'au moins cinq ans dans les dix dernières années.
   § 3. La formation visée au § 1er est fournie au travailleur, si possible avant de commencer les travaux sur le chantier temporaire ou mobile et, en tout état de cause, dans un délai d'un mois qui suit le début des activités de ce travailleur.
   La formation de base en sécurité est répétée à intervalles réguliers, sauf si l'employeur peut démontrer que les connaissances des travailleurs restent actuelles, grâce à une formation et une information régulières ou continues, et grâce à l'expérience pratique.
   § 4. En tout cas, l'employeur veille à ce que les travailleurs aient reçu, préalablement à leur occupation sur le chantier, les informations nécessaires relatives aux risques et aux mesures de prévention liés au travail sur un chantier temporaire ou mobile, et il peut démontrer que les travailleurs ont bien reçu et compris ces informations.]1

  
Art. 50bis. [1 § 1. Om op een tijdelijke of mobiele bouwplaats werkzaamheden uit te voeren met betrekking tot het realiseren van het bouwwerk, is elke aannemer ertoe gehouden aan zijn werknemers een basisveiligheidsopleiding met betrekking tot tijdelijke of mobiele bouwplaatsen te verstrekken.
   Deze basisveiligheidsopleiding heeft tot doel de werknemers bewust te maken van de risico's die aanwezig kunnen zijn op een tijdelijke of mobiele bouwplaats, ongeacht of deze risico's voortvloeien uit hun eigen activiteiten of uit de activiteiten van andere aannemers die aanwezig zijn of zullen zijn op de bouwplaats.
   Zonder afbreuk te doen aan de eventuele wettelijke verplichting tot het volgen van een specifieke opleiding, beoogt deze basisveiligheidsopleiding ten minste de volgende doelstellingen:
   1° beschikken over een basiskennis van de rol en de taken van de actoren betrokken bij tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
   2° beschikken over een basiskennis betreffende de organisatie van een efficiënte samenwerking op een tijdelijke of mobiele bouwplaats, met het oog op de veiligheid en gezondheid op de bouwplaats en het welzijn op het werk;
   3° beschikken over een basiskennis van de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5 van de wet;
   4° kennis hebben van de toepassing van de passende preventiemaatregelen;
   5° inzicht hebben in en toepassen van veilig en gezond gedrag op een tijdelijke of mobiele bouwplaats.
   De aannemer moet op elk ogenblik kunnen aantonen dat de basisveiligheidsopleiding die zijn werknemers hebben gevolgd, beantwoordt aan de in het derde lid beoogde doelstellingen.
   Deze opleiding heeft een totale duur van tenminste acht uur.
   § 2. De werknemers die werkzaamheden uitvoeren op een tijdelijke of mobiele bouwplaats worden vermoed te beschikken over de in dit artikel bedoelde basisveiligheidsopleiding, indien één van de volgende voorwaarden is vervuld:
   1° ofwel beschikken zij over een attest waaruit blijkt dat zij de kennis bedoeld in § 1 hebben verworven door het volgen van een andere opleiding;
   2° ofwel kunnen zij aantonen dat zij in de afgelopen tien jaar tenminste vijf jaar ervaring hebben verworven door het uitvoeren van werkzaamheden op een tijdelijke of mobiele bouwplaats.
   § 3. De in § 1 bedoelde opleiding wordt aan de werknemer verstrekt, indien mogelijk vooraleer de werkzaamheden op de tijdelijke of mobiele bouwplaats aan te vatten, en in elk geval, binnen een termijn van één maand nadat deze werknemer de werkzaamheden heeft aangevat.
   De basisveiligheidsopleiding wordt op regelmatige tijdstippen herhaald, tenzij de werkgever kan aantonen dat de kennis van de werknemers actueel blijft, door middel van regelmatige of continue opleiding en informatieverstrekking, en door praktijkervaring.
   § 4. In elk geval zorgt de werkgever ervoor dat de werknemers, voorafgaand aan de tewerkstelling op de bouwplaats, de nodige informatie over de risico's en preventiemaatregelen verbonden aan het werken op een tijdelijke of mobiele bouwplaats hebben ontvangen en kan hij aantonen dat de werknemers deze informatie wel degelijk hebben ontvangen en begrepen.]1

  
Art. 50ter. [1 La disposition de l'article 50bis ne porte pas préjudice à des règles ou pratiques plus sévères applicables :
   1° dans un secteur ou une entreprise déterminé;
   2° aux travailleurs d'un maître d'ouvrage qui effectuent des activités sur un chantier temporaire ou mobile situé dans l'établissement de ce maître d'ouvrage.]1

  
Art. 50ter. [1 De bepaling van artikel 50bis doet geen afbreuk aan de strengere regels of praktijken die van toepassing zijn:
   1° in een bepaalde sector of onderneming;
   2° op de werknemers van een opdrachtgever die werkzaamheden verrichten op een tijdelijke of mobiele bouwplaats die zich bevindt in de inrichting van de opdrachtgever.]1

  
Art. 50quater. [1 Les entrepreneurs veillent à ce que la formation de base en sécurité soit suivie auprès d'organisateurs qui appliquent un système de contrôle de la qualité.]1
  
Art. 50quater. [1 De aannemers zorgen ervoor dat de basisveiligheidsopleiding wordt gevolgd bij organisatoren die een kwaliteitsborgingssysteem toepassen.]1
  
Art. 50quinquies. [1 Le contenu et les modalités relatifs à la formation de base en sécurité visée à l'article 50bis peuvent être fixés dans une convention collective de travail conclue au sein de chaque commission paritaire compétente pour les employeurs et les travailleurs qui exercent des activités sur le chantier et qui relèvent du ressort de cette commission paritaire.
   Sans porter préjudice à la disposition de l'article 50bis, § 2, la convention collective de travail visée à l'alinéa 1er peut fixer les conditions dans lesquelles les travailleurs peuvent être dispensés de suivre la formation de base en sécurité, pour autant que ces travailleurs puissent démontrer qu'ils ont acquis d'une autre façon les connaissances et les aptitudes visées par la formation de base en sécurité.
   Si les commissions paritaires visées à l'alinéa 1er disposent d'un institut de formation sectoriel, cet institut peut être chargé d'organiser et de dispenser cette formation de base en sécurité.
   Les instituts de formation visés à l'alinéa 3 sont tenus d'admettre également les indépendants à la formation de base en sécurité qu'ils dispensent.]1

  
Art. 50quinquies. [1 De inhoud en de nadere regels betreffende de in artikel 50bis bedoelde basisveiligheidsopleiding kunnen vastgesteld worden in een collectieve arbeidsovereenkomst die gesloten wordt in elk paritair comité dat bevoegd is voor de werkgevers en werknemers die activiteiten uitvoeren op de bouwplaats, waardoor zij vallen onder het ressort van dat paritair comité.
   Zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 50bis, § 2, kan de in het eerste lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst de voorwaarden bepalen waaronder werknemers kunnen worden vrijgesteld van het volgen van de basisveiligheidsopleiding, voor zover deze werknemers kunnen aantonen dat zij de door de basisveiligheidsopleiding bedoelde kennis en vaardigheden op een andere wijze hebben verworven.
   Indien de in het eerste lid bedoelde paritaire comités beschikken over een sectorale vormingsinstelling, kan deze instelling belast worden met het organiseren en geven van deze basisveiligheidsopleiding
   De vormingsinstellingen bedoeld in het derde lid zijn verplicht om ook zelfstandigen toe te laten tot de basisveiligheidsopleiding die zij verstrekken.]1

  
Art. 50sexies. [1 Afin de préserver leur propre bien-être au travail ainsi que celui des autres personnes présentes sur le chantier temporaire ou mobile, les indépendants et les employeurs exerçant personnellement une activité professionnelle sur le chantier, suivent également la formation de base en sécurité visée à l'article 50bis et ils peuvent démontrer à tout moment que la formation qu'ils ont suivie répond aux objectifs visés à l'article 50bis, § 1er, alinéa 3.
   Les présomptions visées à l'article 50bis, § 2 s'appliquent également aux indépendants.]1

  
Art. 50sexies. [1 Teneinde hun eigen welzijn op het werk alsook dat van de andere op de tijdelijke of mobiele bouwplaats aanwezige personen te vrijwaren, volgen de zelfstandigen en de werkgevers, die zelf een beroepsactiviteit op de bouwplaats uitoefenen, eveneens de in artikel 50bis bedoelde basisveiligheidsopleiding en kunnen zij op elk ogenblik aantonen dat de door hen gevolgde opleiding beantwoordt aan de in artikel 50bis, § 1, derde lid, beoogde doelstellingen.
   De vermoedens bedoeld in artikel 50bis, § 2 zijn eveneens van toepassing op de zelfstandigen.]1

  
Art. 50septies. [1 Les obligations relatives à la formation de base en sécurité, visées à l'article 50bis, § 1er à § 3 et à l'article 50sexies ne s'appliquent pas aux personnes suivantes, qui peuvent démontrer qu'elles satisfont à des conditions comparables de formation de base en sécurité pour un travail sûr et sain sur les chantiers temporaires ou mobiles dans un autre Etat membre de l'Union européenne :
   1° les employeurs établis dans un autre Etat membre de l'Union européenne vis-à-vis de leurs travailleurs;
   2° les employeurs établis dans un autre Etat membre de l'Union européenne et qui exercent personnellement une activité professionnelle sur le chantier;
   3° les indépendants établis dans un autre Etat membre de l'Union européenne.
   Si les employeurs exerçant personnellement une activité professionnelle sur le chantier, les travailleurs des employeurs ou les indépendants qui sont établis dans un autre Etat membre de l'Union européenne choisissent de suivre, en tout ou en partie, une formation de base en sécurité organisée par un institut de formation visé à l'article 50quinquies, alinéa 3, ils sont traités, pour l'application des dispositions établies par une convention collective de travail, telle que visée à l'article 50quinquies de la même façon que les employeurs, les travailleurs et les indépendants belges.]1

  
Art. 50septies. [1 De verplichtingen met betrekking tot de basisveiligheidsopleiding bedoeld in artikel 50bis, § 1 tot § 3 en artikel 50sexies zijn niet van toepassing op de volgende personen die kunnen aantonen dat er wordt voldaan aan vergelijkbare voorwaarden inzake de basisveiligheidsopleiding voor veilig en gezond werken op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie:
   1° de werkgevers die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie ten aanzien van hun werknemers;
   2° de werkgevers die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie en die zelf een beroepsactiviteit op de bouwplaats uitoefenen;
   3° de zelfstandigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie.
   Indien werkgevers die zelf een beroepsactiviteit op de bouwplaats uitoefenen, werknemers van werkgevers of zelfstandigen die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie er voor kiezen, geheel of gedeeltelijk, een basisveiligheidsopleiding te volgen die georganiseerd wordt door een in artikel 50quinquies, derde lid bedoelde vormingsinstelling worden zij bij de toepassing van de bepalingen vastgesteld in een collectieve arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 50quinquies, op dezelfde wijze behandeld als de Belgische werkgever, werknemers en zelfstandigen.]1

  
Art.51. En cas de présence simultanée ou successive sur un même chantier d'au moins deux entrepreneurs, y compris les indépendants, ceux-ci doivent coopérer a la mise en oeuvre des mesures concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
  Compte tenu de la nature des activités, les entrepreneurs coordonnent leurs activités en vue de la prévention et de la protection contre les risques professionnels.
  S'il s'agit d'employeurs, ceux-ci doivent informer leurs travailleurs respectifs et leurs représentants au sujet de ces risques et des mesures de prévention.
Art.51. In geval van gelijktijdige of achtereenvolgende aanwezigheid op eenzelfde bouwplaats van minstens twee aannemers, met inbegrip van de zelfstandigen, moeten deze samenwerken bij de uitvoering van de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
  Rekening houdend met de aard van de activiteiten, coördineren de aannemers hun optreden met het oog op de voorkoming van en de bescherming tegen beroepsrisico's.
  Wanneer het gaat om werkgevers moeten deze hun respectievelijke werknemers en hun vertegenwoordigers over deze risico's en de preventiemaatregelen inlichten.
Art.52. § 1er. Conformément aux instructions qu'ils doivent consulter ou qu'ils ont reçues, les entrepreneurs doivent prendre soin de la sécurité et de la santé des autres personnes concernées et, lorsqu'ils exercent personnellement une activité professionnelle sur le chantier, de leur propre sécurité et santé.
  § 2. A cet effet, ils doivent, conformément aux instructions :
  1° utiliser correctement les machines, appareils, outils, substances dangereuses, équipements de transport et autres moyens;
  2° utiliser correctement les équipements de protection individuelle qu'ils ont à leur disposition et, après utilisation, les ranger à leur place;
  3° ne pas mettre hors service, changer ou déplacer arbitrairement les dispositifs de sécurité propres notamment aux machines, appareils, outils, installations et bâtiments, et utiliser ces dispositifs de sécurité correctement;
  4° signaler immédiatement au coordinateur-réalisation, aux divers autres entrepreneurs et aux services de Prévention et de Protection au travail, toute situation de travail dont ils ont un motif raisonnable de penser qu'elle présente un danger grave et immédiat pour la sécurité ou la santé, ainsi que toute défectuosité constatée dans les systèmes de protection;
  5° assister le coordinateur-réalisation, les divers entrepreneurs et les services de Prévention et de Protection au travail, aussi longtemps que nécessaire, pour leur permettre d'accomplir toutes les tâches ou de répondre à toutes les obligations qui leurs sont imposées en vue de la protection du bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de la sécurité et la santé des autres personnes au travail;
  6° assister le coordinateur-réalisation, les divers entrepreneurs et les services de Prévention et de Protection au travail, aussi longtemps que nécessaire, pour permettre à tous les entrepreneurs d'assurer que le milieu de travail et les conditions de travail soient sûrs et sans risques pour la sécurité et la santé à l'intérieur de leur champ d'activité.
Art.52. § 1. De aannemers moeten, overeenkomstig de instructies die zij moeten raadplegen of die zij ontvangen hebben, zorg dragen voor de veiligheid en de gezondheid van de andere betrokken personen, en, indien zij persoonlijk een beroepsactiviteit op de bouwplaats uitoefenen, eveneens zorg dragen voor hun eigen veiligheid en gezondheid.
  § 2. Daartoe moeten zij, overeenkomstig de instructies :
  1° op de juiste wijze gebruik maken van machines, toestellen, gereedschappen, gevaarlijke stoffen, vervoermiddelen en andere middelen;
  2° op de juiste wijze gebruik maken van de persoonlijke beschermingsmiddelen die zij ter beschikking hebben en die na gebruik weer opbergen;
  3° de specifieke veiligheidsvoorzieningen van met name machines, toestellen, gereedschappen, installaties en gebouwen niet willekeurig uitschakelen, veranderen of verplaatsen en deze veiligheidsvoorzieningen op de juiste manier gebruiken;
  4° de coördinator-verwezenlijking, de andere aannemers en de diensten voor Preventie en Bescherming op het werk, onmiddellijk op de hoogte stellen van elke werksituatie waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat ze een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid of de gezondheid met zich meebrengt, evenals van elk gebrek vastgesteld in de beschermingssystemen;
  5° bijstand verlenen aan de coördinator-verwezenlijking, aan de verschillende aannemers en aan de diensten voor Preventie en Bescherming op het werk, zolang dat nodig is, om hen in staat te stellen alle taken uit te voeren of aan alle verplichtingen te voldoen die hen met het oog op de bescherming van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en van de veiligheid en de gezondheid van de andere personen op het werk zijn opgelegd;
  6° bijstand verlenen aan de coördinator-verwezenlijking, aan de verschillende aannemers en aan de diensten voor Preventie en Bescherming op het werk, zolang dat nodig is, om alle aannemers in staat te stellen ervoor te zorgen dat het arbeidsmilieu en de arbeidsomstandigheden veilig zijn en geen risico's opleveren voor de veiligheid en de gezondheid binnen hun werkterrein.
Art.53. Afin de préserver leur propre bien-être au travail ainsi que celui des autres personnes présentes sur le chantier temporaire ou mobile, les indépendants et les employeurs exerçant personnellement une activité professionnelle sur le chantier, utilisent, entretiennent, contrôlent ou laissent contrôler les équipements de travail et les moyens de protection personnelle, qu'ils mettent en oeuvre, conformément aux dispositions des arrêtés royaux énumérés ci-après et de la même façon que les employeurs y sont obligés :
  1° l'arrêté royal du 12 août 1993 concernant l'utilisation des équipements de travail;
  2° l'arrête royal du 4 mai 1999 concernant l'utilisation d'équipements de travail mobiles;
  3° l'arrêté royal du 4 mai 1999 concernant l'utilisation d'équipements de travail servant au levage de charges;
  4° l'arrêté royal du (13 juin 2005) relatif à l'utilisation des équipements de protection individuelle. <AR 2006-03-22/45, art. 7, 006; En vigueur : 22-04-2006>
  (5° l'arrêté royal du 31 août 2005 relatif à l'utilisation des équipements de travail pour des travaux temporaires en hauteur.) <AR 2005-08-31/38, art. 27, 005; En vigueur : 25-09-2005>
Art.53. Teneinde hun eigen welzijn op het werk alsook dat van de andere op de tijdelijke of mobiele bouwplaats aanwezige personen te vrijwaren, gebruiken, onderhouden en controleren de zelfstandigen en de werkgevers, die zelf een beroepsactiviteit op de bouwplaats uitoefenen, de arbeidsmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen die zij op de bouwplaats inzetten, en laten deze controleren, overeenkomstig de bepalingen van de hierna opgesomde koninklijke besluiten en op dezelfde wijze als de werkgevers hiertoe verplicht zijn :
Sous-section V. - Obligations spécifiques des intervenants.
Onderafdeling V. - Specifieke verplichtingen van de tussenkomende partijen.
Art.54. (ancien art. 55; ancien art. 54 est abrogé) De chaque accident grave sur un chantier temporaire ou mobile, survenu à un entrepreneur qui y exerce lui-même une activité professionnelle, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution communique au fonctionnaire, compétent en matière de sécurité au travail, une notification.
Art.54. (oud art. 55; het oude art. 54 werd opgeheven) Van elk ernstig ongeval op een tijdelijke of mobiele bouwplaats, overkomen aan een aannemer die er zelf een beroepsactiviteit uitoefent, doet de bouwdirectie belast met de uitvoering aan de inzake arbeidsveiligheid bevoegde ambtenaar een kennisgeving.
Section VII. - Conditions d'exercice de la fonction de coordinateur.
Afdeling VII. - Voorwaarden voor de uitoefening van de functie van coördinator.
Sous-section I. - (Chantiers temporaires ou mobiles d'une surface totale égale ou supérieure à 500 m2.)
Onderafdeling I. - (Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen met een totale oppervlakte gelijk aan of groter dan 500 m2.)
Art.55. Les dispositions de cette sous-section s'appliquent aux chantiers temporaires ou mobiles d'une surface totale égale ou supérieure à 500 m2.
Art.55. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen met een totale oppervlakte gelijk aan of groter dan 500 m2.
Formation de base et expérience professionnelle utile.
Basisvorming en nuttige beroepservaring.
Art.56. § 1er. Les personnes qui veulent exercer la fonction de coordinateur sur un chantier temporaire ou mobile pour lequel un plan de sécurité et de santé est exigé en application de l'article 26, § 1er ou § 2, doivent pouvoir apporter la preuve qu'ils satisfont aux exigences suivantes en matière d'expérience professionnelle utile et de diplômes :
Art.56. § 1. De personen die de functie van coördinator willen uitoefenen op een tijdelijke of mobiele bouwplaats waar een veiligheids- en gezondheidsplan vereist is in toepassing van artikel 26, § 1 of § 2, moeten het bewijs kunnen leveren dat zij voldoen aan de volgende vereisten inzake nuttige beroepservaring en diploma's :
  1° twee jaar beroepservaring voor de houders van een diploma van ingenieur of een einddiploma van het hoger technisch onderwijs van universitair niveau of van het hoger technisch of kunstonderwijs van het lange type;
  2° vijf jaar beroepservaring voor de houders van een einddiploma van het hoger technisch onderwijs van het korte type;
  3° tien jaar beroepservaring voor de houders van een diploma van het hoger secundair onderwijs.
  § 2. De personen die de functie van coördinator willen uitoefenen (op een tijdelijke of mobiele bouwplaats bedoeld in artikel 26, § 3), moeten het bewijs kunnen leveren dat zij voldoen aan de volgende vereisten inzake nuttige beroepservaring en diploma's : <KB 2005-01-19/31, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° één jaar beroepservaring voor de houders van één van de diploma's bedoeld in § 1, 1° en 2°;
  2° drie jaar beroepservaring voor de houders van een diploma van het hoger secundair onderwijs;
  3° vijf jaar beroepservaring voor de houders van een diploma van het lager secundair onderwijs.
Art.57. Pour l'application de l'article 56, on entend par expérience professionnelle :
  1° pour la fonction de coordinateur-projet : une expérience professionnelle relative à la conception d'un projet d'ouvrage ou à l'ingénierie;
  2° pour la fonction de coordinateur-réalisation : une expérience professionnelle relative à la direction d'un chantier temporaire ou mobile ou à la gestion et au suivi des travaux sur un tel chantier;
  3° pour la fonction de coordinateur-projet et réalisation : une expérience professionnelle relative aux deux types d'activités visées sous les points 1° et 2°.
Art.57. Voor de toepassing van artikel 56 wordt onder beroepservaring verstaan :
(Formation complémentaire et autres connaissances)
(Aanvullende vorming en andere kennis.)
Art.58. § 1er. Le coordinateur d'un chantier temporaire ou mobile pour lequel un plan de sécurité et de santé est exigé, en application de l'article 26, § 1er ou § 2, doit, en outre, pouvoir apporter la preuve que :
Art.58. <AR 2001-12-19/43, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 02-02-2002> § 1. De coördinator van een tijdelijke of mobiele bouwplaats waarvoor een veiligheids- en gezondheidsplan vereist is, in toepassing van artikel 26, § 1 of § 2, moet bovendien het bewijs kunnen leveren dat hij :
  1° hetzij, met vrucht elk van de volgende vormingen beëindigd heeft :
  a) een erkende cursus van aanvullende vorming bedoeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten.
  Het bewijs betreft een aanvullende vorming van het eerste niveau wanneer voor de bouwplaats een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid en van het tweede niveau in de andere gevallen;
  b) een erkende cursusmodule " aanvulling tot coördinator " bedoeld in § 2.
  De Minister van Werkgelegenheid kan bijkomende nadere regelen met betrekking tot de organisatie van de module vaststellen op advies van de hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk;
  2° hetzij, met vrucht een erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bedoeld in § 3, beëindigd heeft.
  Het bewijs betreft een aanvullende vorming van het niveau A wanneer voor de bouwplaats een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid en van het niveau B in de andere gevallen.
  De Minister van Werkgelegenheid kan bijkomende nadere regelen met betrekking tot de organisatie van de cursus vaststellen op advies van de hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk;
  3° hetzij, geslaagd is in een erkend specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in § 4.
  Het bewijs betreft een specifiek examen van het niveau A wanneer voor de bouwplaats een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid en van het niveau B in de andere gevallen.
  De Minister van Werkgelegenheid kan bijkomende nadere regelen met betrekking tot de organisatie van het examen vaststellen op advies van de hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk.
  De erkende cursusmodule " aanvulling tot coördinator ".
  § 2. Om erkend te kunnen worden, voldoet de cursusmodule " aanvulling tot coördinator " aan de volgende voorwaarden :
  1° de inhoud van het programma van de cursusmodule beantwoordt aan de inhoud vastgesteld in de bijlage IV, deel A;
  2° het uurrooster van de module omvat ten minste 30 lesuren;
  3° de cursusmodule wordt afgesloten met een examen gericht op het testen van de parate kennis en het inzicht in de leerstof;
  4° de organisatie van de cursusmodule is voorbehouden aan de organisatoren van een erkende cursus van aanvullende vorming bedoeld in het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten.
  Deze organisatoren bieden de cursusmodule " aanvulling tot coördinator " aan afzonderlijk van de in vorig lid bedoelde erkende cursus, integreren haar in deze laatste, of bieden de beide formules aan;
  5° worden slechts toegelaten tot het volgen van een cursusmodule " aanvulling tot coördinator ", afzonderlijk aangeboden van een in 4° bedoelde erkende cursus, de kandidaten die zulke cursus met vrucht hebben beëindigd.
  De organisatoren zien toe op de naleving van deze voorwaarde.
  De cursusmodule " aanvulling tot coördinator " wordt erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten.
  De erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
  § 3. Om erkend te kunnen worden, voldoet de cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen aan de volgende voorwaarden :
  1° de cursus is zo opgevat en gestructureerd, dat hij de kandidaten in staat stelt de nodige kennis en vaardigheid te verwerven voor het vervullen van het geheel van de wettelijke en reglementaire opdrachten opgelegd aan de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
  Daartoe, voldoet hij aan de eindtermen bepaald in de bijlage IV, deel B, afdeling I;
  2° de inhoud van het programma van de cursus beantwoordt aan de inhoud vastgesteld in de bijlage IV, deel B, afdeling II;
  3° de organisatie van de cursus wordt overgelaten aan het vrij initiatief van de openbare, paritaire of privé-instellingen die de in deze afdeling vastgestelde vereisten naleven;
  4° de cursus wordt afgesloten door een examen. Dit examen omvat :
  a) een deel gericht op het testen van de parate kennis en het inzicht in de leerstof;
  b) het uitwerken en verdedigen van een coördinatieproject, overeenkomstig de nadere regelen vastgesteld in de bijlage IV, deel B, afdeling III.
  Het examen dient in zijn geheel representatief te zijn voor het evalueren van de kennis, het begrip en de vaardigheid in het toepassen van de aangeboden leerstof.
  Het examen wordt afgenomen in aanwezigheid van een jury.
  De examenjury is samengesteld uit leden die als groep borg staan voor een degelijke evaluatie van de kennis, het begrip en de vaardigheid in het toepassen van de aangeboden leerstof.
  De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen de werkzaamheden van de jury als waarnemer bijwonen.
  Ten minste vijftien kalenderdagen vóór de datum waarop de examens plaatshebben, delen de organisatoren de locatie en de data ervan mee aan de in vorig lid bedoelde ambtenaren;
  5° de volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing op de cursus van specifieke aanvullende vorming van niveau A :
  a) slechts de houders van één van de diploma's, bedoeld in artikel 56, § 1, 1°, worden tot de cursus toegelaten;
  b) wat de risico-analyse en de vaststelling van de preventiemaatregelen betreft, is de cursus gericht op de uiteenzetting van hun wetenschappelijke achtergronden;
  c) het uurrooster van de cursus beslaat ten minste 150 uren, de tijd besteed aan de uitwerking van het coördinatieproject en aan het examen niet meegerekend;
  d) het coördinatieproject, bedoeld in 4°, eerste lid, b, heeft uitsluitend betrekking op praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid;
  6° de volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing op de cursus van specifieke aanvullende vorming van niveau B :
  a) wat de risico-analyse en de vaststelling van de preventiemaatregelen betreft, volgt de cursus van niveau B hetzelfde schema als de cursus van niveau A, maar wordt hij beperkt tot het onderwijs van de verworven kennis, zonder noodzakelijk ook de uiteenzetting van hun wetenschappelijke achtergronden te brengen;
  b) het uurrooster van de cursussen beslaat ten minste 80 uren, de tijd besteed aan de uitwerking van het coördinatieproject en aan het examen niet meegerekend;
  c) het coördinatieproject, bedoeld in 4°, eerste lid, b, heeft uitsluitend betrekking op praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor geen coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid.
  Voor de kandidaten waarvan de nuttige beroepservaring zich beperkt tot deze, bedoeld in artikel 60, heeft het coördinatieproject uitsluitend betrekking op het in datzelfde artikel bedoelde type van werken. Deze beperking wordt door de organisatoren ingeschreven op het bewijs dat de kandidaat de cursus met vrucht heeft gevolgd.
  De cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen wordt erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten.
  Het erkend specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
  § 4. Om erkend te kunnen worden, voldoet het specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen aan de volgende voorwaarden :
  1° het examen is gericht op de eindtermen bepaald in de bijlage IV, deel B, afdeling I;
  2° de inhoud van het programma van het examen beantwoordt aan de inhoud vastgesteld in de bijlage IV, deel B, afdeling II;
  3° de organisatie van het examen is voorbehouden aan de organisatoren van een erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  4° het examen omvat :
  a) een deel gericht op het testen van de parate kennis en het inzicht in de materies vervat in het examenprogramma;
  b) het uitwerken en verdedigen van een coördinatieproject, overeenkomstig de nadere regelen vastgesteld in de bijlage IV, deel B, afdeling III.
  Het examen dient in zijn geheel representatief te zijn voor het evalueren van de kennis, het begrip en de vaardigheid in het toepassen van de materies vervat in het examenprogramma.
  Het examen wordt afgenomen in aanwezigheid van een jury.
  De examenjury is samengesteld uit leden die als groep borg staan voor een degelijke evaluatie van de kennis, het begrip en de vaardigheid in het toepassen van de materies vervat in de eindtermen.
  De met het toezicht belaste ambtenaren kunnen de werkzaamheden van de jury als waarnemer bijwonen.
  Ten minste vijftien kalenderdagen vóór de datum waarop de examens plaatshebben, delen de organisatoren de locatie en de data ervan mee aan de in vorig lid bedoelde ambtenaren;
  5° de volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing op het specifiek examen van niveau A :
  a) slechts de houders van één van de diploma's, bedoeld in artikel 56, § 1, 1°, worden tot het examen toegelaten;
  b) wat de risico-analyse en de vaststelling van de preventiemaatregelen betreft, is het examen gericht op de kennis van de wetenschappelijke achtergronden;
  c) het coördinatieproject, bedoeld in 4°, eerste lid, b, heeft uitsluitend betrekking op praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid;
  6° de volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing op het specifiek examen van niveau B :
  a) wat de risico-analyse en de vaststelling van de preventiemaatregelen betreft, is het examen gericht op de verworven kennis, zonder noodzakelijk ook het bewijs van de wetenschappelijke achtergronden te brengen;
  b) het coördinatieproject, bedoeld in 4°, eerste lid, b, heeft uitsluitend betrekking op praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor geen coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid.
  Voor de kandidaten waarvan de nuttige beroepservaring zich beperkt tot deze, bedoeld in artikel 60, heeft het coördinatieproject uitsluitend betrekking op het in datzelfde artikel bedoelde type van werken. Deze beperking wordt door de organisatoren ingeschreven op het bewijs dat de kandidaat in het examen geslaagd is.
  Het specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen wordt erkend overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten.
  Toezicht op de toelating tot de cursussen van specifieke aanvullende vorming en tot de specifieke examens voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
  § 5. De organisatoren zien erop toe dat slechts de kandidaten toegelaten worden die :
  1° hetzij, houder zijn van een gepast diploma bedoeld in artikel 56, § 1;
  2° hetzij, in toepassing van de overgangsmaatregelen voorzien in de artikel 63, tweede lid of artikel 64, § 2, kunnen aantonen dat zij de in dezelfde artikelen bedoelde beroepservaring van ten minste 15 jaar bezitten.
  Indien een organisator twijfelt of een kandidaat voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in vorig lid, 2°, vraagt hij het advies van de ambtenaar die de administratie, bevoegd voor de arbeidsveiligheid, vertegenwoordigt in de Kwaliteitswaarborgcommissie bedoeld in § 6, derde lid.
  De Kwaliteitswaarborgcommissie.
  § 6. Elke organisator van een erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bedoeld in § 3, en elke organisator van een erkend specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bedoeld in § 4, richt een Kwaliteitswaarborgcommissie op.
  De Kwaliteitswaarborgcommissie is samengesteld uit :
  1° een vertegenwoordiger van de organisator;
  2° een afvaardiging bestaande uit minstens drie vertegenwoordigers van andere organisatoren die onafhankelijk zijn ten opzichte van de betrokken organisator.
  De (directeur-generaal van de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk of zijn afgevaardigde en de directeur-generaal van de Algemene Directie Humanisering van de Arbeid of zijn afgevaardigde) en de directeur-generaal van de administratie bevoegd voor de arbeidshygiëne en -geneeskunde of zijn afgevaardigde wonen de vergaderingen van de Kwaliteitswaarborgcommissie bij als waarnemer. <KB 2005-01-19/31, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  De Kwaliteitswaarborgcommissie heeft als opdracht :
  - na te gaan of de specifieke aanvullende vorming of het specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen beantwoorden aan de bepalingen van dit artikel;
  - het in § 7 bedoelde verslag te evalueren.
  De Kwaliteitswaarborgcommissie stelt van haar activiteiten een verslag op. Een afschrift van dit verslag wordt gestuurd naar de inrichter, de in het derde lid bedoelde directeurs-generaal en (de Vaste Operationele Commissie opgericht in de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk). <KB 2006-10-23/35, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De Kwaliteitswaarborgcommissie vergadert telkens de organisator een in § 7 bedoeld verslag heeft opgesteld en minstens eens om de drie jaar.
  Verslag van de organisatoren.
  § 7. De organisatoren bezorgen na afloop van elk burgerlijk jaar aan de in § 6 bedoelde Kwaliteitswaarborgcommissie en aan de in dezelfde paragraaf, derde lid bedoelde directeurs-generaal een verslag.
  Dit verslag vermeldt de volgende informatie :
  - de wijzigingen in het programma en de organisatie van de cursus van aanvullende specifieke vorming of van het specifiek examen;
  - de aangewende methoden;
  - de namen en titels van de lesgevers en de leden van de examenjury;
  - de voorzieningen voor de kandidaten;
  - de evaluatie van de cursus, van de lesgevers en van het examen, door de kandidaten;
  - de lijst van de kandidaten (naam, adres en eventueel de instelling of onderneming) die met vrucht de specifieke aanvullende vorming beëindigd hebben of die in het specifiek examen geslaagd zijn.
  Het verslag wordt opgesteld binnen een termijn van drie maanden na afloop van het vorig burgerlijk jaar.
  (§ 8. Worden met de personen die het bewijs kunnen leveren met vrucht een erkende cursus van specifieke aanvullende vorming van niveau A bedoeld in § 1, 2°, te hebben beëindigd, gelijkgesteld, de personen die het bewijs kunnen leveren met succes een opleiding van architect te hebben gevolgd, waarin alle eindtermen bedoeld in de bijlage IV, deel B, afdeling I, geïntegreerd zijn en die afgesloten wordt door een examen waarin de verificatie dat zij in voldoende mate aan deze eindtermen beantwoorden geïntegreerd is.) <KB 2005-01-19/31, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.59. Les personnes visées à l'article 56 doivent pouvoir apporter la preuve qu'elles disposent d'une connaissance suffisante de la réglementation et des techniques en matière de bien-être sur les chantiers temporaires ou mobiles.
Art.59. De in artikel 56 bedoelde personen moeten kunnen aantonen dat zij een voldoende kennis bezitten van de reglementering en de technieken inzake welzijn op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
Cas particuliers.
Bijzondere gevallen.
Conduites utilitaires souterraines
Ondergrondse nutsleidingen
Art.60. Par dérogation aux dispositions de l'article 57, une expérience professionnelle utile relative à chacun des travaux énumérés à l'article 2, § 1er, 1°, 2°, et 6°, suffit lorsque le chantier temporaire ou mobile ne comporte aucun travail, autre que les travaux souterrains visés à l'article 2, § 1er, 6°.
Art.60. In afwijking van de bepalingen van artikel 57 volstaat een nuttige beroepservaring inzake elk van de werken opgesomd in artikel 2, § 1, 1°, 2° en 6°, wanneer de tijdelijke of mobiele bouwplaats geen andere werken omvat dan de ondergrondse werken bedoeld in artikel 2, § 1, 6°.
  (...) <KB 2005-01-19/31, art. 37, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.61. (Opgeheven)
Coordinateurs adjoints
Adjunct-coördinatoren.
Art.62. (§ 1er. Par dérogation aux dispositions des articles 8, deuxième alinéa et 19, deuxième alinéa, peuvent assister en tant qu'adjoint un coordinateur, sous sa direction et sa responsabilité, sur un chantier temporaire ou mobile, les personnes répondant à chacune des conditions suivantes :
Art.62. (§ 1. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 8, tweede lid en 19, tweede lid, kunnen personen op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen een coördinator, onder zijn leiding en zijn verantwoordelijkheid, als adjunct bijstaan, indien zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoen :
Mesures transitoires.
Overgangsmaatregelen.
Art.63. Les personnes, qui satisfont aux dispositions des articles 56 et 59 et qui peuvent, dans un délai de trois ans après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, apporter la preuve visée à l'article 58, § 1er, 1°, a, sont dispensées, pour l'exercice de la fonction de coordinateur, de la production de la preuve visée à l'article 58, § 1er, 1°, b.
Art.63. <KB 2001-12-19/43, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 02-02-2002> De personen die aan de bepalingen van de artikelen 56 en 59 voldoen en in staat zijn binnen een termijn van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit het bewijs te leveren, bedoeld in artikel 58, § 1, 1°, a, zijn voor de uitoefening van de functie van coördinator vrijgesteld van het leveren van het bewijs bedoeld in artikel 58, § 1, 1°, b.
  In afwijking van de bepalingen van de artikelen 56, § 1, 58, § 3, 5°, a en 58, § 4, 5°, a, mogen de personen die niet voldoen aan de diplomavereisten, bedoeld in artikel 56, zich binnen een termijn van 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit inschrijven voor het volgen van een erkende cursus van specifieke aanvullende vorming, bedoeld in artikel 58, § 1, 2°, of deelnemen aan een erkend specifiek examen, bedoeld in artikel 58, § 1, 3°, op voorwaarde dat zij voldoen aan de bepalingen van artikel 59 en dat zij het bewijs kunnen leveren te beschikken over een beroepservaring, bedoeld in artikel 57, van ten minste 15 jaar.
Art.64. <AR 2001-12-19/43, art. 5, 002; En vigueur : 02-02-2002> § 1er. Les personnes, qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, exerçaient déjà des activités de coordination, dans lesquelles est intégrée l'application des principes généraux de prévention, peuvent exercer la fonction de coordinateur, pour autant qu'elles répondent aux conditions fixées aux articles 56 et 59 et que, dans un délai de trois ans après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, elles soient en mesure :
  1° soit, de produire la preuve visée à l'article 58, § 1er, 1°, a) et, dans un délai d'un an après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, de soumettre la preuve de l'inscription pour suivre un cours agrée de formation complémentaire visé à l'arrêté royal précité du 10 août 1978;
  2° soit, de produire la preuve visée à l'article 58, § 1er, 2° et, dans un délai d'un an après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, de soumettre la preuve de l'inscription pour suivre un cours agréé de formation complémentaire spécifique pour coordinateurs en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles;
  3° soit, de produire la preuve d'avoir réussi l'examen visé à l'article 58, § 1er, 3° et, dans un délai d'un an après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, de soumettre une déclaration sur l'honneur, signée de leur main, d'où apparaît leur intention de participer à un tel examen avant la fin du délai précité de trois ans.
  § 2. Pour l'application des dispositions du § 1er, 2° et 3° et par dérogation aux dispositions des articles 56, § 1er, 58, § 3, 5°, a et 58, § 4, 5°, a, les personnes, qui peuvent apporter la preuve qu'elles disposent, a la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, d'une expérience professionnelle, visée à l'article 57, d'au moins 15 ans, sont dispensées de répondre aux exigences en matière de diplômes fixées par l'article 56.
Art.64. § 1. De personen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit reeds coördinatieactiviteiten, waarin de toepassing van de algemene preventiebeginselen is geïntegreerd, uitvoerden, mogen de functie van coördinator uitoefenen mits zij voldoen aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 56 en 59 en binnen een termijn van drie jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit in staat zijn :
(Certification).
(Certificatie).
Art.65. A l'exception des personnes visées à l'article 56, § 2, la personne qui exerce la fonction de coordinateur-projet ou de coordinateur-réalisation doit pouvoir apporter la preuve qu'elle est certifiée selon la norme NBN EN ISO 17024 (cette norme peut être obtenue auprès de l'Institut Belge de Normalisation).
Art.65. Met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 56, § 2, moet de persoon die de functie van coördinator-ontwerp of coördinator-verwezenlijking uitoefent, in staat zijn om het bewijs te leveren gecertificeerd te zijn volgens de norm NBN EN ISO 17024 (deze norm kan bekomen worden bij het Belgisch Instituut voor Normalisatie).
Sous-section II. - Chantiers temporaires ou mobiles d'une surface totale inférieure à 500 m2.
Onderafdeling II. - Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen met een totale oppervlakte kleiner dan 500 m2.
Art. 65bis. Les dispositions de la présente sous-section s'appliquent aux chantiers temporaires ou mobiles d'une surface totale inférieure à 500 m2.
Art. 65bis. De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen met een totale oppervlakte kleiner dan 500 m2.
Chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels la collaboration d'un architecte est légalement requise.
Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de medewerking van een architect wettelijk vereist is.
Art. 65ter. § 1er. Pour les chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels la collaboration d'un architecte est légalement requise, la fonction de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation est exercée par des personnes qui répondent aux conditions de la sous-section Ire, (à l'exception de la certification et) étant entendu que les personnes visées à l'article 56, § 2, peuvent exclusivement exercer ces fonctions sur des chantiers où l'on n'exécute aucune des activités énoncées à l'article 26, § 1er et dont l'importance est moindre que l'importance définie à l'article 26, § 2.
Art. 65ter. § 1. Voor de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de medewerking van een architect wettelijk vereist is, wordt de functie van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking uitgeoefend door personen die voldoen aan de voorwaarden van de onderafdeling I, (de certificatie uitgezonderd en) met dien verstande dat de personen bedoeld in artikel 56, § 2, slechts deze functies mogen uitoefenen op bouwplaatsen waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden opgesomd in artikel 26, § 1 en waarvan de omvang kleiner dan de omvang gedefinieerd in artikel 26, § 2.
Chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels la collaboration d'un architecte n'est légalement pas requise.
Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de medewerking van een architect wettelijk niet vereist is.
Art. 65quater. § 1er. Sur les chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels la collaboration d'un architecte n'est pas requise légalement et où, soit l'on exécute des activités énoncées à l'article 26, § 1er, soit l'importance des activités est au moins équivalente à l'importance définie à l'article 26, § 2, la fonction de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation est exercée par les personnes visées à l'article 65ter, § 1er, à l'exception des personnes visées à l'article 56, § 2.
Art. 65quater. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 37, 14°, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> § 1. Op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de medewerking van een architect wettelijk niet vereist is en waar ofwel werkzaamheden uitgevoerd worden opgesomd in artikel 26, § 1, ofwel de omvang van de werkzaamheden ten minste gelijk is aan de omvang gedefinieerd in artikel 26, § 2, wordt de functie van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking uitgeoefend door de personen bedoeld in artikel 65ter, § 1, met uitzondering van de personen bedoeld in artikel 56, § 2.
  § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1 mag de functie van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking uitgeoefend worden door de natuurlijke persoon die één van de betrokken bouwdirecties belast met de uitvoering leidt, of door één van zijn werknemers, indien aan de volgende voorwaarde voldaan is :
  1° de persoon die de functie van coördinator uitoefent moet het bewijs kunnen leveren dat hij voldoet aan de volgende vereisten en, wat betreft c), levert naast de werknemer ook de natuurlijke persoon van de werkgever dit bewijs :
  a) ten minste tien jaar nuttige beroepservaring bezitten inzake de soorten werken, bedoeld in artikel 26, § 1, waarvoor de functie van coördinator wordt uitgeoefend, alsook kennis van de uitvoerings- en risicopreventietechnieken van de andere werken die het voorwerp van dezelfde coördinatieopdracht uitmaken;
  b) gedurende ten minste vijf jaar een onderneming hebben geleid die één of meer van de in artikel 2, § 1, bedoelde werken als voorwerp had, of een even lange praktische beroepservaring bezitten in verband met de leiding van een tijdelijke of mobiele bouwplaats of met het beheer en de opvolging van de werken op zulke bouwplaats;
  c) gedurende de in punt b) bedoelde periode, of, gedurende de laatste vijf jaar op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar hij de functie van coördinator heeft uitgeoefend, en wegens inbreuken op de voorschriften betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, niet het voorwerp hebben uitgemaakt van :
  - hetzij, een definitief geworden veroordeling;
  - hetzij, een administratieve geldboete;
  - hetzij, een niet vernietigd bevel tot stopzetting der werken in toepassing van de bepalingen van artikel 3 van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie;
  d) hetzij, een vervolmakingsvorming inzake het welzijn op het werk, hetzij, een opleiding in een erkend centrum voor middenstandsopleiding, een opleiding in het kader van een industriële leerlingenwezen of een andere beroepsopleiding, met gunstig gevolg hebben beëindigd, waarin gedurende ten minste 24 uur, de duur van het examen inbegrepen, ten minste de volgende onderwerpen worden behandeld :
  - de wettelijke en reglementaire voorschriften inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  - de veiligheidsrisico's op bouwplaatsen;
  - de gezondheidsrisico's op bouwplaatsen;
  - het uitvoeren van risicoanalyses en het integreren en vaststellen van passende preventiemaatregelen, met inbegrip van deze nodig voor het uitvoeren van latere werkzaamheden aan het bouwwerk;
  - de instrumenten bij de coördinatie en coördinatiepraktijken;
  2° de bouwdirectie is opgenomen in een lijst die de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk publiceert op de webstek van de Federale Overheidsdienst bevoegd voor het welzijn op het werk en die de aannemers van bouwwerken vermeldt die aan alle onder 1° voorwaarden voldoen.
  Om in de lijst te worden opgenomen richten de aannemers een aanvraag tot de in vorig lid bedoelde Algemene Directie, samen met een kopie van alle bewijsstukken waaruit moet blijken dat aan de onder 1° opgesomde voorwaarden voldaan is.
  De Algemene Directie plaatst een aannemer op de lijst na verificatie van de bewijsstukken en vaststelling dat aan alle onder 1° opgesomde voorwaarden voldaan is en verwijdert een aannemer van de lijst zodra zij kennis krijgt dat hij aan één of meer van de voorwaarden niet langer beantwoordt.
  Bij de uitoefening van haar in vorig lid opgedragen taak, kan de Algemene Directie een aannemer horen op het kantoor van haar buitendienst, bevoegd voor de hoofdzetel van de aannemer.
  De aannemer die van de lijst is verwijderd om reden van een onverenigbaarheid met één of meer van de onder 1° opgesomde voorwaarden, kan slechts opnieuw in de lijst opgenomen worden, na het indienen van een nieuwe aanvraag na afloop van de termijn vermeld in de voorwaarde die de reden vormde van de verwijdering.
Art. 65quinquies. Sur les chantiers temporaires ou mobiles pour lesquels la collaboration d'un architecte n'est pas requise légalement, où l'on n'exécute aucune des activités énoncées à l'article 26, § 1er et dont l'importance est moindre que l'importance définie à l'article 26, § 2, la fonction de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation est exercée par :
  1° soit une personne visée à l'article 65ter, § 1er;
  2° soit une personne visée a l'article 65quater, § 2;
  3° soit la personne qui dirige un des maîtres d'oeuvre concernés chargés de l'exécution, à condition qu'elle puisse produire une attestation généralement acceptée par le secteur de la construction, prouvant qu'elle a terminé avec fruit une formation de 12 heures minimum, y compris la durée de l'examen, concernant les mesures, les techniques et la réglementation en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles.";
Art. 65quinquies. Op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waarvoor de medewerking van een architect wettelijk niet vereist is, waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden opgesomd in artikel 26, § 1 en waarvan de omvang kleiner is dan de omvang gedefinieerd in artikel 26, § 2, wordt de functie van coördinator-ontwerp en van coördinator-verwezenlijking uitgeoefend door :
Sous-section III. - Conditions applicables à tous les coordinateurs en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles.
Onderafdeling III. - Voorwaarden geldend voor alle coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiel bouwplaatsen.
Assurance en responsabilité civile.
Burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering.
Art. 65sexies.
Art. 65sexies.
Formation continue.
Bijscholing.
Art. 65septies. Afin de rester au courant de l'évolution des techniques et de la réglementation en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles, les coordinateurs-projet et les coordinateurs-réalisation prennent soin de se perfectionner en permanence.
Art. 65septies. Teneinde op de hoogte te blijven van de evolutie van de technieken en de regelgeving inzake de veiligheid en de gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen dragen de coördinatoren-ontwerp en de coördinatoren-verwezenlijking er zorg voor dat zij zich voortdurend bijscholen.
Section VIII. - Dispositions finales.
Afdeling VIII. - Slotbepalingen.
Art.66. Sont abrogés dans le Règlement général pour la protection du travail :
Art.66. Worden opgeheven in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming :
  1° artikel 437bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 november 1982;
  2° artikel 462tredecies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 december 1959.
Art.68. Les dispositions des articles 1er à 67 du présent arrêté et ses annexes forment le titre III, chapitre V, du Code sur le bien-être au travail, intitulé comme suit :
  1° "Titre III : Lieux de travail.".
  2° "Chapitre V : Chantiers temporaires ou mobiles.".
Art.68. De bepalingen van de artikelen 1 tot 67 van dit besluit en zijn bijlagen vormen titel III, hoofdstuk V, van de Codex over het welzijn op het werk, met de volgende opschriften :
  1° "Titel III : Arbeidsplaatsen.".
  2° "Hoofdstuk V : Tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.".
Art.69. <AR 2005-01-19/31, art. 38, 004; En vigueur : 27-01-2005> Les titres visés à l'article 58 qui ont été obtenu de façon irrégulière sont nuls et non avenus.
Art.69. <KB 2005-01-19/31, art. 38, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005> De in artikel 58 bedoelde stukken die op onregelmatige wijze zijn bekomen, zijn van nul en gener waarde.
Art.70. Les dispositions du chapitre V "Dispositions spécifiques concernant les chantiers temporaires ou mobiles" de la loi du 4 août 1996 concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, produisent leur effet le 1er août 1999.
  L'arrêté royal du 28 juin 1999 fixant la date d'entrée en vigueur du chapitre V de la loi du 4 août 1996 concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail est rapporté.
Art.70. De bepalingen van hoofdstuk V "Bijzondere bepalingen betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 1999.
  Het koninklijk besluit van 28 juni 1999 houdende vaststelling van de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk V van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wordt ingetrokken.
Art.71. (...). Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge. <AR 2005-01-19/31, art. 39, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 2. (...) <AR 2005-01-19/31, art. 39, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  § 3. (...) <AR 2005-01-19/31, art. 39, 004; En vigueur : 27-01-2005>
Art.71. (...) Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <KB 2005-01-19/31, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 2. (...) <KB 2005-01-19/31, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  § 3. (...) <KB 2005-01-19/31, art. 39, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
Art.72. Notre Ministre de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Art.72. Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
ANNEXES.
BIJLAGEN.
Art. N1. Annexe I.
Art. N1. Bijlage I. <KB 2005-01-19/31, art. 40, 004; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  Deel A.
  Inhoud van het veiligheids- en gezondheidsplan gedefinieerd in artikel 3, 6°.
  Afdeling I. - Inhoud bedoeld in artikel 27, § 1.
  Het veiligheids- en gezondheidsplan bevat ten minste de volgende elementen :
  1° de beschrijving van het te realiseren bouwwerk vanaf het ontwerp tot de volledige verwezenlijking ervan;
  2° de beschrijving van de resultaten van de risicoanalyses bedoeld in artikel 3, 6°;
  3° de beschrijving van de preventiemaatregelen bedoeld in artikel 3, 6°. Deze beschrijving omvat :
  a. het geheel van de preventieregels en -maatregelen, bedoeld in afdeling III van dit deel, die aangepast zijn aan de kenmerken van het bouwwerk en voortvloeien uit de toepassing van de algemene preventieprincipes;
  b. de specifieke maatregelen met betrekking tot de werkzaamheden bedoeld in artikel 26, § 1;
  c. de instructies voor de tussenkomende partijen;
  4° de raming van de duur van de verwezenlijking van de verschillende werken of werkfasen die tegelijkertijd of na elkaar plaatsvinden.
  5° de lijst met de namen en de adressen van alle opdrachtgevers, bouwdirecties en aannemers, vanaf het moment dat deze personen bij de bouwplaats betrokken worden;
  6° de naam en het adres van de coördinator-ontwerp;
  7° de naam en het adres van de coördinator-ver-wezenlijking vanaf het moment van zijn aanstelling.
  De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsplan wordt aangepast in functie van de volgende elementen :
  1° in voorkomend geval, de wijzigingen in verband met de uitvoeringsmodaliteiten, overeengekomen tussen de tussenkomende partijen, waarvan de weerslag op het welzijn bij het werk dezelfde waarborgen biedt als de oorspronkelijk in het plan voorziene uitvoeringsmodaliteiten;
  2° in voorkomend geval, de opmerkingen van de tussenkomende partijen aan wie de elementen uit het veiligheids- en gezondheidsplan, die hen aanbelangen, zijn overgemaakt;
  3° de stand van de werken;
  4° het identificeren van onvoorziene risico's of onvoldoende onderkende gevaren;
  5° het optreden of het vertrek van tussenkomende partijen;
  6° de eventueel aan het ontwerp of de werken aangebrachte wijzigingen.
  Afdeling II. - Inhoud bedoeld in artikel 27, § 2, en artikel 28.
  Het veiligheids- en gezondheidsplan bevat ten minste de volgende elementen :
  1° de inventarisatie van de risico's bedoeld in artikel 3, 6°;
  2° de vastgestelde preventiemaatregelen bedoeld in artikel 3, 6°;
  3° de lijst met de namen en de adressen van alle opdrachtgevers, bouwdirecties en aannemers, vanaf het moment dat deze personen bij de bouwplaats betrokken worden;
  4° de naam en het adres van de coördinator-ontwerp;
  5° de naam en het adres van de coördinator-verwezenlijking vanaf het moment van zijn aanstelling.
  De inhoud van het veiligheids- en gezondheidsplan wordt aangepast in functie van de volgende elementen :
  1° in voorkomend geval, de wijzigingen in verband met de uitvoeringsmodaliteiten, overeengekomen tussen de tussenkomende partijen, waarvan de weerslag op het welzijn bij het werk dezelfde waarborgen biedt als de oorspronkelijk in het plan voorziene uitvoeringsmodaliteiten;
  2° in voorkomend geval, de opmerkingen van de tussenkomende partijen aan wie de elementen uit het veiligheids- en gezondheidsplan, die hen aanbelangen, zijn overgemaakt;
  3° de stand van de werken;
  4° het identificeren van onvoorziene risico's of onvoldoende onderkende gevaren;
  5° het optreden of het vertrek van tussenkomende partijen;
  6° de eventueel aan het ontwerp of de werken aangebrachte wijzigingen.
  Afdeling III. - Niet limitatieve lijst van de preventieregels en -maatregelen bedoeld in afdeling I, eerste lid, 3°, a.
  1° de algemene maatregelen betreffende de organisatie van de tijdelijke of mobiele bouwplaats die vastgesteld zijn door de opdrachtgever en de bouwdirecties in samenspraak met de coördinator-ontwerp en de coördinator-verwezenlijking;
  2° de algemene maatregelen die voortvloeien uit de verplichtingen die worden opgelegd door de opdrachtgever in wiens inrichting activiteiten betreffende een tijdelijke of mobiele bouwplaats worden verricht;
  3° de vereisten die voortvloeien uit de wederzijdse inwerking van de activiteiten inzake gebruik en exploitatie op het terrein zelf of in de nabijheid van het terrein waar de tijdelijke of mobiele bouwplaats is gevestigd;
  4° de coördinatiemaatregelen die inzonderheid betrekking hebben op :
  - de horizontale, verticale of andere verplaatsingsroutes of -zones of verkeersroutes of -zones;
  - het hanteren van materialen en materieel, in het bijzonder de problemen van de wederzijdse inwerking tussen hefwerktuigen op de bouwplaats of in de nabijheid ervan;
  - het beperken van het beroep doen op het manueel hanteren van lasten;
  - de afbakening en inrichting van opslagzones voor verschillende materialen, met name als het om gevaarlijke stoffen of producten gaat;
  - de voorwaarden voor het opslaan, verwijderen of afvoeren van aarde, afval, puin en gruis;
  - de voorwaarden voor de verwijdering van gevaarlijke materialen;
  - het installeren en gebruiken van collectieve beschermingsmiddelen en van tijdelijke toegangswegen;
  - het gebruik van de algemene elektrische installatie;
  - de wisselwerking met gebruiksactiviteiten op de site van de bouwplaats, inzonderheid het gebruik van gemeenschappelijke stellingen en toegangsmiddelen;
  - de wisselwerking met gebruiks- of exploitatieactiviteiten op de site van de bouwplaats of in de omgeving ervan;
  - het in goede orde houden van de bouwplaats;
  5° de algemene modaliteiten ter verzekering van het in goede orde en met voldoende bescherming van de gezondheid in stand houden van de bouwplaats, inzonderheid de vastgestelde voorschriften en maatregelen tot vastlegging van de voorwaarden opdat de lokalen, bestemd voor het personeel op de bouwplaats in overeenstemming zouden zijn met de erop toepasselijke voorschriften inzake veiligheid, gezondheid en arbeidsvoorwaarden;
  6° de praktische inlichtingen die specifiek zijn voor de bouwplaats wat betreft de hulpverlening, evacuatie van personen, evenals de gemeenschappelijke organisatorische maatregelen die terzake zijn getroffen;
  7° de algemene modaliteiten (tijdstippen, plaatsen, frequentie) voor overleg en samenwerking op de bouwplaats tussen de verschillende tussenkomende partijen en desgevallend de exploitanten of beheerders die een activiteit uitoefenen op de bouwplaats zelf of in de nabijheid ervan; [1 evenals de algemene regels betreffende de verbale en non-verbale communicatie op de bouwplaats en de algemene regels inzake het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan, inzonderheid, met het oog op:
   a) het verspreiden van informatie, instructies en bevelen aan deze personen, zodat deze te allen tijde begrepen worden en daadwerkelijk kunnen worden toegepast;
   b) de mogelijkheid voor deze personen om zich door middel van geschikte communicatiemiddelen verstaanbaar te maken;
   c) het maken van praktische afspraken over de communicatie en verstaanbaarheid, wanneer deze personen zich in een meertalige omgeving bevinden]1
en de algemene regels inzake het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan;
  8° de algemene regels (tijdstippen, plaatsen, frequentie) voor samenwerking en overleg op de bouwplaats tussen de werkgevers en werknemers [1 evenals algemene regels betreffende de verbale en non-verbale communicatie op de bouwplaats, inzonderheid met het oog op:
   a) het verspreiden van informatie, instructies en bevelen aan de werknemers, zodat deze te allen tijde begrepen worden en daadwerkelijk kunnen worden toegepast;
   b) de mogelijkheid voor deze werknemers om zich door middel van geschikte communicatiemiddelen verstaanbaar te maken;
   c) het maken van praktische afspraken over de communicatie en verstaanbaarheid, wanneer deze werknemers zich in een meertalige omgeving bevinden.]1

  Deel B.
  Inhoud van het coördinatiedagboek gedefinieerd in artikel 3, 7°.
  Het coördinatiedagboek vermeldt de volgende elementen :
  1° de namen en adressen van de tussenkomende partijen, het ogenblik van hun tussenkomst op de bouwplaats en voor ieder van hen, het voorziene aantal op de bouwplaats tewerk te stellen werknemers evenals de voorziene duur van de werken;
  2° de beslissingen, vaststellingen en gebeurtenissen die voor het ontwerp of de verwezenlijking van het bouwwerk van belang zijn;
  3° de opmerkingen gemaakt aan de tussenkomende partijen, inzonderheid deze betreffende hun eventuele gedragingen, handelingen, keuzen of nalatigheden die in strijd zijn met de algemene preventieprincipes, en de gevolgen die ze eraan gegeven hebben;
  4° de opmerkingen van de aannemers, aangevuld met het visum van de betrokken partijen;
  5° de gevolgen gegeven aan de opmerkingen van de tussenkomende partijen en van de werknemersvertegenwoordigers die van belang zijn voor het ontwerp van het project of de verwezenlijking van het bouwwerk;
  6° de tekortkomingen van de tussenkomende partijen ten opzichte van de algemene preventiebeginselen, de toepasselijke regels en de concrete maatregelen aangepast aan de specifieke kenmerken van de tijdelijke of mobiele bouwplaats, of ten opzichte van het veiligheids- en gezondheidsplan;
  7° de verslagen van de vergaderingen van de coördinatiestructuur bedoeld in artikel 3, 9°;
  8° de ongevallen.
  Deel C.
  Inhoud van het postinterventiedossier gedefinieerd in artikel 3, 8°.
  Afdeling I. - Inhoud bedoeld in artikel 35.
  Het postinterventiedossier bevat ten minste de volgende elementen :
  1° de informatie betreffende de structurele en essentiële elementen van het bouwwerk;
  2° de informatie betreffende de aard en de plaats van aantoonbare of verborgen gevaren, inzonderheid ingewerkte nutsleidingen;
  3° de plannen die werkelijk met de uitvoering en de afwerking overeenstemmen;
  4° de architecturale, technische en organisatorische elementen in verband met de verwezenlijking, de instandhouding en het onderhoud van het bouwwerk;
  5° de informatie voor de uitvoerders van te voorziene latere werkzaamheden, inzonderheid de herstelling, vervanging of ontmanteling van installaties of constructie-elementen;
  6° de relevante verantwoording van de keuzen in verband met onder andere de toegepaste uitvoeringsmethoden, technieken, materialen of architecturale elementen.
  7° de identificatie van de gebruikte materialen.
  Afdeling II. - Inhoud bedoeld in artikel 36.
  Het postinterventiedossier bevat ten minste de volgende elementen :
  1° de informatie betreffende de structurele en essentiële elementen van het bouwwerk;
  2° de informatie betreffende de aard en de plaats van aantoonbare of verborgen gevaren, inzonderheid ingewerkte nutsleidingen;
  3° de plannen die werkelijk met de uitvoering en de afwerking overeenstemmen;
  4° de identificatie van de gebruikte materialen.
  Deel D.
  Samenstelling van de coördinatiestructuur gedefinieerd in artikel 3, 9°.
  De coördinatiestructuur is samengesteld uit :
  1° de opdrachtgever of zijn vertegenwoordiger;
  2° de coordinator-verwezenlijking;
  3° de aanwezige aannemers of hun vertegenwoordigers;
  4° de bouwdirectie belast met de uitvoering;
  5° de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering;
  6° een vertegenwoordiger van elk comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis, van elke syndicale afvaardiging van de op de bouwplaats aanwezige aannemers;
  7° indien nodig, de preventieadviseurs van de opdrachtgever en van de op de bouwplaats aanwezige aannemers;
  8° twee vertegenwoordigers van het comité voor Preventie en Bescherming op het werk van de onderneming van de opdrachtgever, wanneer de tijdelijke of mobiele bouwplaats gelegen is in een instelling of een site waar de opdrachtgever personeel tewerkstelt en waarvoor hij zulk comité heeft opgericht;
  9° iedere andere persoon die door de opdrachtgever wordt uitgenodigd.
  
Art. N2. Annexe II. - Notification préalable visée à l'article 45.
-
  1. Date de communication : .............................................
  2. Adresse complète du chantier : ......................................
  3. Maître(s) d'ouvrage [nom(s), adresse(s) et numéros de téléphone et
     de fax] : ...........................................................
  4. Nature de l'ouvrage : ...............................................
  5. Maître(s) d'oeuvre [nom(s), adresse(s) et numéros de téléphone et
     de fax] : ...........................................................
  6. Coordinateur(s) en matière de sécurité et de sante pendant
     l'élaboration du projet de l'ouvrage [nom(s), adresse(s) et numéros
     de téléphone et de fax] : ...........................................
  7. Coordinateur(s) en matière de sécurité et de sante pendant la
     réalisation de l'ouvrage [nom(s), adresse(s) et numéros de téléphone
     et de fax] : ........................................................
  8. Date présumée du début des travaux sur le chantier : ................
  9. Durée présumée des travaux sur le chantier : ........................
  10. Nombre maximal présumé de travailleurs sur le chantier : ...........
  11. Nombre d'entreprises et d'indépendants prévus sur le chantier : ....
  12. Identification des entreprises déjà sélectionnées : ................
Art. N2. Bijlage II. - Voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 45.
Art. N3. Annexe III. - Prescriptions minimales de sécurité et de santé applicables sur les chantiers visées à l'article 50.
  1. Datum van de mededeling : ............................................
  2. Volledig adres van de bouwplaats : ...................................
  3. Opdrachtgever(s) [naam/namen, adres(sen) en telefoon- en
     faxnummer(s)] : ......................................................
  4. Aard van het bouwwerk : ..............................................
  5. Bouwdirectie(s) [naam/namen, adres(sen) en telefoon- en
     faxnummer(s)] : ......................................................
  6. Coordinator(en) inzake veiligheid en gezondheid tijdens de
     uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk [naam/namen,
     adres(sen) en telefoon- en faxnummer(s)] : ...........................
  7. Coordinator(en) inzake veiligheid en gezondheid tijdens de
     verwezenlijkingsfase van het bouwwerk [naam/namen, adres(sen)
     en telefoon- en faxnummer(s)] : ......................................
  8. Vermoedelijke datum van aanvang der werkzaamheden op de
     bouwplaats : .........................................................
  9. Vermoedelijke duur van de werkzaamheden op de bouwplaats : ...........
  10. Vermoedelijk maximumaantal werknemers op de bouwplaats : ............
  11. Gepland aantal ondernemingen en zelfstandigen op de
      bouwplaats : ........................................................
  12. Identificatie van de reeds geselecteerde ondernemingen : ............
-
Art. N3. Bijlage III. - Minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid van toepassing op bouwplaatsen, zoals bedoeld in artikel 50.
Art. 1N3. Partie A. - Prescriptions minimales générales pour les lieux de travail sur les chantiers.
  1. Stabilité et solidité.
  1. a. Les matériaux, équipements et, d'une manière générale, tout élément qui, lors d'un déplacement quelconque, peuvent affecter la sécurité et la santé des travailleurs doivent être stabilisés d'une manière appropriée et sûre.
  1. b. L'accès sur toute surface en matériaux n'offrant pas une résistance suffisante n'est autorisé que si des équipements ou des moyens appropriés sont fournis pour que le travail soit réalisé de manière sûre.
  2. Installations de distribution d'énergie.
  2. a. Les installations doivent être conçues, réalisées et utilisées de façon à ne pas constituer un danger d'incendie ni d'explosion et à ce que les personnes soient protégées de manière adéquate contre les risques d'électrocution par contacts directs ou indirects.
  2. b. La conception, la réalisation et le choix du matériel et des dispositifs de protection doivent tenir compte du type et de la puissance de l'énergie distribuée, des conditions d'influences externes et de la compétence des personnes ayant accès à des parties de l'installation.
  3. Voies et issues de secours.
  3. a. Les voies et issues de secours doivent rester dégagées et déboucher le plus directement possible dans une zone de sécurité.
  3. b. En cas de danger, tous les postes de travail doivent pouvoir être évacués rapidement et dans des conditions de sécurité maximale par les travailleurs.
  3. c. Le nombre, la distribution et les dimensions des voies et issues de secours dépendent de l'usage, de l'équipement et des dimensions du chantier et des locaux ainsi que du nombre maximal de personnes pouvant y être présentes.
  3. d. Les voies et issues spécifiques de secours doivent faire l'objet d'une signalisation conforme aux dispositions concernant la signalisation de sécurité ou de santé au travail.
  Cette signalisation doit être suffisamment résistante et être apposée aux endroits appropriés.
  3. e. Les voies et issues de secours, de même que les voies de circulation et les portes y donnant accès, ne doivent pas être obstruées par des objets, de façon qu'elles puissent être utilisées à tout moment sans entrave.
  3. f. Les voies et issues de secours qui nécessitent un éclairage doivent être équipées d'un éclairage de sécurité d'une intensité suffisante en cas de panne d'éclairage.
  4. Détection et lutte contre l'incendie.
  4. a. Selon les caractéristiques du chantier et selon les dimensions et l'usage des locaux, les équipements présents, les caractéristiques physiques et chimiques des substances ou matériaux présents ainsi que le nombre maximal de personnes pouvant y être présentes, un nombre suffisant de dispositifs appropriés pour combattre l'incendie et, en tant que de besoin, de détecteurs d'incendie et de système d'alarme doit être prévu.
  4. b. Ces dispositifs de lutte contre l'incendie, détecteurs d'incendie et systèmes d'alarme doivent être régulièrement vérifiés et entretenus.
  Des essais et des exercices appropriés doivent avoir lieu à intervalles réguliers.
  4. c. Les dispositifs non automatiques de lutte contre l'incendie doivent être d'accès et de manipulation faciles.
  Ils doivent faire l'objet d'une signalisation conforme aux dispositions concernant la signalisation de sécurité ou de santé au travail.
  Cette signalisation doit être suffisamment résistante et apposée aux endroits appropriés.
  5. Aération.
  Il faut veiller, compte tenu des méthodes de travail et des contraintes physiques imposées aux travailleurs, à ce qu'ils disposent d'un air sain en quantité suffisante.
  Si une installation d'aération est utilisée, elle doit être maintenue en état de fonctionner et ne pas exposer les travailleurs à des courants d'air qui nuisent à la santé.
  Un système de contrôle doit signaler toute panne lorsque cela est nécessaire pour la santé des travailleurs.
  6. Exposition à des risques particuliers.
  6. a. Les travailleurs ne doivent pas être exposés à des niveaux sonores nocifs ni à une influence extérieure nocive (par exemple gaz, vapeurs, poussières).
  6. b. Si des travailleurs doivent pénétrer dans une zone dont l'atmosphère est susceptible de contenir une substance toxique ou nocive, ou d'être d'une teneur insuffisante en oxygène ou, encore, d'être inflammable, l'atmosphère confinée doit être contrôlée et des mesures appropriées doivent être prises pour prévenir tout danger.
  6. c. Un travailleur ne peut en aucun cas être exposé à une atmosphère confinée à risque accru.
  Il doit au moins être surveillé en permanence de l'extérieur et toutes les précautions adéquates doivent être mises en oeuvre afin qu'un secours efficace et immédiat puisse lui être apporté.
  7. Température.
  La température doit être adéquate pour l'organisme humain pendant le temps de travail, compte tenu des méthodes de travail appliquées et des contraintes physiques imposées aux travailleurs.
  8. Eclairage naturel et artificiel des postes de travail, des locaux et des voies de circulation sur le chantier.
  8. a. Les postes de travail, les locaux et les voies de circulation doivent autant que possible disposer d'une lumière naturelle suffisante et être éclairés de façon appropriée et suffisante à la lumière artificielle durant la nuit et lorsque la lumière du jour ne suffit pas; le cas échéant, des sources de lumière portatives protégées contre les chocs sont à utiliser.
  La couleur utilisée pour l'éclairage artificiel ne peut altérer ou influencer la perception des signaux ou des panneaux de signalisation.
  8. b. Les installations d'éclairage des locaux, de postes de travail et des voies de circulation doivent être placées de façon à ce que le type d'éclairage prévu ne présente pas de risque d'accident pour les travailleurs.
  8. c. Les locaux, les postes de travail et les voies de circulation dans lesquels les travailleurs sont particulièrement exposés à des risques en cas de panne d'éclairage artificiel doivent posséder un éclairage de sécurité d'une intensité suffisante.
  9. Portes et portails.
  9. a. Les portes coulissantes doivent posséder un système de sécurité les empêchant de sortir de leurs rails et de tomber.
  9. b. Les portes et portails s'ouvrant vers le haut doivent posséder un système de sécurité les empêchant de retomber.
  9. c. Les portes et portails situés sur le parcours des voies de secours doivent être marqués de façon appropriée.
  9. d. A proximité immédiate des portails destinés essentiellement à la circulation des véhicules, il doit exister, à moins que le passage ne soit sûr pour les piétons, des portes pour la circulation des piétons, lesquelles doivent être signalées de manière bien visible et être dégagées en permanence.
  9. e. Les portes et portails mécaniques doivent fonctionner sans risques d'accident pour les travailleurs.
  Ils doivent posséder des dispositifs d'arrêt d'urgence facilement identifiables et accessibles et pouvoir également, sauf s'ils s'ouvrent automatiquement en cas de panne d'énergie, être ouverts manuellement.
  10. Voies de circulation - zones de danger.
  10. a. Les voies de circulation, y compris les escaliers, les échelles fixes et les quais et rampes de chargement, doivent être calculés, placés, aménagés et rendus praticables de telle façon qu'il puissent être utilisés facilement, en toute sécurité et conformément à leur affectation, et que les travailleurs employés à proximité de ces voies de circulation ne courent aucun risque.
  10. b. Les dimensions des voies servant à la circulation de personnes et/ou de marchandises, y compris celles où ont lieu des opérations de chargement ou de déchargement, doivent être prévues pour le nombre potentiel d'utilisateurs et le type d'activité.
  Lorsque des moyens de transport sont utilisés sur des voies de circulation, une distance de sécurité suffisante ou des moyens de protection adéquats doivent être prévus pour les autres usagers du site.
  Les voies doivent être clairement signalées, régulièrement vérifiées et entretenues.
  10. c. Les voies de circulation destinées aux véhicules doivent passer à une distance suffisante des portes, portails, passages pour piétons, couloirs et escaliers.
  10. d. Si le chantier comporte des zones d'accès limité, ces zones doivent êtres équipées de dispositifs évitant que les travailleurs non autorisés puissent y pénétrer.
  Les mesures appropriées doivent être prises pour protéger les travailleurs qui sont autorisés à pénétrer dans les zones de danger.
  Les zones de danger doivent être signalées de manière bien visible.
  11. Quais et rampes de chargement.
  11. a. Les quais et rampes de chargement doivent être appropriés en fonction des dimensions des charges à transporter.
  11. b. Les quais de chargement doivent posséder au moins une issue.
  11. c. Les rampes de chargement doivent offrir une sécurité telle que les travailleurs ne puissent pas chuter.
  12. Espace pour la liberté de mouvement sur le poste de travail.
  La superficie du poste de travail doit être prévue de telle façon que les travailleurs disposent de suffisamment de liberté de mouvement pour les activités, compte tenu de tout équipement ou matériel nécessaires présents.
  13. Premiers secours.
  13. a. Il incombe à l'employeur de s'assurer que les premiers secours, y compris le personnel formé à cette fin, peuvent être fournis à tout moment.
  Des mesures doivent être prises pour assurer l'évacuation, pour soins médicaux, des travailleurs accidentés ou victimes d'un malaise soudain.
  13. b. Lorsque la taille du chantier ou lorsque les types d'activités le requièrent, un ou plusieurs locaux destinés aux premiers secours doivent être prévus.
  13. c. Les locaux destinés aux premiers secours doivent être équipés d'installations et de matériels de premiers secours indispensables et être facilement accessibles avec des brancards.
  Ils doivent faire l'objet d'une signalisation conforme aux dispositions concernant la signalisation de sécurité ou de santé au travail.
  13. d. Un matériel de premiers secours doit être disponible également dans tous les endroits où les conditions de travail le requièrent.
  Il doit faire l'objet d'une signalisation appropriée et doit être facilement accessible.
  Une signalisation clairement visible doit indiquer l'adresse et le numéro de téléphone du service de secours d'urgence local.
  14. Equipements sanitaires.
  14. a. Vestiaires et armoires pour les vêtements.
  14. a. 1°. Des vestiaires appropriés doivent être mis à la disposition des travailleurs lorsque ceux-ci doivent porter des vêtements de travail spéciaux et qu'on ne peut leur demander, pour des raisons de santé ou de décence, de se changer dans un autre espace.
  Les vestiaires doivent être facilement accessibles, avoir une capacité suffisante et être équipés de sièges.
  14. a. 2°. Les vestiaires doivent être de dimensions suffisantes et posséder des équipements permettant à chaque travailleur de faire sécher, s'il y a lieu, ses vêtements de travail ainsi que ses vêtements et effets personnels et de les mettre sous clef.
  Si les circonstances l'exigent (par exemple substances dangereuses, humidité, saleté), les vêtements de travail doivent pouvoir être ranges séparément des vêtements et effets personnels.
  14. a. 3°. Des vestiaires séparés ou une utilisation séparée des vestiaires doivent être prévus pour les hommes et pour les femmes.
  14. a. 4°. Lorsque des vestiaires ne sont pas nécessaires au sens du point 14, a, 1°, premier alinéa, chaque travailleur doit pouvoir disposer d'une aire de rangement pour mettre ses vêtements et effets personnels sous clé.
  14. b. Douches, lavabos.
  14. b. 1°. Des douches appropriées et en nombre suffisant doivent être mises à la disposition des travailleurs lorsque le type d'activité ou la salubrité l'exigent.
  Des salles de douches séparées ou une utilisation séparée des salles de douche doivent être prévues pour les hommes et pour les femmes.
  14. b. 2°. Les salles de douches doivent être de dimensions suffisantes pour permettre à chaque travailleur de faire sa toilette sans aucune entrave et dans des conditions d'hygiène appropriées.
  Les douches doivent être équipées d'eau courante chaude et froide.
  14. b. 3°. Lorsque les douches ne sont pas nécessaires au sens du point 14, b, 1°, premier alinéa, des lavabos appropriés avec eau courante (chaude, si nécessaire) et en nombre suffisant doivent être placés à proximité des postes de travail et des vestiaires.
  Des lavabos séparés ou une utilisation séparée des lavabos doivent être prévus pour les hommes et pour les femmes lorsque cela est nécessaire pour des raisons de décence.
  14. b. 4°. Si les salles de douches ou de lavabos et les vestiaires sont séparés, ces pièces doivent aisément communiquer entre elles.
  14. c. Cabinets d'aisance et lavabos.
  Les travailleurs doivent disposer, à proximité de leurs postes de travail, de locaux de repos, de vestiaires et de salles de douches ou de lavabos, de locaux spéciaux équipés d'un nombre suffisant de cabinets d'aisance et de lavabos.
  Des cabinets d'aisance séparés ou une utilisation séparée des cabinets d'aisance doivent être prévus pour les hommes et pour les femmes.
  15. Locaux de repos et/ou d'hébergement.
  15. a. Lorsque la sécurité ou la santé des travailleurs, notamment en raison du type d'activité ou des effectifs dépassant un certain nombre de personnes et de l'éloignement du chantier, l'exigent, les travailleurs doivent pouvoir disposer de locaux de repos et/ou d'hébergement facilement accessibles.
  15. b. Les locaux de repos et/ou d'hébergement doivent être de dimensions suffisantes et être équipés d'un nombre de tables et de sièges à dossier tenant compte du nombre des travailleurs.
  15. c. S'il n'existe pas de tels locaux, d'autres facilités doivent être mises à la disposition du personnel pour qu'il puisse s'y tenir pendant l'interruption du travail.
  15. d. Les locaux d'hébergement fixes, à moins qu'ils ne soient utilises qu'à titre exceptionnel, doivent comporter des équipements sanitaires en nombre suffisant, une salle de repas et une salle de détente.
  Ils doivent être équipés de lits, d'armoires, de tables et de chaises à dossier en tenant compte du nombre de travailleurs et être affectés en prenant en considération, le cas échéant, la présence de travailleurs des deux sexes.
  15. e. Dans les locaux de repos et/ou d'hébergement, des mesures appropriées de protection des non-fumeurs contre la gêne due à la fumée de tabac doivent être mises en place.
  16. Femmes enceintes et mères allaitantes.
  Les femmes enceintes et les mères allaitantes doivent avoir la possibilité de se reposer en position allongée dans des conditions appropriées.
  17. Travailleurs handicapés.
  Les lieux de travail doivent être aménagés compte tenu, le cas échéant, des travailleurs handicapés.
  Cette disposition s'applique notamment aux portes, voies de communication, escaliers, douches, lavabos, cabinets d'aisance et postes de travail utilisés ou occupés directement par des travailleurs handicapés.
  18. Dispositions diverses.
  18. a. Les abords et le périmètre du chantier devront être signalés et matérialisés de sorte à être clairement visibles et identifiables.
  18. b. Les travailleurs doivent disposer sur le chantier d'eau potable et, éventuellement, d'une autre boisson appropriée et non alcoolisée en quantité suffisante dans les locaux occupés ainsi qu'à proximité des postes de travail.
  18. c. Les travailleurs doivent :
  - disposer de facilités pour prendre leurs repas dans des conditions satisfaisantes;
  - le cas échéant, disposer de facilités pour préparer leurs repas dans des conditions satisfaisantes.
Art. 1N3. Deel A. - Algemene minimumvoorschriften voor de arbeidsplaatsen op bouwplaatsen.
  1. Stabiliteit en stevigheid.
  1. a. De materialen, de outillage en algemeen gesproken elk element dat bij welke verplaatsing dan ook de veiligheid en gezondheid van de werknemers in gevaar kan brengen, moeten op passende veilige wijze worden gestabiliseerd.
  1. b. De toegang tot elke oppervlakte bestaande uit materialen die onvoldoende weerstand bieden, is slechts toegestaan indien de benodigde uitrusting of passende middelen worden geleverd om de werkzaamheden op een veilige manier te verwezenlijken.
  2. Installaties voor energiedistributie.
  2. a. Deze installaties dienen zodanig te zijn ontworpen en uitgevoerd en te worden gebruikt dat zij geen brand- of ontploffingsgevaar opleveren en dat personen op afdoende wijze worden beschermd tegen het gevaar van elektrocutie door directe of indirecte aanraking.
  2. b. Bij het ontwerp, de uitvoering en de keuze van het materiaal en de beschermingsvoorzieningen dient rekening te worden gehouden met de aard en het vermogen van de verdeelde energie, externe invloeden en de deskundigheid van de personen die tot delen van de installatie toegang hebben.
  3. Vluchtroutes en nooduitgangen.
  3. a. Vluchtroutes en nooduitgangen dienen vrij te zijn van obstakels en via de kortste weg naar een veiligheidszone te voeren.
  3. b. Bij gevaar moeten alle werkplekken snel en onder maximale veiligheidsomstandigheden kunnen worden geëvacueerd.
  3. c. Het aantal, de verdeling en de afmetingen van de vluchtroutes en uitgangen zijn afhankelijk van de bestemming, de outillage en de afmetingen van de bouwplaats en de ruimten alsmede van het maximale aantal personen dat zich aldaar kan ophouden.
  3. d. De specifieke vluchtroutes en nooduitgangen dienen gemarkeerd te zijn in overeenstemming met de bepalingen betreffende de veiligheids- of gezondheidssignalering op het werk.
  Deze markering dient duurzaam te zijn en op daarvoor in aanmerking komende plaatsen te worden aangebracht.
  3. e. De vluchtroutes en nooduitgangen alsmede de verkeersroutes en de deuren die daarop uitkomen dienen vrij te zijn van obstakels zodat ze te allen tijde zonder belemmeringen kunnen worden gebruikt.
  3. f. Vluchtroutes en nooduitgangen waar verlichting noodzakelijk is, dienen te worden voorzien van een veiligheidsverlichting die bij het uitvallen van de elektrische stroom voldoende lichtsterkte bezit.
  4. Brandmelding en -bestrijding.
  4. a. Afhankelijk van de kenmerken van de bouwplaats en de afmetingen en het gebruik van de ruimten, de aanwezige uitrusting, de fysische en chemische eigenschappen van de aanwezige stoffen of materialen alsmede het maximale aantal personen dat aanwezig kan zijn, dient er een voldoende aantal passende brandbestrijdingsmiddelen en voor zover nodig brandmelders en alarmsystemen te worden geplaatst.
  4. b. Deze brandbestrijdingsmiddelen, brandmelders en alarmsystemen dienen regelmatig te worden gecontroleerd en onderhouden.
  Op gezette tijden moeten testen en relevante oefeningen plaatsvinden.
  4. c. De niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen dienen gemakkelijk bereikbaar en te gebruiken te zijn.
  Zij dienen te worden voorzien van een markering in overeenstemming met de bepalingen betreffende de veiligheids- of gezondheidssignalering op het werk.
  Deze markering dient duurzaam te zijn en op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen te worden aangebracht.
  5. Ventilatie.
  De werknemers dienen met inachtneming van de werkmethoden en de fysieke belemmeringen waaraan zij zijn onderworpen, over voldoende verse lucht te beschikken.
  Bij gebruik van een ventilatie-inrichting dient deze in gebruiksklare toestand te worden gehouden en de werknemers niet bloot te stellen aan luchtstromingen die de gezondheid schaden.
  Een controlesysteem dient storingen te melden wanneer dat voor de gezondheid van de werknemers nodig is.
  6. Blootstelling aan bijzondere risico's.
  6. a. De werknemers mogen niet worden blootgesteld aan een schadelijk geluidsniveau noch aan schadelijke invloeden van buitenaf (bijvoorbeeld gassen, dampen of stof).
  6. b. Indien werknemers een zone moeten betreden waar de atmosfeer mogelijk een giftige of schadelijke stof of onvoldoende zuurstof bevat, of ontvlambaar kan zijn, dient de atmosfeer in deze zone te worden gecontroleerd en moeten passende maatregelen worden genomen om elk gevaar te voorkomen.
  6. c. Een werknemer mag in geen enkel geval worden blootgesteld aan een atmosfeer met verhoogd risico.
  Hij moet in ieder geval permanent van buitenaf worden geobserveerd en alle passende voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen opdat hem onmiddellijk op doeltreffende wijze hulp kan worden geboden.
  7. Temperatuur.
  De temperatuur dient, rekening houdende met de toegepaste werkmethoden en de van de werknemers verlangde lichaamsinspanningen, tijdens het werken te zijn afgestemd op het menselijk organisme.
  8. Natuurlijke en kunstverlichting van werkplekken, ruimten en verkeersroutes op de bouwplaats.
  8. a. Werkplekken, ruimten en verkeersroutes dienen zoveel mogelijk en voldoende natuurlijk te worden verlicht en 's nachts en overdag wanneer het daglicht niet volstaat op passende en voldoende wijze met kunstlicht te worden verlicht. Eventueel dienen verplaatsbare, schokbestendige lichtbronnen te worden gebruikt.
  De voor de kunstverlichting gebruikte kleur mag de waarneming van de markeringstekens of -borden niet wijzigen of beïnvloeden.
  8. b. De installaties voor de verlichting van ruimten, werkplekken en verkeersroutes dienen zodanig te zijn geplaatst dat het type verlichting voor de werknemers geen ongevallenrisico meebrengt.
  8. c. Ruimten, werkplekken en verkeersroutes waar het uitvallen van de kunstverlichting grote risico's voor de werknemers kan opleveren dienen met een toereikende noodverlichting te zijn uitgerust.
  9. Deuren en poorten.
  9. a. Schuifdeuren moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor verhinderd wordt dat zij uit de rails lopen en omvallen.
  9. b. Deuren en poorten die naar boven toe opengaan dienen te zijn voorzien van een veiligheidssysteem waardoor zij niet kunnen terugvallen.
  9. c. Deuren en poorten in het tracé van vluchtroutes dienen op passende wijze te zijn gemarkeerd.
  9. d. In de onmiddellijke omgeving van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd, dienen zich, althans wanneer de doorgang voor voetgangers niet veilig is, deuren voor voetgangers te bevinden die duidelijk zichtbaar als zodanig dienen te zijn gemarkeerd en te allen tijde toegankelijk dienen te zijn.
  9. e. Automatische deuren en poorten dienen zodanig te functioneren dat zij geen gevaar voor de werknemers opleveren.
  Zij dienen te zijn voorzien van gemakkelijk herkenbare en bereikbare noodstopvoorzieningen en dienen, behalve wanneer zij bij stroomonderbreking automatisch opengaan, met de hand te kunnen worden geopend.
  10. Verkeersroutes - gevarenzones.
  10. a. Verkeersroutes, met inbegrip van trappen, vaste ladders en laadplatforms en -hellingen, moeten zodanig worden berekend, gesitueerd, ingericht en gereedgemaakt dat zij gemakkelijk, volledig veilig en overeenkomstig hun bestemming kunnen worden gebruikt en dat de werknemers die zich in de buurt van deze verkeersroutes bevinden geen enkel risico lopen.
  10. b. De afmetingen van voor het verkeer van personen en/of goederen bestemde verkeersroutes, inclusief die waar wordt gelost of geladen, dienen te worden afgestemd op het mogelijke aantal gebruikers en de aard van het werk.
  Wanneer op deze verkeersroutes vervoermiddelen worden gebruikt, dient voor de andere op de bouwplaats aanwezige personen een voldoende veiligheidsafstand in acht te worden genomen of dienen passende beschermende maatregelen te worden getroffen.
  De routes dienen duidelijk te worden gemarkeerd, regelmatig gecontroleerd en onderhouden.
  10. c. De voor voertuigen bestemde verkeersroutes dienen op voldoende afstand te zijn gelegen van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen.
  10. d. Indien de bouwplaats zones bevat waarvoor een beperkte toegang geldt, dienen deze zones te worden uitgerust met voorzieningen die verhinderen dat onbevoegde werknemers deze zones betreden.
  Er dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om werknemers die gevarenzones mogen betreden te beschermen.
  Gevarenzones dienen zeer duidelijk gemarkeerd te worden.
  11. Laadplatforms en -hellingen.
  11. a. Laadplatforms en -hellingen dienen aangepast te zijn aan de omvang van de te vervoeren lasten.
  11. b. Laadplatforms dienen over ten minste één uitgang te beschikken.
  11. c. Laadhellingen dienen zo veilig te zijn dat werknemers er niet ten val kunnen komen.
  12. Bewegingsruimte op de werkplek.
  Het oppervlak van de werkplek moet zodanig zijn ingedeeld dat de werknemers rekening houdend met de aanwezige noodzakelijke uitrusting of materialen, voldoende bewegingsvrijheid voor hun werkzaamheden hebben.
  13. Eerste hulp.
  13. a. De werkgever dient ervoor te zorgen dat er op elk moment gekwalificeerd personeel aanwezig is om eerste hulp te verlenen.
  Er dienen maatregelen te worden getroffen om werknemers die betrokken zijn bij een ongeval of die plotseling onwel worden, te kunnen vervoeren voor medische verzorging.
  13. b. Wanneer de omvang van de bouwplaats of de aard van de werkzaamheden dat noodzakelijk maakt, dienen een of meer ruimten beschikbaar te zijn voor het verlenen van eerste hulp.
  13. c. De voor het verlenen van eerste hulp bestemde ruimten dienen te worden voorzien van de uitrusting en de materialen die voor deze hulp absoluut noodzakelijk zijn en dienen gemakkelijk met brancards toegankelijk te zijn.
  Zij moeten worden gemarkeerd overeenkomstig de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.
  13. d. Ook op alle plaatsen waar de arbeidsomstandigheden dat vereisen dient materiaal voor eerste hulp aanwezig te zijn.
  Dit materiaal dient te zijn voorzien van een passende markering en dient gemakkelijk bereikbaar te zijn.
  Het adres en het telefoonnummer van de plaatselijke eerste hulppost moeten duidelijk zichtbaar zijn aangegeven.
  14. Sanitaire voorzieningen.
  14. a. Kleedkamers en garderobekasten.
  14. a. 1°. Indien de werknemers speciale werkkleding moeten dragen en hun uit gezondheids- of betamelijkheidsoverwegingen niet kan worden verzocht zich in een andere ruimte om te kleden, dienen er voor hen geschikte kleedruimten beschikbaar gesteld te worden.
  De kleedruimten dienen gemakkelijk toegankelijk, ruim genoeg en van zitplaatsen voorzien te zijn.
  14. a. 2°. De kleedruimten dienen groot genoeg te zijn en zodanig te zijn uitgerust dat de werknemers eventueel hun werkkleding alsmede hun eigen kleding en persoonlijke eigendommen kunnen laten drogen en deze achter slot en grendel kunnen opbergen.
  Indien de omstandigheden zulks vereisen (gevaarlijke stoffen, vocht en vuil) dienen werkkleding en eigen kleding en persoonlijke eigendommen afzonderlijk te kunnen worden bewaard.
  14. a. 3°. Er dienen aparte kleedruimten voor mannen en vrouwen te worden ingericht of die ruimten dienen gescheiden te worden gebruikt.
  14. a. 4°. Wanneer er geen kleedkamers in de zin van punt 14, a, 1°, eerste alinea, nodig zijn, dient elke werknemer te kunnen beschikken over een ruimte waar hij zijn eigen kleding en persoonlijke eigendommen achter slot en grendel kan bewaren.
  14. b. Douches en wastafels.
  14. b. 1° Wanneer de aard van het werk of de zorg voor de gezondheid dat noodzakelijk maakt, dienen er voldoende geschikte douches ter beschikking van de werknemers te worden gesteld.
  Voor mannen en vrouwen dienen aparte doucheruimten te worden ingericht of de doucheruimten dienen gescheiden te worden gebruikt.
  14. b. 2° De doucheruimten dienen groot genoeg te zijn om elke werknemer in staat te stellen zonder belemmeringen en onder passende hygiënische omstandigheden toilet te maken.
  De douchecellen dienen van warm en koud stromend water te zijn voorzien.
  14. b. 3°. Wanneer er geen douches in de zin van punt 14, b, 1°, eerste alinea, noodzakelijk zijn, dienen in de nabijheid van de werkplekken en de kleedruimten voldoende geschikte wastafels met stromend (zo nodig warm) water te worden geplaatst.
  Voor mannen en vrouwen dienen er aparte wastafels te worden geplaatst of de wastafels dienen gescheiden te worden gebruikt, wanneer de betamelijkheid zulks vereist.
  14. b. 4°. Indien de douche- of wasruimten en de kleedruimten van elkaar gescheiden zijn, dienen deze ruimten onderling met elkaar in verbinding te staan.
  14. c. Toiletten en wasgelegenheid.
  De werknemers dienen in de nabijheid van hun werkplek te kunnen beschikken over verpozingsruimten, kleedkamers en douche- of wasruimten en speciale ruimten voorzien van voldoende toiletten en wastafels.
  Voor mannen en vrouwen dienen aparte toiletten te worden ingericht of de toiletten dienen gescheiden te worden gebruikt.
  15. Verpozingsruimten en onderkomens.
  15. a. Wanneer de veiligheid of de gezondheid van de werknemers zulks met name vanwege de aard van het werk of het aantal werknemers of vanwege de afgelegenheid van de bouwplaats noodzakelijk maakt, dienen de werknemers de beschikking te hebben over gemakkelijk bereikbare verpozingsruimten en/of onderkomens.
  15. b. De verpozingsruimten en/of onderkomens dienen voldoende ruim bemeten te zijn en uitgerust met een gezien het aantal werknemers voldoende aantal tafels en stoelen met rugleuning.
  15. c. Bij ontbreken van dergelijke ruimten dienen de werknemers de beschikking te hebben over andere faciliteiten waar zij zich tijdens werkpauzes kunnen ophouden.
  15. d. Vaste onderkomens moeten voldoende sanitaire voorzieningen, een eetruimte en een ontspanningsruimte omvatten, behalve indien zij slechts bij uitzondering worden gebruikt.
  Zij moeten uitgerust zijn met bedden, kasten, tafels en stoelen met rugleuning met inachtneming van het aantal werknemers, en bij de verdeling moet rekening worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van werknemers van beide seksen.
  15. e. In de verpozingsruimten en onderkomens dienen de nodige maatregelen te worden getroffen om niet-rokers te beschermen tegen de door tabaksrook veroorzaakte overlast.
  16. Zwangere vrouwen en zogende moeders.
  Zwangere vrouwen en zogende moeders moeten de gelegenheid hebben om onder passende omstandigheden te gaan liggen om uit te rusten.
  17. Gehandicapte werknemers.
  Bij de inrichting van werkplaatsen dient, in voorkomend geval, rekening te worden gehouden met gehandicapte werknemers.
  Dit geldt met name voor deuren, verkeersroutes, trappen, douches, wastafels, toiletten en werkplekken die door gehandicapte werknemers worden gebruikt en werkplekken waar zij rechtstreeks werkzaam zijn.
  18. Voorschriften van uiteenlopende aard.
  18. a. De omgeving en de omtrek van de bouwplaats dienen te worden gemarkeerd en te zijn omgeven door afzettingen, zodat zij duidelijk zichtbaar en als zodanig herkenbaar zijn.
  18. b. De werknemers dienen zowel op de bouwplaats, als in de verschillende ruimten en in de nabijheid van de werkplek, over voldoende drinkwater en eventueel over een andere geschikte, alcoholvrije drank te kunnen beschikken.
  18. c. De werknemers dienen :
  - over faciliteiten te beschikken om hun maaltijden onder bevredigende omstandigheden te kunnen nuttigen;
  - zo nodig over faciliteiten te beschikken om hun maaltijden onder bevredigende omstandigheden te kunnen bereiden.
Art. 2N3. Partie B. - Prescriptions minimales spécifiques pour les postes de travail sur les chantiers.
  Remarque préliminaire.
  Lorsque des situations particulières le requièrent, la classification des prescriptions minimales en deux sections, telles qu'elles sont présentées ci-après, ne doit pas être considérée à ce titre comme impérative.
  Section I. - Postes de travail sur les chantiers à l'intérieur des locaux.
  1. Stabilité et solidité.
  Les locaux doivent posséder une structure et une stabilité appropriées au type d'utilisation.
  2. Portes de secours.
  Les portes de secours doivent s'ouvrir vers l'extérieur.
  Les portes de secours ne doivent pas être fermées de telle manière qu'elles ne puissent être ouvertes facilement et immédiatement par toute personne qui aurait besoin de les utiliser en cas d'urgence.
  Les portes coulissantes et les portes à tambour sont interdites comme portes de secours.
  3. Aération.
  Si les installations de conditionnement d'air ou de ventilation mécanique sont utilisées, elles doivent fonctionner de telle façon que les travailleurs ne soient pas exposés à des courants d'air gênants.
  Tout dépôt et toute souillure susceptibles d'entraîner immédiatement un risque pour la santé des travailleurs par la pollution de l'air respiré doivent être éliminés rapidement.
  4. Température.
  4. a. La température des locaux de repos, des locaux pour le personnel en service de permanence, des sanitaires, des cantines et des locaux de premiers secours doit répondre à la destination spécifique de ces locaux.
  4. b. Les fenêtres, les éclairages zénithaux et les parois vitrées doivent permettre d'éviter un ensoleillement excessif, compte tenu du type de travail et de l'usage du local.
  5. Eclairage naturel et artificiel.
  Les lieux de travail doivent autant que possible disposer d'une lumière naturelle suffisante et être équipés de dispositifs permettant un éclairage artificiel adéquat pour protéger la sécurité et la santé des travailleurs.
  6. Planchers, murs et plafonds de locaux.
  6. a. Les planchers des locaux doivent être exempts de bosses, de trous ou de plans inclinés dangereux; ils doivent être fixes, stables et non glissants.
  6. b. Les surfaces des planchers, des murs et des plafonds dans les locaux doivent être de nature à pouvoir être nettoyées et ravalées pour obtenir des conditions d'hygiène appropriées.
  6. c. Les parois transparentes ou translucides, notamment les parois entièrement vitrées, dans les locaux ou au voisinage des postes de travail et des voies de circulation doivent être clairement signalées et être constituées de matériaux de sécurité ou bien être séparées de ces postes de travail et voies de circulation, de telle façon que les travailleurs ne puissent entrer en contact avec les parois ni être blessés lorsqu'elles volent en éclat.
  7. Fenêtres et éclairages zénithaux des locaux.
  7. a. Les fenêtres, éclairages zénithaux et dispositifs de ventilation doivent pouvoir être ouverts, fermés, ajustés et fixés par les travailleurs de manière sûre.
  Lorsqu'ils sont ouverts, ils ne doivent pas être positionnes de façon a constituer un danger pour les travailleurs.
  7. b. Les fenêtres et éclairages zénithaux doivent être conçus de manière conjointe avec l'équipement ou bien équipés de dispositifs leur permettant d'être nettoyés sans risques pour les travailleurs effectuant ce travail ainsi que les travailleurs présents.
  8. Portes et portails.
  8. a. La position, le nombre, les matériaux de réalisation et les dimensions des portes et portails sont déterminés par la nature et l'usage des locaux.
  8. b. Un marquage doit être apposé à hauteur de vue sur les portes transparentes.
  8. c. Les portes et portails battants doivent être transparents ou posséder des panneaux transparents.
  8. d. Lorsque les surfaces transparentes ou translucides des portes et portails ne sont pas constituées en matériel de sécurité et lorsqu'il est à craindre que les travailleurs puissent être blessés si une porte ou un portail vole en éclats, ces surfaces doivent être protégées contre l'enfoncement.
  9. Voies de circulation.
  Dans la mesure où l'utilisation et l'équipement des locaux l'exigent pour assurer la protection des travailleurs, le tracé des voies de circulation doit être mis en évidence.
  10. Mesures spécifiques pour les escaliers et trottoirs roulants.
  Les escaliers et trottoirs roulants doivent fonctionner de manière sûre.
  Ils doivent être équipés des dispositifs de sécurité nécessaires.
  Ils doivent posséder des dispositifs d'arrêt d'urgence facilement identifiables et accessibles.
  11. Dimension et volume d'air des locaux.
  Les locaux de travail doivent avoir une superficie et une hauteur permettant aux travailleurs d'exécuter leur travail sans risque pour la sécurité, la santé ou le bien-être.
  Section II. - Postes de travail sur les chantiers à l'extérieur des locaux.
  1. Stabilité et solidité.
  1. a. Les postes de travail mobiles ou fixes situés en hauteur ou en profondeur doivent être solides et stables en tenant compte :
  - du nombre des travailleurs qui les occupent;
  - des charges maximales qu'ils peuvent être amenés à supporter et de leur répartition;
  - des influences externes qu'ils sont susceptibles de subir.
  Si le support et les autres composants de ces postes n'ont pas une stabilité intrinsèque, il faut assurer leur stabilité par des moyens de fixation appropriés et sûrs afin d'éviter tout déplacement intempestif ou involontaire de l'ensemble ou des parties de ces postes de travail.
  1. b. Vérification.
  La stabilité et la solidité doivent être vérifiées, de façon appropriée et spécialement après une modification éventuelle de la hauteur ou de la profondeur du poste de travail.
  2. Installations de distribution d'énergie.
  2. a. Les installations de distribution d'énergie présentes sur le chantier, notamment celles qui sont soumises aux influences externes, doivent être régulièrement vérifiées et entretenues.
  2. b. Les installations existantes avant le début du chantier doivent être identifiées, vérifiées et nettement signalées.
  2. c. Lorsque des lignes électriques aériennes existent, il faut, chaque fois que cela est possible, soit les dévier en dehors de l'aire du chantier, soit les mettre hors tension.
  Si cela n'est pas possible, des barrières ou des avis seront prévus pour que les véhicules et les installations soient tenus à l'écart.
  Des avertissements appropriés et une protection suspendue doivent être prévus au cas où des véhicules de chantier doivent passer sous les lignes.
  3. Influences atmosphériques.
  Les travailleurs doivent être protégés contre les influences atmosphériques pouvant compromettre leur sécurité et leur santé.
  4. Chutes d'objets.
  Les travailleurs doivent être protégés chaque fois que cela est techniquement possible par des moyens collectifs contre les chutes d'objets.
  Les matériaux et équipements doivent être disposés ou empilés de façon à éviter leur éboulement ou renversement.
  En cas de besoin, des passages couverts doivent être prévus sur le chantier ou l'accès aux zones dangereuses doit être rendu impossible.
  5. Chutes de hauteur.
  5. a. Les chutes de hauteur doivent être prévenues matériellement au moyen notamment de garde-corps solides, suffisamment hauts et comportant au moins une plinthe de butée, une main courante et une lisse intermédiaire ou un moyen alternatif équivalent.
  5. b. Les travaux en hauteur ne peuvent être effectués en principe qu'à l'aide d'équipements appropriés ou au moyen de dispositifs de protection collective tels que garde-corps, plates-formes ou filets de captage.
  Au cas où l'utilisation de ces équipements est exclue en raison de la nature des travaux, il faut prévoir des moyens d'accès appropriés et utiliser des harnais ou d'autres moyens de sécurité à ancrage.
  6. Echafaudages et échelles.
  6. a. Tout échafaudage doit être convenablement conçu, construit et entretenu de manière à éviter qu'il ne s'effondre ou ne se déplace accidentellement.
  6. b. Les plates-formes de travail, les passerelles et les escaliers d'échafaudage doivent être construits, dimensionnés, protégés et utilisés de manière à éviter que les personnes ne tombent ou ne soient exposées aux chutes d'objets.
  6. c. Les échafaudages doivent être inspectés par une personne compétente :
  1° avant leur mise en service;
  2° par la suite, à des intervalles périodiques;
  3° après toute modification, période d'inutilisation, exposition à des intempéries ou à des secousses sismiques, ou toute autre circonstance ayant pu affecter leur résistance ou leur stabilité.
  6. d. Les échelles doivent avoir une résistance suffisante et elles doivent être correctement entretenues.
  Elles doivent être correctement utilisées, dans des endroits appropriés et conformément à leur destination.
  6. e. Les échafaudages mobiles doivent être assurés contre les déplacements involontaires.
  7. Appareils de levage.
  7. a. Tout appareil de levage et tout accessoire de levage, y compris leurs éléments constitutifs, leurs attaches, ancrages et appuis doivent être :
  1° bien conçus et construits et avoir une résistance suffisante pour l'usage qui en est fait;
  2° correctement installés et utilisés;
  3° entretenus en bon état de fonctionnement;
  4° vérifies et soumis à des essais et contrôles périodiques suivant les dispositions légales en vigueur;
  5° manoeuvrés par des travailleurs qualifiés ayant reçu une formation appropriée.
  7. b. Tout appareil de levage et tout accessoire de levage doivent porter, de façon visible, l'indication de la valeur de sa charge maximale.
  7. c. Les appareils de levage de même que leurs accessoires ne peuvent être utilisés à des fins autres que celles auxquelles ils sont destinés.
  8. Véhicules et engins de terrassement et de manutention de matériaux.
  8. a. Tous les véhicules et les engins de terrassement et de manutention des matériaux doivent être :
  1° bien conçus et construits en tenant compte, dans la mesure du possible, des principes de l'ergonomie;
  2° maintenus en bon état de fonctionnement;
  3° correctement utilisés.
  8. b. Les conducteurs et opérateurs de véhicules et d'engins de terrassement et de manutention des matériaux doivent être formés spécialement.
  8. c. Les mesures préventives doivent être prises pour éviter la chute de véhicules et d'engins de terrassement et de manutention des matériaux dans les excavations ou dans l'eau.
  8. d. Lorsque cela est approprie, les engins de terrassement et de manutention des matériaux doivent être équipés de structures conçues pour protéger le conducteur contre l'écrasement, en cas de renversement de la machine, et contre la chute d'objets.
  9. Installations, machines, équipements.
  9. a. Les installations, machines et équipements, y compris les outils à main avec ou sans moteur, doivent être :
  1° bien conçus et construits en tenant compte, dans la mesure du possible, des principes de l'ergonomie;
  2° maintenus en bon état de fonctionnement;
  3° utilisés exclusivement pour les travaux pour lesquels ils ont été conçus;
  4° manoeuvrés par des travailleurs ayant reçu une formation appropriée.
  9. b. Les installations et les appareils sous pression doivent être vérifiés et soumis à des essais et contrôles réguliers suivant la législation en vigueur.
  10. Excavations, puits, travaux souterrains, tunnels, terrassement.
  10. a. Des précautions adéquates doivent être prises dans une excavation, un puits, un travail souterrain ou un tunnel :
  1° au moyen d'un étaiement ou d'un talutage appropriés;
  2° pour prévenir les dangers liés a la chute d'une personne, de matériaux ou d'objets, ou l'irruption d'eau;
  3° pour assurer une ventilation suffisante à tous les postes de travail de façon à entretenir une atmosphère respirable qui ne soit pas dangereuse ou nuisible pour la sante;
  4° pour permettre aux travailleurs de se mettre en lieu sûr en cas d'incendie ou d'irruption d'eau ou de matériaux.
  10. b. Avant le début du terrassement, des mesures doivent être prises pour identifier et réduire au minimum les dangers dus aux câbles souterrains et autres systèmes de distribution.
  10. c. Des voies sûres pour pénétrer dans l'excavation et en sortir doivent être prévues.
  10. d. Les amas de déblais, les matériaux et les véhicules en mouvement doivent être tenus à l'écart des excavations; des barrières appropriées doivent être construites le cas échéant.
  11. Travaux de démolition.
  Lorsque la démolition d'un bâtiment ou d'un ouvrage peut présenter un danger :
  1° des précautions, méthodes et procédures appropriées doivent être acceptées;
  2° les travaux ne doivent être planifiés et entrepris que sous la surveillance d'une personne compétente.
  12. Charpentes métalliques ou en béton, coffrages et éléments préfabriqués lourds.
  12. a. Les charpentes métalliques ou en béton et leurs éléments, les coffrages, les éléments préfabriqués ou les supports temporaires et les étaiements ne doivent être montés ou démontés que sous la surveillance d'une personne compétente.
  12. b. Des précautions suffisantes doivent être prévues pour protéger les travailleurs contre les dangers provenant de la fragilité ou de l'instabilité temporaire d'un ouvrage.
  12. c. Les coffrages, les supports temporaires et les étaiements doivent être conçus et calculés, mis en place et entretenus, de manière à pouvoir supporter sans risques les contraintes qui peuvent leur être imposées.
  13. Batardeaux et caissons.
  13. a. Tous les batardeaux et caissons doivent être :
  1° bien construits, avec des matériaux appropriés et solides avec une résistance suffisante;
  2° pourvus d'un équipement adéquat pour que les travailleurs puissent se mettre à l'abri en cas d'irruption d'eau et de matériaux.
  13. b. La construction, la mise en place, la transformation ou le démontage d'un batardeau ou d'un caisson ne doivent avoir lieu que sous la surveillance d'une personne compétente.
  13. c. Tous les batardeaux et les caissons doivent être inspectés par une personne compétente à des intervalles réguliers.
  14. Travaux sur les toitures.
  14. a. Là ou cela est nécessaire pour parer à un risque ou lorsque la hauteur ou l'inclinaison dépassent les valeurs fixées aux articles 462, 434.7.1 et 434.9.1 du Règlement général pour la protection du travail, des dispositions collectives préventives doivent être prises pour éviter la chute des travailleurs, des outils ou autres objets ou matériaux.
  14. b. Lorsque des travailleurs doivent travailler sur ou à proximité d'un toit ou de toute autre surface en matériaux fragiles à travers lesquels il est possible de faire une chute, des mesures préventives doivent être prises pour qu'ils ne marchent pas, par inadvertance, sur la surface en matériaux fragiles ou ne tombent pas à terre.
Art. 2N3. Deel B. - Specifieke minimumvoorschriften voor de werkplekken op bouwplaatsen.
  Inleidende opmerking.
  Indien specifieke omstandigheden zulks vereisen, moet de indeling van de minimumvoorschriften in twee afdelingen, zoals hierna is gedaan, niet bindend worden geacht.
  Afdeling I. - Werkplekken in ruimten op de bouwplaatsen.
  1. Stabiliteit en stevigheid.
  De ruimten moeten een constructie en een stabiliteit bezitten die aangepast zijn aan de aard van het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
  2. Deuren van nooduitgangen.
  De deuren van nooduitgangen dienen naar buiten open te gaan.
  Deze deuren moeten op zodanige wijze zijn gesloten dat ze gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood moet gebruiken.
  Schuif- en draaideuren mogen niet als nooduitgang worden gebruikt.
  3. Ventilatie.
  Indien klimaatregelings- of mechanische ventilatie-inrichtingen worden gebruikt moeten deze zodanig functioneren dat de werknemers niet aan hinderlijke luchtstromen worden blootgesteld.
  Stortplaatsen van vuil en verontreinigingen die als gevolg van de vervuiling van de in te ademen lucht een direct gevaar voor de gezondheid van de werknemers kunnen opleveren, dienen snel te worden verwijderd.
  4. Temperatuur.
  4. a. De temperatuur van verpozingsruimten, ruimten voor personeelsleden die avond- of nachtdienst hebben, sanitaire ruimten, kantines en ruimten voor eerste hulp dient op de specifieke bestemming van deze ruimten te worden afgestemd.
  4. b. Ramen, bovenlichten en glazen wanden dienen zodanig te worden geconstrueerd dat, rekening houdende met de aard van het werk en het gebruik van de ruimte, een te grote zonsinstraling kan worden voorkomen.
  5. Natuurlijke en kunstverlichting.
  De werkplaatsen dienen zoveel mogelijk met voldoende natuurlijk licht te worden verlicht en uitgerust te zijn met voorzieningen voor kunstverlichting die geschikt zijn om de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen.
  6. Vloeren, muren en plafonds van de ruimten.
  6. a. De vloeren van de ruimten mogen geen oneffenheden, gaten of gevaarlijke hellingen vertonen; zij moeten vast, stabiel en niet glad zijn.
  6. b. De oppervlakken van vloeren, muren en plafonds in de ruimten moeten gereinigd en afgekrabd kunnen worden om de juist hygiënische omstandigheden te bereiken.
  6. c. Transparante of lichtdoorlatende wanden en met name volledig glazen wanden in de ruimten of in de onmiddellijke omgeving van werkplekken en verkeersroutes, dienen duidelijk te worden gemarkeerd en van veiligheidsmateriaal vervaardigd te zijn of goed gescheiden te zijn van deze werkplekken en verkeersroutes en wel zodanig dat de werknemers niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en niet gewond kunnen raken bij verbrijzeling ervan.
  7. Ramen en bovenlichten van de ruimten.
  7. a. Ramen, bovenlichten en ventilatie-inrichtingen dienen door de werknemers zonder risico te kunnen worden geopend, gesloten, geregeld en vastgezet.
  In geopende stand mogen zij geen gevaar voor de werknemers opleveren.
  7. b. Ramen en bovenlichten dienen zodanig te zijn ontworpen en uitgerust dat zij kunnen worden schoongemaakt zonder gevaar voor de werknemers die dit schoonmaakwerk verrichten of voor de aanwezige werknemers.
  8. Deuren en poorten.
  8. a. De lokatie, het aantal, de gebruikte materialen en de afmetingen van deuren en poorten zijn afhankelijk van de aard en de bestemming van de ruimten.
  8. b. Op doorzichtige deuren dient op ooghoogte een markering te worden aangebracht.
  8. c. Klapdeuren en poorten moeten transparant zijn of van transparante kijkvensters zijn voorzien.
  8. d. Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakten van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en de vrees bestaat dat werknemers bij het verbrijzelen van een van deze oppervlakten gewond kunnen raken, dienen deze oppervlakten tegen indrukken of induwen te zijn beschermd.
  9. Verkeersroutes.
  Voor zover gebruik en uitrusting van de ruimten dat noodzakelijk maken om de veiligheid van de werknemers te garanderen, dienen de verkeersroutes duidelijk te worden afgebakend.
  10. Specifieke maatregelen voor roltrappen en -paden.
  Roltrappen en -paden moeten veilig functioneren.
  Zij dienen van de nodige veiligheidsinrichtingen te zijn voorzien.
  Zij dienen met gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen te zijn uitgerust.
  11. Afmetingen en luchtvolume van de ruimten.
  Arbeidsruimten dienen een zodanige oppervlakte en hoogte te bezitten dat de werknemers zonder gevaar voor hun veiligheid, gezondheid of welzijn hun werk kunnen doen.
  Afdeling II. - Werkplekken in de open lucht op bouwplaatsen.
  1. Stabiliteit en stevigheid.
  1. a. Hoger of lager gesitueerde mobiele of vaste werkplekken moeten stevig en stabiel zijn, waarbij rekening wordt gehouden met :
  - het aantal werknemers dat zich op een plek bevindt;
  - de maximale belasting en de verdeling daarvan;
  - eventuele externe invloeden.
  Indien de ondersteunende en de andere samenstellende delen van deze werkplekken zelf niet stabiel zijn, moet men voor stabiliteit zorgen door middel van geschikte, veilige bevestigingsmiddelen ten einde een toevallige of ongewilde verplaatsing van de gehele werkplek of delen ervan te voorkomen.
  1. b. Controle
  De stabiliteit en de stevigheid moeten adequaat en vooral na een eventuele wijziging van de hoogte of van de diepte van de werkplek worden gecontroleerd.
  2. Installaties voor energiedistributie.
  2. a. Op de bouwplaats aanwezige installaties voor energiedistributie, met name die welke aan externe invloeden blootstaan, dienen regelmatig te worden gecontroleerd en onderhouden.
  2. b. Installaties die al voor het begin van de werkzaamheden op de bouwplaats aanwezig waren dienen te worden geïdentificeerd, gecontroleerd en duidelijk gekenmerkt.
  2. c. Wanneer er bovengrondse elektriciteitsleidingen zijn, dienen deze zoveel mogelijk hetzij buiten de bouwplaats om te worden geleid, hetzij spanningloos te worden gemaakt.
  Indien dit niet mogelijk is, moeten er hekken of waarschuwingen worden geplaatst om voertuigen en installaties op een afstand te houden.
  Wanneer voertuigen op de bouwplaats onder elektriciteitsleidingen door moeten rijden, dienen passende waarschuwingen en een bescherming onder deze draden te zijn aangebracht.
  3. Ongunstige weersomstandigheden.
  De werknemers moeten worden beschermd tegen ongunstige weersomstandigheden die hun veiligheid en gezondheid in gevaar kunnen brengen.
  4. Vallende voorwerpen.
  De werknemers moeten, wanneer dat technisch mogelijk is, als groep met algemene middelen tegen vallende voorwerpen worden beschermd.
  Materialen en uitrusting moeten zodanig worden geplaatst of gestapeld dat zij niet kunnen instorten, verschuiven, omvallen of kantelen.
  Zo nodig moet er op de bouwplaats in overdekte doorgangen worden voorzien of moet de toegang tot gevaarlijke zones onmogelijk worden gemaakt.
  5. Naar beneden vallen van een hoogte.
  5. a. Het vallen van een hoogte moet materieel worden voorkomen door met name stevige leuningen die hoog genoeg zijn en ten minste een kantplank, een handleuning en een tussenregel of een andere gelijkwaardige voorziening hebben.
  5. b. Werkzaamheden op een hoogte mogen in beginsel alleen worden uitgevoerd met behulp van adequate uitrustingen en algemene beschermingsmiddelen zoals leuningen, platforms en vangnetten.
  Indien het gebruik van dergelijke uitrustingen is uitgesloten op grond van de aard van de werkzaamheden, dient te worden voorzien in passende toegangsmiddelen en gebruik te worden gemaakt van een hangtuig of andere veiligheidsvoorzieningen met verankering.
  6. Bouwsteigers en ladders.
  6. a. Iedere steiger moet naar behoren zijn ontworpen, geconstrueerd en onderhouden, zodat hij niet kan instorten of bij toeval gaan schuiven.
  6. b. De platforms, doorgangen en ladders van de bouwsteiger moeten dusdanig worden geconstrueerd, gedimensioneerd, beschermd en gebruikt dat niemand kan vallen of door vallende voorwerpen kan worden getroffen.
  6. c. De steigers moeten door een bevoegd persoon worden geïnspecteerd :
  1° voor hun ingebruikname;
  2° daarna, op gezette tijden;
  3° na iedere wijziging, periode van niet-gebruiken, blootstelling aan weer en wind of aardschokken, of andere omstandigheden waardoor de stevigheid of stabiliteit ervan mogelijk is aangetast.
  6. d. De ladders moeten stevig genoeg zijn en op de juiste wijze worden onderhouden.
  Zij moeten op de juiste wijze worden gebruikt op de plaatsen waarvoor zij bestemd zijn.
  6. e. De verrijdbare steigers moeten worden beveiligd tegen ongewilde verplaatsingen.
  7. Hefwerktuigen.
  7. a. Ieder hefwerktuig en elk hulpstuk, met inbegrip van de bestanddelen, bevestigingspunten, verankeringen en steunen moeten :
  1° goed zijn ontworpen en geconstrueerd en stevig genoeg zijn voor het gebruik dat ervan wordt gemaakt;
  2° op de juiste wijze worden geïnstalleerd en gebruikt;
  3° in een goede staat van onderhoud zijn;
  4° overeenkomstig de vigerende wetsvoorschriften regelmatig worden nagekeken en aan tests en controles worden onderworpen;
  5° worden bediend door gekwalificeerde werknemers die hiervoor speciaal zijn opgeleid.
  7. b. Op elk hefwerktuig en elk hulpstuk moet het maximumlaadvermogen duidelijk zichtbaar zijn aangegeven.
  7. c. De hefwerktuigen en de hulpstukken mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan die waarvoor zij bestemd zijn.
  8. Voertuigen en grondverzet- en materiaalverladingsmachines.
  8. a. Alle voertuigen en grondverzet- en materiaalverladingsmachines moeten :
  1° vakkundig zijn ontworpen en geconstrueerd, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met de beginselen van de ergonomie;
  2° in een goede staat van onderhoud zijn;
  3° op de juiste wijze worden gebruikt.
  8. b. De bestuurders en bedieners van voertuigen en machines voor grondverzetwerkzaamheden en materiaalverlading moeten hiervoor speciaal zijn opgeleid.
  8. c. Er moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te voorkomen dat voertuigen of machines voor grondverzetwerkzaamheden en materiaalverlading in uitgravingen of in het water terechtkomen.
  8. d. Evenwel moeten grondverzet- en materiaalverladingsmachines voorzien zijn van een constructie die moet voorkomen dat de bestuurder, ingeval de machine omslaat, wordt verpletterd en die bescherming biedt tegen vallende voorwerpen.
  9. Installaties, machines en uitrustingen.
  9. a. Installaties, machines en uitrustingen, met inbegrip van al dan niet gemotoriseerde handwerktuigen, moeten :
  1° vakkundig zijn ontworpen en geconstrueerd, waarbij zoveel mogelijk rekening is gehouden met de beginselen van de ergonomie;
  2° in een goede staat van onderhoud zijn;
  3° uitsluitend worden gebruikt voor werkzaamheden waarvoor zij zijn ontworpen;
  4° worden bediend door werknemers die hiervoor speciaal zijn opgeleid.
  9. b. Installaties en toestellen onder druk moeten, overeenkomstig de vigerende wetsvoorschriften, regelmatig worden nagekeken en aan tests en controles worden onderworpen.
  10. Uitgravingen, bouwputten, ondergrondse werkzaamheden, tunnels, grondverzetwerkzaamheden.
  10. a. Bij een uitgraving, bouwput, ondergronds werk of tunnel moeten passende voorzorgsmaatregelen worden genomen :
  1° door middel van passende stut- of taludwerkzaamheden;
  2° om gevaren in verband met het vallen van personen, materiaal of voorwerpen dan wel overstromingsgevaar te voorkomen;
  3° om te zorgen voor voldoende ventilatie op alle werkplekken zodat er een gezonde werkomgeving ontstaat die niet gevaarlijk of schadelijk is voor de luchtwegen;
  4° om de werknemers de gelegenheid te bieden om zich in geval van brand, overstroming of instorting in veiligheid te brengen.
  10. b. Vóór het begin van de grondverzetwerkzaamheden moeten maatregelen worden getroffen om gevaren in verband met ondergrondse kabels en andere distributiesystemen op te sporen en tot een minimum te beperken.
  10. c. Er moeten veilige wegen naar en vanuit de uitgraving worden aangelegd.
  10. d. De uitgegraven aarde, het materiaal en de voertuigen die in gebruik zijn moeten op veilige afstand van de uitgravingen worden gehouden; in voorkomend geval moet passend hekwerk worden geplaatst.
  11. Sloopwerkzaamheden.
  Indien de sloop van een gebouw of een werk gevaar kan opleveren :
  1° moeten passende voorzorgen, methoden en procedures worden aanvaard;
  2° mogen de werkzaamheden slechts worden gepland en uitgevoerd onder toezicht van een bevoegd persoon.
  12. Metaal- en betonconstructies, bekisting en zware prefabelementen.
  12. a. Metaal- en betonconstructies en hun onderdelen, bekistingen, prefabelementen of tijdelijke stutten en schoren mogen slechts worden gemonteerd of gedemonteerd onder toezicht van een bevoegd persoon.
  12. b. Er moeten toereikende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om de werknemers te beschermen tegen gevaren die samenhangen met de breekbaarheid of de tijdelijke instabiliteit van een werk.
  12. c. Bekistingen, tijdelijke stutten en schoren moeten zodanig ontworpen, berekend, geïnstalleerd en onderhouden worden dat zij zonder gevaar de spanning kunnen dragen waaraan zij kunnen blootstaan.
  13. Bouwkuipen en caissons.
  13. a. Alle bouwkuipen en caissons moeten :
  1° goed geconstrueerd zijn, met geschikt en stevig materiaal dat voldoende resistent is;
  2° voorzien zijn van een adequate uitrusting die de werknemers in staat stelt een veilig onderkomen te vinden wanneer water of materiaal binnendringt.
  13. b. Een bouwkuip of caisson mag slechts worden gebouwd, geïnstalleerd, aangepast of gedemonteerd onder toezicht van een bevoegd persoon.
  13. c. Alle bouwkuipen en caissons moeten regelmatig door een bevoegd persoon worden geïnspecteerd.
  14. Werken op het dak.
  14. a. Indien zulks nodig is om risico's te voorkomen of wanneer de hoogte of de helling de waarden vastgesteld in de artikelen 462, 434.7.1 en 434.9.1. van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming overschrijden, moeten algemeen preventieve maatregelen worden getroffen om te vermijden dat werknemers, werktuigen of andere voorwerpen of materialen vallen.
  14. b. Indien werknemers moeten werken op of in de nabijheid van een dak of een ander oppervlak van breekbaar materiaal waar men door kan vallen, moeten preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat zij het oppervlak van breekbaar materiaal per vergissing betreden of ten val komen.
Art. N4. <AR 2001-12-19/43, art. 6, 002; En vigueur : 02-02-2002> Annexe IV.
  Partie A.
  Le contenu du programme du module de cours agrée " complément pour coordinateur " visé à l'article 58, § 2.
  1° Risques généraux et spécifiques relatifs au bien-être au travail sur les chantiers temporaires ou mobiles et la réglementation en matière de.
  2° Techniques de coordination.
  3° La responsabilité civile, la responsabilité pénale et les compétences du coordinateur et des autres intervenants.
  4° Les principes généraux des réglementations pouvant avoir une incidence sur les activités sur les chantiers temporaires ou mobiles, autres que les réglementations concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail, notamment :
  - la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services et ses arrêtés d'exécution;
  - la réglementation concernant les contrats et l'élaboration de contrats;
  - les réglementations concernant la signalisation routière;
  - les réglementations relatives à l'environnement.
  Partie B.
  Les critères auxquels doit satisfaire le cours agréé de formation complémentaire spécifique pour coordinateurs en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles visé à l'article 58, § 3 et l'examen spécifique agréé pour coordinateurs en matière de sécurité et de santé sur les chantiers temporaires ou mobiles visé à l'article 58, § 4.
  Section I. - Les termes finaux.
  En sortant du cours, les candidats doivent être en mesure, ou en réussissant l'examen spécifique, ils doivent avoir fourni la preuve d'être en mesure, notamment :
  - de procéder à des analyses de sécurité et de santé de concepts et de méthodes, et situations de travail sur le chantier de construction, lors de travaux ultérieurs éventuels à l'ouvrage et, dans la mesure où ils peuvent influencer la sécurité et la santé sur le chantier, dans les environs du chantier, en identifiant les divers types de risques et en proposant les mesures de prévention;
  - de suivre l'évolution du niveau de sécurité et de santé des installations pendant leur présence sur le chantier de construction;
  - de gérer l'ensemble des risques sur le chantier de construction et, en particulier, les risques résiduels identifiés par la méthode d'analyse précitée;
  - de motiver et de former les autres intervenants, peu importe leur niveau, à garantir leur propre sécurité et santé, ainsi que celles des autres personnes concernées par l'ouvrage ou par des travaux ultérieurs à celui-ci.
  Lors des examens, il est surtout vérifié si les candidats disposent d'une manière suffisante des capacités précitées.
  Section II. - Le contenu des programmes.
  A. Introduction.
  1° Présentation du cours (pas pertinent pour les examens) :
  a) mise en contact mutuel des participants et des moniteurs;
  b) présentation de l'objectif général;
  c) méthodes de formation appliquées;
  d) évaluation de l'expérience professionnelle utile des participants;
  e) évaluation des espérances et des besoins des participants.
  2° Présentation des risques généraux sur les chantiers.
  3° Description du cadre général et de la fonction de coordinateur-projet et de coordinateur-réalisation.
  B. Réglementation.
  1° Les aspects pertinents de la loi du 4 août 1996 concernant le bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution.
  2° Les aspects pertinents d'autres réglementations qui peuvent avoir, de façon directe ou indirecte, un lien avec le bien-être au travail sur les chantiers temporaires ou mobiles, notamment celles concernant :
  a) la fabrication et la mise sur le marché de divers biens et produits, notamment les équipements de travail, les moyens de protection individuelle, les produits et préparations dangereux;
  b) les radiations ionisantes;
  b) les accidents de travail et les maladies professionnelles;
  d) les marchés publics;
  e) l'environnement;
  f) la signalisation.
  C. Accidents et dommages à la santé sur les chantiers temporaires ou mobiles.
  1° Définitions et données statistiques.
  2° Suites sur le plan social et économique :
  - pour la victime et ses proches;
  - pour l'entreprise;
  - pour la collectivité.
  3° Suites juridiques pour les parties concernées, le recours, la constitution de la partie civile.
  4° Les assurances d'accidents de travail, [1 Fedris]1.
  5° Localisation des sources d'accidents par rapport aux diverses phases du projet, l'impact du savoir-faire lors du projet.
  6° Analyse de la rentabilité de la lutte contre les accidents de travail et les maladies.
  D. Les divers acteurs, leur rôle et les aspects juridiques.
  Les définitions, les missions, les compétences, la composition, le fonctionnement, les responsabilités, l'agrément et les rapports mutuels pouvant s'appliquer, selon le cas, aux divers acteurs pouvant intervenir sur les chantiers temporaires ou mobiles, notamment :
  1° l'employeur, son mandataire ou son préposé;
  2° les services internes et externes pour la prévention et la protection au travail;
  3° le Comité pour la prévention et la protection au travail et la délégation syndicale;
  4° les services externes pour le contrôle technique sur le lieu de travail;
  5° le maître d'ouvrage, les maîtres d'oeuvre, les entrepreneurs;
  6° le coordinateur-projet;
  7° le coordinateur-réalisation;
  8° les organes conseils, notamment, le Comité national d'action pour la sécurité et l'hygiène dans la construction;
  9° les autorités de surveillance.
  E. Risques et mesures de prévention.
  1° Généralités :
  a) la définition d'un risque;
  b) l'exposé des principes généraux de prévention et leur hiérarchie;
  c) une attention particulière à l'élimination des risques à la source, la mise en oeuvre accrue de mesures matérielles lors des risques de lésions graves et intégration des principes généraux de prévention dans le projet et les activités;
  d) l'ergonomie;
  e) la charge psycho-sociale.
  2° Risques spécifiques et mesures de prévention caractéristiques aux activités de la construction :
  a) les risques, la prévention et les mesures de gestion propres à chacune des activités visées à l'article 26, § 1er;
  b) les risques, la prévention et les mesures de gestion propres aux activités, autres que celles visées à l'article 26, § 1er, notamment dans les domaines suivants (liste non limitative) :
  - les substances et préparations dangereuses, les succédanés, l'étiquetage;
  - les agents physiques, biologiques et chimiques;
  - l'électricité;
  - l'incendie et l'explosion;
  - les enceintes fermées;
  - les travailleurs isolés.
  3° Risques spécifiques d'origine externe aux activités de la construction, notamment :
  - risques propres aux activités industrielles aux abords du ou sur le chantier même;
  - risques propres à la circulation dans les environs immédiats du chantier.
  4° Mesures en cas d'urgence et lors de danger grave et immédiat.
  5° Risques lors de l'exécution de travaux ultérieurs à l'ouvrage, notamment, des travaux d'entretien, de réparation et de remplacement.
  6° Un aperçu de tous les types de moyens de protection collective disponibles sur le marché et leur application.
  7° Un aperçu de tous les types de moyens de protection individuelle disponibles sur le marché et leur application.
  F. Méthodes pour le dépistage et l'évaluation des risques.
  1° Le dépistage, l'analyse et l'évaluation des risques.
  2° L'enquête d'accident.
  3° L'audit.
  4° L'exposé et l'utilisation de diverses techniques d'évaluation des risques.
  G. Missions et aptitudes du coordinateur.
  1° Les missions mentionnées explicitement dans la loi et le présent arrêté.
  2° Les aptitudes implicites :
  a) les techniques d'observation, de sensibilisation, de motivation et de communication, avec comme objectif :
  - la persuasion des intervenants de l'importance de la sécurité et de la santé, ainsi que de la nécessité de coordination sur les chantiers temporaires ou mobiles;
  - la gestion et la résolution de conflits;
  b) la connaissance en matière de prescriptions contractuelles et les coutumes en matière de marchés privés et publics.
  H. Les instruments lors de la coordination.
  Exposé des objectifs, du contenu et de la combinaison avec, ou l'intégration dans, d'autres documents ou instruments :
  1° le plan de sécurité et de santé;
  2° le journal de coordination;
  3° le dossier d'intervention ultérieur;
  4° la structure de coordination;
  I. La coordination en pratique.
  1° Notamment en ce qui concerne la phase du projet :
  a) prise de connaissance de l'avant projet et sélection des éléments qui peuvent avoir une influence sur le bien-être des travailleurs, aussi bien pendant l'exécution du projet que lors de l'exécution de travaux ultérieurs à l'ouvrage, notamment, la nature de l'ouvrage, les aspects architectoniques, les éventuelles constructions existantes à conserver ou à adapter, les matériaux à utiliser, les délais d'exécution, l'implantation et les activités industrielles ou autres sur le chantier ou dans ses environs immédiats;
  b) l'évaluation des risques, l'élaboration des mesures de protection et des manières d'exécution alternatives, nouvelle évaluation des risques résiduels, entretiens avec le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre charge du projet et avec les autres personnes concernées ou personnes à impliquer;
  c) l'élaboration du plan de sécurité et de santé, l'ouverture et la tenue du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure, les règles générales et spécifiques, l'aménagement du chantier, le transport interne;
  d) l'évaluation de la partie des offres visée à l'article 30, dans laquelle les candidats décrivent les manières d'exécution qu'ils proposent d'appliquer.
  2° Notamment en ce qui concerne la phase de réalisation :
  a) prise de connaissance du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure, prise de connaissance des manières d'exécution proposées par le maître d'oeuvre chargé de l'exécution sélectionné ou par les entrepreneurs sélectionnés, entretiens avec le maître d'ouvrage, le maître d'oeuvre chargé du contrôle de l'exécution, le maître d'oeuvre chargé de l'exécution, l'organisation d'une structure de coordination, l'interaction avec les activités industrielles ou autres sur le chantier ou dans ses environs immédiats;
  b) l'adaptation du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure;
  c) mesures pour l'aménagement du chantier, le transport interne vertical et horizontal, le stockage de matériaux et la délimitation de zones et l'accès au chantier, plans d'urgence et mesures lors de danger grave et immédiat;
  d) le contrôle et l'entretien d'équipements de travail et, en particulier, de ceux soumis aux contrôles par un organisme externe pour les contrôles techniques sur le lieu de travail;
  e) l'interaction et la collaboration entre les divers intervenants;
  f) l'enregistrement et la notification d'infractions aux règles générales et spécifiques et les instructions, la motivation et la persuasion;
  g) la clôture et la transmission du plan de sécurité et de santé, du journal de coordination et du dossier d'intervention ultérieure.
  Section III. - La défense d'un projet de coordination - modalités visées à l'article 58, § 3, premier alinéa, 4°, b et à l'article 58, § 4, premier alinéa, 4°, b.
  A. Pour le cours agréé de formation complémentaire spécifique et l'examen spécifique agréé de niveau A, s'appliquent les modalités suivantes :
  1° seuls les candidats ayant réussi la partie de l'examen, visée respectivement à l'article 58, § 3, premier alinéa, 4°, a et à l'article 58, § 4, premier alinéa, 4°, a, sont admis à rédiger et défendre un projet de coordination visé respectivement à l'article 58, § 3, premier alinéa, 4°, b et à l'article 58, § 4, premier alinéa, 4°, b;
  2° « cet effet, les organisateurs de ces examens élaborent un ensemble d'au moins dix sujets différents de cas d'espèce de chantiers temporaires ou mobiles ou une structure de coordination est exigée, en application de l'article 37, premier alinéa.
  Les sujets sont élaborés de sorte qu'ils contiennent les éléments et les conditions connexes nécessaires pour que le candidat puisse élaborer un cas d'espèce de projet de coordination;
  3° le candidat sélectionne de l'ensemble des sujets présentés, par un choix aveugle, un sujet qu'il élabore en projet de coordination;
  4° le candidat défend son projet de coordination devant le jury d'examen dans un délai de quinze jours calendrier au moins, mais qui ne dépasse pas les trente jours calendrier;
  5° les organisateurs des examens modifient, suffisamment fréquemment, les sujets pour éviter leur diffusion.
  B. Pour le cours agréé de formation complémentaire spécifique et l'examen spécifique agréé de niveau B, s'appliquent les modalités suivantes :
  1° seuls les candidats ayant réussi la partie de l'examen, visée respectivement à l'article 58, § 3, premier alinéa, 4°, a et à l'article 58, § 4, premier alinéa, 4°, a, sont admis à rédiger et défendre un projet de coordination visé respectivement à l'article 58, § 3, premier alinéa, 4°, b et à l'article 58, § 4, premier alinéa, 4°, b;
  2° « cet effet, les organisateurs de ces examens élaborent un ensemble d'au moins dix sujets différents de cas d'espèce de chantiers temporaires ou mobiles où une structure de coordination n'est pas exigée, en application de l'article 37, premier alinéa.
  Les sujets sont élaborés de sorte qu'ils contiennent les éléments et les conditions connexes nécessaires pour que le candidat puisse élaborer un cas d'espèce de projet de coordination;
  3° le candidat sélectionne de l'ensemble des sujets présentés, par un choix aveugle, un sujet qu'il élabore en projet de coordination;
  4° le candidat défend son projet de coordination devant le jury d'examen dans un délai de quinze jours calendrier au moins, mais qui ne dépasse pas les trente jours calendrier;
  5° les organisateurs des examens modifient, suffisamment fréquemment, les sujets pour éviter leur diffusion.
  
Art. N4. <KB 2001-12-19/43, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 02-02-2002> Bijlage IV.
  Deel A.
  De inhoud van het programma van de erkende cursusmodule " aanvulling tot coördinator ", bedoeld in artikel 58, § 2.
  1° Algemene en specifieke risico's betreffende het welzijn op het werk op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen en de reglementering terzake.
  2° Coördinatietechnieken.
  3° De burgerrechtelijke aansprakelijkheid, de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en de bevoegdheden van de coördinator en van de andere tussenkomende partijen.
  4° De algemene principes van de reglementeringen die een invloed kunnen hebben op de activiteiten op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, andere dan de reglementeringen betreffende het welzijn van de werknemers bij het uitoefenen van hun werk, inzonderheid :
  - de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en haar uitvoeringsbesluiten;
  - de reglementering betreffende de overeenkomsten en het opstellen van overeenkomsten;
  - de reglementeringen betreffende de wegsignalisatie;
  - de reglementeringen in verband met het leefmilieu.
  Deel B.
  De criteria waaraan de erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bedoeld in artikel 58, § 3 en het erkend specifiek examen voor coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, bedoeld in artikel 58, § 4, moeten voldoen.
  Afdeling I. - De eindtermen.
  Na het beëindigen van de cursus, moeten de kandidaten in staat zijn om of door te slagen in het specifiek examen moeten zij bewezen hebben in staat te zijn om, inzonderheid :
  - veiligheids- en gezondheidsanalyses uit te voeren van concepten en arbeidsmethoden en -situaties op de bouwplaats, tijdens eventuele latere werken aan het bouwwerk en, in de mate dat zij de veiligheid en de gezondheid op de bouwplaats kunnen beïnvloeden, nabij de bouwplaats, door de verschillende vormen van risico's te identificeren en de preventiemaatregelen voor te stellen;
  - de evolutie te kunnen volgen van het veiligheids- en gezondheidsniveau van installaties gedurende hun aanwezigheid op de bouwplaats;
  - het geheel van de risico's op de bouwplaats te kunnen beheren en in het bijzonder de residuele risico's die geïdentificeerd zijn door de hierboven vermelde aanpak van de analyse;
  - de andere tussenkomende partijen, wat ook hun niveau is, te kunnen motiveren en vormen, om hun eigen veiligheid en gezondheid, alsook deze van de andere personen die bij het bouwwerk of bij latere werken hieraan, betrokken zijn, te garanderen.
  Tijdens de examens, wordt vooral geverifieerd of de kandidaten de bovenvermelde capaciteiten in voldoende mate bezitten.
  Afdeling II. - De inhoud van de programma's.
  A. Inleiding.
  1° Voorstelling van de cursus (niet relevant voor de examens) :
  a) onderlinge kennismaking van de deelnemers en de monitoren;
  b) uiteenzetting van de algemene doelstelling;
  c) toegepaste vormingsmethodes;
  d) evaluatie van de nuttige beroepservaring van de deelnemers;
  e) evaluatie van de verwachtingen en de behoeften van de deelnemers.
  2° Voorstelling van de algemene risico's op bouwplaatsen.
  3° Beschrijving van het algemene kader en van de functie van coördinator-ontwerp en coördinator-verwezenlijking.
  B. Regelgeving.
  1° De relevante aspecten van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en van haar uitvoeringsbesluiten.
  2° De relevante aspecten van andere reglementeringen die rechtstreeks of onrechtstreeks een verband kunnen hebben met het welzijn op het werk op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen, inzonderheid deze betreffende :
  a) de fabricage en het op de markt brengen van diverse goederen en producten, inzonderheid arbeidsmiddelen, persoonlijke beschermingsmiddelen, gevaarlijke producten en preparaten;
  b) de ioniserende stralingen;
  c) de arbeidsongevallen en de beroepsziekten;
  d) de overheidsopdrachten;
  e) het leefmilieu;
  f) de signalisatie.
  C. Ongevallen en gezondheidsschade bij het werk op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
  1° Definities en statistische gegevens.
  2° Gevolgen, sociaal en economisch :
  - voor het slachtoffer en de naastbestaanden;
  - voor de onderneming;
  - voor de maatschappij.
  3° Juridische gevolgen voor de betrokken partijen, het verhaal, de burgerlijke partijstelling.
  4° Arbeidsongevallenverzekeringen, [1 Fedris]1.
  5° Situering van de bronnen van arbeidsongevallen ten opzichte van de verscheiden fasen van het ontwerp, impact van de deskundigheid tijdens het ontwerp.
  6° Rendabiliteitsanalyse van ongeval- en ziektebestrijding.
  D. De verschillende actoren, hun rol en de juridische aspecten.
  De definities, de opdrachten, de bevoegdheden, de samenstelling, de werking, de verantwoordelijkheden, de aansprakelijkheden, hun erkenning en de onderlinge verhoudingen, welke al naargelang het geval van toepassing kunnen zijn op de verscheidene actoren, die op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen kunnen tussenkomen, inzonderheid :
  1° de werkgever, zijn lasthebbers of zijn aangestelden;
  2° de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  3° het Comité voor preventie en bescherming op het werk en de syndicale delegatie;
  4° de externe diensten voor technische controles op de arbeidsplaats;
  5° de opdrachtgever, de bouwdirecties, de aannemers;
  6° de coördinator-ontwerp;
  7° de coördinator-verwezenlijking;
  8° adviserende organen, inzonderheid het nationaal Actiecomité voor veiligheid en hygiëne in het bouwbedrijf;
  9° toezichthoudende overheden.
  E. De risico's en de voorkomingsmaatregelen.
  1° Algemeen :
  a) definitie van een risico;
  b) uiteenzetting van de algemene preventiebeginselen en hun hiërarchie;
  c) een bijzondere aandacht voor de uitschakeling van de risico's aan de bron, de verscherpte toepassing van materiële beschermingsmaatregelen bij risico op ernstig letsel en de integratie van de algemene preventieprincipes in het ontwerp en de activiteiten;
  d) ergonomie;
  e) psychosociale belasting.
  2° Specifieke risico's en voorkomingsmaatregelen eigen aan de bouwactiviteiten :
  a) de risico's, de preventie en de beheersmaatregelen eigen aan elkeen van de werkzaamheden bedoeld in artikel 26, § 1;
  b) de risico's, de preventie en de beheersmaatregelen eigen aan andere werkzaamheden dan deze, bedoeld in artikel 26, § 1, inzonderheid in de volgende domeinen (niet limitatieve lijst) :
  - gevaarlijke stoffen en preparaten, vervangproducten, etikettering;
  - fysische, biologische en chemische agentia;
  - elektriciteit;
  - brand en explosie;
  - besloten ruimten;
  - afzonderlijk tewerkgestelde werknemers.
  3° Specifieke risico's van externe oorsprong aan de bouwactiviteiten, inzonderheid :
  - risico's eigen aan de industriële activiteiten in de nabijheid van of op de bouwplaats zelf;
  - risico's eigen aan het verkeer in de onmiddellijke nabijheid van de bouwplaats.
  4° Maatregelen in geval van nood en bij onmiddellijk en ernstig gevaar.
  5° Risico's bij het uitvoeren van latere werken aan het bouwwerk, inzonderheid, onderhouds-, herstellings- en vervangingswerken.
  6° Overzicht van alle op de markt beschikbare soorten collectieve beschermingsmiddelen en hun aanwending.
  7° Overzicht van alle op de markt beschikbare soorten persoonlijke beschermingsmiddelen en hun aanwending.
  F. Methodes voor het opsporen en evalueren van risico's.
  1° Opsporing, analyse en evaluatie van de risico's.
  2° Ongevalsonderzoek.
  3° Audit.
  4° Uiteenzetting en gebruik van diverse risico-evaluatietechnieken.
  G. Opdrachten en vaardigheden van de coördinator.
  1° De uitdrukkelijk in de wet en dit besluit vermelde opdrachten.
  2° De impliciete vaardigheden :
  a) observatie-, sensibiliserings-, motiverings- en communicatietechnieken, met het oog op :
  - het overtuigen van de tussenkomende partijen van het belang van veiligheid en gezondheid en de noodzaak van coördinatie op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen;
  - conflictbeheersing en -oplossing;
  b) kennis inzake de contractuele voorschriften en gebruiken inzake private en overheidsopdrachten.
  H. De instrumenten bij de coördinatie.
  Uiteenzetting van de doelstellingen, de inhoud en de combinatie met, of integratie in, andere documenten of instrumenten :
  1° het veiligheids- en gezondheidsplan;
  2° het coördinatiedagboek;
  3° het postinterventiedossier;
  4° de coördinatiestructuur.
  I. De coördinatie in de praktijk.
  1° Inzonderheid, wat de ontwerpfase betreft :
  a) kennisname van het voorontwerp van bouwwerk en selectie van de elementen die een invloed kunnen hebben op het welzijn van de werknemers, zowel tijdens het uitvoeren van het bouwwerk als tijdens het uitvoeren van latere werkzaamheden aan het bouwwerk, inzonderheid, de aard van het bouwwerk, de architectonische aspecten, de eventuele te behouden of aan te passen bestaande constructies, de te gebruiken materialen, de uitvoeringstermijnen, de inplanting en de industriële en andere activiteiten op of in de onmiddellijke nabijheid van de bouwplaats;
  b) evaluatie van de risico's, uitwerking van beschermende maatregelen en alternatieve uitvoeringswijzen, nieuwe evaluatie van de restrisico's, gesprekken met de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met het ontwerp en met eventuele andere betrokken of te betrekken personen;
  c) opstellen van het veiligheids- en gezondheidsplan, openen en bijhouden van het coördinatiedagboek en van het postinterventiedossier, de algemene en de specifieke regels, de bouwplaatsinrichting, het intern transport;
  d) beoordeling van het deel van de offertes, bedoeld in artikel 30, waarin de kandidaten de uitvoeringswijzen beschrijven die zij voorstellen toe te passen.
  2° Inzonderheid, wat de verwezenlijkingsfase betreft :
  a) kennisname van het veiligheids- en gezondheidsplan, het coördinatiedagboek en het postinterventiedossier, kennisname van de uitvoeringswijzen voorgesteld door de geselecteerde bouwdirectie belast met de uitvoering of door de geselecteerde aannemers, gesprekken met de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, de bouwdirectie belast met de uitvoering, de oprichting van een coördinatiestructuur, de wisselwerking met de industriële en andere activiteiten op of in de onmiddellijke nabijheid van de bouwplaats;
  b) aanpassing van het veiligheids- en gezondheidsplan, het coördinatiedagboek en het postinterventiedossier;
  c) maatregelen voor de bouwplaatsinrichting, verticaal en horizontaal intern transport, materiaalopslagplaatsen en zoneafbakening, toegang tot de bouwplaats, noodplannen en maatregelen bij onmiddellijk en ernstig gevaar;
  d) keuring en onderhoud van arbeidsmiddelen en, in het bijzonder, van deze onderworpen aan keuringen door een externe dienst voor technische controle op de arbeidsplaats;
  e) interactie en samenwerking tussen de verschillende tussenkomende partijen;
  f) registratie en kennisgeving van inbreuken op de algemene en specifieke regels en instructies, motivatie en overtuiging;
  g) afsluiting en overdracht van het veiligheids- en gezondheidsplan, het coördinatiedagboek en het postinterventiedossier.
  Afdeling III. - Verdediging van een coördinatieproject - nadere regelen bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, 4°, b en in artikel 58, § 4, eerste lid, 4°, b.
  A. Voor de erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming en het erkend specifiek examen van niveau A, gelden de volgende nadere regelen :
  1° slechts examinandi die geslaagd zijn voor het deel van het examen, bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, 4°, a, respectievelijk het deel van het examen bedoeld in artikel 58, § 4, eerste lid, 4°, a, worden toegelaten een coördinatieproject op te stellen en te verdedigen, zoals bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, 4°, b, respectievelijk artikel 58, § 4, eerste lid, 4°, b;
  2° daartoe werken de organisatoren van deze examens een pakket uit van ten minste tien verschillende opgaven van praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar een coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid.
  De opgaven zijn derwijze opgesteld dat zij de nodige elementen en randvoorwaarden bevatten, opdat een examinandus op basis hiervan een praktijkgeval van coördinatieproject kan uitwerken;
  3° de examinandus selecteert uit het pakket voorgestelde opgaven, aan de hand van een blinde keuze, een opgave die hij tot coördinatieproject uitwerkt;
  4° de examinandus verdedigt zijn coördinatieproject voor de examenjury binnen een termijn van minimum vijftien kalenderdagen, die de dertig kalenderdagen evenwel niet overschrijdt;
  5° de organisatoren van de examens wijzigen de opgaven voldoende frequent om verspreiding ervan te vermijden.
  B. Voor de erkende cursus van de specifieke aanvullende vorming en het erkend specifiek examen van niveau B, gelden de volgende nadere regelen :
  1° slechts examinandi die geslaagd zijn voor het deel van het examen, bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, 4°, a, respectievelijk het deel van het examen, bedoeld in artikel 58, § 4, eerste lid, 4°, a, worden toegelaten een coördinatieproject op te stellen en te verdedigen, zoals bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, 4°, b, respectievelijk artikel 58, § 4, eerste lid, 4°, b;
  2° daartoe werken de organisatoren van deze examens een pakket uit van ten minste tien verschillende opgaven van praktijkgevallen van tijdelijke of mobiele bouwplaatsen waar geen coördinatiestructuur vereist is in uitvoering van artikel 37, eerste lid.
  De opgaven zijn derwijze opgesteld dat zij de nodige elementen en randvoorwaarden bevatten, opdat een examinandus op basis hiervan een praktijkgeval van coördinatieproject kan uitwerken;
  3° de examinandus selecteert uit het pakket voorgestelde opgaven, aan de hand van een blinde keuze, een opgave die hij tot coördinatieproject uitwerkt;
  4° de examinandus verdedigt zijn coördinatieproject voor de examenjury binnen een termijn van minimum vijftien kalenderdagen, die de dertig kalenderdagen evenwel niet overschrijdt;
  5° de organisatoren van de examens wijzigen de opgaven voldoende frequent om verspreiding ervan te vermijden.
  
Art. N5. Annexe V. - Liste d'ouvrages visée à l'article 4septies decies, § 2. <AR 2005-01-19/31, art. 41, 004; En vigueur : 27-01-2005>
  1° les ponts, tunnels, viaducs;
  2° les aqueducs, châteaux d'eau;
  3° les tours, pylônes;
  4° les cheminées d'usine."
Art. N5. Bijlage V. - Lijst van bouwwerken bedoeld in artikel 4septies decies, § 2. <INGEVOEGD bij KB 2005-01-19/31, art. 41; Inwerkingtreding : 27-01-2005>
  1° de bruggen, tunnels, viaducten;
  2° de aquaducten, watertorens;
  3° de torens, pylonen;
  4° fabriekschouwen."
-