Artikel 1. Voor de toepassing van de artikelen 188 en 194, § 1, de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen wordt verstaan onder :
A. langdurig niet-werkende werkzoekende :
1° de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die op het ogenblik van de indienstneming zonder onderbreking werkloosheids- of wachtuitkeringen geniet volgens het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, sinds ten minste :
a) vierentwintig kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt;
b) zes kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar wel heeft bereikt;
2° de niet-werkende werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
3° de personen die zich wensen in te schakelen of terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) zij leveren het bewijs af dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van achttien maanden, ofwel tonen zij aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens vierentwintig maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende;
B. bestaansminimumtrekker : de persoon is, op het ogenblik van de indienstneming, of was, binnen de 40 dagen die zijn indienstneming voorafgaan :
- hetzij begunstigde van het recht op een bestaansminimum zoals ingesteld bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van een recht op een bestaansminimum;
- hetzij tewerkgesteld in het kader van een arbeidsovereenkomst in toepassing van artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
C. gerechtigde van de financiële sociale bijstand : de persoon die, op het ogenblik van de indienstneming of binnen de 40 dagen die aan zijn indienstneming voorafgaan, aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de persoon heeft geen recht op het bestaansminimum op grond van zijn nationaliteit;
2° de persoon ontvangt financiële steun ten laste van een OCMW;
3° de persoon is ingeschreven in het bevolkingsregister.
Article 1. Pour l'application des articles 188 et 194, § 1, la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, il faut entendre par :
A. demandeur d'emploi inoccupé de longue durée :
1° le chômeur complet indemnisé qui, au moment de l'engagement, bénéficie sans interruption d'allocations de chômage ou d'attente dans le régime d'indemnisation prévu à l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage depuis au moins :
a) vingt-quatre mois calendrier ininterrompus s'il n'a pas atteint l'âge de 45 ans;
b) six mois calendrier ininterrompus s'il a atteint l'âge de 45 ans;
2° les demandeurs d'emploi inoccupés dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991 ou sur base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
3° les personnes désirant s'insérer ou se réinsérer sur le marché du travail, et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
a) ils apportent la preuve qu'ils ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, presté 312 journées de travail ou journées assimilées dans le sens de la réglementation chômage au cours d'une période de dix-huit mois, ou qu'ils ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur base des prestations de travail, en dehors de la période visée sous b);
b) au moment de l'engagement, ils n'ont pas bénéficié d'allocations de chômage, ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant pendant une période de vingt-quatre mois sans interruption;
c) au moment de l'engagement, ils sont inscrits comme demandeurs d'emploi;
B. bénéficiaire du minimum de moyens d'existence : la personne est, au moment de l'engagement, ou a été, dans les 40 jours qui précèdent son engagement :
- soit bénéficiaire du droit au minimum de moyens d'existence institué par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
- soit occupée dans les liens d'un contrat de travail en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
C. bénéficiaire de l'aide sociale financière : la personne qui remplit les conditions suivantes au moment de l'engagement ou dans les 40 jours qui précèdent son engagement :
1° la personne n'a pas droit au minimum de moyens d'existence en raison de sa nationalité;
2° la personne perçoit une aide sociale financière à charge d'un CPAS;
3° la personne est inscrite au registre de la population.