Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op verlaten gebouwen die aan één of meerdere eigenaars toebehoren.
§ 2. Onder verlaten gebouw wordt verstaan het bebouwde onroerend goed behorend tot het privaat domein van een rechtspersoon naar Belgisch publiek recht of toebehorend aan een privaat natuurlijke of rechtspersoon en dat klaarblijkelijk niet gebruikt wordt noch werkelijk bestemd is voor een activiteit van welke aard dan ook.
Genieten van een vermoeden van gebruik, de gebouwen op wiens adres één of meerdere personen ofwel zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters voor hun hoofdverblijfplaats, ofwel vermeld als eigenaars van een tweede verblijfplaats op voorwaarde dat betrokkenen niet hebben gevraagd om vrijgesteld te worden van de onroerende voorheffing. Dit vermoeden is weerlegbaar door alle rechtsmiddelen.
§ 3. Mogen niet worden beschouwd als verlaten, de bebouwde onroerende goederen :
1° die het voorwerp uitmaken van een lopend huurcontract dat leidt tot een werkelijk gebruik en/of bestemming;
2° in dewelke grove herstellingen of verbeteringen aan de gang zijn of voor dewelke de eigenaar zijn bedoeling te herbouwen, verbouwen of vernieuwen aantoont aan de hand van een stedenbouwkundige vergunning, een gedetailleerd bestek of een beschrijving der werken en voor zover deze werken effectief worden aangevat binnen de drie maanden nadat het bewijs door de eigenaar is gegeven en de werken daarna worden verdergezet;
3° die niet worden gebruikt om wettige redenen of door overmacht.
Mogen slechts worden beschouwd als grove herstellingen of verbeteringen, zoals bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, 2°, de werken die het bedrag van 600 000 frank en tien keer het kadastraal inkomen van het bedoelde gebouw overschrijden. Het bedrag van 600 000 frank wordt aangepast aan de maandelijkse evolutie van de index der kleinhandelsprijzen.
Vormt onder meer een niet gebruik om wettige redenen, zoals bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, 3°, het feit dat de eigenaar beweert een gebouw te huur of te koop aan te bieden doch geen huurder of koper te hebben gevonden. In dat geval moet hij het bewijs leveren, met alle rechtsmiddelen, getuigenissen inbegrepen, dat de ondernomen stappen vruchteloos waren en dat de gevraagde huur- of koopprijs redelijk is.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
11 DECEMBER 2001. - Koninklijk besluit betreffende het opeisingsrecht van verlaten gebouwen, bedoeld in artikel 74 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.
Titre
11 DECEMBRE 2001. - Arrêté royal réglant le droit de réquisition d'immeubles abandonnés, visé à l'article 74 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (9)
Texte (9)
Article 1. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux immeubles abandonnés qui appartiennent à un ou à plusieurs propriétaires.
§ 2. On entend par immeuble abandonné, l'immeuble bâti relevant du domaine privé d'une personne morale de droit public belge ou appartenant à une personne physique ou morale de droit privé, qui est manifestement inoccupé et non affecté effectivement à une activité de quelque nature que ce soit.
Bénéficient d'une présomption d'occupation, les immeubles à l'adresse desquels une ou plusieurs personnes sont, soit inscrites à titre de résidence principale aux registres de la population, soit recensées comme propriétaires d'une seconde résidence pour autant que les intéressés n'aient pas demandé à être exemptés du paiement du précompte immobilier. Cette présomption peut être renversée par toutes voies de droit.
§ 3. Ne peuvent être considérés comme abandonnés les immeubles bâtis :
1° qui font l'objet d'un bail en cours, qui donne lieu à une occupation et/ou à une affectation effective;
2° dans lesquels des réparations ou des améliorations lourdes sont en cours de réalisation ou pour lesquels le propriétaire justifie de sa volonté de reconstruire, transformer ou rénover par un permis d'urbanisme, un devis détaillé ou une description de travaux pour autant que ces travaux soient effectivement entrepris dans les trois mois de la justification donnée par le propriétaire et poursuivis par après;
3° qui sont inoccupés pour des raisons légitimes ou pour cas de force majeure.
Ne peuvent être considérées comme des réparations ou améliorations lourdes visées au paragraphe 3, alinéa premier, 2°, que celles dont le coût dépasse 600 000 francs et dix fois le revenu cadastral de l'immeuble concerné. Le montant de 600 000 francs est adapté à l'évolution mensuelle de l'indice des prix à la consommation.
Constitue notamment une inoccupation pour raison légitime visée au paragraphe 3, alinéa premier, 3°, le fait que le propriétaire prétende offrir un immeuble en location ou en vente, sans être parvenu à trouver un preneur ou un acheteur. Dans ce cas, il doit prouver par toutes voies de droit, témoignages compris, les démarches infructueuses effectuées et faire la preuve du caractère raisonnable du loyer ou du prix de vente sollicités.
§ 2. On entend par immeuble abandonné, l'immeuble bâti relevant du domaine privé d'une personne morale de droit public belge ou appartenant à une personne physique ou morale de droit privé, qui est manifestement inoccupé et non affecté effectivement à une activité de quelque nature que ce soit.
Bénéficient d'une présomption d'occupation, les immeubles à l'adresse desquels une ou plusieurs personnes sont, soit inscrites à titre de résidence principale aux registres de la population, soit recensées comme propriétaires d'une seconde résidence pour autant que les intéressés n'aient pas demandé à être exemptés du paiement du précompte immobilier. Cette présomption peut être renversée par toutes voies de droit.
§ 3. Ne peuvent être considérés comme abandonnés les immeubles bâtis :
1° qui font l'objet d'un bail en cours, qui donne lieu à une occupation et/ou à une affectation effective;
2° dans lesquels des réparations ou des améliorations lourdes sont en cours de réalisation ou pour lesquels le propriétaire justifie de sa volonté de reconstruire, transformer ou rénover par un permis d'urbanisme, un devis détaillé ou une description de travaux pour autant que ces travaux soient effectivement entrepris dans les trois mois de la justification donnée par le propriétaire et poursuivis par après;
3° qui sont inoccupés pour des raisons légitimes ou pour cas de force majeure.
Ne peuvent être considérées comme des réparations ou améliorations lourdes visées au paragraphe 3, alinéa premier, 2°, que celles dont le coût dépasse 600 000 francs et dix fois le revenu cadastral de l'immeuble concerné. Le montant de 600 000 francs est adapté à l'évolution mensuelle de l'indice des prix à la consommation.
Constitue notamment une inoccupation pour raison légitime visée au paragraphe 3, alinéa premier, 3°, le fait que le propriétaire prétende offrir un immeuble en location ou en vente, sans être parvenu à trouver un preneur ou un acheteur. Dans ce cas, il doit prouver par toutes voies de droit, témoignages compris, les démarches infructueuses effectuées et faire la preuve du caractère raisonnable du loyer ou du prix de vente sollicités.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt eveneens als eigenaar van een gebouw beschouwd, de vruchtgebruiker of de titularis van een recht van gebruik of bewoning.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, est aussi considéré comme propriétaire d'un immeuble, l'usufruitier ou le titulaire d'un droit d'usage ou d'habitation.
Art. 3. § 1. De Minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, of zijn gemachtigde, verwittigt de eigenaar van zijn bedoeling om een bepaald gebouw op te eisen per aangetekende brief met ontvangstmelding of bij deurwaardersexploot.
§ 2. Deze verwittiging moet, op straffe van nietigheid, het volgende vermelden :
1° de aanduiding van het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de voorgenomen opeising en de duur ervan;
2° de gedetailleerde beschrijving en oppervlakte van het bedoelde kadastraal perceel;
3° het feit dat het recht op een billijke schadeloosstelling het voorwerp kan uitmaken van een minnelijke regeling tussen de betrokkene en de overheid die haar opeisingsrecht uitoefent of, indien er geen minnelijke regeling is, de schadeloosstelling moet worden vastgesteld door de vrederechter;
4° de uitnodiging om binnen de vijftien dagen na ontvangst van de verwittiging een overeenkomst af te sluiten;
5° de uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter van het kanton waarin het goed is gelegen, voor wat betreft elke betwisting inzake de opeising, met vermelding van het adres en het kanton van het vredegerecht;
6° het feit dat de vrederechter in eerste aanleg beslist, eventueel via een vonnis dat uitvoerbaar is bij voorraad.
Bij deze verwittiging wordt een kopie gevoegd van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen.
§ 2. Deze verwittiging moet, op straffe van nietigheid, het volgende vermelden :
1° de aanduiding van het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de voorgenomen opeising en de duur ervan;
2° de gedetailleerde beschrijving en oppervlakte van het bedoelde kadastraal perceel;
3° het feit dat het recht op een billijke schadeloosstelling het voorwerp kan uitmaken van een minnelijke regeling tussen de betrokkene en de overheid die haar opeisingsrecht uitoefent of, indien er geen minnelijke regeling is, de schadeloosstelling moet worden vastgesteld door de vrederechter;
4° de uitnodiging om binnen de vijftien dagen na ontvangst van de verwittiging een overeenkomst af te sluiten;
5° de uitsluitende bevoegdheid van de vrederechter van het kanton waarin het goed is gelegen, voor wat betreft elke betwisting inzake de opeising, met vermelding van het adres en het kanton van het vredegerecht;
6° het feit dat de vrederechter in eerste aanleg beslist, eventueel via een vonnis dat uitvoerbaar is bij voorraad.
Bij deze verwittiging wordt een kopie gevoegd van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen.
Art. 3. § 1er. Le Ministre ayant l'Intégration sociale dans ses attributions, ou son délégué, donne au propriétaire avertissement de son intention de réquisitionner un immeuble déterminé, par lettre recommandée avec accusé de réception ou par exploit d'huissier.
§ 2. Cet avertissement doit à peine de nullité mentionner les éléments suivants :
1° l'identification de l'immeuble concerné par la réquisition envisagée et la durée de celle-ci;
2° la description détaillée et la contenance de la parcelle cadastrale visée;
3° le fait que le droit à un juste dédommagement peut faire l'objet d'un accord à l'amiable passé entre l'intéressé et l'autorité qui exerce son droit de réquisition ou, à défaut d'accord à l'amiable, est à fixer par le juge de paix;
4° l'invitation à conclure une convention dans un délai de quinze jours à dater de la réception de l'avertissement;
5° la compétence exclusive du juge de paix du canton dans lequel est situé le bien pour toute contestation afférente à la réquisition, avec mention de l'adresse et du canton de la justice de paix;
6° le fait que le juge de paix décide en première instance, le cas échéant par jugement exécutoire par provision.
Une copie des dispositions légales et réglementaires est jointe à cet avertissement.
§ 2. Cet avertissement doit à peine de nullité mentionner les éléments suivants :
1° l'identification de l'immeuble concerné par la réquisition envisagée et la durée de celle-ci;
2° la description détaillée et la contenance de la parcelle cadastrale visée;
3° le fait que le droit à un juste dédommagement peut faire l'objet d'un accord à l'amiable passé entre l'intéressé et l'autorité qui exerce son droit de réquisition ou, à défaut d'accord à l'amiable, est à fixer par le juge de paix;
4° l'invitation à conclure une convention dans un délai de quinze jours à dater de la réception de l'avertissement;
5° la compétence exclusive du juge de paix du canton dans lequel est situé le bien pour toute contestation afférente à la réquisition, avec mention de l'adresse et du canton de la justice de paix;
6° le fait que le juge de paix décide en première instance, le cas échéant par jugement exécutoire par provision.
Une copie des dispositions légales et réglementaires est jointe à cet avertissement.
Art. 4. De overeenkomst bedoeld in artikel 3, 4° legt onder meer de duur vast van het gebruik van het gebouw, de voorwaarden waaronder de duur van het gebruik verlengd kan worden, de aard van de eventuele door de overheid uit te voeren werken en het bedrag van de billijke schadeloosstelling verschuldigd aan de eigenaar.
Art. 4. La convention visée à l'article 3, 4° fixe notamment la durée d'occupation de l'immeuble, les conditions sous lesquelles la durée d'occupation peut être prolongée, la nature des travaux éventuels à y effectuer par l'autorité et le montant du juste dédommagement dû au propriétaire.
Art. 5. § 1. Bij gebrek aan een overeenkomst tussen de partijen binnen de door artikel 3, 4° voorziene termijn kan de Minister of zijn gemachtigde een besluit nemen tot opeising dat de duur ervan en de voorwaarden voor de verlenging van de duur vastlegt. Hij geeft kennis van dit besluit aan de eigenaar binnen zeven werkdagen, per aangetekende brief met ontvangstbewijs of per deurwaardersexploot en legt de zaak voor aan de vrederechter van het kanton teneinde het bedrag vast te stellen van de billijke schadeloosstelling verschuldigd aan de eigenaar.
§ 2. Het opeisingsrecht kan slechts worden uitgeoefend binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de Minister of zijn gemachtigde de eigenaar op de hoogte heeft gesteld.
§ 2. Het opeisingsrecht kan slechts worden uitgeoefend binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de Minister of zijn gemachtigde de eigenaar op de hoogte heeft gesteld.
Art. 5. § 1er. A défaut de convention entre les parties dans le délai imparti par l'article 3, 4°, le Ministre ou son délégué peut prendre un arrêté de réquisition qui fixe la durée de celle-ci et les conditions sous lesquelles la durée d'occupation peut être prolongée. Il notifie cet arrêté au propriétaire, dans les sept jours ouvrables, par lettre recommandée avec accusé de réception ou par exploit d'huissier et saisit dans le même délai le juge de paix du canton en vue de déterminer le montant du juste dédommagement dû au propriétaire.
§ 2. Le droit de réquisition ne peut s'exercer que dans un délai d'une année prenant cours à dater de l'avertissement adressée par le Ministre ou son délégué au propriétaire.
§ 2. Le droit de réquisition ne peut s'exercer que dans un délai d'une année prenant cours à dater de l'avertissement adressée par le Ministre ou son délégué au propriétaire.
Art. 6. De duur van het gebruik wordt vastgesteld volgens de behoeften aan opvang voor kandidaat-vluchtelingen.
Art. 6. La durée de l'occupation est fixée en fonction des besoins d'accueil pour candidats-réfugiés.
Art. 7. § 1. Het bedrag van de billijke schadeloosstelling voorzien in artikel 3, vierde lid en artikel 4 moet overeenstemmen met een huurprijs geëvalueerd aan de hand van onder meer volgende elementen :
1° het bedrag van het kadastraal inkomen en de indicatoren, voorzien in de kadastrale legger;
2° de gemiddelde huurprijs voor gebouwen die aan de hand van vergelijkingspunten evenwaardig zijn en in de zelfde wijk of hetzelfde kanton gelegen zijn;
3° de huurprijs die kan worden gevraagd nadat eventueel werken zijn uitgevoerd om het onroerend goed geschikt te maken voor opvang;
4° het belang van de werken die eventueel moeten worden uitgevoerd om het onroerend goed geschikt te maken voor opvang en die eventueel een meerwaarde meebrengen.
§ 2. De ontvanger van de registratie bezorgt, binnen zeven werkdagen na ontvangst van een verzoek daartoe per aangetekend schrijven, aan de Minister of zijn gemachtigde en aan de vrederechter alle gegevens die dienstig zijn om het bedrag van de billijke schadeloosstelling te bepalen.
§ 3. Samen met het bedrag van de billijke schadeloosstelling worden de regels voor de uitbetaling ervan vastgesteld.
1° het bedrag van het kadastraal inkomen en de indicatoren, voorzien in de kadastrale legger;
2° de gemiddelde huurprijs voor gebouwen die aan de hand van vergelijkingspunten evenwaardig zijn en in de zelfde wijk of hetzelfde kanton gelegen zijn;
3° de huurprijs die kan worden gevraagd nadat eventueel werken zijn uitgevoerd om het onroerend goed geschikt te maken voor opvang;
4° het belang van de werken die eventueel moeten worden uitgevoerd om het onroerend goed geschikt te maken voor opvang en die eventueel een meerwaarde meebrengen.
§ 2. De ontvanger van de registratie bezorgt, binnen zeven werkdagen na ontvangst van een verzoek daartoe per aangetekend schrijven, aan de Minister of zijn gemachtigde en aan de vrederechter alle gegevens die dienstig zijn om het bedrag van de billijke schadeloosstelling te bepalen.
§ 3. Samen met het bedrag van de billijke schadeloosstelling worden de regels voor de uitbetaling ervan vastgesteld.
Art. 7. § 1er. Le montant du juste dédommagement visé aux articles 3, quatrième alinéa et 4 doit correspondre à celui d'un revenu locatif évalué en fonction notamment des éléments suivants :
1° le montant du revenu cadastral et les indications contenues dans la matrice cadastrale;
2° le revenu locatif moyen d'immeubles similaires par points de comparaison, situés dans le même quartier ou canton;
3° le loyer qui peut être demandé après que les travaux de rénovation indispensables pour rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil ont été effectués;
4° l'importance des travaux à effectuer pour rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil et qui occasionnent éventuellement une plus-value.
§ 2. Le receveur de l'enregistrement communique, au Ministre ou à son délégué et au juge de paix, dans les sept jours ouvrables de la réception d'une demande adressée à cette fin par lettre recommandée, tous les éléments utiles pour apprécier le montant du juste dédommagement.
§ 3. Les règles relatives au paiement du juste dédommagement sont fixées conjointement avec le montant de celui-ci.
1° le montant du revenu cadastral et les indications contenues dans la matrice cadastrale;
2° le revenu locatif moyen d'immeubles similaires par points de comparaison, situés dans le même quartier ou canton;
3° le loyer qui peut être demandé après que les travaux de rénovation indispensables pour rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil ont été effectués;
4° l'importance des travaux à effectuer pour rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil et qui occasionnent éventuellement une plus-value.
§ 2. Le receveur de l'enregistrement communique, au Ministre ou à son délégué et au juge de paix, dans les sept jours ouvrables de la réception d'une demande adressée à cette fin par lettre recommandée, tous les éléments utiles pour apprécier le montant du juste dédommagement.
§ 3. Les règles relatives au paiement du juste dédommagement sont fixées conjointement avec le montant de celui-ci.
Art. 8. § 1. Indien tijdens de opeising de eigenaar op een bepaald ogenblik zelf niet meer beschikt over een woning die hem kan dienen als hoofdverblijfplaats, kan hij per aangetekend schrijven aan de Minister of zijn gemachtigde vragen om een einde te maken aan de opeising, mits hij zijn bedoeling aantoont het goed persoonlijk en daadwerkelijk te bewonen.
Hetzelfde geldt indien de eigenaar het onroerend goed wenst te laten bewonen door zijn echtgenote of haar echtgenoot, hun afstammelingen, ascendenten of geadopteerde kinderen, of hun zijverwanten tot in de derde graad, op voorwaarde dat de bewoner niet zelf beschikt over een woning die hem kan dienen als hoofdverblijfplaats.
In deze veronderstellingen geeft de Minister of zijn gemachtigde het genot van de woning terug aan de eigenaar binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven voorzien in het eerste lid. Wanneer echter werken werden uitgevoerd of in uitvoering zijn die het onroerend goed geschikt maken voor opvang begint de termijn slechts te lopen ofwel op de dag dat de eigenaar heeft voldaan aan de terugbetaling van het eventuele saldo der gemaakte en niet gerecupereerde kosten die een meerwaarde meebrengen ofwel op de dag dat een schriftelijk akkoord wordt gesloten betreffende de modaliteiten en de voorwaarden van deze terugbetaling.
§ 2. De bewoning door de eigenaar of door een persoon bedoeld in § 1, tweede lid, moet effectief beginnen binnen de drie maanden volgend op de teruggave en minstens twee opeenvolgende jaren duren. De eigenaar stort aan de federale overheid een schadeloosstelling in geval van laattijdige of niet opeenvolgende bewoning. Deze schadeloosstelling staat in verhouding tot de billijke schadeloosstelling voorzien in artikel 5. Zij wordt berekend prorata temporis, per dag vertraging of per dag niet bewoning in verhouding met de minimale periode van twee jaar.
Hetzelfde geldt indien de eigenaar het onroerend goed wenst te laten bewonen door zijn echtgenote of haar echtgenoot, hun afstammelingen, ascendenten of geadopteerde kinderen, of hun zijverwanten tot in de derde graad, op voorwaarde dat de bewoner niet zelf beschikt over een woning die hem kan dienen als hoofdverblijfplaats.
In deze veronderstellingen geeft de Minister of zijn gemachtigde het genot van de woning terug aan de eigenaar binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van het aangetekend schrijven voorzien in het eerste lid. Wanneer echter werken werden uitgevoerd of in uitvoering zijn die het onroerend goed geschikt maken voor opvang begint de termijn slechts te lopen ofwel op de dag dat de eigenaar heeft voldaan aan de terugbetaling van het eventuele saldo der gemaakte en niet gerecupereerde kosten die een meerwaarde meebrengen ofwel op de dag dat een schriftelijk akkoord wordt gesloten betreffende de modaliteiten en de voorwaarden van deze terugbetaling.
§ 2. De bewoning door de eigenaar of door een persoon bedoeld in § 1, tweede lid, moet effectief beginnen binnen de drie maanden volgend op de teruggave en minstens twee opeenvolgende jaren duren. De eigenaar stort aan de federale overheid een schadeloosstelling in geval van laattijdige of niet opeenvolgende bewoning. Deze schadeloosstelling staat in verhouding tot de billijke schadeloosstelling voorzien in artikel 5. Zij wordt berekend prorata temporis, per dag vertraging of per dag niet bewoning in verhouding met de minimale periode van twee jaar.
Art. 8. § 1er. Si en cours de réquisition le propriétaire vient à ne plus disposer lui-même d'un logement pouvant lui servir de résidence principale, il peut à tout moment demander par lettre recommandée au Ministre ou son délégué de mettre fin anticipativement à la réquisition en justifiant de son intention d'occuper le bien personnellement et effectivement.
Il en va de même si le propriétaire souhaite faire occuper l'immeuble par son conjoint, leurs descendants, ascendants et enfants adoptifs, ainsi que leurs collatéraux jusqu'au troisième degré, à condition que l'occupant ne dispose plus lui-même d'un logement pouvant lui servir de résidence principale.
Dans ces hypothèses, le Ministre ou son délégué restitue les lieux au propriétaire dans un délai maximum de six mois qui prend cours à la réception par le Ministre ou son délégué de la lettre recommandée visée à l'alinéa 1. Toutefois, lorsque les travaux permettant de rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil ont été réalisés ou sont en cours de réalisation, ce délai prend cours le jour où le propriétaire s'est acquitté du remboursement du solde éventuel des frais exposés et non récupérés qui occasionnent une plus-value ou à la date d'un accord écrit fixant les modalités et les conditions de ce remboursement.
§ 2. L'occupation par le propriétaire ou par une personne visée au § 1er, l'alinéa 2, doit être effective dans les trois mois de la restitution et continue pendant au moins deux années. Le propriétaire verse à l'autorité fédérale une indemnité en cas de retard dans l'occupation ou de défaut de continuité de celle-ci. Cette indemnité est proportionnelle au juste dédommagement visé à l'article 5. Elle est calculée prorata temporis, par jour de retard ou par jour de défaut d'occupation par rapport à la période minimale de deux années.
Il en va de même si le propriétaire souhaite faire occuper l'immeuble par son conjoint, leurs descendants, ascendants et enfants adoptifs, ainsi que leurs collatéraux jusqu'au troisième degré, à condition que l'occupant ne dispose plus lui-même d'un logement pouvant lui servir de résidence principale.
Dans ces hypothèses, le Ministre ou son délégué restitue les lieux au propriétaire dans un délai maximum de six mois qui prend cours à la réception par le Ministre ou son délégué de la lettre recommandée visée à l'alinéa 1. Toutefois, lorsque les travaux permettant de rendre l'immeuble propre à l'usage d'accueil ont été réalisés ou sont en cours de réalisation, ce délai prend cours le jour où le propriétaire s'est acquitté du remboursement du solde éventuel des frais exposés et non récupérés qui occasionnent une plus-value ou à la date d'un accord écrit fixant les modalités et les conditions de ce remboursement.
§ 2. L'occupation par le propriétaire ou par une personne visée au § 1er, l'alinéa 2, doit être effective dans les trois mois de la restitution et continue pendant au moins deux années. Le propriétaire verse à l'autorité fédérale une indemnité en cas de retard dans l'occupation ou de défaut de continuité de celle-ci. Cette indemnité est proportionnelle au juste dédommagement visé à l'article 5. Elle est calculée prorata temporis, par jour de retard ou par jour de défaut d'occupation par rapport à la période minimale de deux années.
Art. 9. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie en onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 11 december 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting,
Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.
Gegeven te Brussel, 11 december 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting,
Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN.
Art. 9. Notre Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Economie sociale et Notre Ministre de la Justice sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 11 décembre 2001.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Economie sociale,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN.
Donné à Bruxelles, le 11 décembre 2001.
ALBERT
Par le Roi :
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Economie sociale,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN.