1M. I. ONDERRICHTINGEN VAN ALGEMENE AARD.
1.1. Begrotingsevenwicht
Het indienen van een sluitende begroting, zowel in de gewone als de buitengewone dienst, wordt opgelegd door artikel 252 van de Nieuwe Gemeentewet en de artikelen 7 en 8 van het decreet van 28 april 1993 houdende de regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten.
Het wettelijk verplichte begrotingsevenwicht blijft uiteraard de regel, evenals de verplichting om het evenwicht in de meerjarenplanning te bewaren. Gezonde financiën zijn immers een basisvoorwaarde om de autonome bestuurskracht van de gemeenten volledig tot haar recht te laten komen.
1.2. De totstandkoming en indiening van de gemeentebegroting
Artikel 241, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad ieder jaar vergadert op de eerste maandag van oktober om te beraadslagen en te besluiten over de begroting van uitgaven en ontvangsten voor het volgende dienstjaar.
Het gemeentebestuur heeft er alle belang bij om de begroting tijdig op te maken en in te dienen bij de toezichthoudende overheid. De belangrijkste redenen hiervoor zijn :
- de beperking tot het strikte minimum van het gebruik van voorlopige kredieten. Deze zijn trouwens enkel mogelijk met betrekking tot de verplichte uitgaven van de gewone dienst;
- de tijdige goedkeuring van de belastingverordeningen en de vaststelling van de aanslagvoeten van de aanvullende belasting op de personenbelasting en van de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Enkel dan kan de inkohiering en de inning van de belastingen zonder vertraging worden aangevat.
Onmiddellijk nadat de gemeenteraad de begroting heeft vastgesteld, zendt het gemeentebestuur één exemplaar van de begroting en haar bijlagen naar de administratie voor Binnenlandse Aangelegenheden, Markiesstraat 1, 1000 Brussel.
De provinciale overheid onderzoekt de gemeentebegrotingen in volgorde van binnenkomst. De begrotingen van de steden die verplichtingen hebben tegenover het Vlaamse Gewest en waarop een bijzonder toezicht van toepassing is, worden echter bij voorrang behandeld.
Ik verzoek de provinciale gouvernementen om, onmiddellijk na de ontvangst van de begrotingen, na te gaan of de documenten zorgvuldig werden opgemaakt, ook met betrekking tot alle vereiste bijlagen.
In dat verband verwijs ik naar artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet dat het college van burgemeester en schepenen de verplichting oplegt om al die documenten uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin de begroting wordt behandeld, aan alle raadsleden te bezorgen.
Ik verwijs ook naar artikel 242 van de Nieuwe Gemeentewet waarin wordt gewezen op de mogelijkheid van inzage van de begroting door middel van aanplakbiljetten. Die worden door het college aangebracht binnen een maand nadat de begroting door de gemeenteraad is aangenomen en dat gedurende ten minste tien dagen. In de praktijk kan echter de termijn van een maand nooit worden uitgeput aangezien, overeenkomstig het artikel 7 van het decreet van 28 april 1993 inzake het administratief toezicht op de gemeenten van het Vlaamse Gewest, de besluiten van de gemeenteraad betreffende de begrotingen en begrotingswijzigingen binnen een termijn van 20 dagen volgend op het treffen ervan naar de Vlaamse regering en naar de bestendige deputatie moeten worden verstuurd.
Wanneer aan de bovenvermelde verplichtingen niet werd voldaan of wanneer de begroting of de bijlagen niet behoorlijk zijn ingevuld, moeten de provinciale overheden de voorgelegde stukken zonder enig onderzoek terugzenden. De wettelijke toezichtstermijn neemt in dat geval uiteraard geen aanvang.
Wanneer de provinciale overheid bij het uitoefenen van het toezicht wijzigingen aanbrengt in het corpus van de begroting, moet zij erop letten dat het resultaat van die aanpassingen eveneens op een correcte wijze in de samenvattende tabellen wordt verwerkt.
1.3. Integraal bij de begroting te voegen bijlagen
Hieronder volgt de lijst van de tabellen en bijlagen die integraal deel uitmaken van de begrotingsdocumenten en die aan alle gemeenteraadsleden moeten worden bezorgd, uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin de gemeenteraad over de begroting beraadslaagt.
a) Tabellen
Tabel 1 : De algemene gegevens betreffende de gemeente
Tabel 6 : Programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen
Tabel 7 : Tabel van de gemeenteleningen met samenvatting
Tabel 8 : Evolutie van de gemeenteschuld
Tabel 9 : Tabel van het gemeentepersoneel
Tabel 10 : Tabel van het investeringsfonds
Opmerking bij de tabellen 7 en 8
De tabel van de leningen wordt, na de opgenomen en nog op te nemen leningen, aangevuld met een luik Onroerende leasing. Zo wordt een volledig overzicht gegeven van de financiële lasten die wegen of zullen wegen op de gemeentebegroting. Dat luik bevat eveneens twee onderdelen :
- de lopende leasingovereenkomsten;
- de afgesloten en de in het begrotingsjaar af te sluiten leasingovereenkomsten die in het begrotingsjaar zelf nog geen aanleiding tot uitgaven (huurgelden) geven.
Het luik Onroerende leasing wordt op dezelfde wijze ingevuld als het deel Leningen en bevat dus onder meer : functionele code, bestemming, oorspronkelijk bedrag, saldo, aflossing, intrest, enz...
In de samenvatting worden de aan de onroerende leasing verbonden intresten en aflossingen samengeteld met de leninglasten.
In de tabel Evolutie van de schuld houdt men eveneens rekening met de lasten die met nieuwe of nog af te sluiten leasingovereenkomsten gepaard gaan.
In de meerjarenplanning worden de leasingverrichtingen afzonderlijk toegelicht in elk onderdeel waar ze een weerslag hebben. In de buitengewone dienst worden ze geboekt onder andere financieringen in elk van de betrokken jaren; in de gewone dienst bij de schulduitgaven onder overige schulduitgaven.
Opmerking bij de tabel 9
De tabel is in zijn huidige vorm niet langer vereist. In de plaats ervan komt een lijst met de personeelsformatie en -bezetting. Deze lijst geeft geen overzicht van de kost van het personeel, zoals in vorige jaren, maar wel van de aantallen, uitgedrukt in zowel personen als voltijdse equivalenten. De tabel bestaat uit verschillende formulieren die moeten worden ingevuld via de website van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden op Publilink.
Adres van de website (vanaf 7 september) : http://publiwww.vlaanderen.be/aba/form/personeel.htm
Bij het elektronisch versturen van elk formulier, genereert de computer een tabel zoals het voorbeeld als bijlage 1 van deze omzendbrief. Deze tabellen worden aangemaakt voor de verschillende diensten en betrekkingsgroepen van het personeel in de gemeente. Zij moeten worden afgedrukt en vormen samen de tabel 9 van het gemeentepersoneel. Dat document is een verplichte bijlage bij de begroting.
Het formulier maakt een onderverdeling in diensten en subdiensten, in 3 niveaus (zie bijlage 2). Deze onderverdeling correspondeert niet noodzakelijk met de gemeentelijke organisatiestructuur.
Het is geenszins de bedoeling deze indeling als een ideaalbeeld voor te stellen. Niet alle gemeenten zullen een even verregaande onderverdeling hebben. In dat geval moeten de functies in een hoger niveau worden ingeschreven. Als de organisatiestructuur totaal verschilt van de indeling op het formulier, moet een realistische inschatting worden gemaakt van een mogelijke toewijzing van de bestaande functies aan de verschillende diensten en subdiensten. Als dat niet mogelijk is, moeten deze in een hoger niveau worden ingeschreven.
Op de home page van de Publilinkwebsite van de administratie zal duidelijk aangekondigd worden wanneer het elektronisch formulier toegankelijk zal zijn. Hierbij stelt de administratie als streefdatum 7 september 1998.
Bij problemen in verband met de invulling van het elektronisch formulier, het doorzenden, de website of Publilink, kan u terecht bij Mevr. Christel Claesen (tel. 02/553 39 85) of via de e-mail van Publilink bij de heer Tom Doesselaere (rubriek Vlaamse Gemeenschap). Voor meer inhoudelijke vragen over personeelszaken, bij de heer Janneke Cocle (tel. 02/553 39 73).
b) Afzonderlijke verplichte bijlagen
De hiernavolgende documenten zijn eveneens vereist voor de definitieve vaststelling van de begroting en behoren tot de bijlagen die, overeenkomstig het artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet, voorafgaand aan de gemeenteraadsleden moeten worden bezorgd samen met het ontwerp van de begroting of begrotingswijziging dat door de gemeenteraad zal worden besproken.
- het meerjarig financieel beleidsplan.
De meerjarenplanning die bij de begroting 1999 gevoegd wordt, bestrijkt de periode 1999 tot 2002. Voor de gemeenten waarvan de begrotingen onderworpen zijn aan het bijzonder goedkeuringstoezicht van het Vlaamse Gewest, loopt de planning tot 2003.
De meerjarenplanning kan slechts het beoogde waardevolle beleidsinstrument zijn wanneer zij met ernst en nauwgezetheid wordt opgemaakt. Dat houdt onder meer in dat het gemeentebestuur de nodige toelichtingen verstrekt bij de meerjarenplanning. Die toelichtingen zijn essentieel om een juiste beoordeling van de financiële evolutie mogelijk te maken, zeker wanneer de in de meerjarenplanning gebruikte stijgingspercentages afwijken van de in de begrotingsonderrichtingen aanbevolen evolutie. Een waardevolle beleidsplanning noopt ook tot een realistische raming van de voorgenomen investeringen, alsook de manier waarop het bestuur denkt deze uitgaven te kunnen financieren en de vermoedelijke weerslag ervan op de gewone dienst van de begroting. Het spreekt voor zich dat de inschrijvingen inzake investeringen de gemeenten op geen enkele manier verbinden tot de werkelijke verwezenlijking ervan. Toch is het nuttig sommige belangrijke projecten bondig toe te lichten aan het einde van de rubriek.
Het bij artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet bedoelde verslag : dit verslag bevat een synthese van het ontwerp van begroting. Het beschrijft bovendien het algemeen en financieel beleid van de gemeente, geeft een overzicht van de toestand van het bestuur en van de gemeentezaken en verschaft eventueel andere nuttige informatie.
Het advies van de begrotingscommissie, waarvan sprake in artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit.
Ik merk op dat de wettelijk gestelde vereisten inzake de samenstelling van de commissie (ten minste de secretaris, de ontvanger en een lid van het college) en de inhoud van het advies (de wettelijkheid en te verwachten financiële weerslag) in ieder geval moeten worden gerespecteerd.
Het advies is niet noodzakelijk eenparig en de gemeenteraad kan ook, afhankelijk van eventuele specifieke behoeften bij de gemeente, naast de in het artikel 12 van het algemeen reglement genoemde personen, nog andere commissieleden aanduiden. Ik onderstreep hierbij dat uitsluitend de gemeenteraad hiertoe bevoegd is, overeenkomstig artikel 120, § 2, van de Nieuwe Gemeentewet.
Om moeilijkheden inzake de werking van de begrotingscommissie te vermijden is het bovendien wenselijk een huishoudelijk reglement op te stellen, waarin eventueel de volgende elementen kunnen worden opgenomen :
- wie zit de commissie voor.
- op wiens initiatief komt de commissie samen.
- wie stelt de notulen op.
- wat wordt minimaal opgenomen in het advies.
Het advies van de begrotingscommissie is eigenlijk een beheersinstrument aan de hand waarvan een betere begroting kan worden opgesteld.
Het advies van de raden voor cultuurbeleid, dat de gemeentelijke overheden, luidens het artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende de organisatie van het overleg en de inspraak in het gemeentelijk cultuurbeleid, moeten vragen over alle aangelegenheden bedoeld in artikel 4, 1° tot en met 10° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen.
Dat betekent onder meer dat de gemeentelijke raden voor cultuurbeleid advies moeten uitbrengen over de aspecten van de ontwerpbegroting die met het cultuurbeleid te maken hebben. Het gemeentebestuur moet tijdig dit advies vragen zodat de normale procedure voor de opmaak en de goedkeuring van de begroting niet wordt vertraagd of bemoeilijkt. De culturele adviesraden brengen een niet bindend advies uit over de genomen beleidslijnen in de ontwerpbegroting. De participatie van de burger in het gemeentelijk beleid kan enkel vergroten door hem een standpunt te laten verwoorden, waarop de gemeenteraad een gemotiveerd antwoord moet geven. Krachtens het artikel 7, 4°, van het bovenvermelde decreet zijn de vergaderingen van de raden voor cultuurbeleid openbaar.
Het ontwerp van milieujaarprogramma zoals bedoeld in artikel 2.1.26 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid (Belgisch Staatsblad van 3 juni 1995) samen met het hierover uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur.
Aangezien het gemeentelijk milieujaarprogramma pas uiterlijk op 1 april van het begrotingsjaar waarop het betrekking heeft moet worden bezorgd aan de Vlaamse administratie voor Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer (AMINAL), is het mogelijk dat nog geen ontwerp voorhanden is op het ogenblik dat het begrotingsontwerp voor goedkeuring wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. In dat geval verleent de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur een voorlopig advies over de in het begrotingsontwerp opgenomen begrotingsramingen. Het gemeentelijk milieujaarprogramma zelf en het definitieve advies van de gemeentelijke adviesraad worden dan als bijlage gevoegd bij de eerste begrotingswijziging na 1 april.
Deze onderrichting geldt enkel voor de gemeenten die met het Vlaamse Gewest een overeenkomst over het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid hebben afgesloten.
1.4. De begrotingswijzigingen
Ingevolge de nieuwe gemeentelijke boekhouding mogen de gemeenten reeds vóór 1 juli een begrotingswijziging doorvoeren. Ik dring er echter op aan om het aantal wijzigingen tot twee te beperken en slechts bij uitzondering een derde begrotingswijziging in te dienen. Veelvuldige en/of omvangrijke begrotingswijzigingen duiden op een onzorgvuldige opmaak van de begrotingsramingen.
Het is bovendien van belang dat de gemeenten hun begrotingswijzigingen tijdig aannemen en naar de provinciale gouvernementen doorsturen. Laattijdig, d.w.z. na 10 november ingediende wijzigingen, lopen namelijk het gevaar niet meer vóór 31 december te kunnen worden goedgekeurd, zodat een regelmatige vastlegging van de uitgaven in het gedrang komt.
Volgens artikel 15 van het algemeen reglement op de gemeentecomptabiliteit zijn de begrotingswijzigingen onderworpen aan dezelfde procedures als de oorspronkelijke begroting.
Dat houdt in dat ook voor de begrotingswijzigingen de goedkeuringstermijnen pas beginnen te lopen als de begrotingswijziging volledig is en aan alle wettelijke vereisten werd voldaan. Dat betekent onder meer dat ook de begrotingswijzigingen vergezeld moeten zijn van het advies van de begrotingscommissie waarvan sprake is in het artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, en van het advies van de raden voor cultuurbeleid wanneer wijzigingen worden doorgevoerd aan kredieten die met het cultuurbeleid te maken hebben.
Het meerjarig financieel beleidsplan moet slechts worden herwerkt wanneer de begrotingswijziging een wezenlijke invloed heeft op de volgende dienstjaren. Dat is onder meer het geval wanneer naar aanleiding van een begrotingswijziging het begrotingsresultaat van de afgesloten rekening in het beleidsplan wordt ingeschreven en daardoor het evenwicht in één of meerdere jaren niet meer kan worden gehandhaafd. De meerjarenplanning moet dan uiteraard worden aangepast om het evenwicht te herstellen. Bij beperkte begrotingswijzigingen sturen de gemeenten enkel de (al dan niet gewijzigde) samenvattende tabel van het financieel meerjarenplan mee naar het provinciaal gouvernement.
1.5. Administratief toezicht en het beroep door de gouverneur
Krachtens de bepalingen van het decreet van 28 april 1993 inzake het administratief toezicht beschikt de bestendige deputatie over een termijn van honderd dagen, ingaande de dag na het inkomen van de begroting op het provinciaal gouvernement, om de ingediende begroting goed te keuren. Voor de begrotingswijzigingen werd de goedkeuringstermijn vastgesteld op vijftig dagen.
Het verstrijken van deze termijn geeft een stilzwijgende goedkeuring aan de begroting, wat niet strookt met de bedoelingen van de decreetgever.
Ik verzoek daarom het provinciaal college ervoor te zorgen dat het bijzonder goedkeuringstoezicht efficiënt wordt uitgeoefend en in ieder geval binnen de bij het decreet bepaalde termijnen.
Tegelijk verzoek ik mevrouw de gouverneur en de heren gouverneurs beroep aan te tekenen tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring door de bestendige deputatie telkens als :
- de begroting wordt vastgesteld met een algemeen tekort van de gewone of de buitengewone dienst;
- het begrotingsevenwicht slechts bereikt wordt door de overschatting van sommige ontvangsten en/of de onderraming van sommige uitgaven;
- het financieel beleidsplan in één of meer jaren een algemeen tekort vertoont of wanneer het beleidsplan onvoldoende nauwkeurig is ingevuld of toegelicht.
Daarnaast vraag ik u ook om met mijn ambt te overleggen over het eventueel instellen van een beroep indien de bestendige deputatie begrotingen met ernstige tekortkomingen zou goedkeuren.
2M. II. ONDERRICHTINGEN VAN BIJZONDERE AARD.
2.1. De fondsen
2.1.1. Het Gemeentefonds
In de begroting voor 1999 en in de meerjarenplanning schrijven de gemeenten de bedragen in die hen door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden individueel worden meegedeeld.
De gemeenten die verder plannen dan 2002 passen vanaf 2003 een jaarlijkse verhoging van 2 % toe.
2.1.2. Het Investeringsfonds
In de begroting voor 1999 schrijven de gemeenten het volgende bedrag in :
bedrag van de definitieve trekkingsrechten voor 1997 x 1,025 (= TR '97 + 2,5 %)
In de meerjarenplanning stijgt het geraamde bedrag voor elk bijkomend jaar met 1,5 %. Dat betekent een inschrijving voor de volgende jaren van :
2000 : TR '97 x 1,040
2001 : TR '97 x 1,056
2002 : TR '97 x 1,072
De gemeentebesturen hebben er alle belang bij om enerzijds de trekkingsrechten op het investeringsfonds goed op te volgen (d.w.z. het verschil tussen de toegekende en de opgevraagde trekkingsrechten) en anderzijds om voor de financiering van welbepaalde buitengewone uitgaven in de begroting effectief trekkingsrechten in te schrijven in plaats van deze rechten grotendeels jaar na jaar op te sparen.
2.1.3. Het Sociaal Impulsfonds
In de begroting voor 1999 worden de trekkingsrechten ingeschreven onder de volgende ontvangstenartikels :
- gewone dienst : 022/466-08 Sociaal Impulsfonds
- buitengewone dienst : 022/665-52 Sociaal Impulsfonds
Voor de uitgaven worden de bestaande begrotingsartikels gebruikt.
De gemeentebesturen schrijven in de begroting enkel de bedragen in van de trekkingsrechten die zij krachtens de goedgekeurde beleidsovereenkomst zullen gebruiken. De trekkingsrechten die het OCMW zal gebruiken komen vanzelfsprekend niet voor in de gemeentebegroting.
Wanneer het beleidsplan of de bijsturing ervan nog niet is goedgekeurd door de Vlaamse regering bij het opstellen van de begroting voor 1999, schrijft de gemeente een realistische raming in. Hieronder verstaat men: een preliminaire verdeling van de middelen tussen gemeente en OCMW zoals vervat in het voorstel van beleidsplan waarover tenminste overeenstemming bestaat tussen het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau.
Die overeenstemming moet blijken uit een besluit van beide organen waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de resultaten van het overleg tussen gemeentebestuur en OCMW. In elk geval kan de som van de ramingen, ingeschreven in de respectieve begrotingen van gemeente en OCMW, niet hoger zijn dan het aan het lokaal bestuur voor 1999 meegedeelde bedrag aan trekkingsrechten uit het Sociaal Impulsfonds, vermeerderd met eventuele overdrachten van trekkingsrechten van 1998 voorzien in hoofdstuk IV, afdeling 1, van de beleidsovereenkomst.
Het gemeentebestuur moet bij een eerstvolgende begrotingswijziging deze raming vervangen door het bedrag vermeld in de beleidsovereenkomst zoals goedgekeurd door de Vlaamse regering of de bevoegde ministers. Als er op dat ogenblik nog geen goedgekeurde beleidsovereenkomst bestaat, blijft de eerst ingeschreven raming behouden.
Aangezien de ontvangsten pas als een invorderingsrecht kunnen worden ingeschreven op het ogenblik dat ook de overeenkomstige uitgaven worden vastgelegd, worden de ontvangen bedragen waarvoor nog geen uitgaven werden vastgelegd, in de algemene boekhouding geboekt op een wachtrekening met algemeen nummer 49700 (te ventileren inningen). De vastlegging van de uitgaven gebeurt in de budgettaire boekhouding op de begrotingsartikels die op de respectieve uitgaven betrekking hebben.
Gelijktijdig met de vastlegging van de uitgaven en in de mate dat de subsidie reeds werd geïnd, wordt de bovenvermelde wachtrekening gedebiteerd en gebeurt er een inschrijving op het begrotingsartikel van het Sociaal Impulsfonds. Naargelang het een verrichting in de gewone of de buitengewone dienst betreft, wordt daarbij gebruik gemaakt van het begrotingsartikel 022/466-08 of 022/665-52. Het bedrag van de uitgaven en van de overboekingen naar de bovengenoemde ontvangstenartikels moet overeenstemmen met het bedrag van de verzamelstaat waarvan sprake in het artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 1996 tot uitvoering van het decreet inzake het Sociaal Impulsfonds. Deze verzamelstaat groepeert alle uitgaven van het desbetreffende jaar, naar het jaar van trekkingsrecht waarop ze betrekking hebben.
Het gedeelte van de ontvangen trekkingsrechten waarvoor in 1998 nog geen uitgaven werden vastgelegd, wordt in 1999 opnieuw als ontvangst ingeschreven in de tabel vorige dienstjaren van de begroting.
In het meerjarenplan wordt vanaf 2000 volgend bedrag ingeschreven :
- voor de SIF+- gemeenten : de waarborg verhoogd met de bedragen voorzien in artikel 6, § 5, voorlaatste en laatste lid van het SIF-decreet;
- voor de overige gemeenten : het bedrag van de waarborg.
2.1.4. De compensatie voor de derving van opcentiemen op de onroerende voorheffing
Deze compensatie is afhankelijk van de aard van de vrijgestelde eigendommen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. De eigendommen van Gemeenschappen en Gewesten, van regionale instellingen van openbaar nut en van regionale overheidsbedrijven komen sinds 1994 niet meer voor compensatie in aanmerking. Anderzijds dekt het bijzonder krediet ter compensatie van niet-geïnde opcentiemen voor eigendommen vrijgesteld van onroerende voorheffing vanaf 1994 ten minste 72 % van de gederfde opcentiemen.
Als de gemeenten op het ogenblik van de opmaak van hun begroting de compensatie kennen die hen voor 1998 is toegekend (de koninklijke besluiten tot berekening en verdeling van het bijzonder krediet voor een bepaald jaar worden doorgaans tegen het einde van dat jaar getroffen), schrijven zij hetzelfde bedrag in voor 1999. Is dat niet het geval, dan behouden zij het voor 1997 ingeschreven bedrag.
2.2. Fiscaliteit
In het belang van de rechtszekerheid van de belastingplichtigen keurt de gemeenteraad tijdig, dat wil zeggen uiterlijk in de eerste maanden van het dienstjaar, de belastingreglementen goed.
De gemeentebesturen hebben er bovendien alle belang bij om de besluiten betreffende de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing zo vlug mogelijk aan de provinciegouverneur te bezorgen. Het provinciaal gouvernement deelt vervolgens de gemeentelijke aanslagvoeten inzake de aanvullende belasting op de personenbelasting mee aan het federale Ministerie van Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Mechanografische Diensten, R.A.C. - Financietoren - bus 32, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel. Aangezien het Vlaams Gewest vanaf 1999 zelf instaat voor de inning van de onroerende voorheffing, worden de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing voortaan meegedeeld aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management, Afdeling Financieel Management, Boudewijnlaan 30, 1000 Brussel.
Dat geldt ook voor de wijzigingen die in de loop van het dienstjaar aan deze besluiten worden aangebracht : de federale en Vlaamse administratie houden namelijk enkel rekening met de aanslagvoeten die het provinciaal gouvernement hun officieel meedeelt.
2.2.1. De aanvullende belasting op de personenbelasting
De gemeenten die op het ogenblik van het opmaken van hun begroting nog niet beschikken over de door het Ministerie van Financiën verstrekte raming van de netto-opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting, mogen in hun begroting een bedrag inschrijven dat gelijk is aan het voor 1998 laatst ingeschreven bedrag (eveneens gebaseerd op de ramingen van het ministerie van Financiën), vermeerderd met 2 %. De door het federale ministerie geraamde opbrengst wordt normaal midden oktober aan de gemeenten meegedeeld.
Indien het ministerie van Financiën in de loop van 1998 andere ramingen of een prognose van de vermoedelijke ontvangsten meedeelt, kunnen de gemeenten, behoudens andersluidende onderrichtingen van mijnentwege, deze aangepaste ramingen verwerken ter gelegenheid van een begrotingswijziging.
In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de aanvullende belasting op de personenbelasting, bij gelijkblijvende aanslagvoet, op maximum 2 %.
Gemeenten die hun aanslagvoet wijzigen, schrijven een opbrengst in die overeenstemt met het door het ministerie van Financiën herberekende en meegedeelde bedrag.
Behoudens wanneer de gemeente beschikt over de ramingen van het Ministerie van Financiën, kan zij zowel in de begroting als in de meerjarenplanning een lager stijgingspercentage dan 2 % opnemen om rekening te houden met de evolutie van haar sociaal-economische toestand. In dat geval verstrekt zij daarvoor de nodige toelichting.
2.2.2. De opcentiemen op de onroerende voorheffing
De opbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor 1999 wordt als volgt geraamd :
(KI 1997 : KI 1996) x inkohieringen 1997 x 1,03
(N.B. : het bedrag van de inkohieringen 1997 is geïndexeerd; de kadastrale inkomens 1996 en 1997 zijn niet geïndexeerd).
Als het aantal opcentiemen voor 1999 gewijzigd wordt ten opzichte van het aantal in 1997 geheven opcentiemen, dan moet de hierboven verkregen uitkomst nog vermenigvuldigd worden met het resultaat van de breuk :
aantal opcentiemen 1999
Modifications
aantal opcentiemen 1997
In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, bij gelijkblijvende aanslagvoet, op maximum 3 %.
2.2.3. Heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen.
Het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor 1996 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1995) voerde een gewestelijke heffing in ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen.
De gemeenten waarin alleen deze gewestelijke heffing van toepassing is, dienen hiervoor niet in een afzonderlijk begrotingsartikel te voorzien, aangezien de opbrengst van de gewestelijke heffing op het niveau van het Vlaamse Gewest bij de middelen van het Sociaal Impulsfonds wordt gevoegd en volgens de daar geldende criteria onder de gemeenten wordt verdeeld.
Indien de gemeente een eigen reglement heeft, boekt zij de opbrengst van deze belasting op het artikel 040/367-15.
Gemeenten die nog opcentiemen op de gewestelijke belasting heffen, schrijven, in afwachting van een regeling bij ministerieel besluit, de daaruit resulterende opbrengsten in onder het artikel 040/377-02. De datum van ontvangst van de desbetreffende opbrengsten bepaalt het dienstjaar.
De vergoeding die de gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze ter uitvoering van het decreet maken, wordt geboekt op artikel 040/465-01.
2.3. De uitgaven van de gewone dienst
2.3.1. De personeelsuitgaven
Gelet op de verschillende data waarop de gemeenten de sectorale akkoorden toepassen en gelet op de mogelijke spreiding in de tijd kan geen algemeen stijgingspercentage van de personeelsuitgaven worden meegedeeld.
De volgende factoren spelen in elk geval een rol :
- de reële of de waarschijnlijke stijging of daling van het aantal personeelsleden;
- de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen (gezondheidsindex);
- de toekenning van de periodieke verhogingen, rekening houdend met het tijdstip waarop deze worden toegekend;
- de evolutie in de bijdragen voor de sociale zekerheid;
- de CAO-bepalingen en meer in het bijzonder de algemene weddeschaalherziening, uiteraard met inbegrip van de inschakelingsmodaliteiten naar het nieuwe stelsel en de doorstroming in de functionele loopbaan;
- de waarschijnlijke verhoging van de patronale bijdragen voor de pensioenverzekering.
2.3.1.1. het indexcijfer der consumptieprijzen
Omdat de geplande indexverhoging met effect op de wedden van oktober 1998 niet zal doorgaan en er in 1999 een indexverhoging verwacht wordt met effect op de wedden vanaf maart van dat jaar, stijgen de totale personeelsuitgaven voor 1999 met 1,17 % tegenover de geraamde personeelskosten voor 1998.
In 1998 werden de personeelskosten namelijk met 3 maanden overraamd, dat betekent een correctie van :
0,02 x 0,08333 x 3= 0,005001 (waarbij 0,08333 = 1/12)
Dus : raming 1999 = raming 1998 x ((0,02 x 0,08333 x 10) - 0,005001)
= raming 1998 x 0,01166
Afgerond : +1,17 % t.o.v. 1998
2.3.1.2. de toepassing van de algemene weddeschaalherziening
Omdat de algemene weddeschaalherziening geen lineaire verhoging inhoudt van alle wedden, maar een totaal nieuw baremastelsel invoert voor de lokale besturen, moeten de gemeenten individueel de financiële gevolgen van de toepassing van de sectorale akkoorden berekenen. Bij de raming zal men rekening houden met de datum van inschakeling en met het eventueel toepassen van een verkorte evaluatieperiode. De besturen die in 1998 inschakelden, dienen te onderzoeken welke weddeverhogingen in 1999, als gevolg van een verkorte evaluatieperiode, worden doorgevoerd.
De besturen die in 1999 zullen inschakelen doen dit op basis van de inschakelingstabel, waarbij tevens wordt onderzocht of, ingevolge een verkorte evaluatieperiode, nog bijkomende weddeverhogingen in 1999 worden toegekend.
De gemeenten dienen de financiële weerslag van de weddeschaalherziening zo nauwkeurig mogelijk in de begroting te verwerken, gelet op de uitermate belangrijke gevolgen ervan voor de meerjarenplanning.
Als algemene regel kan in de meerjarenplanning een groeivoet van 2 % (inclusief indexaanpassing) worden gehanteerd voor de gemeenten die reeds inschakelden, en 3 % (inclusief indexaanpassing) voor de overige gemeenten. Gelet op het grote belang van de weddeschaalherziening verstrekt het gemeentebestuur de nodige toelichtingen.
2.3.1.3. inschrijving van ontvangsten en uitgaven m.b.t. wedden van onderwijspersoneel
Krachtens artikel 72 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, zijn de gemeenten verplicht de wedden van hun onderwijzend personeel die als tegenwaarde van de gewone toelagen rechtstreeks aan de belanghebbenden worden betaald, gelijktijdig als uitgave en als ontvangst te boeken.
2.3.1.4. voorzieningen voor toekomstige pensioenlasten
Zoals alle overheden worden ook de lokale besturen in een steeds toenemende mate geconfronteerd met een zich uitbreidende groep van gepensioneerde werknemers en een verhoging van de bijdragevoet voor pensioenlasten.
Het is daarom wenselijk dat ook de gemeentebesturen even stilstaan bij de pensioenproblematiek en onderzoeken in welke mate de pensioenlasten in de toekomst de gemeentebegrotingen zullen bezwaren. Vertrekkende van de resultaten van dat onderzoek en de gemeentelijke autonomie daarbij in acht genomen, beveel ik de gemeentebesturen aan dat zij, waar nodig, tijdig voorzieningen zouden treffen (vb. aanleg van een reservefonds voor pensioenen) om op termijn de aanwassende pensioenlasten het hoofd te kunnen bieden. Dergelijke maatregelen getuigen immers niet alleen van vooruitziendheid maar ook van solidariteit tussen opeenvolgende generaties van beleidsverantwoordelijken.
In de meerjarenplanning kan daarom onder rubriek C "overboekingen en reservefondsen" een bijkomend onderdeel 10.6 "overboeking van de gewone dienst naar een gewoon reservefonds voor pensioenen" worden ingeschreven.
2.3.2. De werkingskosten
Bij gelijkblijvend beleid wordt de normale stijging van de werkingskosten voor 1999 op 1,5 % geraamd. In de meerjarenplanning wordt eveneens rekening gehouden met een stijging van 1,5 % per jaar.
Gemeenten die afwijkende stijgingspercentages in hun begroting en meerjarenplanning toepassen, verstrekken hierbij de nodige toelichtingen.
2.3.3. De overdrachten
2.3.3.1. de bijdrage aan het OCMW
Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente. Deze gemeentelijke bijdrage wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven. Dit is een wettelijke verplichting.
Aangezien alle OCMW's vanaf het jaar 1999 een meerjarenplan moeten opmaken, schrijven de gemeenten in hun meerjarig beleidsplan dezelfde bedragen in als in het meerjarenplan van het OCMW, voor zover de bedragen beschikbaar zijn op het ogenblik van het aannemen van de begroting. Omdat het meerjarig financieel beleidsplan voor de OCMW's loopt over 3 jaar (begrotingsjaar inbegrepen), worden voor de berekening van de bijdrage voor het vierde jaar de cijfers genomen van het derde jaar, vermeerderd met de voor dat jaar gebruikte stijgingspercentages.
Indien de bedragen niet gekend zijn wordt het bedrag van het vorige jaar ingeschreven verhoogd met het inflatiepercentage d.w.z. voor 1999 het bedrag van 1998 verhoogd met 2 %.
Zodra de bedragen van het OCMW gekend zijn moeten deze bij de eerstvolgende begrotingswijziging van de gemeente aangepast worden, zowel in de begroting als in het meerjarenplan.
2.3.3.2. ziekenhuistekorten
Het voor 1999 in te schrijven bedrag wordt gevormd door het tekort of de tekorten die waarschijnlijk in 1999 ambtshalve van de rekening van de gemeente worden afgehouden. De raming gebeurt op basis van de gegevens verstrekt door het openbaar ziekenhuis.
De gemeenten die nog belangrijke ziekenhuistekorten van vorige jaren moeten vereffenen, mogen een voorschot van 80 % op het exploitatietekort toestaan en dat voorschot als een vastgelegde uitgave in de rekening boeken.
In de meerjarenplanning wordt de evolutie van de ziekenhuistekorten voldoende toegelicht.
2.3.3.3. subsidies aan gemeentelijke VZW's
Het komt aan de democratisch verkozen raden van de gemeenten toe om zelf de gemeentelijke aangelegenheden te regelen. Ik verwijs in dit verband naar de omzendbrief BA 93/03 van 21 april 1993 met betrekking tot de problematiek van de uitoefening van het gemeentelijk beleid via zogenaamde paragemeentelijke VZW's. In deze omzendbrief werd bepaald dat gemeenten enkel nog toelagen van meer dan 100 000 frank aan zulke VZW's kunnen verstrekken voor zover een aantal minimale bepalingen worden nageleefd die eigen zijn aan de uitoefening van het openbaar bestuur.
Met het oog op een correcte toepassing van die omzendbrief en het behoud van de openbaarheid van bestuur en de democratische controle van de verkozen raadsleden voegen de gemeenten, ter verantwoording, een afzonderlijke lijst bij hun begroting waarin de verenigingen zijn opgenomen die een gemeentelijke toelage van meer dan 100.000 frank ontvangen. Andere nuttige documenten zoals uittreksels uit statuten, overeenkomsten of concessies worden ter inzage gelaten in het gemeentehuis en kunnen desgevallend door de toezichthoudende overheid worden opgevraagd.
Ik wijs terzake op de bepalingen van de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van sommige toelagen, die ook van toepassing is op de door de gemeenten gesubsidieerde rechtspersonen, alsook op het decreet van 28 januari 1974 betreffende het cultuurpact.
2.3.4 De schulduitgaven
Voor de leningen die in 1999 worden afgesloten of herzien, gelden de volgende rentevoeten :