Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
12 AUGUSTUS 2000. - Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen. (NOTA : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB 2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-08-2000 en tekstbijwerking tot 23-11-2023)
Titre
12 AOUT 2000. - Loi portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses. (NOTE 1 : les mots " Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges " sont remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " ; voir AR 2004-10-18/32, art. 38 ; En vigueur : 01-01-2005) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-08-2000 et mise à jour au 23-11-2023)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITEL II. - Pensioenen.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake pensioenen in...
Afdeling I. - Toekenning van rustpensioencomple...
Onderafdeling 1. - Complement voor een belasten...
Onderafdeling 2. - Complement wegens leeftijd.
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Afdeling II. - (Opgeheven)
Afdeling III. - Aanpassing van de wet van 13 me...
Afdeling IV.
Afdeling V. - Validering van perioden van loopb...
Afdeling Vl. - Pensioenstelsel van het Federaal...
Afdeling VII. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake pensioenen i...
Afdeling I. - Betaling van de ouderdoms- en wed...
Afdeling II. - Vertegenwoordiging en verschijni...
HOOFDSTUK III. - Maatregelen inzake pensioenen ...
HOOFDSTUK IV. - Solidariteitsafhouding.
TITEL III. - Geneeskundige verzorging - RIZIV.
HOOFDSTUK I. - SIS-kaart.
HOOFDSTUK II. - Geneeskundige verzorging.
HOOFDSTUK III. - Overlegstructuur - technische ...
TITEL IV. - Arbeidsongevallen.
TITEL V. - Kinderbijslag.
HOOFDSTUK I. - Regeling van rechtstreekse betal...
HOOFDSTUK II. - Gewaarborgde gezinsbijslag.
HOOFDSTUK III. - Ambtenaren Europese Gemeenscha...
HOOFDSTUK IV. - Discriminaties op basis van het...
HOOFDSTUK V. - Responsabilisering van de kinder...
HOOFDSTUK VI. - Trimestrialisering van de toesl...
TITEL VI. - Jaarlijkse vakantie.
TITEL VII. - Kruispuntbank van de Sociale Zeker...
TITEL VIII. - RSZ-wetgeving.
HOOFDSTUK I. - Vermindering persoonlijke bijdra...
HOOFDSTUK II. - Vermindering persoonlijke bijdr...
HOOFDSTUK III. - Openbare uitzendkantoren.
HOOFDSTUK IV. - Sancties in de tuinbouwsector.
HOOFDSTUK V. - Maatschappelijke zekerheid zeeli...
HOOFDSTUK VI. - Sociaal statuut van de niet bes...
TITEL IX. - Diverse sociale bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wet op de ziekenhuizen.
HOOFDSTUK II. - Responsabilisering van de openb...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan de wet van 6 a...
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen met betrekking tot ...
TITEL X. - Tewerkstelling en arbeid.
HOOFDSTUK I. - Arbeidsduur in het bouwbedrijf.
HOOFDSTUK II. - Oprichting begrotingsfonds open...
HOOFDSTUK III. - Aanpassing van de wetgeving in...
HOOFDSTUK IV. - Afschaffing dienstencheques, ou...
HOOFDSTUK V. - Plus-één-plan.
HOOFDSTUK VI. - Plus-twee-plan, plus-drie-plan.
HOOFDSTUK VII. - Loopbaanonderbreking voor poli...
HOOFDSTUK VIII. - Terbeschikkingstelling.
HOOFDSTUK IX. - Doorstromingsprogramma's en ter...
HOOFDSTUK X. - Tewerkstelling ziekenhuizen open...
HOOFDSTUK XI. - [1 Terbeschikkingstelling van w...
Afdeling I. - [1 Terbeschikkingstelling van wer...
Afdeling II. -- Invoeginterim.
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen aan de wet van 3 j...
HOOFDSTUK XIII. - Activering van werkloosheidsu...
TITEL XI. - Maatschappelijke integratie en soci...
HOOFDSTUK I. - Bestaansminimum.
HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen aan de Gehandi...
HOOFDSTUK III. - Fonds sociale economie.
TITEL XII. - Consumentenzaken, volksgezondheid ...
HOOFDSTUK I. - Financiering van het Instituut v...
HOOFDSTUK II.
TITEL XIII. - Energie en duurzame ontwikkeling.
TITEL XIV. - Mobiliteit, vervoer, postdiensten,...
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Telecommunicatie en postdiensten.
TITEL XV. - Buitenlandse Zaken.
TITEL XVI. - Overheidsopdrachten.
Table des matières
TITRE I. - Disposition générale.
TITRE II. - Pensions.
CHAPITRE 1. - Mesures en matière de pensions da...
Section I. - Octroi de compléments de pensions ...
Sous-section 1. - Complément pour fonction cont...
Sous-section 2. - Complément pour âge.
Sous-section 3. - Dispositions communes.
Section II. - (Abrogée)
Section III. - Adaptation de la loi du 13 mai 1...
Section IV.
Section V. - Validation des périodes d'interrup...
Section VI. - Régime de pension du Bureau fédér...
Section VII. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE II. - Mesures en matière de pensions d...
Section I. - Paiement des rentes de vieillesse ...
Section II. - Représentation et comparution en ...
CHAPITRE III. - Mesures en matière de pensions ...
CHAPITRE IV. - Retenue de solidarité.
TITRE III. - Soins de santé - INAMI.
CHAPITRE I. - Carte SIS.
CHAPITRE II. - Soins de santé.
CHAPITRE III. - Structure de concertation - cel...
TITRE IV. - Accidents du travail.
TITRE V. - Allocations familiales.
CHAPITRE I. - Système du paiement direct des al...
CHAPITRE II. - Prestations familiales garanties.
CHAPITRE III. - Fonctionnaires des Communautés ...
CHAPITRE IV. - Discriminations fondées sur le s...
CHAPITRE V. - Responsabilisation des caisses d'...
CHAPITRE VI. - Trimestrialisation des supplémen...
TITRE VI. - Vacances annuelles.
TITRE VII. - Banque-Carrefour de la Sécurité so...
TITRE VII. - Législation ONSS.
CHAPITRE I. - Réduction des cotisations personn...
CHAPITRE II. - Réduction des cotisations person...
CHAPITRE III. - Entreprises publiques d'intérim.
CHAPITRE IV. - Sanctions dans le secteur de l'h...
CHAPITRE V. - Sécurité sociale des marins de la...
CHAPITRE VI. - Statut social des mandataires lo...
TITRE IX. - Dispositions sociales diverses.
CHAPITRE I. - Loi sur les hôpitaux.
CHAPITRE II. - Responsabilisation des instituti...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 6 aoû...
CHAPITRE IV. - Mesures relatives au taux d'acti...
TITRE X. - Emploi et travail.
CHAPITRE 1. - Durée du travail dans la construc...
CHAPITRE II. - Création du fonds budgétaire sec...
CHAPITRE III. - Adaptation de la législation en...
CHAPITRE IV. - Suppression du système des chèqu...
CHAPITRE V. - Plan-plus-un.
CHAPITRE VI. - Plan-plus-deux, plan-plus-trois.
CHAPITRE VlI. - Interruption de carrière pour m...
CHAPITRE VIII. - Mise à la disposition.
CHAPITRE IX. - Programmes de transition et mise...
CHAPITRE X. - Emploi hôpitaux secteur public.
CHAPITRE XI. - [1 Mise de travailleurs à la dis...
Section I. - [1 Mise de travailleurs à la dispo...
Section II. - Intérim d'insertion.
CHAPITRE XII. - Modifications à la loi du 3 jui...
CHAPITRE XIII. - Activation des allocations de ...
TITRE XI. - Intégration sociale et économie soc...
CHAPITRE 1. - Minimum de moyens d'existence.
CHAPITRE II. - Allocations aux handicapés.
CHAPITRE III. - Fonds d'Economie sociale.
TITRE XII. - Protection du consommateur, santé ...
CHAPITRE 1. - Financement de l'Institut d'exper...
CHAPITRE II.
TITRE XIII. - Energie et développement durable.
TITRE XIV. - Mobilité, transports, services pos...
CHAPITRE I. - Dispositions diverses.
CHAPITRE II. - Services postaux et télécommunic...
TITRE XV. - Affaires étrangères.
TITRE XVI. - Marchés publics.
Tekst (325)
Texte (325)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - Pensioenen.
TITRE II. - Pensions.
HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake pensioenen in de openbare sector.
CHAPITRE 1. - Mesures en matière de pensions dans le secteur public.
Afdeling I. - Toekenning van rustpensioencomplementen.
Section I. - Octroi de compléments de pensions de retraite.
Art. 2. Deze afdeling is van toepassing :
1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist;
2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair personeel :
a) van de provincies, alsook van de plaatselijke besturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn;
b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is;
d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven.
(e) van de geïntegreerde politie.) <W 2002-05-06/31, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 f) van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.]1
1° op de rustpensioenen ten laste van de Openbare Schatkist;
2° op de rustpensioenen toegekend aan het statutair personeel :
a) van de provincies, alsook van de plaatselijke besturen waarop de bepalingen inzake pensioenen van de nieuwe gemeentewet toepasselijk zijn;
b) van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) van de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is;
d) van de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven.
(e) van de geïntegreerde politie.) <W 2002-05-06/31, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 f) van het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO.]1
Modifications
Art. 2. La présente section s'applique :
1° aux pensions de retraite à charge du Trésor public;
2° aux pensions de retraite accordées au personnel statutaire :
a) des provinces, des administrations locales auxquelles les dispositions de la nouvelle loi communale en matière de pension sont applicables;
b) des organismes auxquels est applicable l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) des organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
d) des entreprises publiques autonomes non visées ci-avant;
(e) de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 38, 006; En vigueur : 01-01-2003>
[1 f) du Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL.]1
1° aux pensions de retraite à charge du Trésor public;
2° aux pensions de retraite accordées au personnel statutaire :
a) des provinces, des administrations locales auxquelles les dispositions de la nouvelle loi communale en matière de pension sont applicables;
b) des organismes auxquels est applicable l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) des organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
d) des entreprises publiques autonomes non visées ci-avant;
(e) de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 38, 006; En vigueur : 01-01-2003>
[1 f) du Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL.]1
Modifications
Onderafdeling 1. - Complement voor een belastende functie.
Sous-section 1. - Complément pour fonction contraignante.
Art. 3. Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen wordt verhoogd met een pensioencomplement indien het personeelslid de volgende voorwaarden vervult :
a) op het ogenblik van zijn opruststelling omvat zijn loopbaan ten minste 35 jaar diensten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de onderscheiden pensioenen waarop het aanspraak kan maken;
b) vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn 49e verjaardag heeft het personeelslid diensten in een belastende functie gepresteerd waarvan de werkelijke duur die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, overeenstemt met ten minste 10 jaar voltijdse prestaties.
Om te bepalen of de in het eerste lid, a), bepaalde 35 jaar bereikt zijn, worden alle diensten en alle perioden in aanmerking genomen die aanneembaar zijn voor de berekening van de onderscheiden, uit de eigen beroepsactiviteit van het personeelslid voortvloeiende rustpensioenen, in om het even welke Belgische of buitenlandse pensioenregeling of pensioenregeling van een internationale instelling, met uitsluiting evenwel van :
- de perioden die in aanmerking worden genomen ten gevolge van het bezit van een diploma of van gedane studies;
- de perioden die worden geregulariseerd;
- de perioden van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
- de perioden van verlof voor opdracht van algemeen belang;
- andere perioden van loopbaanonderbreking dan die welke gratis aanneembaar zijn voor het pensioen en voor welke het personeelslid of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangen heeft voor een kind van minder dan zes jaar (of dan die gedurende welke het personeelslid zijn loopbaan heeft onderbroken om palliatieve verzorging te verlenen aan een zieke). <W 2003-02-03/41, art. 63, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Om te bepalen of de in het eerste lid, b), bepaalde 10 jaar zijn bereikt, worden perioden van afwezigheid niet in aanmerking genomen, met uitzondering van de verloven met behoud van bezoldiging.
Indien een personeelslid, tijdens zijn gehele loopbaan of een deel ervan, gelijktijdig rechten opent op onderscheiden pensioenen, worden die perioden enkel eenmaal in aanmerking genomen.
Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het nominaal bedrag dat het pensioen zou hebben bereikt indien de werkelijk in een belastende functie gepresteerde diensten in aanmerking waren genomen naar rata van het tantième 1/47 per jaar, en anderzijds, het nominaal bedrag van datzelfde pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de normale berekeningsregels. Voor de toepassing van dit lid worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging verkregen tijdens de uitoefening van een belastende functie, gelijkgesteld met werkelijk in die functie gepresteerde diensten.
a) op het ogenblik van zijn opruststelling omvat zijn loopbaan ten minste 35 jaar diensten die in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de onderscheiden pensioenen waarop het aanspraak kan maken;
b) vanaf de eerste dag van de maand die volgt op zijn 49e verjaardag heeft het personeelslid diensten in een belastende functie gepresteerd waarvan de werkelijke duur die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, overeenstemt met ten minste 10 jaar voltijdse prestaties.
Om te bepalen of de in het eerste lid, a), bepaalde 35 jaar bereikt zijn, worden alle diensten en alle perioden in aanmerking genomen die aanneembaar zijn voor de berekening van de onderscheiden, uit de eigen beroepsactiviteit van het personeelslid voortvloeiende rustpensioenen, in om het even welke Belgische of buitenlandse pensioenregeling of pensioenregeling van een internationale instelling, met uitsluiting evenwel van :
- de perioden die in aanmerking worden genomen ten gevolge van het bezit van een diploma of van gedane studies;
- de perioden die worden geregulariseerd;
- de perioden van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
- de perioden van verlof voor opdracht van algemeen belang;
- andere perioden van loopbaanonderbreking dan die welke gratis aanneembaar zijn voor het pensioen en voor welke het personeelslid of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangen heeft voor een kind van minder dan zes jaar (of dan die gedurende welke het personeelslid zijn loopbaan heeft onderbroken om palliatieve verzorging te verlenen aan een zieke). <W 2003-02-03/41, art. 63, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Om te bepalen of de in het eerste lid, b), bepaalde 10 jaar zijn bereikt, worden perioden van afwezigheid niet in aanmerking genomen, met uitzondering van de verloven met behoud van bezoldiging.
Indien een personeelslid, tijdens zijn gehele loopbaan of een deel ervan, gelijktijdig rechten opent op onderscheiden pensioenen, worden die perioden enkel eenmaal in aanmerking genomen.
Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het nominaal bedrag dat het pensioen zou hebben bereikt indien de werkelijk in een belastende functie gepresteerde diensten in aanmerking waren genomen naar rata van het tantième 1/47 per jaar, en anderzijds, het nominaal bedrag van datzelfde pensioen dat voortvloeit uit de toepassing van de normale berekeningsregels. Voor de toepassing van dit lid worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging verkregen tijdens de uitoefening van een belastende functie, gelijkgesteld met werkelijk in die functie gepresteerde diensten.
Art. 3. Le taux nominal des pensions de retraite visées à l'article 2 est majoré d'un complément de pension si l'agent remplit les conditions suivantes :
a) au moment de sa mise à la retraite, sa carrière comporte au moins 35 années de services qui peuvent être prises en compte pour le calcul des différentes pensions auxquelles il peut prétendre;
b) à partir du premier jour du mois qui suit son 49e anniversaire, il a presté dans une fonction contraignante des services dont la durée réelle prise en compte pour le calcul de la pension correspond à au moins 10 années de prestations complètes.
Pour déterminer si les 35 années visées à l'alinéa 1er, a), sont atteintes, tous les services et toutes les périodes admissibles pour le calcul des différentes pensions de retraite de l'agent, résultant de sa propre activité professionnelle, sont pris en compte quel que soit le régime de pension belge, étranger ou d'un organisme international, à l'exclusion toutefois :
- des périodes prises en compte suite à la possession d'un diplôme ou aux études effectuées;
- des périodes qui ont fait l'objet d'une régularisation;
- des périodes de disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
- des périodes de congé pour mission d'intérêt général;
- des périodes de pause-carrière autres que celles qui sont admissibles gratuitement pour la pension et pendant lesquelles l'agent ou son conjoint habitant sous le même toit a perçu des allocations familiales pour un enfant de moins de 6 ans (ou autres que celles pendant lesquelles l'agent a interrompu sa carrière pour donner des soins palliatifs à un malade). <L 2003-02-03/41, art. 63, 007; En vigueur : 01-01-2003>
Pour déterminer si les 10 années visées à l'alinéa 1er, b), sont atteintes, les périodes d'absence ne sont pas prises en compte, à l'exception des congés avec maintien de la rémunération.
Si, durant tout ou partie de sa carrière, un agent s'ouvre simultanément des droits à des pensions distinctes, ces périodes ne sont prises en compte qu'une seule fois.
Le complément visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le taux nominal que la pension aurait atteint si les services réellement prestés dans une fonction contraignante avaient été pris en compte à raison du tantième 1/47 par année, et, d'autre part, le taux nominal de la même pension résultant de l'application des règles normales de calcul. Pour l'application du présent alinéa, seuls les congés avec maintien de la rémunération obtenus durant l'exercice d'une fonction contraignante sont assimilés à des services réellement prestés dans cette fonction.
a) au moment de sa mise à la retraite, sa carrière comporte au moins 35 années de services qui peuvent être prises en compte pour le calcul des différentes pensions auxquelles il peut prétendre;
b) à partir du premier jour du mois qui suit son 49e anniversaire, il a presté dans une fonction contraignante des services dont la durée réelle prise en compte pour le calcul de la pension correspond à au moins 10 années de prestations complètes.
Pour déterminer si les 35 années visées à l'alinéa 1er, a), sont atteintes, tous les services et toutes les périodes admissibles pour le calcul des différentes pensions de retraite de l'agent, résultant de sa propre activité professionnelle, sont pris en compte quel que soit le régime de pension belge, étranger ou d'un organisme international, à l'exclusion toutefois :
- des périodes prises en compte suite à la possession d'un diplôme ou aux études effectuées;
- des périodes qui ont fait l'objet d'une régularisation;
- des périodes de disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
- des périodes de congé pour mission d'intérêt général;
- des périodes de pause-carrière autres que celles qui sont admissibles gratuitement pour la pension et pendant lesquelles l'agent ou son conjoint habitant sous le même toit a perçu des allocations familiales pour un enfant de moins de 6 ans (ou autres que celles pendant lesquelles l'agent a interrompu sa carrière pour donner des soins palliatifs à un malade). <L 2003-02-03/41, art. 63, 007; En vigueur : 01-01-2003>
Pour déterminer si les 10 années visées à l'alinéa 1er, b), sont atteintes, les périodes d'absence ne sont pas prises en compte, à l'exception des congés avec maintien de la rémunération.
Si, durant tout ou partie de sa carrière, un agent s'ouvre simultanément des droits à des pensions distinctes, ces périodes ne sont prises en compte qu'une seule fois.
Le complément visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le taux nominal que la pension aurait atteint si les services réellement prestés dans une fonction contraignante avaient été pris en compte à raison du tantième 1/47 par année, et, d'autre part, le taux nominal de la même pension résultant de l'application des règles normales de calcul. Pour l'application du présent alinéa, seuls les congés avec maintien de la rémunération obtenus durant l'exercice d'une fonction contraignante sont assimilés à des services réellement prestés dans cette fonction.
Art. 4. Als een belastende functie in de zin van artikel 3 wordt beschouwd de functie die wegens haar aard of van de omstandigheden waarin zij wordt uitgeoefend, psychisch of fysisch bijzonder zwaar en vermoeid is om gedurende veel jaren te worden uitgeoefend.
Op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de administratie der Pensioenen behoort, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de belastende functies in de zin van het eerste lid.
Op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de administratie der Pensioenen behoort, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de belastende functies in de zin van het eerste lid.
Art. 4. Est considérée comme fonction contraignante au sens de l'article 3, la fonction qui en raison de sa nature ou des circonstances dans lesquelles elle est exercée, devient sur le plan mental ou physique particulièrement lourde et pénible à exercer pendant de nombreuses années.
Sur la proposition du ministre qui a l'administration des Pensions dans ses attributions, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les fonctions contraignantes au sens de l'alinéa 1.
Sur la proposition du ministre qui a l'administration des Pensions dans ses attributions, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les fonctions contraignantes au sens de l'alinéa 1.
Onderafdeling 2. - Complement wegens leeftijd.
Sous-section 2. - Complément pour âge.
Art. 5. Het nominaal bedrag van de in artikel 2 bedoelde rustpensioenen, in voorkomend geval met inbegrip van het complement voor een belastende functie (en eventueel beperkt tot het maximum van 3/4 bepaald in artikel 39, eerste lid van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, in voorkomend geval verminderd krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht), wordt, [1 voor de werkelijk gepresteerde diensten na 31 december 2000 en vóór 1 januari 2014]1, verhoogd met een pensioencomplement waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
- 0,125 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 60e verjaardag van het personeelslid en de laatste dag van de maand van zijn 62e verjaardag, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan (15 EUR) per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01; <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2007-04-25/52, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
- 0,167 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 62e verjaardag van het personeelslid en het einde van zijn loopbaan, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan (20 EUR) per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01. <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van dit artikel worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten.
Indien het personeelslid, tijdens de in het eerste lid bedoelde perioden, diensten met onvolledige opdracht heeft verstrekt, worden die perioden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat de werkelijk gepresteerde diensten vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht.
- 0,125 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 60e verjaardag van het personeelslid en de laatste dag van de maand van zijn 62e verjaardag, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan (15 EUR) per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01; <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2007-04-25/52, art. 28, 011; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
- 0,167 % van dit nominaal bedrag voor elke maand begrepen tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de 62e verjaardag van het personeelslid en het einde van zijn loopbaan, zonder dat het bedrag van het complement per maand werkelijk gepresteerde dienst minder dan (20 EUR) per jaar mag bedragen aan het spilindexcijfer 138,01. <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Voor de toepassing van dit artikel worden enkel de verloven met behoud van bezoldiging gelijkgesteld met werkelijk gepresteerde diensten.
Indien het personeelslid, tijdens de in het eerste lid bedoelde perioden, diensten met onvolledige opdracht heeft verstrekt, worden die perioden in aanmerking genomen ten belope van het gedeelte dat de werkelijk gepresteerde diensten vertegenwoordigen in verhouding tot dezelfde diensten met volledige opdracht.
Modifications
Art. 5. Le taux nominal des pensions de retraite visées à l'article 2, y compris le cas échéant le complément pour fonction contraignante (et éventuellement limité au maximum des 3/4 prévu à l'article 39, alinéa 1er de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, le cas échéant réduit en vertu de l'article 4 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes), est, [1 pour les services réellement prestés après le 31 décembre 2000 et avant le 1er janvier 2014]1, majoré d'un complément de pension dont le montant est fixé comme suit : <L 2007-04-25/52, art. 28, 011; En vigueur : 01-06-2007>
- 0,125 % de ce taux nominal pour chaque mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui du 60e anniversaire de l'agent et le dernier jour du mois de son 62e anniversaire, sans que le montant du complément puisse, par mois de service réellement presté, être inférieur à (15 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01; <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
- 0,167 % de ce taux nominal pour chaque mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui du 62e anniversaire de l'agent et le terme de sa carrière, sans que le montant du complément puisse, par mois de service réellement presté, être inférieur à (20 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01. <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application du présent article, seuls les congés avec maintien de la rémunération sont assimilés à des services réellement prestés.
Si, durant les périodes visées à l'alinéa 1er, L'agent a rendu des services à prestations incomplètes, ces périodes sont prises en considération à concurrence de la fraction que les services réellement prestés représentent par rapport à ces mêmes services à prestations complètes.
- 0,125 % de ce taux nominal pour chaque mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui du 60e anniversaire de l'agent et le dernier jour du mois de son 62e anniversaire, sans que le montant du complément puisse, par mois de service réellement presté, être inférieur à (15 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01; <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
- 0,167 % de ce taux nominal pour chaque mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui du 62e anniversaire de l'agent et le terme de sa carrière, sans que le montant du complément puisse, par mois de service réellement presté, être inférieur à (20 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01. <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
Pour l'application du présent article, seuls les congés avec maintien de la rémunération sont assimilés à des services réellement prestés.
Si, durant les périodes visées à l'alinéa 1er, L'agent a rendu des services à prestations incomplètes, ces périodes sont prises en considération à concurrence de la fraction que les services réellement prestés représentent par rapport à ces mêmes services à prestations complètes.
Modifications
Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Sous-section 3. - Dispositions communes.
Art. 6. (§ 1.) De krachtens deze afdeling toegekende rustpensioencomplementen maken integraal deel uit van het pensioen. <W 2007-04-25/52, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De toekenning van de complementen mag niet tot gevolg hebben dat het pensioenbedrag de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalde grenzen overschrijdt.
Ze worden niet toegekend als bij de berekening van het pensioen een ander tantième dan 1/60, 1/55, 1/50 of 1/48 in aanmerking werd genomen.
Voor de berekening van het rustpensioen worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming zou verhinderen dat het complement wordt toegekend en aldus nadelig zou zijn voor betrokkene, buiten beschouwing gelaten.
(§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid, mag het pensioencomplement wegens leeftijd dat betrekking heeft op de na 31 december 2005 werkelijk gepresteerde dienst, uitwerking hebben tot de uiterste grens van 9/10 bepaald in artikel 39, eerste lid van voormelde wet van 5 augustus 1978, in voorkomend geval verminderd krachtens artikel 4 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.) <W 2007-04-25/52, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De toekenning van de complementen mag niet tot gevolg hebben dat het pensioenbedrag de in artikel 39 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen bepaalde grenzen overschrijdt.
Ze worden niet toegekend als bij de berekening van het pensioen een ander tantième dan 1/60, 1/55, 1/50 of 1/48 in aanmerking werd genomen.
Voor de berekening van het rustpensioen worden de diensten en perioden waarvan de inaanmerkingneming zou verhinderen dat het complement wordt toegekend en aldus nadelig zou zijn voor betrokkene, buiten beschouwing gelaten.
(§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid, mag het pensioencomplement wegens leeftijd dat betrekking heeft op de na 31 december 2005 werkelijk gepresteerde dienst, uitwerking hebben tot de uiterste grens van 9/10 bepaald in artikel 39, eerste lid van voormelde wet van 5 augustus 1978, in voorkomend geval verminderd krachtens artikel 4 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.) <W 2007-04-25/52, art. 29, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 6. (§ 1er.) Les compléments de pension de retraite accordés en vertu de la présente section font partie intégrante de la pension. <L 2007-04-25/52, art. 29, 011; En vigueur : 01-06-2007>
L'octroi des compléments ne permet pas de porter le montant de la pension au-delà des plafonds prévus par l'article 39 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires.
Ils ne sont pas accordés si pour le calcul de la pension un tantième autre que 1/60, 1/55, 1/50 ou 1/48 a été pris en compte.
Pour le calcul de la pension de retraite, il est fait abstraction des services et périodes dont la prise en compte aurait pour effet d'empêcher l'octroi des compléments et de causer de cette façon un préjudice à l'intéressé.
(§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le complément de pension pour âge afférent aux services réellement prestés après le 31 décembre 2005 peut produire ses effets dans la limite extrême des 9/10 prévue à l'article 39, alinéa 1er de la loi précitée du 5 août 1978, le cas échéant réduite en vertu de l'article 4 de l'arrête royal n° 206 du 29 août 1983 précité.) <L 2007-04-25/52, art. 29, 011; En vigueur : 01-01-2007>
L'octroi des compléments ne permet pas de porter le montant de la pension au-delà des plafonds prévus par l'article 39 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires.
Ils ne sont pas accordés si pour le calcul de la pension un tantième autre que 1/60, 1/55, 1/50 ou 1/48 a été pris en compte.
Pour le calcul de la pension de retraite, il est fait abstraction des services et périodes dont la prise en compte aurait pour effet d'empêcher l'octroi des compléments et de causer de cette façon un préjudice à l'intéressé.
(§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le complément de pension pour âge afférent aux services réellement prestés après le 31 décembre 2005 peut produire ses effets dans la limite extrême des 9/10 prévue à l'article 39, alinéa 1er de la loi précitée du 5 août 1978, le cas échéant réduite en vertu de l'article 4 de l'arrête royal n° 206 du 29 août 1983 précité.) <L 2007-04-25/52, art. 29, 011; En vigueur : 01-01-2007>
Afdeling II. - (Opgeheven)
Section II. - (Abrogée)
Art. 7. (Opgeheven) <KB 2001-06-14/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 7. (Abrogé) <AR 2001-06-14/32, art. 4, 003; En vigueur : 01-01-2002>
Art. 8. (Opgeheven) <KB 2001-06-14/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 8. (Abrogé) <AR 2001-06-14/32, art. 4, 003; En vigueur : 01-01-2002>
Art. 9. (Opgeheven) <KB 2001-06-14/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 9. (Abrogé) <AR 2001-06-14/32, art. 4, 003; En vigueur : 01-01-2002>
Afdeling III. - Aanpassing van de wet van 13 mei 1999 betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs.
Section III. - Adaptation de la loi du 13 mai 1999 concernant le calcul de la pension de retraite du personnel enseignant et directeur de l'enseignement gardien et primaire.
Art. 10. Artikel 4, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 betreffende de berekening van het rustpensioen van het onderwijzend en bestuurspersoneel van het kleuter- en lager onderwijs wordt aangevuld als volgt :
" Dit lid is enkel toepasselijk indien de laatste graad van het gewezen personeelslid een graad is die eigen is aan het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs. ".
" Dit lid is enkel toepasselijk indien de laatste graad van het gewezen personeelslid een graad is die eigen is aan het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs. ".
Art. 10. L'article 4, alinéa 2, de la loi du 13 mai 1999 concernant le calcul de la pension de retraite du personnel enseignant et directeur de l'enseignement gardien et primaire est complété comme suit :
" Le présent alinéa ne s'applique que si le dernier grade de l'ancien agent est un grade spécifique au personnel directeur ou enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien. ".
" Le présent alinéa ne s'applique que si le dernier grade de l'ancien agent est un grade spécifique au personnel directeur ou enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien. ".
Art. 11. Een artikel 5bis, luidend als volgt, wordt in voormelde wet van 13 mei 1999 ingevoegd :
" Art. 5bis. Voor de toepassing van deze wet worden andere personeelsleden van het onderwijs dan de leden van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs, van wie de weddeschalen ook aangepast worden in het kader van de gelijkschakeling van de weddeschalen van onderwijzers en kleuteronderwijzers met die van leraar van het secundair onderwijs van de lagere graad, gelijkgesteld met voormelde personeelsleden van het lager en kleuteronderwijs. ".
" Art. 5bis. Voor de toepassing van deze wet worden andere personeelsleden van het onderwijs dan de leden van het bestuurs- of onderwijzend personeel van de instellingen, scholen en afdelingen van het lager en kleuteronderwijs, van wie de weddeschalen ook aangepast worden in het kader van de gelijkschakeling van de weddeschalen van onderwijzers en kleuteronderwijzers met die van leraar van het secundair onderwijs van de lagere graad, gelijkgesteld met voormelde personeelsleden van het lager en kleuteronderwijs. ".
Art. 11. Un article 5bis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 13 mai 1999 précitée :
" Art. 5bis. Pour l'application de la présente loi, les membres du personnel de l'enseignement autres que les membres du personnel directeur ou enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien, dont les échelles de traitement sont elles aussi adaptées dans le cadre de l'alignement des échelles de traitement des instituteurs primaires et gardiens sur celle de professeur de l'enseignement secondaire du degré inférieur, sont assimilés à des membres du personnel précités de l'enseignement primaire et gardien. ".
" Art. 5bis. Pour l'application de la présente loi, les membres du personnel de l'enseignement autres que les membres du personnel directeur ou enseignant des établissements, écoles et sections de l'enseignement primaire et gardien, dont les échelles de traitement sont elles aussi adaptées dans le cadre de l'alignement des échelles de traitement des instituteurs primaires et gardiens sur celle de professeur de l'enseignement secondaire du degré inférieur, sont assimilés à des membres du personnel précités de l'enseignement primaire et gardien. ".
Afdeling IV.
Section IV.
Afdeling V. - Validering van perioden van loopbaanonderbreking.
Section V. - Validation des périodes d'interruption de carrière.
Art. 13. Artikel 75 van de wet van 21 mei 1991 houdende diverse wijzigingen aan de wetgeving betreffende de pensioenen van de openbare sector wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 75. In afwijking van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, mogen de perioden of de gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties van voor 1 januari 1991 die, voor 20 juni 1991 en rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van voormeld besluit, zoals die luidden voor hun wijziging door de artikelen 61 en 62, niet meer voor validering in aanmerking komen, worden gevalideerd voor zover de volgende voorwaarden worden vervuld :
1° dat het personeelslid de in artikel 2, § 2, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde verbintenis heeft aangegaan voor 31 december 1991;
2° dat de bijdragen tot validering van deze perioden of gedeelten van perioden bij de in artikel 2, § 2, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde macht of instelling zijn toegekomen uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op die gedurende dewelke de uitnodiging tot betaling door deze macht of instelling aan de betrokkene werd verzonden. ".
" Art. 75. In afwijking van artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten, mogen de perioden of de gedeelten van perioden van loopbaanonderbreking of van vermindering van de arbeidsprestaties van voor 1 januari 1991 die, voor 20 juni 1991 en rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 2 en 3 van voormeld besluit, zoals die luidden voor hun wijziging door de artikelen 61 en 62, niet meer voor validering in aanmerking komen, worden gevalideerd voor zover de volgende voorwaarden worden vervuld :
1° dat het personeelslid de in artikel 2, § 2, tweede lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde verbintenis heeft aangegaan voor 31 december 1991;
2° dat de bijdragen tot validering van deze perioden of gedeelten van perioden bij de in artikel 2, § 2, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit bedoelde macht of instelling zijn toegekomen uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op die gedurende dewelke de uitnodiging tot betaling door deze macht of instelling aan de betrokkene werd verzonden. ".
Art. 13. L'article 75 de la loi du 21 mai 1991 apportant diverses modifications à la législation relative aux pensions du secteur public est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 75. Par dérogation à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal n° 442 du 14 août 1986 relatif à l'incidence de certaines positions administratives sur les pensions des agents des services publics, les périodes ou les fractions de périodes d'interruption de carrière ou de réduction des prestations, antérieures au 1er janvier 1991, qui, avant le 20 juin 1991 et compte tenu des dispositions des articles 2 et 3 de l'arrêté précité, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par les articles 61 et 62, ne sont plus susceptibles de faire l'objet d'une validation, peuvent être validées pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
1° que l'agent ait souscrit avant le 31 décembre 1991 l'engagement prévu à l'article 2, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal précité;
2° que les cotisations destinées à valider ces périodes ou ces fractions de période soient parvenues au pouvoir ou à l'organisme visé à l'article 2, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal précité, au plus tard le dernier jour du mois suivant celui au cours duquel l'invitation à payer a été adressée à l'intéressé par ledit pouvoir ou organisme. ".
" Art. 75. Par dérogation à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal n° 442 du 14 août 1986 relatif à l'incidence de certaines positions administratives sur les pensions des agents des services publics, les périodes ou les fractions de périodes d'interruption de carrière ou de réduction des prestations, antérieures au 1er janvier 1991, qui, avant le 20 juin 1991 et compte tenu des dispositions des articles 2 et 3 de l'arrêté précité, telles qu'elles étaient libellées avant leur modification par les articles 61 et 62, ne sont plus susceptibles de faire l'objet d'une validation, peuvent être validées pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
1° que l'agent ait souscrit avant le 31 décembre 1991 l'engagement prévu à l'article 2, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal précité;
2° que les cotisations destinées à valider ces périodes ou ces fractions de période soient parvenues au pouvoir ou à l'organisme visé à l'article 2, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal précité, au plus tard le dernier jour du mois suivant celui au cours duquel l'invitation à payer a été adressée à l'intéressé par ledit pouvoir ou organisme. ".
Afdeling Vl. - Pensioenstelsel van het Federaal Planbureau.
Section VI. - Régime de pension du Bureau fédéral du Plan.
Art. 14. In artikel 157 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt § 1;
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 2. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven hetzij in de hoedanigheid van contractueel, hetzij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau hebben stopgezet of stopzetten om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, genieten een pensioencomplement. Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen of van dergelijke personen die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau.
Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, indien de diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen, en anderzijds het pensioenbedrag waarop betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 3. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven het bij in de hoedanigheid van contractueel, het bij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau stopzetten vooraleer de minimumleeftijd te bereiken om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen, genieten een pensioencomplement.
Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat de betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958, indien de bij het Federaal Planbureau gepresteerde diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen en anderzijds het pensioenbedrag waarop de betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel.
Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 4. De voor 1 januari 1992 krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 mei 1971 houdende statuut, organisatie en werkingsmodaliteiten van het Planbureau, in dienst genomen experten die ten minste 20 jaar diensten als expert tellen en die hun loopbaan in die hoedanigheid beëindigen bij dat bureau om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van dergelijke experten of van experten die voor 1 januari 1992 in dienst werden genomen en die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau hebben, voor de periode gedurende welke zij in die hoedanigheid diensten hebben verricht, recht op een pensioencomplement. In geval van overlijden in dienstactiviteit wordt de periode begrepen tussen de datum van het overlijden en de 65e verjaardag van de expert gevoegd bij de duur van de diensten in de hoedanigheid van expert om na te gaan of de minimumduur van 20 jaar werd bereikt.
Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het pensioen dat hun zou zijn verschuldigd indien voor de betrokken periode, de bepalingen van voormelde wet van 28 april 1958 op hen van toepassing waren en anderzijds, het bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben voor dezelfde periode in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 5. Het in §§ 2 en 3 bedoelde pensioencomplement wordt berekend door de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën. Het wordt uitbetaald door de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven van de administratie der Thesaurie van het ministerie van Financiën.
§ 6. Het Federaal Planbureau dient aan de administratie der Pensioenen maandelijkse voorschotten te storten, waarvan het bedrag aan dit bureau wordt meegedeeld door deze administratie. Het bedrag van deze voorschotten, dat op ieder ogenblik kan worden aangepast, wordt vastgesteld op basis van een raming van de uitgaven die voor het jaar in kwestie voortvloeien uit de toepassing van §§ 2 en 3. Deze voorschotten moeten uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van betaling van de voordelen waarop ze betrekking hebben, bij de administratie der Pensioenen toekomen.
In het begin van ieder kalenderjaar zendt de administratie der Pensioenen aan het Federaal Planbureau een samenvattend overzicht betreffende het voorafgaande jaar dat enerzijds de voor dat jaar gestorte voorschotten vermeldt en anderzijds het totaal van de met toepassing van §§ 2 en 3 verschuldigde bedragen. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten lager is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, dient het resterende saldo bij de administratie der Pensioenen toe te komen uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand volgend op die tijdens dewelke het nog verschuldigde bedrag werd meegedeeld. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten hoger is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, wordt het overschot in mindering gebracht van een latere storting van voorschotten. ".
1° het eerste lid wordt § 1;
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 2. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven hetzij in de hoedanigheid van contractueel, hetzij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau hebben stopgezet of stopzetten om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, genieten een pensioencomplement. Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen of van dergelijke personen die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau.
Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, indien de diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen, en anderzijds het pensioenbedrag waarop betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 3. De leden en het administratief en meesterpersoneel van het Federaal Planbureau die door deze instelling voor 1 januari 1992 werden aangeworven het bij in de hoedanigheid van contractueel, het bij in de hoedanigheid van statutair, en die hun werkzaamheden bij dat bureau stopzetten vooraleer de minimumleeftijd te bereiken om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van de hiervoor bepaalde personen, genieten een pensioencomplement.
Het bedrag van het in het eerste lid bedoelde pensioencomplement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds het bedrag van het pensioen dat de betrokkene had kunnen verkrijgen met toepassing van de wet van 28 april 1958, indien de bij het Federaal Planbureau gepresteerde diensten waarvoor hij aanspraak kan maken op een pensioen in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel in aanmerking werden genomen en anderzijds het pensioenbedrag waarop de betrokkene werkelijk recht heeft met toepassing van die wet vermeerderd met het pensioenbedrag waarop hij recht heeft in het andere Belgisch wettelijk pensioenstelsel.
Dit complement maakt integraal deel uit van het pensioen en is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 4. De voor 1 januari 1992 krachtens artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 mei 1971 houdende statuut, organisatie en werkingsmodaliteiten van het Planbureau, in dienst genomen experten die ten minste 20 jaar diensten als expert tellen en die hun loopbaan in die hoedanigheid beëindigen bij dat bureau om hun recht op een rustpensioen te doen gelden, alsook de langstlevende echtgenoten en de wezen van dergelijke experten of van experten die voor 1 januari 1992 in dienst werden genomen en die overleden zijn tijdens hun loopbaan bij dat bureau hebben, voor de periode gedurende welke zij in die hoedanigheid diensten hebben verricht, recht op een pensioencomplement. In geval van overlijden in dienstactiviteit wordt de periode begrepen tussen de datum van het overlijden en de 65e verjaardag van de expert gevoegd bij de duur van de diensten in de hoedanigheid van expert om na te gaan of de minimumduur van 20 jaar werd bereikt.
Het in het eerste lid bedoelde complement is gelijk aan het verschil tussen enerzijds, het pensioen dat hun zou zijn verschuldigd indien voor de betrokken periode, de bepalingen van voormelde wet van 28 april 1958 op hen van toepassing waren en anderzijds, het bedrag van het pensioen waarop zij recht hebben voor dezelfde periode in een ander Belgisch wettelijk pensioenstelsel. Dit complement is ten laste van het Federaal Planbureau.
§ 5. Het in §§ 2 en 3 bedoelde pensioencomplement wordt berekend door de administratie der Pensioenen van het ministerie van Financiën. Het wordt uitbetaald door de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven van de administratie der Thesaurie van het ministerie van Financiën.
§ 6. Het Federaal Planbureau dient aan de administratie der Pensioenen maandelijkse voorschotten te storten, waarvan het bedrag aan dit bureau wordt meegedeeld door deze administratie. Het bedrag van deze voorschotten, dat op ieder ogenblik kan worden aangepast, wordt vastgesteld op basis van een raming van de uitgaven die voor het jaar in kwestie voortvloeien uit de toepassing van §§ 2 en 3. Deze voorschotten moeten uiterlijk vijf werkdagen voor de datum van betaling van de voordelen waarop ze betrekking hebben, bij de administratie der Pensioenen toekomen.
In het begin van ieder kalenderjaar zendt de administratie der Pensioenen aan het Federaal Planbureau een samenvattend overzicht betreffende het voorafgaande jaar dat enerzijds de voor dat jaar gestorte voorschotten vermeldt en anderzijds het totaal van de met toepassing van §§ 2 en 3 verschuldigde bedragen. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten lager is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, dient het resterende saldo bij de administratie der Pensioenen toe te komen uiterlijk de laatste werkdag van de tweede maand volgend op die tijdens dewelke het nog verschuldigde bedrag werd meegedeeld. Indien blijkt dat het totaal aan gestorte voorschotten hoger is dan het totaal van de verschuldigde bedragen, wordt het overschot in mindering gebracht van een latere storting van voorschotten. ".
Art. 14. A l'article 157 de la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions sociales et diverses, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er formera le § 1er;
2° L'alinéa 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 2. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui ont cessé ou cessent leurs activités au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, bénéficient d'un complément de pension. Il en est de même pour les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant ou de telles personnes qui sont décédées durant leur carrière au sein dudit bureau.
Le montant du complément de pension visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit si les services pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle l'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension. Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 3. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui cessent leurs activités au sein dudit bureau avant d'avoir atteint l'âge minimum pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant, bénéficient d'un complément de pension.
Le montant du complément de pension visé à L'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 précitée si les services prestés auprès du Bureau fédéral du Plan pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle L'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension.
Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 4. Les experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 en vertu de l'article 10 de l'arrêté royal du 24 mai 1971 portant statut du Bureau du Plan et en déterminant l'organisation et les modalités de son fonctionnement, qui comptent au moins 20 années de services en tant qu'expert et qui terminent leur carrière en cette qualité au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins de tels experts ou d'experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 et qui sont décédés durant leur carrière au sein dudit bureau ont droit, pour la période durant laquelle ils ont presté des services en cette qualité, à un complément de pension. En cas de décès en activité de service, la période comprise entre la date du décès et le 65e anniversaire de l'expert est ajoutée à la durée des services en qualité d'expert pour apprécier si la durée minimum de vingt ans est atteinte.
Le montant du complément visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, la pension qui leur serait due s'ils avaient bénéficié, pour la période considérée, des dispositions de la loi du 28 avril 1958 précitée et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle ils ont droit pour cette même période dans un autre régime légal belge de pension. Ce complément est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 5. Le complément de pension visé aux §§ 2 et 3 est calculé par l'administration des Pensions du ministère des Finances. Il est liquidé par le Service central des Dépenses fixes de l'administration de la Trésorerie du ministère des Finances.
§ 6. Le Bureau fédéral du Plan est tenu de verser à L'administration des Pensions des provisions mensuelles dont le montant lui est communiqué par celle-ci. Le montant de ces provisions, qui peut être adapté à tout moment, est établi sur la base d'une estimation des dépenses qui, pour l'année considérée, résulteront de L'application des §§ 2 et 3. Ces provisions doivent parvenir à l'administration des Pensions au plus tard cinq jours ouvrables avant la date de paiement des prestations auxquelles elles se rapportent.
Au début de chaque année civile, L'administration des Pensions adresse au Bureau fédéral du Plan un relevé récapitulatif pour l'année précédente mentionnant, d'une part, les provisions versées pour cette année et, d'autre part, le total des sommes dues en application des §§ 2 et 3. Si le total des provisions versées s'avère inférieur au total des sommes dues, le solde restant dû doit parvenir à l'administration des Pensions au plus tard le dernier jour ouvrable du deuxième mois qui suit la communication du montant restant dû. Si le total des provisions versées s'avère supérieur au total des sommes dues, L'excédent est déduit d'un versement ultérieur de provisions. ".
1° l'alinéa 1er formera le § 1er;
2° L'alinéa 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 2. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui ont cessé ou cessent leurs activités au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, bénéficient d'un complément de pension. Il en est de même pour les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant ou de telles personnes qui sont décédées durant leur carrière au sein dudit bureau.
Le montant du complément de pension visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit si les services pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle l'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension. Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 3. Les membres et le personnel administratif et de maîtrise du Bureau fédéral du Plan recrutés par cet organisme avant le 1er janvier 1992, soit en qualité de contractuel, soit en qualité de statutaire, et qui cessent leurs activités au sein dudit bureau avant d'avoir atteint l'âge minimum pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins des personnes définies ci-avant, bénéficient d'un complément de pension.
Le montant du complément de pension visé à L'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, le montant de la pension que l'intéressé aurait pu obtenir en application de la loi du 28 avril 1958 précitée si les services prestés auprès du Bureau fédéral du Plan pour lesquels il peut prétendre à une pension dans un autre régime légal belge de pension avaient été pris en compte et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle L'intéressé a effectivement droit en application de cette loi augmenté à concurrence du montant de la pension à laquelle il a droit dans l'autre régime légal belge de pension.
Ce complément, qui fait partie intégrante de la pension, est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 4. Les experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 en vertu de l'article 10 de l'arrêté royal du 24 mai 1971 portant statut du Bureau du Plan et en déterminant l'organisation et les modalités de son fonctionnement, qui comptent au moins 20 années de services en tant qu'expert et qui terminent leur carrière en cette qualité au sein dudit bureau pour faire valoir leur droit à une pension de retraite, de même que les conjoints survivants et les orphelins de tels experts ou d'experts qui ont été engagés avant le 1er janvier 1992 et qui sont décédés durant leur carrière au sein dudit bureau ont droit, pour la période durant laquelle ils ont presté des services en cette qualité, à un complément de pension. En cas de décès en activité de service, la période comprise entre la date du décès et le 65e anniversaire de l'expert est ajoutée à la durée des services en qualité d'expert pour apprécier si la durée minimum de vingt ans est atteinte.
Le montant du complément visé à l'alinéa 1er est égal à la différence entre, d'une part, la pension qui leur serait due s'ils avaient bénéficié, pour la période considérée, des dispositions de la loi du 28 avril 1958 précitée et, d'autre part, le montant de la pension à laquelle ils ont droit pour cette même période dans un autre régime légal belge de pension. Ce complément est à charge du Bureau fédéral du Plan.
§ 5. Le complément de pension visé aux §§ 2 et 3 est calculé par l'administration des Pensions du ministère des Finances. Il est liquidé par le Service central des Dépenses fixes de l'administration de la Trésorerie du ministère des Finances.
§ 6. Le Bureau fédéral du Plan est tenu de verser à L'administration des Pensions des provisions mensuelles dont le montant lui est communiqué par celle-ci. Le montant de ces provisions, qui peut être adapté à tout moment, est établi sur la base d'une estimation des dépenses qui, pour l'année considérée, résulteront de L'application des §§ 2 et 3. Ces provisions doivent parvenir à l'administration des Pensions au plus tard cinq jours ouvrables avant la date de paiement des prestations auxquelles elles se rapportent.
Au début de chaque année civile, L'administration des Pensions adresse au Bureau fédéral du Plan un relevé récapitulatif pour l'année précédente mentionnant, d'une part, les provisions versées pour cette année et, d'autre part, le total des sommes dues en application des §§ 2 et 3. Si le total des provisions versées s'avère inférieur au total des sommes dues, le solde restant dû doit parvenir à l'administration des Pensions au plus tard le dernier jour ouvrable du deuxième mois qui suit la communication du montant restant dû. Si le total des provisions versées s'avère supérieur au total des sommes dues, L'excédent est déduit d'un versement ultérieur de provisions. ".
Afdeling VII. - Inwerkingtreding.
Section VII. - Entrée en vigueur.
Art. 15. De bepalingen van deze titel hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2000, met uitzondering van :
- artikel 13 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1991;
- artikel 10 dat uitwerking heeft op de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 6 van voormelde wet van 13 mei 1999;
- artikel 11 dat uitwerking heeft vanaf de datum waarop, in de betrokken gemeenschap, het verschil bepaald in artikel 82, derde lid van voormelde wet van 20 juli 1991, voor het personeel bedoeld in artikel 5bis van voormelde wet van 13 mei 1999, zal zijn teruggebracht tot een bedrag dat kleiner is dan (2.478,94 EUR) per jaar aan het spilindexcijfer 138,01; <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- artikel 14, 3° dat in werking treedt de eerste dag van de derde maand volgend op die tijdens dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
- afdeling I die in werking treedt op 1 januari 2001.
- artikel 13 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1991;
- artikel 10 dat uitwerking heeft op de datum van inwerkingtreding bepaald in artikel 6 van voormelde wet van 13 mei 1999;
- artikel 11 dat uitwerking heeft vanaf de datum waarop, in de betrokken gemeenschap, het verschil bepaald in artikel 82, derde lid van voormelde wet van 20 juli 1991, voor het personeel bedoeld in artikel 5bis van voormelde wet van 13 mei 1999, zal zijn teruggebracht tot een bedrag dat kleiner is dan (2.478,94 EUR) per jaar aan het spilindexcijfer 138,01; <KB 2001-12-11/40, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- artikel 14, 3° dat in werking treedt de eerste dag van de derde maand volgend op die tijdens dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
- afdeling I die in werking treedt op 1 januari 2001.
Art. 15. Les dispositions du présent titre produisent leurs effets le 1er juillet 2000 à l'exception :
- de l'article 13 qui produit ses effets le 1er juillet 1991;
- de l'article 10 qui produit ses effets à la date d'entrée en vigueur prévue par l'article 6 de la loi du 13 mai 1999 précitée;
- de l'article 11 qui produit ses effets à partir de la date à laquelle, dans la communauté concernée, la différence définie à l'article 82, alinéa 3 de la loi du 20 juillet 1991 précitée sera, pour le personnel visé par l'article 5bis de la loi du 13 mai 1999 précitée, ramenée à un montant inférieur à (2.478,94 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01; <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
- de l'article 14, 3° qui entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge;
- de la section Ire qui entre en vigueur le 1er janvier 2001.
- de l'article 13 qui produit ses effets le 1er juillet 1991;
- de l'article 10 qui produit ses effets à la date d'entrée en vigueur prévue par l'article 6 de la loi du 13 mai 1999 précitée;
- de l'article 11 qui produit ses effets à partir de la date à laquelle, dans la communauté concernée, la différence définie à l'article 82, alinéa 3 de la loi du 20 juillet 1991 précitée sera, pour le personnel visé par l'article 5bis de la loi du 13 mai 1999 précitée, ramenée à un montant inférieur à (2.478,94 EUR) par an à l'indice-pivot 138,01; <AR 2001-12-11/40, art. 11, 005; En vigueur : 01-01-2002>
- de l'article 14, 3° qui entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge;
- de la section Ire qui entre en vigueur le 1er janvier 2001.
HOOFDSTUK II. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel van de werknemers.
CHAPITRE II. - Mesures en matière de pensions dans le régime des travailleurs salariés.
Afdeling I. - Betaling van de ouderdoms- en weduwenrenten.
Section I. - Paiement des rentes de vieillesse et des rentes de veuves.
Art. 16. Een artikel 9ter luidend als volgt wordt in de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ingevoegd.
" De rente die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 ingaat, wordt, niettegenstaande alle andersluidende bepalingen, uitbetaald door een enige storting gelijk aan de contante waarde van die rente. ".
" De rente die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 ingaat, wordt, niettegenstaande alle andersluidende bepalingen, uitbetaald door een enige storting gelijk aan de contante waarde van die rente. ".
Art. 16. Un article 9ter, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré.
" En ce qui concerne la rente qui prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2001 et nonobstant toute disposition contraire, son montant est payé intégralement par un versement unique correspondant à la valeur actuelle de la rente. ".
" En ce qui concerne la rente qui prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2001 et nonobstant toute disposition contraire, son montant est payé intégralement par un versement unique correspondant à la valeur actuelle de la rente. ".
Art. 17. De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van het artikel 16 vast en bepaalt het tijdstip waarop het kapitaal wordt uitbetaald.
Art. 17. Le Roi fixe les modalités d'exécution de l'article 16 et détermine le moment où le capital est payé.
Art. 18. De artikelen 16 en 17 treden in werking op 1 januari 2001.
Art. 18. Les articles 16 et 17 entrent en vigueur le 1er janvier 2001.
Afdeling II. - Vertegenwoordiging en verschijning in rechte van de Rijksdienst voor pensioenen.
Section II. - Représentation et comparution en justice de l'Office national des pensions.
Art. 19. Het zesde en het zevende lid van artikel 49 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers worden vervangen door één lid, luidend als volgt :
" De administrateur-generaal vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt geldig in haar naam en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen. ".
" De administrateur-generaal vertegenwoordigt de instelling in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt geldig in haar naam en voor haar rekening op, zonder dat hij zulks door een beslissing van het beheerscomité moet staven. Hij mag nochtans, met de instemming van het beheerscomité, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de gewone en de administratieve gerechten aan één of meer leden van het personeel overdragen. ".
Art. 19. Les alinéas 6 et 7 de l'article 49 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés sont remplacés par un alinéa libellé comme suit :
" L'administrateur général représente l'organisme dans les actes judiciaires et extrajudiciaires et agit valablement en son nom et pour son compte, sans avoir à justifier d'une décision du comité de gestion. Il peut, cependant, avec l'accord du comité de gestion, déléguer à un ou plusieurs membres du personnel son pouvoir de représenter l'organisme devant les juridictions judiciaires et administratives. ".
" L'administrateur général représente l'organisme dans les actes judiciaires et extrajudiciaires et agit valablement en son nom et pour son compte, sans avoir à justifier d'une décision du comité de gestion. Il peut, cependant, avec l'accord du comité de gestion, déléguer à un ou plusieurs membres du personnel son pouvoir de représenter l'organisme devant les juridictions judiciaires et administratives. ".
Art. 20. Het artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000.
Art. 20. L'article 19 produit ses effets le 1er juillet 2000.
HOOFDSTUK III. - Maatregelen inzake pensioenen in het stelsel der zelfstandigen.
CHAPITRE III. - Mesures en matière de pensions dans le régime des travailleurs indépendants.
Art. 21. Artikel 35 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, opgeheven bij de wet van 9 juni 1970, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Teneinde de pensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn te koppelen, kan de Koning, op de wijze en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het pensioenbedrag van de door Hem bepaalde pensioenen of voor de door Hem bepaalde categorieën van gepensioneerden herwaarderen. ".
" Teneinde de pensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn te koppelen, kan de Koning, op de wijze en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het pensioenbedrag van de door Hem bepaalde pensioenen of voor de door Hem bepaalde categorieën van gepensioneerden herwaarderen. ".
Art. 21. L'article 35 de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, abrogé par la loi du 9 juin 1970, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Afin de lier les pensions à l'évolution du bien-être général, le Roi peut revaloriser, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, suivant la procédure et dans les conditions qu'il détermine, le montant de la pension pour les pensions ou les catégories de pensionnés qu'il détermine. ".
" Afin de lier les pensions à l'évolution du bien-être général, le Roi peut revaloriser, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, suivant la procédure et dans les conditions qu'il détermine, le montant de la pension pour les pensions ou les catégories de pensionnés qu'il détermine. ".
Art. 22. Artikel 21 treedt in werking op 1 januari 2001.
Art. 22. L'article 21 entre en vigueur le 1er janvier 2001.
HOOFDSTUK IV. - Solidariteitsafhouding.
CHAPITRE IV. - Retenue de solidarité.
Art. 23. In artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, zoals het luidde voor zijn vervanging door artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of elk ander als zodanig geldend voordeel, alsook elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij met toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij met toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectorale overeenkomst, zijn onderworpen aan een afhouding die varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van de verschillende hierboven bepaalde pensioenen en andere voordelen, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van een kapitaal betaalde voordelen betreft, naargelang de begunstigde van deze pensioenen of andere voordelen alleenstaand is of gezinslast heeft. Worden eveneens als pensioen beschouwd de invaliditeitspensioenen van de administratieve en militaire personeelsleden, van de magistraten en van de personeelsleden van de Rechterlijke Orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika.
Worden eveneens bedoeld, de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan. ";
2° het vijfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan :
a) onder " begunstigde met gezinslast ", naar gelang van het geval :
1) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste geen andere beroepsinkomsten heeft dan deze voortspruitend uit toegelaten arbeid, zoals bepaald in de pensioenregeling voor werknemers, noch een sociaal voordeel geniet krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of een als zodanig geldend voordeel krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;
2) de gehuwde begunstigde die gescheiden leeft van zijn echtgenoot, de ongehuwde begunstigde, de uit de echt gescheiden begunstigde of de langstlevende echtgenoot, op voorwaarde dat hij uitsluitend samenwoont met één of meer kinderen waarvan ten minste één recht geeft op kinderbijslag;
b) onder " alleenstaande begunstigde ", iedere andere begunstigde dan die bedoeld onder littera a).
Voor de vaststelling van het maandelijks brutobedrag :
a) worden de pensioenen en andere voordelen die niet maandelijks worden betaald, omgezet in maandbedragen;
b) worden de in dit artikel bedoelde kapitalen omgezet in fictieve renten. Deze omzetting in een fictieve rente geschiedt door het bedrag van het kapitaal te delen door de coëfficiënt die, volgens de van kracht zijnde barema's inzake de omzetting in kapitaal van arbeidsongevallenrenten in de overheidssector, overeenstemt met de leeftijd van de betrokkene op de dag van de betaling van het kapitaal. Indien het kapitaal niet ineens wordt betaald, geschiedt een omzetting voor elke gedeeltelijke betaling. Wanneer het pensioen op het ogenblik van de betaling van het kapitaal nog niet is ingegaan, wordt de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de betaling van het kapitaal voor de omzetting vervangen door de leeftijd op de ingangsdatum van het pensioen. Van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 wordt het bedrag van de aldus berekende fictieve rente verbonden aan de spilindex die, op de datum van de betaling van het kapitaal, werd gebruikt voor de indexering van het pensioen en gekoppeld aan de latere schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van het derde lid;
c) worden de wettelijke pensioenen en de als aanvulling ervan bedoelde voordelen betaald door buitenlandse of internationale instellingen eveneens in aanmerking genomen.
Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op een wettelijk pensioen wordt ingehouden door de instelling die dat pensioen uitbetaalt.
Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op voordelen bedoeld als aanvullingen van pensioenen en betaald door Belgische uitbetalingsinstellingen, wordt ingehouden op de wettelijke pensioenen overeenkomstig de volgende rangorde :
1° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers;
2° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen;
3° de rust- en overlevingspensioenen beheerd door de administratie der Pensioenen;
4° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
5° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
6° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid;
7° de rust- en overlevingspensioenen, andere dan deze bedoeld in 3°, ten laste van de plaatselijke besturen of ten laste van door deze plaatselijke besturen opgerichte instellingen van openbaar nut, met inbegrip van die welke aan hun mandatarissen worden toegekend;
8° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van aan de gewesten en gemeenschappen onderworpen instellingen van openbaar nut, andere dan deze bedoeld in 3°;
9° de hiervoor niet opgenomen rust- en overlevingspensioenen ten laste van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen.
In geval van cumulatie van pensioenen van eenzelfde rangorde, wordt het bedrag van de afhouding eerst op het grootste pensioen in mindering gebracht, zonder dat latere verhogingen van de pensioenen een wijziging van de vastgestelde volgorde tot gevolg kunnen hebben.
De opbrengst van de afhoudingen wordt, met uitzondering van die verricht door de Rijksdienst voor Pensioenen, maandelijks gestort aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of elk ander als zodanig geldend voordeel, alsook elk voordeel bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij met toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij met toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectorale overeenkomst, zijn onderworpen aan een afhouding die varieert naargelang het totaal maandelijks brutobedrag van de verschillende hierboven bepaalde pensioenen en andere voordelen, ongeacht het feit of het periodieke of in de vorm van een kapitaal betaalde voordelen betreft, naargelang de begunstigde van deze pensioenen of andere voordelen alleenstaand is of gezinslast heeft. Worden eveneens als pensioen beschouwd de invaliditeitspensioenen van de administratieve en militaire personeelsleden, van de magistraten en van de personeelsleden van de Rechterlijke Orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, betaald ten laste van de Schatkist wegens bewezen diensten in Afrika.
Worden eveneens bedoeld, de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan. ";
2° het vijfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan :
a) onder " begunstigde met gezinslast ", naar gelang van het geval :
1) de gehuwde begunstigde die samenwoont met zijn echtgenoot, op voorwaarde dat deze laatste geen andere beroepsinkomsten heeft dan deze voortspruitend uit toegelaten arbeid, zoals bepaald in de pensioenregeling voor werknemers, noch een sociaal voordeel geniet krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving of een als zodanig geldend voordeel krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een instelling van internationaal publiek recht;
2) de gehuwde begunstigde die gescheiden leeft van zijn echtgenoot, de ongehuwde begunstigde, de uit de echt gescheiden begunstigde of de langstlevende echtgenoot, op voorwaarde dat hij uitsluitend samenwoont met één of meer kinderen waarvan ten minste één recht geeft op kinderbijslag;
b) onder " alleenstaande begunstigde ", iedere andere begunstigde dan die bedoeld onder littera a).
Voor de vaststelling van het maandelijks brutobedrag :
a) worden de pensioenen en andere voordelen die niet maandelijks worden betaald, omgezet in maandbedragen;
b) worden de in dit artikel bedoelde kapitalen omgezet in fictieve renten. Deze omzetting in een fictieve rente geschiedt door het bedrag van het kapitaal te delen door de coëfficiënt die, volgens de van kracht zijnde barema's inzake de omzetting in kapitaal van arbeidsongevallenrenten in de overheidssector, overeenstemt met de leeftijd van de betrokkene op de dag van de betaling van het kapitaal. Indien het kapitaal niet ineens wordt betaald, geschiedt een omzetting voor elke gedeeltelijke betaling. Wanneer het pensioen op het ogenblik van de betaling van het kapitaal nog niet is ingegaan, wordt de leeftijd van de betrokkene op het ogenblik van de betaling van het kapitaal voor de omzetting vervangen door de leeftijd op de ingangsdatum van het pensioen. Van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1995 wordt het bedrag van de aldus berekende fictieve rente verbonden aan de spilindex die, op de datum van de betaling van het kapitaal, werd gebruikt voor de indexering van het pensioen en gekoppeld aan de latere schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van het derde lid;
c) worden de wettelijke pensioenen en de als aanvulling ervan bedoelde voordelen betaald door buitenlandse of internationale instellingen eveneens in aanmerking genomen.
Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op een wettelijk pensioen wordt ingehouden door de instelling die dat pensioen uitbetaalt.
Het gedeelte van de afhouding dat betrekking heeft op voordelen bedoeld als aanvullingen van pensioenen en betaald door Belgische uitbetalingsinstellingen, wordt ingehouden op de wettelijke pensioenen overeenkomstig de volgende rangorde :
1° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers;
2° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor zelfstandigen;
3° de rust- en overlevingspensioenen beheerd door de administratie der Pensioenen;
4° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
5° de rustpensioenen ten laste van de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat toepasselijk is;
6° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Dienst voor Overzeese Sociale Zekerheid;
7° de rust- en overlevingspensioenen, andere dan deze bedoeld in 3°, ten laste van de plaatselijke besturen of ten laste van door deze plaatselijke besturen opgerichte instellingen van openbaar nut, met inbegrip van die welke aan hun mandatarissen worden toegekend;
8° de rust- en overlevingspensioenen ten laste van aan de gewesten en gemeenschappen onderworpen instellingen van openbaar nut, andere dan deze bedoeld in 3°;
9° de hiervoor niet opgenomen rust- en overlevingspensioenen ten laste van de machten en instellingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen.
In geval van cumulatie van pensioenen van eenzelfde rangorde, wordt het bedrag van de afhouding eerst op het grootste pensioen in mindering gebracht, zonder dat latere verhogingen van de pensioenen een wijziging van de vastgestelde volgorde tot gevolg kunnen hebben.
De opbrengst van de afhoudingen wordt, met uitzondering van die verricht door de Rijksdienst voor Pensioenen, maandelijks gestort aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels. ".
Art. 23. A l'article 68 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, modifié par la loi du 21 décembre 1994, tel qu'il était libellé avant son remplacement par L'article 1er de l'arrêté royal du 16 décembre 1996, sont apportées les modifications suivantes :
1° L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les pensions légales de vieillesse, de retraite, d'ancienneté, de survie ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, ainsi que tout avantage destiné à compléter une pension, même si celle-ci n'est pas acquise, et alloué soit en vertu de dispositions légales, réglementaires ou statutaires, soit en vertu de dispositions découlant d'un contrat de travail, d'un règlement d'entreprise, d'une convention collective d'entreprise ou de secteur, sont soumis à une retenue qui varie selon le montant mensuel brut total des diverses pensions et autres avantages définis ci-avant, qu'il s'agisse d'avantages périodiques ou d'avantages accordés sous forme de capital, et selon que le bénéficiaire de ces pensions ou autres avantages est isolé ou qu'il a charge de famille. Sont également considérées comme pensions, les pensions d'invalidité des agents administratifs et militaires, des magistrats et des agents de l'Ordre judiciaire et de la police judiciaire des parquets, payées à charge du Trésor public en raison de services rendus en Afrique.
Sont également visées les rentes acquises par des versements visés par la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, indépendamment de leur origine ";
2° L'alinéa 5 est remplacé par la disposition suivante :
" Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre :
a) par " bénéficiaire ayant charge de famille ", selon le cas :
1) le bénéficiaire marié cohabitant avec son conjoint, à condition que ce dernier ne dispose pas de revenus professionnels autres que ceux provenant d'un travail autorisé tel que prévu dans le régime des pensions des travailleurs salariés, ni d'un avantage social alloué en vertu d'une législation belge ou étrangère ou d'un avantage en tenant lieu accordé en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public;
2) le bénéficiaire marié vivant séparé de son conjoint, le bénéficiaire non marié, le bénéficiaire divorcé ou le conjoint survivant, à condition qu'il cohabite exclusivement avec un ou plusieurs enfants dont un au moins ouvre le droit aux allocations familiales;
b) par " bénéficiaire isolé ", tout autre bénéficiaire que celui mentionné sous littera a).
Pour déterminer le montant mensuel brut :
a) les pensions et autres avantages qui ne sont pas payés mensuellement sont évalués en montants mensuels;
b) les capitaux visés par le présent article sont convertis en rentes fictives. Cette conversion en une rente fictive est opérée en divisant le montant du capital par le coefficient qui, dans les barèmes en vigueur en matière de conversion en capital de rentes d'accidents du travail dans le secteur public, correspond l'âge de l'intéressé au jour du paiement du capital. Si le paiement du capital est fractionné, une conversion est effectuée pour chaque paiement partiel. Si au moment du paiement du capital, la pension n'a pas encore pris cours, L'âge de l'intéressé au jour du paiement du capital est, pour la conversion, remplacé par l'âge au moment de la prise de cours de la pension. Du 1er janvier 1995 au 30 juin 1995, le montant de la rente ainsi calculée est rattaché à l'indice-pivot qui, à la date du paiement du capital, était utilisé pour l'indexation de la pension et est lié aux fluctuations ultérieures de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de l'alinéa 3;
c) les pensions légales et les avantages destinés à les compléter payés par des institutions étrangères ou internationales sont également pris en considération.
La partie de la retenue qui se rapporte à une pension légale belge est prélevée par l'organisme débiteur de cette pension.
La partie de la retenue qui se rapporte aux avantages destinés à compléter ces pensions et payés par des organismes débiteurs belges, est prélevée sur les pensions légales selon l'ordre de priorité suivant :
1° les pensions de retraite et de survie à charge du régime de pension des travailleurs salariés;
2° les pensions de retraite et de survie à charge du régime de pension des travailleurs indépendants;
3° les pensions de retraite et de survie gérées par l'administration des Pensions;
4° les pensions de retraite et de survie à charge de la Société nationale des Chemins de fer belges;
5° les pensions de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
6° les pensions de retraite et de survie à charge de l'Office de Sécurité sociale d'Outre-Mer;
7° les pensions de retraite et de survie, autres que celles visées sub 3°, à charge des pouvoirs locaux ou à charge d'organismes créés par ces pouvoirs locaux dans un but d'utilité publique, y compris celles accordées à leurs mandataires;
8° les pensions de retraite et de survie à charge d'organismes d'intérêt public, autres que ceux visés sub 3°, dépendant des communautés ou des régions;
9° les pensions de retraite et de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires et non repris ci-dessus.
En cas de cumul de pensions relevant d'un même niveau de priorité, le montant de la réduction est opéré en commençant par la pension dont le montant est le plus élevé, sans que les majorations ultérieures des pensions n'aient pour effet de modifier l'ordre ainsi établi.
Le produit des retenues, à l'exception de celles effectuées par l'Office national des Pensions, est versé mensuellement au Fonds pour l'équilibre des régimes de pension. ".
1° L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les pensions légales de vieillesse, de retraite, d'ancienneté, de survie ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, ainsi que tout avantage destiné à compléter une pension, même si celle-ci n'est pas acquise, et alloué soit en vertu de dispositions légales, réglementaires ou statutaires, soit en vertu de dispositions découlant d'un contrat de travail, d'un règlement d'entreprise, d'une convention collective d'entreprise ou de secteur, sont soumis à une retenue qui varie selon le montant mensuel brut total des diverses pensions et autres avantages définis ci-avant, qu'il s'agisse d'avantages périodiques ou d'avantages accordés sous forme de capital, et selon que le bénéficiaire de ces pensions ou autres avantages est isolé ou qu'il a charge de famille. Sont également considérées comme pensions, les pensions d'invalidité des agents administratifs et militaires, des magistrats et des agents de l'Ordre judiciaire et de la police judiciaire des parquets, payées à charge du Trésor public en raison de services rendus en Afrique.
Sont également visées les rentes acquises par des versements visés par la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, indépendamment de leur origine ";
2° L'alinéa 5 est remplacé par la disposition suivante :
" Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre :
a) par " bénéficiaire ayant charge de famille ", selon le cas :
1) le bénéficiaire marié cohabitant avec son conjoint, à condition que ce dernier ne dispose pas de revenus professionnels autres que ceux provenant d'un travail autorisé tel que prévu dans le régime des pensions des travailleurs salariés, ni d'un avantage social alloué en vertu d'une législation belge ou étrangère ou d'un avantage en tenant lieu accordé en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public;
2) le bénéficiaire marié vivant séparé de son conjoint, le bénéficiaire non marié, le bénéficiaire divorcé ou le conjoint survivant, à condition qu'il cohabite exclusivement avec un ou plusieurs enfants dont un au moins ouvre le droit aux allocations familiales;
b) par " bénéficiaire isolé ", tout autre bénéficiaire que celui mentionné sous littera a).
Pour déterminer le montant mensuel brut :
a) les pensions et autres avantages qui ne sont pas payés mensuellement sont évalués en montants mensuels;
b) les capitaux visés par le présent article sont convertis en rentes fictives. Cette conversion en une rente fictive est opérée en divisant le montant du capital par le coefficient qui, dans les barèmes en vigueur en matière de conversion en capital de rentes d'accidents du travail dans le secteur public, correspond l'âge de l'intéressé au jour du paiement du capital. Si le paiement du capital est fractionné, une conversion est effectuée pour chaque paiement partiel. Si au moment du paiement du capital, la pension n'a pas encore pris cours, L'âge de l'intéressé au jour du paiement du capital est, pour la conversion, remplacé par l'âge au moment de la prise de cours de la pension. Du 1er janvier 1995 au 30 juin 1995, le montant de la rente ainsi calculée est rattaché à l'indice-pivot qui, à la date du paiement du capital, était utilisé pour l'indexation de la pension et est lié aux fluctuations ultérieures de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de l'alinéa 3;
c) les pensions légales et les avantages destinés à les compléter payés par des institutions étrangères ou internationales sont également pris en considération.
La partie de la retenue qui se rapporte à une pension légale belge est prélevée par l'organisme débiteur de cette pension.
La partie de la retenue qui se rapporte aux avantages destinés à compléter ces pensions et payés par des organismes débiteurs belges, est prélevée sur les pensions légales selon l'ordre de priorité suivant :
1° les pensions de retraite et de survie à charge du régime de pension des travailleurs salariés;
2° les pensions de retraite et de survie à charge du régime de pension des travailleurs indépendants;
3° les pensions de retraite et de survie gérées par l'administration des Pensions;
4° les pensions de retraite et de survie à charge de la Société nationale des Chemins de fer belges;
5° les pensions de retraite à charge des organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
6° les pensions de retraite et de survie à charge de l'Office de Sécurité sociale d'Outre-Mer;
7° les pensions de retraite et de survie, autres que celles visées sub 3°, à charge des pouvoirs locaux ou à charge d'organismes créés par ces pouvoirs locaux dans un but d'utilité publique, y compris celles accordées à leurs mandataires;
8° les pensions de retraite et de survie à charge d'organismes d'intérêt public, autres que ceux visés sub 3°, dépendant des communautés ou des régions;
9° les pensions de retraite et de survie à charge des pouvoirs et organismes visés à l'article 38 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires et non repris ci-dessus.
En cas de cumul de pensions relevant d'un même niveau de priorité, le montant de la réduction est opéré en commençant par la pension dont le montant est le plus élevé, sans que les majorations ultérieures des pensions n'aient pour effet de modifier l'ordre ainsi établi.
Le produit des retenues, à l'exception de celles effectuées par l'Office national des Pensions, est versé mensuellement au Fonds pour l'équilibre des régimes de pension. ".
Art. 24. Artikel 23 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996.
Art. 24. L'article 23 produit ses effets du 1er janvier 1995 au 31 décembre 1996.
TITEL III. - Geneeskundige verzorging - RIZIV.
TITRE III. - Soins de santé - INAMI.
HOOFDSTUK I. - SIS-kaart.
CHAPITRE I. - Carte SIS.
Art. 25. Artikel 2, vierde lid, 5°, van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels wordt vervangen als volgt :
" 5° één of meer aanduidingen betreffende de periode van toekenning van het recht op geneeskundige verzorging in het raam van de voornoemde gecoördineerde wet; ".
" 5° één of meer aanduidingen betreffende de periode van toekenning van het recht op geneeskundige verzorging in het raam van de voornoemde gecoördineerde wet; ".
Art. 25. L'article 2, alinéa 4, 5°, de l'arrêté royal du 18 décembre 1996 portant des mesures en vue d'instaurer une carte d'identité sociale à l'usage des assurés sociaux, en application des articles 38, 40, 41 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions est remplacé par la disposition suivante :
" 5° une ou plusieurs indications relatives à la période d'octroi du droit aux soins de santé dans le cadre de la loi coordonnée susvisée; ".
" 5° une ou plusieurs indications relatives à la période d'octroi du droit aux soins de santé dans le cadre de la loi coordonnée susvisée; ".
Art. 26. In artikel 5, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, wordt de eerste zin vervangen als volgt :
" De natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 2, n), van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 mogen gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee ze in betrekking staan. ".
" De natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 2, n), van de voormelde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 mogen gebruik maken van de sociale identiteitskaart van de sociaal verzekerden waarmee ze in betrekking staan. ".
Art. 26. A l'article 5, alinéa 2, du même arrêté la première phrase est remplacée comme suit :
" Les personnes physiques ou morales visées à l'article 2, n), de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 précitée peuvent faire usage de la carte d'identité sociale des assurés sociaux avec lesquels elles sont en rapport. ".
" Les personnes physiques ou morales visées à l'article 2, n), de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 précitée peuvent faire usage de la carte d'identité sociale des assurés sociaux avec lesquels elles sont en rapport. ".
HOOFDSTUK II. - Geneeskundige verzorging.
CHAPITRE II. - Soins de santé.
Art. 27. Artikel 25, § 2, vijfde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen als volgt :
" De Koning kan voor verzekerden die zijn aangetast door specifieke zeldzame aandoeningen die een continue verzorging of een éénmalige ingreep noodzaken en die door Hem worden omschreven, de voorwaarden bepalen waarin de bevoegdheid van het college voor het verlenen van tegemoetkomingen in de kosten, wordt overgedragen aan de verzekeringsinstellingen. ".
" De Koning kan voor verzekerden die zijn aangetast door specifieke zeldzame aandoeningen die een continue verzorging of een éénmalige ingreep noodzaken en die door Hem worden omschreven, de voorwaarden bepalen waarin de bevoegdheid van het college voor het verlenen van tegemoetkomingen in de kosten, wordt overgedragen aan de verzekeringsinstellingen. ".
Art. 27. L'article 25, § 2, alinéa 5, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" Le Roi peut pour les assurés atteints d'affections rares spécifiques qui nécessitent des soins continus ou une intervention unique et qui sont définis par Lui, déterminer les conditions dans lesquelles la compétence du collège pour accorder des interventions dans les frais, est transférée aux organismes assureurs. ".
" Le Roi peut pour les assurés atteints d'affections rares spécifiques qui nécessitent des soins continus ou une intervention unique et qui sont définis par Lui, déterminer les conditions dans lesquelles la compétence du collège pour accorder des interventions dans les frais, est transférée aux organismes assureurs. ".
Art. 28. In artikel 28, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden in de laatste zin, de woorden " Technische raden bedoeld in artikel 27, eerste lid " vervangen door de woorden " Technische raden bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, en 29 ".
Art. 28. A l'article 28, § 1er, de la même loi, modifié par les lois des 25 janvier 1999 et 24 décembre 1999, dans la dernière phrase, les mots " Conseils techniques visés à l'article 27, alinéa 1er " sont remplacés par les termes " Conseils techniques visés aux articles 27, alinéa premier, et 29 ".
Art. 29. In artikel 34, 10°, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " bedoeld in respectievelijk de punten 7° en 8° " geschrapt en vervangen door :
" en met de plaatsing in de medisch-pediatrische centra voor kinderen getroffen door een chronische ziekte bedoeld in respectievelijk de punten 7°, 8° en 9°, a). ".
" en met de plaatsing in de medisch-pediatrische centra voor kinderen getroffen door een chronische ziekte bedoeld in respectievelijk de punten 7°, 8° en 9°, a). ".
Art. 29. A l'article 34,10°, alinéa 1er, de la même loi, les mots " visées respectivement aux 7° et 8° " sont remplacés par :
" et au placement dans les centres médico-pédiatriques pour enfants atteints de maladie chronique visés respectivement aux 7°, 8° et 9°, a). ".
" et au placement dans les centres médico-pédiatriques pour enfants atteints de maladie chronique visés respectivement aux 7°, 8° et 9°, a). ".
Art. 30. In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 6, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Voor de in artikel 34, 7°,8° en 9°, a), bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen, vastgesteld door de in artikel 22, 6°, bedoelde overeenkomsten. ";
2° in § 11, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" § 11. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de in artikel 34, 10°, bedoelde reiskosten wordt door de minister vastgesteld. ".
1° § 6, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Voor de in artikel 34, 7°,8° en 9°, a), bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen, vastgesteld door de in artikel 22, 6°, bedoelde overeenkomsten. ";
2° in § 11, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
" § 11. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de in artikel 34, 10°, bedoelde reiskosten wordt door de minister vastgesteld. ".
Art. 30. A l'article 37 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 6, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" § 6. Pour les prestations visées à l'article 34, 7°,8° et 9°, a), l'intervention de l'assurance soins de santé est fixée à 100 % des prix et honoraires fixés par les conventions prévues à l'article 22, 6°. ";
2° au § 11, modifié par la loi du 22 février 1998, L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 11. L'intervention de l'assurance soins de santé dans les frais de voyage visés à l'article 34, 10°, est fixée par le ministre. ".
1° le § 6, alinéa premier, est remplacé par la disposition suivante :
" § 6. Pour les prestations visées à l'article 34, 7°,8° et 9°, a), l'intervention de l'assurance soins de santé est fixée à 100 % des prix et honoraires fixés par les conventions prévues à l'article 22, 6°. ";
2° au § 11, modifié par la loi du 22 février 1998, L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 11. L'intervention de l'assurance soins de santé dans les frais de voyage visés à l'article 34, 10°, est fixée par le ministre. ".
Art. 31. Artikel 51, § 2, zesde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 december 1999, wordt aangevuld met de volgende zinsnede :
" en maken, vanaf 1 januari 2001, integraal deel uit van de bedingen van de overeenkomsten die, op die datum, in toepassing van artikel 49, § 4, stilzwijgend worden verlengd. ".
" en maken, vanaf 1 januari 2001, integraal deel uit van de bedingen van de overeenkomsten die, op die datum, in toepassing van artikel 49, § 4, stilzwijgend worden verlengd. ".
Art. 31. L'article 51, § 2, alinéa 6, de la même loi, inséré par la loi du 24 décembre 1999, est complété comme suit :
" et font, à compter du 1er janvier 2001, partie intégrante des dispositions des conventions qui, en application de l'article 49, § 4, sont reconduites tacitement à cette date ".
" et font, à compter du 1er janvier 2001, partie intégrante des dispositions des conventions qui, en application de l'article 49, § 4, sont reconduites tacitement à cette date ".
Art. 32. Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden :
" Aan deze opgesplitste budgetten wordt vanaf 1 januari 2001 het bedrag toegevoegd dat overeenkomt met het opgesplitst algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen van klinische biologie, vastgesteld in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor het globaal budget wordt vastgelegd.
Indien deze toevoeging wordt doorgevoerd voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verstrekkingen die worden verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, wordt geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de artikels 61 en 62 in het jaar waarvoor het algebraïsch verschil in rekening wordt gebracht.
De Koning legt, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de modaliteiten vast volgens dewelke deze algebraïsche verschillen worden verrekend in de forfaitaire bedragen, bedoeld in artikel 57, § 1 en 60, § 2.
Het doorvoeren van deze verrekening kan noch door één van de partijen die het akkoord heeft gesloten, noch door de individuele verstrekker die er is tot toegetreden, worden ingeroepen om dit akkoord of deze toetreding op te zeggen. ".
" Aan deze opgesplitste budgetten wordt vanaf 1 januari 2001 het bedrag toegevoegd dat overeenkomt met het opgesplitst algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen van klinische biologie, vastgesteld in het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarvoor het globaal budget wordt vastgelegd.
Indien deze toevoeging wordt doorgevoerd voor het gedeelte dat betrekking heeft op de verstrekkingen die worden verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, wordt geen toepassing gemaakt van de bepalingen van de artikels 61 en 62 in het jaar waarvoor het algebraïsch verschil in rekening wordt gebracht.
De Koning legt, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de modaliteiten vast volgens dewelke deze algebraïsche verschillen worden verrekend in de forfaitaire bedragen, bedoeld in artikel 57, § 1 en 60, § 2.
Het doorvoeren van deze verrekening kan noch door één van de partijen die het akkoord heeft gesloten, noch door de individuele verstrekker die er is tot toegetreden, worden ingeroepen om dit akkoord of deze toetreding op te zeggen. ".
Art. 32. L'article 59 de la même loi est complété par les alinéas suivants :
" A ces budgets répartis est ajouté à partir du 1er janvier 2001 le montant qui correspond à la différence algébrique répartie entre le budget global des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations de biologie clinique en question, enregistrées au cours de la deuxième année qui précède l'année pour laquelle le budget global est fixé.
Si ce montant est ajouté pour la partie se rapportant aux prestations dispensées à des bénéficiaires non hospitalisés, il n'est pas fait application des dispositions des articles 61 et 62 au cours de l'année pour laquelle la différence algébrique est prise en considération.
Le Roi fixe, après avis de la Commission nationale médico-mutualiste, les modalités selon lesquelles ces différences algébriques sont incorporées dans les montants forfaitaires visés aux articles 57, § 1er, et 60, § 2.
Cette incorporation ne peut être invoquée ni par une des parties ayant conclu l'accord, ni par le dispensateur individuel qui y a adhéré, pour dénoncer cet accord ou cette adhésion. ".
" A ces budgets répartis est ajouté à partir du 1er janvier 2001 le montant qui correspond à la différence algébrique répartie entre le budget global des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations de biologie clinique en question, enregistrées au cours de la deuxième année qui précède l'année pour laquelle le budget global est fixé.
Si ce montant est ajouté pour la partie se rapportant aux prestations dispensées à des bénéficiaires non hospitalisés, il n'est pas fait application des dispositions des articles 61 et 62 au cours de l'année pour laquelle la différence algébrique est prise en considération.
Le Roi fixe, après avis de la Commission nationale médico-mutualiste, les modalités selon lesquelles ces différences algébriques sont incorporées dans les montants forfaitaires visés aux articles 57, § 1er, et 60, § 2.
Cette incorporation ne peut être invoquée ni par une des parties ayant conclu l'accord, ni par le dispensateur individuel qui y a adhéré, pour dénoncer cet accord ou cette adhésion. ".
Art. 33. Artikel 72bis, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. De schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten treedt in werking een jaar na de ontvangst van de aanvraag.
De minister kan, na advies van de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten, rekening houdend met economische, sociale en therapeutische criteria, een eerdere datum van inwerkingtreding bepalen, op basis van een gemotiveerde aanvraag tot schrapping op kortere termijn, die terzelfder tijd wordt gestuurd naar de minister en de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten.
De indiener van de aanvraag tot schrapping is ertoe gehouden de farmaceutische specialiteit in de bestaande terugbetaalde presentaties ter beschikking te houden tot de datum van publikatie in het Belgisch Staatsblad van de schrapping van de farmaceutische specialiteit uit de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen. ".
" § 2. De schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten treedt in werking een jaar na de ontvangst van de aanvraag.
De minister kan, na advies van de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten, rekening houdend met economische, sociale en therapeutische criteria, een eerdere datum van inwerkingtreding bepalen, op basis van een gemotiveerde aanvraag tot schrapping op kortere termijn, die terzelfder tijd wordt gestuurd naar de minister en de Technische Raad voor Farmaceutische Specialiteiten.
De indiener van de aanvraag tot schrapping is ertoe gehouden de farmaceutische specialiteit in de bestaande terugbetaalde presentaties ter beschikking te houden tot de datum van publikatie in het Belgisch Staatsblad van de schrapping van de farmaceutische specialiteit uit de lijst van terugbetaalbare geneesmiddelen. ".
Art. 33. L'article 72bis, § 2, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. La suppression d'une spécialité pharmaceutique de la liste des spécialités admises au remboursement entre en vigueur un an après la réception de la demande.
Le ministre peut, après avoir pris l'avis du Conseil technique des spécialités pharmaceutiques et compte tenu de critères économiques, sociaux et thérapeutiques, fixer une date d'entrée en vigueur plus rapide, sur la base d'une demande motivée de suppression à plus court terme, envoyée simultanément au ministre et au Conseil technique des spécialités pharmaceutiques.
L'auteur de la demande de suppression est tenu d'offrir la spécialité pharmaceutique dans les présentations existantes remboursées jusqu'à la date de publication de la suppression de la spécialité pharmaceutique de la liste des médicaments admis au remboursement au Moniteur belge. ".
" § 2. La suppression d'une spécialité pharmaceutique de la liste des spécialités admises au remboursement entre en vigueur un an après la réception de la demande.
Le ministre peut, après avoir pris l'avis du Conseil technique des spécialités pharmaceutiques et compte tenu de critères économiques, sociaux et thérapeutiques, fixer une date d'entrée en vigueur plus rapide, sur la base d'une demande motivée de suppression à plus court terme, envoyée simultanément au ministre et au Conseil technique des spécialités pharmaceutiques.
L'auteur de la demande de suppression est tenu d'offrir la spécialité pharmaceutique dans les présentations existantes remboursées jusqu'à la date de publication de la suppression de la spécialité pharmaceutique de la liste des médicaments admis au remboursement au Moniteur belge. ".
Art. 34. Artikel 136, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999 wordt aangevuld als volgt :
" c) onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijzondere akkoorden, waarvan de inhoud past in het algemeen kader van de regels vastgelegd door de internationale verdragen, gesloten tussen de in artikel 2 i), n), bedoelde personen, Belgen en buitenlanders, om te komen tot een vereenvoudigde toegang tot de verstrekkingen over de grenzen, en die zijn goedgekeurd door het Verzekeringscomité en/of het Beheerscomité van de uitkeringen. ".
" c) onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijzondere akkoorden, waarvan de inhoud past in het algemeen kader van de regels vastgelegd door de internationale verdragen, gesloten tussen de in artikel 2 i), n), bedoelde personen, Belgen en buitenlanders, om te komen tot een vereenvoudigde toegang tot de verstrekkingen over de grenzen, en die zijn goedgekeurd door het Verzekeringscomité en/of het Beheerscomité van de uitkeringen. ".
Art. 34. L'article 136, § 1er, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 24 décembre 1999 est complété comme suit :
" c) dans les conditions prévues au sein de conventions particulières, dont le contenu s'inscrit dans le cadre général des règles fixées par les conventions internationales, conclues entre les personnes visées à l'article 2 i), n), belges et étrangères, pour réaliser un accès simplifié à des prestations transfrontalières et qui ont été approuvées par le Comité de l'assurance et/ou le Comité de gestion des indemnités. ".
" c) dans les conditions prévues au sein de conventions particulières, dont le contenu s'inscrit dans le cadre général des règles fixées par les conventions internationales, conclues entre les personnes visées à l'article 2 i), n), belges et étrangères, pour réaliser un accès simplifié à des prestations transfrontalières et qui ont été approuvées par le Comité de l'assurance et/ou le Comité de gestion des indemnités. ".
Art. 35. Artikel 146, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door het volgend lid :
" Het aantal geneesheren-inspecteurs wordt vastgesteld op één geneesheer per volledige schijf van 80 000 rechthebbenden, dat van de apothekers-inspecteurs bedraagt één apotheker per volledige schijf van 1 miljoen rechthebbenden. ".
" Het aantal geneesheren-inspecteurs wordt vastgesteld op één geneesheer per volledige schijf van 80 000 rechthebbenden, dat van de apothekers-inspecteurs bedraagt één apotheker per volledige schijf van 1 miljoen rechthebbenden. ".
Art. 35. L'article 146, alinéa 3, de la même loi, modifie par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le nombre de médecins-inspecteurs est fixé à un médecin par tranche entière de 80 000 bénéficiaires, celui des pharmaciens-inspecteurs est de un par tranche entière de million de bénéficiaires. ".
" Le nombre de médecins-inspecteurs est fixé à un médecin par tranche entière de 80 000 bénéficiaires, celui des pharmaciens-inspecteurs est de un par tranche entière de million de bénéficiaires. ".
Art. 36. Artikel 156, vijfde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, wordt als volgt gewijzigd :
" De Beperkte Kamers kunnen enkel een beslissing nemen na de betrokkenen te hebben gehoord; wanneer zij nalaten of weigeren te verschijnen, kunnen de Beperkte Kamers rechtsgeldig beslissen; ".
" De Beperkte Kamers kunnen enkel een beslissing nemen na de betrokkenen te hebben gehoord; wanneer zij nalaten of weigeren te verschijnen, kunnen de Beperkte Kamers rechtsgeldig beslissen; ".
Art. 36. L'article 156, alinéa 5, de la même loi, modifié par la loi du 24 décembre 1999, est modifié comme suit :
" Les Chambres restreintes ne peuvent prendre de décision qu'après avoir entendu les intéressés; s'ils s'abstiennent ou refusent de comparaître, les Chambres restreintes peuvent valablement décider; ".
" Les Chambres restreintes ne peuvent prendre de décision qu'après avoir entendu les intéressés; s'ils s'abstiennent ou refusent de comparaître, les Chambres restreintes peuvent valablement décider; ".
Art. 37. In artikel 185, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, worden :
- het 1°, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, vervangen als volgt :
" 1° de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de sociaal controleurs, bedoeld in artikel 146, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ";
- het 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, vervangen als volgt :
" 2° de sociaal inspecteurs en sociaal controleurs, bedoeld in artikel 162, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ".
- het 1°, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, vervangen als volgt :
" 1° de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de sociaal controleurs, bedoeld in artikel 146, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ";
- het 2°, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, vervangen als volgt :
" 2° de sociaal inspecteurs en sociaal controleurs, bedoeld in artikel 162, worden benoemd door de Koning op voorstel van de Directieraad van het Instituut. Zij worden ontslagen en afgezet door de Koning. ".
Art. 37. A l'article 185, § 2, alinéa 2, de la même loi :
- le 1°, modifié par la loi du 24 décembre 1999, est remplacé comme suit :
" 1° les médecins-inspecteurs, les pharmaciens-inspecteurs et les contrôleurs sociaux, visés à l'article 146, sont nommés par le Roi sur la proposition du Conseil de direction de l'Institut. Ils sont licenciés et révoqués par le Roi. ";
- le 2°, modifié par les lois des 22 février 1998 et 24 décembre 1999, est remplacé comme suit :
" 2° les inspecteurs sociaux et les contrôleurs sociaux, visés à l'article 162, sont nommés par le Roi sur la proposition du Conseil de direction de l'institut. Ils sont licenciés et révoqués par le Roi. ".
- le 1°, modifié par la loi du 24 décembre 1999, est remplacé comme suit :
" 1° les médecins-inspecteurs, les pharmaciens-inspecteurs et les contrôleurs sociaux, visés à l'article 146, sont nommés par le Roi sur la proposition du Conseil de direction de l'Institut. Ils sont licenciés et révoqués par le Roi. ";
- le 2°, modifié par les lois des 22 février 1998 et 24 décembre 1999, est remplacé comme suit :
" 2° les inspecteurs sociaux et les contrôleurs sociaux, visés à l'article 162, sont nommés par le Roi sur la proposition du Conseil de direction de l'institut. Ils sont licenciés et révoqués par le Roi. ".
Art. 38. In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Het eerste lid van 15°ter wordt aangevuld met de volgende woorden :
" en de voorwaarden bepaald in het voorlaatste lid van 15°ter ".
2° In 15°ter wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
" Onder de bijkomende voorwaarden bepaald in het laatste lid van 15°ter, wordt de in het eerste lid van 15°ter bedoelde aanvullende heffing voor 2000 verhoogd tot 5 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt. ".
3° In 15°ter wordt na het vroegere laatste lid een nieuw laatste lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" De verhoging bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15°ter, tweede lid, is verschuldigd als bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit wordt vastgesteld dat er op 1 oktober 2000 geen akkoord is bereikt tussen de minister van Sociale zaken en de farmaceutische industrie over de ontwikkeling en de beheersing van het budget voor geneesmiddelen. ".
1° Het eerste lid van 15°ter wordt aangevuld met de volgende woorden :
" en de voorwaarden bepaald in het voorlaatste lid van 15°ter ".
2° In 15°ter wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt :
" Onder de bijkomende voorwaarden bepaald in het laatste lid van 15°ter, wordt de in het eerste lid van 15°ter bedoelde aanvullende heffing voor 2000 verhoogd tot 5 % van de omzet die in 1999 is verwezenlijkt. ".
3° In 15°ter wordt na het vroegere laatste lid een nieuw laatste lid toegevoegd dat luidt als volgt :
" De verhoging bedoeld in artikel 191, eerste lid, 15°ter, tweede lid, is verschuldigd als bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk Besluit wordt vastgesteld dat er op 1 oktober 2000 geen akkoord is bereikt tussen de minister van Sociale zaken en de farmaceutische industrie over de ontwikkeling en de beheersing van het budget voor geneesmiddelen. ".
Art. 38. Dans l'article 191, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 1999 et modifié par la loi du 24 décembre 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° L'alinéa 1er du 15°ter est complété par les mots :
" et aux conditions définies dans l'avant-dernier alinéa du 15°ter ".
2° Dans 15°ter, après l'alinéa premier, est inséré un nouvel alinéa qui s'énonce comme suit :
" Sous les conditions supplémentaires définies dans le dernier alinéa du 15°ter, la cotisation complémentaire pour 2000 visée à l'alinéa premier du 15°ter est augmentée à 5 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 1999. ".
3° Dans 15°ter, après l'ancien dernier alinéa, est ajouté un nouveau dernier alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'augmentation visée à l'article 191, alinéa 1er, 15° ter, alinéa 2, est due s'il est établi par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres qu'au 1eroctobre 2000, aucun accord n'a été obtenu entre le ministre des Affaires sociales et l'industrie pharmaceutique sur le développement et la maîtrise du budget des médicaments. ".
1° L'alinéa 1er du 15°ter est complété par les mots :
" et aux conditions définies dans l'avant-dernier alinéa du 15°ter ".
2° Dans 15°ter, après l'alinéa premier, est inséré un nouvel alinéa qui s'énonce comme suit :
" Sous les conditions supplémentaires définies dans le dernier alinéa du 15°ter, la cotisation complémentaire pour 2000 visée à l'alinéa premier du 15°ter est augmentée à 5 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé en 1999. ".
3° Dans 15°ter, après l'ancien dernier alinéa, est ajouté un nouveau dernier alinéa qui s'énonce comme suit :
" L'augmentation visée à l'article 191, alinéa 1er, 15° ter, alinéa 2, est due s'il est établi par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres qu'au 1eroctobre 2000, aucun accord n'a été obtenu entre le ministre des Affaires sociales et l'industrie pharmaceutique sur le développement et la maîtrise du budget des médicaments. ".
Art. 39. Artikel 213 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt :
" § 4. Indien de toepassing van artikel 51, § 2, een wijziging van een uitvoeringsbesluit van deze wet tot gevolg heeft, geldt een bijzondere adviesprocedure. In afwijking van de bepalingen van deze wet moet over die wijzigingen alleen het advies van de Algemene Raad worden ingewonnen. ".
" § 4. Indien de toepassing van artikel 51, § 2, een wijziging van een uitvoeringsbesluit van deze wet tot gevolg heeft, geldt een bijzondere adviesprocedure. In afwijking van de bepalingen van deze wet moet over die wijzigingen alleen het advies van de Algemene Raad worden ingewonnen. ".
Art. 39. L'article 213 de la même loi, modifié par les lois des 22 février 1998 et 24 décembre 1999, est complété comme suit :
" § 4. Si l'application de l'article 51, § 2 entraîne une modification d'un arrêté d'exécution de la présente loi, une procédure d'avis spéciale doit être suivie. Par dérogation aux dispositions de la présente loi, seul l'avis du Conseil général doit être demandé concernant ces modifications. ".
" § 4. Si l'application de l'article 51, § 2 entraîne une modification d'un arrêté d'exécution de la présente loi, une procédure d'avis spéciale doit être suivie. Par dérogation aux dispositions de la présente loi, seul l'avis du Conseil général doit être demandé concernant ces modifications. ".
Art. 40. In artikel 43 van de programmawet van 24 december 1993, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 29 april 1996 en 24 december 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 5 wordt geschrapt;
2° de huidige § 4bis wordt § 5;
3° in § 6, laatste lid worden de woorden " Vanaf 1999 " vervangen door de woorden " Voor de prestaties terugbetaald vanaf 1 januari 1999 ";
4° in § 7 worden de woorden " § 6 van dit artikel " vervangen door de woorden " Dit artikel ".
1° de § 5 wordt geschrapt;
2° de huidige § 4bis wordt § 5;
3° in § 6, laatste lid worden de woorden " Vanaf 1999 " vervangen door de woorden " Voor de prestaties terugbetaald vanaf 1 januari 1999 ";
4° in § 7 worden de woorden " § 6 van dit artikel " vervangen door de woorden " Dit artikel ".
Art. 40. A l'article 43 de la loi-programme du 24 décembre 1993, modifié par les lois des 21 décembre 1994, 29 avril 1996 et 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 5 est supprimé;
2° l'actuel § 4bis devient le § 5;
3° au § 6, dernier alinéa, les mots " A partir de 1999 " sont remplacés par les mots " Pour les prestations remboursées à partir du 1er janvier 1999 ";
4° au § 7, les mots " Le § 6 du présent article " sont remplacés par les mots " Le présent article ".
1° le § 5 est supprimé;
2° l'actuel § 4bis devient le § 5;
3° au § 6, dernier alinéa, les mots " A partir de 1999 " sont remplacés par les mots " Pour les prestations remboursées à partir du 1er janvier 1999 ";
4° au § 7, les mots " Le § 6 du présent article " sont remplacés par les mots " Le présent article ".
HOOFDSTUK III. - Overlegstructuur - technische cel.
CHAPITRE III. - Structure de concertation - cellule technique.
Art. 41. In artikel 141 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden in het eerste en tweede lid de woorden " anonieme gegevens " vervangen door de woorden " gegevens waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd ".
Art. 41. Dans l'article 141, alinéas 1er et 2, de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, modifié par la loi du 22 février 1998, les mots " données anonymes " sont remplacés par les mots " données qui n'identifient pas une personne physique ".
Art. 42. In artikel 154, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, wordt het woord " anonieme " geschrapt.
Art. 42. Dans l'article 154, alinéa 1er, 1°, de la même loi, le mot " anonymes " est supprimé.
Art. 43. In artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen, zoals bedoeld in § 2, te verzamelen, te koppelen, te valideren, anoniem te maken en te analyseren. Daarnaast stelt de technische cel de gegevens ter beschikking volgens de modaliteiten beschreven in § 3.
Onder anonieme gegevens wordt hier verstaan deze die niet in verband kunnen worden gebracht met een natuurlijke of rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd. ";
B) § 2, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" De aan de technische cel meegedeelde gegevens bevatten geen identificatie van natuurlijke personen. ";
C) in § 2, derde lid, worden de woorden " anonieme gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen " vervangen door de woorden " gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd. ";
D) in § 2, vierde lid, wordt het woord " anonieme " geschrapt;
E) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De technische cel zal enkel anonieme gegevens ter beschikking stellen behoudens de hierna vermelde uitzonderingen.
Het ministerie en het Instituut hebben rechtstreeks toegang tot de door de technische cel anoniem gemaakte gegevens. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onder welke voorwaarden aan het ministerie en het Instituut gegevens kunnen worden meegedeeld door de technische cel waarbij de rechtspersoon of de zorgverlener, natuurlijke persoon, is of kan worden geïdentificeerd. Deze mededeling moet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het ministerie en het Instituut.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op welke wijze en onder welke voorwaarden anonieme gegevens of gegevens waarbij de rechtspersoon is of kan worden geïdentificeerd, verzameld door de technische cel, aan andere personen dan die vermeld in het tweede lid kunnen worden ter beschikking gesteld, rekening houdende met de aard en de doelstelling van de aanvraag van de gegevens. In geen geval mogen aan die personen gegevens waarbij een natuurlijke persoon is of kan worden geïdentificeerd worden meegedeeld. ".
A) § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen, zoals bedoeld in § 2, te verzamelen, te koppelen, te valideren, anoniem te maken en te analyseren. Daarnaast stelt de technische cel de gegevens ter beschikking volgens de modaliteiten beschreven in § 3.
Onder anonieme gegevens wordt hier verstaan deze die niet in verband kunnen worden gebracht met een natuurlijke of rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd. ";
B) § 2, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :
" De aan de technische cel meegedeelde gegevens bevatten geen identificatie van natuurlijke personen. ";
C) in § 2, derde lid, worden de woorden " anonieme gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen " vervangen door de woorden " gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen waarbij geen natuurlijke persoon is geïdentificeerd. ";
D) in § 2, vierde lid, wordt het woord " anonieme " geschrapt;
E) § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De technische cel zal enkel anonieme gegevens ter beschikking stellen behoudens de hierna vermelde uitzonderingen.
Het ministerie en het Instituut hebben rechtstreeks toegang tot de door de technische cel anoniem gemaakte gegevens. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onder welke voorwaarden aan het ministerie en het Instituut gegevens kunnen worden meegedeeld door de technische cel waarbij de rechtspersoon of de zorgverlener, natuurlijke persoon, is of kan worden geïdentificeerd. Deze mededeling moet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het ministerie en het Instituut.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op welke wijze en onder welke voorwaarden anonieme gegevens of gegevens waarbij de rechtspersoon is of kan worden geïdentificeerd, verzameld door de technische cel, aan andere personen dan die vermeld in het tweede lid kunnen worden ter beschikking gesteld, rekening houdende met de aard en de doelstelling van de aanvraag van de gegevens. In geen geval mogen aan die personen gegevens waarbij een natuurlijke persoon is of kan worden geïdentificeerd worden meegedeeld. ".
Art. 43. A l'article 156 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, modifié par les lois du 22 février 1998 et 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
A) Le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La cellule technique a pour tâche de collecter, relier, valider, anonymiser et analyser les données relatives aux hôpitaux, telles que visées au § 2. En outre, la cellule technique rend les données disponibles suivant les modalités définies au § 3.
Par données anonymes, on entend ici les données qui ne peuvent être mises en relation avec une personne physique ou morale, qui est ou peut être identifiée. ";
B) le § 2, alinéa 2, est complété comme suit :
" Les données communiquées à la cellule technique ne comportent pas d'identification de personnes physiques. ";
C) au § 2, alinéa 3, les mots " données anonymes relatives aux hôpitaux " sont remplacés par les mots " données relatives aux hôpitaux qui n'identifient pas une personne physique. ";
D) au § 2, alinéa 4, le mot " anonymes " est supprimé;
E) le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. La cellule technique ne mettra à disposition que des données anonymes, sauf les exceptions mentionnées ci-après.
Le ministère et l'institut ont directement accès aux données anonymisées par la cellule technique. Le Roi fixe, après avoir recueilli l'avis de la Commission de la protection de la vie privée, les conditions dans lesquelles la cellule technique peut communiquer au ministère ou à l'institut des données par lesquelles la personne morale ou le dispensateur de soins, personne physique, est ou peut être identifié. Cette communication doit s'avérer indispensable à l'exécution des missions légales du ministère et de l'institut.
Le Roi détermine par arrêté, délibéré en Conseil des ministres, les modalités et conditions selon lesquelles des données anonymes ou des données par lesquelles la personne morale est ou peut être identifiée, collectées par la cellule technique, peuvent être mises a la disposition de personnes autres que celles mentionnées à l'alinéa 2, compte tenu de la nature et de l'objectif de la demande de données. En aucun cas des données par lesquelles une personne physique est ou peut être identifiée, ne peuvent être communiquées à ces personnes. ".
A) Le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La cellule technique a pour tâche de collecter, relier, valider, anonymiser et analyser les données relatives aux hôpitaux, telles que visées au § 2. En outre, la cellule technique rend les données disponibles suivant les modalités définies au § 3.
Par données anonymes, on entend ici les données qui ne peuvent être mises en relation avec une personne physique ou morale, qui est ou peut être identifiée. ";
B) le § 2, alinéa 2, est complété comme suit :
" Les données communiquées à la cellule technique ne comportent pas d'identification de personnes physiques. ";
C) au § 2, alinéa 3, les mots " données anonymes relatives aux hôpitaux " sont remplacés par les mots " données relatives aux hôpitaux qui n'identifient pas une personne physique. ";
D) au § 2, alinéa 4, le mot " anonymes " est supprimé;
E) le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. La cellule technique ne mettra à disposition que des données anonymes, sauf les exceptions mentionnées ci-après.
Le ministère et l'institut ont directement accès aux données anonymisées par la cellule technique. Le Roi fixe, après avoir recueilli l'avis de la Commission de la protection de la vie privée, les conditions dans lesquelles la cellule technique peut communiquer au ministère ou à l'institut des données par lesquelles la personne morale ou le dispensateur de soins, personne physique, est ou peut être identifié. Cette communication doit s'avérer indispensable à l'exécution des missions légales du ministère et de l'institut.
Le Roi détermine par arrêté, délibéré en Conseil des ministres, les modalités et conditions selon lesquelles des données anonymes ou des données par lesquelles la personne morale est ou peut être identifiée, collectées par la cellule technique, peuvent être mises a la disposition de personnes autres que celles mentionnées à l'alinéa 2, compte tenu de la nature et de l'objectif de la demande de données. En aucun cas des données par lesquelles une personne physique est ou peut être identifiée, ne peuvent être communiquées à ces personnes. ".
TITEL IV. - Arbeidsongevallen.
TITRE IV. - Accidents du travail.
Art. 44. In artikel 24, zesde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, worden de woorden " verplegings- of verzorgingsinstelling " vervangen door de woorden " ziekenhuis zoals omschreven in artikel 2 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wetgeving op de ziekenhuizen ".
Art. 44. Dans l'article 24, alinéa 6, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, inséré par la loi du 29 décembre 1990, les mots " établissement hospitalier ou de soins " sont remplacés par les mots " établissement hospitalier comme défini à l'article 2 de la loi sur les hôpitaux coordonnée le 7 août 1987 ".
Art. 45. In artikel 24bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, worden de woorden " verplegings- of verzorgingsinstelling " vervangen door het woord " ziekenhuis " zoals omschreven in artikel 2 van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987.
Art. 45. Dans l'article 24bis, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 29 décembre 1990, les mots " établissement hospitalier ou de soins " sont remplacés par les mots " établissement hospitalier " comme défini à l'article 2 de la loi sur les hôpitaux coordonnée le 7 août 1987.
Art. 46. In artikel 38, eerste lid, van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen als volgt : "Wanneer tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid de minderjarige meerderjarig wordt, of de leerovereenkomst een einde neemt, wordt vanaf die datum het basisloon voor de berekening van de dagelijkse vergoeding bepaald overeenkomstig het hiernavolgend lid. "
Art. 46. Dans l'article 38, alinéa premier, de la même loi, la 2e phrase est remplacée comme suit : " Lorsque, pendant la période d'incapacité temporaire de travail, le mineur d'âge devient majeur ou que le contrat d'apprentissage de l'apprenti prend fin, la rémunération de base pour le calcul de l'indemnité journalière est, à partir de cette date, fixée conformément à l'alinéa ci-dessous. ".
Art. 47. In artikel 47, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " 42bis ", ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt.
Art. 47. Dans l'article 47, alinéa premier, de la même loi, les mots " 42bis ", insérés par l'arrêté royal du 16 décembre 1996, sont supprimés.
Art. 48. In artikel 48ter, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden " 42bis " ingevoegd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, geschrapt.
Art. 48. Dans l'article 48ter, alinéa premier, de la même loi, les mots " 42bis ", insérés par l'arrêté royal du 16 décembre 1996, sont supprimés.
Art. 49. In artikel 51, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden " bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of " geschrapt.
Art. 49. A l'article 51, alinéa premier, de la même loi, les termes " auprès de la Caisse générale d'Epargne et de Retraite ou " sont supprimés.
Art. 50. Artikel 93 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 31 maart 1982, wordt vervangen als volgt :
" Art. 93. Onverminderd de bepalingen van artikel 50bis van het Strafwetboek, zijn de werkgever, de verzekeraar of de instelling met rentedienst burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboeten waartoe hun beheerders, commissarissen, directeurs, zaakvoerders, lasthebbers of aangestelden worden veroordeeld met toepassing van de voorgaande bepalingen. ".
" Art. 93. Onverminderd de bepalingen van artikel 50bis van het Strafwetboek, zijn de werkgever, de verzekeraar of de instelling met rentedienst burgerrechtelijk aansprakelijk voor de geldboeten waartoe hun beheerders, commissarissen, directeurs, zaakvoerders, lasthebbers of aangestelden worden veroordeeld met toepassing van de voorgaande bepalingen. ".
Art. 50. L'article 93 de la même loi modifié par l'arrêté royal n° 39 du 31 mars 1982, est remplacé comme suit :
" Art. 93. Sans préjudice des dispositions de l'article 50bis du code pénal, L'employeur, L'assureur ou l'établissement chargé du service des rentes sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs administrateurs, commissaires, directeurs, gérants, mandataires ou préposés en application des dispositions qui précèdent. ".
" Art. 93. Sans préjudice des dispositions de l'article 50bis du code pénal, L'employeur, L'assureur ou l'établissement chargé du service des rentes sont civilement responsables des amendes auxquelles sont condamnés leurs administrateurs, commissaires, directeurs, gérants, mandataires ou préposés en application des dispositions qui précèdent. ".
Art. 51. De Algemene Spaar- en Lijfrentekas sluit met een tot de rentedienst gemachtigde verzekeraar een overeenkomst tot overdracht van de bij haar gevestigde rentekapitalen.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze overdracht plaatsvindt.
De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, verleent goedkeuring aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
De overdracht heeft uitwerking op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat goedkeuring verleent aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. Ze geldt ten aanzien van alle rentegenieters en alle betrokken derden.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze overdracht plaatsvindt.
De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, verleent goedkeuring aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.
De overdracht heeft uitwerking op de datum van inwerkingtreding van het ministerieel besluit dat goedkeuring verleent aan de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. Ze geldt ten aanzien van alle rentegenieters en alle betrokken derden.
Art. 51. La Caisse générale d'Epargne et de Retraite passe avec un assureur agréé pour le service des rentes une convention de transfert des capitaux de rentes constitués chez elle.
Le Roi fixe les conditions dans lesquelles ce transfert a lieu.
Le ministre qui a les Affaires sociales parmi ses attributions approuve la convention visée à l'alinéa 1.
Le transfert produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel portant approbation de la convention visée à l'alinéa 1. Il est valable à l'égard de tous les bénéficiaires de rentes et de tous les tiers concernés.
Le Roi fixe les conditions dans lesquelles ce transfert a lieu.
Le ministre qui a les Affaires sociales parmi ses attributions approuve la convention visée à l'alinéa 1.
Le transfert produit ses effets à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté ministériel portant approbation de la convention visée à l'alinéa 1. Il est valable à l'égard de tous les bénéficiaires de rentes et de tous les tiers concernés.
Art. 52. Artikel 49 treedt in werking op de in artikel 51, vierde lid, bepaalde datum.
Art. 52. L'article 49 entre en vigueur à la date fixée à l'article 51, alinéa 4.
TITEL V. - Kinderbijslag.
TITRE V. - Allocations familiales.
HOOFDSTUK I. - Regeling van rechtstreekse betaling van de kinderbijslagen door UIA, LUC, Universiteit Gent en Universitair Centrum Antwerpen en regeling kinderbijslag van niet beschermde lokale mandatarissen.
CHAPITRE I. - Système du paiement direct des allocations familiales par l'UIA, la LUC, L'Universiteit Gent et l'Universitair Centrum Antwerpen et régime d'allocations familiales des mandataires locaux non protégés.
Art. 53. Artikel 3, 2°, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 december 1989, wordt aangevuld als volgt :
" alsook de Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg; ".
Hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" De gemeenten zijn eveneens aan deze wetten onderworpen voor de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" alsook de Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg; ".
Hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" De gemeenten zijn eveneens aan deze wetten onderworpen voor de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 53. L'article 3, 2°, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939, remplacé par la loi du 22 décembre 1989, est complété comme suit :
" ainsi que l' " Universitaire Instelling Antwerpen " et l' " Universitair Centrum Limburg "; ".
Le même article est complété par l'alinéa suivant :
" Les communes sont également assujetties aux présentes lois pour les bourgmestres et échevins visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" ainsi que l' " Universitaire Instelling Antwerpen " et l' " Universitair Centrum Limburg "; ".
Le même article est complété par l'alinéa suivant :
" Les communes sont également assujetties aux présentes lois pour les bourgmestres et échevins visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 54. In artikel 15, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960 en de wet van 10 juni 1998, worden de woorden " en van de werkvrouwen " geschrapt.
Art. 54. A l'article 15, alinéa 2, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 25 octobre 1960 et la loi du 10 juin 1998, les mots " et des femmes de journées " sont supprimés.
Art. 55. In dezelfde wetten wordt een artikel 32ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 32ter. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent de gezinsbijslag aan de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" Art. 32ter. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verleent de gezinsbijslag aan de burgemeesters en schepenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 55. Un article 32ter, rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
" Art. 32ter. L'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales octroie les prestations familiales aux bourgmestres et échevins visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" Art. 32ter. L'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales octroie les prestations familiales aux bourgmestres et échevins visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 56. Artikel 42bis van dezelfde wetten, hersteld bij het koninklijk besluit nr. 131 van 30 december 1982 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 282 van 31 maart 1984, de wet van 1 augustus 1985, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987, de koninklijke besluiten van 31 maart 1987 en 16 november 1988, de wetten van 22 december 1989, 29 december 1990, 30 december 1992 en 4 mei 1999, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de toepassing van het vijfde lid bepaalt de Koning de periodes, alsook hun berekeningswijze, die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de aanvang van de periodes van zes maanden activiteit bedoeld in het vijfde lid. Hij bepaalt eveneens de periodes die deze activiteit onderbreken. ".
" Voor de toepassing van het vijfde lid bepaalt de Koning de periodes, alsook hun berekeningswijze, die in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de aanvang van de periodes van zes maanden activiteit bedoeld in het vijfde lid. Hij bepaalt eveneens de periodes die deze activiteit onderbreken. ".
Art. 56. L'article 42bis des mêmes lois, rétabli par l'arrêté royal n° 131 du 30 décembre 1982 et modifié par l'arrêté royal n° 282 du 31 mars 1984, la loi du 1er août 1985, L'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, les arrêtés royaux des 31 mars 1987 et 16 novembre 1988, les lois des 22 décembre 1989, 29 décembre 1990, 30 décembre 1992 et 4 mai 1999, est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'application de l'alinéa 5, le Roi détermine les périodes, ainsi que leur mode de calcul, prises en compte pour la détermination de la prise de cours de la période de six mois d'activité visée par l'alinéa 5. Il détermine également les périodes qui interrompent cette activité. ".
" Pour l'application de l'alinéa 5, le Roi détermine les périodes, ainsi que leur mode de calcul, prises en compte pour la détermination de la prise de cours de la période de six mois d'activité visée par l'alinéa 5. Il détermine également les périodes qui interrompent cette activité. ".
Art. 57. Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt aangevuld als volgt :
" 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ".
" 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ".
Art. 57. L'article 51, § 1er, alinéa unique, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est complété comme suit :
" 4° les personnes visées à l'article 3, alinéa 2. ".
" 4° les personnes visées à l'article 3, alinéa 2. ".
Art. 58. In artikel 102, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de woorden " de werkvrouwen en " geschrapt.
Art. 58. A l'article 102, § 2, alinéa 2, des mêmes lois, inseré par la loi du 22 février 1998, les mots " les femmes de journées et " sont supprimés.
Art. 59. De Universitaire Instelling Antwerpen en het Universitair Centrum Limburg verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 59. L' " Universitaire Instelling Antwerpen " et l' " Universitair Centrum Limburg " accordent directement les allocations familiales aux membres de leur personnel pour lesquels ils ne sont pas soumis à l'obligation de payer des cotisations de sécurité sociale pour le secteur des allocations familiales des travailleurs salariés à l'Office national de Sécurité sociale.
Art. 60. De Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen verlenen rechtstreeks de gezinsbijslag aan hun personeelsleden voor dewelke zij niet zijn onderworpen aan de verplichting tot het betalen van de sociale zekerheidsbijdragen voor de sector gezinsbijslag voor werknemers aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 60. L' " Universiteit Gent " et l' " Universitair Centrum Antwerpen " accordent directement les allocations familiales aux membres de leur personnel pour lesquels ils ne sont pas soumis à l'obligation de payer des cotisations de sécurité sociale pour le secteur des allocations familiales des travailleurs salariés à l'Office national de Sécurité sociale.
Art. 61. Artikel 51, § 1, enig lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt aangevuld als volgt :
" 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ".
" 4° de personen bedoeld in artikel 3, tweede lid. ".
Art. 61. L'article 51, § 1er, alinéa unique, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est complété comme suit :
" 4° les personnes visées à l'article 3, alinéa 2. ".
" 4° les personnes visées à l'article 3, alinéa 2. ".
Art. 62. Het artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 29 juni 1991.
Art. 62. L'article 60 produit ses effets le 29 juin 1991.
HOOFDSTUK II. - Gewaarborgde gezinsbijslag.
CHAPITRE II. - Prestations familiales garanties.
Art. 63. In artikel 1, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt de tweede zin vervangen door de volgende :
" Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om de reden dat het kind een bestaansminimum ontvangt toegekend krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ".
" Dit vermoeden kan niet worden omgekeerd om de reden dat het kind een bestaansminimum ontvangt toegekend krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ".
Art. 63. A l'article 1er, alinéa 3, de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, modifié par la loi du 25 janvier 1999, la seconde phrase est remplacée par la phrase qui suit :
" Cette présomption ne peut être renversée au motif que l'enfant perçoit un minimum de moyens d'existence accordé en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence. ".
" Cette présomption ne peut être renversée au motif que l'enfant perçoit un minimum de moyens d'existence accordé en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence. ".
Art. 64. Artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 11 februari 1998.
Art. 64. L'article 63 produit ses effets le 11 février 1998.
HOOFDSTUK III. - Ambtenaren Europese Gemeenschappen, Eurocontrol en Europese scholen.
CHAPITRE III. - Fonctionnaires des Communautés Européennes, Eurocontrol et Ecoles Européennes
Art. 65. Artikel 60, § 1, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1982, wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
" Die vermindering wordt niet toegepast indien ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regelen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Gemeenschappen.
De Koning bepaalt de volkenrechtelijke instellingen wier statutaire regelen die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regelen bedoeld in het vorige lid. ".
" Die vermindering wordt niet toegepast indien ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt op uitkeringen van dezelfde aard krachtens statutaire regelen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Gemeenschappen.
De Koning bepaalt de volkenrechtelijke instellingen wier statutaire regelen die op hun personeel van toepassing zijn, kunnen worden gelijkgesteld met de statutaire regelen bedoeld in het vorige lid. ".
Art. 65. L'article 60, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939, modifié par l'arrêté royal du 15 juillet 1982, est complété par les dispositions suivantes :
" Ladite réduction ne s'applique pas lorsqu'il peut être prétendu à des prestations de même nature en faveur d'un enfant bénéficiaire en vertu des règles statutaires applicables aux fonctionnaires et autres agents des Communautés européennes.
Le Roi détermine les institutions de droit international public dont les règles statutaires applicables à leur personnel peuvent être assimilées aux règles statutaires visées à l'alinéa précédent. ".
" Ladite réduction ne s'applique pas lorsqu'il peut être prétendu à des prestations de même nature en faveur d'un enfant bénéficiaire en vertu des règles statutaires applicables aux fonctionnaires et autres agents des Communautés européennes.
Le Roi détermine les institutions de droit international public dont les règles statutaires applicables à leur personnel peuvent être assimilées aux règles statutaires visées à l'alinéa précédent. ".
Art. 66. Artikel 65 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993.
Art. 66. L'article 65 produit ses effets le 1er septembre 1993.
HOOFDSTUK IV. - Discriminaties op basis van het geslacht van de partners die een huishouden vormen.
CHAPITRE IV. - Discriminations fondées sur le sexe des personnes qui forment un ménage.
Art. 67. In artikel 42, § 1, derde lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997 en de wet van 14 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) 1° wordt aangevuld met het volgende zinslid : " , behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister. ";
b) 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2° de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Het ouderschap dat is verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen. ".
a) 1° wordt aangevuld met het volgende zinslid : " , behalve wanneer uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de bijslagtrekkenden wel degelijk samenwonen, ook al stemt dat niet of niet meer overeen met de informatie verkregen van het Rijksregister. ";
b) 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2° de bijslagtrekkenden moeten ofwel echtgenoten zijn ofwel bloed- of aanverwanten in de eerste, tweede of derde graad, ofwel personen die verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Het ouderschap dat is verworven door adoptie wordt in aanmerking genomen. ".
Art. 67. A l'article 42, § 1er, alinéa 3, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939, modifié par l'arrêté royal du 21 avril 1997 et par la loi du 14 mai 2000, sont apportées les modifications suivantes :
a) Le 1° est complété par le membre de phrase suivant : " , exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la cohabitation des allocataires est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès du Registre national. ";
b) le 2° est remplacé par la disposition suivante :
2° les allocataires doivent être, soit conjoints, soit parents ou alliés au premier, au deuxième ou au troisième degré, soit des personnes déclarant former un ménage de fait. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire. La parenté acquise par adoption est prise en considération. ".
a) Le 1° est complété par le membre de phrase suivant : " , exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents officiels produits à cet effet, que la cohabitation des allocataires est effective bien qu'elle ne corresponde pas ou plus avec l'information obtenue auprès du Registre national. ";
b) le 2° est remplacé par la disposition suivante :
2° les allocataires doivent être, soit conjoints, soit parents ou alliés au premier, au deuxième ou au troisième degré, soit des personnes déclarant former un ménage de fait. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire. La parenté acquise par adoption est prise en considération. ".
Art. 68. Artikel 51, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, door het koninklijk besluit van 21 april 1997 en door de wet van 14 mei 2000, wordt als volgt gewijzigd :
a) in de eerste zin van 3° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
b) in 6° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
c) in 7° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
d) in 8° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
e) er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen personen die bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad geen feitelijk gezin vormen. Het samenwonen van personen die verklaren dat ze een feitelijk gezin vormen, vloeit voort uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële stukken die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit de samenwoning blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. ".
a) in de eerste zin van 3° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
b) in 6° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
c) in 7° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
d) in 8° worden de woorden " de persoon met wie hij een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt ";
e) er wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Voor de toepassing van deze paragraaf kunnen personen die bloed- of aanverwanten zijn tot en met de derde graad geen feitelijk gezin vormen. Het samenwonen van personen die verklaren dat ze een feitelijk gezin vormen, vloeit voort uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële stukken die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit de samenwoning blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. ".
Art. 68. L'article 51, § 3, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989,l'arrêté royal du 21 avril 1997 et la loi du 14 mai 2000, est modifié comme suit :
a) dans la première phrase du 3°, les mots " de la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
b) au 6°, les mots " de la personne avec laquelle il est établi en ménage ", sont remplacés par les mots " d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
c) au 7°, les mots " la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
d) au 8°, les mots " la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
e) un nouvel alinéa est inséré, libellé comme suit :
" Pour l'application du présent paragraphe, des personnes parentes ou alliées jusqu'au 3e degré inclusivement, ne peuvent former un ménage de fait. La cohabitation de personnes déclarant former un ménage de fait est établie par l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès dudit Registre, ou par d'autres documents officiels attestant de la cohabitation, produits par le demandeur, lorsque l'information susvisée du Registre fait défaut ou est invalidée par ces documents. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire ".
a) dans la première phrase du 3°, les mots " de la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
b) au 6°, les mots " de la personne avec laquelle il est établi en ménage ", sont remplacés par les mots " d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
c) au 7°, les mots " la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
d) au 8°, les mots " la personne avec laquelle il est établi en ménage " sont remplacés par les mots " une personne avec laquelle il forme un ménage de fait ";
e) un nouvel alinéa est inséré, libellé comme suit :
" Pour l'application du présent paragraphe, des personnes parentes ou alliées jusqu'au 3e degré inclusivement, ne peuvent former un ménage de fait. La cohabitation de personnes déclarant former un ménage de fait est établie par l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès dudit Registre, ou par d'autres documents officiels attestant de la cohabitation, produits par le demandeur, lorsque l'information susvisée du Registre fait défaut ou est invalidée par ces documents. Cette déclaration vaut jusqu'à preuve du contraire ".
Art. 69. Artikel 56bis, § 2, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 5 januari 1976, het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 en de wet van 22 december 1989, wordt gewijzigd als volgt :
a) het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende vader of moeder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad. ";
b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidend als volgt :
" Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin. ".
a) het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De in § 1 bedoelde kinderbijslag wordt evenwel verleend tegen de schaal bepaald in artikel 40 als de overlevende vader of moeder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad. ";
b) tussen het eerste en het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidend als volgt :
" Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin. ".
Art. 69. L'article 56bis, § 2, des mêmes lois, modifié par la loi du 5 janvier 1976, l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987 et la loi du 22 décembre 1989, est modifié de la manière suivante :
a) L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les allocations familiales prévues au § 1er sont toutefois accordées aux taux prévus à l'article 40, lorsque le père survivant ou la mère survivante est engagé(e) dans les liens d'un mariage ou forme un ménage de fait avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement. ";
b) un nouvel alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" La cohabitation de l'auteur survivant avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement, fait présumer, jusqu'à preuve du contraire, l'existence d'un ménage de fait. ".
a) L'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les allocations familiales prévues au § 1er sont toutefois accordées aux taux prévus à l'article 40, lorsque le père survivant ou la mère survivante est engagé(e) dans les liens d'un mariage ou forme un ménage de fait avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement. ";
b) un nouvel alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" La cohabitation de l'auteur survivant avec une personne autre qu'un parent ou allié jusqu'au 3e degré inclusivement, fait présumer, jusqu'à preuve du contraire, l'existence d'un ménage de fait. ".
Art. 70. In artikel 56quater, eerste lid, 3°, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987 en de wet van 22 december 1989 worden de woorden " geen huishouden vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid van deze wetten, noch een nieuw huwelijk hebben aangegaan " vervangen door de woorden " geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, noch een nieuw huwelijk hebben aangegaan ".
Art. 70. A l'article 56quater, alinéa 1er, 3°, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987 et par la loi du 22 décembre 1989, les mots " être établie en ménage au sens de l'article 56bis, § 2, alinéa 1er des présentes lois, ni engagée dans les liens d'un nouveau mariage ", sont remplacés par les mots " former un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ni être engagée dans les liens d'un nouveau mariage ".
Art. 71. Artikel 56quinquies, §§ 2 en 3, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1969, bij het koninklijk besluit van 23 januari 1976, en bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, wordt als volgt gewijzigd :
a) in § 2, tweede lid worden de woorden " een huishouden vormt, in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " of een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2 ";
b) in § 3, tweede lid worden de woorden " geen huishouden vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2 ".
a) in § 2, tweede lid worden de woorden " een huishouden vormt, in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " of een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2 ";
b) in § 3, tweede lid worden de woorden " geen huishouden vormen in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2 ".
Art. 71. L'article 56quinquies, §§ 2 et 3, des mêmes lois, modifié par la loi du 4 juillet 1969, L'arrêté royal du 23 janvier 1976, et par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, est modifié comme suit :
a) au § 2, alinéa 2, les mots " est établi en ménage dans le sens de l'article 56bis, § 2, alinéa 1er, " sont remplacés par les mots " forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ";
b) au § 3, alinéa 2, les mots " ni établi en ménage au sens de l'article 56bis, § 2, alinéa 1er ", sont remplacés par les mots " ni former un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2 ".
a) au § 2, alinéa 2, les mots " est établi en ménage dans le sens de l'article 56bis, § 2, alinéa 1er, " sont remplacés par les mots " forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ";
b) au § 3, alinéa 2, les mots " ni établi en ménage au sens de l'article 56bis, § 2, alinéa 1er ", sont remplacés par les mots " ni former un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2 ".
Art. 72. In artikel 56sexies, § 2, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989 worden de woorden " een huishouden vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, eerste lid ", vervangen door de woorden " een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2 ".
Art. 72. A l'article 56sexies, § 2, alinéa 2, des mêmes lois, modifié par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, les mots " est établi en ménage au sens de l'article 56bis, § 2, premier alinéa ", sont remplacés par les mots " forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2 ".
Art. 73. In artikel 64, § 2, B, 1° van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 122 van 30 december 1982 en bij het koninklijk besluit nr. 534 van 31 maart 1987, worden de woorden " een huishouden vormt " vervangen door de woorden " een feitelijk gezin vormt volgens de vereisten van artikel 51, § 3, tweede lid ".
Art. 73. A l'article 64, § 2, B,1°, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 122 du 30 décembre 1982 et par l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, les mots " forme un ménage ", sont remplacés par les mots " forme un ménage de fait, aux conditions fixées par l'article 51, § 3, alinéa 2 ".
Art. 74. In artikel 73quater, § 4, tweede lid, van dezelfde wetten, opnieuw ingevoerd bij de wet van 30 december 1992, worden de woorden " hij een gezin vormt " vervangen door de woorden " hij een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, ".
Art. 74. A l'article 73quater, § 4, alinéa 2, des mêmes lois, rétabli par la loi du 30 décembre 1992, les mots " il est en ménage " sont remplacés par les mots " il forme un ménage de fait au sens de l'article 56bis, § 2, ".
Art. 75. De wijziging van het koninklijk besluit van 12 april 1984 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, houdende de vervanging van het begrip een huishouden vormen met een persoon van het andere geslacht door het begrip feitelijk gezin, heeft uitwerking vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art. 75. La modification de l'arrêté royal du 12 avril 1984 portant exécution des articles 42bis et 56, § 2, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, relative au remplacement de la notion de ménage formé avec une personne de l'autre sexe, par la notion de ménage de fait, prend effet à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 76. De artikelen 67 tot 75 treden in werking de eerste dag van de maand na die waarin ze in het Belgisch Staatsblad verschijnen.
Art. 76. Les articles 67 à 75 entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK V. - Responsabilisering van de kinderbijslagfondsen.
CHAPITRE V. - Responsabilisation des caisses d'allocations familiales.
Art. 77. Artikel 24, zevende lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de besluitwet van 22 november 1945 en het koninklijk besluit van 10 april 1957, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Overeenkomstig artikel 91, § 2, e), wordt het overschot naar het reservefonds van het betrokken kinderbijslagfonds overgedragen. ".
" Overeenkomstig artikel 91, § 2, e), wordt het overschot naar het reservefonds van het betrokken kinderbijslagfonds overgedragen. ".
Art. 77. L'article 24, alinéa 7, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939, modifié par l'arrêté-loi du 22 novembre 1945 et l'arrêté royal du 10 avril 1957, est remplacé par la disposition suivante :
" Conformément à l'article 91, § 2, e), le solde est transféré au fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales concernée. ".
" Conformément à l'article 91, § 2, e), le solde est transféré au fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales concernée. ".
Art. 78. Artikel 28 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 april 1957, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De Koning kan de toelating intrekken :
a) op gemotiveerd advies van het beheerscomité van de Rijksdienst, gebaseerd op het verslag van de evaluatie waarvan sprake in het artikel 94, § 2, a);
b) als het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds gedurende tenminste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagen bedoeld in artikel 91, § 4, 2° tot 5°, en de verliezen bedoeld in artikel 91, § 4, 6°, te dekken;
c) als het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds gedurende ten minste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de tekorten bedoeld in artikel 94, § 7, 3°, aan te zuiveren.
Indien de Koning in de in het eerste lid bedoelde gevallen niet beslist tot intrekking van de toelating, kan het beheerscomité van de Rijksdienst, met het oog op het herstel van de financiële toestand van het kinderbijslagfonds, het kinderbijslagfonds verplichten hem, binnen een door hem gestelde termijn, een herstelplan voor te stellen. Bij gebrek aan een geschikt plan binnen de gestelde termijn, kan het beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het kinderbijslagfonds.
In dit geval kan het kinderbijslagfonds tegen het opgelegde herstelplan beroep instellen bij de minister van Sociale Zaken, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving van het herstelplan door het beheerscomité van de Rijksdienst. Het beroep is niet opschortend. De minister neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het beroep. Na afloop van het herstelplan verstrekt het beheerscomité van de Rijksdienst een gemotiveerd advies aan de minister.
" De Koning kan de toelating intrekken :
a) op gemotiveerd advies van het beheerscomité van de Rijksdienst, gebaseerd op het verslag van de evaluatie waarvan sprake in het artikel 94, § 2, a);
b) als het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds gedurende tenminste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagen bedoeld in artikel 91, § 4, 2° tot 5°, en de verliezen bedoeld in artikel 91, § 4, 6°, te dekken;
c) als het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds gedurende ten minste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de tekorten bedoeld in artikel 94, § 7, 3°, aan te zuiveren.
Indien de Koning in de in het eerste lid bedoelde gevallen niet beslist tot intrekking van de toelating, kan het beheerscomité van de Rijksdienst, met het oog op het herstel van de financiële toestand van het kinderbijslagfonds, het kinderbijslagfonds verplichten hem, binnen een door hem gestelde termijn, een herstelplan voor te stellen. Bij gebrek aan een geschikt plan binnen de gestelde termijn, kan het beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het kinderbijslagfonds.
In dit geval kan het kinderbijslagfonds tegen het opgelegde herstelplan beroep instellen bij de minister van Sociale Zaken, binnen vijftien kalenderdagen volgend op de kennisgeving van het herstelplan door het beheerscomité van de Rijksdienst. Het beroep is niet opschortend. De minister neemt een beslissing binnen dertig kalenderdagen volgend op de datum van het beroep. Na afloop van het herstelplan verstrekt het beheerscomité van de Rijksdienst een gemotiveerd advies aan de minister.
Art. 78. L'article 28 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 10 avril 1957, est remplacé par la disposition suivante :
" L'agrément peut être retiré par le Roi :
a) sur avis motivé du comité de gestion de l'office, basé sur le rapport d'évaluation dont il est question à l'article 94, § 2, a);
b) si l'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales ne suffit pas pendant au moins trois exercices consécutifs à la couverture des prestations familiales payées indûment, visées à l'article 91, § 4,2° à 5°, et des pertes visées à l'article 91, § 4, 6°;
c) si l'avoir de la réserve administrative de la caisse d'allocations familiales ne suffit pas pendant au moins trois exercices consécutifs à la couverture des déficits visés à l'article 94, § 7, 3°;
Si dans les cas visés au premier alinéa, le Roi ne décide pas de retirer l'agrément, le comité de gestion de l'office peut, en vue du redressement de la situation financière de la caisse d'allocations familiales, obliger cette caisse à lui soumettre, dans le délai qu'il fixe, un plan de redressement. A défaut de plan approprié, dans le délai imparti, le comité de gestion peut imposer lui-même un plan de redressement à la caisse d'allocations familiales.
En ce cas, la caisse d'allocations familiales peut introduire un recours contre le plan de redressement imposé, auprès du ministre des Affaires sociales, dans les quinze jours civils suivant la notification du plan de redressement par le comité de gestion de l'office. Le recours n'est pas suspensif. Le ministre prend une décision dans les trente jours civils suivant la date de l'introduction du recours. Au terme du plan de redressement, le comité de gestion de l'office fournit un avis motivé au ministre.
" L'agrément peut être retiré par le Roi :
a) sur avis motivé du comité de gestion de l'office, basé sur le rapport d'évaluation dont il est question à l'article 94, § 2, a);
b) si l'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales ne suffit pas pendant au moins trois exercices consécutifs à la couverture des prestations familiales payées indûment, visées à l'article 91, § 4,2° à 5°, et des pertes visées à l'article 91, § 4, 6°;
c) si l'avoir de la réserve administrative de la caisse d'allocations familiales ne suffit pas pendant au moins trois exercices consécutifs à la couverture des déficits visés à l'article 94, § 7, 3°;
Si dans les cas visés au premier alinéa, le Roi ne décide pas de retirer l'agrément, le comité de gestion de l'office peut, en vue du redressement de la situation financière de la caisse d'allocations familiales, obliger cette caisse à lui soumettre, dans le délai qu'il fixe, un plan de redressement. A défaut de plan approprié, dans le délai imparti, le comité de gestion peut imposer lui-même un plan de redressement à la caisse d'allocations familiales.
En ce cas, la caisse d'allocations familiales peut introduire un recours contre le plan de redressement imposé, auprès du ministre des Affaires sociales, dans les quinze jours civils suivant la notification du plan de redressement par le comité de gestion de l'office. Le recours n'est pas suspensif. Le ministre prend une décision dans les trente jours civils suivant la date de l'introduction du recours. Au terme du plan de redressement, le comité de gestion de l'office fournit un avis motivé au ministre.
Art. 79. Artikel 91 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978 en de wetten van 10 juni 1998 en 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bij artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen, zijn verplicht een reservefonds tot stand te brengen.
§ 2. Het reservefonds wordt gestijfd met :
a) het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;
b) 1° wat de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen betreft : het deel van de toelage bedoeld bij artikel 94, § 2, a), dat door de Koning aan het reservefonds wordt toegewezen;
2° wat de bijzondere kinderbijslagfondsen waarvan sprake in artikel 31 betreft : een jaarlijkse storting door de rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ten belope van 0,15 per duizend van de gezinsbijslag betaald door het kinderbijslagfonds in de loop van het dienstjaar;
c) de intresten opgebracht door de sommen van dit reservefonds en van het thesauriefonds bedoeld in artikel 93;
d) de schenkingen en legaten die aan het kinderbijslagfonds zouden worden toegekend;
e) de opbrengst van de geldboeten, bijdragenverhogingen en verwijlintresten bedoeld in het artikel 24, zevende lid;
f) de opbrengst van boeten en van de bijdrageopslagen en verwijlintresten betreffende de bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78;
g) het deel van de overschotten van de beheersrekening dat eventueel wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van artikel 94, § 3.
§ 3. Het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds mag op 31 december van het dienstjaar niet hoger zijn dan 1,5 % van het bedrag van de gezinsbijslag in de loop van datzelfde dienstjaar door het kinderbijslagfonds betaald.
Indien die grens wordt overschreden, wordt het overschot aan de rijksdienst gestort in de loop van het eerste semester van het volgende dienstjaar. Het kinderbijslagfonds dat zijn overschot niet tijdig heeft doorgestort, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd.
De Koning kan, op voorstel van het beheerscomité van de rijksdienst, het percentage waarvan sprake in deze paragraaf wijzigen.
§ 4. Het reservefonds wordt aangewend :
1° tot voorlopige dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag die dient teruggevorderd te worden;
2° tot definitieve dekking van de bij toepassing van artikel 119bis niet ingevorderde sommen;
3° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag, niet terugvorderbaar wegens de verjaring bedoeld in artikel 120bis;
4° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag waarvan de terugvordering om sociale omstandigheden niet aangewezen is of onmogelijk is;
5° tot definitieve dekking van de onverschuldigd uitbetaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het " handvest " van de sociaal verzekerde;
6° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door in gebreke gebleven aangesloten werkgevers en rechthebbenden;
7° als voorschot om bij te dragen in de betaling op de vervaldag van de gezinsbijslag zonder te wachten tot de rijksdienst de storting doet van de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;
8° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van het beheerscomité van de rijksdienst;
9° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds, na uitputting van de administratieve reserve waarvan sprake in artikel 94.
§ 5. De middelen van het reservefonds kunnen in geen geval worden aangewend tot dekking van administratiekosten, noch tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds, met uitzondering van de financieringen die voor 1 januari 1999 door het beheerscomité van de Rijksdienst werden goedgekeurd. ".
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de bij artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen, zijn verplicht een reservefonds tot stand te brengen.
§ 2. Het reservefonds wordt gestijfd met :
a) het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;
b) 1° wat de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen betreft : het deel van de toelage bedoeld bij artikel 94, § 2, a), dat door de Koning aan het reservefonds wordt toegewezen;
2° wat de bijzondere kinderbijslagfondsen waarvan sprake in artikel 31 betreft : een jaarlijkse storting door de rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, ten belope van 0,15 per duizend van de gezinsbijslag betaald door het kinderbijslagfonds in de loop van het dienstjaar;
c) de intresten opgebracht door de sommen van dit reservefonds en van het thesauriefonds bedoeld in artikel 93;
d) de schenkingen en legaten die aan het kinderbijslagfonds zouden worden toegekend;
e) de opbrengst van de geldboeten, bijdragenverhogingen en verwijlintresten bedoeld in het artikel 24, zevende lid;
f) de opbrengst van boeten en van de bijdrageopslagen en verwijlintresten betreffende de bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78;
g) het deel van de overschotten van de beheersrekening dat eventueel wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van artikel 94, § 3.
§ 3. Het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds mag op 31 december van het dienstjaar niet hoger zijn dan 1,5 % van het bedrag van de gezinsbijslag in de loop van datzelfde dienstjaar door het kinderbijslagfonds betaald.
Indien die grens wordt overschreden, wordt het overschot aan de rijksdienst gestort in de loop van het eerste semester van het volgende dienstjaar. Het kinderbijslagfonds dat zijn overschot niet tijdig heeft doorgestort, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd.
De Koning kan, op voorstel van het beheerscomité van de rijksdienst, het percentage waarvan sprake in deze paragraaf wijzigen.
§ 4. Het reservefonds wordt aangewend :
1° tot voorlopige dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag die dient teruggevorderd te worden;
2° tot definitieve dekking van de bij toepassing van artikel 119bis niet ingevorderde sommen;
3° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag, niet terugvorderbaar wegens de verjaring bedoeld in artikel 120bis;
4° tot definitieve dekking van de onverschuldigd betaalde gezinsbijslag waarvan de terugvordering om sociale omstandigheden niet aangewezen is of onmogelijk is;
5° tot definitieve dekking van de onverschuldigd uitbetaalde gezinsbijslag die niet wordt teruggevorderd bij toepassing van artikel 22, § 3, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het " handvest " van de sociaal verzekerde;
6° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door in gebreke gebleven aangesloten werkgevers en rechthebbenden;
7° als voorschot om bij te dragen in de betaling op de vervaldag van de gezinsbijslag zonder te wachten tot de rijksdienst de storting doet van de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;
8° tot definitieve dekking van de verliezen die veroorzaakt zijn door elke andere oorzaak, mits het voorafgaand akkoord van het beheerscomité van de rijksdienst;
9° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds, na uitputting van de administratieve reserve waarvan sprake in artikel 94.
§ 5. De middelen van het reservefonds kunnen in geen geval worden aangewend tot dekking van administratiekosten, noch tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds, met uitzondering van de financieringen die voor 1 januari 1999 door het beheerscomité van de Rijksdienst werden goedgekeurd. ".
Art. 79. L'article 91 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 28 du 15 décembre 1978 et les lois des 10 juin 1998 et 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées a l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de réserve.
§ 2. Le fonds de réserve est alimenté par :
a) L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales au 31 décembre 1999;
b) 1° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 : la partie de la subvention visée par l'article 94, § 2, a), qui est affectée au fonds de réserve par le Roi;
2° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales spéciales dont il est question à l'article 31 : un versement annuel par l'office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, à concurrence de 0,15 pour mille des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de l'exercice;
c) les intérêts rapportés par les avoirs de ce fonds de réserve et du fonds de roulement visé à l'article 93;
d) les dons et legs qui seraient octroyés à la caisse d'allocations familiales;
e) le produit des amendes, majorations de cotisations et intérêts de retard vises à l'article 24, alinéa 7;
f) le produit des amendes et des majorations et intérêts de retard relatifs aux cotisations visées aux articles 77 et 78;
g) la partie des excédents du compte de gestion, qui est éventuellement transférée conformément à l'alinéa 3 de l'article 94, § 3.
§ 3. L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales ne peut excéder au 31 décembre de l'exercice, 1,5 % du montant des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de ce même exercice.
Si ce plafond est dépassé, L'excédent est versé à l'office au cours du premier semestre de l'exercice suivant. La caisse d'allocations familiales qui n'a pas versé à temps son excédent est redevable de plein droit des intérêts légaux.
Sur la proposition du comité de gestion de l'office, le Roi peut modifier le pourcentage dont il est question dans le présent paragraphe.
§ 4. Le fonds de réserve est utilisé :
1° à la couverture provisoire des prestations familiales payées indûment qui sont à récupérer;
2° à la couverture définitive des sommes non récupérées en application de l'article 119bis,
3° à la couverture définitive des prestations familiales indûment payées et qui ne sont pas récupérables en raison de la prescription visée à l'article 120bis;
4° à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment et dont le recouvrement s'avère socialement contre-indiqué ou techniquement impossible;
5° à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment qui ne sont pas récupérées en application de l'article 22, § 3, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la " charte " de l'assuré social;
6° à la couverture définitive des pertes occasionnées par des employeurs affiliés et attributaires qui sont défaillants;
7° en tant qu'avance en vue de contribuer au paiement à l'échéance des prestations familiales sans attendre que l'office ne procède au versement des sommes visées à l'article 108, alinéa premier, 1°;
8° à la couverture définitive des pertes occasionnées par toute autre cause, avec l'accord préalable du comite de gestion de l'office;
9° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales, après epuisement de la réserve administrative dont il est question à l'article 94.
§ 5. Les moyens du fonds de réserve ne peuvent en aucun cas être utilisés en vue de couvrir les frais d'administration, ni en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires pour le bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales, à l'exception des financements approuvés par le comité de l'office avant le 1er janvier 1999. ".
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées a l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de réserve.
§ 2. Le fonds de réserve est alimenté par :
a) L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales au 31 décembre 1999;
b) 1° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 : la partie de la subvention visée par l'article 94, § 2, a), qui est affectée au fonds de réserve par le Roi;
2° en ce qui concerne les caisses d'allocations familiales spéciales dont il est question à l'article 31 : un versement annuel par l'office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, à concurrence de 0,15 pour mille des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de l'exercice;
c) les intérêts rapportés par les avoirs de ce fonds de réserve et du fonds de roulement visé à l'article 93;
d) les dons et legs qui seraient octroyés à la caisse d'allocations familiales;
e) le produit des amendes, majorations de cotisations et intérêts de retard vises à l'article 24, alinéa 7;
f) le produit des amendes et des majorations et intérêts de retard relatifs aux cotisations visées aux articles 77 et 78;
g) la partie des excédents du compte de gestion, qui est éventuellement transférée conformément à l'alinéa 3 de l'article 94, § 3.
§ 3. L'avoir du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales ne peut excéder au 31 décembre de l'exercice, 1,5 % du montant des prestations familiales payées par la caisse d'allocations familiales au cours de ce même exercice.
Si ce plafond est dépassé, L'excédent est versé à l'office au cours du premier semestre de l'exercice suivant. La caisse d'allocations familiales qui n'a pas versé à temps son excédent est redevable de plein droit des intérêts légaux.
Sur la proposition du comité de gestion de l'office, le Roi peut modifier le pourcentage dont il est question dans le présent paragraphe.
§ 4. Le fonds de réserve est utilisé :
1° à la couverture provisoire des prestations familiales payées indûment qui sont à récupérer;
2° à la couverture définitive des sommes non récupérées en application de l'article 119bis,
3° à la couverture définitive des prestations familiales indûment payées et qui ne sont pas récupérables en raison de la prescription visée à l'article 120bis;
4° à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment et dont le recouvrement s'avère socialement contre-indiqué ou techniquement impossible;
5° à la couverture définitive des prestations familiales payées indûment qui ne sont pas récupérées en application de l'article 22, § 3, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la " charte " de l'assuré social;
6° à la couverture définitive des pertes occasionnées par des employeurs affiliés et attributaires qui sont défaillants;
7° en tant qu'avance en vue de contribuer au paiement à l'échéance des prestations familiales sans attendre que l'office ne procède au versement des sommes visées à l'article 108, alinéa premier, 1°;
8° à la couverture définitive des pertes occasionnées par toute autre cause, avec l'accord préalable du comite de gestion de l'office;
9° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales, après epuisement de la réserve administrative dont il est question à l'article 94.
§ 5. Les moyens du fonds de réserve ne peuvent en aucun cas être utilisés en vue de couvrir les frais d'administration, ni en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires pour le bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales, à l'exception des financements approuvés par le comité de l'office avant le 1er janvier 1999. ".
Art. 80. Artikel 93 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978 en het koninklijk besluit van 24 februari 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag tot stand te brengen.
§ 2. Het thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag wordt gestijfd met :
a) de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;
b) de hoofdelijke bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78.
§ 3. Dit thesauriefonds wordt aangewend voor de betaling van de gezinsbijslag en de ermee gepaard gaande uitgiftekosten. ".
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag tot stand te brengen.
§ 2. Het thesauriefonds voor de betaling van de gezinsbijslag wordt gestijfd met :
a) de gelden bedoeld in artikel 108, eerste lid, 1°;
b) de hoofdelijke bijdragen bedoeld in de artikelen 77 en 78.
§ 3. Dit thesauriefonds wordt aangewend voor de betaling van de gezinsbijslag en de ermee gepaard gaande uitgiftekosten. ".
Art. 80. L'article 93 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 28 du 15 décembre 1978 et l'arrêté royal du 24 février 1983, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales.
§ 2. Le fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales est alimenté par :
a) les sommes visées à l'article 108, premier alinéa, 1°;
b) les cotisations capitatives visées aux articles 77 et 78.
§ 3. Ce fonds de roulement est utilisé pour le paiement des prestations familiales et les frais d'émission qui s'y trouvent associés. ".
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agréées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales.
§ 2. Le fonds de roulement pour le paiement des prestations familiales est alimenté par :
a) les sommes visées à l'article 108, premier alinéa, 1°;
b) les cotisations capitatives visées aux articles 77 et 78.
§ 3. Ce fonds de roulement est utilisé pour le paiement des prestations familiales et les frais d'émission qui s'y trouvent associés. ".
Art. 81. Artikel 94 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 28 van 15 december 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een fonds voor administratiekosten, hierna beheersrekening genoemd, tot stand te brengen.
§ 2. De beheersrekening wordt gestijfd met :
a) een toelage verleend door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
Deze toelage waarvan de berekeningswijze en toekenningsvoorwaarden door de Koning worden bepaald, kan verschillend zijn naargelang het gaat om vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen of om in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen.
Wat betreft de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen kan de Koning een deel van deze toelage toewijzen aan het reservefonds;
b) de andere dan in a) bedoelde subsidies;
c) de intresten, met uitzondering van de intresten bedoeld in artikel 91, § 2, c);
d) de opbrengsten en meerwaarden van alle fondsen, roerende en onroerende goederen in het bezit van het kinderbijslagfonds;
e) de aanvullende bijdrage die het kinderbijslagfonds eventueel onder zijn leden vordert overeenkomstig paragraaf 8.
§ 3. De middelen van deze beheersrekening worden aangewend voor de dekking van de administratiekosten.
De Koning kan maatregelen nemen inzake de uitgaven voor administratiekosten.
Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 94, § 2, a), kan het kinderbijslagfonds op 31 december van elk dienstjaar een gedeelte of het geheel van het overschot van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Wanneer op 31 december van het dienstjaar de middelen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds onvoldoende zijn voor de aanwending bedoeld in artikel 91, § 4, 1° tot 6°, moet het kinderbijslagfonds minstens 5 % van de overschotten van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Deze overdrachten zijn definitief.
§ 4. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een administratieve reserve tot stand te brengen.
§ 5. De administratieve reserve wordt gestijfd met :
a) het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;
b) de overschotten van de beheersrekening op 31 december van het dienstjaar, na aftrek van het deel dat eventueel naar het reservefonds wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van § 3.
§ 6. De Koning kan het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds begrenzen en het eventuele overschot toewijzen.
§ 7. De administratieve reserve wordt aangewend :
1° tot voorlopige financiering van de administratiekosten die in de loop van het dienstjaar niet kunnen worden gedekt door de middelen van de beheersrekening;
2° tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds;
3° tot definitieve aanzuivering op het einde van het dienstjaar van de tekorten op de beheersrekening;
4° tot voorlopige financiering van de onverschuldigde gezinsbijslagen, na aanwending van het reservefonds overeenkomstig artikel 91, § 4, 1°;
5° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds.
§ 8. Indien de administratieve reserve ontoereikend is tot definitieve dekking van de administratiekosten, kan het kinderbijslagfonds van zijn aangesloten werkgevers een aanvullende bijdrage vorderen om die ontoereikendheid te dekken, ongeacht elke strijdige bepaling in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en gelijkgestelden of de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij. ".
" § 1. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een fonds voor administratiekosten, hierna beheersrekening genoemd, tot stand te brengen.
§ 2. De beheersrekening wordt gestijfd met :
a) een toelage verleend door de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
Deze toelage waarvan de berekeningswijze en toekenningsvoorwaarden door de Koning worden bepaald, kan verschillend zijn naargelang het gaat om vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen of om in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen.
Wat betreft de vrije, krachtens artikel 19 erkende kinderbijslagfondsen kan de Koning een deel van deze toelage toewijzen aan het reservefonds;
b) de andere dan in a) bedoelde subsidies;
c) de intresten, met uitzondering van de intresten bedoeld in artikel 91, § 2, c);
d) de opbrengsten en meerwaarden van alle fondsen, roerende en onroerende goederen in het bezit van het kinderbijslagfonds;
e) de aanvullende bijdrage die het kinderbijslagfonds eventueel onder zijn leden vordert overeenkomstig paragraaf 8.
§ 3. De middelen van deze beheersrekening worden aangewend voor de dekking van de administratiekosten.
De Koning kan maatregelen nemen inzake de uitgaven voor administratiekosten.
Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 94, § 2, a), kan het kinderbijslagfonds op 31 december van elk dienstjaar een gedeelte of het geheel van het overschot van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Wanneer op 31 december van het dienstjaar de middelen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds onvoldoende zijn voor de aanwending bedoeld in artikel 91, § 4, 1° tot 6°, moet het kinderbijslagfonds minstens 5 % van de overschotten van de beheersrekening overdragen naar het reservefonds. Deze overdrachten zijn definitief.
§ 4. De krachtens artikel 19 erkende vrije kinderbijslagfondsen en de in artikel 31 bedoelde bijzondere kinderbijslagfondsen zijn verplicht een administratieve reserve tot stand te brengen.
§ 5. De administratieve reserve wordt gestijfd met :
a) het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds op 31 december 1999;
b) de overschotten van de beheersrekening op 31 december van het dienstjaar, na aftrek van het deel dat eventueel naar het reservefonds wordt overgedragen overeenkomstig het derde lid van § 3.
§ 6. De Koning kan het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds begrenzen en het eventuele overschot toewijzen.
§ 7. De administratieve reserve wordt aangewend :
1° tot voorlopige financiering van de administratiekosten die in de loop van het dienstjaar niet kunnen worden gedekt door de middelen van de beheersrekening;
2° tot financiering van de roerende en onroerende investeringen die noodzakelijk zijn voor de goede werking van het kinderbijslagfonds;
3° tot definitieve aanzuivering op het einde van het dienstjaar van de tekorten op de beheersrekening;
4° tot voorlopige financiering van de onverschuldigde gezinsbijslagen, na aanwending van het reservefonds overeenkomstig artikel 91, § 4, 1°;
5° tot aanzuivering van de vereffeningskosten van het kinderbijslagfonds.
§ 8. Indien de administratieve reserve ontoereikend is tot definitieve dekking van de administratiekosten, kan het kinderbijslagfonds van zijn aangesloten werkgevers een aanvullende bijdrage vorderen om die ontoereikendheid te dekken, ongeacht elke strijdige bepaling in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en gelijkgestelden of de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij. ".
Art. 81. L'article 94 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 28 du 15 décembre 1978, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds destiné à la couverture des frais d'administration, dénommé compte de gestion.
§ 2. Le compte de gestion est alimenté par :
a) une subvention accordée par l'office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
Cette subvention dont le mode de calcul et les conditions d'octroi sont déterminés par le Roi, peut être différente selon qu'il s'agit de caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 ou de caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31.
En ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19, le Roi peut affecter une partie de cette subvention au fonds de réserve;
b) les autres subsides que ceux visés sous a);
c) les intérêts, à l'exception des intérêts visés à l'article 91, § 2, c);
d) les rapports et plus values de tous les avoirs, biens meubles et immeubles en possession de la caisse d'allocations familiales;
e) la cotisation complémentaire que la caisse d'allocations familiales perçoit éventuellement de ses membres conformément au paragraphe 8.
§ 3. Les moyens de ce compte de gestion sont utilisés pour la couverture des frais d'administration.
Le Roi peut prendre des mesures en matière de dépenses pour frais d'administration.
Sans préjudice de ce qui est prévu à l'article 94, § 2, a), la caisse d'allocations familiales peut transférer au 31 décembre de chaque exercice une partie ou l'ensemble de l'excédent du compte de gestion au fonds de réserve. Lorsqu'au 31 décembre de l'exercice, les moyens du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales sont insuffisants pour l'utilisation visée a l'article 91, § 4, 1° à 6°, la caisse d'allocations familiales doit transférer au moins 5 % des excédents du compte de gestion au fonds de réserve. Ces transferts sont irréversibles.
§ 4. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer une réserve administrative.
§ 5. La réserve administrative est alimentée par :
a) l'avoir de la réserve administrative de la caisse d'allocations familiales au 31 décembre 1999;
b) des excédents du compte de gestion au 31 décembre de l'exercice, après déduction de la partie qui est éventuellement transférée au fonds de réserve conformément au troisième alinéa du § 3.
§ 6. Le Roi peut plafonner l'avoir de la réserve administrative de la caisse et affecter l'excédent éventuel.
§ 7. La réserve administrative est utilisée :
1° en vue du financement provisoire des frais d'administration qui ne peuvent pas être couverts au cours de l'exercice par les moyens du compte de gestion;
2° en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires au bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales;
3° en vue d'apurer définitivement à la fin de l'exercice les déficits du compte de gestion;
4° en vue de financer provisoirement les prestations familiales indues après utilisation du fonds de réserve, conformément à l'article 91, § 4,1°;
5° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales.
§ 8. Si la réserve administrative est insuffisante pour couvrir définitivement les frais d'administration, la caisse d'allocations familiales peut exiger de ses employeurs affiliés une cotisation complémentaire en vue de couvrir cette insuffisance, sans préjudice de toute disposition contraire dans la loi du 27 juin 1969 révisant L'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés ou l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande. ".
" § 1er. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer un fonds destiné à la couverture des frais d'administration, dénommé compte de gestion.
§ 2. Le compte de gestion est alimenté par :
a) une subvention accordée par l'office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
Cette subvention dont le mode de calcul et les conditions d'octroi sont déterminés par le Roi, peut être différente selon qu'il s'agit de caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19 ou de caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31.
En ce qui concerne les caisses d'allocations familiales libres, agréées en vertu de l'article 19, le Roi peut affecter une partie de cette subvention au fonds de réserve;
b) les autres subsides que ceux visés sous a);
c) les intérêts, à l'exception des intérêts visés à l'article 91, § 2, c);
d) les rapports et plus values de tous les avoirs, biens meubles et immeubles en possession de la caisse d'allocations familiales;
e) la cotisation complémentaire que la caisse d'allocations familiales perçoit éventuellement de ses membres conformément au paragraphe 8.
§ 3. Les moyens de ce compte de gestion sont utilisés pour la couverture des frais d'administration.
Le Roi peut prendre des mesures en matière de dépenses pour frais d'administration.
Sans préjudice de ce qui est prévu à l'article 94, § 2, a), la caisse d'allocations familiales peut transférer au 31 décembre de chaque exercice une partie ou l'ensemble de l'excédent du compte de gestion au fonds de réserve. Lorsqu'au 31 décembre de l'exercice, les moyens du fonds de réserve de la caisse d'allocations familiales sont insuffisants pour l'utilisation visée a l'article 91, § 4, 1° à 6°, la caisse d'allocations familiales doit transférer au moins 5 % des excédents du compte de gestion au fonds de réserve. Ces transferts sont irréversibles.
§ 4. Les caisses d'allocations familiales libres agrées en vertu de l'article 19 et les caisses d'allocations familiales spéciales visées à l'article 31 sont tenues de se constituer une réserve administrative.
§ 5. La réserve administrative est alimentée par :
a) l'avoir de la réserve administrative de la caisse d'allocations familiales au 31 décembre 1999;
b) des excédents du compte de gestion au 31 décembre de l'exercice, après déduction de la partie qui est éventuellement transférée au fonds de réserve conformément au troisième alinéa du § 3.
§ 6. Le Roi peut plafonner l'avoir de la réserve administrative de la caisse et affecter l'excédent éventuel.
§ 7. La réserve administrative est utilisée :
1° en vue du financement provisoire des frais d'administration qui ne peuvent pas être couverts au cours de l'exercice par les moyens du compte de gestion;
2° en vue de financer les investissements mobiliers et immobiliers qui sont nécessaires au bon fonctionnement de la caisse d'allocations familiales;
3° en vue d'apurer définitivement à la fin de l'exercice les déficits du compte de gestion;
4° en vue de financer provisoirement les prestations familiales indues après utilisation du fonds de réserve, conformément à l'article 91, § 4,1°;
5° en vue de régler les frais de liquidation de la caisse d'allocations familiales.
§ 8. Si la réserve administrative est insuffisante pour couvrir définitivement les frais d'administration, la caisse d'allocations familiales peut exiger de ses employeurs affiliés une cotisation complémentaire en vue de couvrir cette insuffisance, sans préjudice de toute disposition contraire dans la loi du 27 juin 1969 révisant L'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés ou l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande. ".
Art. 82. De toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen wordt bevestigd voor het jaar 1999.
Art. 82. Est confirmée pour l'année 1999, L'application de L'arrêté royal du 9 juin 1999 relatif au Fonds pour frais d'administration et à la réserve administrative des caisses d'allocations familiales.
Art. 83. Onverminderd de bepalingen van het artikel 82, hebben de artikelen 77 tot 81 uitwerking met ingang van 1 januari 2000.
Art. 83. Sans préjudice des dispositions de l'article 82, les articles 77 à 81 produisent leurs effets le 1er janvier 2000.
HOOFDSTUK VI. - Trimestrialisering van de toeslagen op de kinderbijslag.
CHAPITRE VI. - Trimestrialisation des suppléments d'allocations familiales.
Art. 84. Artikel 48, lid 5, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989 en het koninklijk besluit van 10 december 1996, wordt vervangen door onderstaande alinea's :
" Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen of het verliezen van het bedrag voorzien bij artikel 50bis of van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 44 en 44bis en 47, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen of het verliezen van dat bedrag of van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning of het verlies van dit bedrag of van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag.
Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag. ".
" Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen of het verliezen van het bedrag voorzien bij artikel 50bis of van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 44 en 44bis en 47, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen of het verliezen van dat bedrag of van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning of het verlies van dit bedrag of van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag.
Iedere gebeurtenis die zich in de loop van een maand voordoet en die het toekennen van één van de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, impliceert, geeft aanleiding tot het toekennen van deze bijslag vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan ze zich heeft voorgedaan. Echter, wanneer een dergelijke gebeurtenis zich voordoet op de eerste dag van de maand, vangt de toekenning van één van deze bijslagen aan vanaf deze eerste dag. ".
Art. 84. L'article 48, alinéa 5, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939, modifié par la loi du 22 décembre 1989 et l'arrêté royal du 10 décembre 1996, est remplacé par les alinéas suivants :
" Tout événement survenant dans le courant d'un mois et impliquant l'octroi ou la perte du taux prévu à L'article 50bis ou de l'un des suppléments visés aux articles 44 et 44bis et 47, donne lieu à l'octroi ou à la perte de ce taux ou de ce supplément le premier jour du mois qui suit celui dans le courant duquel il est survenu. Toutefois, lorsqu'un tel événement survient le premier jour du mois, l'octroi ou la perte de ce taux ou de ces suppléments prend cours dès le premier jour.
Tout événement survenant dans le courant d'un mois et impliquant l'octroi de l'un des suppléments visés aux articles 42bis et 50ter, donne lieu à l'octroi de ce supplément le premier jour du mois qui suit celui dans le courant duquel il est survenu. Toutefois, lorsqu'un tel événement survient le premier jour du mois, l'octroi de ces suppléments prend cours dès ce premier jour. ".
" Tout événement survenant dans le courant d'un mois et impliquant l'octroi ou la perte du taux prévu à L'article 50bis ou de l'un des suppléments visés aux articles 44 et 44bis et 47, donne lieu à l'octroi ou à la perte de ce taux ou de ce supplément le premier jour du mois qui suit celui dans le courant duquel il est survenu. Toutefois, lorsqu'un tel événement survient le premier jour du mois, l'octroi ou la perte de ce taux ou de ces suppléments prend cours dès le premier jour.
Tout événement survenant dans le courant d'un mois et impliquant l'octroi de l'un des suppléments visés aux articles 42bis et 50ter, donne lieu à l'octroi de ce supplément le premier jour du mois qui suit celui dans le courant duquel il est survenu. Toutefois, lorsqu'un tel événement survient le premier jour du mois, l'octroi de ces suppléments prend cours dès ce premier jour. ".
Art. 85. Artikel 54, § 3 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989 en het koninklijk besluit van 21 april 1997, wordt vervangen door de volgende paragrafen :
" § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 48, opent de rechthebbende bedoeld in artikel 51, § 2, die in de loop van een trimester voldoet aan de voorwaarden om recht te openen op de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, dit recht voor het resterende deel van dit trimester alsook voor het trimester dat volgt.
§ 4. De rechthebbende, bedoeld in artikel 51, § 2, blijft het recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, openen voor een trimester, op voorwaarde dat hij aan het geheel van de wettelijke en reglementaire voorwaarden voor de toekenning van deze bijslagen voldoet gedurende de tweede maand van het trimester dat voorafgaat aan dat waarvoor de kinderbijslag wordt gevraagd.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van artikel 48 openen de rechthebbenden, bedoeld in artikel 51, § 2, het recht op de bedragen bepaald in artikel 50bis voor een maand, voorzover zij in de loop van de betrokken maand de voorwaarden vervullen die vereist zijn door deze wetten.
Onverminderd artikel 48, genieten de kinderen, bedoeld in de artikelen 44, 44bis en 47, de bijslagen bij de kinderbijslag, die bepaald zijn voor een maand, voor zover ze de vereiste voorwaarden vervullen in de loop van de betrokken maand. ".
" § 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 48, opent de rechthebbende bedoeld in artikel 51, § 2, die in de loop van een trimester voldoet aan de voorwaarden om recht te openen op de bijslagen, bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, dit recht voor het resterende deel van dit trimester alsook voor het trimester dat volgt.
§ 4. De rechthebbende, bedoeld in artikel 51, § 2, blijft het recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter, openen voor een trimester, op voorwaarde dat hij aan het geheel van de wettelijke en reglementaire voorwaarden voor de toekenning van deze bijslagen voldoet gedurende de tweede maand van het trimester dat voorafgaat aan dat waarvoor de kinderbijslag wordt gevraagd.
§ 5. Onverminderd de bepalingen van artikel 48 openen de rechthebbenden, bedoeld in artikel 51, § 2, het recht op de bedragen bepaald in artikel 50bis voor een maand, voorzover zij in de loop van de betrokken maand de voorwaarden vervullen die vereist zijn door deze wetten.
Onverminderd artikel 48, genieten de kinderen, bedoeld in de artikelen 44, 44bis en 47, de bijslagen bij de kinderbijslag, die bepaald zijn voor een maand, voor zover ze de vereiste voorwaarden vervullen in de loop van de betrokken maand. ".
Art. 85. L'article 54, § 3, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989 et l'arrêté royal du 21 avril 1997, est remplacé par les paragraphes suivants :
" § 3. Sans préjudice de l'article 48, lorsqu'un attributaire visé à l'article 51, § 2, remplit les conditions d'ouverture du droit aux suppléments prévus aux articles 42bis et 50ter au cours d'un trimestre, il ouvre ce droit pour la fin du trimestre en cours, ainsi que pour le trimestre suivant.
§ 4. L'Attributaire visé à l'article 51, § 2, continue à ouvrir le droit aux suppléments prévus aux articles 42bis et 50ter pour un trimestre, à la condition qu'il satisfasse à l'ensemble des conditions légales et réglementaires fixées pour l'octroi de ces suppléments au cours du deuxième mois du trimestre précèdent celui pour lequel les allocations familiales sont demandées.
§ 5. Sans préjudice de l'article 48, les attributaires visés a l'article 51, § 2, ouvrent le droit au taux prévu à L'article 50bis pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions prévues par les présentes lois au cours du mois concerné.
Sans préjudice de l'article 48, les enfants visés aux articles 44, 44bis et 47 bénéficient des suppléments d'allocations familiales qui y sont prévus, pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions requises au cours du mois concerné. ".
" § 3. Sans préjudice de l'article 48, lorsqu'un attributaire visé à l'article 51, § 2, remplit les conditions d'ouverture du droit aux suppléments prévus aux articles 42bis et 50ter au cours d'un trimestre, il ouvre ce droit pour la fin du trimestre en cours, ainsi que pour le trimestre suivant.
§ 4. L'Attributaire visé à l'article 51, § 2, continue à ouvrir le droit aux suppléments prévus aux articles 42bis et 50ter pour un trimestre, à la condition qu'il satisfasse à l'ensemble des conditions légales et réglementaires fixées pour l'octroi de ces suppléments au cours du deuxième mois du trimestre précèdent celui pour lequel les allocations familiales sont demandées.
§ 5. Sans préjudice de l'article 48, les attributaires visés a l'article 51, § 2, ouvrent le droit au taux prévu à L'article 50bis pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions prévues par les présentes lois au cours du mois concerné.
Sans préjudice de l'article 48, les enfants visés aux articles 44, 44bis et 47 bénéficient des suppléments d'allocations familiales qui y sont prévus, pour un mois, pour autant qu'ils remplissent les conditions requises au cours du mois concerné. ".
Art. 86. De artikelen 84 en 85 treden in werking op de eerste dag van het trimester dat volgt op dat waarin ze in het Belgisch Staatsblad zijn verschenen.
Art. 86. Les articles 84 et 85 entrent en vigueur le 1er jour du trimestre qui suit la date de leur publication au Moniteur belge.
TITEL VI. - Jaarlijkse vakantie.
TITRE VI. - Vacances annuelles.
Art. 87. Het koninklijk besluit van 3 mei 1999, tot vrijwaring van het financieel evenwicht van het jaarlijks vakantiestelsel van de arbeiders door structurele maatregelen wordt bekrachtigd met ingang van 1 januari 1999.
Art. 87. _ L'arrêté royal du 3 mai 1999 assurant l'équilibre financier du régime des vacances annuelles des travailleurs manuels par des mesures structurelles est confirmé avec effet au 1er janvier 1999.
TITEL VII. - Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
TITRE VII. - Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.
Art. 88. In artikel 1 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, worden de woorden " ministerie van Sociale Voorzorg " vervangen door de woorden " ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu ".
Art. 88. Dans l'article 1er de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, les mots " ministère de la Prévoyance sociale ", sont remplacés par les mots " ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ".
Art. 89. In artikel 2, eerste lid, 7°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ".
Art. 89. A l'article 2, alinéa 1er, 7°, de la même loi, modifié par la loi du 25 janvier 1999, les mots " données médicales à caractère personnel " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 90. Het opschrift van hoofdstuk IV van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Hoofdstuk IV. - De bescherming van de sociale gegevens van persoonlijke aard ".
Art. 90. L'intitulé du chapitre IV de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : " Chapitre IV. - De la protection des données sociales à caractère personnel ".
Art. 91. Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 1, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Afdeling 1. - De uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de verbetering en de verwijdering van sociale gegevens van persoonlijke aard ".
Art. 91. L'intitulé du chapitre IV, section 1re, de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : " Section 1. - De la motivation formelle des actes administratifs et de la correction et de l'effacement de données sociales à caractère personnel ".
Art. 92. Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 2, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Afdeling 2. - De maatregelen ter beveiliging van de sociale gegevens van persoonlijke aard ".
Art. 92. L'intitulé du chapitre IV, section 2, de la même loi est remplacé par l'intitule suivant : " Section 2. - Des mesures de préservation des données sociales à caractère personnel ".
Art. 93. In artikel 23, eerste lid, van dezelfde wet wordt het woord " gegevens " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard ".
Art. 93. Dans l'article 23, alinéa 1er, de la même loi le mot " données " est remplacé par les mots " données sociales à caractère personnel ".
Art. 94. Het opschrift van hoofdstuk IV, afdeling 4, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Afdeling 4. - De maatregelen ter beveiliging van de sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ".
Art. 94. L'intitulé du chapitre IV, section 4, de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : " Section 4. - Des mesures de préservation des données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 95. In artikel 26 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " worden telkens vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ";
2° in de eerste zin van § 3 worden de woorden " medische gegevens " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ".
1° de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " worden telkens vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ";
2° in de eerste zin van § 3 worden de woorden " medische gegevens " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ".
Art. 95. A l'article 26 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " données médicales à caractère personnel " sont chaque fois remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives a la santé ";
2° dans la première phrase du § 3, les mots " données médicales " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
1° les mots " données médicales à caractère personnel " sont chaque fois remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives a la santé ";
2° dans la première phrase du § 3, les mots " données médicales " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 96. Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 27. ledere werkgever moet de werknemers over wie hij sociale gegevens van persoonlijke aard heeft opgeslagen of heeft ontvangen, kennis geven van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten die strekken tot de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. ".
" Art. 27. ledere werkgever moet de werknemers over wie hij sociale gegevens van persoonlijke aard heeft opgeslagen of heeft ontvangen, kennis geven van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten die strekken tot de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. ".
Art. 96. L'article 27 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 27. Tout employeur doit informer les travailleurs pour lesquels il a enregistré ou reçu des données sociales à caractère personnel, des dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution visant à la protection de leur vie privée. ".
" Art. 27. Tout employeur doit informer les travailleurs pour lesquels il a enregistré ou reçu des données sociales à caractère personnel, des dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution visant à la protection de leur vie privée. ".
Art. 97. In artikel 28 van dezelfde wet worden de woorden " artikel 40 van de Grondwet " vervangen door de woorden " artikel 56 van de gecoördineerde Grondwet ".
Art. 97. Dans l'article 28 de la même loi, les mots " L'article 40 de la Constitution " sont remplacés par les mots " L'article 56 de la Constitution coordonnée ".
Art. 98. In artikel 35 van dezelfde wet worden de woorden " ministerie van Sociale Voorzorg " vervangen door de woorden " ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu ".
Art. 98. Dans l'article 35 de la même loi, les mots " ministère de la Prévoyance sociale " sont remplacés par les mots " ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ".
Art. 99. In artikel 54, eerste lid, 2°, a), van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ".
Art. 99. Dans l'article 54, alinéa 1er, 2°, a), de la même loi, modifié par la loi du 6 août 1993, les mots " données médicales à caractère personnel " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 100. In artikel 55, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ".
Art. 100. Dans l'article 55, alinéa 3, de la même loi, les mots " données médicales à caractère personnel " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 101. Artikel 60 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt opgeheven.
Art. 101. L'article 60 de la même loi, modifié par la loi du 29 avril 1996, est abrogé.
Art. 102. In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 29 april 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die, in strijd met de bepalingen van artikel 20, § 2, de verbeteringen en verwijderingen van de door hen verwerkte sociale gegevens van persoonlijke aard niet aan de Kruispuntbank hebben meegedeeld; ";
2° in 6°, 7° en 10° worden de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ";
3° in 8° worden de woorden " medische gegevens ", vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ".
1° het 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de instellingen van sociale zekerheid, hun aangestelden of lasthebbers die, in strijd met de bepalingen van artikel 20, § 2, de verbeteringen en verwijderingen van de door hen verwerkte sociale gegevens van persoonlijke aard niet aan de Kruispuntbank hebben meegedeeld; ";
2° in 6°, 7° en 10° worden de woorden " medische gegevens van persoonlijke aard " vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen ";
3° in 8° worden de woorden " medische gegevens ", vervangen door de woorden " sociale gegevens van persoonlijke aard die de gezondheid betreffen, ".
Art. 102. A l'article 62 de la même loi, modifié par les lois du 6 août 1993 et du 29 avril 1996, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires, qui, contrairement aux dispositions de l'article 20, § 2, n'ont pas communiqué à la Banque-Carrefour les corrections et les effacements des données sociales à caractère personnel qu'ils traitent; ";
2° dans les 6°, 7° et 10° les mots " données médicales a caractère personnel " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ";
3° dans le 8°, les mots " données médicales " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les institutions de sécurité sociale, leurs préposés ou mandataires, qui, contrairement aux dispositions de l'article 20, § 2, n'ont pas communiqué à la Banque-Carrefour les corrections et les effacements des données sociales à caractère personnel qu'ils traitent; ";
2° dans les 6°, 7° et 10° les mots " données médicales a caractère personnel " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ";
3° dans le 8°, les mots " données médicales " sont remplacés par les mots " données sociales à caractère personnel relatives à la santé ".
Art. 103. Artikel 66 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 103. L'article 66 de la même loi est abrogé.
Art. 104. In artikel 67, derde lid, van dezelfde wet vervalt het woord " 60 ".
Art. 104. A l'article 67, alinéa 3, de la même loi, le mot " 60 " est supprimé.
TITEL VIII. - RSZ-wetgeving.
TITRE VII. - Législation ONSS.
HOOFDSTUK I. - Vermindering persoonlijke bijdragen voor werknemers met lage lonen - aanpassing jaargrens.
CHAPITRE I. - Réduction des cotisations personnelles pour les travailleurs avec des bas salaires -modification du plafond annuel.
Art. 105. In artikel 2, § 2, eerste lid, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, worden de woorden " 431 200 Belgische frank per kalenderjaar " vervangen door de woorden " 37 500 Belgische frank voor het jaar 2000 en 39 600 Belgische frank per kalenderjaar vanaf het jaar 2001 ".
Art. 105. Dans l'article 2, § 2, alinéa 1er, de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salaries ayant un bas salaire, les mots " 31 200 francs belges par année civile " sont remplacés par les mots " 37 500 francs belges pour l'année 2000 et 39 600 francs belges par année civile à partir de l'année 2001 ".
Art. 106. Artikel 105 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2000.
Art. 106. L'article 105 produit ses effets le 1er avril 2000.
HOOFDSTUK II. - Vermindering persoonlijke bijdragen voor werknemers met lage lonen - uitbreiding toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Réduction des cotisations personnelles pour les travailleurs avec des bas salaires - élargissement du champ d'application.
Art. 107. Artikel 2, § 1, eerste lid, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, wordt vervangen als volgt :
" De werknemers die zijn onderworpen ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, 1° tot 3° en 5°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 4° van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelde, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 3°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, genieten per maand, in afwijking van de artikelen 38, § 2, en 23, vierde lid, van voormelde wet, 2, §§ 2 en 7, van voormelde besluitwet van 10 januari 1945 en 3, §§ 2 en 6, van voormelde besluit, wet van 7 februari 1945, een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid overeenkomstig de volgende principes : ".
" De werknemers die zijn onderworpen ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 21, § 1, 1° tot 3° en 5°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 4° van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelde, ofwel aan de regelingen bedoeld in artikel 1, 1° tot 3°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, genieten per maand, in afwijking van de artikelen 38, § 2, en 23, vierde lid, van voormelde wet, 2, §§ 2 en 7, van voormelde besluitwet van 10 januari 1945 en 3, §§ 2 en 6, van voormelde besluit, wet van 7 februari 1945, een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid overeenkomstig de volgende principes : ".
Art. 107. L'article 2, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire, est remplacé par la disposition suivante :
" Les travailleurs qui sont assujettis soit aux régimes visés à l'article 21, § 1er, 1 ° à 3° et 5°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, soit aux régimes visés à l'article 1er, 1° à 4° de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la securité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, soit aux régimes visés à l'article 1er, 1° à 3°, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, bénéficient mensuellement, par dérogation aux articles 38, § 2, et 23, alinéa 4, de la loi précitée, 2, §§ 2 et 7, de L'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945 et 3, §§ 2 et 6, de L'arrêté-loi précité du 7 février 1945, d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale correspondant aux principes suivants : ".
" Les travailleurs qui sont assujettis soit aux régimes visés à l'article 21, § 1er, 1 ° à 3° et 5°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, soit aux régimes visés à l'article 1er, 1° à 4° de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la securité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, soit aux régimes visés à l'article 1er, 1° à 3°, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, bénéficient mensuellement, par dérogation aux articles 38, § 2, et 23, alinéa 4, de la loi précitée, 2, §§ 2 et 7, de L'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945 et 3, §§ 2 et 6, de L'arrêté-loi précité du 7 février 1945, d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale correspondant aux principes suivants : ".
Art. 108. Artikel 107 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000.
Art. 108. L'article 107 produit ses effets le 1er juillet 2000.
HOOFDSTUK III. - Openbare uitzendkantoren.
CHAPITRE III. - Entreprises publiques d'intérim.
Art. 109. In artikel 35, § 1, 1°, categorie 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, vervangen bij de wet van 26 maart 1999, worden de woorden " de uitzendbureaus van de openbare sector, " ingevoegd tussen de woorden " alsmede voor " en de woorden " de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor de diensten ".
Art. 109. Dans l'article 35, § 1er, 1°, catégorie 1, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, remplacé par la loi du 26 mars 1999, les mots " les entreprises de travail intérimaire du secteur public, ''sont insérés entre les mots " ainsi que pour " et les mots " les employeurs relevant de la commission paritaire pour les services ".
Art. 110. Artikel 109 heeft uitwerking met ingang van 1 april 1999.
Art. 110. L'article 109 produit ses effets le 1er avril 1999.
HOOFDSTUK IV. - Sancties in de tuinbouwsector.
CHAPITRE IV. - Sanctions dans le secteur de l'horticulture.
Art. 111. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 juli 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt vervangen door de volgende bepaling : " Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994. ".
Art. 111. L'article 3 de l'arrêté royal du 18 juillet 1997 modifiant L'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs est remplacé par la disposition suivante : " Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1994. ".
Art. 112. Artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 december 1995 en 18 juli 1997 wordt aangevuld als volgt : " In afwijking van artikel 42, 2e lid van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hebben de werkgevers die, omwille van niet-naleving voor één of meer werknemers gedurende de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1995 van de voorwaarden bedoeld in het 6e lid zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 22 december 1995, of wegens niet-naleving voor één of meer werknemers van de voorwaarden bepaald in het 5e lid voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 augustus 1997 zoals dit luidde voor de wijziging vastgesteld door het koninklijk besluit van 18 juli 1997, hun gelegenheidsarbeiders in deze hoedanigheid niet bij de rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben kunnen aangeven, voor de werknemers voor wie de voormelde voorwaarden werden nageleefd het recht om het verschil te recupereren tussen de werkelijk betaalde bijdragen en de bijdragen die verschuldigd zouden zijn geweest voor de gelegenheidsarbeiders, die worden berekend op basis van het forfaitair loon bedoeld in artikel 31bis. Voor de berekening van het terug te betalen bedrag wordt evenwel geen rekening gehouden met de bijdragen inzake de jaarlijkse vakantieregeling. ".
Art. 112. L'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant L'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par les arrêtés royaux des 22 décembre 1995 et 18 juillet 1997 est complété par la disposition suivante : " Par dérogation a l'article 42, alinéa 2, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, les employeurs qui à cause du non respect pour un ou plusieurs travailleurs pendant la période du 1er juillet 1994 au 31 décembre 1995 des conditions vissés à l'alinéa 6, tel qu'il était libellé avant la modification prévue par l'arrêté royal du 22 décembre 1995, ou qui pour non respect pour un ou plusieurs travailleurs pour la période du 1er janvier 1996 au 31 août 1997 des conditions prévues à l'alinéa 5, tel qu'il était libellé avant la modification prévue par l'arrêté royal du 18 juillet 1997, n'ont pas pu déclarer leurs travailleurs occasionnels en cette qualité auprès de l'Office national de Sécurité sociale, ont droit, pour les travailleurs pour lesquels les conditions susvisées ont été respectées, à récupérer la différence entre les cotisations effectivement payées et les cotisations qui auraient été dues pour des travailleurs occasionnels, qui sont calculées sur la base du salaire forfaitaire visé à l'article 31bis. Pour le calcul du montant à rembourser il n'est cependant pas tenu compte des cotisations relatives au régime des vacances annuelles. ".
HOOFDSTUK V. - Maatschappelijke zekerheid zeelieden ter koopvaardij.
CHAPITRE V. - Sécurité sociale des marins de la marine marchande.
Art. 113. In artikel 2quater van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999, worden de woorden " van en naar België " vervangen door de woorden " van en naar een lidstaat van de Europese Unie ".
Art. 113. Dans l'article 2quater de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, modifié par la loi du 26 mars 1999, les mots " de et vers la Belgique " sont remplacés par les mots " de et vers un Etat membre de l'Union européenne ".
Art. 114. Artikel 3, § 1, van dezelfde besluitwet, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 96 van 28 september 1982, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en bij het koninklijk besluit van 18 april 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de zeeman.
Onder loon van de zeeman wordt verstaan : de standaardgage vermeerderd met de overuren en met alle vergoedingen toegekend aan de betrokkenen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, voor de categorieën van zeelieden die zijn tewerkgesteld aan boord van een schip geregistreerd in een lidstaat van de Europese Unie en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, vrijstelling verlenen van de betaling van het geheel of het gedeelte van de bijdragen verschuldigd door de reder en/of door de zeelieden ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen.
De reders kunnen enkel van de in het derde lid bedoelde vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen genieten indien zij de tewerkstellingsnorm respecteren.
De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, de tewerkstellingsnormen vast, enerzijds voor zeelieden en shoregangers en anderzijds voor officieren.
Hij bepaalt de modaliteiten omtrent de evaluatie van de eerbiediging van de tewerkstellingsnormen, de afwijkingsmogelijkheden van deze tewerkstellingsnormen, alsook de rechtvaardigingsgronden en de mogelijke sanctionering bij afwijking.
" § 1. De sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de zeeman.
Onder loon van de zeeman wordt verstaan : de standaardgage vermeerderd met de overuren en met alle vergoedingen toegekend aan de betrokkenen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, voor de categorieën van zeelieden die zijn tewerkgesteld aan boord van een schip geregistreerd in een lidstaat van de Europese Unie en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, vrijstelling verlenen van de betaling van het geheel of het gedeelte van de bijdragen verschuldigd door de reder en/of door de zeelieden ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen.
De reders kunnen enkel van de in het derde lid bedoelde vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen genieten indien zij de tewerkstellingsnorm respecteren.
De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het beheerscomité van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, de tewerkstellingsnormen vast, enerzijds voor zeelieden en shoregangers en anderzijds voor officieren.
Hij bepaalt de modaliteiten omtrent de evaluatie van de eerbiediging van de tewerkstellingsnormen, de afwijkingsmogelijkheden van deze tewerkstellingsnormen, alsook de rechtvaardigingsgronden en de mogelijke sanctionering bij afwijking.
Art. 114. L'article 3, § 1er, du même arrêté-loi, remplacé par l'arrêté royal n° 96 du 28 septembre 1982 et modifié par les lois du 22 février 1998 et par l'arrêté royal du 18 avril 1997, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les cotisations de sécurité sociale sont calculées sur la base de la rémunération du marin.
On entend par rémunération du marin : les gages standards augmentés des heures supplémentaires et de toutes les indemnités octroyées aux intéressés.
Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du comité de gestion de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins, pour les catégories de marins qui sont occupes à bord de navires qui sont enregistrés dans un Etat membre de l'Union européenne et dans les conditions qu'Il détermine, dispenser du paiement de la totalité ou d'une partie des cotisations dues par l'armateur et/ou par les marins en vertu de la présente loi ou en vertu d'autres dispositions légales ou réglementaires.
Les armateurs ne peuvent bénéficier de l'exonération des cotisations de sécurité sociale visées à l'alinéa 3, que si les conditions relatives à la garantie de l'emploi sont respectées.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du comité de gestion de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins, les normes relatives à la garantie de l'emploi pour les marins et les shoregangers d'une part et pour les officiers d'autre part.
Il détermine les modalités qui concernent l'évaluation du respect des normes relatives à la garantie de l'emploi, les possibilités de dérogation et les causes de justification desdites dérogations, ainsi que les sanctions possibles en cas de dérogation.
" § 1er. Les cotisations de sécurité sociale sont calculées sur la base de la rémunération du marin.
On entend par rémunération du marin : les gages standards augmentés des heures supplémentaires et de toutes les indemnités octroyées aux intéressés.
Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du comité de gestion de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins, pour les catégories de marins qui sont occupes à bord de navires qui sont enregistrés dans un Etat membre de l'Union européenne et dans les conditions qu'Il détermine, dispenser du paiement de la totalité ou d'une partie des cotisations dues par l'armateur et/ou par les marins en vertu de la présente loi ou en vertu d'autres dispositions légales ou réglementaires.
Les armateurs ne peuvent bénéficier de l'exonération des cotisations de sécurité sociale visées à l'alinéa 3, que si les conditions relatives à la garantie de l'emploi sont respectées.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du comité de gestion de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins, les normes relatives à la garantie de l'emploi pour les marins et les shoregangers d'une part et pour les officiers d'autre part.
Il détermine les modalités qui concernent l'évaluation du respect des normes relatives à la garantie de l'emploi, les possibilités de dérogation et les causes de justification desdites dérogations, ainsi que les sanctions possibles en cas de dérogation.
Art. 115. In artikel 12 van dezelfde besluitwet, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 29 april 1996 en bij het koninklijk besluit van 19 mei 1995, wordt de volgende wijziging aangebracht :
In § 1, 2°, a), worden de woorden " een verwijlintrest van 12 % 's jaars ", vervangen door de woorden " een verwijlintrest, vastgesteld bij koninklijk besluit, welke niet hoger mag zijn dan de wettelijke rentevoet; ".
In § 1, 2°, a), worden de woorden " een verwijlintrest van 12 % 's jaars ", vervangen door de woorden " een verwijlintrest, vastgesteld bij koninklijk besluit, welke niet hoger mag zijn dan de wettelijke rentevoet; ".
Art. 115. Dans l'article 12 du même arrêté-loi, modifié par les lois des 1er août 1985 et 29 avril 1996 et par l'arrêté royal du 19 mai 1995, est apportée la modification suivante :
Dans le § 1er, 2°, a), les mots " d'un intérêt de retard de 12 % l'an " sont remplacés par les mots " d'un intérêt de retard déterminé par arrêté royal, ledit intérêt de retard ne pouvant être supérieur au taux d'intérêt légal; ".
Dans le § 1er, 2°, a), les mots " d'un intérêt de retard de 12 % l'an " sont remplacés par les mots " d'un intérêt de retard déterminé par arrêté royal, ledit intérêt de retard ne pouvant être supérieur au taux d'intérêt légal; ".
Art. 116. In artikel 13, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, worden de woorden " van en naar België " vervangen door de woorden " van en naar een lidstaat van de Europese Unie ".
Art. 116. Dans l'article 13, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 18 février 1997 portant des mesures en vue de la dissolution de la Régie des Transports maritimes en application de l'article 3, § 1er, 6°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, les mots " depuis et vers la Belgique " sont remplacés par les mots " depuis et vers un Etat membre de l'Union européenne ".
Art. 117. Artikel 113 heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997, artikel 114 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997, artikel 115 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996 en artikel 116 heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997.
Art. 117. L'article 113 produit ses effets le 26 février 1997, l'article 114 produit ses effets le 1er janvier 1997, l'article 115 produit ses effets le 1er septembre 1996 et l'article 116 produit ses effets le 26 février 1997.
HOOFDSTUK VI. - Sociaal statuut van de niet beschermde lokale mandatarissen - gemeentewet.
CHAPITRE VI. - Statut social des mandataires locaux non protégés - loi communale.
Art. 118. Artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 4. Indien de burgemeesters en schepenen niet zijn onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandigen, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden ze door de gemeente onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij artikel 5, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.
De werknemers en werkgeversbijdragen bedoeld bij artikel 38, § 2, 2°, 3°, en 4° en § 3, 2°, 3°, 4° en 5° van de wet van 29 juni 1981 berekend op het bedrag van hun volledige wedde worden aangegeven en betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.
Indien de burgemeesters en de schepenen alsmede de gewezen burgemeesters en schepenen na de beëindiging van hun politiek mandaat enkel prestaties krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten dan met toepassing van het artikel 32, 15° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, neemt de gemeente waar ze laatst dit mandaat hebben uitgeoefend de krachtens die bepaling verschuldigde persoonlijke bijdragen ten laste.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. ".
" § 4. Indien de burgemeesters en schepenen niet zijn onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandigen, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden ze door de gemeente onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij artikel 5, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.
De werknemers en werkgeversbijdragen bedoeld bij artikel 38, § 2, 2°, 3°, en 4° en § 3, 2°, 3°, 4° en 5° van de wet van 29 juni 1981 berekend op het bedrag van hun volledige wedde worden aangegeven en betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.
Indien de burgemeesters en de schepenen alsmede de gewezen burgemeesters en schepenen na de beëindiging van hun politiek mandaat enkel prestaties krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten dan met toepassing van het artikel 32, 15° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, neemt de gemeente waar ze laatst dit mandaat hebben uitgeoefend de krachtens die bepaling verschuldigde persoonlijke bijdragen ten laste.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. ".
Art. 118. L'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale, inséré par la loi du 4 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Si les bourgmestres et échevins ne sont pas soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en vertu de leur activité de travailleur salarié ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants en vertu de leur activité d'indépendant, et que sans l'application de la présente disposition, ils ne bénéficieraient des prestations en matière des soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires, ils sont assujettis par la commune aux régimes assurance obligatoire soins de santé et indemnités, allocations de chômage et allocations familiales visés à l'article 5, a), b), e) et f), de la loi du 27 juin 1969 précitée.
Les cotisations du travailleur et de l'employeur visées à l'article 38, § 2, 2°, 3° et 4° et § 3, 2°, 3°, 4° et 5°, de la loi du 29 juin 1981, calculées sur le montant de leur traitement complet sont déclarées et payées à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Si, après la fin de leur mandat politique, les bourgmestres et échevins ainsi que les anciens bourgmestres et échevins ne bénéficiaient des prestations relatives à l'assurance obligatoire soins de santé, qu'en application de l'article 32, 15° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les cotisations personnelles dues en vertu de cette disposition sont prises en charge par la commune du lieu où ils ont exercé leur dernier mandat.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités d'exécution de la présente disposition. ".
" § 4. Si les bourgmestres et échevins ne sont pas soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en vertu de leur activité de travailleur salarié ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants en vertu de leur activité d'indépendant, et que sans l'application de la présente disposition, ils ne bénéficieraient des prestations en matière des soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires, ils sont assujettis par la commune aux régimes assurance obligatoire soins de santé et indemnités, allocations de chômage et allocations familiales visés à l'article 5, a), b), e) et f), de la loi du 27 juin 1969 précitée.
Les cotisations du travailleur et de l'employeur visées à l'article 38, § 2, 2°, 3° et 4° et § 3, 2°, 3°, 4° et 5°, de la loi du 29 juin 1981, calculées sur le montant de leur traitement complet sont déclarées et payées à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Si, après la fin de leur mandat politique, les bourgmestres et échevins ainsi que les anciens bourgmestres et échevins ne bénéficiaient des prestations relatives à l'assurance obligatoire soins de santé, qu'en application de l'article 32, 15° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les cotisations personnelles dues en vertu de cette disposition sont prises en charge par la commune du lieu où ils ont exercé leur dernier mandat.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités d'exécution de la présente disposition. ".
Art. 119. Artikel 4 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt aangevuld als volgt :
" 4° de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" 4° de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 119. L'article 4 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail est complété comme suit :
" 4° aux mandataires locaux visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" 4° aux mandataires locaux visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 120. Artikel 2, § 1, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, wordt aangevuld als volgt :
" d) de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" d) de lokale verkozenen bedoeld in artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 120. L'article 2, § 1er, des lois coordonnées le 3 juin 1970 relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles est complété comme suit :
" d) aux mandataires locaux visés a l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" d) aux mandataires locaux visés a l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 121. Artikel 1, § 2, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 502 van 31 december 1986 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991 wordt aangevuld als volgt :
" 7° de bijdragen verschuldigd krachtens artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" 7° de bijdragen verschuldigd krachtens artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 121. L'article 1er, § 2, alinéa 1er, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, remplacé par l'arrêté royal n° 502 du 31 décembre 1986 et par la loi du 20 juillet 1991 est complété comme suit :
" 7° les cotisations dues en vertu de l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" 7° les cotisations dues en vertu de l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 122. Artikel 32 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatst gewijzigd bij de wet van 25 april 1997, wordt aangevuld als volgt :
" 21° de lokale gekozenen bedoeld bij artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
" 21° de lokale gekozenen bedoeld bij artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet. ".
Art. 122. L'article 32 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 1997 est complété comme suit :
" 21 ° les mandataires locaux visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
" 21 ° les mandataires locaux visés à l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale. ".
Art. 123. De artikelen 118 tot 122 treden in werking bij de eerstvolgende algehele vernieuwing van de gemeenteraden, behalve het bij artikel 118 ingevoegde artikel 19, § 4, derde lid van de nieuwe gemeentewet dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2000.
Art. 123. Les articles 118 à 122 entrent en vigueur lors du prochain renouvellement intégral des conseils communaux à l'exception de l'article 19, § 4, alinéa 3, inséré par l'article 118, de la nouvelle loi communale qui sortit ses effets au 1er janvier 2000.
TITEL IX. - Diverse sociale bepalingen.
TITRE IX. - Dispositions sociales diverses.
HOOFDSTUK I. - Wet op de ziekenhuizen.
CHAPITRE I. - Loi sur les hôpitaux.
Art. 124. In artikel 38 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervalt het woord " eensluidend ".
Art. 124. A l'article 38 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, les mots " de l'avis conforme du Conseil national des établissements hospitaliers, section d'agréation, " sont remplacés par les mots " après avis du Conseil national des établissements hospitaliers, section d'agréation ".
Art. 125. Artikel 86, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De in het eerste lid bedoelde gegevens die verband houden met de medische activiteiten mogen geen gegevens bevatten die de natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben rechtstreeks identificeren. Er mogen geen handelingen worden verricht die erop gericht zijn om deze gegevens in verband te brengen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben, tenzij deze nodig zijn om de ambtenaren of de beambten aangewezen in artikel 115 de waarachtigheid van de medegedeelde gegevens te laten nagaan. ".
" De in het eerste lid bedoelde gegevens die verband houden met de medische activiteiten mogen geen gegevens bevatten die de natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben rechtstreeks identificeren. Er mogen geen handelingen worden verricht die erop gericht zijn om deze gegevens in verband te brengen met de geïdentificeerde natuurlijke persoon waarop ze betrekking hebben, tenzij deze nodig zijn om de ambtenaren of de beambten aangewezen in artikel 115 de waarachtigheid van de medegedeelde gegevens te laten nagaan. ".
Art. 125. L'article 86, alinéa 2, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" Les données visées à l'alinéa 1er se rapportant aux activités médicales ne peuvent pas comprendre de données qui identifient directement la personne physique sur laquelle elle portent. Aucun acte ne peut être posé qui viserait à établir un lien entre ces données et la personne physique identifiée à laquelle elles se rapportent, à moins que celui-ci soit nécessaire pour faire vérifier par les fonctionnaires ou agents désignés dans l'article 115 la véracité des données communiquées. ".
" Les données visées à l'alinéa 1er se rapportant aux activités médicales ne peuvent pas comprendre de données qui identifient directement la personne physique sur laquelle elle portent. Aucun acte ne peut être posé qui viserait à établir un lien entre ces données et la personne physique identifiée à laquelle elles se rapportent, à moins que celui-ci soit nécessaire pour faire vérifier par les fonctionnaires ou agents désignés dans l'article 115 la véracité des données communiquées. ".
HOOFDSTUK II. - Responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid.
CHAPITRE II. - Responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale.
Art. 126. In artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels worden de woorden " evenals de graden en rangen die de statutaire ambtenaren die titularis zijn van deze functie kunnen bekleden " geschrapt.
Art. 126. A l'article 19, § 2, de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, les mots : " ainsi que les grades et les rangs pouvant être occupés par les agents statutaires qui sont titulaires de cette fonction " sont supprimés.
Art. 127. In artikel 21, § 2, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " in werking mits de opname van verwijzingen naar de wijzigende bepalingen in hun statuut overeenkomstig § 1 " worden vervangen door de woorden " van rechtswege in werking tenzij in deze wijzigingen zelf anders wordt bepaald ";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
" Deze wijzigingen kunnen in afwijkende regelingen voorzien wat de personeelsleden van openbare instellingen van sociale zekerheid betreft.
De hiervoor bedoelde wijzigingen, alsook de eventuele afwijkende regelingen daarop, worden met de representatieve vakbonden onderhandeld in een gezamenlijke vergadering van het Comité voor de federale, gemeenschaps- en gewestelijke overheidsdiensten en het voor de openbare instellingen van sociale zekerheid bevoegde Sectorcomité. ".
1° de woorden " in werking mits de opname van verwijzingen naar de wijzigende bepalingen in hun statuut overeenkomstig § 1 " worden vervangen door de woorden " van rechtswege in werking tenzij in deze wijzigingen zelf anders wordt bepaald ";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de volgende leden :
" Deze wijzigingen kunnen in afwijkende regelingen voorzien wat de personeelsleden van openbare instellingen van sociale zekerheid betreft.
De hiervoor bedoelde wijzigingen, alsook de eventuele afwijkende regelingen daarop, worden met de representatieve vakbonden onderhandeld in een gezamenlijke vergadering van het Comité voor de federale, gemeenschaps- en gewestelijke overheidsdiensten en het voor de openbare instellingen van sociale zekerheid bevoegde Sectorcomité. ".
Art. 127. A l'article 21, § 2, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " en vigueur à condition que les références à ces dispositions modificatrices aient été reprises dans le statut conformément au § 1er " sont remplacés par les mots " de plein droit en vigueur à moins qu'il en soit disposé autrement dans ces modifications mêmes ";
2° le paragraphe est complété par les alinéas suivants :
" Ces modifications peuvent prévoir des règles dérogatoires pour ce qui concerne le personnel des institutions publiques de sécurité sociale.
Les modifications précitées, ainsi que les éventuelles réglementations dérogatoires à celles-ci, sont négociées avec les organisations syndicales représentatives dans une réunion commune du Comité des services publics fédéraux, communautaires et régionaux et du Comité sectoriel compétent pour les institutions publiques de sécurité sociale. ".
1° les mots " en vigueur à condition que les références à ces dispositions modificatrices aient été reprises dans le statut conformément au § 1er " sont remplacés par les mots " de plein droit en vigueur à moins qu'il en soit disposé autrement dans ces modifications mêmes ";
2° le paragraphe est complété par les alinéas suivants :
" Ces modifications peuvent prévoir des règles dérogatoires pour ce qui concerne le personnel des institutions publiques de sécurité sociale.
Les modifications précitées, ainsi que les éventuelles réglementations dérogatoires à celles-ci, sont négociées avec les organisations syndicales représentatives dans une réunion commune du Comité des services publics fédéraux, communautaires et régionaux et du Comité sectoriel compétent pour les institutions publiques de sécurité sociale. ".
Art. 128. In artikel 21, § 3, van hetzelfde besluit, worden tussen de woorden " en elke wijziging ervan " en de woorden " wordt door de voogdijminister " de woorden " met inbegrip van de wijzigingen bedoeld in § 2 " ingevoegd.
Art. 128. Dans l'article 21, § 3, du même arrêté, sont insérés entre les mots " et toute modification au statut " et les mots " est au préalable soumis " les mots " y compris les modifications visées au § 2 ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
Art. 129. In artikel 2 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, wordt het woord " minimum " elke keer vervangen door het woord " minimaal ";
2° in § 3, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, f), en 22, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " bedoeld in artikelen 2, k), en 33, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ".
1° in § 2, wordt het woord " minimum " elke keer vervangen door het woord " minimaal ";
2° in § 3, worden de woorden " bedoeld in artikel 2, f), en 22, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " bedoeld in artikelen 2, k), en 33, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ".
Art. 129. A l'article 2 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par la loi du 20 juillet 1991, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 2, le mot " minimum " est, chaque fois, remplacé par le mot " minimal ";
2° dans le § 3, les mots " visé à l'article 2, f), et 22, premier alinéa, de la loi du 9 août 1963, instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité " sont remplacés par les mots " visé aux articles 2, k), et 33, alinéa 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ".
1° dans le § 2, le mot " minimum " est, chaque fois, remplacé par le mot " minimal ";
2° dans le § 3, les mots " visé à l'article 2, f), et 22, premier alinéa, de la loi du 9 août 1963, instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité " sont remplacés par les mots " visé aux articles 2, k), et 33, alinéa 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 ".
Art. 130. In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, a), worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, geregeld bij de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, geregeld bij de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in het tweede lid, worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ".
1° in het eerste lid, a), worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, geregeld bij de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, geregeld bij de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in het tweede lid, worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering " vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ".
Art. 130. A l'article 3 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, a), les mots " l'assurance maladie invalidité obligatoire, réglée par la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, réglée par la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° à l'alinéa 2, les mots " l'assurance maladie-invalidité obligatoire " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ".
1° à l'alinéa 1er, a), les mots " l'assurance maladie invalidité obligatoire, réglée par la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, réglée par la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° à l'alinéa 2, les mots " l'assurance maladie-invalidité obligatoire " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ".
Art. 131. Artikel 4bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 4bis. Een ziekenfonds mag een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), enkel inrichten op voorwaarde dat het vooraf met het oog hierop de goedkeuring van de raad van bestuur van de landsbond waarbij het is aangesloten, heeft verkregen. ".
" Art. 4bis. Een ziekenfonds mag een dienst bedoeld in artikel 3, eerste lid, b) en c), enkel inrichten op voorwaarde dat het vooraf met het oog hierop de goedkeuring van de raad van bestuur van de landsbond waarbij het is aangesloten, heeft verkregen. ".
Art. 131. L'article 4bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 4bis. Une mutualité ne peut organiser un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), qu'après avoir obtenu préalablement, à cette fin, l'approbation du conseil d'administration de l'union nationale auprès de laquelle elle est affiliée. ".
" Art. 4bis. Une mutualité ne peut organiser un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b) et c), qu'après avoir obtenu préalablement, à cette fin, l'approbation du conseil d'administration de l'union nationale auprès de laquelle elle est affiliée. ".
Art. 132. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 5. § 1. De algemene vergadering van een ziekenfonds kan, met inachtneming van de regels inzake statutenwijzigingen zoals bedoeld in artikel 10, beslissen naar een andere landsbond over te gaan, voorzover deze laatste akkoord gaat.
§ 2. De aanvraag om goedkeuring, door de controledienst, van de mutatie moet tijdens het eerste semester van het burgerlijk jaar worden ingediend.
De controledienst spreekt zich uit binnen een maximale termijn van drie maanden volgend op de datum waarop de aanvraag om goedkeuring aan hem is overgezonden. Bij gebrek aan beslissing binnen deze termijn wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd.
De beslissing van de controledienst dient te worden gemotiveerd en overgezonden aan het ziekenfonds en de betrokken landsbonden binnen dertig kalenderdagen volgend op de beslissing. Bij gebrek aan kennisgeving binnen de termijn, wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. De controledienst bepaalt de vorm van de documenten en de inlichtingen die door het betrokken ziekenfonds, op straffe van onontvankelijkheid, dienen te worden overgezonden tot staving van de aanvraag tot goedkeuring van de mutatie.
Alvorens zich uit te spreken raadpleegt de controledienst de betrokken landsbonden en kan, met het oog op de vrijwaring van de rechten van de leden en de personen te hunnen laste zowel van het betrokken ziekenfonds als van andere ziekenfondsen die hierbij een direct of indirect belang hebben, voorwaarden aan de mutatie verbinden, zoals inzonderheid de voorafgaande vereffening van alle schulden of andere verplichtingen tegenover de landsbond die het ziekenfonds wil verlaten.
§ 4. Het ziekenfonds stelt binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de goedkeuring door de controledienst zijn leden in kennis, enerzijds, van de beslissing tot mutatie naar een andere landsbond en anderzijds, van de mogelijkheid om zich individueel in te schrijven bij een ander ziekenfonds en de formaliteiten die daartoe dienen te worden vervuld.
§ 5. De mutatie van het ziekenfonds kan enkel uitwerking hebben op 1 januari volgend op de datum van de goedkeuring door de controledienst.
De goedkeuring van de mutatie wordt op initiatief van de controledienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing tot goedkeuring. ".
" Art. 5. § 1. De algemene vergadering van een ziekenfonds kan, met inachtneming van de regels inzake statutenwijzigingen zoals bedoeld in artikel 10, beslissen naar een andere landsbond over te gaan, voorzover deze laatste akkoord gaat.
§ 2. De aanvraag om goedkeuring, door de controledienst, van de mutatie moet tijdens het eerste semester van het burgerlijk jaar worden ingediend.
De controledienst spreekt zich uit binnen een maximale termijn van drie maanden volgend op de datum waarop de aanvraag om goedkeuring aan hem is overgezonden. Bij gebrek aan beslissing binnen deze termijn wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd.
De beslissing van de controledienst dient te worden gemotiveerd en overgezonden aan het ziekenfonds en de betrokken landsbonden binnen dertig kalenderdagen volgend op de beslissing. Bij gebrek aan kennisgeving binnen de termijn, wordt de mutatie geacht te zijn goedgekeurd.
§ 3. De controledienst bepaalt de vorm van de documenten en de inlichtingen die door het betrokken ziekenfonds, op straffe van onontvankelijkheid, dienen te worden overgezonden tot staving van de aanvraag tot goedkeuring van de mutatie.
Alvorens zich uit te spreken raadpleegt de controledienst de betrokken landsbonden en kan, met het oog op de vrijwaring van de rechten van de leden en de personen te hunnen laste zowel van het betrokken ziekenfonds als van andere ziekenfondsen die hierbij een direct of indirect belang hebben, voorwaarden aan de mutatie verbinden, zoals inzonderheid de voorafgaande vereffening van alle schulden of andere verplichtingen tegenover de landsbond die het ziekenfonds wil verlaten.
§ 4. Het ziekenfonds stelt binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de goedkeuring door de controledienst zijn leden in kennis, enerzijds, van de beslissing tot mutatie naar een andere landsbond en anderzijds, van de mogelijkheid om zich individueel in te schrijven bij een ander ziekenfonds en de formaliteiten die daartoe dienen te worden vervuld.
§ 5. De mutatie van het ziekenfonds kan enkel uitwerking hebben op 1 januari volgend op de datum van de goedkeuring door de controledienst.
De goedkeuring van de mutatie wordt op initiatief van de controledienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing tot goedkeuring. ".
Art. 132. L'article 5 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5. § 1er. L'assemblée générale d'une mutualité peut, en tenant compte des règles relatives aux modifications de statuts telles que prévues à l'article 10, décider de muter vers une autre union nationale pour autant que celle-ci soit d'accord.
§ 2. La demande d'approbation, par l'office de contrôle, de la mutation doit être introduite dans le courant du premier semestre de l'année civile.
L'office de contrôle se prononce dans un délai maximal de trois mois à partir de la date à laquelle la demande d'approbation lui a été transmise. A défaut de décision à l'expiration de ce délai, la mutation est censée avoir été approuvée.
La décision de l'office doit être motivée et est notifiée à la mutualité et aux unions nationales concernées dans les trente jours civils qui suivent la décision. A défaut de notification à l'expiration de ce délai, la mutation est censée avoir été approuvée.
§ 3. L'office de contrôle détermine la forme des documents et les informations qui doivent être, sous peine d'irrecevabilité, transmis par la mutualité concernée a l'appui de la demande d'approbation de la mutation.
Avant de se prononcer, l'office de contrôle consulte les unions nationales concernées et peut, en vue de sauvegarder les droits des membres et des personnes à leur charge, tant de la mutualité concernée que d'autres mutualités directement ou indirectement concernées, poser des conditions à la mutation et notamment, celle d'avoir apuré préalablement toute dette ou autre obligation envers l'union nationale que la mutualité veut quitter.
§ 4. La mutualité informe ses membres, dans un délai d'un mois à dater de la réception de l'approbation de l'office de contrôle, d'une part, de la décision de mutation vers une autre union nationale et d'autre part, de la possibilité de s'inscrire individuellement auprès d'une autre mutualité et des formalités à accomplir à cet effet.
§ 5. La mutation de la mutualité ne peut sortir ses effets qu'au 1er janvier qui suit la date de son approbation par l'office de contrôle.
L'approbation de la mutation est publiée, à l'initiative de l'office de contrôle, par extrait au Moniteur belge dans les trente jours civils de la décision d'approbation. ".
" Art. 5. § 1er. L'assemblée générale d'une mutualité peut, en tenant compte des règles relatives aux modifications de statuts telles que prévues à l'article 10, décider de muter vers une autre union nationale pour autant que celle-ci soit d'accord.
§ 2. La demande d'approbation, par l'office de contrôle, de la mutation doit être introduite dans le courant du premier semestre de l'année civile.
L'office de contrôle se prononce dans un délai maximal de trois mois à partir de la date à laquelle la demande d'approbation lui a été transmise. A défaut de décision à l'expiration de ce délai, la mutation est censée avoir été approuvée.
La décision de l'office doit être motivée et est notifiée à la mutualité et aux unions nationales concernées dans les trente jours civils qui suivent la décision. A défaut de notification à l'expiration de ce délai, la mutation est censée avoir été approuvée.
§ 3. L'office de contrôle détermine la forme des documents et les informations qui doivent être, sous peine d'irrecevabilité, transmis par la mutualité concernée a l'appui de la demande d'approbation de la mutation.
Avant de se prononcer, l'office de contrôle consulte les unions nationales concernées et peut, en vue de sauvegarder les droits des membres et des personnes à leur charge, tant de la mutualité concernée que d'autres mutualités directement ou indirectement concernées, poser des conditions à la mutation et notamment, celle d'avoir apuré préalablement toute dette ou autre obligation envers l'union nationale que la mutualité veut quitter.
§ 4. La mutualité informe ses membres, dans un délai d'un mois à dater de la réception de l'approbation de l'office de contrôle, d'une part, de la décision de mutation vers une autre union nationale et d'autre part, de la possibilité de s'inscrire individuellement auprès d'une autre mutualité et des formalités à accomplir à cet effet.
§ 5. La mutation de la mutualité ne peut sortir ses effets qu'au 1er janvier qui suit la date de son approbation par l'office de contrôle.
L'approbation de la mutation est publiée, à l'initiative de l'office de contrôle, par extrait au Moniteur belge dans les trente jours civils de la décision d'approbation. ".
Art. 133. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 6. § 1. De landsbonden van ziekenfondsen, hierna " landsbonden ", genoemd, zijn verenigingen van ten minste vijf ziekenfondsen met hetzelfde streefdoel als dat bedoeld in artikel 2 en met dezelfde opdrachten als die bepaald in artikel 3 en die, krachtens de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, gemachtigd zijn, als verzekeringsinstellingen, mee te werken aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
§ 2. Wanneer de controledienst vaststelt dat een landsbond niet meer voldoet aan de voorwaarde van het minimaal aantal aangesloten ziekenfondsen, kan hij de landsbond bevelen, binnen een door hem bepaalde termijn die in geen geval zes maanden mag overschrijden, de toestand te regulariseren. Deze termijn loopt vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing aan de landsbond.
Indien bij het verstrijken van de door de controledienst vastgestelde termijn de landsbond nog steeds niet aan de in § 1 vastgestelde voorwaarde voldoet, wordt deze van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing.
§ 3. De ziekenfondsen die bij de voornoemde landsbond aangesloten zijn, worden in kennis gesteld van de ontbinding door de controledienst.
§ 4. De algemene vergadering van elk betrokken ziekenfonds kan, met inachtneming van de in deze wet bedoelde regels, beslissen tot ofwel de vrijwillige ontbinding, ofwel de mutatie naar een andere landsbond.
In geval van mutatie naar een andere landsbond zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.
In geval van vrijwillige ontbinding zijn de artikelen 45, 46 en 48 van toepassing.
§ 5. Bij gebrek aan beslissing van de algemene vergadering van een aangesloten ziekenfonds op de datum van de ontbinding vastgesteld door de controledienst, wordt het ziekenfonds van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing.
Onmiddellijk na de ontvangst van de beslissing waarbij de controledienst de ontbinding van rechtswege uitspreekt, moet het ziekenfonds zijn leden inlichten omtrent de verplichting tot aansluiting opgelegd door de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, alsmede omtrent de formaliteiten die daartoe vóór de datum bedoeld in het eerste lid dienen te worden vervuld.
§ 6. De maatschappijen van onderlinge bijstand, opgericht in uitvoering van artikel 43bis door de ziekenfondsen aangesloten bij de ontbonden landsbond, worden van rechtswege ontbonden op de datum bepaald door de controledienst, behalve wanneer al de aangesloten ziekenfondsen naar dezelfde landsbond muteren. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is van toepassing. ".
" Art. 6. § 1. De landsbonden van ziekenfondsen, hierna " landsbonden ", genoemd, zijn verenigingen van ten minste vijf ziekenfondsen met hetzelfde streefdoel als dat bedoeld in artikel 2 en met dezelfde opdrachten als die bepaald in artikel 3 en die, krachtens de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, gemachtigd zijn, als verzekeringsinstellingen, mee te werken aan de uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
§ 2. Wanneer de controledienst vaststelt dat een landsbond niet meer voldoet aan de voorwaarde van het minimaal aantal aangesloten ziekenfondsen, kan hij de landsbond bevelen, binnen een door hem bepaalde termijn die in geen geval zes maanden mag overschrijden, de toestand te regulariseren. Deze termijn loopt vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing aan de landsbond.
Indien bij het verstrijken van de door de controledienst vastgestelde termijn de landsbond nog steeds niet aan de in § 1 vastgestelde voorwaarde voldoet, wordt deze van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing.
§ 3. De ziekenfondsen die bij de voornoemde landsbond aangesloten zijn, worden in kennis gesteld van de ontbinding door de controledienst.
§ 4. De algemene vergadering van elk betrokken ziekenfonds kan, met inachtneming van de in deze wet bedoelde regels, beslissen tot ofwel de vrijwillige ontbinding, ofwel de mutatie naar een andere landsbond.
In geval van mutatie naar een andere landsbond zijn de bepalingen van artikel 5 van toepassing.
In geval van vrijwillige ontbinding zijn de artikelen 45, 46 en 48 van toepassing.
§ 5. Bij gebrek aan beslissing van de algemene vergadering van een aangesloten ziekenfonds op de datum van de ontbinding vastgesteld door de controledienst, wordt het ziekenfonds van rechtswege ontbonden op de datum vastgesteld door de controledienst. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is alsdan van toepassing.
Onmiddellijk na de ontvangst van de beslissing waarbij de controledienst de ontbinding van rechtswege uitspreekt, moet het ziekenfonds zijn leden inlichten omtrent de verplichting tot aansluiting opgelegd door de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, alsmede omtrent de formaliteiten die daartoe vóór de datum bedoeld in het eerste lid dienen te worden vervuld.
§ 6. De maatschappijen van onderlinge bijstand, opgericht in uitvoering van artikel 43bis door de ziekenfondsen aangesloten bij de ontbonden landsbond, worden van rechtswege ontbonden op de datum bepaald door de controledienst, behalve wanneer al de aangesloten ziekenfondsen naar dezelfde landsbond muteren. Artikel 47, § 1, tweede en derde lid, is van toepassing. ".
Art. 133. L'article 6 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6. § 1er. Les unions nationales de mutualités, ci-après dénommées " unions nationales ", sont des associations d'au moins cinq mutualités ayant le même but que celui visé à l'article 2 et les mêmes missions que celles fixées à l'article 3 et qui, en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, sont autorisées, en qualité d'organismes assureurs, à contribuer à l'exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
§ 2. Lorsque l'office de contrôle constate qu'une union nationale ne répond plus à la condition du nombre minimal de mutualités affiliées, il peut ordonner à l'union nationale de régulariser la situation dans un délai qu'il détermine et qui ne peut, en aucun cas, être supérieur à six mois. Ce délai prend cours à dater de la notification de la décision à l'union nationale.
Lorsqu'à l'issue du délai fixé par l'office de contrôle, l'union nationale ne répond toujours pas à la condition requise au § 1er, elle est dissoute d'office à la date fixée par l'office de contrôle. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas.
§ 3. Les mutualités affiliées à ladite union nationale sont informées de la dissolution par l'office de contrôle.
§ 4. L'assemblée générale de chaque mutualité concernée peut, en tenant compte des règles édictées par la présente loi, décider, soit de la dissolution volontaire, soit de la mutation vers une autre union nationale.
En cas de mutation vers une autre union nationale, les dispositions de l'article 5 sont applicables.
En cas de dissolution volontaire, les articles 45, 46 et 48 sont applicables.
§ 5. A défaut de décision de l'assemblée générale d'une mutualité affiliée à la date de la dissolution de l'union nationale fixée par l'office de contrôle, la mutualité est dissoute d'office à la date fixée par l'office de contrôle. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas.
Dès la réception de la décision par laquelle l'office de contrôle prononce la dissolution d'office, la mutualité doit informer ses membres de l'obligation d'affiliation prévue par la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, ainsi que des formalités à accomplir à cet effet avant la date visée à l'alinéa 1.
§ 6. Les sociétés mutualistes créées, en exécution de l'article 43bis, par les mutualités affiliées à l'union nationale dissoute sont dissoutes d'office à la date fixée par l'office de contrôle, sauf si toutes les mutualités y affiliées mutent vers la même union nationale. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas. ".
" Art. 6. § 1er. Les unions nationales de mutualités, ci-après dénommées " unions nationales ", sont des associations d'au moins cinq mutualités ayant le même but que celui visé à l'article 2 et les mêmes missions que celles fixées à l'article 3 et qui, en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, sont autorisées, en qualité d'organismes assureurs, à contribuer à l'exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
§ 2. Lorsque l'office de contrôle constate qu'une union nationale ne répond plus à la condition du nombre minimal de mutualités affiliées, il peut ordonner à l'union nationale de régulariser la situation dans un délai qu'il détermine et qui ne peut, en aucun cas, être supérieur à six mois. Ce délai prend cours à dater de la notification de la décision à l'union nationale.
Lorsqu'à l'issue du délai fixé par l'office de contrôle, l'union nationale ne répond toujours pas à la condition requise au § 1er, elle est dissoute d'office à la date fixée par l'office de contrôle. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas.
§ 3. Les mutualités affiliées à ladite union nationale sont informées de la dissolution par l'office de contrôle.
§ 4. L'assemblée générale de chaque mutualité concernée peut, en tenant compte des règles édictées par la présente loi, décider, soit de la dissolution volontaire, soit de la mutation vers une autre union nationale.
En cas de mutation vers une autre union nationale, les dispositions de l'article 5 sont applicables.
En cas de dissolution volontaire, les articles 45, 46 et 48 sont applicables.
§ 5. A défaut de décision de l'assemblée générale d'une mutualité affiliée à la date de la dissolution de l'union nationale fixée par l'office de contrôle, la mutualité est dissoute d'office à la date fixée par l'office de contrôle. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas.
Dès la réception de la décision par laquelle l'office de contrôle prononce la dissolution d'office, la mutualité doit informer ses membres de l'obligation d'affiliation prévue par la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, ainsi que des formalités à accomplir à cet effet avant la date visée à l'alinéa 1.
§ 6. Les sociétés mutualistes créées, en exécution de l'article 43bis, par les mutualités affiliées à l'union nationale dissoute sont dissoutes d'office à la date fixée par l'office de contrôle, sauf si toutes les mutualités y affiliées mutent vers la même union nationale. L'article 47, § 1er, alinéas 2 et 3, est applicable dans ce cas. ".
Art. 134. In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " krachtens voornoemde wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " krachtens voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in § 2, worden de woorden " of activiteiten " geschrapt;
3° in § 3, worden de woorden " van dit artikel " geschrapt.
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " krachtens voornoemde wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " krachtens voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in § 2, worden de woorden " of activiteiten " geschrapt;
3° in § 3, worden de woorden " van dit artikel " geschrapt.
Art. 134. A l'article 7 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " en vertu de la loi du 9 août 1963 précitée " sont remplacés par les mots " en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° au § 2, les mots " ou activités " sont supprimés;
3° au § 3, les mots " de cet article " sont supprimés.
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " en vertu de la loi du 9 août 1963 précitée " sont remplacés par les mots " en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° au § 2, les mots " ou activités " sont supprimés;
3° au § 3, les mots " de cet article " sont supprimés.
Art. 135. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 10. De statuten van een ziekenfonds en van een landsbond kunnen enkel worden gewijzigd door de algemene vergadering die hiertoe overeenkomstig de in artikel 16 bepaalde regels wordt bijeengeroepen, en die overeenkomstig de bij de wet en de statuten bepaalde vormen beraadslaagt.
Er kan enkel tot statutenwijziging worden besloten indien de helft van de leden aanwezig en vertegenwoordigd is en de beslissing met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen wordt genomen.
Zo het vereiste aanwezigheidsquorum niet is bereikt, kan overeenkomstig de in artikel 16 bepaalde regels een tweede vergadering worden bijeengeroepen, die geldig over dezelfde agenda beraadslaagt, ongeacht het aantal aanwezige en vertegenwoordigde leden. ".
" Art. 10. De statuten van een ziekenfonds en van een landsbond kunnen enkel worden gewijzigd door de algemene vergadering die hiertoe overeenkomstig de in artikel 16 bepaalde regels wordt bijeengeroepen, en die overeenkomstig de bij de wet en de statuten bepaalde vormen beraadslaagt.
Er kan enkel tot statutenwijziging worden besloten indien de helft van de leden aanwezig en vertegenwoordigd is en de beslissing met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen wordt genomen.
Zo het vereiste aanwezigheidsquorum niet is bereikt, kan overeenkomstig de in artikel 16 bepaalde regels een tweede vergadering worden bijeengeroepen, die geldig over dezelfde agenda beraadslaagt, ongeacht het aantal aanwezige en vertegenwoordigde leden. ".
Art. 135. L'article 10 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. Les statuts d'une mutualité et d'une union nationale ne peuvent être modifiés que par l'assemblée générale convoquée à cet effet, conformément aux règles prescrites par l'article 16 et qui délibère dans les formes établies par la loi et les statuts.
Il ne peut être décidé sur toute modification des statuts que si la moitié des membres est présente et représentée et que la décision est prise à la majorité des deux tiers des votes exprimés.
Si le quorum de présence exigé n'est pas atteint, une deuxième assemblée peut être convoquée, conformément aux règles prescrites par l'article 16 et qui délibère valablement sur le même ordre du jour, quel que soit le nombre de membres présents et représentés. ".
" Art. 10. Les statuts d'une mutualité et d'une union nationale ne peuvent être modifiés que par l'assemblée générale convoquée à cet effet, conformément aux règles prescrites par l'article 16 et qui délibère dans les formes établies par la loi et les statuts.
Il ne peut être décidé sur toute modification des statuts que si la moitié des membres est présente et représentée et que la décision est prise à la majorité des deux tiers des votes exprimés.
Si le quorum de présence exigé n'est pas atteint, une deuxième assemblée peut être convoquée, conformément aux règles prescrites par l'article 16 et qui délibère valablement sur le même ordre du jour, quel que soit le nombre de membres présents et représentés. ".
Art. 136. In artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 1991 en 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, wordt het eerste lid aangevuld als volgt :
" in een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de algemene vergadering of vanaf de datum van de goedkeuring bedoeld in artikel 4bis. ";
2° in § 1, derde lid, worden de woorden " een termijn van ten hoogste dertig kalenderdagen " en de woorden " vijfenveertig kalenderdagen " respectievelijk vervangen door de woorden " een termijn van ten hoogste vijfenveertig kalenderdagen " en door de woorden " dertig kalenderdagen ";
3° in § 1, vierde lid, worden de woorden " met toepassing van artikel 10 van de wet van 16 maart 1954 " en de woorden " de minister van Sociale Zaken " respectievelijk vervangen door de woorden " met toepassing van artikel 9, § 3, van de wet van 16 maart 1954 " en de woorden " de minister van Sociale Zaken, hierna " minister " genoemd, ";
4° in § 3, worden de woorden " de minister van Sociale Zaken " en de woorden " binnen de dertig kalenderdagen vanaf de datum van het beroep " respectievelijk vervangen door de woorden " de minister " en de woorden " binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf het vervallen van de termijnen bedoeld in artikel 10, §§ 3 en 4, van de voornoemde wet van 16 maart 1954 ".
1° in § 1, wordt het eerste lid aangevuld als volgt :
" in een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van de algemene vergadering of vanaf de datum van de goedkeuring bedoeld in artikel 4bis. ";
2° in § 1, derde lid, worden de woorden " een termijn van ten hoogste dertig kalenderdagen " en de woorden " vijfenveertig kalenderdagen " respectievelijk vervangen door de woorden " een termijn van ten hoogste vijfenveertig kalenderdagen " en door de woorden " dertig kalenderdagen ";
3° in § 1, vierde lid, worden de woorden " met toepassing van artikel 10 van de wet van 16 maart 1954 " en de woorden " de minister van Sociale Zaken " respectievelijk vervangen door de woorden " met toepassing van artikel 9, § 3, van de wet van 16 maart 1954 " en de woorden " de minister van Sociale Zaken, hierna " minister " genoemd, ";
4° in § 3, worden de woorden " de minister van Sociale Zaken " en de woorden " binnen de dertig kalenderdagen vanaf de datum van het beroep " respectievelijk vervangen door de woorden " de minister " en de woorden " binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf het vervallen van de termijnen bedoeld in artikel 10, §§ 3 en 4, van de voornoemde wet van 16 maart 1954 ".
Art. 136. A l'article 11 de la même loi, modifié par les lois des 20 juillet 1991 et 22 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, l'alinéa 1er est complété comme suit :
" dans un délai de trente jours civils suivant la date de la tenue de l'assemblée générale ou la date de l'approbation visée à l'article 4bis. ";
2° au § 1er, alinéa 3, les mots " un délai maximum de trente jours civils " et les mots " quarante-cinq jours civils " sont, respectivement, remplacés par les mots " un délai maximal de quarante-cinq jours civils " et par les mots " trente jours civils ";
3° au § 1er, alinéa 4, les mots " ministre des Affaires sociales " et les mots " en application de l'article 10 de la loi du 16 mars 1954 ", sont, respectivement, remplacés par les mots " ministre des Affaires sociales, ci-après dénommé " ministre, " et par les mots " en application de l'article 9, § 3, de la loi du 16 mars 1954 ";
4° au § 3, les mots " ministre des Affaires sociales " et les mots " dans un délai de trente jours civils à partir de la date du recours " sont, respectivement, remplacés par les mots " ministre " et par les mots " dans un délai de trente jours civils à dater de l'échéance des délais visés à l'article 10, §§ 3 et 4, de la loi précitée du 16 mars 1954 ".
1° au § 1er, l'alinéa 1er est complété comme suit :
" dans un délai de trente jours civils suivant la date de la tenue de l'assemblée générale ou la date de l'approbation visée à l'article 4bis. ";
2° au § 1er, alinéa 3, les mots " un délai maximum de trente jours civils " et les mots " quarante-cinq jours civils " sont, respectivement, remplacés par les mots " un délai maximal de quarante-cinq jours civils " et par les mots " trente jours civils ";
3° au § 1er, alinéa 4, les mots " ministre des Affaires sociales " et les mots " en application de l'article 10 de la loi du 16 mars 1954 ", sont, respectivement, remplacés par les mots " ministre des Affaires sociales, ci-après dénommé " ministre, " et par les mots " en application de l'article 9, § 3, de la loi du 16 mars 1954 ";
4° au § 3, les mots " ministre des Affaires sociales " et les mots " dans un délai de trente jours civils à partir de la date du recours " sont, respectivement, remplacés par les mots " ministre " et par les mots " dans un délai de trente jours civils à dater de l'échéance des délais visés à l'article 10, §§ 3 et 4, de la loi précitée du 16 mars 1954 ".
Art. 137. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 26 juni 1992 en 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, tweede lid, wordt opgeheven;
2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Elkeen kan kennis nemen van de statuten en van de lijst van de bestuurders en hiervan een kopie krijgen, ofwel bij het ziekenfonds of de landsbond, ofwel bij de controledienst onder de voorwaarden die hij bepaalt. ".
1° § 1, tweede lid, wordt opgeheven;
2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Elkeen kan kennis nemen van de statuten en van de lijst van de bestuurders en hiervan een kopie krijgen, ofwel bij het ziekenfonds of de landsbond, ofwel bij de controledienst onder de voorwaarden die hij bepaalt. ".
Art. 137. A l'article 12 de la même loi, modifié par les lois des 26 juin 1992 et 22 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 2, est abrogé;
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Toute personne peut prendre connaissance des statuts et de la liste des administrateurs et en obtenir copie, soit au siège de la mutualité ou de l'union nationale, soit auprès de l'office de contrôle aux conditions que ce dernier détermine. ".
1° le § 1er, alinéa 2, est abrogé;
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Toute personne peut prendre connaissance des statuts et de la liste des administrateurs et en obtenir copie, soit au siège de la mutualité ou de l'union nationale, soit auprès de l'office de contrôle aux conditions que ce dernier détermine. ".
Art. 138. In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst van § 1, worden de woorden " par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées " vervangen door de woorden " par les membres et les personnes à leur charge majeurs ou émancipés ";
2° een § 2bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2bis. De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis is samengesteld uit afgevaardigden die, voor een maximale duur van zes jaar, worden verkozen door de algemene vergaderingen van de bij haar aangesloten ziekenfondsen, in verhouding tot het aantal aangesloten leden bij de maatschappij van onderlinge bijstand dat elk ziekenfonds telt.
De hernieuwing van de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis vindt plaats in de loop van het tweede semester van het jaar waarin de hernieuwing van de instanties van de ziekenfondsen, die erbij zijn aangesloten, plaatsvindt. ".
1° in de Franse tekst van § 1, worden de woorden " par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées " vervangen door de woorden " par les membres et les personnes à leur charge majeurs ou émancipés ";
2° een § 2bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
" § 2bis. De algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis is samengesteld uit afgevaardigden die, voor een maximale duur van zes jaar, worden verkozen door de algemene vergaderingen van de bij haar aangesloten ziekenfondsen, in verhouding tot het aantal aangesloten leden bij de maatschappij van onderlinge bijstand dat elk ziekenfonds telt.
De hernieuwing van de algemene vergadering van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld in artikel 43bis vindt plaats in de loop van het tweede semester van het jaar waarin de hernieuwing van de instanties van de ziekenfondsen, die erbij zijn aangesloten, plaatsvindt. ".
Art. 138. A l'article 14 de la même loi, modifie par la loi du 22 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, les mots " par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées " sont remplacés par les mots " par les membres et les personnes à leur charge majeurs ou émancipés ";
2° un § 2bis, est inséré, rédigé comme suit :
" § 2bis. L'assemblée générale d'une société mutualiste visée à l'article 43bis est composée de délégués élus, pour une période maximale de six ans, par les assemblées générales des mutualités qui y sont affiliées, au prorata du nombre de membres affiliés à la société mutualiste que compte chaque mutualité.
Le renouvellement de l'assemblée générale d'une société mutualiste visée à l'article 43bis a lieu dans le courant du second semestre de l'année dans laquelle a lieu le renouvellement des instances des mutualités qui y sont affiliées. ".
1° au § 1er, les mots " par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées " sont remplacés par les mots " par les membres et les personnes à leur charge majeurs ou émancipés ";
2° un § 2bis, est inséré, rédigé comme suit :
" § 2bis. L'assemblée générale d'une société mutualiste visée à l'article 43bis est composée de délégués élus, pour une période maximale de six ans, par les assemblées générales des mutualités qui y sont affiliées, au prorata du nombre de membres affiliés à la société mutualiste que compte chaque mutualité.
Le renouvellement de l'assemblée générale d'une société mutualiste visée à l'article 43bis a lieu dans le courant du second semestre de l'année dans laquelle a lieu le renouvellement des instances des mutualités qui y sont affiliées. ".
Art. 139. In artikel 15 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, wordt een 5bis° ingevoegd, luidend als volgt :
" 5bis° de inrichting en de groepering van diensten in een door artikel 43bis bedoelde maatschappij van onderlinge bijstand; ";
2° in § 2, wordt een 5bis° ingevoegd, luidend als volgt :
" 5bis° de goedkeuring van de groepering van diensten van aangesloten ziekenfondsen in een door artikel 43bis bedoelde maatschappij van onderlinge bijstand; ";
3° § 3 wordt door de volgende bepaling vervangen :
" § 3. De algemene vergadering mag aan de raad van bestuur de bevoegdheid delegeren te beslissen over de aanpassingen van de bijdragen.
Deze delegatie is geldig voor één jaar en is hernieuwbaar.
De aanpassingen van de bijdragen, door de raad van bestuur beslist in het kader van de in het eerste lid bedoelde delegatie, vallen onder de toepassing van artikel 11. ".
1° in § 1, wordt een 5bis° ingevoegd, luidend als volgt :
" 5bis° de inrichting en de groepering van diensten in een door artikel 43bis bedoelde maatschappij van onderlinge bijstand; ";
2° in § 2, wordt een 5bis° ingevoegd, luidend als volgt :
" 5bis° de goedkeuring van de groepering van diensten van aangesloten ziekenfondsen in een door artikel 43bis bedoelde maatschappij van onderlinge bijstand; ";
3° § 3 wordt door de volgende bepaling vervangen :
" § 3. De algemene vergadering mag aan de raad van bestuur de bevoegdheid delegeren te beslissen over de aanpassingen van de bijdragen.
Deze delegatie is geldig voor één jaar en is hernieuwbaar.
De aanpassingen van de bijdragen, door de raad van bestuur beslist in het kader van de in het eerste lid bedoelde delegatie, vallen onder de toepassing van artikel 11. ".
Art. 139. A l'article 15 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, il est inséré un 5bis°, redigé comme suit :
" 5bis° l'organisation et le groupement de services dans une sociéte mutualiste visée à l'article 43bis; ";
2° au § 2, est inséré un 5bis°, rédigé comme suit :
" 5bis° l'approbation du groupement de services de mutualités affiliées dans une société mutualiste visée à l'article 43bis; ";
3° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'assemblée générale peut déléguer au conseil d'administration la compétence de décider les adaptations de cotisations.
Cette délégation est valable un an et est renouvelable.
Les adaptations de cotisations décidées par le conseil d'administration dans le cadre de la délégation visée à l'alinéa 1er sont soumises à l'application de l'article 11. ".
1° au § 1er, il est inséré un 5bis°, redigé comme suit :
" 5bis° l'organisation et le groupement de services dans une sociéte mutualiste visée à l'article 43bis; ";
2° au § 2, est inséré un 5bis°, rédigé comme suit :
" 5bis° l'approbation du groupement de services de mutualités affiliées dans une société mutualiste visée à l'article 43bis; ";
3° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'assemblée générale peut déléguer au conseil d'administration la compétence de décider les adaptations de cotisations.
Cette délégation est valable un an et est renouvelable.
Les adaptations de cotisations décidées par le conseil d'administration dans le cadre de la délégation visée à l'alinéa 1er sont soumises à l'application de l'article 11. ".
Art. 140. Artikel 16, derde lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
" Deze termijn wordt tot acht kalenderdagen herleid wanneer de door de artikelen 10, tweede lid, en 18, § 1, eerste lid, vereiste meerderheid niet aanwezig is. ".
" Deze termijn wordt tot acht kalenderdagen herleid wanneer de door de artikelen 10, tweede lid, en 18, § 1, eerste lid, vereiste meerderheid niet aanwezig is. ".
Art. 140. L'article 16, alinéa 3, de la même loi est complété comme suit :
" Ce délai est ramené à huit jours civils lorsque la majorité requise aux articles 10, alinéa 2, et 18, § 1er ", alinéa 1er, n'est pas réunie. ".
" Ce délai est ramené à huit jours civils lorsque la majorité requise aux articles 10, alinéa 2, et 18, § 1er ", alinéa 1er, n'est pas réunie. ".
Art. 141. In artikel 17 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, 1°, 2° en 4°, worden de woorden " en activiteiten " geschrapt;
2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" 5° het verslag bedoeld in artikel 43, § 4. ";
3° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Na goedkeuring door de algemene vergadering zendt de raad van bestuur deze documenten, met de notulen, over aan de controledienst, binnen de door deze laatste bepaalde termijn. ".
1° in § 1, tweede lid, 1°, 2° en 4°, worden de woorden " en activiteiten " geschrapt;
2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" 5° het verslag bedoeld in artikel 43, § 4. ";
3° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. Na goedkeuring door de algemene vergadering zendt de raad van bestuur deze documenten, met de notulen, over aan de controledienst, binnen de door deze laatste bepaalde termijn. ".
Art. 141. A l'article 17 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 2, 1°, 2° et 4°, les mots " et activités " sont supprimés;
2° le § 1er, alinéa 2, est complété par la disposition suivante :
" 5° le rapport visé à l'article 43, § 4. ";
3° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Après approbation par l'assemblée générale, le conseil d'administration transmet ces documents, accompagnés du procès-verbal, à l'office de contrôle, dans un délai que ce dernier détermine. ".
1° au § 1er, alinéa 2, 1°, 2° et 4°, les mots " et activités " sont supprimés;
2° le § 1er, alinéa 2, est complété par la disposition suivante :
" 5° le rapport visé à l'article 43, § 4. ";
3° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Après approbation par l'assemblée générale, le conseil d'administration transmet ces documents, accompagnés du procès-verbal, à l'office de contrôle, dans un délai que ce dernier détermine. ".
Art. 142. In artikel 20, § 3, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " van de verplichte ziekteverzekering " vervangen door de woorden " van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ";
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De controledienst omschrijft de in het vorige lid bedoelde functie. ".
1° in het eerste lid worden de woorden " van de verplichte ziekteverzekering " vervangen door de woorden " van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ";
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De controledienst omschrijft de in het vorige lid bedoelde functie. ".
Art. 142. A l'article 20, § 3, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " de l'assurance maladie obligatoire,, sont remplacés par les mots " de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'office de contrôle définit la fonction visée à l'alinéa précèdent. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " de l'assurance maladie obligatoire,, sont remplacés par les mots " de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'office de contrôle définit la fonction visée à l'alinéa précèdent. ".
Art. 143. In artikel 25 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De bedienden die in het ziekenfonds een leidinggevende functie uitoefenen worden benoemd op eensluidend advies van de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten en zijn aan voormelde landsbond verantwoording verschuldigd. ".
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De controledienst omschrijft de in het vorige lid bedoelde functie. ".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De bedienden die in het ziekenfonds een leidinggevende functie uitoefenen worden benoemd op eensluidend advies van de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten en zijn aan voormelde landsbond verantwoording verschuldigd. ".
2° het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De controledienst omschrijft de in het vorige lid bedoelde functie. ".
Art. 143. A l'article 25 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les employés qui exercent une fonction dirigeante au sein de la mutualité sont nommés sur avis conforme de l'union nationale à laquelle la mutualité est affiliée et doivent rendre des comptes à l'union nationale précitée. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'office de contrôle définit la fonction visée à l'alinéa précédent. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" Les employés qui exercent une fonction dirigeante au sein de la mutualité sont nommés sur avis conforme de l'union nationale à laquelle la mutualité est affiliée et doivent rendre des comptes à l'union nationale précitée. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'office de contrôle définit la fonction visée à l'alinéa précédent. ".
Art. 144. Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 26. § 1. De goedkeuring door de controledienst, overeenkomstig artikel 11, van de statutaire bepalingen betreffende een nieuwe dienst bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, §§ 2 en 4, houdt de erkenning van die dienst in.
§ 2. Wanneer een door een landsbond of door een ziekenfonds ingerichte dienst niet meer aan de wettelijke en reglementaire bepalingen beantwoordt of wanneer alle waarborgen voor een goede uitvoering ervan niet meer aanwezig zijn, kan de controledienst beslissen de erkenning van voornoemde dienst in te trekken.
De beslissing van de controledienst, behoorlijk gemotiveerd, wordt binnen dertig kalenderdagen volgend op de beslissing overgezonden aan het betrokken ziekenfonds en de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten.
De intrekking van de erkenning brengt de ontbinding van de dienst mee, op de door de controledienst vastgelegde datum en ten vroegste op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de in het vorige lid bedoelde kennisgeving. Artikel 48, § 2, is alsdan van toepassing.
De intrekking van de erkenning en de ontbinding van de dienst worden op initiatief van de controledienst in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
" Art. 26. § 1. De goedkeuring door de controledienst, overeenkomstig artikel 11, van de statutaire bepalingen betreffende een nieuwe dienst bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, §§ 2 en 4, houdt de erkenning van die dienst in.
§ 2. Wanneer een door een landsbond of door een ziekenfonds ingerichte dienst niet meer aan de wettelijke en reglementaire bepalingen beantwoordt of wanneer alle waarborgen voor een goede uitvoering ervan niet meer aanwezig zijn, kan de controledienst beslissen de erkenning van voornoemde dienst in te trekken.
De beslissing van de controledienst, behoorlijk gemotiveerd, wordt binnen dertig kalenderdagen volgend op de beslissing overgezonden aan het betrokken ziekenfonds en de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten.
De intrekking van de erkenning brengt de ontbinding van de dienst mee, op de door de controledienst vastgelegde datum en ten vroegste op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de in het vorige lid bedoelde kennisgeving. Artikel 48, § 2, is alsdan van toepassing.
De intrekking van de erkenning en de ontbinding van de dienst worden op initiatief van de controledienst in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
Art. 144. L'article 26 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 26. § 1er. L'approbation, par l'office de contrôle, conformément à l'article 11, des dispositions statutaires relatives à un nouveau service visé aux articles 3, alinéa 1er, b)et c), et 7, §§ 2 et 4, entraîne l'agrément de ce service.
§ 2. Lorsqu'un service organisé par une union nationale ou par une mutualité ne satisfait plus aux dispositions légales et réglementaires ou que toutes les garanties relatives a sa bonne exécution ne sont plus réunies, l'office de contrôle peut décider de retirer l'agrément dudit service.
La décision de l'office de contrôle, dûment motivée, est notifiée à la mutualité concernée et à l'union nationale à laquelle la mutualité est affiliée, dans les trente jours civils qui suivent la décision.
Le retrait de l'agrément entraîne la dissolution du service, à la date fixée par l'Office de contrôle et au plus tôt le premier jour du septième mois qui suit la notification visée à l'alinéa précèdent. L'article 48, § 2 est applicable dans ce cas.
Le retrait de l'agrément et la dissolution du service sont publies au Moniteur belge, à l'initiative de l'office de contrôle. ".
" Art. 26. § 1er. L'approbation, par l'office de contrôle, conformément à l'article 11, des dispositions statutaires relatives à un nouveau service visé aux articles 3, alinéa 1er, b)et c), et 7, §§ 2 et 4, entraîne l'agrément de ce service.
§ 2. Lorsqu'un service organisé par une union nationale ou par une mutualité ne satisfait plus aux dispositions légales et réglementaires ou que toutes les garanties relatives a sa bonne exécution ne sont plus réunies, l'office de contrôle peut décider de retirer l'agrément dudit service.
La décision de l'office de contrôle, dûment motivée, est notifiée à la mutualité concernée et à l'union nationale à laquelle la mutualité est affiliée, dans les trente jours civils qui suivent la décision.
Le retrait de l'agrément entraîne la dissolution du service, à la date fixée par l'Office de contrôle et au plus tôt le premier jour du septième mois qui suit la notification visée à l'alinéa précèdent. L'article 48, § 2 est applicable dans ce cas.
Le retrait de l'agrément et la dissolution du service sont publies au Moniteur belge, à l'initiative de l'office de contrôle. ".
Art. 145. In artikel 28 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Op advies van de controledienst bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke deze diensten zijn, alsmede het niveau dat deze reservefondsen in verhouding tot de aangegane verbintenissen moeten bereiken.
Deze reservefondsen moeten door gelijkwaardige activa worden gedekt.
De controledienst bepaalt de berekeningswijze van deze reservefondsen en de in acht te nemen parameters. ";
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De controledienst bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden de ziekenfondsen de financiële waarborg moeten verkrijgen van de landsbond waarbij zij zijn aangesloten voor de uitvoering van de verbintenissen betreffende de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die hij bepaalt.
De controledienst bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden de in artikel 43bis bedoelde maatschappijen van onderlinge bijstand de financiële waarborg moeten verkrijgen van de ziekenfondsen die bij hen zijn aangesloten voor de uitvoering van de verbintenissen betreffende de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die hij bepaalt. ";
3° een § 4 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
" § 4. Onder de door de controledienst bepaalde voorwaarden kunnen de ziekenfondsen en de landsbonden een beroep op de herverzekering doen voor de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die de Koning bepaalt.
De herverzekeringsovereenkomst en haar wijzigingen worden aan de controledienst overgezonden binnen een termijn die hij bepaalt. ".
1° § 1, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Op advies van de controledienst bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke deze diensten zijn, alsmede het niveau dat deze reservefondsen in verhouding tot de aangegane verbintenissen moeten bereiken.
Deze reservefondsen moeten door gelijkwaardige activa worden gedekt.
De controledienst bepaalt de berekeningswijze van deze reservefondsen en de in acht te nemen parameters. ";
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De controledienst bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden de ziekenfondsen de financiële waarborg moeten verkrijgen van de landsbond waarbij zij zijn aangesloten voor de uitvoering van de verbintenissen betreffende de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die hij bepaalt.
De controledienst bepaalt in welke mate en onder welke voorwaarden de in artikel 43bis bedoelde maatschappijen van onderlinge bijstand de financiële waarborg moeten verkrijgen van de ziekenfondsen die bij hen zijn aangesloten voor de uitvoering van de verbintenissen betreffende de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die hij bepaalt. ";
3° een § 4 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
" § 4. Onder de door de controledienst bepaalde voorwaarden kunnen de ziekenfondsen en de landsbonden een beroep op de herverzekering doen voor de in artikel 3, eerste lid, b), bedoelde diensten, die de Koning bepaalt.
De herverzekeringsovereenkomst en haar wijzigingen worden aan de controledienst overgezonden binnen een termijn die hij bepaalt. ".
Art. 145. A l'article 28 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Sur avis de l'office de contrôle, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, détermine les services visés, ainsi que le niveau que ces fonds de réserves doivent atteindre par rapport aux engagements.
Ces fonds de réserves doivent être couverts par des actifs équivalents.
L'office de contrôle détermine le mode de calcul de ces fonds de réserves, ainsi que les paramètres à prendre en compte. ";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'office de contrôle détermine dans quelle mesure et dans quelles conditions, les mutualités doivent obtenir la garantie financière de l'union nationale à laquelle elles sont affiliées pour l'exécution des obligations relatives aux services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), qu'il détermine.
L'office de contrôle détermine dans quelle mesure et dans quelles conditions, les sociétés mutualistes visses à l'article 43bis doivent obtenir la garantie financière des mutualités qui y sont affiliées pour l'exécution des obligations relatives aux services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), qu'il détermine. ";
3° un § 4 est ajouté, rédigé comme suit :
" § 4. Dans les conditions fixées par l'office de contrôle, les mutualités et les unions nationales peuvent faire appel à la réassurance pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), que le Roi détermine.
Le contrat de réassurance et ses modifications sont transmis à l'office de contrôle, dans un délai que ce dernier détermine. ".
1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Sur avis de l'office de contrôle, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, détermine les services visés, ainsi que le niveau que ces fonds de réserves doivent atteindre par rapport aux engagements.
Ces fonds de réserves doivent être couverts par des actifs équivalents.
L'office de contrôle détermine le mode de calcul de ces fonds de réserves, ainsi que les paramètres à prendre en compte. ";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'office de contrôle détermine dans quelle mesure et dans quelles conditions, les mutualités doivent obtenir la garantie financière de l'union nationale à laquelle elles sont affiliées pour l'exécution des obligations relatives aux services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), qu'il détermine.
L'office de contrôle détermine dans quelle mesure et dans quelles conditions, les sociétés mutualistes visses à l'article 43bis doivent obtenir la garantie financière des mutualités qui y sont affiliées pour l'exécution des obligations relatives aux services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), qu'il détermine. ";
3° un § 4 est ajouté, rédigé comme suit :
" § 4. Dans les conditions fixées par l'office de contrôle, les mutualités et les unions nationales peuvent faire appel à la réassurance pour les services visés à l'article 3, alinéa 1er, b), que le Roi détermine.
Le contrat de réassurance et ses modifications sont transmis à l'office de contrôle, dans un délai que ce dernier détermine. ".
Art. 146. Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 30. Ieder ziekenfonds en iedere landsbond maakt na afsluiting van het boekjaar, een jaarrekening op volgens het door de controledienst vastgesteld model en zendt deze over aan deze laatste.
De controledienst bepaalt de termijn waarbinnen en de vorm waaronder de financiële en boekhoudkundige staten, alsook de administratieve gegevens en de statistische documenten die hij bepaalt aan hem moeten worden overgezonden. ".
" Art. 30. Ieder ziekenfonds en iedere landsbond maakt na afsluiting van het boekjaar, een jaarrekening op volgens het door de controledienst vastgesteld model en zendt deze over aan deze laatste.
De controledienst bepaalt de termijn waarbinnen en de vorm waaronder de financiële en boekhoudkundige staten, alsook de administratieve gegevens en de statistische documenten die hij bepaalt aan hem moeten worden overgezonden. ".
Art. 146. L'article 30 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 30. Chaque mutualité et chaque union nationale établit, à la clôture de l'exercice comptable, les comptes annuels selon le modèle fixé par l'office de contrôle et les transmet à ce dernier.
L'office de contrôle détermine les délais dans lesquels et la forme sous laquelle les états comptables et financiers, ainsi que les données administratives et les documents statistiques qu'il fixe, doivent lui être communiqués. ".
" Art. 30. Chaque mutualité et chaque union nationale établit, à la clôture de l'exercice comptable, les comptes annuels selon le modèle fixé par l'office de contrôle et les transmet à ce dernier.
L'office de contrôle détermine les délais dans lesquels et la forme sous laquelle les états comptables et financiers, ainsi que les données administratives et les documents statistiques qu'il fixe, doivent lui être communiqués. ".
Art. 147. Artikel 37bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven.
Art. 147. L'article 37bis de la même loi, inséré par la loi du 25 janvier 1999, est abrogé.
Art. 148. Een artikel 38bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 38bis. Bij verzorging in het buitenland passen de ziekenfondsen en de landsbonden, bij de betaling van financiële tegemoetkomingen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, de wisselkoersen toe, bepaald in uitvoering van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994. ".
" Art. 38bis. Bij verzorging in het buitenland passen de ziekenfondsen en de landsbonden, bij de betaling van financiële tegemoetkomingen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, de wisselkoersen toe, bepaald in uitvoering van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994. ".
Art. 148. Un article 38bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 38bis. - Dans le cadre de soins à l'étranger, les mutualités et les unions nationales appliquent pour le paiement des interventions financières dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, les taux de change fixés en application de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 précitée. ".
" Art. 38bis. - Dans le cadre de soins à l'étranger, les mutualités et les unions nationales appliquent pour le paiement des interventions financières dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, les taux de change fixés en application de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 précitée. ".
Art. 149. In artikel 39, § 1, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden " en activiteiten " geschrapt;
2° in het tweede lid, worden de woorden " de akkoorden en overeenkomsten bedoeld in titel III, hoofdstuk 4, van voornoemde wet van 9 augustus1963 " vervangen door de woorden " de overeenkomsten en akkoorden bedoeld in titel III, hoofdstuk V van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ".
1° in het eerste lid, worden de woorden " en activiteiten " geschrapt;
2° in het tweede lid, worden de woorden " de akkoorden en overeenkomsten bedoeld in titel III, hoofdstuk 4, van voornoemde wet van 9 augustus1963 " vervangen door de woorden " de overeenkomsten en akkoorden bedoeld in titel III, hoofdstuk V van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ".
Art. 149. A l'article 39, § 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " ou activités,, sont supprimés;
2° à l'alinéa 2, les mots " des accords et conventions visés au titre III, chapitre 4, de la loi du 9 août 1963 précitée " sont remplacés par les mots " des conventions et accords visés au titre III, chapitre V, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " ou activités,, sont supprimés;
2° à l'alinéa 2, les mots " des accords et conventions visés au titre III, chapitre 4, de la loi du 9 août 1963 précitée " sont remplacés par les mots " des conventions et accords visés au titre III, chapitre V, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ".
Art. 150. In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, worden de woorden " volgens het door de controledienst opgestelde model " tussen de woorden " een schriftelijk samenwerkingsakkoord " en het woord " gesloten " ingevoegd en worden de woorden " met name " tussen de woorden " melding maakt van " en de woorden " het doel " ingevoegd;
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de controledienst, welke diensten, bedoeld in artikelen 3, eerste lid, b) en c) en 7, §§ 2 en 4, geen voorwerp mogen uitmaken van een samenwerkingsakkoord. ";
3° § 3 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 3. Het samenwerkingsakkoord en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd of opgezegd door de algemene vergadering van het ziekenfonds of van de landsbond en aan de controledienst overgezonden.
§ 4. De raad van bestuur van het ziekenfonds of van de landsbond brengt jaarlijks aan de algemene vergadering verslag uit over de uitvoering van de gesloten akkoorden alsook over de wijze van aanwending van de middelen die door het ziekenfonds of de landsbond in voorkomend geval werden ingebracht.
De Koning bepaalt, op voorstel van de controledienst en na advies van het Technisch Comité bedoeld in artikel 54, de minimale gegevens die het bovenvermelde jaarverslag moet bevatten.
Dit verslag en de notulen van de desbetreffende algemene vergadering worden aan de controledienst overgezonden, overeenkomstig artikel 17, § 2. ".
1° in § 2, worden de woorden " volgens het door de controledienst opgestelde model " tussen de woorden " een schriftelijk samenwerkingsakkoord " en het woord " gesloten " ingevoegd en worden de woorden " met name " tussen de woorden " melding maakt van " en de woorden " het doel " ingevoegd;
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de controledienst, welke diensten, bedoeld in artikelen 3, eerste lid, b) en c) en 7, §§ 2 en 4, geen voorwerp mogen uitmaken van een samenwerkingsakkoord. ";
3° § 3 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 3. Het samenwerkingsakkoord en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd of opgezegd door de algemene vergadering van het ziekenfonds of van de landsbond en aan de controledienst overgezonden.
§ 4. De raad van bestuur van het ziekenfonds of van de landsbond brengt jaarlijks aan de algemene vergadering verslag uit over de uitvoering van de gesloten akkoorden alsook over de wijze van aanwending van de middelen die door het ziekenfonds of de landsbond in voorkomend geval werden ingebracht.
De Koning bepaalt, op voorstel van de controledienst en na advies van het Technisch Comité bedoeld in artikel 54, de minimale gegevens die het bovenvermelde jaarverslag moet bevatten.
Dit verslag en de notulen van de desbetreffende algemene vergadering worden aan de controledienst overgezonden, overeenkomstig artikel 17, § 2. ".
Art. 150. A l'article 43 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, les mots " selon le modèle établi par l'office de contrôle " sont insérés entre les mots " . un accord de collaboration écrit est conclu " et les mots " mentionnant l'objectif " et le mot " notamment ", est inséré entre le mot " mentionnant " et les mots " l'objectif ";
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition de l'office de contrôle, les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c) et 7, §§ 2 et 4, qui ne peuvent faire l'objet d'un accord de collaboration. ";
3° le § 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. L'accord de collaboration et ses modifications sont approuvés ou résiliés par l'assemblée générale de la mutualité ou de l'union nationale et transmis à l'office de contrôle.
§ 4. Le conseil d'administration de la mutualité ou de l'union nationale fait, annuellement, rapport à l'assemblée générale sur l'exécution des accords conclus, ainsi que sur la manière dont ont été utilisés les moyens qui ont été apportés à cet effet par la mutualité ou l'union nationale.
Le Roi détermine, sur la proposition de l'office de contrôle et après avis du Comité technique visé à l'article 54, les données minimales que le rapport annuel précité doit contenir.
Ce rapport et le procès-verbal de l'assemblée générale concernée sont transmis à l'office de contrôle conformément à l'article 17, § 2. ".
1° au § 2, les mots " selon le modèle établi par l'office de contrôle " sont insérés entre les mots " . un accord de collaboration écrit est conclu " et les mots " mentionnant l'objectif " et le mot " notamment ", est inséré entre le mot " mentionnant " et les mots " l'objectif ";
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition de l'office de contrôle, les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c) et 7, §§ 2 et 4, qui ne peuvent faire l'objet d'un accord de collaboration. ";
3° le § 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. L'accord de collaboration et ses modifications sont approuvés ou résiliés par l'assemblée générale de la mutualité ou de l'union nationale et transmis à l'office de contrôle.
§ 4. Le conseil d'administration de la mutualité ou de l'union nationale fait, annuellement, rapport à l'assemblée générale sur l'exécution des accords conclus, ainsi que sur la manière dont ont été utilisés les moyens qui ont été apportés à cet effet par la mutualité ou l'union nationale.
Le Roi détermine, sur la proposition de l'office de contrôle et après avis du Comité technique visé à l'article 54, les données minimales que le rapport annuel précité doit contenir.
Ce rapport et le procès-verbal de l'assemblée générale concernée sont transmis à l'office de contrôle conformément à l'article 17, § 2. ".
Art. 151. In artikel 43bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste lid, worden de woorden " §§ 2 en 3 " geschrapt;
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 3. De groepering van diensten van ziekenfondsen moet worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de landsbond waartoe zij behoren.
§ 4. Onder voorbehoud van de goedkeuring van de statuten door de controledienst, treedt de oprichting van een Maatschappij van Onderlinge Bijstand, krachtens dit artikel, in werking op de eerste dag van de vijfde maand die volgt op het overzenden van de statuten aan de controledienst.
De statuten kunnen evenwel een datum van inwerkingtreding vastleggen die na de in het eerste lid bedoelde datum valt, voorzover deze met de eerste dag van een maand overeenstemt en niet later valt dan de tiende maand die volgt op het overzenden van voornoemde statuten aan de controledienst. ".
1° in § 2, eerste lid, worden de woorden " §§ 2 en 3 " geschrapt;
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" § 3. De groepering van diensten van ziekenfondsen moet worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de landsbond waartoe zij behoren.
§ 4. Onder voorbehoud van de goedkeuring van de statuten door de controledienst, treedt de oprichting van een Maatschappij van Onderlinge Bijstand, krachtens dit artikel, in werking op de eerste dag van de vijfde maand die volgt op het overzenden van de statuten aan de controledienst.
De statuten kunnen evenwel een datum van inwerkingtreding vastleggen die na de in het eerste lid bedoelde datum valt, voorzover deze met de eerste dag van een maand overeenstemt en niet later valt dan de tiende maand die volgt op het overzenden van voornoemde statuten aan de controledienst. ".
Art. 151. A l'article 43bis de la même loi, inséré par la loi du 22 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, alinéa 1er, les mots " §§ 2 et 3 " sont supprimés;
2° le § 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. Le groupement de services de mutualités doit être approuvé par l'assemblée générale de l'union nationale dont elles font partie.
§ 4. Sous réserve de l'approbation des statuts par l'office de contrôle, la création d'une société mutualiste en vertu du présent article entre en vigueur le premier jour du cinquième mois qui suit la transmission des statuts à l'office de contrôle.
Toutefois, les statuts peuvent fixer une date d'entrée en vigueur postérieure à celle visée à l'alinéa 1er, pour autant qu'elle corresponde au premier jour d'un mois et qu'elle ne soit pas postérieure au dixième mois qui suit la transmission desdits statuts à l'office de contrôle. ".
1° au § 2, alinéa 1er, les mots " §§ 2 et 3 " sont supprimés;
2° le § 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
" § 3. Le groupement de services de mutualités doit être approuvé par l'assemblée générale de l'union nationale dont elles font partie.
§ 4. Sous réserve de l'approbation des statuts par l'office de contrôle, la création d'une société mutualiste en vertu du présent article entre en vigueur le premier jour du cinquième mois qui suit la transmission des statuts à l'office de contrôle.
Toutefois, les statuts peuvent fixer une date d'entrée en vigueur postérieure à celle visée à l'alinéa 1er, pour autant qu'elle corresponde au premier jour d'un mois et qu'elle ne soit pas postérieure au dixième mois qui suit la transmission desdits statuts à l'office de contrôle. ".
Art. 152. Een artikel 43quater, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" § 1. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder :
1° reclame : elke vorm van mededeling met als directe of indirecte doelstelling de promotie ofwel van de aansluiting bij een ziekenfonds of van het ziekenfonds zelf ofwel van een dienst in de zin van artikel 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 4, ingericht door een ziekenfonds, een landsbond of een rechtspersoon met dewelke het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft afgesloten;
2° vergelijkende reclame : elke reclame die op directe of indirecte, expliciete of impliciete wijze via vergelijking één of meerdere ziekenfonds(en) of landsbond(en) identificeert of een dienst bedoeld sub 1 °;
3° bedrieglijke reclame : elke reclame die op enigerlei wijze, met inbegrip van haar presentatie, tot vergissing leidt of kan leiden en die ingevolge dit bedrieglijk karakter het gedrag van de leden kan beïnvloeden of die om deze redenen nadeel berokkent of kan berokkenen aan één of meerdere ander(e) ziekenfonds(en) of landsbond(en).
§ 2. Elke vergelijkende of bedrieglijke reclame in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond is verboden.
§ 3. Is eveneens verboden, in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond, het voeren van reclame :
1° betreffende de inhoud van statutaire bepalingen die nog niet goedgekeurd zijn door de controledienst;
2° onder een andere benaming dan diegene die opgenomen is in de statuten.
§ 4. Voor de toepassing van deze wet wordt eveneens als een reclame in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond beschouwd, een reclame, bedoeld in de §§ 2 en 3, gevoerd door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft afgesloten, een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis of elke andere derde. ".
" § 1. Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder :
1° reclame : elke vorm van mededeling met als directe of indirecte doelstelling de promotie ofwel van de aansluiting bij een ziekenfonds of van het ziekenfonds zelf ofwel van een dienst in de zin van artikel 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 4, ingericht door een ziekenfonds, een landsbond of een rechtspersoon met dewelke het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft afgesloten;
2° vergelijkende reclame : elke reclame die op directe of indirecte, expliciete of impliciete wijze via vergelijking één of meerdere ziekenfonds(en) of landsbond(en) identificeert of een dienst bedoeld sub 1 °;
3° bedrieglijke reclame : elke reclame die op enigerlei wijze, met inbegrip van haar presentatie, tot vergissing leidt of kan leiden en die ingevolge dit bedrieglijk karakter het gedrag van de leden kan beïnvloeden of die om deze redenen nadeel berokkent of kan berokkenen aan één of meerdere ander(e) ziekenfonds(en) of landsbond(en).
§ 2. Elke vergelijkende of bedrieglijke reclame in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond is verboden.
§ 3. Is eveneens verboden, in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond, het voeren van reclame :
1° betreffende de inhoud van statutaire bepalingen die nog niet goedgekeurd zijn door de controledienst;
2° onder een andere benaming dan diegene die opgenomen is in de statuten.
§ 4. Voor de toepassing van deze wet wordt eveneens als een reclame in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond beschouwd, een reclame, bedoeld in de §§ 2 en 3, gevoerd door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft afgesloten, een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis of elke andere derde. ".
Art. 152. Un article 43quater, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" § 1er. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° publicité : toute forme de communication dans le but direct ou indirect de promouvoir, soit l'affiliation à une mutualité ou la mutualité elle-même, soit un service, au sens des articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 4, organisé par une mutualité, une union nationale ou une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration;
2° publicité comparative : toute publicité qui de manière directe ou indirecte, explicite ou implicite, identifie, par comparaison, une ou plusieurs autre(s) mutualité(s) ou union(s) nationale(s) ou un service visé au 1°;
3° publicité trompeuse : toute publicité qui, d'une manière quelconque, y compris sa présentation, induit en erreur ou est susceptible d'induire en erreur et qui, en raison de ce caractère trompeur, est susceptible d'affecter le comportement des membres ou qui, pour ces raisons, porte préjudice ou est susceptible de porter préjudice à une ou plusieurs autre(s) mutualité(s) ou union(s) nationale(s).
§ 2. Toute publicité comparative ou trompeuse dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale est interdite.
§ 3. Il est également interdit, dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale, d'effectuer de la publicité :
1° relative au contenu de dispositions statutaires qui n'ont pas encore été approuvées par l'office de contrôle;
2° sous une autre dénomination que celle reprise dans les statuts.
§ 4. Pour l'application de la présente loi, est également considérée comme une publicité dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale, une publicité, visée aux §§ 2 et 3, effectuée par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration, par une société mutualiste visée à l'article 43bis ou par tout autre tiers. ".
" § 1er. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° publicité : toute forme de communication dans le but direct ou indirect de promouvoir, soit l'affiliation à une mutualité ou la mutualité elle-même, soit un service, au sens des articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 4, organisé par une mutualité, une union nationale ou une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration;
2° publicité comparative : toute publicité qui de manière directe ou indirecte, explicite ou implicite, identifie, par comparaison, une ou plusieurs autre(s) mutualité(s) ou union(s) nationale(s) ou un service visé au 1°;
3° publicité trompeuse : toute publicité qui, d'une manière quelconque, y compris sa présentation, induit en erreur ou est susceptible d'induire en erreur et qui, en raison de ce caractère trompeur, est susceptible d'affecter le comportement des membres ou qui, pour ces raisons, porte préjudice ou est susceptible de porter préjudice à une ou plusieurs autre(s) mutualité(s) ou union(s) nationale(s).
§ 2. Toute publicité comparative ou trompeuse dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale est interdite.
§ 3. Il est également interdit, dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale, d'effectuer de la publicité :
1° relative au contenu de dispositions statutaires qui n'ont pas encore été approuvées par l'office de contrôle;
2° sous une autre dénomination que celle reprise dans les statuts.
§ 4. Pour l'application de la présente loi, est également considérée comme une publicité dans le chef d'une mutualité ou d'une union nationale, une publicité, visée aux §§ 2 et 3, effectuée par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration, par une société mutualiste visée à l'article 43bis ou par tout autre tiers. ".
Art. 153. Een artikel 43quinquies, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Het is de ziekenfondsen en de landsbonden verboden voordelen toe te kennen die van aard zijn aan te zetten tot individuele mutaties, zoals bedoeld door de artikelen 255 tot 274 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, alsmede voordelen toe te kennen die van aard zijn de personen, ingeschreven als personen ten laste in een ziekenfonds, ertoe aan te zetten leden te worden van hetzelfde ziekenfonds.
Worden voor de toepassing van deze wet eveneens beschouwd als voordelen, bedoeld in het eerste lid, de voordelen van dezelfde aard die worden toegekend door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft gesloten of door een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis.
De Raad van de controledienst bepaalt de voorwaarden waaronder de toekenning van de voordelen van de diensten bedoeld door de artikelen 3, eerste lid, b), en c), en 7, § 4, als de toekenning van voordelen bedoeld door het eerste lid wordt beschouwd. ".
" Het is de ziekenfondsen en de landsbonden verboden voordelen toe te kennen die van aard zijn aan te zetten tot individuele mutaties, zoals bedoeld door de artikelen 255 tot 274 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, alsmede voordelen toe te kennen die van aard zijn de personen, ingeschreven als personen ten laste in een ziekenfonds, ertoe aan te zetten leden te worden van hetzelfde ziekenfonds.
Worden voor de toepassing van deze wet eveneens beschouwd als voordelen, bedoeld in het eerste lid, de voordelen van dezelfde aard die worden toegekend door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft gesloten of door een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis.
De Raad van de controledienst bepaalt de voorwaarden waaronder de toekenning van de voordelen van de diensten bedoeld door de artikelen 3, eerste lid, b), en c), en 7, § 4, als de toekenning van voordelen bedoeld door het eerste lid wordt beschouwd. ".
Art. 153. Un article 43quinqies, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Il est interdit aux mutualités et aux unions nationales de mutualités d'accorder des avantages de nature à inciter à des mutations individuelles, telles que visées aux articles 255 à 274 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative a l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, ainsi que d'accorder des avantages de nature à inciter des personnes, inscrites en qualité de personnes à charge dans une mutualité, à devenir membres de la même mutualité.
Pour l'application de la présente loi, sont également considérés comme des avantages visés à l'alinéa 1er, les avantages de même nature qui sont accordés par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration ou par une société mutualiste visée à l'article 43bis.
Le Conseil de l'office de contrôle fixe les conditions dans lesquelles l'octroi des avantages des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b), et c), et 7, § 4, qu'il détermine est considéré comme l'octroi d'avantages visés à l'alinéa 1. ".
" Il est interdit aux mutualités et aux unions nationales de mutualités d'accorder des avantages de nature à inciter à des mutations individuelles, telles que visées aux articles 255 à 274 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative a l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, ainsi que d'accorder des avantages de nature à inciter des personnes, inscrites en qualité de personnes à charge dans une mutualité, à devenir membres de la même mutualité.
Pour l'application de la présente loi, sont également considérés comme des avantages visés à l'alinéa 1er, les avantages de même nature qui sont accordés par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration ou par une société mutualiste visée à l'article 43bis.
Le Conseil de l'office de contrôle fixe les conditions dans lesquelles l'octroi des avantages des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b), et c), et 7, § 4, qu'il détermine est considéré comme l'octroi d'avantages visés à l'alinéa 1. ".
Art. 154. In artikel 44, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, worden de woorden " §§ 2 en 3 " geschrapt;
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De goedkeuring van de fusie wordt op initiatief van de controledienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing van goedkeuring. ".
1° in § 1, worden de woorden " §§ 2 en 3 " geschrapt;
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" De goedkeuring van de fusie wordt op initiatief van de controledienst bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de beslissing van goedkeuring. ".
Art. 154. A l'article 44, de la même loi, modifié par la loi du 22 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, les mots " §§ 2 et 3 " sont supprimés;
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" L'approbation de la fusion est publiée, à l'initiative de l'office de contrôle, par extrait au Moniteur belge dans les trente jours civils de la décision d'approbation. ".
1° au § 1er, les mots " §§ 2 et 3 " sont supprimés;
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" L'approbation de la fusion est publiée, à l'initiative de l'office de contrôle, par extrait au Moniteur belge dans les trente jours civils de la décision d'approbation. ".
Art. 155. In artikel 45, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden " 12, §§ 2 en 3 " vervangen door de woorden " 12, § 1 ".
Art. 155. A l'article 45, alinéa 2, de la même loi, les mots " 12, §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " 12, § 1er ".
Art. 156. In dezelfde wet wordt een hoofdstuk Vbis ingevoegd, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vbis. - De verjaring.
Art. 48bis. § 1. De vordering tot betaling van financiële tussenkomsten en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b), en c), en 7, § 2, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin het recht op betaling is ontstaan.
De vordering tot betaling van sommen welke de betaling van financiële tegemoetkomingen en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, die verleend is, tot een hoger bedrag zouden opvoeren, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die betaling is gedaan.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de waarde van de ten onrechte verleende financiële tegemoetkomingen en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de uitbetaling is geschied.
Deze verjaring geldt niet ingeval het ten onrechte verlenen van financiële tegemoetkomingen en uitkeringen het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekten, verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar welke ingaat na het einde van de maand waarin de uitbetaling is geschied.
§ 3. De vordering tot betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart vijf jaar na het einde van de maand waarop de niet betaalde bijdragen betrekking hebben.
§ 4. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdragen voor de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart vijf jaar vanaf de dag van de betaling van de onverschuldigde bijdragen.
§ 5. Een ter post aangetekend schrijven volstaat om de verjaringen te stuiten. De stuiting kan worden hernieuwd.
§ 6. De verjaring wordt geschorst door overmacht. ".
" Hoofdstuk Vbis. - De verjaring.
Art. 48bis. § 1. De vordering tot betaling van financiële tussenkomsten en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b), en c), en 7, § 2, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin het recht op betaling is ontstaan.
De vordering tot betaling van sommen welke de betaling van financiële tegemoetkomingen en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, die verleend is, tot een hoger bedrag zouden opvoeren, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die betaling is gedaan.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de waarde van de ten onrechte verleende financiële tegemoetkomingen en uitkeringen in het kader van de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de uitbetaling is geschied.
Deze verjaring geldt niet ingeval het ten onrechte verlenen van financiële tegemoetkomingen en uitkeringen het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekten, verantwoordelijk is. In dat geval bedraagt de verjaringstermijn vijf jaar welke ingaat na het einde van de maand waarin de uitbetaling is geschied.
§ 3. De vordering tot betaling van de bijdragen voor de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart vijf jaar na het einde van de maand waarop de niet betaalde bijdragen betrekking hebben.
§ 4. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdragen voor de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7, § 2, verjaart vijf jaar vanaf de dag van de betaling van de onverschuldigde bijdragen.
§ 5. Een ter post aangetekend schrijven volstaat om de verjaringen te stuiten. De stuiting kan worden hernieuwd.
§ 6. De verjaring wordt geschorst door overmacht. ".
Art. 156. Un chapitre Vbis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Chapitre Vbis. - De la prescription.
Art. 48bis. § 1er. L'action en paiement des interventions financières et indemnités dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b), et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel le droit au paiement est né.
L'action en paiement de sommes qui porteraient a un montant supérieur le paiement d'interventions financières et indemnités qui a été accordé dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel ce paiement a été effectué.
§ 2. L'action en récupération de la valeur des interventions financières et indemnités indûment octroyées dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
Cette prescription n'est pas applicable lorsque l'octroi indu d'interventions financières et indemnités a été provoqué par des manoeuvres frauduleuses dont est responsable celui qui en a profité. Dans ce cas, le délai de prescription est de cinq ans à compter de la fin du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
§ 3. L'action en paiement des cotisations pour les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par cinq ans à compter de la fin du mois auquel se rapportent les cotisations impayées.
§ 4. L'action en remboursement des cotisations payées indûment pour les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par cinq ans à compter du jour où le paiement des cotisations indues a été effectué.
§ 5. Une lettre recommandée a la poste suffit pour interrompre la prescription. L'interruption peut être renouvelée.
§ 6. La prescription est suspendue pour cause de force majeure. ".
" Chapitre Vbis. - De la prescription.
Art. 48bis. § 1er. L'action en paiement des interventions financières et indemnités dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b), et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel le droit au paiement est né.
L'action en paiement de sommes qui porteraient a un montant supérieur le paiement d'interventions financières et indemnités qui a été accordé dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel ce paiement a été effectué.
§ 2. L'action en récupération de la valeur des interventions financières et indemnités indûment octroyées dans le cadre des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par deux ans à compter de la fin du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
Cette prescription n'est pas applicable lorsque l'octroi indu d'interventions financières et indemnités a été provoqué par des manoeuvres frauduleuses dont est responsable celui qui en a profité. Dans ce cas, le délai de prescription est de cinq ans à compter de la fin du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
§ 3. L'action en paiement des cotisations pour les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par cinq ans à compter de la fin du mois auquel se rapportent les cotisations impayées.
§ 4. L'action en remboursement des cotisations payées indûment pour les services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) et c), et 7, § 2, se prescrit par cinq ans à compter du jour où le paiement des cotisations indues a été effectué.
§ 5. Une lettre recommandée a la poste suffit pour interrompre la prescription. L'interruption peut être renouvelée.
§ 6. La prescription est suspendue pour cause de force majeure. ".
Art. 157. Artikel 49, § 1, 2e lid, van voornoemde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De controledienst, met zetel gevestigd te Brussel, is een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid, in de zin van artikel 1, c, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut. De Koning kan evenwel, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een specifiek geldelijk statuut vaststellen voor de personeelsleden van deze instelling. ".
" De controledienst, met zetel gevestigd te Brussel, is een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid, in de zin van artikel 1, c, van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut. De Koning kan evenwel, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een specifiek geldelijk statuut vaststellen voor de personeelsleden van deze instelling. ".
Art. 157. L'article 49, § 1er, alinéa 2, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" L'office de contrôle, dont le siège est situé à Bruxelles, est un organisme d'intérêt public qui jouit de la personnalité juridique, au sens de l'article 1er, c, de la loi du 16 mars 1954, relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public. Le Roi peut toutefois, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer un statut pécuniaire spécifique pour les membres du personnel de cet organisme. ".
" L'office de contrôle, dont le siège est situé à Bruxelles, est un organisme d'intérêt public qui jouit de la personnalité juridique, au sens de l'article 1er, c, de la loi du 16 mars 1954, relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public. Le Roi peut toutefois, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer un statut pécuniaire spécifique pour les membres du personnel de cet organisme. ".
Art. 158. In artikel 50 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De werkingskosten die het aldus bepaald maximale bedrag overschrijden, zijn ten laste van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. ";
2° § 3 wordt opgeheven.
1° § 2, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De werkingskosten die het aldus bepaald maximale bedrag overschrijden, zijn ten laste van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. ";
2° § 3 wordt opgeheven.
Art. 158. A l'article 50 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
" Les frais de fonctionnement qui excèdent le montant maximal ainsi fixé sont à la charge du ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement. ";
2° le § 3 est abrogé.
1° le § 2, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
" Les frais de fonctionnement qui excèdent le montant maximal ainsi fixé sont à la charge du ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement. ";
2° le § 3 est abrogé.
Art. 159. In artikel 52 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 3°, worden de woorden " krachtens de wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " krachtens voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in 7°, worden de woorden " van voornoemde wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " van voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
3° in 8°, worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering "vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen".
1° in 3°, worden de woorden " krachtens de wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " krachtens voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
2° in 7°, worden de woorden " van voornoemde wet van 9 augustus 1963 " vervangen door de woorden " van voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994 ";
3° in 8°, worden de woorden " de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering "vervangen door de woorden " de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen".
Art. 159. A l'article 52 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au 3°, les mots " en vertu de la loi du 9août 1963 " sont remplacés par les mots " en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° au 7°, les mots " de la loi précitée du 9 août 1963 " sont remplacés par les mots " de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
3° au 8°, les mots " l'assurance maladie-invalidité obligatoire " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ".
1° au 3°, les mots " en vertu de la loi du 9août 1963 " sont remplacés par les mots " en vertu de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
2° au 7°, les mots " de la loi précitée du 9 août 1963 " sont remplacés par les mots " de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée ";
3° au 8°, les mots " l'assurance maladie-invalidité obligatoire " sont remplacés par les mots " l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités ".
Art. 160. In artikel 53, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden " artikel 60, § 3 " vervangen door de woorden " artikel 60quinquies, § 2 ".
Art. 160. A l'article 53, alinéa 2, de la même loi, les mots " l'article 60, § 3 " sont remplacés par les mots " l'article 60quinquies, § 2 ".
Art. 161. In artikel 55 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een 3°bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd :
" 3°bis een vertegenwoordiger van de Kas der geneeskundige verzorging van de nationale maatschappij der Belgische spoorwegen; ";
2° in 5°, worden de woorden " van het ministerie van Sociale Voorzorg " vervangen door de woorden " van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu ".
1° een 3°bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd :
" 3°bis een vertegenwoordiger van de Kas der geneeskundige verzorging van de nationale maatschappij der Belgische spoorwegen; ";
2° in 5°, worden de woorden " van het ministerie van Sociale Voorzorg " vervangen door de woorden " van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu ".
Art. 161. A l'article 55 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° un 3°bis, rédigé comme suit, est inséré :
" 3°bis un représentant de la Caisse des soins de santé de la société nationale des chemins de fer belges; ";
2° au 5°, les mots " du ministère de la Prévoyance sociale " sont remplacés par les mots " du ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ".
1° un 3°bis, rédigé comme suit, est inséré :
" 3°bis un représentant de la Caisse des soins de santé de la société nationale des chemins de fer belges; ";
2° au 5°, les mots " du ministère de la Prévoyance sociale " sont remplacés par les mots " du ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement ".
Art. 162. Artikel 60 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Wanneer de Raad van de controledienst vaststelt dat een landsbond of een erbij aangesloten ziekenfonds niet handelt overeenkomstig zijn statutaire doelstellingen of de verplichtingen gesteld door deze wet of haar uitvoeringsbesluiten of de boekhoudkundige en financiële bepalingen van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, niet naleeft, kan hij bij gemotiveerde beslissing, in functie van de aard en de ernst van de inbreuk :
1° ten laste van de landsbond een administratieve geldboete opleggen, bepaald door artikel 60bis;
2° indien het geen inbreuk, bedoeld door artikel 60bis, betreft, aan de landsbond of het ziekenfonds een termijn toekennen om de toestand te regulariseren, waarvan hij de duur vastlegt en die ingaat op de datum van de betekening van de beslissing en in voorkomend geval, indien de gevraagde regularisatie niet binnen de toegekende termijn is gerealiseerd, ten laste van de landsbond een administratieve geldboete bepaald door artikel 60ter, tweede lid, uitspreken;
3° een bijzondere commissaris benoemen;
4° de erkenning van de betrokken dienst intrekken.
De beslissing waarbij een administratieve geldboete met toepassing van dit artikel wordt uitgesproken, is van rechtswege uitvoerbaar. ".
" Wanneer de Raad van de controledienst vaststelt dat een landsbond of een erbij aangesloten ziekenfonds niet handelt overeenkomstig zijn statutaire doelstellingen of de verplichtingen gesteld door deze wet of haar uitvoeringsbesluiten of de boekhoudkundige en financiële bepalingen van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, niet naleeft, kan hij bij gemotiveerde beslissing, in functie van de aard en de ernst van de inbreuk :
1° ten laste van de landsbond een administratieve geldboete opleggen, bepaald door artikel 60bis;
2° indien het geen inbreuk, bedoeld door artikel 60bis, betreft, aan de landsbond of het ziekenfonds een termijn toekennen om de toestand te regulariseren, waarvan hij de duur vastlegt en die ingaat op de datum van de betekening van de beslissing en in voorkomend geval, indien de gevraagde regularisatie niet binnen de toegekende termijn is gerealiseerd, ten laste van de landsbond een administratieve geldboete bepaald door artikel 60ter, tweede lid, uitspreken;
3° een bijzondere commissaris benoemen;
4° de erkenning van de betrokken dienst intrekken.
De beslissing waarbij een administratieve geldboete met toepassing van dit artikel wordt uitgesproken, is van rechtswege uitvoerbaar. ".
Art. 162. L'article 60 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Lorsque le Conseil de l'office de contrôle constate qu'une union nationale ou une mutualité qui lui est affiliée n'agit pas suivant ses objectifs statutaires ou ne respecte pas les obligations imposées par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution ou les dispositions comptables et financières de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, il peut, par décision motivée, en fonction de la nature et de la gravité de l'infraction :
1° prononcer, à charge de l'union nationale, une amende administrative prévue à l'article 60bis;
2° s'il ne s'agit pas d'une infraction visée à l'article 60bis, octroyer à l'union nationale ou a la mutualité, afin de régulariser la situation, un délai dont il fixe la durée et qui prend cours à la date de notification de la décision et prononcer à charge de l'union nationale, lorsque la régularisation demandée n'est pas effectuée à l'issue du délai octroyé, une amende administrative prévue à l'article 60ter, alinéa 2;
3° nommer un commissaire spécial;
4° retirer l'agrément du service concerné.
Le prononcé d'une amende administrative en exécution de cet article est exécutoire de plein droit. ".
" Lorsque le Conseil de l'office de contrôle constate qu'une union nationale ou une mutualité qui lui est affiliée n'agit pas suivant ses objectifs statutaires ou ne respecte pas les obligations imposées par la présente loi ou ses arrêtés d'exécution ou les dispositions comptables et financières de la loi coordonnée du 14 juillet 1994, précitée, il peut, par décision motivée, en fonction de la nature et de la gravité de l'infraction :
1° prononcer, à charge de l'union nationale, une amende administrative prévue à l'article 60bis;
2° s'il ne s'agit pas d'une infraction visée à l'article 60bis, octroyer à l'union nationale ou a la mutualité, afin de régulariser la situation, un délai dont il fixe la durée et qui prend cours à la date de notification de la décision et prononcer à charge de l'union nationale, lorsque la régularisation demandée n'est pas effectuée à l'issue du délai octroyé, une amende administrative prévue à l'article 60ter, alinéa 2;
3° nommer un commissaire spécial;
4° retirer l'agrément du service concerné.
Le prononcé d'une amende administrative en exécution de cet article est exécutoire de plein droit. ".
Art. 163. De artikelen 60bis tot 60quinquies, luidend als volgt, worden in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 60bis. Een administratieve geldboete van 2 000 Belgische frank tot 10 000 Belgische frank kan worden uitgesproken per, in strijd met de bepalingen van artikel 43quinquies, toegekend voordeel.
Een administratieve geldboete van 4 000 Belgische frank tot 20 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 17, § 2.
Een administratieve geldboete van 20 000 Belgische frank tot 100 000 Belgische frank kan worden uitgesproken :
1° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde vergelijkende reclame;
2° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 3, gevoerde reclame.
Een administratieve geldboete van 60 000 Belgische frank tot 300 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 43ter.
Een administratieve geldboete van 100 000 Belgische frank tot 500 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde bedrieglijke reclame.
Art. 60ter. Indien in toepassing van artikel 60, 2°, een termijn aan een ziekenfonds wordt toegekend om een toestand te regulariseren, stelt de raad van de controledienst de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten, hiervan in kennis. Deze kan beslissen de uitoefening van de bevoegdheden van de organen van het ziekenfonds op te schorten en deze in zijn plaats uit te oefenen gedurende een bepaalde periode, om de regularisatie door te voeren.
Indien na afloop van deze termijn de gevraagde regularisatie door het ziekenfonds of de landsbond niet uitgevoerd is, kan aan de landsbond een administratieve geldboete worden opgelegd van 500 Belgische frank tot 5 000 Belgische frank per dag, te rekenen vanaf de dag na de beëindiging van de termijn en tot de volledige regularisatie.
Art. 60quater. Op voorstel van de raad van de controledienst legt de Koning de procedure vast inzake de uitspraak, de termijnen en de betalingswijzen van de administratieve geldboetes voorzien door deze wet.
Bij samenloop van meerdere inbreuken bedoeld door artikel 60bis en bij samenloop van één of meerdere van deze inbreuken met een inbreuk, gesanctioneerd met een administratieve geldboete bedoeld door artikel 60ter, tweede lid, worden de bedragen van de administratieve geldboetes samen opgelegd zonder echter 800 000 Belgische frank te mogen overschrijden.
Bij herhaling binnen het jaar na de uitspraak, wordt de administratieve geldboete in hoofde van de nieuwe inbreuk gebracht op minimum het dubbele van de laatst opgelegde geldboete, zonder echter het maximumbedrag, voorzien voor de betrokken inbreuk door artikel 60bisof artikel 60ter, tweede lid, te mogen overschrijden.
Een administratieve geldboete kan niet meer worden uitgesproken twee jaar nadat de daad die de inbreuk uitmaakt, werd begaan. De verjaring wordt door de controledienst gestuit door de kennisgeving, per aangetekend schrijven, van de vaststelling van de inbreuk. De stuiting kan worden hernieuwd.
De opbrengst van de administratieve geldboetes komt toe aan de controledienst.
Art. 60quinquies. § 1. De landsbond die de beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt uitgesproken betwist, dient, op straffe van verval, een verhaal via verzoekschrift in bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de maand na de betekening van de beslissing.
Deze voor de arbeidsrechtbank ingeleide vordering heeft geen schorsende kracht.
§ 2. Het ziekenfonds of de landsbond kan tegen beslissingen genomen overeenkomstig artikel 60, 3°, in beroep gaan bij de minister.
Het beroep bedoeld door het eerste lid, moet binnen vijftien kalenderdagen volgend op de betekening van de beslissing, worden ingesteld. Het heeft geen schorsende kracht.
De minister beslist binnen dertig kalenderdagen volgend op de instelling van het beroep. ".
" Art. 60bis. Een administratieve geldboete van 2 000 Belgische frank tot 10 000 Belgische frank kan worden uitgesproken per, in strijd met de bepalingen van artikel 43quinquies, toegekend voordeel.
Een administratieve geldboete van 4 000 Belgische frank tot 20 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 17, § 2.
Een administratieve geldboete van 20 000 Belgische frank tot 100 000 Belgische frank kan worden uitgesproken :
1° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde vergelijkende reclame;
2° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 3, gevoerde reclame.
Een administratieve geldboete van 60 000 Belgische frank tot 300 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 43ter.
Een administratieve geldboete van 100 000 Belgische frank tot 500 000 Belgische frank kan worden uitgesproken voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde bedrieglijke reclame.
Art. 60ter. Indien in toepassing van artikel 60, 2°, een termijn aan een ziekenfonds wordt toegekend om een toestand te regulariseren, stelt de raad van de controledienst de landsbond waarbij het ziekenfonds is aangesloten, hiervan in kennis. Deze kan beslissen de uitoefening van de bevoegdheden van de organen van het ziekenfonds op te schorten en deze in zijn plaats uit te oefenen gedurende een bepaalde periode, om de regularisatie door te voeren.
Indien na afloop van deze termijn de gevraagde regularisatie door het ziekenfonds of de landsbond niet uitgevoerd is, kan aan de landsbond een administratieve geldboete worden opgelegd van 500 Belgische frank tot 5 000 Belgische frank per dag, te rekenen vanaf de dag na de beëindiging van de termijn en tot de volledige regularisatie.
Art. 60quater. Op voorstel van de raad van de controledienst legt de Koning de procedure vast inzake de uitspraak, de termijnen en de betalingswijzen van de administratieve geldboetes voorzien door deze wet.
Bij samenloop van meerdere inbreuken bedoeld door artikel 60bis en bij samenloop van één of meerdere van deze inbreuken met een inbreuk, gesanctioneerd met een administratieve geldboete bedoeld door artikel 60ter, tweede lid, worden de bedragen van de administratieve geldboetes samen opgelegd zonder echter 800 000 Belgische frank te mogen overschrijden.
Bij herhaling binnen het jaar na de uitspraak, wordt de administratieve geldboete in hoofde van de nieuwe inbreuk gebracht op minimum het dubbele van de laatst opgelegde geldboete, zonder echter het maximumbedrag, voorzien voor de betrokken inbreuk door artikel 60bisof artikel 60ter, tweede lid, te mogen overschrijden.
Een administratieve geldboete kan niet meer worden uitgesproken twee jaar nadat de daad die de inbreuk uitmaakt, werd begaan. De verjaring wordt door de controledienst gestuit door de kennisgeving, per aangetekend schrijven, van de vaststelling van de inbreuk. De stuiting kan worden hernieuwd.
De opbrengst van de administratieve geldboetes komt toe aan de controledienst.
Art. 60quinquies. § 1. De landsbond die de beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt uitgesproken betwist, dient, op straffe van verval, een verhaal via verzoekschrift in bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de maand na de betekening van de beslissing.
Deze voor de arbeidsrechtbank ingeleide vordering heeft geen schorsende kracht.
§ 2. Het ziekenfonds of de landsbond kan tegen beslissingen genomen overeenkomstig artikel 60, 3°, in beroep gaan bij de minister.
Het beroep bedoeld door het eerste lid, moet binnen vijftien kalenderdagen volgend op de betekening van de beslissing, worden ingesteld. Het heeft geen schorsende kracht.
De minister beslist binnen dertig kalenderdagen volgend op de instelling van het beroep. ".
Art. 163. Les articles 60bis à 60quinquies, rédigés comme suit, sont insérés dans la même loi :
" Art. 60bis. Une amende administrative de 2 000 francs belges à 10 000 francs belges peut être prononcée par avantage octroyé en infraction aux dispositions de l'article 43quinqies.
Une amende administrative de 4 000 francs belges à 20 000 francs belges peut être prononcée pour chaque manquement aux dispositions de l'article 17, § 2.
Une amende administrative de 20 000 francs belges à 100 000 francs belges peut être prononcée :
1° pour toute publicité comparative effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 2;
2° pour toute publicité effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 3.
Une amende administrative de 60 000 francs belges à 300 000 francs belges peut être prononcée pour chaque infraction commise aux dispositions de l'article 43ter.
Une amende administrative de 100 000 francs belges à 500 000 francs belges peut être prononcée pour toute publicité trompeuse effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 2.
Art. 60ter. Lorsqu'en application de l'article 60, 2°, un délai est octroyé à une mutualité pour régulariser une situation, le conseil de l'office de contrôle en informe l'union nationale à laquelle elle est affiliée. Celle-ci peut décider de suspendre l'exercice des compétences des organes de la mutualité et de s'y substituer pendant une période déterminée en vue de procéder à la régularisation.
Lorsqu'à l'issue dudit délai, la régularisation demandée n'est pas effectuée par la mutualité ou l'union nationale, l'union nationale encourt une amende administrative de 500 francs belges à 5 000 francs belges par jour, à compter du lendemain du jour de l'expiration du délai et jusqu'à la régularisation complète.
Art. 60quater. Le Roi fixe, sur la proposition du conseil de l'office de contrôle, la procédure relative au prononcé, aux délais et modalités de paiement des amendes administratives prévues par la présente loi.
En cas de concours de plusieurs infractions visées à l'article 60bis et en cas de concours d'une ou plusieurs de ces infractions avec une infraction sanctionnée par une amende administrative visée à l'article 60ter, alinéa 2, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder 800 000 francs belges.
En cas de récidive dans l'année qui suit le prononcé, l'amende administrative du chef de la nouvelle infraction est au minimum portée au double de l'amende dernièrement infligée, sans toutefois pouvoir dépasser le montant maximal prévu pour l'infraction concernée par l'article 60bis ou l'article 60ter, alinéa 2.
Une amende administrative ne peut plus être prononcée deux ans après que le fait constitutif de l'infraction a été commis. La prescription est interrompue par l'office de contrôle en notifiant, par lettre recommandée, la constatation de l'infraction. L'interruption peut être renouvelée.
Le produit des amendes administratives revient à l'office de contrôle.
Art. 60quinquies. § 1er. L'union nationale qui conteste la décision par laquelle est prononcée une amende administrative introduit, à peine de déchéance, un recours par voie de requête devant le tribunal du travail compétent dans le mois de la notification de la décision.
L'action introduite devant le tribunal du travail n'est pas suspensive.
§ 2. Un appel peut être interjeté auprès du ministre par la mutualité ou l'union nationale à l'encontre des décisions prises conformément à l'article 60, 3°.
L'appel visé à l'alinéa 1er doit être interjeté dans les quinze jours civils qui suivent la notification de la décision. Il n'est pas suspensif.
Le ministre statue dans les trente jours civils qui suivent l'appel. ".
" Art. 60bis. Une amende administrative de 2 000 francs belges à 10 000 francs belges peut être prononcée par avantage octroyé en infraction aux dispositions de l'article 43quinqies.
Une amende administrative de 4 000 francs belges à 20 000 francs belges peut être prononcée pour chaque manquement aux dispositions de l'article 17, § 2.
Une amende administrative de 20 000 francs belges à 100 000 francs belges peut être prononcée :
1° pour toute publicité comparative effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 2;
2° pour toute publicité effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 3.
Une amende administrative de 60 000 francs belges à 300 000 francs belges peut être prononcée pour chaque infraction commise aux dispositions de l'article 43ter.
Une amende administrative de 100 000 francs belges à 500 000 francs belges peut être prononcée pour toute publicité trompeuse effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater, § 2.
Art. 60ter. Lorsqu'en application de l'article 60, 2°, un délai est octroyé à une mutualité pour régulariser une situation, le conseil de l'office de contrôle en informe l'union nationale à laquelle elle est affiliée. Celle-ci peut décider de suspendre l'exercice des compétences des organes de la mutualité et de s'y substituer pendant une période déterminée en vue de procéder à la régularisation.
Lorsqu'à l'issue dudit délai, la régularisation demandée n'est pas effectuée par la mutualité ou l'union nationale, l'union nationale encourt une amende administrative de 500 francs belges à 5 000 francs belges par jour, à compter du lendemain du jour de l'expiration du délai et jusqu'à la régularisation complète.
Art. 60quater. Le Roi fixe, sur la proposition du conseil de l'office de contrôle, la procédure relative au prononcé, aux délais et modalités de paiement des amendes administratives prévues par la présente loi.
En cas de concours de plusieurs infractions visées à l'article 60bis et en cas de concours d'une ou plusieurs de ces infractions avec une infraction sanctionnée par une amende administrative visée à l'article 60ter, alinéa 2, les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder 800 000 francs belges.
En cas de récidive dans l'année qui suit le prononcé, l'amende administrative du chef de la nouvelle infraction est au minimum portée au double de l'amende dernièrement infligée, sans toutefois pouvoir dépasser le montant maximal prévu pour l'infraction concernée par l'article 60bis ou l'article 60ter, alinéa 2.
Une amende administrative ne peut plus être prononcée deux ans après que le fait constitutif de l'infraction a été commis. La prescription est interrompue par l'office de contrôle en notifiant, par lettre recommandée, la constatation de l'infraction. L'interruption peut être renouvelée.
Le produit des amendes administratives revient à l'office de contrôle.
Art. 60quinquies. § 1er. L'union nationale qui conteste la décision par laquelle est prononcée une amende administrative introduit, à peine de déchéance, un recours par voie de requête devant le tribunal du travail compétent dans le mois de la notification de la décision.
L'action introduite devant le tribunal du travail n'est pas suspensive.
§ 2. Un appel peut être interjeté auprès du ministre par la mutualité ou l'union nationale à l'encontre des décisions prises conformément à l'article 60, 3°.
L'appel visé à l'alinéa 1er doit être interjeté dans les quinze jours civils qui suivent la notification de la décision. Il n'est pas suspensif.
Le ministre statue dans les trente jours civils qui suivent l'appel. ".
Art. 164. In artikel 61, § 3, van dezelfde wet, worden de woorden " het ziekenfonds of " geschrapt.
Art. 164. Dans l'article 61, § 3, de la même loi, les mots " la mutualité ou " sont supprimés.
Art. 165. Artikel 62 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 62. Onverminderd de overige maatregelen, bepaald door de wet en de reglementen, inzonderheid deze bepaald door artikel 60, kan de controledienst, met inachtneming van een aanzeggingstermijn van één maand, de richtlijnen, waaraan de betrokken landsbond of ziekenfonds geen of een onvoldoende gevolg heeft gegeven, bekendmaken in het Belgisch Staatsblad, in de dagbladen en publikaties van zijn keuze en aankondigen in de plaatsen en gedurende de duur die hij vaststelt.
De kost van de bekendmaking en van de aankondiging wordt door de controledienst op de betrokken landsbond verhaald. ".
" Art. 62. Onverminderd de overige maatregelen, bepaald door de wet en de reglementen, inzonderheid deze bepaald door artikel 60, kan de controledienst, met inachtneming van een aanzeggingstermijn van één maand, de richtlijnen, waaraan de betrokken landsbond of ziekenfonds geen of een onvoldoende gevolg heeft gegeven, bekendmaken in het Belgisch Staatsblad, in de dagbladen en publikaties van zijn keuze en aankondigen in de plaatsen en gedurende de duur die hij vaststelt.
De kost van de bekendmaking en van de aankondiging wordt door de controledienst op de betrokken landsbond verhaald. ".
Art. 165. L'article 62 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 62. - Sans préjudice des autres mesures prévues par la loi et les règlements, notamment celles prévues à l'article 60, l'office de contrôle peut, en respectant un préavis d'un mois, publier au Moniteur belge, dans les journaux et publications de son choix et afficher dans les lieux et pendant la durée qu'il détermine, les injonctions faites auxquelles l'union nationale ou la mutualité concernée n'a donné aucune suite ou aucune suite suffisante.
Le coût de la publication et de l'affichage est récupéré par l'office de contrôle auprès de l'union nationale concernée. ".
" Art. 62. - Sans préjudice des autres mesures prévues par la loi et les règlements, notamment celles prévues à l'article 60, l'office de contrôle peut, en respectant un préavis d'un mois, publier au Moniteur belge, dans les journaux et publications de son choix et afficher dans les lieux et pendant la durée qu'il détermine, les injonctions faites auxquelles l'union nationale ou la mutualité concernée n'a donné aucune suite ou aucune suite suffisante.
Le coût de la publication et de l'affichage est récupéré par l'office de contrôle auprès de l'union nationale concernée. ".
Art. 166. Artikel 70 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 70. § 1. Behouden de hoedanigheid van maatschappij van onderlinge bijstand " :
a) de maatschappij van onderlinge bijstand die op 31 december 1990 als dusdanig was erkend in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 23 juni 1894 en niet was aangesloten bij een in de zin van artikel 3 van voornoemde wet erkend verbond, die ten minste een dienst inricht zoals bepaald door artikel 3, eerste lid, b), en waarvan de statuten de aansluiting beperken :
1° hetzij tot de personeelsleden van een welbepaalde onderneming, tot hun echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste, alsmede tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die aangesloten zijn op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling;
2° hetzij tot de personen die een welbepaald beroep uitoefenen, tot hun echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste, alsmede tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die zijn aangesloten op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling;
3° hetzij tot de leden van de op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling bij de maatschappij aangesloten ziekenfondsen en tot hun personen ten laste, tot de personeelsleden, aangesloten op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, van ondernemingen tot wie deze maatschappij zich op voornoemde datum richt en tot hun echtgeno(o)t(e) en hun personen ten laste, alsook tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die zijn aangesloten bij deze maatschappij op voornoemde datum;
b) de maatschappijen van onderlinge bijstand die op 31 december 1990 als dusdanig erkend waren in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 23 juni 1894 en aangesloten waren bij een in de zin van artikel 3 van voornoemde wet erkend verbond en ten minste een dienst inrichten zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, b), van deze wet en die minimum 5 000 leden telt;
§ 2. Verkrijgt de hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand ", het ziekenfonds dat is gefusioneerd met één of meer ziekenfondsen en nog minstens één dienst zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, b), inricht.
Verkrijgt eveneens de hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand ", de entiteit die krachtens artikel 43bis is ontstaan en die ten minste één dienst zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, b), inricht.
§ 3. De hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand " zoals bedoeld in § 1, b), kan enkel worden behouden na akkoord van de landsbond en van het ziekenfonds waarbij bedoelde maatschappij is aangesloten.
De hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand " zoals bedoeld in § 2 kan enkel worden verkregen en behouden na akkoord van de landsbond.
§ 4. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing op de maatschappijen van onderlinge bijstand.
Op voorstel van de controledienst bepaalt de Koning welke artikelen van deze wet niet op hen van toepassing zijn.
Hij kan daarenboven specifieke regels opstellen die de verhouding regelen tussen de maatschappij van onderlinge bijstand en het ziekenfonds waarbij zij is aangesloten.
§ 5. De maatschappijen van onderlinge bijstand die niet voldoen aan de in dit artikel gestelde voorwaarden worden ontbonden, op de datum bepaald door de Koning, op eensluidend advies van de controledienst.
Bij ontbinding van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 70, § 1, b), worden haar patrimonium, rechten en verplichtingen, alsmede de leden, overgenomen door het ziekenfonds bij wie deze maatschappij van onderlinge bijstand was aangesloten. ".
" Art. 70. § 1. Behouden de hoedanigheid van maatschappij van onderlinge bijstand " :
a) de maatschappij van onderlinge bijstand die op 31 december 1990 als dusdanig was erkend in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 23 juni 1894 en niet was aangesloten bij een in de zin van artikel 3 van voornoemde wet erkend verbond, die ten minste een dienst inricht zoals bepaald door artikel 3, eerste lid, b), en waarvan de statuten de aansluiting beperken :
1° hetzij tot de personeelsleden van een welbepaalde onderneming, tot hun echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste, alsmede tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die aangesloten zijn op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling;
2° hetzij tot de personen die een welbepaald beroep uitoefenen, tot hun echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste, alsmede tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die zijn aangesloten op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling;
3° hetzij tot de leden van de op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling bij de maatschappij aangesloten ziekenfondsen en tot hun personen ten laste, tot de personeelsleden, aangesloten op de datum van inwerkingtreding van deze bepaling, van ondernemingen tot wie deze maatschappij zich op voornoemde datum richt en tot hun echtgeno(o)t(e) en hun personen ten laste, alsook tot de echtgeno(o)t(e) en de personen ten laste van de andere personen die zijn aangesloten bij deze maatschappij op voornoemde datum;
b) de maatschappijen van onderlinge bijstand die op 31 december 1990 als dusdanig erkend waren in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 23 juni 1894 en aangesloten waren bij een in de zin van artikel 3 van voornoemde wet erkend verbond en ten minste een dienst inrichten zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, b), van deze wet en die minimum 5 000 leden telt;
§ 2. Verkrijgt de hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand ", het ziekenfonds dat is gefusioneerd met één of meer ziekenfondsen en nog minstens één dienst zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, b), inricht.
Verkrijgt eveneens de hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand ", de entiteit die krachtens artikel 43bis is ontstaan en die ten minste één dienst zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, b), inricht.
§ 3. De hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand " zoals bedoeld in § 1, b), kan enkel worden behouden na akkoord van de landsbond en van het ziekenfonds waarbij bedoelde maatschappij is aangesloten.
De hoedanigheid van " maatschappij van onderlinge bijstand " zoals bedoeld in § 2 kan enkel worden verkregen en behouden na akkoord van de landsbond.
§ 4. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing op de maatschappijen van onderlinge bijstand.
Op voorstel van de controledienst bepaalt de Koning welke artikelen van deze wet niet op hen van toepassing zijn.
Hij kan daarenboven specifieke regels opstellen die de verhouding regelen tussen de maatschappij van onderlinge bijstand en het ziekenfonds waarbij zij is aangesloten.
§ 5. De maatschappijen van onderlinge bijstand die niet voldoen aan de in dit artikel gestelde voorwaarden worden ontbonden, op de datum bepaald door de Koning, op eensluidend advies van de controledienst.
Bij ontbinding van een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 70, § 1, b), worden haar patrimonium, rechten en verplichtingen, alsmede de leden, overgenomen door het ziekenfonds bij wie deze maatschappij van onderlinge bijstand was aangesloten. ".
Art. 166. L'article 70 de la même loi, modifié par la loi du 22 février 1998, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 70. - § 1er. Maintiennent la qualité de " société mutualiste " :
a) la société mutualiste qui, au 31 décembre 1990, était reconnue comme telle au sens de l'article 1er de la loi du 23 juin 1894 précitée, qui n'était pas affiliée à une fédération reconnue au sens de l'article 3 de cette même loi, qui organise au moins un service tel que défini à l'article 3, alinéa 1er, b), et dont les statuts limitent l'affiliation :
1° soit aux membres du personnel d'une entreprise déterminée, à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'aux conjoint et personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition;
2° soit aux personnes exerçant une profession déterminée, à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'aux conjoint et personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées a la date d'entrée en vigueur de la présente disposition;
3° soit aux membres des mutualités affiliées auprès de la société à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition et à leurs personnes à charge, aux membres du personnel, affiliés à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition, d'entreprises auxquelles cette société s'adresse à la date précitée et à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'au conjoint et aux personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées à la date précitée auprès de cette société;
b) les sociétés mutualistes qui, au 31 décembre 1990, étaient reconnues comme telles au sens de l'article 1er de la loi du 23 juin 1894 précitée, étaient affiliées à une fédération reconnue au sens de l'article 3 de cette même loi et qui organisent au moins un service tel que défini à l'article 3, alinéa 1er, b), qui compte au minimum 5 000 membres;
§ 2. Obtient la qualité de " société mutualiste ", la mutualité qui est fusionnée avec une ou plusieurs mutualités et qui organise encore au moins un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b).
Obtient également la qualité de " société mutualiste", l'entité constituée en vertu de l'article 43bis et qui organise au moins un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b).
§ 3. La qualité de " société mutualiste " visée au § 1er, b), ne peut être maintenue que moyennant l'accord de l'union nationale et de la mutualité à laquelle la société concernée est affiliée.
La qualité de " société mutualiste " visée au § 2 ne peut être obtenue et maintenue que moyennant l'accord de l'union nationale.
§ 4. Les dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution sont d'application aux sociétés mutualistes.
Le Roi détermine, sur la proposition de l'office de contrôle, quels sont les articles de la présente loi qui ne leur sont pas applicables.
Il peut, en outre, établir des dispositions spécifiques qui règlent les relations entre la société mutualiste et la mutualité à laquelle elle est affiliée.
§ 5. Les sociétés mutualistes qui ne satisfont pas aux conditions fixées au présent article, sont dissoutes a la date déterminée par le Roi, sur avis conforme de l'office de contrôle.
En cas de dissolution d'une société mutualiste visée à l'article 70, § 1er, b), son patrimoine, ses droits et obligations, ainsi que ses membres sont repris par la mutualité auprès de laquelle cette société mutualiste était affiliée. ".
" Art. 70. - § 1er. Maintiennent la qualité de " société mutualiste " :
a) la société mutualiste qui, au 31 décembre 1990, était reconnue comme telle au sens de l'article 1er de la loi du 23 juin 1894 précitée, qui n'était pas affiliée à une fédération reconnue au sens de l'article 3 de cette même loi, qui organise au moins un service tel que défini à l'article 3, alinéa 1er, b), et dont les statuts limitent l'affiliation :
1° soit aux membres du personnel d'une entreprise déterminée, à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'aux conjoint et personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition;
2° soit aux personnes exerçant une profession déterminée, à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'aux conjoint et personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées a la date d'entrée en vigueur de la présente disposition;
3° soit aux membres des mutualités affiliées auprès de la société à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition et à leurs personnes à charge, aux membres du personnel, affiliés à la date d'entrée en vigueur de la présente disposition, d'entreprises auxquelles cette société s'adresse à la date précitée et à leur conjoint et leurs personnes à charge, ainsi qu'au conjoint et aux personnes à charge des autres personnes qui sont affiliées à la date précitée auprès de cette société;
b) les sociétés mutualistes qui, au 31 décembre 1990, étaient reconnues comme telles au sens de l'article 1er de la loi du 23 juin 1894 précitée, étaient affiliées à une fédération reconnue au sens de l'article 3 de cette même loi et qui organisent au moins un service tel que défini à l'article 3, alinéa 1er, b), qui compte au minimum 5 000 membres;
§ 2. Obtient la qualité de " société mutualiste ", la mutualité qui est fusionnée avec une ou plusieurs mutualités et qui organise encore au moins un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b).
Obtient également la qualité de " société mutualiste", l'entité constituée en vertu de l'article 43bis et qui organise au moins un service visé à l'article 3, alinéa 1er, b).
§ 3. La qualité de " société mutualiste " visée au § 1er, b), ne peut être maintenue que moyennant l'accord de l'union nationale et de la mutualité à laquelle la société concernée est affiliée.
La qualité de " société mutualiste " visée au § 2 ne peut être obtenue et maintenue que moyennant l'accord de l'union nationale.
§ 4. Les dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution sont d'application aux sociétés mutualistes.
Le Roi détermine, sur la proposition de l'office de contrôle, quels sont les articles de la présente loi qui ne leur sont pas applicables.
Il peut, en outre, établir des dispositions spécifiques qui règlent les relations entre la société mutualiste et la mutualité à laquelle elle est affiliée.
§ 5. Les sociétés mutualistes qui ne satisfont pas aux conditions fixées au présent article, sont dissoutes a la date déterminée par le Roi, sur avis conforme de l'office de contrôle.
En cas de dissolution d'une société mutualiste visée à l'article 70, § 1er, b), son patrimoine, ses droits et obligations, ainsi que ses membres sont repris par la mutualité auprès de laquelle cette société mutualiste était affiliée. ".
Art. 167. In het artikel 59-1 van het besluit van de Regent van 26 juni 1947 houdende de Wetboek van zegelrechten, wordt een 51°ter ingevoegd, luidend als volgt :
" 51°ter de uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand en de registers die door de ambtenaren van de burgerlijke stand worden bijgehouden, de door de burgemeesters of hun afgevaardigden afgeleverde bewijzen van goed gedrag en in het algemeen al de aktes die voor de uitvoering van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en zijn uitvoeringsbesluiten worden opgesteld of afgeleverd; ".
" 51°ter de uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand en de registers die door de ambtenaren van de burgerlijke stand worden bijgehouden, de door de burgemeesters of hun afgevaardigden afgeleverde bewijzen van goed gedrag en in het algemeen al de aktes die voor de uitvoering van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en zijn uitvoeringsbesluiten worden opgesteld of afgeleverd; ".
Art. 167. A l'article 59-1, de l'arrêté du Régent du 26 juin 1947 contenant le code des droits de timbre, il est inséré un 51°ter, rédigé comme suit :
" 51°ter les extraits des registres de l'état civil et des registres tenus par les officiers de l'état civil, les certificats de bonne conduite ou de moralité délivrés par les bourgmestres ou leurs délégués et de manière générale, tous les actes dressés ou délivrés pour l'exécution de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités et ses arrêtés d'exécution; ".
" 51°ter les extraits des registres de l'état civil et des registres tenus par les officiers de l'état civil, les certificats de bonne conduite ou de moralité délivrés par les bourgmestres ou leurs délégués et de manière générale, tous les actes dressés ou délivrés pour l'exécution de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités et ses arrêtés d'exécution; ".
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen met betrekking tot de activiteitsgraad in de openbare sector.
CHAPITRE IV. - Mesures relatives au taux d'activité dans le secteur public.
Art. 168. De Koning wordt gemachtigd om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle nuttige maatregelen te nemen, met inbegrip van de invoering of uitbreiding van uitstapmogelijkheden, die passen in een beleid om de globale activiteitsgraad van het personeel van de werkgevers bedoeld in artikel 2, te ondersteunen.
De door het vorige lid aan de Koning verleende machtiging laat Hem toe de wetten te wijzigen, deze op te heffen of vrijstelling van hun uitvoering te verlenen.
Deze machtiging verstrijkt op 30 juni 2001.
De besluiten genomen krachtens het eerste lid houden op uitwerking te hebben uiterlijk op 1 april 2002, tenzij zij ten laatste op voormelde datum bij wet zijn bekrachtigd.
De door het vorige lid aan de Koning verleende machtiging laat Hem toe de wetten te wijzigen, deze op te heffen of vrijstelling van hun uitvoering te verlenen.
Deze machtiging verstrijkt op 30 juni 2001.
De besluiten genomen krachtens het eerste lid houden op uitwerking te hebben uiterlijk op 1 april 2002, tenzij zij ten laatste op voormelde datum bij wet zijn bekrachtigd.
Art. 168. Le Roi est habilité à prendre, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, toutes les mesures nécessaires, y compris l'instauration ou l'élargissement des possibilités de congé, qui s'inscrivent dans une politique de soutien du taux d'activité global du personnel des employeurs visés à l'article 2.
L'habilitation conférée au Roi par l'alinéa précèdent Lui permet de modifier les lois, de les abroger ou d'accorder une dérogation à leur exécution.
Cette habilitation expire le 30 juin 2001.
Les arrêtés pris en vertu de l'alinéa 1er cessent de produire leur effet au plus tard le 1er avril 2002, s'ils n'ont pas été confirmés par la loi au plus tard à la date précitée.
L'habilitation conférée au Roi par l'alinéa précèdent Lui permet de modifier les lois, de les abroger ou d'accorder une dérogation à leur exécution.
Cette habilitation expire le 30 juin 2001.
Les arrêtés pris en vertu de l'alinéa 1er cessent de produire leur effet au plus tard le 1er avril 2002, s'ils n'ont pas été confirmés par la loi au plus tard à la date précitée.
TITEL X. - Tewerkstelling en arbeid.
TITRE X. - Emploi et travail.
HOOFDSTUK I. - Arbeidsduur in het bouwbedrijf.
CHAPITRE 1. - Durée du travail dans la construction.
Art. 169. In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
" tot 2000 ";
2° de volgende leden worden tussen het vierde en het vijfde lid ingevoegd.
" Voor ieder jaar na 2000, hebben de in artikel 1 bedoelde werklieden recht op zes rustdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in ieder jaar na 2000 genomen moeten worden. ".
1° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
" tot 2000 ";
2° de volgende leden worden tussen het vierde en het vijfde lid ingevoegd.
" Voor ieder jaar na 2000, hebben de in artikel 1 bedoelde werklieden recht op zes rustdagen.
De Koning bepaalt, na advies van het paritair comité, de data waarop deze rustdagen in ieder jaar na 2000 genomen moeten worden. ".
Art. 169. A l'article 2 de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du travail dans les entreprises ressortissant à la commission paritaire de la construction sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 3 est complété comme suit :
" jusqu'à 2000 ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre le quatrième et le cinquième alinéa.
" Pour chaque année après 2000, les ouvriers visés à l'article 1er ont droit à six jours de repos.
Le Roi détermine, après avis de la commission paritaire, la date à laquelle ces jours de repos doivent être pris pour chaque année après 2000. ".
1° l'alinéa 3 est complété comme suit :
" jusqu'à 2000 ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre le quatrième et le cinquième alinéa.
" Pour chaque année après 2000, les ouvriers visés à l'article 1er ont droit à six jours de repos.
Le Roi détermine, après avis de la commission paritaire, la date à laquelle ces jours de repos doivent être pris pour chaque année après 2000. ".
Art. 170. In artikel 6 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het veertiende lid worden tussen de woorden " 1992 " en " ,bepaalt " de woorden " tot 2000 " ingevoegd;
2° het volgende lid wordt tussen het veertiende en het vijftiende lid ingevoegd :
" Voor de jaren na 2000 is de bijdrage gelijk aan 2,6 % van het op 108 % gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en respectievelijk voor het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het betrokken jaar. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd. ".
1° in het veertiende lid worden tussen de woorden " 1992 " en " ,bepaalt " de woorden " tot 2000 " ingevoegd;
2° het volgende lid wordt tussen het veertiende en het vijftiende lid ingevoegd :
" Voor de jaren na 2000 is de bijdrage gelijk aan 2,6 % van het op 108 % gebrachte bedrag van alle lonen die bij de Rijksdienst zijn aangegeven met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde werklieden en respectievelijk voor het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar, en voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het betrokken jaar. Deze bijdrage wordt per kwartaal, samen met de sociale zekerheidsbijdragen, geïnd. ".
Art. 170. Dans l'article 6 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 14, les mots " jusqu'à 2000 " sont insérés entre les mots " 1992 " et " il détermine ";
2° l'alinéa suivant est inséré entre les quatorzième et quinzième alinéas :
" Pour les années après 2000, la cotisation est égale à 2,6 % du montant porté à 108 % de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de l'année précédente et pour le premier, deuxième et troisième trimestre de l'année concernée, pour les ouvriers visés à l'article 1. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale. ".
1° à l'alinéa 14, les mots " jusqu'à 2000 " sont insérés entre les mots " 1992 " et " il détermine ";
2° l'alinéa suivant est inséré entre les quatorzième et quinzième alinéas :
" Pour les années après 2000, la cotisation est égale à 2,6 % du montant porté à 108 % de la totalité des rémunérations déclarées à l'Office respectivement pour le quatrième trimestre de l'année précédente et pour le premier, deuxième et troisième trimestre de l'année concernée, pour les ouvriers visés à l'article 1. Cette cotisation est perçue chaque trimestre, en même temps que les cotisations de sécurité sociale. ".
HOOFDSTUK II. - Oprichting begrotingsfonds openbare sector - sociale Maribel.
CHAPITRE II. - Création du fonds budgétaire secteur public - Maribel social.
Art. 171. <W 2002-12-22/42, art. 35, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Er wordt een Fonds opgericht dat gespijsd wordt met :
1° een aandeel gelijk aan 0,10 % van de opbrengst van de verminderingen van de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gestort door de Rijksdienst voor sociale zekerheid of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, naargelang van het geval;
2° een aandeel gelijk aan 1,20 % van de resterende opbrengst dat toekomt aan de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zoals bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de voormelde wet van 29 juni 1981.
Het in het eerste lid bedoelde Fonds vormt een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 23 - Tewerkstelling en Arbeid aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds.
23-8 Begrotingsfonds Sociale maribel.
Aard van de toegewezen ontvangsten :
Aandeel gelijk aan 0,10 % van de verminderingen van de werkgeversbijdragen waarop de werkgevers van de private en van de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid en bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten aanspraak kunnen maken in het kader van de maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
Aandeel gelijk aan 1,20 % op de resterende opbrengst dat toekomt aan de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid zoals bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Aard van de toegestane uitgaven :
Beheerskosten alsook de kosten met betrekking tot statutair en/of contractueel personeel ingezet voor de opdrachten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg in het kader van de maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
1° een aandeel gelijk aan 0,10 % van de opbrengst van de verminderingen van de werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gestort door de Rijksdienst voor sociale zekerheid of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, naargelang van het geval;
2° een aandeel gelijk aan 1,20 % van de resterende opbrengst dat toekomt aan de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zoals bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de voormelde wet van 29 juni 1981.
Het in het eerste lid bedoelde Fonds vormt een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 23 - Tewerkstelling en Arbeid aangevuld als volgt :
" Benaming van het organiek begrotingsfonds.
23-8 Begrotingsfonds Sociale maribel.
Aard van de toegewezen ontvangsten :
Aandeel gelijk aan 0,10 % van de verminderingen van de werkgeversbijdragen waarop de werkgevers van de private en van de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid en bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten aanspraak kunnen maken in het kader van de maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
Aandeel gelijk aan 1,20 % op de resterende opbrengst dat toekomt aan de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid zoals bedoeld in artikel 35, § 5, D, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Aard van de toegestane uitgaven :
Beheerskosten alsook de kosten met betrekking tot statutair en/of contractueel personeel ingezet voor de opdrachten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg in het kader van de maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
Art. 171. <L 2003-12-22/42, art. 35, 008; En vigueur : 01-01-2004> § 1er. Il est créé un Fonds alimenté par :
1° une quote-part égale à 0,10 % du produit des réductions de cotisations visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, versée selon le cas par l'Office national de sécurité sociale ou par l'Office national de sécurité sociale pour les administrations provinciales et locales;
2°) une quote-part égale à 1,20 % du produit restant qui revient au secteur public affilié à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 précitée.
Le Fonds visé à l'alinéa 1er constitue un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 23 - Emploi et Travail, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique.
23-8 Fonds budgétaire du Maribel social.
Nature des recettes affectées :
Quote-part égale à 0,10 % de la réduction des cotisations patronales auxquelles peuvent prétendre les employeurs des secteurs privé et public affiliés à l'Office national de sécurité sociale et à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales, dans le cadre des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand.
Quote-part égale à 1,20 % du produit restant qui revient au secteur public affilié à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Nature des dépenses autorisées :
Frais administratifs et de personnel statutaire et/ou contractuel affecte aux missions du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale dans le cadre des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand.
1° une quote-part égale à 0,10 % du produit des réductions de cotisations visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, versée selon le cas par l'Office national de sécurité sociale ou par l'Office national de sécurité sociale pour les administrations provinciales et locales;
2°) une quote-part égale à 1,20 % du produit restant qui revient au secteur public affilié à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 précitée.
Le Fonds visé à l'alinéa 1er constitue un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 23 - Emploi et Travail, est complétée comme suit :
" Dénomination du fonds budgétaire organique.
23-8 Fonds budgétaire du Maribel social.
Nature des recettes affectées :
Quote-part égale à 0,10 % de la réduction des cotisations patronales auxquelles peuvent prétendre les employeurs des secteurs privé et public affiliés à l'Office national de sécurité sociale et à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales, dans le cadre des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand.
Quote-part égale à 1,20 % du produit restant qui revient au secteur public affilié à l'Office national de sécurité sociale, visé à l'article 35, § 5, D, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Nature des dépenses autorisées :
Frais administratifs et de personnel statutaire et/ou contractuel affecte aux missions du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale dans le cadre des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand.
HOOFDSTUK III. - Aanpassing van de wetgeving in functie van het toekennen van het statuut van dienstbode aan au pair-jongeren.
CHAPITRE III. - Adaptation de la législation en fonction de l'attribution du statut d'employé domestique aux jeunes au pair.
Art. 172. Artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden, wordt aangevuld met een nieuw lid, luidend als volgt : " In afwijking van het vorige lid bepaalt de Koning de voorwaarden waaraan de werknemer moet voldoen indien de werknemer een buitenlandse werknemer is die als au pair-jongere is tewerkgesteld. ".
Art. 172. L'article 1er, § 3 de l'arrêté royal n° 483 du 22 décembre 1986 visant à réduire les cotisations des employeurs à la sécurité sociale lors de l'embauche d'employés domestiques, est complété par un nouvel alinéa, libellé comme suit : " Par dérogation à l'alinéa précédent, le Roi fixe les conditions auxquelles le travailleur doit répondre si ce travailleur est un travailleur étranger occupé en tant que jeune au pair. ".
Art. 173. Artikel 112, § 1, 2° van het wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen door de volgende tekst :
" 2° de in dienst getreden huisbediende voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden ".
" 2° de in dienst getreden huisbediende voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden ".
Art. 173. L'article 112, § 1er, 2° du code des impôts sur les revenus 1992 est remplacé par le texte suivant :
" 2° le travailleur domestique entré en service satisfait aux conditions visées à l'article 1, § 3, de l'arrêté royal n° 483 du 22 décembre 1986 visant à réduire les cotisations des employeurs à la sécurité sociale lors de l'embauche d'employés domestiques ".
" 2° le travailleur domestique entré en service satisfait aux conditions visées à l'article 1, § 3, de l'arrêté royal n° 483 du 22 décembre 1986 visant à réduire les cotisations des employeurs à la sécurité sociale lors de l'embauche d'employés domestiques ".
Art. 174. De artikelen 172 en 173 treden in werking op de datum vastgesteld door de Koning.
Art. 174. Les articles 172 et 173 entrent en vigueur a la date fixée par le Roi.
HOOFDSTUK IV. - Afschaffing dienstencheques, oud stelsel.
CHAPITRE IV. - Suppression du système des chèques services, ancien régime.
Art. 175. De artikelen 50, 51, 52, 53 en 54 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, worden opgeheven met ingang van 1 augustus 1999.
Het voorgaande lid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de vóór 1 augustus 1999 ingeschreven gebruikers om één enkele dienstencheque te gebruiken, op voorwaarde dat hij voor 15 juni 2000 werd aangeschaft, en aan de mogelijkheid voor de geregistreerde ondernemingen om de terugbetaling ervan bij de uitgever te bekomen op voorwaarde dat zijn geldigheidsduur gerespecteerd wordt.
Het voorgaande lid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de vóór 1 augustus 1999 ingeschreven gebruikers om één enkele dienstencheque te gebruiken, op voorwaarde dat hij voor 15 juni 2000 werd aangeschaft, en aan de mogelijkheid voor de geregistreerde ondernemingen om de terugbetaling ervan bij de uitgever te bekomen op voorwaarde dat zijn geldigheidsduur gerespecteerd wordt.
Art. 175. Les articles 50, 51, 52, 53 et 54 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses sont abrogés à partir du 1er août 1999.
L'alinéa précédent ne porte aucun préjudice à la possibilité pour les utilisateurs inscrits avant le 1er août 1999 d'utiliser un seul chèque service, à condition qu'il ait été acquis avant le 15 juin 2000 et pour les entreprises enregistrées d'en obtenir le remboursement chez l'éditeur à condition d'en respecter la durée de validité.
L'alinéa précédent ne porte aucun préjudice à la possibilité pour les utilisateurs inscrits avant le 1er août 1999 d'utiliser un seul chèque service, à condition qu'il ait été acquis avant le 15 juin 2000 et pour les entreprises enregistrées d'en obtenir le remboursement chez l'éditeur à condition d'en respecter la durée de validité.
HOOFDSTUK V. - Plus-één-plan.
CHAPITRE V. - Plan-plus-un.
Art. 176. Artikel 119 van de programmawet van 30 december 1988 wordt aangevuld als volgt :
" e) de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
f) de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
- zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld onder het tweede streepje;
- op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
- zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende. ".
" e) de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
f) de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
- zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld onder het tweede streepje;
- op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
- zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende. ".
Art. 176. L'article 119 de la loi-programme du 30 décembre 1988 est complété comme suit :
" e) les demandeurs d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
f) les personnes désirant se réinsérer sur le marché de l'emploi et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
- elles apportent la preuve qu'elles ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, presté 312 journées de travail ou de journées assimilées dans le sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de 18 mois, ou qu'elles ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de leurs prestations de travail, en dehors de la période visée sous le deuxième tiret;
- au moment de l'engagement, elles n'ont pas pendant une période d'au moins 24 mois sans interruption bénéficié d'allocations de chômage ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant;
- au moment de l'engagement, elles sont inscrites comme demandeurs d'emploi. ".
" e) les demandeurs d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
f) les personnes désirant se réinsérer sur le marché de l'emploi et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
- elles apportent la preuve qu'elles ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, presté 312 journées de travail ou de journées assimilées dans le sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de 18 mois, ou qu'elles ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de leurs prestations de travail, en dehors de la période visée sous le deuxième tiret;
- au moment de l'engagement, elles n'ont pas pendant une période d'au moins 24 mois sans interruption bénéficié d'allocations de chômage ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant;
- au moment de l'engagement, elles sont inscrites comme demandeurs d'emploi. ".
HOOFDSTUK VI. - Plus-twee-plan, plus-drie-plan.
CHAPITRE VI. - Plan-plus-deux, plan-plus-trois.
Art. 177. Artikel 6, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt aangevuld als volgt :
" 14° de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
15° de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
a) zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende. ".
" 14° de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
15° de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
a) zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende. ".
Art. 177. L'article 6, § 1er, alinéa premier, de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, est complété comme suit :
" 14° les demandeurs d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
15° les personnes désirant se réinsérer sur le marché de l'emploi et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
a) elles apportent la preuve qu'elles ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, presté 312 journées de travail ou de journées assimilées dans le sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de 18 mois, ou qu'elles ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de leurs prestations de travail, en dehors de la période visée sous b);
b) au moment de l'engagement, elles n'ont pas pendant une période d'au moins 24 mois sans interruption bénéficié d'allocations de chômage ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant;
c) au moment de l'engagement, elles sont inscrites comme demandeurs d'emploi. ".
" 14° les demandeurs d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
15° les personnes désirant se réinsérer sur le marché de l'emploi et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
a) elles apportent la preuve qu'elles ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, presté 312 journées de travail ou de journées assimilées dans le sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de 18 mois, ou qu'elles ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de leurs prestations de travail, en dehors de la période visée sous b);
b) au moment de l'engagement, elles n'ont pas pendant une période d'au moins 24 mois sans interruption bénéficié d'allocations de chômage ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant;
c) au moment de l'engagement, elles sont inscrites comme demandeurs d'emploi. ".
HOOFDSTUK VII. - Loopbaanonderbreking voor politiek mandaat op gemeentelijk niveau.
CHAPITRE VlI. - Interruption de carrière pour mandat politique au niveau communal.
Art. 178. In hoofdstuk 4, afdeling 5, onderafdeling 2 van de herstelwet van 22 januari 1985 wordt een artikel 100ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art.100ter. § 1. Een werknemer heeft het recht om de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig te schorsen met het oog op de uitoefening van een gemeentelijk uitvoerend mandaat zoals bedoeld bij artikel 6bis van de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat. Nochtans wordt in dit geval de uitkering bedoeld in artikel 100 niet toegekend.
§ 2. De periode tijdens dewelke de in § 1 bedoelde werknemer zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen stemt overeen met de duur van het gemeentelijk uitvoerend mandaat en het in § 1 bedoelde recht op schorsing van de arbeidsovereenkomst wordt enkel éénmaal toegestaan. ".
" Art.100ter. § 1. Een werknemer heeft het recht om de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig te schorsen met het oog op de uitoefening van een gemeentelijk uitvoerend mandaat zoals bedoeld bij artikel 6bis van de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat. Nochtans wordt in dit geval de uitkering bedoeld in artikel 100 niet toegekend.
§ 2. De periode tijdens dewelke de in § 1 bedoelde werknemer zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen stemt overeen met de duur van het gemeentelijk uitvoerend mandaat en het in § 1 bedoelde recht op schorsing van de arbeidsovereenkomst wordt enkel éénmaal toegestaan. ".
Art. 178. Dans le chapitre 4, section 5, sous-section 2, de la loi de redressement du 22 janvier 1985, il est inséré un article 100ter, rédigé comme suit :
" Art. 100ter. § 1er. Un travailleur a le droit de suspendre totalement son contrat de travail en vue d'exercer un mandat exécutif communal tel que visé à l'article 6bis de la loi du 19 juillet 1976 instituant un congé pour l'exercice d'un mandat politique. Toutefois, dans ce cas l'allocation visée à l'article 100 n'est pas accordée.
§ 2. La période pendant laquelle le travailleur peut suspendre son contrat de travail est équivalente à la durée du mandat exécutif communal et le droit à la suspension du contrat de travail visé au § 1er n'est accordé qu'une fois ".
" Art. 100ter. § 1er. Un travailleur a le droit de suspendre totalement son contrat de travail en vue d'exercer un mandat exécutif communal tel que visé à l'article 6bis de la loi du 19 juillet 1976 instituant un congé pour l'exercice d'un mandat politique. Toutefois, dans ce cas l'allocation visée à l'article 100 n'est pas accordée.
§ 2. La période pendant laquelle le travailleur peut suspendre son contrat de travail est équivalente à la durée du mandat exécutif communal et le droit à la suspension du contrat de travail visé au § 1er n'est accordé qu'une fois ".
Art. 179. In artikel 101 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. in het eerste lid worden de woorden " met toepassing van artikel 100, eerste lid en 100bis " vervangen door de woorden " met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, 100bis en 100ter ";
B. in het tweede lid, tweede streepje, worden de woorden " in geval van toepassing van de artikelen 100bis en 105, § 1 " vervangen door de woorden " in geval van toepassing van de artikelen 100bis, 100ter en 105, § 1 ";
C. in het derde lid worden de woorden " de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing " vervangen door de woorden " de in de artikelen 100, 100bis en 100ter bedoelde schorsing ".
A. in het eerste lid worden de woorden " met toepassing van artikel 100, eerste lid en 100bis " vervangen door de woorden " met toepassing van de artikelen 100, eerste lid, 100bis en 100ter ";
B. in het tweede lid, tweede streepje, worden de woorden " in geval van toepassing van de artikelen 100bis en 105, § 1 " vervangen door de woorden " in geval van toepassing van de artikelen 100bis, 100ter en 105, § 1 ";
C. in het derde lid worden de woorden " de in de artikelen 100 en 100bis bedoelde schorsing " vervangen door de woorden " de in de artikelen 100, 100bis en 100ter bedoelde schorsing ".
Art. 179. A l'article 101 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
A. dans l'alinéa 1er, les mots " en application de l'article 100, alinéa 1er et 100bis, sont remplacés par les mots " en application des articles 100, alinéa 1er, 100bis et 100ter ";
B. dans l'alinéa 2, deuxième tiret, les mots " en cas d'application de l'article 100bis et 105, § 1er " sont remplacés par les mots " en cas d'application des articles 100bis, 100ter et 105, § 1er ";
C. dans l'alinéa 3 les mots : " la suspension visée aux articles 100 et 100bis " sont remplacés par les mots " la suspension visée aux articles 100, 100bis et 100ter ".
A. dans l'alinéa 1er, les mots " en application de l'article 100, alinéa 1er et 100bis, sont remplacés par les mots " en application des articles 100, alinéa 1er, 100bis et 100ter ";
B. dans l'alinéa 2, deuxième tiret, les mots " en cas d'application de l'article 100bis et 105, § 1er " sont remplacés par les mots " en cas d'application des articles 100bis, 100ter et 105, § 1er ";
C. dans l'alinéa 3 les mots : " la suspension visée aux articles 100 et 100bis " sont remplacés par les mots " la suspension visée aux articles 100, 100bis et 100ter ".
Art. 180. In artikel 101bis van dezelfde wet worden de woorden " de bij artikel 100 en 100bis bedoelde schorsing " vervangen door de woorden " de bij artikel 100, 100bis en 100ter bedoelde schorsing ".
Art. 180. Dans l'article 101bis de la même loi, les mots " prévue à l'article 100 et 100bis " sont remplacés par les mots " prévue aux articles 100, 100bis et 100ter ".
HOOFDSTUK VIII. - Terbeschikkingstelling.
CHAPITRE VIII. - Mise à la disposition.
Art. 181. Artikel 31, § 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van dit artikel, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk. ".
" Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van dit artikel, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk. ".
Art. 181. L'article 31, § 1er, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs a la disposition d'utilisateurs, modifié par la loi du la loi du 13 février 1998, est complété par l'alinéa suivant :
" Ne constitue toutefois pas l'exercice d'une autorité au sens du présent article, le respect par le tiers des obligations qui lui reviennent en matière de bien-être au travail ainsi que des instructions données par le tiers, en vertu du contrat qui le lie à l'employeur, quant aux temps de travail et aux temps de repos et quant à l'exécution du travail convenu. ".
" Ne constitue toutefois pas l'exercice d'une autorité au sens du présent article, le respect par le tiers des obligations qui lui reviennent en matière de bien-être au travail ainsi que des instructions données par le tiers, en vertu du contrat qui le lie à l'employeur, quant aux temps de travail et aux temps de repos et quant à l'exécution du travail convenu. ".
Art. 182. In artikel 32, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
" Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad kan het begrip beperkte tijd preciseren. ";
2° het tweede lid, b), wordt aangevuld als volgt :
" een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad kan de begrippen kortstondige uitvoering en gespecialiseerde opdrachten die een bijzondere beroepsbekwaamheid vereisen, preciseren. ".
1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
" Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad kan het begrip beperkte tijd preciseren. ";
2° het tweede lid, b), wordt aangevuld als volgt :
" een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad kan de begrippen kortstondige uitvoering en gespecialiseerde opdrachten die een bijzondere beroepsbekwaamheid vereisen, preciseren. ".
Art. 182. Dans l'article 32, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 13 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est complété comme suit :
" une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail peut préciser la notion de durée limitée. ";
2° l'alinéa 2, b), est complété comme suit :
" ; une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail peut préciser les notions d'exécution momentanée et de tâches spécialisées requérant une qualification professionnelle momentanée. ".
1° l'alinéa 1er est complété comme suit :
" une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail peut préciser la notion de durée limitée. ";
2° l'alinéa 2, b), est complété comme suit :
" ; une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail peut préciser les notions d'exécution momentanée et de tâches spécialisées requérant une qualification professionnelle momentanée. ".
HOOFDSTUK IX. - Doorstromingsprogramma's en terbeschikkingstelling.
CHAPITRE IX. - Programmes de transition et mise à la disposition.
Art. 183. § 1. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers kan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid de toelating verlenen aan de werkgevers bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's om werknemers die in het kader van dit besluit tewerkgesteld zijn in een doorstromingsprogramma, ter beschikking te stellen van gebruikers.
Hij bepaalt de duur van deze toelating en kan haar onderwerpen aan voorwaarden die door Hem worden vastgesteld.
Hij kan aan zijn toelating een einde stellen wanneer de werkgever de voorwaarden die in de toelating worden vastgesteld of de wettelijke, reglementaire of conventionele verplichtingen die op hem rusten niet naleeft.
§ 2. De algemene voorwaarden voor de toepassing van § 1 worden vastgesteld na overleg met de gewesten.
Hij bepaalt de duur van deze toelating en kan haar onderwerpen aan voorwaarden die door Hem worden vastgesteld.
Hij kan aan zijn toelating een einde stellen wanneer de werkgever de voorwaarden die in de toelating worden vastgesteld of de wettelijke, reglementaire of conventionele verplichtingen die op hem rusten niet naleeft.
§ 2. De algemene voorwaarden voor de toepassing van § 1 worden vastgesteld na overleg met de gewesten.
Art. 183. § 1er. Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, le ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions peut autoriser les employeurs visés à l'article 2 de l'arrêté royal pris en exécution de l'article 7, § 1er, 3e alinéa, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour ce qui est des programmes de transition, à mettre à disposition d'utilisateurs des travailleurs mis au travail, dans le cadre de cet arrêté, dans un programme de transition.
Il fixe la durée de cette autorisation et il peut la soumettre à des conditions qu'il établit lui-même.
Il peut mettre fin à son autorisation lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions établies dans l'autorisation ou lorsque celui-ci ne respecte pas les obligations légales, réglementaires ou conventionnelles qui lui sont imposées.
§ 2. Les conditions générales pour l'application du § 1er sont fixées après concertation avec les régions.
Il fixe la durée de cette autorisation et il peut la soumettre à des conditions qu'il établit lui-même.
Il peut mettre fin à son autorisation lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions établies dans l'autorisation ou lorsque celui-ci ne respecte pas les obligations légales, réglementaires ou conventionnelles qui lui sont imposées.
§ 2. Les conditions générales pour l'application du § 1er sont fixées après concertation avec les régions.
Art.183_WAALS_GEWEST.
(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)">Opgeheven art. 16 van 2 FEBRUARI 2017. - Decreet betreffende het inschakelingscontract (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)
(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)">Opgeheven art. 16 van 2 FEBRUARI 2017. - Decreet betreffende het inschakelingscontract (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)
Art.183_REGION_WALLONNE.
(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)">Abrogé art. 16 van 2 FEBRUARI 2017. - Decreet betreffende het inschakelingscontract (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)
(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)">Abrogé art. 16 van 2 FEBRUARI 2017. - Decreet betreffende het inschakelingscontract (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG2019-01-31/05, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019, maar blijft van toepassing op de indienstnemingen die in het kader van een inschakelingscontract vóór de inwerkingtreding van het wijzigende decreet zijn verricht) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2017 en tekstbijwerking tot 03-05-2019)
Art.183_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)">Opgeheven art. 63 van 25 APRIL 2016. - Decreet houdende maatregelen inzake werkgelegenheid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)">Opgeheven art. 63 van 25 APRIL 2016. - Decreet houdende maatregelen inzake werkgelegenheid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)
Art.183_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)">Abrogé art. 63 van 25 APRIL 2016. - Decreet houdende maatregelen inzake werkgelegenheid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)">Abrogé art. 63 van 25 APRIL 2016. - Decreet houdende maatregelen inzake werkgelegenheid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 14-06-2016 en tekstbijwerking tot 30-04-2018)
HOOFDSTUK X. - Tewerkstelling ziekenhuizen openbare sector.
CHAPITRE X. - Emploi hôpitaux secteur public.
Art. 184. (Opgeheven) <W 2008-07-24/35, art. 93, §1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 184. (Abrogé) <L 2008-07-24/35, art. 93, §1, 013; En vigueur : 01-01-2008>
Art. 185. (Opgeheven) <W 2008-07-24/35, art. 93, §1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art. 185. (Abrogé) <L 2008-07-24/35, art. 93, §1, 013; En vigueur : 01-01-2008>
HOOFDSTUK XI. - [1 Terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers binnen een werkgeversgroepering en tot organisatie van een invoeginterim.]1
CHAPITRE XI. - [1 Mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs au sein d'un groupement d'employeurs et organisant un intérim d'insertion.]1
Afdeling I. - [1 Terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers binnen een werkgeversgroepering.]1
Section I. - [1 Mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs au sein d'un groupement d'employeurs.]1
Art. 186. [1 In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kan de minister van Werk werkgeversgroeperingen toestaan om werknemers ter beschikking te stellen van hun leden met het oog op het invullen van hun gezamenlijke behoeften.
Om de in het eerste lid bedoelde toelating te verkrijgen, richt de werkgeversgroepering een aanvraag tot de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De minister neemt zijn beslissing binnen een termijn van 40 dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Hij kan het advies vragen van de Nationale Arbeidsraad overeenkomstig [2 artikel 187, § 2, derde lid]2, of artikel 190, § 3, derde lid. In dat geval wordt voormelde termijn van 40 dagen geschorst.
De Nationale Arbeidsraad brengt zijn advies uit binnen een termijn van 60 dagen. Indien de Nationale Arbeidsraad zijn advies niet uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, wordt er niet op gewacht.
De werkgeversgroepering voegt haar huishoudelijk reglement toe aan haar toelatingsaanvraag.
De werkgeversgroepering moet elk jaar een activiteitenrapport bezorgen aan de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De minister van Werk verleent zijn toelating voor onbepaalde duur. De minister kan een einde maken aan zijn toelating wanneer de werkgeversgroepering niet de voorwaarden naleeft die zijn vastgesteld in de toelating of niet de wettelijke, reglementaire en conventionele bepalingen naleeft die op haar rusten.]1
Om de in het eerste lid bedoelde toelating te verkrijgen, richt de werkgeversgroepering een aanvraag tot de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De minister neemt zijn beslissing binnen een termijn van 40 dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Hij kan het advies vragen van de Nationale Arbeidsraad overeenkomstig [2 artikel 187, § 2, derde lid]2, of artikel 190, § 3, derde lid. In dat geval wordt voormelde termijn van 40 dagen geschorst.
De Nationale Arbeidsraad brengt zijn advies uit binnen een termijn van 60 dagen. Indien de Nationale Arbeidsraad zijn advies niet uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, wordt er niet op gewacht.
De werkgeversgroepering voegt haar huishoudelijk reglement toe aan haar toelatingsaanvraag.
De werkgeversgroepering moet elk jaar een activiteitenrapport bezorgen aan de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De minister van Werk verleent zijn toelating voor onbepaalde duur. De minister kan een einde maken aan zijn toelating wanneer de werkgeversgroepering niet de voorwaarden naleeft die zijn vastgesteld in de toelating of niet de wettelijke, reglementaire en conventionele bepalingen naleeft die op haar rusten.]1
Art. 186. [1 Par dérogation à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, le ministre de l'Emploi peut autoriser des groupements d'employeurs à mettre des travailleurs à la disposition de leurs membres afin de mutualiser leurs besoins.
Pour obtenir l'autorisation visée à l'alinéa 1er, le groupement d'employeurs adresse une demande au président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le ministre prend sa décision dans un délai de quarante jours à dater de la réception de la demande. Il peut demander l'avis du Conseil national du Travail conformément à l'[2 article 187, § 2, alinéa 3]2, ou à l'article 190, § 3, alinéa 3. Dans ce cas, ce délai de quarante jours est suspendu.
Le Conseil national du Travail rend son avis dans un délai de soixante jours. Si le Conseil national du Travail ne rend pas d'avis dans le délai prescrit, il est passé outre.
Le groupement d'employeurs joint son règlement d'ordre intérieur à sa demande d'autorisation.
Le groupement d'employeurs est tenu de fournir chaque année un rapport d'activités au président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le ministre de l'Emploi accorde son autorisation pour une durée indéterminée. Le ministre peut mettre fin à son autorisation lorsque le groupement d'employeurs ne respecte pas les conditions fixées dans l'autorisation ou les obligations légales, réglementaires et conventionnelles qui lui incombent.]1
Pour obtenir l'autorisation visée à l'alinéa 1er, le groupement d'employeurs adresse une demande au président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le ministre prend sa décision dans un délai de quarante jours à dater de la réception de la demande. Il peut demander l'avis du Conseil national du Travail conformément à l'[2 article 187, § 2, alinéa 3]2, ou à l'article 190, § 3, alinéa 3. Dans ce cas, ce délai de quarante jours est suspendu.
Le Conseil national du Travail rend son avis dans un délai de soixante jours. Si le Conseil national du Travail ne rend pas d'avis dans le délai prescrit, il est passé outre.
Le groupement d'employeurs joint son règlement d'ordre intérieur à sa demande d'autorisation.
Le groupement d'employeurs est tenu de fournir chaque année un rapport d'activités au président du comité de direction du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Le ministre de l'Emploi accorde son autorisation pour une durée indéterminée. Le ministre peut mettre fin à son autorisation lorsque le groupement d'employeurs ne respecte pas les conditions fixées dans l'autorisation ou les obligations légales, réglementaires et conventionnelles qui lui incombent.]1
Art. 187. [1 § 1. Om te kunnen genieten van een toelating als bedoeld in artikel 186, moet de werkgeversgroepering de rechtsvorm hebben van:
- hetzij een vzw zoals bedoeld in Deel 3, Boek 9, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;
- hetzij een vennootschap onder firma zoals bedoeld in Deel 2, Boek 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.
Daarnaast moet de werkgeversgroepering het ter beschikking stellen van werknemers aan zijn leden als enig maatschappelijk doel hebben.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad voor de toepassing van deze wet toestaan dat de werkgeversgroepering andere doelen heeft dan het ter beschikking stellen van werknemers aan haar leden.
§ 2. De werkgeversgroepering mag niet meer dan vijftig werknemers tewerkstellen.
De Koning kan, op advies van de Nationale Arbeidsraad, deze drempel verhogen.
In geval van verhoging van de in het eerste lid bedoelde drempel kan de minister van Werk, zo hij dit nodig acht, het advies van de Nationale Arbeidsraad inwinnen met het oog op het geven van de in artikel 186 bedoelde toelating.
Wanneer de werkgeversgroepering de drempels overschrijdt die in het eerste lid of krachtens het tweede lid zijn vastgesteld, komt er een einde aan de in artikel 186 bedoelde toelating na een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van overschrijding van de hiervoor vermelde drempels.
§ 3. De werkgeversgroepering kan zijn werknemers enkel ter beschikking stellen van zijn leden.
In geval van staking of lock-out bij één van zijn leden, mag de werkgeversgroepering geen werknemers ter beschikking stellen of houden van dit lid.
De leden van de werkgeversgroepering zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale en sociale schulden van de werkgeversgroepering, zowel ten overstaan van derden, als ten aanzien van de werknemers die door de werkgeversgroepering ter beschikking worden gesteld van zijn leden.
§ 4. De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de werkgeversgroepering voor de toepassing van deze wet onderwerpen aan bijkomende voorwaarden.]1
- hetzij een vzw zoals bedoeld in Deel 3, Boek 9, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019;
- hetzij een vennootschap onder firma zoals bedoeld in Deel 2, Boek 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019.
Daarnaast moet de werkgeversgroepering het ter beschikking stellen van werknemers aan zijn leden als enig maatschappelijk doel hebben.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad voor de toepassing van deze wet toestaan dat de werkgeversgroepering andere doelen heeft dan het ter beschikking stellen van werknemers aan haar leden.
§ 2. De werkgeversgroepering mag niet meer dan vijftig werknemers tewerkstellen.
De Koning kan, op advies van de Nationale Arbeidsraad, deze drempel verhogen.
In geval van verhoging van de in het eerste lid bedoelde drempel kan de minister van Werk, zo hij dit nodig acht, het advies van de Nationale Arbeidsraad inwinnen met het oog op het geven van de in artikel 186 bedoelde toelating.
Wanneer de werkgeversgroepering de drempels overschrijdt die in het eerste lid of krachtens het tweede lid zijn vastgesteld, komt er een einde aan de in artikel 186 bedoelde toelating na een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van overschrijding van de hiervoor vermelde drempels.
§ 3. De werkgeversgroepering kan zijn werknemers enkel ter beschikking stellen van zijn leden.
In geval van staking of lock-out bij één van zijn leden, mag de werkgeversgroepering geen werknemers ter beschikking stellen of houden van dit lid.
De leden van de werkgeversgroepering zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de fiscale en sociale schulden van de werkgeversgroepering, zowel ten overstaan van derden, als ten aanzien van de werknemers die door de werkgeversgroepering ter beschikking worden gesteld van zijn leden.
§ 4. De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de werkgeversgroepering voor de toepassing van deze wet onderwerpen aan bijkomende voorwaarden.]1
Modifications
Art. 187. [1 § 1er. Pour bénéficier d'une autorisation visée à l'article 186, le groupement d'employeurs doit être constitué sous la forme juridique:
- soit d'une association sans but lucratif tel que prévu dans la Partie 3, Livre 9, du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019;
- soit d'une société en nom collectif tel que prévu dans la Partie 2, Livre 4, du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019.
En outre, le groupement d'employeurs doit avoir pour objet social unique la mise de travailleurs à la disposition de ses membres.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et après avis du Conseil national du Travail, permettre au groupement d'employeurs, pour l'application de la présente loi, d'avoir d'autres objets que la mise de travailleurs à la disposition de ses membres.
§ 2. Le groupement d'employeurs ne peut occuper plus de cinquante travailleurs.
Le Roi peut, sur avis du Conseil national du Travail, augmenter ce seuil.
En cas d'augmentation du seuil visé à l'alinéa 1er, le ministre du Travail peut demander, s'il l'estime nécessaire, l'avis du Conseil national du Travail en vue de l'autorisation visée à l'article 186.
Lorsque le groupement d'employeurs dépasse les seuils fixés à l'alinéa 1er ou en vertu de l'alinéa 2, l'autorisation visée à l'article 186 prend fin au terme d'un délai de trois mois à dater du dépassement des seuils susmentionnés.
§ 3. Le groupement d'employeurs ne peut mettre ses travailleurs à la disposition que de ses membres.
En cas de grève ou lock-out chez un de ses membres, le groupement d'employeurs ne peut pas mettre ou maintenir des travailleurs à la disposition de ce membre.
Les membres du groupement d'employeurs sont solidairement responsables des dettes fiscales et sociales du groupement d'employeurs à l'égard des tiers, ainsi qu'à l'égard des travailleurs qui sont mis à la disposition de ses membres par le groupement d'employeurs.
§ 4. Le Roi peut, après avis du Conseil national du Travail, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, soumettre le groupement d'employeurs à des conditions supplémentaires pour l'application de la présente loi.]1
- soit d'une association sans but lucratif tel que prévu dans la Partie 3, Livre 9, du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019;
- soit d'une société en nom collectif tel que prévu dans la Partie 2, Livre 4, du Code des sociétés et des associations du 23 mars 2019.
En outre, le groupement d'employeurs doit avoir pour objet social unique la mise de travailleurs à la disposition de ses membres.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et après avis du Conseil national du Travail, permettre au groupement d'employeurs, pour l'application de la présente loi, d'avoir d'autres objets que la mise de travailleurs à la disposition de ses membres.
§ 2. Le groupement d'employeurs ne peut occuper plus de cinquante travailleurs.
Le Roi peut, sur avis du Conseil national du Travail, augmenter ce seuil.
En cas d'augmentation du seuil visé à l'alinéa 1er, le ministre du Travail peut demander, s'il l'estime nécessaire, l'avis du Conseil national du Travail en vue de l'autorisation visée à l'article 186.
Lorsque le groupement d'employeurs dépasse les seuils fixés à l'alinéa 1er ou en vertu de l'alinéa 2, l'autorisation visée à l'article 186 prend fin au terme d'un délai de trois mois à dater du dépassement des seuils susmentionnés.
§ 3. Le groupement d'employeurs ne peut mettre ses travailleurs à la disposition que de ses membres.
En cas de grève ou lock-out chez un de ses membres, le groupement d'employeurs ne peut pas mettre ou maintenir des travailleurs à la disposition de ce membre.
Les membres du groupement d'employeurs sont solidairement responsables des dettes fiscales et sociales du groupement d'employeurs à l'égard des tiers, ainsi qu'à l'égard des travailleurs qui sont mis à la disposition de ses membres par le groupement d'employeurs.
§ 4. Le Roi peut, après avis du Conseil national du Travail, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, soumettre le groupement d'employeurs à des conditions supplémentaires pour l'application de la présente loi.]1
Modifications
Art. 188. [1 De arbeidsovereenkomst gesloten tussen de werkgever en de werknemer die ter beschikking worden gesteld van gebruikers moet schriftelijk worden vastgesteld voor de aanvang van de uitvoering van deze overeenkomst.
De arbeidsovereenkomst kan voor een onbepaalde duur, voor een bepaalde duur of voor een welbepaalde opdracht worden gesloten.
De wekelijkse arbeidsduur van de werknemer overeengekomen in de arbeidsovereenkomst bedoeld in het eerste lid kan niet minder dan negentien uur bedragen.
In de overeenkomst moet worden verduidelijkt dat de overeenkomst is gesloten met het oog op het ter beschikking stellen van de werknemer ten behoeve van gebruikers, leden van de werkgeversgroepering.]1
De arbeidsovereenkomst kan voor een onbepaalde duur, voor een bepaalde duur of voor een welbepaalde opdracht worden gesloten.
De wekelijkse arbeidsduur van de werknemer overeengekomen in de arbeidsovereenkomst bedoeld in het eerste lid kan niet minder dan negentien uur bedragen.
In de overeenkomst moet worden verduidelijkt dat de overeenkomst is gesloten met het oog op het ter beschikking stellen van de werknemer ten behoeve van gebruikers, leden van de werkgeversgroepering.]1
Modifications
Art. 188. [1 Le contrat de travail conclu entre l'employeur et le travailleur qui va être mis à la disposition d'utilisateurs doit être constaté par écrit avant le début de l'exécution de ce contrat.
Le contrat de travail peut être conclu à durée indéterminée, à durée déterminée ou pour un travail nettement défini.
La durée hebdomadaire de travail du travailleur convenue dans le contrat de travail visé à l'alinéa 1er ne peut être inférieure à dix-neuf heures.
Il doit être précisé dans le contrat de travail qu'il est conclu en vue de mettre le travailleur à la disposition d'utilisateurs membres du groupement d'employeurs.]1
Le contrat de travail peut être conclu à durée indéterminée, à durée déterminée ou pour un travail nettement défini.
La durée hebdomadaire de travail du travailleur convenue dans le contrat de travail visé à l'alinéa 1er ne peut être inférieure à dix-neuf heures.
Il doit être précisé dans le contrat de travail qu'il est conclu en vue de mettre le travailleur à la disposition d'utilisateurs membres du groupement d'employeurs.]1
Modifications
Art. 189. [1 In afwijking van artikel 37/2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer die ter beschikking is gesteld van een gebruiker in het kader van deze wet die, voor zijn aanwer-ving, langdurig niet-werkende werkzoekende, begunstigde van het leefloon of gerechtigde van financiële sociale bijstand was, met uitzondering van de werknemers belast met de leiding of het toezicht op andere werknemers ter beschikking gesteld van de gebruiker, een einde maken aan de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 188, mits een opzeggingstermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder langdurig niet-werkende werkzoekende, begunstigde van het leefloon of gerechtigde van financiële sociale bijstand.]1
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder langdurig niet-werkende werkzoekende, begunstigde van het leefloon of gerechtigde van financiële sociale bijstand.]1
Modifications
Art. 189. [1 Par dérogation à l'article 37/2 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le travailleur mis à la disposition d'un utilisateur dans le cadre de la présente loi qui, avant son engagement, était demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, bénéficiaire du revenu d'intégration sociale ou bénéficiaire de l'aide sociale financière, à l'exception des travailleurs chargés de la direction et de la surveillance des autres travailleurs mis à la disposition de l'utilisateur, peut mettre fin au contrat de travail visé à l'article 188, moyennant un préavis de sept jours suivant la notification.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, bénéficiaire du revenu d'intégration sociale ou bénéficiaire de l'aide sociale financière.]1
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, bénéficiaire du revenu d'intégration sociale ou bénéficiaire de l'aide sociale financière.]1
Modifications
Art. 190. [1 § 1. In de toelating die hij verleent krachtens artikel 186, bepaalt de minister van Werk het paritair orgaan, in voorkomend geval het paritair orgaan voor de bedienden en het paritair orgaan voor de werklieden, onder wiens bevoegdheid de werkgeversgroepering en zijn werknemers ressorteren.
§ 2. Als alle leden van de werkgeversgroepering onder hetzelfde paritair orgaan vallen, kan de minister van Werk geen ander paritair orgaan aanduiden.
§ 3. Als niet alle leden van de werkgeversgroepering onder hetzelfde paritair orgaan vallen, duidt de minister van Werk onder de paritaire organen waaronder de leden van de werkgeversgroepering vallen, het paritair orgaan aan van de werkgeversgroepering.
De werkgeversgroepering stelt in zijn aanvraag de koppeling met een paritair orgaan voor, onder deze waaronder zijn leden ressorteren.
Zo hij dit nodig acht, kan de minister van Werk het advies inwinnen van de Nationale Arbeidsraad.
De minister van Werk duidt het paritair orgaan aan in functie van het dossier, volgens één van de volgende criteria :
- het paritair orgaan van het lid of de leden van de groepering met het grootste volume aan uren bepaald in de terbeschikkingstelling;
- het paritair orgaan van het lid of de leden met het grootste volume van tewerkstelling van vaste werknemers.
Wanneer een nieuw lid dat niet onder een van de paritaire organen valt van de stichtende leden zich aansluit bij de groepering, moet een nieuwe aanvraag worden gedaan om na te gaan of de initieel vastgestelde koppeling met een paritair orgaan gerechtvaardigd blijft. De minister kan, zo hij dit nodig acht, het advies inwinnen van de Nationale Arbeidsraad. De initieel vastgestelde koppeling met het paritair orgaan blijft behouden gedurende de aanvraagprocedure.
§ 4. De minister kan de koppeling met een paritair orgaan wijzigen op basis van de feitelijke elementen die opgenomen zijn in het activiteitenrapport.]1
§ 2. Als alle leden van de werkgeversgroepering onder hetzelfde paritair orgaan vallen, kan de minister van Werk geen ander paritair orgaan aanduiden.
§ 3. Als niet alle leden van de werkgeversgroepering onder hetzelfde paritair orgaan vallen, duidt de minister van Werk onder de paritaire organen waaronder de leden van de werkgeversgroepering vallen, het paritair orgaan aan van de werkgeversgroepering.
De werkgeversgroepering stelt in zijn aanvraag de koppeling met een paritair orgaan voor, onder deze waaronder zijn leden ressorteren.
Zo hij dit nodig acht, kan de minister van Werk het advies inwinnen van de Nationale Arbeidsraad.
De minister van Werk duidt het paritair orgaan aan in functie van het dossier, volgens één van de volgende criteria :
- het paritair orgaan van het lid of de leden van de groepering met het grootste volume aan uren bepaald in de terbeschikkingstelling;
- het paritair orgaan van het lid of de leden met het grootste volume van tewerkstelling van vaste werknemers.
Wanneer een nieuw lid dat niet onder een van de paritaire organen valt van de stichtende leden zich aansluit bij de groepering, moet een nieuwe aanvraag worden gedaan om na te gaan of de initieel vastgestelde koppeling met een paritair orgaan gerechtvaardigd blijft. De minister kan, zo hij dit nodig acht, het advies inwinnen van de Nationale Arbeidsraad. De initieel vastgestelde koppeling met het paritair orgaan blijft behouden gedurende de aanvraagprocedure.
§ 4. De minister kan de koppeling met een paritair orgaan wijzigen op basis van de feitelijke elementen die opgenomen zijn in het activiteitenrapport.]1
Modifications
Art. 190. [1 § 1er. Dans son autorisation accordée en vertu de l'article 186, le ministre de l'Emploi détermine l'organe paritaire compétent, le cas échéant l'organe paritaire compétent pour les employés et l'organe paritaire compétent pour les ouvriers, dont relèvent le groupement d'employeurs et ses travailleurs.
§ 2. Si tous les membres du groupement d'employeurs relèvent du même organe paritaire, le ministre de l'Emploi ne peut désigner un autre organe paritaire.
§ 3. Si tous les membres du groupement d'employeurs ne relèvent pas du même organe paritaire, le ministre de l'Emploi désigne l'organe paritaire du groupement d'employeurs parmi les organes paritaires dont relèvent les membres du groupement d'employeurs.
Le groupement d'employeurs propose, dans sa demande, le rattachement à un organe paritaire parmi ceux dont ses membres relèvent.
S'il l'estime nécessaire, le ministre de l'Emploi peut demander l'avis du Conseil national du Travail.
Le ministre de l'Emploi détermine l'organe paritaire en fonction du dossier, selon un des critères suivants :
- l'organe paritaire d'un ou plusieurs membres du groupement avec le plus grand volume horaire prévu dans la mise à disposition;
- l'organe paritaire d'un ou plusieurs membres avec le plus grand volume d'emploi de travailleurs permanents.
Si un nouveau membre ne relevant pas de l'un des organes paritaires des membres fondateurs s'adjoint au groupement, une nouvelle demande doit être faite afin de vérifier si le rattachement à l'organe paritaire initialement déterminé reste justifié. Le ministre, s'il l'estime nécessaire, peut demander l'avis du Conseil national du Travail. Le rattachement à l'organe paritaire initialement déterminé est maintenu au cours de la procédure de demande.
§ 4. Le ministre peut modifier le rattachement à l'organe paritaire sur la base des éléments de fait communiqués dans le rapport d'activités.]1
§ 2. Si tous les membres du groupement d'employeurs relèvent du même organe paritaire, le ministre de l'Emploi ne peut désigner un autre organe paritaire.
§ 3. Si tous les membres du groupement d'employeurs ne relèvent pas du même organe paritaire, le ministre de l'Emploi désigne l'organe paritaire du groupement d'employeurs parmi les organes paritaires dont relèvent les membres du groupement d'employeurs.
Le groupement d'employeurs propose, dans sa demande, le rattachement à un organe paritaire parmi ceux dont ses membres relèvent.
S'il l'estime nécessaire, le ministre de l'Emploi peut demander l'avis du Conseil national du Travail.
Le ministre de l'Emploi détermine l'organe paritaire en fonction du dossier, selon un des critères suivants :
- l'organe paritaire d'un ou plusieurs membres du groupement avec le plus grand volume horaire prévu dans la mise à disposition;
- l'organe paritaire d'un ou plusieurs membres avec le plus grand volume d'emploi de travailleurs permanents.
Si un nouveau membre ne relevant pas de l'un des organes paritaires des membres fondateurs s'adjoint au groupement, une nouvelle demande doit être faite afin de vérifier si le rattachement à l'organe paritaire initialement déterminé reste justifié. Le ministre, s'il l'estime nécessaire, peut demander l'avis du Conseil national du Travail. Le rattachement à l'organe paritaire initialement déterminé est maintenu au cours de la procédure de demande.
§ 4. Le ministre peut modifier le rattachement à l'organe paritaire sur la base des éléments de fait communiqués dans le rapport d'activités.]1
Modifications
Art. 190/1. [1 § 1. Voor de werkgeversgroeperingen waarvoor de drempel werd verhoogd zoals bedoeld in [2 artikel 187, § 2, tweede lid]2, kan de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de toepassing opleggen van artikel 32, § 4, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
§ 2. Voor de werkgeversgroeperingen waarvoor de drempel werd verhoogd zoals bedoeld in [2 artikel 187, § 2, tweede lid]2, kan de Koning, onder de door Hem vastgestelde voorwaarden, opleggen dat een beroep wordt gedaan op de tussenkomst van een externe organisator die de hoedanigheid van arbeidsmarktspecialist heeft.
De externe organisator mag geen lid zijn van de werkgeversgroepering.
Indien die externe organisator ook activiteiten van uitzendarbeid uitoefent in de zin van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, is de reglementering rond uitzendarbeid niet van toepassing op de activiteiten die uitsluitend verricht worden in het kader van de werkgeversgroepering.]1
§ 2. Voor de werkgeversgroeperingen waarvoor de drempel werd verhoogd zoals bedoeld in [2 artikel 187, § 2, tweede lid]2, kan de Koning, onder de door Hem vastgestelde voorwaarden, opleggen dat een beroep wordt gedaan op de tussenkomst van een externe organisator die de hoedanigheid van arbeidsmarktspecialist heeft.
De externe organisator mag geen lid zijn van de werkgeversgroepering.
Indien die externe organisator ook activiteiten van uitzendarbeid uitoefent in de zin van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, is de reglementering rond uitzendarbeid niet van toepassing op de activiteiten die uitsluitend verricht worden in het kader van de werkgeversgroepering.]1
Art. 190/1. [1 § 1er. Pour les groupements d'employeurs visés par une augmentation du seuil visée à l'[2 article 187, § 2, alinéa 2]2, le Roi peut, après avis du Conseil national du Travail, imposer l'application de l'article 32, § 4, de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs pour les groupements d'employeurs.
§ 2. Pour les groupements d'employeurs visés par une augmentation du seuil visée à l'[2 article 187, § 2, alinéa 2]2, le Roi peut imposer, dans les conditions qu'Il détermine, de faire appel à l'intervention d'un organisateur externe en tant que spécialiste du marché du travail.
L'organisateur externe ne peut être membre du groupement d'employeurs.
Si cet organisateur externe exerce également des activités de travail intérimaire au sens de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, la règlementation sur le travail intérimaire ne s'applique pas aux activités exercées dans le cadre exclusif du groupement d'employeurs.]1
§ 2. Pour les groupements d'employeurs visés par une augmentation du seuil visée à l'[2 article 187, § 2, alinéa 2]2, le Roi peut imposer, dans les conditions qu'Il détermine, de faire appel à l'intervention d'un organisateur externe en tant que spécialiste du marché du travail.
L'organisateur externe ne peut être membre du groupement d'employeurs.
Si cet organisateur externe exerce également des activités de travail intérimaire au sens de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, la règlementation sur le travail intérimaire ne s'applique pas aux activités exercées dans le cadre exclusif du groupement d'employeurs.]1
Art. 191. De gebruiker is ten aanzien van de werknemer die hem ter beschikking is gesteld verantwoordelijk voor de verplichtingen bepaald in artikel 19, eerste en tweede lid van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
Art. 191. L'utilisateur est responsable à l'égard du travailleur mis à sa disposition, des obligations prévues à l'article 19, alinéas 1er et 2 de la loi du 24 juillet 1987, sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs.
Art. 192. De overeenkomst gesloten tussen de werkgeversgroepering en de gebruiker moet schriftelijk worden vastgesteld voor het ogenblik waarop de werknemer ter beschikking wordt gesteld van de gebruiker.
Zij bepaalt de duur van de terbeschikkingstelling, die de geldigheidsduur van de door de minister verleende goedkeuring niet mag overschrijden. De overeenkomst kan worden hernieuwd binnen de grenzen van de toelating die door de minister werd verleend.
Zij bepaalt de duur van de terbeschikkingstelling, die de geldigheidsduur van de door de minister verleende goedkeuring niet mag overschrijden. De overeenkomst kan worden hernieuwd binnen de grenzen van de toelating die door de minister werd verleend.
Art. 192. Le contrat conclu entre le groupement d'employeur et l'utilisateur doit être constaté par écrit avant que le travailleur ne soit mis a la disposition de l'utilisateur.
Il détermine la durée de la mise a la disposition qui ne peut excéder la période de validité de l'autorisation donnée par le ministre. Le contrat peut être renouvelé, dans les limites de l'autorisation donnée par le ministre.
Il détermine la durée de la mise a la disposition qui ne peut excéder la période de validité de l'autorisation donnée par le ministre. Le contrat peut être renouvelé, dans les limites de l'autorisation donnée par le ministre.
Art.192/1.[1 Wanneer de arbeidsprestaties van een werknemer, die ter beschikking werd gesteld van een gebruiker moeten worden uitgevoerd in Zwitserland of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België, dan informeert de gebruiker de werkgeversgroepering, via geschrift op papier of op elektronische wijze, voorafgaand aan de uitvoering van de arbeidsprestaties over de andere staat of staten dan België waar de arbeidsprestaties moeten worden verricht.
[2 ...]2
De inbreuken op het eerste lid worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.]1
[2 ...]2
De inbreuken op het eerste lid worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.]1
Art.192/1.[1 Lorsque des prestations de travail doivent être effectuées dans un Etat membre de l'Espace économique européen autre que la Belgique ou en Suisse par un travailleur mis à disposition d'un utilisateur, ledit utilisateur communique au groupement d'employeurs, par écrit ou par voie électronique, dans quel(s) Etat(s) autre(s) que la Belgique les prestations de travail précitées seront exécutées, préalablement à une telle exécution.
[2 ...]2
Les infractions à l'alinéa 1er sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.]1
[2 ...]2
Les infractions à l'alinéa 1er sont recherchées, constatées et sanctionnées conformément au Code pénal social.]1
Art. 193. _ De gebruiker en de hem ter beschikking gestelde werknemer worden verondersteld een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te hebben aangegaan wanneer :
1° de gebruiker een werknemer verder blijft tewerkstellen terwijl de werkgeversgroepering hem kennis heeft gegeven van haar beslissing om die werknemer terug te trekken;
2° de werknemer door de gebruiker wordt tewerkgesteld buiten de periode bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 192 of buiten de geldingsduur van de door de minister verleende toelating.
1° de gebruiker een werknemer verder blijft tewerkstellen terwijl de werkgeversgroepering hem kennis heeft gegeven van haar beslissing om die werknemer terug te trekken;
2° de werknemer door de gebruiker wordt tewerkgesteld buiten de periode bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 192 of buiten de geldingsduur van de door de minister verleende toelating.
Art. 193. L'utilisateur et le travailleur mis à sa disposition sont considérés comme engagés dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée lorsque :
1° l'utilisateur continue à occuper un travailleur alors que le groupement d'employeurs lui a notifié sa décision de retirer ce travailleur;
2° le travailleur est occupé par l'utilisateur en dehors de la période prévue par le contrat visé à l'article 192 ou en dehors de la période de validité de l'autorisation donnée par le ministre.
1° l'utilisateur continue à occuper un travailleur alors que le groupement d'employeurs lui a notifié sa décision de retirer ce travailleur;
2° le travailleur est occupé par l'utilisateur en dehors de la période prévue par le contrat visé à l'article 192 ou en dehors de la période de validité de l'autorisation donnée par le ministre.
Art.193/1. [1 De bepalingen van deze afdeling worden na vier jaar geëvalueerd in de schoot van de Nationale Arbeidsraad.]1
Art.193/1. [1 Les dispositions de la présente section sont évaluées après quatre ans au sein du Conseil national du Travail.]1
Modifications
Afdeling II. -- Invoeginterim.
Section II. - Intérim d'insertion.
Art. 194. § 1. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling I van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het terbeschikkingstellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kan een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden gesloten tussen het uitzendkantoor en een langdurig niet-werkende werkzoekende, een bestaansminimumtrekker of een gerechtigde van de financiële sociale bijstand.
De Koning bepaalt wat onder langdurig niet-werkende werkzoekende, bestaansminimumtrekker of gerechtigde van de financiële sociale bijstand moet worden verstaan.
§ 2. Deze overeenkomst is onderworpen aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Evenwel, telkens de werknemer ter beschikking wordt gesteld van een gebruiker, moet, op het ogenblik waarop de terbeschikkingstelling een aanvang neemt, een aanpassing bij de arbeidsovereenkomst worden opgesteld die overeenstemt met de bepalingen van artikel 9 van de wet van 24 juli 1987.
In afwijking van de artikelen 40, 59 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer de in paragraaf 1 bedoelde arbeidsovereenkomst beëindigen mits een opzegtermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening, indien hij een andere baan heeft gevonden.
§ 3. Gedurende de terbeschikkingstelling van de werknemer aan de gebruiker, zijn de bepalingen van hoofdstuk Il van de wet van 24 juli 1987, met uitzondering van deze betreffende het einde van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid, van toepassing om de rechten en de verplichtingen van de werknemer, het uitzendkantoor en de gebruiker te regelen.
De Koning bepaalt wat onder langdurig niet-werkende werkzoekende, bestaansminimumtrekker of gerechtigde van de financiële sociale bijstand moet worden verstaan.
§ 2. Deze overeenkomst is onderworpen aan de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Evenwel, telkens de werknemer ter beschikking wordt gesteld van een gebruiker, moet, op het ogenblik waarop de terbeschikkingstelling een aanvang neemt, een aanpassing bij de arbeidsovereenkomst worden opgesteld die overeenstemt met de bepalingen van artikel 9 van de wet van 24 juli 1987.
In afwijking van de artikelen 40, 59 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de werknemer de in paragraaf 1 bedoelde arbeidsovereenkomst beëindigen mits een opzegtermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening, indien hij een andere baan heeft gevonden.
§ 3. Gedurende de terbeschikkingstelling van de werknemer aan de gebruiker, zijn de bepalingen van hoofdstuk Il van de wet van 24 juli 1987, met uitzondering van deze betreffende het einde van de arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid, van toepassing om de rechten en de verplichtingen van de werknemer, het uitzendkantoor en de gebruiker te regelen.
Art. 194. § 1er. Par dérogation aux dispositions du chapitre II, section 1re de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs a la disposition d'utilisateurs, un contrat de travail à durée indéterminée et à temps plein peut être conclu entre l'entreprise de travail intérimaire et un demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, un bénéficiaire du minimum de moyens d'existence ou un bénéficiaire de l'aide sociale financière.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par demandeur d'emploi inoccupé de longue duree, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence ou bénéficiaire de l'aide sociale financière.
§ 2. Ce contrat est soumis aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Toutefois, à chaque fois que le travailleur est mis à la disposition d'un utilisateur, il doit être établi, le jour où débute la mise à la disposition, un avenant au contrat de travail, conforme aux dispositions de l'article 9 de la loi du 24 juillet 1987.
Par dérogation aux articles 40, 59 et 82 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le travailleur peut mettre fin au contrat de travail visé au paragraphe 1er, moyennant un préavis de sept jours prenant cours le jour suivant la notification, s'il a trouvé un autre emploi.
§ 3. Pendant la mise de ce travailleur à la disposition d'un utilisateur, les dispositions du chapitre II de la loi du 24 juillet 1987 s'appliquent pour régler les droits et les obligations du travailleur, de l'entreprise de travail intérimaire et de l'utilisateur, à l'exception de celles relatives a la fin du contrat de travail intérimaire.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par demandeur d'emploi inoccupé de longue duree, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence ou bénéficiaire de l'aide sociale financière.
§ 2. Ce contrat est soumis aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Toutefois, à chaque fois que le travailleur est mis à la disposition d'un utilisateur, il doit être établi, le jour où débute la mise à la disposition, un avenant au contrat de travail, conforme aux dispositions de l'article 9 de la loi du 24 juillet 1987.
Par dérogation aux articles 40, 59 et 82 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, le travailleur peut mettre fin au contrat de travail visé au paragraphe 1er, moyennant un préavis de sept jours prenant cours le jour suivant la notification, s'il a trouvé un autre emploi.
§ 3. Pendant la mise de ce travailleur à la disposition d'un utilisateur, les dispositions du chapitre II de la loi du 24 juillet 1987 s'appliquent pour régler les droits et les obligations du travailleur, de l'entreprise de travail intérimaire et de l'utilisateur, à l'exception de celles relatives a la fin du contrat de travail intérimaire.
Art. 195. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 oktober 2000.
Wanneer op deze datum geen collectieve arbeidsovereenkomst tot vaststelling van de loonsvoorwaarden van de uitzendkrachten bedoeld in artikel 194 tijdens de periodes gedurende dewelke zij niet ter beschikking worden gesteld van een gebruiker, is kunnen gesloten worden in de schoot van het paritair comité van de uitzendarbeid, duidt de Koning een paritair comité als referentie aan waarvan de loonsvoorwaarden van toepassing zullen zijn op de uitzendkrachten bedoeld in artikel 194.
Wanneer op deze datum geen collectieve arbeidsovereenkomst tot vaststelling van de loonsvoorwaarden van de uitzendkrachten bedoeld in artikel 194 tijdens de periodes gedurende dewelke zij niet ter beschikking worden gesteld van een gebruiker, is kunnen gesloten worden in de schoot van het paritair comité van de uitzendarbeid, duidt de Koning een paritair comité als referentie aan waarvan de loonsvoorwaarden van toepassing zullen zijn op de uitzendkrachten bedoeld in artikel 194.
Art. 195. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er octobre 2000.
Si à cette date, une convention collective de travail réglant les conditions de rémunération des travailleurs intérimaires visés à l'article 194 pendant les périodes pendant lesquelles ils ne sont pas mis à la disposition d'un utilisateur, n'a pu être conclue au sein de la commission paritaire pour le travail intérimaire, le Roi détermine une commission paritaire de référence dont les conditions de rémunération s'appliqueront aux travailleurs intérimaires visés à l'article 194.
Si à cette date, une convention collective de travail réglant les conditions de rémunération des travailleurs intérimaires visés à l'article 194 pendant les périodes pendant lesquelles ils ne sont pas mis à la disposition d'un utilisateur, n'a pu être conclue au sein de la commission paritaire pour le travail intérimaire, le Roi détermine une commission paritaire de référence dont les conditions de rémunération s'appliqueront aux travailleurs intérimaires visés à l'article 194.
Art. 195/1_VLAAMS_GEWEST. [1 Het toezicht en de controle op de uitvoering van artikel 194 en 195 van deze wet, en de uitvoeringsbesluiten van de voormelde bepalingen, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.]1
Art. 195/1 _REGION_FLAMANDE.
[1 La surveillance et le contrôle de l'exécution des articles 194 et 195 de la présente loi et des arrêtés d'exécution des dispositions précitées sont exécutés conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.]1
[1 La surveillance et le contrôle de l'exécution des articles 194 et 195 de la présente loi et des arrêtés d'exécution des dispositions précitées sont exécutés conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.]1
Art. 195/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen bevoegd voor de socialezekerheidsbijdragen of voor werkloosheidsuitkeringen, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke bijstand, die ter zake de enige administratieve en technische operatoren zijn, controleren de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren de uitvoering van de artikelen 194 en 195, en de uitvoeringsmaatregelen daarvan, en houden toezicht op de naleving ervan.
Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1
Deze ambtenaren oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1
Art. 195/1 _REGION_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour les allocations de chômage, l'intégration sociale ou l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques, les fonctionnaires désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale contrôlent l'application des articles 194 et 195 et leurs mesures d'exécution, et surveillent le respect de ceux-ci.
Ces fonctionnaires exercent ce contrôle ou cette surveillance conformément aux dispositions de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations.]1
[1 Sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour les allocations de chômage, l'intégration sociale ou l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques, les fonctionnaires désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale contrôlent l'application des articles 194 et 195 et leurs mesures d'exécution, et surveillent le respect de ceux-ci.
Ces fonctionnaires exercent ce contrôle ou cette surveillance conformément aux dispositions de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations.]1
HOOFDSTUK XII. - Wijzigingen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en aan de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen beogende de omzetting van de richtlijn 91/533 " Elementen van bewijs van de arbeidsverhouding ", aangenomen door de Raad van 17 oktober 1991.
CHAPITRE XII. - Modifications à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et à la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail visant la transposition de la directive 91/533 " Eléments de preuve de la relation du travail ", adoptée par le Conseil en date du 17 octobre 1991.
Art. 196. Een artikel 20bis, luidend als volgt, wordt in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ingevoegd :
" Art. 20bis. Wanneer de werknemer in een ander land langer dan één maand moet werken, moet de werkgever aan de werknemer voor diens vertrek een schriftelijk document overhandigen dat volgende gegevens bevat :
- de duur van het werk in het buitenland;
- de muntsoort waarin het loon wordt uitbetaald;
- de eventuele voordelen die aan de opdracht in het buitenland zijn verbonden;
- in voorkomend geval de voorwaarden van de terugkeer van de werknemer naar zijn land. ".
" Art. 20bis. Wanneer de werknemer in een ander land langer dan één maand moet werken, moet de werkgever aan de werknemer voor diens vertrek een schriftelijk document overhandigen dat volgende gegevens bevat :
- de duur van het werk in het buitenland;
- de muntsoort waarin het loon wordt uitbetaald;
- de eventuele voordelen die aan de opdracht in het buitenland zijn verbonden;
- in voorkomend geval de voorwaarden van de terugkeer van de werknemer naar zijn land. ".
Art. 196. Un article 20bis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail :
" Art. 20bis. Lorsque le travailleur est amené à exercer son travail dans un pays étranger pour une durée qui excède un mois, l'employeur est tenu de remettre au travailleur, avant son départ, un écrit constatant :
- la durée du travail exercée à l'étranger;
- la devise servant au paiement de la rémunération;
- les avantages éventuels lies à la mission à l'étranger;
- le cas échéant les conditions de rapatriement du travailleur. ".
" Art. 20bis. Lorsque le travailleur est amené à exercer son travail dans un pays étranger pour une durée qui excède un mois, l'employeur est tenu de remettre au travailleur, avant son départ, un écrit constatant :
- la durée du travail exercée à l'étranger;
- la devise servant au paiement de la rémunération;
- les avantages éventuels lies à la mission à l'étranger;
- le cas échéant les conditions de rapatriement du travailleur. ".
Art. 197. Artikel 6, 4°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 4° a) de duur van de opzeggingstermijnen of de nadere regelen voor het bepalen van de opzeggingstermijnen of de verwijzing naar de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake;
b) de dringende redenen die de verbreking van de overeenkomst door de ene of de andere partij zonder opzegging rechtvaardigen, onder voorbehoud van de beoordelingsbevoegdheid van de rechtbanken; ".
" 4° a) de duur van de opzeggingstermijnen of de nadere regelen voor het bepalen van de opzeggingstermijnen of de verwijzing naar de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake;
b) de dringende redenen die de verbreking van de overeenkomst door de ene of de andere partij zonder opzegging rechtvaardigen, onder voorbehoud van de beoordelingsbevoegdheid van de rechtbanken; ".
Art. 197. L'article 6, 4°, de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail est remplacé par la disposition suivante :
" 4° a) la durée des délais de préavis ou les modalités de détermination des délais de préavis ou la référence aux dispositions légales et réglementaires en la matière;
b) les motifs graves pouvant justifier la rupture du contrat sans préavis par l'une ou l'autre des parties, sous réserve du pouvoir d'appréciation par les tribunaux; ".
" 4° a) la durée des délais de préavis ou les modalités de détermination des délais de préavis ou la référence aux dispositions légales et réglementaires en la matière;
b) les motifs graves pouvant justifier la rupture du contrat sans préavis par l'une ou l'autre des parties, sous réserve du pouvoir d'appréciation par les tribunaux; ".
Art. 198. Artikel 6, 10°, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 10° a) de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regelen voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
b) de data van de jaarlijkse collectieve vakantie; ".
" 10° a) de duur van de jaarlijkse vakantie evenals de nadere regelen voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake;
b) de data van de jaarlijkse collectieve vakantie; ".
Art. 198. L'article 6, 10°, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" 10° a) la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
b) la date des vacances annuelles collectives; ".
" 10° a) la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière;
b) la date des vacances annuelles collectives; ".
Art. 199. Artikel 6 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
" 16° de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden. ".
" 16° de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden. ".
Art. 199. L'article 6 de la même loi est complété comme suit :
" 16° la mention des conventions collectives de travail et/ou accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et régissant les conditions de travail. ".
" 16° la mention des conventions collectives de travail et/ou accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et régissant les conditions de travail. ".
Art. 200. Artikel 14, 2°, p), van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" p) de duur van de jaarlijkse vakantie alsook de nadere regelen voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake en de data van de jaarlijkse collectieve vakantie. ".
" p) de duur van de jaarlijkse vakantie alsook de nadere regelen voor toekenning van deze vakantie of de verwijzing naar de wettelijke bepalingen terzake en de data van de jaarlijkse collectieve vakantie. ".
Art. 200. L'article 14, 2°, p), de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" p) la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière et la date des vacances annuelles collectives. ".
" p) la durée des vacances annuelles ainsi que les modalités d'attribution de ces vacances ou la référence aux dispositions légales en la matière et la date des vacances annuelles collectives. ".
Art. 201. Artikel 14, 2°, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
" q) de duur van de opzeggingstermijnen of de nadere regelen voor het bepalen van de opzeggingstermijnen of de verwijzing naar de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake;
r) de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden. ".
" q) de duur van de opzeggingstermijnen of de nadere regelen voor het bepalen van de opzeggingstermijnen of de verwijzing naar de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake;
r) de vermelding van de collectieve arbeidsovereenkomsten en/of collectieve akkoorden gesloten in de onderneming en die van toepassing zijn op de werkomstandigheden. ".
Art. 201. L'article 14, 2°, de la même loi est complété comme suit :
" q) la durée des délais de préavis ou les modalités de détermination des délais de préavis ou la référence aux dispositions légales et réglementaires en la matière;
r) la mention des conventions collectives de travail et/ou accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et régissant les conditions de travail. ".
" q) la durée des délais de préavis ou les modalités de détermination des délais de préavis ou la référence aux dispositions légales et réglementaires en la matière;
r) la mention des conventions collectives de travail et/ou accords collectifs conclus au sein de l'entreprise et régissant les conditions de travail. ".
HOOFDSTUK XIII. - Activering van werkloosheidsuitkeringen.
CHAPITRE XIII. - Activation des allocations de chômage.
Art. 202. In artikel 7, § 1bis van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een nieuw vijfde en laatste lid toegevoegd, luidend als volgt :
" Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject. ".
" Voor de inschakelingsprojecten die Hij bepaalt, kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten die Hij vaststelt, de werkgever, die overeenkomstig het derde lid de uitkering in mindering mag brengen op het loon van de werknemer, verplichten het overeenkomstig bedrag over te maken aan de derde, die het recht op werk garandeert van de werkloze die wordt tewerkgesteld in het inschakelingsproject. ".
Art. 202. L'article 7, § 1erbis de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs, est complété par un alinéa, libellé comme suit :
" Pour les projets d'insertion qu'il fixe, le Roi peut, conformément aux conditions et modalités qu'il détermine, obliger l'employeur, qui, conformément à l'alinéa 3, peut déduire l'allocation sur le salaire du travailleur, à transferer le montant correspondant au tiers, qui garantit le droit au travail du chômeur mis au travail dans le projet d'insertion. ".
" Pour les projets d'insertion qu'il fixe, le Roi peut, conformément aux conditions et modalités qu'il détermine, obliger l'employeur, qui, conformément à l'alinéa 3, peut déduire l'allocation sur le salaire du travailleur, à transferer le montant correspondant au tiers, qui garantit le droit au travail du chômeur mis au travail dans le projet d'insertion. ".
TITEL XI. - Maatschappelijke integratie en sociale economie.
TITRE XI. - Intégration sociale et économie sociale.
HOOFDSTUK I. - Bestaansminimum.
CHAPITRE 1. - Minimum de moyens d'existence.
Art. 203. In artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 5 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd luidende :
" Voor de integratieprogramma's bepaald door de Koning, mag de betaling van het bestaansminimum rechtstreeks aan de werkgever gebeuren of aan de instelling dat het recht op werk garandeert. ";
2° in § 5, in het vroegere tweede lid, dat het derde lid is geworden, worden de woorden " het eerste lid " vervangen door de woorden " het eerste en het tweede lid ";
3° in § 5bis, vierde lid, van hetzelfde artikel, worden de woorden " zoals bedoeld in paragraaf 5, eerste lid " vervangen door de woorden " zoals bedoeld in paragraaf 5, eerste en tweede lid ".
1° in § 5 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd luidende :
" Voor de integratieprogramma's bepaald door de Koning, mag de betaling van het bestaansminimum rechtstreeks aan de werkgever gebeuren of aan de instelling dat het recht op werk garandeert. ";
2° in § 5, in het vroegere tweede lid, dat het derde lid is geworden, worden de woorden " het eerste lid " vervangen door de woorden " het eerste en het tweede lid ";
3° in § 5bis, vierde lid, van hetzelfde artikel, worden de woorden " zoals bedoeld in paragraaf 5, eerste lid " vervangen door de woorden " zoals bedoeld in paragraaf 5, eerste en tweede lid ".
Art. 203. A l'article 2 de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, modifié par les lois du 22 février 1998, 25 janvier 1999 et du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 5, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Pour les programmes d'insertion déterminés par le Roi, le paiement du minimex peut être effectué directement à l'employeur ou à l'organisme qui garantit le droit au travail ";
2° au § 5, alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 3, les mots " alinéa 1er " sont remplacés par les mots " alinéas 1er et 2 ";
3° au § 5bis, alinéa 4, du même article, les termes " visé au paragraphe 5, alinéa 1er " sont remplacés par les mots " visé au paragraphe 5, alinéas 1er et 2 ".
1° au § 5, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Pour les programmes d'insertion déterminés par le Roi, le paiement du minimex peut être effectué directement à l'employeur ou à l'organisme qui garantit le droit au travail ";
2° au § 5, alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 3, les mots " alinéa 1er " sont remplacés par les mots " alinéas 1er et 2 ";
3° au § 5bis, alinéa 4, du même article, les termes " visé au paragraphe 5, alinéa 1er " sont remplacés par les mots " visé au paragraphe 5, alinéas 1er et 2 ".
Art. 204. In artikel 18, § 4, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " aan 100 % " vervangen door de woorden " aan het bedrag van het bestaansminimum bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de wet ";
2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan het bedrag van de toelage verhogen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling en er de voorwaarden van, bepalen. ".
1° in het eerste lid worden de woorden " aan 100 % " vervangen door de woorden " aan het bedrag van het bestaansminimum bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de wet ";
2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan het bedrag van de toelage verhogen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling en er de voorwaarden van, bepalen. ".
Art. 204. A l'article 18, § 4, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, les mots " à 100 % " sont remplacés par les mots " au montant du minimum de moyens d'existence fixé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi ";
2° l'alinéa 1er est complété comme suit :
" Le Roi peut porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des mises au travail de réinsertion sociale. ".
1° à l'alinéa 1er, les mots " à 100 % " sont remplacés par les mots " au montant du minimum de moyens d'existence fixé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi ";
2° l'alinéa 1er est complété comme suit :
" Le Roi peut porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des mises au travail de réinsertion sociale. ".
Art. 205. In artikel 5, § 4, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994, 25 januari 1999 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid worden de woorden " aan 100 % " vervangen door de woorden " aan het bedrag van het bestaansminimum bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum ";
2° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan het bedrag van de toelage verhogen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling en er de voorwaarden van, bepalen. ".
1° in het derde lid worden de woorden " aan 100 % " vervangen door de woorden " aan het bedrag van het bestaansminimum bepaald in artikel 2, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum ";
2° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
" De Koning kan het bedrag van de toelage verhogen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling en er de voorwaarden van, bepalen. ".
Art. 205. A l'article 5, § 4, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, inséré par la loi du 20 juillet 1991 et modifié par les lois du 24 mai 1994, du 25 janvier 1999 et du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 3, les mots " à 100 % " sont remplacés par les mots " au montant du minimum de moyens d'existence fixé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence ";
2° l'alinéa 3 est complété comme suit :
" Le Roi peut porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des mises au travail de réinsertion sociale. ".
1° à l'alinéa 3, les mots " à 100 % " sont remplacés par les mots " au montant du minimum de moyens d'existence fixé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence ";
2° l'alinéa 3 est complété comme suit :
" Le Roi peut porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des mises au travail de réinsertion sociale. ".
Art. 206. In artikel 12, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 december 1986, worden de woorden " of artikel 5, 2°, ", vervangen door de woorden " of van artikel 5, § 1, 2°, en § 4, tweede lid, ".
Art. 206. A l'article 12, alinéa 3 de la même loi, inséré par la loi du 15 décembre 1986, les mots " ou de l'article 5, 2° ", sont remplacés par les mots " ou de l'article 5, § 1er, 2°, et § 4, alinéa 2, ".
Art. 207. In artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" Voor de integratieprogramma's bepaald door de Koning mag de betaling van het bestaansminimum rechtstreeks aan de werkgever gebeuren of aan de instelling die het recht op werk garandeert. ";
2° in § 2, in het vroeger tweede lid, dat het derde lid is geworden, vervallen de woorden " door hetzelfde besluit ";
3° in § 3, vierde lid, worden de woorden " de financiële steun in § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " de financiële hulp in § 2, eerste en tweede lid ".
1° in paragraaf 2, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" Voor de integratieprogramma's bepaald door de Koning mag de betaling van het bestaansminimum rechtstreeks aan de werkgever gebeuren of aan de instelling die het recht op werk garandeert. ";
2° in § 2, in het vroeger tweede lid, dat het derde lid is geworden, vervallen de woorden " door hetzelfde besluit ";
3° in § 3, vierde lid, worden de woorden " de financiële steun in § 2, eerste lid " vervangen door de woorden " de financiële hulp in § 2, eerste en tweede lid ".
Art. 207. A l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale, modifié par la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° au paragraphe 2, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Pour les programmes d'insertion déterminés par le Roi, le paiement du montant financier de l'aide sociale peut être effectué directement à l'employeur ou à l'organisme qui garantit le droit au travail ";
2° à l'ancien § 2, alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les termes " par le même arrêté " sont supprimés;
3° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots " l'aide financière au § 2, alinéa 1er " sont remplacés par les mots " l'aide financière au § 2, alinéas 1er et 2 ".
1° au paragraphe 2, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Pour les programmes d'insertion déterminés par le Roi, le paiement du montant financier de l'aide sociale peut être effectué directement à l'employeur ou à l'organisme qui garantit le droit au travail ";
2° à l'ancien § 2, alinéa 2, qui devient l'alinéa 3, les termes " par le même arrêté " sont supprimés;
3° au paragraphe 3, alinéa 4, les mots " l'aide financière au § 2, alinéa 1er " sont remplacés par les mots " l'aide financière au § 2, alinéas 1er et 2 ".
Art. 208. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2000.
Art. 208. Ce chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2000.
HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen aan de Gehandicapten.
CHAPITRE II. - Allocations aux handicapés.
Art. 209. In artikel 28 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989 en 30 december 1992 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden " waaraan een tegemoetkoming is toegekend " vervangen door de woorden " waaraan een gewone tegemoetkoming, bijzondere tegemoetkoming, en/of een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 juni 1969, is toegekend ";
2° het derde en het vierde lid worden vervangen door de volgende leden :
" De personen met een handicap die recht hebben op een aanvullende tegemoetkoming, op een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen aan bejaarden en/of op een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, blijven hun tegemoetkomingen behouden ter hoogte van het bedrag uitbetaald door de Rijksdienst voor Pensioenen op datum van 30 juni 2000 totdat er voor hen een beslissing bij toepassing van deze wet genomen wordt ter gelegenheid van een herziening op hun aanvraag of ambtshalve.
De bedragen bedoeld in de vorige paragraaf variëren echter conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. ".
1° in het tweede lid worden de woorden " waaraan een tegemoetkoming is toegekend " vervangen door de woorden " waaraan een gewone tegemoetkoming, bijzondere tegemoetkoming, en/of een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 juni 1969, is toegekend ";
2° het derde en het vierde lid worden vervangen door de volgende leden :
" De personen met een handicap die recht hebben op een aanvullende tegemoetkoming, op een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen aan bejaarden en/of op een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, blijven hun tegemoetkomingen behouden ter hoogte van het bedrag uitbetaald door de Rijksdienst voor Pensioenen op datum van 30 juni 2000 totdat er voor hen een beslissing bij toepassing van deze wet genomen wordt ter gelegenheid van een herziening op hun aanvraag of ambtshalve.
De bedragen bedoeld in de vorige paragraaf variëren echter conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. ".
Art. 209. Dans l'article 28 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, modifié par les lois des 22 décembre 1989 et 30 décembre 1992, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 2, les mots " ordinaire, spéciale, et/ou une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, visés à l'article 2 de la loi du 27 juin 1969 " sont insérés entre les mots " une allocation " et " qui a pris cours ";
2° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Les handicapés qui bénéficient d'une allocation complémentaire, d'une allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées et/ou d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, continuent à percevoir ces allocations aux montants liquidés par l'Office national des Pensions au 30 juin 2000 jusqu'à ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou d'office, une décision en application de la présente loi ait été prise à leur égard.
Toutefois, les montants visés au paragraphe précédent varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. ".
1° à l'alinéa 2, les mots " ordinaire, spéciale, et/ou une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, visés à l'article 2 de la loi du 27 juin 1969 " sont insérés entre les mots " une allocation " et " qui a pris cours ";
2° les alinéas 3 et 4 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Les handicapés qui bénéficient d'une allocation complémentaire, d'une allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées et/ou d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, continuent à percevoir ces allocations aux montants liquidés par l'Office national des Pensions au 30 juin 2000 jusqu'à ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou d'office, une décision en application de la présente loi ait été prise à leur égard.
Toutefois, les montants visés au paragraphe précédent varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. ".
Art. 210. Artikel 39bis van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt opgeheven.
Art. 210. L'article 39bis de l'arrêté royal du 6 juillet 1987 relatif à l'allocation de remplacement de revenus et à l'allocation d'intégration est abrogé.
Art. 211. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000.
Art. 211. Ce chapitre produit ses effets le 1er juillet 2000.
HOOFDSTUK III. - Fonds sociale economie.
CHAPITRE III. - Fonds d'Economie sociale.
Art. 212. § 1. Er wordt een Fonds voor sociale economie opgericht, dat een begrotingsfonds vormt in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt rubriek 26 - Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, aangevuld als volgt :
" Benaming van het fonds : 26-5 Fonds voor sociale economie
Aard van de toegewezen ontvangsten
Bedragen uitbetaald door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (ESF) in het kader van het artikel 146 van het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de nieuwe programmatie 2000-2006 en door derden terugbetaalde bedragen die ten onrechte werden uitgekeerd.
Aard van de toegestane uitgaven
Kredieten bestemd om de uitgaven te dekken van het Fonds voor sociale economie in de uitvoering van de projecten en initiatieven van het programma 2000-2006 ESF voor de inschakeling in het beroepsleven van bestaansminimumtrekkers in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Bijzondere bepaling
Het Fonds voor sociale economie kan een debetsaldo vertonen, dat beperkt wordt tot 200 miljoen frank. ".
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt rubriek 26 - Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, aangevuld als volgt :
" Benaming van het fonds : 26-5 Fonds voor sociale economie
Aard van de toegewezen ontvangsten
Bedragen uitbetaald door de Commissie van de Europese Gemeenschappen (ESF) in het kader van het artikel 146 van het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de nieuwe programmatie 2000-2006 en door derden terugbetaalde bedragen die ten onrechte werden uitgekeerd.
Aard van de toegestane uitgaven
Kredieten bestemd om de uitgaven te dekken van het Fonds voor sociale economie in de uitvoering van de projecten en initiatieven van het programma 2000-2006 ESF voor de inschakeling in het beroepsleven van bestaansminimumtrekkers in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Bijzondere bepaling
Het Fonds voor sociale economie kan een debetsaldo vertonen, dat beperkt wordt tot 200 miljoen frank. ".
Art. 212. § 1er. Il est créé un Fonds d'économie sociale qui constitue un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des Fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990, la rubrique 26C Affaires sociales, Santé publique et Environnement, est complétée comme suit :
" Dénomination du Fonds budgétaire organique : 26-5 Fonds d'économie sociale
Nature des recettes affectées
Montants versés par la Commission des Communautés européennes (FSE) dans le cadre de l'article146 du traité du 25 mars 1957 instituant la Communauté européenne en exécution de la nouvelle programmation 2000-2006 et les montants remboursés par des tiers au titre de paiements indus.
Nature des dépenses
Crédits destinés à couvrir les dépenses du Fonds d'économie sociale en exécution des projets ou initiatives du programme 2000-2006 FSE d'insertion professionnelle des minimexés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
Clause particulière
Le Fonds d'économie sociale peut présenter un solde débiteur limité à 200 millions de francs. ".
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des Fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990, la rubrique 26C Affaires sociales, Santé publique et Environnement, est complétée comme suit :
" Dénomination du Fonds budgétaire organique : 26-5 Fonds d'économie sociale
Nature des recettes affectées
Montants versés par la Commission des Communautés européennes (FSE) dans le cadre de l'article146 du traité du 25 mars 1957 instituant la Communauté européenne en exécution de la nouvelle programmation 2000-2006 et les montants remboursés par des tiers au titre de paiements indus.
Nature des dépenses
Crédits destinés à couvrir les dépenses du Fonds d'économie sociale en exécution des projets ou initiatives du programme 2000-2006 FSE d'insertion professionnelle des minimexés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.
Clause particulière
Le Fonds d'économie sociale peut présenter un solde débiteur limité à 200 millions de francs. ".
TITEL XII. - Consumentenzaken, volksgezondheid en leefmilieu.
TITRE XII. - Protection du consommateur, santé publique et environnement.
HOOFDSTUK I. - Financiering van het Instituut voor veterinaire keuring.
CHAPITRE 1. - Financement de l'Institut d'expertise vétérinaire.
Art. 213. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 september 1999 betreffende de financiering van het Instituut voor veterinaire keuring, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het punt 5° wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" , en waarbij elke slachtbeurt geacht wordt minstens één uur te duren; ";
b) het punt 7° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 7° slachtritme : het aantal geslachte dieren per maand gedeeld door de slachttijd, waarbij voor de slachtlijnen die zijn uitgesplitst in meerdere evisceratielijnen de slachttijd wordt vermenigvuldigd met het aantal evisceratielijnen. ".
a) het punt 5° wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" , en waarbij elke slachtbeurt geacht wordt minstens één uur te duren; ";
b) het punt 7° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 7° slachtritme : het aantal geslachte dieren per maand gedeeld door de slachttijd, waarbij voor de slachtlijnen die zijn uitgesplitst in meerdere evisceratielijnen de slachttijd wordt vermenigvuldigd met het aantal evisceratielijnen. ".
Art. 213. A l'article 1er de l'arrêté royal du 28 septembre 1999 relatif au financement de l'Institut d'expertise vétérinaire, sont apportées les modifications suivantes :
a) le 5° est complété par la disposition suivante :
" , et en considérant que chaque séance d'abattage dure au moins une heure; ";
b) le 7° est remplace par la disposition suivante :
" 7° rythme d'abattage : le nombre d'animaux abattus par mois divisé par la durée d'abattage, en multipliant la durée d'abattage par le nombre des lignes d'éviscération pour les chaînes d'abattage subdivisées en plusieurs lignes d'éviscération. ".
a) le 5° est complété par la disposition suivante :
" , et en considérant que chaque séance d'abattage dure au moins une heure; ";
b) le 7° est remplace par la disposition suivante :
" 7° rythme d'abattage : le nombre d'animaux abattus par mois divisé par la durée d'abattage, en multipliant la durée d'abattage par le nombre des lignes d'éviscération pour les chaînes d'abattage subdivisées en plusieurs lignes d'éviscération. ".
Art. 214. Artikel 2, § 4, van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 4. De rechten bedoeld in artikel 2, §§ 1, 1°, 2, 1° en 3, worden verhoogd met 900 F per dier of groep van dieren, wanneer de exploitant van het slachthuis geen geldig identificatiedocument voorlegt. ".
" § 4. De rechten bedoeld in artikel 2, §§ 1, 1°, 2, 1° en 3, worden verhoogd met 900 F per dier of groep van dieren, wanneer de exploitant van het slachthuis geen geldig identificatiedocument voorlegt. ".
Art. 214. L'article 2, § 4, du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Les droits visés à l'article 2, §§ 1er, 1°, 2, 1° et 3, sont majorés de 900 F par animal ou groupe d'animaux, lorsque l'exploitant de l'abattoir ne présente pas un document d'identification valable. ".
" § 4. Les droits visés à l'article 2, §§ 1er, 1°, 2, 1° et 3, sont majorés de 900 F par animal ou groupe d'animaux, lorsque l'exploitant de l'abattoir ne présente pas un document d'identification valable. ".
Art. 215. In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) § 1, tweede lid, wordt vervangen door het volgende lid :
" De rechten die in toepassing van 1° per slachtlijn worden geïnd mogen niet lager zijn dan de slachttijd vermenigvuldigd met 1 800 F. Voor de slachthuizen met een slachtritme dat niet hoger is dan 1 200 pluimvee-eenheden per uur evenwel mogen deze rechten niet lager zijn dan 1 800 F per slachtdag. ";
b) de § 4 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 4. De rechten bedoeld in artikel 3, §§ 1, 1°, en 2, 1°, worden verhoogd met 900 F per dier of groep van dieren, wanneer de exploitant van het slachthuis geen geldig identificatiedocument voorlegt. ".
a) § 1, tweede lid, wordt vervangen door het volgende lid :
" De rechten die in toepassing van 1° per slachtlijn worden geïnd mogen niet lager zijn dan de slachttijd vermenigvuldigd met 1 800 F. Voor de slachthuizen met een slachtritme dat niet hoger is dan 1 200 pluimvee-eenheden per uur evenwel mogen deze rechten niet lager zijn dan 1 800 F per slachtdag. ";
b) de § 4 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 4. De rechten bedoeld in artikel 3, §§ 1, 1°, en 2, 1°, worden verhoogd met 900 F per dier of groep van dieren, wanneer de exploitant van het slachthuis geen geldig identificatiedocument voorlegt. ".
Art. 215. A l'article 3 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
a) le § 1er, alinéa 2, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les droits perçus en application du 1° par chaîne d'abattage ne peuvent pas être inférieurs à la durée d'abattage multipliée par 1 800 F. Toutefois, pour les abattoirs avec un rythme d'abattage qui n'est pas supérieur à 1 200 unités de volailles, ces droits ne peuvent pas être inférieurs à 1 800 F par jour d'abattage. ";
b) le § 4 est remplace par la disposition suivante :
" § 4. Les droits visés à l'article 3, §§ 1er, 1°, et 2, 1°, sont majorés de 900 F par animal ou groupe d'animaux, lorsque l'exploitant de l'abattoir ne présente pas un document d'identification valable. ".
a) le § 1er, alinéa 2, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les droits perçus en application du 1° par chaîne d'abattage ne peuvent pas être inférieurs à la durée d'abattage multipliée par 1 800 F. Toutefois, pour les abattoirs avec un rythme d'abattage qui n'est pas supérieur à 1 200 unités de volailles, ces droits ne peuvent pas être inférieurs à 1 800 F par jour d'abattage. ";
b) le § 4 est remplace par la disposition suivante :
" § 4. Les droits visés à l'article 3, §§ 1er, 1°, et 2, 1°, sont majorés de 900 F par animal ou groupe d'animaux, lorsque l'exploitant de l'abattoir ne présente pas un document d'identification valable. ".
Art. 216. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het tweede lid worden de woorden " die als herverpakkingscentrum uitgezonderd " ingevoegd tussen het woord " erkenningen " en het woord " vermenigvuldigd ";
b) het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De bedragen bedoeld onder a) tot e) worden tot 1/3 verminderd voor de inrichtingen waar bijprodukten van dierlijke oorsprong voor menselijke voeding worden vervaardigd, de opslagplaatsen, de koel- en vrieshuizen en de herverpakkingscentra. ";
c) in het zesde lid worden de woorden " verminderd tot 70 % " vervangen door de woorden " verminderd tot 70 %, behalve indien de vermindering tot 1/3, bedoeld in het vierde lid, erop wordt toegepast. ".
a) in het tweede lid worden de woorden " die als herverpakkingscentrum uitgezonderd " ingevoegd tussen het woord " erkenningen " en het woord " vermenigvuldigd ";
b) het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De bedragen bedoeld onder a) tot e) worden tot 1/3 verminderd voor de inrichtingen waar bijprodukten van dierlijke oorsprong voor menselijke voeding worden vervaardigd, de opslagplaatsen, de koel- en vrieshuizen en de herverpakkingscentra. ";
c) in het zesde lid worden de woorden " verminderd tot 70 % " vervangen door de woorden " verminderd tot 70 %, behalve indien de vermindering tot 1/3, bedoeld in het vierde lid, erop wordt toegepast. ".
Art. 216. A l'article 7, § 1er, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
a) dans l'alinéa 2, les mots " à l'exception de celui en tant que centre de réemballage ", sont insérés entre les mots " l'établissement, " et le mot " par ";
b) l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
" Les montants visés sous a) à e) sont réduits à 1/3 pour les établissements dans lesquels d'autres issues traitées d'origine animale destinées à la consommation humaine sont fabriquées, les entrepôts, les entrepôts frigorifiques et les centres de réemballage. ";
c) dans l'alinéa 6, les mots " réduit à 70 % " sont remplacés par les mots " réduit à 70 %, sauf si la réduction à 1/3, visée au 4e alinéa, y est appliquée. ".
a) dans l'alinéa 2, les mots " à l'exception de celui en tant que centre de réemballage ", sont insérés entre les mots " l'établissement, " et le mot " par ";
b) l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
" Les montants visés sous a) à e) sont réduits à 1/3 pour les établissements dans lesquels d'autres issues traitées d'origine animale destinées à la consommation humaine sont fabriquées, les entrepôts, les entrepôts frigorifiques et les centres de réemballage. ";
c) dans l'alinéa 6, les mots " réduit à 70 % " sont remplacés par les mots " réduit à 70 %, sauf si la réduction à 1/3, visée au 4e alinéa, y est appliquée. ".
Art. 217. In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° lastens de exploitant van de inrichtingen bedoeld in artikel 7 : 0,10 F per kg vlees of vis die tijdens het jaar voordien in de inrichting is binnengebracht, met dien verstande dat het geïnde bedrag niet hoger mag zijn dan 130 % van het controlerecht. ";
b) het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" Lastens een exploitant als bedoeld in het eerste lid, 3°, die voor de eerste keer wordt erkend, wordt gedurende het eerste kalenderjaar, vanaf het trimester volgend op dat waarin de erkenning werd verleend, een forfaitair bedrag van 36 000 F geïnd. ".
a) het 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° lastens de exploitant van de inrichtingen bedoeld in artikel 7 : 0,10 F per kg vlees of vis die tijdens het jaar voordien in de inrichting is binnengebracht, met dien verstande dat het geïnde bedrag niet hoger mag zijn dan 130 % van het controlerecht. ";
b) het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
" Lastens een exploitant als bedoeld in het eerste lid, 3°, die voor de eerste keer wordt erkend, wordt gedurende het eerste kalenderjaar, vanaf het trimester volgend op dat waarin de erkenning werd verleend, een forfaitair bedrag van 36 000 F geïnd. ".
Art. 217. A l'article 9 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
a) le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° à charge de l'exploitant des établissements visés à l'article 7 : 0,10 F par kg de viandes ou de poisson entrés durant l'année précédente dans l'établissement, en tenant compte que le montant perçu ne peut en aucun cas être supérieur à 130 % du droit de contrôle. ";
b) l'article est complété par l'alinéa suivant :
" A charge de l'exploitant de l'établissement, visé à l'alinéa 1er, 3°, agréé pour la première fois, il est perçu au cours de la première année calendrier, à partir du trimestre qui suit celui au cours duquel l'agrément a été accordé, un montant forfaitaire de 36 000 F. ".
a) le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° à charge de l'exploitant des établissements visés à l'article 7 : 0,10 F par kg de viandes ou de poisson entrés durant l'année précédente dans l'établissement, en tenant compte que le montant perçu ne peut en aucun cas être supérieur à 130 % du droit de contrôle. ";
b) l'article est complété par l'alinéa suivant :
" A charge de l'exploitant de l'établissement, visé à l'alinéa 1er, 3°, agréé pour la première fois, il est perçu au cours de la première année calendrier, à partir du trimestre qui suit celui au cours duquel l'agrément a été accordé, un montant forfaitaire de 36 000 F. ".
Art. 218. In artikel 11, § 5, c), van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 8, 1°, 3° en 4° " vervangen door de woorden " artikel 8, 1° en 3° ".
Art. 218. A l'article 11, § 5, c), du même arrêté, les mots " l'article 8, 1°, 3° et 4° " sont remplacés par les mots " l'article 8, 1° et 3° ".
Art. 219. In artikel 12 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid worden de woorden " de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1°, 3° en 4° " vervangen door de woorden " de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1° en 3° ";
b) het tweede lid wordt opgeheven.
a) in het eerste lid worden de woorden " de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1°, 3° en 4° " vervangen door de woorden " de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1° en 3° ";
b) het tweede lid wordt opgeheven.
Art. 219. A l'article 12 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
a) dans l'alinéa 1er, les mots " aux articles 2 à 5, 7, 8, 1°, 3° et 4° " sont remplacés par les mots " aux articles 2 à 5, 7, 8, 1° et 3° ";
b) l'alinéa 2 est abrogé.
a) dans l'alinéa 1er, les mots " aux articles 2 à 5, 7, 8, 1°, 3° et 4° " sont remplacés par les mots " aux articles 2 à 5, 7, 8, 1° et 3° ";
b) l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 220. Hoofdstuk IV van de bijlage van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende hoofdstuk :
" Hoofdstuk IV. - Bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, a).
" Hoofdstuk IV. - Bedrag bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, a).
Art. 220. Le chapitre IV de l'annexe du même arrêté est remplacé par le chapitre suivant :
" Chapitre IV. - Montant visé à l'article 3, § 1er, 1°, a)
" Chapitre IV. - Montant visé à l'article 3, § 1er, 1°, a)
| Gevogelte, konijnen en klein veder- of haarwild met een geslacht gewicht van minder dan 2 kg | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Slachtritme | Bedrag per dier | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Van | Tot | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 0 | 1200 | 1,50 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 1200 | 3000 | 0,90 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 3000 | 3500 | 0,86 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 3500 | 4000 | 0,83 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 4000 | 4500 | 0,80 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 4500 | 5000 | 0,78 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 5000 | 5500 | 0,76 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 5500 | 6000 | 0,75 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 6000 | 6500 | 0,74 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 6500 | 7000 | 0,73 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 7000 | 7500 | 0,72 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 7500 | 8000 | 0,71 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 8000 | 8500 | 0,71 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 8500 | 9000 | 0,70 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 9000 | 9500 | 0,70 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 9500 | 10000 | 0,69 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| < | 10000 | 0,69 F | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Modifications</td><td valign="top">------------------------------------</td><td valign="top">-----</td></tr><tr><td colspan="3" valign="top">Gevogelte, konijnen en klein veder-<br/> of haarwild, met een geslacht gewicht van 2 kg tot 5 kg</td></tr><tr><td colspan="2" valign="top">Slachtritme</td><td valign="top">Bedrag per dier</td></tr><tr><td valign="top">Van</td><td valign="top">Tot</td><td valign="top"> </td></tr><tr><td valign="top">0</td><td valign="top">600</td><td valign="top">3 F</td></tr><tr><td valign="top">600</td><td valign="top">1500</td><td valign="top">1,80 F</td></tr><tr><td valign="top">1500</td><td valign="top">1750</td><td valign="top">1,71 F</td></tr><tr><td valign="top">1750</td><td valign="top">2000</td><td valign="top">1,65 F</td></tr><tr><td valign="top">2000</td><td valign="top">2250</td><td valign="top">1,60 F</td></tr><tr><td valign="top">2250</td><td valign="top">2500</td><td valign="top">1,56 F</td></tr><tr><td valign="top">2500</td><td valign="top">2750</td><td valign="top">1,53 F</td></tr><tr><td valign="top">2750</td><td valign="top">3000</td><td valign="top">1,50 F</td></tr><tr><td valign="top">3000</td><td valign="top">3250</td><td valign="top">1,48 F</td></tr><tr><td valign="top">3250</td><td valign="top">3500</td><td valign="top">1,46 F</td></tr><tr><td valign="top">3500</td><td valign="top">3750</td><td valign="top">1,44 F</td></tr><tr><td valign="top">3750</td><td valign="top">4000</td><td valign="top">1,43 F</td></tr><tr><td valign="top">4000</td><td valign="top">4250</td><td valign="top">1,41 F</td></tr><tr><td valign="top">4250</td><td valign="top">4500</td><td valign="top">1,40 F</td></tr><tr><td valign="top">4500</td><td valign="top">4750</td><td valign="top">1,39 F</td></tr><tr><td valign="top">4750</td><td valign="top">5000</td><td valign="top">1,38 F</td></tr><tr><td valign="top"> </td><td valign="top">< 5000</td><td valign="top">1,37 F</td></tr><tr><td valign="top">------</td><td valign="top">------------------------------------</td><td valign="top">-----</td></tr><tr><td colspan="3" valign="top">Gevogelte, konijnen en klein veder-<br/> of haarwild met een geslacht gewicht hoger dan 5 kg</td></tr><tr><td colspan="2" valign="top">Slachtritme</td><td valign="top">Bedrag per dier</td></tr><tr><td valign="top">Van</td><td valign="top">Tot</td><td valign="top"> </td></tr><tr><td valign="top">0</td><td valign="top">300</td><td valign="top">6 F</td></tr><tr><td valign="top">300</td><td valign="top">750</td><td valign="top">3,60 F</td></tr><tr><td valign="top">750</td><td valign="top">875</td><td valign="top">3,43 F</td></tr><tr><td valign="top">875</td><td valign="top">1000</td><td valign="top">3,30 F</td></tr><tr><td valign="top">1000</td><td valign="top">1125</td><td valign="top">3,20 F</td></tr><tr><td valign="top">1125</td><td valign="top">1250</td><td valign="top">3,12 F</td></tr><tr><td valign="top">1250</td><td valign="top">1375</td><td valign="top">3,05 F</td></tr><tr><td valign="top">1375</td><td valign="top">1500</td><td valign="top">3,00 F</td></tr><tr><td valign="top">1500</td><td valign="top">1625</td><td valign="top">2,95 F</td></tr><tr><td valign="top">1625</td><td valign="top">1750</td><td valign="top">2,91 F</td></tr><tr><td valign="top">1750</td><td valign="top">1875</td><td valign="top">2,88 F</td></tr><tr><td valign="top">1875</td><td valign="top">2000</td><td valign="top">2,85 F</td></tr><tr><td valign="top">2000</td><td valign="top">2125</td><td valign="top">2,82 F</td></tr><tr><td valign="top">2125</td><td valign="top">2250</td><td valign="top">2,80 F</td></tr><tr><td valign="top">2250</td><td valign="top">2375</td><td valign="top">2,78 F</td></tr><tr><td valign="top">2375</td><td valign="top">2500</td><td valign="top">2,76 F</td></tr><tr><td valign="top"> </td><td valign="top">< 2500</td><td valign="top">2,74 F</td></tr></table>Gevogelte, konijnen en klein veder- of haarwild met een geslacht gewicht van minder dan 2 kgSlachtritmeBedrag per dierVanTot012001,50 F120030000,90 F300035000,86 F350040000,83 F400045000,80 F450050000,78 F500055000,76 F550060000,75 F600065000,74 F650070000,73 F700075000,72 F750080000,71 F800085000,71 F850090000,70 F900095000,70 F9500100000,69 F<100000,69 F-----------------------------------------------Gevogelte, konijnen en klein veder- of haarwild, met een geslacht gewicht van 2 kg tot 5 kgSlachtritmeBedrag per dierVanTot06003 F60015001,80 F150017501,71 F175020001,65 F200022501,60 F225025001,56 F250027501,53 F275030001,50 F300032501,48 F325035001,46 F350037501,44 F375040001,43 F400042501,41 F425045001,40 F450047501,39 F475050001,38 F< 50001,37 F-----------------------------------------------Gevogelte, konijnen en klein veder- of haarwild met een geslacht gewicht hoger dan 5 kgSlachtritmeBedrag per dierVanTot03006 F3007503,60 F7508753,43 F87510003,30 F100011253,20 F112512503,12 F125013753,05 F137515003,00 F150016252,95 F162517502,91 F175018752,88 F187520002,85 F200021252,82 F212522502,80 F225023752,78 F237525002,76 F< 25002,74 F
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||