Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
22 MAART 1999. - Wet tot wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.
Titre
22 MARS 1999. - Loi modifiant la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (10)
Texte (10)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art. 2. In artikel 1 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, vervangen bij de wet van 10 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
" Indien probatie-opschorting of probatie-uitstel wordt overwogen, licht het onderzoeks- of vonnisgerecht de verdachte voor de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van zodanige maatregel en hoort hem in zijn opmerkingen. ";
B) paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven;
C) het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. Indien opschorting of uitstel van de tenuitvoerlegging van de gehele gevangenisstraf wordt gelast, kunnen de bijzondere voorwaarden onder meer bestaan in de verplichting om binnen twaalf maanden na de dag waarop het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is gegaan, dienstverlening te verrichten of een bepaalde opleiding te volgen. Dienstverlening en opleiding kunnen ook samen worden opgelegd.
Voor dezelfde feiten kunnen dienstverlening of opleiding evenwel niet samen met effectieve gevangenisstraf worden opgelegd, tenzij de betrokkene voor die feiten voorlopige hechtenis heeft ondergaan en de rechter gevangenisstraf oplegt die hoogstens gelijk is aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. In dat geval houdt de rechter bij het bepalen van het aantal uren dienstverlening of opleiding rekening met de duur van de opgelegde gevangenisstraf. ".
A) paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
" Indien probatie-opschorting of probatie-uitstel wordt overwogen, licht het onderzoeks- of vonnisgerecht de verdachte voor de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van zodanige maatregel en hoort hem in zijn opmerkingen. ";
B) paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven;
C) het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. Indien opschorting of uitstel van de tenuitvoerlegging van de gehele gevangenisstraf wordt gelast, kunnen de bijzondere voorwaarden onder meer bestaan in de verplichting om binnen twaalf maanden na de dag waarop het vonnis of het arrest in kracht van gewijsde is gegaan, dienstverlening te verrichten of een bepaalde opleiding te volgen. Dienstverlening en opleiding kunnen ook samen worden opgelegd.
Voor dezelfde feiten kunnen dienstverlening of opleiding evenwel niet samen met effectieve gevangenisstraf worden opgelegd, tenzij de betrokkene voor die feiten voorlopige hechtenis heeft ondergaan en de rechter gevangenisstraf oplegt die hoogstens gelijk is aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. In dat geval houdt de rechter bij het bepalen van het aantal uren dienstverlening of opleiding rekening met de duur van de opgelegde gevangenisstraf. ".
Art. 2. A l'article 1er de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, remplacé par la loi du 10 février 1994, sont apportées les modifications suivantes :
A) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit :
" Si une suspension probatoire ou un sursis probatoire est envisagé, la juridiction d'instruction ou de jugement informe l'inculpé, avant la clôture des débats, de la portée d'une telle mesure et l'entend dans ses observations. ";
B) le § 2, alinéa 2, est abrogé;
C) l'article est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Lorsque la suspension ou le sursis à l'exécution est ordonné pour l'intégralité d'une peine d'emprisonnement, les conditions particulières peuvent notamment consister en l'obligation d'exécuter des travaux d'intérêt général ou de suivre une formation déterminée dans les douze mois qui suivent la date à laquelle le jugement ou l'arrêt est passé en force de chose jugée. Le travail d'intérêt général et la formation peuvent également être imposés cumulativement.
Le travail d'intérêt général ou la formation ne peuvent toutefois être imposés, pour les mêmes faits, cumulativement avec un emprisonnement effectif, à moins que l'intéressé ait subi une détention préventive pour ces faits et que le juge prononce un emprisonnement qui n'excède pas la détention préventive déjà subie. Dans ce cas, le juge tient compte de la durée de l'emprisonnement prononcé pour déterminer le nombre d'heures de travaux d'intérêt général ou de formation. ".
A) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit :
" Si une suspension probatoire ou un sursis probatoire est envisagé, la juridiction d'instruction ou de jugement informe l'inculpé, avant la clôture des débats, de la portée d'une telle mesure et l'entend dans ses observations. ";
B) le § 2, alinéa 2, est abrogé;
C) l'article est complété par un § 3, libellé comme suit :
" § 3. Lorsque la suspension ou le sursis à l'exécution est ordonné pour l'intégralité d'une peine d'emprisonnement, les conditions particulières peuvent notamment consister en l'obligation d'exécuter des travaux d'intérêt général ou de suivre une formation déterminée dans les douze mois qui suivent la date à laquelle le jugement ou l'arrêt est passé en force de chose jugée. Le travail d'intérêt général et la formation peuvent également être imposés cumulativement.
Le travail d'intérêt général ou la formation ne peuvent toutefois être imposés, pour les mêmes faits, cumulativement avec un emprisonnement effectif, à moins que l'intéressé ait subi une détention préventive pour ces faits et que le juge prononce un emprisonnement qui n'excède pas la détention préventive déjà subie. Dans ce cas, le juge tient compte de la durée de l'emprisonnement prononcé pour déterminer le nombre d'heures de travaux d'intérêt général ou de formation. ".
Art. 3. In artikel 1bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) paragraaf 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De dienstverlening bestaat in een activiteit waarvan de duur minstens twintig uur en hoogstens tweehonderdveertig uur bedraagt. De Probatiecommissie bepaalt, na de betrokkene gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, de aard van de te verrichten dienstverlening, die moet aansluiten bij zijn lichamelijke en verstandelijke geschiktheid, en de instelling of vereniging bij welke ze verricht moet worden. Hierbij kan tevens rekening worden gehouden met de belangen van de eventuele slachtoffers.
De duur van de opleiding bedraagt minstens twintig uur en hoogstens tweehonderd veertig uur. De Probatiecommissie bepaalt, na de betrokkene gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, de aard van de opleiding, die moet aansluiten bij zijn lichamelijke en verstandelijke geschiktheid, en de plaats waar ze gevolgd moet worden. Hierbij kan tevens rekening worden gehouden met de belangen van de eventuele slachtoffers.
Indien dienstverlening en opleiding samen worden opgelegd, bedraagt de gezamenlijke duur minstens twintig en hoogstens tweehonderd veertig uur.
De dienstverlening wordt door de delinquent kosteloos verricht tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt. ";
B) paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De dienstverlening of de opleiding kunnen alleen worden bevolen na een beknopt voorlichtingsrapport zoals bedoeld in artikel 2, of na een in aanwezigheid van de beklaagde uitgevoerde maatschappelijke enquête, indien uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk dienstverlening kan verrichten of een opleiding kan volgen op een plaats waarvoor hij zich niet onredelijk ver moet verplaatsen. ".
A) paragraaf 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De dienstverlening bestaat in een activiteit waarvan de duur minstens twintig uur en hoogstens tweehonderdveertig uur bedraagt. De Probatiecommissie bepaalt, na de betrokkene gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, de aard van de te verrichten dienstverlening, die moet aansluiten bij zijn lichamelijke en verstandelijke geschiktheid, en de instelling of vereniging bij welke ze verricht moet worden. Hierbij kan tevens rekening worden gehouden met de belangen van de eventuele slachtoffers.
De duur van de opleiding bedraagt minstens twintig uur en hoogstens tweehonderd veertig uur. De Probatiecommissie bepaalt, na de betrokkene gehoord te hebben en rekening houdend met diens opmerkingen, de aard van de opleiding, die moet aansluiten bij zijn lichamelijke en verstandelijke geschiktheid, en de plaats waar ze gevolgd moet worden. Hierbij kan tevens rekening worden gehouden met de belangen van de eventuele slachtoffers.
Indien dienstverlening en opleiding samen worden opgelegd, bedraagt de gezamenlijke duur minstens twintig en hoogstens tweehonderd veertig uur.
De dienstverlening wordt door de delinquent kosteloos verricht tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt. ";
B) paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De dienstverlening of de opleiding kunnen alleen worden bevolen na een beknopt voorlichtingsrapport zoals bedoeld in artikel 2, of na een in aanwezigheid van de beklaagde uitgevoerde maatschappelijke enquête, indien uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk dienstverlening kan verrichten of een opleiding kan volgen op een plaats waarvoor hij zich niet onredelijk ver moet verplaatsen. ".
Art. 3. A l'article 1erbis de la même loi, inséré par la loi du 10 février 1994, sont apportées les modifications suivantes :
A) le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les travaux d'intérêt général consistent en une activité dont la durée ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures. Après avoir entendu l'intéressé, la Commission de probation détermine, compte tenu des observations de celui-ci, la nature des travaux d'intérêt général à effectuer en fonction de ses capacités physiques et intellectuelles, ainsi que l'organisme ou l'association où ils devront être effectués. Il peut également être tenu compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles.
La durée de la formation ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures. Après avoir entendu l'intéressé, la Commission de probation détermine, compte tenu des observations de celui-ci, la nature de la formation à suivre en fonction de ses capacités physiques et intellectuelles, ainsi que le lieu où elle devra être suivie. Il peut également être tenu compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles.
Si le travail d'intérêt général et la formation sont imposés cumulativement, la durée totale ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures.
Les travaux d'intérêt général sont effectués gratuitement par le délinquant pendant le temps laissé libre par ses éventuelles activités scolaires ou professionnelles. ";
B) le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Les travaux d'intérêt général ou la formation ne peuvent être ordonnés qu'après un rapport d'information succinct, tel que visé à l'article 2 ou une enquête sociale, en présence du prévenu, et s'il apparaît des pièces du dossier qu'il existe réellement des possibilités d'exécuter des travaux d'intérêt général ou de suivre une formation à un lieu qui n'exige pas des déplacements excessifs pour l'intéressé. ".
A) le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les travaux d'intérêt général consistent en une activité dont la durée ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures. Après avoir entendu l'intéressé, la Commission de probation détermine, compte tenu des observations de celui-ci, la nature des travaux d'intérêt général à effectuer en fonction de ses capacités physiques et intellectuelles, ainsi que l'organisme ou l'association où ils devront être effectués. Il peut également être tenu compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles.
La durée de la formation ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures. Après avoir entendu l'intéressé, la Commission de probation détermine, compte tenu des observations de celui-ci, la nature de la formation à suivre en fonction de ses capacités physiques et intellectuelles, ainsi que le lieu où elle devra être suivie. Il peut également être tenu compte, à cet égard, des intérêts des victimes éventuelles.
Si le travail d'intérêt général et la formation sont imposés cumulativement, la durée totale ne peut être inférieure à vingt heures ni supérieure à deux cent quarante heures.
Les travaux d'intérêt général sont effectués gratuitement par le délinquant pendant le temps laissé libre par ses éventuelles activités scolaires ou professionnelles. ";
B) le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Les travaux d'intérêt général ou la formation ne peuvent être ordonnés qu'après un rapport d'information succinct, tel que visé à l'article 2 ou une enquête sociale, en présence du prévenu, et s'il apparaît des pièces du dossier qu'il existe réellement des possibilités d'exécuter des travaux d'intérêt général ou de suivre une formation à un lieu qui n'exige pas des déplacements excessifs pour l'intéressé. ".
Art. 4. Het opschrift van Hoofdstuk II van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift :
" Maatschappelijke enquête en beknopt voorlichtingsrapport. ".
" Maatschappelijke enquête en beknopt voorlichtingsrapport. ".
Art. 4. L'intitulé du Chapitre II de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant :
" Enquête sociale et rapport d'information succinct. ".
" Enquête sociale et rapport d'information succinct. ".
Art. 5. Artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. § 1. Met het oog op de eventuele toepassing van de artikelen 1bis, 3 en 8, moet de onderzoeksrechter een probatie-assistent de opdracht geven om, vóór het afsluiten van zijn onderzoek, een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen, op voorwaarde dat de verdachte voorheen niet werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden.
Zo geen onderzoeksrechter werd aangezocht, moet het openbaar ministerie een probatie-assistent de opdracht geven om, vóór de aanhangigmaking bij het vonnisgerecht, een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen, op voorwaarde dat de beklaagde voorheen niet werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden.
§ 2. Met het oog op de eventuele toepassing van de artikelen 1bis, 3 en 8, kunnen de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten, met uitzondering van de hoven van assisen, een probatie-assistent de opdracht geven om, ambtshalve of op verzoek van de delinquent, een maatschappelijke enquête uit te voeren met betrekking tot diens gedragingen en milieu, hetzij ter vervanging, hetzij ter aanvulling van het beknopt voorlichtingsrapport.
§ 3. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de maatschappelijke enquête en het beknopt voorlichtingsrapport. ".
" Art. 2. § 1. Met het oog op de eventuele toepassing van de artikelen 1bis, 3 en 8, moet de onderzoeksrechter een probatie-assistent de opdracht geven om, vóór het afsluiten van zijn onderzoek, een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen, op voorwaarde dat de verdachte voorheen niet werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden.
Zo geen onderzoeksrechter werd aangezocht, moet het openbaar ministerie een probatie-assistent de opdracht geven om, vóór de aanhangigmaking bij het vonnisgerecht, een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen, op voorwaarde dat de beklaagde voorheen niet werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden.
§ 2. Met het oog op de eventuele toepassing van de artikelen 1bis, 3 en 8, kunnen de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten, met uitzondering van de hoven van assisen, een probatie-assistent de opdracht geven om, ambtshalve of op verzoek van de delinquent, een maatschappelijke enquête uit te voeren met betrekking tot diens gedragingen en milieu, hetzij ter vervanging, hetzij ter aanvulling van het beknopt voorlichtingsrapport.
§ 3. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de maatschappelijke enquête en het beknopt voorlichtingsrapport. ".
Art. 5. L'article 2 de la même loi, modifié par la loi du 11 juillet 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 2. § 1er. En vue de l'application éventuelle des articles 1erbis, 3 et 8, le juge d'instruction doit faire procéder par un assistant de probation avant la clôture de son instruction à un rapport d'information succinct, pour autant que l'inculpé n'ait pas encouru antérieurement de condamnation à un emprisonnement principal de plus de douze mois.
En l'absence de saisine d'un juge d'instruction, le ministère public doit faire procéder par un assistant de probation, avant la saisine de la juridiction de jugement, à un rapport d'information succinct pour autant que le prévenu n'ait pas encouru antérieurement de condamnation à un emprisonnement principal de plus de douze mois.
§ 2. En vue de l'application éventuelle des articles 1erbis, 3 et 8, le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instructions et les juridictions de jugement à l'exception des cours d'assises peuvent faire procéder par un assistant de probation, d'office ou à la requête du délinquant, en lieu et place du rapport d'information succinct ou en complément à celui-ci, à une enquête sociale sur son comportement et son milieu.
§ 3. Le Roi précise les règles relatives à l'enquête sociale et au rapport d'information succinct. ".
" Art. 2. § 1er. En vue de l'application éventuelle des articles 1erbis, 3 et 8, le juge d'instruction doit faire procéder par un assistant de probation avant la clôture de son instruction à un rapport d'information succinct, pour autant que l'inculpé n'ait pas encouru antérieurement de condamnation à un emprisonnement principal de plus de douze mois.
En l'absence de saisine d'un juge d'instruction, le ministère public doit faire procéder par un assistant de probation, avant la saisine de la juridiction de jugement, à un rapport d'information succinct pour autant que le prévenu n'ait pas encouru antérieurement de condamnation à un emprisonnement principal de plus de douze mois.
§ 2. En vue de l'application éventuelle des articles 1erbis, 3 et 8, le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instructions et les juridictions de jugement à l'exception des cours d'assises peuvent faire procéder par un assistant de probation, d'office ou à la requête du délinquant, en lieu et place du rapport d'information succinct ou en complément à celui-ci, à une enquête sociale sur son comportement et son milieu.
§ 3. Le Roi précise les règles relatives à l'enquête sociale et au rapport d'information succinct. ".
Art. 6. In artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 februari 1994, worden de woorden " een correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee maanden " vervangen door de woorden " een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden ".
Art. 6. Dans l'article 3, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 10 février 1994, les mots " à un emprisonnement correctionnel principal de plus de deux mois " sont remplacés par les mots " à un emprisonnement principal de plus de six mois ".
Art. 7. In artikel 10 van dezelfde wet, wordt het laatste lid vervangen door de volgende leden :
" De verblijfplaats van de verdachte of veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest bepaalt de territoriale bevoegdheid van de Probatiecommissie. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats heeft buiten het grondgebied van het Rijk, is de territoriaal bevoegde Commissie die van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg uitgesproken werd.
Behoudens het bepaalde in het elfde lid, is, indien aan een persoon tijdens de proeftijd van een hem eerder opgelegde probatiemaatregel een nieuwe probatiemaatregel wordt opgelegd, de Probatiecommissie die aanvankelijk territoriaal bevoegd was tevens bevoegd voor deze nieuwe probatiemaatregel en dat voor de gehele duur ervan.
Indien de Commissie het in uitzonderlijke gevallen voor een verdachte of een veroordeelde, die daartoe een gemotiveerde aanvraag indient, aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan de Commissie van zijn nieuwe verblijfplaats, neemt zij een gemotiveerde beslissing nadat die andere Commissie binnen twee maanden een eensluidend advies heeft uitgebracht. Voor een persoon zonder verblijfplaats in het Rijk kan volgens dezelfde procedure de bevoegdheid naar een andere Commissie worden overgedragen, zonder dat het in dat geval de Commissie van zijn nieuwe verblijfplaats moet zijn. ".
" De verblijfplaats van de verdachte of veroordeelde op het ogenblik van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis of arrest bepaalt de territoriale bevoegdheid van de Probatiecommissie. Indien de betrokkene zijn verblijfplaats heeft buiten het grondgebied van het Rijk, is de territoriaal bevoegde Commissie die van de plaats waar de veroordeling in eerste aanleg uitgesproken werd.
Behoudens het bepaalde in het elfde lid, is, indien aan een persoon tijdens de proeftijd van een hem eerder opgelegde probatiemaatregel een nieuwe probatiemaatregel wordt opgelegd, de Probatiecommissie die aanvankelijk territoriaal bevoegd was tevens bevoegd voor deze nieuwe probatiemaatregel en dat voor de gehele duur ervan.
Indien de Commissie het in uitzonderlijke gevallen voor een verdachte of een veroordeelde, die daartoe een gemotiveerde aanvraag indient, aangewezen acht om de bevoegdheid over te dragen aan de Commissie van zijn nieuwe verblijfplaats, neemt zij een gemotiveerde beslissing nadat die andere Commissie binnen twee maanden een eensluidend advies heeft uitgebracht. Voor een persoon zonder verblijfplaats in het Rijk kan volgens dezelfde procedure de bevoegdheid naar een andere Commissie worden overgedragen, zonder dat het in dat geval de Commissie van zijn nieuwe verblijfplaats moet zijn. ".
Art. 7. Dans l'article 10 de la même loi, le dernier alinéa est remplacé par les alinéas suivants :
" Le lieu de résidence de l'inculpé ou du condamné au moment où le jugement ou l'arrêt passe en force de chose jugée, détermine la compétence territoriale de la Commission de probation. Lorsque l'intéressé réside en dehors du territoire du Royaume, la Commission territorialement compétente est celle du lieu où a été prononcée la condamnation en première instance.
Sauf le prescrit de l'alinéa 11, lorsqu'une personne se voit imposer une nouvelle mesure probatoire pendant le délai d'épreuve d'une mesure probatoire qui lui a été imposée précédemment, la Commission de probation initialement compétente territorialement est également compétente pour cette nouvelle mesure probatoire, et ce pour la totalité de sa durée.
Lorsque, dans des cas exceptionnels, la Commission juge opportun, pour un inculpé ou un condamné qui fait une demande motivée à cet effet, de transférer la compétence à la Commission du lieu de sa nouvelle résidence, elle prend une décision motivée, après que cette autre Commission ait rendu un avis conforme dans un délai de deux mois. Pour une personne sans résidence dans le Royaume, la compétence peut être transférée selon la même procédure à une autre Commission, sans qu'il soit exigé dans ce cas qu'il s'agisse de la Commission du lieu de sa nouvelle résidence. ".
" Le lieu de résidence de l'inculpé ou du condamné au moment où le jugement ou l'arrêt passe en force de chose jugée, détermine la compétence territoriale de la Commission de probation. Lorsque l'intéressé réside en dehors du territoire du Royaume, la Commission territorialement compétente est celle du lieu où a été prononcée la condamnation en première instance.
Sauf le prescrit de l'alinéa 11, lorsqu'une personne se voit imposer une nouvelle mesure probatoire pendant le délai d'épreuve d'une mesure probatoire qui lui a été imposée précédemment, la Commission de probation initialement compétente territorialement est également compétente pour cette nouvelle mesure probatoire, et ce pour la totalité de sa durée.
Lorsque, dans des cas exceptionnels, la Commission juge opportun, pour un inculpé ou un condamné qui fait une demande motivée à cet effet, de transférer la compétence à la Commission du lieu de sa nouvelle résidence, elle prend une décision motivée, après que cette autre Commission ait rendu un avis conforme dans un délai de deux mois. Pour une personne sans résidence dans le Royaume, la compétence peut être transférée selon la même procédure à une autre Commission, sans qu'il soit exigé dans ce cas qu'il s'agisse de la Commission du lieu de sa nouvelle résidence. ".
Art. 8. In artikel 13, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 februari 1994, wordt het woord " correctionele " geschrapt.
Art. 8. Dans l'article 13, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 10 février 1994, le mot " correctionnel " est supprimé.
Art. 9. In artikel 14 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in § 1, worden de woorden " correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee maanden " vervangen door de woorden " hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden ";
B) er wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
" § 1bis. Het uitstel kan worden herroepen indien gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een effectieve hoofdgevangenisstraf van ten minste één maand en ten hoogste zes maanden ten gevolge heeft gehad.
In dat geval is de procedure bepaald in § 2, tweede en derde lid, van toepassing. ".
A) in § 1, worden de woorden " correctionele hoofdgevangenisstraf van meer dan twee maanden " vervangen door de woorden " hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden ";
B) er wordt een § 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
" § 1bis. Het uitstel kan worden herroepen indien gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een effectieve hoofdgevangenisstraf van ten minste één maand en ten hoogste zes maanden ten gevolge heeft gehad.
In dat geval is de procedure bepaald in § 2, tweede en derde lid, van toepassing. ".
Art. 9. A l'article 14 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
A) au § 1er, les mots " à un emprisonnement correctionnel principal de plus de deux mois " sont remplacés par les mots " à un emprisonnement principal de plus de six mois ";
B) il est inséré un § 1erbis, libellé comme suit :
" § 1erbis. Le sursis peut être révoqué si une nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve a entraîné une condamnation à un emprisonnement principal effectif d'un mois au moins et de six mois au plus.
Dans ce cas, la procédure prévue au § 2, alinéas 2 et 3, est d'application. ".
A) au § 1er, les mots " à un emprisonnement correctionnel principal de plus de deux mois " sont remplacés par les mots " à un emprisonnement principal de plus de six mois ";
B) il est inséré un § 1erbis, libellé comme suit :
" § 1erbis. Le sursis peut être révoqué si une nouvelle infraction commise pendant le délai d'épreuve a entraîné une condamnation à un emprisonnement principal effectif d'un mois au moins et de six mois au plus.
Dans ce cas, la procédure prévue au § 2, alinéas 2 et 3, est d'application. ".
Art. 10. Voor de verdachten en veroordeelden aan wie bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest probatie-opschorting of probatie-uitstel was verleend voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft de bevoegde Probatiecommissie, onverminderd artikel 10, elfde lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, die welke territoriaal bevoegd was op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 22 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 22 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Art. 10. A l'égard des inculpés et des condamnés qui ont bénéficié d'une suspension probatoire ou d'un sursis probatoire par un jugement ou un arrêt passé en force de chose jugée avant l'entrée en vigueur de la présente loi, la Commission de probation compétente demeure celle qui était territorialement compétente au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sans préjudice de l'article 10, alinéa 11, de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 22 mars 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 22 mars 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS