Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
a) het koninklijk besluit : het koninklijk besluit van 15 mei 1995 betreffende het in de handel brengen van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt, van siergewassen, van groentegewassen en van teeltmateriaal van deze gewassen met uitzondering van groentezaad;
b) het Ministerie : het Ministerie van Middenstand en Landbouw, Bestuur van de kwaliteit van de grondstoffen en van de plantaardige sector (DG4), Bestuur aangewezen als verantwoordelijke officiële instantie;
c) de Minister : de Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;
d) de Dienst : één van de diensten ressorterend onder de Inspectie-generaal Planten en Plantaardige Producten (IG42) van voormeld Bestuur DG4;
e) referentielaboratoria : de laboratoria die afhangen van de Wetenschappelijke Instellingen bij het Bestuur voor Onderzoek en Ontwikkeling (DG6) van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, vermeld in bijlage II van dit besluit;
f) erkend laboratorium : elk op basis van hoofdstuk III van dit besluit erkend laboratorium;
g) schadelijke organismen : zijn organismen vermeld in bijlage I van dit besluit;
h) EG-kwaliteit : de categorie van teeltmateriaal en plantgoed van groentengewassen, met uitzondering van zaad, die voldoet aan de minimumeisen opgesteld op basis van de in dit besluit behandelde schema's en voorschriften.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 FEBRUARI 2000. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de schema's met de voorwaarden waaraan teeltmateriaal en plantgoed van groenten, met uitzondering van zaad, moeten voldoen, van de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het toezicht op en de controle van leveranciers van deze materialen, van hun bedrijven en van de laboratoria, en van de erkenning van de laboratoria. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-05-2000 en tekstbijwerking tot 22-04-2025)
Titre
19 FEVRIER 2000. - Arrêté ministériel établissant les fiches indiquant les conditions auxquelles les plants de légumes et les matériels de multiplication de légumes autres que les semences doivent satisfaire, instituant les mesures d'application relatives à la surveillance et au contrôle des fournisseurs desdits matériels, de leurs établissements et des laboratoires, et agréant les laboratoires. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-05-2000 et mise à jour au 22-04-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (33)
Texte (32)
HOOFDSTUK I. - Definities en schema's met de voorwaarden waaraan teeltmateriaal en plantgoed van groenten met uitzondering van zaad moeten voldoen.
CHAPITRE I. - Définitions et fiches indiquant les conditions auxquelles les plants de légumes et les matériels de multiplication de légumes autres que les semences doivent satisfaire.
Definities.
Définitions.
Article 1. Aux fins du présent arrêté, on entend par :
a) l'arrêté royal : l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes;
b) le Ministère : le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal (DG4), Administration désignée en qualité d'organisme officiel responsable;
c) le Ministre : le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions;
d) le Service : l'un des services dépendant de l'Inspection Générale des Végétaux et Produits Végétaux (IG42) de l'Administration DG4 susmentionnée;
e) laboratoires de référence : les laboratoires dépendant des Etablissements scientifiques de l'Administration de la Recherche et du Développement (DG6) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, repris à l'annexe II du présent arrêté;
f) laboratoire agréé : tout laboratoire agréé sur base du chapitre III du présent arrêté;
g) organismes nuisibles : les organismes mentionnés dans l'annexe I du présent arrêté;
h) qualité CE : la catégorie de matériels de multiplication et des plants de légumes, à l'exception de semences, qui satisfait aux exigences minimales établies sur base des fiches et prescriptions traitées dans le présent arrêté;
a) l'arrêté royal : l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes;
b) le Ministère : le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal (DG4), Administration désignée en qualité d'organisme officiel responsable;
c) le Ministre : le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions;
d) le Service : l'un des services dépendant de l'Inspection Générale des Végétaux et Produits Végétaux (IG42) de l'Administration DG4 susmentionnée;
e) laboratoires de référence : les laboratoires dépendant des Etablissements scientifiques de l'Administration de la Recherche et du Développement (DG6) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, repris à l'annexe II du présent arrêté;
f) laboratoire agréé : tout laboratoire agréé sur base du chapitre III du présent arrêté;
g) organismes nuisibles : les organismes mentionnés dans l'annexe I du présent arrêté;
h) qualité CE : la catégorie de matériels de multiplication et des plants de légumes, à l'exception de semences, qui satisfait aux exigences minimales établies sur base des fiches et prescriptions traitées dans le présent arrêté;
Artikel 1. (VLAAMSE OVERHEID)
In dit besluit wordt verstaan onder :
a) het koninklijk besluit : het koninklijk besluit van 15 mei 1995 betreffende het in de handel brengen van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt, van siergewassen, van groentegewassen en van teeltmateriaal van deze gewassen met uitzondering van groentezaad;
b) (de bevoegde entiteit : [1 het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij]1);
c) de Minister : de Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;
d) (...);
e) (referentielaboratoria : de laboratoria die door het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek aangewezen worden);
f) erkend laboratorium : elk op basis van hoofdstuk III van dit besluit erkend laboratorium;
g) schadelijke organismen : zijn organismen vermeld in bijlage I van dit besluit;
h) EG-kwaliteit : de categorie van teeltmateriaal en plantgoed van groentengewassen, met uitzondering van zaad, die voldoet aan de minimumeisen opgesteld op basis van de in dit besluit behandelde schema's en voorschriften.
In dit besluit wordt verstaan onder :
a) het koninklijk besluit : het koninklijk besluit van 15 mei 1995 betreffende het in de handel brengen van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt, van siergewassen, van groentegewassen en van teeltmateriaal van deze gewassen met uitzondering van groentezaad;
b) (de bevoegde entiteit : [1 het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij]1);
c) de Minister : de Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;
d) (...);
e) (referentielaboratoria : de laboratoria die door het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek aangewezen worden);
f) erkend laboratorium : elk op basis van hoofdstuk III van dit besluit erkend laboratorium;
g) schadelijke organismen : zijn organismen vermeld in bijlage I van dit besluit;
h) EG-kwaliteit : de categorie van teeltmateriaal en plantgoed van groentengewassen, met uitzondering van zaad, die voldoet aan de minimumeisen opgesteld op basis van de in dit besluit behandelde schema's en voorschriften.
Modifications
Article 1. (AUTORITE FLAMANDE)
Aux fins du présent arrêté, on entend par :
a) l'arrêté royal : l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes;
b) (l'entité compétente : [1 le Département Agriculture et Pêche du Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche]1);
c) le Ministre : le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions;
d) (...)
e) (laboratoires de référence : les laboratoires désignés par l'Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (Institut de Recherche pour l'Agriculture et la Pêche);)
f) laboratoire agréé : tout laboratoire agréé sur base du chapitre III du présent arrêté;
g) organismes nuisibles : les organismes mentionnés dans l'annexe I du présent arrêté;
h) qualité CE : la catégorie de matériels de multiplication et des plants de légumes, à l'exception de semences, qui satisfait aux exigences minimales établies sur base des fiches et prescriptions traitées dans le présent arrêté;
Aux fins du présent arrêté, on entend par :
a) l'arrêté royal : l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes;
b) (l'entité compétente : [1 le Département Agriculture et Pêche du Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche]1);
c) le Ministre : le Ministre qui a l'agriculture dans ses attributions;
d) (...)
e) (laboratoires de référence : les laboratoires désignés par l'Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (Institut de Recherche pour l'Agriculture et la Pêche);)
f) laboratoire agréé : tout laboratoire agréé sur base du chapitre III du présent arrêté;
g) organismes nuisibles : les organismes mentionnés dans l'annexe I du présent arrêté;
h) qualité CE : la catégorie de matériels de multiplication et des plants de légumes, à l'exception de semences, qui satisfait aux exigences minimales établies sur base des fiches et prescriptions traitées dans le présent arrêté;
Modifications
Art. 1/1. [1 Het hoofd van het Departement Landbouw en Visserij van het Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij kan de aangelegenheden die conform dit besluit onder de bevoegdheid van het voormelde departement vallen, subdelegeren aan personeelsleden van het voormelde departement die onder zijn hiërarchisch gezag staan, tot op het meest functionele niveau.]1
Art. 1/1. [1 Le chef du Département Agriculture et Pêche du Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche peut sous-déléguer les matières qui, conformément au présent arrêté, relèvent de la compétence du département précité, aux membres du personnel du département précité relevant de son autorité hiérarchique, jusqu'au niveau le plus fonctionnel. ]1
Modifications
Art. 2. § 1. In dit hoofdstuk worden de in artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit bedoelde schema's vastgesteld, met inbegrip van de in artikel 11, § 3 van dat besluit bedoelde voorschriften inzake etikettering en/of plombering en verpakking. Deze schema's zijn in bijlage I van dit besluit voorgesteld.
§ 2. De schema's hebben betrekking op het staand gewas en teeltmateriaal van groentegewassen (onderstammen inbegrepen) alsmede op daarvan afgeleid plantgoed van alle in bijlage III bij het voornoemd koninklijk besluit van 15 mei 1995 vermelde geslachten en soorten en op de in artikel 4 van dat besluit bedoelde onderstammen van andere geslachten en soorten, ongeacht het toegepaste vermeerderingssysteem, hierna " het materiaal van EG-kwaliteit " of " het materiaal " genoemd.
§ 2. De schema's hebben betrekking op het staand gewas en teeltmateriaal van groentegewassen (onderstammen inbegrepen) alsmede op daarvan afgeleid plantgoed van alle in bijlage III bij het voornoemd koninklijk besluit van 15 mei 1995 vermelde geslachten en soorten en op de in artikel 4 van dat besluit bedoelde onderstammen van andere geslachten en soorten, ongeacht het toegepaste vermeerderingssysteem, hierna " het materiaal van EG-kwaliteit " of " het materiaal " genoemd.
Art. 2. § 1. Le présent chapitre établit les fiches prévues à l'article 4, § 3 de l'arrêté royal, y compris les prescriptions concernant l'étiquetage et/ou la fermeture et l'emballage prévues à l'article 11, § 3 dudit arrêté. Les fiches dont question ci-dessus sont présentées en annexe I du présent arrêté.
§ 2. Les fiches concernent la culture sur pied et le matériel de multiplication des légumes (y compris les porte-greffes) ainsi que les plants dérivés, de tous les genres et espèces visés à l'annexe III de l'arrêté royal du 15 mai 1995, précité, et des porte-greffes d'autres genres et espèces visés à l'article 4 dudit arrêté, quelque soit le mode de multiplication utilisé, appelés ci-après " les matériels de qualité CE " ou " les matériels ".
§ 2. Les fiches concernent la culture sur pied et le matériel de multiplication des légumes (y compris les porte-greffes) ainsi que les plants dérivés, de tous les genres et espèces visés à l'annexe III de l'arrêté royal du 15 mai 1995, précité, et des porte-greffes d'autres genres et espèces visés à l'article 4 dudit arrêté, quelque soit le mode de multiplication utilisé, appelés ci-après " les matériels de qualité CE " ou " les matériels ".
Art. 3. Het materiaal moet in voorkomend geval voldoen aan de relevante fytosanitaire eisen vastgesteld bij het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen.
Art. 3. Les matériels doivent, le cas échéant, satisfaire aux conditions phytosanitaires pertinentes fixées par l'arrêté royal du 3 mai 1994 concernant la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux.
Art. 4. [1 Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen moeten, althans bij visuele inspectie, op de productieplaats nagenoeg vrij zijn bevonden van alle in de bijlage vermelde plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed.
De aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen op teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen die in de handel worden gebracht, mag, althans bij visuele inspectie, de in de bijlage vastgestelde respectieve drempelwaarden niet overschrijden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen moeten bij visuele inspectie nagenoeg vrij zijn bevonden van andere plaagorganismen dan de in de bijlage vermelde plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed, die de bruikbaarheid en de kwaliteit van dat teeltmateriaal en dat plantgoed van groentegewassen schaden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen moeten tevens voldoen aan de eisen betreffende EU-quarantaineorganismen, plaagorganismen met quarantainestatus voor een beschermd gebied en gereguleerde niet-quarantaineorganismen die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad en de krachtens die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen, en aan de krachtens artikel 30, § 1, van die verordening vastgestelde maatregelen.]1
De aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen op teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen die in de handel worden gebracht, mag, althans bij visuele inspectie, de in de bijlage vastgestelde respectieve drempelwaarden niet overschrijden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen moeten bij visuele inspectie nagenoeg vrij zijn bevonden van andere plaagorganismen dan de in de bijlage vermelde plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed, die de bruikbaarheid en de kwaliteit van dat teeltmateriaal en dat plantgoed van groentegewassen schaden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen moeten tevens voldoen aan de eisen betreffende EU-quarantaineorganismen, plaagorganismen met quarantainestatus voor een beschermd gebied en gereguleerde niet-quarantaineorganismen die zijn opgenomen in Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad en de krachtens die verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen, en aan de krachtens artikel 30, § 1, van die verordening vastgestelde maatregelen.]1
Modifications
Art. 4. [1 Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, au moins sur la base d'une inspection visuelle, pratiquement exempts sur le lieu de production de tous les organismes nuisibles énumérés en annexe pour les matériels de multiplication et les plants correspondants.
La présence d'organismes réglementés non de quarantaine (ORNQ) sur les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes qui sont commercialisés ne dépasse pas, au moins sur la base d'une inspection visuelle, les seuils respectifs fixés en annexe.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, lors de l'inspection visuelle, pratiquement exempts de tout organisme nuisible, autre que les organismes nuisibles énumérés en annexe pour les matériels de multiplication et les plants correspondants, qui réduit la valeur d'utilisation et la qualité des matériels de multiplication de légumes et des plants de légumes.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes satisfont également aux prescriptions concernant les organismes de quarantaine de l'Union, les organismes de quarantaine de zone protégée et les ORNQ prévues dans le règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE et dans les actes d'exécution adoptés en application de ce règlement, y compris aux mesures adoptées en application de l'article 30, paragraphe 1, dudit règlement.]1
La présence d'organismes réglementés non de quarantaine (ORNQ) sur les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes qui sont commercialisés ne dépasse pas, au moins sur la base d'une inspection visuelle, les seuils respectifs fixés en annexe.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, lors de l'inspection visuelle, pratiquement exempts de tout organisme nuisible, autre que les organismes nuisibles énumérés en annexe pour les matériels de multiplication et les plants correspondants, qui réduit la valeur d'utilisation et la qualité des matériels de multiplication de légumes et des plants de légumes.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes satisfont également aux prescriptions concernant les organismes de quarantaine de l'Union, les organismes de quarantaine de zone protégée et les ORNQ prévues dans le règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE et dans les actes d'exécution adoptés en application de ce règlement, y compris aux mesures adoptées en application de l'article 30, paragraphe 1, dudit règlement.]1
Modifications
Art. 4_VLAAMS_GEWEST. [1 Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen zijn, althans bij visuele inspectie, op de productieplaats nagenoeg vrij van alle plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed die opgenomen zijn in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
De aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen op teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen die in de handel worden gebracht, overschrijdt, althans bij visuele inspectie, de respectievelijke drempelwaarden die zijn opgenomen in de bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, niet.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen zijn bij visuele inspectie nagenoeg vrij van andere plaagorganismen dan de plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed die opgenomen zijn in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, en die de bruikbaarheid en de kwaliteit van dat teeltmateriaal en dat plantgoed van groentegewassen schaden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen voldoet naast de eisen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, aan de volgende eisen:
1° de eisen voor EU-quarantaineorganismen, plaagorganismen met quarantainestatus voor een beschermd gebied en gereguleerde niet-quarantaineorganismen, vermeld in verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad en de uitvoeringshandelingen die krachtens die verordening zijn vastgesteld;
2° de eisen, vermeld in de maatregelen die krachtens artikel 30, lid 1, van de voormelde verordening zijn vastgesteld.]1
De aanwezigheid van gereguleerde niet-quarantaineorganismen op teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen die in de handel worden gebracht, overschrijdt, althans bij visuele inspectie, de respectievelijke drempelwaarden die zijn opgenomen in de bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, niet.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen zijn bij visuele inspectie nagenoeg vrij van andere plaagorganismen dan de plaagorganismen met betrekking tot het respectieve teeltmateriaal en plantgoed die opgenomen zijn in bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd, en die de bruikbaarheid en de kwaliteit van dat teeltmateriaal en dat plantgoed van groentegewassen schaden.
Het teeltmateriaal en het plantgoed van groentegewassen voldoet naast de eisen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, aan de volgende eisen:
1° de eisen voor EU-quarantaineorganismen, plaagorganismen met quarantainestatus voor een beschermd gebied en gereguleerde niet-quarantaineorganismen, vermeld in verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad en de uitvoeringshandelingen die krachtens die verordening zijn vastgesteld;
2° de eisen, vermeld in de maatregelen die krachtens artikel 30, lid 1, van de voormelde verordening zijn vastgesteld.]1
Modifications
Art.4_REGION_FLAMANDE.
[1 Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, au moins sur la base d'une inspection visuelle, pratiquement exempts sur le lieu de production de tous les organismes nuisibles énumérés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté pour les matériels de multiplication et les plants correspondants.
La présence d'organismes réglementés non de quarantaine (ORNQ) sur les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes qui sont commercialisés ne dépasse pas, au moins sur la base d'une inspection visuelle, les seuils respectifs fixés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, lors de l'inspection visuelle, pratiquement exempts de tout organisme nuisible, autre que les organismes nuisibles énumérés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté pour les matériels de multiplication et les plants correspondants, qui réduit la valeur d'utilisation et la qualité des matériels de multiplication de légumes et des plants de légumes.
Outre les prescriptions visées aux alinéas 1er à 3, les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes satisfont également aux prescriptions suivantes :
1° les prescriptions concernant les organismes de quarantaine de l'Union, les organismes de quarantaine de zone protégée et les organismes réglementés non de quarantaine (les `ORNQ') visées dans le règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE et dans les actes d'exécution adoptés en application de ce règlement ;
2° les prescriptions mentionnées dans les mesures adoptées en application de l'article 30, paragraphe 1er, du règlement précité.]1
[1 Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, au moins sur la base d'une inspection visuelle, pratiquement exempts sur le lieu de production de tous les organismes nuisibles énumérés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté pour les matériels de multiplication et les plants correspondants.
La présence d'organismes réglementés non de quarantaine (ORNQ) sur les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes qui sont commercialisés ne dépasse pas, au moins sur la base d'une inspection visuelle, les seuils respectifs fixés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté.
Les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes se révèlent, lors de l'inspection visuelle, pratiquement exempts de tout organisme nuisible, autre que les organismes nuisibles énumérés à l'annexe 1ère jointe au présent arrêté pour les matériels de multiplication et les plants correspondants, qui réduit la valeur d'utilisation et la qualité des matériels de multiplication de légumes et des plants de légumes.
Outre les prescriptions visées aux alinéas 1er à 3, les matériels de multiplication de légumes et les plants de légumes satisfont également aux prescriptions suivantes :
1° les prescriptions concernant les organismes de quarantaine de l'Union, les organismes de quarantaine de zone protégée et les organismes réglementés non de quarantaine (les `ORNQ') visées dans le règlement (UE) 2016/2031 du Parlement européen et du Conseil du 26 octobre 2016 relatif aux mesures de protection contre les organismes nuisibles aux végétaux, modifiant les règlements du Parlement européen et du Conseil (UE) n° 228/2013, (UE) n° 652/2014 et (UE) n° 1143/2014 et abrogeant les directives du Conseil 69/464/CEE, 74/647/CEE, 93/85/CEE, 98/57/CE, 2000/29/CE, 2006/91/CE et 2007/33/CE et dans les actes d'exécution adoptés en application de ce règlement ;
2° les prescriptions mentionnées dans les mesures adoptées en application de l'article 30, paragraphe 1er, du règlement précité.]1
Modifications
Art. 5. Het materiaal moet geïdentificeerd zijn en voldoende zuiver zijn wat geslacht of soort betreft en tevens voldoende rasecht en raszuiver zijn.
Art. 5. Les matériels doivent avoir l'identité appropriée et présenter un degré de pureté adéquat quant au genre ou à l'espèce et présenter une identité et une pureté variétales suffisantes.
Art. 6. § 1. Het materiaal moet vrij zijn van alle mogelijke gebreken die de kwaliteit van het teeltmateriaal of plantgoed verminderen.
§ 2. Het materiaal moet de nodige groeikracht hebben en voldoende groot zijn om als teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen te kunnen worden gebruikt. Wortels, stammen en bladeren moeten bovendien de geëigende afmetingen en verhoudingen hebben.
§ 2. Het materiaal moet de nodige groeikracht hebben en voldoende groot zijn om als teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen te kunnen worden gebruikt. Wortels, stammen en bladeren moeten bovendien de geëigende afmetingen en verhoudingen hebben.
Art. 6. § 1. Les matériels doivent être effectivement indemnes de tous défauts susceptibles de réduire leur qualité de matériels de multiplication ou de plants.
§ 2. Les matériels doivent présenter la vigueur et les dimensions requises pour servir de plants ou de matériels de reproduction de légumes. En outre, leurs racines, tiges et feuilles doivent être convenablement proportionnées.
§ 2. Les matériels doivent présenter la vigueur et les dimensions requises pour servir de plants ou de matériels de reproduction de légumes. En outre, leurs racines, tiges et feuilles doivent être convenablement proportionnées.
Art. 7. § 1. Het in artikel 11, § 2 van het koninklijk besluit bedoelde document van de leverancier dat het materiaal dient te vergezellen moet vervaardigd zijn van een daartoe geschikt materiaal dat nog niet eerder is gebruikt en in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap zijn gedrukt. Het dient de volgende gegevens te bevatten :
1° de vermelding " EG-kwaliteit ";
2° de aanduiding van de code van België : (BE);
3° de vermelding " Ministerie van Landbouw, Bestuur voor de Kwaliteit van de Grondstoffen en de Plantaardige Sector " of de code van dit bestuur : (DG 4);
4° het inschrijvings- of erkenningsnummer;
5° de naam van de leverancier;
6° het individueel volgnummer, weeknummer of serienummer;
7° de datum waarop het document van de leverancier is afgegeven;
8° het referentienummer van de partij zaaizaad wanneer het plantgoed rechtstreeks is gekweekt uit zaad dat overeenkomstig het besluit van 10 september 1981 in de handel is gebracht; dit referentienummer moet aan de verantwoordelijke of officiële instantie worden verstrekt wanneer die daarom verzoekt;
9° de gebruikelijke of de botanische benaming wanneer het materiaal van een in het besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen bedoeld plantenpaspoort vergezeld gaat;
10° de benaming van het ras. In het geval van onderstammen : benaming of aanduiding van het ras;
11° de hoeveelheid;
12° bij de invoer uit een derde land op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit de naam van het land waar het materiaal werd geoogst.
§ 2. Wanneer het materiaal is vergezeld van een plantenpaspoort overeenkomstig het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1994 kan het plantenpaspoort als het in § 1 van dit artikel bedoelde document van de leverancier gelden, mits daarop de vermelding " EG-kwaliteit " en de naam of de code van het Bestuur voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector zijn aangebracht alsmede de benaming van het ras, de onderstam of de plantengroep. Deze gegevens mogen op het plantenpaspoort zelf vermeld worden maar dienen duidelijk van de overige tekst gescheiden te worden.
1° de vermelding " EG-kwaliteit ";
2° de aanduiding van de code van België : (BE);
3° de vermelding " Ministerie van Landbouw, Bestuur voor de Kwaliteit van de Grondstoffen en de Plantaardige Sector " of de code van dit bestuur : (DG 4);
4° het inschrijvings- of erkenningsnummer;
5° de naam van de leverancier;
6° het individueel volgnummer, weeknummer of serienummer;
7° de datum waarop het document van de leverancier is afgegeven;
8° het referentienummer van de partij zaaizaad wanneer het plantgoed rechtstreeks is gekweekt uit zaad dat overeenkomstig het besluit van 10 september 1981 in de handel is gebracht; dit referentienummer moet aan de verantwoordelijke of officiële instantie worden verstrekt wanneer die daarom verzoekt;
9° de gebruikelijke of de botanische benaming wanneer het materiaal van een in het besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen bedoeld plantenpaspoort vergezeld gaat;
10° de benaming van het ras. In het geval van onderstammen : benaming of aanduiding van het ras;
11° de hoeveelheid;
12° bij de invoer uit een derde land op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit de naam van het land waar het materiaal werd geoogst.
§ 2. Wanneer het materiaal is vergezeld van een plantenpaspoort overeenkomstig het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1994 kan het plantenpaspoort als het in § 1 van dit artikel bedoelde document van de leverancier gelden, mits daarop de vermelding " EG-kwaliteit " en de naam of de code van het Bestuur voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector zijn aangebracht alsmede de benaming van het ras, de onderstam of de plantengroep. Deze gegevens mogen op het plantenpaspoort zelf vermeld worden maar dienen duidelijk van de overige tekst gescheiden te worden.
Art. 7. § 1. Le document du fournisseur visé par l'article 11, § 2 de l'arrêté royal qui doit accompagner les matériels doit être d'un matériau approprié non réutilisé et être imprimé dans au moins une des langues officielles de la Communauté. Il doit comporter les rubriques suivantes :
1° la mention " qualité CE ";
2° l'indication du code de la Belgique :(BE);
3° la mention " Ministère de l'Agriculture, Administration de la Qualité des Matières Premières et du Secteur Végétal " ou le code de cette administration (DG 4);
4° le numéro d'enregistrement ou d'homologation;
5° le nom du fournisseur;
6° le numéro individuel de série, de semaine ou de lot;
7° la date de délivrance du document du fournisseur;
8° le numéro de référence du lot de semences lorsqu'il s'agit de jeunes plants produits directement à partir de semences commercialisées conformément à l'arrêté du 10 septembre 1981; ce numéro de référence doit être fourni, sur demande, à l'organisme officiel responsable.
9° le nom commun, ou le nom botanique si le matériel est accompagné d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté du 3 mai 1994 concernant la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;
10° la dénomination de la variété; lorsqu'il s'agit d'un porte-greffe, la dénomination de la variété ou sa désignation;
11° la quantité;
12° dans le cas d'importations en provenance de pays tiers conformément à l'article 16 de l'arrêté royal, le nom du pays de récolte.
§ 2. Dans le cas où les matériels sont accompagnés d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté royal du 3 mai 1994 précité celui-ci peut constituer le document du fournisseur visé au § 1 du présent article. Néanmoins la mention " qualité CE " et une mention ou un code concernant l'Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal doivent être indiquées ainsi qu'une référence à la dénomination de la variété, du porte-greffe ou du groupe des végétaux. Ces informations peuvent figurer sur le passeport phytosanitaire proprement dit mais séparément.
1° la mention " qualité CE ";
2° l'indication du code de la Belgique :(BE);
3° la mention " Ministère de l'Agriculture, Administration de la Qualité des Matières Premières et du Secteur Végétal " ou le code de cette administration (DG 4);
4° le numéro d'enregistrement ou d'homologation;
5° le nom du fournisseur;
6° le numéro individuel de série, de semaine ou de lot;
7° la date de délivrance du document du fournisseur;
8° le numéro de référence du lot de semences lorsqu'il s'agit de jeunes plants produits directement à partir de semences commercialisées conformément à l'arrêté du 10 septembre 1981; ce numéro de référence doit être fourni, sur demande, à l'organisme officiel responsable.
9° le nom commun, ou le nom botanique si le matériel est accompagné d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté du 3 mai 1994 concernant la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;
10° la dénomination de la variété; lorsqu'il s'agit d'un porte-greffe, la dénomination de la variété ou sa désignation;
11° la quantité;
12° dans le cas d'importations en provenance de pays tiers conformément à l'article 16 de l'arrêté royal, le nom du pays de récolte.
§ 2. Dans le cas où les matériels sont accompagnés d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté royal du 3 mai 1994 précité celui-ci peut constituer le document du fournisseur visé au § 1 du présent article. Néanmoins la mention " qualité CE " et une mention ou un code concernant l'Administration de la qualité des matières premières et du secteur végétal doivent être indiquées ainsi qu'une référence à la dénomination de la variété, du porte-greffe ou du groupe des végétaux. Ces informations peuvent figurer sur le passeport phytosanitaire proprement dit mais séparément.
Art. 7. (VLAAMSE OVERHEID)
§ 1. Het in artikel 11, § 2 van het koninklijk besluit bedoelde document van de leverancier dat het materiaal dient te vergezellen moet vervaardigd zijn van een daartoe geschikt materiaal dat nog niet eerder is gebruikt en in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap zijn gedrukt. Het dient de volgende gegevens te bevatten :
1° de vermelding " EG-kwaliteit ";
2° de aanduiding van de code van België : (BE);
3° (de vermelding " het Agentschap voor Landbouw en Visserij (ALV));
4° het inschrijvings- of erkenningsnummer;
5° de naam van de leverancier;
6° het individueel volgnummer, weeknummer of serienummer;
7° de datum waarop het document van de leverancier is afgegeven;
8° het referentienummer van de partij zaaizaad wanneer het plantgoed rechtstreeks is gekweekt uit zaad dat overeenkomstig het besluit van 10 september 1981 in de handel is gebracht; dit referentienummer moet aan de verantwoordelijke of officiële instantie worden verstrekt wanneer die daarom verzoekt;
9° de gebruikelijke of de botanische benaming wanneer het materiaal van een in het besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen bedoeld plantenpaspoort vergezeld gaat;
10° de benaming van het ras. In het geval van onderstammen : benaming of aanduiding van het ras;
11° de hoeveelheid;
12° bij de invoer uit een derde land op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit de naam van het land waar het materiaal werd geoogst.
§ 2. Wanneer het materiaal is vergezeld van een plantenpaspoort overeenkomstig het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1994 kan het plantenpaspoort als het in § 1 van dit artikel bedoelde document van de leverancier gelden, mits daarop de vermelding " EG-kwaliteit " en (het Agentschap voor Landbouw en Visserij) zijn aangebracht alsmede de benaming van het ras, de onderstam of de plantengroep. Deze gegevens mogen op het plantenpaspoort zelf vermeld worden maar dienen duidelijk van de overige tekst gescheiden te worden.
§ 1. Het in artikel 11, § 2 van het koninklijk besluit bedoelde document van de leverancier dat het materiaal dient te vergezellen moet vervaardigd zijn van een daartoe geschikt materiaal dat nog niet eerder is gebruikt en in ten minste één van de officiële talen van de Gemeenschap zijn gedrukt. Het dient de volgende gegevens te bevatten :
1° de vermelding " EG-kwaliteit ";
2° de aanduiding van de code van België : (BE);
3° (de vermelding " het Agentschap voor Landbouw en Visserij (ALV));
4° het inschrijvings- of erkenningsnummer;
5° de naam van de leverancier;
6° het individueel volgnummer, weeknummer of serienummer;
7° de datum waarop het document van de leverancier is afgegeven;
8° het referentienummer van de partij zaaizaad wanneer het plantgoed rechtstreeks is gekweekt uit zaad dat overeenkomstig het besluit van 10 september 1981 in de handel is gebracht; dit referentienummer moet aan de verantwoordelijke of officiële instantie worden verstrekt wanneer die daarom verzoekt;
9° de gebruikelijke of de botanische benaming wanneer het materiaal van een in het besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen bedoeld plantenpaspoort vergezeld gaat;
10° de benaming van het ras. In het geval van onderstammen : benaming of aanduiding van het ras;
11° de hoeveelheid;
12° bij de invoer uit een derde land op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit de naam van het land waar het materiaal werd geoogst.
§ 2. Wanneer het materiaal is vergezeld van een plantenpaspoort overeenkomstig het voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1994 kan het plantenpaspoort als het in § 1 van dit artikel bedoelde document van de leverancier gelden, mits daarop de vermelding " EG-kwaliteit " en (het Agentschap voor Landbouw en Visserij) zijn aangebracht alsmede de benaming van het ras, de onderstam of de plantengroep. Deze gegevens mogen op het plantenpaspoort zelf vermeld worden maar dienen duidelijk van de overige tekst gescheiden te worden.
Art. 7. (AUTORITE FLAMANDE)
§ 1. Le document du fournisseur visé par l'article 11, § 2 de l'arrêté royal qui doit accompagner les matériels doit être d'un matériau approprié non réutilisé et être imprimé dans au moins une des langues officielles de la Communauté. Il doit comporter les rubriques suivantes :
1° la mention " qualité CE ";
2° l'indication du code de la Belgique :(BE);
3° (la mention " l'Agentschap voor Landbouw en Visserij " (ALV) ");
4° le numéro d'enregistrement ou d'homologation;
5° le nom du fournisseur;
6° le numéro individuel de série, de semaine ou de lot;
7° la date de délivrance du document du fournisseur;
8° le numéro de référence du lot de semences lorsqu'il s'agit de jeunes plants produits directement à partir de semences commercialisées conformément à l'arrêté du 10 septembre 1981; ce numéro de référence doit être fourni, sur demande, à l'organisme officiel responsable.
9° le nom commun, ou le nom botanique si le matériel est accompagné d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté du 3 mai 1994 concernant la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;
10° la dénomination de la variété; lorsqu'il s'agit d'un porte-greffe, la dénomination de la variété ou sa désignation;
11° la quantité;
12° dans le cas d'importations en provenance de pays tiers conformément à l'article 16 de l'arrêté royal, le nom du pays de récolte.
§ 2. Dans le cas où les matériels sont accompagnés d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté royal du 3 mai 1994 précité celui-ci peut constituer le document du fournisseur visé au § 1 du présent article. Néanmoins la mention " qualité CE " et (l'Agentschap voor Landbouw en Visserij) doivent être indiquées ainsi qu'une référence à la dénomination de la variété, du porte-greffe ou du groupe des végétaux. Ces informations peuvent figurer sur le passeport phytosanitaire proprement dit mais séparément.
§ 1. Le document du fournisseur visé par l'article 11, § 2 de l'arrêté royal qui doit accompagner les matériels doit être d'un matériau approprié non réutilisé et être imprimé dans au moins une des langues officielles de la Communauté. Il doit comporter les rubriques suivantes :
1° la mention " qualité CE ";
2° l'indication du code de la Belgique :(BE);
3° (la mention " l'Agentschap voor Landbouw en Visserij " (ALV) ");
4° le numéro d'enregistrement ou d'homologation;
5° le nom du fournisseur;
6° le numéro individuel de série, de semaine ou de lot;
7° la date de délivrance du document du fournisseur;
8° le numéro de référence du lot de semences lorsqu'il s'agit de jeunes plants produits directement à partir de semences commercialisées conformément à l'arrêté du 10 septembre 1981; ce numéro de référence doit être fourni, sur demande, à l'organisme officiel responsable.
9° le nom commun, ou le nom botanique si le matériel est accompagné d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté du 3 mai 1994 concernant la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux;
10° la dénomination de la variété; lorsqu'il s'agit d'un porte-greffe, la dénomination de la variété ou sa désignation;
11° la quantité;
12° dans le cas d'importations en provenance de pays tiers conformément à l'article 16 de l'arrêté royal, le nom du pays de récolte.
§ 2. Dans le cas où les matériels sont accompagnés d'un passeport phytosanitaire conformément à l'arrêté royal du 3 mai 1994 précité celui-ci peut constituer le document du fournisseur visé au § 1 du présent article. Néanmoins la mention " qualité CE " et (l'Agentschap voor Landbouw en Visserij) doivent être indiquées ainsi qu'une référence à la dénomination de la variété, du porte-greffe ou du groupe des végétaux. Ces informations peuvent figurer sur le passeport phytosanitaire proprement dit mais séparément.
HOOFDSTUK II. - Toezicht op en controle van leveranciers en hun bedrijven.
CHAPITRE II. - Surveillance et contrôle des fournisseurs et de leurs établissements.
Art. 8. In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld bedoeld in artikel 6, § 4 van het koninklijk besluit met betrekking tot het toezicht op en de controle van de leveranciers, met uitzondering van die waarvan de werkzaamheden zich beperken tot het in de handel brengen van plantgoed van groentegewassen, en van hun bedrijven. Deze maatregelen zijn van toepassing wanneer de controles bedoeld in artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit worden uitgevoerd door de leveranciers zelf of door leveranciers die door het Ministerie erkend zijn.
Art. 8. Le Ministère surveille et contrôle régulièrement, au moins une fois par an, à un moment approprié, les fournisseurs et leurs établissements, afin de s'assurer qu'ils satisfont aux normes établies dans l'arrêté royal et notamment aux principes définis à l'article 5, § 2 de cet arrêté, compte tenu de la nature particulière de la ou des activités desdits fournisseurs.
Art. 8. (VLAAMSE OVERHEID)
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld bedoeld in artikel 6, § 4 van het koninklijk besluit met betrekking tot het toezicht op en de controle van de leveranciers, met uitzondering van die waarvan de werkzaamheden zich beperken tot het in de handel brengen van plantgoed van groentegewassen, en van hun bedrijven. Deze maatregelen zijn van toepassing wanneer de controles bedoeld in artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit worden uitgevoerd door de leveranciers zelf of door leveranciers die door (de bevoegde entiteit) erkend zijn.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld bedoeld in artikel 6, § 4 van het koninklijk besluit met betrekking tot het toezicht op en de controle van de leveranciers, met uitzondering van die waarvan de werkzaamheden zich beperken tot het in de handel brengen van plantgoed van groentegewassen, en van hun bedrijven. Deze maatregelen zijn van toepassing wanneer de controles bedoeld in artikel 5, § 2 van het koninklijk besluit worden uitgevoerd door de leveranciers zelf of door leveranciers die door (de bevoegde entiteit) erkend zijn.
Art. 9. (AUTORITE FLAMANDE)
(L'entité compétente) surveille et contrôle régulièrement, au moins une fois par an, à un moment approprié, les fournisseurs et leurs établissements, afin de s'assurer qu'ils satisfont aux normes établies dans l'arrêté royal et notamment aux principes définis à l'article 5, § 2 de cet arrêté, compte tenu de la nature particulière de la ou des activités desdits fournisseurs.
(L'entité compétente) surveille et contrôle régulièrement, au moins une fois par an, à un moment approprié, les fournisseurs et leurs établissements, afin de s'assurer qu'ils satisfont aux normes établies dans l'arrêté royal et notamment aux principes définis à l'article 5, § 2 de cet arrêté, compte tenu de la nature particulière de la ou des activités desdits fournisseurs.
Art. 9. Het Ministerie oefent regelmatig en ten minste eenmaal per jaar op een daartoe geschikt tijdstip, toezicht en controle uit bij de leveranciers en bedrijven om na te gaan of ze voldoen aan de bij het koninklijk besluit vastgestelde eisen en inzonderheid aan de in artikel 5, § 2 van dat besluit bepaalde principes, waarbij met de bijzondere aard van de activiteit, respectievelijk activiteiten van de leveranciers rekening wordt gehouden.
Art. 10. En ce qui concerne l'identification des points critiques du processus de production visé à l'article 5, § 2, premier tiret de l'arrêté royal et de la tenue des livres visée à l'article 5, § 2, quatrième tiret du même arrêté royal, le Ministère exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci :
1° continue de tenir compte des points critiques ci-après, selon les cas :
- la qualité du matériel de multiplication utilisé pour le démarrage du processus de production,
- le semis, le repiquage, le bouturage et la plantation du matériel de multiplication et des plantes,
- le respect des conditions établies aux articles 9, 10 et 11 de l'arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux,
- le plan et la méthode de culture,
- l'entretien général des végétaux cultivés,
- les opérations de multiplication,
- les opérations de récolte,
- l'hygiène,
- les traitements,
- l'emballage,
- le stockage,
- le transport,
- les tâches administratives,
2° tient effectivement des livres qui permettent au Ministère de disposer d'informations complètes sur :
a) les plantes et autres objets :
- achetés à des fins de stockage ou de plantation sur place,
- en production ou
- expédiés à des tiers et
b) tout traitement chimique appliqué aux plantes, et conserve les pièces et documents y afférents pendant au moins un an;
3° se tient personnellement à la disposition du Ministère ou lui désigne une autre personne possédant une expérience technique adéquate de la production végétale et des questions sanitaires y afférentes;
4° procède aux observations visuelles nécessaires et opportunes de manière agréée par le Ministère;
5° garantit aux personnes habilitées à agir pour le compte du Ministère l'accès à ses installations, en particulier à des fins d'inspection et/ou d'échantillonnage, ainsi qu'aux livres et documents y afférents visés au point 2° du présent article;
6° coopère de toute autre manière avec le Ministère.
1° continue de tenir compte des points critiques ci-après, selon les cas :
- la qualité du matériel de multiplication utilisé pour le démarrage du processus de production,
- le semis, le repiquage, le bouturage et la plantation du matériel de multiplication et des plantes,
- le respect des conditions établies aux articles 9, 10 et 11 de l'arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux,
- le plan et la méthode de culture,
- l'entretien général des végétaux cultivés,
- les opérations de multiplication,
- les opérations de récolte,
- l'hygiène,
- les traitements,
- l'emballage,
- le stockage,
- le transport,
- les tâches administratives,
2° tient effectivement des livres qui permettent au Ministère de disposer d'informations complètes sur :
a) les plantes et autres objets :
- achetés à des fins de stockage ou de plantation sur place,
- en production ou
- expédiés à des tiers et
b) tout traitement chimique appliqué aux plantes, et conserve les pièces et documents y afférents pendant au moins un an;
3° se tient personnellement à la disposition du Ministère ou lui désigne une autre personne possédant une expérience technique adéquate de la production végétale et des questions sanitaires y afférentes;
4° procède aux observations visuelles nécessaires et opportunes de manière agréée par le Ministère;
5° garantit aux personnes habilitées à agir pour le compte du Ministère l'accès à ses installations, en particulier à des fins d'inspection et/ou d'échantillonnage, ainsi qu'aux livres et documents y afférents visés au point 2° du présent article;
6° coopère de toute autre manière avec le Ministère.
Art. 9. (VLAAMSE OVERHEID)
(De bevoegde entiteit) oefent regelmatig en ten minste eenmaal per jaar op een daartoe geschikt tijdstip, toezicht en controle uit bij de leveranciers en bedrijven om na te gaan of ze voldoen aan de bij het koninklijk besluit vastgestelde eisen en inzonderheid aan de in artikel 5, § 2 van dat besluit bepaalde principes, waarbij met de bijzondere aard van de activiteit, respectievelijk activiteiten van de leveranciers rekening wordt gehouden.
(De bevoegde entiteit) oefent regelmatig en ten minste eenmaal per jaar op een daartoe geschikt tijdstip, toezicht en controle uit bij de leveranciers en bedrijven om na te gaan of ze voldoen aan de bij het koninklijk besluit vastgestelde eisen en inzonderheid aan de in artikel 5, § 2 van dat besluit bepaalde principes, waarbij met de bijzondere aard van de activiteit, respectievelijk activiteiten van de leveranciers rekening wordt gehouden.
Art. 10. (AUTORITE FLAMANDE)
En ce qui concerne l'identification des points critiques du processus de production visé à l'article 5, § 2, premier tiret de l'arrêté royal et de la tenue des livres visée à l'article 5, § 2, quatrième tiret du même arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci :
1° continue de tenir compte des points critiques ci-après, selon les cas :
- la qualité du matériel de multiplication utilisé pour le démarrage du processus de production,
- le semis, le repiquage, le bouturage et la plantation du matériel de multiplication et des plantes,
- le respect des conditions établies aux articles 9, 10 et 11 de l'arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux,
- le plan et la méthode de culture,
- l'entretien général des végétaux cultivés,
- les opérations de multiplication,
- les opérations de récolte,
- l'hygiène,
- les traitements,
- l'emballage,
- le stockage,
- le transport,
- les tâches administratives,
2° tient effectivement des livres qui permettent au Ministère de disposer d'informations complètes sur :
a) les plantes et autres objets :
- achetés à des fins de stockage ou de plantation sur place,
- en production ou
- expédiés à des tiers et
b) tout traitement chimique appliqué aux plantes, et conserve les pièces et documents y afférents pendant au moins un an;
3° se tient personnellement à la disposition du Ministère ou lui désigne une autre personne possédant une expérience technique adéquate de la production végétale et des questions sanitaires y afférentes;
4° procède aux observations visuelles nécessaires et opportunes de manière agréée par (l'entité compétente);
5° garantit aux personnes habilitées à agir pour le compte du Ministère l'accès à ses installations, en particulier à des fins d'inspection et/ou d'échantillonnage, ainsi qu'aux livres et documents y afférents visés au point 2° du présent article;
6° coopère de toute autre manière avec (l'entité compétente).
En ce qui concerne l'identification des points critiques du processus de production visé à l'article 5, § 2, premier tiret de l'arrêté royal et de la tenue des livres visée à l'article 5, § 2, quatrième tiret du même arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci :
1° continue de tenir compte des points critiques ci-après, selon les cas :
- la qualité du matériel de multiplication utilisé pour le démarrage du processus de production,
- le semis, le repiquage, le bouturage et la plantation du matériel de multiplication et des plantes,
- le respect des conditions établies aux articles 9, 10 et 11 de l'arrêté royal du 3 mai 1994 relatif à la lutte contre les organismes nuisibles aux végétaux et aux produits végétaux,
- le plan et la méthode de culture,
- l'entretien général des végétaux cultivés,
- les opérations de multiplication,
- les opérations de récolte,
- l'hygiène,
- les traitements,
- l'emballage,
- le stockage,
- le transport,
- les tâches administratives,
2° tient effectivement des livres qui permettent au Ministère de disposer d'informations complètes sur :
a) les plantes et autres objets :
- achetés à des fins de stockage ou de plantation sur place,
- en production ou
- expédiés à des tiers et
b) tout traitement chimique appliqué aux plantes, et conserve les pièces et documents y afférents pendant au moins un an;
3° se tient personnellement à la disposition du Ministère ou lui désigne une autre personne possédant une expérience technique adéquate de la production végétale et des questions sanitaires y afférentes;
4° procède aux observations visuelles nécessaires et opportunes de manière agréée par (l'entité compétente);
5° garantit aux personnes habilitées à agir pour le compte du Ministère l'accès à ses installations, en particulier à des fins d'inspection et/ou d'échantillonnage, ainsi qu'aux livres et documents y afférents visés au point 2° du présent article;
6° coopère de toute autre manière avec (l'entité compétente).
Art. 10. In verband met de identificatie van de kritische punten in het productieproces zoals bedoeld in artikel 5, § 2, eerste streepje van het koninklijk besluit en de registratie van gegevens zoals bedoeld in artikel 5, § 2, vierde streepje van ditzelfde koninklijk besluit, oefent het Ministerie toezicht en controle uit op de leverancier om ervoor te zorgen dat deze :
1° de nodige aandacht blijft besteden aan de volgende kritische punten naar gelang van het geval :
- de kwaliteit van teeltmateriaal en van plantgoed van groentegewassen die worden gebruikt om het productieproces op gang te brengen,
- het uitzaaien, het uitplanten, het stekken en het aanplanten van teeltmateriaal en plantgoed,
- de naleving van de eisen vastgesteld in de artikelen 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen,
- het teeltplan en de teeltmethode,
- de algemene gewasverzorging,
- de vermeerdering,
- de oogst,
- de hygiëne,
- de behandelingen,
- de verpakking,
- de opslag,
- het vervoer,
- het beheer,
2° gegevens registreert om een volledige informatie ter beschikking van het Ministerie te houden over :
a) de planten of andere voorwerpen :
- die zijn aangekocht om op het bedrijf te worden opgeslagen of geplant,
- die in productie zijn, of
- die aan derden worden verzonden, en
b) elke chemische behandeling die op de planten is toegepast, en de desbetreffende documenten gedurende ten minste een jaar bewaart;
3° persoonlijk beschikbaar is voor het Ministerie of daartoe een andere persoon aanwijst met voldoende technische ervaring inzake de productie van planten en de daarmee verband houdende fytosanitaire aangelegenheden;
4° voor zover nodig en op passende tijdstippen op een voor het Ministerie aanvaardbare wijze de nodige visuele inspecties verricht;
5° tot zijn bedrijf toegang verleent aan personen gemachtigd om voor het Ministerie op te treden, in het bijzonder voor controle en/of bemonstering, en inzage geeft in de onder 2° van dit artikel bedoelde registers en daarmee verband houdende documenten;
6° voor het overige met het Ministerie samenwerkt.
1° de nodige aandacht blijft besteden aan de volgende kritische punten naar gelang van het geval :
- de kwaliteit van teeltmateriaal en van plantgoed van groentegewassen die worden gebruikt om het productieproces op gang te brengen,
- het uitzaaien, het uitplanten, het stekken en het aanplanten van teeltmateriaal en plantgoed,
- de naleving van de eisen vastgesteld in de artikelen 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen,
- het teeltplan en de teeltmethode,
- de algemene gewasverzorging,
- de vermeerdering,
- de oogst,
- de hygiëne,
- de behandelingen,
- de verpakking,
- de opslag,
- het vervoer,
- het beheer,
2° gegevens registreert om een volledige informatie ter beschikking van het Ministerie te houden over :
a) de planten of andere voorwerpen :
- die zijn aangekocht om op het bedrijf te worden opgeslagen of geplant,
- die in productie zijn, of
- die aan derden worden verzonden, en
b) elke chemische behandeling die op de planten is toegepast, en de desbetreffende documenten gedurende ten minste een jaar bewaart;
3° persoonlijk beschikbaar is voor het Ministerie of daartoe een andere persoon aanwijst met voldoende technische ervaring inzake de productie van planten en de daarmee verband houdende fytosanitaire aangelegenheden;
4° voor zover nodig en op passende tijdstippen op een voor het Ministerie aanvaardbare wijze de nodige visuele inspecties verricht;
5° tot zijn bedrijf toegang verleent aan personen gemachtigd om voor het Ministerie op te treden, in het bijzonder voor controle en/of bemonstering, en inzage geeft in de onder 2° van dit artikel bedoelde registers en daarmee verband houdende documenten;
6° voor het overige met het Ministerie samenwerkt.
Art. 11. En ce qui concerne l'établissement et l'application des méthodes de surveillance et de contrôle des points critiques visés à l'article 5, § 2, deuxième tiret de l'arrêté royal, le Ministère exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci poursuit l'application, s'il y a lieu, desdites méthodes, en accordant une attention particulière à :
1° l'existence et l'utilisation de méthodes de contrôle de chacun des points critiques cités à l'article 10 du présent arrêté;
2° la fiabilité de ces méthodes;
3° la convenance de ces méthodes pour l'appréciation du contenu des modalités de production et de commercialisation, y compris le volet administratif;
4° l'aptitude du personnel du fournisseur à effectuer ces contrôles.
1° l'existence et l'utilisation de méthodes de contrôle de chacun des points critiques cités à l'article 10 du présent arrêté;
2° la fiabilité de ces méthodes;
3° la convenance de ces méthodes pour l'appréciation du contenu des modalités de production et de commercialisation, y compris le volet administratif;
4° l'aptitude du personnel du fournisseur à effectuer ces contrôles.
Art. 10. (VLAAMSE OVERHEID)
In verband met de identificatie van de kritische punten in het productieproces zoals bedoeld in artikel 5, § 2, eerste streepje van het koninklijk besluit en de registratie van gegevens zoals bedoeld in artikel 5, § 2, vierde streepje van ditzelfde koninklijk besluit, oefent (de bevoegde entiteit) toezicht en controle uit op de leverancier om ervoor te zorgen dat deze :
1° de nodige aandacht blijft besteden aan de volgende kritische punten naar gelang van het geval :
- de kwaliteit van teeltmateriaal en van plantgoed van groentegewassen die worden gebruikt om het productieproces op gang te brengen,
- het uitzaaien, het uitplanten, het stekken en het aanplanten van teeltmateriaal en plantgoed,
- de naleving van de eisen vastgesteld in de artikelen 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen,
- het teeltplan en de teeltmethode,
- de algemene gewasverzorging,
- de vermeerdering,
- de oogst,
- de hygiëne,
- de behandelingen,
- de verpakking,
- de opslag,
- het vervoer,
- het beheer,
2° gegevens registreert om een volledige informatie ter beschikking van (de bevoegde entiteit) te houden over :
a) de planten of andere voorwerpen :
- die zijn aangekocht om op het bedrijf te worden opgeslagen of geplant,
- die in productie zijn, of
- die aan derden worden verzonden, en
b) elke chemische behandeling die op de planten is toegepast, en de desbetreffende documenten gedurende ten minste een jaar bewaart;
3° persoonlijk beschikbaar is voor (de bevoegde entiteit) of daartoe een andere persoon aanwijst met voldoende technische ervaring inzake de productie van planten en de daarmee verband houdende fytosanitaire aangelegenheden;
4° voor zover nodig en op passende tijdstippen op een voor (de bevoegde entiteit) aanvaardbare wijze de nodige visuele inspecties verricht;
5° tot zijn bedrijf toegang verleent aan personen gemachtigd om voor (de bevoegde entiteit) op te treden, in het bijzonder voor controle en/of bemonstering, en inzage geeft in de onder 2° van dit artikel bedoelde registers en daarmee verband houdende documenten;
6° voor het overige met (de bevoegde entiteit) samenwerkt.
In verband met de identificatie van de kritische punten in het productieproces zoals bedoeld in artikel 5, § 2, eerste streepje van het koninklijk besluit en de registratie van gegevens zoals bedoeld in artikel 5, § 2, vierde streepje van ditzelfde koninklijk besluit, oefent (de bevoegde entiteit) toezicht en controle uit op de leverancier om ervoor te zorgen dat deze :
1° de nodige aandacht blijft besteden aan de volgende kritische punten naar gelang van het geval :
- de kwaliteit van teeltmateriaal en van plantgoed van groentegewassen die worden gebruikt om het productieproces op gang te brengen,
- het uitzaaien, het uitplanten, het stekken en het aanplanten van teeltmateriaal en plantgoed,
- de naleving van de eisen vastgesteld in de artikelen 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen,
- het teeltplan en de teeltmethode,
- de algemene gewasverzorging,
- de vermeerdering,
- de oogst,
- de hygiëne,
- de behandelingen,
- de verpakking,
- de opslag,
- het vervoer,
- het beheer,
2° gegevens registreert om een volledige informatie ter beschikking van (de bevoegde entiteit) te houden over :
a) de planten of andere voorwerpen :
- die zijn aangekocht om op het bedrijf te worden opgeslagen of geplant,
- die in productie zijn, of
- die aan derden worden verzonden, en
b) elke chemische behandeling die op de planten is toegepast, en de desbetreffende documenten gedurende ten minste een jaar bewaart;
3° persoonlijk beschikbaar is voor (de bevoegde entiteit) of daartoe een andere persoon aanwijst met voldoende technische ervaring inzake de productie van planten en de daarmee verband houdende fytosanitaire aangelegenheden;
4° voor zover nodig en op passende tijdstippen op een voor (de bevoegde entiteit) aanvaardbare wijze de nodige visuele inspecties verricht;
5° tot zijn bedrijf toegang verleent aan personen gemachtigd om voor (de bevoegde entiteit) op te treden, in het bijzonder voor controle en/of bemonstering, en inzage geeft in de onder 2° van dit artikel bedoelde registers en daarmee verband houdende documenten;
6° voor het overige met (de bevoegde entiteit) samenwerkt.
Art. 11. (AUTORITE FLAMANDE)
En ce qui concerne l'établissement et l'application des méthodes de surveillance et de contrôle des points critiques visés à l'article 5, § 2, deuxième tiret de l'arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci poursuit l'application, s'il y a lieu, desdites méthodes, en accordant une attention particulière à :
1° l'existence et l'utilisation de méthodes de contrôle de chacun des points critiques cités à l'article 10 du présent arrêté;
2° la fiabilité de ces méthodes;
3° la convenance de ces méthodes pour l'appréciation du contenu des modalités de production et de commercialisation, y compris le volet administratif;
4° l'aptitude du personnel du fournisseur à effectuer ces contrôles.
En ce qui concerne l'établissement et l'application des méthodes de surveillance et de contrôle des points critiques visés à l'article 5, § 2, deuxième tiret de l'arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer que celui-ci poursuit l'application, s'il y a lieu, desdites méthodes, en accordant une attention particulière à :
1° l'existence et l'utilisation de méthodes de contrôle de chacun des points critiques cités à l'article 10 du présent arrêté;
2° la fiabilité de ces méthodes;
3° la convenance de ces méthodes pour l'appréciation du contenu des modalités de production et de commercialisation, y compris le volet administratif;
4° l'aptitude du personnel du fournisseur à effectuer ces contrôles.
Art. 11. In verband met de uitwerking en toepassing van methoden voor toezicht op en controle van de kritische punten als bedoeld in artikel 5, § 2, tweede streepje van het koninklijk besluit, wordt door het Ministerie toezicht en controle op de leverancier uitgeoefend om ervoor te zorgen dat hij, in voorkomend geval, de bovengenoemde methoden blijft toepassen, met als bijzondere aandachtspunten :
1° de beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van methoden om elk van de in artikel 10 van dit besluit genoemde kritische punten te controleren;
2° de betrouwbaarheid van die methoden;
3° de bruikbaarheid van deze methoden voor de evaluatie van de productie en afzetregelingen, de administratieve aspecten inbegrepen;
4° de bekwaamheid van het personeel van de leverancier om de controles uit te voeren.
1° de beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van methoden om elk van de in artikel 10 van dit besluit genoemde kritische punten te controleren;
2° de betrouwbaarheid van die methoden;
3° de bruikbaarheid van deze methoden voor de evaluatie van de productie en afzetregelingen, de administratieve aspecten inbegrepen;
4° de bekwaamheid van het personeel van de leverancier om de controles uit te voeren.
Art. 12. En ce qui concerne le prélèvement d'échantillons à des fins d'analyse dans un laboratoire agréé visé à l'article 5, § 2, troisième tiret de l'arrêté royal, le Ministère exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer, s'il y a lieu, que :
1° des échantillons sont prélevés aux différents stades de la production tout en respectant la fréquence communiquée au Ministère au moment de la vérification des méthodes de production en vue de l'octroi de l'agrément;
2° le mode de prélèvement des échantillons est techniquement correct et s'appuie sur une formule fiable qui tient compte de la nature de l'analyse à effectuer;
3° les personnes qui prélèvent des échantillons ont la compétence requise à cet effet;
4° l'analyse des échantillons est confiée à un laboratoire qui a été agréé à cet effet en vertu de l'article 14 du présent arrêté.
1° des échantillons sont prélevés aux différents stades de la production tout en respectant la fréquence communiquée au Ministère au moment de la vérification des méthodes de production en vue de l'octroi de l'agrément;
2° le mode de prélèvement des échantillons est techniquement correct et s'appuie sur une formule fiable qui tient compte de la nature de l'analyse à effectuer;
3° les personnes qui prélèvent des échantillons ont la compétence requise à cet effet;
4° l'analyse des échantillons est confiée à un laboratoire qui a été agréé à cet effet en vertu de l'article 14 du présent arrêté.
Art. 11. (VLAAMSE OVERHEID)
In verband met de uitwerking en toepassing van methoden voor toezicht op en controle van de kritische punten als bedoeld in artikel 5, § 2, tweede streepje van het koninklijk besluit, wordt door (de bevoegde entiteit) toezicht en controle op de leverancier uitgeoefend om ervoor te zorgen dat hij, in voorkomend geval, de bovengenoemde methoden blijft toepassen, met als bijzondere aandachtspunten :
1° de beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van methoden om elk van de in artikel 10 van dit besluit genoemde kritische punten te controleren;
2° de betrouwbaarheid van die methoden;
3° de bruikbaarheid van deze methoden voor de evaluatie van de productie en afzetregelingen, de administratieve aspecten inbegrepen;
4° de bekwaamheid van het personeel van de leverancier om de controles uit te voeren.
In verband met de uitwerking en toepassing van methoden voor toezicht op en controle van de kritische punten als bedoeld in artikel 5, § 2, tweede streepje van het koninklijk besluit, wordt door (de bevoegde entiteit) toezicht en controle op de leverancier uitgeoefend om ervoor te zorgen dat hij, in voorkomend geval, de bovengenoemde methoden blijft toepassen, met als bijzondere aandachtspunten :
1° de beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van methoden om elk van de in artikel 10 van dit besluit genoemde kritische punten te controleren;
2° de betrouwbaarheid van die methoden;
3° de bruikbaarheid van deze methoden voor de evaluatie van de productie en afzetregelingen, de administratieve aspecten inbegrepen;
4° de bekwaamheid van het personeel van de leverancier om de controles uit te voeren.
Art. 12. (AUTORITE FLAMANDE)
En ce qui concerne le prélèvement d'échantillons à des fins d'analyse dans un laboratoire agréé visé à l'article 5, § 2, troisième tiret de l'arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer, s'il y a lieu, que :
1° des échantillons sont prélevés aux différents stades de la production tout en respectant la fréquence communiquée au Ministère au moment de la vérification des méthodes de production en vue de l'octroi de l'agrément;
2° le mode de prélèvement des échantillons est techniquement correct et s'appuie sur une formule fiable qui tient compte de la nature de l'analyse à effectuer;
3° les personnes qui prélèvent des échantillons ont la compétence requise à cet effet;
4° l'analyse des échantillons est confiée à un laboratoire qui a été agréé à cet effet en vertu de l'article 14 du présent arrêté.
En ce qui concerne le prélèvement d'échantillons à des fins d'analyse dans un laboratoire agréé visé à l'article 5, § 2, troisième tiret de l'arrêté royal, (l'entité compétente) exerce une surveillance et un contrôle sur le fournisseur afin de s'assurer, s'il y a lieu, que :
1° des échantillons sont prélevés aux différents stades de la production tout en respectant la fréquence communiquée au Ministère au moment de la vérification des méthodes de production en vue de l'octroi de l'agrément;
2° le mode de prélèvement des échantillons est techniquement correct et s'appuie sur une formule fiable qui tient compte de la nature de l'analyse à effectuer;
3° les personnes qui prélèvent des échantillons ont la compétence requise à cet effet;
4° l'analyse des échantillons est confiée à un laboratoire qui a été agréé à cet effet en vertu de l'article 14 du présent arrêté.
Art. 12. Wat het nemen van monsters voor analyse in een erkend laboratorium als bedoeld in artikel 5, § 2, derde streepje van het koninklijk besluit betreft, wordt door het Ministerie toezicht en controle op de leverancier uitgeoefend om zich ervan te vergewissen dat, in voorkomend geval :
CHAPITRE III. - Agrément et contrôle des laboratoires.
HOOFDSTUK III. - Erkenning en controle van laboratoria.
Art. 13. Les laboratoires de référence (annexe II) fixent, en accord avec le Service, les méthodes de détection et de prélèvement des échantillons à suivre par les laboratoires agréés, chacun en ce qui concerne leur domaine de recherche. Ils exécutent, à la demande du Service, des analyses de comparaison pour s'assurer de la conformité des résultats issus des laboratoires agréés. Lors de la première demande d'agrément et du renouvellement d'agrément d'un laboratoire, le laboratoire de référence remet un avis au Service quant au respect des conditions imposées ci-après.
Art. 13. De referentielaboratoria (bijlage II) bepalen, in overeenkomst met de Dienst, de opsporingsmethoden en de methoden van monstername die door de erkende laboratoria moeten gevolgd worden, elk voor wat hun onderzoeksdomein betreft. Zij voeren, op aanvraag van de Dienst, vergelijkende ontledingen uit om zich van de gelijkvormigheid van de uitslagen van de erkende laboratoria te verzekeren. Bij de eerste aanvraag om erkenning en bij de hernieuwing van een erkenning van een laboratorium geeft het referentielaboratorium een advies aan de Dienst wat betreft de naleving van de hiernavermelde voorwaarden.
Art. 14. Le Service peut agréer des laboratoires pour effectuer certaines détections d'organismes nuisibles ou des contrôles d'identité variétale. Pour pouvoir être agréé et le rester, un laboratoire doit introduire auprès du Service une demande d'agrément et remplir les conditions suivantes :
1° garantir toute objectivité et impartialité,
2° être dirigé par un responsable pouvant présenter des preuves de son expérience suffisante en la matière,
3° disposer du personnel, des installations et du matériel jugés nécessaires à l'exécution des analyses et déterminations pour lesquelles l'agrément est sollicité,
4° s'engager à :
a) suivre une méthode d'analyse officielle ou à défaut une méthode proposée par le laboratoire de référence,
b) communiquer au Service tout changement des données reprises dans l'agrément,
c) facturer aux fournisseurs les frais éventuels résultant de l'analyse des échantillons,
d) tenir un registre dans lequel pour chaque échantillon concernant la détection d'organismes nuisibles les indications suivantes sont inscrites :
- le numéro de l'échantillon,
- la nature et la description du matériel,
- la date de l'analyse,
- la méthode suivie,
- le résultat de l'analyse,
- la validation par le responsable des données énumérées ci-dessus.
1° garantir toute objectivité et impartialité,
2° être dirigé par un responsable pouvant présenter des preuves de son expérience suffisante en la matière,
3° disposer du personnel, des installations et du matériel jugés nécessaires à l'exécution des analyses et déterminations pour lesquelles l'agrément est sollicité,
4° s'engager à :
a) suivre une méthode d'analyse officielle ou à défaut une méthode proposée par le laboratoire de référence,
b) communiquer au Service tout changement des données reprises dans l'agrément,
c) facturer aux fournisseurs les frais éventuels résultant de l'analyse des échantillons,
d) tenir un registre dans lequel pour chaque échantillon concernant la détection d'organismes nuisibles les indications suivantes sont inscrites :
- le numéro de l'échantillon,
- la nature et la description du matériel,
- la date de l'analyse,
- la méthode suivie,
- le résultat de l'analyse,
- la validation par le responsable des données énumérées ci-dessus.
Art. 13. (VLAAMSE OVERHEID)
De referentielaboratoria (bijlage II) bepalen, in overeenkomst met de (bevoegde entiteit), de opsporingsmethoden en de methoden van monstername die door de erkende laboratoria moeten gevolgd worden, elk voor wat hun onderzoeksdomein betreft. Zij voeren, op aanvraag van de (bevoegde entiteit), vergelijkende ontledingen uit om zich van de gelijkvormigheid van de uitslagen van de erkende laboratoria te verzekeren. Bij de eerste aanvraag om erkenning en bij de hernieuwing van een erkenning van een laboratorium geeft het referentielaboratorium een advies aan de (bevoegde entiteit) wat betreft de naleving van de hiernavermelde voorwaarden.
De referentielaboratoria (bijlage II) bepalen, in overeenkomst met de (bevoegde entiteit), de opsporingsmethoden en de methoden van monstername die door de erkende laboratoria moeten gevolgd worden, elk voor wat hun onderzoeksdomein betreft. Zij voeren, op aanvraag van de (bevoegde entiteit), vergelijkende ontledingen uit om zich van de gelijkvormigheid van de uitslagen van de erkende laboratoria te verzekeren. Bij de eerste aanvraag om erkenning en bij de hernieuwing van een erkenning van een laboratorium geeft het referentielaboratorium een advies aan de (bevoegde entiteit) wat betreft de naleving van de hiernavermelde voorwaarden.
Art. 14. (AUTORITE FLAMANDE)
(L'entité compétente) peut agréer des laboratoires pour effectuer certaines détections d'organismes nuisibles ou des contrôles d'identité variétale. Pour pouvoir être agréé et le rester, un laboratoire doit introduire auprès (de l'entité compétente) une demande d'agrément et remplir les conditions suivantes :
1° garantir toute objectivité et impartialité,
2° être dirigé par un responsable pouvant présenter des preuves de son expérience suffisante en la matière,
3° disposer du personnel, des installations et du matériel jugés nécessaires à l'exécution des analyses et déterminations pour lesquelles l'agrément est sollicité,
4° s'engager à :
a) suivre une méthode d'analyse officielle ou à défaut une méthode proposée par le laboratoire de référence,
b) communiquer (à l'entité compétente) tout changement des données reprises dans l'agrément,
c) facturer aux fournisseurs les frais éventuels résultant de l'analyse des échantillons,
d) tenir un registre dans lequel pour chaque échantillon concernant la détection d'organismes nuisibles les indications suivantes sont inscrites :
- le numéro de l'échantillon,
- la nature et la description du matériel,
- la date de l'analyse,
- la méthode suivie,
- le résultat de l'analyse,
- la validation par le responsable des données énumérées ci-dessus.
(L'entité compétente) peut agréer des laboratoires pour effectuer certaines détections d'organismes nuisibles ou des contrôles d'identité variétale. Pour pouvoir être agréé et le rester, un laboratoire doit introduire auprès (de l'entité compétente) une demande d'agrément et remplir les conditions suivantes :
1° garantir toute objectivité et impartialité,
2° être dirigé par un responsable pouvant présenter des preuves de son expérience suffisante en la matière,
3° disposer du personnel, des installations et du matériel jugés nécessaires à l'exécution des analyses et déterminations pour lesquelles l'agrément est sollicité,
4° s'engager à :
a) suivre une méthode d'analyse officielle ou à défaut une méthode proposée par le laboratoire de référence,
b) communiquer (à l'entité compétente) tout changement des données reprises dans l'agrément,
c) facturer aux fournisseurs les frais éventuels résultant de l'analyse des échantillons,
d) tenir un registre dans lequel pour chaque échantillon concernant la détection d'organismes nuisibles les indications suivantes sont inscrites :
- le numéro de l'échantillon,
- la nature et la description du matériel,
- la date de l'analyse,
- la méthode suivie,
- le résultat de l'analyse,
- la validation par le responsable des données énumérées ci-dessus.
Art. 14. De Dienst kan laboratoria erkennen om sommige opsporingen van schadelijke organismen uit te voeren of de rasechtheid te controleren. Om erkend te kunnen worden en te blijven moet een laboratorium bij de Dienst een aanvraag tot erkenning indienen en aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° elke objectiviteit en onpartijdigheid waarborgen,
2° bestuurd worden door een verantwoordelijke die bewijs kan leveren van voldoende praktijkervaring voor het betrokken onderzoeksdomein,
3° over het personeel, de inrichtingen en de uitrusting beschikken die nodig geacht worden voor de uitvoering van de ontledingen en de bepalingen waarvoor de erkenning is aangevraagd,
4° de verbintenis aangaan :
a) een officiële analyse methode te volgen of bij gebrek daaraan een methode voorgesteld door het referentielaboratorium,
b) elke wijziging van de gegevens die in de erkenning zijn opgenomen, aan de Dienst mede te delen,
c) aan de leveranciers de eventuele kosten voor de ontledingen van de monsters aan te rekenen,
d) een registerboek bij te houden waarin voor elk monster inzake de opsporing van de schadelijke organismen volgende gegevens worden ingeschreven :
- het staalnummer,
- de aard en omschrijving van het materiaal,
- de datum van de ontleding,
- de gevolgde methode,
- de uitslag van de ontleding,
- de validering van voormelde gegevens door de verantwoordelijke.
1° elke objectiviteit en onpartijdigheid waarborgen,
2° bestuurd worden door een verantwoordelijke die bewijs kan leveren van voldoende praktijkervaring voor het betrokken onderzoeksdomein,
3° over het personeel, de inrichtingen en de uitrusting beschikken die nodig geacht worden voor de uitvoering van de ontledingen en de bepalingen waarvoor de erkenning is aangevraagd,
4° de verbintenis aangaan :
a) een officiële analyse methode te volgen of bij gebrek daaraan een methode voorgesteld door het referentielaboratorium,
b) elke wijziging van de gegevens die in de erkenning zijn opgenomen, aan de Dienst mede te delen,
c) aan de leveranciers de eventuele kosten voor de ontledingen van de monsters aan te rekenen,
d) een registerboek bij te houden waarin voor elk monster inzake de opsporing van de schadelijke organismen volgende gegevens worden ingeschreven :
- het staalnummer,
- de aard en omschrijving van het materiaal,
- de datum van de ontleding,
- de gevolgde methode,
- de uitslag van de ontleding,
- de validering van voormelde gegevens door de verantwoordelijke.
Art. 15. Les laboratoires agréés sont soumis à la surveillance du Service. Ceci comprend le contrôle de l'exactitude des résultats d'analyses remis au client et la consultation à tout moment du registre de laboratoire dont il est question à l'article 14.
Art. 14. (VLAAMSE OVERHEID)
De (bevoegde entiteit) kan laboratoria erkennen om sommige opsporingen van schadelijke organismen uit te voeren of de rasechtheid te controleren. Om erkend te kunnen worden en te blijven moet een laboratorium bij de (bevoegde entiteit) een aanvraag tot erkenning indienen en aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° elke objectiviteit en onpartijdigheid waarborgen,
2° bestuurd worden door een verantwoordelijke die bewijs kan leveren van voldoende praktijkervaring voor het betrokken onderzoeksdomein,
3° over het personeel, de inrichtingen en de uitrusting beschikken die nodig geacht worden voor de uitvoering van de ontledingen en de bepalingen waarvoor de erkenning is aangevraagd,
4° de verbintenis aangaan :
a) een officiële analyse methode te volgen of bij gebrek daaraan een methode voorgesteld door het referentielaboratorium,
b) elke wijziging van de gegevens die in de erkenning zijn opgenomen, aan de (bevoegde entiteit) mede te delen,
c) aan de leveranciers de eventuele kosten voor de ontledingen van de monsters aan te rekenen,
d) een registerboek bij te houden waarin voor elk monster inzake de opsporing van de schadelijke organismen volgende gegevens worden ingeschreven :
- het staalnummer,
- de aard en omschrijving van het materiaal,
- de datum van de ontleding,
- de gevolgde methode,
- de uitslag van de ontleding,
- de validering van voormelde gegevens door de verantwoordelijke.
De (bevoegde entiteit) kan laboratoria erkennen om sommige opsporingen van schadelijke organismen uit te voeren of de rasechtheid te controleren. Om erkend te kunnen worden en te blijven moet een laboratorium bij de (bevoegde entiteit) een aanvraag tot erkenning indienen en aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° elke objectiviteit en onpartijdigheid waarborgen,
2° bestuurd worden door een verantwoordelijke die bewijs kan leveren van voldoende praktijkervaring voor het betrokken onderzoeksdomein,
3° over het personeel, de inrichtingen en de uitrusting beschikken die nodig geacht worden voor de uitvoering van de ontledingen en de bepalingen waarvoor de erkenning is aangevraagd,
4° de verbintenis aangaan :
a) een officiële analyse methode te volgen of bij gebrek daaraan een methode voorgesteld door het referentielaboratorium,
b) elke wijziging van de gegevens die in de erkenning zijn opgenomen, aan de (bevoegde entiteit) mede te delen,
c) aan de leveranciers de eventuele kosten voor de ontledingen van de monsters aan te rekenen,
d) een registerboek bij te houden waarin voor elk monster inzake de opsporing van de schadelijke organismen volgende gegevens worden ingeschreven :
- het staalnummer,
- de aard en omschrijving van het materiaal,
- de datum van de ontleding,
- de gevolgde methode,
- de uitslag van de ontleding,
- de validering van voormelde gegevens door de verantwoordelijke.
Art. 15. (AUTORITE FLAMANDE)
Les laboratoires agréés sont soumis à la surveillance (de l'entité compétente). Ceci comprend le contrôle de l'exactitude des résultats d'analyses remis au client et la consultation à tout moment du registre de laboratoire dont il est question à l'article 14.
Les laboratoires agréés sont soumis à la surveillance (de l'entité compétente). Ceci comprend le contrôle de l'exactitude des résultats d'analyses remis au client et la consultation à tout moment du registre de laboratoire dont il est question à l'article 14.
Art. 15. De erkende laboratoria zijn onderworpen aan het toezicht van de Dienst. Dit omvat onder meer de juistheid na te gaan van de aan de leveranciers verstrekte ontledingsuitslagen en te allen tijde het onder artikel 14 vernoemde register te mogen raadplegen.
Art. 16. L'agrément est délivré par le Service pour une période maximale de 2 ans. La demande de renouvellement doit être introduite auprès du Service, au moins trois mois avant l'expiration de l'agrément. Le Service peut révoquer totalement ou partiellement l'agrément en cas de non-respect des conditions énumérées à l'article 14 sans que le laboratoire agréé puisse réclamer de ce chef une indemnité quelconque à charge de l'Etat.
Art. 15. (VLAAMSE OVERHEID)
De erkende laboratoria zijn onderworpen aan het toezicht van de (bevoegde entiteit). Dit omvat onder meer de juistheid na te gaan van de aan de leveranciers verstrekte ontledingsuitslagen en te allen tijde het onder artikel 14 vernoemde register te mogen raadplegen.
De erkende laboratoria zijn onderworpen aan het toezicht van de (bevoegde entiteit). Dit omvat onder meer de juistheid na te gaan van de aan de leveranciers verstrekte ontledingsuitslagen en te allen tijde het onder artikel 14 vernoemde register te mogen raadplegen.
Art. 16. (AUTORITE FLAMANDE)
L'agrément est délivré par (l'entité compétente) pour une période maximale de 2 ans. La demande de renouvellement doit être introduite auprès (de l'entité compétente), au moins trois mois avant l'expiration de l'agrément. (L'entité compétente) peut révoquer totalement ou partiellement l'agrément en cas de non-respect des conditions énumérées à l'article 14 sans que le laboratoire agréé puisse réclamer de ce chef une indemnité quelconque à charge de (la Région flamande).
L'agrément est délivré par (l'entité compétente) pour une période maximale de 2 ans. La demande de renouvellement doit être introduite auprès (de l'entité compétente), au moins trois mois avant l'expiration de l'agrément. (L'entité compétente) peut révoquer totalement ou partiellement l'agrément en cas de non-respect des conditions énumérées à l'article 14 sans que le laboratoire agréé puisse réclamer de ce chef une indemnité quelconque à charge de (la Région flamande).
Art. 16. De erkenning wordt afgeleverd door de Dienst voor een periode van maximum 2 jaar. De aanvraag voor hernieuwing moet ingediend worden bij de Dienst tenminste drie maanden voor het verstrijken van de erkenning. De Dienst kan volledig of gedeeltelijk de erkenning herroepen in geval van het niet-respecteren van de in artikel 14 genoemde voorwaarden, zonder dat het erkend laboratorium uit dien hoofde enige vergoeding ten laste van de Staat kan eisen.
Art. 17. Les laboratoires existants disposent d'un délai de 3 mois à partir de la date de publication du présent arrêté au Moniteur belge pour introduire une demande d'agrément.
Art. 16. (VLAAMSE OVERHEID)
De erkenning wordt afgeleverd door de (bevoegde entiteit) voor een periode van maximum 2 jaar. De aanvraag voor hernieuwing moet ingediend worden bij de (bevoegde entiteit) tenminste drie maanden voor het verstrijken van de erkenning. De (bevoegde entiteit) kan volledig of gedeeltelijk de erkenning herroepen in geval van het niet-respecteren van de in artikel 14 genoemde voorwaarden, zonder dat het erkend laboratorium uit dien hoofde enige vergoeding ten laste van (het Vlaamse Gewest) kan eisen.
De erkenning wordt afgeleverd door de (bevoegde entiteit) voor een periode van maximum 2 jaar. De aanvraag voor hernieuwing moet ingediend worden bij de (bevoegde entiteit) tenminste drie maanden voor het verstrijken van de erkenning. De (bevoegde entiteit) kan volledig of gedeeltelijk de erkenning herroepen in geval van het niet-respecteren van de in artikel 14 genoemde voorwaarden, zonder dat het erkend laboratorium uit dien hoofde enige vergoeding ten laste van (het Vlaamse Gewest) kan eisen.
-
Art. 17. De bestaande laboratoria beschikken over een termijn van 3 maanden vanaf de datum van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad om hun aanvraag tot erkenning in te dienen.
CHAPITRE IV. - Dispositions générales.
HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen.
Art. 18. Pour les plants de légumes et les matériels de multiplication des légumes autres que les semences le Service établit des règlements techniques par rapport à la qualité et en assure l'application.
Art. 18. Voor teeltmateriaal en plantgoed van groenten, met uitzondering van zaad, stelt de Dienst technische reglementen betreffende de kwaliteitscontrole op en houdt toezicht op de naleving ervan.
Infractions.
Inbreuken.
Art. 19. Les infractions aux dispositions du présent arrêté sont recherchées, constatées, poursuivies et punies conformément aux dispositions de la loi du 11 juillet 1969 relative aux pesticides et aux matières premières pour l'agriculture, l'horticulture, la sylviculture et l'élevage.
Art. 19. De inbreuken op de bepalingen van dit besluit worden opgespoord, vastgesteld, vervolgd en bestraft in overeenstemming met hetgeen is bepaald in de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt.
Art. 20. Sont abrogés les arrêtés ministériels suivants :
1° l'Arrêté ministériel du 9 août 1995 établissant les fiches indiquant les conditions auxquelles les plants de légumes et les matériels de multiplication des légumes autres que les semences doivent satisfaire.
2° l'Arrêté ministériel du 9 octobre 1995 instituant les mesures d'application relatives à la surveillance et au contrôle des fournisseurs des plants de légumes et des matériels de multiplication de légumes autres que les semences, et de leurs établissements, dans le cadre de l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes.
1° l'Arrêté ministériel du 9 août 1995 établissant les fiches indiquant les conditions auxquelles les plants de légumes et les matériels de multiplication des légumes autres que les semences doivent satisfaire.
2° l'Arrêté ministériel du 9 octobre 1995 instituant les mesures d'application relatives à la surveillance et au contrôle des fournisseurs des plants de légumes et des matériels de multiplication de légumes autres que les semences, et de leurs établissements, dans le cadre de l'arrêté royal du 15 mai 1995 relatif à la commercialisation des plantes fruitières destinées à la production de fruits, des plantes ornementales, des plants de légumes et des matériels de multiplication de ces plantes à l'exception des semences de légumes.
Art. 20. De volgende ministeriële besluiten worden opgeheven :
Annexes.
Bijlagen.
Art. N1.[1 ANNEXE Ire. - ORNQ concernant les matériels de multiplication et les plants de légumes]1
Art. N1. [1 BIJLAGE I. - Gereguleerde niet-quarantaineorganismen betreffende teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen]1
Art.N1_REGION_FLAMANDE.
[1 ANNEXE Ire. - ORNQ concernant les matériels de multiplication et les plants de légumes]1
[1 ANNEXE Ire. - ORNQ concernant les matériels de multiplication et les plants de légumes]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-06-2020, p. 38803)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 03-06-2020, p. 38803)
Vervangen door :
Remplacée par :
Art.N1_VLAAMS_GEWEST.
[1 BIJLAGE I. - Gereguleerde niet-quarantaineorganismen betreffende teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen]1
[1 BIJLAGE I. - Gereguleerde niet-quarantaineorganismen betreffende teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen]1
Art.N1_REGION_WALLONNE.
[1 ANNEXE Ire. - ORNQ concernant les matériels de multiplication et les plants de légumes]1
[1 ANNEXE Ire. - ORNQ concernant les matériels de multiplication et les plants de légumes]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-06-2020, p. 38803)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 03-06-2020, p. 38803)
Vervangen door :
Remplacée par :
-
Art.N1_WAALS_GEWEST.
[1 BIJLAGE I. - Gereguleerde niet-quarantaineorganismen betreffende teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen]1
[1 BIJLAGE I. - Gereguleerde niet-quarantaineorganismen betreffende teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen]1
Art. N2. Annexe 2. Laboratoires de référence.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 03-06-2020, p. 38803)
| Types d'organismes nuisibles | Laboratoires |
| Mycologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Bactériologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Virologie | DEPARTEMENT LUTTE BIOLOGIQUE ET RESSOURCES |
| PHYTOGENETIQUES (D.3 -CRA-GEMBLOUX) | |
| - SECTION DE LUTTE BIOLOGIQUE ET INTEGREE | |
| EN PHYTOPATHOLOGIE ET EN ZOOLOGIE APPLIQUEE | |
| Nématologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Entomologie et acarologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Autres ravageurs animaux | DEPARTEMENT LUTTE BIOLOGIQUE ET RESSOURCES |
| PHYTOGENETIQUES (D.3 -CRA-GEMBLOUX) | |
| - SECTION DE LUTTE BIOLOGIQUE ET INTEGREE | |
| EN PHYTOPATHOLOGIE ET EN ZOOLOGIE APPLIQUEE | |
| Identité variétale | DEPARTEMENT PLANTENGENETICA EN -VEREDELING, |
| CLO-GENT - AFDELING TOEGEPASTE | |
| PLANTENBIOTECHNOLOGIE |
Vervangen door :
Art. N2. (AUTORITE FLAMANDE)
(Abrogé)
(Abrogé)
Art. N2. Bijlage 2. Referentielaboratoria.
-
| Type van schadelijke organismen | Laboratoria |
| Mycologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Bacteriologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Virologie | DEPARTEMENT LUTTE BIOLOGIQUE ET RESSOURCES |
| PHYTOGENETIQUES (D.3 -CRA-GEMBLOUX) | |
| - SECTION DE LUTTE BIOLOGIQUE ET INTEGREE | |
| EN PHYTOPATHOLOGIE ET EN ZOOLOGIE APPLIQUEE | |
| Nematologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Entomologie en acarologie | DEPARTEMENT GEWASBESCHERMING, CLO-GENT |
| Andere dierlijke vijanden | DEPARTEMENT LUTTE BIOLOGIQUE ET RESSOURCES |
| PHYTOGENETIQUES (D.3 -CRA-GEMBLOUX) | |
| - SECTION DE LUTTE BIOLOGIQUE ET INTEGREE | |
| EN PHYTOPATHOLOGIE ET EN ZOOLOGIE APPLIQUEE | |
| Rasechtheid | DEPARTEMENT PLANTENGENETICA EN -VEREDELING, |
| CLO-GENT - AFDELING TOEGEPASTE | |
| PLANTENBIOTECHNOLOGIE |
-
Art. N2. (VLAAMSE OVERHEID)
(Opgeheven)
(Opgeheven)
-