Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 MEI 1997. - Omzendbrief BA 97/10 betreffende het toepassingsgebied van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van die wet.
Titre
21 MAI 1997. - Circulaire BA 97/10 relative au champ d'application de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de cette loi (TRADUCTION).
Informations sur le document
Numac: 1998035047
Datum: 1997-05-21
Info du document
Numac: 1998035047
Date: 1997-05-21
Tekst (6)
Texte (1)
Artikel M. (Om technische redenen wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen : M1-M5).
Article M. (Pour cette circulaire, voir version néerlandaise).
Art. M1. 1. Naleving van het syndicaal statuut. Met de wet van 19 december 1974, voornoemd, regelde de wetgever de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Deze teksten regelen voor de verschillende bestuursniveaus onder andere de samenstelling en de bevoegdheden van de onderhandelings- en overlegcomités. Het respect voor deze bepalingen is een substantiële vormvereiste. Ik stel echter vast dat bepaalde overheden deze regelingen niet of onvolledig toepassen, of de regelingen tot een formaliteit laten verworden. Onderhandelingen en overleg veronderstellen echte gesprekken met de andere partijen. Met "echte gesprekken" wordt bedoeld het doorspreken met respect voor de wederzijdse finaliteiten (woord en wederwoord). Een houding waarbij de overheid haar standpunt enkel ter kennis meedeelt, zonder mogelijkheid tot echte discussie, is dan ook strijdig met de wet.
Artikel 2, § 1, 1°, van de wet bepaalt dat er moet onderhandeld worden over de grondregelingen van :
- het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
- de bezoldigingsregeling;
- de pensioenregeling;
- de betrekkingen met de vakorganisaties;
- de organisaties van de sociale diensten.
Deze grondregelingen werden vastgelegd in het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot aanwijziging van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Artikel 11 van de wet bepaalt de overlegmateries; dit zijn :
- de beslissingen tot vaststelling van de personeelsformatie en
- "de regelingen welke de Koning krachtens artikel 2, § 1,1°, laatste lid niet als grondregelingen heeft beschouwd alsook die welke betrekking hebben op de arbeidsduur en op de organisatie van het werk, die eigen zijn aan voormelde diensten".
Ook moet er overleg worden gepleegd over maatregelen van inwendige orde en over richtlijnen betreffende één van de aangelegenheden bedoeld in het eerste lid, 2°.
Artikel 39 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepaalt dat alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, door de basisoverlegcomités uitgeoefend worden. Indien er geen basisoverlegcomités zijn, oefenen de hoge overlegcomités deze bevoegdheid uit.
De artikels 27 en 30 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepalen termijnen die de overheden bij onderhandelingen moeten respecteren. Zo moet de secretaris de oproepingen met de dagorde ten minste tien werkdagen voor de datum van de vergadering aan de leden van de afvaardiging van de overheid en de oproepingen met de dagorde ten minste tien werkdagen voor de datum van de vergadering aan de leden van de afvaardiging van de overheid en de vakorganisaties toezenden. In dringende gevallen kan de voorzitter deze termijn tot drie werkdagen verminderen. Als er een protocol wordt opgesteld, beschikken de afgevaardigden van de overheid en de representatieve vakorganisaties over een termijn van vijftien dagen om hun opmerkingen aan de voorzitter ter kennis te brengen. De voorzitter kan echter op voorstel van een afvaardiging en na de andere betrokken afvaardigingen gehoord te hebben binnen de voormelde termijn van vijftien dagen, deze termijn wijzigen.
Voor het overleg bepalen de artikelen 47 en 49 gelijkaardige termijnen.
Het respect voor het syndicaal statuut is een substantiële vormvereiste.
Dit betekent dat de toezichthoudende overheid moet optreden tegen schendingen van de wet. Onderhandelingen of overleg a posteriori zijn ook schendingen van de wet. Ook kunnen vakorganisaties geen afstand doen van het recht op deze onderhandelingen. Daarom acht ik het noodzakelijk dat de verschillende overheden protocollen (als er onderhandelingen moeten zijn) en gemotiveerde adviezen (als er overleg moet zijn) meesturen met de besluiten die ze de toezichthoudende overheid krachtens de vigerende toezichtsregeling toezenden.
Indien er een protocol van niet-akkoord meegestuurd wordt, kan de toezichthoudende overheid aan de lokale overheid een "verklaring" vragen. In deze verklaring moet de lokale overheid bijkomende toelichting verstrekken over de beslissing en het protocol van niet-akkoord. Dit moet natuurlijk binnen de wettelijke termijnen gebeuren. De vraag naar deze verklaring is gebaseerd op de algemene motiveringsverplichting.
Deze teksten regelen voor de verschillende bestuursniveaus onder andere de samenstelling en de bevoegdheden van de onderhandelings- en overlegcomités. Het respect voor deze bepalingen is een substantiële vormvereiste. Ik stel echter vast dat bepaalde overheden deze regelingen niet of onvolledig toepassen, of de regelingen tot een formaliteit laten verworden. Onderhandelingen en overleg veronderstellen echte gesprekken met de andere partijen. Met "echte gesprekken" wordt bedoeld het doorspreken met respect voor de wederzijdse finaliteiten (woord en wederwoord). Een houding waarbij de overheid haar standpunt enkel ter kennis meedeelt, zonder mogelijkheid tot echte discussie, is dan ook strijdig met de wet.
Artikel 2, § 1, 1°, van de wet bepaalt dat er moet onderhandeld worden over de grondregelingen van :
- het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling;
- de bezoldigingsregeling;
- de pensioenregeling;
- de betrekkingen met de vakorganisaties;
- de organisaties van de sociale diensten.
Deze grondregelingen werden vastgelegd in het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot aanwijziging van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Artikel 11 van de wet bepaalt de overlegmateries; dit zijn :
- de beslissingen tot vaststelling van de personeelsformatie en
- "de regelingen welke de Koning krachtens artikel 2, § 1,1°, laatste lid niet als grondregelingen heeft beschouwd alsook die welke betrekking hebben op de arbeidsduur en op de organisatie van het werk, die eigen zijn aan voormelde diensten".
Ook moet er overleg worden gepleegd over maatregelen van inwendige orde en over richtlijnen betreffende één van de aangelegenheden bedoeld in het eerste lid, 2°.
Artikel 39 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepaalt dat alle bevoegdheden die in particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, door de basisoverlegcomités uitgeoefend worden. Indien er geen basisoverlegcomités zijn, oefenen de hoge overlegcomités deze bevoegdheid uit.
De artikels 27 en 30 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 bepalen termijnen die de overheden bij onderhandelingen moeten respecteren. Zo moet de secretaris de oproepingen met de dagorde ten minste tien werkdagen voor de datum van de vergadering aan de leden van de afvaardiging van de overheid en de oproepingen met de dagorde ten minste tien werkdagen voor de datum van de vergadering aan de leden van de afvaardiging van de overheid en de vakorganisaties toezenden. In dringende gevallen kan de voorzitter deze termijn tot drie werkdagen verminderen. Als er een protocol wordt opgesteld, beschikken de afgevaardigden van de overheid en de representatieve vakorganisaties over een termijn van vijftien dagen om hun opmerkingen aan de voorzitter ter kennis te brengen. De voorzitter kan echter op voorstel van een afvaardiging en na de andere betrokken afvaardigingen gehoord te hebben binnen de voormelde termijn van vijftien dagen, deze termijn wijzigen.
Voor het overleg bepalen de artikelen 47 en 49 gelijkaardige termijnen.
Het respect voor het syndicaal statuut is een substantiële vormvereiste.
Dit betekent dat de toezichthoudende overheid moet optreden tegen schendingen van de wet. Onderhandelingen of overleg a posteriori zijn ook schendingen van de wet. Ook kunnen vakorganisaties geen afstand doen van het recht op deze onderhandelingen. Daarom acht ik het noodzakelijk dat de verschillende overheden protocollen (als er onderhandelingen moeten zijn) en gemotiveerde adviezen (als er overleg moet zijn) meesturen met de besluiten die ze de toezichthoudende overheid krachtens de vigerende toezichtsregeling toezenden.
Indien er een protocol van niet-akkoord meegestuurd wordt, kan de toezichthoudende overheid aan de lokale overheid een "verklaring" vragen. In deze verklaring moet de lokale overheid bijkomende toelichting verstrekken over de beslissing en het protocol van niet-akkoord. Dit moet natuurlijk binnen de wettelijke termijnen gebeuren. De vraag naar deze verklaring is gebaseerd op de algemene motiveringsverplichting.
-
Art. M2. 2. Intercommunales. Artikel 1, § 1, 3°, van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op "alle andere provinciale of plaatselijke instellingen bedoeld in de artikelen 162 en 165 van de grondwet". Het laatste lid van artikel 162 van de grondwet geeft aan hoe de decreetgever de verenigingen van gemeenten moet regelen.
Ook uit artikel 3, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 blijkt dat deze regelingen van toepassing zijn op de verenigingen van gemeenten.
Artikel 20, § 1, 4°, van het besluit bepaalt dat in elke vereniging van gemeenten een bijzonder comité opgericht wordt.
Het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 28 september 1984 voorafgaat, verduidelijkt ter zake :
" Onderhavig besluit verklaart het door de wet ingestelde stelsel toepasselijk op volgende overheidsdiensten :
...
c. verenigingen van provincies en de verenigingen van gemeenten, ongeacht of het om gemengde of zuivere gaat, welke ook hun organieke wetgeving is, en zonder onderscheid naar hun juridische aard of werkingsgebied. "
Het syndicaal statuut is dus van toepassing op alle intercommunales.
Ook uit artikel 3, § 1, 3°, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 blijkt dat deze regelingen van toepassing zijn op de verenigingen van gemeenten.
Artikel 20, § 1, 4°, van het besluit bepaalt dat in elke vereniging van gemeenten een bijzonder comité opgericht wordt.
Het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 28 september 1984 voorafgaat, verduidelijkt ter zake :
" Onderhavig besluit verklaart het door de wet ingestelde stelsel toepasselijk op volgende overheidsdiensten :
...
c. verenigingen van provincies en de verenigingen van gemeenten, ongeacht of het om gemengde of zuivere gaat, welke ook hun organieke wetgeving is, en zonder onderscheid naar hun juridische aard of werkingsgebied. "
Het syndicaal statuut is dus van toepassing op alle intercommunales.
-
Art. M3. 3. Verenigingen zonder winstoogmerk (VZW's). Bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen (voornamelijk provinciale of lokale overheden) hebben v.z.w.'s opgericht of zijn nadien toegetreden tot bestaande v.z.w.'s.
Ondanks het feit dat bij de oprichting of de leiding van die instellingen de overheid een overwegend aandeel heeft, gaat het over privaatrechtelijke rechtspersonen onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
Bovengenoemde v.z.w.'s - als privaatrechtelijke rechtspersonen die volledig onderscheiden zijn van de overheden die ze hebben opgericht of die de leiding ervan hebben - vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Hieruit volgt dat de regeling van de wet van 19 december 1974 niet van toepassing is op het personeel van wie een v.z.w. als werkgever moet beschouwd worden. Het gaat in dat geval over personeel aangeworven en bezoldigd door die instelling zonder dat de overheid - op juridisch gebied - ter zake optreedt.
In bepaalde omstandigheden kunnen overheden personeel ter beschikking van andere werkgevers stellen.
De regeling van de wet van 19 december 1974 is van toepassing op dit personeel.
Ondanks het feit dat bij de oprichting of de leiding van die instellingen de overheid een overwegend aandeel heeft, gaat het over privaatrechtelijke rechtspersonen onderworpen aan de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
Bovengenoemde v.z.w.'s - als privaatrechtelijke rechtspersonen die volledig onderscheiden zijn van de overheden die ze hebben opgericht of die de leiding ervan hebben - vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.
Hieruit volgt dat de regeling van de wet van 19 december 1974 niet van toepassing is op het personeel van wie een v.z.w. als werkgever moet beschouwd worden. Het gaat in dat geval over personeel aangeworven en bezoldigd door die instelling zonder dat de overheid - op juridisch gebied - ter zake optreedt.
In bepaalde omstandigheden kunnen overheden personeel ter beschikking van andere werkgevers stellen.
De regeling van de wet van 19 december 1974 is van toepassing op dit personeel.
-
Art. M4. 4. Verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW's.
Volgens artikel 3, § 1, 3°, b), van het koninklijk besluit van 28 september 1984 is de bij de wet van 19 december 1974 ingestelde regeling van toepassing op de verenigingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Bij elke vereniging wordt een bijzonder onderhandelingscomité opgericht (artikel 20, § 1, 5°, van voormeld koninklijk besluit).
Het bovenvermelde syndicaal statuut is dus van toepassing op alle verenigingen opgericht krachtens hoofdstuk XII van de organieke OCMW-wet.
Volgens artikel 3, § 1, 3°, b), van het koninklijk besluit van 28 september 1984 is de bij de wet van 19 december 1974 ingestelde regeling van toepassing op de verenigingen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Bij elke vereniging wordt een bijzonder onderhandelingscomité opgericht (artikel 20, § 1, 5°, van voormeld koninklijk besluit).
Het bovenvermelde syndicaal statuut is dus van toepassing op alle verenigingen opgericht krachtens hoofdstuk XII van de organieke OCMW-wet.
-
Art. M5. 5. Autonome gemeentebedrijven. De wet op het syndicaal statuut van 19 december 1974 stelt in artikel 1, § 1, 3°, dat de wet van toepassing is op provincies, gemeenten en alle andere provinciale of plaatselijke instellingen.
Het autonoom gemeentebedrijf bezit weliswaar rechtspersoonlijkheid en een ruime autonomie, maar toch is, naar analogie met de intercommunale verenigingen, bij wet voorzien in een structuur die het bedrijf verbindt met de gemeentelijke overheid. Zo worden o.a. de leden van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf aangesteld door de gemeenteraad en bestaat de meerderheid van de raad van bestuur uit leden van de gemeenteraad. Tevens bezit de gemeenteraad een controlefunctie t.a.v.
het autonoom gemeentebedrijf doordat de gemeenteraad te allen tijde aan de raad van bestuur verslag kan vragen over de activiteiten van het autonoom gemeentebedrijf.
Naast de gemeenteraad houdt ook de hogere overheid toezicht op het autonome gemeentebedrijf. Bepaalde beslissingen aangaande het autonoom gemeentebedrijf dienen immers genomen te worden door de gemeenteraden.
Deze laatste beslissingen vallen onder het toepassingsgebied van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten.
Uit het voorgaande kan dan ook afgeleid worden dat het autonoom gemeentebedrijf onder het toepassingsgebied van de wet op het syndicaal statuut valt, en dit voor wat betreft de te volgen procedure inzake de syndicale onderhandelingen van de autonome gemeentebedrijven.
Ik dring erop aan dat alle overheden zowel de letter als de geest van het syndicaal statuut naleven. Ik stuur deze brief aan de voorzitters van de intercommunale verenigingen.
Een afschrift van deze omzendbrief wordt aan de colleges van burgemeester en schepenen en de voorzitter van het O.C.M.W. gestuurd.
L. PEETERS,
Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting.
L. MARTENS,
Vlaams Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn.
Het autonoom gemeentebedrijf bezit weliswaar rechtspersoonlijkheid en een ruime autonomie, maar toch is, naar analogie met de intercommunale verenigingen, bij wet voorzien in een structuur die het bedrijf verbindt met de gemeentelijke overheid. Zo worden o.a. de leden van de raad van bestuur van het autonoom gemeentebedrijf aangesteld door de gemeenteraad en bestaat de meerderheid van de raad van bestuur uit leden van de gemeenteraad. Tevens bezit de gemeenteraad een controlefunctie t.a.v.
het autonoom gemeentebedrijf doordat de gemeenteraad te allen tijde aan de raad van bestuur verslag kan vragen over de activiteiten van het autonoom gemeentebedrijf.
Naast de gemeenteraad houdt ook de hogere overheid toezicht op het autonome gemeentebedrijf. Bepaalde beslissingen aangaande het autonoom gemeentebedrijf dienen immers genomen te worden door de gemeenteraden.
Deze laatste beslissingen vallen onder het toepassingsgebied van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten.
Uit het voorgaande kan dan ook afgeleid worden dat het autonoom gemeentebedrijf onder het toepassingsgebied van de wet op het syndicaal statuut valt, en dit voor wat betreft de te volgen procedure inzake de syndicale onderhandelingen van de autonome gemeentebedrijven.
Ik dring erop aan dat alle overheden zowel de letter als de geest van het syndicaal statuut naleven. Ik stuur deze brief aan de voorzitters van de intercommunale verenigingen.
Een afschrift van deze omzendbrief wordt aan de colleges van burgemeester en schepenen en de voorzitter van het O.C.M.W. gestuurd.
L. PEETERS,
Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting.
L. MARTENS,
Vlaams Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn.
-