Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
14 APRIL 1998. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat. (Vertaling)
Titre
14 AVRIL 1998. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté francaise modifiant et complétant l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et des échelles des grades du personnel des Centres psycho-médico-sociaux de l'Etat.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. In hoofdstuk B " Bestuurs- en onderwijzend personeel van het lager onderwijs " van artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgesteld de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat, worden de woorden van de rubriek " leermeester godsdienst " vervangen door de volgende woorden : " leermeester katholieke of protestantse godsdienst ".
Article 1. Dans le chapitre B " Du personnel directeur et enseignant de l'enseignement primaire " de l'article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 fixant au 1er avril 1972 les échelles des fonctions de membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement de l'Etat, des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, des membres du personnel du service d'inspection de l'enseignement par correspondance et de l'enseignement primaire subventionné et des échelles des grades du personnel des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, les termes de la rubrique " maître de religion " sont remplacés par les termes suivants : " maître de religion catholique ou protestante ".
Art. 2. In hetzelfde hoofdstuk B van hetzelfde artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 27 juni 1974, worden de bepalingen a) tot g) van de rubriek " leermeester israëlitische godsdienst " vervangen door de volgende bepalingen :
Art. 2. Dans le même chapitre B du même article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 précité, les dispositions a) à g) de la rubrique " maître de religion israélite " sont remplacés par les dispositions suivantes :
" a) die de hoedanigheid of de waardigheid van dienaar van de
eredienst heeft 206/2
b) houder van het diploma van onderwijzer, uitgereikt na een
cyclus van twee jaar studie in het hoger onderwijs met
volledig leerplan en van het korte type, aangevuld met
het getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs
israelitische godsdienst in de lagere graad, uitgereikt
door het " Consistoire central israelite de Belgique " en
de grote rabbijn van Belgie of de rabbijn, toegevoegd
aan het " Consistoire " 206/2
c) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze die
bedoeld zijn onder a) en b), aangevuld met twaalf maanden
diensten in het door de Staat georganiseerd of gesubsidieerd
onderwijs, ongeacht de leeftijd vanaf welke die diensten
werden gepresteerd. De duur van die diensten wordt berekend
overeenkomstig de bepalingen van artikel 85 van het statuut
vastgesteld bij het koninklijk besluit van 22 maart 1969.
Die twaalf maanden diensten in het onderwijs zijn niet
meegerekend voor de vaststelling van de geldelijke
ancienniteit 206/2
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze die
bedoeld zijn onder a) en b), niet aangevuld met de twaalf
maanden diensten waarvan sprake onder c); de wedde,
vastgesteld in de schaal bepaald onder b), wordt
verminderd met het bedrag van de jaarlijkse verhoging tot
de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop
de voorwaarde betreffende de twaalf maanden vervuld is - "
eredienst heeft 206/2
b) houder van het diploma van onderwijzer, uitgereikt na een
cyclus van twee jaar studie in het hoger onderwijs met
volledig leerplan en van het korte type, aangevuld met
het getuigschrift van bekwaamheid voor het onderwijs
israelitische godsdienst in de lagere graad, uitgereikt
door het " Consistoire central israelite de Belgique " en
de grote rabbijn van Belgie of de rabbijn, toegevoegd
aan het " Consistoire " 206/2
c) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze die
bedoeld zijn onder a) en b), aangevuld met twaalf maanden
diensten in het door de Staat georganiseerd of gesubsidieerd
onderwijs, ongeacht de leeftijd vanaf welke die diensten
werden gepresteerd. De duur van die diensten wordt berekend
overeenkomstig de bepalingen van artikel 85 van het statuut
vastgesteld bij het koninklijk besluit van 22 maart 1969.
Die twaalf maanden diensten in het onderwijs zijn niet
meegerekend voor de vaststelling van de geldelijke
ancienniteit 206/2
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze die
bedoeld zijn onder a) en b), niet aangevuld met de twaalf
maanden diensten waarvan sprake onder c); de wedde,
vastgesteld in de schaal bepaald onder b), wordt
verminderd met het bedrag van de jaarlijkse verhoging tot
de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop
de voorwaarde betreffende de twaalf maanden vervuld is - "
a) qui possède la qualité ou la dignité de ministre du culte 206/2
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire, délivré après
un cycle de deux années d'études de l'enseignement supérieur
de plein exercice et de type court, et complété par le
certificat d'aptitude a l'enseignement religieux israélite
au degré primaire, délivré par le Consistoire central
israélite de Belgique et le grand rabbin de Belgique ou le
rabbin attache au Consistoire 206/2
c) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises en a) et
b) et complété par douze mois de services dans
l'enseignement organise ou subventionne par l'Etat,
quel que soit l'âge à partir duquel ces services ont
été prestés. La durée desdits services est calculée
conformément aux dispositions de l'article 85 du statut
fixe par l'arrêté royal du 22 mars 1969. Ces douze mois
de services dans l'enseignement ne sont pas comptes pour
la fixation de l'ancienneté pecuniaire 206/2
d) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises en a) et
b) et non complété par les douze mois de services, dont
question sous c); le traitement, fixe dans l'échelle
prévue sous b), est ampute du montant d'une annale
jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à
laquelle la condition, relative aux douze mois de
services, est remplie - "
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire, délivré après
un cycle de deux années d'études de l'enseignement supérieur
de plein exercice et de type court, et complété par le
certificat d'aptitude a l'enseignement religieux israélite
au degré primaire, délivré par le Consistoire central
israélite de Belgique et le grand rabbin de Belgique ou le
rabbin attache au Consistoire 206/2
c) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises en a) et
b) et complété par douze mois de services dans
l'enseignement organise ou subventionne par l'Etat,
quel que soit l'âge à partir duquel ces services ont
été prestés. La durée desdits services est calculée
conformément aux dispositions de l'article 85 du statut
fixe par l'arrêté royal du 22 mars 1969. Ces douze mois
de services dans l'enseignement ne sont pas comptes pour
la fixation de l'ancienneté pecuniaire 206/2
d) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises en a) et
b) et non complété par les douze mois de services, dont
question sous c); le traitement, fixe dans l'échelle
prévue sous b), est ampute du montant d'une annale
jusqu'au premier jour du mois qui suit la date à
laquelle la condition, relative aux douze mois de
services, est remplie - "
Art. 3. In hetzelfde hoofdstuk B van hetzelfde artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 27 juni 1974, na de rubriek " Leermeester israëlitische godsdienst ", wordt een rubriek " Leermeester orthodoxe godsdienst " ingevoegd, luidend als volgt :
Art. 3. Dans le même chapitre B du même article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 précité, une rubrique " maître de religion orthodoxe ", libellée comme suit, est insérée après la rubrique " maître de religion israélite " :
" Leermeester orthodoxe godsdienst :
a) die de hoedanigheid van dienaar van de eredienst heeft 206/2
b) houder van het diploma van onderwijs, uitgereikt na een
cyclus van ten minste twee jaar studie in het hoger onderwijs
met volledig leerplan van het korte type 206/2
c) houder van het diploma van geaggregeerde van het lager
secundair onderwijs 206/2
d) houder van een ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die bedoeld zijn onder a), b) en c), aangevuld met twaalf
maanden diensten in het door de Franse Gemeenschap
georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, ongeacht de
leeftijd vanaf welke die diensten werden gepresteerd. De
duur van die diensten wordt berekend overeenkomstig de
bepalingen van artikel 85 van het statuut vastgesteld bij
het koninklijk besluit van 22 maart 1969. Die twaalf
maanden diensten in het onderwijs zijn niet meegerekend
voor de vaststelling van de geldelijke ancienniteit 206/2
e) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die bedoeld zijn onder a), b) en c), niet aangevuld met
de twaalf maanden diensten waarvan sprake onder d); de
wedde, vastgesteld in de schaal bepaald onder d), wordt
verminderd met het bedrag van de jaarlijkse verhoging tot
de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop
de voorwaarde betreffende de twaalf maanden vervuld is - "
a) die de hoedanigheid van dienaar van de eredienst heeft 206/2
b) houder van het diploma van onderwijs, uitgereikt na een
cyclus van ten minste twee jaar studie in het hoger onderwijs
met volledig leerplan van het korte type 206/2
c) houder van het diploma van geaggregeerde van het lager
secundair onderwijs 206/2
d) houder van een ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die bedoeld zijn onder a), b) en c), aangevuld met twaalf
maanden diensten in het door de Franse Gemeenschap
georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, ongeacht de
leeftijd vanaf welke die diensten werden gepresteerd. De
duur van die diensten wordt berekend overeenkomstig de
bepalingen van artikel 85 van het statuut vastgesteld bij
het koninklijk besluit van 22 maart 1969. Die twaalf
maanden diensten in het onderwijs zijn niet meegerekend
voor de vaststelling van de geldelijke ancienniteit 206/2
e) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die bedoeld zijn onder a), b) en c), niet aangevuld met
de twaalf maanden diensten waarvan sprake onder d); de
wedde, vastgesteld in de schaal bepaald onder d), wordt
verminderd met het bedrag van de jaarlijkse verhoging tot
de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop
de voorwaarde betreffende de twaalf maanden vervuld is - "
" Maître de religion orthodoxe :
a) qui possède la qualité de ministre du culte 206/2
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire, délivré après
un cycle d'au moins deux années études de l'enseignement
supérieur de plein exercice et de type court 206/2
c) porteur du diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire
inferieur 206/2
d) porteur d'un des titres requis autres que ceux vises
sub a), b) et c), complété par douze mois de services
dans l'enseignement organise ou subventionne par la
Communauté française, quel que soit l'âge à partir
duquel ces services ont été prestés. La durée desdits
services est calculée conformément aux dispositions de
l'article 85 du statut fixe par arrêté royal du
22 mars 1969. Ces douze mois de services dans
l'enseignement ne sont pas comptes pour la fixation
de ancienneté pecuniaire 206/2
e) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises
sub a), b) et c), non complété par les douze mois de
services, dont question sous d); le traitement fixe
dans échelle prévue sous d), est ampute du montant
d'une annale jusqu'au premier jour du mois qui suit
la date à laquelle la condition, relative aux douze
mois de services, est remplie - "
a) qui possède la qualité de ministre du culte 206/2
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire, délivré après
un cycle d'au moins deux années études de l'enseignement
supérieur de plein exercice et de type court 206/2
c) porteur du diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire
inferieur 206/2
d) porteur d'un des titres requis autres que ceux vises
sub a), b) et c), complété par douze mois de services
dans l'enseignement organise ou subventionne par la
Communauté française, quel que soit l'âge à partir
duquel ces services ont été prestés. La durée desdits
services est calculée conformément aux dispositions de
l'article 85 du statut fixe par arrêté royal du
22 mars 1969. Ces douze mois de services dans
l'enseignement ne sont pas comptes pour la fixation
de ancienneté pecuniaire 206/2
e) porteur de tout titre requis, autre que ceux vises
sub a), b) et c), non complété par les douze mois de
services, dont question sous d); le traitement fixe
dans échelle prévue sous d), est ampute du montant
d'une annale jusqu'au premier jour du mois qui suit
la date à laquelle la condition, relative aux douze
mois de services, est remplie - "
Art. 4. In hoofdstuk C " Bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair onderwijs van de lagere graad " van hetzelfde artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 27 juni 1974, worden e rubrieken " Leraar godsdienst " en " Leraar israëlitische godsdienst " en de bepalingen die erin vervat zijn, vervangen door de volgende bepalingen :
Art. 4. Dans le chapitre C " Du personnel directeur et enseignant de l'enseignement secondaire du degré inférieur " du même article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 précité, les rubriques " Professeur de religion " et " Professeur de religion israélite " et les dispositions qu'elles comprennent sont remplacées par les dispositions suivantes :
" Leraar katholieke, protestantse of orthodoxe godsdienst :
a) houder van een vereist bekwaamheidsbewijs 216
b) houder van het diploma van onderwijzer of van een
bewkaamheidsbewijs van het hoger secundair niveau 206/3
c) houder van elk ander bekwaamheidsbewijs 206/2
Overgangsstelsel
a) benoemd in dit ambt, houder van een ander bekwaamheidsbewijs
dan dat van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs
en die op 31 maart 1972 de weddeschaal van geaggregeerde
voor het lager secundair onderwijs genoot 216
b) benoemd in dit ambt en die op 31 maart 1972 de weddeschaal
van onderwijzer genoot 206/2
c) die de hoedanigheid van dienaar van de eredienst heeft en
die op 31 maart 1972 de schaal 145400 genoot, verhoogd met
4 pct. na vier in aanmerking komende dienstjaren en met
15 pct. na 15 in aanmerking komende dienstjaren :
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, niet in
gemeenschap leefde in de zin van artikel 30 van de wet van
29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de
onderwijswetgeving, zoals het werd gewijzigd bij de wet
van 11 juli 1973, of indien hij twintig dienstjaren of meer
telt in het onderwijs 240
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, in
gemeenschap leefde in de zin van het voormelde artikel 30
en geen twintig dienstjaren in het onderwijs telt 290
d) in dit ambt benoemd en die op de datum van 31 mei 1998, de
weddeschaal genoot die toegekend was aan de geaggregeerde
voor het secundair onderwijs van de hogere graad 415
Leraar israelitische godsdienst :
a) houder van een ander vereist bekwaamheidsbewijs dan het
bewijs bedoeld onder b) 216
b) houder van het bekwaamheidsgetuigschrift voor het onderwijs
israelitische godsdienst van de lagere secundaire graad,
uitgereikt door het " Consistoire central israelite de
Belgique " en medeondertekend door de voorzitter van het
" Consistoire central israelite de Belgique " en de
grote rabbijn van Belgie of de rabbijn, toegevoegd aan
het " Consistoire " 206/3
Overgangsstelsel
- benoemd in dit ambt, en die op de datum van 31 mei 1998,
de weddeschaal toegekend aan de geaggregeerde voor het
hoger secundair onderwijs genoot 415 "
a) houder van een vereist bekwaamheidsbewijs 216
b) houder van het diploma van onderwijzer of van een
bewkaamheidsbewijs van het hoger secundair niveau 206/3
c) houder van elk ander bekwaamheidsbewijs 206/2
Overgangsstelsel
a) benoemd in dit ambt, houder van een ander bekwaamheidsbewijs
dan dat van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs
en die op 31 maart 1972 de weddeschaal van geaggregeerde
voor het lager secundair onderwijs genoot 216
b) benoemd in dit ambt en die op 31 maart 1972 de weddeschaal
van onderwijzer genoot 206/2
c) die de hoedanigheid van dienaar van de eredienst heeft en
die op 31 maart 1972 de schaal 145400 genoot, verhoogd met
4 pct. na vier in aanmerking komende dienstjaren en met
15 pct. na 15 in aanmerking komende dienstjaren :
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, niet in
gemeenschap leefde in de zin van artikel 30 van de wet van
29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de
onderwijswetgeving, zoals het werd gewijzigd bij de wet
van 11 juli 1973, of indien hij twintig dienstjaren of meer
telt in het onderwijs 240
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, in
gemeenschap leefde in de zin van het voormelde artikel 30
en geen twintig dienstjaren in het onderwijs telt 290
d) in dit ambt benoemd en die op de datum van 31 mei 1998, de
weddeschaal genoot die toegekend was aan de geaggregeerde
voor het secundair onderwijs van de hogere graad 415
Leraar israelitische godsdienst :
a) houder van een ander vereist bekwaamheidsbewijs dan het
bewijs bedoeld onder b) 216
b) houder van het bekwaamheidsgetuigschrift voor het onderwijs
israelitische godsdienst van de lagere secundaire graad,
uitgereikt door het " Consistoire central israelite de
Belgique " en medeondertekend door de voorzitter van het
" Consistoire central israelite de Belgique " en de
grote rabbijn van Belgie of de rabbijn, toegevoegd aan
het " Consistoire " 206/3
Overgangsstelsel
- benoemd in dit ambt, en die op de datum van 31 mei 1998,
de weddeschaal toegekend aan de geaggregeerde voor het
hoger secundair onderwijs genoot 415 "
" Professeur de religion catholique, protestante ou
orthodoxe :
a) porteur d'un titre requis 216
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire ou d'un titre
du niveau secondaire superieur 206/3
c) porteur de tout autre titre 206/2
Régime transitoire
a) nommé à cette fonction, porteur d'un titre autre que celui
agrégé de l'enseignement secondaire inférieur et qui
bénéficiait au 31 mars 1972 de échelle de agrégé de
l'enseignement secondaire inferieur 216
b) nommé à cette fonction et qui bénéficiait au 31 mars 1972
de échelle d'instituteur primaire 206/2
c) qui possède la qualité de ministre du culte et qui
bénéficiait au 31 mars 1972 de échelle 145400 augmentée
de 4 pc après quatre années de services admissibles et
de 15 pc après quinze années de services admissibles :
- si, à la date du 1er janvier 1973, il ne vivait pas en
communauté au sens de l'article 30 de la loi du
29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la
législation de l'enseignement tel qu'il a été modifie
par la loi du 11 juillet 1973, ou s'il compte vingt années
de services ou plus dans l'enseignement 240
- si, à la date du 1er janvier 1973, il vivait en
communauté au sens de l'article 30 précité et ne compte
pas vingt années de services dans l'enseignement 290
d) nommé à cette fonction et qui bénéficiait, à la date du
31 mai 1998, de échelle octroyée a agrégé de
l'enseignement secondaire du degré superieur 415
Professeur de religion israélite :
a) porteur d'un titre requis, autre que celui vise sub b) 216
b) porteur du certificat d'aptitude à l'enseignement religieux
israélite ou degré secondaire inférieur, délivré par le
Consistoire central israélite de Belgique et signe
conjointement par le président du Consistoire central
israélite de Belgique et le grand rabbin de Belgique ou
le rabbin attache au Consistoire 206/3
Régime transitoire
- nommé à cette fonction et qui bénéficiait, à la date du
31 mai 1998, de échelle octroyée a agrégé de
l'enseignement secondaire superieur 415 "
orthodoxe :
a) porteur d'un titre requis 216
b) porteur du diplôme d'instituteur primaire ou d'un titre
du niveau secondaire superieur 206/3
c) porteur de tout autre titre 206/2
Régime transitoire
a) nommé à cette fonction, porteur d'un titre autre que celui
agrégé de l'enseignement secondaire inférieur et qui
bénéficiait au 31 mars 1972 de échelle de agrégé de
l'enseignement secondaire inferieur 216
b) nommé à cette fonction et qui bénéficiait au 31 mars 1972
de échelle d'instituteur primaire 206/2
c) qui possède la qualité de ministre du culte et qui
bénéficiait au 31 mars 1972 de échelle 145400 augmentée
de 4 pc après quatre années de services admissibles et
de 15 pc après quinze années de services admissibles :
- si, à la date du 1er janvier 1973, il ne vivait pas en
communauté au sens de l'article 30 de la loi du
29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la
législation de l'enseignement tel qu'il a été modifie
par la loi du 11 juillet 1973, ou s'il compte vingt années
de services ou plus dans l'enseignement 240
- si, à la date du 1er janvier 1973, il vivait en
communauté au sens de l'article 30 précité et ne compte
pas vingt années de services dans l'enseignement 290
d) nommé à cette fonction et qui bénéficiait, à la date du
31 mai 1998, de échelle octroyée a agrégé de
l'enseignement secondaire du degré superieur 415
Professeur de religion israélite :
a) porteur d'un titre requis, autre que celui vise sub b) 216
b) porteur du certificat d'aptitude à l'enseignement religieux
israélite ou degré secondaire inférieur, délivré par le
Consistoire central israélite de Belgique et signe
conjointement par le président du Consistoire central
israélite de Belgique et le grand rabbin de Belgique ou
le rabbin attache au Consistoire 206/3
Régime transitoire
- nommé à cette fonction et qui bénéficiait, à la date du
31 mai 1998, de échelle octroyée a agrégé de
l'enseignement secondaire superieur 415 "
Art. 5. In hoofdstuk D " Bestuurs- en onderwijzend personeel van het secundair onderwijs van de hogere graad " van hetzelfde artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 27 juni 1974, worden de woorden van de rubriek " Leraar godsdienst " vervangen door de woorden " Leraar katholieke of protestantse godsdienst " en worden de punten a) tot d) die onder die rubriek vermeld zijn, vervangen door de volgende bepalingen :
Art. 5. Dans le chapitre D " Du personnel directeur et enseignant de l'enseignement secondaire du degré supérieur " du même article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 précité, les termes de la rubrique " professeur de religion " sont remplacés par les termes " professeur de religion catholique ou protestante " et les points a) à d) qui figurent sous cette rubrique sont remplacés par les dispositions suivantes :
" a) houder van het diploma van geaggregeerde voor het hoger
secundair onderwijs 415
b) houder van een diploma van licentiaat 411
c) die de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst heeft :
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, niet in
gemeenschap leefde in de zin van artikel 30 van de wet
van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van
de onderwijswetgeving, zoals het werd gewijzigd bij de wet
van 11 juli 1973, of indien hij twintig dienstjaren of
meer telt in het onderwijs 415
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, in gemeenschap
leefde in de zin van het voormelde artikel 30 en geen
twintig dienstjaren in het onderwijs telt 495
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die onder a), b), c) bedoeld zijn 245
e) houder van een diploma van geaggregeerde voor het lager
secundair onderwijs 245 "
secundair onderwijs 415
b) houder van een diploma van licentiaat 411
c) die de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst heeft :
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, niet in
gemeenschap leefde in de zin van artikel 30 van de wet
van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van
de onderwijswetgeving, zoals het werd gewijzigd bij de wet
van 11 juli 1973, of indien hij twintig dienstjaren of
meer telt in het onderwijs 415
- indien hij, op de datum van 1 januari 1973, in gemeenschap
leefde in de zin van het voormelde artikel 30 en geen
twintig dienstjaren in het onderwijs telt 495
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs dan deze
die onder a), b), c) bedoeld zijn 245
e) houder van een diploma van geaggregeerde voor het lager
secundair onderwijs 245 "
" a) porteur d'un diplôme agrégé de l'enseignement secondaire
superieur 415
b) porteur d'un diplôme de licencie 411
c) qui possède la qualité de ministre du culte :
- si, à la date du 1er janvier 1973, il ne vivait pas en
communauté au sens de l'article 30 de la loi du
29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la
législation de l'enseignement tel qu'il a été modifie
par la loi du 11 juillet 1973, ou s'il compte vingt
années de services ou plus dans l'enseignement 415
- si, à la date du 1er janvier 1973, il vivait en
communauté au sens de l'article 30 précité et ne compte
pas vingt années de services dans l'enseignement 495
d) porteur de tout autre titre requis que ceux vises sous
a), b), c) 245
e) porteur d'un diplôme agrégé de l'enseignement
secondaire inferieur 245 "
superieur 415
b) porteur d'un diplôme de licencie 411
c) qui possède la qualité de ministre du culte :
- si, à la date du 1er janvier 1973, il ne vivait pas en
communauté au sens de l'article 30 de la loi du
29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la
législation de l'enseignement tel qu'il a été modifie
par la loi du 11 juillet 1973, ou s'il compte vingt
années de services ou plus dans l'enseignement 415
- si, à la date du 1er janvier 1973, il vivait en
communauté au sens de l'article 30 précité et ne compte
pas vingt années de services dans l'enseignement 495
d) porteur de tout autre titre requis que ceux vises sous
a), b), c) 245
e) porteur d'un diplôme agrégé de l'enseignement
secondaire inferieur 245 "
Art. 6. In hetzelfde hoofdstuk D van hetzelfde artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 27 juni 1974, wordt na de rubriek " Leraar israëlitische godsdienst " een rubriek " Leraar orthodoxe godsdienst " ingevoegd, luidend als volgt :
Art. 6. Dans le même chapitre D du même article 2 de l'arrêté royal du 27 juin 1974 précité, une rubrique " professeur de religion orthodoxe " libellée comme suit, est insérée après la rubrique " professeur de religion israélite " :
" Leraar orthodoxe godsdienst :
a) die de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst heeft 415
b) houder van een diploma van geaggregeerde voor het hoger
secundair onderwijs 415
c) houder van een diploma van licentiaat 411
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs 245 "
a) die de hoedanigheid van bedienaar van de eredienst heeft 415
b) houder van een diploma van geaggregeerde voor het hoger
secundair onderwijs 415
c) houder van een diploma van licentiaat 411
d) houder van elk ander vereist bekwaamheidsbewijs 245 "
" Professeur de religion orthodoxe :
a) qui a la qualité de ministre du culte 415
b) porteur d'un diplôme agrégé de l'enseignement
secondaire superieur 415
c) porteur d'un diplôme de licencie 411
d) porteur de tout autre titre requis 245 "
a) qui a la qualité de ministre du culte 415
b) porteur d'un diplôme agrégé de l'enseignement
secondaire superieur 415
c) porteur d'un diplôme de licencie 411
d) porteur de tout autre titre requis 245 "
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997, met uitzondering van de artikelen 2 tot 4, die respectievelijk op 1 september 1998 en 1 juni 1998 in werking treden.
Art. 7. Le présent arrêté sort ses effets le 1er septembre 1997, à l'exception des articles 2 et 4 qui entrent respectivement en vigueur le 1er septembre 1998 et le 1er juin 1998.
Art. 8. De Minister-Voorzitster, tot wier bevoegdheid het onderwijs behoort, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 14 april 1998.
Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap :
De Minister-Voorzitster, belast met Onderwijs, de Audiovisuele Sector, Hulpverlening aan de Jeugd, Kinderwelzijn en Gezondheidspromotie,
Mevr. L. ONKELINX
Brussel, 14 april 1998.
Vanwege de Regering van de Franse Gemeenschap :
De Minister-Voorzitster, belast met Onderwijs, de Audiovisuele Sector, Hulpverlening aan de Jeugd, Kinderwelzijn en Gezondheidspromotie,
Mevr. L. ONKELINX
Art. 8. La Ministre-Présidente ayant l'éducation dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 14 avril 1998.
Par le Gouvernement de la Communauté française :
La Ministre-Présidente chargée de l'Education, de l'Audiovisuel, de l'Aide à la Jeunesse, de l'Enfance et de la Promotion de la Santé,
Mme L. ONKELINX
Bruxelles, le 14 avril 1998.
Par le Gouvernement de la Communauté française :
La Ministre-Présidente chargée de l'Education, de l'Audiovisuel, de l'Aide à la Jeunesse, de l'Enfance et de la Promotion de la Santé,
Mme L. ONKELINX