Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
27 OKTOBER 2000. - Koninklijk besluit waarbij de datum van inwerkingtreding van artikel 134 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen wordt vastgesteld en waarbij voor het jaar 2000 de bijkomende heffing op de omzet van sommige farmaceutische producten nader wordt geregeld.
Titre
27 OCTOBRE 2000. - Arrêté royal fixant la date d'entrée en vigueur de l'article 134 de la loi du 22 février 1998 portant des dispositions sociales et fixant pour l'année 2000 les modalités relatives à la cotisation complémentaire sur le chiffre d'affaires de certains produits pharmaceutiques.
Informations sur le document
Numac: 2000022799
Datum: 2000-10-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000022799
Date: 2000-10-27
Moniteur: Voir
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. Artikel 134 van de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen treedt in werking op 10 januari 2000.
Article 1. L'article 134 de la loi du 22 février 1998 portant des dispositions sociales entre en vigueur le 10 janvier 2000.
Art. 2. De farmaceutische firma's die een omzet hebben verwezenlijkt tijdens het jaar 1999 op de Belgische markt van de geneesmiddelen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, ingeschreven op de lijsten die als bijlage gevoegd zijn bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische specialiteiten en daarmee gelijkgestelde produkten, en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek of een geneesmiddelendepot aan ter verpleging opgenomen rechthebbenden of aan niet ter verpleging opgenomen rechthebbenden, moeten hiervan aangifte doen.
  De aangegeven omzet betreft zowel publieksverpakkingen, verpakkingen specifiek bestemd voor het ziekenhuis en verpakkingen waarvan de primaire verpakking bestaat uit standaarddosisverpakkingen en wordt berekend op basis van de prijs buiten-bedrijf of buiten-invoerder.
Art. 2. Les firmes pharmaceutiques qui ont réalisé en 1999 un chiffre d'affaires sur le marché belge des médicaments, visés à l'article 34, alinéa 1er, 5°, b) et c), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, inscrits dans les listes qui sont annexées à l'arrêté royal du 2 septembre 1980 fixant les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité intervient dans le coût des spécialités pharmaceutiques et produits assimilés, et délivrés par une officine hospitalière ou un dépôt de médicaments à des bénéficiaires hospitalisés ou à des bénéficiaires non-hospitalisés, doivent le déclarer.
  Le chiffre d'affaires déclaré concerne aussi bien les conditionnements publics que les conditionnements spécifiquement destinés à l'hôpital et les conditionnements dont le conditionnement primaire consiste en des conditionnements de dose unitaire et doit être calculé au niveau ex-usine ou ex-importateur.
Art. 3. De voornoemde aangiften dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en bij een ter post aangetekende brief te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging (Beheerseenheid voor de farmaceutische verstrekkingen) van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, Tervurenlaan 211, 1150 Brussel, vóór 15 november 2000.
Art. 3. Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes et doivent être introduites, par pli recommandé à la poste, au Service des soins de santé (Unité de gestion des prestations pharmaceutiques) de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, avenue de Tervuren 211, 1150 Bruxelles, avant le 15 novembre 2000.
Art. 4. Overeenkomstig artikel 191, eerste lid,15°bis, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, storten de voornoemde firma's een heffing die gelijk is aan 2 % van de met toepassing van artikel 2 aangegeven omzet.
Art. 4. Conformément à l'article 191, alinéa 1er, 15°bis, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les firmes susvisées versent une cotisation égale à 2 % du chiffre d'affaires déclaré en application de l'article 2.
Art. 5. De bovengenoemde heffing dient vóór 15 december 2000 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort te worden, met de vermelding : " bijkomende heffing omzet 1999 ".
Art. 5. La cotisation susvisée doit être versée avant le 15 décembre 2000 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention : " cotisation complémentaire chiffre d'affaires 1999 ".
Art. 6. De voornoemde Dienst wordt belast met de inning van de bovengenoemde heffing, evenals, wat die heffing betreft, met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit.
Art. 6. Le Service susvisé est chargé de la perception de la cotisation susvisée, et, en ce qui concerne cette cotisation, du contrôle du respect des dispositions du présent arrêté.
Art. 7. De schuldenaar die de voornoemde heffing niet vóór 15 december 2000 stort, is een opslag ten belope van 10 % van die heffing verschuldigd, alsmede een op die heffing berekende verwijlinterest die gelijk is aan de wettelijke rentevoet.
  De Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan aan de in het eerste lid bedoelde schuldenaar vrijstelling of vermindering van de opslag van de vergoeding of van de verwijlintrest toestaan op voorwaarde dat :
  1° alle vroegere betalingen door de betrokken schuldenaar zijn verricht binnen de vastgestelde termijn;
  2° de aangiften bedoeld in artikel 3 binnen de vastgestelde termijn zijn meegedeeld op een wijze die het mogelijk maakt dat de verschuldigde bedragen worden gecontroleerd;
  3° de schuldenaar deugdelijk kan verantwoorden dat het hem onmogelijk is geweest de verschuldigde som binnen de vastgestelde termijn te storten.
  De door de Algemene Raad toegekende vrijstelling kan slechts volledig zijn indien de schuldenaar :
  - ofwel het bewijs van een geval van overmacht levert, dit wil zeggen van een gebeurtenis die hem volledig vreemd en onafhankelijk van zijn wil is, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk is en die het hem volstrekt onmogelijk heeft gemaakt zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die aan het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, het hebben voorbereid of het hebben vergezeld;
  - ofwel bewijst dat hij op het ogenblik dat de storting eisbaar was, een vaste en eisbare schuldvordering bezat die hem niet toeliet zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen en hij de Algemene Raad daarover heeft geïnformeerd;
  - ofwel behoorlijk aangetoonde dwingende redenen kan aanvoeren.
  In alle andere uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de schuldenaar het bewijs kan leveren, kan de Algemene Raad een vermindering met de helft van de verschuldigde opslag en/of van de verwijlintrest toestaan.
  De verwijlinterest tegen de wettelijke rentevoet wordt toegepast op het bedrag dat niet binnen de vastgestelde termijn is betaald en wordt berekend naar rata van het aantal dagen dat is verstreken tussen de datum waarop de betaling had moeten verricht worden en de dag waarop ze effectief is uitgevoerd.
Art. 7. Le débiteur qui ne verse pas la cotisation susvisée avant le 15 décembre 2000, est redevable d'une majoration égale à 10 % de cette cotisation, ainsi que d'un intérêt de retard sur ladite cotisation, calculé au taux d'intérêt légal.
  Le Conseil général de l'assurance soins de santé peut accorder au débiteur visé à l'alinéa 1er l'exonération ou la réduction de la majoration de la redevance ou de l'intérêt de retard à condition que :
  1° tous les paiements effectués antérieurement par le débiteur concerné l'aient été dans le délai fixé;
  2° les déclarations visées à l'article 3 aient été communiquées dans le délai fixé et de manière à permettre le contrôle des montants dus;
  3° le débiteur puisse dûment justifier qu'il lui a été impossible de verser la somme due dans le délai fixé.
  L'exonération accordée par le Conseil général ne peut être totale que si le débiteur :
  - soit justifie de l'existence d'un cas de force majeure, c'est-à-dire d'un événement qui lui est totalement étranger et indépendant de sa volonté, raisonnablement imprévisible et humainement insurmontable, qui l'a placé dans l'impossibilité absolue d'exécuter son obligation dans les délais prévus; il faut en outre que le débiteur ne puisse se reprocher aucune faute dans les événements qui ont précédé, préparé ou accompagné la survenance de cette cause étrangère;
  - soit prouve qu'au moment de l'exigibilité du versement, il possédait une créance certaine et exigible qui ne lui permettait pas d'exécuter son obligation dans le délai prévu et que le Conseil général en ait été informé;
  - soit peut invoquer des raisons impérieuses dûment prouvées.
  Dans les autres cas de circonstances exceptionnelles dont le débiteur peut apporter la preuve, le Conseil général peut accorder une réduction de moitié de la majoration de la redevance et/ou de l'intérêt de retard.
  L'intérêt de retard selon le taux d'intérêt légal s'applique sur le montant non payé dans le délai prévu et est calculé au prorata du nombre de jours écoulés entre la date où le paiement aurait dû être effectué et le jour où il l'a été effectivement.
Art. 8. Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 27 oktober 2000.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Sociale Zaken,
  F. VANDENBROUCKE.
Art. 8. Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 27 octobre 2000.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre des Affaires sociales,
  F. VANDENBROUCKE.