Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
2 DECEMBER 1999. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de bijzondere arbeidsvoorwaarden voor de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport in vereffening en van de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, ter beschikking gesteld voor tewerkstelling aan boord van een vrachtschip van een maatschappij die de verbinding verzekert tussen Oostende en een Britse haven.
Titre
2 DECEMBRE 1999. - Arrêté royal fixant les conditions particulières de travail pour les membres du personnel statutaire de la Régie des Transports maritimes en liquidation et du cadre organique distinct du Ministère des Communications et de l'Infrastructure, mis à la disposition pour affectation à bord d'un cargo d'une société assurant la liaison entre Ostende et un port britannique.
Informations sur le document
Numac: 2000014013
Datum: 1999-12-02
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000014013
Date: 1999-12-02
Moniteur: Voir
Table des matières
Table des matières
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. De bijzondere arbeidsvoorwaarden voor de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport in vereffening en van de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, ter beschikking gesteld voor tewerkstelling aan boord van een vrachtschip, worden vastgesteld overeenkomstig de als bijlage bij dit besluit opgenomen bepalingen.
Article 1. Les conditions particulières de travail pour les membres du personnel statutaire de la Régie des Transports maritimes en liquidation et du cadre organique distinct du Ministère des Communications et de l'Infrastructure, mis à la disposition pour affectation à bord d'un cargo, sont fixées conformément aux dispositions figurant en annexe au présent arrêté.
Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 1997 en houdt op van kracht te zijn op 28 februari 1999 voor wat de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport in vereffening betreft en heeft uitwerking met ingang van 1 maart 1999 voor wat de statutaire personeelsleden van de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur betreft.
Art. 2. Le présent arrêté produit ses effets le 1er mars 1997 et cesse d'être en vigueur le 28 février 1999 en ce qui concerne les membres du personnel statutaire de la Régie des Transports maritimes en liquidation et produit ces effets le 1er mars 1999 en ce qui concerne les membres du personnel statutaire du cadre organique distinct du Ministère des Communications et de l'Infrastructure.
Art. 3. Onze Minister van Mobiliteit en Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 2 december 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
  Mevr. I. DURANT
Art. 3. Notre Ministre de la Mobilité et des Transports est chargée de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 2 décembre 1999.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre de la Mobilité et des Transports,
  Mme I. DURANT
Bijlage.
Annexe.
Art. N. Bijlage. BIJZONDERE ARBEIDSVOORWAARDEN.
  Vaststelling van de bijzondere arbeidsvoorwaarden voor de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport in vereffening en van de afzonderlijke personeelsformatie van het Ministerie van Verkeer en Infrastructuur, ter beschikking gesteld voor tewerkstelling aan boord van een vrachtschip, van een maatschappij die de verbinding verzekert tussen Oostende en een Britse haven.
Art. N. Annexe. CONDITIONS PARTICULIERES DE TRAVAIL.
  Fixation des conditions particulières de travail pour les membres du personnel statutaire de la Régie des Transports maritimes en liquidation et du cadre organique distinct du Ministère des Communications et de l'Infrastructure, mis à la disposition pour affectation à bord d'un cargo d'une société assurant la liaison entre Ostende et un port britannique.
Art. 1N. 1. ARBEIDSREGELING IN VERBAND MET VRACHTSCHIP.
  1.1. Algemene principes.
  Om de tewerkstelling te regelen van de statutaire varende personeelsleden zullen volgende principes in acht genomen worden :
  1.1.1. Op een rotatiebasis van maximaal 14 dagen dient de helft van de periode aan boord verbleven en is voor de andere helft rust voorzien.
  1.1.2. De rust die voorzien is, moet, eens ingegaan, steeds integraal geëerbiedigd worden.
  1.1.3. Tijdens het verblijf aan boord wordt 12 uur prestatie per dag geprogrammeerd.
  1.1.4. Per 24 uur wordt 8 uur effectieve rust gegarandeerd.
  1.1.5. Tijdens de overige 4 uur kan uitzonderlijk 2 uur extra overwerk opgelegd worden.
  1.1.6. Gelijkmatige verdeling van het aantal uit te voeren taken over al het personeel.
  1.1.7. Gelijkmatige verdeling van de prestaties op zondag en van de prestaties gedurende de nacht.
  1.1.8. Respecteren door de betrokken partijen van de in voege zijnde wekelijkse arbeidsduur (thans 38 uur).
  1.2. Vrachtschipprestatie.
  Een vrachtschipprestatie bestaat uit 12 uur prestatie met een maximum van 14 uur per 24 uur verblijf aan boord van het vrachtschip.
  1.3. Vrachtschipbeurt.
  Een verblijf van maximaal 7 dagen aan boord gevolgd door 7 dagen rust is een beurt.
  1.4. Vacatie, vacatiegrens, vacatiegrensoverschrijding.
  1.4.1. Behoren tot een vacatie de tijdsduur waaruit een vrachtschipprestatie bestaat (zie 1.2.).
  1.4.2. De vacatiegrens is vastgesteld op 9 u.
  1.4.3. Er is vacatiegrensoverschrijding wanneer het verschil tussen de gepresteerde prestatie vermeld sub 1.4.1. en 9 u positief is.
  1.5. Weekgrens, weekgrensoverschrijding.
  1 5.1. De tijden die in aanmerking komen voor de berekening van de gebeurlijke overschrijding van de vacatiegrens worden in aanmerking genomen voor de gebeurlijke overschrijding van de weekgrens.
  1.5.2. Het overwerk wegens overschrijding van de weekgrens wordt berekend per kalendermaand. Het is gelijk aan het verschil tussen de gepresteerde tijden vermeld sub 1.5.1. en de normale werkduur, (thans 38 x n/7), waarin n gelijk is aan het aantal kalenderdagen in de maand.
  1.6. Meerwerk.
  Per 24 uur wordt de tijdsduur tussen duur vrachtschipprestatie en 8 uur gegarandeerde rust voor 1/3 als meerwerk beschouwd.
Art. 1N. 1. REGLEMENTATION DU TRAVAIL RELATIVE AU CARGO.
  1.1. Principes généraux.
  L'affectation du personnel navigant statutaire est réglée selon les principes suivants :
  1.1.1. Sur une base de rotation maximale de 14 jours, la moitié de la période doit se dérouler à bord et l'autre moitié doit être consacrée au repos.
  1.1.2. Une fois entamé, le repos prévu doit toujours être intégralement respecté.
  1.1.3. Une prestation de 12 heures par jour est programmée lors du séjour à bord.
  1.1.4. Un repos effectif de 8 heures est garanti par tranche de 24 heures.
  1.1.5. Pendant les 4 heures restantes, deux heures de travail supplémentaires peuvent être imposées à titre exceptionnelle.
  1.1.6. Répartition uniforme du nombre de tâches à exécuter par tout le personnel.
  1.1.7. Répartition uniforme des prestations dominicales et des prestations de nuit.
  1.1.8. Respect par les parties concernées du temps de travail hebdomadaire en vigueur (actuellement 38 heures).
  1.2. Prestation cargo.
  Une prestation cargo consiste en une prestation de 12 heures, avec un maximum de 14 heures par tranche de 24 heures de séjour à bord du cargo.
  1.3. Tour de rôle cargo.
  Un séjour d'une durée maximale de 7 jours à bord suivi de 7 jours de repos constitue un tour de rôle.
  1.4. Vacation, limite de vacation, dépassement de la limite de vacation.
  1.4.1. Font partie d'une vacation, la durée d'une prestation cargo (voir 1.2.).
  1.4.2. La limite de vacation est fixée à 9 h.
  1.4.3. Il y a dépassement de la limite de vacation lorsque la différence entre la prestation effectuée visée au point 1.4.1. et 9 h est positive.
  1.5. Limite hebdomadaire, dépassement de la limite hebdomadaire.
  1.5.1. Les temps entrant en ligne de compte pour le calcul du dépassement éventuel de la limite de vacation sont pris en considération pour le dépassement éventuel de la limite hebdomadaire.
  1.5.2. Les heures supplémentaires dues au dépassement de la limite hebdomadaire sont calculées par mois civil. Elles sont égales à la différence entre les temps prestes mentionnés au point 1.5.1. et la durée de travail normale, (actuellement 38 x n/7) où n est égal au nombre de jours civils du mois.
  1.6. Surcroît de travail.
  Par tranche de 24 heures, la période comprise entre la durée de prestation cargo et le repos garanti de 8 heures est considérée pour 1/3 comme surcroît de travail.
Art. 2N. 2. COMPENSATIE EN BEZOLDIGING VAN OVERWERK.
  2.1. Wegens overschrijding van de vacatiegrens.
  Overwerk wegens overschrijding van de vacatiegrens is het verschil tussen de prestatie berekend zoals bepaald in 1.4. en de vacatiegrens vastgesteld op 9 u.
  Dit verschil wordt :
  1° gecompenseerd door inhaalrust aan 100 % met dien verstande dat elk gepresteerd uur maar éénmaal kan verrekend worden. De verrekening gebeurt zoals bepaald in 2.4.
  2° daarenboven met inachtneming van 2.3.3. betaald aan 100 % als het gepresteerd is op zon- en wettelijke feestdagen en aan 50 % als het gepresteerd is op andere dagen.
  2.2. Wegens overschrijding van de weekgrens.
  Overwerk wegens overschrijding van de weekgrens wordt berekend over een maand en is gelijk aan het verschil van de prestaties zoals bepaald in 1.5. en de normale werkduur, (thans 38 x n/7), waarin n gelijk is aan het aantal kalenderdagen in de maand.
  Dit verschil wordt :
  1° gecompenseerd door inhaalrust aan 100 % met dien verstande dat elk gepresteerd uur maar eenmaal kan verrekend worden. De verrekening gebeurt zoals bepaald in 2.4.
  2° daarenboven, met inachtneming van 2.3.3., betaald aan 50 %.
  2.3. Basis voor betaling van overwerk.
  2.3.1. Het overwerk voortspruitende uit de overschrijding van de vacatiegrens wordt berekend op basis van 1/1850e van de brutobezoldiging (na aftrek van de kinderbijslag), gebeurlijk verhoogd met de toelage voor het uitoefenen van hogere functie. Voor de personeelsleden die de hogere functie per reis uitoefenen, wordt de brutobezoldiging verhoogd met de plaatsvervangingtoelage.
  2.3.2. Het overwerk voortspruitende uit de overschrijving van de weekgrens wordt berekend op basis van 1/1850e van de brutobezoldiging (na aftrek van de kinderbijslag) die het personeelslid genoot in de loop van de kwestieuze maand, eventueel verhoogd met de toelage voor het uitoefenen van de hogere functie. Voor die welke de hogere functie per reis uitoefenen wordt de brutobezoldiging verhoogd met de plaatsvervangingtoelage.
  2.3.3. Uitbetaling : De resultaten van 2.3.1. en 2.3.2. worden vergeleken en het hoogste bedrag wordt uitbetaald. Wanneer de resultaten juist gelijk zijn wordt de weekgrensoverschrijding uitbetaald.
  2.4. Verrekening van de inhaalrust voor overwerk.
  2.4.1. Voor elke maand van een trimester wordt de waarde van c = a - 38n/7 berekend, waarin a = de som over een maand van de prestaties zoals bepaald in 1.4. en n = het aantal kalenderdagen in de maand.
  Het aantal uren overwerk te compenseren door inhaalrust is gelijk aan c indien de waarde van c positief is.
  Het aantal uren verleende inhaalrust is gelijk aan c indien de waarde van c negatief is.
  2.4.2. De positieve waarden van c in de loop van een trimester worden gecompenseerd door de negatieve waarden van c in de loop van dat zelfde trimester.
  Indien er op het einde van een trimester, ingevolge bijzondere omstandigheden een positief saldo overblijft wordt het voor compensatie overgedragen naar het volgende trimester.
  Indien op het einde van een trimester een negatief saldo overblijft wordt het aangewend voor compensatie van meerwerk zoals bepaald in 3.
  Het eventueel daarna overblijvend negatief saldo vervalt.
Art. 2N. 2. COMPENSATION ET REMUNERATION DU TRAVAIL SUPPLEMENTAIRE.
  2.1. En raison d'un dépassement de la limite de vacation.
  Le travail supplémentaire provenant du dépassement de la limite de vacation est égal à la différence entre les prestations calculées comme indiqué au point 1.4. et la limite de vacation fixée à 9 h.
  Cette différence est :
  1° compensée à 100 % par du repos de rattrapage, étant entendu que chaque heure prestée ne peut être imputé qu'une fois. Le calcul se fait comme indiqué au point 2.4.
  2° compte tenue du point 2.3.3., rémunérée en outre à 100 % en cas de prestation les dimanches et jours fériés légaux et à 50 % en cas de prestation effectuée les autres jours.
  2.2. En raison du dépassement de la limite hebdomadaire.
  Les heures supplémentaires dues au dépassement de la limite hebdomadaire sont calculées par mois et sont égales à la différence entre les prestations définies au point 1.5. et la durée de travail normale, (actuellement (38 x n)/7), où n est égal au nombre de jours civils du mois.
  Cette différence est :
  1° compensée à 100 % par du repos de rattrapage, était entendu que chaque heure prestée ne peut être imputée qu'une seule fois. Le calcul se fait comme indiqué au point 2.4;
  2° compte tenu point 2.3.3., rémunérée en outre à 50 %.
  2.3. Base pour la rémunération des heures supplémentaires.
  2.3.1. Les heures supplémentaires dues au dépassement de la limite de vacation sont calculées sur la base de l/1850e de la rémunération brute (après déduction des allocations familiales), éventuellement majorée de l'allocation pour exercice de fonctions supérieures. Pour les agents exerçant une fonction supérieure par voyage, la rémunération brute est majorée de l'allocation de remplacement.
  2.3.2. Les heures supplémentaires dues au dépassement de la limite hebdomadaire sont calculées sur la base de 1/1850e de la rémunération brute (après déduction des allocations familiales) dont l'agent jouissait au cours du mois en question, éventuellement majorée de l'allocation pour exercice de fonctions supérieures. Pour les agents exerçant une fonction supérieure par voyage, la rémunération brute est majorée de l'allocation de remplacement.
  2.3.3. Paiement : après comparaison des résultats obtenus en 2.3.1. et 2.3.2. le montant le plus élevé est payé. Quand les résultats sont strictement identiques, il y a lieu de payer dépassement de la limite hebdomadaire.
  2.4. Calcul du repos de rattrapage pour les heures supplémentaires.
  2.4.1. Pour chaque mois d'un trimestre, on calcule la valeur de c = a - 38n/7, où a est la somme des prestations d'un mois comme définies au point 1.4. et n le nombre de jours civils du mois.
  Le nombre d'heures supplémentaires à compenser par du repos de rattrapage est égal à c si la valeur de c est positive.
  Le nombre d'heures de repos de rattrapage accordées est égal à c si la valeur de c est négative.
  2.4.2. Les valeurs positives de c au cours d'un trimestre sont compensées par les valeurs négatives de c au cours du même trimestre.
  Si à la fin du trimestre il subsiste un solde positif dû à des circonstances particulières, ce solde sera transféré pour compensation au prochain trimestre.
  Si à la fin du trimestre il subsiste un solde négatif, celui-ci sera utilisé pour compenser le surcroît de travail comme défini au point 3.
  Le solde négatif éventuellement restant est annulé.
Art. 3N. 3. COMPENSATIE EN BEZOLDIGING VAN MEERWERK.
  Het meerwerk, zoals bepaald in 1.6. wordt of wel gecompenseerd in de maand volgend op het trimester waarin het werd gepresteerd na voorafgaand verminderd te zijn met de absolute waarde van het saldo van c (zoals bepaald in 2.4.) als c negatief saldo vertoonde in dat trimester, ofwel aan 100 % betaald indien het niet gecompenseerd werd in de loop van de maand volgend op het trimester waarin het gepresteerd werd.
Art. 3N. 3. COMPENSATION ET REMUNERATION DU SURCROIT DE TRAVAIL.
  Le surcroît de travail, comme défini au point 1.6., est compensé dans le mois suivant le trimestre au cours duquel il a eu lieu après avoir été préalablement diminué de la valeur absolue du solde de c (défini au point 2.4.) si c présentait un solde négatif au cours de ce trimestre, soit rémunéré à 100 % s'il n'a pas été compensé au cours du mois suivant le trimestre au cours duquel le surcroît de travail a eu lieu.
Art. 4N. 4. TOELAGE VOOR PRESTATIES OP ZON- EN WETTELIJKE FEESTDAGEN.
  De tijden sub 1.4. die gepresteerd werden op zon- en wettelijke feestdagen en niet betaald werden als vacatiegrensoverschrijding, worden per uur of gedeelte ervan vergoed op basis van 1/1850e van de bruutbezoldiging (na aftrek van de kinderbijslag) gebeurlijk verhoogd met de toelage voor het uitoefenen van de hogere functie.
  Voor de personeelsleden die de hogere functie per reis uitoefenen, wordt de bruutbezoldiging verhoogd met de plaatsvervangingtoelage.
Art. 4N. 4. ALLOCATION POUR PRESTATIONS EFFECTUEES LES DIMANCHES ET JOURS FERIES LEGAUX.
  Les temps visés au point 1.4. prestes les dimanches et les jours fériés légaux et non rémunérés comme dépassement de la limite de vacation, sont compensés par heure complète ou partielle sur la base de 1/1850e de la rémunération brute (après déduction des allocations familiales), éventuellement majorée de l'allocation pour exercice de fonctions supérieures.
  Pour les agents exerçant une fonction supérieure par voyage, la rémunération brute est majorée de l'allocation de remplacement.
Art. 5N. 5. AFGELASTING VAN REIZEN INGEVOLGE ONVOORZIENE OMSTANDIGHEDEN.
  Wanneer één of meer vrachtschipreizen afgelast worden, geprogrammeerd of ingevolge onvoorziene omstandigheden, blijven de personeelsleden aan boord van het vrachtschip voor de voorziene duur van de vrachtschipreis of -prestatie.
Art. 5N. 5. ANNULATION DE VOYAGES PAR SUITE DE CIRCONSTANCES IMPREVISIBLES.
  Lorsqu'un ou plusieurs voyages cargo sont annulés, programmés ou à la suite de circonstances imprévisibles, les membres du personnel restent à bord du cargo pour la durée prévue de la prestation ou du voyage cargo.
Art. 6N. 6. BIJZONDERE GEVALLEN.
  6.1. Geen van de bepalingen van deze regeling kan een beletsel vormen voor het uitvoeren van werken zoals bepaald in artikel 26, § 1, 1° en 2° van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  6.2. De prestaties in verband met dergelijke werken vormen nooit een inbreuk op de bepalingen van deze regeling en worden voor de toepassing ervan geacht niet te bestaan.
  6.3. De prestaties bedoeld in artikel 26, § 1, 1° en 2° van de arbeidswet van 16 maart 1971, worden geregeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze wet.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 december 1999.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Mobiliteit en Vervoer,
  Mevr. I. DURANT
Art. 6N. 6. CAS PARTICULIERS.
  6.1. Aucune des dispositions de la présente réglementation ne peut faire obstacle à l'exécution de travaux visés à l'article 26, § 1, 1° et 2° de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
  6.2. Les prestations afférentes à de tels travaux ne constituent jamais une infraction aux dispositions de la présente réglementation et sont, pour l'application de cette dernière, censées ne pas exister.
  6.3. Les prestations visées à l'article 26, § 1, 1° et 2° de la loi sur le travail du 16 mars 1971, sont réglées conformément aux dispositions de cette loi.
  Vu pour être annexé à Notre arrêté du 2 décembre 1999.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre de la Mobilité et des Transports,
  Mme I. DURANT