Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
2 JUNI 1998. - Decreet houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. (VERTALING) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-1998 en tekstbijwerking tot 09-01-2026)
Titre
2 JUIN 1998. - Décret organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-1998 et mise à jour au 09-01-2026)
Informations sur le document
Numac: 1998029331
Datum: 1998-06-02
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1998029331
Date: 1998-06-02
Moniteur: Voir
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Doelstellingen en organisatie v... Afdeling 1. - Doelstellingen. Afdeling 1bis [1 Pedagogisch en artistiek inric... Afdeling 2. - Algemene organisatie. Afdeling 3. - Toelatingsvoorwaarden en regelmat... Afdeling 4. - Bekrachtiging van de studies. Afdeling 5. - De Studieraad. Afdeling 6. - Organisatie van de Kunsthumaniora. Afdeling 7. - Afzonderlijke organisaties. HOOFDSTUK III. - Lestijdendotaties en werkingst... Afdeling 1. - Jaarlijkse dotaties. Afdeling 2. - Dotaties voor Kunsthumaniora. Afdeling 3. - Dotaties aan de afzonderlijke org... Afdeling 4. - Werkingstoelagen. HOOFDSTUK IV. - Rationalisatie en programmatie ... HOOFDSTUK V. - De ambten, de gesubsidieerde bet... Afdeling 1. - De ambten. Afdeling 2. - Gesubsidieerde betrekkingen. Afdeling 3. - Het geldelijk statuut. Onderafdeling 1. - De terminologie en de algeme... Onderafdeling 2. - Hoofdambten. Onderafdeling 3. - Bijambten. Onderafdeling 4. - Algemene regels voor het vas... Onderafdeling 5. - In aanmerking komende diensten. Onderafdeling 6. - Nader regels voor de uitbeta... Onderafdeling 7. - Nadere regels voor de uitbet... Onderafdeling 8. - De toepassing van het geldel... Afdeling 4. - De bezoldiging van de lesgelastig... Afdeling 5. [1 - Bepaling betreffende de vergo... Art. 99bis. [1 De personeelsleden die een onde... HOOFDSTUK VI. - De bekwaamheidsbewijzen. Afdeling 1. - De vereiste en als voldoende geac... Afdeling 2. - Het getuigschrift van pedagogisch... HOOFDSTUK VII. [1 - De Algemene Raad voor het s... HOOFDSTUK VIII. - Opheffings-, overgangs- en sl...
Table des matières
CHAPITRE I. - Des définitions et des dispositio... CHAPITRE II. - Des finalités et de l'organisati... Section 1. - Des finalités. Section 1rebis. [1 Du projet pédagogique et art... Section 2. - De l'organisation générale. Section 3. - Des conditions d'admission et de l... Section 4. - De la sanction des études. Section 5. - Du Conseil des études. Section 6. - De l'organisation des humanités ar... Section 7. - Des organisations particulières. CHAPITRE III. - Des dotations de périodes de co... Section 1. - Des dotations annuelles. Section 2. - Des dotations des humanités artist... Section 3. - Des dotations des organisations pa... Section 4. - Des subventions de fonctionnement. CHAPITRE IV. - De la rationalisation et de la p... CHAPITRE V. - Des fonctions, des emplois subven... Section 1. - Des fonctions. Section 2. - Des emplois subventionnés. Section 3. - Du statut pécuniaire. Sous-section 1. - De la terminologie et des règ... Sous-section 2. - Des fonctions principales. Sous-section 3. - Des fonctions accessoires. Sous-section 4. - Des règles générales de fixat... Sous-section 5. - Des services admissibles. Sous-section 6. - Des modalités de paiement du ... Sous-section 7. - Des modalités de paiement du ... Sous-section 8. - De la mise en application du ... Section 4. - De la rétribution des intervenants. Section 5. [1 Disposition relative à l'indemnis... Art. 99bis. [1 Les membres du personnel qui o... CHAPITRE VI. - Des titres de capacité. Section 1. - Des titres requis et jugés suffisa... Section 2. - Du certificat d'aptitude pédagogiq... CHAPITRE VII. [1 - Du conseil général de l'ense... CHAPITRE VIII. - Des dispositions abrogatoires,...
Tekst (185)
Texte (186)
HOOFDSTUK I. - Definities en algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Des définitions et des dispositions générales.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :
  1° de Regering : de Regering van de Franse Gemeenschap;
  2° het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan : het onderwijs verstrekt door de inrichtingen gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
  3° de inrichting : de vestiging of het geheel van de vestigingen die een pedagogisch geheel uitmaken voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan waarvan de zetel op een welbepaalde plaats is gevestigd en onder het gezag van eenzelfde directeur staat;
  4° [2 het gebied : de administratieve onderafdeling waarin het geheel van de leergangen van een welbepaalde kunstoriëntatie van de studies begrepen is ;]2
  5° [5 de studierichting: de administratieve onderverdeling van een artistieke basisvorming, die deze structureert in onderwijsstappen;]5
  6° [5 vaardigheid: het vermogen om een georganiseerd geheel van kennis, knowhow en interpersoonlijke vaardigheden toe te passen om een bepaald aantal taken uit te voeren;]5
  [1 7° het opvoedingsproject van de inrichtende macht : het document waarin alle waarden, maatschappelijke keuzen en referenties waarop een inrichtende macht opvoedingsprojecten steunt, worden bepaald, in samenhang met het opvoedingsproject van het vertegenwoordigingsorgaan waartoe die inrichtende macht toetreedt;]1
  [1 8° het pedagogisch project van de inrichtende macht : het document dat de pedagogische doelstellingen en de methodologische keuzen bepaalt waarop de inrichtende macht steunt om zijn opvoedingsproject uit te voeren, in samenhang met het pedagogisch project van het vertegenwoordigingsorgaan waartoe die inrichtende macht toetreedt;]1
  [2 9° de Inspectiedienst van het kunstonderwijs : de dienst bedoeld in artikel 3, [3 derde lid, 4°, van het decreet van 10 januari 2019 betreffende de algemene inspectiedienst]3 ; "
   " 10° de Algemene Raad : de Algemene Raad voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan bedoeld in 121;]2

  [4 11° schooljaar: het schooljaar bedoeld in artikel 2bis.]4
  
Article 1. Pour l'application du présent décret, on entend par :
  1° le Gouvernement : le Gouvernement de la Communauté française;
  2° l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit : l'enseignement dispensé par les établissements subventionnés par la Communauté française;
  3° l'établissement : l'implantation ou l'ensemble des implantations constituant un ensemble pédagogique d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit ayant son siège à un endroit déterminé et placé sous l'autorité d'un même directeur;
  4° [2 le domaine : la subdivision administrative regroupant l'ensemble des cours d'une orientation d'études artistique donnée ;]2
  5° [5 la filière : la subdivision administrative d'un cours artistique de base, qui le structure en étapes d'enseignement.]5
  6° [5 la compétence : l'aptitude à mettre en oeuvre un ensemble organisé de savoirs, de savoir-faire et de savoir-être permettant d'accomplir un certain nombre de tâches; ]5
  [1 7° le projet éducatif du pouvoir organisateur : le document définissant l'ensemble des valeurs, des choix de société et des références à partir desquels un pouvoir organisateur définit des objectifs éducatifs, en cohérence avec le projet éducatif de l'organe de représentation auquel adhère ce pouvoir organisateur;]1
  [1 8° le projet pédagogique du pouvoir organisateur : le document définissant les visées pédagogiques et les choix méthodologiques permettant à un pouvoir organisateur de mettre en place son projet éducatif, en cohérence avec le projet pédagogique de l'organe de représentation auquel adhère ce pouvoir organisateur;]1
  [2 9° le Service de l'inspection de l'enseignement artistique : le service visé à l'article 3, [3 alinéa 3, 4°, du décret du 10 janvier 2019 relatif au service général de l'inspection ]3, ; "
   " 10° le Conseil général : le Conseil général de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit visé à l'article 121;]2

  [4 11° année scolaire: l'année scolaire visée à l'article 2bis.]4
  
Art. 2. [2 De Franse Gemeenschap subsidieert het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan]2
  [1 Via bemiddeling door de federaties van inrichtende machten waarbij ze zijn aangesloten, nemen de inrichtende machten van het kunstonderwijs met beperkt leerplan deel aan de onderhandelingen bedoeld in Boek 1, Titel 6, Hoofdstuk 5, van het Wetboek van basis- en secundair onderwijs.]1
  
Art. 2. [2 La Communauté française subventionne l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit]2.
  [1 Par l'intermédiaire des fédérations de pouvoirs organisateurs auxquelles ils sont affiliés, les pouvoirs organisateurs de l'enseignement artistique à horaire réduit participent à la négociation visée au Livre 1er, Titre 6, Chapitre 5, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire.]1
  
Art. 2bis. [1 Het schooljaar begint op de laatste maandag van augustus en eindigt op de eerste vrijdag van juli. Als de laatste maandag op 30 augustus of 31 augustus valt, begint het schooljaar bij wijze van uitzondering op de voorlaatste maandag van augustus als dit nodig is om het schooljaar het aantal van 37 weken openingstijd buiten de schoolvakantie te laten omvatten.
   In afwijking van het eerste lid, voor de inrichtingen waarvan het aantal openingsweken overeenkomstig artikel 32 op 29 of 33 weken is vastgesteld, bepaalt de inrichtende macht de begindatum van de lessen tussen de eerste dag van het schooljaar en 15 september en de einddatum van de lessen tussen 31 mei en de laatste dag van het schooljaar.]1

  
Art. 2bis. [1 L'année scolaire commence le dernier lundi du mois d'août et se termine le premier vendredi du mois de juillet. Par exception, si le dernier lundi est un 30 août ou un 31 août, l'année scolaire commence l'avant-dernier lundi du mois d'août si cela est nécessaire pour que l'année scolaire comprenne le nombre de 37 semaines d'ouverture hors vacances scolaires.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les établissements dont le nombre de semaines d'ouverture est fixé à 29 ou 33 semaines en application de l'article 32, le Pouvoir organisateur fixe la date du début des cours entre le premier jour de l'année scolaire et le 15 septembre et la date de fin des cours entre le 31 mai et le dernier jour de l'année scolaire.]1

  
Art. 2ter. [1 In afwijking van artikel 1.1.1-1, tweede lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, voor de inrichtende machten die behoren tot het officieel onderwijs en het niet-confessioneel vrij onderwijs, zijn de bepalingen met betrekking tot de naleving van het neutraliteitsbeginsel bepaald in Boek 1, Titel 7, Hoofdstuk 4, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, van toepassing. ]1
  
Art. 2ter. [1 Par dérogation à l'article 1.1.1-1, alinéa 2, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, pour les pouvoirs organisateurs relevant de l'enseignement officiel et de l'enseignement libre non confessionnel, les dispositions relatives au respect du principe de neutralité définies au Livre 1er, Titre 7, Chapitre 4, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, sont applicables. ]1
  
HOOFDSTUK II. - Doelstellingen en organisatie van het [1 kunstsecundair onderwijs]1 met beperkt leerplan.
CHAPITRE II. - Des finalités et de l'organisation de l'enseignement [1 secondaire]1 artistique à horaire réduit.
Afdeling 1. - Doelstellingen.
Section 1. - Des finalités.
Art. 3. De hoofddoelstellingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zijn :
  1° ervoor zorgen dat de leerlingen tot ontplooiing komen door het bevorderen van een cultuur van de kunst dank zij het aanleren van verscheidene uitingsmiddelen en -praktijken inzake kunst;
  2° aan de leerlingen de middelen en de opleiding geven die hen toelaten zelfstandig op te treden op kunstgebied waardoor een persoonlijke scheppingskracht ontstaat;
  3° een onderwijs bezorgen waardoor de leerlingen voorbereid worden om aan de vereisten te beantwoorden die nodig zijn om tot het kunstonderwijs van het hoger niveau te geraken.
Art. 3. Les principales finalités de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit consistent à :
  1° concourir à l'épanouissement des élèves en promouvant une culture artistique par l'apprentissage des divers langages et pratiques artistiques;
  2° donner aux élèves les moyens et formations leur permettant d'atteindre l'autonomie artistique suscitant une faculté créatrice personnelle;
  3° offrir un enseignement préparant des élèves à rencontrer les exigences requises pour accéder à l'enseignement artistique de niveau supérieur.
Afdeling 1bis [1 Pedagogisch en artistiek inrichtingsproject]1
Section 1rebis. [1 Du projet pédagogique et artistique d'établissement]1
Art. 3bis. [1 Het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject bepaalt het geheel van de pedagogische en artistieke keuzen, en van de bijzondere concrete acties die de personeelsleden van de inrichting bedoeld in artikel 49 van hetzelfde decreet in het werk willen stellen, om de opvoedings- en pedagogische projecten van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1, 7° en 8° te verwezenlijken.
   Het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject wordt bepaald, rekening houdend met :
   1° de leerlingen die in de inrichting ingeschreven zijn, hun zowel culturele als sociale kenmerken, hun behoeften en hun bekwaamheid in de processen inzake verwerving van de competenties en kennis;
   2° de wensen van de leerlingen inzake kunstopleiding, beroepslevensproject en voortzetting van de studies;
   3° de sociale, culturele en economische omgeving van de inrichting;
   4° de natuurlijke omgeving, de wijk, de stad, of het dorp waarin de inrichting gevestigd is.
   Het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject is een middel om de doelstellingen van het decreet te bereiken en om de vereiste competenties te verwerven.
   Het bepaalt overigens de wijze waarop communicatie wordt aangemoedigd tussen leerlingen, personen die de ouderlijke macht uitoefenen of personen die een minderjarige in rechte of in feite onder hun hoede hebben, en leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel.]1

  
Art. 3bis. [1 Le projet pédagogique et artistique d'établissement définit l'ensemble des choix pédagogiques et artistiques, et des actions concrètes particulières que les membres du personnel de l'établissement repris à l'article 49 du même décret entendent mettre en oeuvre pour réaliser les projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur visés à l'article 1er, 7° et 8°.
   Le projet pédagogique et artistique d'établissement est élaboré en tenant compte, notamment :
   1° des élèves inscrits dans l'établissement, de leurs caractéristiques tant culturelles que sociales, de leurs besoins et de leurs ressources dans les processus d'acquisition des compétences et connaissances;
   2° des aspirations des élèves en matière de formation artistique, de projet de vie professionnelle et de poursuite des études;
   3° de l'environnement social, culturel et économique de l'établissement;
   4° de l'environnement naturel, du quartier, de la ville, ou du village dans lesquels l'établissement est implanté.
   Le projet pédagogique et artistique d'établissement est un outil pour atteindre les objectifs du décret ainsi que les compétences requises.
   En outre, il établit la manière selon laquelle est favorisée la communication entre les élèves, les personnes investies de l'autorité parentale ou qui assument la garde en droit ou en fait du mineur, et les membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation.]1

  
Art. 3ter. [1 Elke inrichting heeft een pedagogisch en artistiek inrichtingsproject. Het wordt minstens om de vijf jaar aangepast.]1
  
Art. 3ter. [1 Tout établissement dispose d'un projet pédagogique et artistique d'établissement. Celui-ci est adapté au moins tous les cinq ans. ]1
  
Art. 3quater. [1 Het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject en de latere wijzigingen ervan worden de inrichtende macht ter goedkeuring voorgelegd, na advies van de algemene vergadering van de Studieraad en van de plaatselijke overlegorganen.]1
  
Art. 3quater. [1 Le projet pédagogique et artistique d'établissement et ses modifications ultérieures sont soumis pour approbation au pouvoir organisateur, après avis de l'assemblée générale du Conseil des études et des organes de concertation locale. ]1
  
Art. 3quinquies. [1 De inrichtende macht deelt het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject aan de administratie mee binnen de maand die op de goedkeuring ervan volgt. Elke wijziging wordt ook volgens hetzelfde schema meegedeeld. Het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject wordt op aanvraag overgelegd.]1
  
Art. 3quinquies. [1 Le pouvoir organisateur transmet le projet pédagogique et artistique d'établissement à l'administration dans le mois qui suit son approbation. Toute modification est également transmise dans les mêmes conditions. Le projet pédagogique et artistique d'établissement est fourni sur demande.]1
  
Afdeling 2. - Algemene organisatie.
Section 2. - De l'organisation générale.
Art. 4. § 1. Om aan de in artikel 3 bedoelde doelstellingen te beantwoorden, kunnen de Inrichtende Machten inrichtingen organiseren bestaande uit [4 een of verschillende volgende gebieden]4 :
  1° gebied van de "beeldende, visuele kunsten en kunsten in de ruimte";
  2° gebied van de "muziek";
  3° gebied van de "spreek- en toneelkunst";
  4° gebied van de "danskunst";
  § 2. [7 In elk van de in § 1 bedoelde gebieden kan het volgende worden georganiseerd:
   - basiscursussen kunst;
   - aanvullende artistieke cursussen;
   - cursusbegeleidingen;
   - remediëring.
   Er kunnen vier studierichtingen inzake artistieke basiscursussen worden georganiseerd:
   a) een voorbereidende studierichting met inleidende cursussen in artistieke praktijken;
   b) een opleidingsstudierichting die, naast de voorbereidende richting, de eerste leerjaren omvat;
   c) een kwalificatiestudierichting die de laatste jaren van de cursussen omvat, in een minimale vorm van studieorganisatie;
   d) een overgangsstudierichting die de laatste jaren van de cursussen omvat, in een verbeterde vorm van studieorganisatie, die de maximale structuur vertegenwoordigt.
   De regering zal een lijst opstellen van basis- en aanvullende kunstcursussen die kunnen worden georganiseerd en zal bepalen welke cursussen in aanmerking komen voor begeleiding en remediëring.
   Op advies van de in artikel 20 bedoelde studieraad kiest de inrichtende macht de basiscursussen kunstvakken, aanvullende cursussen kunstvakken, begeleidings- en remediërende activiteiten die zij organiseert.]7

  § 3. [7 n elk gebied bedoeld in § 1,
   1° artistieke basiscursussen worden gedefinieerd in termen van:
   a) structuur;
   b) voorwaarden voor toelating en voor het behalen van getuigschriften en diploma's;
   c) artistieke onderwijs- en opleidingsdoelstellingen;
   d) vaardigheden die leerlingen moeten oefenen en beheersen;
   2° aanvullende kunstvakken worden gedefinieerd in termen van:
   a) structuur;
   b) toelatingsvoorwaarden;
   c) artistieke onderwijs- en opleidingsdoelstellingen;
   d) vaardigheden die leerlingen moeten oefenen.
   De cursusstructuur bestaat uit:
   - het aantal studiejaren dat kan worden georganiseerd;
   - het aantal wekelijkse lestijden dat georganiseerd kan worden.
   Vaardigheden omvatten:
   - de artistieke intelligentie van de leerling, d.w.z. zijn vermogen om de samenhang van een artistieke taal waar te nemen;
   - de technische beheersing van de leerling, d.w.z. zijn vermogen om het gebruik van de technische elementen die specifiek zijn voor elke cursus of specialiteit te beheersen;
   - de autonomie van de leerling, d.w.z. zijn vermogen om zelfstandig een artistieke activiteit te ontdekken, te ontwikkelen en te produceren van een kwaliteit die gelijkwaardig is aan die welke de opleiding mogelijk heeft gemaakt;
   - de creativiteit van de leerling, d.w.z. zijn vermogen om vrijelijk gebruik te maken van een artistieke taal die hij kent of die hij heeft ontwikkeld om iets origineels te produceren.
   Alle georganiseerde cursussen hebben de volgende doelstellingen:
   1° om leerlingen in staat te stellen de vaardigheden te verwerven die nodig zijn om het secundaire kunstonderwijsproces met beperkt leerplan vol te houden en er vooruitgang in te boeken;
   2° de beoefening van een artistieke activiteit mogelijk maken.
   De regering bepaalt de structuur van de cursussen, de doelstellingen van de artistieke vorming en cursus en de vaardigheden die de leerlingen moeten oefenen en beheersen.
   De toelatingsvoorwaarden worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8.
   De voorwaarden voor het verkrijgen van getuigschriften en diploma's worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16.
   Op advies van de in artikel 20 bedoelde studieraad kiest de inrichtende macht de studierichtingen, studiejaren en studietijdlestijden die zij organiseert, met inachtneming van de bepalingen van artikel 7. Zij kan besluiten bepaalde studiejaren samen te voegen tot groepen studiejaren.]7

  [5 § 3bis. De regering bepaalt de overeenstemming tussen cursussen en onderwijsfuncties. Deze besluiten dienen binnen een termijn van twaalf maanden na hun aanneming door het Parlement te worden bekrachtigd. Bij gebrek aan een dergelijke bekrachtiging, houden ze op uitwerking te hebben aan het einde van deze termijn .]5
  § 4. Volgens de in § 3 bepaalde criteria, stelt de Inrichtende Macht het programma van elke leergang op dat zij ter goedkeuring aan de Regering voorlegt. [4 ...]4
  [4 De inrichtende macht kan ook instemmen met een programma van cursussen voorgesteld door één of meerdere representatieve organisaties van inrichtende machten en goedgekeurd door de Regering na advies van de Algemene Raad.
   Elke wijziging van een programma van cursussen moet ter goedkeuring aan de Regering worden voorgelegd.]4

  [1 De Regering stelt de goedkeuringsregels van de cursusprogramma's vast.]1
  § 5. De Inrichtende Macht stelt tegen uiterlijk [6 20 oktober]6 van elk schooljaar de lijst [2 ...]2 van de leergangen op die zij in elk onderwijsgebied organiseert.
  
Art. 4. § 1er. En vue de rencontrer les finalités visées à l'article 3, les pouvoirs organisateurs peuvent organiser des établissements comportant [4 un ou plusieurs des domaines suivants]4 :
  1° domaine des " arts plastiques, visuels et de l'espace ";
  2° domaine de la " musique ";
  3° domaine des " arts de la parole et du théâtre ";
  4° domaine de la " danse ".
  § 2. [7 Dans chaque domaine visé au § 1er, peuvent être organisés :
   - des cours artistiques de base ;
   - des cours artistiques complémentaires ;
   - des accompagnements de cours ;
   - de la remédiation.
   Dans les cours artistiques de base, quatre filières peuvent être organisées :
   a) une filière préparatoire qui comprend les cours d'initiation aux pratiques artistiques ;
   b) une filière de formation qui, hors filière préparatoire, comprend les premières années des cours ;
   c) une filière de qualification qui comprend les années terminales des cours, dans une forme minimale d'organisation des études ;
   d) une filière de transition qui comprend les années terminales des cours, dans une forme renforcée d'organisation des études, représentant la structure maximale.
   Le Gouvernement fixe la liste des cours artistiques de base et complémentaires organisables et détermine les cours pouvant bénéficier de l'accompagnement et de la remédiation.
   Sur avis du Conseil des études visé à l'article 20, le Pouvoir organisateur choisit les cours artistiques de base, les cours artistiques complémentaires, les accompagnements et la remédiation qu'il organise.]7

  § 3. [7 Dans chaque domaine visé au § 1er,
   1° les cours artistiques de base sont définis en termes :
   a) de structure ;
   b) de conditions d'admission et d'obtention des certificats et diplômes ;
   c) d'objectifs d'éducation et de formation artistiques ;
   d) de compétences à exercer et à maitriser par les élèves ;
   2° les cours artistiques complémentaires sont définis en termes :
   a) de structure ;
   b) de conditions d'admission ;
   c) d'objectifs d'éducation et de formation artistiques ;
   d) de compétences à exercer par les élèves.
   La structure des cours comporte :
   - le nombre d'années d'études organisables ;
   - le nombre de périodes hebdomadaires de cours organisables.
   Les compétences prennent en compte :
   - l'intelligence artistique de l'élève, à savoir sa capacité de perception de la cohérence d'un langage artistique ;
   - la maitrise technique de l'élève, à savoir sa capacité de dominer l'utilisation des éléments techniques propres à chaque cours ou spécialité ;
   - l'autonomie de l'élève, à savoir sa capacité de découvrir, de développer et de produire seul une activité artistique de qualité équivalente à celle que la formation lui a permis d'atteindre ;
   - la créativité de l'élève, à savoir sa capacité de se servir librement d'un langage artistique connu de lui ou élaboré par lui en vue d'une réalisation originale.
   Tous les cours organisés ont pour objectifs :
   1° de faire acquérir les capacités permettant le maintien et la progression de l'élève dans le processus de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit ;
   2° de permettre la pratique d'une activité artistique.
   Le Gouvernement précise la structure des cours, les objectifs d'éducation et de formation artistiques et les compétences à exercer et à maitriser par les élèves.
   Les conditions d'admission sont fixées conformément aux dispositions de l'article 8.
   Les conditions d'obtention des certificats et diplômes sont fixées conformément aux dispositions de l'article 16.
   Sur avis du Conseil des études visé à l'article 20, le Pouvoir organisateur choisit les filières, années d'études et périodes de cours qu'il organise, dans le respect des dispositions de l'article 7. Il peut décider de réunir certaines années d'études en groupes d'années d'études.]7

  [5 § 3bis. Le Gouvernement arrête la correspondance entre les cours et les fonctions d'enseignement. Ces arrêtés sont soumis à la confirmation du Parlement dans un délai de douze mois suivant leur adoption. A défaut d'une telle confirmation, ils cessent de produire leurs effets à l'issue de ce délai .]5
  § 4. En fonction des critères définis au § 3, le pouvoir organisateur détermine le programme de chacun des cours qu'il soumet à l'approbation du Gouvernement. [4 ...]4
  [4 Le Pouvoir organisateur peut également adhérer à un programme de cours proposé par une ou plusieurs organisations représentatives de pouvoirs organisateurs et approuvé par le Gouvernement après avis du Conseil général.
   Chaque modification à un programme de cours doit être soumise à l'approbation du Gouvernement.]4

  [1 Le Gouvernement fixe les règles d'approbation des programmes de cours.]1
  § 5. Le pouvoir organisateur établit, pour le [6 20 octobre]6 de chaque année scolaire au plus tard, la liste [2 ...]2 des cours qu'il organise dans chacun des domaines d'enseignement.
  
Art. 5. Ingeval de in artikel 4, § 3, bedoelde schoolklassen of studiejaren in tweeën worden gedeeld of in eenzelfde leergang worden gegroepeerd, bepaalt het schoolhoofd, na raadpleging van de in artikel 20 bedoelde Studieraad, de samenstelling van de groepen leerlingen, met inachtneming van het aantal lestijden die aan zijn inrichting werden toegekend.
  

Modifications

[1]()Art. 6.Kunnen enkel in aanmerking worden genomen voor het bekomen van toelagen, de artistieke basisleergangen, [1 de aanvullende artistieke leergangen, de begeleiding en de remediëring bedoeld bij [4 artikel 4, § 2, [3 alsook de pedagogische omkadering bedoeld in artikel 100ter georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
[2][2 De goedkeuring door de Regering van een programma van cursussen bedoeld in artikel 4, § 4, is ook vereist voor de toelating tot de subsidies van de basis- of aanvullende kunstleergangen.
----------
Art. 5. En cas de dédoublement ou de regroupement dans un même cours, des classes ou des[1 années d'études ]1 visées à l'article 4, § 3, le chef d'établissement détermine, après consultation du Conseil des études visé à l'article 20, la composition des groupes d'élèves, dans le respect de la dotation de périodes de son établissement.
  
Art. 7. [1 Kunnen enkel in aanmerking worden genomen voor het bekomen van subsidies, de gebieden van het onderwijs waarin te vinden zijn :
   1° ten hoogste, de maximale structuur omschreven in artikel 4, § 2;
   2° tenminste, de minimale structuur die de volgende richtingen organiseert :
   a) voor het gebied van de plastische, visuele kunsten en ruimtekunsten, de voorbereidende filières, de filières voor opleiding en voor kwalificatie;
   b) voor de gebieden van muziek en dans alsook voor de gebieden van woordkunsten en toneel, de filières voor opleiding en kwalificatie.]1

  
Art. 6. Seuls peuvent être admis au bénéfice des subventions, les cours artistiques de base, [1 les cours artistiques complémentaires, les accompagnements et la remédiation]1 visés à l'[4 article 4, § 2]4, [3 ainsi que l'encadrement pédagogique visé à l'article 100ter,]3 organisés conformément aux dispositions du présent décret.
  [2 L'approbation par le Gouvernement d'un programme de cours visé à l'article 4, § 4, est également requise pour l'admission aux subventions des cours artistiques de base ou complémentaires.]2
  
Art. 7bis. [1 De diensten van de Regering worden bevoegd om na te kijken of de inrichtende macht de gelijkheid van behandeling naleeft tussen de leerlingen ingeschreven in deze inrichtingen.
   In afwijking van artikel 1.1.1-1, tweede lid van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, zijn de diensten van de Regering ook bevoegd om na te kijken of de voorwaarden opgenomen in artikel 1.7.3-1, § 2 van het voornoemde Wetboek zijn nageleefd.
   Ingeval van niet-naleving van het voorgaande lid, is de procedure van artikel 1.7.3-1, § 3 van het voornoemde Wetboek van toepassing]1

  
Art. 7. [1 Seuls peuvent être admis au bénéfice des subventions, les domaines d'enseignement qui comportent :
   1° au plus, la structure maximale définie à l'article 4, § 2;
   2° au moins, la structure minimale organisant :
   a) pour le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, les filières préparatoire, de formation et de qualification;
   b) pour les domaines de la musique et de la danse ainsi que pour le domaine des arts de la parole et du théâtre, les filières de formation et de qualification.]1

  
Afdeling 3. - Toelatingsvoorwaarden en regelmatigheid van de leerlingen.
Art. 7bis.[1 Les services du Gouvernement sont chargés de vérifier que le Pouvoir organisateur respecte l'égalité de traitement entre les élèves inscrits dans ses établissements.
Art. 8.§ 1. Geen leerling mag toelating krijgen om als regelmatig ingeschreven leerling een studiejaar van een artistieke basisleergang te volgen indien hij niet beantwoordt aan de volgende voorwaarden :
Section 3. - Des conditions d'admission et de la régularité des élèves.
Art. 9. Geen leerling mag toelating krijgen om als regelmatig ingeschreven leerling een studiejaar van een aanvullende artistieke leergang te volgen indien hij niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald bij [2 artikel 8, § 1, 1°, 2° en 3°]2.
  De in [1 artikel 8, § 1, [2 1° en 2°]2]1 bedoelde voorwaarden worden door de Regering voor elke betrokken aanvullende leergang bepaald.
  
Art. 8. § 1er. Nul élève ne peut être admis à fréquenter, en qualité d'élève régulier, une année d'études d'un cours artistique de base s'il ne remplit les conditions suivantes :
  1° [1 remplir les conditions en matière d'âge requis ou d'inscription dans l'enseignement de plein exercice ;]1
  2° [1 remplir, s'il échet, pour un ou plusieurs autres cours, les conditions en matière :
   - d'obtention de certificats ou diplômes ;
   - de satisfaction aux conditions de passage visées à l'article 21, alinéa 2, 4°, a) ;
   - de satisfaction aux conditions de validation visées à l'article 21, alinéa 2, 4°, b) ;
   - de fréquentation de cours, filières ou années d'études ;
   ou en être dispensé par le Conseil de classe et d'admission conformément à l'article 21, alinéa 2, 1°.]1

  3° [1 répondre, s'il échet, aux conditions fixées par les Conseils de classes et d'admission visés à l'article 21 ;]1
  4° ne pas avoir dépassé un nombre maximum d'années de fréquentation du cours limité :
  a) à deux années pour la même année d'études;
  b) au nombre total d'années d'études organisées dans les filières autres que la filière préparatoire augmenté de trois années scolaires. Cependant, lorsque l'élève commence ses études dans une année autre que celle de début, le nombre maximum d'années de fréquentation est amputé du nombre d'années d'études non suivies;
  5° s'engager à suivre toutes les périodes de cours hebdomadaires organisées pour le cours concerné.
  Les conditions visées [1 aux 1° et 2°]1 sont définies par le Gouvernement pour chacun des cours de base concernés.
  § 2. Outre les conditions fixées au § 1er pour accéder à une année d'études autre que la première année, l'élève doit :
  1° soit être admis d'office dans cette année d'études par le Conseil de classe et d'admission conformément à l'article 21, 1°;
  2° soit remplir les conditions de passage fixées par le Conseil de classe et d'admission conformément à l'[1 article 21, alinéa 2, 4°, a)]1.
  
Art. 10. De vereiste leeftijd bedoeld bij artikel 8 moet bereikt zijn op 31 december die volgt op de aanvang van het schooljaar.
Art. 9. Nul élève ne peut être admis à fréquenter, en qualité d'élève régulier, une année d'études d'un cours artistique complémentaire s'il ne remplit les conditions visées à l'[2 article 8, § 1er, 1°, 2° et 3°]2.
  Les conditions visées à l'[1 article 8, § 1er, [2 1° et 2°]2]1 sont définies par le Gouvernement pour chacun des cours complémentaires concernés.
  
Art. 11. In elk gebied van het onderwijs wordt als regelmatige leerling beschouwd, hij die op 31 januari van het lopende schooljaar :
  1° de toelatingsvoorwaarden bedoeld bij de artikelen 8 en 9 vervult en die sedert 1 oktober regelmatig de leergangen volgt van het studiejaar waartoe hij behoort;
  2° werkelijk op een minimum aantal lestijden van de basis- of aanvullende leergangen bepaald bij artikel 12 aanwezig is;
  3° in voorkomend geval, het inschrijvingsrecht heeft betaald, bepaald door de Regering bij toepassing van artikel 26 van het programmadecreet van 25 juli 1996 houdende verschillende maatregelen in verband met de begrotingsfondsen, de schoolgebouwen, het onderwijs en de audiovisuele sector.
Art. 10. L'âge requis visé à l'article 8 doit être atteint au 31 décembre qui suit le début de l'année scolaire.
Art. 12. § 1. Voor de regelmatig ingeschreven leerlingen is het bij artikel 11, 2°, bepaald minimum aantal lestijden van de wekelijks te volgen leergangen vastgesteld op :
  1° op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten in de ruimte :
  a) voor de voorbereidende filière, 2 lestijden [1 ...]1 ;
  b) voor de opleidingsfilière, 3 lestijden;
  c) voor de kwalificatiefilière, 4 lestijden;
  d) voor de overgangsfilière, 8 lestijden;
  2° op het gebied van de muziek :
  a) voor de voorbereidende filière, 1 lestijd;
  b) voor de opleidingsfilière, 2 lestijden;
  c) voor de kwalificatiefilière, 2 lestijden;
  d) voor de overgangsfilière, 3 lestijden.
  Dit aantal lestijden kan evenwel tot twee herleid worden vanaf het vierde studiejaar wanneer de leerling voldaan heeft aan de aanvullende opleiding die bij toepassing van [3 artikel 8, eerste paragraaf, 2°]3 werd opgelegd;
  3° (niet vertaald);
  a) (niet vertaald);
  b) (niet vertaald);
  c) (niet vertaald);
  d) (niet vertaald);
  (niet vertaald);
  4° op het gebied van de danskunst :
  a) voor de voorbereidende filière, 1 lestijd;
  b) voor de opleidingsfilière, 1 lestijd gedurende de eerste vier studiejaren en 2 lestijden vanaf het vijfde jaar;
  c) voor de kwalificatiefilière, 2 lestijden;
  d) voor de overgangsfilière, 5 lestijden in het 1e en het 2e jaar en 7 lestijden vanaf het 3e tot het 8e jaar.
  § 2. De verschillende leergangen die op hetzelfde gebied gevolgd worden in een andere inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan mogen aangerekend worden om tot het minimum aantal lestijden te komen bedoeld bij artikel 11, 2°.
  In dit geval wordt de leerling wat de toepassing van artikel 11 betreft, als regelmatig ingeschreven leerling beschouwd in elke inrichting waar hij een basisleergang volgt.
  § 3. Voor de toepassing van § 1, wanneer de leerling enkel een of verschillende aanvullende leergangen volgt, wordt de minimale wekelijkse duur van de gevolgde leergangen bepaald bij verwijzing naar het minimum voorgeschreven voor de opleidingsfilière van het gebied waarmee de betrokken aanvullende leergang(en) verband houdt (houden).
  § 4. De vrijstellingen inzake volgen van de leergangen die door de Studieraad worden toegestaan overeenkomstig artikel 21 mogen niet in aanmerking worden genomen om tot het minimum in § 1 bepaald aantal lestijden te komen.
  [2 § 5. De remediëring wordt niet in aanmerking genomen in de minimale wekelijkse duur van het schoolbezoek.]2
  
Art. 11. Dans chaque domaine d'enseignement, est considéré comme élève régulier celui qui, au 31 janvier de l'année scolaire en cours :
  1° remplit les conditions d'admission visées aux articles 8 et 9 et fréquente régulièrement depuis le 1er octobre les cours de l'année d'études à laquelle il appartient;
  2° suit effectivement un nombre minimum de périodes de cours de base ou complémentaires fixé à l'article 12;
  3° s'est acquitté, lorsqu'il échet, du droit d'inscription fixé par le Gouvernement en application de l'article 26 du décret-programme du 25 juillet 1996 portant diverses mesures concernant les fonds budgétaires, les bâtiments scolaires, l'enseignement et l'audiovisuel.
Art. 13. In afwijking van artikel 12, voor iedere leerling die voor een basisleergang van een opleidingsfilière ingeschreven is, kan de minimale wekelijkse duur van de gevolgde leergangen bereikt worden door het aanrekenen van alle andere lestijd(en) die gelijktijdig regelmatig is (zijn) gevolgd in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
  In dit geval wordt de leerling, wat de toepassing van artikel 11 betreft, als regelmatig ingeschreven leerling beschouwd voor elk gebied waarvoor hij een van de bij artikel 4, § 3, 1°, bedoelde basisleergangen volgt.
Art. 12. § 1er. Pour les élèves réguliers, le nombre minimum de périodes de cours hebdomadaires à suivre visé à l'article 11, 2°, est fixé à :
  1° dans le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace :
  a) pour la filière préparatoire, 2 périodes [1 ...]1 ;
  b) pour la filière de formation, 3 périodes;
  c) pour la filière de qualification, 4 périodes;
  d) pour la filière de transition, 8 périodes;
  2° dans le domaine de la musique :
  a) pour la filière préparatoire, 1 période;
  b) pour la filière de formation, 2 périodes;
  c) pour la filière de qualification, 2 périodes;
  d) pour la filière de transition, 5 périodes.
  Toutefois ce nombre de périodes peut être réduit à deux à partir de la quatrième année d'études, lorsque l'élève a satisfait aux formations complémentaires imposées en application de l'[4 article 8, § 1er, 2°]4;
  3° dans le domaine des arts de la parole et du théâtre :
  a) pour la filière préparatoire, 1 période;
  b) pour la filière de formation, 2 périodes;
  c) pour la filière de qualification, 2 périodes;
  d) pour la filière de transition, 5 périodes.
  Toutefois ce nombre de périodes peut être réduit à deux à partir de la quatrième année, lorsque l'élève a satisfait aux formations complémentaires imposées en application de l'[4 article 8, § 1er, 2°]4;
  4° dans le domaine de la danse :
  a) pour la filière préparatoire, 1 période;
  b) pour la filière de formation, 1 période durant les quatre premières années d'études et 2 périodes à partir de la cinquième année;
  c) pour la filière de qualification, 2 périodes;
  d) pour la filière de transition, 5 périodes en 1ère et 2ème années et 7 périodes de la 3ème à la 8ème année.
  § 2. Les différents cours du même domaine suivis dans un autre établissement d'enseignement [2 secondaire artistique]2 à horaire réduit peuvent être comptabilisés pour atteindre le nombre minimum de périodes de cours visé à l'article 11, 2°.
  Dans ce cas, pour l'application de l'article 11, l'élève est considéré comme régulier dans chacun des établissements où il fréquente un cours de base.
  § 3. Pour l'application du § 1er, lorsque l'élève fréquente uniquement un ou plusieurs cours complémentaires, la durée minimale hebdomadaire de fréquentation des cours est fixée par référence au minimum imposé en filière de formation du domaine auquel se rattache(nt) le(s) cours complémentaire(s) concerné(s).
  § 4. Les dispenses de fréquentation des cours accordées par le Conseil des études conformément à l'article 21 ne peuvent être prises en compte pour atteindre le nombre minimum de périodes de cours fixé au § 1er.
  [3 § 5. La remédiation n'est pas prise en compte dans la durée minimale hebdomadaire de fréquentation des cours.]3
  
Art. 14. § 1. Niemand mag als regelmatig ingeschreven leerling eenzelfde leergang volgen in een andere inrichting voor kunstonderwijs die gesubsidieerd of georganiseerd wordt door de Franse Gemeenschap.
  § 2. Voor de toepassing van artikel 11 kan de leerling niet als regelmatig ingeschreven beschouwd worden indien hij over het geheel van de leergangen, verstrekt tussen 1 oktober en 31 januari van het betrokken schooljaar, meer dan 20% ongewettigde afwezigheidstijd telt.
  De (Regering) bepaalt de regels volgens welke de aanwezigheden en de afwezigheden van de leerlingen berekend en verantwoord worden.
Art. 13. Par dérogation à l'article 12, pour tout élève inscrit à un cours de base d'une filière de formation, la durée minimale hebdomadaire de fréquentation des cours peut être atteinte en comptabilisant toute(s) autre(s) période(s) de cours régulièrement suivie(s) simultanément dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
  Dans ce cas, pour l'application de l'article 11, l'élève est considéré comme régulier dans chacun des domaines dans lequel il fréquente un des cours de base visés à l'article 4, § 3, 1°.
Art. 15. Voor iedere leerling wordt een individuele fiche opgemaakt waarop ten minste de volgende gegevens worden vermeld :
  1° naam, voornaam en adres;
  2° geboortedatum;
  3° reeds gevolgde studies in een inrichting voor kunstonderwijs en bekomen resultaten;
  4° studies die aan de gang zijn.
Art. 14. § 1er. Nul ne peut fréquenter en qualité d'élève régulier un même cours dans un autre établissement d'enseignement artistique subventionné ou organisé par la Communauté française
  § 2. Pour l'application de l'article 11, l'élève ne peut être régulier lorsque, sur l'ensemble des cours organisés entre le 1er octobre et le 31 janvier de l'année scolaire concernée, il totalise plus de 20 % d'absences injustifiées.
  Le (Gouvernement) fixe les règles selon lesquelles les présences et absences des élèves sont comptabilisées et justifiées.
Afdeling 4. - Bekrachtiging van de studies.
Art. 15. Pour chaque élève, une fiche individuelle est établie et comporte au moins les éléments suivants :
Art. 16.Er worden getuigschriften en diploma's uitgereikt voor elke artistieke basisleergang bedoeld bij [3 artikel 4, § 2]3.
Section 4. - De la sanction des études.
Art. 16. Des certificats et diplômes sont délivrés pour chacun des cours artistiques de base visés à l'[3 article 4, § 2]3.
  [3 Un certificat est délivré à l'élève qui, à l'issue de chacune des filières de formation et de qualification, remplit les conditions d'obtention fixées par le Gouvernement.]3
  [3 Un diplôme de fin d'études est délivré à l'élève qui, à l'issue de la filière de transition, remplit les conditions d'obtention fixées par le Gouvernement.]3
  [3 Dans les cours artistiques complémentaires, une année de fréquentation est validée lorsque l'élève remplit les conditions de validation visées à l'article 21, alinéa 2, 4°, b).]3
  
Art. 18. Op het getuigschrift en het diploma staan onder andere vermeld :
   1° [1 de naam van de inrichting;
   2° het betrokken gebied;
   3° de benaming van de basisleergang en van de gevolgde aanvullende leergang(en);
   4° de betrokken filière van het onderwijs.]1

  Het getuigschrift en het diploma zijn erkend door alle inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
  
Afdeling 5. - De Studieraad.
Art. 18.Le certificat et le diplôme mentionnent notamment :
Art. 19. De Inrichtende Macht stelt in elke inrichting die zij organiseert een Studieraad in, bestaande uit een algemene vergadering en klas- en toelatingsraden.
Section 5. - Du Conseil des études.
Art. 20. [1 De algemene vergadering wordt voorgezeten door het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde. Ze bestaat uit alle personeelsleden van de in artikel 49 van dit decreet vermelde inrichting en brengt advies uit aan de inrichtende macht over:]1
  1° het in tweeën delen of het groeperen van klassen of studiejaren van een zelfde leergang;
  2° het oprichten of het afschaffen van studiejaren, leergangen of filières van het onderwijs;
  3° de modaliteiten voor de organisatie van de evaluaties van de leerlingen;
  4° [2 de keuze van het bij artikel 34 bepaalde gebruik van de dotaties;]2
  [1 5° het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject.]1
  [1 De algemene vergadering komt minstens één keer gedurende het schooljaar bijeen. Ze wordt door de inrichtende macht of het inrichtingshoofd minstens acht kalenderdagen vóór de bijeenkomst bijeengeroepen. Bij de oproepingsbrief wordt een agenda gevoegd.]1
  De algemene vergadering kan slechts geldig advies uitbrengen indien ten minste twee derden van de personeelsleden aanwezig zijn.
  [1 Indien het vereiste quorum niet bereikt is, wordt een tweede vergadering binnen de veertien kalenderdagen georganiseerd, met dezelfde agenda als de voorafgaande vergadering. Daartoe stuurt de inrichtende macht of het inrichtingshoofd minstens acht kalenderdagen vóór de vergadering een oproepingsbrief. Ongeacht het aantal aanwezige personeelsleden, wordt een geldig advies gegeven.]1
  
Art. 19. Le pouvoir organisateur institue dans chacun des établissements qu'il organise un Conseil des études composé d'une assemblée générale et des conseils de classes et d'admission.
Art. 21. In de Klas- en de Toelatingsraden zetelen er [1 ...]1 een lid van het bestuurspersoneel of zijn gemachtigde die deze raden voorzit samen met al de leerkrachten belast met de opleiding van een welbepaalde groep leerlingen.
  [1 Met inachtneming van het specifieke karakter van de educatieve en pedagogische projecten van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1, 7° en 8°, en van het pedagogisch en artistiek inrichtingsproject bedoeld in artikel 3bis,]1 van de Inrichtende Macht, kunnen zij optreden als afgevaardigde leden van deze Inrichtende Macht :
  1° inzake toelating van de leerlingen tot de overgangsfilière of tot een ander studiejaar dan het aanvangsjaar en inzake vrijstelling van het volgen van leergangen, gelet op [4 één of meer van de criteria]4 :
  a) de reeds gevolgde studies bekrachtigd door een attest, een getuigschrift of een diploma;
  b) de uitslagen van proeven of tests ingericht door de Studieraad;
  c) andere gelijktijdig gevolgde studies;
  d) behaalde onderscheiding of prijzen;
  e) voortgezette en geattesteerde uitoefening van een activiteit die verband houdt met de gevolgde opleiding;
  2° [3 van de pedagogische opvolging van de leerlingen :]3
  a) [2 ofwel door de leerlingen die een vooraf vereiste kennis niet beheersen of die moeilijkheden kennen in het begin of tijdens de opleiding, te verplichten :
   - [4 bijkomende]4 leergangen te volgen waarvan de aard en de duur bepaald worden binnen de perken bedoeld bij dit decreet en volgens de vrijgekomen lestijden waarvoor subsidies kunnen bekomen worden;
   - volgens de behoeften, de remediëring waarvan de aard bepaald wordt binnen de perken vastgesteld bij dit besluit en volgens de vrijgekomen lestijden waarvoor subsidies kunnen bekomen worden;]2

  b) ofwel door, zo nodig, de leerlingen die studies hebben aangevangen een andere studierichting te laten volgen;
  c) ofwel door gelijk welke schikking te treffen om de geschillen over het verloop van de studies te regelen;
  3° inzake evaluatiecriteria van de leerlingen, door de aard en de periodiciteit van de controleproeven te bepalen alsook de evaluatiegegevens of, zo nodig, de elementen betreffende de persoonlijke opleiding of de verworven beroepskennis, door de leerling bezorgd en degelijk nagezien;
  4° [4 voorwaarden :
   a) de overgang van het ene naar het andere leerjaar in de basiskunstvakken;
   b) validering van een jaar bijwonen van aanvullende kunstcursussen;]4

  5° inzake bekrachtiging van de studies, met een beoordeling van [4 de vaardigheden vermeld in artikel 4, § 3]4, en met de uitreiking, na beraadslaging van de getuigschriften en diploma's bedoeld bij artikel 16.
  
Art. 20. [1 L'assemblée générale est présidée par le chef d'établissement ou son délégué. Elle réunit tous les membres du personnel de l'établissement repris à l'article 49 du présent décret et rend des avis au pouvoir organisateur au sujet :]1
  1° des dédoublements ou regroupements des classes ou des années d'études d'un même cours;
  2° de la création ou de la suppression d'années d'études, cours ou filières d'enseignement;
  3° des modalités d'organisation des évaluations des élèves;
  4° [2 du choix de l'utilisation des dotations, conformément à l'article 34;]2
  [1 5° du projet pédagogique et artistique d'établissement.]1
  [1 L'assemblée générale se réunit au minimum une fois pendant l'année scolaire. Elle est convoquée par le pouvoir organisateur ou le chef d'établissement au moins huit jours calendrier avant sa réunion. Un ordre du jour est joint à la convocation.]1
  L'assemblée générale ne peut émettre valablement ses avis que lorsque deux tiers au moins des membres du personnel sont présents.
  [1 Si le quorum requis n'est pas atteint, une seconde réunion se tient dans les quinze jours calendrier, avec le même ordre du jour que la réunion précédente. A cette fin, une convocation est envoyée par le pouvoir organisateur ou le chef d'établissement au moins huit jours calendrier avant la réunion. Quel que soit le nombre de membres du personnel présents, un avis valable est donné.]1
  
Art. 22. De Inrichtende Macht stelt het huishoudelijk reglement van de Studieraad vast waarin nader bepaald worden :
  1° [1 de nadere regels en de criteria voor de evaluatie;
   2° de verhoudingswaarde van de evaluaties en, in voorkomend geval, van de proeven waaruit deze bestaan, bij de vaststelling van het eindresultaat;
   3° de regels voor de werking van de algemene vergadering, voor de beraadslaging van de klassenraden en voor de toelating;]1

  4° de regels om beslissingen te nemen inzake toelating van de leerlingen;
  5° de procedureregels inzake tucht;
  [2 6° desgevallend, de regels voor de organisatie van de remediëring.]2 [3 Voor de toepassing van punt 1° wordt verstaan onder:
   - formatieve beoordeling: beoordeling die tijdens het leren wordt uitgevoerd, met als doel de vooruitgang van de leerling te beoordelen, te meten wat de leerling heeft geleerd en inzicht te krijgen in de aard van de moeilijkheden die hij bij het leren ondervindt; het doel is de vooruitgang van de leerling te verbeteren, te corrigeren of bij te stellen met betrekking tot wat is geleerd en wat wordt verwacht; het kan gedeeltelijk gebaseerd zijn op zelfbeoordeling;
   - summatieve beoordeling: beoordeling om vast te stellen hoeveel de leerlingen hebben geleerd in relatie tot het beheersingsniveau van de vaardigheden waar ze naar streven aan het einde van een of meer leerreeksen;
   - getuigschrift-gebaseerde beoordeling: beoordeling gebruikt om een getuigschrift of diploma toe te kennen.]3

  (Het huishoudelijk reglement is een openbaar document, uitgereikt, op aanvraag, door de directeur of diens vertegenwoordiger aan iedere persoon.)
  
Art. 21. Les Conseils de classes et d'admission regroupent [1 ...]1 un membre du personnel directeur ou son délégué qui les préside et l'ensemble des enseignants chargés de former un groupe déterminé d'élèves.
  [1 Dans le respect du caractère spécifique des projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur visés à l'article 1er, 7° et 8°, et du projet pédagogique et artistique d'établissement visé à l'article 3bis,]1, ils peuvent agir en tant que membres délégués de ce pouvoir organisateur en matière :
  1° d'admission des élèves en filière de transition ou dans une année d'études autre que celle de début et de dispense de fréquentation de cours, eu égard [4 à un ou plusieurs des critères]4 suivants :
  a) les études déjà suivies et sanctionnées par une attestation, un certificat ou un diplôme;
  b) les résultats d'épreuves ou de tests organisés par le Conseil des études;
  c) d'autres études suivies simultanément;
  d) de distinction ou prix obtenus;
  e) de l'exercice continu et attesté d'une activité en rapport avec la formation suivie;
  2° [3 de suivi pédagogique des élèves :]3
  a) [2 soit en imposant aux élèves qui ne maîtrisent pas certaines connaissances préalables requises ou qui éprouvent des difficultés au début ou en cours de formation de fréquenter :
   - des cours [4 supplémentaires]4 dont la nature et la durée sont fixées dans les limites prévues par le présent décret et en fonction des périodes de cours subventionnables disponibles;
   - de manière ponctuelle, la remédiation dont la nature est fixée dans les limites prévues par le présent décret et en fonction des périodes de cours subventionnables disponibles;]2

  b) soit en réorientant, le cas échéant, les élèves en cours d'études;
  c) soit en prenant toute disposition pour régler les litiges relatifs au déroulement des études;
  3° de critères d'évaluation des élèves, en fixant la nature et la périodicité des épreuves de contrôle ainsi que les éléments d'évaluation ou, s'il échet, les éléments de formation personnelle ou d'acquis professionnels fournis par l'élève, dûment vérifiés;
  4° [4 de conditions :
   a) de passage d'une année d'études dans l'année d'études suivante dans les cours artistiques de base ;
   b) de validation d'une année de fréquentation dans les cours artistiques complémentaires ;]4

  5° de sanction des études, en appréciant les [4 compétences fixées à l'article 4, § 3]4, et en délivrant après délibération les certificats et diplômes prévus à l'article 16.
  
Afdeling 6. - Organisatie van de Kunsthumaniora.
Art. 22.Le pouvoir organisateur fixe le règlement d'ordre intérieur du Conseil des études en précisant notamment :
Art. 23.[1 In de gebieden van spreekkunst en toneelkunst, muziek en danskunst, na advies van de Algemene Overlegraad van het gewoon secundair onderwijs mogen de lestijden in de kunsthumaniora bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs, georganiseerd worden in de inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan waarvan de Regering de lijst bepaalt naar rata van een inrichting per onderwijszone. Deze lijst omvat de zeven hierna vermelde inrichtingen :
Section 6. - De l'organisation des humanités artistiques.
Art. 23bis. [1 De scholen bedoeld in artikel 23 kunnen, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten en op advies van de Inspectiedienst voor Kunstonderwijs [2 ...]2, een " transdisciplinaire artistieke opleiding met gemeenschappelijke kern " organiseren die de vier gebieden van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan bevat.]1
  
Art. 23. [1 Dans les domaines des arts de la parole et du théâtre, de la musique et de la danse, après avis du Conseil général de concertation de l'enseignement secondaire ordinaire, les périodes d'enseignement des Humanités artistiques visées à l'article 1er de l'arrêté royal du 29 juin 1984 relatif à l'organisation de l'enseignement secondaire peuvent être organisées dans les établissements de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dont le Gouvernement fixe la liste à concurrence d'un établissement par zone d'enseignement. Cette liste inclut les sept établissements repris ci-après :
   1° Conservatoire de Musique Arthur Grumiaux de Charleroi ;
   2° Académie intercommunale de Musique, de danse et des arts de la parole de Court-Saint-Etienne et Ottignies-Louvain-la-Neuve ;
   3° Académie de Musique Grétry de Liège ;
   4° Conservatoire de Musique de Huy ;
   5° Académie de Musique d'Ixelles ;
   6° Académie de Musique de Mons ;
   7° Conservatoire de Musique de Namur.]1

  
Art. 24. De organisatie, de structuur, de uurrooster van de leergangen en de bekrachtiging van de studies Kunsthumaniora worden op basis van de algemene regeling voor het secundair onderwijs met beperkt leerplan geregeld.
Art. 23bis. [1 Les écoles visées à l'article 23 peuvent, dans la limite des crédits disponibles et sur avis du Service de l'Inspection de l'Enseignement artistique [2 ...]2, [3 organiser]3 une " formation artistique transdisciplinaire en tronc commun " qui comprend les quatre domaines de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.]1
  
Afdeling 7. - Afzonderlijke organisaties.
Art. 24. L'organisation, la structure, l'horaire des cours et la sanction des études des humanités artistiques sont régis sur base de la réglementation générale de l'enseignement secondaire de plein exercice.
Art. 25.Kunnen door de Regering als afzonderlijk erkend worden, de onderwijsorganisaties die in de onderwijsgebieden bedoeld bij artikel 4, § 1 niet kunnen ondergebracht worden of die een specifieke lessenstructuur organiseren die verantwoord is met het oog op de realisatie van een [1 bijzonder pedagogisch en artistiek inrichtingsproject]1.
Section 7. - Des organisations particulières.
Art. 26. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk en op de voordracht van de Inrichtende Macht of van het hoofd van de inrichting die door zijn Inrichtende Macht werd gemandateerd, kunnen in de vorm van lesopdrachten toegewezen aan bij artikel 59 bedoelde lesgelastigden, specifieke opleidingslessen en activiteiten worden georganiseerd die niet in het kader van de kunstleergangen bedoeld bij artikel 4, § 3, kunnen opgenomen worden.
Art. 25. Peuvent être reconnues comme particulières par le Gouvernement, les organisations d'enseignement qui ne peuvent être rattachées aux domaines d'enseignement visés à l'article 4, § 1er, ou qui mettent en oeuvre une structure de cours spécifique justifiée par la réalisation d'un[1 projet pédagogique et artistique d'établissement particulier]1.
  Sont reconnues comme particulières à la date d'entrée en vigueur du présent décret les organisations d'enseignement artistique mises en oeuvre dans les établissements repris ci-après :
  1° enseignement spécifique de la rythmique et de l'expression corporelle à l'Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique, de Bruxelles;
  2° enseignement spécifique de formations instrumentale et vocale pour chantres-organistes et chefs de choeurs à l'Académie de Musique Saint-Grégoire, de Tournai.
  Pour les enseignements visés à l'alinéa 1er, le Gouvernement précise les critères repris aux articles 4, § 3; 8, § 1er, 1° et 3°; 9 et 11, 2°, pour chacun des cours artistiques pouvant être organisés.
  
Art. 26. Par dérogation aux dispositions du présent chapitre et sur proposition du pouvoir organisateur ou du chef d'établissement mandaté par son pouvoir organisateur, des formations et activités spécifiques ne pouvant être reprises dans le cadre des cours artistiques visés à l'article 4, § 3, peuvent être organisées sous forme de charges de cours attribuées à des intervenants visés à l'article 59.
Art. 28. Voor de toepassing [1 van artikel 26]1, legt de Inrichtende Macht of het hoofd van de inrichting die daartoe werd gemandateerd zijn projekt voor in de door de Regering vastgestelde vormen en termijnen, die op advies van de Inspectie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en binnen een termijn van zestig dagen die begint te lopen vanaf de datum waarop het dossier werd ontvangen, een gemotiveerde beslissing mededeelt wat de subsidiëring van de betrokken lesopdracht betreft.
  
HOOFDSTUK III. - Lestijdendotaties en werkingstoelagen.
Art. 28.Pour l'application [1 de l'article 26]1, le pouvoir organisateur ou le chef d'établissement mandaté à cet effet présente son projet dans les formes et délais fixés par le Gouvernement qui, sur avis de l'Inspection de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, et dans un délai de soixante jours prenant cours à la date de réception du dossier, communique une décision motivée quant au subventionnement de la charge de cours concernée.
Art. 29. Vanaf het schooljaar 1999- 2000 is het totaal bedrag van de dotaties toegekend bij toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gelijk aan het totaal van de lestijden toegekend voor het schooljaar 1998-1999 (, verhoogd met 2 400 lestijden toegekend op 1 september 1999 (overeenkomstig artikel 37, lid 3, en, vanaf 1 februari 2004, vermeerderd met de lestijdendotaties voor de kunsthumaniora bedoeld bij artikel 35.) ).
CHAPITRE III. - Des dotations de périodes de cours et des subventions de fonctionnement.
Afdeling 1. - Jaarlijkse dotaties.
Art. 29. A partir de l'année scolaire 1999-2000, le total des dotations octroyées en application des dispositions du présent chapitre est égal au total des périodes de cours attribuées pour l'année scolaire 1998-1999 (augmenté des 2400 périodes octroyées au 1er septembre 1999 conformément (à l'article 37, alinéa 3, et, à partir du 1er février 2004, augmenté des dotations de périodes pour les humanités artistiques visées à l'article 35) ).
Art. 30. Elke Inrichtende Macht beschikt per schooljaar en per inrichting voor secundair kunstonderwijs over een dotatie, berekend in lestijden/jaar van 50 minuten en die overeenstemmen met het totaal van de lestijden die voor elk in artikel 4, § 1, bedoeld gebied werden toegekend.
Section 1. - Des dotations annuelles.
Art. 31. § 1. Voor de duur van het schooljaar 1998-1999, bestaat de jaarlijkse dotatie met lestijden van elke inrichting uit het totaal aantal lestijden die in de loop van het vorig schooljaar werden gesubsidieerd, zo nodig aangepast aan de toepassing van het nieuw geldelijk statuut bepaald bij artikel 98.
  § 2. Vanaf het schooljaar 1999-2000 wordt de jaarlijkse dotatie met lestijden voor een schooljaar bepaald volgens het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen voor het vorig schooljaar in de zin van artikel 11 en per gebied.
  [4 [5 ]Vanaf]5 1 september 2019 wordt de jaarlijkse dotatie van de lestijden van een schooljaar berekend op basis van het gemiddelde van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen over de drie vorige schooljaren in de zin van artikel 11 en per gebied.]4
  [5 In afwijking van het tweede lid wordt de jaarlijkse dotatie die toegekend wordt aan elke inrichting, per onderwijsgebied, voor het schooljaar 2021-2022, verlengd voor het schooljaar 2022-2023.
   In afwijking van het tweede lid is het aantal leerlingen dat in aanmerking moet worden genomen in de berekening van de jaarlijkse dotatie, voor het schooljaar 2023-2024, het gemiddelde van het aantal regelmatige leerlingen op 31 januari 2023, 31 januari 2020 en 31 januari 2019.
   In afwijking van het tweede lid is het aantal leerlingen dat in aanmerking moet worden genomen in de berekening van de jaarlijkse dotatie, voor het schooljaar 2024-2025, het gemiddelde van het aantal regelmatige leerlingen op 31 januari 2024, 31 januari 2023 en 31 januari 2020. ]5

  Voor de toepassing [4 in het eerste en tweede lid]4 worden de leerlingen die ingeschreven zijn voor de voorbereidende filière afzonderlijk aangeboekt.
  Per volledige schijf van 10 regelmatig ingeschreven leerlingen wordt de [4 in het eerste en tweede lid]4 bedoelde dotatie :
  1° op het gebied van de beeldende, visuele kunsten en de kunsten van de ruimte vastgesteld op :
  a) 60 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;
  b) 190 lestijden/jaar voor de andere filières;
  2° op het gebied van de spreekkunst en toneelkunst vastgesteld op :
  a) 40 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;
  b) 130 lestijden/jaar voor de andere filières;
  3° op het gebied van de muziek vastgesteld op :
  a) 60 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;
  b) 240 lestijden/jaar voor de andere filières;
  4° op het gebied van de danskunst vastgesteld op :
  a) 25 lestijden/jaar voor de voorbereidende filière;
  b) 80 lestijden/jaar voor de [vormings-, kwalificatie- en overgangsfilières 1 tot 4].
  [c) 240 leestijden/jaar voor de overgangsfilière vanaf het vijfde jaar.]
  § 3. Tijdens de overgangsperiode die zich over vier schooljaren spreidt en die aanvangt op 1 september 1999, worden de verhogingen en de inkortingen van lestijden waarvoor toelagen kunnen bekomen worden ten gevolge van de toepassing van § 2, jaarlijks tot 25 % van hun waarde beperkt.
  [Gedurende een periode van vier schooljaar en met uitwerking van 1 september 2003, zijn de verhogingen en de verminderingen van de voor toelage vatbare lestijden van elk gebied als gevolg van de toepassing van § 2 :
  1° opgeschort wanneer het verschil, hetzij positief hetzij negatief, tussen de dotatie toegekend voor het vorige schooljaar en de dotatie berekend voor het nieuwe schooljaar minder of gelijk is aan 8 % - genoemd stabiliteitscijfer - van de waarde van de dotatie toegekend voor het vorige schooljaar;
  2° beperkt in de andere gevallen tot het deel dat 8 % overtreft van de waarde van de dotatie toegekend voor het vorige schooljaar.
  In ieder cursusgebied bestaan de beschikbare lestijden uit de optelling van de verminderingen van de voor toelage vatbare lestijden als gevolg van de toepassing van § 2 en het vorig lid; in ieder cursusgebied bestaan de gevraagde lestijden uit de optelling van de verminderingen van de voor toelage vatbare lestijden als gevolg van de toepassing van § 2 en het vorig lid. De beschikbare lestijden worden verdeeld, in ieder onderwijsgebied, in evenredigheid met de verhoging waarop aanspraak kan worden gemaakt, in functie van een herverdelingscoëfficiënt berekend als volgt : het verschil tussen de lestijden bepaald in toepassing van artikel 33 en de lestijden toegekend voor het vorige schooljaar wordt gevoegd bij de beschikbare lestijden; de uitslag van deze optelling wordt verdeeld door het aantal gevraagde lestijden.]
  [6 Vanaf 28 augustus 2023 en gedurende een overgangsperiode van 4 schooljaren wordt de berekening van de in § 2 vermelde dotatie gewijzigd. De verhogingen en verlagingen van de subsidiabele lestijden die voortvloeien uit de toepassing van § 2 zijn:
  1° geschorst als het verschil tussen de subsidie berekend voor het nieuwe schooljaar en de subsidie toegekend voor het vorige schooljaar tussen plus 8% en min 12% van de waarde van de subsidie toegekend voor het vorige schooljaar ligt;
  2° in de andere gevallen beperkt tot het gedeelte dat meer bedraagt dan 8% positief en 12% negatief van de waarde van de subsidie toegekend voor het voorgaande schooljaar.
  De effecten van deze bepaling zullen aan het einde van het tweede schooljaar worden geëvalueerd.
  De beperking van periodeverlagingen tot 25% van hun waarde en de herverdeling van deze verlagingen op pro rata basis worden bevestigd.]6

  [Vanaf 1 september 2007 wordt de berekening van de dotatie bedoeld in het tweede lid behouden met een beperking van de verminderingen van lestijden tot 25 % van hun waarde en met een herverdeling naar rata van deze verminderingen.]
  § 4. [1 De Inrichtende Machten kunnen, voor een schooljaar, lestijden overhevelen tussen verschillende onderwijsdomeinen en -inrichtingen die zij organiseren op voorwaarde dat :
   - zij de rechten van het personeel garanderen binnen de naleving van de decreten van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs;
   - die overhevelingen geen terbeschikkingstellingen tot gevolg hebben wegens ontstentenis van betrekkingen of gedeeltelijk opdrachtverlies;
   - zij niet 8% van de dotatie van het oorspronkelijk domein overschrijden. [2 Nochtans, wanneer deze overhevelingen geen geheel getal van wekelijkse lestijden tot resultaat hebben, wordt dit resultaat afgerond naar de hogere eenheid wanneer de eerste decimaal gelijk aan of hoger is als 5.]2;
   - de inrichtende macht het pedagogische en artistieke doel van de overheveling(en) motiveert, er de overeenstemming met [3 het in artikel 3bis bedoelde pedagogisch en artistiek inrichtingsproject]3, de specifieke behoeften van het begunstigd domein alsook de evolutie, de onderwijsomstandigheden en de specifieke behoeften van het oorspronkelijk domein uitlegt;
   - de aanvraag samen wordt ingediend met de notulen van de vergadering van de Studieraad gedurende welke het onderwerp werd besproken en van die van de COPALOC voor het officieel gesubsidieerd onderwijs, of naargelang van het geval voor het vrij gesubsidieerd onderwijs, van de vergadering van de ondernemingsraad, van de plaatselijke overleginstantie of, bij gebrek, van de vakvereniging om dezelfde reden bijeengekomen.]1

  
Art. 30. Chaque pouvoir organisateur dispose, par année scolaire et par établissement d'enseignement secondaire artistique, d'une dotation, calculée en périodes de cours/année d'une durée de 50 minutes et représentant le total des périodes attribuées pour chacun des domaines visés à l'article 4, § 1er.
Art. 32. [1 Het aantal openingsweken per schooljaar van de inrichting of van de betrokken afdeling van de inrichting buiten de schoolvakantie, wordt door de inrichtende macht op 29, 33 of 37 vastgesteld.
   De lestijden bepaald overeenkomstig artikel 31 worden in een aantal lestijden/weken verdeeld door het aantal lestijden/jaar te delen door:
   - 32 voor elke inrichting of betrokken afdeling van de inrichting die in 29 weken is geopend;
   - 36 voor elke inrichting of betrokken afdeling van de inrichting die in 33 weken is geopend;
   - 40 voor elke inrichting of betrokken afdeling van de inrichting die in 37 weken is geopend.
   Indien, voor elke afdeling van de cursussen gegeven in een inrichting, de deling van het aantal lestijden/jaar door het aantal openingsweken van de inrichting geen geheel getal oplevert, wordt dit resultaat afgerond:
   - naar de lagere eenheid wanneer de eerste decimaal na de berekening kleiner is dan 5;
   - naar de volgende hogere eenheid in andere gevallen.]1

  
Art. 31. § 1er. Pour la durée de l'année scolaire 1998-1999, la dotation annuelle de périodes de cours de chacun des établissements est constituée du nombre total de périodes de cours subventionné durant l'année scolaire précédente adapté, s'il échet, à la mise en application du nouveau statut pécuniaire fixée par l'article 98.
  § 2. A partir de l'année scolaire 1999-2000, la dotation annuelle de périodes de cours d'une année scolaire est fixée en fonction du nombre d'élèves réguliers de l'année scolaire précédente au sens de l'article 11 et par domaine.
  [4 [5 A partir du]5 1er septembre 2019, la dotation annuelle de périodes de cours d'une année scolaire est calculée sur la moyenne du nombre d'élèves réguliers des trois années scolaires précédentes au sens de l'article 11 et par domaine.]4
  [5 Par dérogation à l'alinéa 2, la dotation annuelle attribuée à chacun des établissements, par domaine d'enseignement, pour l'année scolaire 2021-2022 est reconduite pour l'année scolaire 2022-2023.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le nombre d'élèves à prendre en compte dans le calcul de la dotation annuelle, pour l'année scolaire 2023-2024, est la moyenne du nombre d'élèves réguliers aux 31 janvier 2023, 31 janvier 2020 et 31 janvier 2019.
   Par dérogation à l'alinéa 2, le nombre d'élèves à prendre en compte dans le calcul de la dotation annuelle, pour l'année scolaire 2024-2025, est la moyenne du nombre d'élèves réguliers aux 31 janvier 2024, 31 janvier 2023 et 31 janvier 2020.]5

  Pour l'application [4 des alinéas 1 et 2]4, les élèves inscrits en filière préparatoire sont comptabilisés séparément.
  Par tranche complète de 10 élèves réguliers, la dotation visée [4 aux alinéas 1 et 2]4 est fixée :
  1° pour le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace à :
  a) 60 périodes de cours/année pour la filière préparatoire;
  b) 190 périodes de cours/année pour les autres filières;
  2° pour le domaine des arts de la parole et du théâtre à :
  a) 40 périodes de cours/année pour la filière préparatoire;
  b) 130 périodes de cours/année pour les autres filières;
  3° pour le domaine de la musique à :
  a) 60 périodes de cours/année pour la filière préparatoire;
  b) 240 périodes de cours/année pour les autres filières;
  4° pour le domaine de la danse à :
  a) 25 périodes de cours/année pour la filière préparatoire;
  b) 80 périodes de cours/année pour les (filières de formation, de qualification et de transition 1 à 4).
  [c) 240 périodes de cours/année pour la filière de transition à partir de la cinquième année.]
  § 3. Durant une période transitoire portant sur quatre années scolaires et prenant cours au 1er septembre 1999, les augmentations et les réductions des périodes de cours subventionnables consécutives à l'application du § 2 sont annuellement limitées à 25 % de leur valeur.
  (Durant une période de quatre années scolaires et prenant cours au 1er septembre 2003, les augmentations et les réductions des périodes de cours subventionnables de chacun des domaines consécutives à l'application du § 2 sont :
  1° suspendues lorsque la différence, positive ou négative, entre la dotation attribuée pour l'année scolaire précédente, et la dotation calculée pour la nouvelle année scolaire est inférieure ou égale à 8 % - appelé indice de stabilité - de la valeur de la dotation attribuée pour l'année scolaire précédente;
  2° limitées dans les autres cas à la partie excédent 8 % de la valeur de la dotation attribuée pour l'année scolaire précédente.
  Dans chaque domaine de cours, l'addition des réductions de périodes de cours subventionnables consécutive à l'application du § 2 et de l'alinéa précédent constitue les périodes disponibles; dans chaque domaine de cours l'addition des augmentations de périodes de cours subventionnables consécutive à l'application du § 2 et de l'alinéa précédent constitue les périodes demandées. Les périodes de cours disponibles sont réparties, dans chaque domaine d'enseignement, proportionnellement à l'augmentation proméritée, en fonction d'un coefficient de redistribution calculé comme suit : la différence entre les périodes de cours fixées en application de l'article 33 et les périodes de cours accordées pour l'année scolaire précédente est ajoutée aux périodes disponibles; le résultat de cette addition est divisé par le nombre de périodes demandées.)
  [A partir du 1er septembre 2007, le calcul de la dotation citi « l'alinéa 2 est maintenu avec une limitation des réductions de périodes « 25 % de leur valeur et une redistribution au prorata de ces réductions.]
  [6 A partir du 28 août 2023 et durant une période transitoire de 4 années scolaires, le calcul de la dotation précisé à l'alinéa 2 est modifié. Les augmentations et les réductions de périodes de cours subventionnables consécutives à l'application du § 2 sont :
  1° suspendues lorsque la différence entre la dotation calculée pour la nouvelle année scolaire et celle attribuée pour l'année scolaire précédente se situe dans un intervalle compris entre plus 8 % et moins 12 % de la valeur de la dotation attribuée pour l'année scolaire précédente ;
  2° limitées dans les autres cas à la partie excédant 8 % en positif et 12 % en négatif de la valeur de la dotation attribuée pour l'année scolaire précédente.
  Les effets de cette disposition seront évalués à l'issue de la deuxième année scolaire.
  Le maintien de la limitation des réductions de périodes à 25 % de leur valeur et la redistribution au prorata de ces réductions sont confirmés]6

  § 4. [1 Les Pouvoirs organisateurs peuvent, pour une année scolaire, transférer des périodes de cours entre les divers domaines d'enseignement et établissements qu'ils organisent, aux conditions :
   - de garantir les droits du personnel dans le respect des décrets des 1er février 1993 et 6 juin 1994 fixant respectivement le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre et de l'enseignement officiel subventionné;
   - que ces transferts ne donnent pas lieu à des mises en disponibilité par défaut d'emploi ou à des pertes partielles de charge;
   - qu'ils ne dépassent pas 8 % de la dotation du domaine d'origine. [2 Toutefois, lorsque ces transferts n'ont pas pour résultat un nombre entier de périodes de cours hebdomadaires, ce résultat est arrondi à l'unité supérieure lorsque la première décimale est égale ou supérieure à 5.]2;
   - que le pouvoir organisateur motive l'intention pédagogique et artistique du (des) transfert(s), en explique l'adéquation avec le [3 projet pédagogique et artistique d'établissement visé à l'article 3bis ]3, les besoins spécifiques du domaine bénéficiaire ainsi qu'avec l'évolution, les conditions d'enseignement et les besoins spécifiques du domaine d'origine;
   - que la demande soit accompagnée des procès-verbaux de la réunion du Conseil des études au cours de laquelle le point a été abordé et de celui de la COPALOC pour l'enseignement officiel subventionné ou, selon le cas pour l'enseignement libre subventionné, de la réunion du conseil d'entreprise, de l'instance de concertation locale, ou à défaut, de la délégation syndicale réunie pour le même objet.]1

  
Art. 33. [1 Voor de toepassing van artikel 29 en volgens het gemiddelde van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen van de drie laatste schooljaren bepaalt de Regering per gebied de coëfficiënten voor de aanpassing van de dotaties bedoeld in artikel 31, § 2.]1
  
Art. 32. [1 Le nombre de semaines d'ouverture par année scolaire de l'établissement ou du domaine concerné de l'établissement, hors vacances scolaires, est fixé par le Pouvoir organisateur à 29, 33 ou 37.
   Les périodes de cours déterminées conformément à l'article 31 sont réparties en un nombre de périodes/semaines en divisant le nombre de périodes/année par:
   - 32 pour tout établissement ou domaine concerné de l'établissement ouvert en 29 semaines;
   - 36 pour tout établissement ou domaine concerné de l'établissement ouvert en 33 semaines;
   - 40 pour tout établissement ou domaine concerné de l'établissement ouvert en 37 semaines.
   Lorsque, pour chaque domaine de cours dispensé dans un établissement, la division du nombre de périodes de cours/année par le nombre de semaines d'ouverture de l'établissement ne donne pas pour résultat un nombre entier, ce résultat est arrondi:
   - à l'unité inférieure lorsque la première décimale consécutive au calcul est inférieure à 5;
   - à l'unité supérieure dans les autres cas.]1

  
Art. 34. Onverminderd de bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs en het bepaalde in artikel 31, § 4, valt de keuze van de besteding van de dotaties per inrichting en per gebied onder de bevoegdheid van elke inrichtende macht [2 voor zover elke leerling de mogelijkheid wordt geboden om de studies die hij heeft aangevat, met succes af te ronden in de laatste jaren bedoeld in artikel 4, § 2, tweede lid, c) en d), volgens de nadere regels die hem door de betrokken instelling werden meegedeeld]2.
  In afwijking van de bepalingen van artikel 31, § 2, wanneer de Inrichtende Macht geen kennis geeft (binnen een termijn van [1 vijftig dagen]1) die aanvangen op 1 februari, van de inlichtingen waarmee het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen die in rekening moeten genomen worden voor de vaststelling van de jaarlijkse dotatie kan bepaald worden, wordt deze dotatie voorlopig vastgesteld bij hernieuwing op het bedrag van de dotatie die het jaar tevoren werd toegekend.
  In dat geval kan er geen sprake zijn, wanneer de definitieve jaarlijkse dotatie later wordt bepaald, van een verhoging van het aantal lestijden die voorlopig worden toegekend.
  
Art. 33. [1 Pour l'application de l'article 29, et en fonction de la moyenne du nombre d'élèves réguliers des trois dernières années scolaires, le Gouvernement fixe par domaine des coefficients d'ajustement des dotations visées à l'article 31, § 2.]1
  
Afdeling 2. - Dotaties voor Kunsthumaniora.
Art. 34.Sans préjudice des dispositions relatives à l'organisation de l'enseignement et de l'article 31, § 4, le choix de l'utilisation des dotations par établissement et par domaine est de la compétence de chaque pouvoir organisateur [2 pour autant que soit assurée à chaque élève la possibilité de mener à bonne fin les études qu'il a entreprises, dans les années terminales visées à l'article 4, § 2, alinéa 2, c) et d), selon les modalités qui lui ont été communiquées par l'établissement concerné]2.
Art. 35. Voor de inrichting van de onderwijslestijden bedoeld bij artikel 23 beschikt elke inrichtende macht over een jaarlijkse dotatie aan voor toelage vatbare lestijden, zoals bepaald bij artikel 29, berekend per onderwijsgebied in functie van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen voor de kunsthumaniora op 1 oktober van het lopend schooljaar. Deze dotatie wordt voorbehouden voor lestijden in het verplicht onderwijs.
Section 2. - Des dotations des humanités artistiques.
Art. 36. De bij artikel 35 bedoelde jaarlijkse dotaties worden uitsluitend voorbehouden voor de organisatie van de in artikel 23 bedoelde lestijden in de Kunsthumaniora.
Art. 35. Pour l'organisation des périodes d'enseignement visées à l'article 23, chaque pouvoir organisateur dispose d'une dotation annuelle de périodes de cours subventionnables, telle que précisée à l'article 29, calculée par domaine d'enseignement en fonction du nombre d'élèves régulièrement inscrits en humanités artistiques au 1er octobre de l'année scolaire en cours. Cette dotation est réservée à des périodes de cours de l'enseignement obligatoire.
  La dotation annuelle de périodes de cours est fixée comme suit :
  1° [1 pour le domaine de la musique :
   - 280 périodes-année par groupes complets de 4 élèves pour les élèves inscrits dans le 2e degré;
   - 360 périodes-année par groupes complets de 3 élèves pour les élèves inscrits dans le 3e degré.]1

  2° pour le domaine des arts de la parole et du théâtre :
  - 280 périodes-année par groupes complets de 5 élèves, pour les élèves inscrits dans le 2e degré;
  - 360 périodes-année par groupes complets de 4 élèves, pour les élèves inscrits dans le 3e degré;
  3° pour le domaine de la danse :
  - option danse classique :
  a) 880 périodes-année pour le deuxième degré par groupes comptant jusqu'à 12 élèves;
  b) 1120 périodes-année pour le troisième degré par groupes comptant jusqu'à 12 élèves;
  - option danse contemporaine :
  a) 680 périodes-année pour le deuxième degré par groupes comptant jusqu'à 12 élèves;
  b) 880 périodes-année pour le troisième degré par groupes comptant jusqu'à 12 élèves.
  
Afdeling 3. - Dotaties aan de afzonderlijke organisaties.
Art. 36. Les dotations annuelles visées à l'article 35 sont exclusivement réservées à l'organisation des périodes de cours des humanités artistiques visées à l'article 23.
Art. 37. Voor de duur van het schooljaar 1998-1999, wordt de jaarlijkse dotatie met lestijden voor elke bij artikel 25 bedoelde inrichting vastgesteld overeenkomstig artikel 31, § 1.
Section 3. - Des dotations des organisations particulières.
Art. 37. Pour la durée de l'année scolaire 1998-1999, la dotation annuelle de périodes de cours de chacun des établissements visés à l'article 25 est fixée conformément à l'article 31, § 1er.
  A partir de l'année scolaire 1999-2000, la dotation annuelle de périodes de cours de chacun des établissements visés à l'article 25 est fixée conformément à l'article 31, § 2, 1er alinéa, comme suit :
  1° pour l'Institut de Rythmique Jaques Dalcroze de Belgique :
  a) 9 200 périodes pour les 200 premiers élèves réguliers;
  b) 200 périodes supplémentaires par tranche complète de 10 élèves réguliers supplémentaires;
  2° pour l'Académie de Musique Saint-Grégoire :
  a) 1 800 périodes pour les 100 premiers élèves réguliers;
  b) 100 périodes supplémentaires par tranche complète de 5 élèves réguliers supplémentaires.
  Les dotations annuelles de périodes de cours visées à l'alinéa 2 ne peuvent excéder les dotations calculées pour la durée de l'année scolaire 1998-1999 conformément à l'alinéa 1er (, augmentées au 1er septembre 1999 de 2 400 périodes octroyées à l'Institut de Rythmique JAQUES-DALCROZE de Belgique).
Art. 38bis. [1 Binnen de perken van de kredieten die daartoe toegekend worden [3 ...]3, kan de Regering [3 na advies van de Algemene Raad voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, machtiging verlenen en, in voorkomend geval,]3 kunstinitiatieven en vernieuwende kunstexperimenten subsidiëren.
   De voorwaarden voor de toekenning van de subsidies bedoeld in het 1e lid zijn :
   1. de notulen van de vergadering van de Studieraad overleggen gedurende welke dat punt werd besproken;
   2. de bijzonderheid van het project bewijzen en aantonen dat het niet in de structuur van de instelling kan worden geïntegreerd;
   3. op relevante wijze zijn toekomstwaarde en zijn bijdrage in de artistieke opleiding van de leerlingen aantonen;
   4. de doelstellingen van het project in overeenstemming brengen met de doelstellingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zoals bepaald in de artikelen 3 en 4 van dit decreet;
   5. het experimenteringsproject integreren in [2 het in artikel 3bis bedoelde pedagogisch en artistiek inrichtingsproject]2;
   6. het aantal lestijden die besteed moeten worden, het activiteitenprogramma en hun periodiciteit alsook het aantal en het niveau van de betrokken leerlingen nader bepalen.]1

  
Afdeling 4. - Werkingstoelagen.
Art. 38bis.[1 Dans la limite des crédits alloués à cette fin [3 ...]3, le Gouvernement peut [3 après avis du Conseil général de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, autoriser et, s'il échet,]3 subventionner des initiatives artistiques et des expériences pilotes aux singularités artistiques innovantes.
Art. 39.[1 De werkingssubsidie bedoeld in artikel 32, § 2, zevende lid, van de voornoemde wet van 29 mei 1959, wordt berekend op basis van een jaarlijks bedrag dat op 1 januari 2026 wordt vastgesteld per regelmatig ingeschreven leerling in de zin van artikel 11 :
Section 4. - Des subventions de fonctionnement.
HOOFDSTUK IV. - Rationalisatie en programmatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Art. 39.[1 La subvention du fonctionnement visée à l'article 32, § 2, alinéa 7, de la loi du 29 mai 1959 précitée, est calculée sur base d'un montant annuel fixé, au 1er janvier 2026, par élève régulier au sens de l'article 11 :
Art. 40.Er wordt een norm, uitgedrukt in een minimum aantal regelmatig ingeschreven leerlingen, vastgesteld voor :
CHAPITRE IV. - De la rationalisation et de la programmation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
Art. 41. In afwijking van artikel 40 wordt de rationalisatienorm voor het behoud van bij artikel 25 bedoelde inrichtingen vastgesteld op :
  1° 200 regelmatig ingeschreven leerlingen voor het "Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique";
  2° 100 regelmatig ingeschreven leerlingen voor de "Académie de Musique Saint-Grégoire".
Art. 40. Une norme exprimée en un nombre minimum d'élèves réguliers est fixée pour :
  1° la rationalisation, c'est-à-dire le maintien et le subventionnement des établissements et des domaines [1 ...]1 visés à l'article 4, § 1er;
  2° la programmation, c'est-à-dire la création et l'admission aux subventions de nouveaux établissements et domaines visés à l'article 4, § 1er.
  La norme de rationalisation visée à l'alinéa 1er est fixée à :
  1° 350 élèves réguliers pour l'ensemble des domaines organises par l'établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit;
  2° 120 élèves réguliers pour le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace;
  3° 40 élèves réguliers pour le domaine des arts de la parole et du théâtre;
  4° 200 élèves réguliers pour le domaine de la musique;
  5° 40 élèves réguliers pour le domaine de la danse.
  La norme de programmation visée à l'alinéa 1er, 2°, est fixée à 250 % de la norme de rationalisation.
  La norme de rationalisation visée à l'alinéa 2, 1°, est fixée à 80 % de sa valeur pour l'établissement seul de son réseau à être situé ou à entretenir des implantations dans un rayon de 50 kilomètres.
  
Art. 41bis. [1 De voorwaarden waaronder de programmatie en de toelating tot subsidies voor nieuwe inrichtingen en domeinen, binnen de perken van de beschikbare kredieten, aan de Regering kunnen worden voorgesteld, zijn :
   1. op meer dan 30 km van een inrichting of een vestiging die de betrokken studiedomein(en) organiseert, gelegen zijn;
   2. [4 artikel 1.7.3-1, § 2 van voornoemd Wetboek]4 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving naleven;
   3. [2 in artikel 3bis bedoeld pedagogisch en artistiek inrichtingsproject]2 hebben waarbij op relevante wijze de bijdragen van het nieuwe domein of van de nieuwe inrichting worden aangetoond;
   4. voor de lessen die daar georganiseerd worden, over lessenprogramma's beschikken die goedgekeurd worden door de Minister bevoegd voor het Kunstsecundair Onderwijs met Beperkt Leerplan;
   5. het advies van de [3 Algemene Raad]3 ingewonnen hebben.]1

  
Art. 41. Par dérogation à l'article 40, la norme de rationalisation pour le maintien des établissements visés à l'article 25 est fixée à :
  1° 200 élèves réguliers pour l'Institut de Rythmique Jacques Dalcroze de Belgique;
  2° 100 élèves réguliers pour l'Académie de Musique Saint-Grégoire.
Art. 42. De rationalisatie en de programmatie worden per onderwijsnet toegepast.
  De in lid 1 bedoelde onderwijsnetten zijn :
  1° het net van het officieel gesubsidieerd onderwijs waarin de bij artikel 1, 2° bedoelde inrichtingen begrepen zijn die georganiseerd worden door de provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten of gelijk welke andere publiekrechtelijke rechtspersoon;
  2° het net van het vrij gesubsidieerd onderwijs waarin de bij artikel 1, 3° bedoelde inrichtingen begrepen zijn die door privé-personen georganiseerd worden.
Art. 41bis. [1 Les conditions préalables auxquelles la programmation et l'admission aux subventions de nouveaux établissements et domaines peuvent être, dans la limite des crédits disponibles, proposées au Gouvernement sont :
   1. être situé à plus de 30 km d'un établissement ou d'une implantation d'établissement organisant le ou les domaines concernés;
   2. respecter [4 l'article 1.7.3-1, § 2 du Code précité]4 certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
   3. justifier d'un [2 projet pédagogique et artistique d'établissement, tel que visé à l'article 3bis,]2 démontrant de manière pertinente, les apports du nouveau domaine ou du nouvel établissement;
   4. disposer pour les cours qui y seront organisés, des programmes de cours approuvés par le Ministre ayant l'Enseignement secondaire artistique à Horaire réduit dans ses attributions;
   5. avoir reçu l'avis du [3 Conseil général]3.]1

  
Art. 43. Elke inrichting die de bij de artikelen 40 en 41 bedoelde norm voor rationalisatie niet bereikt, wordt aangegeven als bedreigd met sluiting.
  Elke inrichting die vanaf het schooljaar 1997-1998 en gedurende twee opeenvolgende schooljaren de bij de artikelen 40 en 41 bedoelde norm voor rationalisatie niet bereikt, verliest haar autonomie vanaf de eerste dag van het volgend schooljaar.
  Zij kan met een andere inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan een fusie aangaan waarvan zij een vestiging wordt, zoals bepaald bij [1 artikel 1.7.3-1, § 2 van het voornoemde Wetboek]1.
  Komt er geen fusie, dan beslist de Inrichtende Macht de sluiting van alle gebieden die zij organiseert in de bij lid 1 bedoelde inrichting.
  
Art. 42. La rationalisation et la programmation sont appliquées par réseau d'enseignement.
  Les réseaux d'enseignement visés à l'alinéa 1er sont :
  1° le réseau de l'enseignement officiel subventionné qui comprend les établissements visés à l'article 1er, 3°, organisés par les provinces, communes, les associations de communes ou toutes autres personnes morales de droit public;
  2° le réseau de l'enseignement libre subventionné qui comprend les établissements visés à l'article 1er, 3°, organisés par des personnes privées.
Art. 44. De Inrichtende Machten kunnen beslissen op het einde van een schooljaar een fusie aan te gaan met de inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan die zij organiseren ten einde een nieuwe inrichting op te richten voor zover deze inrichting op de datum van de fusie de bij artikel 40 bedoelde norm voor rationalisatie bereikt.
  Een van de oorspronkelijke zetels wordt de zetel van de nieuwe inrichting; de andere oorspronkelijke zetel(s) worden vestigingen van de nieuwe inrichting.
Art. 43. Tout établissement qui n'atteint pas la norme de rationalisation visée aux articles 40 et 41 est déclaré en voie de fermeture.
  Tout établissement qui, à partir de l'année scolaire 1997-1998 et durant deux années scolaires consécutives, n'atteint pas la norme de rationalisation visée aux articles 40 et 41 perd son autonomie au premier jour de l'année scolaire suivante.
  Il peut être fusionné avec un autre établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dont il devient une implantation telle que prévue par [1 l'article 1.7.3-1, § 2 du Code précité]1.
  A défaut de fusion, le pouvoir organisateur procède à la fermeture de tous les domaines qu'il organise dans l'établissement visé à l'alinéa 1er.
  
Art. 45. [1 § 1. [4 met verwijzing naar de afwijking bepaald in artikel 1.7.3-1, § 2, van het voornoemde Wetboek]4, kan de afwijking die in uitzonderlijke gevallen toegekend wordt voor de organisatie van lessen buiten het grondgebied van de gemeente, binnen de perken van de beschikbare kredieten, toegekend worden onder de volgende voorwaarden :
   a) de afwezigheid van dezelfde domein(en) binnen een straal van 15 kilometer;
   b) [2 het uitbouwen van een pedagogisch project in rechtstreeks verband met het in artikel 3bis bedoelde pedagogisch en artistiek inrichtingsproject en met de educatieve projecten van de betrokken gemeenten;]2
   c) het gunstig advies van de Studieraad;
   d) een overeenkomst tussen [3 de inrichtende macht van de inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en de andere partij]3 samen met de besluiten van de betrokken gemeenteraden of raden van bestuur;
   e) de naleving van de bekwaamheidsbewijzen en ambten bepaald bij dit decreet en van de statutaire bepalingen vastgesteld bij de decreten van 6 juni 1994 voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en van 1 februari 1993 voor het vrij gesubsidieerd onderwijs;
   f) de aanvraag moet samen worden ingediend met het advies van de COPALOC voor het officieel gesubsidieerd onderwijs of, naargelang van het geval voor het vrij gesubsidieerd onderwijs, van de vergadering van de ondernemingsraad, van de plaatselijke overleginstantie, of bij gebrek, van de vakvereniging vergaderend voor hetzelfde doel;
   g) het advies van de [3 Algemene Raad]3.
   § 2. In afwijking van [4 artikel 1.7.3-1, § 2 van het voornoemde Wetboek]4, wordt de verplichting voor een inrichting om vakken te organiseren op het grondgebied van dezelfde gemeente niet opgelegd voor de inrichtingen die voortvloeien uit de fusies bedoeld in de artikelen 43 en 44. In dat geval is een afwijking niet noodzakelijk.]1

  
Art. 44. Les pouvoirs organisateurs peuvent décider de procéder, à la fin d'une année scolaire, à la fusion des établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit qu'ils organisent afin de constituer un nouvel établissement pour autant que cet établissement atteigne, à la date de fusion, la norme de rationalisation visée à l'article 40.
  Un des sièges d'origine devient le siège du nouvel établissement, le ou les autres sièges d'origine devenant des implantations du nouvel établissement.
Art. 46. [1 Elk onderwijsgebied van een inrichting dat vanaf het schooljaar 1998-1999 de bij artikel 40 bedoelde norm voor rationalisatie op 31 januari van het lopende schooljaar niet bereikt, wordt aangegeven als bedreigd met sluiting.
   Elk onderwijsgebied dat gedurende twee opeenvolgende schooljaren de voormelde rationalisatienorm niet bereikt, wordt als definitief gesloten beschouwd.]1

  
Art. 45. [1 § 1. [4 en référence à la dérogation prévue à l'article 1.7.3-1, § 2 du Code précité]4, la dérogation accordée dans des cas exceptionnels pour l'organisation de cours en dehors du territoire de la commune peut être, dans la limite des crédits disponibles, accordée dans les conditions suivantes :
   a) l'absence d'enseignement du (des) même(s) domaine(s) dans un rayon de 15 kilomètres;
   b) [2 la mise en place d'un projet pédagogique en relation directe avec le projet pédagogique et artistique d'établissement visé à l'article 3bis et les projets éducatifs des communes concernées;]2
   c) l'avis favorable du Conseil des études;
   d) un projet de convention entre [3 le pouvoir organisateur de l'établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et l'autre partie]3 accompagné des délibérations des conseils communaux ou conseils d'administration concernés;
   e) le respect des titres et fonctions fixés par le présent décret et des dispositions statutaires fixées par les décrets des 6 juin 1994 pour l'enseignement officiel subventionné et du 1er février 1993 pour l'enseignement libre subventionné;
   f) que la demande soit accompagnée de l'avis de la COPALOC pour l'enseignement officiel subventionné ou, selon le cas pour l'enseignement libre subventionné, de la réunion du conseil d'entreprise, de l'instance de concertation locale, ou à défaut, de la délégation syndicale réunie pour le même objet;
   g) l'avis du [3 Conseil général]3.
   § 2. Par dérogation à [4 l'article 1.7.3-1, § 2 du Code précité]4, l'obligation pour un établissement d'organiser ses cours sur le territoire de la même commune n'est pas imposée pour les établissements issus des fusions visées aux articles 43 et 44. Dans ce cas, une dérogation n'est pas nécessaire.]1

  
Art. 46bis. [1 In afwijking van de artikelen 40, 41, 43, 44 en 46 van hetzelfde decreet zijn de rationalisatienomen niet van toepassing tijdens het schooljaar 2021-2022. ]1
  
Art. 46. [1 Tout domaine d'enseignement d'un établissement qui, à partir de l'année scolaire 1998-1999, n'atteint pas au 31 janvier de l'année scolaire en cours la norme de rationalisation visée à l'article 40 est déclaré en voie de fermeture.
   Tout domaine d'enseignement qui n'atteint pas la norme de rationalisation précitée durant deux années scolaires consécutives est déclaré définitivement fermé.]1

  
Art. 47. Een Inrichtende Macht bedreigd met stopzetting van haar activiteiten in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan door de definitieve sluiting van een of verschillende van haar onderwijsgebieden, kan op 31 augustus de dotaties van lestijden waarop zij bij toepassing van artikel 31, § 2 aanspraak had kunnen maken, aan een andere Inrichtende Macht van hetzelfde net overdragen, op voorwaarde dat de rechten van het personeel worden gewaarborgd binnen de perken van voornoemde decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994.
Art. 46bis. [1 Par dérogation aux articles 40, 41, 43, 44 et 46 du même décret, les normes de rationalisation ne sont pas d'application durant l'année scolaire 2021-2022. ]1
  
Art. 48. In afwijking van de bepalingen van artikel 44 wordt er een specifieke norm voor rationalisatie en programma per onderwijsgebied vastgelegd voor het behoud en de oprichting van de in artikel 23 bedoelde kunsthumaniora.
  De in lid 1 bedoelde rationalisatienorm wordt bepaald op een minimum aantal van vijf leerlingen die op 1 oktober van het lopende schooljaar regelmatig ingeschreven waren voor de Kunsthumaniora, voor het betrokken onderwijsgebied, voor de tweede graad en van vier leerlingen voor de derde graad.
  De in lid 1 bedoelde programmatienorm wordt bepaald op een minimum aantal van tien leerlingen die op 1 oktober van het lopende schooljaar regelmatig ingeschreven waren voor de Kunsthumaniora, voor het betrokken onderwijsgebied, voor de tweede graad en van acht leerlingen voor de derde graad.
  Wanneer het onderwijsgebied niet meer aan de bij lid 2 bedoelde rationalisatienormen voldoet, weigert de betrokken inrichtende macht elke nieuwe inschrijving en blijft zij de lestijden in te richten om de leerlingen die nog ingeschreven zijn de mogelijkheid te bieden de gekozen cyclus van secundair onderwijs te voltooien.
Art. 47. Un pouvoir organisateur en voie de cessation de ses activités dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit par fermeture définitive d'un ou de plusieurs de ses domaines d'enseignement peut transférer au 31 août à un autre pouvoir organisateur du même réseau les dotations de périodes de cours auxquelles il aurait pu prétendre en application de l'article 31, § 2, à condition de garantir les droits du personnel dans les limites des décrets des 1er février 1993 et 6 juin 1994 précités.
HOOFDSTUK V. - De ambten, de gesubsidieerde betrekkingen en het geldelijk statuut van de personeelsleden.
Art. 48. Par dérogation aux dispositions de l'article 44, une norme spécifique de rationalisation et de programmation est fixée par domaine d'enseignement pour le maintien et la création des humanités artistiques visées à l'article 23.
Afdeling 1. - De ambten.
CHAPITRE V. - Des fonctions, des emplois subventionnés et du statut pécuniaire des membres du personnel.
Art. 49. De ambten die de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel van de inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan mogen uitoefenen, omvatten wervings-, selectie- of bevorderingsambten onderverdeeld in twee categorieën :
Section 1. - Des fonctions.
Art. 50. De ambten die de leden van het bestuurspersoneel mogen uitoefenen worden gerangschikt in selectie- en bevorderingsambten :
  1° selectieambten : [1 adjunct-directeur]1;
  2° bevorderingsambten : directeur.
  
Art. 49. Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit comprennent des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion classées en deux catégories :
  1° la catégorie du personnel directeur et enseignant;
  2° la catégorie du personnel auxiliaire d'éducation.
Art. 51. § 1. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel mogen uitoefenen, worden gerangschikt in de categorie van de wervingsambten.
  Wanneer een ambt uit verschillende specialiteiten bestaat, vormt elke specialiteit een afzonderlijk ambt.
  [3 ...]3
  § 2. [6 De ambten die leden van het onderwijzend personeel op het gebied van plastische, beeldende en ruimtelijke kunsten kunnen vervullen, zijn die van docent:
   1° interieurdesign en decoratie;
   2° boekkunst: boekbinden;
   3° boekkunsten: typografie en letterkunde;
   4° glaskunst;
   5° monumentale kunsten;
   6° digitale kunsten;
   7° juwelen;
   8° keramiek;
   9° cinegrafie;
   10° tekenfilms;
   11° textiele creatie;
   12° design;
   13° tekening;
   14° bouwkundig tekenen en modelbouw;
   15° schrijnwerk;
   16° ijzerwerk;
   17° multidisciplinaire opleiding;
   18° etsen;
   19° kunstgeschiedenis en esthetische analyse;
   20° illustratie en strips;
   21° infografie;
   22° lithografie;
   23° metaal;
   24° schilderkunst;
   25° fotografie;
   26° aardewerk;
   27° experimentele praktijken;
   28° reclame en visuele communicatie;
   29° restauratie van kunstwerken en kunstvoorwerpen;
   30° scenografie;
   31° beeldhouwwerk;
   32° serigrafie;
   33° styling, ornamenten en maskers;
   34° artistieke technieken;
   35° aarde- en emailtechnologie;
   36° videografie;
   37° glas-in-lood.]6

  § 3. [6 De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de muziek kunnen uitoefenen, zijn die van docent:
   1° muzikale opleiding;
   2° algemene jazzopleiding;
   3° instrumentele opleiding, voor elk van de volgende specialiteiten:
   1) chromatisch accordeon;
   2) diatonisch accordeon;
   3) altviool;
   4) fagot;
   5) barok en klassieke fagot;
   6) beiaard;
   7) klarinet;
   8) klavecimbel;
   9) contrabas;
   10) hoorn;
   11) natuurhoorn;
   12) doedelzakken en musette;
   13) boekhoorn;
   14) blokfluit;
   15) dwarsfluit;
   16) barok- en klassieke fluit;
   17) gitaar;
   18) elektrische gitaar;
   19) harp;
   20) hobo;
   21) barokke en klassieke hobo;
   22) luit;
   23) mandoline;
   24) orgaan;
   25) slagwerk;
   26) piano;
   27) pianoforte;
   28) saxofoon;
   29) schuiftrombone;
   30) trompet;
   31) natuurtrompet;
   32) tuba;
   33) viola da gamba;
   34) viool;
   35) barokviool;
   36) cello;
   37) barokcello;
   4° instrumentale jazzopleiding, voor elk van de volgende specialiteiten :
   1) jazzaccordeon;
   2) jazzdrums;
   3) jazzhoutenblaasinstrumenten;
   4) jazzkeyboards;
   5) jazzcontrabas;
   6) jazzkoperblaasinstrumenten;
   7) jazzgitaar;
   8) jazzbasgitaar;
   9) jazz-harmonica;
   10) jazzvibrafoon;
   11) jazzviool;
   5° instrumentale training in de lokale traditie;
   6° zingen;
   7° jazzzang;
   8° popzang;
   9° muzikale analyse en schrijven;
   10° digitale muziek maken;
   11° in elektroakoestische muziekcompositie;
   12° koorzang;
   13° ritmes en ritmiek;
   14° instrumentaal zicht-lezen en transpositie;
   15° muziekgeschiedenis en -analyse;
   16° muzikale improvisatie;
   17° instrumentale kamermuziek;
   18° lyrische kunst;
   19° instrumentaal ensemble;
   20° lichamelijke expressie;
   21° belast met de begeleiding met klavecimbel;
   22° belast met de orgelbegeleiding;
   23° belast met de pianobegeleiding.]6

  § 4. De ambten die de leden van het onderwijzend personeel op het gebied van de spreekkunst en de toneelkunst mogen uitoefenen, zijn de volgende :
  1° leraar dictie - voordrachtkunst;
  2° leraar toneelkunst;
  3° leraar litteratuurgeschiedenis en toneelgeschiedenis;
  4° leraar lichamelijke expressie;
  5° leraar belast met de begeleiding op het klavecimbel;
  6° leraar belast met de begeleiding op het orgel;
  7° leraar belast met de begeleiding op de piano;
  [1 [4 ...]4]1
  § 5. [6 De ambten die leden van het onderwijzend personeel op het gebied van dans mogen uitoefenen zijn die van docent:
   1° klassieke dans;
   2° hedendaagse dans;
   3° jazzdans;
   4° tapdans;
   5° traditionele dans;
   6° urban dance;
   7° belast met de pianobegeleiding voor dans;
   8° belast met de percussiebegeleiding voor dans;
   9° belast met de begeleiding van traditionele danslessen.]6

  
Art. 50. Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel directeur sont classées en fonction de sélection et en fonction de promotion :
  1° fonction de sélection : [1 directeur adjoint]1;
  2° fonction de promotion : directeur.
  
Art. 52. Het ambt van studiemeester-opvoeder die de leden van het opvoedend hulppersoneel mogen uitoefenen, wordt gerangschikt onder de wervingsambten.
Art. 51. § 1er. Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel enseignant sont classées en fonction de recrutement.
  Lorsqu'une fonction comporte plusieurs spécialités, chacune de ses spécialités constitue une fonction distincte.
  [3 ...]3
  § 2. [6 Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace sont celles de professeur :
   1° d'aménagement d'intérieur et décoration ;
   2° d'art du livre : reliure ;
   3° d'art du livre : typographie et étude de la lettre ;
   4° d'art du verre ;
   5° d'arts monumentaux ;
   6° d'arts numériques ;
   7° de bijouterie ;
   8° de céramique ;
   9° de cinégraphie ;
   10° de cinéma d'animation ;
   11° de création textile ;
   12° de design ;
   13° de dessin ;
   14° de dessin d'architecture et maquettisme ;
   15° d'ébénisterie ;
   16° de ferronnerie ;
   17° de formation pluridisciplinaire ;
   18° de gravure ;
   19° d'histoire de l'art et analyse esthétique ;
   20° d'illustration et bande dessinée ;
   21° d'infographie ;
   22° de lithographie ;
   23° de métal ;
   24° de peinture ;
   25° de photographie ;
   26° de poterie ;
   27° de pratiques expérimentales ;
   28° de publicité et communication visuelle ;
   29° de restauration d'oeuvres et d'objets d'art ;
   30° de scénographie ;
   31° de sculpture ;
   32° de sérigraphie ;
   33° de stylisme, parures et masques ;
   34° de techniques artistiques ;
   35° de technologie de la terre et des émaux ;
   36° de vidéographie ;
   37° de vitrail.]6

  § 3. [6 Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine de la musique sont celles de professeur :
   1° de formation musicale ;
   2° de formation générale jazz ;
   3° de formation instrumentale, pour chacune des spécialités suivantes :
   1) accordéon chromatique ;
   2) accordéon diatonique ;
   3) alto ;
   4) basson ;
   5) basson baroque et classique ;
   6) carillon ;
   7) clarinette ;
   8) clavecin ;
   9) contrebasse ;
   10) cor ;
   11) cor naturel ;
   12) cornemuse et musette ;
   13) cornet à bouquin ;
   14) flûte à bec ;
   15) flûte traversière ;
   16) flûte traversière baroque et classique ;
   17) guitare ;
   18) guitare électrique ;
   19) harpe ;
   20) hautbois ;
   21) hautbois baroque et classique ;
   22) luth ;
   23) mandoline ;
   24) orgue ;
   25) percussions ;
   26) piano ;
   27) pianoforte ;
   28) saxophone ;
   29) trombone à coulisse ;
   30) trompette ;
   31) trompette naturelle ;
   32) tuba ;
   33) viole de gambe ;
   34) violon ;
   35) violon baroque ;
   36) violoncelle ;
   37) violoncelle baroque ;
   4° de formation instrumentale jazz, pour chacune des spécialités suivantes :
   1) accordéon jazz ;
   2) batterie jazz ;
   3) bois jazz ;
   4) claviers jazz ;
   5) contrebasse jazz ;
   6) cuivres jazz ;
   7) guitare jazz ;
   8) guitare basse jazz ;
   9) harmonica jazz ;
   10) vibraphone jazz ;
   11) violon jazz ;
   5° de formation instrumentale de tradition locale ;
   6° de chant ;
   7° de chant jazz ;
   8° de chant pop ;
   9° d'analyse et écriture musicales ;
   10° de création musicale numérique ;
   11° de composition de musique électroacoustique ;
   12° de chant choral ;
   13° de rythmes et rythmiques ;
   14° de lecture à vue instrumentale et transposition ;
   15° d'histoire de la musique et analyse musicale ;
   16° d'improvisation musicale ;
   17° de musique de chambre instrumentale ;
   18° d'art lyrique ;
   19° d'ensemble instrumental ;
   20° d'expression corporelle ;
   21° chargé de l'accompagnement au clavecin ;
   22° chargé de l'accompagnement à l'orgue ;
   23° chargé de l'accompagnement au piano.]6

  § 4. Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine des arts de la parole et du théâtre sont celles de :
  1° professeur de diction - déclamation;
  2° professeur d'art dramatique;
  3° professeur d'histoire de la littérature et d'histoire du théâtre;
  4° professeur d'expression corporelle;
  5° professeur chargé de l'accompagnement au clavecin;
  6° professeur chargé de l'accompagnement à l'orgue;
  7° professeur chargé de l'accompagnement au piano;
  [1 [4 ...]4]1
  § 5. [6 Les fonctions que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine de la danse sont celles de professeur :
   1° de danse classique ;
   2° de danse contemporaine ;
   3° de danse jazz ;
   4° de claquettes ;
   5° de danse traditionnelle ;
   6° de danses urbaines ;
   7° chargé de l'accompagnement au piano dans le domaine de la danse ;
   8° chargé de l'accompagnement aux percussions dans le domaine de la danse ;
   9° chargé de l'accompagnement des cours de danse traditionnelle.]6

  
Afdeling 2. - Gesubsidieerde betrekkingen.
Art. 52. La fonction de surveillant-éducateur que peuvent exercer les membres du personnel auxiliaire d'éducation est classée en fonction de recrutement.
Art. 53.Worden enkel gesubsidieerd de betrekkingen van directeur, [1 adjunct-directeur]1, leraar, studiemeester-opvoeder en lesgelastigde die opgericht en behouden blijven onder de voorwaarden bepaald door dit decreet voor al de gebieden van een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Section 2. - Des emplois subventionnés.
Art. 54. In elke inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt er een bij artikel 69, lid 2, bedoelde betrekking van directeur met volledige dagtaak opgericht die behouden blijft.
  Deze betrekking mag niet opgedeeld worden onder verschillende personeelsleden.
  De activiteiten van directeur van een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zijn beperkt tot het aantal lestijden die de volledige prestaties vormen, afgezien van de openingsuren van de inrichting die onder zijn leiding staat.
Art. 53. Seuls sont subventionnés les emplois de directeur, [1 directeur adjoint]1, professeur, surveillant-éducateur et intervenant créés et maintenus, dans les conditions fixées par le présent décret, pour l'ensemble des domaines d'un établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
  
Art. 54bis. [1 De betrekking van directeur, bedoeld in artikel 54, mag niet worden opgesplitst.
   Onverminderd het vorige lid kan de instelling waarvan de directeur een vermindering van de arbeidstijd geniet krachtens:
   a) Artikel 19 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 tot uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van het leidinggevend en onderwijzend personeel, van het onderwijshulppersoneel en van het paramedisch personeel van de instellingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, van de internaten die van deze instellingen afhangen en van het personeel van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze instellingen;
   b) Artikel 22ter van voornoemd koninklijk besluit van 15 januari 1974;
   c) Artikel 10ter van koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de lasten, wedden, weddetoelagen en verloven wegens verminderde prestaties in het onderwijs en in de PMS-centra;
   d) Artikel 10quatorduodecies/1 van voornoemd koninklijk besluit nr. 297;
   e) Artikel 3, lid 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 3 december 1992 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in het onderwijs en in de PMS-centra,
  [2 f) van artikel 10duodecies, § 8, van voornoemd koninklijk besluit nr. 297,]2
   om zijn directeur bij te staan, een tijdelijke betrekking toegekend krijgen van adjunct-directeur op deeltijdse basis vanaf de datum van inwerkingtreding van de bedoelde bepaling, respectief halftijds (situaties a en b), 1/4de [2 (situaties c, d en f)]2 of 1/5de (situatie e). Deze betrekking mag niet het voorwerp uitmaken van een benoeming of aanwerving in vast verband. [2 Met uitzondering van de situatie waarin de tijdelijke betrekking verleend onder punt f wordt gehandhaafd onder punt d,]2 zij wordt afgeschaft zodra de bedoelde bepaling niet meer van toepassing is.
   De adjunct-directeur waarnaar in het vorige lid wordt verwezen en die:
   a) een halftijds personeelslid is, is verplicht 18 lestijden per week te presteren, gespreid over minstens 3 dagen per week, ongeacht het aantal dagen dat de inrichting elke week open is;
   b) een 1/4de personeelslid is, is verplicht 9 lestijden per week te presteren, gespreid over minstens 2 dagen per week, ongeacht het aantal dagen dat de inrichting elke week open is;
   c) een 1/5de personeelslid is, is verplicht 7 lestijden per week te presteren, gespreid over minstens 2 dagen per week, ongeacht het aantal dagen waarop de inrichting open is.]1

  
Art. 54. Dans tout établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est crée et maintenu un emploi de directeur à prestations complètes visé à l'article 69, alinéa 2.
  Cet emploi ne peut être réparti sur plusieurs membres du personnel.
  Les activités de directeur d'un établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit sont limitées, indépendamment des heures d'ouverture de l'établissement qu'il dirige, au nombre de périodes constituant les prestations complètes.
Art. 55. § 1. In een inrichting voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, kan een betrekking van [1 adjunct-directeur]1 met volledige dagtaak worden opgericht, wanneer het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen gedurende twee opeenvolgende schooljaren hoger is dan 1 100 onder wie ten minste 500 leerlingen ingeschreven in een andere filière dan de voorbereidende.
  De in lid 1 bedoelde betrekking wordt behouden zolang de inrichting 800 regelmatig ingeschreven leerlingen telt.
  § 2. In afwijking van § 1 wordt een betrekking van [1 adjunct-directeur]1 opgericht in elke nieuwe inrichting die ontstaan is uit de fusie bedoeld bij de artikelen 43 en 44 ten einde de directeur die het hoofdambt bekleedt, die in disponibiliteit is gesteld bij gebrek aan een betrekking en niet in een betrekking terug kan aangesteld worden, voorlopig terug te kunnen roepen om zijn activiteiten in de aldus opgerichte betrekking voorlopig uit te oefenen of om terug in dienstverband te treden.
  Onverminderd § 1, wordt de in lid 1 bedoelde betrekking van [1 adjunct-directeur]1 afgeschaft wanneer een einde gesteld wordt aan de voorlopige terugroeping tot de activiteit of in dienstverband van de in disponibiliteit gestelde directeur.
  (§ 3. De betrekkingen van [1 adjunct-directeur]1 kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het officieel onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, van de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring.)
  
Art. 54bis. [1 L'emploi de directeur visé à l'article 54 ne peut être scindé.
   Sans préjudice de l'alinéa précédent, l'établissement dont le directeur obtient une réduction de son temps de travail en vertu soit:
   a) de l'article 19 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements;
   b) de l'article 22ter de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 précité;
   c) de l'article 10ter de l'arrêté royal n° 297 du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux;
   d) de l'article 10quatorduodecies/1 de l'arrêté royal n° 297 précité;
   e) de l'article 3, alinéa 1er de l'arrêté de l'exécutif de la Communauté française du 3 décembre 1992 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux,
  [2 f) de l'article 10duodecies, § 8, de l'arrêté royal n° 297 précité, ]2
   se voit octroyer, pour seconder son directeur, un emploi temporaire de directeur adjoint à temps partiel à partir de la date d'activation de la disposition visée, et ce, respectivement à mi-temps (situations a et b), à quart-temps [2 (situations c, d et f)]2 ou à un cinquième-temps (situation e). Cet emploi ne peut faire l'objet d'une nomination ou d'un engagement à titre définitif. [2 A l'exception de la situation où l'emploi temporaire octroyé dans le cadre du point f est maintenu dans le cadre du point d,]2 il est supprimé dès que la disposition visée n'est plus d'application.
   Le directeur adjoint visé à l'alinéa précédent et qui:
   a) preste un mi-temps est tenu de prester 18 périodes par semaine réparties sur au minimum 3 jours par semaine quel que soit le nombre de jours d'ouverture hebdomadaire de l'établissement;
   b) preste un quart-temps est tenu de prester 9 périodes par semaine réparties sur au minimum 2 jours par semaine quel que soit le nombre de jours d'ouverture hebdomadaire de l'établissement;
   c) preste un cinquième-temps est tenu de prester 7 périodes par semaine réparties sur au minimum 2 jours par semaine quel que soit le nombre de jours d'ouverture hebdomadaire de l'établissement.]1

  
Art. 56. Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de betrekkingen met volledige of onvolledige dagtaak van de leraars bepaald door de betrokken Inrichtende Macht binnen de perken van de (in de artikelen 30, 31, 35 en 37) bepaalde jaarlijkse dotaties.
  [2 De betrekkingen met onvolledige dagtaak kunnen uitsluitend tijdelijk gecreëerd worden naar rata van één wekelijkse lestijd die voor subsidiëring in aanmerking komt. Het personeelslid dat tijdelijk in een ambt aangesteld of aangeworven wordt, kan slechts in vast verband benoemd of aangeworven worden als minstens twee lestijden die in het betrokken ambt definitief vacant zijn geworden, hem kunnen worden toegekend met inachtneming van de voorrangsregels.]2
  [1 Die lestijden worden als vacant verklaard na drie jaar organisatie. Zo niet, dan geeft de inrichtende macht de reden aan waarom de betrekking niet vacant kan worden verklaard en legt ze die motivatie aan het bevoegde overlegorgaan voor.]1
  De in lid 2 vermelde bepalingen hebben geen toepassing op de betrekking met onvolledige dagtaak die aan een in dienst genomen of in vast verband benoemd personeelslid kan toegewezen worden dat een uitbreiding van deze indienstneming of van deze benoeming kan krijgen, in toepassing van artikel 14bis van voornoemd decreet van 1 februari 1993 of van (artikel 33, lid 2), van voornoemd decreet van 6 juni 1994.
  Indien het aantal lestijden die een bij lid 1 bedoelde betrekking met volledige of onvolledige dagtaak vormen en die toegewezen zijn aan een in dienst genomen of in vast verband benoemd personeelslid vermindert, wordt die betrekking :
  1° ofwel volledig afgeschaft, wanneer de vermindering van het aantal lestijden slaat op heel de opdracht van de betrekking in kwestie;
  2° ofwel gedeeltelijk afgeschaft, wanneer de vermindering van het aantal lestijden slaat op ten minste [2 twee]2 lestijden van wekelijkse leergangen zonder daarom heel de opdracht van de betrekking in kwestie te evenaren;
  3° ofwel behouden blijven, wanneer de vermindering van het aantal lestijden minder dan [2 twee]2 lestijden van wekelijkse leergangen bedraagt zonder daarom heel de opdracht van de betrekking in kwestie te evenaren. In dat geval en ten belope van de vermindering van lestijden waarvan sprake, wordt het personeelslid belast met onderwijsactiviteiten die verband houden met het ambt (de ambten) dat (die) hij uitoefent.
  De betrekkingen bekleed door de personeelsleden die hun opdracht gedeeltelijk verloren hebben of die in disponibiliteit werden gesteld omdat er geen betrekking meer vrij staat en die een nieuwe aanwijzing kregen, voorlopig teruggeroepen werden om hun activiteiten uit te oefenen of die opnieuw tewerkgesteld werden in een of verschillende betrekkingen opgericht binnen de perken van de in lid 1 bedoelde jaarlijkse dotaties, worden aangerekend ten laste van deze dotaties.
  De betrekkingen van de personeelsleden die hun opdracht gedeeltelijk verloren hebben of die in disponibiliteit werden gesteld omdat er geen betrekking meer vrij staat en die geen nieuwe aanwijzing kregen, niet voorlopig teruggeroepen zijn om hun activiteiten uit te oefenen of die niet opnieuw werden tewerkgesteld en aan wie wachtgeld toegekend is, worden niet aangerekend ten laste van de in lid 1 bedoelde jaarlijkse dotaties gedurende het schooljaar waarin het gedeeltelijk verlies van een opdracht of de indisponibilitieitsstelling voorvalt omdat er geen betrekking vrij staat.
  [1 In een inrichting die geen vermindering van de lestijdendotatie op een bepaald gebied ondergaat, worden de betrekkingen van de personeelsleden die een gedeeltelijk opdrachtverlies ondergaan of die terbeschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking, opgeteld ten laste van de dotaties van de inrichting vanaf het tweede schooljaar, indien deze betrekkingen op dat ogenblik niet het voorwerp uitmaken van een reaffectatie, een voorlopige terugroeping in actieve dienst of een wedertewerkstelling, binnen de perken van de jaarlijkse dotaties bedoeld in het eerste lid van het betrokken gebied.]1
  [3 Wanneer op basis van de overeenstemming tussen de cursussen en de onderwijsfuncties bedoeld in artikel 4, § 3bis, een cursus aan meerdere functies is verbonden, kan de aanwijzing van een personeelslid in een van de functies die bij deze cursus horen niet leiden tot de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of tot het gedeeltelijk opdrachtverlies van een personeelslid dat benoemd of aangeworven is in vast verband in alle functies die met deze cursus samenhangen. ]3
  
Art. 55. § 1er. Dans un établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, un emploi de [1 directeur adjoint]1 à prestations complètes peut être créé lorsque le nombre d'élèves réguliers est, durant deux années scolaires consécutives, supérieur à 1 100 dont 500 élèves au moins inscrits dans une filière autre que préparatoire.
  L'emploi visé à l'alinéa 1er est maintenu aussi longtemps que l'établissement compte 800 élèves réguliers.
  § 2. Par dérogation au § 1er, un emploi de [1 directeur adjoint]1 est créé dans tout nouvel établissement issu de la fusion visée aux articles 43 et 44 afin de procéder, pour le directeur en fonction principale mis en disponibilité par défaut d'emploi et ne pouvant être réaffecté, à un rappel provisoire à l'activité ou en service dans l'emploi ainsi créé.
  Sans préjudice du § 1er, l'emploi de [1 directeur adjoint]1 visé à l'alinéa 1er est supprimé lorsqu'il est mis fin au rappel provisoire à l'activité ou en service du directeur mis en disponibilité.
  (§ 3. Les emplois de [1 directeur adjoint]1 peuvent être confiés à deux membres du personnel qui sont chargés chacun d'une demi charge, après avis préalable, dans l'enseignement officiel subventionné par la Communauté française, de la commission paritaire locale, et dans l'enseignement libre subventionné par la Communauté française, du conseil d'entreprise ou, à défaut, de la délégation syndicale, avec droit d'évocation du bureau de conciliation en cas de désaccord.)
  
Art. 57. § 1.[1 "Elke betrekking bedoeld in de artikelen 55, 56 en 60 omvat een wekelijkse lestijdenopdracht die door het personeelslid wordt gepresteerd volgens een uurrooster dat door het inrichtingshoofd wordt opgemaakt.]1
  Elke wijziging aan het in lid 1 bedoeld uurrooster valt onder de bevoegdheid van het hoofd van de inrichting[1 ...]1.
  § 2. Voor de toepassing van lid 1, worden in de opdracht van wekelijkse leergang aangeboekt, de prestaties gelijktijdig uitgeoefend in een of verschillende lestijden :
  1° voor de bij artikel 19 bedoelde Studieraad of tijdens de zittingen besteed aan de evaluatie of de examens die in een van de inrichtingen waar de leraar zijn prestaties levert, georganiseerd worden;
  2° tijdens het deelnemen aan pedagogische of opleidingsactiviteiten die de goedkeuring van de Regering hebben gekregen;
  3° tijdens het bijwonen, als lid van de examencommissies, van de bij artikel 110 bedoelde Commissies voor het onderzoek van de pedagogische bekwaamheid om onderwijs te verstrekken.
  
Art. 56. Sur avis du Conseil des études visé à l'article 19, les emplois à prestations complètes ou incomplètes des professeurs sont déterminés par chaque pouvoir organisateur concerné dans les limites des dotations annuelles prévues (aux articles 30, 31, 35 et 37).
  [2 Les emplois à prestations incomplètes peuvent être créés à raison d'une période hebdomadaire subventionnable à titre temporaire uniquement. Le membre du personnel désigné ou engagé à titre temporaire dans une fonction ne pourra être nommé ou engagé à titre définitif que lorsqu'au moins deux périodes définitivement vacantes dans la fonction concernée pourront lui être attribuées dans le respect des règles de priorité.]2
  [1 Ces périodes sont déclarées vacantes après trois années d'organisation. A défaut, le pouvoir organisateur motive l'impossibilité de déclarer l'emploi vacant et soumet la motivation à l'organe de concertation compétent.]1
  Les dispositions reprises à l'alinéa 2 ne s'appliquent pas à l'emploi à prestations incomplètes pouvant être attribué à un membre du personnel engagé ou nommé à titre définitif qui peut bénéficier d'une extension de cet engagement ou de cette nomination en application de l'article 41bis du décret du 1er février 1993 précité ou de (l'article 33, alinéa 2), du décret du 6 juin 1994 précité.
  En cas de diminution du nombre de périodes constituant un emploi à prestations complètes ou incomplètes visé à l'alinéa 1er, attribué à un membre du personnel engagé ou nommé à titre définitif, cet emploi est :
  1° soit totalement supprimé lorsque la diminution du nombre de périodes porte sur la totalité de la charge de l'emploi en cause;
  2° soit partiellement supprimé lorsque la diminution du nombre de périodes porte sur au moins [2 deux]2 périodes de cours hebdomadaires sans atteindre la totalité de la charge de l'emploi en cause;
  3° soit maintenu lorsque la diminution du nombre de périodes est inférieure à [2 deux]2 périodes de cours hebdomadaires sans atteindre la totalité de la charge de l'emploi en cause. Dans ce cas, et à concurrence de la diminution de périodes en cause, le membre du personnel est chargé d'activités d'enseignement en rapport avec la (les) fonction(s) qu'il exerce.
  Les emplois occupés par des membres du personnel mis en perte partielle de charge ou en disponibilité par défaut d'emploi et qui font l'objet d'une réaffectation, d'un rappel provisoire à l'activité ou d'une remise au travail dans un ou plusieurs emplois créés dans les limites des dotations annuelles visées à l'alinéa 1er sont comptabilisés à charge de ces dotations.
  Les emplois des membres du personnel mis en perte partielle de charge ou en disponibilité par défaut d'emploi qui n'ont pas fait l'objet d'une réaffectation, d'un rappel provisoire à l'activité ou d'une remise au travail et pour lesquels une subvention-traitement d'attente est octroyée ne sont pas comptabilisés à charge des dotations annuelles visées à l'alinéa 1er durant l'année scolaire pendant laquelle se produit la perte partielle de charge ou la disponibilité par défaut d'emploi.
  [1 Dans un établissement qui ne subit pas de réduction de dotation de périodes de cours dans un domaine donné, les emplois des membres du personnel mis en perte partielle de charge ou en disponibilité par défaut d'emploi sont comptabilisés à charge des dotations de l'établissement à partir de la deuxième année scolaire, si à ce moment ces emplois ne font pas l'objet d'une réaffectation, d'un rappel provisoire à l'activité ou d'une remise au travail, dans les limites des dotations annuelles visées à l'alinéa 1er du domaine concerné.]1
  [3 Lorsque, sur base de la correspondance entre les cours et les fonctions d'enseignement visée à l'article 4, § 3bis, un cours est associé à plusieurs fonctions, la désignation d'un membre du personnel dans une des fonctions correspondant à ce cours ne peut aboutir à la mise en disponibilité par défaut d'emploi ou à la perte partielle de charge d'un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans toutes les fonctions associées à ce cours. ]3
  
Art. 58. Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de betrekkingen van leraar door elke betrokken Inrichtende Macht bepaald binnen de perken van de ([1 in de artikelen 35 en 37]1) bedoelde jaarlijkse dotaties.
  De bij lid 1 bedoelde betrekkingen mogen door de Inrichtende Macht niet aangeboden worden voor een indienstneming of een benoeming in vast verband.
  
Art. 57. § 1er. [1 Chaque emploi visé aux articles 55, 56 et 60 comporte une charge horaire hebdomadaire prestée par le membre du personnel selon une grille-horaire établie par le chef d'établissement.]1
  Toute modification de la grille-horaire visée à l'alinéa 1er est du ressort du chef d'établissement [1 ...]1.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, sont comptabilisées dans la charge de cours hebdomadaire, les prestations rendues concomitamment avec une ou plusieurs périodes de cours :
  1° pour le Conseil des études visé à l'article 19 ou lors de sessions d'évaluation ou d'examen organisées dans un des établissements où le professeur exerce des prestations;
  2° lors de participations à des activités pédagogiques ou de formation approuvées par le Gouvernement;
  3° lors de participations en qualité de membre des jurys des Commissions d'examen d'aptitude pédagogique à l'enseignement visées à l'article 110.
  
Art. 59. § 1. Op advies van de bij artikel 19 bedoelde Studieraad worden de lesopdrachten van de lesgelastigden door elke betrokken Inrichtende Macht bepaald binnen de perken van de in de artikelen 30, 31, 35, 37 en [2 38bis]2 bedoelde dotaties met lestijden.
  Het aantal lestijden die jaarlijks worden toegewezen aan de lesopdrachten van de lesgelastigden in een inrichting mag niet meer dan 4 % bedragen van al de dotaties samen, bedoeld bij lid 1 en toegekend aan die inrichting.
  § 2. Een lesgelastigde in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan is een personeelslid dat niet onderworpen is aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de categorieën van het onderwijspersoneel en aan wie een of meer lesopdrachten zijn toegewezen op basis van zijn bijzondere bekwaamheden.
  Het totaal van de prestaties van de lesgelastigde mag de 320 lestijden niet overschrijden over heel het schooljaar met inbegrip van de lestijden die eventueel gepresteerd worden als bijbetrekking of als een betrekking die niet wordt uitgesloten in geval van cumulatie met een hoofdbetrekking.
  [1 Voor het in deze paragraaf bedoelde ambt, is een lestijd een onderwijsactiviteit die vijftig minuten duurt.]1
  § 3. Weigert men de toelating tot de subsidies voor de lesopdrachten bedoeld bij § 1, dan blijven de lestijden in kwestie ter beschikking van de betrokken Inrichtende Macht.
  
Art. 58. Sur avis du Conseil des études visé à l'article 19, les emplois de professeurs sont déterminés par chaque pouvoir organisateur concerné dans les limites des dotations annuelles prévues ([1 aux articles 35 et 37]1).
  Les emplois visés à l'alinéa 1er ne peuvent être proposés par le pouvoir organisateur pour un engagement ou une nomination à titre définitif.
  
Art. 59bis. [1 § 1. Op advies van de bij artikel 19 bedoelde algemene vergadering van de Studieraad worden de opdrachten van remediëring door elke betrokken Inrichtende Macht bepaald binnen de perken van de in de artikelen 30, 31, 35 en 37 bedoelde dotaties met lestijden.
   § 2. Een leraar belast met remediëring in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan is een personeelslid dat onderworpen is aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de categorieën van het onderwijspersoneel.
   De remediëring wordt inbegrepen in de uurregeling van de leraren in de ambten, bedoeld bij artikel 51, die ze uitoefenen.
   § 3. In een inrichting voor kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan wordt het aantal lestijden die jaarlijks aan de remediëring per gebied worden toegewezen, beperkt tot twee wekelijkse lestijden per begonnen schijf van 500 leerlingen ingeschreven voor het betrokken gebied.]1

  
Art. 59. § 1er. Sur avis du Conseil des études visé à l'article 19, les charges de cours des intervenants sont déterminées par chaque pouvoir organisateur concerné dans les limites des dotations de périodes de cours prévues aux articles 30, 31, 35, 37 et [2 38bis]2.
  Le nombre de périodes de cours annuellement attribuées aux charges de cours des intervenants dans un établissement ne peut excéder 4 % du total des dotations visées à l'alinéa 1er attribuées à cet établissement.
  § 2. Un intervenant dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est un membre du personnel qui n'est pas soumis aux dispositions statutaires applicables aux catégories des personnels de l'enseignement et auquel sont attribuées, sur la base de ses compétences particulières, une ou plusieurs charges de cours.
  Le total des prestations de l'intervenant ne peut dépasser 320 périodes sur l'ensemble d'une année scolaire, en ce compris les périodes éventuellement prestées en fonction accessoire ou en fonction non exclusive en cumul avec une fonction principale.
  [1 Pour la fonction visée au présent paragraphe, une période représente une activité d'enseignement d'une durée de cinquante minutes.]1
  § 3. En cas de refus d'admission aux subventions de la charge de cours visée au § 1er, les périodes de cours en cause restent à disposition du pouvoir organisateur concerné.
  
Art. 60. [1 Voor de inrichting(en) voor kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan die door één zelfde inrichtende macht worden georganiseerd, kunnen de betrekkingen van studiemeester-opvoeder worden gecreëerd en behouden in verhouding tot één betrekking van een vierde werktijd (9 lestijden) voor elke aangesneden schijf van 350 regelmatige leerlingen.]1
  [1 Het totaal aantal lestijden van studiemeester-opvoeder die worden bekomen door een inrichtende macht, bedoeld in het eerste lid, kan worden verdeeld over één of meer betrekkingen van een vierde werktijd, halftijds, drie vierde werktijd of voltijds.]1
  [1 De betrekkingen van een vierde werktijd (9 lestijden) bedoeld in het eerste lid kunnen niet worden verdeeld over verschillende personeelsleden.]1
  De bij lid 1 bedoelde prestaties waarvoor toelagen kunnen worden bekomen, worden door de Inrichtende Macht naargelang van de werkingsbehoeften van de inrichtingen verdeeld over de verschillende autonome inrichtingen die zij organiseert.
  
Art. 59bis. [1 1er. Sur avis de l'assemblée générale du Conseil des études visée à l'article 19, les charges de remédiation sont déterminées par chaque Pouvoir organisateur concerné dans les limites des dotations de périodes de cours prévues aux articles 30, 31, 35 et 37.
   § 2. Un professeur chargé de la remédiation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est un membre du personnel soumis aux dispositions statutaires applicables aux catégories des personnels de l'enseignement.
   La remédiation est intégrée à l'horaire des enseignants dans les fonctions, visées à l'article 51, qu'ils exercent.
   § 3. Dans un établissement d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le nombre de périodes de cours attribué annuellement par domaine à la remédiation est limité à deux périodes hebdomadaires par tranche entamée de 500 élèves inscrits dans le domaine concerné]1

  
Art. 61. De bij de artikelen 55 en 60 bedoelde betrekkingen waarvoor toelagen kunnen worden bekomen, worden bepaald voor de duur van het schooljaar naargelang van het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen voor het vorige schooljaar in de zin van artikel 11.
  [1 In afwijking van het eerste lid, voor het schooljaar 2022-2023, worden deze betrekkingen bepaald in functie van het aantal regelmatige leerlingen op 31 januari 2020 in de zin van artikel 11. ]1
  
Art. 60. [1 Pour le ou les établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit organisés par un même pouvoir organisateur, les emplois de surveillants-éducateurs peuvent être créés et maintenus à raison d'un emploi à quart temps (9 périodes) pour chaque tranche entamée de 350 élèves réguliers. ]1
  [1 Le nombre total de périodes de surveillants-éducateurs obtenues par un pouvoir organisateur, visé à l'alinéa 1er, peut être réparti en un ou plusieurs emplois à quart temps, à mi-temps, à trois quarts temps ou à temps plein.]1
  [1 Les emplois à quart temps (9 périodes) visés à l'alinéa 1er ne peuvent être fractionnés entre plusieurs membres du personnel. ]1
  Les prestations subventionnables visées au premier alinéa sont réparties par le Pouvoir organisateur entre les divers établissements autonomes qu'il organise en fonction des nécessités de fonctionnement de ceux-ci.
  
Art. 62. Wanneer de toepassing van artikel 60 tot gevolg heeft dat men tot een aantal betrekkingen of gedeelten van betrekkingen van studiemeester-opvoeder, waarvoor toelagen kunnen bekomen worden, komt dat lager is dan het aantal betrekkingen of gedeelten van betrekkingen waarvoor op 31 januari 1998 toelagen werden bekomen, dan kunnen de betrekkingen of gedeelten van gesubsidieerde betrekkingen in overtal, die aan sommige in vast verband benoemde personeelsleden werden toegewezen, behouden blijven zolang die personeelsleden titularis van deze betrekkingen blijven.
Art. 61. Les emplois subventionnables vises aux articles 55 et 60 sont fixes pour la durée de l'année scolaire en fonction du nombre d'élèves réguliers de l'année scolaire précédente au sens de l'article 11.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour l'année scolaire 2022-2023, ces emplois sont fixés en fonction du nombre d'élèves réguliers au 31 janvier 2020 au sens de l'article 11.]1
  
Art. 63. Voor de duur van het schooljaar 1998-1999 zijn de betrekkingen van studiemeester-opvoeder waarvoor toelagen kunnen worden bekomen deze die op 31 augustus 1998 vastgesteld en betoelaagd werden, aangepast, zo nodig, aan de toepassing van het nieuw geldelijk statuut bepaald bij artikel 98.
Art. 62. Lorsque l'application de l'article 60 a pour effet de déterminer un nombre d'emplois ou de fractions d'emplois subventionnables de surveillants-éducateurs inférieur au nombre d'emplois ou de fractions d'emplois subventionnés au 31 janvier 1998, les emplois ou fractions d'emplois excédentaires subventionnes attribués à des membres du personnel nommés à titre définitif en fonction principale peuvent être maintenus aussi longtemps que ces membres du personnel restent titulaires de ceux-ci.
Afdeling 3. - Het geldelijk statuut.
Art. 63. Pour la durée de l'année scolaire 1998-1999, les emplois subventionnables de surveillants-éducateurs sont ceux fixés et subventionnés au 31 août 1998, adaptés, s'il échet, à la mise en application du nouveau statut pécuniaire fixée par l'article 98.
Onderafdeling 1. - De terminologie en de algemene regels voor het vaststellen van de schalen.
Section 3. - Du statut pécuniaire.
Art. 64. De jaarlijkse wedden van de personeelsleden onderworpen aan dit decreet worden vastgesteld in schalen die bestaan uit :
Sous-section 1. - De la terminologie et des règles générales de fixation des échelles.
Art. 65. Voor elk bij artikel 53 bedoeld ambt, bepaalt de Regering de weddeschalen overeenkomstig artikel 64.
Art. 64. Les traitements annuels des membres du personnel soumis aux dispositions du présent décret sont fixés par des échelles comprenant :
  1° un traitement minimum;
  2° des traitements dénommés " échelons " résultant des augmentations périodiques c'est-à-dire des augmentations annales et biennales;
  3° un traitement maximum.
  Les traitements et augmentations périodiques sont exprimés en un nombre d'unités monétaires correspondant à leur montant annuel.
  L'échelle de chaque fonction est rangée, soit dans la classe dite " 20 ans ", soit dans la classe dite " 21 ans ", soit dans la classe dite " 22 ans ", soit dans la classe dite " 24 ans ".
  Les échelles de traitement sont désignées par des numéros qui les identifient ainsi que par des indices qui mentionnent le traitement minimum, le traitement maximum, la classe, ainsi que le nombre et le montant des augmentations périodiques.
Art. 66. Artikel 64 is niet van toepassing op de personeelsleden in dienst genomen of in vast verband benoemd en die de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet aan een overgangsstelsel onderworpen waren dat op hen tot het einde van hun loopbaan van toepassing blijft.
Art. 65. Pour chacune des fonctions visées à l'article 53, le Gouvernement fixe les échelles de traitement conformément à l'article 64.
Art. 67. In afwijking van artikel 64, wordt de in artikel 72, lid 3 bedoelde wedde berekend op basis van de weddeschalen die sedert 31 januari 1996 toegepast worden.
Art. 66. L'article 64 ne s'applique pas aux membres du personnel engagés ou nommés à titre définitif et bénéficiant la veille de l'entrée en vigueur du présent décret d'un régime transitoire qui leur reste applicable jusqu'au terme de leur carrière.
Onderafdeling 2. - Hoofdambten.
Art. 67. Par dérogation à l'article 64, le traitement visé à l'article 72, alinéa 3, est calculé sur base des échelles de traitement appliquées au 31 janvier 1996.
Art. 68. Het lid van het bestuurs-, het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel tewerkgesteld in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt beschouwd als een lid dat een hoofdambt met volledige of onvolledige dagtaak bekleedt wanneer het zich in geen enkele bij artikel 71 bedoelde situatie bevindt.
Sous-section 2. - Des fonctions principales.
Art. 69. Het lid van het bestuurs-, het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel tewerkgesteld in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt beschouwd als titularis van een hoofdambt met volledige dagtaak in dat onderwijs wanneer het daar ten minste het minimaal aantal lestijden presteert die vereist zijn voor zijn ambt in een of meer inrichtingen.
  Het aantal bij lid 1 bedoelde lestijden wordt vastgesteld op zesendertig per week voor de ambten van directeur, [1 adjunct-directeur]1 en studiemeester-opvoeder.
  Voor de bij lid 2 bedoelde ambten, stemt een lestijd overeen met een activiteitsduur van zestig minuten.
  Het aantal bij lid 1 bedoelde ambten wordt vastgesteld op vierentwintig per week voor de functie van leraar kunstvakken.
  Voor het bij lid 4 bedoelde ambt, stemt een lestijd overeen met een onderwijsactiviteit van vijftig minuten.
  
Art. 68. Le membre du personnel directeur, du personnel enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation occupé dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est considéré en fonction principale à prestations complètes ou incomplètes lorsqu'il ne se trouve dans aucune des situations visées à l'article 71.
Art. 70. Het lid van het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel dat ofwel in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, ofwel in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en in andere types onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap hoofdambten met onvolledige dagtaak uitoefent, wordt beschouwd als titularis van een hoofdambt met volledige dagtaak wanneer het totaal van de relatieve waarden van de uurfracties van zijn verschillende ambten de eenheid bereikt.
  Het personeelslid dat de functie van directeur uitoefent is altijd titularis van een functie met volledige dagtaak in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Art. 69. Le membre du personnel directeur, du personnel enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation occupé dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est considéré comme titulaire d'une fonction principale à prestations complètes dans cet enseignement lorsqu'il y preste au moins le nombre minimum de périodes requises pour sa fonction dans un ou plusieurs établissements.
  Le nombre de périodes visé à l'alinéa 1er est fixé à trente-six par semaine pour les fonctions de directeur, de [1 directeur adjoint]1 et de surveillant-éducateur.
  Pour les fonctions visées à l'alinéa 2, une période représente une durée d'activité de soixante minutes.
  Le nombre de périodes visé à l'alinéa 1er est fixé à vingt-quatre par semaine pour la fonction de professeur de cours artistiques.
  Pour la fonction visée à l'alinéa 4, une période représente une activité d'enseignement d'une durée de cinquante minutes.
  
Onderafdeling 3. - Bijambten.
Art. 70. Le membre du personnel enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation, qui exerce des fonctions principales à prestations incomplètes soit dans un ou plusieurs établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, soit dans un ou plusieurs établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et dans d'autres types d'enseignement organisés ou subventionnés par la Communauté française est considéré comme titulaire d'une fonction principale à prestations complètes lorsque la somme des valeurs relatives des fractions horaires de ses différentes fonctions atteint l'unité.
Art. 71.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder "bijambt" het ambt met volledige of onvolledige dagtaak uitgeoefend in een of meer inrichtingen van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan door een personeelslid :
Sous-section 3. - Des fonctions accessoires.
Art. 71bis. <INGEVOEGD bij DFG 2006-01-27/50, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Bij zijn indiensttreding in een instelling die onder de toepassing van dit besluit valt, dient het personeelslid een aangifte van de cumulatie [1 bij zijn inrichtende macht]1 in volgens een door de regering nader te bepalen model.
  § 2. Het personeelslid dat onderworpen is aan dit besluit, dient een aangifte van de cumulatie bedoeld in § 1 in wanneer hij met een zelfstandige of een beroepsactiviteit begint, en bij elke wijziging van de desbetreffende activiteit. Wanneer hij de bovenvermelde activiteit stopzet, brengt het personeelslid [1 de inrichtende macht]1 daarvan op de hoogte.
  
Art. 71. § 1er. Pour l'application du présent décret, on entend par " fonction accessoire ", la fonction à prestations complètes ou incomplètes qu'exerce dans un ou plusieurs établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le membre du personnel :
  1° qui exerce déjà [1 dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit ou]1 dans l'enseignement de plein exercice, en ce compris l'enseignement secondaire à horaire réduit, une fonction autre que non exclusive, à prestations complètes, au sens de l'article 4 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du ministère de l'instruction publique;
  2° qui exerce déjà dans l'enseignement de promotion sociale une fonction principale à prestations complètes au sens des articles 8 à 10 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 octobre 1993 portant statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement de promotion sociale de la Communauté française;
  3° qui exerce déjà une fonction principale à prestations complètes au sens de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal du 15 avril 1958 précité, constituée de plusieurs fonctions principales à prestations incomplètes (...);
  4° (...)
  5° (...)
  6° (...)
  7° qui exerce une fonction non exclusive dans l'enseignement de plein exercice ou dans l'enseignement artistique pour laquelle il bénéficie d'un traitement complet dont le montant brut est égal ou supérieur au minimum de son échelle de traitement.
  § 2. Pour l'application du § 1er, (...) 7°, on entend par minimum de l'échelle de traitement :
  1° pour le membre du personnel qui exerce simultanément plusieurs fonctions dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le minimum de l'échelle de traitement la moins élevée dont il bénéficie;
  2° pour le membre du personnel dont la rémunération est calculée conformément à l'article 72, alinéa 3, le minimum de l'échelle de traitement la moins élevée dont il bénéficiait au 31 janvier 1996.
  Pour l'application du § 1er, 7°, est qualifiée de non exclusive la fonction qu'exerce, dans l'enseignement artistique de la Communauté française, le professeur enseignant les cours artistiques et l'accompagnateur.
  § 3. Dans les cas visés au § 1er, le caractère principal ou accessoire de la fonction est déterminé dès l'engagement du membre du personnel.
  Si dans le courant de l'année scolaire survient un événement de nature à modifier le caractère accessoire ou principal de la fonction dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le membre du personnel est considéré comme titulaire soit d'une fonction principale à prestations complètes, soit d'une ou de plusieurs fonctions principales à prestations incomplètes visées à l'article 69, soit d'une fonction accessoire uniquement durant la période au cours de laquelle le caractère accessoire ou principal de la fonction est modifié.
  § 4. (La Commission créée par la loi du 8 février 1974 modifiant l'arrêté royal du 15 avril 1958, modifié par arrêté royal du 10 mars 1965, portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, conserve sa compétence d'avis, conformément aux dispositions applicables à la veille de l'entrée en vigueur de la présente disposition, pour les prestations effectuées avant le 1er janvier 2006 par le membre du personnel soumis au présent décret.)
  
Onderafdeling 4. - Algemene regels voor het vaststellen van de wedde.
Art. 71bis. § 1er. Lors de son entrée en fonction dans un établissement régi par le présent décret, le membre du personnel introduit une déclaration de cumul [1 auprès de son pouvoir organisateur]1, suivant le modèle fixé par le Gouvernement.
Art. 72. In geval het geldelijk statuut wijzigingen ondergaat, wordt elke wedde die met een ambt gepaard gaat, vastgesteld overeenkomstig dit nieuw geldelijk statuut.
Sous-section 4. - Des règles générales de fixation du traitement.
Art. 73. De wedde van een personeelslid dat onder de bepalingen van dit decreet valt, is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen volgens het stelsel toepasselijk op de wedden van het personeel van de Regering van de Franse Gemeenschap.
Art. 72. En cas de modification du statut pécuniaire, tout traitement afférent à une fonction est fixé conformément à ce nouveau statut pécuniaire.
  Si le traitement mensuel brut à 100 % ainsi fixé est inférieur à celui dont le membre du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation nommé à titre définitif bénéficiait dans sa fonction à l'entrée en vigueur de l'arrêté modificatif, le traitement mensuel brut à 100 % lui est maintenu dans cette fonction jusqu'à ce qu'il obtienne un traitement au moins égal.
  L'application de l'alinéa 2 ne peut cependant avoir pour effet de maintenir au membre du personnel concerné, titulaire de plusieurs emplois à prestations incomplètes, le bénéfice d'un traitement mensuel brut à 100 % supérieur à celui qui aurait été calculé le 31 août 1998 conformément à l'article 87, alinéas 2 et 3, sur base des prestations exercées à titre définitif au 31 janvier 1996 et dont il conserve la charge.
  Pour le membre du personnel qui n'exerçait pas de prestations à titre définitif au 31 janvier 1996, le traitement visé à l'alinéa 3 est calcule :
  1° pour le membre du personnel qui bénéficiait à cette date d'un traitement d'activité, sur base des prestations et échelles de traitement prises en compte pour le calcul de ce traitement;
  2° pour le membre du personnel qui bénéficiait à cette date d'un traitement d'attente, sur base des prestations et échelles de traitement prises en compte pour le calcul du dernier traitement d'activité;
  3° pour les membres du personnel dont la nomination ou l'engagement à titre définitif est postérieur au 31 janvier 1996, sur base des prestations et échelles de traitement prises en compte pour le calcul du traitement d'activité à la date de la nomination ou de l'engagement à titre définitif.
  Pour le membre du personnel qui bénéficie d'un traitement d'attente à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, l'application des dispositions des alinéas 3 et 4 est reportée à la date de fixation d'un nouveau traitement d'activité.
  Les dispositions de l'alinéa 2 ne sont plus applicables dès lors que la fonction principale exercée par le membre du personnel devient accessoire.
Art. 74. Voor de vaststelling van de leeftijd van het personeelslid om zijn wedde te bepalen, wordt de verjaardag van de geboorte die op een andere datum valt dan de eerste dag van de maand, altijd uitgesteld tot de eerste dag van de volgende maand.
Art. 73. Le traitement d'un membre du personnel régi par les dispositions du présent décret est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation selon le régime applicable aux traitements du personnel du Gouvernement de la Communauté française
Art. 75. De wedde van ieder personeelslid wordt vastgesteld in de schaal (schalen) van zijn ambt(en) rekening houdend, zo nodig, met de diploma('s) of bekwaamheidsbewijzen waarvan hij houder is.
  [1 In afwijking van het eerste lid wordt de wedde van het personeelslid voor 90% uitbetaald wanneer de cursussen tijdens het schooljaar gespreid worden over 33 tot 36 weken van de opening van de inrichting of van de afdeling van deze inrichting, en voor 80% voor 29 tot 32 openingsweken.]1
  
Art. 74. Pour la détermination de l'âge du membre du personnel en vue de la fixation de son traitement, l'anniversaire de la naissance qui a lieu à une date autre que le premier du mois est toujours reporté au premier du mois suivant.
Art. 76. Behoudens de titularis van een bijambt ontvangt het personeelslid op elk ogenblik een wedde berekend volgens zijn anciënniteit gevormd door het totaal van de bij artikel 78 bedoelde in aanmerking komende diensten.
  Voor de vaststelling van de wedde wordt enkel de nuttige anciënniteit in aanmerking genomen, d.w.z. deze die verworven is op het ogenblik dat het personeelslid het grootst aantal in aanmerking komende diensten telt die overeenstemmen met de periodieke verhogingen.
  Voor de toepassing van de leden 1 en 2 vormt het totaal van twaalf maanden in aanmerking komende diensten een jaar.
Art. 75. Le traitement de tout membre du personnel est fixé dans l'(les) échelle(s) de sa (ses) fonction(s) compte tenu, s'il échet, du (des) diplôme(s) ou titre(s) dont il est titulaire.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, le traitement du membre du personnel est payé à concurrence de 90 % lorsque les cours sont répartis durant l'année scolaire sur 33 à 36 semaines d'ouverture de l'établissement ou du domaine de cet établissement et de 80 % pour 29 à 32 semaines d'ouverture.]1
  
Art. 77. De bepalingen van deze onderafdeling zijn niet toepasselijk op de personeelsleden die een wedde ontvangen, berekend op basis van de bij artikel 66 bedoelde overgangsregeling.
Art. 76. A l'exception du titulaire d'une fonction accessoire, le membre du personnel bénéficie à tout moment d'un traitement calculé d'après son ancienneté constituée du total des services admissibles visés à l'article 78.
  Pour la détermination du traitement est seule retenue l'ancienneté utile, c'est-à-dire celle acquise au moment où le membre du personnel compte le plus grand nombre d'années de services admissibles correspondant aux augmentations périodiques.
  Pour l'application des alinéas 1er et 2, le total de douze mois de services admissibles forme une année.
Onderafdeling 5. - In aanmerking komende diensten.
Art. 77. Les dispositions de la présente sous-section ne sont pas applicables aux membres du personnel bénéficiant d'un traitement calculé sur base du régime transitoire visé à l'article 66.
Art. 78.§ 1. Komen in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de leden van het bestuurs-, en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel onderworpen aan de bepalingen van dit decreet en die een hoofdambt uitoefenen in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan :
Sous-section 5. - Des services admissibles.
Art. 79. Wat de toepassing van artikel 78, § 1 betreft, wordt het personeelslid geacht werkelijke diensten te presteren zolang het zich in een administratieve toestand bevindt waardoor het, gelet op zijn statuut, zijn activiteitswedde ontvangt of, bij gemis ervan, zijn aanspraak op verhoging van wedde wedde behoudt.
Art. 78. § 1er. Entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire des membres du personnel directeur, du personnel enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation soumis aux dispositions du présent décret et exerçant une fonction principale dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit :
  1° les services admissibles visés à l'article 16 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 précité, à l'exclusion des services visés à l'article 18 du même arrêté;
  2° les services effectifs d'enseignement que le membre du personnel a rendus :
  a) dans l'enseignement de promotion sociale organisé ou subventionné par l'Etat (ou par une des Communautés);
  b) dans l'enseignement à horaire réduit organisé ou subventionné par l'Etat (ou par une des Communautés);
  c) dans l'enseignement à horaire réduit inspecté par l'Etat ou par la Communauté française, pour autant que le membre du personnel produise les documents certifies exacts par l'autorité compétente prouvant l'inspection de ce cours pendant la période où les services ont été rendus;
  3° les services à la coopération rendus sous l'un des régimes visés à l'article 1er de la loi du 26 mars 1968 facilitant le recrutement dans les services publics des personnes ayant accompli des services à la coopération avec les pays en voie de développement.
  L'admissibilité des services visés à l'alinéa 1er est prouvée par toute voie de droit.
  § 2. Dans les limites fixées par l'article 83, les services admissibles visés au § 1er sont valorisables non seulement lorsqu'ils ont été accomplis comme temporaires, stagiaires ou définitifs mais également en qualité de travailleur du cadre spécial temporaire (CST), d'agent contractuel subventionné (ACS), de chômeur mis au travail (CMT), de stagiaire " Education nationale " (STEN), de stagiaire " Communauté française " (STEC) et de stagiaire ONEM.
  Toutefois, les services accomplis comme chômeur mis au travail ne sont pris en considération qu'à partir du moment où le membre du personnel acquiert la qualité de définitif.
  § 3. Les services visés aux §§ 1er et 2 sont admissibles à partir de l'âge de 20, de 21, de 22 ou de 24 ans, selon la classe de l'échelle de traitement.
  [1 § 4. Par dérogation au § 3, sont admissibles les services effectifs repris au § 1er et § 2, accomplis avant le seuil d'âge, prestés par le membre du personnel entré en fonction postérieurement au 31 août 2008 ou qui, en fonction antérieurement, n'a pas atteint le seuil d'âge de son échelle à cette même date.]1
  
Art. 80. [1 Worden niet beschouwd als in aanmerking komende diensten, de diensten die het personeelslid na 1 september 1998 heeft gepresteerd als titularis van een bijambt.]1
  
Art. 79. Pour l'application de l'article 78, § 1er, le membre du personnel est réputé prester des services effectifs, tant qu'il se trouve dans une position administrative qui lui vaut de par son statut, son traitement d'activité ou, à défaut, la conservation de ses titres à l'avancement de traitement.
Art. 81. § 1. De bij artikel 78, §§ 1 en 2, bedoelde in aanmerking komende diensten worden per kalendermaand berekend; deze die zich niet over heel de maand uitstrekken komen niet in aanmerking.
  § 2. De werkelijke diensten die het personeelslid gepresteerd heeft als waarnemend of tijdelijk lid in een inrichting van het Rijksonderwijs, het onderwijs (van een Gemeenschap), een provincie, een gemeente of en administratie die afhangt van een provincie of een gemeente of een schoolinrichting gesubsidieerd door de Staat (of door één van de Gemeenschappen), komen in aanmerking voor een anciënniteit gelijk aan het aantal gepresteerde dagen, vermenigvuldigd met 1,2. [1 Het resultaat van de vermenigvuldiging wordt beperkt tot een maximum van 360 dagen per schooljaar.]1
  Dertig dagen vormen een maand.
  § 3. De werkelijke diensten gepresteerd door een personeelslid als waarnemer in een provinciale of gemeentelijke, vóór 1 september 1958 aangenomen of aanneembare school voor lager of kleuteronderwijs, blijven onderworpen aan de bepalingen vastgesteld bij ministerieel besluit van 20 augustus 1959 tot vaststelling van de duur der in aanmerking komende diensten welke de leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs als waarnemend lid gepresteerd hebben.
  § 4. Voor de toepassing van dit artikel worden als interimaire of tijdelijke diensten beschouwd alle in aanmerking komende diensten die gepresteerd werden tijdens de maand waarin het personeelslid aangesteld werd of voor de eerste maal tewerkgesteld in een andere hoedanigheid dan deze van waarnemend of tijdelijk lid.
  
Art. 80. [1 Ne sont pas considérés comme services admissibles les services que le membre du personnel a prestés, après le 1er septembre 1998, comme titulaire d'une fonction accessoire.]1
  
Art. 82. De duur van de in aanmerking komende diensten gepresteerd in twee of meer betrekkingen met volledige of onvolledige dagtaak, tegelijkertijd uitgeoefend, mogen nooit de duur van de in aanmerking komende diensten overschrijden die werden gepresteerd in een ambt met volledige dagtaak uitgeoefend tijdens dezelfde lestijd.
  De duur van de in aanmerking komende diensten die een personeelslid telt, mag nooit de twaalf maanden per burgerlijk jaar overschrijden.
Art. 81. § 1er. Les services admissibles visés à l'article 78, § 1er et 2, se comptent par mois de calendrier, ceux qui ne couvrent pas tout le mois ne sont pas pris en compte.
  § 2. Les services effectifs que le membre du personnel a prestés comme intérimaire ou comme temporaire dans un établissement d'enseignement de l'Etat, (d'une Communauté), d'une province, d'une commune ou d'une administration relevant d'une province ou d'une commune ou d'un établissement d'enseignement subventionné par l'Etat (ou par une des Communautés), interviennent pour une ancienneté égale au nombre de jours prestés, multiplié par 1,2. [1 Le résultat de la multiplication sera limité à 360 jours maximum par année scolaire.]1
  Trente jours forment un mois.
  § 3. Les services effectifs prestés par un membre du personnel comme intérimaire dans une école primaire ou maternelle, soit provinciale ou communale, soit adoptée ou adaptable avant le 1er septembre 1958, restent soumis aux dispositions fixées par l'arrêté ministériel du 20 août 1959 fixant la durée des services admissibles prestés à titre intérimaire par les membres du personnel enseignant, scientifique ou assimilé du ministère de l'Instruction publique.
  § 4. Pour l'application du présent article, sont réputés intérimaires ou temporaires, tous les services admissibles prestés pendant le mois au cours duquel le membre du personnel est désigné ou occupé pour la première fois en une qualité autre que celle d'intérimaire ou de temporaire.
  
Art. 83. De in aanmerking komende diensten gepresteerd als tewerkgestelde werkloze komen slechts in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit naar rata van zes jaren wanneer het personeelslid ook diensten kan laten gelden die het vroeger heeft gepresteerd als gesubsidieerde contractueel en naar rata van twee jaren in het tegenovergestelde geval.
Art. 82. La durée des services admissibles rendus dans deux ou plusieurs fonctions à prestations complètes ou incomplètes, exercées simultanément, ne peut jamais excéder la durée des services admissibles rendus dans une fonction à prestations complètes exercée pour la même période.
  La durée des services admissibles que compte un membre du personnel ne peut jamais excéder douze mois par année civile.
Onderafdeling 6. - Nader regels voor de uitbetaling van de wedde aan de personeelsleden die in dienst zijn genomen of die in vast verband benoemd zijn.
Art. 83. Les services admissibles prestés en qualité de chômeur mis au travail n'entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire, qu'à concurrence de six ans lorsque le membre du personnel peut également faire valoir des services prestés antérieurement en qualité d'agent contractuel subventionné et à concurrence de deux ans dans le cas contraire.
Art. 84.§ 1. Het vast benoemd personeelslid dat een of meer ambten als hoofdambt uitoefent in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt maandelijks betaald.
Sous-section 6. - Des modalités de paiement du traitement aux membres du personnel engagés ou nommés à titre définitif.
Art. 85. Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt zij in dertigsten verdeeld, overeenkomstig de regels van toepassing op het personeel van de ministeries.
  Indien het aantal betaalbare dagen in feite gelijk is aan of lager is dan 15, is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het werkelijk aantal betaalbare dagen.
  Indien het aantal betaalbare dagen in feite hoger is dan 15, is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het verschil tussen 30 en het werkelijk aantal niet-betaalbare dagen.
Art. 84. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif exerçant une ou plusieurs fonctions au titre d'une fonction principale dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est paye mensuellement.
  Le traitement du membre du personnel visé à l'alinéa 1er est payé à terme échu, à savoir le dernier jour ouvrable du mois, [1 ...]1.
  Il en est de même des allocations et de tout autre élément de la rémunération payés simultanément au traitement.
  § 2. Le traitement du mois est égal à un douzième du traitement annuel au sens de l'article 64.
  § 3. Lorsque le membre du personnel occupé dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit fait l'objet en cours d'année scolaire d'une nomination définitive dans la (les) fonction(s) qu'il exerce et qu'il occupait jusqu'à cette date à titre temporaire, son traitement est régularisé de la manière suivante :
  1° depuis le premier jour de l'année scolaire en cours jusqu'au premier jour du mois de la prise d'effet de sa nomination définitive, le membre du personnel concerné est rémunéré en douzièmes à titre temporaire;
  2° il bénéficie du traitement à titre définitif au premier jour du mois de prise en compte de sa nomination définitive. Si la nomination intervient dans le courant du mois, la nouvelle rémunération prend cours le premier jour du mois suivant.
  § 4. Lorsqu'un membre du personnel définitif est admis à la retraite ou décède, le traitement du mois entier est payé à l'intéressé ou à ses ayants-droit selon le cas.
  
Art. 86. Het personeelslid onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling en titularis van een hoofdambt met onvolledige dagtaak ontvangt een wedde die gelijk is aan de wedde die het lid zou ontvangen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 84, indien het lid hetzelfde ambt met volledige dagtaak zou uitoefenen, vermenigvuldigd met het quotiënt van de deling van het aantal lestijden/week dat het ambt in kwestie bedraagt door het aantal lestijden/week dat datzelfde ambt met volledige dagtaak bedraagt.
Art. 85. Lorsque le traitement du mois n'est pas dû entièrement, il est fractionné en trentièmes, conformément aux règles applicables au personnel des ministères.
  Si le nombre réel de journées payables est égal ou inférieur à 15, le nombre de trentièmes dû est égal au nombre réel de journées payables.
  Si le nombre réel de journées payables est supérieur à 15, le nombre de trentièmes dû est égal à la différence entre 30 et le nombre réel de journées non payables.
Art. 87. Het personeelslid onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling en titularis van een hoofdambt met volledige dagtaak ontvangt een wedde waarvan het jaarlijks brutobedrag berekend wordt op basis van de weddeschaal die kan toegepast worden op zijn betrekking rekening houdend met zijn in aanmerking komende diensten.
  Indien het bij lid 1 bedoelde personeelslid titularis is van een hoofdambt met volledige dagtaak bestaande uit verschillende onvolledige ambten die hem recht geven op verschillende weddeschalen, wordt zijn wedde beperkt tot de wedde die het lid zou ontvangen voor een ambt met volledige dagtaak zoals bepaald bij artikel 69.
  Voor de toepassing van lid 2 wordt alleen het kleinste volledig getal lestijden in aanmerking genomen dat nodig is opdat de som van de relatieve waarden van deze lestijden de eenheid zou bereiken. Onder de door het personeelslid gepresteerde lestijden worden op de eerste plaats die lestijden gekozen die het best bezoldigd zijn.
Art. 86. Le membre du personnel soumis aux dispositions de la présente section et qui est titulaire d'une fonction principale à prestations incomplètes bénéficie d'un traitement égal au traitement qu'il obtiendrait, conformément aux dispositions de l'article 84, s'il exerçait la même fonction à prestations complètes, multiplié par le quotient de la division du nombre de périodes/semaine que comporte la fonction considérée par le nombre de périodes/semaine que comporte la même fonction en prestations complètes.
Art. 88. De leden van het bestuurs-, het onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel tewerkgesteld in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan waar zij een of meer bijambten als vast benoemden uitoefenen, ontvangen de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet een bezoldiging die uitbetaald wordt overeenkomstig artikel 84.
Art. 87. Le membre du personnel soumis aux dispositions de la présente section et qui est titulaire d'une fonction principale à prestations complètes bénéficie d'un traitement dont le montant annuel brut est calculé sur la base de l'échelle de traitement applicable à sa fonction en tenant compte de ses services admissibles.
  Si le membre du personnel visé à l'alinéa 1er est titulaire d'une fonction principale à prestations complètes constituée de plusieurs fonctions incomplètes lui donnant droit à des échelles différentes, son traitement sera limité au traitement qu'il obtiendrait pour une fonction à prestations complètes telle que définie à l'article 69.
  Pour l'application de l'alinéa 2, est seul retenu le plus petit nombre entier de périodes de cours nécessaire pour que la somme des valeurs relatives de ces périodes atteigne l'unité. Parmi les périodes prestées par le membre du personnel, sont d'abord choisies celles qui sont le mieux rémunérées.
Art. 89. De personeelsleden die na toepassing van artikel 88 bezoldigd worden voor de uitoefening van een bijambt van directeur of [1 adjunct-directeur]1 in het [2 secundair]2 kunstonderwijs met beperkt leerplan zijn ertoe verplicht, ongeacht hun beperkte bezoldiging, volledige prestaties te leveren die overeenstemmen met de betrekking die zij bekleden.
  Hetzelfde geldt wanneer de beperking van de bezoldiging het gevolg is van de toepassing van artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de begrotingsvoorstellen 1976-1977.
  
Art. 88. Les membres du personnel directeur, du personnel enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation occupés dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dans lequel ils prestent une ou plusieurs fonctions accessoires à titre définitif, à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret, bénéficient d'une rémunération payée conformément à l'article 84.
Art. 90. Voor de bij artikel 88 bedoelde personeelsleden heeft elke vermindering van toewijzing voor de betrokkenen het verlies van het voordeel van de verworven geldelijke toestand ten belope van deze vermindering tot gevolg.
Art. 89. Les membres du personnel qui, après application de l'article 88, sont rétribués pour l'exercice d'une fonction accessoire de directeur ou de [1 directeur adjoint]1 dans l'enseignement [2 secondaire]2 artistique à horaire réduit sont tenus, indépendamment de leur rémunération limitée, d'assurer les prestations complètes qui correspondent à l'emploi qu'ils occupent.
  Il en est de même lorsque la limitation de la rémunération résulte de l'application de l'article 77 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977.
  
Art. 91. § 1. De wedde verschuldigd voor de bij artikel 88 bedoelde prestaties wordt vastgesteld op basis van dezelfde bepalingen die toepasselijk zijn op de titularis van een of meer hoofdambten met onvolledige dagtaak bedoeld bij artikel 86.
  § 2. In afwijking van § 1, wordt de geldelijke anciënniteit van het personeelslid, dat uiterlijk op 7 augustus 1982 vastbenoemd werd of stagiair was in het kunst [1 secundair]1 onderwijs met beperkt leerplan en wiens prestaties in dat onderwijs als bijambt worden beschouwd sedert de inwerkingtreding van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels, beperkt tot de anciënniteit die het lid de laatste dag van het schooljaar 1981-1982 reeds had verworven.
  Het bedrag van de periodieke verhogingen die in die wedde zijn begrepen wordt met 50 % ingekort.
  § 3. In afwijking van § 1, wanneer de prestaties van het in § 2 bedoeld personeelslid als bijambt beschouwd worden op een datum die na de inwerkingtreding van voornoemd koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 valt, dan stemt de verschuldigde wedde voor deze prestaties overeen met 80 % van de minimum wedde in de zin van artikel 64 die zou toegekend worden aan een personeelslid dat dezelfde prestaties in een hoofdambt levert in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
  Onverminderd de bepalingen van voornoemde wet van 24 december 1976, mogen de prestaties die nog mogen bezoldigd worden volgens de voorwaarden bepaald bij dit artikel, het aantal lestijden waarmee het betrokken personeelslid de laatste dag van het schooljaar 1981-1982 belast was, niet overschrijden.
  § 4. Wat het personeelslid betreft dat vast benoemd of vast aangeworven of stagiair was op een datum die na 7 augustus 1982 valt, wordt er geen bezoldiging toegekend voor de uitoefening van een bijambt.
  Er kan een wedde, vastgesteld overeenkomstig § 3 volgens de bij artikel 95, §§2, 3 en 4 vastgestelde voorwaarden, evenwel tijdelijk worden toegekend.
  
Art. 90. Pour les membres du personnel visés à l'article 88, toute diminution d'attribution a pour effet de faire perdre définitivement aux intéressés le bénéfice de la situation pécuniaire acquise à concurrence de cette diminution.
Art. 92. De bij artikel 88 bedoelde personeelsleden kunnen geen aanspraak maken op een eindejaarstoelage of op vakantiegeld.
Art. 91. § 1er. Le traitement dû pour les prestations visées à l'article 88 est établi sur base des mêmes dispositions applicables au titulaire d'une ou de plusieurs fonctions principales à prestations incomplètes visées à l'article 86.
  § 2. Par dérogation au § 1er, l'ancienneté pécuniaire du membre du personnel nommé à titre définitif ou stagiaire au plus tard le 7 août 1982 dans l'enseignement [1 secondaire]1 artistique à horaire réduit et dont les prestations dans cet enseignement sont considérées comme une fonction accessoire depuis l'entrée en vigueur de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires, est limitée à celle qu'il avait acquise au dernier jour de l'année scolaire 1981-1982.
  Le montant des augmentations périodiques comprises dans ce traitement est réduit de 50 %.
  § 3. Par dérogation au § 1er, lorsque les prestations du membre du personnel visé au § 2 sont considérées comme accessoires à une date postérieure à celle de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 précité, le traitement dû pour ces prestations correspond à 80 % du traitement minimum au sens de l'article 64 qui serait accordé à un membre du personnel exerçant les mêmes prestations en fonction principale dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
  Sans préjudice des dispositions de la loi du 24 décembre 1976 précitée, les prestations qui peuvent encore être rémunérées selon les conditions fixées par le présent article ne peuvent dépasser le nombre de périodes dont le membre du personnel intéressé était chargé le dernier jour de l'année scolaire 1981-1982.
  § 4. Pour le membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif ou stagiaire à une date postérieure au 7 août 1982, il n'est pas octroyé de rémunération pour l'exercice d'une fonction accessoire.
  Il peut toutefois être octroyé temporairement un traitement fixé conformément au § 3 selon les conditions fixées à l'article 95, §§ 2, 3 et 4.
  
Onderafdeling 7. - Nadere regels voor de uitbetaling van de wedde aan de tijdelijke personeelsleden.
Art. 92. Les membres du personnel visés à l'article 88 n'ont pas droit à une allocation de fin d'année ou à un pécule de vacances.
Art. 93.§ 1. De tijdelijke personeelsleden ontvangen een dagelijkse bezoldiging vastgesteld op 1/360e van de jaarwedde in de zin van artikel 64.
Sous-section 7. - Des modalités de paiement du traitement aux membres du personnel temporaires.
Art. 94. De bepalingen van de artikelen 86 en 87 zijn van toepassing op de tijdelijke personeelsleden die een hoofdambt bekleden.
Art. 93. § 1er. Les membres du personnel temporaires bénéficient d'une rétribution journalière fixée à 1/360 du traitement annuel au sens de l'article 64.
  [2 Sont payables, tous les jours compris du début à la fin de la ou des périodes de désignation y compris s'ils sont englobés dans la ou lesdites périodes, les congés d'automne (de Toussaint) et de détente (de Carnaval), ainsi que les vacances d'hiver (de Noël) et de printemps (de Pâques); le nombre total de jours ainsi payables durant l'année scolaire ne peut dépasser 313.]2
  En outre, est payable au cours des vacances d'été, une rémunération différée égale au [2 résultat]2 de la multiplication par [2 0,150160]2 des rémunérations journalières payées conformément aux alinéas 1er et 2.
  § 2. Le paragraphe 1er, alinéa 3, ne s'applique pas :
  1° (abrogé)
  2° au membre du personnel visé par l'arrêté royal n° 294 du 31 mars 1984 fixant les conditions d'octroi de la rémunération différée à certains membres du personnel temporaire de l'enseignement qui ont d'autres revenus professionnels pendant les vacances d'été.
  
Art. 95. § 1. Er wordt geen bezoldiging meer toegekend aan het tijdelijk personeelslid titularis van een bijambt.
  § 2. In afwijking van § 1, kan er evenwel binnen de bij voornoemde wet van 24 december 1976 bepaalde perken een wedde tijdelijk worden toegekend voor prestaties die moeten beschouwd worden als bijambt, op voorwaarde dat geen enkele andere gegadigde titularis van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan gevonden worden om betrokken prestaties in een hoofdambt uit te oefenen.
  § 3. De bij § 2 bedoelde afwijking kan op aanvraag van de betrokken Inrichtende Macht, gericht tot de bevoegde Administratie, door de Regering of haar gemachtigde worden toegekend.
  Op straffe van nietigheid, moet deze aanvraag bij aangetekende brief binnen de 30 kalenderdagen opgezonden worden die volgen op de feiten die aanleiding gaven tot het verzoek. Samen met die aanvraag moeten de hierna volgende documenten verzonden worden waaruit blijkt dat het onmogelijk was een kandidaat voor een hoofdambt aan te werven, te weten :
  1° de beschrijving van de prestaties;
  2° de uitwisseling van de briefwisseling met de bevoegde FOREm of de bevoegde BGDA;
  3° de lijst van de eventueel afgewezen kandidaten met verantwoording van hun uitschakeling.
  § 4. Is de beslissing ongunstig, dan wordt de wedde niet meer toegekend vanaf de datum bepaald door de Regering of haar gemachtigde en uiterlijk de eerste dag van het schooljaar dat volgt op de datum van de beslissing.
Art. 94. Les dispositions des articles 86 et 87 sont applicables aux membres du personnel temporaires en fonction principale.
Art. 96. De wedde die verschuldigd is voor het bijambt bedoeld bij artikel 95, § 2 stemt overeen met tachtig percent van de minimumwedde in de zin van artikel 64, die zou toegekend worden aan een personeelslid dat dezelfde prestaties in hoofdambt zou uitoefenen in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan.
Art. 95. § 1er. Il n'est plus octroyé de rémunération au membre du personnel temporaire titulaire d'une fonction accessoire.
  § 2. Par dérogation au § 1er, il peut toutefois être octroyé temporairement un traitement, dans les limites fixées par la loi du 24 décembre 1976 précitée, pour des prestations à considérer comme fonction accessoire, à la condition qu'aucun autre candidat porteur d'un titre requis ou d'un titre jugé suffisant ne puisse être trouvé pour exercer les prestations en cause en fonction principale.
  § 3. La dérogation visée au § 2 peut être accordée par le Gouvernement ou son délégué à la demande du pouvoir organisateur concerné adressée à l'Administration compétente.
  Sous peine de nullité, cette demande doit être adressée par lettre recommandée à la poste endéans les 30 jours calendrier suivant les faits qui ont donné lieu à la requête. Cette demande doit être accompagnée des documents repris ci-après attestant de l'impossibilité de recruter un candidat en fonction principale, à savoir :
  1° la description des prestations;
  2° l'échange de correspondances avec le FOREM ou [1 ACTIRIS]1 compétent;
  3° la liste des candidats éventuellement écartés avec justification de l'éviction.
  § 4. En cas de décision défavorable, le traitement ne sera plus accordé à partir de la date fixée par le Gouvernement ou son délégué et au plus tard le premier jour de l'année scolaire qui suit la date de la décision.
  
Art. 97. De personeelsleden die overeenkomstig artikel 95, § 2 bezoldigd worden, hebben geen recht op een eindejaarstoelage of op vakantiegeld.
Art. 96. Le traitement dû pour la fonction accessoire visée à l'article 95, § 2, correspond à quatre-vingts pour cent du traitement minimum au sens de l'article 64, qui serait accordé à un membre du personnel exerçant les mêmes prestations en fonction principale dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
Onderafdeling 8. - De toepassing van het geldelijk statuut.
Art. 97. Les membres du personnel rémunérés conformément à l'article 95, § 2, n'ont pas droit à une allocation de fin d'année ou à un pécule de vacances.
Art. 98.§ 1. De aanpassing van de bij artikel 69 bedoelde lestijden wordt als volgt uitgevoerd :
Sous-section 8. - De la mise en application du statut pécuniaire.
Afdeling 4. - De bezoldiging van de lesgelastigden.
Art. 98.§ 1er. L'adaptation des périodes visées à l'article 69 s'établit comme suit :
Art. 99. Voor de indienstneming door een Inrichtende Macht van een lesgelastigde wordt een arbeidsovereenkomst ondertekend voor een welbepaald werk waarvoor de bezoldiging wordt vastgesteld op 700 frank voor elke gepresteerde lestijd.
Section 4. - De la rétribution des intervenants.
Afdeling 5. [1 - Bepaling betreffende de vergoeding van informaticakosten ]1
Art. 99. L'engagement d'un intervenant par un pouvoir organisateur fait l'objet d'un contrat de travail conclu pour un travail nettement défini dont la rétribution est fixée à 700 francs pour chaque période de cours prestée.
Art. 99bis. [1 De personeelsleden die een onderwijsambt of selectieambt bekleden, worden vergoed voor het gebruik van hun privé-informaticamateriaal voor beroepsdoeleinden als terugbetaling van kosten die specifiek zijn voor de werkgever, tenzij ze al een dergelijke vergoeding genieten in toepassing van artikelen 6, § 2 en 20, § 2, eerste lid van het decreet van 14 maart 2019 houdende diverse bepalingen betreffende de werkorganisatie van de onderwijspersoneelsleden en tot toekenning van meer organisatieflexibiliteit aan de Inrichtende machten of van artikel 112bis van het decreet van 16 april 1991 houdende de organisatie van het volwassenenonderwijs;
Section 5. [1 Disposition relative à l'indemnisation des frais informatiques ]1
HOOFDSTUK VI. - De bekwaamheidsbewijzen.
Art. 99bis. [1 Les membres du personnel qui occupent une fonction enseignante ou une fonction de sélection sont indemnisés pour l'utilisation à des fins professionnelles de leur outil informatique privé et de leur connexion internet privée au titre de remboursement de frais propres à l'employeur, sauf s'ils bénéficient déjà d'une telle indemnité en application des articles 6, § 2, et 20, § 2, alinéa 1er, du décret du 14 mars 2019 portant diverses dispositions relatives à l'organisation du travail des membres du personnel de l'enseignement et octroyant plus de souplesse organisationnelle aux Pouvoirs organisateurs ou de l'article 112bis du décret du 16 avril 1991 organisant l'Enseignement pour Adultes.
Afdeling 1. - De vereiste en als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen.
CHAPITRE VI. - Des titres de capacité.
Art. 100.§ 1. De bekwaamheidsbewijzen bedoeld bij artikel 2 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het vrij gesubsidieerd onderwijs en bij artikel 2 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs worden gerangschikt in vereiste bekwaamheidsbewijzen, in als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen en in bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs.
Section 1. - Des titres requis et jugés suffisants.
Art. 100bis. [1 De nuttige ervaring wordt bewezen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
   § 1. De nuttige ervaring bedoeld in § 2 bestaat uit de artistieke bekwaamheden verworven ofwel binnen het activiteitenkader uitgeoefend voor eigen rekening, ofwel binnen een dienst of een openbare of privé-instelling, ofwel binnen een beroep, een ambt of een artistieke praktijk.
   § 2.[4 De Regering richt een Commissie voor de erkenning van nuttige ervaring op, hierna de Commissie genoemd, voor de leden van het onderwijzend personeel van het geheel van de gebieden van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan en voor de personeelsleden die een ambt uitoefenen van de kunstcursussen in het onderwijs met volledig leerplan.
   De Commissie beslist of de bekwaamheden die met een getuigschrift bekrachtigd of verklaard en bewezen zijn, ertoe bijdragen de vereiste opleiding waar te nemen voor het te begeven ambt.]4

   § 3. De Commissie is als volgt samengesteld :
   1° een voorzitter : [4 een ambtenaar van minstens rang 12 binnen de diensten die zorgen voor het beheer van de personeelsleden van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan of zijn afgevaardigde van rang 10]4;
   2° een werkend lid en zijn plaatsvervanger, houder van een graad gerangschikt op een van de rangen 10 tot 12 van de algemene directie personeel van het gesubsidieerd onderwijs, in vast verband benoemd, aangesteld door de Regering;
   3° vier leden van de Inspectiedienst van het Kunstonderwijs die elk een gebied van het kunstonderwijs vertegenwoordigen;
   4° vier niet-onderwijzende deskundige leden en hun plaatsvervangers die elk een domein van het kunstonderwijs vertegenwoordigen, gekozen door de Regering op advies van de Inspectiedienst van het Kunstonderwijs;
   5° vier deskundige onderwijzende leden en hun plaatsvervangers die elk een domein van het kunstonderwijs vertegenwoordigen, gekozen door de Regering op advies van [3 Algemene Raad]3;
   6° drie leden en hun plaatsvervangers die vakverenigingen vertegenwoordigen die binnen het Comité van sector IX zetelen, van het Comité van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten - afdeling II en van het Onderhandelingscomité voor de personeelsstatuten van het vrij gesubsidieerd onderwijs, in verhouding tot één vertegenwoordiger per vakvereniging, aangesteld door de Regering op de voordracht van hun respectieve vakvereniging onder de in vast verband benoemde of aangeworven personeelsleden;
   7° twee leden en hun plaatsvervangers die representatieve en coördinatieorganen van de Inrichtende machten vertegenwoordigen, aangesteld door de Regering op de voordracht van hun federatie.
   De Commissie verkiest haar ondervoorzitter onder de leden bedoeld in 2° en 3° van deze paragraaf.
   De voorzitter, de ondervoorzitter, de werkende en plaatsvervangende leden van de Commissie worden aangesteld door de Regering voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
   De Commissie kan aanvullende deskundigen raadplegen alvorens [4 haar beslissing]4 te geven.
   § 4. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast. Dat reglement wordt door de Regering goedgekeurd.
   [2 Voor het secretariaat van elke commissie wordt door de diensten van de Regering gezorgd.
   Het secretariaat is niet stemgerechtigd.]2

   § 5. De Commissie beraadslaagt en beslist geldig als minstens de helft van de leden aanwezig is.
   [4 De beslissingen worden genomen]4 bij gewone meerderheid van de aanwezige leden. Bij eenparigheid is de stem van de voorzitter beslissend.
   § 6. De aanvraag moet het geheel van de elementen bevatten die de Commissie toelaten [4 een beslissing te nemen]4 met kennis van zaken alsook de stukken om de volgende elementen te controleren :
   - de kopie van de bekwaamheidsbewijzen (diploma's, gelijkwaardigheid, bekendheid...) in het bezit van de aanvrager;
   - zijn curriculum vitae ;
   - zijn motivatiebrief;
   - in voorkomend geval een brief van het hoofd van de inrichting en/of van de Inrichtende macht die de aanvrager als leraar wil aanstellen;
   - aanbevelingsbrieven;
   - elk document dat de ervaring van de specialiteit betreffende de artistieke loopbaan, de verdiensten, de beroepservaring en de artistieke praktijk van de kandidaat kan bewijzen betreffende de aanvraag zoals : publicaties, gedateerde persartikels of -kritieken,..., getuigschriften van beroep, overeenkomsten, spektakelprogramma's, CD, CD-Rom, website, reproducties van kunstwerken, getuigschriften van stages, van stagemeesters, bewijzen en verklaringen van verscheidene ervaringen, enz.
   § 7. Ten hoogste binnen de vier maanden volgend op de datum van ontvangst van de aanvraag gaat de Commissie :
   1° ofwel [4 neemt een beslissing]4;
   2° [4 ofwel de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven informeren dat zijn niet over genoeg elementen beschikt om haar beslissing te nemen. De aanvrager beschikt dan over een termijn van vijftien schoolwerkdagen vanaf de bekendmaking om aanvullende elementen aan de Commissie mee te delen. In dat geval is de Commissie ertoe gehouden haar beslissing te nemen binnen de zes maanden na de datum van de ontvangst van de oorspronkelijke aanvraag.]4
   § 8. Voor de uitoefening van de ambten bedoeld in de artikelen 105 en 108 van hetzelfde decreet [4 kan de Commissie een beslissing nemen]4, dat de erkenning van nuttige ervaring een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs is wanneer :
   a) de bekwaamheidsbewijzen overeenstemmende met de ambten, uit te oefenen in het kunstsecundair onderwijs, niet of niet meer uitgereikt worden in het hoger kunstonderwijs;
   b) het hoger kunstonderwijs niet het betrokken domein organiseert;
   c) [4 ze]4 de wanverhouding vaststelt tussen de behoeften en de leraren in het kunstsecundair onderwijs en het aantal houders van bekwaamheidsbewijzen voor een bepaald vak.]1

  
Art. 100. § 1er. Les titres de capacité prévus à l'article 2 du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné et à l'article 2 du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné sont classés en titres requis, en titres jugés suffisants et en titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement.
  § 2. [1 Les titres de capacité visés au § 1er peuvent être :
   - des diplômes;
   - des certificats;
   - des titres étrangers tels que définis au § 3;
   - une notoriété professionnelle, artistique ou scientifique telle que définie au § 4;
   - la reconnaissance d'expérience utile telle que définie à l'article 100bis [2 ...]2]1

  § 3. [3 Les titres étrangers visés au § 2 du présent article sont ceux dont :
   1° l'équivalence peut être reconnue en vertu de la loi du 19 mars 1971 relative à l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers, de l'article 4 de l'arrêté royal du 4 septembre 1972 déterminant les conditions et la procédure d'octroi de l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers ou de l'article 92 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études ;
   2° la reconnaissance des qualifications professionnelles peut être reconnue en vertu du décret du 19 octobre 2017 relatif à la reconnaissance des qualifications professionnelles pour l'exercice de fonctions enseignantes dans les établissements d'enseignement préscolaire, primaire, secondaire ordinaire et spécialisé, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire, secondaire artistique à horaire réduit de la Communauté française.]3

  § 4. [1 La notoriété professionnelle, artistique ou scientifique visée au § 2 du présent article est celle obtenue en vertu de l'article 82, § 2, du décret du 20 décembre 2001 fixant les règles spécifiques à l'Enseignement supérieur artistique organisé en Ecoles supérieures des arts (organisation, financement, encadrement, statut des personnels, droits et devoirs des étudiants).
   Dans ce cadre, sont prises en compte, les notoriétés obtenues pour les intitulés de spécialités de cours artistiques qui correspondent à un intitulé de spécialité de cours artistique organisé dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.]1

  [1 § 5. Pour l'application du présent chapitre, le diplôme de l'enseignement artistique supérieur ou supérieur artistique de plein exercice est délivré dans la spécialité à enseigner soit lorsque son intitulé correspond à l'intitulé de la fonction en cause soit lorsque les cours principaux constituant la formation du récipiendaire sont en rapport avec la fonction en cause.
   Dans ce dernier cas, le Gouvernement décide, sur avis du Service de l'Inspection de l'Enseignement artistique, si le diplôme permet au récipiendaire d'exercer la fonction dans la spécialité considérée.
  [4 Pour le domaine de la danse, à l'exception des fonctions relatives à l'accompagnement, le Gouvernement peut reconnaitre, sur avis du Service de l'Inspection de l'Enseignement artistique, que l'ensemble de la formation artistique suivie par le requérant lui permet d'exercer la fonction considérée. Le Gouvernement évalue tous les quatre ans le maintien de la nécessité de cette mesure.]4
  [2 ...]2 ]1

  
Art. 100ter. [1 Voor elk ambt dat door de Regering verklaard wordt door de schaarste getroffen te zijn overeenkomstig het decreet van 12 mei 2004 betreffende de vaststelling van de schaarste en bepaalde Commissies in het buitengewoon of door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs, wordt de inrichtende macht ertoe gemachtigd om, voor een aantal lestijden die overeenstemmen met de niet-vervulde lestijden, een activiteit inzake pedagogische begeleiding te organiseren die bestemd is om de leerlingen te begeleiden tijdens de lestijden waarin ze niet omkaderd kunnen worden door een leerkracht die houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs of door een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.
   Voor de uitoefening van de pedagogische activiteit stelt de inrichtende macht het personeelslid aan of werft zij het aan dat houder is van een bekwaamheidsbewijs opgenomen op een lijst voor een onderwijzend ambt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, in tijdelijk verband in de lestijden bedoeld in het eerste lid. De diensten die in deze activiteit gepresteerd worden, zijn, voor de vaststelling van de bezoldiging en het barema, geacht gepresteerd te zijn in een ambt waarin het houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs en waarvoor het slechts dienstanciënniteit veroorzaakt.
   De inrichtende macht heeft de verplichting om te verklaren dat er geen vereist bekwaamheidsbewijs, noch een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs is om de benoeming of de aanwerving te ondersteunen door het uitwisselen van briefwisselingen met FOREM of Actiris. Deze verplichting wordt in het begin van elk kwartaal verlengd.
   De aanstelling of de aanwerving in de activiteit inzake pedagogische begeleiding loopt ten einde vanaf het ogenblik dat een kandidaat die houder is van een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, aangesteld of aangeworven in het te vervullen ambt kan worden.]1

  
Art. 100bis. [1 L'expérience utile est prouvée conformément aux dispositions du présent article.
   § 1. L'expérience utile visée au § 2 est constituée par les compétences artistiques acquises soit dans le cadre d'activités exercées pour son propre compte, soit dans un service ou un établissement public ou privé, soit dans un métier, une profession ou une pratique artistique.
   § 2. [4 Le Gouvernement crée une Commission de reconnaissance de l'expérience utile, ci-après dénommée la Commission, pour les membres du personnel enseignant de l'ensemble des domaines de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit et pour les membres du personnel exerçant une fonction de cours artistiques dans l'enseignement de plein exercice.
   La Commission décide si les compétences attestées ou déclarées et prouvées contribuent à assurer la formation requise pour la fonction à conférer.]4

   § 3. La Commission est composée comme suit :
   1° un président : [4 un fonctionnaire de rang 12 au moins au sein des services assurant la gestion des personnels de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, ou son délégué de rang 10]4 au moins]2;
   2° un membre effectif et son suppléant, titulaires d'un grade classé à l'un des rangs 10 à 12 de la Direction générale des personnels de l'Enseignement subventionné, nommés à titre définitif, désignés par le Gouvernement;
   3° quatre membres du Service d'Inspection de l'Enseignement artistique, représentant chacun un domaine d'enseignement artistique;
   4° quatre membres experts non enseignants et leurs suppléants représentant chacun un domaine d'enseignement artistique choisis par le Gouvernement sur avis du Service d'Inspection de l'Enseignement artistique;
   5° quatre membres experts enseignants et leurs suppléants représentant chacun un domaine d'enseignement artistique choisis par le Gouvernement sur avis du [3 Conseil général]3;
   6° trois membres et leurs suppléants représentant les organisations syndicales siégeant au sein du Comité de négociation du secteur IX, du Comité des services publics provinciaux et locaux - section II et du Comité de négociation pour les statuts des personnels de l'enseignement libre subventionné, à raison d'un représentant par organisation syndicale, désignés par le Gouvernement sur proposition de leur organisation syndicale respective parmi les membres du personnels nommés ou engagés à titre définitif;
   7° deux membres et leurs suppléants représentant les organes de représentation et de coordination des Pouvoirs organisateurs, désignés par le Gouvernement sur proposition de leur fédération.
   La Commission élit son vice-président parmi les membres visés aux 2° et 3° du présent paragraphe.
   Le président, le vice-président, les membres effectifs et les membres suppléants de la Commission sont désignés par le Gouvernement, pour un terme de cinq ans renouvelable.
   La Commission peut consulter des experts supplémentaires avant de rendre [4 sa décision]4.
   § 4. La Commission établit son règlement d'ordre intérieur. Ce dernier est approuvé par le Gouvernement.
   [2 Le secrétariat de chaque commission est assuré par les Services du Gouvernement.
   Le secrétariat n'a pas de voix délibérative.]2

   § 5. La Commission délibère valablement si la moitié au moins des membres sont présents.
   [4 Les décisions sont rendues ]4 à la majorité absolue des membres présents. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
   § 6. La demande doit comporter l'ensemble des éléments permettant à la Commission [4 de rendre une décision]4 en toute connaissance de cause ainsi que les pièces de nature à contrôler ces éléments :
   - la copie des titres (diplômes, équivalences, notoriété...) détenus par le requérant;
   - son curriculum vitae ;
   - sa lettre de motivation;
   - le cas échéant, une lettre du chef d'établissement et/ou du Pouvoir organisateur qui envisage de désigner le requérant en tant qu'enseignant;
   - des lettres de recommandations;
   - tout document de nature à justifier l'expérience de la spécialité relative à la carrière artistique du candidat, aux mérites, à l'expérience du métier et de la pratique artistique faisant l'objet de la demande tels que : publications, articles ou critiques de presse datés,..., attestations d'emploi, contrats, programmes de spectacles, CD, CD-Rom, site Internet, reproductions d'oeuvres réalisées, attestations de stages, de maître de stages, justifications et déclarations d'expériences diverses, etc.
   § 7. Dans les quatre mois maximum qui suivent la date de réception de la demande, la Commission :
   1° soit [4 prend une décision]4;
   2° [4 soit, avertit le requérant par envoi recommandé qu'elle ne dispose pas des éléments suffisants lui permettant de prendre sa décision. Le requérant dispose alors d'un délai de quinze jours ouvrables scolaires à dater de la notification pour fournir des éléments complémentaires à la Commission. Dans ce cas, la Commission est tenue de prendre sa décision dans les six mois qui suivent la date de réception de la demande initiale.]4
   § 8. Pour l'exercice des fonctions visées aux articles 105 à 108 du même décret, [4 la Commission peut décider]4, que la reconnaissance d'expérience utile constitue un titre jugé suffisant lorsque :
   a) les titres de capacités correspondant aux fonctions à exercer dans l'enseignement secondaire artistique ne sont pas ou plus délivrés dans l'enseignement supérieur artistique;
   b) lorsque l'enseignement supérieur artistique n'organise pas le domaine considéré;
   c) [4 Lorsqu'elle]4 acte la disproportion entre les besoins en enseignants dans l'enseignement secondaire artistique et le nombre de titulaires de titres de capacité pour une spécialité de cours.]1

  
Art. 101. [1 ...]1
  (De als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen die erkend zijn met toepassing van artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs, die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten, worden gelijkgesteld met de als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 105.)
  [2 Voor de toepassing van de bepalingen van artikel 42, § 1, 3°, van voormeld decreet van 1 februari 1993 en van artikel 30, 5°, van voormeld decreet van 6 juni 1994, voor:
   - De functies bedoeld in de artikelen 105, 106, 107 en 108 van dit decreet geeft het kwalificatiegetuigschrift onbeperkt toegang tot de uitoefening van de functie in vast verband, wanneer deze bestaat uit hetzij een vereist bekwaamheidsbewijs, hetzij een voldoend geachte bekwaamheidsbewijs aangevuld met het pedagogische bekwaamheidsbewijs vastgelegd in dit decreet;
   - De functie van studiemeester-opvoeder bedoeld in artikel 109 van dit decreet, geeft het kwalificatiegetuigschrift onbeperkt toegang tot de uitoefening van de functie in vast verband wanneer deze bestaat uit een vereist bekwaamheidsbewijs, of uit een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs.]2

  
Art. 100ter. [1 Pour toute fonction déclarée en pénurie par le Gouvernement en vertu du décret 12 mai 2004 relatif à la définition de la pénurie et à certaines Commissions dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, le Pouvoir organisateur est autorisé à organiser, pour un nombre de périodes correspondant aux périodes non pourvues, une activité d'encadrement pédagogique destinée à encadrer les élèves pendant les périodes durant lesquelles ils ne peuvent être pris en charge par un enseignant titulaire d'un titre requis ou d'un titre jugé suffisant.
   Pour l'exercice de l'activité pédagogique, le Pouvoir organisateur désigne ou engage le membre du personnel porteur d'un titre de capacité listé pour une fonction enseignante dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, à titre temporaire dans les périodes visées à l'alinéa 1er. Les services prestés dans cette activité sont, pour la fixation de la rémunération et du barème, réputés l'avoir été dans une fonction pour laquelle il est détenteur d'un titre requis ou d'un titre jugé suffisant et pour laquelle il génère uniquement de l'ancienneté de service.
   Le Pouvoir organisateur a l'obligation d'attester qu'il n'y a ni titre requis, ni titre jugé suffisant à l'appui de la désignation ou de l'engagement par l'échange de correspondances avec le FOREM ou Actiris. Cette obligation est renouvelée au début de chaque trimestre.
   La désignation ou l'engagement dans l'activité d'encadrement pédagogique prend fin dès qu'un candidat porteur d'un titre de capacité requis ou jugé suffisant peut être désigné ou engagé dans la fonction à pourvoir.]1

  
Art. 102. Het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs, bedoeld bij artikel 100, § 1, kan bestaan uit een diploma voor pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (afgekort : DPBO) uitgereikt door een inrichting voor hoger kunstonderwijs of uit een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (afgekort : GPBO) uitgereikt door de in artikel 110 bedoelde Examencommissies [of [2 een diploma van geaggregeerde lager secundair onderwijs (afgekort : GLSO) of een diploma geaggregeerde hoger secundair onderwijs (afgekort : GHSO) of uit een diploma van master met didactische finaliteit]2
  
Art. 101. [1 ...]1
  (Les titres jugés suffisants reconnus par application de l'article 6, § 5, de l'arrêté royal du 31 août 1978 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement artistique qui dispensent un enseignement secondaire des arts plastiques, sont assimilés aux titres jugés suffisants repris à l'article 105.)
  [2 Pour l'application des dispositions de l'article 42, § 1er, 3°, du décret du 1er février 1993 précité et de l'article 30, 5°, du décret du 6 juin 1994 précité, pour :
   - Les fonctions visées aux articles 105, 106, 107 et 108 du présent décret, le titre de capacité donne sans limitation de durée l'accès à l'exercice de la fonction à titre définitif lorsqu'il est constitué soit d'un titre requis, soit d'un titre jugé suffisant complété par le titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement fixé par le présent décret ;
   - La fonction de surveillant-éducateur visée à l'article 109 du présent décret, le titre de capacité donne sans limitation de durée l'accès à l'exercice de la fonction à titre définitif lorsqu'il est constitué soit d'un titre requis, soit d'un titre jugé suffisant. ]2

  
Art. 103. De getuigschriften van pedagogische bekwaamheid uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit decreet zijn voor hun geldigheidsduur gelijkgesteld met het in artikel 102 bedoelde GPBO.
Art. 102. Le titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement visé à l'article 100, § 1er, peut être constitué d'un diplôme d'aptitude pédagogique à l'enseignement (en abrégé : DAPE) délivré par un établissement d'enseignement artistique supérieur ou d'un certificat d'aptitude pédagogique à l'enseignement (en abrégé : CAPE) délivre par les Commissions d'examen visées à l'article 110 [ou [2 d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur (en abrégé : AESI) ou d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur (en abrégé : AESS) ou d'un diplôme de master à finalité didactique]2.
  
Art. 104. In afwijking van artikel 101 kent de Minister of zijn gemachtigde vrijstelling toe van het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het bij artikel 100, § 1 bedoelde onderwijs op het verzoek van de Inrichtende Macht :
  1° aan het personeelslid dat door een Inrichtende Macht in vast verband benoemd of in dienst genomen is en dat geen geldig getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs bezit, en zich bij een andere Inrichtende Macht kandidaat stelt voor hetzelfde ambt;
  2° [2 ...]2
  3°[2 ...]2
  4° [2 ...]2
  5° [4 een personeelslid dat zich kandidaat stelt voor een betrekking als leraar multidisciplinaire vorming door vast benoemd te zijn in een andere betrekking in het gebied van de plastische, beeldende en ruimtelijke kunsten bedoeld in artikel 51, § 2, met uitzondering van de betrekkingen leraar kunstgeschiedenis en esthetische analyse, leraar artistieke technieken en leraar aarde- en emailtechniek.]4
  De vrijstelling van het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs is in haar uitwerking beperkt tot de Inrichtende Macht alleen die deze aanvraag heeft gedaan.
  
Art. 103. Les certificats d'aptitude pédagogique délivrés avant l'entrée en vigueur du présent décret sont, pour la durée de leur validité, assimilés au CAPE visé à l'article 102.
Art. 104bis. [1 Voor het lezen van de artikelen 105, 106 en 107 omvat de vermelde academische graad " masterdiploma " de diploma's van : master, master met gespecialiseerde finaliteit of master met grondige finaliteit.]1
  
Art. 104. Par dérogation à l'article 101, le Ministre ou son délégué accorde dispense du titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement visé à l'article 100, § 1er, sur demande du pouvoir organisateur :
  1° au membre du personnel qui, étant nommé ou engagé à titre définitif par un pouvoir organisateur et qui n'est pas titulaire d'un certificat d'aptitude à l'enseignement valide, présente sa candidature à la même fonction dans un autre pouvoir organisateur;
  2° [2 ...]2
  3°[2 ...]2
  4° [2 ...]2
  5° [4 au membre du personnel qui présente sa candidature à un emploi de professeur de formation pluridisciplinaire en étant nommé à titre définitif dans toute autre fonction du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace visée à l'article 51, § 2, à l'exception des fonctions de professeur d'histoire de l'art et analyse esthétique, de professeur de techniques artistiques et de professeur de technologie de la terre et des émaux.]4
  La dispense du titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement est limitée dans ses effets au seul pouvoir organisateur qui l'a sollicitée.
  
Art. 104ter. [1 Voor de toepassing van de artikelen 105, 106 en 107 moet rekening worden gehouden tussen de vroegere academische graden en de nieuwe academische graden die worden uitgereikt door de inrichtingen voor hoger onderwijs met volledig leerplan, zoals bepaal in :
   a) het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten, inzonderheid op artikel 184 ;
   b) het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies, inzonderheid op de artikelen 161 en 164.]1

  
Art. 104bis. [1 Pour la lecture des articles 105, 106 et 107, le grade académique " diplôme de master " mentionné vise les diplômes de : master, master à finalité spécialisée ou master à finalité approfondie.]1
  
Art. 105. [1 De vereiste bekwaamheidsbewijzen, de als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen en de bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs voor de ambten bedoeld in artikel 51, § 2, die de leden van het onderwijzend personeel kunnen uitoefenen in de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten worden als volgt bepaald :
   1° leraar pluridisciplinaire opleiding :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van hoger kunstonderwijs of kunsthoger onderwijs met volledig leerplan van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van gegradueerde in de plastische, visuele en ruimtekunsten, uitgereikt op het einde van het kunsthoger onderwijs van het korte type, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van bachelor in de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, uitgereikt op het einde van het hoger kunstonderwijs van het korte type en aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs in lichamelijke opvoeding, aangevuld met een erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van hoger kunstonderwijs met beperkt leerplan of diploma van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan (overgangsfilière) aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - de erkenning van nuttige ervaring aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO van een multidisciplinaire opleiding van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten;
   - GPBO transdisciplinaire creatie;
   - GHSO van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten.
   2° leraar kunstgeschiedenis en esthetische analyse :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs van de groep kunstgeschiedenis en archeologie;
   - diploma van licentiaat of master in de kunstgeschiedenis en archeologie aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van de 2e of de 3e graad van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master uit de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de kunstgeschiedenis en archeologie;
   - diploma van didactische master uit de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van licentiaat of master in de kunstgeschiedenis en archeologie;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van de 2e of de 3e graad uit de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten;
   - diploma van licentiaat of master uit de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO kunstgeschiedenis en esthetische analyse;
   - GHSO van de groep kunstgeschiedenis en archeologie;
  [3 - GPBO experimentele praktijken ;]3
   - GHSO uit de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten.
   3° [4 Leraar :
   -binnenhuisdesign en -decoratie;
   -boekkunst: boekbinden;
   -De kunst van het boek: typografie en de studie van belettering;
   -glaskunst;
   -monumentale kunst;
   -digitale kunsten;
   -juwelen;
   -keramiek;
   -cinegrafie;
   -animatiefilms;
   -textieldesign;
   -design;
   -tekenen;
   -architecturaal tekenen en modelleren;
   -schrijnwerk;
   -ijzerwerk;
   -gravure;
   -illustraties en strips;
   -infografie;
   -lithografie;
   -metaal;
   -schilderkunst;
   -fotografie;
   -aardewerk;
   -reclame en visuele communicatie;
   -restauratie van kunstwerken en kunstvoorwerpen;
   -scenografie;
   -beeldhouwkunst;
   -serigrafie;
   -styling, ornamenten en maskers;
   -videografie;
   -loodglaswerk;]4

   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs of van het kunsthoger onderwijs met volledig leerplan uitgereikt in de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten, uitgereikt binnen de optie die overeenstemt met de specialiteit waarover les wordt gegeven;
   - diploma van licentiaat of van master van de domeinen van de plastische, visuele en ruimtekunsten uitgereikt binnen de optie die overeenstemt met de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie uitgereikt in de optie die overeenstemt met de specialiteit waarover les wordt gegeven;
   - diploma van licentiaat of van master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie uitgereikt in de optie die overeenstemt met de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs met beperkt leerplan of diploma van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan (overgangsfilière) uitgereikt in de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - voormelde diploma's, uitgereikt in een andere specialiteit dan de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs in plastische opvoeding aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - [2 de bekendheid in de specialiteit]2 aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid, voor de volgende specialiteiten : kunstsmeedwerk, schrijnwerk, juwelierskunst-juwelenmakerij, brandschilderkunst, kantwerk, metaal, glaskunst.
   b) Voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) [4 bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie in het onderwijzen:
   -AESS op het gebied van beeldende, visuele en ruimtelijke kunst;
   -AESS op het gebied van spektakelkunsten en omroep- en communicatietechnieken;
   -CAPE voor de te geven cursus;
   -andere CAPE:
   - voor het ambt van docent binnenhuisdesign en decoratie: CAPE in decoratie of CAPE in ontwerp - decorateur of CAPE in ontwerp/decorateur - decoratie;
   - voor het ambt van docent boekkunst: boekbinden: CAPE in boekdrukkunst: boekbinden, vergulden/typografie en belettering ;
   - voor het ambt van docent boekkunst: typografie en belettering: CAPE boekkunst: boekbinden, vergulden/typografie en belettering;
   - voor het ambt van docent monumentale kunsten: CAPE monumentale schilderkunst of CAPE monumentale beeldhouwkunst;
   - voor het ambt van docent cinematografie: CAPE in cinematografie, videografie en geluidstechniek;
   - voor het ambt van docent illustratie en stripverhaal: CAPE in tekenen;
   - voor het ambt van docent infografie: CAPE in digitale kunsten;
   - voor het ambt van docent schilderen: CAPE voor monumentale schilderkunst;
   - voor het ambt van docent beeldhouwen: CAPE voor monumentale beeldhouwkunst;
   - voor het ambt van docent styling, ornamenten en maskers: CAPE voor styling-, ornamenten- en maskerontwerp;
   - voor het ambt van docent videografie: CAPE in cinegrafie, videografie en geluidstechniek.]4

   4° [4 leraar artistieke technieken:
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen:
   -Master in infografie of digitale kunsten, uitgereikt door een instelling voor hoger onderwijs, aangevuld met een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   - Licentiaat- of masterdiploma in de beeldende, visuele en ruimtelijke kunsten, aangevuld met een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   -Master in didactiek in de beeldende, visuele en ruimtelijke kunsten;
   - Licentiaat- of masterdiploma spektakelkunsten en omroep- en communicatietechnieken, aangevuld met een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   Master in lesgeven op het gebied van spektakelkunsten en omroep- en communicatietechnieken;
   - erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   - een bekendheid als bedoeld in artikel 100, § 2, met betrekking tot het ambt en de te geven cursussen, aangevuld met een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   b) bekwaamheidsbewijzen die voldoende worden geacht:
   -de bekwaamheidsbewijzen genoemd onder a) zonder bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie;
   c) een bekwaamheidsbewijs inzake pedagogie:
   -CAPE voor artistieke technieken;
   -AESS uitgereikt door een Hogere kunstschool of in infografie of digitale kunsten door een instelling voor hoger onderwijs.]4

   5° [3 leraar experimentele praktijken :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van hoger kunstonderwijs van de 2e of 3e graad van het gebied van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring in experimentele praktijken en een bewijs van pedagogische bekwaamheid
   - diploma van master met didactische finaliteit van het gebied van de plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring in experimentele praktijken ;
   - diploma van licentiaat of master van het gebied van plastische, visuele en ruimtekunsten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - een bekendheid aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring in experimentele praktijken en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen in a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO experimentele praktijken ;
   - GHSO uit het gebied van de plastische, visuele en ruimtekunsten.]3
]1

  [4 6° Docent aarde- en emailtechnologie:
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen:
   -een ingenieursdiploma, een masterdiploma farmacie of een masterdiploma scheikunde, afgegeven door een universitaire instelling, aangevuld met een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;
   -een licentiaat- of masterdiploma in de beeldende, beeldende en ruimtelijke kunsten, aangevuld met erkenning van relevante ervaring en een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;
   -Master in lesgeven in de beeldende, visuele en ruimtelijke kunsten, aangevuld met erkenning van relevante ervaring;
   -erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;
   -een bekendheid als bedoeld in artikel 100, § 2, met betrekking tot het ambt en de toe te kennen cursus, aangevuld met een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;
   b) bekwaamheidsbewijzen die voldoende worden geacht:
   -bekwaamheidsbewijzen genoemd onder a) zonder pedagogisch bekwaamheidsbewijs ;
   c) bekwaamheidsbewijzen inzake pedagogische vaardigheid in het onderwijzen :
   -CAPE in aarde- en emailtechnologie;
   -AESS op het gebied van beeldende, visuele en ruimtelijke kunst;
   -AESS uitgereikt door een universitaire instelling.]4

  
Art. 104ter. [1 Pour l'application des articles 105, 106 et 107, il y a lieu de tenir compte des correspondances entre les anciens grades et les nouveaux grades académiques délivrés par les établissements d'enseignement supérieur de plein exercice, tel que prévu
   a) par le décret du 31 mars 2004 définissant l'enseignement supérieur, favorisant son intégration à l'espace européen de l'enseignement supérieur et refinançant les universités, notamment l'article 184 ;
   b) par le décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, notamment les articles 161 et 164.]1

  
Art. 106. [§ 1.] Wat de bij artikel 51, § 3, bedoelde ambten betreft die de personeelsleden mogen uitoefenen voor het onderwijzen van de muziek zijn de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen en het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs als volgt vastgesteld :
  1° [1 leraar muzikale opleiding :
   a) Vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - Diploma van het hoger secundair onderwijs uitgereikt binnen een specialiteit van het muziekonderwijs en aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  - Diploma van licentiaat, richting muziekschrijven en muziekleer, optie muziekvorming, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - Diploma van master met de didactische finaliteit, richting muziekschrijven en muziektheorie, optie muziekvorming;
   - Diploma van master met gespecialiseerde finaliteit of grondige specialiteit, richting muziekschrijven en muziektheorie, optie muziekvorming, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - Diploma van bachelor in muziekvorming of muziekopvoeding, uitgereikt op het einde van het Kunsthoger onderwijs van het korte type;
   - Diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs in muziekvorming of muziekopvoeding (GLSO);
  [3 - Diploma master in de muziek : muziekvorming ;
   - Diploma master in de muziek : muziekvorming (met didactische finaliteit).]3

  [6 - elk diploma van master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring.]6

   b) [6 - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.]6
   c) Bewijzen voor pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - DPBO van de voorbereidende notenleer;
   - DPBO van de gewone notenleer;
   - DPBO van de perfectionneringsnotenleer;
   - GPBO van de muziekvorming;
   - GLSO in muziekvorming of muziekopvoeding;
   - GHSO in de muziek.]1

  [2 2° leraar [7 koorgezang]7 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor koordirectie;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor notenleer, muziekpedagogie, zang of lyrische kunst aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master, afdeling schriftuur en muziektheorie, optie koordirectie of muziekvorming of muziekopvoeding, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master, richting schriftuur en muziektheorie, optie koordirectie of optie muziekvorming of optie muziekopvoeding;
   - diploma van licentiaat of van master, afdeling stemvorming, optie zang of lyrische kunst, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
  [4 diploma van master met gespecialiseerde finaliteit, afdeling stemvorming, optie pop-zang aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;]4
   - diploma van didactische master, richting stemvorming, optie zang of lyrische kunst.
   b) [7 - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder het bewijs van pedagogische bekwaamheid.]7
   c) Bewijzen voor pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - DPBO van de stemvakken;
   - DPBO zang of lyrische kunst;
   - GPBO samenzang;
   - GPBO stemvorming;
  [4 - GPBO pop-zang en pop-ensemble;]4
   - GHSO in het muziekdomein;
  [7 - CAPE van koorgezang.]7
   3° leraar [7 muziek en muziekontleding]7
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs van de groep kunstgeschiedenis en archeologie (afdeling musicologie);
   - diploma van licentiaat of master van de groep kunstgeschiedenis en archeologie (afdeling of richting musicologie), aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de kunstgeschiedenis en archeologie, richting musicologie;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van muziekgeschiedenis, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van laureaat van het hoger kunstonderwijs (alle specialiteiten) aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - met uitzondering van de diploma's van licentiaat of van master van de afdelingen jazz en [4 ...]4 of electroakoestische muziek, elk diploma van licentiaat of master in de muziek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - met uitzondering van de didactische master van de afdelingen jazz[4 ...]4 of elektroakoestische muziek, elke didactische master in de muziek.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - GPBO muziekgeschiedenis - analyse;
   - GHSO musicologie;
   - GHSO in het muziekdomein.
   4° leraar [7 muziekontleding en muziekschrijven]7 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - dipoma van het hoger kunstonderwijs voor harmonie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van laureaat van het hoger kunstonderwijs (muziekpedagogie, orgel, clavecimbel, fuga en compositie), aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master afdeling schriftuur en muziektheorie, optie klassieke schriftuur of compositie of orkestdirectie of koordirectie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master afdeling schriftuur en muziektheorie, optie klassieke schriftuur of compositie of orkestdirectie of koordirectie.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid van onderwijs :
   - GPBO schriftuur - analyse;
   - GHSO van het muziekdomein.
   5° leraar algemene jazzvorming :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor jazzharmonie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling jazz [4 ...]4, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling jazz [4 ...]4;
   - de erkenning van nuttige ervaring aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid van het onderwijs :
   - DPBO van het vak waarover les wordt gegeven;
   - GPBO algemene jazzvorming;
   - GHSO van het muziekdomein.
   6° [7 leraar instrumentale opleiding voor elk van de volgende specialiteiten :
   - chromatisch accordeon ;
   - alto ;
   - fagot ;
   - barok- en klassiek fagot ;
   - klarinet ;
   - klavecimber ;
   - contrabas ;
   - hoorn ;
   - natuurlijk hoorn ;
   - doedelzak en musette;
   - blokfluit ;
   - dwarsfluit ;
   - barok- en klassieke dwarsfluit ;
   - gitaar ;
   - harp ;
   - hobo ;
   - barok- en klassieke hobo ;
   - luit ;
   - mandoline ;
   - orgel ;
   - slaginstrumenten ;
   - piano ;
   - pianoforte ;
   - saxofoon ;
   - schuiftrombone ;
   - trompet ;
   - natuurtrompet ;
   - tuba ;
   - viola da gamba ;
   - viool ;;
   - barokviool ;
   - cello ;
   - barookcello.]7

  [7 6° bis leraar instrumentale opleiding, voor elk van de volgende specialiteiten :
   - diatonisch accordeon ;
   - beiaard ;
   - boekhoorn ;
   - elektrische gitaar :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - elk diploma van master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring ;
   - de erkenning van de nuttige ervaring, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bekwaamheidsbewijzen inzake pedagogie voor het onderwijzen:
   - CAPE instrumentale opleiding van de te onderwijzen specialiteit ;
   - AESS in de muziek.]7

   7° [3 leraar instrumentale vorming jazz (diverse specialiteiten) [7 ...]7]3 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs jazzinstrument [3 uitgereikt voor de specialiteit die onderricht moet worden]3, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs instrument, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling jazz [4 ...]4, uitgereikt in de specialiteit waarover les wordt gegeven, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling jazz [4 ...]4k, uitgereikt in de specialiteit waarin les gegeven wordt;
   - de erkenning van nuttige ervaring aangevuld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de vereiste bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - CPBO instrumentale vorming [7 van de te onderwijzen specialiteit]7;
   - GHSO in het muziekdomein.
   8° leraar instrumentaal ensemble :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor orkestdirectie;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor kamermuziek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs (verscheidene specialiteiten) aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling schriftuur en muziektheorie, optie orkestdirectie;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor kamermuziek;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument (verscheidene specialiteiten);
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO instrumentaal ensemble;
   - GHSO van het muziekdomein.
   9° leraar instrumentale kamermuziek :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor orkestdirectie;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor kamermuziek, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties uitgezonderd jazz [4 ...]4, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties uitgezonderd jazz [4 ...]4;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling oude muziek, instrumentale vorming, alle opties, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling oude muziek : instrumentale vorming, alle opties.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor kamermuziek;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties uitgezonderd jazz [4 ...]4;
   - diploma van licentiaat of master in oude muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO instrumentale kamermuziek;
   - GHSO van het muziekdomein.
   10° leraar van het blad [7 zichtlezen en transpositie]7
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs uitgereikt in een andere specialiteit aangevuld met het eindstudiegetuigschrift van de transpositielessen en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO van het blad lezen - transpositie;
   - GHSO van het muziekdomein.
   11° [3 leraar zang [7 ...]7]3 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs zang of lyrische kunst aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling stemvorming, optie zang of lyrische kunst aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling stemvorming, optie zang of lyrische kunst.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid van het onderwijs :
   - DPBO stemvakken;
   - GPBO stemvorming, zang en vocale kamermuziek.
   12° leraar lyrische kunst :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor lyrische kunst aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling stemvorming, optie lyrische kunst, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling stemvorming, optie lyrische kunst.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO lyrische kunst;
   - GHSO van het muziekdomein.
   13° leraar belast met klavecimbelbegeleiding [7 ...]7 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs uitgereikt in de specialiteit klavecimbel;
   - diploma van licentiaat of master of didactische master in de muziek, afdeling oude muziek, instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit klavecimbel;
   - diploma van licentiaat of master of didactische master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit klavecimbel.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - geen.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - geen.
   14° leraar belast met de orgelbegeleiding :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument in de specialiteit orgel;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit orgel;
   - diploma van didactische master in de muziek, optie klavierinstrumenten, specialiteit orgel.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - geen;
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - geen.
   15° leraar belast met de pianobegeleiding :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor pianobegeleiding;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor piano, jazzpiano of jazzklavierinstrumenten, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - eindgetuigschrift pianobegeleiding, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit pianobegeleiding;
   - diploma van licentiaat of master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit pianobegeleiding;
   - diploma van didactische master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO pianobegeleiding.
  [4 GHSO in de muziek. ]4
   16° [7 leraar ritme en ritmiek :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van bachelor in ritme en ritmiek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - eindejaarsdiploma van het " Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique ", uitgereikt in de specialiteit ritmiek, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van het hoger kunstonderwijs, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bekwaamheidsbewijzen inzake pedagogie voor het onderwijzen:
   - CAPE ritmiek ;
   - CAPE praktijk van wereldmuziekritmes ;
   - CAPE ritme en ritmiek ;
   - AESS in de muziek.]7

   17° [6 leraar lichamelijke expressie :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - eindejaarsdiploma van het " Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique " uitgereikt in de specialiteit lichamelijke expressie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van het hoger kunstonderwijs, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van master in muziek, spreek- en toneelkunst of vertoningskunst en verspreidings- en communicatietechnieken, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, spreek- en toneelkunst of vertoningskunst en verspreidings- en communicatietechnieken, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring ;
   - bachelor in vertoningskunsten en verspreidings- en communicatietechnieken : circuskunst ;
   - de erkenning van nuttige ervaring in hedendaagse dans, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bekwaamheidsbewijzen inzake pedagogie voor het onderwijzen:
   - CAPE in lichamelijke expressie ;
   - AESS in de muziek ;
   - AESS in spreek- en toneelkunst .]6

  [1 18° [3 leraar jazz-zang [7 ...]7]3 :
   a) Vereist bekwaamheidsbewijs :
   - Diploma van het hoger kunstonderwijs van opleiding vocale muziek, jazz-zang, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - Diploma van master met didactische finaliteit in de muziek, richting jazz [4 ...]4, optie zang;
  - niet vertaald
   - Diploma van master met gespecialiseerde of grondige finaliteit in de muziek, richting jazz[4 ...]4, optie zang, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - De erkenning van nuttige ervaring aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) Voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - Diploma van hoger kunstonderwijs van opleiding vocale muziek, jazz-zang;
   - Diploma van licentiaat in de muziek, richting jazz [4 ...]4, optie zang;
   - Diploma van master met gespecialiseerde of gegronde finaliteit in de muziek, afdeling jazz [4 ...]4, optie zang;
   - De erkenning van nuttige ervaring.
   c) Bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - GPBO van opleiding vocale muziek, jazz;
   - GHSO in het muziekdomein.]1

  [1 19° leraar electroakoestische [7 componeren van]7 muziek :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - Diploma van master met didactische finaliteit in de elctroakoestische muziek;
   - Diploma van master met gespecialiseerde of grondige specialiteit in de electroakoestische muziek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - Diploma van licentiaat in de electroakoestische muziek aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - Diploma van het kunsthoger onderwijs of van het hoger kunstonderwijs uitgereikt in een andere specialieit aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) Voldoend geachte bewijzen :
   - Licentiaat in de electroakoestische muziek;
   - Diploma van het kunsthoger of van het hoger kunstonderwijs uitgereikt in een andere specialiteit aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - GPBO van electroakoestische muziek;
   - GHSO van het muziekdomein.]1

  [2 20° [7 ...]7
   21° leraar [7 muziek]7 improvisatie :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
  [7 - diploma van het hoger kunstonderwijs of kunsthoger onderwijs, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van master in muziek, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring.]7

   b) voldoend geacht bekwaamheidsbewijs :
   - de erkenning van nuttige ervaring.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO improvisatie;
   - GHSO muziekdomein.
   22° leraar [7 instrumentale opleiding lokale traditie]7 :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
  [7 - diploma van het hoger kunstonderwijs of kunsthoger onderwijs, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van master in muziek, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van didactische master in muziek, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring.]7

   b) voldoend geacht bekwaamheidsbewijs :
   - de erkenning van nuttige ervaring.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   - GPBO erfgoedinstrumenten;
   - GHSO muziekdomein;
  [7 - CAPE instrumentale opleiding lokale traditie;]7]2

  [3 23° leraar digitale muziekcreatie :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van master met didactische finaliteit in de muziek : compositie, toegepaste en interactieve muziek ;
   - diploma van master met didactische finaliteit in de muziek : muziekinformatica ;
   - diploma van master met gespecialiseerde of grondige finaliteit in de muziek, toegepaste en interactieve muziek, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van master met gespecialiseerde of grondige finaliteit in de muziek : muziekinformatica, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van master met didactische finaliteit in de muziek, andere specialiteiten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring in digitale muziekcreatie ;
   - diploma van master met gespecialiseerde of grondige finaliteit, andere specialiteiten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring in digitale muziekcreatie en het bewijs van pedagogische bekwaamheid.
  [4 - diploma van het hoger kunstonderwijs uitgereikt in een andere specialiteit, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid. ]4
   b) voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   De bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a), 3e, 4e en 6e streepjes, zonder het bewijs van de pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid van het onderwijs :
   - GPBO van de digitale muziekcreatie ;
   - GHSO uit het gebied van de muziek.]3

  [4 24° leraar pop-zang [7 ...]7:
   a) vereist bekwaamheidsbewijs:
   - diploma van master met gespecialiseerde finaliteit, afdeling stemvorming, optie pop-zang, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van zang of lyrische kunst, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling stemvorming, optie zang of lyrische kunst, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master in de muziek, afdeling stemvorming, optie zang of lyrische kunst, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van stemvorming, jazz-zang, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van master met didactische finaliteit in de muziek, afdeling jazz, optie zang, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring;
   - diploma van licentiaat in de muziek, afdeling jazz, option zang, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van master met gespecialiseerde of grondige finaliteit in de muziek, afdeling jazz, optie zang, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen in sub a) zonder pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid:
   - DPBO van de stemvakken;
   - GPBO van pop-zang en pop-ensemble;
   - GPBO van zang en muziek van kamermuziek;
   - GPBO van lyrische kunst;
   - GPBO van jazz-zang en jazz-ensemble;
   - GHSO in de muziek. ]4

  [2 § 2. ...]2
  
Art. 105. [1 Les titres requis, les titres jugés suffisants et les titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement pour les fonctions visées à l'article 51, § 2, que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace sont fixés comme suit :
   1° professeur de formation pluridisciplinaire :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur ou supérieur artistique de plein exercice du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de gradué en arts plastiques, visuels et de l'espace, délivré au terme de l'enseignement supérieur artistique de type court, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de bachelier du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, délivré au terme de l'enseignement supérieur artistique de type court et complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur en éducation plastique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme d'enseignement artistique supérieur à horaire réduit ou diplôme d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit (filière de transition) complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de formation pluridisciplinaire du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace;
   - CAPE de création transdisciplinaire;
  [3 - CAPE de pratiques expérimentales ;]3
   - AESS du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace.
   2° professeur d'histoire de l'art et analyse esthétique :
   a) titres requis :
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur du groupe histoire de l'art et archéologie;
   - diplôme de licence ou de master en histoire de l'art et archéologie complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur du 2 e ou du 3 e degré du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en histoire de l'art et archéologie;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace.
   b) titres jugés suffisants :
   - diplôme de licence ou de master en histoire de l'art et archéologie;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur du 2 e ou du 3 e degré du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de l'histoire de l'art et analyse esthétique;
   - AESS du groupe histoire de l'art et archéologie;
   - AESS du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace.
   3° [4 professeur :
   - d'aménagement d'intérieur et décoration ;
   - d'art du livre : reliure ;
   - d'art du livre : typographie et étude de la lettre ;
   - d'art du verre ;
   - d'arts monumentaux ;
   - d'arts numériques ;
   - de bijouterie ;
   - de céramique ;
   - de cinégraphie ;
   - de cinéma d'animation ;
   - de création textile ;
   - de design ;
   - de dessin ;
   - de dessin d'architecture et maquettisme ;
   - d'ébénisterie ;
   - de ferronnerie ;
   - de gravure ;
   - d'illustration et bande dessinée ;
   - d'infographie ;
   - de lithographie ;
   - de métal ;
   - de peinture ;
   - de photographie ;
   - de poterie ;
   - de publicité et communication visuelle ;
   - de restauration d'oeuvres et d'objets d'art ;
   - de scénographie ;
   - de sculpture ;
   - de sérigraphie ;
   - de stylisme, parures et masques ;
   - de vidéographie ;
   - de vitrail;]4

   a) titres requis :
   - diplôme d'enseignement artistique supérieur ou supérieur artistique de plein exercice délivré dans la spécialité à enseigner, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, délivré dans l'option correspondant à la spécialité à enseigner;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace délivré dans l'option correspondant à la spécialité à enseigner, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication délivré dans l'option correspondant à la spécialité à enseigner;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication délivré dans l'option correspondant à la spécialité à enseigner, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme d'enseignement artistique supérieur à horaire réduit ou diplôme d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit (filière de transition) délivré dans la spécialité à enseigner, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - les diplômes précités, délivrés dans une autre spécialité que la spécialité à enseigner, complétés par la reconnaissance d'expérience utile et le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur en éducation plastique complété par la reconnaissance d'expérience utile et le titre d'aptitude pédagogique;
   - une [2 la notoriété dans la spécialité à enseigner]2 complétée par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique, pour les spécialités suivantes : ferronnerie, ébénisterie, joaillerie-bijouterie, vitrail, dentelle, métal, art du verre.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) [4 titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - AESS du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace ;
   - AESS du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication ;
   - CAPE du cours à enseigner ;
   - autre CAPE :
   - pour la fonction de professeur d'aménagement d'intérieur et décoration : CAPE de décoration ou CAPE d'ensemblier - décorateur ou CAPE d'ensemblier/décorateur - décoration ;
   - pour la fonction de professeur d'art du livre : reliure : CAPE d'art du livre : reliure dorure/typographie et étude de la lettre ;
   - pour la fonction de professeur d'art du livre : typographie et étude de la lettre : CAPE d'art du livre : reliure dorure/typographie et étude de la lettre ;
   - pour la fonction de professeur d'arts monumentaux : CAPE de peinture monumentale ou CAPE de sculpture monumentale ;
   - pour la fonction de professeur de cinégraphie : CAPE de cinégraphie, vidéographie et technique son ;
   - pour la fonction de professeur d'illustration et bande dessinée : CAPE de dessin ;
   - pour la fonction de professeur d'infographie : CAPE d'arts numériques ;
   - pour la fonction de professeur de peinture : CAPE de peinture monumentale ;
   - pour la fonction de professeur de sculpture : CAPE de sculpture monumentale ;
   - pour la fonction de professeur de stylisme, parures et masques : CAPE de création de costumes, de décors et de masques ;
   - pour la fonction de professeur de vidéographie : CAPE de cinégraphie, vidéographie et technique son.]4

   4° [4 professeur de techniques artistiques :
   a) titres requis :
   - diplôme de master en infographie ou en arts numériques, délivré par un établissement d'enseignement supérieur, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace ;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication ;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - une notoriété telle que visée à l'article 100, § 2, en relation avec la fonction et les cours à conférer, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de techniques artistiques ;
   - AESS délivré par une Ecole Supérieure des Arts ou en infographie ou en arts numériques par un établissement d'enseignement supérieur.]4

   5° [3 professeur de pratiques expérimentales :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement supérieur artistique du 2e ou du 3e degré du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par la reconnaissance d'expérience utile en pratiques expérimentales et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master à finalité didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par la reconnaissance d'expérience utile en pratiques expérimentales ;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par la reconnaissance d'expérience utile en pratiques expérimentales et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - une notoriété complétée par la reconnaissance d'expérience utile en pratiques expérimentales et un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de pratiques expérimentales ;
   - AESS du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace.]3
]1

  [4 6° professeur de technologie de la terre et des émaux :
   a) titres requis :
   - diplôme d'ingénieur, de master en pharmacie ou de master en chimie, délivré par un établissement universitaire, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - une notoriété telle que visée à l'article 100, § 2, en relation avec la fonction et le cours à conférer, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de technologie de la terre et des émaux ;
   - AESS du domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace ;
   - AESS délivrée par un établissement universitaire.]4

  
Art. 107. (§ 1.) Wat de bij artikel 51, § 4, bedoelde ambten betreft die de personeelsleden mogen uitoefenen voor het onderwijzen van de spreekkunst en de toneelkunst, zijn de vereiste bekwaamheidsbewijzen, de als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen en het bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs als volgt vastgesteld :
  [2 1° leraar dictie - voordrachtkunst :
   a) [3 vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voordrachtkunst, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van de 3e graad, uitgereikt in de specialiteit "toneelkunst", aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van het korte type, uitgereikt in de specialiteit "toneelvertolking", aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van het toneel en woordkunsten, optie redekunsten of optie toneelkunst, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie, optie dramatische vertolking of toneel en communicatietechnieken, aangevuld met de erkenning van de nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie redekunst of optie toneelkunst;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie, optie dramatische vertolking of toneel en communicatietechnieken.]3

   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - DPBO gesproken Frans;
   - GPBO dictie-voordrachtkunst;
   - GHSO van de domeinen van het toneel en de woordkunsten;
   - GHSO van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie.
   2° leraar toneelkunst :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor toneelkunst, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van de 3e graad, uitgereikt in de specialiteit "toneelkunst", aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van het korte type, uitgereikt in de specialiteit "dramatische interpretatie", aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie toneelkunst, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie redekunsten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie, optie dramatische vertolking of toneel en communicatietechnieken, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie toneelkunst;
   - diploma van didactische master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie redekunsten, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - GPBO toneelkunst;
   - GHSO van de domeinen van het toneel en de woordkunsten;
   - GHSO van de domeinen van de vertoningskunsten en de technieken voor de verspreiding en de communicatie.
   3° leraar litteratuur- en toneelgeschiedenis :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs van de groep filosofie en letteren (afdeling Romaanse filologie);
   - diploma van licentiaat of master van de groep filosofie en letteren, afdeling Romaanse filologie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs afdeling litteratuur- en toneelgeschiedenis, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van de 3e graad uitgereikt in de specialiteit "toneelkunst", aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, [3 ...]3, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie, optie toneel en communicatietechnieken, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van het toneel en de woordkunsten, optie toneelkunst;
   - diploma van didactische master van de vertoningskunsten en de technieken voor de verspreiding en de communicatie, optie toneel en communicatietechnieken;
   - diploma van master Franse en Romaanse taal- en letterkunde, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master Franse en Romaanse taal- en letterkunde;
   - diploma van licentiaat of master in de vertoningskunsten, uitgereikt door een universiteit, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master van de domeinen van de vertoningskunsten, uitgereikt door een universiteit;
   - diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs in de vertongingskunsten, uitgereikt door een universiteit.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen opgenomen onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid :
   - GPBO litteratuur- en toneelgeschiedenis;
   - GHSO van de domeinen van de vertoningskunsten en de techniek voor de verspreiding en de communicatie;
   - GHSO van de domeinen van het toneel en de woordkunsten;
   - GHSO in de vertoningskunsten uitgereikt door een universiteit;
  [7 - AESS in Romaanse talen en literatuur.]7
   4° [7 leraar lichamelijke expressie :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - eindejaarsdiploma van het " Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique ", uitgereikt in de specialiteit lichamelijke expressie, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van het hoger kunstonderwijs, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - elk diploma van master in muziek, toneel en spreekkunsten of in vertoningskunsten en technieken voor de verspreiding en de communicatie aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - elk diploma van didactische master in muziek, toneel en woordkunsten en vertoningskunsten en technieken voor de verspreiding en de communicatie aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring ;
   - bachelor in vertoningskunsten en technieken voor de verspreiding en de communicatie : circuskunsten ;
   - de erkenning van nuttige ervaring in hedendaagse dans, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE lichamelijke expressie ;
   - AESS gebied muziek ;
   - AESS gebieden van het toneel en de woordkunsten.]7

   5° leraar belast met klavecimbelbegeleiding (continuo en specifieke begeleiding) :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument, uitgereikt in de specialiteit klavecimbel;
   - diploma van licentiaat of master of didactische master in de muziek, afdeling oude muziek, instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit klavecimbel;
   - diploma van licentiaat of master of didactische master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit klavecimbel.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   geen
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   geen
   6° leraar belast met orgelbegeleiding :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor een instrument, uitgereikt in de specialiteit orgel;
   - diploma van licentiaat of master in de muziek, afdeling instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit orgel;
   - diploma van didactische master in de muziek, optie klavierinstrumenten, specialiteit orgel.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   geen
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   geen.
   7° leraar belast met pianobegeleiding :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor pianobegeleiding;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor piano, jazzpiano of jazzklavierinstrumenten, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - eindgetuigschrift van begeleidende piano, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van licentiaat of master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit pianobegeleiding;
   - diploma van licentiaat of master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   - diploma van didactische master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit pianobegeleiding;
   - diploma van didactische master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano.
   b) als voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van het hoger kunstonderwijs voor piano, jazzpiano of jazzklavierinstrumenten;
   - eindgetuigschrift van pianobegeleiding aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring;
   - diploma van licentiaat of master instrumentale vorming, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs :
   GPBO pianobegeleiding.]2

  [5 ]5
  [1 [4 ...]4]1
  [2 § 2. ...]2
  
Art. 106. [§ 1er.] Les titres requis, les titres jugés suffisants et les titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement pour les fonctions visées à l'article 51, § 3, que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine de la musique sont fixés comme suit :
  1° [1 professeur de formation musicale :
   a) Titres requis :
   - Diplôme de l'enseignement artistique supérieur délivré dans une spécialité de l'enseignement musical et complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de licencié, section écriture et théorie musicale, option formation musicale, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de master à finalité didactique, section écriture et théorie musicale, option formation musicale;
   - Diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie, section écriture et théorie musicale, option formation musicale, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de bachelier en formation musicale ou en éducation musicale, délivré au terme de l'Enseignement supérieur artistique de type court;
   - Diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur en formation musicale ou en éducation musicale (AESI);
  [3 - Diplôme de master en musique : éducation musicale ;
   - Diplôme de master en musique : formation musicale (à finalité didactique).]3

  [6 - tout diplôme de master en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile.]6

   b) [6 - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.]6
   c) Titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - DAPE du solfège préparatoire;
   - DAPE du solfège ordinaire;
   - DAPE du solfège de perfectionnement;
   - CAPE de la formation musicale;
   - AESI en formation musicale ou en éducation musicale;
   - AESS du domaine de la musique.]1

  [2 2° professeur de chant [7 choral]7 :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de direction chorale;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de solfège, de pédagogie musicale, de chant ou d'art lyrique complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master, section écriture et théorie musicale, option direction chorale ou formation musicale ou éducation musicale, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique, section écriture et théorie musicale, option direction chorale ou option formation musicale ou option éducation musicale;
   - diplôme de licence ou de master, section formation vocale, option chant ou art lyrique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
  [4 - diplôme de master à finalité spécialisée, section formation vocale, option chant pop complété par un titre d'aptitude pédagogique;]4
   - diplôme de master didactique, section formation vocale, option chant ou art lyrique.
   b) [7 - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.]7
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - DAPE des disciplines vocales;
   - CAPE du chant ou de l'art lyrique;
   - CAPE du chant d'ensemble;
   - CAPE de formation vocale;
  [4 CAPE de chant pop et ensemble pop ]4
   - AESS du domaine de la musique;
  [7 - CAPE du chant choral.]7
   3° professeur d'histoire de la [7 musique et analyse musicale]7 :
   a) titres requis :
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur du groupe d'histoire de l'art et archéologie (section de musicologie);
   - diplôme de licence ou de master du groupe d'histoire de l'art et d'archéologie (section ou orientation musicologie), complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en histoire de l'art et d'archéologie, orientation musicologie;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'histoire de la musique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de lauréat de l'enseignement artistique supérieur (toutes spécialités) complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - à l'exception des diplômes de licence ou de master des sections jazz et [4 ...]4 ou musique électroacoustique, tout diplôme de licence ou de master en musique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - à l'exception du master didactique des sections jazz et [4 ...]4 ou musique électroacoustique, tout master didactique en musique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - CAPE de l'histoire de la musique - analyse;
   - AESS en musicologie;
   - AESS du domaine de la musique.
   4° professeur [7 d'analyse et écriture musicales]7 :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'harmonie, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de lauréat de l'enseignement artistique supérieur (pédagogie musicale, orgue, clavecin, fugue et composition), complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master section écriture et théorie musicale, option écritures classiques ou composition ou direction d'orchestre ou direction chorale, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique section écriture et théorie musicale, option écritures classiques ou composition ou direction d'orchestre ou direction chorale.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de l'écriture musicale -analyse;
   - AESS du domaine de la musique.
   5° professeur de formation générale jazz :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'harmonie jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section jazz [4 ...]4 complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section jazz [4 ...]4;
   - la reconnaissance d'expérience utile complétée par un titre d'aptitude pédagogique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - DAPE de la discipline à enseigner;
   - CAPE de formation générale jazz;
   - AESS du domaine de la musique.
   6° [7 professeur de formation instrumentale, pour chacune des spécialités suivantes :
   - accordéon chromatique ;
   - alto ;
   - basson ;
   - basson baroque et classique ;
   - clarinette ;
   - clavecin ;
   - contrebasse ;
   - cor ;
   - cor naturel ;
   - cornemuse et musette ;
   - flûte à bec ;
   - flûte traversière ;
   - flûte traversière baroque et classique ;
   - guitare ;
   - harpe ;
   - hautbois ;
   - hautbois baroque et classique ;
   - luth ;
   - mandoline ;
   - orgue ;
   - percussions ;
   - piano ;
   - pianoforte ;
   - saxophone ;
   - trombone à coulisse ;
   - trompette ;
   - trompette naturelle ;
   - tuba ;
   - viole de gambe ;
   - violon ;
   - violon baroque ;
   - violoncelle ;
   - violoncelle baroque.]7

  [7 6° bis professeur de formation instrumentale, pour chacune des spécialités suivantes :
   - accordéon diatonique ;
   - carillon ;
   - cornet à bouquin ;
   - guitare électrique :
   a) titres requis :
   - tout diplôme de master en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de formation instrumentale de la spécialité à enseigner ;
   - AESS du domaine de la musique.]7

   7° [3 professeur de formation instrumentale jazz (diverses spécialités) [7 ...]7]3 :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument jazz [3 délivré pour la spécialité à enseigner]3, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section jazz [4 ...]4 délivré dans la spécialité à enseigner, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section jazz [4 ...]4 délivré dans la spécialité à enseigner;
   - la reconnaissance d'expérience utile complétée par le certificat d'aptitude pédagogique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de formation instrumentale jazz [7 de la spécialité à enseigner]7;
   - AESS du domaine de la musique.
   8° professeur d'ensemble instrumental :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de direction d'orchestre;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de musique de chambre complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument (diverses spécialités) complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section écriture et théorie musicale, option direction d'orchestre;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, toutes options, complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation instrumentale, toutes options.
   b) titres jugés suffisants :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de musique de chambre;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument (diverses spécialités);
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, toutes options.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'ensemble instrumental;
   - AESS du domaine de la musique.
   9° professeur de musique de chambre instrumentale :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de direction d'orchestre;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de musique de chambre, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, toutes options excepté jazz [4 ...]4 complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation instrumentale, toutes options excepté jazz [4 ...]4;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section musique ancienne, formation instrumentale, toutes options, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section musique ancienne : formation instrumentale, toutes options.
   b) titres jugés suffisants :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de musique de chambre;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, toutes options excepté jazz [4 ...]4;
   - diplôme de licence ou de master en musique ancienne, section formation instrumentale, toutes options.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de musique de chambre instrumentale;
   - AESS du domaine de la musique.
   10° professeur de lecture à [7 vue et transposition]7 :
   a) titres requis
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur délivré dans une autre spécialité complété par le certificat de fin d'études des cours de transposition et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de lecture à vue - transposition;
   - AESS du domaine de la musique.
   11° [3 professeur de chant [7 ...]7]3 :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de chant ou d'art lyrique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation vocale, option chant ou art lyrique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation vocale, option chant ou art lyrique.
   b) titres jugés suffisants :
   - Les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - DAPE des disciplines vocales;
   - CAPE de formation vocale, chant et musique de chambre vocale;
   12° professeur d'art lyrique :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'art lyrique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation vocale, option art lyrique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation vocale, option art lyrique.
   b) titres jugés suffisants :
   - Les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'art lyrique;
   - AESS du domaine de la musique.
   13° professeur chargé de l'accompagnement au clavecin [7 ...]7 :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument délivré dans la spécialité clavecin;
   - diplôme de licence ou de master ou de master didactique en musique, section musique ancienne, formation instrumentale, option claviers, spécialité clavecin;
   - diplôme de licence ou de master ou de master didactique en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité clavecin.
   b) titres jugés suffisants :
   - néant.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - néant.
   14° professeur chargé de l'accompagnement à l'orgue :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument dans la spécialité orgue;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité orgue;
   - diplôme de master didactique en musique, option claviers, spécialité orgue.
   b) titres jugés suffisants :
   - néant;
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - néant.
   15° professeur chargé de l'accompagnement au piano :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano d'accompagnement;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano, de piano jazz ou de claviers jazz, complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - certificat final de piano d'accompagnement, complété par la reconnaissance d'expérience utile et par le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en formation instrumentale, option claviers, spécialité accompagnement au piano;
   - diplôme de licence ou de master en formation instrumentale, option claviers, spécialité piano, complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en formation instrumentale, option claviers, spécialité accompagnement au piano;
   - diplôme de master didactique en formation instrumentale, option claviers, spécialité piano.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'accompagnement au piano.
  [4 - AESS du domaine de la musique. ]4
   16° [7 professeur de rythmes et rythmiques :
   a) titres requis :
   - diplôme de bachelier en rythmes et rythmiques complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de fin d'études de l'Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique, délivré dans la spécialité rythmique, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de l'enseignement artistique supérieur, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de rythmique ;
   - CAPE de pratique des rythmes musicaux du monde ;
   - CAPE de rythmes et rythmiques ;
   - AESS du domaine de la musique.]7

   17° [6 professeur d'expression corporelle :
   a) titres requis :
   - diplôme de fin d'études de l'Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique, délivré dans la spécialité expression corporelle, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de l'enseignement artistique supérieur, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master en musique, en théâtre et arts de la parole ou en arts du spectacle et techniques de diffusion et communication, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, en théâtre et arts de la parole ou en arts du spectacle et techniques de diffusion et communication complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   - bachelier en arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication : arts du cirque ;
   - la reconnaissance d'expérience utile en danse contemporaine, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'expression corporelle ;
   - AESS du domaine de la musique ;
   - AESS du domaine des arts de la parole et du théâtre.]6

  [1 18° [3 professeur de chant jazz [7 ...]7]3 :
   a) Titres requis :
   - Diplôme de l'enseignement artistique supérieur de formation vocale, chant jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de licencié en musique, section jazz [4 ...]4, option chant, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de master à finalité didactique en musique, section jazz [4 ...]4, option chant;
   - Diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique, section jazz [4 ...]4, option chant, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - La reconnaissance d'expérience utile complétée par un titre d'aptitude pédagogique.
   b) Titres jugés suffisants :
   - Diplôme de l'enseignement artistique supérieur de formation vocale, chant jazz;
   - Diplôme de licencié en musique, section jazz [4 ...]4, option chant;
   - Diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique, section jazz [4 ...]4, option chant;
   - La reconnaissance d'expérience utile.
   c) Titres d'aptitude pédagogique :
   - CAPE de formation vocale, jazz;
   - AESS du domaine de la musique.]1

  [1 19° professeur de [7 composition de]7 musique électroacoustique :
   a) Titres requis :
   - Diplôme de master à finalité didactique en musique électroacoustique;
   - Diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique électro-acoustique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de licencié en musique électroacoustique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - Diplôme de l'enseignement supérieur artistique ou artistique supérieur délivré dans une autre spécialité complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique.
   b) Titres jugés suffisants :
   - Licence en musique électroacoustique;
   - Diplôme de l'enseignement supérieur artistique ou artistique supérieur délivré dans une autre spécialité complété par la reconnaissance d'expérience utile.
   c) Titres d'aptitude pédagogique :
   - CAPE de musique électroacoustique;
   - AESS du domaine de la musique.]1

  [2 20° [7 ...]7
   21° professeur d'improvisation [7 musicale]7 :
   a) titre requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile complétée par un titre d'aptitude pédagogique;
  [7 - diplôme de l'enseignement supérieur artistique ou artistique supérieur, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile.]7

   b) titre jugé suffisant :
   - la reconnaissance d'expérience utile.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'improvisation;
   - AESS du domaine [7 de la]7 musique.
   22° professeur [7 de formation instrumentale de tradition locale]7 :
   a) titre requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile complétée par un titre d'aptitude pédagogique;
  [7 - diplôme de l'enseignement supérieur artistique ou artistique supérieur, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, complété par la reconnaissance d'expérience utile.]7

   b) titre jugé suffisant :
   - la reconnaissance d'expérience utile.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'instruments patrimoniaux;
   - AESS du domaine [7 de la]7 musique;
  [7 - CAPE de formation instrumentale de tradition locale.]7]2

  [3 23° professeur de création musicale numérique :
   a) titres requis :
   - diplôme de master à finalité didactique en musique : composition, musiques appliquées et interactives ;
   - diplôme de master à finalité didactique en musique : informatique musicale ;
   - diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique, musiques appliquées et interactives, complété par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique : informatique musicale, complété par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master à finalité didactique en musique, autres spécialités, complété par la reconnaissance de l'expérience utile en création musicale numérique ;
   - diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie, autres spécialités, complété par la reconnaissance de l'expérience utile en création musicale numérique et le titre d'aptitude pédagogique;
  [4 diplôme de l'enseignement artistique supérieur délivré dans une autre spécialité, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique.]4
   b) titres jugés suffisants :
   Les titres repris sub a), 3e, 4e et 6e tirets, sans le titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de création musicale numérique ;
   - AESS du domaine de la musique.]3

  [4 24° professeur de chant pop [7 ...]7:
   a) titres requis:
   - diplôme de master à finalité spécialisée, section formation vocale, option chant pop, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de chant ou d'art lyrique complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation vocale, option chant ou art lyrique complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation vocale, option chant ou art lyrique complété par la reconnaissance d'expérience utile;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de formation vocale, chant jazz, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master à finalité didactique en musique, section jazz, option chant, complété par la reconnaissance d'expérience utile;
   - diplôme de licencié en musique, section jazz, option chant, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master à finalité spécialisée ou approfondie en musique, section jazz, option chant, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique.
   b) titres jugés suffisants:
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique:
   - DAPE des disciplines vocales;
   - CAPE de chant pop et ensemble pop;
   - CAPE de chant et musique de chambre vocale;
   - CAPE d'art lyrique;
   - CAPE de chant jazz et ensemble jazz;
   - AESS du domaine de la musique. ]4

  [2 § 2. ...]2
  
Art. 108. [1 De vereiste bekwaamheidsbewijzen, de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen en de bewijzen van pedagogische bekwaamheid voor de ambten bedoeld bij artikel 51, § 5, die de personeelsleden kunnen uitoefenen voor het onderwijzen van de danskunst, worden als volgt vastgesteld :
   1° leraar klassieke dans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE klassieke dans ;
   2° leraar hedendaagse dans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE hedendaagse dans ;
   3° leraar jazzdans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE jazzdans ;
   4° leraar tapdansen :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE tapdansen ;
   5° leraar traditionele danse :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE traditionele dans ;
   6° leraar stadsdansen :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - de erkenning van het geheel van de kunstopleiding zoals bedoeld in artikel 100, § 5, derde lid, aangevuld met het bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE stadsdansen ;
   7° leraar belast met de begeleiding op de piano van het gebied van de dans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van licentiaat of master in muziek, afdeling instrumentale opleiding, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano of begeleiding op de piano, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van licentiaat of master in muziek, afdeling jazz, specialiteit jazz-piano of jazz-klavierinstrumenten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van didactische master in muziek, afdeling instrumentale opleiding, optie klavierinstrumenten, specialiteit piano of begeleiding op de piano ;
   - diploma van didactische master in muziek, optie jazz, specialiteit jazz-piano of jazz-klavierinstrumenten ;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs van piano, jazz-piano of jazz-klavierinstrumenten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - eindgetuigschrift van pianobegeleiding, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   c) bewijs van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE pianobegeleiding van de cursussen klassieke dans ;
   - CAPE pianobegeleiding in het gebied van de dans ;
   - AESS van het gebied van de muziek ;
   8° leraar belast met de begeleiding aan slaginstrumenten in het gebied van de dans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma van licentiaat of master in muziek, afdeling instrumentale opleiding, optie slaginstrumenten, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van didactische master in muziek, afdeling instrumentale vorming, optie slaginstrumenten ;
   - diploma van het hoger kunstonderwijs in de slaginstrumenten, jazz-slaginstrumenten of jazz-drum, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van master in muziek, afdeling jazz, optie jazz-drum, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van didactische master in muziek, afdeling jazz, optie jazz-drum;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE begeleiding leergangen hedendaagse dans en jazz-dans ;
   - AESS in het muziekgebied. " ;
   - XXXXXXX
   9° leraar belast met de begeleiding van de leergangen traditionele dans :
   a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
   - diploma licentiaat of master in muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring en een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   - diploma van didactische master in muziek, afdeling instrumentale vorming, alle opties, aangevuld met de erkenning van nuttige ervaring ;
   - de erkenning van nuttige ervaring, aangevuld met een bewijs van pedagogische bekwaamheid ;
   b) voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
   - de bekwaamheidsbewijzen vermeld onder a) zonder het bewijs van pedagogische bekwaamheid.
   c) bewijzen van pedagogische bekwaamheid in het onderwijs :
   - CAPE begeleiding van leergangen traditionele dans ;
   - AESS van het muziekgebied.]1

  
Art. 107. [§ 1er.] Les titres requis, les titres jugés suffisants et les titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement pour les fonctions visées à l'article 51, § 4, que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine des arts de la parole et du théâtre sont fixés comme suit :
  [2 1° professeur de diction-déclamation :
   [3 a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de déclamation, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur du 3e degré délivré dans la spécialité " théâtre ", complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement supérieur artistique de type court délivré dans la spécialité " Interprétation dramatique " complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine du théâtre et des arts de la parole, option arts oratoires ou option art dramatique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option interprétation dramatique ou théâtre et techniques de communication, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique du domaine du théâtre et des arts de la parole, option arts oratoires ou option art dramatique;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option interprétation dramatique ou théâtre et techniques de communication.]3

   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - DAPE du français parlé;
   - CAPE de diction-déclamation;
   - AESS du domaine du théâtre et des arts de la parole;
   - AESS du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication.
   2° professeur d'art dramatique :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'art dramatique complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur du 3 e degré délivré dans la spécialité " théâtre ", complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement supérieur artistique de type court délivré dans la spécialité " Interprétation dramatique " complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine du théâtre et des arts de la parole, option art dramatique, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine du théâtre et des arts de la parole, option arts oratoires, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option interprétation dramatique ou théâtre et techniques de communication, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique du domaine du théâtre et des arts de la parole, option art dramatique;
   - diplôme de master didactique du domaine du théâtre et des arts de la parole, option arts oratoires, complété par la reconnaissance d'expérience [7 utile]7;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option interprétation dramatique ou théâtre et techniques de communication.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - CAPE d'art dramatique;
   - AESS du domaine du théâtre et des arts de la parole;
   - AESS du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication.
   3° professeur d'histoire de la littérature et d'histoire du théâtre :
   a) titres requis :
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur du groupe philosophie et lettres, section philologie romane;
   - diplôme de licence ou de master du groupe philosophie et lettres, section philologie romane, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'histoire de la littérature et du théâtre, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur du 3e degré délivré dans la spécialité " théâtre " complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine du théâtre et des arts de la parole, [3 ...]3, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option théâtre et techniques de communication, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique du domaine du théâtre et des arts de la parole, option art dramatique;
   - diplôme de master didactique du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication, option théâtre et techniques de communication;
   - diplôme de master en langues et littératures françaises et romanes, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en langues et littératures françaises et romanes;
   - diplôme de licence ou de master en arts du spectacle, délivré par une université, complété par un titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en arts du spectacle, délivré par une université;
   - diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur en arts du spectacle, délivré par une université.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - CAPE d'histoire de la littérature et d'histoire du théâtre;
   - AESS du domaine des arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication;
   - AESS du domaine du théâtre et des arts de la parole;
   - AESS en arts du spectacle délivrée par une université;
  [7 - AESS en langues et littératures romanes.]7
   4° [7 professeur d'expression corporelle :
   a) titres requis :
   - diplôme de fin d'études de l'Institut de Rythmique Jaques-Dalcroze de Belgique, délivré dans la spécialité expression corporelle, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de l'enseignement artistique supérieur, complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master en musique, en théâtre et arts de la parole ou en arts du spectacle et techniques de diffusion et communication complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   - tout diplôme de master didactique en musique, en théâtre et arts de la parole ou en arts du spectacle et techniques de diffusion et communication complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   - bachelier en arts du spectacle et techniques de diffusion et de communication : arts du cirque ;
   - la reconnaissance d'expérience utile en danse contemporaine, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'expression corporelle ;
   - AESS du domaine de la musique ;
   - AESS du domaine des arts de la parole et du théâtre.]7

   5° professeur chargé de l'accompagnement au clavecin (continuo et accompagnement spécifique) :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument délivré dans la spécialité clavecin;
   - diplôme de licence ou de master ou de master didactique en musique, section musique ancienne, formation instrumentale, option claviers, spécialité clavecin;
   - diplôme de licence ou de master ou de master didactique en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité clavecin.
   b) titres jugés suffisants :
   - néant.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - néant.
   6° professeur chargé de l'accompagnement à l'orgue :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur d'instrument dans la spécialité orgue;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité orgue;
   - diplôme de master didactique en musique, option claviers, spécialité orgue.
   b) titres jugés suffisants :
   - néant.
   c) titres d'aptitude pédagogique :
   - néant.
   7° professeur chargé de l'accompagnement au piano :
   a) titres requis :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano d'accompagnement;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano, de piano jazz ou de claviers jazz, complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - certificat final de piano d'accompagnement, complété par la reconnaissance d'expérience utile et le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de licence ou de master en formation instrumentale, option claviers, spécialité accompagnement au piano;
   - diplôme de licence ou de master en formation instrumentale, option claviers, spécialité piano, complété par le titre d'aptitude pédagogique;
   - diplôme de master didactique en formation instrumentale, option claviers, spécialité accompagnement au piano;
   - diplôme de master didactique en formation instrumentale, option claviers, spécialité piano.
   b) titres jugés suffisants :
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano, de piano jazz ou de claviers jazz;
   - certificat final de piano d'accompagnement complété par la reconnaissance de l'expérience utile;
   - diplôme de licence ou de master en formation instrumentale, option clavier, spécialité piano.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'accompagnement au piano.]2

  [5 AESS du domaine de la musique. ]5
  [1 8°. [4 ...]4]1
  [2 § 2. ...]2
  
Art. 109. De vereiste bekwaamheidsbewijzen, de als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen voor het ambt van studiemeester-opvoeder die de leden van het opvoedend hulppersoneel in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan mogen uitoefenen, zijn als volgt vastgesteld :
  a) vereiste bekwaamheidsbewijzen :
  - het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
  - het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
  - het diploma van onderwijzer voor het lager onderwijs;
  - het diploma van onderwijzeres voor het kleuteronderwijs;
  - het diploma van opvoeder, uitgereikt door een inrichting van pedagogisch hoger onderwijs van het korte type en met volledig leerplan of op het einde van een afdeling "gespecialiseerde opvoeders", georganiseerd door het pedagogisch of sociaal hoger onderwijs of voor sociale promotie van het korte type;
  - het diploma van maatschappelijk assistent, uitgereikt door een inrichting van sociaal hoger onderwijs of door een school of een afdeling van het technisch hoger onderwijs gerangschikt in de eerste graad;
  - het diploma van kandidaat, uitgereikt overeenkomstig de wet over de toekenning van academische graden, aangevuld met 36 maanden dienst, gepresteerd als vast benoemde in het ambt met volledige dagtaak van studiemeester-opvoeder in een internaat;
  - het diploma van een school of van hogere technische leergangen van de eerste graad, aangevuld met 36 maanden dienst, gepresteerd als vastbenoemde in het ambt met volledige dagtaak van studiemeester-opvoeder in een internaat;
  - het gehomologeerd diploma van middelbare studies van de hogere graad, aangevuld met 36 maanden dienst, gepresteerd als vast benoemde in de betrekking met volledige dagtaak van studiemeester-opvoeder in een internaat;
  - het diploma van een hogere secundaire technische school, aangevuld met 36 maanden dienst, gepresteerd als vastbenoemde in het ambt met volledige dagtaak van studiemeester-opvoeder in een internaat;
  b) als voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen :
  - diploma van maatschappelijk assistent of maatschappelijk adviseur;
  - diploma van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of door een daartoe door de wet gemachtigde inrichting;
  - diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
  - diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
  - diploma van het hoger technisch onderwijs met volledig leerplan;
  - (getuigschrift van het hoger secundair onderwijs, in voorkomend geval gehomologeerd als het uitgereikt werd door een schoolinrichting vóór 1 januari 2008 of gedrukt met het zegel van de Franse Gemeenschap als het uitgereikt werd na deze datum).
Art. 108. [1 Les titres requis, les titres jugés suffisants et les titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement pour les fonctions visées à l'article 51, § 5, que peuvent exercer les membres du personnel enseignant dans le domaine de la danse sont fixés comme suit :
   1° professeur de danse classique :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de danse classique ;
   2° professeur de danse contemporaine :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de danse contemporaine ;
   3° professeur de danse jazz :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de danse jazz ;
   4° professeur de claquettes :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique.
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de claquettes ;
   5° professeur de danse traditionnelle :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de danse traditionnelle ;
   6° professeur de danses urbaines :
   a) titres requis :
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   - la reconnaissance de l'ensemble de la formation artistique telle que visée à l'article 100, § 5, alinéa 3, complétée par le titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE de danses urbaines ;
   7° professeur chargé de l'accompagnement au piano dans le domaine de la danse :
   a) titres requis :
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité piano ou accompagnement au piano, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de licence ou de master en musique, section jazz, spécialité piano jazz ou claviers jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation instrumentale, option claviers, spécialité piano ou accompagnement au piano ;
   - diplôme de master didactique en musique, section jazz, spécialité piano jazz ou claviers jazz ;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de piano, de piano jazz ou de claviers jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - certificat final de piano d'accompagnement complété par la reconnaissance d'expérience utile et un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique ;
   c) titre d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'accompagnement au piano des cours de danse classique ;
   - CAPE d'accompagnement au piano dans le domaine de la danse ;
   - AESS du domaine de la musique ;
   8° professeur chargé de l'accompagnement aux percussions dans le domaine de la danse :
   a) titres requis :
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, option percussions, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation instrumentale, option percussions ;
   - diplôme de l'enseignement artistique supérieur de percussions, de percussions jazz ou de batterie jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master en musique, section jazz, option batterie jazz, complété par un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique en musique, section jazz, option batterie jazz;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'accompagnement des cours de danse contemporaine et de danse jazz ;
   - CAPE d'accompagnement aux percussions dans le domaine de la danse ;
   - AESS du domaine de la musique. " ;
   9° professeur chargé de l'accompagnement des cours de danse traditionnelle :
   a) titres requis :
   - diplôme de licence ou de master en musique, section formation instrumentale, toutes options, complété par la reconnaissance d'expérience utile un titre d'aptitude pédagogique ;
   - diplôme de master didactique en musique, section formation instrumentale, toutes options, complété par la reconnaissance d'expérience utile ;
   - la reconnaissance d'expérience utile, complétée par un titre d'aptitude pédagogique ;
   b) titres jugés suffisants :
   - les titres repris sub a) sans titre d'aptitude pédagogique.
   c) titres d'aptitude pédagogique à l'enseignement :
   - CAPE d'accompagnement des cours de danse traditionnelle ;
   - AESS du domaine de la musique.]1

  
Afdeling 2. - Het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs.
Art. 109. Les titres requis et les titres jugés suffisants pour la fonction de surveillant-éducateur que peuvent exercer les membres du personnel auxiliaire d'éducation dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit sont fixés comme suit :
Art. 110.Het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs bedoeld bij artikel 102 wordt uitgereikt door een Examencommissie, samengesteld op initiatief van de Inrichtende Macht van de inrichting waar de betrekking openstaand werd verklaard.
Section 2. - Du certificat d'aptitude pédagogique à l'enseignement.
Art. 111. Kunnen enkel toegelaten worden tot het afleggen van de proeven van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs, de [1 personeelsleden]1 die titularis zijn van een als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs voor het ambt waarvan sprake, [1 ...]1.
  
Art. 110. Le certificat d'aptitude pédagogique à l'enseignement visé à l'article 102 est délivré par une Commission d'examen constituée à l'initiative du pouvoir organisateur de l'établissement où la vacance d'emploi a été déclarée.
  [1 Sur décision de deux ou plusieurs pouvoirs organisateurs appartenant ou non à un même réseau, des épreuves d'aptitude pédagogique à l'enseignement peuvent être regroupées en une seule session placée sous la responsabilité de l'un d'entre eux mandaté à cet effet.
   Les accords entre pouvoirs organisateurs sont constatés par une convention d'une durée limitée à l'épreuve concernée.]1

  
Art. 112. De Examencommissie is als volgt samengesteld :
  1° het hoofd van een inrichting voor [2 kunstsecundair onderwijs]2met beperkt leerplan als voorzitter;
  2° [2 een inspecteur van het kunstonderwijs]2, plaatsvervangend voorzitter en afgevaardigde van de Franse Gemeenschap;
  3° [3 zes werkende leden en vier plaatsvervangende leden, gekozen uit de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, in vast verband benoemd of aangeworven, de leden van het hoger kunstonderwijs, in vast verband of aangeworven of in tijdelijk verband aangesteld op basis van een overeenkomst met onbepaalde duur, de leden van de inspectiedienst van het kunstonderwijs en de titularissen van een universitair diploma in de psychopedagogie of in de opvoedingswetenschappen.]3
  4° een secretaris aangesteld door de Inrichtende Macht die niet stemgerechtigd is.
  Mocht de inspecteur onbeschikbaar zijn, dan wordt de afgevaardigde van de Franse Gemeenschap door de Minister of zijn gemachtigde aangesteld.
  De leden van de Inrichtende Machten en de Vakbonden mogen als waarnemer aanwezig zijn op de proeven.
  Niemand mag in de Examencommissie zetelen wanneer een van de kandidaten zijn echtgenoot(ote), bloedverwant(e) of aanverwant(e) tot de tweede graad is.
  
Art. 111. Seuls peuvent être admis à présenter les épreuves d'aptitude pédagogique à l'enseignement les [1 membres du personnel]1 titulaires du titre jugé suffisant pour la fonction en cause [1 ...]1.
  
Art. 113. Om geldig te zetelen, moet de Examencommissie ten minste samengesteld zijn uit :
  1° de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter;
  2° vier [1 ...]1 leden bedoeld bij artikel 112, 3°, onder wie ten minste twee aangesteld door de Inrichtende Macht en ten minste twee door de minister of zijn gemachtigde.
  [1 De Commissie is definitief samengesteld vanaf de voorbereidende vergadering bedoeld in artikel 116.]1
  
Art. 112. La Commission d'examen se compose comme suit :
  1° le chef d'un établissement d'enseignement [2 secondaire]2 artistique à horaire réduit en qualité de président;
  2° [2 un inspecteur de l'enseignement artistique]2, président suppléant et délégué de la Communauté française;
  3° [3 six membres effectifs et quatre membres suppléants choisis parmi les membres du personnel directeur et enseignant de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit nommés ou engagés à titre définitif, les membres de l'enseignement supérieur artistique nommés ou engagés à titre définitif ou désignés à titre temporaire sur la base d'un contrat à durée indéterminée, les membres du service de l'inspection de l'enseignement artistique et les titulaires d'un diplôme universitaire en psychopédagogie ou en sciences de l'éducation]3;
  4° un secrétaire désigné par le Pouvoir organisateur, n'ayant pas voix délibérative.
  En cas d'indisponibilité de l'inspecteur, le délégué de la Communauté française est désigné par le ministre ou son délégué.
  Des membres des Pouvoirs organisateurs et des Organisations syndicales peuvent assister aux épreuves en qualité d'observateur.
  Nul ne peut siéger dans la Commission d'examen lorsqu'un des candidats est son conjoint, parent ou allié jusqu'au deuxième degré.
  
Art. 114. [2 Minstens twee maanden vóór de datum van het examen, vraagt de inrichtende macht de Minister bevoegd voor het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan haar de namen en persoonlijke gegevens van de afgevaardigde van de Franse Gemeenschap en de door deze gekozen leden mee te delen. Zij deelt gelijktijdig de lijst mee van de ingeschreven kandidaten en van de leden van de examencommissie die ze heeft gekozen]2
  [2 Minstens één maand vóór de datum van het examen, brengt de inrichtende macht iedere kandidaat op de hoogte van de datum voor de organisatie van de proeven, en deelt, in voorkomend geval, uiterlijk 15 kalenderdagen vóór de datum van het examen, de lijst van de documenten en geschreven werken die aan de voorzitter van de examencommissie moeten worden voorgelegd mee, in zoveel exemplaren als er leden van de examencommissie zijn.]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  
Art. 113. Pour siéger valablement, la Commission d'examen doit être composée au moins :
  1° du président ou du président suppléant;
  2° de quatre [1 ...]1 visés à l'article 112, 3°, dont deux au moins désignés par le pouvoir organisateur et deux au moins désignés par le Ministre ou son délégué.
  [1 La Commission est définitivement constituée dès la réunion préparatoire visée à l'article 116]1
  
Art. 115. Voor elk GPBO dat vereist is om leden van het onderwijzend personeel in vast verband in dienst te nemen of te benoemen voor de verschillende wervingsambten, bestaat het examen uit drie proeven :
  1° een schiftingsproef over de kunst;
  2° een pedagogische proef;
  3° een proef over culturele, technische, theoretische en praktische kennis.
  De specifieke programma's en [1 de verhoudingswaarde]1 van de bij lid 1 bedoelde proeven worden door de Regering bepaald.
  
Art. 114. [2 Deux mois au moins avant la date de l'examen, le pouvoir organisateur demande au Ministre ayant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dans ses attributions de lui communiquer les noms et les coordonnées du délégué de la Communauté française et des membres choisis par celle-ci. Il communique simultanément la liste des candidats inscrits et des membres de la Commission d'examen qu'il a choisis.]2
  [2 Un mois au moins avant la date de l'examen, le pouvoir organisateur avise chaque candidat de la date d'organisation des épreuves et communique, le cas échéant, la liste des documents et travaux écrits devant être présentés au président de la Commission d'examen, au plus tard 15 jours calendrier avant la date de l'examen, en autant d'exemplaires qu'il y a de membres de la Commission d'examen. ]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  
Art. 116. Vóór de opening van de zittijd, bepaalt de Examencommissie tijdens een voorbereidende vergadering haar huishoudelijk reglement en de procedure volgens welke de zittijd zal verlopen.
Art. 115. Pour chacun des CAPE requis pour l'engagement ou la nomination à titre définitif aux diverses fonctions de recrutement des membres du personnel enseignant, l'examen comprend trois épreuves :
  1° une épreuve artistique éliminatoire;
  2° une épreuve pédagogique;
  3° une épreuve de connaissances culturelles, techniques, théoriques et pratiques.
  Les programmes spécifiques et [1 la valeur proportionnelle]1 des épreuves visées à l'alinéa 1er sont fixés par le Gouvernement.
  
Art. 117. De quoteringen worden toegekend op het einde van elke proef door ieder stemgerechtigd lid van de Examencommissie. Over deze quoteringen op fiches waarop de naam van de kandidaat staat, wordt beraadslaagd, waarna in de bij artikel 119 bedoelde notulen akte wordt genomen van de definitieve quoteringen.
  Wanneer de quoteringen van een lid van de Examencommissie meer dan 20 % boven of onder het gemiddelde van de quoteringen liggen, is het lid ertoe verplicht zijn quotering te verantwoorden. Deze verantwoording wordt in de bij artikel 119 bedoelde notulen opgenomen.
Art. 116. Avant l'ouverture de la session, la Commission d'examen détermine, lors d'une réunion préparatoire, son règlement d'ordre intérieur et la procédure suivant laquelle se déroulera la session.
Art. 118. Worden bekwaam verklaard en ontvangen een getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs, de kandidaten die ten minste 6/10en van de punten hebben behaald die voor het examen zijn toegekend.
  Het getuigschrift met vermelding van de benaming van het afgelegde examen en van de datum van het examen wordt door de recipiëndus en door al de stemgerechtigde leden van de Examencommissie ondertekend. Het blijft geldig gedurende tien jaar voor de indienstneming of de benoeming in vast verband voor elke betrekking die door een Inrichtende Macht van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan vóór het verstrijken van zijn geldigheidsdatum vacant wordt verklaard.
Art. 117. Les cotes sont attribuées à l'issue de chaque épreuve par chaque membre de la Commission d'examen ayant voix délibérative. Ces cotes inscrites sur fiches nominatives font l'objet d'une délibération à l'issue de laquelle les cotes définitives sont actées au procès-verbal visé à l'article 119.
  Lorsque les cotes d'un membre de la Commission d'examen diffèrent de plus de 20 % en plus ou en moins de la moyenne des cotes, il est tenu de justifier sa cotation. Cette justification est inscrite au procès-verbal visé à l'article 119.
Art. 119. Een exemplaar van de notulen van het examen opgesteld door de secretaris en ondertekend door al de leden van de Examencommissie die erin gezeteld hebben, wordt [2 aan de inspectiedienst]2 en aan de dienst van het ministerie gezonden tot wiens bevoegdheid het [1 kunstsecundair onderwijs]1 met beperkt leerplan behoort.
  
Art. 118. Sont déclarés aptes et reçoivent un certificat d'aptitude à l'enseignement les candidats ayant obtenu au moins 6/10 des points attribués à chacune des épreuves et 7/10 des points attribués à l'examen.
  Le certificat mentionnant l'intitulé de l'examen présenté est signé par le récipiendaire et par tous les membres de la Commission d'examen ayant voix délibérative et porte la date de l'examen. Il est valable pendant dix ans pour l'engagement ou la nomination à titre définitif pour tout emploi dont la vacance a été déclarée par un pouvoir organisateur de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit avant la date d'expiration de sa validité.
Art. 120. De organisatiekosten van de zittijden voor de examens van bekwaamheid vallen ten laste van de Inrichtende Machten.
Art. 119. Un exemplaire du procès-verbal de l'examen établi par le secrétaire et signé par tous les membres de la Commission d'examen ayant siégé est adressé [2 au service de l'inspection]2 ainsi qu'au service du ministère ayant en charge l'enseignement [1 secondaire]1 artistique à horaire réduit.
  
HOOFDSTUK VII. [1 - De Algemene Raad voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplant.]1
Art. 120. Les frais d'organisation des sessions d'examen d'aptitude sont à charge des pouvoirs organisateurs.
Art. 121.[1 § 1. Er wordt, bij de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, een Algemene Raad voor het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan opgericht, hierna de " Algemene Raad " genoemd. ".
CHAPITRE VII. [1 - Du conseil général de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.]1
Art. 121bis. [1 § 1. De Algemene Raad is samengesteld :
   1° voor elke representatieve organisatie van de inrichtende machten, uit twee werkende leden en twee plaatsvervangende leden ;
   2° voor elke representatieve vakbondsvereniging, uit een werkend lid en een plaatsvervangend lid ;
   3° voor het bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, uit acht werkende leden en acht plaatsvervangende leden, naar rata, respectievelijk van twee per onderwijsgebied ;
   4° voor de inspectiedienst van het kunstonderwijs, uit vier werkende leden, waaronder de inspecteur-coördinator van de betrokken dienst, naar rata van één inspecteur per onderwijsgebied ;
   5° voor de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap :
   - uit de ambtenaar-generaal belast met de organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, of zijn afgevaardigde ;
   - uit de ambtenaar-generaal belast met het beheer van de personeelsleden van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan of zijn afgevaardigde ;
   6° uit een vertegenwoordiger van de Regering.
   § 2. De werkende leden bedoeld in § 1, 1°, oefenen, afwisselend, om de twee jaar, het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap van de Algemene Raad uit.
   § 3. De leden bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3° en 5°, alsook de inspecteur-coördinator bedoeld in 4°, zijn stemgerechtigd. De andere leden bedoeld in dezelfde paragraaf hebben een raadgevende stem.
   § 4. De Regering bepaalt de nadere regels voor de aanstelling van de leden van de Raad.]1

  
Art. 121. [1 § 1er. Il est créé, auprès des services du Gouvernement de la Communauté française, un Conseil général de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, ci-après dénommé le " Conseil général ".
   § 2. Le Conseil général a pour mission de remettre un avis :
   1° sur toute question relative au fonctionnement, à l'amélioration et à la qualité de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit soit à la demande du Gouvernement soit d'initiative ;
   2° sur tout nouveau programme de cours tel que visé à l'article 4, § 4, alinéa 2 ;
   3° sur tout dossier relatif à la création et l'admission aux subventions d'un nouvel établissement ou d'un nouveau domaine, visé à l'article 41bis ;
   4° sur toute demande de dérogation sur l'ouverture de cours en dehors du territoire de la commune visée à l'article 45, § 1er ;
   5° sur le choix, par le Gouvernement, des membres experts enseignants de la Commission de reconnaissance d'expérience utile ainsi que de leurs suppléants visés à l'article 100bis, § 3, 5°.]1

  
Art. 121ter. [1 § 1. Het mandaat van de leden van de Algemene Raad duurt vier jaar. Het is hernieuwbaar, met uitzondering van het mandaat van de leden bedoeld in artikel 121bis, § 1, 3°, dat één keer achtereenvolgens hernieuwbaar is.
   § 2. Het mandaat wordt niet bezoldigd.
   De leden van de Algemene Raad hebben recht op de terugbetaling van hun vervoerkosten overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.]1

  
Art. 121bis. [1 § 1er. Le Conseil général comprend :
   1° pour chacune des organisations représentatives des pouvoirs organisateurs, deux membres effectifs et deux membres suppléants ;
   2° pour chacune des organisations syndicales représentatives, un membre effectif et un membre suppléant ;
   3° pour le personnel directeur et enseignant de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, huit membres effectifs et huit membres suppléants, à raison, respectivement, de deux par domaine d'enseignement ;
   4° pour le service de l'inspection de l'Enseignement artistique, quatre membres effectifs, dont l'inspecteur coordonnateur dudit service, à raison d'un inspecteur par domaine d'enseignement ;
   5° pour les services du Gouvernement de la Communauté française :
   - le fonctionnaire général ayant l'organisation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dans ses attributions, ou son délégué ;
   - le fonctionnaire général ayant la gestion des membres du personnel de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit dans ses attributions, ou son délégué ;
   6° un représentant du Gouvernement.
   § 2. Les membres effectifs visés au § 1er, 1°, exercent, en alternance tous les deux ans, la présidence et la vice-présidence du Conseil général.
   § 3. Les membres visés au § 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, ainsi que l'inspecteur coordonnateur visé au 4°, ont une voix délibérative. Les autres membres visés au même paragraphe ont une voix consultative.
   § 4. Le Gouvernement fixe les modalités de désignation des membres du Conseil.]1

  
Art. 121quater. [1 De Regering bepaalt de werkingsregels van de Algemene Raad.]1
  
Art. 121ter. [1 § 1er. Le mandat des membres du Conseil général est fixé à quatre ans. Il est renouvelable, à l'exception du mandat des membres visés à l'article 121bis, § 1er, 3°, renouvelable une seule fois consécutivement.
   § 2. Le mandat n'est pas rétribué.
   Les membres du Conseil général ont droit au remboursement de leurs frais de parcours conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.]1

  
HOOFDSTUK VIII. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
Art. 121quater. [1 Le Gouvernement détermine les règles de fonctionnement du Conseil général.]1
Art. 122. Wanneer een Inrichtende Macht niet beantwoordt aan de bij artikel 7, 2°, bepaalde voorwaarden en wanneer artikel 24, § 7, van voornoemde wet wordt toegepast, dan kan de Regering een opschorting toekennen van de toepassing van de notificatie steunend op de vastgestelde tekortkoming.
CHAPITRE VIII. - Des dispositions abrogatoires, transitoires et finales.
Art. 123. Voor de personeelsleden in vast verband benoemd of in dienst genomen voor een ambt dat niet in artikel 51 vermeld staat, stellen de Inrichtende Machten de benamingen van de uitgeoefende ambten in overeenstemming met de bij dit decreet bepaalde nomenclatuur van de ambten.
Art. 122. Lorsqu'un pouvoir organisateur ne satisfait pas aux conditions fixées par l'article 7, 2°, et qu'il est fait application de l'article 24, § 7, de la loi du 29 mai 1959 précitée, une suspension de l'application de la notification basée sur le manquement constaté peut être accordée par le Gouvernement.
  Cette suspension produisant ses effets à la date d'entrée en vigueur du présent décret et limitée à deux années scolaires maximum, est accordée à la demande du pouvoir organisateur pour autant que celui-ci s'engage à satisfaire au prescrit de l'article 7, 2°, au terme de la période de suspension.
Art. 124. (opgeheven)
Art. 123. Pour les membres du personnel nommés ou engagés à titre définitif à une fonction non reprise à l'article 51, les pouvoirs organisateurs procèdent à une mise en conformité des intitulés des fonctions exercées avec la nomenclature des fonctions fixée par le présent décret.
Art. 125. De inrichtingen voor secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan die niet in artikel 23 zijn vermeld en die gedurende het schooljaar 1997-1998 lestijden van de Kunsthumaniora organiseerden mogen vanaf 1 september 1998 de lestijden van de Kunsthumaniora blijven organiseren, wat de leerlingen die ingeschreven blijven, toelaat de ondernomen cyclus van secundaire studies te beëindigen.
  De in lid 1 bedoelde inrichtingen ontvangen jaarlijkse lestijdendotaties overeenkomstig artikel 35.
Art. 124. (abrogé)
Art. 126. Komt er fusie tussen de bij de artikelen 43 en 44 bedoelde inrichtingen en in afwijking van de bepalingen van artikel 43 van voornoemd decreet van 1 februari 1993 en van artikel 31 van voornoemd decreet van 6 juni 1994, is de Inrichtende Macht niet verplicht tot benoemingen over te gaan tijdens een overgangsperiode die niet langer mag duren dan drie schooljaren die volgen op de datum van de fusie.
Art. 125. Les établissements d'enseignement secondaire artistique à horaire réduit non repris à l'article 23 qui organisaient durant l'année scolaire 1997-1998 des périodes d'enseignement des humanités artistiques peuvent continuer à organiser à partir du 1er septembre 1998 les périodes de cours des humanités artistiques permettant aux élèves restant inscrits de terminer le cycle d'études secondaires entrepris.
  Les établissements visés à l'alinéa 1er bénéficient de dotations annuelles de périodes de cours conformément à l'article 35.
Art. 127. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 26 maart 1954 betreffende de voorwaarden waaronder de Staat toelagen verleent aan de gemeentelijke conservatoria, de gemeentelijke en vrije muziekacademiën en muziekscholen;
  2° artikel 1, lid 2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
  3° het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur;
  4° het koninklijk besluit van 26 januari 1968 tot vaststelling van het bewijs s vereist met het oog op de toekenning van toelagen aan de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;
  5° het koninklijk besluit van 21 april 1969 tot vaststelling van de structuur, de samenstelling en de werking van de Raad van Advies voor het onderwijs in de bouwkunst en de beeldende kunsten;
  6° het koninklijk besluit van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderricht in gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;
  7° het koninklijk besluit van 5 november 1969 tot oprichting van een Verbeteringsraad voor het muziekonderwijs;
  8° het koninklijk besluit van 8 januari 1971 tot vaststelling van het onderwijsniveau van de gesubsidieerde inrichtingen voor muziekonderwijs;
  9° het koninklijk besluit van 5 augustus 1971 houdende algemene regeling van de studiën in het onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan, ingericht door de Staat;
  10° het koninklijk besluit van 12 augustus 1971 betreffende de toepassing van artikel 1, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 5 augustus 1971;
  11° het koninklijk besluit van 13 augustus 1971 houdende toepassing, wat het gesubsidieerd onderwijs in de plastische kunsten met beperkt leerplan betreft, van artikel 24 der wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de wetgeving betreffende het onderwijs;
  12° het ministerieel besluit van 10 november 1971 genomen ter toepassing van het koninklijk besluit van 9 september 1969 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs;
  13° het ministerieel besluit van 30 juni 1972 houdende vaststelling van het uurrooster en het minimum programma van de leergangen alsook het reglement der examens voor het franstalig gesubsidieerd muziekonderwijs;
  14° het koninklijk besluit van 9 november 1978 tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van ambten in de rijksinstellingen voor kunstonderwijs met beperkt leerplan ressorterend onder de Minister van Nederlandse Cultuur en onder de Minister van Franse Cultuur;
  15° het ministerieel besluit van 10 november 1978 tot uitvoering van artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 9 november 1978;
  16° het ministerieel besluit van 10 november 1978 houdende gelijkstelling, voor het toekennen van weddeschalen, van bekwaamheidsbewijzen in het kunstonderwijs;
  17° artikel 7 van het koninklijk besluit van 7 december 1978 genomen ter uitvoering van artikel 77, § 2, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 en houdende afwijking van sommige bepalingen van de koninklijk besluiten tot vaststelling van de voorwaarden vereist voor het oprichten van betrekkingen in de rijksinrichtingen voor technisch en voor kunstonderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan;
  18° met uitwerking met ingang van 1 september 1992, het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
Art. 126. En cas de fusion d'établissements visée aux articles 43 et 44, et par dérogation aux dispositions de l'article 43 du décret du 1er février 1993 et de l'article 31 du décret du 6 juin 1994 précités, l'obligation de nommer ne s'impose pas au pouvoir organisateur durant une période transitoire ne pouvant excéder les trois années scolaires suivant la date de la fusion.
Art. 128. Het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan wordt uitgesloten van het toepassingsgebied van de volgende bepalingen :
  1° de wet van 14 mei 1955 op het kunstonderwijs;
  2° het koninklijk besluit van 22 maart 1961 houdende toepassing van artikel 5 der wet van 14 mei 1955 over het kunstonderwijs en van de artikelen 24, 27 en 32 der wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de wetgeving op het onderwijs;
  3° het koninklijk besluit van 5 november 1973 tot organisatie van het onderwijs in de beeldende kunsten afhangend van de Minister van Franse Cultuur;
  4° het koninklijk besluit van 5 mei 1976 houdende gelijkstelling van het bewijs s van het kunstonderwijs;
  5° het koninklijk besluit van 31 augustus 1978 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor kunstonderwijs die secundair onderwijs verstrekken in de plastische kunsten;
  6° het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bepalingen van de geldelijke statuten van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel met volledig leerplan en het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
Art. 127. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 26 mars 1954 relatif aux conditions d'octroi par l'Etat de subventions aux conservatoires communaux, aux académies et écoles de musique communales et libres;
  2° (l'article 1er), alinéa 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
  3° l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministre de l'Education nationale et de la Culture;
  4° l'arrêté royal du 26 janvier 1968 fixant les titres requis en vue de l'octroi des subventions aux établissements d'enseignement de la musique;
  5° l'arrêté royal du 21 avril 1969, fixant la structure, la composition et le fonctionnement du Conseil de perfectionnement de l'enseignement de l'architecture et des arts plastiques;
  6° l'arrêté royal du 9 septembre 1969 relatif au certificat d'aptitude à l'enseignement dans les établissements subventionnés d'enseignement de la musique;
  7° arrêté royal du 5 novembre 1969 instituant un Conseil de perfectionnement de l'enseignement de la musique;
  8° l'arrêté royal du 8 janvier 1971 déterminant les niveaux d'études dans les établissements subventionnés d'enseignement musical;
  9° l'arrêté royal du 5 août 1971 portant règlement général des études dans l'enseignement des arts plastiques à horaire réduit organisé par l'Etat;
  10° l'arrête royal du 12 août 1971 relatif à l'application de l'article premier, alinéa 2, de l'arrêté royal du 5 août 1971 précité;
  11° l'arrêté royal du 13 août 1971 portant application, en ce qui concerne l'enseignement des arts plastiques à horaire réduit subventionné, de l'article 24 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
   12° l'arrêté ministériel du 10 novembre 1971 pris en application de l'arrêté royal du 9 septembre 1969 relatif au certificat d'aptitude à l'enseignement;
  13° l'arrêté ministériel du 30 juin 1972 fixant l'horaire et le programme minimum des cours ainsi que le règlement des examens de l'enseignement musical subventionné d'expression française;
  14° l'arrêté ministériel du 9 novembre 1978 fixant les conditions requises pour la création d'emplois dans les établissements d'enseignement artistique à horaire réduit de l'Etat relevant du Ministre de la Culture néerlandaise et du Ministre de la Culture française;
  15° l'arrêté ministériel du 10 novembre 1978 portant exécution de l'article 4 de arrêté royal du 9 novembre 1978 précité;
  16° l'arrêté ministériel du 10 novembre 1978 portant assimilation des titres dans l'enseignement artistique en vue de l'octroi d'échelles de traitement;
  17° l'article de l'arrêté royal du 7 décembre 1978 pris en exécution de l'article 77, § 2, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 et portant dérogation à certaines dispositions des arrêtés royaux fixant les conditions requises pour la création d'emplois dans les établissements d'enseignement technique ou artistique de l'Etat, de promotion sociale ou à horaire réduit;
  18° avec effet au 1er septembre 1992, l'arrête royal du 29 août 1985 portant harmonisation des dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimile de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
Art. 129. Dit decreet treedt in werking op 1 september 1998, behoudens de artikelen 38, 55 en 60 tot 62, die in werking treden op 1 september 1999.
Art. 128. L'enseignement secondaire artistique à horaire réduit est exclu du champ d'application des dispositions suivantes :
  1° la loi du 14 mai 1955 sur l'enseignement artistique;
  2° l'arrêté royal du 22 mars 1961 portant application de l'article 5 de la loi du 14 mai 1955 sur l'enseignement artistique et des articles 24, 27 et 32 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement;
  3° l'arrêté royal du 5 novembre 1973 relatif à l'organisation de l'enseignement des arts plastiques relevant du Ministre de la Culture française;
  4° l'arrêté royal du 5 mai 1976 portant assimilation des titres de l'enseignement artistique;
  5° l'arrêté royal du 31 août 1978 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement artistique qui dispensent un enseignement secondaire des arts plastiques;
  6° l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
-
Art. 129. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 1998 à l'exception des articles 38, 55 et 60 à 62 qui entrent en vigueur le 1er septembre 1999.