Artikel 1. In het kader van dit besluit moet worden verstaan onder :
- de minister : de minister van Justitie;
- de commissie : de commissie voor juridische bijstand bedoeld in artikel 508/2, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998;
- de organisatie : de organisatie bedoeld in artikel 508/1, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij dezelfde wet.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 DECEMBER 1999. - Koninklijk besluit tot bepaling van de nadere regels inzake erkenning van de organisaties voor juridische bijstand, alsook betreffende de samenstelling en de werking van de commissie voor juridische bijstand en tot vaststelling van de objectieve criteria van subsidiëring van de commissies voor juridische bijstand, overeenkomstig de artikelen 508/2, § 3, tweede lid, en 508/4, van het Gerechtelijk Wetboek. (NOTA : opgeheven voor de Franse Gemeenschap bij BFG2017-05-17/08, art. 51,1°, 003; Inwerkingtreding : 17-05-2017) (NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR2021-10-29/24, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2022) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1999 en tekstbijwerking tot 10-12-2021)
Titre
20 DECEMBRE 1999. - Arrêté royal déterminant les modalités relatives à l'agrément des organisations d'aide juridique ainsi qu'à la composition et au fonctionnement de la commission d'aide juridique et fixant les critères objectifs pour l'allocation d'un subside aux commissions d'aide juridique, en exécution des articles 508/2, § 3, alinéa 2, et 508/4, du Code judiciaire. (NOTE : abrogé pour la Communauté française par ACF2017-05-17/08, art. 51,1°, 003; En vigueur : 17-05-2017) (NOTE : abrogé pour la Région flamande par AGF2021-10-29/24, art. 47, 004; En vigueur : 01-01-2022) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1999 et mise à jour au 10-12-2021)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Erkenning van de organisaties.
HOOFDSTUK III. - Samenstelling van de commissie.
HOOFDSTUK IV. - Werking van de commissie.
HOOFDSTUK V. - Objectieve criteria.
HOOFDSTUK VI. - Wijze van betaling van de subsi...
HOOFDSTUK VII. - Wijze van aanwending van de su...
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
Table des matières
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - De l'agrément des organisations.
CHAPITRE III. - De la composition de la commiss...
CHAPITRE IV. - Du fonctionnement de la commission.
CHAPITRE V. - Des critères objectifs.
CHAPITRE VI. - Des modalités de paiement du sub...
CHAPITRE VII. - Des modalités d'affectation du ...
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Aux fins du présent arrêté, il faut entendre par :
- le ministre : le ministre de la Justice;
- la commission : la commission d'aide juridique visée à l'article 508/2, du Code judiciaire, y inséré par la loi du 23 novembre 1998;
- l'organisation : l'organisation visée à l'article 508/1, 5°, du Code judiciaire, y inséré par la même loi.
- le ministre : le ministre de la Justice;
- la commission : la commission d'aide juridique visée à l'article 508/2, du Code judiciaire, y inséré par la loi du 23 novembre 1998;
- l'organisation : l'organisation visée à l'article 508/1, 5°, du Code judiciaire, y inséré par la même loi.
HOOFDSTUK II. - Erkenning van de organisaties.
CHAPITRE II. - De l'agrément des organisations.
Art. 2. Erkenning wordt verleend aan de organisatie die op het tijdstip van haar verzoek aan de hiernavolgende voorwaarden voldoet :
1° opgericht zijn overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend;
2° ten minste een persoon die houder is van het diploma van doctor of van licentiaat in de rechten ter beschikking kunnen stellen van de personen bedoeld in 4°;
3° gedurende de laatste twee jaren juridische eerstelijnsbijstand hebben verleend;
4° zich ertoe verbinden juridische eerstelijnsbijstand te verlenen aan iedere persoon die daarom verzoekt.
1° opgericht zijn overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend;
2° ten minste een persoon die houder is van het diploma van doctor of van licentiaat in de rechten ter beschikking kunnen stellen van de personen bedoeld in 4°;
3° gedurende de laatste twee jaren juridische eerstelijnsbijstand hebben verleend;
4° zich ertoe verbinden juridische eerstelijnsbijstand te verlenen aan iedere persoon die daarom verzoekt.
Art. 2. L'agrément est accordé à l'organisation qui, à la date de la demande, satisfait aux conditions suivantes :
1° être constituée conformément à la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité civile aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique;
2° être en mesure de mettre à la disposition des personnes visées au 4°, une personne, au moins, titulaire d'un diplôme de docteur ou de licencié en droit;
3° avoir dispensé, pendant les deux dernières années, de l'aide juridique de première ligne;
4° s'engager à dispenser une aide juridique de première ligne à toute personne qui en fait la demande.
1° être constituée conformément à la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité civile aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique;
2° être en mesure de mettre à la disposition des personnes visées au 4°, une personne, au moins, titulaire d'un diplôme de docteur ou de licencié en droit;
3° avoir dispensé, pendant les deux dernières années, de l'aide juridique de première ligne;
4° s'engager à dispenser une aide juridique de première ligne à toute personne qui en fait la demande.
Art. 3. De organisaties die wensen te worden erkend, richten daartoe aan de minister een verzoek bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Art. 3. Les organisations qui souhaitent être agréées en introduisent la demande, par pli recommandé à la poste avec accusé de réception, auprès du ministre.
Art. 4. Volgende documenten moeten bij het verzoek tot erkenning worden gevoegd :
1° een afschrift van de statuten van de organisatie met datum van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, alsook een afschrift van de ledenlijst die in het voorgaande jaar werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg;
2° een activiteitenverslag betreffende de laatste twaalf maanden;
3° een bewijs van goed zedelijk gedrag, van elk van de leden van de beheerraad en van elkeen aan wie deze raad zijn bevoegdheden, of een deel ervan, heeft overgedragen.
De in artikel 2 bedoelde organisatie verstrekt bovendien alle informatie die nodig is om haar verzoek te kunnen beoordelen.
1° een afschrift van de statuten van de organisatie met datum van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, alsook een afschrift van de ledenlijst die in het voorgaande jaar werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg;
2° een activiteitenverslag betreffende de laatste twaalf maanden;
3° een bewijs van goed zedelijk gedrag, van elk van de leden van de beheerraad en van elkeen aan wie deze raad zijn bevoegdheden, of een deel ervan, heeft overgedragen.
De in artikel 2 bedoelde organisatie verstrekt bovendien alle informatie die nodig is om haar verzoek te kunnen beoordelen.
Art. 4. Les documents suivants sont produits à l'appui de la demande d'agrément :
1° une copie des statuts de l'organisation et l'indication de la date de leur publication au Moniteur belge, ainsi qu'une copie de la liste des membres qui a été déposée, dans le courant de l'année précédente, au greffe du tribunal de première instance;
2° un rapport d'activité des douze derniers mois;
3° un certificat de bonne conduite, vie et moeurs pour chacun des membres du conseil d'administration et chacune des personnes auxquelles ce conseil a délégué tout ou partie de ses pouvoirs.
L'organisation visée à l'article 2 fournit, en outre, tous renseignements nécessaires à l'appréciation de sa demande.
1° une copie des statuts de l'organisation et l'indication de la date de leur publication au Moniteur belge, ainsi qu'une copie de la liste des membres qui a été déposée, dans le courant de l'année précédente, au greffe du tribunal de première instance;
2° un rapport d'activité des douze derniers mois;
3° un certificat de bonne conduite, vie et moeurs pour chacun des membres du conseil d'administration et chacune des personnes auxquelles ce conseil a délégué tout ou partie de ses pouvoirs.
L'organisation visée à l'article 2 fournit, en outre, tous renseignements nécessaires à l'appréciation de sa demande.
Art. 5. De minister verleent erkenning voor een verlengbare periode van zes jaar.
Het verzoek tot verlenging van de erkenning wordt op dezelfde wijze ingediend als het eerste verzoek, en wel ten minste zes maanden voor het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning is verleend.
Wanneer de minister voornemens is de erkenning in te trekken van zodra de organisatie niet langer voldoet aan een van de in artikel 2 omschreven voorwaarden, geeft hij hiervan kennis aan de betrokken organisatie, die gehoord wordt indien zij er om verzoekt.
Het verzoek tot verlenging van de erkenning wordt op dezelfde wijze ingediend als het eerste verzoek, en wel ten minste zes maanden voor het verstrijken van de periode waarvoor de vorige erkenning is verleend.
Wanneer de minister voornemens is de erkenning in te trekken van zodra de organisatie niet langer voldoet aan een van de in artikel 2 omschreven voorwaarden, geeft hij hiervan kennis aan de betrokken organisatie, die gehoord wordt indien zij er om verzoekt.
Art. 5. L'agrément est délivré par le ministre pour une période de six ans renouvelable.
La demande de renouvellement de l'agrément est introduite au moins six mois avant l'expiration de la période pour laquelle l'agrément précédent a été délivré, et de la même manière que la demande initiale.
Lorsque le ministre envisage de retirer l'agrément, l'organisation ne satisfaisant plus à l'une des conditions visées à l'article 2, il en avertit l'organisation concernée, laquelle est entendue si elle en fait la demande.
La demande de renouvellement de l'agrément est introduite au moins six mois avant l'expiration de la période pour laquelle l'agrément précédent a été délivré, et de la même manière que la demande initiale.
Lorsque le ministre envisage de retirer l'agrément, l'organisation ne satisfaisant plus à l'une des conditions visées à l'article 2, il en avertit l'organisation concernée, laquelle est entendue si elle en fait la demande.
Art. 6. Van de beslissing tot verlening of weigering van de erkenning of van de beslissing tot verlenging of weigering ervan wordt kennis gegeven binnen zes maanden te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief bedoeld in artikel 3 of in artikel 5, tweede lid.
De kennisgeving van deze beslissingen of van de beslissing van intrekking van de erkenning wordt verricht bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De beslissing van weigering of van intrekking wordt met redenen omkleed.
Bij ontstentenis van een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
De kennisgeving van deze beslissingen of van de beslissing van intrekking van de erkenning wordt verricht bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De beslissing van weigering of van intrekking wordt met redenen omkleed.
Bij ontstentenis van een beslissing binnen de voorgeschreven termijn, wordt de beslissing geacht positief te zijn.
Art. 6. La décision d'octroi ou de refus de l'agrément ou la décision de renouvellement ou de refus de celui-ci est notifiée à l'organisation concernée dans les six mois à dater de la réception du pli recommandé visé à l'article 3 ou à l'article 5, alinéa 2.
La notification de ces décisions ou de la décision de retrait d'agrément est effectuée par pli recommandé à la poste avec accusé de réception.
La décision de refus ou de retrait est motivée.
En l'absence de décision dans le délai prescrit, la décision est réputée positive.
La notification de ces décisions ou de la décision de retrait d'agrément est effectuée par pli recommandé à la poste avec accusé de réception.
La décision de refus ou de retrait est motivée.
En l'absence de décision dans le délai prescrit, la décision est réputée positive.
HOOFDSTUK III. - Samenstelling van de commissie.
CHAPITRE III. - De la composition de la commission.
Art. 7. De commissie is naar gelang van het aantal inwoners van het gerechtelijk arrondissement waar zij is gevestigd, samengesteld als volgt :
- tot 250 000 inwoners : 8 leden;
- tussen 250 001 en 500 000 inwoners : 12 leden;
- vanaf 500 001 inwoners : 16 leden.
In afwijking van het eerste lid zijn de Nederlandse commissie en de Franse commissie van het gerechtelijk arrondissement Brussel elk uit 16 leden samengesteld.
- tot 250 000 inwoners : 8 leden;
- tussen 250 001 en 500 000 inwoners : 12 leden;
- vanaf 500 001 inwoners : 16 leden.
In afwijking van het eerste lid zijn de Nederlandse commissie en de Franse commissie van het gerechtelijk arrondissement Brussel elk uit 16 leden samengesteld.
Art. 7. La commission est composée d'un nombre de membres déterminé comme suit, en fonction du nombre d'habitants de l'arrondissement judiciaire dans lequel elle est établie :
- jusqu'à 250.000 habitants : 8 membres;
- de 250.001 à 500.000 habitants : 12 membres;
- à partir de 500.001 habitants : 16 membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les commissions française et néerlandaise de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles sont composées chacune de 16 membres.
- jusqu'à 250.000 habitants : 8 membres;
- de 250.001 à 500.000 habitants : 12 membres;
- à partir de 500.001 habitants : 16 membres.
Par dérogation à l'alinéa 1er, les commissions française et néerlandaise de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles sont composées chacune de 16 membres.
Art. 8. § 1. Een vierde van de commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die in hun midden worden aangewezen door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het betrokken gerechtelijk arrondissement welke over een dienst voor juridische bijstand beschikken, of bij gebreke van dergelijke centra, door alle openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het betrokken gerechtelijk arrondissement.
Een vierde van de commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van erkende organisaties van het betrokken gerechtelijk arrondissement die door deze organisaties worden aangewezen.
§ 2. In afwijking van § 1, kan bij gebreke van een voldoende aantal vertegenwoordigers van de erkende organisaties, het aantal van de vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden verhoogd. Bij gebreke van een voldoende aantal vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, kan het aantal van de vertegenwoordigers van de erkende organisaties worden verhoogd.
Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en een erkende organisatie mogen niet meer dan een vertegenwoordiger in de commissie hebben.
§ 3. Zolang de procedure van erkenning van de organisaties niet is beëindigd, is de commissie, in afwijking van § 1 en § 2, tweede lid, samengesteld uit de helft van de vertegenwoordigers bedoeld in § 1, eerste lid.
§ 4. De in § 1 bedoelde vertegenwoordigers zijn houder van een diploma van ofwel doctor of licentiaat in de rechten, van licentiaat in de sociale wetenschappen, van licentiaat in de criminologie, of van maatschappelijk werker. Een voor eensluidend verklaard afschrift van hun diploma wordt gericht aan de voorzitter van de commissie.
Bovendien bezorgen deze vertegenwoordigers aan de voorzitter van de commissie een bewijs van goed zedelijk gedrag.
Een vierde van de commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van erkende organisaties van het betrokken gerechtelijk arrondissement die door deze organisaties worden aangewezen.
§ 2. In afwijking van § 1, kan bij gebreke van een voldoende aantal vertegenwoordigers van de erkende organisaties, het aantal van de vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden verhoogd. Bij gebreke van een voldoende aantal vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, kan het aantal van de vertegenwoordigers van de erkende organisaties worden verhoogd.
Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en een erkende organisatie mogen niet meer dan een vertegenwoordiger in de commissie hebben.
§ 3. Zolang de procedure van erkenning van de organisaties niet is beëindigd, is de commissie, in afwijking van § 1 en § 2, tweede lid, samengesteld uit de helft van de vertegenwoordigers bedoeld in § 1, eerste lid.
§ 4. De in § 1 bedoelde vertegenwoordigers zijn houder van een diploma van ofwel doctor of licentiaat in de rechten, van licentiaat in de sociale wetenschappen, van licentiaat in de criminologie, of van maatschappelijk werker. Een voor eensluidend verklaard afschrift van hun diploma wordt gericht aan de voorzitter van de commissie.
Bovendien bezorgen deze vertegenwoordigers aan de voorzitter van de commissie een bewijs van goed zedelijk gedrag.
Art. 8. § 1. La commission est composée pour un quart de représentants des centres publics d'aide sociale, désignés, en leur sein, par les centres publics d'aide sociale de l'arrondissement judiciaire concerné qui disposent d'un service d'aide juridique ou, à défaut, par tout centre public d'aide sociale de l'arrondissement judiciaire concerné.
La commission est composée pour un quart de représentants d'organisations agréées de l'arrondissement judiciaire concerné, désignés par ces organisations.
§ 2. Par dérogation au § 1er, à défaut d'un nombre suffisant de représentants d'organisations agréées, le nombre de représentants des centres publics d'aide sociale peut être plus élevé. De même, à défaut d'un nombre suffisant de représentants des centres publics d'aide sociale, le nombre de représentants d'organisations agréées peut être plus élevé.
Un centre public d'aide sociale et une organisation agréée ne peuvent avoir plus d'un représentant à la commission.
§ 3. Par dérogation au § 1er et au § 2, alinéa 2, tant que la procédure d'agrément des organisations n'est pas achevée, la commission est composée pour la moitié de représentants visés aux § 1er, alinéa 1er.
§ 4. Les représentants visés au § 1er sont titulaires d'un diplôme de docteur ou de licencié en droit, de licencié en sciences sociales ou en criminologie ou d'un diplôme d'assistant social. Une copie certifiée conforme de leur diplôme est adressée au président de la commission.
Ces représentants, adressent, en outre, au président de la commission un certificat de bonne conduite, vie et moeurs.
La commission est composée pour un quart de représentants d'organisations agréées de l'arrondissement judiciaire concerné, désignés par ces organisations.
§ 2. Par dérogation au § 1er, à défaut d'un nombre suffisant de représentants d'organisations agréées, le nombre de représentants des centres publics d'aide sociale peut être plus élevé. De même, à défaut d'un nombre suffisant de représentants des centres publics d'aide sociale, le nombre de représentants d'organisations agréées peut être plus élevé.
Un centre public d'aide sociale et une organisation agréée ne peuvent avoir plus d'un représentant à la commission.
§ 3. Par dérogation au § 1er et au § 2, alinéa 2, tant que la procédure d'agrément des organisations n'est pas achevée, la commission est composée pour la moitié de représentants visés aux § 1er, alinéa 1er.
§ 4. Les représentants visés au § 1er sont titulaires d'un diplôme de docteur ou de licencié en droit, de licencié en sciences sociales ou en criminologie ou d'un diplôme d'assistant social. Une copie certifiée conforme de leur diplôme est adressée au président de la commission.
Ces représentants, adressent, en outre, au président de la commission un certificat de bonne conduite, vie et moeurs.
Art. 9. Een persoon mag niet tegelijk lid zijn van verscheidene commissies.
Art. 9. Nul ne peut être membre de plusieurs commissions à la fois.
Art. 10. Elk van de werkende leden heeft een plaatsvervanger die op dezelfde wijze wordt aangewezen en aan dezelfde voorwaarden voldoet als zij zelf. Het plaatsvervangend lid vervangt het werkend lid bij diens afwezigheid.
Art. 10. Les membres ont chacun un suppléant, désigné de la même façon et remplissant les mêmes conditions que les membres effectifs. Le membre suppléant remplace le membre effectif lorsque ce dernier ne peut être présent.
Art. 11. Het mandaat van de leden duurt zes jaar. Het is verlengbaar.
Wanneer het mandaat van een lid van de commissie een einde neemt voor het verstrijken van de duur ervan, wordt het door zijn plaatsvervanger voleindigd.
Wanneer het mandaat van een lid van de commissie een einde neemt voor het verstrijken van de duur ervan, wordt het door zijn plaatsvervanger voleindigd.
Art. 11. Le mandat des membres a une durée de six ans. Il est renouvelable.
Lorsque le mandat d'un membre de la commission prend fin avant terme, son suppléant achève la durée du mandat.
Lorsque le mandat d'un membre de la commission prend fin avant terme, son suppléant achève la durée du mandat.
HOOFDSTUK IV. - Werking van de commissie.
CHAPITRE IV. - Du fonctionnement de la commission.
Art. 12. § 1. Een van de vertegenwoordigers van de balie, bedoeld in artikel 508/2, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is belast met de organisatie van de samenstelling van de commissie.
Indien het aantal kandidaten, vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de erkende organisaties, hoger is dan het aantal te begeven plaatsen, dan nodigt de vertegenwoordiger, bedoeld in het eerste lid, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de erkende organisaties uit onderling te overleggen.
Bij gebrek aan een akkoord binnen de maand van de bijeenroeping die hen door de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiger opgezonden was, duidt deze een persoon aan, onafhankelijk van de openbare centra voor maatschappelijke welzijn en van de erkende organisaties, die een goede kennis heeft van de sociale sector. Deze persoon zal onder de kandidaten de vertegenwoordigers aanduiden rekening houdend met hun representatief karakter.
§ 2. De commissie wijst onder haar leden een voorzitter aan, alsook een ondervoorzitter, een secretaris en een penningmeester, die tegenover de Staatskas rekenplichtig is.
Indien het aantal kandidaten, vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de erkende organisaties, hoger is dan het aantal te begeven plaatsen, dan nodigt de vertegenwoordiger, bedoeld in het eerste lid, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de erkende organisaties uit onderling te overleggen.
Bij gebrek aan een akkoord binnen de maand van de bijeenroeping die hen door de in het eerste lid bedoelde vertegenwoordiger opgezonden was, duidt deze een persoon aan, onafhankelijk van de openbare centra voor maatschappelijke welzijn en van de erkende organisaties, die een goede kennis heeft van de sociale sector. Deze persoon zal onder de kandidaten de vertegenwoordigers aanduiden rekening houdend met hun representatief karakter.
§ 2. De commissie wijst onder haar leden een voorzitter aan, alsook een ondervoorzitter, een secretaris en een penningmeester, die tegenover de Staatskas rekenplichtig is.
Art. 12. § 1. Un des représentants du barreau, visés à l'article 508/2, § 3, alinéa 1er, du Code judiciaire, est chargé d'organiser la composition de la commission.
Si le nombre de candidats, représentants des centres publics d'aide sociale ou d'organisations agréées, est supérieur au nombre de places à pourvoir, le représentant visé à l'alinéa 1er, invite les centres publics d'aide sociale ou les organisations agréées à se concerter.
A défaut d'accord dans le mois de l'invitation qui leur a été adressée par le représentant visé à l'alinéa 1er, celui-ci désigne une personne indépendante des centres publics d'aide sociale et des organisations agréées et qui possède une bonne connaissance du secteur non-marchand. Cette personne déterminera les représentants parmi les candidats en tenant compte de la représentativité de ceux-ci.
§ 2. La commission désigne en son sein son président, son vice-président, son secrétaire ainsi que son trésorier, comptable envers le Trésor public.
Si le nombre de candidats, représentants des centres publics d'aide sociale ou d'organisations agréées, est supérieur au nombre de places à pourvoir, le représentant visé à l'alinéa 1er, invite les centres publics d'aide sociale ou les organisations agréées à se concerter.
A défaut d'accord dans le mois de l'invitation qui leur a été adressée par le représentant visé à l'alinéa 1er, celui-ci désigne une personne indépendante des centres publics d'aide sociale et des organisations agréées et qui possède une bonne connaissance du secteur non-marchand. Cette personne déterminera les représentants parmi les candidats en tenant compte de la représentativité de ceux-ci.
§ 2. La commission désigne en son sein son président, son vice-président, son secrétaire ainsi que son trésorier, comptable envers le Trésor public.
Art. 13. De voorzitter leidt en coördineert de activiteiten van de commissie. Hij ondertekent alle adviezen, verslagen, correspondentie en aanbevelingen.
Art. 13. Le président dirige et coordonne les activités de la commission. Il signe tous avis, rapports, correspondances et recommandations.
Art. 14. De penningmeester beheert de financiën, ondermeer de subsidies die overeenkomstig artikel 508/4 van het Gerechtelijk Wetboek zijn toegekend.
Art. 14. Le trésorier gère les finances, notamment les subsides alloués à la commission en exécution de l'article 508/4 du Code judiciaire.
Art. 15. De commissie, die door de voorzitter wordt bijeengeroepen, vergadert ten minste vier maal per jaar. De voorzitter bepaalt de dag en het uur waarop de vergaderingen plaatsvinden.
Art. 15. La commission se réunit au moins quatre fois par an, sur convocation du président. Celui-ci fixe les jours et heures des séances.
Art. 16. De commissie beraadslaagt op geldige wijze wanneer drie vierde van de leden aanwezig zijn. De beslissingen worden bij meerderheid van stemmen genomen.
Indien het aanwezigheidsquorum niet wordt bereikt wordt een nieuwe vergadering belegd, met dezelfde agenda. De commissie beraadslaagt op geldige wijze wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is.
Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend, of bij diens afwezigheid, die van de ondervoorzitter.
Indien het aanwezigheidsquorum niet wordt bereikt wordt een nieuwe vergadering belegd, met dezelfde agenda. De commissie beraadslaagt op geldige wijze wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is.
Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend, of bij diens afwezigheid, die van de ondervoorzitter.
Art. 16. La commission délibère valablement lorsque les trois quart des membres sont présents. Les décisions sont prises à la majorité.
Si le quorum des présences n'est pas atteint, une nouvelle réunion, comportant le même ordre du jour, est organisée. La commission délibère valablement si la majorité des membres sont présents.
En cas de partage des voix, la voix du président ou en cas d'absence de celui-ci, celle du vice-président, est prépondérante.
Si le quorum des présences n'est pas atteint, une nouvelle réunion, comportant le même ordre du jour, est organisée. La commission délibère valablement si la majorité des membres sont présents.
En cas de partage des voix, la voix du président ou en cas d'absence de celui-ci, celle du vice-président, est prépondérante.
HOOFDSTUK V. - Objectieve criteria.
CHAPITRE V. - Des critères objectifs.
Art. 17. § 1. De minister verleent jaarlijks, binnen de grenzen van de begroting van het jaar waarin het betrokken gerechtelijk jaar eindigt, een subsidie aan de commissies en bepaalt het bedrag dat onder hen wordt verdeeld.
§ 2. De subsidie wordt tussen de commissies verdeeld op basis van de volgende objectieve criteria :
1° 40 % volgens het bevolkingscijfer van het gerechtelijk arrondissement, bepaald overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° 15 % volgens het aantal inwoners van het gerechtelijk arrondissement aan wie in januari van het voorgaande jaar het bestaansminimum is uitbetaald door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in toepassing van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, of de maatschappelijke bijstand, in toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° (15 % volgens het aantal inwoners van het gerechtelijk arrondissement aan wie in januari van het voorgaande jaar een inkomen is uitbetaald, met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
4° 10 % volgens het aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, laatst bekendgemaakt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° (10 % volgens het aantal vonnissen van de jeugdrechtbank van het gerechtelijk arrondissement en laatstelijk bekendgemaakt door de Federale overheidsdienst Justitie;) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
6° (10 % volgens het aantal verdachte personen ten aanzien van wie een maatregel tot vrijheidsbeneming werd genomen in het gerechtelijk arrondissement en laatstelijk bekendgemaakt door de Federale Overheidsdienst Justitie.) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
§ 3. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt de subsidie verleend aan de Nederlandse commissie en de Franse commissie verdeeld onder hen, op de basis van een gemeen akkoord tussen de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel.
§ 2. De subsidie wordt tussen de commissies verdeeld op basis van de volgende objectieve criteria :
1° 40 % volgens het bevolkingscijfer van het gerechtelijk arrondissement, bepaald overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° 15 % volgens het aantal inwoners van het gerechtelijk arrondissement aan wie in januari van het voorgaande jaar het bestaansminimum is uitbetaald door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in toepassing van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, of de maatschappelijke bijstand, in toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° (15 % volgens het aantal inwoners van het gerechtelijk arrondissement aan wie in januari van het voorgaande jaar een inkomen is uitbetaald, met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
4° 10 % volgens het aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, laatst bekendgemaakt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° (10 % volgens het aantal vonnissen van de jeugdrechtbank van het gerechtelijk arrondissement en laatstelijk bekendgemaakt door de Federale overheidsdienst Justitie;) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
6° (10 % volgens het aantal verdachte personen ten aanzien van wie een maatregel tot vrijheidsbeneming werd genomen in het gerechtelijk arrondissement en laatstelijk bekendgemaakt door de Federale Overheidsdienst Justitie.) <KB 2002-09-04/62, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-10-2002>
§ 3. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt de subsidie verleend aan de Nederlandse commissie en de Franse commissie verdeeld onder hen, op de basis van een gemeen akkoord tussen de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel.
Art. 17. § 1. Le ministre alloue chaque année, dans la limite des moyens inscrits au budget général des dépenses de l'année budgétaire dans laquelle l'année judiciaire concernée s'achève, un subside aux commissions et détermine le montant qui est réparti entre elles.
§ 2. Le subside est réparti entre les commissions sur la base des critères objectifs suivants :
1° 40 % proportionnellement à la population de l'arrondissement judiciaire, déterminée conformément à l'article 63, alinéa 2, du Code judiciaire;
2° 15 % proportionnellement au nombre d'habitants de l'arrondissement judiciaire auxquels le centre public d'aide sociale a payé, au mois de janvier de l'année précédente, le montant du minimum de moyens d'existence, en application de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, ou l'aide sociale, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
3° (15 % proportionnellement au nombre d'habitants de l'arrondissement judiciaire auxquels un revenu a été payé au mois de janvier de l'année précédente, en application de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgée;s) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002>
4° 10 % proportionnellement au nombre de chômeurs complets indemnisés, publié en dernier lieu par l'Office National de l'Emploi;
5° (10 % proportionnellement au nombre, publié en dernier lieu par le Service Public Fédéral Justice, de jugements prononcés par le tribunal de la jeunesse de l'arrondissement judiciaire;) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002>
6° (10 % proportionnellement au nombre, publié en dernier lieu, par le Service Public Fédéral Justice, de personnes inculpées à l'égard desquelles une mesure de privation de liberté a été prise dans l'arrondissement judiciaire.) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002> dernier lieu par l'Institut national de Statistique, de personnes inculpées à l'égard desquelles une mesure de privation de liberté a été prise dans l'arrondissement judiciaire.
§ 3. Pour l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le subside alloué à la commission française et à la commission néerlandaise est réparti entre elles, de commun accord entre l'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles et l'Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles.
§ 2. Le subside est réparti entre les commissions sur la base des critères objectifs suivants :
1° 40 % proportionnellement à la population de l'arrondissement judiciaire, déterminée conformément à l'article 63, alinéa 2, du Code judiciaire;
2° 15 % proportionnellement au nombre d'habitants de l'arrondissement judiciaire auxquels le centre public d'aide sociale a payé, au mois de janvier de l'année précédente, le montant du minimum de moyens d'existence, en application de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, ou l'aide sociale, en application de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
3° (15 % proportionnellement au nombre d'habitants de l'arrondissement judiciaire auxquels un revenu a été payé au mois de janvier de l'année précédente, en application de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgée;s) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002>
4° 10 % proportionnellement au nombre de chômeurs complets indemnisés, publié en dernier lieu par l'Office National de l'Emploi;
5° (10 % proportionnellement au nombre, publié en dernier lieu par le Service Public Fédéral Justice, de jugements prononcés par le tribunal de la jeunesse de l'arrondissement judiciaire;) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002>
6° (10 % proportionnellement au nombre, publié en dernier lieu, par le Service Public Fédéral Justice, de personnes inculpées à l'égard desquelles une mesure de privation de liberté a été prise dans l'arrondissement judiciaire.) <AR 2002-09-04/62, art. 1, 002; En vigueur : 21-10-2002> dernier lieu par l'Institut national de Statistique, de personnes inculpées à l'égard desquelles une mesure de privation de liberté a été prise dans l'arrondissement judiciaire.
§ 3. Pour l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le subside alloué à la commission française et à la commission néerlandaise est réparti entre elles, de commun accord entre l'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles et l'Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles.
HOOFDSTUK VI. - Wijze van betaling van de subsidie.
CHAPITRE VI. - Des modalités de paiement du subside.
Art. 18. De minister stelt de wijze van betaling van de subsidie vast.
Elk gerechtelijk jaar wordt een eerste voorschot van 50 % van de subsidie bedoeld in artikel 17, § 1, toegekend aan de commissies. Dit voorschot wordt verdeeld overeenkomstig de regels bepaald in artikel 17, §§ 2 en 3 en wordt uiterlijk op 1 februari van elk jaar uitgekeerd, en voor de eerste maal op 1 februari 2000.
Een tweede voorschot van 30 %, op dezelfde manier verdeeld, wordt hen eveneens toegekend. Dit wordt uiterlijk betaald op 31 augustus van ieder jaar, en voor de eerste maal op 31 augustus 2000.
Het saldo van de subsidie wordt hen uitgekeerd na mededeling van de bewijsstukken betreffende de uitgaven van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Elk gerechtelijk jaar wordt een eerste voorschot van 50 % van de subsidie bedoeld in artikel 17, § 1, toegekend aan de commissies. Dit voorschot wordt verdeeld overeenkomstig de regels bepaald in artikel 17, §§ 2 en 3 en wordt uiterlijk op 1 februari van elk jaar uitgekeerd, en voor de eerste maal op 1 februari 2000.
Een tweede voorschot van 30 %, op dezelfde manier verdeeld, wordt hen eveneens toegekend. Dit wordt uiterlijk betaald op 31 augustus van ieder jaar, en voor de eerste maal op 31 augustus 2000.
Het saldo van de subsidie wordt hen uitgekeerd na mededeling van de bewijsstukken betreffende de uitgaven van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.
Art. 18. Le ministre arrête le mode de paiement du subside.
Chaque année judiciaire, une première avance de 50 % du subside visé à l'article 17, § 1er, est allouée aux commissions. Cette avance est répartie conformément aux règles visées à l'article 17, §§ 2 et 3 et est liquidée au plus tard le 1er février de chaque année, et pour la première fois le 1er février 2000.
Une seconde avance de 30 %, répartie de la même manière, leur est également allouée. Celle-ci est liquidée au plus tard le 31 août de chaque année, et pour la première fois le 31 août 2000.
Le solde du subside leur est versé après communication des documents justificatifs relatifs aux dépenses de l'année à laquelle le subside se rapporte.
Chaque année judiciaire, une première avance de 50 % du subside visé à l'article 17, § 1er, est allouée aux commissions. Cette avance est répartie conformément aux règles visées à l'article 17, §§ 2 et 3 et est liquidée au plus tard le 1er février de chaque année, et pour la première fois le 1er février 2000.
Une seconde avance de 30 %, répartie de la même manière, leur est également allouée. Celle-ci est liquidée au plus tard le 31 août de chaque année, et pour la première fois le 31 août 2000.
Le solde du subside leur est versé après communication des documents justificatifs relatifs aux dépenses de l'année à laquelle le subside se rapporte.
HOOFDSTUK VII. - Wijze van aanwending van de subsidie en van uitoefening van het toezicht.
CHAPITRE VII. - Des modalités d'affectation du subside et d'exercice du contrôle.
Art. 19. De in artikel 17, § 1, bedoelde subsidie mag door de commissie uitsluitend worden aangewend om de taken te vervullen bedoeld in artikel 508/3 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 23 november 1998.
Ten minste 90 % van de subsidie wordt aangewend om de taken te vervullen bedoeld in artikel 508/3, 1°, van hetzelfde Wetboek.
De minister bepaalt de wijze van uitoefening van controle van de aanwending van de subsidie.
Ten minste 90 % van de subsidie wordt aangewend om de taken te vervullen bedoeld in artikel 508/3, 1°, van hetzelfde Wetboek.
De minister bepaalt de wijze van uitoefening van controle van de aanwending van de subsidie.
Art. 19. Le subside visé à l'article 17, § 1er, est exclusivement affecté par la commission d'aide juridique à l'exécution des missions visées à l'article 508/3 du Code judiciaire, y inséré par la loi du 23 novembre 1998.
90 % au moins de ce subside sont affectés à l'exécution de la mission visée à l'article 508/3, 1°, du même Code.
Le ministre détermine les modalités d'exercice du contrôle de l'affectation du subside.
90 % au moins de ce subside sont affectés à l'exécution de la mission visée à l'article 508/3, 1°, du même Code.
Le ministre détermine les modalités d'exercice du contrôle de l'affectation du subside.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Art. 20. Artikel 4 van de wet van 23 november 1998 betreffende de juridische bijstand en dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 september 1999.
Art. 20. L'article 4 de la loi du 23 novembre 1998 relative à l'aide juridique et le présent arrêté produisent leurs effets le 1er septembre 1999.
Art. 21. De artikelen 5 en 7 van dezelfde wet treden in werking op 31 december 1999.
Art. 21. Les articles 5 et 7 de la même loi entrent en vigueur le 31 décembre 1999.
Art. 22. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 22. Notre Ministre de la Justice est chargé de l'exécution du présent arrêté.