Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
1° de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling : de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964;
2° de wet tot instelling van de commissies : de wet van 18 maart 1998 tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling;
3° de commissie : de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling;
4° de voorzitter : de rechter van de rechtbank van eerste aanleg die de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling voorzit;
5° de Minister : de Minister van Justitie;
6° de directeur : het inrichtingshoofd of de eerstaanwezend directeur van de strafinrichting.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 FEBRUARI 1999. - Koninklijk besluit houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-02-1999 en tekstbijwerking tot 19-09-2001)
Titre
10 FEVRIER 1999. - Arrêté royal portant des mesures d'exécution relatives à la libération conditionnelle. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-02-1999 et mise à jour au 19-09-2001)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Begripsbepalingen.
HOOFDSTUK II. - Zetel en bevoegdheid van de com...
HOOFDSTUK III. - Werkwijze van de commissie.
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de slach...
HOOFDSTUK V. - De invrijheidstelling en de verl...
HOOFDSTUK VI. - Procedure betreffende de schors...
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk b...
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
Table des matières
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Du siège et de la compétence de ...
CHAPITRE III. - Du fonctionnement de la Commiss...
CHAPITRE IV. - Dispositions relatives aux victi...
CHAPITRE V. - La libération et le certificat de...
CHAPITRE VI. - De la procédure relative à la su...
CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal ...
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Tekst (36)
Texte (36)
HOOFDSTUK I. - Begripsbepalingen.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il convient d'entendre par :
1° la loi relative à la libération conditionnelle : la loi du 5 mars 1998 relative à la libération conditionnelle et modifiant la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, remplacée par la loi du 1er juillet 1964;
2° la loi instituant les commissions : la loi du 18 mars 1998 instituant les commissions de libération conditionnelle;
3° la Commission : la Commission de libération conditionnelle;
4° le président : le juge du Tribunal de première instance qui préside la Commission de libération conditionnelle;
5° le Ministre : le Ministre de la Justice;
6° le directeur : le chef d'établissement ou le directeur principal de l'établissement pénitentiaire.
1° la loi relative à la libération conditionnelle : la loi du 5 mars 1998 relative à la libération conditionnelle et modifiant la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, remplacée par la loi du 1er juillet 1964;
2° la loi instituant les commissions : la loi du 18 mars 1998 instituant les commissions de libération conditionnelle;
3° la Commission : la Commission de libération conditionnelle;
4° le président : le juge du Tribunal de première instance qui préside la Commission de libération conditionnelle;
5° le Ministre : le Ministre de la Justice;
6° le directeur : le chef d'établissement ou le directeur principal de l'établissement pénitentiaire.
HOOFDSTUK II. - Zetel en bevoegdheid van de commissie.
CHAPITRE II. - Du siège et de la compétence de la Commission.
Art. 2. De zetel van de commissies die ingesteld zijn in het rechtsgebied van de hoven van beroep te Gent, Antwerpen, Luik, Bergen en Brussel zijn respectievelijk gevestigd in de steden Gent, Antwerpen, Luik, Bergen en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
Art. 2. Les sièges des commissions qui sont établies dans le ressort des cours d'appel de Gand, Anvers, Liège, Mons et Bruxelles sont respectivement fixés dans les villes de Gand, Anvers, Liège, Mons et dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
Art. 3. Overeenkomstig artikel 2, § 2, van de wet tot instelling van de commissies vallen de veroordeelden onder de bevoegdheid van :
1° de commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Antwerpen, Hoogstraten, Merksplas, Turnhout of Wortel;
2° de commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Brugge, Gent, Ieper of Ruiselede;
3° (de commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Bergen, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Bergen, Doornik, Jamioulx, Saint-Hubert of Andenne;) <KB 2001-08-10/62, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
4° (de commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Lantin, Verviers, Aarlen, Namen, Hoei, Paifve of Dinant;) <KB 2001-08-10/62, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
5° de Nederlandstalige commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Dendermonde, Hasselt, Leuven, Mechelen, Oudenaarde of Tongeren;
6° (de Franstalige commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Marneffe, Nijvel of Ittre;) <KB 2001-08-10/62, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
7° de Franstalige of de Nederlandstalige commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, en dit naargelang van de taal van het vonnis of arrest waarbij de zwaarste straf is opgelegd.
1° de commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Antwerpen wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Antwerpen, Hoogstraten, Merksplas, Turnhout of Wortel;
2° de commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Gent wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Brugge, Gent, Ieper of Ruiselede;
3° (de commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Bergen, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Bergen, Doornik, Jamioulx, Saint-Hubert of Andenne;) <KB 2001-08-10/62, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
4° (de commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Luik, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Lantin, Verviers, Aarlen, Namen, Hoei, Paifve of Dinant;) <KB 2001-08-10/62, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
5° de Nederlandstalige commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Dendermonde, Hasselt, Leuven, Mechelen, Oudenaarde of Tongeren;
6° (de Franstalige commissie van het rechtsgebied van het Hof van Beroep van Brussel, wanneer zij, op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd, gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen te Marneffe, Nijvel of Ittre;) <KB 2001-08-10/62, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-11-2001>
7° de Franstalige of de Nederlandstalige commissie van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel wanneer zij op het ogenblik dat het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd gedetineerd zijn in een van de strafinrichtingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, en dit naargelang van de taal van het vonnis of arrest waarbij de zwaarste straf is opgelegd.
Art. 3. Conformément à l'article 2, § 2, de la loi instituant les commissions, les condamnés relèvent de la compétence de :
1° la Commission du ressort de la Cour d'appel d'Anvers, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Anvers, Hoogstraten, Merksplas, Turnhout ou Wortel;
2° la Commission du ressort de la Cour d'appel de Gand, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Bruges, Gand, Ruiselede ou Ypres;
3° (la commission du ressort de la Cour d'appel de Mons, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Mons, Tournai, Jamioulx, Saint-Hubert ou Andenne;) <AR 2001-08-10/62, art. 1, 005; En vigueur : 01-11-2001>
4° (la commission du ressort de la Cour d'appel de Liège, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Lantin, Verviers, Arlon, Namur, Huy, Paifve ou Dinant;) <AR 2001-08-10/62, art. 2, 005; En vigueur : 01-11-2001>
5° la Commission néerlandophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Audenarde, Hasselt, Louvain, Malines, Termonde ou Tongres;
6° (la commission francophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Marneffe, Nivelles, ou Ittre;) <AR 2001-08-10/62, art. 3, 005; En vigueur : 01-11-2001>
7° la Commission néerlandophone ou francophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, en fonction de la langue dans laquelle a été prononcé le jugement ou l'arrêt condamnant à la peine la plus lourde.
1° la Commission du ressort de la Cour d'appel d'Anvers, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Anvers, Hoogstraten, Merksplas, Turnhout ou Wortel;
2° la Commission du ressort de la Cour d'appel de Gand, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Bruges, Gand, Ruiselede ou Ypres;
3° (la commission du ressort de la Cour d'appel de Mons, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Mons, Tournai, Jamioulx, Saint-Hubert ou Andenne;) <AR 2001-08-10/62, art. 1, 005; En vigueur : 01-11-2001>
4° (la commission du ressort de la Cour d'appel de Liège, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Lantin, Verviers, Arlon, Namur, Huy, Paifve ou Dinant;) <AR 2001-08-10/62, art. 2, 005; En vigueur : 01-11-2001>
5° la Commission néerlandophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Audenarde, Hasselt, Louvain, Malines, Termonde ou Tongres;
6° (la commission francophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés à Marneffe, Nivelles, ou Ittre;) <AR 2001-08-10/62, art. 3, 005; En vigueur : 01-11-2001>
7° la Commission néerlandophone ou francophone du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles, lorsqu'ils, au moment où est formulée la proposition de libération conditionnelle, sont détenus dans un des établissements pénitentiaires situés dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, en fonction de la langue dans laquelle a été prononcé le jugement ou l'arrêt condamnant à la peine la plus lourde.
HOOFDSTUK III. - Werkwijze van de commissie.
CHAPITRE III. - Du fonctionnement de la Commission.
Art. 4. § 1. De voorzitter bepaalt de plaats, de dagen en het aanvangsuur van de zittingen van de commissie en maakt de agenda op. Behalve voor de zaken waarvoor, overeenkomstig de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de zitting dient plaats te vinden in de strafinrichting, houdt de commissie zitting op haar zetel (of in een justitiehuis). <KB 1999-10-28/39, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 2. Wanneer de commissie ter uitvoering van artikel 4, § 1, eerste lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling de behandeling van het voorstel inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling uitzonderlijk elders dan in de strafinrichting waar de veroordeelde zijn straf ondergaat, wil laten doorgaan, stelt zij het Directoraat-generaal Strafinrichtingen hiervan op gemotiveerde wijze in kennis. Het Directoraat-generaal Strafinrichtingen beschikt over een termijn van vier dagen om de haar gekende contra-indicaties die betrekking hebben op de orde en de veiligheid aan de commissie mee te delen. Na verloop van die termijn beslist de commissie waar de behandeling van de zaak doorgaat. Wanneer de zaak elders dan in de strafinrichting waar de veroordeelde zijn straf ondergaat doorgaat, vordert de voorzitter het openbaar ministerie de nodige maatregelen te treffen met betrekking tot de orde en de veiligheid.
§ 3. De commissie zetelt minstens eenmaal per maand in elke strafinrichting, voor zover er een zaak dient behandeld te worden inzake een veroordeelde waarvoor zij bevoegd is en die op dat ogenblik in die strafinrichting gedetineerd is.
§ 2. Wanneer de commissie ter uitvoering van artikel 4, § 1, eerste lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling de behandeling van het voorstel inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling uitzonderlijk elders dan in de strafinrichting waar de veroordeelde zijn straf ondergaat, wil laten doorgaan, stelt zij het Directoraat-generaal Strafinrichtingen hiervan op gemotiveerde wijze in kennis. Het Directoraat-generaal Strafinrichtingen beschikt over een termijn van vier dagen om de haar gekende contra-indicaties die betrekking hebben op de orde en de veiligheid aan de commissie mee te delen. Na verloop van die termijn beslist de commissie waar de behandeling van de zaak doorgaat. Wanneer de zaak elders dan in de strafinrichting waar de veroordeelde zijn straf ondergaat doorgaat, vordert de voorzitter het openbaar ministerie de nodige maatregelen te treffen met betrekking tot de orde en de veiligheid.
§ 3. De commissie zetelt minstens eenmaal per maand in elke strafinrichting, voor zover er een zaak dient behandeld te worden inzake een veroordeelde waarvoor zij bevoegd is en die op dat ogenblik in die strafinrichting gedetineerd is.
Art. 4. § 1er. Le président fixe les lieu, jours et heures des audiences de la Commission et établit l'ordre du jour. Sauf dans les cas où, conformément à la loi relative à la libération conditionnelle, l'audience doit se tenir dans l'établissement pénitentiaire, la Commission tient audience en son siège (ou dans une maison de justice). <AR 1999-10-28/39, art. 1, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 2. Lorsque, en exécution de l'article 4, § 1er, alinéa 1er, de la loi relative à la libération conditionnelle, la Commission souhaite, à titre exceptionnel, examiner la proposition relative à la libération conditionnelle ailleurs que dans l'établissement pénitentiaire où le condamné subit sa peine, elle en informe la Direction générale des Etablissements pénitentiaires en motivant l'exception. La Direction générale des Etablissements pénitentiaires dispose d'un délai de quatre jours pour communiquer à la Commission les contre-indications qu'elle connaît en rapport avec l'ordre et la sécurité. A l'expiration de ce délai, la Commission décide du lieu où l'affaire est examinée. Quand l'affaire est examinée ailleurs que dans l'établissement pénitentiaire où le condamné subit sa peine, le président requiert le ministère public de prendre les mesures nécessaires relatives à l'ordre et la sécurité.
§ 3. La Commission siège au moins une fois par mois dans chaque établissement pénitentiaire, dans la mesure où il y a lieu d'examiner une affaire concernant un condamné pour lequel elle est compétente et qui est détenu à ce moment dans cet établissement pénitentiaire.
§ 2. Lorsque, en exécution de l'article 4, § 1er, alinéa 1er, de la loi relative à la libération conditionnelle, la Commission souhaite, à titre exceptionnel, examiner la proposition relative à la libération conditionnelle ailleurs que dans l'établissement pénitentiaire où le condamné subit sa peine, elle en informe la Direction générale des Etablissements pénitentiaires en motivant l'exception. La Direction générale des Etablissements pénitentiaires dispose d'un délai de quatre jours pour communiquer à la Commission les contre-indications qu'elle connaît en rapport avec l'ordre et la sécurité. A l'expiration de ce délai, la Commission décide du lieu où l'affaire est examinée. Quand l'affaire est examinée ailleurs que dans l'établissement pénitentiaire où le condamné subit sa peine, le président requiert le ministère public de prendre les mesures nécessaires relatives à l'ordre et la sécurité.
§ 3. La Commission siège au moins une fois par mois dans chaque établissement pénitentiaire, dans la mesure où il y a lieu d'examiner une affaire concernant un condamné pour lequel elle est compétente et qui est détenu à ce moment dans cet établissement pénitentiaire.
Art. 5. Het lid van het openbaar ministerie dat aan de commissie verbonden is, wordt minstens tien dagen voor elke zitting van de commissie schriftelijk opgeroepen.
De directeur wordt, in de gevallen waarin zijn aanwezigheid voorgeschreven is, minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
De veroordeelde wordt, in de gevallen waarin zijn aanwezigheid voorgeschreven is of wanneer de commissie dat wenselijk acht, minstens tien dagen voor de zitting per aangetekend schrijven opgeroepen. Indien de veroordeelde gedetineerd is, wordt hij, behoudens in het geval voorzien in artikel 10, § 1 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, opgeroepen overeenkomstig artikel 10 van dit besluit.
De veroordeelde die gedetineerd is en afstand doet van zijn recht om gehoord te worden, tekent een document van afstand dat aan hem wordt overgemaakt door de directeur of zijn plaatsvervanger. Wanneer hij weigert te tekenen, wordt daar schriftelijk melding van gemaakt. Het document van afstand wordt onmiddellijk overgemaakt aan de secretaris van de commissie.
Andere personen ten aanzien van wie de commissie beslist dat zij dienen gehoord te worden overeenkomstig artikel 4, § 3, zesde lid of artikel 10, § 3, tweede lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, worden minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
De directeur wordt, in de gevallen waarin zijn aanwezigheid voorgeschreven is, minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
De veroordeelde wordt, in de gevallen waarin zijn aanwezigheid voorgeschreven is of wanneer de commissie dat wenselijk acht, minstens tien dagen voor de zitting per aangetekend schrijven opgeroepen. Indien de veroordeelde gedetineerd is, wordt hij, behoudens in het geval voorzien in artikel 10, § 1 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, opgeroepen overeenkomstig artikel 10 van dit besluit.
De veroordeelde die gedetineerd is en afstand doet van zijn recht om gehoord te worden, tekent een document van afstand dat aan hem wordt overgemaakt door de directeur of zijn plaatsvervanger. Wanneer hij weigert te tekenen, wordt daar schriftelijk melding van gemaakt. Het document van afstand wordt onmiddellijk overgemaakt aan de secretaris van de commissie.
Andere personen ten aanzien van wie de commissie beslist dat zij dienen gehoord te worden overeenkomstig artikel 4, § 3, zesde lid of artikel 10, § 3, tweede lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, worden minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
Art. 5. Le membre du ministère public qui est attaché à la Commission est convoqué par écrit au moins dix jours avant chaque audience de la Commission.
Dans les cas où sa présence est requise, le directeur est convoqué par lettre au moins dix jours avant l'audience.
Le condamné, dans les cas où sa présence est requise ou lorsque la Commission l'estime opportun, est convoqué au moins dix jours avant la date de l'audience par lettre recommandée. Si le condamné est détenu, il est convoqué conformément à l'article 10 de cet arrêté excepté dans le cas prévu par l'article 10, § 1er de la loi relative à la libération conditionnelle.
Le condamné détenu qui renonce à son droit d'être entendu signe un document de renonciation qui lui est remis par le directeur ou son remplacant. S'il refuse de signer, il en est fait mention par écrit. Le document de renonciation est transmis immédiatement au secrétaire de la Commission.
Les autres personnes, dont la Commission juge l'audition nécessaire conformément à l'article 4, § 3, alinéa 6 ou à l'article 10, § 3, alinéa 2 de la loi relative à la libération conditionnelle, sont convoquées, par lettre, au moins dix jours avant l'audience.
Dans les cas où sa présence est requise, le directeur est convoqué par lettre au moins dix jours avant l'audience.
Le condamné, dans les cas où sa présence est requise ou lorsque la Commission l'estime opportun, est convoqué au moins dix jours avant la date de l'audience par lettre recommandée. Si le condamné est détenu, il est convoqué conformément à l'article 10 de cet arrêté excepté dans le cas prévu par l'article 10, § 1er de la loi relative à la libération conditionnelle.
Le condamné détenu qui renonce à son droit d'être entendu signe un document de renonciation qui lui est remis par le directeur ou son remplacant. S'il refuse de signer, il en est fait mention par écrit. Le document de renonciation est transmis immédiatement au secrétaire de la Commission.
Les autres personnes, dont la Commission juge l'audition nécessaire conformément à l'article 4, § 3, alinéa 6 ou à l'article 10, § 3, alinéa 2 de la loi relative à la libération conditionnelle, sont convoquées, par lettre, au moins dix jours avant l'audience.
Art. 6. Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen moeten dezelfde leden van de commissie alle zittingen waarop een welbepaalde zaak werd onderzocht, hebben bijgewoond.
De door de commissie genomen beslissingen en verleende adviezen worden door de leden die in de zaak omtrent die beslissing zitting gehad hebben en door de secretaris ondertekend. Indien de voorzitter, de assessoren of de secretaris in de onmogelijkheid verkeren om de beslissing of het advies te ondertekenen, wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 785 en 786, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De door de commissie genomen beslissingen en verleende adviezen worden door de leden die in de zaak omtrent die beslissing zitting gehad hebben en door de secretaris ondertekend. Indien de voorzitter, de assessoren of de secretaris in de onmogelijkheid verkeren om de beslissing of het advies te ondertekenen, wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 785 en 786, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 6. Seuls les membres de la Commission qui ont assisté à toutes les audiences où une affaire déterminée a été examinée peuvent délibérer et statuer valablement sur cette affaire.
Les décisions et les avis de la Commission sont signés par les membres qui ont siégé lors des audiences où l'affaire concernant cette décision a été examinée ainsi que par le secrétaire. Si le président, les assesseurs ou le secrétaire sont dans l'impossibilité de signer la décision ou l'avis, il est procédé conformément aux articles 785 et 786, 1er alinéa du Code judiciaire.
Les décisions et les avis de la Commission sont signés par les membres qui ont siégé lors des audiences où l'affaire concernant cette décision a été examinée ainsi que par le secrétaire. Si le président, les assesseurs ou le secrétaire sont dans l'impossibilité de signer la décision ou l'avis, il est procédé conformément aux articles 785 et 786, 1er alinéa du Code judiciaire.
Art. 7. § 1. De secretaris legt een individueel dossier aan dat wordt bijgehouden op de zetel van de commissie. Minstens alle voorstellen, beslissingen, adviezen, processen-verbaal, documenten van afstand, documenten waaruit blijkt dat de veroordeelde akkoord gaat met de opgelegde voorwaarden, verslagen, kennisgevingen en bewijsstukken van verzendingen worden bij dat dossier gevoegd. De secretaris maakt een inventaris van de stukken op.
§ 2. Bij overdracht van de bevoegdheid van een commissie naar een andere overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid of overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, of indien na een herroeping een nieuw voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd en een andere commissie bevoegd is, maakt de secretaris van de oorspronkelijk bevoegde commissie het individueel dossier zo spoedig mogelijk over aan de nieuw bevoegde commissie.
§ 3. De secretaris stelt per behandelde zaak een proces-verbaal op. Daarin worden vermeld de naam, voornaam, geboorteplaats en -datum en adres van de veroordeelde; de strafinrichting waarin hij zijn straf ondergaat; de plaats en de datum van de zitting; de samenstelling van de commissie; de personen die werden gehoord en hun hoedanigheid; de samenvatting van de besprekingen en de genomen beslissing of het verleende advies.
De processen-verbaal worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
§ 4. De secretaris zorgt voor de verzending van de kennisgevingen die hij voorafgaandelijk ter ondertekening aan de voorzitter voorlegt.
§ 5. (De secretaris staat er voor in dat de dossiers ter inzage zijn op de zetel van de commissie indien de behandeling van de zaak doorgaat op die zetel of in een justitiehuis, en dit gedurende minimum vier werkdagen.) <KB 1999-10-28/39, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 6. De secretaris brengt de directeur onverwijld door middel van het snelste schriftelijke communicatiemiddel op de hoogte van het feit dat :
1° de termijn om cassatieberoep aan te tekenen door het lid van het openbaar ministerie tegen een beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend, verstreken is, of;
2° dat het lid van het openbaar ministerie cassatieberoep heeft aangetekend tegen een beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend.
§ 2. Bij overdracht van de bevoegdheid van een commissie naar een andere overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid of overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, of indien na een herroeping een nieuw voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling wordt geformuleerd en een andere commissie bevoegd is, maakt de secretaris van de oorspronkelijk bevoegde commissie het individueel dossier zo spoedig mogelijk over aan de nieuw bevoegde commissie.
§ 3. De secretaris stelt per behandelde zaak een proces-verbaal op. Daarin worden vermeld de naam, voornaam, geboorteplaats en -datum en adres van de veroordeelde; de strafinrichting waarin hij zijn straf ondergaat; de plaats en de datum van de zitting; de samenstelling van de commissie; de personen die werden gehoord en hun hoedanigheid; de samenvatting van de besprekingen en de genomen beslissing of het verleende advies.
De processen-verbaal worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
§ 4. De secretaris zorgt voor de verzending van de kennisgevingen die hij voorafgaandelijk ter ondertekening aan de voorzitter voorlegt.
§ 5. (De secretaris staat er voor in dat de dossiers ter inzage zijn op de zetel van de commissie indien de behandeling van de zaak doorgaat op die zetel of in een justitiehuis, en dit gedurende minimum vier werkdagen.) <KB 1999-10-28/39, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 6. De secretaris brengt de directeur onverwijld door middel van het snelste schriftelijke communicatiemiddel op de hoogte van het feit dat :
1° de termijn om cassatieberoep aan te tekenen door het lid van het openbaar ministerie tegen een beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend, verstreken is, of;
2° dat het lid van het openbaar ministerie cassatieberoep heeft aangetekend tegen een beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend.
Art. 7. § 1er. Le secrétaire constitue un dossier individuel qui est conservé au siège de la Commission. Au moins toutes les propositions, décisions, avis, procès-verbaux, documents de renonciation, documents desquels apparaissent que le condamné marque son accord avec les conditions imposées, rapports, significations et pièces justificatives des envois y sont versés. Le secrétaire fait un inventaire des pièces.
§ 2. En cas de transfert de compétence d'une Commission à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5 ou à l'article 7, § 1er, alinéa 2, de la loi instituant les commissions, ou si après une révocation une nouvelle proposition de libération conditionnelle est formulée et qu'une autre Commission est compétente, le secrétaire de la Commission compétente à l'origine transmet le plus vite possible le dossier individuel à la Commission nouvellement compétente.
§ 3. Le secrétaire dresse un procès-verbal pour chaque affaire examinée. Il y est fait mention du nom, du prénom, de la date et du lieu de naissance ainsi que de l'adresse du condamné; de l'établissement pénitentiaire où il subit sa peine; du lieu et de la date de l'audience; de la composition de la Commission; des personnes entendues et de leur qualité; du résumé des débats et de la décision prise ou de l'avis rendu.
Les procès-verbaux sont signés par le président et le secrétaire.
§ 4. Le secrétaire veille à envoyer les notifications qu'il a soumises au préalable au président pour signature.
§ 5. (Le secrétaire veille à ce que les dossiers soient disponibles pour consultation au siège de la commission lorsque l'examen de l'affaire a lieu à ce siège ou dans une maison de justice, et ce pendant quatre jours ouvrables au moins.) <AR 1999-10-28/39, art. 2, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 6. Le secrétaire informe le directeur sans délai par le moyen de communication écrit le plus rapide du fait que :
1° le délai pour introduire un pourvoi en cassation par le membre du ministère public contre une décision octroyant une libération conditionnelle est expiré, ou;
2° que le membre du ministère public a introduit un pourvoi en cassation contre une décision octroyant la libération conditionnelle.
§ 2. En cas de transfert de compétence d'une Commission à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5 ou à l'article 7, § 1er, alinéa 2, de la loi instituant les commissions, ou si après une révocation une nouvelle proposition de libération conditionnelle est formulée et qu'une autre Commission est compétente, le secrétaire de la Commission compétente à l'origine transmet le plus vite possible le dossier individuel à la Commission nouvellement compétente.
§ 3. Le secrétaire dresse un procès-verbal pour chaque affaire examinée. Il y est fait mention du nom, du prénom, de la date et du lieu de naissance ainsi que de l'adresse du condamné; de l'établissement pénitentiaire où il subit sa peine; du lieu et de la date de l'audience; de la composition de la Commission; des personnes entendues et de leur qualité; du résumé des débats et de la décision prise ou de l'avis rendu.
Les procès-verbaux sont signés par le président et le secrétaire.
§ 4. Le secrétaire veille à envoyer les notifications qu'il a soumises au préalable au président pour signature.
§ 5. (Le secrétaire veille à ce que les dossiers soient disponibles pour consultation au siège de la commission lorsque l'examen de l'affaire a lieu à ce siège ou dans une maison de justice, et ce pendant quatre jours ouvrables au moins.) <AR 1999-10-28/39, art. 2, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 6. Le secrétaire informe le directeur sans délai par le moyen de communication écrit le plus rapide du fait que :
1° le délai pour introduire un pourvoi en cassation par le membre du ministère public contre une décision octroyant une libération conditionnelle est expiré, ou;
2° que le membre du ministère public a introduit un pourvoi en cassation contre une décision octroyant la libération conditionnelle.
Art. 8. Het secretariaat van de commissie is tijdens werkdagen geopend van 9 tot 13 uur.
Art. 8. Le secrétariat de la Commission est ouvert les jours ouvrables de 9 à 13 heures.
Art. 9. § 1. Behoudens anders bepaald in de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en de wet tot instelling van de commissies, wordt van alle door de commissie genomen beslissingen en verleende adviezen door de secretaris binnen tien dagen een afschrift overhandigd aan het lid van het openbaar ministerie dat verbonden is aan die commissie.
§ 2. De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de veroordeelde of, zo hij gedetineerd is, overeenkomstig artikel 10 van dit besluit.
§ 3. De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid of artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de directeur wanneer de veroordeelde gedetineerd is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet wordt toegekend, wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de directeur.
§ 4. (De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid, van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen.
De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid, van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de strafinrichting van waaruit het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling werd gedaan, gelegen is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waar de veroordeelde zich gaat vestigen.
Ten laatste op het ogenblik dat de voorwaardelijke invrijheidstelling uitvoerbaar wordt, maakt de secretaris van de commissie, in de mate waarin zij in het dossier van de commissie aanwezig zijn, minstens volgende gegevens over aan het bevoegde justitiehuis :
1° een afschrift van de opsluitingsfiche;
2° een uittreksel uit het strafregister;
3° de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
4° het reclasseringsplan van de veroordeelde;
5° het verslag dat door de Psychosociale Dienst wordt opgesteld met het oog op het onderzoek van de voorwaardelijke invrijheidstelling en, indien vereist, het gemotiveerd advies in de zin van artikel 3, § 3, 4°, van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
6° informatie over de burgerlijke partijen en de slachtoffers;
7° informatie betreffende de verblijfstoestand van een vreemdeling;
8° informatie over lopende opsporingsonderzoeken, gerechtelijke onderzoeken of strafzaken;
9° de adviezen betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgebracht door het personeelscollege, het openbaar ministerie en de Minister;
10° de beslissingen van de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De directeur van het justitiehuis meldt onmiddellijk per brief aan de commissie de ontvangst van de begeleidingsopdracht.
Wanneer een ander justitiehuis de opdracht overneemt, meldt de directeur van het oorspronkelijk bevoegde justitiehuis dit onmiddellijk per brief aan de bevoegde commissie.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, herzien of geschorst of waarbij de opgelegde voorwaarden worden geschorst, nader omschreven of aangepast aan de omstandigheden, wordt, samen met de voor het maatschappelijk toezicht relevante stukken, ter kennis gebracht van de directeur van het bevoegde justitiehuis.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, herzien of geschorst wordt ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen.) <KB 1999-10-28/39, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 5. De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend en de in het belang van het slachtoffer opgelegde voorwaarden worden binnen 48 uren ter kennis gebracht van het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, geschorst of herzien en de eventueel in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden worden binnen 48 uren ter kennis gebracht van het slachtoffer of zijn rechthebbenden zo het overleden is.
§ 6. De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van de burgemeester van de gemeente waar de veroordeelde verklaart te willen wonen.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, geschorst of herzien, wordt per brief ter kennis gebracht van de burgemeester van de gemeente waar de persoon die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, woont.
§ 7. De beslissing waarbij de bevoegdheid overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies wordt overgedragen aan een andere commissie, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de persoon of dienst bedoeld in artikel 7, derde lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling.
§ 8. Behoudens anders bepaald in de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de wet tot instelling van de commissies of dit besluit, worden die voorwaarden die een met de controle belaste dienst zoals bedoeld in artikel 8 van de wet tot instelling van de commissies, dient te controleren, haar per brief binnen drie dagen ter kennis gebracht.
§ 2. De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de veroordeelde of, zo hij gedetineerd is, overeenkomstig artikel 10 van dit besluit.
§ 3. De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid of artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de directeur wanneer de veroordeelde gedetineerd is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet wordt toegekend, wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de directeur.
§ 4. (De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 2, § 4, vijfde lid, van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen.
De beslissing waarbij de bevoegdheid al dan niet wordt overgedragen aan een andere commissie overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid, van de wet tot instelling van de commissies, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling niet wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de strafinrichting van waaruit het voorstel tot voorwaardelijke invrijheidstelling werd gedaan, gelegen is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en van de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waar de veroordeelde zich gaat vestigen.
Ten laatste op het ogenblik dat de voorwaardelijke invrijheidstelling uitvoerbaar wordt, maakt de secretaris van de commissie, in de mate waarin zij in het dossier van de commissie aanwezig zijn, minstens volgende gegevens over aan het bevoegde justitiehuis :
1° een afschrift van de opsluitingsfiche;
2° een uittreksel uit het strafregister;
3° de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
4° het reclasseringsplan van de veroordeelde;
5° het verslag dat door de Psychosociale Dienst wordt opgesteld met het oog op het onderzoek van de voorwaardelijke invrijheidstelling en, indien vereist, het gemotiveerd advies in de zin van artikel 3, § 3, 4°, van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
6° informatie over de burgerlijke partijen en de slachtoffers;
7° informatie betreffende de verblijfstoestand van een vreemdeling;
8° informatie over lopende opsporingsonderzoeken, gerechtelijke onderzoeken of strafzaken;
9° de adviezen betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgebracht door het personeelscollege, het openbaar ministerie en de Minister;
10° de beslissingen van de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De directeur van het justitiehuis meldt onmiddellijk per brief aan de commissie de ontvangst van de begeleidingsopdracht.
Wanneer een ander justitiehuis de opdracht overneemt, meldt de directeur van het oorspronkelijk bevoegde justitiehuis dit onmiddellijk per brief aan de bevoegde commissie.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, herzien of geschorst of waarbij de opgelegde voorwaarden worden geschorst, nader omschreven of aangepast aan de omstandigheden, wordt, samen met de voor het maatschappelijk toezicht relevante stukken, ter kennis gebracht van de directeur van het bevoegde justitiehuis.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, herzien of geschorst wordt ter kennis gebracht van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen.) <KB 1999-10-28/39, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 5. De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend en de in het belang van het slachtoffer opgelegde voorwaarden worden binnen 48 uren ter kennis gebracht van het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, geschorst of herzien en de eventueel in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden worden binnen 48 uren ter kennis gebracht van het slachtoffer of zijn rechthebbenden zo het overleden is.
§ 6. De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet wordt toegekend, wordt per brief ter kennis gebracht van de burgemeester van de gemeente waar de veroordeelde verklaart te willen wonen.
De beslissing waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen, geschorst of herzien, wordt per brief ter kennis gebracht van de burgemeester van de gemeente waar de persoon die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, woont.
§ 7. De beslissing waarbij de bevoegdheid overeenkomstig artikel 7, § 1, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies wordt overgedragen aan een andere commissie, wordt binnen tien dagen per brief ter kennis gebracht van de persoon of dienst bedoeld in artikel 7, derde lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling.
§ 8. Behoudens anders bepaald in de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de wet tot instelling van de commissies of dit besluit, worden die voorwaarden die een met de controle belaste dienst zoals bedoeld in artikel 8 van de wet tot instelling van de commissies, dient te controleren, haar per brief binnen drie dagen ter kennis gebracht.
Art. 9. § 1er. Sauf autres dispositions dans la loi relative à la libération conditionnelle et dans la loi instituant les commissions, une copie de toutes les décisions et tous les avis de la Commission est transmise par le secrétaire, dans les dix jours, au membre du ministère public attaché à cette Commission.
§ 2. La décision par laquelle la compétence de la Commission est transférée ou non à une autre conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 2, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance du condamné par lettre, dans les dix jours ou, s'il est détenu, conformément à l'article 10 de cet arrêté.
§ 3. La décision par laquelle la compétence de la Commission est transférée ou non à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5 ou article 7, § 1er, alinéa 2 de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance du directeur par lettre dans les dix jours lorsque le condamné est détenu.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée ou non est signifiée au directeur par lettre recommandée.
§ 4. (La décision concernant un transfert éventuel de la compétence de la commission à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires par lettre dans les dix jours.
La décision concernant un transfert éventuel de la commission à une autre conformément à l'article 7, § 1, alinéa 2, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et du directeur de la maison de justice chargée de la tutelle sociale par lettre dans les dix jours.
La décision par laquelle la libération conditionnelle n'est pas accordée est signifiée par lettre à la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire où se situe l'établissement pénitentiaire dans lequel a été faite la proposition de libération conditionnelle.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée est signifiée par lettre à la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire où le condamné va s'établir.
Dans la mesure où elles figurent au dossier de la commission et au plus tard au moment où la libération conditionnelle devient exécutoire, le secrétaire de la commission transmet à la maison de justice compétente au minimum les données suivantes :
1° une copie de la fiche d'écrou;
2° l'extrait du casier judiciaire;
3° l'exposé des faits qui ont justifié la condamnation;
4° le plan de reclassement du détenu;
5° le rapport rédigé par le Service psychosocial en vue de l'examen de la libération conditionnelle et, lorsqu'il est requis, l'avis motivé prévu par l'article 3, § 3, 4°, de la loi relative à la libération conditionnelle;
6° les informations relatives aux parties civiles et aux victimes;
7° les informations relatives à la situation de séjour d'un étranger;
8° les informations relatives aux affaires pénales à l'information, à l'instruction ou en cours;
9° les avis émis par la conférence du personnel, le ministère public et le Ministre à propos de la libération conditionnelle;
10° les décisions de la commission de libération conditionnelle.
Le directeur de la maison de justice informe immédiatement par lettre la commission de la réception de la mission de guidance.
Lorsqu'une autre maison de justice reprend la mission, le directeur de la maison de justice compétente à l'origine en informe immédiatement la commission compétente par lettre.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, revue ou suspendue ou par laquelle les conditions imposées sont suspendues, précisées ou adaptées aux circonstances, est, avec les pièces relevantes à la tutelle sociale, portée à la connaissance du directeur de la maison de justice.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, revue ou suspendue est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires.) <AR 1999-10-28/39, art. 3, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 5. La décision par laquelle la libération conditionnelle est octroyée et les conditions imposées dans l'intérêt de la victime sont portées à la connaissance de la victime, ou de ses ayants-droit si elle est décédée, dans les 48 heures.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, suspendue ou revue et les éventuelles conditions modifiées dans l'intérêt de la victime sont portées à la connaissance de la victime, ou de ses ayants-droit si elle est décédée, dans les 48 heures.
§ 6. La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée ou non est portée par lettre à la connaissance du bourgmestre de la commune où le condamné déclare vouloir s'établir.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, suspendue ou revue est portée par lettre à la connaissance du bourgmestre de la commune où la personne mise en libération conditionnelle habite.
§ 7. La décision concernant un transfert de la compétence de la Commission à une autre conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 2 de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance, par lettre dans les dix jours, de la personne ou du service visé à l'article 7, alinéa 3 de la loi relative à la libération conditionnelle.
§ 8. Sauf autres dispositions dans la loi relative à la libération conditionnelle, dans la loi instituant les commissions ou dans cet arrêté, les conditions qu'un service chargé du contrôle comme visé à l'article 8 de la loi instituant les commissions doit vérifier, sont portées à sa connaissance dans les trois jours par lettre.
§ 2. La décision par laquelle la compétence de la Commission est transférée ou non à une autre conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 2, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance du condamné par lettre, dans les dix jours ou, s'il est détenu, conformément à l'article 10 de cet arrêté.
§ 3. La décision par laquelle la compétence de la Commission est transférée ou non à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5 ou article 7, § 1er, alinéa 2 de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance du directeur par lettre dans les dix jours lorsque le condamné est détenu.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée ou non est signifiée au directeur par lettre recommandée.
§ 4. (La décision concernant un transfert éventuel de la compétence de la commission à une autre conformément à l'article 2, § 4, alinéa 5, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires par lettre dans les dix jours.
La décision concernant un transfert éventuel de la commission à une autre conformément à l'article 7, § 1, alinéa 2, de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et du directeur de la maison de justice chargée de la tutelle sociale par lettre dans les dix jours.
La décision par laquelle la libération conditionnelle n'est pas accordée est signifiée par lettre à la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire où se situe l'établissement pénitentiaire dans lequel a été faite la proposition de libération conditionnelle.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée est signifiée par lettre à la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire où le condamné va s'établir.
Dans la mesure où elles figurent au dossier de la commission et au plus tard au moment où la libération conditionnelle devient exécutoire, le secrétaire de la commission transmet à la maison de justice compétente au minimum les données suivantes :
1° une copie de la fiche d'écrou;
2° l'extrait du casier judiciaire;
3° l'exposé des faits qui ont justifié la condamnation;
4° le plan de reclassement du détenu;
5° le rapport rédigé par le Service psychosocial en vue de l'examen de la libération conditionnelle et, lorsqu'il est requis, l'avis motivé prévu par l'article 3, § 3, 4°, de la loi relative à la libération conditionnelle;
6° les informations relatives aux parties civiles et aux victimes;
7° les informations relatives à la situation de séjour d'un étranger;
8° les informations relatives aux affaires pénales à l'information, à l'instruction ou en cours;
9° les avis émis par la conférence du personnel, le ministère public et le Ministre à propos de la libération conditionnelle;
10° les décisions de la commission de libération conditionnelle.
Le directeur de la maison de justice informe immédiatement par lettre la commission de la réception de la mission de guidance.
Lorsqu'une autre maison de justice reprend la mission, le directeur de la maison de justice compétente à l'origine en informe immédiatement la commission compétente par lettre.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, revue ou suspendue ou par laquelle les conditions imposées sont suspendues, précisées ou adaptées aux circonstances, est, avec les pièces relevantes à la tutelle sociale, portée à la connaissance du directeur de la maison de justice.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, revue ou suspendue est portée à la connaissance de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires.) <AR 1999-10-28/39, art. 3, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 5. La décision par laquelle la libération conditionnelle est octroyée et les conditions imposées dans l'intérêt de la victime sont portées à la connaissance de la victime, ou de ses ayants-droit si elle est décédée, dans les 48 heures.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, suspendue ou revue et les éventuelles conditions modifiées dans l'intérêt de la victime sont portées à la connaissance de la victime, ou de ses ayants-droit si elle est décédée, dans les 48 heures.
§ 6. La décision par laquelle la libération conditionnelle est accordée ou non est portée par lettre à la connaissance du bourgmestre de la commune où le condamné déclare vouloir s'établir.
La décision par laquelle la libération conditionnelle est révoquée, suspendue ou revue est portée par lettre à la connaissance du bourgmestre de la commune où la personne mise en libération conditionnelle habite.
§ 7. La décision concernant un transfert de la compétence de la Commission à une autre conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 2 de la loi instituant les commissions est portée à la connaissance, par lettre dans les dix jours, de la personne ou du service visé à l'article 7, alinéa 3 de la loi relative à la libération conditionnelle.
§ 8. Sauf autres dispositions dans la loi relative à la libération conditionnelle, dans la loi instituant les commissions ou dans cet arrêté, les conditions qu'un service chargé du contrôle comme visé à l'article 8 de la loi instituant les commissions doit vérifier, sont portées à sa connaissance dans les trois jours par lettre.
Art. 10. Kennisgevingen voor een veroordeelde gedetineerd in een strafinrichting kunnen, behoudens anders voorzien in de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling of de wet tot instelling van de commissies, door de directeur of zijn plaatsvervanger worden verricht. De veroordeelde tekent dat hij een afschrift heeft ontvangen. Weigert hij voor ontvangst te tekenen dan wordt daarvan schriftelijk melding gemaakt. Het document waaruit blijkt dat de veroordeelde een afschrift heeft ontvangen of waaruit blijkt dat hij weigert voor ontvangst te tekenen, wordt overgezonden aan de secretaris van de commissie.
Art. 10. Pour un condamné détenu dans un établissement pénitentiaire, les notifications peuvent être faites par le directeur ou son remplacant sauf autre disposition prévue dans la loi relative à la libération conditionnelle ou dans la loi instituant les commissions. Le condamné signe qu'il déclare en avoir reçu une copie. Il est fait mention par écrit de l'éventuel refus de signer pour réception. Le document duquel apparaît que le condamné a reçu une copie ou qu'il a refusé de signer pour réception est renvoyé au secrétaire de la Commission.
Art. 11. De voorzitters van de commissies en de directeurs-generaal van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen en het Directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie of hun plaatsvervangers komen minstens tweemaal per jaar bijeen met het oog op onderling overleg en uitwisseling van informatie betreffende de toepassing van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en de wet tot instelling van de commissies en met het oog op het opstellen van een jaarlijks activiteitenverslag met betrekking tot hun werking en die van de commissies. (Dit activiteitenverslag wordt vóór 31 maart aan de Minister van Justitie overgemaakt.) <KB 2001-06-12/37, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
Ook de andere leden van de commissies, de aan de commissies verbonden leden van het openbaar ministerie, de secretarissen en de onderscheiden plaatsvervangers kunnen op deze vergaderingen worden uitgenodigd.
Ook de andere leden van de commissies, de aan de commissies verbonden leden van het openbaar ministerie, de secretarissen en de onderscheiden plaatsvervangers kunnen op deze vergaderingen worden uitgenodigd.
Art. 11. Les présidents des commissions et les directeurs généraux de la Direction générale des Etablissements pénitentiaires et de la Direction générale de l'Organisation judiciaire ou leurs suppléants respectifs se réunissent au moins deux fois par an pour se concerter et échanger des informations sur l'application de la loi relative à la libération conditionnelle et de la loi instituant les commissions, ainsi que dans la perspective de la rédaction d'un rapport d'activités annuel ayant trait à leurs travaux et ceux des commissions. (Ce rapport d'activités doit être transmis avant le 31 mars au Ministre de la Justice.) <AR 2001-06-12/37, art. 1, 004; En vigueur : 01-03-1999>
Les autres membres des commissions, les membres du ministère public attachés aux commissions, les secrétaires et les différents suppléants peuvent également être invités à ces réunions.
Les autres membres des commissions, les membres du ministère public attachés aux commissions, les secrétaires et les différents suppléants peuvent également être invités à ces réunions.
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen betreffende de slachtoffers.
CHAPITRE IV. - Dispositions relatives aux victimes.
Art. 12. § 1. Overeenkomstig artikel 3, § 4, van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, wint het openbaar ministerie in de hierna volgende gevallen inlichtingen in over de eventueel in het belang van het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, op te leggen bijzondere voorwaarden :
1° behoudens wanneer het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, eerder duidelijk te kennen heeft gegeven dat het niet wenst gecontacteerd te worden, indien de veroordeelde een straf ondergaat voor een feit bedoeld in :
a) de artikelen 347bis; 372 tot 378; 400 tot 404; 407; 408; 410 of 473 tot 476 van het Strafwetboek, of;
b) de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien die feiten gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, of;
c) de artikelen 393 tot 397 van hetzelfde Wetboek of de strafbare poging tot deze feiten, of;
2° voor zover het misdrijf waarvan hij slachtoffer is, geleid heeft tot een veroordeling tot opsluiting, tot hechtenis of tot een gevangenisstraf waarvan het effectief gedeelte ten minste één jaar bedraagt en indien het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, zelf, of door bemiddeling van zijn advocaat, op het secretariaat van het openbaar ministerie of aan (een ambtenaar van de Dienst Justitiehuizen belast met het slachtofferonthaal) schriftelijk heeft meegedeeld dat het verder geïnformeerd wenst te worden over een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling of inlichtingen wenst te verstrekken over eventueel in zijn belang op te leggen voorwaarden. Deze schriftelijke verklaring kan afgelegd worden vanaf het ogenblik dat de veroordeling op basis van de feiten waarvan betrokkene slachtoffer is, in kracht van gewijsde treedt. <KB 1999-10-28/39, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 2. (Een ambtenaar van de Dienst Justitiehuizen belast met het slachtofferonthaal) licht het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, in over de voorwaarden waaronder hij kan worden gehoord door de commissie wanneer over de eventueel in zijn belang op te leggen voorwaarden inlichtingen werden ingewonnen. <KB 1999-10-28/39, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
1° behoudens wanneer het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, eerder duidelijk te kennen heeft gegeven dat het niet wenst gecontacteerd te worden, indien de veroordeelde een straf ondergaat voor een feit bedoeld in :
a) de artikelen 347bis; 372 tot 378; 400 tot 404; 407; 408; 410 of 473 tot 476 van het Strafwetboek, of;
b) de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien die feiten gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, of;
c) de artikelen 393 tot 397 van hetzelfde Wetboek of de strafbare poging tot deze feiten, of;
2° voor zover het misdrijf waarvan hij slachtoffer is, geleid heeft tot een veroordeling tot opsluiting, tot hechtenis of tot een gevangenisstraf waarvan het effectief gedeelte ten minste één jaar bedraagt en indien het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, zelf, of door bemiddeling van zijn advocaat, op het secretariaat van het openbaar ministerie of aan (een ambtenaar van de Dienst Justitiehuizen belast met het slachtofferonthaal) schriftelijk heeft meegedeeld dat het verder geïnformeerd wenst te worden over een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling of inlichtingen wenst te verstrekken over eventueel in zijn belang op te leggen voorwaarden. Deze schriftelijke verklaring kan afgelegd worden vanaf het ogenblik dat de veroordeling op basis van de feiten waarvan betrokkene slachtoffer is, in kracht van gewijsde treedt. <KB 1999-10-28/39, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 2. (Een ambtenaar van de Dienst Justitiehuizen belast met het slachtofferonthaal) licht het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, in over de voorwaarden waaronder hij kan worden gehoord door de commissie wanneer over de eventueel in zijn belang op te leggen voorwaarden inlichtingen werden ingewonnen. <KB 1999-10-28/39, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
Art. 12. § 1er. Conformément à l'article 3, § 4, de la loi relative à la libération conditionnelle, le ministère public recueille des informations concernant les éventuelles conditions particulières qui pourraient être établies dans l'intérêt de la victime ou de ses ayants-droit si elle est décédée, dans les cas suivants :
1° sauf lorsque la victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, a clairement fait savoir qu'elle ne souhaitait pas être contactée, lorsque le condamné subit une peine pour un fait visé :
a) aux articles 347bis, 372 à 378, 400 à 404, 407, 408, 410 ou 473 à 476 du Code pénal, ou;
b) aux articles 379 à 386ter du même Code, si les faits ont été commis sur ou à l'aide de mineurs, ou;
c) aux articles 393 à 397 du même Code ou pour avoir commis à cet égard une tentative punissable, ou;
2° lorsque la victime d'une infraction ayant donné lieu à une condamnation à une peine de réclusion, de détention ou d'emprisonnement dont la partie à subir effectivement est d'au moins un an, a communiqué, elle-même ou ses ayants-droit si elle est décédée, par l'intermédiaire de son avocat, par écrit au secrétariat du ministère public ou à (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de l'accueil des victimes), le souhait d'être tenue informée d'une éventuelle libération conditionnelle ou d'être entendue en vue de fournir des informations en rapport avec les éventuelles conditions qui pourraient être établies dans son intérêt. Cette déclaration écrite peut avoir lieu à partir du moment où la condamnation des faits dont elle est victime est coulée en force de chose jugée. <AR 1999-10-28/39, art. 4, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 2. (Un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de l'accueil des victimes) éclaire la victime ou ses ayants-droit si elle est décédée sur les conditions auxquelles elle peut être entendue par la Commission quand des renseignements ont été recueillis sur les éventuelles conditions à imposer dans son intérêt. <AR 1999-10-28/39, art. 4, 002; En vigueur : 21-12-1999>
1° sauf lorsque la victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, a clairement fait savoir qu'elle ne souhaitait pas être contactée, lorsque le condamné subit une peine pour un fait visé :
a) aux articles 347bis, 372 à 378, 400 à 404, 407, 408, 410 ou 473 à 476 du Code pénal, ou;
b) aux articles 379 à 386ter du même Code, si les faits ont été commis sur ou à l'aide de mineurs, ou;
c) aux articles 393 à 397 du même Code ou pour avoir commis à cet égard une tentative punissable, ou;
2° lorsque la victime d'une infraction ayant donné lieu à une condamnation à une peine de réclusion, de détention ou d'emprisonnement dont la partie à subir effectivement est d'au moins un an, a communiqué, elle-même ou ses ayants-droit si elle est décédée, par l'intermédiaire de son avocat, par écrit au secrétariat du ministère public ou à (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de l'accueil des victimes), le souhait d'être tenue informée d'une éventuelle libération conditionnelle ou d'être entendue en vue de fournir des informations en rapport avec les éventuelles conditions qui pourraient être établies dans son intérêt. Cette déclaration écrite peut avoir lieu à partir du moment où la condamnation des faits dont elle est victime est coulée en force de chose jugée. <AR 1999-10-28/39, art. 4, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 2. (Un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de l'accueil des victimes) éclaire la victime ou ses ayants-droit si elle est décédée sur les conditions auxquelles elle peut être entendue par la Commission quand des renseignements ont été recueillis sur les éventuelles conditions à imposer dans son intérêt. <AR 1999-10-28/39, art. 4, 002; En vigueur : 21-12-1999>
Art. 13. Het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, wordt gehoord voor zover overeenkomstig artikel 12, § 1 van dit besluit nadere inlichtingen bij hem zijn ingewonnen.
Art. 13. La victime ou ses ayants-droit si elle est décédée, est entendue pour autant que des renseignements soient recueillis auprès d'elle conformément à l'article 12, § 1er de cet arrêté.
Art. 14. § 1. (Een ambtenaar van de Dienst Justitiehuizen belast met het slachtofferonthaal) licht het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, in over de voorwaarden waaronder hij in kennis kan worden gesteld van de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling en van de in zijn belang opgelegde voorwaarden wanneer over de eventueel in zijn belang op te leggen voorwaarden inlichtingen werden ingewonnen. <KB 1999-10-28/39, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 2. Indien een slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, overeenkomstig artikel 4, § 3 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling door de commissie wordt gehoord, en het niet eerder te kennen heeft gegeven dat het de mededelingen wenst te ontvangen zoals bepaald in artikel 4, § 8 van dezelfde wet, dan vraagt de voorzitter hem of hij die informatie wenst te ontvangen.
In het proces-verbaal van de zaak wordt hiervan melding gemaakt.
§ 2. Indien een slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, overeenkomstig artikel 4, § 3 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling door de commissie wordt gehoord, en het niet eerder te kennen heeft gegeven dat het de mededelingen wenst te ontvangen zoals bepaald in artikel 4, § 8 van dezelfde wet, dan vraagt de voorzitter hem of hij die informatie wenst te ontvangen.
In het proces-verbaal van de zaak wordt hiervan melding gemaakt.
Art. 14. § 1er. (Un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de l'accueil des victimes) éclaire la victime ou ses ayants-droit si elle est décédée sur les conditions auxquelles elle peut-être informée de l'octroi de la libération conditionnelle et des conditions imposées dans son intérêt quand des renseignements ont été recueillis sur les éventuelles conditions à imposer dans son intérêt. <AR 1999-10-28/39, art. 5, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 2. Lorsqu'une victime ou ses ayants-droit si elle est décédée est entendue par la Commission conformément à l'article 4, § 3, de la loi sur la libération conditionnelle, et qu'elle n'a pas fait savoir plus tôt qu'elle souhaitait recevoir les informations visées à l'articles 4, § 8, de la même loi, le président lui demande si elle souhaite les recevoir.
Dans le procès-verbal de l'audience, il en est fait mention.
§ 2. Lorsqu'une victime ou ses ayants-droit si elle est décédée est entendue par la Commission conformément à l'article 4, § 3, de la loi sur la libération conditionnelle, et qu'elle n'a pas fait savoir plus tôt qu'elle souhaitait recevoir les informations visées à l'articles 4, § 8, de la même loi, le président lui demande si elle souhaite les recevoir.
Dans le procès-verbal de l'audience, il en est fait mention.
Art. 15. De erkenning van verenigingen die op basis van artikel 4, § 3, derde lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling het slachtoffer kunnen bijstaan wanneer het gehoord wordt door de commissie, wordt gegeven overeenkomstig de bepalingen van artikel 53bis van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.
Art. 15. L'agrément des associations qui, sur la base de l'article 4, § 3, alinéa 3 de la loi relative à la libération conditionnelle, peuvent assister la victime lorsqu'elle est entendue par la Commission, est donnée conformément aux dispositions de l'article 53bis de l'arrêté royal du 18 décembre 1986 relatif à la Commission pour l'aide aux victimes d'actes intentionnels de violence.
HOOFDSTUK V. - De invrijheidstelling en de verlofpas.
CHAPITRE V. - La libération et le certificat de libération.
Art. 16. § 1. Op het ogenblik dat de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling of de beslissing tot herziening van de voorwaardelijke invrijheidstelling overeenkomstig artikel 12 van de wet tot instelling van de commissies uitvoerbaar wordt, wordt zij opnieuw meegedeeld aan de veroordeelde. Indien hij gedetineerd is, wordt de mededeling gedaan door de directeur, of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger. Indien hij niet gedetineerd is, wordt de mededeling gedaan door de secretaris van de commissie, die de veroordeelde hiervoor per brief oproept.
De aandacht van de veroordeelde wordt in het bijzonder gevestigd op de door hem in acht te nemen algemene en bijzondere voorwaarden. Op dat ogenblik geeft hij zijn akkoord met de opgelegde voorwaarden door het afschrift van de beslissing van de commissie te ondertekenen. Het afschrift wordt onmiddellijk aan de bevoegde commissie overgemaakt.
Weigert de veroordeelde zijn akkoord te geven, dan meldt de directeur of de secretaris dit onmiddellijk aan de bevoegde commissie.
In geval van deze weigering bepaalt de commissie de datum vanaf wanneer het dossier van de veroordeelde opnieuw kan worden onderzocht door het personeelscollege. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum van de weigering indien de veroordeelde één of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Die termijn is maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Alle personen en diensten die in kennis waren gesteld van de beslissing van de commissie waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, worden hiervan per brief binnen drie dagen in kennis gesteld.
Het personeelscollege onderzoekt het dossier van de veroordeelde opnieuw op de eerste nuttige zitting die volgt op de datum die de commissie overeenkomstig het vorige lid heeft bepaald.
§ 2. Op het ogenblik dat de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling uitvoerbaar wordt, reikt de directeur een verlofpas uit aan de veroordeelde die zich akkoord heeft verklaard met de opgelegde voorwaarden.
In de verlofpas worden volgende elementen opgenomen :
1° een verwijzing naar de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de wet tot instelling van de commissies en dit besluit;
2° een toelichting bij de voor de veroordeelde belangrijkste bepalingen uit deze wetten en dit besluit;
3° de identiteit, een recente pasfoto van de veroordeelde en zijn woonplaats;
4° de datum waarop hij eventueel definitief in vrijheid zal worden gesteld;
5° de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden waarvan de commissie beslist dat ze, rekening houdend met haar beslissing op grond van artikel 8, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, in de verlofpas moeten worden opgenomen;
6° de verplichting dat de veroordeelde binnen 48 uren zijn verlofpas moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
7° de verplichting dat de veroordeelde zijn verlofpas om de zes maanden moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
8° de verplichting dat de veroordeelde, indien de in de verlofpas vermelde bijzondere voorwaarden worden gewijzigd overeenkomstig § 4, eerste lid van dit artikel, deze binnen 48 uren na het aanbrengen van de wijziging moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
9° de verplichting dat de veroordeelde, indien de in de verlofpas vermelde bijzondere voorwaarden worden gewijzigd overeenkomstig § 4, tweede lid van dit artikel, deze binnen de 48 uren nadat de beslissing uitvoerbaar wordt, moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
10° het adres van de zetel van de bevoegde commissie;
11° (het adres van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht.) <KB 1999-10-28/39, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 3. De veroordeelde is verplicht de verlofpas tot de datum van zijn definitieve invrijheidstelling steeds bij zich te dragen. Hij is verplicht zijn verlofpas te overhandigen bij elke vordering van een lid van de politionele of gerechtelijke overheden.
§ 4. In geval van schorsing, nadere omschrijving of aanpassing aan de omstandigheden van de opgelegde voorwaarden overeenkomstig artikel 9 van de wet tot instelling van de commissies worden, indien de bevoegde commissie daartoe beslist, de vermeldingen in de verlofpas aangepast hetzij door de secretaris van de commissie die de veroordeelde hiervoor per brief oproept, hetzij door (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht) die hierom verzocht wordt door de secretaris. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
In geval van herziening van de voorwaardelijke invrijheidstelling overeenkomstig artikel 12 van de wet tot instelling van de commissies worden, indien de bevoegde commissie daartoe beslist, de vermeldingen in de verlofpas aangepast hetzij door de secretaris van de commissie die de veroordeelde hiervoor per brief oproept, hetzij door (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht) die hierom verzocht wordt door de secretaris. Indien de veroordeelde gedetineerd is, wordt de aanpassing gedaan door de directeur of zijn plaatsvervanger. De aanpassing van de vermeldingen in de verlofpas gebeurt ten laatste op de dag waarop de beslissing tot herziening uitvoerbaar wordt. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
In geval van wederopsluiting ten gevolge van een herroeping of schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling of in geval van voorlopige aanhouding wordt de verlofpas door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de veroordeelde werd gedetineerd, aan de bevoegde commissie overgezonden. Desgevallend wordt de verlofpas, al dan niet aangepast, opnieuw uitgereikt.
In geval van verlies, diefstal of ernstige beschadiging verwittigt de veroordeelde, door tussenkomst van (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht), onmiddellijk de bevoegde commissie die een nieuwe verlofpas uitreikt. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
De aandacht van de veroordeelde wordt in het bijzonder gevestigd op de door hem in acht te nemen algemene en bijzondere voorwaarden. Op dat ogenblik geeft hij zijn akkoord met de opgelegde voorwaarden door het afschrift van de beslissing van de commissie te ondertekenen. Het afschrift wordt onmiddellijk aan de bevoegde commissie overgemaakt.
Weigert de veroordeelde zijn akkoord te geven, dan meldt de directeur of de secretaris dit onmiddellijk aan de bevoegde commissie.
In geval van deze weigering bepaalt de commissie de datum vanaf wanneer het dossier van de veroordeelde opnieuw kan worden onderzocht door het personeelscollege. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen vanaf de datum van de weigering indien de veroordeelde één of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Die termijn is maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Alle personen en diensten die in kennis waren gesteld van de beslissing van de commissie waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling werd toegekend, worden hiervan per brief binnen drie dagen in kennis gesteld.
Het personeelscollege onderzoekt het dossier van de veroordeelde opnieuw op de eerste nuttige zitting die volgt op de datum die de commissie overeenkomstig het vorige lid heeft bepaald.
§ 2. Op het ogenblik dat de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling uitvoerbaar wordt, reikt de directeur een verlofpas uit aan de veroordeelde die zich akkoord heeft verklaard met de opgelegde voorwaarden.
In de verlofpas worden volgende elementen opgenomen :
1° een verwijzing naar de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de wet tot instelling van de commissies en dit besluit;
2° een toelichting bij de voor de veroordeelde belangrijkste bepalingen uit deze wetten en dit besluit;
3° de identiteit, een recente pasfoto van de veroordeelde en zijn woonplaats;
4° de datum waarop hij eventueel definitief in vrijheid zal worden gesteld;
5° de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden waarvan de commissie beslist dat ze, rekening houdend met haar beslissing op grond van artikel 8, tweede lid van de wet tot instelling van de commissies, in de verlofpas moeten worden opgenomen;
6° de verplichting dat de veroordeelde binnen 48 uren zijn verlofpas moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
7° de verplichting dat de veroordeelde zijn verlofpas om de zes maanden moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
8° de verplichting dat de veroordeelde, indien de in de verlofpas vermelde bijzondere voorwaarden worden gewijzigd overeenkomstig § 4, eerste lid van dit artikel, deze binnen 48 uren na het aanbrengen van de wijziging moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
9° de verplichting dat de veroordeelde, indien de in de verlofpas vermelde bijzondere voorwaarden worden gewijzigd overeenkomstig § 4, tweede lid van dit artikel, deze binnen de 48 uren nadat de beslissing uitvoerbaar wordt, moet laten viseren door de burgemeester van zijn woonplaats (die deze bevoegdheid kan delegeren aan de korpschef van de politie); <KB 2001-06-21/47, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
10° het adres van de zetel van de bevoegde commissie;
11° (het adres van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht.) <KB 1999-10-28/39, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
§ 3. De veroordeelde is verplicht de verlofpas tot de datum van zijn definitieve invrijheidstelling steeds bij zich te dragen. Hij is verplicht zijn verlofpas te overhandigen bij elke vordering van een lid van de politionele of gerechtelijke overheden.
§ 4. In geval van schorsing, nadere omschrijving of aanpassing aan de omstandigheden van de opgelegde voorwaarden overeenkomstig artikel 9 van de wet tot instelling van de commissies worden, indien de bevoegde commissie daartoe beslist, de vermeldingen in de verlofpas aangepast hetzij door de secretaris van de commissie die de veroordeelde hiervoor per brief oproept, hetzij door (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht) die hierom verzocht wordt door de secretaris. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
In geval van herziening van de voorwaardelijke invrijheidstelling overeenkomstig artikel 12 van de wet tot instelling van de commissies worden, indien de bevoegde commissie daartoe beslist, de vermeldingen in de verlofpas aangepast hetzij door de secretaris van de commissie die de veroordeelde hiervoor per brief oproept, hetzij door (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht) die hierom verzocht wordt door de secretaris. Indien de veroordeelde gedetineerd is, wordt de aanpassing gedaan door de directeur of zijn plaatsvervanger. De aanpassing van de vermeldingen in de verlofpas gebeurt ten laatste op de dag waarop de beslissing tot herziening uitvoerbaar wordt. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
In geval van wederopsluiting ten gevolge van een herroeping of schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling of in geval van voorlopige aanhouding wordt de verlofpas door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de veroordeelde werd gedetineerd, aan de bevoegde commissie overgezonden. Desgevallend wordt de verlofpas, al dan niet aangepast, opnieuw uitgereikt.
In geval van verlies, diefstal of ernstige beschadiging verwittigt de veroordeelde, door tussenkomst van (een ambtenaar van het justitiehuis dat belast is met het maatschappelijk toezicht), onmiddellijk de bevoegde commissie die een nieuwe verlofpas uitreikt. <KB 1999-10-28/39, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
Art. 16. § 1er. Au moment où la décision de libération conditionnelle ou la décision de révision de la libération conditionnelle conformément à l'article 12 de la loi instituant les commissions devient exécutoire, elle est de nouveau communiquée au condamné. Lorsqu'il est détenu, la communication est faite par le directeur ou, s'il est absent, son remplacant. S'il n'est pas détenu, la communication est faite par le secrétaire de la Commission qui convoque le condamné par lettre, à cet effet.
L'attention du condamné est spécialement attirée sur les conditions générales et particulières qu'il est tenu de respecter. A ce moment, le condamné donne son accord avec les conditions imposées en signant la copie de la décision de la Commission. La copie est transmise sans délai à la Commission compétente.
Si le condamné refuse de donner son accord, le directeur ou le secrétaire informe immédiatement la Commission compétente.
En cas de ce refus, la Commission fixe la date à partir de laquelle le dossier du condamné peut être réexaminé par la conférence du personnel. Ce délai ne peut pas excéder six mois à compter de la date du refus lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. Ce délai est de maximum un an en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement principal est supérieur à cinq ans. Ces informations sont portées à la connaissance des personnes et services qui avaient été informés de la décision prise par la Commission d'octroyer la libération conditionnelle, et ce per lettre, dans les trois jours.
La conférence du personnel réexamine le dossier du condamné au cours de la première séance utile qui suit la date que la Commission a fixée conformément à l'alinéa précédent.
§ 2. Au moment où la décision de libération conditionnelle devient exécutoire, le directeur remet un certificat de libération au condamné qui s'est déclaré d'accord avec les conditions imposées.
Ce certificat de libération contient les éléments suivants :
1° un renvoi à la loi relative à la libération conditionnelle, à la loi instituant les commissions ainsi qu'au présent arrêté;
2° un texte explicatif portant sur les principales conditions imposées au condamné par ces lois ainsi que par le présent arrêté;
3° l'identité et une photo récente du condamné ainsi que son domicile;
4° la date à laquelle le condamné sera éventuellement libéré définitivement;
5° les conditions générales et particulières dont, compte tenu de la décision qu'elle a rendue sur la base de l'article 8, alinéa 2, de la loi instituant les commissions, la Commission impose la mention sur le certificat de libération;
6° l'obligation pour le condamné de faire viser son certificat de libération dans les 48 heures par le bourgmestre de son domicile (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
7° l'obligation pour le condamné de faire viser son certificat de libération tous les six mois par le bourgmestre de son domicile (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
8° l'obligation pour le condamné, si les conditions particulières figurant sur le certificat de libération sont modifiées conformément au § 4, 1er alinéa de cet article, de faire viser par le bourgmestre de son domicile son certificat de libération dans les 48 heures suivant la réalisation de la modification (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
9° l'obligation pour le condamné, si les conditions particulières figurant sur le certificat de libération sont modifiées conformément au § 4, alinéa 2 de cet article, de faire viser par le bourgmestre de son domicile, son certificat de libération dans les 48 heures après que la décision est exécutable (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
10° l'adresse du siège de la Commission compétente;
11° (l'adresse de la maison de justice chargée de la tutelle sociale.) <AR 1999-10-28/39, art. 6, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 3. Le condamné doit toujours être porteur de son certificat de libération jusqu'au jour de sa libération définitive. Il doit remettre son certificat de libération à toute réquisition d'un membre des autorités policières ou judiciaires le demande.
§ 4. Lorsque les conditions imposées sont suspendues, précisées ou adaptées aux circonstances conformément à l'article 9 de la loi instituant les commissions, les mentions figurant sur le certificat de libération sont adaptées si la Commission compétente le décide, soit par le secrétaire de la Commission qui convoque le condamné à cet effet par lettre, soit par (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale) qui est sollicité pour cela par le secrétaire. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
Lorsque la libération conditionnelle est révisée conformément à l'article 12 de la loi instituant les commissions, les mentions figurant sur le certificat de libération sont adaptées si la Commission compétente le décide, soit par le secrétaire de la Commission qui convoque le condamné à cet effet par lettre, soit par (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale) qui est sollicité pour cela par le secrétaire. Si le condamné est détenu, l'adaptation est faite par le directeur ou son remplacant. L'adaptation des mentions dans le certificat de libération est faite au plus tard le jour où la décision de révision est exécutable. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
En cas de nouvel emprisonnement suite à une révocation ou à une suspension de la libération conditionnelle ou en cas d'arrestation provisoire, le certificat de libération est transmis à la Commission compétente par le directeur de l'établissement où le condamné est détenu. Le cas échéant, le certificat de libération, adapté ou non, est à nouveau délivré.
En cas de perte, de vol, ou de détérioration importante, le condamné en avise immédiatement, par l'intermédiaire du (fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale), la Commission compétente laquelle délivre un nouveau certificat de libération. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
L'attention du condamné est spécialement attirée sur les conditions générales et particulières qu'il est tenu de respecter. A ce moment, le condamné donne son accord avec les conditions imposées en signant la copie de la décision de la Commission. La copie est transmise sans délai à la Commission compétente.
Si le condamné refuse de donner son accord, le directeur ou le secrétaire informe immédiatement la Commission compétente.
En cas de ce refus, la Commission fixe la date à partir de laquelle le dossier du condamné peut être réexaminé par la conférence du personnel. Ce délai ne peut pas excéder six mois à compter de la date du refus lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. Ce délai est de maximum un an en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement principal est supérieur à cinq ans. Ces informations sont portées à la connaissance des personnes et services qui avaient été informés de la décision prise par la Commission d'octroyer la libération conditionnelle, et ce per lettre, dans les trois jours.
La conférence du personnel réexamine le dossier du condamné au cours de la première séance utile qui suit la date que la Commission a fixée conformément à l'alinéa précédent.
§ 2. Au moment où la décision de libération conditionnelle devient exécutoire, le directeur remet un certificat de libération au condamné qui s'est déclaré d'accord avec les conditions imposées.
Ce certificat de libération contient les éléments suivants :
1° un renvoi à la loi relative à la libération conditionnelle, à la loi instituant les commissions ainsi qu'au présent arrêté;
2° un texte explicatif portant sur les principales conditions imposées au condamné par ces lois ainsi que par le présent arrêté;
3° l'identité et une photo récente du condamné ainsi que son domicile;
4° la date à laquelle le condamné sera éventuellement libéré définitivement;
5° les conditions générales et particulières dont, compte tenu de la décision qu'elle a rendue sur la base de l'article 8, alinéa 2, de la loi instituant les commissions, la Commission impose la mention sur le certificat de libération;
6° l'obligation pour le condamné de faire viser son certificat de libération dans les 48 heures par le bourgmestre de son domicile (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
7° l'obligation pour le condamné de faire viser son certificat de libération tous les six mois par le bourgmestre de son domicile (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
8° l'obligation pour le condamné, si les conditions particulières figurant sur le certificat de libération sont modifiées conformément au § 4, 1er alinéa de cet article, de faire viser par le bourgmestre de son domicile son certificat de libération dans les 48 heures suivant la réalisation de la modification (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
9° l'obligation pour le condamné, si les conditions particulières figurant sur le certificat de libération sont modifiées conformément au § 4, alinéa 2 de cet article, de faire viser par le bourgmestre de son domicile, son certificat de libération dans les 48 heures après que la décision est exécutable (qui peut déléguer cette compétence au chef de corps de la police); <AR 2001-06-21/47, art. 1, 003; En vigueur : 10-08-2001>
10° l'adresse du siège de la Commission compétente;
11° (l'adresse de la maison de justice chargée de la tutelle sociale.) <AR 1999-10-28/39, art. 6, 002; En vigueur : 21-12-1999>
§ 3. Le condamné doit toujours être porteur de son certificat de libération jusqu'au jour de sa libération définitive. Il doit remettre son certificat de libération à toute réquisition d'un membre des autorités policières ou judiciaires le demande.
§ 4. Lorsque les conditions imposées sont suspendues, précisées ou adaptées aux circonstances conformément à l'article 9 de la loi instituant les commissions, les mentions figurant sur le certificat de libération sont adaptées si la Commission compétente le décide, soit par le secrétaire de la Commission qui convoque le condamné à cet effet par lettre, soit par (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale) qui est sollicité pour cela par le secrétaire. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
Lorsque la libération conditionnelle est révisée conformément à l'article 12 de la loi instituant les commissions, les mentions figurant sur le certificat de libération sont adaptées si la Commission compétente le décide, soit par le secrétaire de la Commission qui convoque le condamné à cet effet par lettre, soit par (un fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale) qui est sollicité pour cela par le secrétaire. Si le condamné est détenu, l'adaptation est faite par le directeur ou son remplacant. L'adaptation des mentions dans le certificat de libération est faite au plus tard le jour où la décision de révision est exécutable. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
En cas de nouvel emprisonnement suite à une révocation ou à une suspension de la libération conditionnelle ou en cas d'arrestation provisoire, le certificat de libération est transmis à la Commission compétente par le directeur de l'établissement où le condamné est détenu. Le cas échéant, le certificat de libération, adapté ou non, est à nouveau délivré.
En cas de perte, de vol, ou de détérioration importante, le condamné en avise immédiatement, par l'intermédiaire du (fonctionnaire du Service des Maisons de Justice chargé de la tutelle sociale), la Commission compétente laquelle délivre un nouveau certificat de libération. <AR 1999-10-28/39, art. 7, 002; En vigueur : 21-12-1999>
HOOFDSTUK VI. - Procedure betreffende de schorsing, de nadere omschrijving en de aanpassing aan de omstandigheden van de opgelegde voorwaarden.
CHAPITRE VI. - De la procédure relative à la suspension, à la précision et à l'adaptation aux circonstances des conditions imposées.
Art. 17. § 1. Indien de commissie van oordeel is dat zij een beslissing moet nemen inzake de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing aan de omstandigheden van de opgelegde voorwaarden zoals bepaald in artikel 9 van de wet tot instelling van de commissies, dan wordt dezelfde procedure toegepast als die voorgeschreven in artikel 10, §§ 1 tot 5, eerste lid, van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, met dien verstande evenwel dat het dossier voor inzage ter beschikking wordt gesteld (op de zetel van de commissie) en dat de directeur van de strafinrichting niet in kennis wordt gesteld van de beslissing. <KB 1999-10-28/39, art. 8, 002; Inwerkingtreding : 21-12-1999>
Indien de commissie beslist andere personen te horen, worden deze minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
§ 2. Voor zover eerder aan het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, een in zijn belang opgelegde voorwaarde werd meegedeeld, wordt het er ten minste tien dagen voor de datum van de zitting per aangetekend schrijven van in kennis gesteld dat het op zijn verzoek hieromtrent wordt gehoord.
Dezelfde personen als bepaald in artikel 4, § 3, derde lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen het slachtoffer bijstaan wanneer het wordt gehoord.
Het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, dat niet wenst gehoord te worden, kan de commissie wel schriftelijk verzoeken in kennis gesteld te worden van de beslissing omtrent de in zijn belang opgelegde voorwaarden.
Indien de commissie beslist andere personen te horen, worden deze minstens tien dagen voor de zitting per brief opgeroepen.
§ 2. Voor zover eerder aan het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, een in zijn belang opgelegde voorwaarde werd meegedeeld, wordt het er ten minste tien dagen voor de datum van de zitting per aangetekend schrijven van in kennis gesteld dat het op zijn verzoek hieromtrent wordt gehoord.
Dezelfde personen als bepaald in artikel 4, § 3, derde lid van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen het slachtoffer bijstaan wanneer het wordt gehoord.
Het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, dat niet wenst gehoord te worden, kan de commissie wel schriftelijk verzoeken in kennis gesteld te worden van de beslissing omtrent de in zijn belang opgelegde voorwaarden.
Art. 17. § 1er. Si la Commission est d'avis qu'elle doit prendre, conformément à l'article 9 de la loi instituant les commissions, une décision concernant la suspension, la précision ou l'adaptation aux circonstances des conditions imposées, il est fait application de la même procédure que celle prévue à l'article 10, §§ 1er à 5, alinéa 1er de la loi relative à la libération conditionnelle, étant entendu toutefois que le dossier sera mis à disposition pour consultation (au siège de la Commission) et que le directeur de l'établissement n'est pas mis au courant de la décision. <AR 1999-10-28/39, art. 8, 002; En vigueur : 21-12-1999>
Si la Commission décide d'entendre d'autres personnes, celles-ci sont convoquées par lettre au moins dix jours avant l'audience.
§ 2. Pour autant que la victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, ait été informée au préalable d'une condition imposée dans son intérêt, elle est avisée, au moins dix jours avant la date de l'audience par lettre recommandée, qu'elle y sera entendue à ce propos si elle en fait la demande.
Les mêmes personnes que celles prévues à l'article 4, § 3, alinéa 3, de la loi relative à la libération conditionnelle peuvent assister la victime lors de son audition.
La victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, qui ne souhaite pas être entendue peut demander par écrit à la Commission que la décision relative aux conditions imposées dans son intérêt lui soit communiquée.
Si la Commission décide d'entendre d'autres personnes, celles-ci sont convoquées par lettre au moins dix jours avant l'audience.
§ 2. Pour autant que la victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, ait été informée au préalable d'une condition imposée dans son intérêt, elle est avisée, au moins dix jours avant la date de l'audience par lettre recommandée, qu'elle y sera entendue à ce propos si elle en fait la demande.
Les mêmes personnes que celles prévues à l'article 4, § 3, alinéa 3, de la loi relative à la libération conditionnelle peuvent assister la victime lors de son audition.
La victime, ou ses ayants-droit si elle est décédée, qui ne souhaite pas être entendue peut demander par écrit à la Commission que la décision relative aux conditions imposées dans son intérêt lui soit communiquée.
Art. 18. Heeft de beslissing betrekking op een voorwaarde die in het belang van het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, werd opgelegd, dan wordt die beslissing per brief binnen 48 uren meegedeeld aan het slachtoffer, of zijn rechthebbenden zo het overleden is, voor zover hij werd gehoord of schriftelijk had verzocht in kennis te worden gesteld van de genomen beslissing.
Art. 18. Si la décision porte sur une condition qui a été imposée dans l'intérêt de la victime ou de ses ayants-droit si elle est décédée, cette décision est communiquée dans les 48 heures par lettre à la victime ou à ses ayants-droit si elle est décédée pour autant qu'elle ait été entendue ou qu'elle ait demandé par écrit que la décision lui soit communiquée.
Art. 19. Beslist de commissie de voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden of beslist zij de voorwaarden te herzien, dan bepaalt zij de nadere regels met betrekking tot de controle en het toezicht.
Art. 19. Si la Commission décide de suspendre, de préciser ou d'adapter les conditions ou si elle décide de réviser les conditions, elle précise les modalités du contrôle et de la tutelle.
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen.
CHAPITRE VII. - Modification de l'arrêté royal du 21 mai 1965 portant règlement général des établissements pénitentiaires.
Art. 20. Het opschrift van Afdeling 2 van Titel II, Hoofdstuk IV van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen wordt vervangen door het volgende opschrift :
"Afdeling 2. - Personeelscollege.".
"Afdeling 2. - Personeelscollege.".
Art. 20. L'intitulé du Section 2 du Titre II, Chapitre IV de l'arrêté royal du 21 mai 1965 portant règlement général des établissements pénitentiaires est remplacé par l'intitulé suivant :
" Section 2. - Conférence du personnel. ".
" Section 2. - Conférence du personnel. ".
Art. 21. In artikel 37 van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 4 december 1990 en koninklijk besluit van 4 april 1991, vervallen de volgende woorden : "alsook door de advocaat van de gedetineerde, onder de voorwaarden en op de wijze omschreven in artikel 117".
Art. 21. A l'article 37 du même arrêté, tel que modifié par l'arrêté royal du 4 décembre 1990 et l'arrêté royal du 4 avril 1991, les mots suivants sont supprimés : " ainsi que par l'avocat du détenu dans les conditions et selon les modalités énoncées à l'article 117 ".
Art. 22. Artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 april 1991 en 25 juni 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 38. Het personeelscollege is samengesteld uit de directeur, zijn adjuncten, een psycholoog en een maatschappelijk assistent van de Psychosociale Dienst en de hoofdbewaarder of de penitentiair assistent. Wanneer hijzelf of de directeur hierom verzoekt, maakt ook de geneesheer-antropoloog deel uit van het personeelscollege.
Het personeelscollege vergadert minstens eenmaal per maand onder het voorzitterschap van de directeur of zijn plaatsvervanger. Indien de behoeften van de dienst zulks vereisen, kan de directeur één of meer adjuncten ervan vrijstellen het personeelscollege bij te wonen.
De personen die overeenkomstig vorig lid de vergaderingen van het personeelscollege moeten bijwonen, mogen dit niet nalaten, tenzij ze een wettige reden hebben. In de notulen wordt de reden van hun afwezigheid aangegeven.
Andere personen kunnen, eventueel op verzoek van de veroordeelde of zijn raadsman, bij beslissing van de voorzitter worden gehoord. Zij zijn evenwel niet stemgerechtigd.
Van iedere vergadering worden notulen gehouden. In de notulen worden de namen vermeld van de personen die aan het personeelscollege hebben deelgenomen en van de personen die werden gehoord.
De beraadslaging gebeurt achter gesloten deuren.
Elk aanwezig lid is stemgerechtigd. De stemming is geheim. Het personeelscollege beslist bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.".
"Art. 38. Het personeelscollege is samengesteld uit de directeur, zijn adjuncten, een psycholoog en een maatschappelijk assistent van de Psychosociale Dienst en de hoofdbewaarder of de penitentiair assistent. Wanneer hijzelf of de directeur hierom verzoekt, maakt ook de geneesheer-antropoloog deel uit van het personeelscollege.
Het personeelscollege vergadert minstens eenmaal per maand onder het voorzitterschap van de directeur of zijn plaatsvervanger. Indien de behoeften van de dienst zulks vereisen, kan de directeur één of meer adjuncten ervan vrijstellen het personeelscollege bij te wonen.
De personen die overeenkomstig vorig lid de vergaderingen van het personeelscollege moeten bijwonen, mogen dit niet nalaten, tenzij ze een wettige reden hebben. In de notulen wordt de reden van hun afwezigheid aangegeven.
Andere personen kunnen, eventueel op verzoek van de veroordeelde of zijn raadsman, bij beslissing van de voorzitter worden gehoord. Zij zijn evenwel niet stemgerechtigd.
Van iedere vergadering worden notulen gehouden. In de notulen worden de namen vermeld van de personen die aan het personeelscollege hebben deelgenomen en van de personen die werden gehoord.
De beraadslaging gebeurt achter gesloten deuren.
Elk aanwezig lid is stemgerechtigd. De stemming is geheim. Het personeelscollege beslist bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.".
Art. 22. L'article 38 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 4 avril 1991 et 25 juin 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 38. La conférence du personnel est composée du directeur, de ses adjoints, d'un psychologue et d'un assistant social du Service psycho-social ainsi que du chef-surveillant ou de l'assistant pénitentiaire. Le médecin-anthropologue fait également partie de la conférence du personnel, à sa demande ou à l'invitation du directeur.
La conférence du personnel se réunit une fois par mois au moins sous la présidence du directeur ou de son remplacant. Si les besoins du service l'exigent, le directeur peut dispenser un ou plusieurs adjoints d'assister à la réunion de la conférence du personnel.
Les personnes qui, conformément à l'alinéa précédent, doivent assister aux réunions de la conférence du personnel ne peuvent s'en dispenser, à moins d'un motif légitime. Le motif de l'absence est indiqué dans le procès-verbal.
Sur décision du président, d'autres personnes peuvent être entendues, éventuellement à la demande du condamné ou de son conseil. Elles ne disposent toutefois pas du droit de vote.
Il est rédigé un procès-verbal de chaque réunion. Celui-ci contiendra les noms des personnes qui ont participé à la réunion et de celles qui y ont été entendues.
La délibération a lieu à huis clos.
Chaque membre présent a le droit de vote. Le vote est secret. La conférence du personnel décide à la majorité des voix. En cas de partage, la voix du président est prépondérante. ".
" Art. 38. La conférence du personnel est composée du directeur, de ses adjoints, d'un psychologue et d'un assistant social du Service psycho-social ainsi que du chef-surveillant ou de l'assistant pénitentiaire. Le médecin-anthropologue fait également partie de la conférence du personnel, à sa demande ou à l'invitation du directeur.
La conférence du personnel se réunit une fois par mois au moins sous la présidence du directeur ou de son remplacant. Si les besoins du service l'exigent, le directeur peut dispenser un ou plusieurs adjoints d'assister à la réunion de la conférence du personnel.
Les personnes qui, conformément à l'alinéa précédent, doivent assister aux réunions de la conférence du personnel ne peuvent s'en dispenser, à moins d'un motif légitime. Le motif de l'absence est indiqué dans le procès-verbal.
Sur décision du président, d'autres personnes peuvent être entendues, éventuellement à la demande du condamné ou de son conseil. Elles ne disposent toutefois pas du droit de vote.
Il est rédigé un procès-verbal de chaque réunion. Celui-ci contiendra les noms des personnes qui ont participé à la réunion et de celles qui y ont été entendues.
La délibération a lieu à huis clos.
Chaque membre présent a le droit de vote. Le vote est secret. La conférence du personnel décide à la majorité des voix. En cas de partage, la voix du président est prépondérante. ".
Art. 23. Artikel 39 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 39. Het voornaamste doel van de vergaderingen van het personeelscollege is het onderzoek van de individuele gevallen en de grondige bespreking van de vraagstukken die daarbij rijzen. De leden delen elkaar hun beoordelingen mee en lichten elkaar in over de sociale toestand en de persoonlijke gesteldheid van de gedetineerde, het verloop van zijn detentie en zijn perspectieven op reïntegratie en de eventuele problemen die zich daarbij stellen.
Zij bestuderen in het bijzonder de dossiers van de veroordeelden met het oog op een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.".
"Art. 39. Het voornaamste doel van de vergaderingen van het personeelscollege is het onderzoek van de individuele gevallen en de grondige bespreking van de vraagstukken die daarbij rijzen. De leden delen elkaar hun beoordelingen mee en lichten elkaar in over de sociale toestand en de persoonlijke gesteldheid van de gedetineerde, het verloop van zijn detentie en zijn perspectieven op reïntegratie en de eventuele problemen die zich daarbij stellen.
Zij bestuderen in het bijzonder de dossiers van de veroordeelden met het oog op een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.".
Art. 23. L'article 39 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 39. Les réunions de la conférence du personnel ont pour objet principal l'examen des cas individuels et la discussion approfondie des questions qu'ils soulèvent. Les membres échangent leurs appréciations et s'éclairent mutuellement sur la situation sociale et les dispositions personnelles du détenu, le déroulement de sa détention, ses perspectives de réinsertion et les difficultés qui se présentent éventuellement à cet égard.
Ils étudient en particulier les dossiers des condamnés en vue d'une éventuelle libération conditionnelle. ".
" Art. 39. Les réunions de la conférence du personnel ont pour objet principal l'examen des cas individuels et la discussion approfondie des questions qu'ils soulèvent. Les membres échangent leurs appréciations et s'éclairent mutuellement sur la situation sociale et les dispositions personnelles du détenu, le déroulement de sa détention, ses perspectives de réinsertion et les difficultés qui se présentent éventuellement à cet égard.
Ils étudient en particulier les dossiers des condamnés en vue d'une éventuelle libération conditionnelle. ".
Art. 24. Artikel 116 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 4 april 1991 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 juni 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 116. § 1. De veroordeelde en zijn advocaat worden door de directeur of zijn plaatsvervanger ten minste tien dagen op voorhand ingelicht over de datum van de vergadering van het personeelscollege waarop het dossier van de betrokkene inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden onderzocht.
Terzelfder tijd worden de veroordeelde en zijn advocaat op de hoogte gebracht van het feit dat zij gedurende tien dagen en tot op de vooravond van die vergadering het "dossier voorwaardelijke invrijheidstelling" kunnen raadplegen.
Rekening houdend met de artikelen 2 en 3, § 3 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling omvat dit dossier, in de mate waarin zij voorhanden zijn, minstens volgende gegevens :
1° een afschrift van de opsluitingsfiche;
2° een uittreksel uit het strafregister;
3° de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
4° een afschrift van de vonnissen en arresten;
5° de berekening van de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling;
6° een opsomming van de incidenten die aanleiding hebben gegeven tot een disciplinaire straf;
7° het reclasseringsplan van de veroordeelde;
8° het verslag dat door de Psychosociale Dienst wordt opgesteld met het oog op het onderzoek van de voorwaardelijke invrijheidstelling en, indien vereist, het gemotiveerd advies in de zin van artikel 3, § 3, 4° van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
9° informatie over de burgerlijke partijen;
10° informatie betreffende de verblijfstoestand van een vreemdeling;
11° informatie over lopende opsporingsonderzoeken, gerechtelijke onderzoeken of strafzaken;
12° de adviezen van het personeelscollege betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
13° de beslissingen van de commissie betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
14° de memories van de veroordeelde en de advocaat.
Het dossier is volledig bij aanvang van de termijn voor inzage. Indien er toch nieuwe stukken bij het dossier worden gevoegd gedurende de termijn bedoeld in het tweede lid, wordt dit schriftelijk gemeld aan de veroordeelde. Hij heeft dan het recht om het onderzoek te laten uitstellen teneinde zichzelf en zijn advocaat toe te laten kennis te nemen van de nieuwe stukken. In geval van uitstel wordt het onderzoek verdaagd naar de volgende vergadering van het personeelscollege. De directeur of zijn plaatsvervanger stelt de veroordeelde en diens advocaat in kennis van deze nieuwe datum.
§ 2. Uiterlijk op de vooravond van de vergadering van het personeelscollege waarop de toestand van de veroordeelde met het oog op voorwaardelijke invrijheidstelling wordt onderzocht, kunnen de veroordeelde en diens advocaat door tussenkomst van de directie van de inrichting aan het personeelscollege een memorie voorleggen. Dit stuk wordt bij het dossier gevoegd.
§ 3. De veroordeelde wiens toestand onderzocht wordt met het oog op de voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt door het personeelscollege gehoord vooraleer het beraadslaagt. Van deze gelegenheid wordt gebruik gemaakt om hem zo volledig mogelijk in te lichten over zijn penitentiaire situatie.
De veroordeelde kan zich laten bijstaan door zijn advocaat.
Het personeelscollege kan overeenkomstig artikel 38, tweede lid van dit besluit andere personen horen. De voorzitter beslist of deze andere personen al dan niet gehoord worden in de aanwezigheid van de veroordeelde of diens advocaat.
§ 4. In geval van een negatief advies bepaalt het personeelscollege, rekening houdend met artikel 3, § 2 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de datum waarop het dossier opnieuw zal worden onderzocht.
§ 5. De directeur, of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, stelt de betrokkene binnen twee dagen volgend op de dag van het personeelscollege mondeling op de hoogte van het genomen advies. Hij geeft op dat ogenblik eveneens een toelichting bij dat advies.
De directeur verstuurt een afschrift van het advies naar de Minister en naar de bevoegde commissie binnen een termijn van tien dagen volgend op de dag van het personeelscollege.
Binnen dezelfde termijn overhandigt de directeur, of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, een afschrift van het advies aan de veroordeelde. Heeft de advocaat van de veroordeelde een memorie voorgelegd of verleende hij bijstand tijdens de zitting van het personeelscollege, dan wordt hem binnen dezelfde termijn een afschrift van het advies toegezonden.
§ 6. Na drie opeenvolgende negatieve adviezen vanwege het personeelscollege verwittigt de directeur de betrokkene van de mogelijkheid die hij heeft om hem te verzoeken alsnog een voorstel te richten tot de bevoegde commissie. Van deze mogelijkheid wordt tevens gewag gemaakt in het afschrift van het advies dat voor de veroordeelde bestemd is. Het verzoek van de veroordeelde gebeurt schriftelijk.
§ 7. Wanneer het voorstel inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling door de bevoegde commissie wordt afgewezen, onderzoekt het personeelscollege het dossier van de veroordeelde opnieuw op de eerste nuttige zitting die volgt op de datum die de commissie overeenkomstig artikel 4, § 6 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft bepaald.".
"Art. 116. § 1. De veroordeelde en zijn advocaat worden door de directeur of zijn plaatsvervanger ten minste tien dagen op voorhand ingelicht over de datum van de vergadering van het personeelscollege waarop het dossier van de betrokkene inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden onderzocht.
Terzelfder tijd worden de veroordeelde en zijn advocaat op de hoogte gebracht van het feit dat zij gedurende tien dagen en tot op de vooravond van die vergadering het "dossier voorwaardelijke invrijheidstelling" kunnen raadplegen.
Rekening houdend met de artikelen 2 en 3, § 3 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling omvat dit dossier, in de mate waarin zij voorhanden zijn, minstens volgende gegevens :
1° een afschrift van de opsluitingsfiche;
2° een uittreksel uit het strafregister;
3° de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
4° een afschrift van de vonnissen en arresten;
5° de berekening van de toelaatbaarheidsdatum voor de voorwaardelijke invrijheidstelling;
6° een opsomming van de incidenten die aanleiding hebben gegeven tot een disciplinaire straf;
7° het reclasseringsplan van de veroordeelde;
8° het verslag dat door de Psychosociale Dienst wordt opgesteld met het oog op het onderzoek van de voorwaardelijke invrijheidstelling en, indien vereist, het gemotiveerd advies in de zin van artikel 3, § 3, 4° van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
9° informatie over de burgerlijke partijen;
10° informatie betreffende de verblijfstoestand van een vreemdeling;
11° informatie over lopende opsporingsonderzoeken, gerechtelijke onderzoeken of strafzaken;
12° de adviezen van het personeelscollege betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
13° de beslissingen van de commissie betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling;
14° de memories van de veroordeelde en de advocaat.
Het dossier is volledig bij aanvang van de termijn voor inzage. Indien er toch nieuwe stukken bij het dossier worden gevoegd gedurende de termijn bedoeld in het tweede lid, wordt dit schriftelijk gemeld aan de veroordeelde. Hij heeft dan het recht om het onderzoek te laten uitstellen teneinde zichzelf en zijn advocaat toe te laten kennis te nemen van de nieuwe stukken. In geval van uitstel wordt het onderzoek verdaagd naar de volgende vergadering van het personeelscollege. De directeur of zijn plaatsvervanger stelt de veroordeelde en diens advocaat in kennis van deze nieuwe datum.
§ 2. Uiterlijk op de vooravond van de vergadering van het personeelscollege waarop de toestand van de veroordeelde met het oog op voorwaardelijke invrijheidstelling wordt onderzocht, kunnen de veroordeelde en diens advocaat door tussenkomst van de directie van de inrichting aan het personeelscollege een memorie voorleggen. Dit stuk wordt bij het dossier gevoegd.
§ 3. De veroordeelde wiens toestand onderzocht wordt met het oog op de voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt door het personeelscollege gehoord vooraleer het beraadslaagt. Van deze gelegenheid wordt gebruik gemaakt om hem zo volledig mogelijk in te lichten over zijn penitentiaire situatie.
De veroordeelde kan zich laten bijstaan door zijn advocaat.
Het personeelscollege kan overeenkomstig artikel 38, tweede lid van dit besluit andere personen horen. De voorzitter beslist of deze andere personen al dan niet gehoord worden in de aanwezigheid van de veroordeelde of diens advocaat.
§ 4. In geval van een negatief advies bepaalt het personeelscollege, rekening houdend met artikel 3, § 2 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling, de datum waarop het dossier opnieuw zal worden onderzocht.
§ 5. De directeur, of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, stelt de betrokkene binnen twee dagen volgend op de dag van het personeelscollege mondeling op de hoogte van het genomen advies. Hij geeft op dat ogenblik eveneens een toelichting bij dat advies.
De directeur verstuurt een afschrift van het advies naar de Minister en naar de bevoegde commissie binnen een termijn van tien dagen volgend op de dag van het personeelscollege.
Binnen dezelfde termijn overhandigt de directeur, of bij diens afwezigheid zijn plaatsvervanger, een afschrift van het advies aan de veroordeelde. Heeft de advocaat van de veroordeelde een memorie voorgelegd of verleende hij bijstand tijdens de zitting van het personeelscollege, dan wordt hem binnen dezelfde termijn een afschrift van het advies toegezonden.
§ 6. Na drie opeenvolgende negatieve adviezen vanwege het personeelscollege verwittigt de directeur de betrokkene van de mogelijkheid die hij heeft om hem te verzoeken alsnog een voorstel te richten tot de bevoegde commissie. Van deze mogelijkheid wordt tevens gewag gemaakt in het afschrift van het advies dat voor de veroordeelde bestemd is. Het verzoek van de veroordeelde gebeurt schriftelijk.
§ 7. Wanneer het voorstel inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling door de bevoegde commissie wordt afgewezen, onderzoekt het personeelscollege het dossier van de veroordeelde opnieuw op de eerste nuttige zitting die volgt op de datum die de commissie overeenkomstig artikel 4, § 6 van de wet betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft bepaald.".
Art. 24. L'article 116 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 4 avril 1991 et modifié par l'arrêté royal du 25 juin 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 116. § 1er. Le directeur ou son remplacant communique au condamné et à son avocat au moins dix jours à l'avance, la date de la réunion de la conférence du personnel au cours de laquelle le dossier concernant la libération conditionnelle de l'intéressé sera examiné.
Simultanément, le condamné et son avocat sont informés du fait qu'ils peuvent consulter le " dossier libération conditionnelle " durant dix jours jusqu'à la veille de la réunion.
Compte tenu des articles 2 et 3, § 3 de la loi relative à la libération conditionnelle ce dossier contient au minimum, et pour autant qu'elles soient disponibles, les données suivantes :
1° une copie de la fiche d'écrou;
2° l'extrait du casier judiciaire;
3° l'exposé des faits qui ont justifié la ou les condamnation(s);
4° une copie des jugements et arrêts;
5° le calcul de la date d'admissibilité à la libération conditionnelle;
6° un relevé des incidents qui ont donné suite à une sanction disciplinaire;
7° le plan de reclassement du détenu;
8° le rapport rédigé par le Service psycho-social en vue de l'examen de la libération conditionnelle et, lorsqu'il est requis, l'avis prévu par l'article 3, § 3, 4° de la loi relative à la libération conditionnelle;
9° les informations relatives aux parties civiles;
10° les informations relatives à la situation de séjour d'un étranger;
11° les informations relatives aux affaires pénales à l'information, à l'instruction ou en cours;
12° les avis émis par la conférence du personnel à propos de la libération conditionnelle;
13° les décisions de la Commission de libération conditionnelle;
14° les mémoires du condamné et de son avocat.
Le dossier est complet dès le début du délai de consultation. Si néanmoins de nouvelles pièces sont versées au dossier pendant le délai mentionné à l'alinéa 2, le condamné en est informé par écrit. Il a alors le droit de faire reporter l'examen du dossier à une date ultérieure afin de lui permettre, ainsi qu'à son avocat, de prendre connaissance des nouvelles pièces. En cas de remise, l'examen du dossier a lieu lors de la réunion suivante de la conférence du personnel. Le directeur ou son remplacant communique la date de cette réunion au condamné et à son avocat.
§ 2. Au plus tard la veille de la réunion de la conférence du personnel où est examinée la situation du condamné en vue de sa libération conditionnelle, le condamné et son avocat peuvent remettre à la conférence du personnel, par l'intermédiaire de la direction de l'établissement, un mémoire. Ce document est joint au dossier.
§ 3. Le condamné dont la situation est examinée en vue de sa libération conditionnelle est entendu par la conférence du personnel avant qu'elle ne délibère. A cette occasion, il est également informé, de la manière la plus complète possible, sur sa situation pénitentiaire.
Le condamné peut se faire assister par son avocat.
Conformément à l'article 38, alinéa 2, du présent arrêté, la conférence du personnel peut entendre d'autres personnes. Il appartient au président de décider si ces autres personnes sont entendues ou non en présence du détenu ou de son avocat.
§ 4. En cas d'avis négatif, la conférence du personnel fixe la date à laquelle le dossier sera réexaminé, compte tenu de l'article 3, § 2, de la loi relative à la libération conditionnelle.
§ 5. Le directeur, ou s'il est absent, son remplacant, communique verbalement l'avis pris à l'intéressé, dans les deux jours qui suivent le jour de la conférence du personnel. A cette occasion, il commente également ledit avis.
Le directeur envoie, dans un délai de dix jours à partir du jour qui suit la conférence du personnel, une copie de l'avis au Ministre et à la Commission compétente.
Dans le même délai le directeur, ou s'il est absent, son remplacant, remet au condamné une copie de l'avis. Si l'avocat du condamné a déposé un mémoire ou s'il l'a assisté lors de l'audience de la conférence du personnel, une copie de l'avis lui est transmise dans le même délai.
§ 6. Après trois avis négatifs successifs de la conférence du personnel, le directeur informe le condamné qu'il a la faculté de lui demander néanmoins d'adresser une proposition à la Commission compétente. Il est également fait mention de cette faculté dans la copie de l'avis destinée au condamné. La demande du condamné est formulée par écrit.
§ 7. Lorsque la proposition relative à la libération conditionnelle est rejetée par la Commission compétente, la conférence du personnel réexamine le dossier du condamné au cours de la première audience utile qui suit la date que la Commission a fixée conformément à l'article 4, § 6, de la loi relative à la libération conditionnelle. ".
" Art. 116. § 1er. Le directeur ou son remplacant communique au condamné et à son avocat au moins dix jours à l'avance, la date de la réunion de la conférence du personnel au cours de laquelle le dossier concernant la libération conditionnelle de l'intéressé sera examiné.
Simultanément, le condamné et son avocat sont informés du fait qu'ils peuvent consulter le " dossier libération conditionnelle " durant dix jours jusqu'à la veille de la réunion.
Compte tenu des articles 2 et 3, § 3 de la loi relative à la libération conditionnelle ce dossier contient au minimum, et pour autant qu'elles soient disponibles, les données suivantes :
1° une copie de la fiche d'écrou;
2° l'extrait du casier judiciaire;
3° l'exposé des faits qui ont justifié la ou les condamnation(s);
4° une copie des jugements et arrêts;
5° le calcul de la date d'admissibilité à la libération conditionnelle;
6° un relevé des incidents qui ont donné suite à une sanction disciplinaire;
7° le plan de reclassement du détenu;
8° le rapport rédigé par le Service psycho-social en vue de l'examen de la libération conditionnelle et, lorsqu'il est requis, l'avis prévu par l'article 3, § 3, 4° de la loi relative à la libération conditionnelle;
9° les informations relatives aux parties civiles;
10° les informations relatives à la situation de séjour d'un étranger;
11° les informations relatives aux affaires pénales à l'information, à l'instruction ou en cours;
12° les avis émis par la conférence du personnel à propos de la libération conditionnelle;
13° les décisions de la Commission de libération conditionnelle;
14° les mémoires du condamné et de son avocat.
Le dossier est complet dès le début du délai de consultation. Si néanmoins de nouvelles pièces sont versées au dossier pendant le délai mentionné à l'alinéa 2, le condamné en est informé par écrit. Il a alors le droit de faire reporter l'examen du dossier à une date ultérieure afin de lui permettre, ainsi qu'à son avocat, de prendre connaissance des nouvelles pièces. En cas de remise, l'examen du dossier a lieu lors de la réunion suivante de la conférence du personnel. Le directeur ou son remplacant communique la date de cette réunion au condamné et à son avocat.
§ 2. Au plus tard la veille de la réunion de la conférence du personnel où est examinée la situation du condamné en vue de sa libération conditionnelle, le condamné et son avocat peuvent remettre à la conférence du personnel, par l'intermédiaire de la direction de l'établissement, un mémoire. Ce document est joint au dossier.
§ 3. Le condamné dont la situation est examinée en vue de sa libération conditionnelle est entendu par la conférence du personnel avant qu'elle ne délibère. A cette occasion, il est également informé, de la manière la plus complète possible, sur sa situation pénitentiaire.
Le condamné peut se faire assister par son avocat.
Conformément à l'article 38, alinéa 2, du présent arrêté, la conférence du personnel peut entendre d'autres personnes. Il appartient au président de décider si ces autres personnes sont entendues ou non en présence du détenu ou de son avocat.
§ 4. En cas d'avis négatif, la conférence du personnel fixe la date à laquelle le dossier sera réexaminé, compte tenu de l'article 3, § 2, de la loi relative à la libération conditionnelle.
§ 5. Le directeur, ou s'il est absent, son remplacant, communique verbalement l'avis pris à l'intéressé, dans les deux jours qui suivent le jour de la conférence du personnel. A cette occasion, il commente également ledit avis.
Le directeur envoie, dans un délai de dix jours à partir du jour qui suit la conférence du personnel, une copie de l'avis au Ministre et à la Commission compétente.
Dans le même délai le directeur, ou s'il est absent, son remplacant, remet au condamné une copie de l'avis. Si l'avocat du condamné a déposé un mémoire ou s'il l'a assisté lors de l'audience de la conférence du personnel, une copie de l'avis lui est transmise dans le même délai.
§ 6. Après trois avis négatifs successifs de la conférence du personnel, le directeur informe le condamné qu'il a la faculté de lui demander néanmoins d'adresser une proposition à la Commission compétente. Il est également fait mention de cette faculté dans la copie de l'avis destinée au condamné. La demande du condamné est formulée par écrit.
§ 7. Lorsque la proposition relative à la libération conditionnelle est rejetée par la Commission compétente, la conférence du personnel réexamine le dossier du condamné au cours de la première audience utile qui suit la date que la Commission a fixée conformément à l'article 4, § 6, de la loi relative à la libération conditionnelle. ".
Art. 25. De artikelen 117 en 118 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 april 1991 en 25 juni 1993, worden opgeheven.
Art. 25. Les articles 117 et 118 du même arrêté, modifiés par les arrêtés royaux des 4 avril 1991 et 25 juin 1993, sont abrogés.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Art. 26. Het koninklijk besluit van 17 januari 1921 inhoudende de middelen ter uitvoering van de bepalingen der wet van 31 mei 1888 gewijzigd bij deze van 3 augustus 1899, 1 mei 1913 en 19 augustus 1920, betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling van de burgerlijke en militaire veroordeelden wordt opgeheven.
Art. 26. L'arrêté royal du 17 janvier 1921 contenant les mesures d'exécution des dispositions de la loi du 31 mai 1888, modifiée par celles des 3 août 1899, 1er mai 1913 et 19 août 1920, concernant la libération conditionnelle des condamnés civils et militaires est abrogé.
Art. 27. De wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, de wet van 18 maart 1998 tot instelling van de commissies voor de voorwaardelijke invrijheidstelling en dit besluit treden in werking op 1 maart 1999.
Art. 27. La loi du 5 mars 1998 relative à la libération conditionnelle et modifiant la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, remplacée par la loi du 1er juillet 1964, la loi du 18 mars 1998 instituant les commissions de libération conditionnelle et cet arrêté royal entrent en vigueur le 1er mars 1999.
Art. 28. Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 februari 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Gegeven te Brussel, 10 februari 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Art. 28. Notre Ministre de la Justice est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 10 février 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS
Donné à Bruxelles, le 10 février 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Justice,
T. VAN PARYS