Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werklieden van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor het faïence- en het porseleinbedrijf, de sanitaire artikelen en de schuurprodukten en het ceramisch aardewerk.
Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt onder "werklieden" verstaan : de werklieden en de werksters.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 JUNI 1999. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 3 juni 1999, gesloten in het Paritair Subcomité voor het faïence- en het porseleinbedrijf, de sanitaire artikelen en de schuurprodukten en het ceramisch aardewerk, betreffende de vormings- en arbeidsvoorwaarden 1999-2000 (Overeenkomst geregistreerd op 19 juli 1999 onder het nummer 51432/COF/113.01).
Titre
3 JUIN 1999. - Convention collective de travail du 3 juin 1999, conclue au sein de la Sous-commission paritaire de l'industrie de la faïence et de la porcelaine, des articles sanitaires et des abrasifs et des poteries céramiques, relative aux conditions de formation et de travail 1999-2000 (Convention enregistrée le 19 juillet 1999 sous le numéro 51432/COF/113.01).
Informations sur le document
Numac: 2000A12270
Datum: 1999-06-03
Info du document
Numac: 2000A12270
Date: 1999-06-03
Table des matières
AFDELING I. - Wettelijk kader.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK II. - Risicogroepen Aanwending van de...
HOOFDSTUK III. - Loopbaanonderbreking.
HOOFDSTUK IV. - Brugpensioen.
AFDELING II. - Actualisering van de sectorale a...
HOOFDSTUK V. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK VI. - Indeling van de taken.
HOOFDSTUK VII. - Minimumlonen.
HOOFDSTUK VIII. - Koppeling van de lonen aan he...
HOOFDSTUK IX. - Premies voor arbeid in opeenvol...
HOOFDSTUK X. - Bijkomende vergoeding bij het du...
HOOFDSTUK XI. - Syndicale en/of vormingspremie.
HOOFDSTUK XII. - Arbeidsduur.
HOOFDSTUK XIII. - Tewerkstelling.
HOOFDSTUK XIV. - Terugbetaling van de vervoerko...
HOOFDSTUK XV. - Uitzendarbeid Precaire arbeidso...
HOOFDSTUK XVI. - Opzeggingstermijnen.
HOOFDSTUK XVII. - Geldigheid.
Table des matières
DIVISION I. - Cadre légal
CHAPITRE I. - Champ d'application.
CHAPITRE II. - Groupes à risque. Affectation de...
CHAPITRE III. - Interruption de carrière.
CHAPITRE IV. - Prépension.
DIVISION II. - Actualisation des conditions sec...
CHAPITRE V. - Champ d'application.
CHAPITRE VI. - Classification des tâches.
CHAPITRE VII. - Salaires minimums.
CHAPITRE VIII. - Liaison des salaires à l'indic...
CHAPITRE IX. - Prime pour travail en équipes su...
CHAPITRE X. - Complément au double pécule de va...
CHAPITRE XI. - Prime et/ou formation syndicale.
CHAPITRE XII. - Durée de travail.
CHAPITRE XIII. - Emploi.
CHAPITRE XIV. - Remboursement des frais de tran...
CHAPITRE XV. - Travail intérimaire Contrats pré...
CHAPITRE XVI. - Délais des préavis.
CHAPITRE XVII. - Validité.
Tekst (46)
Texte (46)
AFDELING I. - Wettelijk kader.
DIVISION I. - Cadre légal
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux ouvriers des entreprises ressortissant à la Sous-commission paritaire de l'industrie de la faïence et de la porcelaine, des articles sanitaires et des abrasifs et des poteries céramiques.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par "ouvriers" : les ouvriers et les ouvrières.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par "ouvriers" : les ouvriers et les ouvrières.
HOOFDSTUK II. - Risicogroepen Aanwending van de 0,10 pct. in 1999 en 0,10 pct. in 2000.
CHAPITRE II. - Groupes à risque. Affectation des 0,10 p.c. en 1999 et 0,10 p.c. en 2000.
Art. 2. De partijen komen overeen om in 1999 een percentage van 0,10 pct. van de loonsom aangegeven aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan te wenden ten behoeve van het "Fonds voor bestaanszekerheid van het ceramiekbedrijf".
Dit bedrag blijft vastgesteld op 0,10 pct. in 2000.
Dit bedrag blijft vastgesteld op 0,10 pct. in 2000.
Art. 2. Les parties conviennent d'affecter en 1999, 0,10 p.c. de la masse salariale déclarée à l'Office national de sécurité sociale au profit du "Fonds de sécurité d'existence de l'industrie céramique".
Ce montant reste fixé à 0,10 p.c. en 2000.
Ce montant reste fixé à 0,10 p.c. en 2000.
HOOFDSTUK III. - Loopbaanonderbreking.
CHAPITRE III. - Interruption de carrière.
Art. 3. Het recht op loopbaanonderbreking wordt aan ten minste 3 pct. van de werknemers in de onderneming toegekend volgens de inhoud van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 (Belgisch Staatsblad van 8 september 1998).
Dit recht moet echter in de praktijk gebracht worden in al zijn aanvaardings- en toepassingsmodaliteiten door een bedrijfscollectieve arbeidsovereenkomst.
Dit recht moet echter in de praktijk gebracht worden in al zijn aanvaardings- en toepassingsmodaliteiten door een bedrijfscollectieve arbeidsovereenkomst.
Art. 3. Le droit à l'interruption de carrière est accordé à 3 p.c. au moins des travailleurs de l'entreprise, suivant le contenu de l'arrêté royal du 10 août 1998 ( Moniteur belge du 8 septembre 1998).
Ce droit doit cependant être concrétisé dans toutes ses modalités d'acceptation et d'application par une convention collective de travail d'entreprise.
Ce droit doit cependant être concrétisé dans toutes ses modalités d'acceptation et d'application par une convention collective de travail d'entreprise.
HOOFDSTUK IV. - Brugpensioen.
CHAPITRE IV. - Prépension.
Art. 4. Op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 17 van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974 en van de inhoud van het koninklijk besluit van 7 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 11 december 1992), maakt het stelsel het voor een oudere werknemer (ten minste 60 jaar) mogelijk om een vervroegde uittreding te genieten.
Door deze overeenkomst wordt de leeftijd onder de 60 jaar teruggebracht tot 58 jaar door naleving van de wettelijke bepalingen terzake.
- de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben uiterlijk bij het verstrijken van de collectieve arbeidsovereenkomst;
- een beroepsloopbaan vervuld hebben van 25 jaar op het einde van de collectieve arbeidsovereenkomst.
Op deze regel zijn er uitzonderingen :
De leeftijd van 56 jaar wordt aan twee voorwaarden onderworpen :
de ontslagen werknemer moet de leeftijd van 56 jaar bereikt hebben tijdens de geldigheidsduur van deze overeenkomst en hij moet 33 jaar beroepsverleden hebben als loontrekkende en 20 jaar bewijzen in een stelsel van nachtarbeid.
Dit recht moet echter aanvaard en in de praktijk gebracht worden in al zijn toepassingsmodaliteiten door een bedrijfscollectieve arbeidsovereenkomst.
Door deze overeenkomst wordt de leeftijd onder de 60 jaar teruggebracht tot 58 jaar door naleving van de wettelijke bepalingen terzake.
- de leeftijd van 58 jaar bereikt hebben uiterlijk bij het verstrijken van de collectieve arbeidsovereenkomst;
- een beroepsloopbaan vervuld hebben van 25 jaar op het einde van de collectieve arbeidsovereenkomst.
Op deze regel zijn er uitzonderingen :
De leeftijd van 56 jaar wordt aan twee voorwaarden onderworpen :
de ontslagen werknemer moet de leeftijd van 56 jaar bereikt hebben tijdens de geldigheidsduur van deze overeenkomst en hij moet 33 jaar beroepsverleden hebben als loontrekkende en 20 jaar bewijzen in een stelsel van nachtarbeid.
Dit recht moet echter aanvaard en in de praktijk gebracht worden in al zijn toepassingsmodaliteiten door een bedrijfscollectieve arbeidsovereenkomst.
Art. 4. Sur base de la convention collective de travail n° 17 du Conseil national du travail du 19 décembre 1974 et du contenu de l'arrêté royal du 7 décembre 1992 (Moniteur belge du 11 décembre 1992), le régime permet à un travailleur âgé (60 ans au moins) de bénéficier d'un départ anticipé à la retraite.
Par cette convention, l'âge inférieur à 60 ans est ramené à 58 ans en respectant les dispositions légales en la matière.
- avoir atteint l'âge de 58 ans au plus tard au moment de la fin de la convention collective de travail;
- avoir accompli une carrière professionnelle de 25 ans à la fin de la convention collective de travail.
Cette règle comporte des exceptions.
L'âge de 56 ans est soumis à deux conditions :
le travailleur licencié doit avoir atteint l'âge de 56 ans au cours de la durée de validité de la présente convention et de pouvoir se prévaloir de 33 ans de passé professionnel en tant que salarié et prouver 20 ans dans un régime de travail de nuit.
Ce droit doit cependant être accepté et concrétisé dans toutes ses modalités d'application par une convention collective de travail d'entreprise.
Par cette convention, l'âge inférieur à 60 ans est ramené à 58 ans en respectant les dispositions légales en la matière.
- avoir atteint l'âge de 58 ans au plus tard au moment de la fin de la convention collective de travail;
- avoir accompli une carrière professionnelle de 25 ans à la fin de la convention collective de travail.
Cette règle comporte des exceptions.
L'âge de 56 ans est soumis à deux conditions :
le travailleur licencié doit avoir atteint l'âge de 56 ans au cours de la durée de validité de la présente convention et de pouvoir se prévaloir de 33 ans de passé professionnel en tant que salarié et prouver 20 ans dans un régime de travail de nuit.
Ce droit doit cependant être accepté et concrétisé dans toutes ses modalités d'application par une convention collective de travail d'entreprise.
AFDELING II. - Actualisering van de sectorale arbeidsvoorwaarden.
DIVISION II. - Actualisation des conditions sectorielles de travail
HOOFDSTUK V. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE V. - Champ d'application.
Art. 5. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werklieden van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Subcomité voor het faïence- en het porseleinbedrijf, de sanitaire artikelen en de schuurprodukten en het ceramisch aardewerk.
Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt onder * werklieden verstaan : de werklieden en de werksters.
Voor de toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt onder * werklieden verstaan : de werklieden en de werksters.
Art. 5. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux ouvriers des entreprises ressortissant à la Sous-commission paritaire de l'industrie de la faïence et de la porcelaine, des articles sanitaires et des abrasifs et des poteries céramiques.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par * ouvriers + : les ouvriers et les ouvrières.
Pour l'application de la présente convention collective de travail, on entend par * ouvriers + : les ouvriers et les ouvrières.
HOOFDSTUK VI. - Indeling van de taken.
CHAPITRE VI. - Classification des tâches.
Art. 6. De taken van de in de artikel 1 bedoelde werklieden worden gerangschikt in vijf categorieën voor het personeel tewerkgesteld in de fabricage en in verschillende diensten en in drie categorieën voor het geschoold onderhoudspersoneel.
Deze categorieën worden door de volgende algemene criteria bepaald :
A. Fabricage en verschillende diensten.
Categorie 1 :
leertijd van minder dan drie maanden - licht lichamelijk werk.
Categorie 2 :
a) leertijd van drie tot zes maanden - licht lichamelijk werk - of
b) leertijd van minder dan drie maanden - normaal lichamelijk werk.
Categorie 3 :
a) opleiding van minder dan drie maanden - zwaar lichamelijk werk - of
b) opleiding van drie tot zes maanden - normaal lichamelijk werk - of
c) opleiding van meer dan zes maanden - licht lichamelijk werk.
Categorie 4 :
a) opleiding van meer dan zes maanden - normaal lichamelijk werk - of
b) opleiding van drie tot zes maanden - zwaar lichamelijk werk.
Categorie 5 :
a) opleiding van meer dan zes maanden - zwaar lichamelijk werk - of
b) beroepsarbeid waarvoor de vereiste leertijd moet zijn volbracht.
B. Onderhoud
Categorie 1 :
Halfgeschoolde onderhoudswerkman.
Werkman met een praktische ervaring en met voldoende kennis om eenvoudige of gespecialiseerde taken uit te voeren.
Categorie 2 :
Geschoolde onderhoudswerkman.
Werkman met een algemene en technische vorming welke overeenstemt met het volledige leerplan van de dagvakscholen en door een beroepsopleiding in het bedrijf wordt aangevuld. Hij is houder van een einddiploma van technische beroepsopleiding A4, A3, B2 of heeft een beroepsbekwaamheid verworven welke met deze opleiding overeenkomt.
Categorie 3 :
Bijzonder geschoolde onderhoudswerkman.
Werkman die bekwaam is om zeer moeilijke taken, zeer gevarieerd en eventueel heel nieuwe opdrachten volgens plannen, schetsen of onderrichtingen alleen uit te voeren. De perfecte uitvoering van deze taken vereist een grondige beroepskennis welke ten minste overeenstemt met de technische beroepsopleiding van het niveau A3 of B2, aangevuld door een beroepservaring van verschillende jaren.
Deze categorieën worden door de volgende algemene criteria bepaald :
A. Fabricage en verschillende diensten.
Categorie 1 :
leertijd van minder dan drie maanden - licht lichamelijk werk.
Categorie 2 :
a) leertijd van drie tot zes maanden - licht lichamelijk werk - of
b) leertijd van minder dan drie maanden - normaal lichamelijk werk.
Categorie 3 :
a) opleiding van minder dan drie maanden - zwaar lichamelijk werk - of
b) opleiding van drie tot zes maanden - normaal lichamelijk werk - of
c) opleiding van meer dan zes maanden - licht lichamelijk werk.
Categorie 4 :
a) opleiding van meer dan zes maanden - normaal lichamelijk werk - of
b) opleiding van drie tot zes maanden - zwaar lichamelijk werk.
Categorie 5 :
a) opleiding van meer dan zes maanden - zwaar lichamelijk werk - of
b) beroepsarbeid waarvoor de vereiste leertijd moet zijn volbracht.
B. Onderhoud
Categorie 1 :
Halfgeschoolde onderhoudswerkman.
Werkman met een praktische ervaring en met voldoende kennis om eenvoudige of gespecialiseerde taken uit te voeren.
Categorie 2 :
Geschoolde onderhoudswerkman.
Werkman met een algemene en technische vorming welke overeenstemt met het volledige leerplan van de dagvakscholen en door een beroepsopleiding in het bedrijf wordt aangevuld. Hij is houder van een einddiploma van technische beroepsopleiding A4, A3, B2 of heeft een beroepsbekwaamheid verworven welke met deze opleiding overeenkomt.
Categorie 3 :
Bijzonder geschoolde onderhoudswerkman.
Werkman die bekwaam is om zeer moeilijke taken, zeer gevarieerd en eventueel heel nieuwe opdrachten volgens plannen, schetsen of onderrichtingen alleen uit te voeren. De perfecte uitvoering van deze taken vereist een grondige beroepskennis welke ten minste overeenstemt met de technische beroepsopleiding van het niveau A3 of B2, aangevuld door een beroepservaring van verschillende jaren.
Art. 6. Les tâches des ouvriers visés à l'article 1er sont rangées en cinq catégories pour le personnel de fabrication et des services divers et en trois catégories pour le personnel qualifié d'entretien.
Ces catégories sont définies par les critères généraux ci-après :
A. Fabrication et services divers.
Catégorie 1 :
apprentissage inférieur à trois mois - travail physique léger.
Catégorie 2 :
a) apprentissage de trois à six mois - travail physique léger ou
b) apprentissage inférieur à trois mois - travail physique moyen.
Catégorie 3 :
a) formation de moins de trois mois - travail physique lourd ou
b) formation de trois à six mois - travail physique moyen - ou
c) formation supérieure à six mois - travail physique léger.
Catégorie 4 :
a) formation supérieure à six mois - travail physique moyen - ou
b) formation de trois à six mois - travail physique lourd.
Catégorie 5 :
a) formation supérieure à six mois - travail physique lourd - ou
b) travaux de métier pour lesquels il faut avoir accompli la période requise d'apprentissage.
B. Entretien
Catégorie 1 :
Ouvrier semi-qualifié d'entretien.
Ouvrier possédant une certaine expérience pratique et des connaissances suffisantes pour l'exécution de travaux simples ou spécialisés.
Catégorie 2 :
Ouvrier qualifié d'entretien.
Ouvrier ayant une formation générale et technique correspondant au programme des écoles professionnelles de jour de plein exercice et complétée par un apprentissage à l'usine. Il est porteur d'un diplôme de fin d'études professionnelles techniques A4, A3, B2 ou a acquis un degré de formation comparable à celui que donnent les études précitées.
Catégorie 3 :
Ouvrier hautement qualifié d'entretien.
Ouvrier capable d'exécuter seul d'après plans, croquis ou instructions les travaux les plus difficiles, des tâches très variées et éventuellement toutes nouvelles. L'exécution parfaite de ces travaux exige une connaissance approfondie du métier correspondant au minimum aux études professionnelles techniques du niveau A3 ou B2, complétées par une pratique de plusieurs années.
Ces catégories sont définies par les critères généraux ci-après :
A. Fabrication et services divers.
Catégorie 1 :
apprentissage inférieur à trois mois - travail physique léger.
Catégorie 2 :
a) apprentissage de trois à six mois - travail physique léger ou
b) apprentissage inférieur à trois mois - travail physique moyen.
Catégorie 3 :
a) formation de moins de trois mois - travail physique lourd ou
b) formation de trois à six mois - travail physique moyen - ou
c) formation supérieure à six mois - travail physique léger.
Catégorie 4 :
a) formation supérieure à six mois - travail physique moyen - ou
b) formation de trois à six mois - travail physique lourd.
Catégorie 5 :
a) formation supérieure à six mois - travail physique lourd - ou
b) travaux de métier pour lesquels il faut avoir accompli la période requise d'apprentissage.
B. Entretien
Catégorie 1 :
Ouvrier semi-qualifié d'entretien.
Ouvrier possédant une certaine expérience pratique et des connaissances suffisantes pour l'exécution de travaux simples ou spécialisés.
Catégorie 2 :
Ouvrier qualifié d'entretien.
Ouvrier ayant une formation générale et technique correspondant au programme des écoles professionnelles de jour de plein exercice et complétée par un apprentissage à l'usine. Il est porteur d'un diplôme de fin d'études professionnelles techniques A4, A3, B2 ou a acquis un degré de formation comparable à celui que donnent les études précitées.
Catégorie 3 :
Ouvrier hautement qualifié d'entretien.
Ouvrier capable d'exécuter seul d'après plans, croquis ou instructions les travaux les plus difficiles, des tâches très variées et éventuellement toutes nouvelles. L'exécution parfaite de ces travaux exige une connaissance approfondie du métier correspondant au minimum aux études professionnelles techniques du niveau A3 ou B2, complétées par une pratique de plusieurs années.
HOOFDSTUK VII. - Minimumlonen.
CHAPITRE VII. - Salaires minimums.
Art. 7. Er werd beslist de minimumuurlonen te verhogen met 2 F op 1 juni 1999 en nog eens met 2 F op 1 januari 2000.
Daarbij worden de minimumuurlonen van de werklieden van 18 jaar en ouder vanaf 1 juni 1999 in een arbeidstijdregeling van achtendertig uur per week als volgt vastgesteld, tegen indexcijfer 103,63, spil van de stabilisatieschijf 101,59 tot 105,70.
Daarbij worden de minimumuurlonen van de werklieden van 18 jaar en ouder vanaf 1 juni 1999 in een arbeidstijdregeling van achtendertig uur per week als volgt vastgesteld, tegen indexcijfer 103,63, spil van de stabilisatieschijf 101,59 tot 105,70.
Art. 7. Il a été décidé d'augmenter les salaires horaires minima barémiques à concurrence de 2 F au 1er juin 1999 et à nouveau à concurrence de 2 F au 1er janvier 2000.
En conséquence, les salaires horaires minimums des ouvriers âgés de 18 ans et plus sont fixés comme suit, au 1er juin 1999, dans un régime de trente-huit heures par semaine, à l'indice 103,63 pivot de la tranche de stabilisation 101,59 à 105,70.
En conséquence, les salaires horaires minimums des ouvriers âgés de 18 ans et plus sont fixés comme suit, au 1er juin 1999, dans un régime de trente-huit heures par semaine, à l'indice 103,63 pivot de la tranche de stabilisation 101,59 à 105,70.
A. Fabricatie en verschillende diensten :
F
Categorie 1 : 282,49
Categorie 2 : 285,49
Categorie 3 : 288,03
Categorie 4 : 309,40
Categorie 5 : 318,26
B. Onderhoud :
Categorie 1 : 323,63
Categorie 2 : 342,68
Categorie 3 : 361,73
F
Categorie 1 : 282,49
Categorie 2 : 285,49
Categorie 3 : 288,03
Categorie 4 : 309,40
Categorie 5 : 318,26
B. Onderhoud :
Categorie 1 : 323,63
Categorie 2 : 342,68
Categorie 3 : 361,73
A. Fabrication et services divers :
F
Categorie 1 : 282,49
Categorie 2 : 285,49
Categorie 3 : 288,03
Categorie 4 : 309,40
Categorie 5 : 318,26
B. Entretien :
Categorie 1 : 323,63
Categorie 2 : 342,68
Categorie 3 : 361,73
F
Categorie 1 : 282,49
Categorie 2 : 285,49
Categorie 3 : 288,03
Categorie 4 : 309,40
Categorie 5 : 318,26
B. Entretien :
Categorie 1 : 323,63
Categorie 2 : 342,68
Categorie 3 : 361,73
Op het niveau van de ondernemingen van de sector moet het voormelde gemiddeld minimum maandinkomen worden bereikt dat is vastgesteld, zowel in de interprofessionele akkoorden als in de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad.
Il y a lieu, sur le plan des entreprises du secteur d'atteindre le revenu minimum mensuel moyen précité fixé à la fois par le contenu des accords interprofessionnels et des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du travail.
Art. 8. Voor de per stuk betaalde werklieden zijn in artikel 7 vastgestelde lonen de minima van de gemiddelde uurlonen berekend over een periode van één maand. Nochtans moeten de werklieden die verschillende taken uitoefenen in de loop van dezelfde maand, voor elk van de taken, minstens worden beloond tegen het minimumloon van elke overeenstemmende categorie, zonder enige vorm van compensatie.
Art. 8. Pour les ouvriers payés à la pièce, les salaires visés à l'article 7 constituent des minima de salaires horaires moyens calculés sur une période d'un mois. Toutefois, les ouvriers qui exécutent des tâches diverses au cours du même mois doivent être rémunérés, pour chacune des tâches, au moins au salaire minimum de la catégorie correspondant à chacune d'elles, sans aucune espèce de compensation.
HOOFDSTUK VIII. - Koppeling van de lonen aan het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen.
CHAPITRE VIII. - Liaison des salaires à l'indice santé des prix à la consommation.
Art. 9. De bij de artikelen 7 en 8 vastgestelde minimumuurlonen worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen, maandelijks, voor het Rijk, door het Ministerie van Economische Zaken vastgesteld en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Art. 9. Les salaires horaires minima visés aux articles 7 et 8 sont rattachés à l'indice santé des prix à la consommation établi mensuellement pour le Royaume, par le Ministère des Affaires économiques et publié au Moniteur belge.
Art. 10. De in de artikelen 7 en 8 bedoelde lonen stemmen op 1 juni 1999 overeen met het referentie-indexcijfer 103,63, spil van de stabilisatieschijf 101,59 tot 105,70.
Art. 10. Les salaires visés aux articles 7 et 8 correspondent au 1er juin 1999 à l'indice de référence 103,63, pivot de la tranche de stabilisation 101,59 à 105,70.
Art. 11. De in artikel 9 bedoelde lonen worden gestabiliseerd per schijven van het referentie-indexcijfer, zodanig dat de hoogste of laagste grens van elke stabilisatieschijf gelijk is aan het spilindexcijfer vermenigvuldigd met of gedeeld door de constante coëfficiënt 1,02.
Indien de derde decimaal van deze bewerking gelijk is of hoger dan vijf wordt de tweede decimaal van de grens tot een hogere eenheid afgerond.
Indien zij minder dan vijf bedraagt, wordt zij weggelaten.
Indien de derde decimaal van deze bewerking gelijk is of hoger dan vijf wordt de tweede decimaal van de grens tot een hogere eenheid afgerond.
Indien zij minder dan vijf bedraagt, wordt zij weggelaten.
Art. 11. Les salaires visés à l'article 9 sont stabilisés par tranches de l'indice de référence, de façon que la limite supérieure ou inférieure de chaque tranche de stabilisation soit égale à l'indice-pivot multiplié ou divisé par le coefficient constant 1,02.
Lorsque la troisième décimale de cette opération est égale ou supérieure à cinq, la deuxième décimale de la limite est arrondie à l'unité supérieure.
Lorsqu'elle est inférieure à cinq, elle est négligée.
Lorsque la troisième décimale de cette opération est égale ou supérieure à cinq, la deuxième décimale de la limite est arrondie à l'unité supérieure.
Lorsqu'elle est inférieure à cinq, elle est négligée.
Art. 12. Indien het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van de laatste vier maanden de grens van een stabilisatieschijf overschrijdt, wordt deze grens de spil van een nieuwe stabilisatieschijf waarvan de grenzen worden berekend zoals in artikel 9 is aangegeven.
Art. 12. Lorsque la moyenne arithmétique de l'indice des prix à la consommation des quatre derniers mois dépasse la limite d'une tranche de stabilisation, cette limite devient le pivot d'une nouvelle tranche de stabilisation dont les limites sont calculées comme indiqué à l'article 9.
Art. 13. Het overschrijden van de grens van een stabilisatieschijf brengt de aanpassing mede van de laatste minimumuurlonen. Deze aanpassing geschiedt bij stijging door ze te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 1,02; bij daling door ze te delen door de coëfficiënt 1,02.
Art. 13. Le dépassement de la limite d'une tranche de stabilisation entraîne l'adaptation des derniers salaires horaires minima. Cette adaptation se fait à la hausse en les multipliant par le coefficient 1,02; elle se fait à la baisse en les divisant par le coefficient 1,02.
Art. 14. De loonaanpassingen treden in werking de eerste dag van de maand welke volgt op deze waarvan het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van de laatste vier maanden de grens van de stabilisatieschijf overschrijdt.
Art. 14. Les adaptations de salaire s'appliquent le premier jour du mois qui suit celui dont la moyenne arithmétique de l'indice des prix à la consommation des quatre derniers mois dépasse la limite de la tranche de stabilisation.
Art. 15. Bij toepassing van de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 13, wordt de volgende tabel opgemaakt vanaf 1 juni 1999 :
Art. 15. Par application des dispositions des articles 9 à 13, le tableau suivant est établi à partir du 1er juin 1999 :
Stabilisatieschijven
Laagste grens Spil Hoogste grens
101,59 103,63 105,70
103,63 105,70 107,81
enz. enz. enz.
Laagste grens Spil Hoogste grens
101,59 103,63 105,70
103,63 105,70 107,81
enz. enz. enz.
Tranches de stabilisation
Limite inferieure Pivot Limite superieure
101,59 103,63 105,70
103,63 105,70 107,81
etc. etc. etc.
Limite inferieure Pivot Limite superieure
101,59 103,63 105,70
103,63 105,70 107,81
etc. etc. etc.
Art. 16. De lonen van de werklieden, die geheel of gedeeltelijk per stuk, met premies of per produktie worden betaald, worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
Hetzelfde geldt voor de uurlonen welke de minimumuurlonen werkelijk overschrijden.
Hetzelfde geldt voor de uurlonen welke de minimumuurlonen werkelijk overschrijden.
Art. 16. Les salaires des ouvriers rémunérés en tout ou en partie à la pièce, par prime ou au rendement sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions du présent chapitre.
Il en est de même pour les salaires horaires qui dépassent effectivement les salaires horaires minima.
Il en est de même pour les salaires horaires qui dépassent effectivement les salaires horaires minima.
HOOFDSTUK IX. - Premies voor arbeid in opeenvolgende ploegen.
CHAPITRE IX. - Prime pour travail en équipes successives.
Art. 17. Het totaal van de premies welke worden toegekend voor werk met twee ploegen bereikt, ten minste 26 F per uur.
Voor werk met drie ploegen bereikt dit totaal ten minste 67,53 F per uur.
Deze premies worden vrij verdeeld over ploegen volgens op het vlak van de ondernemingen vast te stellen regels.
De uitdrukking "opeenvolgende" houdt niet in dat het gaat om ploegen met beurtwisseling.
De premies worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
Voor werk met drie ploegen bereikt dit totaal ten minste 67,53 F per uur.
Deze premies worden vrij verdeeld over ploegen volgens op het vlak van de ondernemingen vast te stellen regels.
De uitdrukking "opeenvolgende" houdt niet in dat het gaat om ploegen met beurtwisseling.
De premies worden gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
Art. 17. Le total des primes accordées pour le travail en deux équipes atteint, au minimum, 26 F par heure.
Pour le travail en trois équipes il atteint au minimum 67,53 F par heure.
Ces primes sont librement réparties sur les équipes suivant des modalités à déterminer au niveau des entreprises.
L'expression "successives" n'implique pas que les équipes soient tournantes.
Les primes sont liées à l'indice santé des prix à la consommation conformément aux dispositions du chapitre VIII de la présente convention collective de travail.
Pour le travail en trois équipes il atteint au minimum 67,53 F par heure.
Ces primes sont librement réparties sur les équipes suivant des modalités à déterminer au niveau des entreprises.
L'expression "successives" n'implique pas que les équipes soient tournantes.
Les primes sont liées à l'indice santé des prix à la consommation conformément aux dispositions du chapitre VIII de la présente convention collective de travail.
HOOFDSTUK X. - Bijkomende vergoeding bij het dubbel vakantiegeld.
CHAPITRE X. - Complément au double pécule de vacances.
Art. 18. Aan de werklieden wordt een bijkomende vergoeding bij het dubbel vakantiegeld toegekend.
Het bedrag van deze bijkomende vergoeding wordt als volgt berekend op basis van hun individueel uurloon van oktober 1999 en in functie van hun anciënniteit :
voor een anciënniteit van minder dan één jaar: 10 maal hun uurloon per maand arbeidsprestaties;
één jaar : 85 maal hun uurloon;
twee jaar : 95 maal hun uurloon;
drie jaar : 105 maal hun uurloon;
vier jaar : 115 maal hun uurloon;
vijf jaar en meer : 130 maal hun uurloon.
De toekenningsvoorwaarden, de referteperiode en de betalingsdatum worden bepaald, in het vlak van de onderneming, in gemeen overleg met de vertegenwoordigers van de werklieden.
Boeten voor ongewettigde afwezigheden kunnen worden voorzien voor zover de vermindering welke eruit voortvloeit de helft van de bijkomende vergoeding bij het dubbel vakantiegeld van de betrokken werkman niet overschrijdt.
De bepalingen van dit artikel mogen geen afbreuk doen aan de reeds, op het vlak van de ondernemingen, gesloten gunstiger overeenkomsten.
Het bedrag van deze bijkomende vergoeding wordt als volgt berekend op basis van hun individueel uurloon van oktober 1999 en in functie van hun anciënniteit :
voor een anciënniteit van minder dan één jaar: 10 maal hun uurloon per maand arbeidsprestaties;
één jaar : 85 maal hun uurloon;
twee jaar : 95 maal hun uurloon;
drie jaar : 105 maal hun uurloon;
vier jaar : 115 maal hun uurloon;
vijf jaar en meer : 130 maal hun uurloon.
De toekenningsvoorwaarden, de referteperiode en de betalingsdatum worden bepaald, in het vlak van de onderneming, in gemeen overleg met de vertegenwoordigers van de werklieden.
Boeten voor ongewettigde afwezigheden kunnen worden voorzien voor zover de vermindering welke eruit voortvloeit de helft van de bijkomende vergoeding bij het dubbel vakantiegeld van de betrokken werkman niet overschrijdt.
De bepalingen van dit artikel mogen geen afbreuk doen aan de reeds, op het vlak van de ondernemingen, gesloten gunstiger overeenkomsten.
Art. 18. Il est accordé aux ouvriers un complément au double pécule de vacances.
Le montant de ce complément est calculé comme suit sur la base de leur salaire horaire individuel d'octobre 1999, en fonction de leur ancienneté :
pour une ancienneté de moins d'un an : 10 fois leur salaire horaire par mois de prestation de travail;
un an : 85 fois leur salaire horaire;
deux ans : 95 fois leur salaire horaire;
trois ans : 105 fois leur salaire horaire;
quatre ans : 115 fois leur salaire horaire;
cinq ans et plus : 130 fois leur salaire horaire.
Les conditions d'octroi, la période de référence et la date de paiement sont fixées, sur le plan de l'entreprise, en accord avec les représentants des ouvriers.
Des pénalités pour absences injustifiées peuvent être prévues pour autant que la réduction qui en résulte ne dépasse pas la moitié du montant du complément au double pécule de vacances de l'ouvrier concerné.
Les dispositions du présent article ne peuvent porter préjudice aux accords plus favorables déjà conclus sur le plan des entreprises.
Le montant de ce complément est calculé comme suit sur la base de leur salaire horaire individuel d'octobre 1999, en fonction de leur ancienneté :
pour une ancienneté de moins d'un an : 10 fois leur salaire horaire par mois de prestation de travail;
un an : 85 fois leur salaire horaire;
deux ans : 95 fois leur salaire horaire;
trois ans : 105 fois leur salaire horaire;
quatre ans : 115 fois leur salaire horaire;
cinq ans et plus : 130 fois leur salaire horaire.
Les conditions d'octroi, la période de référence et la date de paiement sont fixées, sur le plan de l'entreprise, en accord avec les représentants des ouvriers.
Des pénalités pour absences injustifiées peuvent être prévues pour autant que la réduction qui en résulte ne dépasse pas la moitié du montant du complément au double pécule de vacances de l'ouvrier concerné.
Les dispositions du présent article ne peuvent porter préjudice aux accords plus favorables déjà conclus sur le plan des entreprises.
HOOFDSTUK XI. - Syndicale en/of vormingspremie.
CHAPITRE XI. - Prime et/ou formation syndicale.
Art. 19. Aan de werklieden, leden van één van de representatieve werknemersorganisaties, wordt een premie toegekend.
Het bedrag van deze premie wordt op 3.750 F gebracht voor het jaar 1999 en op 4.000 F voor het jaar 2000, erin begrepen het bedrag van de premie voor syndicale vorming uitbetaald voor de betrokken jaren.
Het bedrag van deze premie wordt, voor het jaar 1999, vastgesteld op 312,50 F per maand dienst in de onderneming en lidmaatschap bij de representatieve werknemersorganisatie.
Dit bedrag wordt op 333,33 F gebracht voor het jaar 2000.
De betalingsmodaliteiten van deze premie worden vastgesteld in het vlak van elke onderneming in gemeen overleg met de vertegenwoordigers van de werklieden.
Aan alle werklieden van de verschillende ondernemingen die ressorteren onder dit paritair subcomité wordt automatisch een arbeidsattest afgegeven.
- De werkman stuurt het hem betekende attest terug naar zijn representatieve werknemersorganisatie, ondertekenaar van deze overeenkomst.
- De representatieve organisatie van de werknemer licht de betrokken werkgever in over het bedrag dat naargelang het aantal betrokken werklieden moet worden betaald.
- De werkgever stort de te betalen bedragen aan de representatieve werknemersorganisaties.
Wanneer de partijen dit akkoord niet bereiken, kunnen zij om de tussenkomst verzoeken van het Verzoeningsbureau van het Paritair Comité voor het ceramiekbedrijf.
De betaling van deze premie geschiedt uiterlijk op 28 februari van het jaar dat volgt op het refertejaar.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de ondernemingen welke het probleem van de syndicale premie reeds hebben opgelost volgens andere modaliteiten, welke voordeliger zijn voor de begunstigden.
Het bedrag van deze premie wordt op 3.750 F gebracht voor het jaar 1999 en op 4.000 F voor het jaar 2000, erin begrepen het bedrag van de premie voor syndicale vorming uitbetaald voor de betrokken jaren.
Het bedrag van deze premie wordt, voor het jaar 1999, vastgesteld op 312,50 F per maand dienst in de onderneming en lidmaatschap bij de representatieve werknemersorganisatie.
Dit bedrag wordt op 333,33 F gebracht voor het jaar 2000.
De betalingsmodaliteiten van deze premie worden vastgesteld in het vlak van elke onderneming in gemeen overleg met de vertegenwoordigers van de werklieden.
Aan alle werklieden van de verschillende ondernemingen die ressorteren onder dit paritair subcomité wordt automatisch een arbeidsattest afgegeven.
- De werkman stuurt het hem betekende attest terug naar zijn representatieve werknemersorganisatie, ondertekenaar van deze overeenkomst.
- De representatieve organisatie van de werknemer licht de betrokken werkgever in over het bedrag dat naargelang het aantal betrokken werklieden moet worden betaald.
- De werkgever stort de te betalen bedragen aan de representatieve werknemersorganisaties.
Wanneer de partijen dit akkoord niet bereiken, kunnen zij om de tussenkomst verzoeken van het Verzoeningsbureau van het Paritair Comité voor het ceramiekbedrijf.
De betaling van deze premie geschiedt uiterlijk op 28 februari van het jaar dat volgt op het refertejaar.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de ondernemingen welke het probleem van de syndicale premie reeds hebben opgelost volgens andere modaliteiten, welke voordeliger zijn voor de begunstigden.
Art. 19. Une prime est octroyée aux ouvriers, membres d'une des organisations représentatives de travailleurs.
Le montant de cette prime est fixé à 3.750 F pour l'année 1999 et à 4.000 F pour l'année 2000, en ce y compris le montant de la prime de formation syndicale payée pour ces années concernées.
Le montant de cette prime est fixé, pour l'année 1999 à 312,50 F par mois de service dans l'entreprise et d'affiliation à l'organisation représentative de travailleurs.
Ce montant est porté à 333,33 F pour l'année 2000.
Les modalités de paiement de cette prime sont déterminés de commun accord avec les représentants des ouvriers sur le plan de chaque entreprise.
Une attestation de travail est remise d'office à tous les ouvriers des diverses entreprises relevant du champ d'application de la présente sous-commission paritaire.
- L'ouvrier renvoie l'attestation lui signifiée à son organisation représentative de travailleurs signataire de la présente convention;
- L'organisation représentative du travailleur informe l'employeur concerné du montant à payer en fonction du nombre d'ouvriers concernés.
- L'employeur fait parvenir aux organisations représentatives des travailleurs les montants à payer.
Si les parties ne réalisent pas cet accord, elles peuvent avoir recours à l'intervention du Bureau de conciliation de la Commission paritaire de l'industrie céramique.
Le paiement de cette prime est effectué au plus tard le 28 février de l'année suivant celle de référence.
Ces dispositions ne sont pas applicables aux entreprises qui ont déjà réglé le problème de la prime syndicale suivant d'autres modalités, plus avantageuses pour les bénéficiaires.
Le montant de cette prime est fixé à 3.750 F pour l'année 1999 et à 4.000 F pour l'année 2000, en ce y compris le montant de la prime de formation syndicale payée pour ces années concernées.
Le montant de cette prime est fixé, pour l'année 1999 à 312,50 F par mois de service dans l'entreprise et d'affiliation à l'organisation représentative de travailleurs.
Ce montant est porté à 333,33 F pour l'année 2000.
Les modalités de paiement de cette prime sont déterminés de commun accord avec les représentants des ouvriers sur le plan de chaque entreprise.
Une attestation de travail est remise d'office à tous les ouvriers des diverses entreprises relevant du champ d'application de la présente sous-commission paritaire.
- L'ouvrier renvoie l'attestation lui signifiée à son organisation représentative de travailleurs signataire de la présente convention;
- L'organisation représentative du travailleur informe l'employeur concerné du montant à payer en fonction du nombre d'ouvriers concernés.
- L'employeur fait parvenir aux organisations représentatives des travailleurs les montants à payer.
Si les parties ne réalisent pas cet accord, elles peuvent avoir recours à l'intervention du Bureau de conciliation de la Commission paritaire de l'industrie céramique.
Le paiement de cette prime est effectué au plus tard le 28 février de l'année suivant celle de référence.
Ces dispositions ne sont pas applicables aux entreprises qui ont déjà réglé le problème de la prime syndicale suivant d'autres modalités, plus avantageuses pour les bénéficiaires.
HOOFDSTUK XII. - Arbeidsduur.
CHAPITRE XII. - Durée de travail.
Art. 20. Vanaf 1 januari 1988 is de wekelijkse arbeidsduur vastgesteld op 38 uren met loonaanpassing (de uurlonen en -premies zijn vermenigvuldigd met de coëfficiënt 1,01316).
Art. 20. Depuis le 1er janvier 1988, la durée hebdomadaire du travail est fixée à 38 heures avec péréquation salariale (les salaires et primes horaires ont été multipliés par le coefficient 1,01316).
HOOFDSTUK XIII. - Tewerkstelling.
CHAPITRE XIII. - Emploi.
Art. 21. De partijen verbinden zich ertoe om alles in het werk te stellen om afdankingen tegen te gaan, en dit door gebruik te maken van alle nieuwe beschikkingen van de federale en regionale overheden.
Art. 21. Les parties s'engagent à tout mettre en oeuvre pour éviter tout licenciement notamment en recourant aux nouvelles dispositions prévues par le pouvoir fédéral et les pouvoirs régionaux.
HOOFDSTUK XIV. - Terugbetaling van de vervoerkosten.
CHAPITRE XIV. - Remboursement des frais de transport.
Art. 22. De werklieden die gebruik maken van een gemeenschappelijke vervoerdienst tussen hun verblijfplaats en hun werkplaats hebben recht, ten laste van de werkgever, op een terugbetaling van de gedragen kosten overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 19quinquies gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 22 december 1992, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 19ter van 5 maart 1991, tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 19 van 26 maart 1975 betreffende de financiële bijdrage van de werkgever in de prijs van het vervoer van de werknemers, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 11 februari 1993, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1993 en het koninklijk besluit van 18 maart 1993 houdende vaststelling van het bedrag van de werkgeversbijdrage in het verlies geleden door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ingevolge de uitgifte van abonnementen voor werklieden en bedienden (Belgisch Staatsblad van 24 maart 1993) (actualisering met de collectieve arbeidsovereenkomst nr 19 quinquies gesloten op 22 december 1992).
Art. 22. Les ouvriers qui font usage d'un service de transport en commun entre leur domicile et le lieu de travail, ont droit, à charge de l'employeur, à un remboursement des frais occasionnés, conformément aux dispositions de la convention collective de travail n° 19quinquies, conclue le 22 décembre 1992 au sein du Conseil national du travail, modifiant la convention collective de travail n° 19ter du 5 mars 1991 rempla}ant la convention collective de travail n° 19 du 26 mars 1975 concernant l'intervention financière de l'employeur dans le prix des transports des travailleurs, rendue obligatoire par arrêté royal du 11 février 1993, publié au Moniteur belge du 19 mars 1993 et l'arrêté royal du 18 mars 1993 portant fixation du montant de l'intervention des employeurs dans la perte subie par la Société nationale des Chemins de fer belges par l'émission d'abonnement pour ouvriers et employés (Moniteur belge du 24 mars 1993) (actualisation avec la convention collective de travail n° 19 quinquies conclue le 22 décembre 1992).
Art. 23. De werklieden die woonachtig zijn op 5 kilometer en meer van de werkplaats en die gebruik maken van andere dan de in artikel 22 bedoelde vervoermiddelen, hebben eveneens recht, ten laste van de werkgever, op een terugbetaling van de gedragen kosten ten belope van de werkgeverstussenkomst in de prijs van de treinkaart geldend als sociaal abonnement voor de afgelegde afstand. Voor de berekening van deze afstand wordt het aantal kilometers in aanmerking genomen dat door een gemeenschappelijke vervoerdienst over die afstand, heen en terug, wordt afgelegd, en zo er geen is, het aantal kilometers langs de baan, heen en terug, berekend van de werkplaats tot het stad- of gemeentehuis van de woonplaats.
Art. 23. Les ouvriers domiciliés à 5 kilomètres et plus du lieu de travail et qui font usage de moyens de transport autres que ceux visés à l'article 22, ont également droit, à charge de l'employeur, à un remboursement des frais occasionnés à concurrence de l'intervention de l'employeur dans le prix de la carte train assimilée à l'abonnement joint pour la distance parcourue. Entre en ligne de compte pour le calcul de cette distance, le nombre de kilomètres parcourus, aller et retour, par un service de transport en commun et à défaut, le nombre de kilomètres par la route, aller et retour calculé à partir du lieu de travail jusqu'à l'hôtel de ville ou la maison communale du domicile.
Art. 24. De terugbetaling heeft minstens maandelijks plaats.
Art. 24. Le remboursement s'effectue au moins mensuellement.
HOOFDSTUK XV. - Uitzendarbeid Precaire arbeidsovereenkomsten - Beperking van de overuren.
CHAPITRE XV. - Travail intérimaire Contrats précaires - Limitation des heures supplémentaires.
Art. 25. a) Uitzendarbeid.
De uitzendwerknemer zal globaal dezelfde loon- en arbeidsvoorwaarden als het ingeschreven personeel genieten.
Uitzendarbeid zal worden verricht in overleg met de vakbondsafvaardigingen met inachtneming van de wetten en overeenkomsten.
Elke uitzendwerknemer heeft het recht zich te laten bijstaan door de vakbondsafvaardigingen van de onderneming.
Ingeval de duur van de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid één jaar bereikt of overschrijdt, zal de directie van de onderneming de vakbondsafvaardiging ontmoeten om hierover te discussiëren.
b) Beperking van de overuren.
Verbintenis om alles in het werk te stellen om zo veel mogelijk de niet gerecupereerde overuren verricht op eenzelfde arbeidsplaats te beperken, in overleg met de vakbondsafvaardiging.
De uitzendwerknemer zal globaal dezelfde loon- en arbeidsvoorwaarden als het ingeschreven personeel genieten.
Uitzendarbeid zal worden verricht in overleg met de vakbondsafvaardigingen met inachtneming van de wetten en overeenkomsten.
Elke uitzendwerknemer heeft het recht zich te laten bijstaan door de vakbondsafvaardigingen van de onderneming.
Ingeval de duur van de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid één jaar bereikt of overschrijdt, zal de directie van de onderneming de vakbondsafvaardiging ontmoeten om hierover te discussiëren.
b) Beperking van de overuren.
Verbintenis om alles in het werk te stellen om zo veel mogelijk de niet gerecupereerde overuren verricht op eenzelfde arbeidsplaats te beperken, in overleg met de vakbondsafvaardiging.
Art. 25. a) Travail intérimaire.
Le travailleur intérimaire bénéficiera de conditions de travail et de rémunérations équivalentes globalement à celles du personnel inscrit.
Le recours au travail intérimaire se fera en concertation avec les délégations syndicales dans le respect des lois et conventions.
Tout travailleur intérimaire a le droit de se faire assister par les délégations syndicales de l'entreprise.
Dans le cas où des contrats d'intérim atteignent ou dépassent une durée d'un an, la direction de l'établissement rencontrera la délégation syndicale pour en discuter.
b) Limitation des heures supplémentaires.
Engagement de tout mettre en oeuvre pour limiter au maximum les heures supplémentaires non récupérées sur un même poste de travail, en concertation avec la délégation syndicale.
Le travailleur intérimaire bénéficiera de conditions de travail et de rémunérations équivalentes globalement à celles du personnel inscrit.
Le recours au travail intérimaire se fera en concertation avec les délégations syndicales dans le respect des lois et conventions.
Tout travailleur intérimaire a le droit de se faire assister par les délégations syndicales de l'entreprise.
Dans le cas où des contrats d'intérim atteignent ou dépassent une durée d'un an, la direction de l'établissement rencontrera la délégation syndicale pour en discuter.
b) Limitation des heures supplémentaires.
Engagement de tout mettre en oeuvre pour limiter au maximum les heures supplémentaires non récupérées sur un même poste de travail, en concertation avec la délégation syndicale.
HOOFDSTUK XVI. - Opzeggingstermijnen.
CHAPITRE XVI. - Délais des préavis.
Art. 26. Bij afwijking van de bepalingen van artikel 59 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden de opzeggingstermijn vastgesteld op :
- 4 weken ( 28 dagen ) voor de werknemer die minder dan 10 jaar dienst in de sector hebben;
- 7 weken ( 49 dagen ) voor de werknemers die tussen 10 jaar en 20 jaar dienst in de sector hebben;
- 10 weken ( 70 dagen ) voor de werknemers die 20 jaar of meer dienst in de sector hebben.
- 4 weken ( 28 dagen ) voor de werknemer die minder dan 10 jaar dienst in de sector hebben;
- 7 weken ( 49 dagen ) voor de werknemers die tussen 10 jaar en 20 jaar dienst in de sector hebben;
- 10 weken ( 70 dagen ) voor de werknemers die 20 jaar of meer dienst in de sector hebben.
Art. 26. Par dérogation aux dispositions de l'article 59 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le délai des préavis est fixé à :
- 4 semaines ( 28 jours ) pour les ouvriers ayant moins de 10 années d'ancienneté dans le secteur;
- 7 semaines ( 49 jours ) pour les ouvriers ayant entre 10 années et 20 années d'ancienneté dans le secteur;
- 10 semaines ( 70 jours ) pour les ouvriers ayant une ancienneté supérieure ou égale à 20 ans dans le secteur.
- 4 semaines ( 28 jours ) pour les ouvriers ayant moins de 10 années d'ancienneté dans le secteur;
- 7 semaines ( 49 jours ) pour les ouvriers ayant entre 10 années et 20 années d'ancienneté dans le secteur;
- 10 semaines ( 70 jours ) pour les ouvriers ayant une ancienneté supérieure ou égale à 20 ans dans le secteur.
HOOFDSTUK XVII. - Geldigheid.
CHAPITRE XVII. - Validité.
Art. 27. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2000.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 26 april 2000.
(Voor het KB, zie %%2000-04-26/48%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 26 april 2000.
(Voor het KB, zie %%2000-04-26/48%%)
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX.
Art. 27. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 1999 et cesse d'être en vigueur le 31 décembre 2000.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 26 avril 2000.
(Pour l'AR, voir %%2000-04-26/48%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 26 avril 2000.
(Pour l'AR, voir %%2000-04-26/48%%)
La Ministre de l'Emploi,
Mme L. ONKELINX.