§ 2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad bedoeld.
Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :
1° budgettaire effectieven : het militair personeel waarvan de bezoldiging ten laste valt van het personeelsbudget van het Ministerie van Landsverdediging;
2° voltijdse effectieven : de effectieven uitgedrukt in equivalenten van voltijdse prestaties van werkelijke dienst, waarvoor de perioden die, in de statuten van het militair personeel met periodes van werkelijke dienst worden gelijkgesteld zonder dat zij in de feiten overeenstemmen met werkelijke dienstprestaties, niet in aanmerking worden genomen;
3° personeelsenveloppe : de maximum toegelaten voltijdse budgettaire effectieven aan militair personeel;
4° [1 militairen van het actief kader :
a) de beroepsmilitairen;
b) de aanvullingsmilitairen;
c) de hulpofficieren;
d) de militairen korte termijn;
e) de kandidaat-officieren en de kandidaat-onderofficieren van het actief kader, respectievelijk aangesteld in de graad van onderluitenant of sergeant en die zich reeds bevinden in hun eenheid van definitieve eerste aanwijzing;
f) de kandidaat-vrijwilligers van het actief kader;
g) de militaire muzikanten;
h) de kandidaat-officieren kapelmeesters en de kandidaat-onderofficieren muzikanten aangesteld in de graad van onderluitenant, respectievelijk sergeant, die zich reeds bevinden in hun eenheid van definitieve eerste aanwijzing;
i) de militairen die een vrijwillige militaire inzet vervullen, wanneer ze geen soldij meer ontvangen]1
5° leerlingen : de leerlingen die gevormd worden tot officier of onderofficier in een categorie van militairen van het actief kader bedoeld in 4° en die zich nog niet bevinden in hun eenheid van definitieve eerste aanwijzing;
6° bekleed met een graad : benoemd of aangesteld in die graad;
7° personeelscategorie : één van de drie volgende categorieën :
a) de " officieren " : de militairen bekleed met een officiersgraad;
b) de " onderofficieren " : de militairen bekleed met een onderofficiersgraad;
c) de " vrijwilligers " : de andere militairen;
8° personeelsondercategorie : één van de volgende ondercategorieën :
a) de " opperofficieren " : de officieren bekleed met de graad van luitenant-generaal of generaal-majoor;
b) de " hoofdofficieren " : de officieren bekleed met de graad van kolonel, luitenant-kolonel of majoor;
c) de " lagere officieren " : de officieren bekleed met de graad van kapitein-commandant, kapitein, luitenant of onderluitenant;
d) de " hoofdonderofficieren " : de onderofficieren bekleed met de graad van adjudant-majoor of adjudant-chef;
e) de " keuronderofficieren " : de onderofficieren bekleed met de graad van adjudant of eerste sergeant-majoor;
f) de " lagere onderofficieren " : de onderofficieren bekleed met de graad van eerste sergeant-chef, eerste sergeant of sergeant;
g) de " keurvrijwilligers " : de vrijwilligers bekleed met de graad van eerste korporaal-chef of korporaal-chef;
h) de " lagere vrijwilligers " : de vrijwilligers bekleed met de graad van korporaal, eerste soldaat of soldaat;
9° groep van personeelsondercategorieën : de samenvoeging van ten minste twee personeelsondercategorieën die tot een zelfde personeelscategorie behoren;
10° gradengroep : de samenvoeging binnen een personeelsondercategorie van twee of meer graden met het oog op de verdere verdeling van de getalsterkte;
11° periode van oorlog : de periode gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de aanwending van de krijgsmacht, de paraatstelling, alsook betreffende de periodes en de standen waarin de militair zich kan bevinden.