Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
22 FEBRUARI 1998. - Wet houdende sociale bepalingen. (NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-03-1998 en tekstbijwerking tot 21-03-2018)
Titre
22 FEVRIER 1998. - Loi portant des dispositions sociales. (NOTE 1 : les mots " Caisse des soins de santé de la Société nationale des Chemins de fer belges " sont remplacés par les mots " Caisse des soins de santé de la S.N.C.B. Holding " ; voir AR2004-10-18/32, art. 38 ; En vigueur : 01-01-2005)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-03-1998 et mise à jour au 21-03-2018)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepaling.
TITEL 2. - Sociale Zaken.
HOOFDSTUK I. - Arbeidsongevallen.
HOOFDSTUK II. - Beroepsziekten.
HOOFDSTUK III. - Gezinsbijslag.
HOOFDSTUK IV. - Sociale Zekerheid.
HOOFDSTUK V. - Verzekering voor geneeskundige v...
Afdeling I. - Bewijskracht.
Afdeling II. - Verzekering voor geneeskundige v...
Afdeling III. - Uitkeringsverzekering.
Afdeling IV. - Organisatie RIZIV.
Afdeling V. - Afschaffing van het Nationaal pen...
Afdeling VI. - Ziekenfondsen en de landsbonden ...
Afdeling VII. - Over de heffing op de omzet van...
Afdeling VIII. - Financiële bepalingen.
Afdeling IX. - Diverse bepalingen.
Afdeling X. - Inwerkingtreding.
HOOFDSTUK VI. - Overzeese sociale zekerheid.
HOOFDSTUK VII. - Sociale zekerheid van de provi...
HOOFDSTUK VIII. - Mijnwerkers.
HOOFDSTUK IX. - Nationaal Instituut voor oorlog...
HOOFDSTUK X. - Jaarlijkse vakantie.
HOOFDSTUK XI. - Objectieve aansprakelijkheid.
HOOFDSTUK XII. - Overlegstructuur.
TITEL 3. - Volksgezondheid.
HOOFDSTUK I. - Koninklijk besluit nr 78 van 10 ...
Afdeling 1. - Kinesisten.
Afdeling 2. - Buitenlandse studenten.
Afdeling 3. - Apotheken.
HOOFDSTUK II. - Dierenartsen en Instituut veter...
Afdeling 1. - Wijziging aan de wet van 28 augus...
Afdeling 2. - Wijzigingen aan de wet van 13 jul...
Afdeling 3. - Wijziging aan de wet van 14 juli ...
HOOFDSTUK III. - Het Wetenschappelijk Instituut...
Afdeling 1. - Financiering.
HOOFDSTUK IV. - Belgische Rode Kruis.
HOOFDSTUK V. - Retributies voor de financiering...
HOOFDSTUK VI. - Bioveiligheid.
TITEL 4. - Pensioenen.
TITEL 5. - Sociaal statuut van de zelfstandigen...
HOOFDSTUK I. - Sociale verzekering in geval van...
HOOFDSTUK II. - Communautaire steunregeling voo...
TITEL 6. - Sociale Integratie.
HOOFDSTUK I. - Dringende medische hulpverlening.
HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen aan gehandicap...
HOOFDSTUK III. - Armoede en sociale integratie.
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
Table des matières
TITRE 1. - Disposition générale.
TITRE 2. - Affaires sociales.
CHAPITRE Ier. - Accidents du travail.
CHAPITRE II. - Maladies professionnelles.
CHAPITRE III. - Prestations familiales.
CHAPITRE IV. - Sécurité sociale.
CHAPITRE V. - De l'assurance soins de santé et ...
Section Ire. - Force probante.
Section II. - De l'assurance des soins de santé.
Section III. - De l'assurance indemnités.
Section IV. - De l'organisation de l'INAMI.
Section V. - Suppression du Fonds national de r...
Section VI. - Des mutualités et unions national...
Section VII. - De la cotisation sur le chiffre ...
Section VIII. - Dispositions financières.
Section IX. - Dispositions diverses.
Section X. - Entrée en vigueur.
CHAPITRE VI. - Sécurité sociale d'outre-mer.
CHAPITRE VII. - Sécurité sociale. des administr...
CHAPITRE VIII. - Des Ouvriers mineurs.
CHAPITRE IX. - Institut national des invalides ...
CHAPITRE X. - Vacances annuelles.
CHAPITRE XI. - Responsabilité objective.
CHAPITRE XII. - Structure de concertation.
TITRE 3. - Santé publique.
CHAPITRE Ier. - Arrêté royal no 78 du 10 novemb...
Section 1re. - Kinésithérapeutes.
Section 2. - Etudiants étrangers.
Section 3. - Pharmaciens.
CHAPITRE II. - Vétérinaires et Institut d'exper...
Section 1re. - Modification à la loi du 28 août...
Section 2. - Modifications à la loi du 13 juill...
Section 3. - Modification à la loi du 14 juille...
CHAPITRE III. - L'Institut scientifique de la S...
Section 1re. - Financement
CHAPITRE IV. - Croix-Rouge de Belgique.
CHAPITRE V. - Redevance pour le financement des...
CHAPITRE VI. - Biosécurité.
TITRE 4. - Pensions.
TITRE 5. - Statut social des indépendants et de...
CHAPITRE Ier. - Assurance sociale en cas de fai...
CHAPITRE II. - Régime communautaire d'aides à l...
TITRE 6. - Intégration sociale.
CHAPITRE Ier. - Aide médicale urgente.
CHAPITRE II. - Allocations aux handicapés.
CHAPITRE III. - Pauvreté et intégration sociale.
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
Tekst (331)
Texte (331)
TITEL 1. - Algemene bepaling.
TITRE 1. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL 2. - Sociale Zaken.
TITRE 2. - Affaires sociales.
HOOFDSTUK I. - Arbeidsongevallen.
CHAPITRE Ier. - Accidents du travail.
Art. 2. In artikel 27ter van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, worden tussen de woorden "27bis" en "ten laste" de woorden "en voor de ongevallen bedoeld bij artikel 45quater zijn de door de Koning bepaalde bijslagen" ingevoegd.
Art. 2. A l'article 27ter de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, inséré par l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987, les mots "et pour les accidents visés à l'article 45quater les allocations fixées par le Roi" sont insérés entre les mots "27bis" et "sont".
Art. 3. Artikel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994 voor de in artikel 45quater, eerste en tweede lid, bedoelde ongevallen en op 1 januari 1997 voor de in artikel 45quater, derde en vierde lid, bedoelde ongevallen.
Art. 3. L'article 2 produit ses effets le 1er janvier 1994 pour les accidents visés à l'article 45quater, alinéas premier et deux, et le 1er janvier 1997 pour les accidents visés à l'article 45quater, alinéas 3 et 4.
Art. 4. Artikel 27quater, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De Koning bepaalt het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van de bijzondere bijslag, alsmede de voorwaarden inzake de tegemoetkoming van het Fonds aan de gerechtigden op de bijzondere bijslag inzake de tenlasteneming van de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, van de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen, alsook van de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn.".
"De Koning bepaalt het bedrag en de toekenningsmodaliteiten van de bijzondere bijslag, alsmede de voorwaarden inzake de tegemoetkoming van het Fonds aan de gerechtigden op de bijzondere bijslag inzake de tenlasteneming van de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, van de medische, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen, alsook van de prothesen en orthopedische toestellen die ingevolge het ongeval nodig zijn.".
Art. 4. L'article 27quater, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 29 décembre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
"Le Roi fixe le montant et les modalités d'octroi de l'allocation spéciale, ainsi que les conditions d'intervention du Fonds en faveur des personnes ayant droit à l'allocation spéciale en matière de prise en charge des périodes d'incapacité temporaire de travail, des frais inhérents aux soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers et aux appareils de prothèse et d'orthopédie nécessaires du fait de l'accident.".
"Le Roi fixe le montant et les modalités d'octroi de l'allocation spéciale, ainsi que les conditions d'intervention du Fonds en faveur des personnes ayant droit à l'allocation spéciale en matière de prise en charge des périodes d'incapacité temporaire de travail, des frais inhérents aux soins médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques et hospitaliers et aux appareils de prothèse et d'orthopédie nécessaires du fait de l'accident.".
Art. 5. Artikel 45, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985 wordt vervangen door het volgende lid :
"Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene of de rechthebbende op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de beslissing van de rechter. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal.".
"Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene of de rechthebbende op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de beslissing van de rechter. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal.".
Art. 5. L'article 45, alinéa 3, de la même loi, modifié par la loi du 1er août 1985, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le capital se calcule conformément au tarif fixé par le Roi et en fonction de l'âge de la victime ou de l'ayant droit au premier jour du trimestre qui suit la décision du juge. A partir de cette date, des intérêts sont dus de plein droit sur ce capital.".
"Le capital se calcule conformément au tarif fixé par le Roi et en fonction de l'âge de la victime ou de l'ayant droit au premier jour du trimestre qui suit la décision du juge. A partir de cette date, des intérêts sont dus de plein droit sur ce capital.".
Art. 6. Artikel 45bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, wordt vervangen door het volgend lid :
"Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de herzieningstermijn. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal.".
"Het kapitaal wordt berekend overeenkomstig het tarief vastgesteld door de Koning en in functie van de leeftijd van de getroffene op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het verstrijken van de herzieningstermijn. Vanaf deze datum is van rechtswege intrest verschuldigd op dit kapitaal.".
Art. 6. L'article 45bis, alinéa 2, de la même loi, inséré par l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le capital se calcule conformément au tarif fixé par le Roi et en fonction de l'âge de la victime au premier jour du trimestre qui suit l'expiration du délai de révision. A partir de cette date, des intérêts sont dus de plein droit sur ce capital.".
"Le capital se calcule conformément au tarif fixé par le Roi et en fonction de l'âge de la victime au premier jour du trimestre qui suit l'expiration du délai de révision. A partir de cette date, des intérêts sont dus de plein droit sur ce capital.".
Art. 7. Artikel 49, derde lid van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 december 1992, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de duur korter is dan één jaar.".
"Deze bepaling is niet van toepassing op de verzekeringsovereenkomsten waarvan de duur korter is dan één jaar.".
Art. 7. L'article 49, alinéa 3 de la même loi, inséré par la loi du 30 décembre 1992 est complété par la disposition suivante :
"La présente disposition n'est pas applicable aux contrats d'assurance d'une durée inférieure à un an.".
"La présente disposition n'est pas applicable aux contrats d'assurance d'une durée inférieure à un an.".
Art. 8. In artikel 49, zesde lid van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, worden de woorden "ondernemingen die niet de voorwaarden vervullen van artikel 12 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen om hun jaarrekening volgens een verkort schema op te maken." vervangen door de woorden "ondernemingen waarvan het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan honderd bedraagt of die een loonvolume laten verzekeren van meer dan honderd maal het maximum basisjaarloon bedoeld bij artikel 39.".
Art. 8. A l'article 49, alinéa 6 de la même loi, modifié par la loi du 30 décembre 1992, les mots "entreprises qui ne répondent pas aux critères prévus à l'article 12 de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises pour pouvoir établir leurs comptes selon un schéma abrégé." sont remplacés par les mots "entreprises dont la moyenne annuelle de l'effectif du personnel est supérieure à cent ou qui font assurer un volume salarial de plus de cent fois la rémunération annuelle de base maximum visée à l'article 39.".
Art. 9. Artikel 49 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De werkgever die tevens arbeidsongevallen verzekert, dient de verplichte ongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten bij een gemachtigde verzekeraar met wie hij juridisch of commercieel geen enkele binding heeft.".
"De werkgever die tevens arbeidsongevallen verzekert, dient de verplichte ongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten bij een gemachtigde verzekeraar met wie hij juridisch of commercieel geen enkele binding heeft.".
Art. 9. L'article 49 de la même loi, modifié par la loi du 30 décembre 1992,est complété par l'alinéa suivant :
"L'employeur qui pratique également des assurances contre les accidents du travail, doit souscrire l'assurance obligatoire contre les accidents du travail en faveur de ses travailleurs auprès d'un assureur agréé avec lequel il n'a aucun lien juridique ou commercial.".
"L'employeur qui pratique également des assurances contre les accidents du travail, doit souscrire l'assurance obligatoire contre les accidents du travail en faveur de ses travailleurs auprès d'un assureur agréé avec lequel il n'a aucun lien juridique ou commercial.".
Art. 10. Artikel 9 treedt in werking op 1 januari 1998.
Art. 10. L'article 9 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
Art. 11. Artikel 56 van dezelfde wet vervangen bij het koninklijk besluit nr 530 van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 56. - § 1. Wanneer voor een gegeven kalenderjaar de indexeringsvoet van de renten hoger ligt dan de referentie-intrestvoet, neemt de Koning, na advies van het Beheerscomité van het Fonds voor arbeidsongevallen, de nodige initiatieven om voor het bewuste kalenderjaar het evenwicht tussen de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor arbeidsongevallen en hun opbrengsten te waarborgen.
Wanneer over de periode van de eerste acht maanden van een kalenderjaar de indexeringsvoet de referentie-intrestvoet overtreft, maakt het Beheerscomité ten behoeve van de minister die de sociale zekerheid onder zijn bevoegdheid heeft, een verslag op over de verwachte evolutie van de twee voeten en adviseert de minister wat betreft de te nemen initiatieven en maatregelen.
Onder referentie-intrestvoet verstaat men het gemiddelde over de laatste vijf jaren van de gemiddelde jaarlijkse intrestvoeten van de kasbons op vijf jaar van de openbare kredietinstellingen, die door de Nationale Bank worden vastgesteld.
Onder indexeringsvoet wordt verstaan de verhouding tussen een rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het verstreken kalenderjaar, en die rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het eraan voorafgaande kalenderjaar, verminderd met 1.
§ 2. Het aan te vullen negatieve saldo om het in § 1, eerste lid, bedoelde evenwicht te herstellen, is gelijk aan het bedrag op 31 december van het jaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar van de reserves voor te regelen schadegevallen en van de voorlopige en definitieve wiskundige reserves gevestigd voor de in artikel 27bis bedoelde renten en vergoedingen van alle gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen, vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentie-intrestvoet en de indexeringsvoet.
§ 3. De door de Koning te nemen initiatieven hebben tot doel, ofwel de lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen te beperken ten belope van het in § 2 bepaalde negatieve saldo, ofwel hun opbrengsten te verhogen ten belope van dit negatieve saldo, ofwel in een combinatie van deze twee middelen te voorzien. Als één van deze middelen kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een uitzonderlijke en tijdelijke bijdrage aan de werkgevers opleggen.
Bij gebrek aan door de Koning genomen initiatieven binnen de twee maanden na het verstrijken van het bewuste kalenderjaar, worden de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars gefinancieerd, bij wijze van bewarende en tijdelijke maatregel en hoogstens ten belope van het aan te vullen negatieve saldo, door middel van een beperking van de bijdragen bedoeld in de artikelen 59, 2°, en 59bis, 2°, en van de kapitalen bedoeld in artikel 59, 9°, totdat de Koning effectief de in § 1, eerste lid, bedoelde initiatieven zal hebben genomen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen zal deze minderontvangst kunnen compenseren door een bijkomend beroep op de inkomsten bedoeld in artikel 59, 12°.
§ 4. Het bedrag van de bijdrage bedoeld in § 3, eerste lid, wordt bepaald door toepassing van een bijdragevoet op het totale bedrag van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het bewuste kalenderjaar. De bijdragevoet is gelijk aan het gedeelte van het in § 2 bedoelde negatieve saldo dat door middel van de uitzonderlijke bijdrage moet worden gefinancierd, gedeeld door het totale bedrag van het incasso van en voor het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar. De uitzonderlijke bijdrage wordt door de gemachtigde verzekeraars en het Fonds voor Arbeidsongevallen geïnd naar rato van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het betrokken kalenderjaar.
§ 5. De door elke gemachtigde verzekeraar en het Fonds voor arbeidsongevallen geïnde uitzonderlijke bijdragen worden tussen de verzekeraars en het Fonds en voor hun rekening verdeeld door het Fonds. De regels van deze verrekening worden bij ministerieel besluit vastgesteld.
§ 6. Bij de inning van de uitzonderlijke bijdrage mogen geen belastingen worden geheven, noch commissielonen worden toegekend, noch beheerslasten worden aangerekend.".
"Art. 56. - § 1. Wanneer voor een gegeven kalenderjaar de indexeringsvoet van de renten hoger ligt dan de referentie-intrestvoet, neemt de Koning, na advies van het Beheerscomité van het Fonds voor arbeidsongevallen, de nodige initiatieven om voor het bewuste kalenderjaar het evenwicht tussen de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor arbeidsongevallen en hun opbrengsten te waarborgen.
Wanneer over de periode van de eerste acht maanden van een kalenderjaar de indexeringsvoet de referentie-intrestvoet overtreft, maakt het Beheerscomité ten behoeve van de minister die de sociale zekerheid onder zijn bevoegdheid heeft, een verslag op over de verwachte evolutie van de twee voeten en adviseert de minister wat betreft de te nemen initiatieven en maatregelen.
Onder referentie-intrestvoet verstaat men het gemiddelde over de laatste vijf jaren van de gemiddelde jaarlijkse intrestvoeten van de kasbons op vijf jaar van de openbare kredietinstellingen, die door de Nationale Bank worden vastgesteld.
Onder indexeringsvoet wordt verstaan de verhouding tussen een rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het verstreken kalenderjaar, en die rente aangepast aan de evolutie van het indexcijfer overeenkomstig artikel 27bis op 31 december van het eraan voorafgaande kalenderjaar, verminderd met 1.
§ 2. Het aan te vullen negatieve saldo om het in § 1, eerste lid, bedoelde evenwicht te herstellen, is gelijk aan het bedrag op 31 december van het jaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar van de reserves voor te regelen schadegevallen en van de voorlopige en definitieve wiskundige reserves gevestigd voor de in artikel 27bis bedoelde renten en vergoedingen van alle gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen, vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentie-intrestvoet en de indexeringsvoet.
§ 3. De door de Koning te nemen initiatieven hebben tot doel, ofwel de lasten van de gemachtigde verzekeraars en van het Fonds voor Arbeidsongevallen te beperken ten belope van het in § 2 bepaalde negatieve saldo, ofwel hun opbrengsten te verhogen ten belope van dit negatieve saldo, ofwel in een combinatie van deze twee middelen te voorzien. Als één van deze middelen kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een uitzonderlijke en tijdelijke bijdrage aan de werkgevers opleggen.
Bij gebrek aan door de Koning genomen initiatieven binnen de twee maanden na het verstrijken van het bewuste kalenderjaar, worden de in artikel 27bis bedoelde lasten van de gemachtigde verzekeraars gefinancieerd, bij wijze van bewarende en tijdelijke maatregel en hoogstens ten belope van het aan te vullen negatieve saldo, door middel van een beperking van de bijdragen bedoeld in de artikelen 59, 2°, en 59bis, 2°, en van de kapitalen bedoeld in artikel 59, 9°, totdat de Koning effectief de in § 1, eerste lid, bedoelde initiatieven zal hebben genomen. Het Fonds voor Arbeidsongevallen zal deze minderontvangst kunnen compenseren door een bijkomend beroep op de inkomsten bedoeld in artikel 59, 12°.
§ 4. Het bedrag van de bijdrage bedoeld in § 3, eerste lid, wordt bepaald door toepassing van een bijdragevoet op het totale bedrag van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het bewuste kalenderjaar. De bijdragevoet is gelijk aan het gedeelte van het in § 2 bedoelde negatieve saldo dat door middel van de uitzonderlijke bijdrage moet worden gefinancierd, gedeeld door het totale bedrag van het incasso van en voor het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken kalenderjaar. De uitzonderlijke bijdrage wordt door de gemachtigde verzekeraars en het Fonds voor Arbeidsongevallen geïnd naar rato van de verzekeringspremies of -bijdragen van en voor het betrokken kalenderjaar.
§ 5. De door elke gemachtigde verzekeraar en het Fonds voor arbeidsongevallen geïnde uitzonderlijke bijdragen worden tussen de verzekeraars en het Fonds en voor hun rekening verdeeld door het Fonds. De regels van deze verrekening worden bij ministerieel besluit vastgesteld.
§ 6. Bij de inning van de uitzonderlijke bijdrage mogen geen belastingen worden geheven, noch commissielonen worden toegekend, noch beheerslasten worden aangerekend.".
Art. 11. L'article 56 de la même loi remplacé par l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987 est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 56. § 1er. Lorsque, pour une année civile donnée, le taux d'indexation des rentes est supérieur au taux d'intérêt de référence, le Roi prend, après avis du Comité de gestion du Fonds des accidents du travail, les initiatives nécessaires afin d'assurer l'équilibre pour l'année civile considérée entre les charges visées à l'article 27bisdes assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail et leurs produits.
Lorsque le taux d'indexation dépasse le taux d'intérêt de référence sur la période des huit premiers mois d'une année civile, le Comité de gestion rédige à l'intention du ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions un rapport sur l'évolution probable des deux taux et il conseille le ministre quant aux initiatives ou mesures à prendre.
Par taux d'intérêt de référence, on entend la moyenne pour les cinq dernières années des taux d'intérêt annuels moyens des bons de caisse à cinq ans des établissements publics de crédit, établis par la Banque nationale.
Par taux d'indexation, on entend le rapport entre une rente adaptée à l'évolution de l'indice conformément à l'article 27bisau 31 décembre de l'année civile écoulée et cette rente adaptée à l'évolution de l'indice conformément à l'article 27bisau 31 décembre de l'année civile précédente, diminué de 1.
§ 2. Le solde négatif à combler pour rétablir l'équilibre visé au § 1er, alinéa 1er, est égal au montant, au 31 décembre de l'année précédant l'année civile considérée, des réserves pour sinistres à régler et des réserves mathématiques provisoires et définitives constituées pour les rentes et allocations visées à l'article 27bisde l'ensemble des assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail, multiplié par la différence entre le taux d'intérêt de référence et le taux d'indexation.
§ 3. Les initiatives à prendre par le Roi ont pour objet soit de limiter les charges des assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail à concurrence du solde négatif défini au § 2, soit d'augmenter leurs produits à concurrence de ce solde négatif, soit de définir une combinaison de ces deux voies. Une de ces voies peut être l'imposition par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, d'une cotisation exceptionnelle et temporaire à la charge des employeurs.
A défaut d'initiatives prises par le Roi dans les deux mois qui suivent l'expiration de l'année civile considérée, les charges, visées à l'article 27bis, des assureurs agréés sont financées, à titre conservatoire et temporaire et à concurrence au maximum du solde négatif à combler, par une limitation des cotisations visées aux articles 59, 2°, et 59bis, 2°, ainsi que des capitaux visés à l'article 59, 9°, jusqu'à ce que le Roi ait pris effectivement les initiatives visées au § 1er, alinéa 1er. Le Fonds des accidents du travail pourra compenser ce moins-perçu par recours supplémentaire aux ressources visées à l'article 59, 12°.
§ 4. Le montant de la cotisation visée au § 3, alinéa 1er, est fixé par application d'un taux de cotisation au montant total des primes ou cotisations d'assurance de et pour l'année civile considérée. Le taux de cotisation est égal à la partie du solde négatif visé au § 2 qui doit être financée par la cotisation exceptionnelle divisée par le montant total de l'encaissement de et pour l'année civile précédant l'année civile considérée. La cotisation exceptionnelle est perçue par les assureurs agréés et le Fonds des accidents du travail au prorata des primes ou cotisations d'assurance de et pour l'année civile considérée.
§ 5. Une compensation des cotisations exceptionnelles perçues par chaque assureur agréé et par le Fonds des accidents du travail est réalisée entre les assureurs et le Fonds, et pour leur compte par le Fonds. Les règles de cette compensation sont fixées par arrêté ministériel.
§ 6. La perception de la cotisation exceptionnelle ne peut pas faire l'objet ni de taxes, ni de commissions, ni de chargement de gestion.".
"Art. 56. § 1er. Lorsque, pour une année civile donnée, le taux d'indexation des rentes est supérieur au taux d'intérêt de référence, le Roi prend, après avis du Comité de gestion du Fonds des accidents du travail, les initiatives nécessaires afin d'assurer l'équilibre pour l'année civile considérée entre les charges visées à l'article 27bisdes assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail et leurs produits.
Lorsque le taux d'indexation dépasse le taux d'intérêt de référence sur la période des huit premiers mois d'une année civile, le Comité de gestion rédige à l'intention du ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions un rapport sur l'évolution probable des deux taux et il conseille le ministre quant aux initiatives ou mesures à prendre.
Par taux d'intérêt de référence, on entend la moyenne pour les cinq dernières années des taux d'intérêt annuels moyens des bons de caisse à cinq ans des établissements publics de crédit, établis par la Banque nationale.
Par taux d'indexation, on entend le rapport entre une rente adaptée à l'évolution de l'indice conformément à l'article 27bisau 31 décembre de l'année civile écoulée et cette rente adaptée à l'évolution de l'indice conformément à l'article 27bisau 31 décembre de l'année civile précédente, diminué de 1.
§ 2. Le solde négatif à combler pour rétablir l'équilibre visé au § 1er, alinéa 1er, est égal au montant, au 31 décembre de l'année précédant l'année civile considérée, des réserves pour sinistres à régler et des réserves mathématiques provisoires et définitives constituées pour les rentes et allocations visées à l'article 27bisde l'ensemble des assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail, multiplié par la différence entre le taux d'intérêt de référence et le taux d'indexation.
§ 3. Les initiatives à prendre par le Roi ont pour objet soit de limiter les charges des assureurs agréés et du Fonds des accidents du travail à concurrence du solde négatif défini au § 2, soit d'augmenter leurs produits à concurrence de ce solde négatif, soit de définir une combinaison de ces deux voies. Une de ces voies peut être l'imposition par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, d'une cotisation exceptionnelle et temporaire à la charge des employeurs.
A défaut d'initiatives prises par le Roi dans les deux mois qui suivent l'expiration de l'année civile considérée, les charges, visées à l'article 27bis, des assureurs agréés sont financées, à titre conservatoire et temporaire et à concurrence au maximum du solde négatif à combler, par une limitation des cotisations visées aux articles 59, 2°, et 59bis, 2°, ainsi que des capitaux visés à l'article 59, 9°, jusqu'à ce que le Roi ait pris effectivement les initiatives visées au § 1er, alinéa 1er. Le Fonds des accidents du travail pourra compenser ce moins-perçu par recours supplémentaire aux ressources visées à l'article 59, 12°.
§ 4. Le montant de la cotisation visée au § 3, alinéa 1er, est fixé par application d'un taux de cotisation au montant total des primes ou cotisations d'assurance de et pour l'année civile considérée. Le taux de cotisation est égal à la partie du solde négatif visé au § 2 qui doit être financée par la cotisation exceptionnelle divisée par le montant total de l'encaissement de et pour l'année civile précédant l'année civile considérée. La cotisation exceptionnelle est perçue par les assureurs agréés et le Fonds des accidents du travail au prorata des primes ou cotisations d'assurance de et pour l'année civile considérée.
§ 5. Une compensation des cotisations exceptionnelles perçues par chaque assureur agréé et par le Fonds des accidents du travail est réalisée entre les assureurs et le Fonds, et pour leur compte par le Fonds. Les règles de cette compensation sont fixées par arrêté ministériel.
§ 6. La perception de la cotisation exceptionnelle ne peut pas faire l'objet ni de taxes, ni de commissions, ni de chargement de gestion.".
Art. 12. In artikel 58, § 1, 17°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 december 1996, worden tussen de woorden "renten" en "voor" de woorden "evenals de door de koning bepaalde bijslagen" ingevoegd.
Art. 12. A l'article 58, § 1er, 17°, de la même loi, inséré par la loi du 30 mars 1994 et modifié par l'arrêté royal du 16 décembre 1996, les mots "ainsi que les allocations fixées par le Roi" sont insérés entre les mots "rentes" et "pour".
Art. 13. Artikel 12 heeft uitwerking op 1 januari 1994 voor de in artikel 45quater, eerste en tweede lid, bedoelde ongevallen en op 1 januari 1997, voor de in artikel 45quater, derde en vierde lid, bedoelde ongevallen.
Art. 13. L'article 12 produit ses effets le 1er janvier 1994 pour les accidents visés à l'article 45quater, alinéas 1er et 2, et le 1er janvier 1997 pour les accidents visés à l'article 45quater, alinéas 3 et 4.
Art. 14. Artikel 60, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 1 augustus 1985, wordt aangevuld met volgende bepaling :
", en het gedeelte van de prestaties bedoeld in artikel 42bis, tweede lid.".
", en het gedeelte van de prestaties bedoeld in artikel 42bis, tweede lid.".
Art. 14. L'article 60, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 1er août 1985, est complété par la disposition suivante :
", et la partie des prestations visées à l'article 42bis, alinéa 2.".
", et la partie des prestations visées à l'article 42bis, alinéa 2.".
Art. 15. Artikel 14 treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 15. L'article 14 entre en vigueur le 1er jour du mois qui suit la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK II. - Beroepsziekten.
CHAPITRE II. - Maladies professionnelles.
Art. 16. Artikel 6 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992, wordt aangevuld als volgt :
"7° op schriftelijk verzoek van de arbeidsgeneesheer of van het Comité voor preventie en bescherming op het werk, in de door de Koning te bepalen voorwaarden, advies te verstrekken in verband met de blootstelling op de werkplaatsen of arbeidsposten aan beroepsziekterisico's.
Hiertoe kan het :
- onderzoeken voor risicobepalingen uitvoeren;
- in akkoord met de arbeidsgeneesheer de passende medische onderzoeken uitvoeren bij werknemers tewerkgesteld op de arbeidsposten waarin deze risico's aanwezig zijn.
De arbeidsgeneesheer, de werkgever en de bevoegde ambtenaren van het Fonds voor beroepsziekten nemen, vooraf en na gemeen overleg, alle nodige maatregelen opdat die onderzoeken in de beste voorwaarden zouden kunnen gebeuren, zowel wat de goede gang van het werk in het betrokken bedrijf als het nagestreefde doel betreft.".
"7° op schriftelijk verzoek van de arbeidsgeneesheer of van het Comité voor preventie en bescherming op het werk, in de door de Koning te bepalen voorwaarden, advies te verstrekken in verband met de blootstelling op de werkplaatsen of arbeidsposten aan beroepsziekterisico's.
Hiertoe kan het :
- onderzoeken voor risicobepalingen uitvoeren;
- in akkoord met de arbeidsgeneesheer de passende medische onderzoeken uitvoeren bij werknemers tewerkgesteld op de arbeidsposten waarin deze risico's aanwezig zijn.
De arbeidsgeneesheer, de werkgever en de bevoegde ambtenaren van het Fonds voor beroepsziekten nemen, vooraf en na gemeen overleg, alle nodige maatregelen opdat die onderzoeken in de beste voorwaarden zouden kunnen gebeuren, zowel wat de goede gang van het werk in het betrokken bedrijf als het nagestreefde doel betreft.".
Art. 16. L'article 6 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, modifié par la loi du 26 juin 1992, est complété comme suit :
"7° d'émettre, dans les limites à déterminer par le Roi, un avis relatif à l'exposition, à certains lieux ou postes de travail, aux risques de maladie professionnelle et ce, à la demande écrite du médecin du travail ou du Comité pour la prévention et la protection au travail.
A cet effet, il peut :
- effectuer des enquêtes de détermination du risque;
- en accord avec le médecin du travail, soumettre aux examens médicaux adéquats les travailleurs occupés à des postes de travail exposant à ces risques.
Le médecin du travail, l'employeur et les fonctionnaires compétents du Fonds des maladies professionnelles prendront, au préalable et de commun accord, toutes les mesures utiles pour que ces enquêtes et examens s'effectuent dans les meilleures conditions, tant en ce qui concerne la bonne marche du travail dans les entreprises que le but poursuivi.".
"7° d'émettre, dans les limites à déterminer par le Roi, un avis relatif à l'exposition, à certains lieux ou postes de travail, aux risques de maladie professionnelle et ce, à la demande écrite du médecin du travail ou du Comité pour la prévention et la protection au travail.
A cet effet, il peut :
- effectuer des enquêtes de détermination du risque;
- en accord avec le médecin du travail, soumettre aux examens médicaux adéquats les travailleurs occupés à des postes de travail exposant à ces risques.
Le médecin du travail, l'employeur et les fonctionnaires compétents du Fonds des maladies professionnelles prendront, au préalable et de commun accord, toutes les mesures utiles pour que ces enquêtes et examens s'effectuent dans les meilleures conditions, tant en ce qui concerne la bonne marche du travail dans les entreprises que le but poursuivi.".
Art. 17. In artikel 35 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt tussen het vierde en het vijfde lid, het volgende lid ingevoegd :
"Wanneer een getroffene omwille van een beroepsziekte in een verplegings- of verzorgingsinstelling wordt opgenomen, kan hij, voor de periode van de opneming, vragen de hem voor deze ziekte toegekende graad van ongeschiktheid te brengen tot 100 % tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid naargelang de aard van de arbeidsongeschiktheid op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling. Op het einde van de periode van opneming wordt, tenzij het Fonds voor beroepsziekten anders beslist, de graad van de ongeschiktheid van de getroffene teruggebracht tot deze die hem toegekend was op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling.".
"Wanneer een getroffene omwille van een beroepsziekte in een verplegings- of verzorgingsinstelling wordt opgenomen, kan hij, voor de periode van de opneming, vragen de hem voor deze ziekte toegekende graad van ongeschiktheid te brengen tot 100 % tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid naargelang de aard van de arbeidsongeschiktheid op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling. Op het einde van de periode van opneming wordt, tenzij het Fonds voor beroepsziekten anders beslist, de graad van de ongeschiktheid van de getroffene teruggebracht tot deze die hem toegekend was op het ogenblik van de opneming in de verplegings- of verzorgingsinstelling.".
Art. 17. A l'article 35 des mêmes lois, modifié par la loi du 29 avril 1996, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 4 et 5 :
"Lorsqu'elle est, en raison d'une maladie professionnelle, hospitalisée dans un établissement hospitalier ou de soins, la victime peut demander que le taux d'incapacité qui lui a été reconnu pour cette maladie soit porté, pour la période d'hospitalisation, à 100 % d'incapacité temporaire ou permanente de travail selon la nature de l'incapacité de travail reconnue au moment de l'admission dans l'établissement hospitalier ou de soins. A l'issue de la période d'hospitalisation et à moins que le Fonds des maladies professionnelles ne décide autrement, le taux d'incapacité de la victime est ramené à celui qui lui était reconnu au moment de son admission dans l'établissement hospitalier ou de soins.".
"Lorsqu'elle est, en raison d'une maladie professionnelle, hospitalisée dans un établissement hospitalier ou de soins, la victime peut demander que le taux d'incapacité qui lui a été reconnu pour cette maladie soit porté, pour la période d'hospitalisation, à 100 % d'incapacité temporaire ou permanente de travail selon la nature de l'incapacité de travail reconnue au moment de l'admission dans l'établissement hospitalier ou de soins. A l'issue de la période d'hospitalisation et à moins que le Fonds des maladies professionnelles ne décide autrement, le taux d'incapacité de la victime est ramené à celui qui lui était reconnu au moment de son admission dans l'établissement hospitalier ou de soins.".
Art. 18. In artikel 35bis van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
"De in vorig lid bedoelde getroffene heeft vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, recht op een verhoging van zijn graad van blijvende arbeidsongeschiktheid gelijk aan :
1 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op ten minste 36 % en ten hoogste op 50 %;
2 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op meer dan 50 % en ten hoogste op 65 %;
3 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze meer dan 65 % bedraagt zonder dat het totaal evenwel 100 % mag overschrijden.".
"De in vorig lid bedoelde getroffene heeft vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, recht op een verhoging van zijn graad van blijvende arbeidsongeschiktheid gelijk aan :
1 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op ten minste 36 % en ten hoogste op 50 %;
2 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze is vastgesteld op meer dan 50 % en ten hoogste op 65 %;
3 % bijkomende blijvende arbeidsongeschiktheid wanneer deze meer dan 65 % bedraagt zonder dat het totaal evenwel 100 % mag overschrijden.".
Art. 18. A l'article 35bisdes mêmes lois, modifié par la loi du 29 avril 1996, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
"La victime visée à l'alinéa précédent a droit, à partir du 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel elle atteint l'âge de 65 ans, à une majoration de son taux d'incapacité permanente de travail équivalente à :
1 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à 36 % au moins jusqu'à 50 % au plus;
2 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à plus de 50 % jusqu'à 65 % au plus;
3 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à plus de 65 % sans que le tout ne puisse excéder 100 %.".
"La victime visée à l'alinéa précédent a droit, à partir du 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel elle atteint l'âge de 65 ans, à une majoration de son taux d'incapacité permanente de travail équivalente à :
1 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à 36 % au moins jusqu'à 50 % au plus;
2 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à plus de 50 % jusqu'à 65 % au plus;
3 % d'incapacité permanente de travail supplémentaire lorsque celle-ci est fixée à plus de 65 % sans que le tout ne puisse excéder 100 %.".
Art. 19. Artikel 48ter van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 48ter. - De Koning kan voorzien, voor de beroepsziekten die Hij met name aanduidt, dat, wanneer een door een van deze beroepsziekten getroffene de in artikel 32 gestelde voorwaarden vervult en eveneens aan het beroepsrisico van deze ziekte is blootgesteld geweest gedurende een periode in de loop waarvan hij niet behoorde tot een der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of niet verzekerd was krachtens artikel 3, de vergoedingen en toelagen door het Fonds voor beroepsziekten worden toegekend op basis van de verhouding van de duur van de tijdvakken door Hem bepaald, en die berekend wordt en definitief vastgesteld wordt op de begindatum van de eerste vergoeding.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 48quater.".
"Art. 48ter. - De Koning kan voorzien, voor de beroepsziekten die Hij met name aanduidt, dat, wanneer een door een van deze beroepsziekten getroffene de in artikel 32 gestelde voorwaarden vervult en eveneens aan het beroepsrisico van deze ziekte is blootgesteld geweest gedurende een periode in de loop waarvan hij niet behoorde tot een der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of niet verzekerd was krachtens artikel 3, de vergoedingen en toelagen door het Fonds voor beroepsziekten worden toegekend op basis van de verhouding van de duur van de tijdvakken door Hem bepaald, en die berekend wordt en definitief vastgesteld wordt op de begindatum van de eerste vergoeding.
Het eerste lid is evenwel niet van toepassing op de personen bedoeld in artikel 48quater.".
Art. 19. L'article 48ter des mêmes lois, modifié par la loi du 29 avril 1996 est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 48ter. Le Roi peut prévoir, pour les maladies professionnelles qu'Il cite nommément, que, lorsqu'une personne atteinte d'une de ces maladies professionnelles remplit les conditions de l'article 32 et a également été exposée au risque professionnel de cette maladie pendant une période au cours de laquelle elle n'appartient pas à une des catégories de personnes visées à l'article 2 ou n'était pas assurée en vertu de l'article 3, les indemnités et allocations seront accordées par le Fonds des maladies professionnelles à concurrence d'un prorata qu'Il détermine, calculé et arrêté de manière définitive à la date de prise de cours de la première indemnisation.
L'alinéa 1er n'est toutefois pas applicable aux personnes visées par l'article 48quater.".
"Art. 48ter. Le Roi peut prévoir, pour les maladies professionnelles qu'Il cite nommément, que, lorsqu'une personne atteinte d'une de ces maladies professionnelles remplit les conditions de l'article 32 et a également été exposée au risque professionnel de cette maladie pendant une période au cours de laquelle elle n'appartient pas à une des catégories de personnes visées à l'article 2 ou n'était pas assurée en vertu de l'article 3, les indemnités et allocations seront accordées par le Fonds des maladies professionnelles à concurrence d'un prorata qu'Il détermine, calculé et arrêté de manière définitive à la date de prise de cours de la première indemnisation.
L'alinéa 1er n'est toutefois pas applicable aux personnes visées par l'article 48quater.".
Art. 20. Artikel 18 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Het eerste lid van artikel 48ter van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals gewijzigd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 2 december 1990.
Het tweede lid van artikel 48ter van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 30 april 1996.
Het eerste lid van artikel 48ter van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, zoals gewijzigd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 2 december 1990.
Het tweede lid van artikel 48ter van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij artikel 19 van deze wet, heeft uitwerking met ingang van 30 april 1996.
Art. 20. L'article 18 produit ses effets le 1er janvier 1997.
L'alinéa 1er de l'article 48ter des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, comme modifié par l'article 19 de la présente loi, produit ses effets le 2 décembre 1990.
L'alinéa 2 de l'article 48terdes mêmes lois, comme inséré par l'article 19 de la présente loi, produit ses effets le 30 avril 1996.
L'alinéa 1er de l'article 48ter des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, comme modifié par l'article 19 de la présente loi, produit ses effets le 2 décembre 1990.
L'alinéa 2 de l'article 48terdes mêmes lois, comme inséré par l'article 19 de la présente loi, produit ses effets le 30 avril 1996.
HOOFDSTUK III. - Gezinsbijslag.
CHAPITRE III. - Prestations familiales.
Art. 21. Artikel 32, eerste lid, 8°, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie;".
"8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie;".
Art. 21. L'article 32, alinéa 1er, 8°, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifié par la loi du 20 juillet 1991, est remplacé par la disposition suivante :
"8° la Commission communautaire flamande et la Commission communautaire française;".
"8° la Commission communautaire flamande et la Commission communautaire française;".
Art. 22. In artikel 32bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 21 december 1994, worden de woorden "artikelen 47, 62, § 3," vervangen door de woorden "artikel 47".
Art. 22. Dans l'article 32bis des mêmes lois, inséré par la loi du 21 décembre 1994, les mots "articles 47, 62, § 3," sont remplacés par les mots "article 47".
Art. 23. In artikel 53 van dezelfde wetten wordt het 11°, opnieuw opgenomen bij de wet van 22 december 1989, vervangen door de volgende bepaling :
"11° de periodes waarvoor hij recht heeft op schadeloosstelling met toepassing van artikel 37 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970;".
"11° de periodes waarvoor hij recht heeft op schadeloosstelling met toepassing van artikel 37 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970;".
Art. 23. A l'article 53 des mêmes lois, le 11°, rétabli par la loi du 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
"11° les périodes pour lesquelles il a droit à réparation en application de l'article 37 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;".
"11° les périodes pour lesquelles il a droit à réparation en application de l'article 37 des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;".
Art. 24. In artikel 55, vijfde lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, worden de woorden "of van de wet van 27 november 1891 tot beteugeling van de landloperij en de bedelarij" geschrapt.
Art. 24. Dans l'article 55, alinéa 5, des mêmes lois, modifié par les lois du 1er août 1985 et 22 décembre 1989, les mots "ou de la loi du 27 novembre 1891 pour la répression du vagabondage et de la mendicité" sont supprimés.
Art. 25. In artikel 56 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 7 van 18 april 1967, de wet van 27 juni 1969, het koninklijk besluit van 23 januari 1976, het koninklijk besluit nr 29 van 15 december 1978, de wet van 30 juni 1981, het koninklijk besluit nr 282 van 31 maart 1984, de wet van 1 augustus 1985, het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, het koninklijk besluit van 28 januari 1988, de wet van 22 december 1989 en de wet van 29 december 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, 1°, worden de woorden "artikel 76quater, § 2, van de wet van 9 augustus 1963" vervangen door de woorden "artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994";
2° § 1, eerste lid, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"3° de niet onder 1° of 2° bedoelde zieke werknemer die tenminste 66 % arbeidsongeschikt is en de werkneemster in bevallingsrust die geen moederschapsuitkering geniet, en die in de loop van de twaalf maanden die het tijdstip van de arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % of de bevallingsrust onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten;";
3° § 2, eerste lid, 1°, inleidende zin en a) worden vervangen door de volgende bepaling :
"1° de zieke of door ongeval getroffen werknemer of de werkneemster in bevallingsrust :
a) die een in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap geniet vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit primaire ongeschiktheid en eventueel bevallingsrust of gedurende het tijdvak bestaande uit invaliditeit en eventueel bevallingsrust; deze bepaling is eveneens toepasselijk indien deze uitkering wordt toegekend krachtens artikel 136, § 2, van dezelfde wet;";
4° § 2, eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° de in § 1, 2°, 3° en 4° bedoelde werknemer of werkneemster, vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. en eventueel bevallingsrust;";
5° in § 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "die behoort tot categorie II, III of IV wat betreft de graad van zelfredzaamheid" vervangen door de woorden "die getroffen is door een vermindering van zelfredzaamheid van minstens 9 punten".
1° in § 1, eerste lid, 1°, worden de woorden "artikel 76quater, § 2, van de wet van 9 augustus 1963" vervangen door de woorden "artikel 136, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994";
2° § 1, eerste lid, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"3° de niet onder 1° of 2° bedoelde zieke werknemer die tenminste 66 % arbeidsongeschikt is en de werkneemster in bevallingsrust die geen moederschapsuitkering geniet, en die in de loop van de twaalf maanden die het tijdstip van de arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % of de bevallingsrust onmiddellijk voorafgaan, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten;";
3° § 2, eerste lid, 1°, inleidende zin en a) worden vervangen door de volgende bepaling :
"1° de zieke of door ongeval getroffen werknemer of de werkneemster in bevallingsrust :
a) die een in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalde uitkering wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap geniet vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit primaire ongeschiktheid en eventueel bevallingsrust of gedurende het tijdvak bestaande uit invaliditeit en eventueel bevallingsrust; deze bepaling is eveneens toepasselijk indien deze uitkering wordt toegekend krachtens artikel 136, § 2, van dezelfde wet;";
4° § 2, eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° de in § 1, 2°, 3° en 4° bedoelde werknemer of werkneemster, vanaf de zevende maand van het tijdvak bestaande uit arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct. en eventueel bevallingsrust;";
5° in § 2, eerste lid, 3°, worden de woorden "die behoort tot categorie II, III of IV wat betreft de graad van zelfredzaamheid" vervangen door de woorden "die getroffen is door een vermindering van zelfredzaamheid van minstens 9 punten".
Art. 25. A l'article 56 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 7 du 18 avril 1967, la loi du 27 juin 1969, l'arrêté royal du 23 janvier 1976, l'arrêté royal n° 29 du 15 décembre 1978, la loi du 30 juin 1981, l'arrêté royal n° 282 du 31 mars 1984, la loi du 1er août 1985, l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, l'arrêté royal du 28 janvier 1988, la loi du 22 décembre 1989 et la loi du 29 décembre 1990, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 1er, 1°, les mots "de l'article 76quater, § 2, de la loi du 9 août 1963" sont remplacés par les mots "de l'article 136, § 2, de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994";
2° le § 1er, alinéa 1er, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
"3° le travailleur malade non visé sous le 1° ou le 2°, atteint d'une incapacité de travail de 66 % au moins et la travailleuse en repos d'accouchement qui ne bénéficie pas d'une indemnité de maternité, et qui au cours des douze mois précédant immédiatement l'incapacité de travail de 66 % au moins ou le repos d'accouchement, ont satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles, en vertu des présentes lois;";
3° le § 2, alinéa 1er, 1°, phrase liminaire et a) sont remplacés par la disposition suivante :
"1° le travailleur malade ou victime d'un accident ou la travailleuse en repos d'accouchement :
a) qui bénéficie d'une indemnité d'incapacité de travail ou de maternité prévue par la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité primaire et éventuellement de repos d'accouchement ou durant la période composée d'invalidité et éventuellement de repos d'accouchement; cette disposition est également applicable si cette indemnité est accordée en vertu de l'article 136, § 2, de la même loi;";
4° le § 2, alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
"2° le travailleur ou la travailleuse visés au § 1er, 2°, 3° et 4°, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité de travail de 66 % au moins et éventuellement de repos d'accouchement;";
5° dans le § 2, alinéa 1er, 3°, les mots "qui relève de la catégorie II, III ou IV, en ce qui concerne le degré d'autonomie" sont remplacés par les mots "qui est atteint d'une réduction d'autonomie de 9 points au moins".
1° au § 1er, alinéa 1er, 1°, les mots "de l'article 76quater, § 2, de la loi du 9 août 1963" sont remplacés par les mots "de l'article 136, § 2, de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994";
2° le § 1er, alinéa 1er, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
"3° le travailleur malade non visé sous le 1° ou le 2°, atteint d'une incapacité de travail de 66 % au moins et la travailleuse en repos d'accouchement qui ne bénéficie pas d'une indemnité de maternité, et qui au cours des douze mois précédant immédiatement l'incapacité de travail de 66 % au moins ou le repos d'accouchement, ont satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles, en vertu des présentes lois;";
3° le § 2, alinéa 1er, 1°, phrase liminaire et a) sont remplacés par la disposition suivante :
"1° le travailleur malade ou victime d'un accident ou la travailleuse en repos d'accouchement :
a) qui bénéficie d'une indemnité d'incapacité de travail ou de maternité prévue par la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité primaire et éventuellement de repos d'accouchement ou durant la période composée d'invalidité et éventuellement de repos d'accouchement; cette disposition est également applicable si cette indemnité est accordée en vertu de l'article 136, § 2, de la même loi;";
4° le § 2, alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
"2° le travailleur ou la travailleuse visés au § 1er, 2°, 3° et 4°, à partir du septième mois d'une période composée d'incapacité de travail de 66 % au moins et éventuellement de repos d'accouchement;";
5° dans le § 2, alinéa 1er, 3°, les mots "qui relève de la catégorie II, III ou IV, en ce qui concerne le degré d'autonomie" sont remplacés par les mots "qui est atteint d'une réduction d'autonomie de 9 points au moins".
Art. 26. In artikel 56quinquies, § 1, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988 en de wet van 22 december 1989, worden de woorden "een integratietegemoetkoming overeenstemmend met categorie II, III of IV geniet" vervangen door de woorden "een integratietegemoetkoming geniet die overeenstemt met een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten".
Art. 26. Dans l'article 56quinquies, § 1er, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 28 janvier 1988 et la loi du 22 décembre 1989, les mots "d'une allocation d'intégration correspondant à la catégorie II, III ou IV" sont remplacés par les mots "d'une allocation d'intégration correspondant à une réduction d'autonomie de 9 points au moins".
Art. 27. In artikel 56sexies van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 1. Indien zij reeds ten minste vijf jaar werkelijk in België verblijven op de datum van de indiening van de aanvraag om kinderbijslag met toepassing van dit artikel, zijn de personen die verbonden zijn door een leerovereenkomst bedoeld bij de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst, alsmede de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zelfs wanneer zij niet voldoen aan de door of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden inzake het verrichten van een winstgevende aktiviteit, toekenning van loon of genot van sociale uitkeringen, gerechtigd op kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bedoelde bedragen, ten behoeve van de in artikel 51, § 3, 1°, 2° en 6° bedoelde kinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Dit recht heeft voorrang op het recht dat de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3 en 4 eventueel verwerven als sociaal verzekerden of sociaal gerechtigden.";
2° in § 4, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, worden de woorden "artikel 62, §§ 2, 4, 5 en 6" vervangen door de woorden "artikel 62, §§ 2, 3, 4 en 5".
1° § 1, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 1. Indien zij reeds ten minste vijf jaar werkelijk in België verblijven op de datum van de indiening van de aanvraag om kinderbijslag met toepassing van dit artikel, zijn de personen die verbonden zijn door een leerovereenkomst bedoeld bij de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst, alsmede de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3, 4 en 5, zelfs wanneer zij niet voldoen aan de door of krachtens dit artikel gestelde voorwaarden inzake het verrichten van een winstgevende aktiviteit, toekenning van loon of genot van sociale uitkeringen, gerechtigd op kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bedoelde bedragen, ten behoeve van de in artikel 51, § 3, 1°, 2° en 6° bedoelde kinderen die deel uitmaken van hetzelfde gezin. Dit recht heeft voorrang op het recht dat de personen bedoeld in artikel 62, §§ 1, 2, 3 en 4 eventueel verwerven als sociaal verzekerden of sociaal gerechtigden.";
2° in § 4, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985 en 22 december 1989, worden de woorden "artikel 62, §§ 2, 4, 5 en 6" vervangen door de woorden "artikel 62, §§ 2, 3, 4 en 5".
Art. 27. A l'article 56sexies des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, modifié par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Si elles résident effectivement en Belgique depuis au moins cinq ans à la date d'introduction de la demande d'allocations familiales en application du présent article, les personnes qui se trouvent dans les liens d'un contrat d'apprentissage prévu dans la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, ainsi que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3, 4 et 5, même lorsqu'elles ne satisfont pas aux conditions fixées par ou en vertu de cet article quant à l'exercice d'une activité lucrative, à l'octroi de rémunération ou au bénéfice de prestations sociales, ont droit aux allocations familiales en faveur des enfants visés à l'article 51, § 3, 1°, 2° et 6° qui font partie du même ménage. Ce droit est prioritaire sur le droit que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3 et 4 ouvrent éventuellement en tant qu'assurés ou bénéficiaires sociaux.";
2° au § 4, modifié par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, les mots "article 62, §§ 2, 4, 5 et 6." sont remplacés par les mots "article 62, §§ 2, 3, 4 et 5.".
1° le § 1er, modifié par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Si elles résident effectivement en Belgique depuis au moins cinq ans à la date d'introduction de la demande d'allocations familiales en application du présent article, les personnes qui se trouvent dans les liens d'un contrat d'apprentissage prévu dans la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, ainsi que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3, 4 et 5, même lorsqu'elles ne satisfont pas aux conditions fixées par ou en vertu de cet article quant à l'exercice d'une activité lucrative, à l'octroi de rémunération ou au bénéfice de prestations sociales, ont droit aux allocations familiales en faveur des enfants visés à l'article 51, § 3, 1°, 2° et 6° qui font partie du même ménage. Ce droit est prioritaire sur le droit que les personnes visées à l'article 62, §§ 1er, 2, 3 et 4 ouvrent éventuellement en tant qu'assurés ou bénéficiaires sociaux.";
2° au § 4, modifié par les lois des 1er août 1985 et 22 décembre 1989, les mots "article 62, §§ 2, 4, 5 et 6." sont remplacés par les mots "article 62, §§ 2, 3, 4 et 5.".
Art. 28. Artikel 56octies, tweede lid, van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 maart 1985 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen wordt eveneens verworven door de militair die een onderbrekingstoelage geniet, bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.".
"Kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen wordt eveneens verworven door de militair die een onderbrekingstoelage geniet, bedoeld in artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.".
Art. 28. L'article 56octies, alinéa 2, des mêmes lois, inséré par l'arrêté royal du 21 mars 1985 et modifié par l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
"Est également attributaire des allocations familiales aux taux fixés à l'article 40, le militaire qui bénéficie d'une allocation d'interruption visée à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires.".
"Est également attributaire des allocations familiales aux taux fixés à l'article 40, le militaire qui bénéficie d'une allocation d'interruption visée à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires.".
Art. 29. In artikel 56decies, § 1, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 1989, worden de woorden "of van de wet van 27 november 1891 tot beteugeling der landloperij en de bedelarij" geschrapt.
Art. 29. Dans l'article 56decies, § 1er, des mêmes lois, inséré par la loi-programme du 22 décembre 1989, les mots "ou de la loi du 27 novembre 1891 pour la répression du vagabondage et de la mendicité" sont supprimés.
Art. 30. Artikel 58 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987 en de wet van 29 december 1990, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Voor de toepassing van de artikelen 56bis en 56quater moet de afwezigverklaarde ouder of echtgenoot in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de feitelijke afwezigheid vastgesteld in het getuigenverhoor bevolen bij toepassing van artikel 116 van het Burgerlijk Wetboek, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten.".
"Voor de toepassing van de artikelen 56bis en 56quater moet de afwezigverklaarde ouder of echtgenoot in de loop van de twaalf maanden die onmiddellijk voorafgaan aan de feitelijke afwezigheid vastgesteld in het getuigenverhoor bevolen bij toepassing van artikel 116 van het Burgerlijk Wetboek, de voorwaarden hebben vervuld om aanspraak te maken op minstens zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten.".
Art. 30. L'article 58 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987 et la loi du 29 décembre 1990, est complété par l'alinéa suivant :
"Pour l'application des articles 56biset 56quater, le parent ou le conjoint déclaré absent doit avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu des présentes lois, au cours des douze mois précédant immédiatement l'absence de fait constatée dans l'enquête ordonnée en application de l'article 116 du Code civil.".
"Pour l'application des articles 56biset 56quater, le parent ou le conjoint déclaré absent doit avoir satisfait aux conditions pour prétendre à au moins six allocations forfaitaires mensuelles en vertu des présentes lois, au cours des douze mois précédant immédiatement l'absence de fait constatée dans l'enquête ordonnée en application de l'article 116 du Code civil.".
Art. 31. In artikel 60, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd door de wet van 22 december 1989 en het koninklijk besluit van 21 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het punt d) van het 3° wordt opgeheven;
2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat deel uitmaakt van het gezin van één van hen, wordt dit kind geacht deel uit te maken van een gezin dat minstens samengesteld is uit zijn beide ouders, voor de toepassing van deze paragraaf.".
1° het punt d) van het 3° wordt opgeheven;
2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat deel uitmaakt van het gezin van één van hen, wordt dit kind geacht deel uit te maken van een gezin dat minstens samengesteld is uit zijn beide ouders, voor de toepassing van deze paragraaf.".
Art. 31. A l'article 60, § 3, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989 et l'arrêté royal du 21 avril 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point d) du 3° est abrogé;
2° le paragraphe est complété par l'alinéa suivant :
"Lorsque les deux parents, qui ne cohabitent pas, exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil, à l'égard d'un enfant qui fait partie du ménage de l'un d'entre eux, cet enfant est considéré comme faisant partie d'un ménage composé de ses deux parents au moins, pour l'application du présent paragraphe.".
1° le point d) du 3° est abrogé;
2° le paragraphe est complété par l'alinéa suivant :
"Lorsque les deux parents, qui ne cohabitent pas, exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil, à l'égard d'un enfant qui fait partie du ménage de l'un d'entre eux, cet enfant est considéré comme faisant partie d'un ménage composé de ses deux parents au moins, pour l'application du présent paragraphe.".
Art. 32. Artikel 63bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, wordt opgeheven.
Art. 32. L'article 63bisdes mêmes lois, inséré par l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, est abrogé.
Art. 33. In artikel 64 van dezelfde wetten, gewijzigd door het koninklijk besluit nr 122 van 30 december 1982, het koninklijk besluit nr 207 van 13 september 1983, het koninklijk besluit nr 534 van 31 maart 1987, de wet van 22 december 1989 en het koninklijk besluit van 21 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 1bis wordt opgeheven;
2° in de § 2 worden de woorden "bedoeld in §§ 1 en 1bis" vervangen door de woorden "bedoeld in § 1";
3° het punt A van de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat bij één van hen wordt opgevoed, worden zij beiden geacht het kind bij zich op te voeden. Dit vermoeden blijft van toepassing wanneer het kind het gezin van één van de ouders verlaat, ten gevolge van een plaatsing in een instelling overeenkomstig artikel 70. Het blijft eveneens van toepassing indien de scheiding na een dergelijke plaatsing gebeurt, op voorwaarde dat het ouderlijk gezag gezamenlijk blijft.".
1° de § 1bis wordt opgeheven;
2° in de § 2 worden de woorden "bedoeld in §§ 1 en 1bis" vervangen door de woorden "bedoeld in § 1";
3° het punt A van de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer de twee ouders, die niet samenwonen, het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, over een kind dat bij één van hen wordt opgevoed, worden zij beiden geacht het kind bij zich op te voeden. Dit vermoeden blijft van toepassing wanneer het kind het gezin van één van de ouders verlaat, ten gevolge van een plaatsing in een instelling overeenkomstig artikel 70. Het blijft eveneens van toepassing indien de scheiding na een dergelijke plaatsing gebeurt, op voorwaarde dat het ouderlijk gezag gezamenlijk blijft.".
Art. 33. A l'article 64 des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 122 du 30 décembre 1982, l'arrêté royal n° 207 du 13 septembre 1983, l'arrêté royal n° 534 du 31 mars 1987, la loi du 22 décembre 1989 et l'arrêté royal du 21 avril 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1erbisest abrogé;
2° dans le § 2, les mots "visés aux §§ 1er et 1erbis" sont remplacés par les mots "visés aux § 1er";
3° le point A du § 2 est complété par l'alinéa suivant :
"Lorsque les deux parents, qui ne cohabitent pas, exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil, à l'égard d'un enfant élevé chez l'un d'entre eux, ils sont considérés l'un et l'autre comme élevant l'enfant chez eux. Cette présomption continue à s'appliquer lorsque l'enfant quitte le ménage de l'un des parents, suite à un placement en institution conformément à l'article 70. Elle s'applique également si la séparation intervient après un tel placement, à condition que l'autorité parentale demeure conjointe.".
1° le § 1erbisest abrogé;
2° dans le § 2, les mots "visés aux §§ 1er et 1erbis" sont remplacés par les mots "visés aux § 1er";
3° le point A du § 2 est complété par l'alinéa suivant :
"Lorsque les deux parents, qui ne cohabitent pas, exercent conjointement l'autorité parentale au sens de l'article 374 du Code civil, à l'égard d'un enfant élevé chez l'un d'entre eux, ils sont considérés l'un et l'autre comme élevant l'enfant chez eux. Cette présomption continue à s'appliquer lorsque l'enfant quitte le ménage de l'un des parents, suite à un placement en institution conformément à l'article 70. Elle s'applique également si la séparation intervient après un tel placement, à condition que l'autorité parentale demeure conjointe.".
Art. 34. Artikel 71, § 1bis, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Indien echter een kinderbijslaginstelling, bedoeld in de artikelen 18bis, 19, 31 en 33, te goeder trouw gezinsbijslag heeft betaald in plaats van een andere instelling bedoeld in die artikelen en die overeenkomstig het eerste lid bevoegd is, dient geen regularisatie van de rekeningen te worden doorgevoerd.".
"Indien echter een kinderbijslaginstelling, bedoeld in de artikelen 18bis, 19, 31 en 33, te goeder trouw gezinsbijslag heeft betaald in plaats van een andere instelling bedoeld in die artikelen en die overeenkomstig het eerste lid bevoegd is, dient geen regularisatie van de rekeningen te worden doorgevoerd.".
Art. 34. L'article 71, §1erbis, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est complété par l'alinéa suivant :
"Toutefois, les prestations familiales payées de bonne foi par un organisme d'allocations familiales visé aux articles 18bis, 19, 31 et 33, en lieu et place d'un autre organisme visé à ces articles et qui est compétent conformément à l'alinéa 1er, ne donnent lieu à aucune régularisation des comptes.".
"Toutefois, les prestations familiales payées de bonne foi par un organisme d'allocations familiales visé aux articles 18bis, 19, 31 et 33, en lieu et place d'un autre organisme visé à ces articles et qui est compétent conformément à l'alinéa 1er, ne donnent lieu à aucune régularisation des comptes.".
Art. 35. In artikel 73quinquies, eerste lid, 2°, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 5 januari 1976 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, worden tussen de woorden "56decies" en "en 57" de woorden ", 56undecies" ingevoegd.
Art. 35. Dans l'article 73quinquies, alinéa 1er, 2°, des mêmes lois, inséré par la loi du 5 janvier 1976 et modifié par la loi du 22 décembre 1989, les mots ", 56undecies" sont insérés entre les mots "56decies" et "et 57".
Art. 36. Artikel 77, derde lid, a), van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 27 maart 1951, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"a) de dagen gedurende welke geen enkele arbeidsprestatie werd volbracht gedurende zes maanden wegens ziekte of ongeval;".
"a) de dagen gedurende welke geen enkele arbeidsprestatie werd volbracht gedurende zes maanden wegens ziekte of ongeval;".
Art. 36. L'article 77, alinéa 3, a), des mêmes lois, modifié par la loi du 27 mars 1951, est remplacé par la disposition suivante :
"a) les jours pendant lesquels aucune prestation de travail n'a été fournie pendant six mois pour cause de maladie ou d'accident;".
"a) les jours pendant lesquels aucune prestation de travail n'a été fournie pendant six mois pour cause de maladie ou d'accident;".
Art. 37. In de Nederlandse tekst van artikel 91, § 2, c), van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 28 van 15 december 1978, worden tussen de woorden "verwijlintresten" en "bedoeld" de woorden "betreffende de bijdragen" ingevoegd.
Art. 37. Dans le texte néerlandais de l'article 91, § 2, c), des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal n° 28 du 15 décembre 1978, les mots "betreffende de bijdragen" sont insérés entre les mots "verwijlintresten" et "bedoeld".
Art. 38. In artikel 101 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Indien, binnen de termijn van artikel 34, geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 17, worden de toegelaten compensatiekassen van rechtswege bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aangesloten.";
2° in het zesde lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden "artikelen 47, 56septies, 62, § 3," vervangen door de woorden "artikelen 47, 56septies,";
3° in het zevende lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden "derde lid, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°." vervangen door de woorden "de leden 3, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, 4 en 5.".
1° het eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1960, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Indien, binnen de termijn van artikel 34, geen gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 17, worden de toegelaten compensatiekassen van rechtswege bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers aangesloten.";
2° in het zesde lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden "artikelen 47, 56septies, 62, § 3," vervangen door de woorden "artikelen 47, 56septies,";
3° in het zevende lid, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 29 april 1996, worden de woorden "derde lid, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°." vervangen door de woorden "de leden 3, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°, 4 en 5.".
Art. 38. A l'article 101 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er, modifié par l'arrêté royal du 25 octobre 1960, est remplacé par la disposition suivante :
"Si, dans le délai visé à l'article 34, il n'a pas été fait usage de la faculté prévue à l'article 17, les caisses de compensation agréées sont affiliées de plein droit à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.";
2° à l'alinéa 6, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 29 avril 1996, les mots "articles 47, 56septies, 62, § 3," sont remplacés par les mots "articles 47, 56septies,";
3° à l'alinéa 7, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 29 avril 1996, les mots "alinéa 3, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°." sont remplacés par les mots "alinéas 3, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°, 4 et 5.".
1° l'alinéa 1er, modifié par l'arrêté royal du 25 octobre 1960, est remplacé par la disposition suivante :
"Si, dans le délai visé à l'article 34, il n'a pas été fait usage de la faculté prévue à l'article 17, les caisses de compensation agréées sont affiliées de plein droit à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.";
2° à l'alinéa 6, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 29 avril 1996, les mots "articles 47, 56septies, 62, § 3," sont remplacés par les mots "articles 47, 56septies,";
3° à l'alinéa 7, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 29 avril 1996, les mots "alinéa 3, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°." sont remplacés par les mots "alinéas 3, 2°, 3°, 4°, 7° et 8°, 4 et 5.".
Art. 39. Artikel 102, § 2, van dezelfde wetten, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 10 december 1996, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Niettemin is het recht op kinderbijslag dat de werkvrouwen en het huispersoneel krachtens het eerste lid bezitten, afhankelijk van het ontbreken van een recht op kinderbijslag bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, categorieën van personen bedoeld in het eerste lid uitsluiten van het recht op kinderbijslag. De Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, de toekenningsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid wijzigen.".
"Niettemin is het recht op kinderbijslag dat de werkvrouwen en het huispersoneel krachtens het eerste lid bezitten, afhankelijk van het ontbreken van een recht op kinderbijslag bij toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, categorieën van personen bedoeld in het eerste lid uitsluiten van het recht op kinderbijslag. De Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, de toekenningsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid wijzigen.".
Art. 39. L'article 102, § 2, des mêmes lois, inséré par l'arrêté royal du 10 décembre 1996, est complété par les alinéas suivants :
"Toutefois, le droit aux allocations familiales que possèdent les femmes de journée et les domestiques en vertu de l'alinéa 1er, est subordonné à l'absence d'un droit aux allocations familiales en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu des règles d'application au personnel d'une institution de droit international public.
Le Roi peut, sur proposition du Comité de gestion de l'Office national, soustraire du droit aux allocations familiales des catégories de personnes visées à l'alinéa 1er. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut, sur proposition du Comité de gestion de l'Office national, modifier les conditions d'octroi visées à l'alinéa 1er.".
"Toutefois, le droit aux allocations familiales que possèdent les femmes de journée et les domestiques en vertu de l'alinéa 1er, est subordonné à l'absence d'un droit aux allocations familiales en application d'autres dispositions légales ou réglementaires belges ou étrangères ou en vertu des règles d'application au personnel d'une institution de droit international public.
Le Roi peut, sur proposition du Comité de gestion de l'Office national, soustraire du droit aux allocations familiales des catégories de personnes visées à l'alinéa 1er. Le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut, sur proposition du Comité de gestion de l'Office national, modifier les conditions d'octroi visées à l'alinéa 1er.".
Art. 40. Artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers wordt vervangen door volgende bepalingen :
§ 1. Bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers wordt een "Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten" ingesteld, dat in de financiering van de personeels- en of werkingskosten kan tussenkomen van :
1° diensten die voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren instaan;
2° diensten die voor de opvang van zieke kinderen tussen 0 en 12 jaar instaan;
3° diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar;
4° diensten die instaan voor de noodopvang van kinderen tussen 0 en 3 jaar;
5° tot 31 december 1997 : de diensten bedoeld in artikel 57bis, tweede lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
Het Fonds komt enkel tussen in de kosten gedaan voor kinderen die krachtens deze wetten recht geven op kinderbijslag. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de kring rechtgevende kinderen in de opvang waarvan het Fonds financieel tussenkomt, uitbreiden, in de mate dat, ter dekking van de bijkomende uitgaven hierdoor meegebracht, compenserende geldmiddelen aan het fonds worden toegewezen.
Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst.
§ 2. De Koning bepaalt, na het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst;
1° de uitrustingen en diensten bedoeld in § 1 die het Fonds mag financieren;
2° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder die financiering mag gebeuren;
3° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van die voordelen.
§ 3. Het beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassingsmodaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft. Deze goedkeuring wordt verleend binnen de 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn geweest.
§ 4. Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het wordt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen overschrijden, wordt de betoelaging van deze diensten verhoudingsgewijze verminderd.
§ 5. De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend.
§ 6. Het beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar voor 31 maart, rekenschap aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft over het beheer van het Fonds.".
§ 1. Bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor werknemers wordt een "Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten" ingesteld, dat in de financiering van de personeels- en of werkingskosten kan tussenkomen van :
1° diensten die voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren instaan;
2° diensten die voor de opvang van zieke kinderen tussen 0 en 12 jaar instaan;
3° diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar;
4° diensten die instaan voor de noodopvang van kinderen tussen 0 en 3 jaar;
5° tot 31 december 1997 : de diensten bedoeld in artikel 57bis, tweede lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
Het Fonds komt enkel tussen in de kosten gedaan voor kinderen die krachtens deze wetten recht geven op kinderbijslag. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de kring rechtgevende kinderen in de opvang waarvan het Fonds financieel tussenkomt, uitbreiden, in de mate dat, ter dekking van de bijkomende uitgaven hierdoor meegebracht, compenserende geldmiddelen aan het fonds worden toegewezen.
Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst.
§ 2. De Koning bepaalt, na het advies van het beheerscomité van de Rijksdienst;
1° de uitrustingen en diensten bedoeld in § 1 die het Fonds mag financieren;
2° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder die financiering mag gebeuren;
3° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, de toekenningsvoorwaarden en het bedrag van die voordelen.
§ 3. Het beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassingsmodaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft. Deze goedkeuring wordt verleend binnen de 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn geweest.
§ 4. Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het wordt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen overschrijden, wordt de betoelaging van deze diensten verhoudingsgewijze verminderd.
§ 5. De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend.
§ 6. Het beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar voor 31 maart, rekenschap aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft over het beheer van het Fonds.".
Art. 40. L'article 107 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés est remplacé par les dispositions suivantes :
§ 1er. Il est institué à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés un "Fonds d'équipements et de services collectifs" qui peut intervenir dans le financement des frais de personnel et ou de fonctionnement :
1° des services chargés de l'accueil des enfants de 2,5 à 12 ans en dehors des heures régulières d'école;
2° des services chargés de l'accueil d'enfants malades de 0 à 12 ans;
3° des services qui, en dehors de leurs heures d'ouverture normales, sont chargés d'accueillir avec souplesse des enfants de 0 à 12 ans;
4° des services chargés de l'accueil d'urgence d'enfants de 0 à 3 ans;
5° jusqu'au 31 décembre 1997 : des services visés à l'article 57bis, alinéa deux, de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, inséré par l'article 11 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité.
Le Fonds intervient uniquement dans les frais effectués pour les enfants qui, en vertu des présentes lois, sont bénéficiaires d'allocations familiales. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre les catégories d'enfants bénéficiaires pour l'accueil desquels le Fonds intervient financièrement, dans la mesure où des moyens financiers compensatoires sont alloués au Fonds afin de couvrir les dépenses supplémentaires ainsi occasionnées.
Le Fonds est géré par le Comité de gestion de l'Office.
§ 2. Le Roi détermine, après avis du Comité de gestion de l'Office :
1° les équipements et services visés au § 1er que le Fonds peut financier;
2° les modalités et les conditions dans lesquelles ce financement peut être opéré;
3° les avantages auxquels il peut être prétendu à charge du Fonds, les conditions d'octroi et le montant de ces avantages.
§ 3. Le Comité de gestion de l'Office détermine dans un règlement spécial toutes les autres modalités d'application afférentes au fonctionnement du Fonds. Ce règlement entre en vigueur après approbation du Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions. Cette approbation est donnée dans les 3 mois, à défaut de laquelle elle est censée avoir été donnée.
§ 4. Le Fonds est financé par tous les moyens financiers qui lui sont alloués par ou en vertu d'une loi. Au cas où les dépenses globales pour les services visés au § 1er dépassent les moyens financiers globaux, les subventions allouées à ces services sont diminuées proportionnellement.
§ 5. Les frais de fonctionnement du Fonds sont mis à charge de ce Fonds.
§ 6. Chaque année, avant le 31 mars, le Comité de gestion de l'Office rend compte au Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions de la gestion de ce Fonds.".
§ 1er. Il est institué à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés un "Fonds d'équipements et de services collectifs" qui peut intervenir dans le financement des frais de personnel et ou de fonctionnement :
1° des services chargés de l'accueil des enfants de 2,5 à 12 ans en dehors des heures régulières d'école;
2° des services chargés de l'accueil d'enfants malades de 0 à 12 ans;
3° des services qui, en dehors de leurs heures d'ouverture normales, sont chargés d'accueillir avec souplesse des enfants de 0 à 12 ans;
4° des services chargés de l'accueil d'urgence d'enfants de 0 à 3 ans;
5° jusqu'au 31 décembre 1997 : des services visés à l'article 57bis, alinéa deux, de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, inséré par l'article 11 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité.
Le Fonds intervient uniquement dans les frais effectués pour les enfants qui, en vertu des présentes lois, sont bénéficiaires d'allocations familiales. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre les catégories d'enfants bénéficiaires pour l'accueil desquels le Fonds intervient financièrement, dans la mesure où des moyens financiers compensatoires sont alloués au Fonds afin de couvrir les dépenses supplémentaires ainsi occasionnées.
Le Fonds est géré par le Comité de gestion de l'Office.
§ 2. Le Roi détermine, après avis du Comité de gestion de l'Office :
1° les équipements et services visés au § 1er que le Fonds peut financier;
2° les modalités et les conditions dans lesquelles ce financement peut être opéré;
3° les avantages auxquels il peut être prétendu à charge du Fonds, les conditions d'octroi et le montant de ces avantages.
§ 3. Le Comité de gestion de l'Office détermine dans un règlement spécial toutes les autres modalités d'application afférentes au fonctionnement du Fonds. Ce règlement entre en vigueur après approbation du Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions. Cette approbation est donnée dans les 3 mois, à défaut de laquelle elle est censée avoir été donnée.
§ 4. Le Fonds est financé par tous les moyens financiers qui lui sont alloués par ou en vertu d'une loi. Au cas où les dépenses globales pour les services visés au § 1er dépassent les moyens financiers globaux, les subventions allouées à ces services sont diminuées proportionnellement.
§ 5. Les frais de fonctionnement du Fonds sont mis à charge de ce Fonds.
§ 6. Chaque année, avant le 31 mars, le Comité de gestion de l'Office rend compte au Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions de la gestion de ce Fonds.".
Art. 41. In artikel 120bis van dezelfde wetten, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 68 van 10 november 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn.";
2° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn.";
2° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het eerste lid is niet toepasselijk indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.".
Art. 41. Dans l'article 120bisdes mêmes lois, inséré par l'arrêté royal n° 68 du 10 novembre 1967, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"L'action en répétition des prestations payées indûment se prescrit par cinq ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué. En aucun cas, la répétition des prestations indûment payées ne sera possible après l'expiration de ce délai.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
"L'alinéa 1er n'est pas applicable si les prestations payées indûment ont été obtenues à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"L'action en répétition des prestations payées indûment se prescrit par cinq ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué. En aucun cas, la répétition des prestations indûment payées ne sera possible après l'expiration de ce délai.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
"L'alinéa 1er n'est pas applicable si les prestations payées indûment ont été obtenues à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes.".
Art. 42. In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, de wet van 20 juli 1991 en de wet van 29 april 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft. De Koning bepaalt welke kinderen als hoofdzakelijk ten laste aangezien worden.";
2° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"4° de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 10;".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Onverminderd de bepalingen van artikel 10, wordt gezinsbijslag toegekend, onder de bij of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden, ten behoeve van het kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een natuurlijke persoon die in België verblijft. De Koning bepaalt welke kinderen als hoofdzakelijk ten laste aangezien worden.";
2° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"4° de bijzondere bijslag bedoeld in artikel 10;".
Art. 42. A l'article 1er de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, modifié par la loi du 8 août 1980, l'arrêté royal n° 242 du 31 décembre 1983, la loi du 20 juillet 1991 et la loi du 29 avril 1996, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"Sans préjudice des dispositions de l'article 10, les prestations familiales sont accordées, dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente loi, en faveur de l'enfant qui est exclusivement ou principalement à la charge d'une personne physique qui réside en Belgique. Le Roi détermine quels enfants sont considérés comme étant principalement à charge.";
2° l'alinéa 5 est complété par la disposition suivante :
"4° l'allocation spéciale visée à l'article 10;".
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"Sans préjudice des dispositions de l'article 10, les prestations familiales sont accordées, dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente loi, en faveur de l'enfant qui est exclusivement ou principalement à la charge d'une personne physique qui réside en Belgique. Le Roi détermine quels enfants sont considérés comme étant principalement à charge.";
2° l'alinéa 5 est complété par la disposition suivante :
"4° l'allocation spéciale visée à l'article 10;".
Art. 43. In dezelfde wet wordt een artikel 6bis, luidend als volgt, ingevoegd :
"Art. 6bis. - De gewaarborgde gezinsbijslag die verschuldigd is ten behoeve van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling bedoeld in artikel 1, derde lid, 3°, voor de periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag om deze bijslag werd ingediend en die ten vroegste aanvangt overeenkomstig artikel 7, tweede lid, wordt betaald :
1° aan de Staat ten belope van maximaal het bedrag van de verhoging bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven, dat de Staat ten laste heeft genomen overeenkomstig de artikelen 5, § 1, 2° en 11, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de bovenbedoelde periode;
2° aan de persoon bedoeld in artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ten belope van het eventueel saldo.
Indien de Staat niet is tussengekomen overeenkomstig het eerste lid, 1°, wordt het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag volledig betaald aan de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°.".
"Art. 6bis. - De gewaarborgde gezinsbijslag die verschuldigd is ten behoeve van een kind dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van een vluchteling bedoeld in artikel 1, derde lid, 3°, voor de periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag om deze bijslag werd ingediend en die ten vroegste aanvangt overeenkomstig artikel 7, tweede lid, wordt betaald :
1° aan de Staat ten belope van maximaal het bedrag van de verhoging bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 januari 1995 tot regeling van de terugbetaling door de Staat van de kosten van de dienstverlening door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toegekend aan een behoeftige die de Belgische nationaliteit niet bezit en die niet in het bevolkingsregister is ingeschreven, dat de Staat ten laste heeft genomen overeenkomstig de artikelen 5, § 1, 2° en 11, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor de bovenbedoelde periode;
2° aan de persoon bedoeld in artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ten belope van het eventueel saldo.
Indien de Staat niet is tussengekomen overeenkomstig het eerste lid, 1°, wordt het bedrag van de gewaarborgde gezinsbijslag volledig betaald aan de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°.".
Art. 43. Dans la même loi, un article 6bis, rédigé comme suit, est inséré :
"Art. 6bis. Les prestations familiales garanties dues en faveur d'un enfant qui est exclusivement ou principalement à la charge d'un réfugié visé à l'article 1er, alinéa 3, 3°, pour la période précédant la date à laquelle la demande de ces prestations a été introduite et débutant au plus tôt conformément à l'article 7, alinéa 2, sont payées :
1° à l'Etat, à concurrence, au maximum, du montant de la majoration prévue à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 30 janvier 1995 réglant le remboursement par l'Etat des frais relatifs à l'aide accordée par les centres publics d'aide sociale à un indigent qui ne possède pas la nationalité belge et qui n'est pas inscrit au registre de population, que l'Etat a pris en charge conformément aux articles 5, § 1er, 2°, et 11, § 2, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, pour la période visée ci-avant;
2° à la personne visée à l'article 69 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, à concurrence du solde éventuel.
Si l'Etat n'est pas intervenu conformément à l'alinéa 1er, 1°, le montant des prestations familiales garanties est entièrement payé à la personne visée à l'alinéa 1er, 2°.".
"Art. 6bis. Les prestations familiales garanties dues en faveur d'un enfant qui est exclusivement ou principalement à la charge d'un réfugié visé à l'article 1er, alinéa 3, 3°, pour la période précédant la date à laquelle la demande de ces prestations a été introduite et débutant au plus tôt conformément à l'article 7, alinéa 2, sont payées :
1° à l'Etat, à concurrence, au maximum, du montant de la majoration prévue à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 30 janvier 1995 réglant le remboursement par l'Etat des frais relatifs à l'aide accordée par les centres publics d'aide sociale à un indigent qui ne possède pas la nationalité belge et qui n'est pas inscrit au registre de population, que l'Etat a pris en charge conformément aux articles 5, § 1er, 2°, et 11, § 2, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, pour la période visée ci-avant;
2° à la personne visée à l'article 69 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, à concurrence du solde éventuel.
Si l'Etat n'est pas intervenu conformément à l'alinéa 1er, 1°, le montant des prestations familiales garanties est entièrement payé à la personne visée à l'alinéa 1er, 2°.".
Art. 44. Artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 242 van 31 december 1983, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 9. - § 1. Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn.
Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.
§ 2. De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatig betaalde bijslag indien :
1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is;
2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen.".
"Art. 9. - § 1. Het recht op terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bijslag verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied. In geen geval is een terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen mogelijk na verloop van deze termijn.
Benevens de redenen bepaald in het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door het eisen van het onverschuldigd uitbetaalde, door middel van een ter post aangetekend aan de schuldenaar betekend schrijven.
Het eerste lid is niet toepasselijk, indien de ten onrechte uitbetaalde uitkeringen werden bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen.
§ 2. De Rijksdienst kan afzien van de terugvordering van de onrechtmatig betaalde bijslag indien :
1° de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is;
2° de terugvordering al te onzeker of te bezwarend blijkt, in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen.".
Art. 44. L'article 9 de la même loi, modifié par l'arrêté royal n° 242 du 31 décembre 1983, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 9. § 1er. L'action en répétition des prestations payées indûment se prescrit par cinq ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué. En aucun cas, la répétition des prestations indûment payées ne sera possible après l'expiration de ce délai.
Outre les causes prévues au Code civil, la prescription est interrompue par la réclamation des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste.
L'alinéa 1er n'est pas applicable si les prestations payées indûment ont été obtenues à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes.
§ 2. L'Office national peut renoncer à la récupération des prestations payées indûment lorsque :
1° le recouvrement s'avère contre-indiqué pour des raisons sociales ou techniquement impossibles;
2° le recouvrement s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer.".
"Art. 9. § 1er. L'action en répétition des prestations payées indûment se prescrit par cinq ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué. En aucun cas, la répétition des prestations indûment payées ne sera possible après l'expiration de ce délai.
Outre les causes prévues au Code civil, la prescription est interrompue par la réclamation des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste.
L'alinéa 1er n'est pas applicable si les prestations payées indûment ont été obtenues à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes.
§ 2. L'Office national peut renoncer à la récupération des prestations payées indûment lorsque :
1° le recouvrement s'avère contre-indiqué pour des raisons sociales ou techniquement impossibles;
2° le recouvrement s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer.".
Art. 45. Artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 6 van 11 oktober 1978, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 10. - § 1. De gezinsbijslag bedoeld in deze wet is niet verschuldigd ten behoeve van een kind dat ten laste van een openbare overheid, geplaatst is in een instelling of bij een particulier.
§ 2. In afwijking van § 1, kan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen, het kraamgeld toekennen voor een kind dat ten laste van een openbare overheid in een instelling of bij een particulier geplaatst is, aan de moeder die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel 1, zelfs indien dat kind op het ogenblik van de geboorte niet uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van deze persoon.
Ingeval de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid aanwendt inzake categorieën van gevallen, wint hij vooraf het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers in.
§ 3. In afwijking van § 1, wanneer een kind is geplaatst in een instelling, ten laste van een openbare overheid, wordt een forfaitaire bijzondere bijslag toegekend aan de persoon die krachtens deze wet de kinderbijslag genoot voor dat kind, onmiddellijk voorafgaand aan de genoemde maatregel, en die het kind gedeeltelijk blijft opvoeden in de zin van artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op voorwaarde dat de persoon die het kind vóór deze maatregel hoofdzakelijk ten laste had alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 1 en 3 blijft vervullen, met uitzondering van de last, en dat het kind de voorwaarden bedoeld in artikel 2 blijft vervullen.".
"Art. 10. - § 1. De gezinsbijslag bedoeld in deze wet is niet verschuldigd ten behoeve van een kind dat ten laste van een openbare overheid, geplaatst is in een instelling of bij een particulier.
§ 2. In afwijking van § 1, kan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft in behartigenswaardige gevallen of categorieën van gevallen, het kraamgeld toekennen voor een kind dat ten laste van een openbare overheid in een instelling of bij een particulier geplaatst is, aan de moeder die de voorwaarden vervult bedoeld in artikel 1, zelfs indien dat kind op het ogenblik van de geboorte niet uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is van deze persoon.
Ingeval de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft de in het vorige lid bedoelde bevoegdheid aanwendt inzake categorieën van gevallen, wint hij vooraf het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers in.
§ 3. In afwijking van § 1, wanneer een kind is geplaatst in een instelling, ten laste van een openbare overheid, wordt een forfaitaire bijzondere bijslag toegekend aan de persoon die krachtens deze wet de kinderbijslag genoot voor dat kind, onmiddellijk voorafgaand aan de genoemde maatregel, en die het kind gedeeltelijk blijft opvoeden in de zin van artikel 69 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, op voorwaarde dat de persoon die het kind vóór deze maatregel hoofdzakelijk ten laste had alle voorwaarden bedoeld in de artikelen 1 en 3 blijft vervullen, met uitzondering van de last, en dat het kind de voorwaarden bedoeld in artikel 2 blijft vervullen.".
Art. 45. L'article 10 de la même loi, modifié par l'arrêté royal n° 6 du 11 octobre 1978, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 10. § 1er. Les prestations familiales prévues par la présente loi ne sont pas dues en faveur d'un enfant placé à charge d'une autorité publique, dans une institution ou chez un particulier.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut, dans des cas ou catégories de cas dignes d'intérêt, accorder l'allocation de naissance pour un enfant placé à charge d'une autorité publique, dans une institution ou chez un particulier, à la mère, qui remplit les conditions visées à l'article 1er, même si cet enfant, au moment de la naissance, n'est pas exclusivement ou principalement à charge de cette personne.
Lorsque le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions use de la compétence visée à l'alinéa précédent en ce qui concerne des catégories de cas, il demande, au préalable, l'avis du Comité de gestion de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
§ 3. Par dérogation au § 1er, lorsqu'un enfant est placé dans une institution à charge d'une autorité publique, une allocation forfaitaire spéciale est accordée à la personne qui bénéficiait des allocations familiales pour cet enfant en vertu de la présente loi, immédiatement avant ladite mesure, et qui continue à élever l'enfant partiellement au sens de l'article 69 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales, à condition que la personne qui supportait la charge principale de l'enfant avant cette mesure continue à remplir toutes les conditions visées aux articles 1er et 3, à l'exception de la charge, et que l'enfant continue à remplir les conditions visées à l'article 2.".
"Art. 10. § 1er. Les prestations familiales prévues par la présente loi ne sont pas dues en faveur d'un enfant placé à charge d'une autorité publique, dans une institution ou chez un particulier.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut, dans des cas ou catégories de cas dignes d'intérêt, accorder l'allocation de naissance pour un enfant placé à charge d'une autorité publique, dans une institution ou chez un particulier, à la mère, qui remplit les conditions visées à l'article 1er, même si cet enfant, au moment de la naissance, n'est pas exclusivement ou principalement à charge de cette personne.
Lorsque le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions use de la compétence visée à l'alinéa précédent en ce qui concerne des catégories de cas, il demande, au préalable, l'avis du Comité de gestion de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
§ 3. Par dérogation au § 1er, lorsqu'un enfant est placé dans une institution à charge d'une autorité publique, une allocation forfaitaire spéciale est accordée à la personne qui bénéficiait des allocations familiales pour cet enfant en vertu de la présente loi, immédiatement avant ladite mesure, et qui continue à élever l'enfant partiellement au sens de l'article 69 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales, à condition que la personne qui supportait la charge principale de l'enfant avant cette mesure continue à remplir toutes les conditions visées aux articles 1er et 3, à l'exception de la charge, et que l'enfant continue à remplir les conditions visées à l'article 2.".
Art. 46. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van de gewaarborgde gezinsbijslag, zoals tot op heden gewijzigd, wordt aangevuld met de volgende paragraaf :
"§ 5. Het kind dat gerechtigd is op kinderbijslag bij toepassing van de wet, heeft eveneens recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 47, § 1, en 56bis, § 1, van de samengeordende wetten, volgens de regels bepaald bij dezelfde gecoördineerde wetten."
"§ 5. Het kind dat gerechtigd is op kinderbijslag bij toepassing van de wet, heeft eveneens recht op de bijslagen bedoeld in de artikelen 47, § 1, en 56bis, § 1, van de samengeordende wetten, volgens de regels bepaald bij dezelfde gecoördineerde wetten."
Art. 46. L'article 8 de l'arrêté royal du 25 octobre 1971 portant exécution de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, tel qu'il a été modifié jusqu'à ce jour, est complété par le paragraphe suivant :
"§ 5. L'enfant qui bénéficie de prestations familiales en application de la loi a également droit aux allocations visées aux articles 47, § 1er, et 56bis, § 1er, des lois coordonnées, selon les dispositions prévues par ces mêmes lois coordonnées."
"§ 5. L'enfant qui bénéficie de prestations familiales en application de la loi a également droit aux allocations visées aux articles 47, § 1er, et 56bis, § 1er, des lois coordonnées, selon les dispositions prévues par ces mêmes lois coordonnées."
Art. 47. De personeelsleden, waarvan de graden, rangen, niveaus en aantallen door het koninklijk besluit van 14 maart 1995 tot vaststelling van de personeelsformatie van de Bijzondere Verrekenkas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid zijn vastgelegd, worden aan het personeelsbestand van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers toegevoegd. Zij behouden hun graad en bezoldigingsregeling of verkrijgen een gelijkwaardige graad of bezoldigingsregeling.
Het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers is op de overgedragen personeelsleden van toepassing.
Het administratief en geldelijk statuut van de personeelsleden van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers is op de overgedragen personeelsleden van toepassing.
Art. 47. Les membres du personnel dont les grades, rangs, niveaux et nombres sont fixés par l'arrêté royal du 14 mars 1995 portant fixation du cadre organique de la Caisse spéciale de compensation pour allocations familiales en faveur des travailleurs de l'industrie diamantaire, sont ajoutés à l'effectif du personnel de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés. Ils conservent leur grade et régime pécuniaire ou reçoivent un grade ou régime pécuniaire équivalent.
Le statut administratif et pécuniaire qui régit le personnel de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés est applicable aux membres du personnel transféré.
Le statut administratif et pécuniaire qui régit le personnel de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés est applicable aux membres du personnel transféré.
Art. 48. De aangeslotenen bij de Bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid worden overgedragen naar de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
Art. 48. Les affiliés à la Caisse spéciale pour allocations familiales en faveur des travailleurs de l'industrie diamantaire sont transférés à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
Art. 49. Om de specifieke belangen van de werknemers van de diamantnijverheid te waarborgen wordt bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, een Technisch Comité opgericht waarvan de samenstelling en de bevoegdheden door de Koning worden bepaald.
Art. 49. Afin de garantir les intérêts particuliers des travailleurs de l'industrie diamantaire, il est institué au sein de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, un Comité technique dont la composition et les attributions sont fixées par le Roi.
Art. 50. Artikel 33, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd door het koninklijk besluit nr 65 van 10 november 1967 en gewijzigd door de wetten van 30 juni 1981 en 1 augustus 1985, wordt vervangen door het hierna volgende lid :
"Zijn eveneens van rechtswege bij de Rijksdienst aangesloten :
1° de werkgevers, exploitanten van hotels, restaurants en drankhuizen;
2° de werkgevers, reders;
3° de werkgevers uit de diamantnijverheid;
4° alleen ten behoeve van de hierna vermelde werknemers :
a) de werkgevers van huisarbeiders;
b) de werkgevers van handelsreizigers en handelsvertegenwoordigers die in dienst zijn van verscheidene werkgevers.".
"Zijn eveneens van rechtswege bij de Rijksdienst aangesloten :
1° de werkgevers, exploitanten van hotels, restaurants en drankhuizen;
2° de werkgevers, reders;
3° de werkgevers uit de diamantnijverheid;
4° alleen ten behoeve van de hierna vermelde werknemers :
a) de werkgevers van huisarbeiders;
b) de werkgevers van handelsreizigers en handelsvertegenwoordigers die in dienst zijn van verscheidene werkgevers.".
Art. 50. L'article 33, alinéa 2, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, inséré par l'arrêté royal n° 65 du 10 novembre 1967 et modifié par les lois des 30 juin 1981 et 1er août 1985, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Sont également affiliés, de plein droit, à l'Office national :
1° les employeurs, exploitants d'hôtels, restaurants et débits de boissons;
2° les employeurs, armateurs de navires;
3° les employeurs de l'industrie diamantaire;
4° uniquement, en faveur des travailleurs mentionnés ci-après :
a) les employeurs de travailleurs à domicile;
b) les employeurs de voyageurs et de représentants de commerce, occupés au travail par plusieurs employeurs.".
"Sont également affiliés, de plein droit, à l'Office national :
1° les employeurs, exploitants d'hôtels, restaurants et débits de boissons;
2° les employeurs, armateurs de navires;
3° les employeurs de l'industrie diamantaire;
4° uniquement, en faveur des travailleurs mentionnés ci-après :
a) les employeurs de travailleurs à domicile;
b) les employeurs de voyageurs et de représentants de commerce, occupés au travail par plusieurs employeurs.".
Art. 51. Artikel 31, zesde lid, van dezelfde wetten en het koninklijk besluit van 22 november 1932 houdende instelling en inrichting van een bijzondere kas voor gezinsvergoedingen ten bate van de arbeiders der diamantnijverheid, gewijzigd door het koninklijk besluit van 27 december 1937, het besluit van de Secretarissen-generaal van 23 mei 1941, het Regentsbesluit van 30 januari 1946 en de koninklijke besluiten van 4 juli 1952, 16 juni 1961 en 23 december 1969, worden opgeheven.
Art. 51. L'article 31, alinéa 6, des mêmes lois et l'arrêté royal du 22 novembre 1932 portant institution et organisation d'une caisse spéciale pour allocations familiales en faveur des travailleurs de l'industrie diamantaire, modifié par l'arrêté royal du 27 décembre 1937, l'arrêté des Secrétaires généraux du 23 mai 1941, l'arrêté du Régent du 30 janvier 1946 et les arrêtés royaux des 4 juillet 1952, 16 juin 1961 et 23 décembre 1969, sont abrogés.
Art. 52. Voor het jaar 1996 wordt een bedrag van 600 miljoen frank overgedragen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, naar het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde wetten.
Art. 52. Pour l'année 1996, un montant de 600 millions de francs est transféré du fonds de réserve de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, visé à l'article 106 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, au Fonds d'équipements et de services collectifs visé à l'article 107 des mêmes lois.
Art. 53. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van het tweede trimester volgend op dat gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van :
1° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 11 augustus 1991;
2° artikel 25, 2°, 3° en 4°, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1990;
3° artikelen 25, 5°, en 26 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1987;
4° artikelen 27, 35 en 38, 2° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van 30 april 1996;
5° artikel 28 die in werking treedt op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
6° artikelen 31 en 33 die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1997.
De bepalingen van artikel 60, § 3, tweede lid, en van artikel 64, § 2, A, laatste lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij de artikelen 31 en 33, alsook deze van artikel 69, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd door het koninklijk besluit van 21 april 1997, zijn van toepassing op de scheidingen die dateren vanaf 1 oktober 1997.
Voor de scheidingen die dateren van vóór 1 oktober 1997 zijn deze bepalingen van toepassing :
a) op 1 oktober 1997, wanneer het recht op kinderbijslag pas na die datum wordt gevestigd;
b) op het ogenblik van elke wijziging van de ouderschapsregeling of van de gezinssituatie die aanleiding geeft tot een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende of van bijslagtrekkende;
c) op verzoek van één van de ouders, met uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verzoek;
7° artikel 40 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;
8° artikel 43 dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning;
9° de artikelen 47 tot 51 die in werking treden op 1 januari 1998.
1° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 11 augustus 1991;
2° artikel 25, 2°, 3° en 4°, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1990;
3° artikelen 25, 5°, en 26 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1987;
4° artikelen 27, 35 en 38, 2° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van 30 april 1996;
5° artikel 28 die in werking treedt op de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad;
6° artikelen 31 en 33 die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1997.
De bepalingen van artikel 60, § 3, tweede lid, en van artikel 64, § 2, A, laatste lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd bij de artikelen 31 en 33, alsook deze van artikel 69, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, zoals ingevoegd door het koninklijk besluit van 21 april 1997, zijn van toepassing op de scheidingen die dateren vanaf 1 oktober 1997.
Voor de scheidingen die dateren van vóór 1 oktober 1997 zijn deze bepalingen van toepassing :
a) op 1 oktober 1997, wanneer het recht op kinderbijslag pas na die datum wordt gevestigd;
b) op het ogenblik van elke wijziging van de ouderschapsregeling of van de gezinssituatie die aanleiding geeft tot een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende of van bijslagtrekkende;
c) op verzoek van één van de ouders, met uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op dit verzoek;
7° artikel 40 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;
8° artikel 43 dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning;
9° de artikelen 47 tot 51 die in werking treden op 1 januari 1998.
Art. 53. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er jour du deuxième trimestre qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge, à l'exception :
1° de l'article 21 qui produit ses effets le 11 août 1991;
2° de l'article 25, 2°, 3° et 4°, qui produit ses effets le 9 janvier 1990;
3° des articles 25, 5°, et 26 qui produisent leurs effets le 1er juillet 1987;
4° des articles 27, 35 et 38, 2° et 3°, qui produisent leurs effets le 30 avril 1996;
5° de l'article 28 qui entre en vigueur le 1er jour du mois qui suit la publication de la présente loi au Moniteur belge;
6° des articles 31 et 33 qui produisent leurs effets le 1er octobre 1997.
Les dispositions de l'article 60, § 3, alinéa 2, et de l'article 64, § 2, A, dernier alinéa, des mêmes lois, telles qu'insérées par les articles 31 et 33, ainsi que celles de l'article 69, § 1er, alinéa 3, des mêmes lois, telles qu'insérées par l'arrêté royal du 21 avril 1997, sont applicables aux séparations intervenues à partir du 1er octobre 1997.
Pour les séparations intervenues avant le 1er octobre 1997, ces dispositions sont d'application :
a) au 1er octobre 1997, lorsque le droit aux allocations familiales n'est établi qu'après cette date;
b) lors de toute modification du régime de l'autorité parentale ou de la situation familiale qui donne lieu à un changement d'attributaire prioritaire ou d'allocataire;
c) à la demande de l'un des parents, avec effet à partir du premier jour du mois qui suit cette demande;
7° de l'article 40 qui produit ses effets le 1er janvier 1997;
8° de l'article 43 qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi;
9° des articles 47 à 51 qui entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
1° de l'article 21 qui produit ses effets le 11 août 1991;
2° de l'article 25, 2°, 3° et 4°, qui produit ses effets le 9 janvier 1990;
3° des articles 25, 5°, et 26 qui produisent leurs effets le 1er juillet 1987;
4° des articles 27, 35 et 38, 2° et 3°, qui produisent leurs effets le 30 avril 1996;
5° de l'article 28 qui entre en vigueur le 1er jour du mois qui suit la publication de la présente loi au Moniteur belge;
6° des articles 31 et 33 qui produisent leurs effets le 1er octobre 1997.
Les dispositions de l'article 60, § 3, alinéa 2, et de l'article 64, § 2, A, dernier alinéa, des mêmes lois, telles qu'insérées par les articles 31 et 33, ainsi que celles de l'article 69, § 1er, alinéa 3, des mêmes lois, telles qu'insérées par l'arrêté royal du 21 avril 1997, sont applicables aux séparations intervenues à partir du 1er octobre 1997.
Pour les séparations intervenues avant le 1er octobre 1997, ces dispositions sont d'application :
a) au 1er octobre 1997, lorsque le droit aux allocations familiales n'est établi qu'après cette date;
b) lors de toute modification du régime de l'autorité parentale ou de la situation familiale qui donne lieu à un changement d'attributaire prioritaire ou d'allocataire;
c) à la demande de l'un des parents, avec effet à partir du premier jour du mois qui suit cette demande;
7° de l'article 40 qui produit ses effets le 1er janvier 1997;
8° de l'article 43 qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi;
9° des articles 47 à 51 qui entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
HOOFDSTUK IV. - Sociale Zekerheid.
CHAPITRE IV. - Sécurité sociale.
Art. 54. In artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt een § 3quinquies ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3quinquies. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 23, ingevoerd.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invording van de bijdragen.".
"§ 3quinquies. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 23, ingevoerd.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invording van de bijdragen.".
Art. 54. Dans l'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié pour la dernière fois par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, il est inséré un § 3quinquiesrédigé comme suit :
"§ 3quinquies. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré une cotisation de 0,05 %, à charge de l'employeur, calculée sur base de la rémunération du travailleur, visée à l'article 23.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.".
"§ 3quinquies. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré une cotisation de 0,05 %, à charge de l'employeur, calculée sur base de la rémunération du travailleur, visée à l'article 23.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.".
Art. 55. Een artikel 57ter wordt ingevoegd in de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, gewijzigd door koninklijk besluit van 27 januari 1997 :
"Art. 57ter. - Vanuit het reservefonds van de Rijksdienst voor Kinderbijslag bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders, wordt een bedrag van 650 miljoen frank overgeheveld naar het Fonds voor Collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde samengeordende wetten.
Het gedeelte hiervan dat de reële uitgaven voor 1997 verbonden met de opdrachten bedoeld in artikel 57bis, lid 2 overstijgt, wordt naar aanleiding van de afsluiting van de rekeningen 1997 opnieuw overgeheveld naar het reservefonds volgens door de Minister te bepalen modaliteiten.".
"Art. 57ter. - Vanuit het reservefonds van de Rijksdienst voor Kinderbijslag bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders, wordt een bedrag van 650 miljoen frank overgeheveld naar het Fonds voor Collectieve uitrustingen en diensten bedoeld in artikel 107 van dezelfde samengeordende wetten.
Het gedeelte hiervan dat de reële uitgaven voor 1997 verbonden met de opdrachten bedoeld in artikel 57bis, lid 2 overstijgt, wordt naar aanleiding van de afsluiting van de rekeningen 1997 opnieuw overgeheveld naar het reservefonds volgens door de Minister te bepalen modaliteiten.".
Art. 55. Un nouvel article 57terest inséré dans la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales modifié par l'arrêté royal du 27 janvier 1997 libellé comme suit :
"Art. 57ter. - Un montant de 650 millions de francs est transféré du fonds de réserve de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés visé à l'article 106 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, au Fonds des Equipements et Services collectifs visé à l'article 107 des mêmes lois coordonnées.
Au moment de la clôture des comptes de l'année 1997, la partie de ce montant dépassant les dépenses réelles pour 1997 liées aux missions visées à l'article 57bis, alinéa 2, sera de nouveau transférée vers le fonds de réserve selon les modalités à déterminer par le Ministre.".
"Art. 57ter. - Un montant de 650 millions de francs est transféré du fonds de réserve de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés visé à l'article 106 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, au Fonds des Equipements et Services collectifs visé à l'article 107 des mêmes lois coordonnées.
Au moment de la clôture des comptes de l'année 1997, la partie de ce montant dépassant les dépenses réelles pour 1997 liées aux missions visées à l'article 57bis, alinéa 2, sera de nouveau transférée vers le fonds de réserve selon les modalités à déterminer par le Ministre.".
Art. 56. In artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd voor de laatste keer door het koninklijk besluit van 18 april 1997, wordt een § 3quateringevoegd, luidend als volgt :
"§ 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de reder een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de zeeman, bedoeld in artikel 3, § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de reder betaald aan de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de zeelieden.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden.".
"§ 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de reder een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de zeeman, bedoeld in artikel 3, § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de reder betaald aan de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de zeelieden.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden.".
Art. 56. Dans l'article 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, modifié pour la dernière fois par l'arrêté royal du 18 avril 1997, il est inséré un § 3quaterrédigé comme suit :
"§ 3quater. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré à charge de l'armateur une cotisation de 0,05 %, calculée sur base de la rémunération du marin visée à l'article 3, § 1er.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
La cotisation est payée par l'armateur à la Caisse de secours et de prévoyance, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les marins.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins.".
"§ 3quater. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré à charge de l'armateur une cotisation de 0,05 %, calculée sur base de la rémunération du marin visée à l'article 3, § 1er.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
La cotisation est payée par l'armateur à la Caisse de secours et de prévoyance, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les marins.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance de la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins.".
Art. 57. In artikel 2, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, gewijzigd voor de laatste keer door de wet van 26 juni 1992, wordt een § 3quater ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de arbeider, bedoeld in § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de mijnwerkers.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers.".
"§ 3quater. Er wordt met ingang van 1 januari 1999 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de arbeider, bedoeld in § 1, ingevoerd.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de mijnwerkers.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning van de bijdragen voor mijnwerkers.".
Art. 57. Dans l'article 2, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, modifié pour la dernière fois par la loi du 26 juin 1992, il est inséré un § 3quater, rédigé comme suit :
"§ 3quater. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré une cotisation de 0,05 % à charge de l'employeur calculée sur base de la rémunération du travailleur visée au § 1er.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations des ouvriers mineurs, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les ouvriers mineurs.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations des ouvriers mineurs.".
"§ 3quater. A partir du 1er janvier 1999, il est instauré une cotisation de 0,05 % à charge de l'employeur calculée sur base de la rémunération du travailleur visée au § 1er.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations des ouvriers mineurs, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les ouvriers mineurs.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations des ouvriers mineurs.".
Art. 58. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen door de volgende bepaling :
"In 1997 wordt een bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van de opbrengst van de werkgeversbijdrage voor de bevordering van initiatieven inzake kinderopvang bedoeld in artikel 23 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985.
In 1998 wordt eenzelfde bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985.
De voorwaarden en nadere regelen van deze overdrachten worden door de Koning bepaald.".
"In 1997 wordt een bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van de opbrengst van de werkgeversbijdrage voor de bevordering van initiatieven inzake kinderopvang bedoeld in artikel 23 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985.
In 1998 wordt eenzelfde bedrag van 500 miljoen frank afgenomen van het reservefonds van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bedoeld in artikel 106 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en toegewezen aan het stelsel van educatief verlof bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985.
De voorwaarden en nadere regelen van deze overdrachten worden door de Koning bepaald.".
Art. 58. L'article 14 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité est remplacé par la disposition suivante :
"En 1997, un montant de 500 millions de francs est prélevé sur le produit de la cotisation patronale pour la promotion des initiatives en matière d'accueil d'enfants, prévue à l'article 23 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi et affecté au régime de congé-éducation payé, visé à la section 6 du Chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985.
En 1998, un montant identique de 500 millions de francs sera prélevé sur le fonds de réserve de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés visé à l'article 106 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales des travailleurs salariés et affecté au régime du congé-éducation payé visé à la section 6 du Chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985.
Les conditions et modalités de ces versements sont déterminées par le Roi.".
"En 1997, un montant de 500 millions de francs est prélevé sur le produit de la cotisation patronale pour la promotion des initiatives en matière d'accueil d'enfants, prévue à l'article 23 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi et affecté au régime de congé-éducation payé, visé à la section 6 du Chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985.
En 1998, un montant identique de 500 millions de francs sera prélevé sur le fonds de réserve de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés visé à l'article 106 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales des travailleurs salariés et affecté au régime du congé-éducation payé visé à la section 6 du Chapitre IV de la loi de redressement du 22 janvier 1985.
Les conditions et modalités de ces versements sont déterminées par le Roi.".
Art. 59. Artikel 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt.".
"De Koning kan, aan de categorieën werkgevers die hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een financiële tussenkomst toekennen in de aansluitingskosten bij een erkend sociaal secretariaat, waarvan Hij het bedrag, de voorwaarden en de nadere regelen van de toekenning bepaalt.".
Art. 59. L'article 27 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés, est complété par l'alinéa suivant :
"Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, accorder aux catégories d'employeurs qu'il détermine, une intervention financière dans les frais d'affiliation à un secrétariat social agréé, dont Il fixe le montant, les conditions et les modalités d'octroi.".
"Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, accorder aux catégories d'employeurs qu'il détermine, une intervention financière dans les frais d'affiliation à un secrétariat social agréé, dont Il fixe le montant, les conditions et les modalités d'octroi.".
Art. 60. Artikel 131 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 131. - In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 6bis. - § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt belast met de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
§ 2. Voor de uitvoering van deze opdracht wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers.
Deze cel beschikt over een organiek en een taalkader, verschillend van dit van de Rijksdienst.
§ 3. Op voorstel van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit beslissen dat deze cel ophoudt te bestaan en deze betrekkingen, voorzien in zijn bijzonder kader, integreren in het organiek kader van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.".".
"Art. 131. - In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 6bis. - § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt belast met de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
§ 2. Voor de uitvoering van deze opdracht wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers.
Deze cel beschikt over een organiek en een taalkader, verschillend van dit van de Rijksdienst.
§ 3. Op voorstel van de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit beslissen dat deze cel ophoudt te bestaan en deze betrekkingen, voorzien in zijn bijzonder kader, integreren in het organiek kader van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.".".
Art. 60. L'article 131 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 131. Dans la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, un article 6bis, rédigé comme suit, est inséré :
"Art. 6bis. § 1er. L'Office national de sécurité sociale est chargé de la perception et du recouvrement des cotisations établies conformément à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
§ 2. Pour l'exécution de cette mission, une cellule administrative, comprenant du personnel du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, est constituée.
Cette cellule dispose d'un cadre organique et linguistique distinct de celui de l'Office.
§ 3. Sur proposition du Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, dissoudre cette cellule et intégrer les emplois prévus dans son cadre spécial au cadre organique de l'Office national de sécurité sociale.".".
"Art. 131. Dans la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, un article 6bis, rédigé comme suit, est inséré :
"Art. 6bis. § 1er. L'Office national de sécurité sociale est chargé de la perception et du recouvrement des cotisations établies conformément à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
§ 2. Pour l'exécution de cette mission, une cellule administrative, comprenant du personnel du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, est constituée.
Cette cellule dispose d'un cadre organique et linguistique distinct de celui de l'Office.
§ 3. Sur proposition du Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, dissoudre cette cellule et intégrer les emplois prévus dans son cadre spécial au cadre organique de l'Office national de sécurité sociale.".".
Art. 61. Artikel 134 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 134. - In artikel 2 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt een § 3bis ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3bis. Onverminderd § 3 wordt het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, bedoeld in artikel 3, § 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de Mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, afgeschaft.
Zijn diensten, evenals zijn personeel, worden overgenomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering die het voortzetten zullen verzekeren respectievelijk van de opdrachten die tot op die datum door voornoemd Fonds werden vervuld betreffende de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voornoemde besluitwet voorziet.
De passiva en activa, de rechten en verplichtingen van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering overgenomen.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de datum voor de overdracht van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde diensten en personeel.".".
"Art. 134. - In artikel 2 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt een § 3bis ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3bis. Onverminderd § 3 wordt het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, bedoeld in artikel 3, § 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de Mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, afgeschaft.
Zijn diensten, evenals zijn personeel, worden overgenomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering die het voortzetten zullen verzekeren respectievelijk van de opdrachten die tot op die datum door voornoemd Fonds werden vervuld betreffende de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voornoemde besluitwet voorziet.
De passiva en activa, de rechten en verplichtingen van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering overgenomen.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de datum voor de overdracht van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde diensten en personeel.".".
Art. 61. L'article 134 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 134. A l'article 2 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, un § 3bis, rédigé comme suit est inséré :
"§ 3bis. Sans préjudice du § 3, le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés est supprimé.
Ses services et son personnel sont absorbés par l'Office national de sécurité sociale et par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité qui continueront à assurer respectivement les missions remplies, jusqu'à cette date, par ledit Fonds en ce qui concerne la perception et le recouvrement des cotisations établies conformément à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi précité.
Le passif et l'actif, les droits et obligations du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs sont repris par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en conseil des ministres, les conditions et la date de transfert des services et du personnel visés par l'alinéa 2 du présent article.".".
"Art. 134. A l'article 2 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, un § 3bis, rédigé comme suit est inséré :
"§ 3bis. Sans préjudice du § 3, le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés est supprimé.
Ses services et son personnel sont absorbés par l'Office national de sécurité sociale et par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité qui continueront à assurer respectivement les missions remplies, jusqu'à cette date, par ledit Fonds en ce qui concerne la perception et le recouvrement des cotisations établies conformément à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi précité.
Le passif et l'actif, les droits et obligations du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs sont repris par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en conseil des ministres, les conditions et la date de transfert des services et du personnel visés par l'alinéa 2 du présent article.".".
Art. 62. Artikel 135 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 135. - In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 78bis. - § 1. De Dienst voor Uitkeringen wordt belast met de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
§ 2. Er wordt een Beheerscomité opgericht met als naam "Beheerscomité voor de mijnwerkers".
Dit comité is samengesteld, in gelijk aantal, uit de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van alle werknemers en werkgevers.
De Koning stelt het aantal werkende en plaatsvervangende vertegenwoordigers vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter. Hij bepaalt de werkingsregelen van het Beheerscomité.
Twee regeringscommissarissen, die de Koning benoemt respectievelijk op voordracht van de Minister die Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die Financiën onder zijn bevoegdheid heeft, wonen de vergaderingen van het comité bij met raadgevende stem.
De Administrateur-generaal bedoeld in § 4 wordt door de Koning benoemd en hij wordt onder het gezag van dit Beheerscomité geplaatst.
§ 3. Voor de uitvoering van de opdracht bedoeld in § 1 wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van de centrale administratie van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers en van de Voorzorgskassen.
Deze cel beschikt over een personeelsformatie en taalkaders verschillend van die van de andere diensten van het instituut.
§ 4. Er wordt een betrekking van administrateur-generaal gecreëerd om de leiding te verzekeren van de cel bedoeld in § 3.".".
"Art. 135. - In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 78bis. - § 1. De Dienst voor Uitkeringen wordt belast met de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
§ 2. Er wordt een Beheerscomité opgericht met als naam "Beheerscomité voor de mijnwerkers".
Dit comité is samengesteld, in gelijk aantal, uit de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van alle werknemers en werkgevers.
De Koning stelt het aantal werkende en plaatsvervangende vertegenwoordigers vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter. Hij bepaalt de werkingsregelen van het Beheerscomité.
Twee regeringscommissarissen, die de Koning benoemt respectievelijk op voordracht van de Minister die Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en de Minister die Financiën onder zijn bevoegdheid heeft, wonen de vergaderingen van het comité bij met raadgevende stem.
De Administrateur-generaal bedoeld in § 4 wordt door de Koning benoemd en hij wordt onder het gezag van dit Beheerscomité geplaatst.
§ 3. Voor de uitvoering van de opdracht bedoeld in § 1 wordt een administratieve cel samengesteld, bestaande uit personeel van de centrale administratie van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers en van de Voorzorgskassen.
Deze cel beschikt over een personeelsformatie en taalkaders verschillend van die van de andere diensten van het instituut.
§ 4. Er wordt een betrekking van administrateur-generaal gecreëerd om de leiding te verzekeren van de cel bedoeld in § 3.".".
Art. 62. L'article 135 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 135. - Dans la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, un article 78bis, rédigé comme suit, est inséré :
"Art. 78bis. - § 1er. Le service des indemnités est charge de l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
§ 2. Il est créé un Comité de gestion dénommé "Comité de gestion pour les ouvriers mineurs".
Ce comité est composé, en nombre égal, de représentants des organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés et des employeurs.
Le Roi détermine le nombre de mandats effectifs et suppléants et nomme les membres dudit comité. Il nomme le président. Il détermine les règles de fonctionnement du Comité de gestion.
Deux commissaires du Gouvernement, nommés par le Roi sur présentation respectivement du Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et du Ministre qui a les Finances dans ses attributions, assistent aux réunions du comité avec voix consultative.
L'Administrateur général visé au § 4 est nommé par le Roi et il est placé sous l'autorité de ce Comité de gestion.
§ 3. Pour l'exécution de la mission visée au § 1er, une cellule administrative comprenant du personnel de l'administration centrale du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs et des Caisses de prévoyance est constituée.
Cette cellule dispose d'un cadre organique et des cadres linguistiques distincts de celui des autres services de l'Institut.
§ 4. Il est créé un emploi d'Administrateur général pour assurer la direction de la cellule visée au § 3.".".
"Art. 135. - Dans la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, un article 78bis, rédigé comme suit, est inséré :
"Art. 78bis. - § 1er. Le service des indemnités est charge de l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
§ 2. Il est créé un Comité de gestion dénommé "Comité de gestion pour les ouvriers mineurs".
Ce comité est composé, en nombre égal, de représentants des organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés et des employeurs.
Le Roi détermine le nombre de mandats effectifs et suppléants et nomme les membres dudit comité. Il nomme le président. Il détermine les règles de fonctionnement du Comité de gestion.
Deux commissaires du Gouvernement, nommés par le Roi sur présentation respectivement du Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et du Ministre qui a les Finances dans ses attributions, assistent aux réunions du comité avec voix consultative.
L'Administrateur général visé au § 4 est nommé par le Roi et il est placé sous l'autorité de ce Comité de gestion.
§ 3. Pour l'exécution de la mission visée au § 1er, une cellule administrative comprenant du personnel de l'administration centrale du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs et des Caisses de prévoyance est constituée.
Cette cellule dispose d'un cadre organique et des cadres linguistiques distincts de celui des autres services de l'Institut.
§ 4. Il est créé un emploi d'Administrateur général pour assurer la direction de la cellule visée au § 3.".".
Art. 63. In artikel 1 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
2° in het eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958, worden de woorden "zoals zij ingericht is door de statuten van het Nationaal Fonds" geschrapt;
3° het eerste lid, 6°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"6° In te staan voor de betaling van het vakantiegeld voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.".
1° in het eerste lid worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
2° in het eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958, worden de woorden "zoals zij ingericht is door de statuten van het Nationaal Fonds" geschrapt;
3° het eerste lid, 6°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"6° In te staan voor de betaling van het vakantiegeld voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.".
Art. 63. A l'article 1er de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimiles sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er les mots "Le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "L'Office national de sécurité sociale";
2° dans l'alinéa 1er, 2°, modifié par la loi du 28 avril 1958, les mots "tel qu'il est organisé par les statuts du Fonds national" sont supprimés;
3° l'alinéa 1er, 6°, est remplacé par la disposition suivante :
"6° Couvrir le paiement des pécules de vacances des ouvriers mineurs et assimilés.".
1° dans l'alinéa 1er les mots "Le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "L'Office national de sécurité sociale";
2° dans l'alinéa 1er, 2°, modifié par la loi du 28 avril 1958, les mots "tel qu'il est organisé par les statuts du Fonds national" sont supprimés;
3° l'alinéa 1er, 6°, est remplacé par la disposition suivante :
"6° Couvrir le paiement des pécules de vacances des ouvriers mineurs et assimilés.".
Art. 64. In artikel 2bis van dezelfde besluitwet, ingevoegd bij de wet van 2 januari 1960, worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid".
Art. 64. Dans l'article 2bisdu même arrêté-loi, inséré par la loi du 2 janvier 1960, les mots "le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "l'Office national de sécurité sociale".
Art. 65. In artikel 5 van dezelfde besluitwet, worden de woorden "van de door het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "van de door de Rijksdienst voor sociale zekerheid".
Art. 65. Dans l'article 5, du même arrêté-loi, les mots "du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "de l'Office national de sécurité sociale".
Art. 66. In artikel 9 van dezelfde besluitwet worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Pensioenen".
Art. 66. Dans l'article 9 du même arrêté-loi, les mots "Le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "L'Office national des pensions".
Art. 67. In dezelfde besluitwet worden opgeheven :
1° artikel 3, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, bij het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en bij de wet van 6 augustus 1993;
2° artikel 4, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958;
3° artikel 7.
1° artikel 3, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, bij het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 en bij de wet van 6 augustus 1993;
2° artikel 4, gewijzigd bij de wet van 28 april 1958;
3° artikel 7.
Art. 67. Sont abrogés dans le même arrêté-loi :
1° l'article 3, modifié par la loi du 10 octobre 1967, par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 et par la loi du 6 août 1993;
2° l'article 4, modifié par la loi du 28 avril 1958;
3° l'article 7.
1° l'article 3, modifié par la loi du 10 octobre 1967, par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 et par la loi du 6 août 1993;
2° l'article 4, modifié par la loi du 28 avril 1958;
3° l'article 7.
Art. 68. Artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 1976 tot uitvoering van artikel 46 van de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen, vervangen bij het koninklijk besluit nr 466 van 1 oktober 1986, wordt vervangen door het volgende lid :
"Dit besluit is tevens van toepassing op de beoefenaars van vrije beroepen evenals op de vennootschappen die opgericht worden in het kader van de uitoefening van deze beroepen.".
"Dit besluit is tevens van toepassing op de beoefenaars van vrije beroepen evenals op de vennootschappen die opgericht worden in het kader van de uitoefening van deze beroepen.".
Art. 68. L'article 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 18 juin 1976 pris en exécution de l'article 46 de la loi du 30 mars 1976 relative aux mesures de redressement économique, remplacé par l'arrêté royal n° 466 du 1er octobre 1986, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le présent arrêté est également d'application aux titulaires de professions libérales ainsi qu'aux sociétés qui sont fondées dans le cadre de l'exercice de ces professions.".
"Le présent arrêté est également d'application aux titulaires de professions libérales ainsi qu'aux sociétés qui sont fondées dans le cadre de l'exercice de ces professions.".
Art. 69. Artikel 8, tweede lid van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, wordt aangevuld als volgt : "6° de bepalingen van het koninklijk besluit nr 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces.".
Art. 69. L'article 8, alinéa 2, de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi, est complété comme suit : "6° les dispositions de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes.".
Art. 70. Artikel 69 heeft uitwerking van 1 januari 1995 tot 31 december 1996.
Art. 70. L'article 69, produit ses effets du 1er janvier 1995 au 31 décembre 1996.
Art. 71. Artikel 107, 2°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, gewijzigd bij de wet van 10 april 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
2° "Gezinsinkomen" : het totale belastbare netto-inkomen vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 116, 129 en 228 tot 242 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hieronder niet begrepen de overeenkomstig artikel 171 van voormeld Wetboek afzonderlijk belaste inkomsten, verminderd met het bedrag van de in artikelen 34 en 228, § 2, 6°, van dat Wetboek vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, de beroepsinkomsten bedoeld in de artikelen 155 en 156, 2°, van dat Wetboek, alsmede met het bedrag van de in artikel 23, § 1, 4°, van dat Wetboek vermelde bezoldigingen verkregen in Duitsland, Frankrijk en Nederland waarop respectievelijk de artikelen 15, § 3, 1°, en 21, 11, § 2, c, en 18, en 15, § 3, 1°, en 22, van de met die landen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn en die in die landen aan een sociale wetgeving gelijkaardig aan die vermeld in artikel 106, § 1, zijn onderworpen.
2° "Gezinsinkomen" : het totale belastbare netto-inkomen vastgesteld overeenkomstig de artikelen 7 tot 116, 129 en 228 tot 242 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, hieronder niet begrepen de overeenkomstig artikel 171 van voormeld Wetboek afzonderlijk belaste inkomsten, verminderd met het bedrag van de in artikelen 34 en 228, § 2, 6°, van dat Wetboek vermelde pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, de beroepsinkomsten bedoeld in de artikelen 155 en 156, 2°, van dat Wetboek, alsmede met het bedrag van de in artikel 23, § 1, 4°, van dat Wetboek vermelde bezoldigingen verkregen in Duitsland, Frankrijk en Nederland waarop respectievelijk de artikelen 15, § 3, 1°, en 21, 11, § 2, c, en 18, en 15, § 3, 1°, en 22, van de met die landen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing zijn en die in die landen aan een sociale wetgeving gelijkaardig aan die vermeld in artikel 106, § 1, zijn onderworpen.
Art. 71. L'article 107, 2°, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, modifié par la loi du 10 avril 1995, est remplacé par la disposition suivante :
2° "Revenus du ménage" : l'ensemble des revenus nets imposables déterminés conformément aux articles 7 à 116, 129 et 228 à 242 du Code des impôts sur les revenus 1992, en ce non compris les revenus imposés distinctement conformément à l'article 171 dudit Code, sous déduction du montant des pensions, rentes et allocations en tenant lieu, visées aux articles 34 et 228, § 2, 6°, de ce Code, des revenus professionnels visés aux articles 155 et 156, 2°, de ce Code ainsi que du montant des rémunérations visées à l'article 23, § 1er, 4°, de ce Code perçues en Allemagne, en France et aux Pays-Bas auxquelles s'appliquent respectivement les articles 15, § 3, 1°, et 21, 11, § 2, c, et 18, et 15, § 3, 1°, et 22, des conventions préventives de la double imposition conclues avec ces pays et qui sont soumises dans ces pays à une législation sociale analogue à celle visée à l'article 106, § 1er.
2° "Revenus du ménage" : l'ensemble des revenus nets imposables déterminés conformément aux articles 7 à 116, 129 et 228 à 242 du Code des impôts sur les revenus 1992, en ce non compris les revenus imposés distinctement conformément à l'article 171 dudit Code, sous déduction du montant des pensions, rentes et allocations en tenant lieu, visées aux articles 34 et 228, § 2, 6°, de ce Code, des revenus professionnels visés aux articles 155 et 156, 2°, de ce Code ainsi que du montant des rémunérations visées à l'article 23, § 1er, 4°, de ce Code perçues en Allemagne, en France et aux Pays-Bas auxquelles s'appliquent respectivement les articles 15, § 3, 1°, et 21, 11, § 2, c, et 18, et 15, § 3, 1°, et 22, des conventions préventives de la double imposition conclues avec ces pays et qui sont soumises dans ces pays à une législation sociale analogue à celle visée à l'article 106, § 1er.
Art. 72. § 1. Artikel 71 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995.
§ 2. Onverminderd artikel 371 van hetzelfde Wetboek, wordt de ontheffing van de belastingen die verbonden zijn aan de aanslagjaren 1995 en 1996 en die werden gevestigd in strijd met het (artikel 71), toegekend ingevolge een bezwaarschrift ingediend binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet bij de directeur der directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd. <W 1999-01-25/32, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
§ 2. Onverminderd artikel 371 van hetzelfde Wetboek, wordt de ontheffing van de belastingen die verbonden zijn aan de aanslagjaren 1995 en 1996 en die werden gevestigd in strijd met het (artikel 71), toegekend ingevolge een bezwaarschrift ingediend binnen de zes maanden na de bekendmaking van deze wet bij de directeur der directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd. <W 1999-01-25/32, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
Art. 72. § 1er. L'article 71 produit ses effets à partir de l'exercice d'imposition 1995.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 371 du même Code, le dégrèvement des impositions se rattachant aux exercices d'imposition 1995 et 1996 qui ont été établies en contradiction avec (l'article 71), est accordé à la suite d'une réclamation présentée dans le délai de six mois à partir de la date de la publication de la présente loi auprès du directeur des contributions directes de la province ou de la région dans le ressort duquel l'imposition a été établie. <L 1999-01-25/32, art. 60, 002; En vigueur : 16-02-1999>
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 371 du même Code, le dégrèvement des impositions se rattachant aux exercices d'imposition 1995 et 1996 qui ont été établies en contradiction avec (l'article 71), est accordé à la suite d'une réclamation présentée dans le délai de six mois à partir de la date de la publication de la présente loi auprès du directeur des contributions directes de la province ou de la région dans le ressort duquel l'imposition a été établie. <L 1999-01-25/32, art. 60, 002; En vigueur : 16-02-1999>
Art. 73. Artikel 3, § 1, derde lid, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, vervangen door het koninklijk besluit van 18 april 1997, wordt aangevuld als volgt :
", ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen.".
", ingevolge deze wet of andere wettelijke of reglementaire bepalingen.".
Art. 73. L'article 3, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, remplacé par l'arrêté royal du 18 avril 1997, est complété comme suit :
", en vertu de cette loi ou d'autres dispositions légales ou réglementaires.".
", en vertu de cette loi ou d'autres dispositions légales ou réglementaires.".
Art. 74. Artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op (31 december 2002). <W 1999-03-26/30, art. 100, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 74. L'article 73 produit ses effets le 1er janvier 1997 et cessera d'être en vigueur le (31 décembre 2002). <L 1999-03-26/30, art. 100, 003; En vigueur : 01-01-1999>
HOOFDSTUK V. - Verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
CHAPITRE V. - De l'assurance soins de santé et indemnités.
Afdeling I. - Bewijskracht.
Section Ire. - Force probante.
Art. 75. § 1. In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 9bis. - De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder bewijskracht tot bewijs van het tegendeel kan worden verleend aan de in het raam van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten vereiste gegevens die door zorgverleners, verzekeringsinstellingen, het Nationaal intermutualistich college of het Instituut door middel van fotografische, optische, elektronische, magnetische of elke andere techniek worden opgeslagen, verwerkt of meegedeeld, alsmede aan de weergave van dergelijke gegevens op een papieren of andere leesbare informatiedrager.
Het vorige lid is eveneens van toepassing op gegevens die door andere dan in dat lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen worden bijgehouden of overgemaakt met toepassing van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De Koning bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, na advies van het Comité van de dienst voor administratieve controle, van het Comité van de dienst voor geneeskundige controle en van het Toezichtscomité van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid. Daarenboven is het advies vereist van het Verzekeringscomité of van het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen wanneer deze voorwaarden respectievelijk gegevens betreffen met betrekking tot de verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkerings- en moederschapsverzekering.".
§ 2. Artikel 53, negende lid, van dezelfde gecoördineerde wet gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 wordt opgeheven.
"Art. 9bis. - De Koning kan de voorwaarden bepalen waaronder bewijskracht tot bewijs van het tegendeel kan worden verleend aan de in het raam van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten vereiste gegevens die door zorgverleners, verzekeringsinstellingen, het Nationaal intermutualistich college of het Instituut door middel van fotografische, optische, elektronische, magnetische of elke andere techniek worden opgeslagen, verwerkt of meegedeeld, alsmede aan de weergave van dergelijke gegevens op een papieren of andere leesbare informatiedrager.
Het vorige lid is eveneens van toepassing op gegevens die door andere dan in dat lid bedoelde natuurlijke of rechtspersonen worden bijgehouden of overgemaakt met toepassing van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De Koning bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, na advies van het Comité van de dienst voor administratieve controle, van het Comité van de dienst voor geneeskundige controle en van het Toezichtscomité van de Kruispuntbank van de sociale zekerheid. Daarenboven is het advies vereist van het Verzekeringscomité of van het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen wanneer deze voorwaarden respectievelijk gegevens betreffen met betrekking tot de verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkerings- en moederschapsverzekering.".
§ 2. Artikel 53, negende lid, van dezelfde gecoördineerde wet gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 wordt opgeheven.
Art. 75. § 1er. Dans la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est inséré un article 9bis, rédigé comme suit :
"Art. 9bis. Le Roi peut déterminer les conditions auxquelles force probante, jusqu'à preuve du contraire peut être accordée aux données requises dans le cadre de la présente loi coordonnée et de ses arrêtés d'exécution et conservées, traitées ou communiquées par les dispensateurs de soins, les organismes assureurs, le Collège intermutualiste national ou l'Institut selon des procédés photographiques, optiques, électroniques, magnétiques ou par toute autre technique, ainsi qu'à la reproduction de telles données sur un support papier ou un autre support d'information lisible.
L'alinéa précédent est également d'application aux données conservées ou transmises par d'autres personnes que les personnes physiques ou morales visées dans cet alinéa, en application de la présente loi coordonnée et de ses arrêtés d'exécution.
Le Roi détermine les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, après avis du Comité du service du contrôle administratif, du Comité du service du contrôle médical et du Comité de surveillance de la Banque-carrefour de la sécurité sociale. En outre, l'avis du Comité de l'assurance ou du Comité de gestion du service des indemnités est requis lorsque ces conditions concernent respectivement des données relatives à l'assurance soins de santé ou à l'assurance indemnités et l'assurance maternité.".
§ 2. L'article 53, alinéa 9, de la même loi coordonnée, modifiée par la loi du 20 décembre 1995 est abrogé.
"Art. 9bis. Le Roi peut déterminer les conditions auxquelles force probante, jusqu'à preuve du contraire peut être accordée aux données requises dans le cadre de la présente loi coordonnée et de ses arrêtés d'exécution et conservées, traitées ou communiquées par les dispensateurs de soins, les organismes assureurs, le Collège intermutualiste national ou l'Institut selon des procédés photographiques, optiques, électroniques, magnétiques ou par toute autre technique, ainsi qu'à la reproduction de telles données sur un support papier ou un autre support d'information lisible.
L'alinéa précédent est également d'application aux données conservées ou transmises par d'autres personnes que les personnes physiques ou morales visées dans cet alinéa, en application de la présente loi coordonnée et de ses arrêtés d'exécution.
Le Roi détermine les conditions mentionnées à l'alinéa 1er, après avis du Comité du service du contrôle administratif, du Comité du service du contrôle médical et du Comité de surveillance de la Banque-carrefour de la sécurité sociale. En outre, l'avis du Comité de l'assurance ou du Comité de gestion du service des indemnités est requis lorsque ces conditions concernent respectivement des données relatives à l'assurance soins de santé ou à l'assurance indemnités et l'assurance maternité.".
§ 2. L'article 53, alinéa 9, de la même loi coordonnée, modifiée par la loi du 20 décembre 1995 est abrogé.
Afdeling II. - Verzekering voor geneeskundige verzorging.
Section II. - De l'assurance des soins de santé.
Art. 76. Artikel 34 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De verzekering voor geneeskundige verzorging komt in het beginsel niet tussen in prestaties verricht met een esthetisch doel en in prestaties verricht in het kader van wetenschappelijk onderzoek of van klinische proefnemingen, tenzij onder de voorwaarden bepaald door de Koning, na advies van het Verzekeringscomité.".
"De verzekering voor geneeskundige verzorging komt in het beginsel niet tussen in prestaties verricht met een esthetisch doel en in prestaties verricht in het kader van wetenschappelijk onderzoek of van klinische proefnemingen, tenzij onder de voorwaarden bepaald door de Koning, na advies van het Verzekeringscomité.".
Art. 76. L'article 34 de la même loi coordonnée, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 20 décembre 1995, est complété par l'alinéa suivant :
"L'assurance soins de santé n'intervient pas en principe dans les prestations accomplies dans un but esthétique et dans les prestations accomplies dans le cadre de la recherche scientifique ou d'essais cliniques, sauf dans les conditions fixées par le Roi, après avis du Comité de l'assurance.".
"L'assurance soins de santé n'intervient pas en principe dans les prestations accomplies dans un but esthétique et dans les prestations accomplies dans le cadre de la recherche scientifique ou d'essais cliniques, sauf dans les conditions fixées par le Roi, après avis du Comité de l'assurance.".
Art. 77. Artikel 35, § 1, tweede lid, vierde zin, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende zinnen :
"Die aannemingscriteria wat de in artikel 34, eerste lid, 5° bedoelde verstrekkingen betreft, hebben betrekking op de prijzen, de geraamde volumes, de behandelingskost door de farmaceutische verstrekking, het al dan niet onder octrooi zijn van het voornaamste werkzaam bestanddeel, de elementen van geneeskundige, epidemiologische, therapeutische en sociale aard. Wat de verstrekkingen betreft die bedoeld zijn in artikel 34, eerste lid, 4°, voor zover het om implantaten gaat, en 20°, hebben die aannemingscriteria betrekking op de prijzen, op de kosten voor de verzekering en op de medische, therapeutische en sociale elementen.".
"Die aannemingscriteria wat de in artikel 34, eerste lid, 5° bedoelde verstrekkingen betreft, hebben betrekking op de prijzen, de geraamde volumes, de behandelingskost door de farmaceutische verstrekking, het al dan niet onder octrooi zijn van het voornaamste werkzaam bestanddeel, de elementen van geneeskundige, epidemiologische, therapeutische en sociale aard. Wat de verstrekkingen betreft die bedoeld zijn in artikel 34, eerste lid, 4°, voor zover het om implantaten gaat, en 20°, hebben die aannemingscriteria betrekking op de prijzen, op de kosten voor de verzekering en op de medische, therapeutische en sociale elementen.".
Art. 77. L'article 35, § 1er, alinéa 2, quatrième phrase, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, est remplacé par les phrases suivantes :
"Ces critères d'admission en ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, concernent les prix, les estimations en volume, le coût du traitement par les fournitures pharmaceutiques, le caractère breveté ou non du principe actif principal, les éléments d'ordre médical, épidémiologique, thérapeutique et social. En ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'il s'agisse des implants, et 20°, ces critères d'admission concernent les prix, le coût pour l'assurance et les éléments d'ordre médical, thérapeutique et social.".
"Ces critères d'admission en ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, concernent les prix, les estimations en volume, le coût du traitement par les fournitures pharmaceutiques, le caractère breveté ou non du principe actif principal, les éléments d'ordre médical, épidémiologique, thérapeutique et social. En ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 4°, pour autant qu'il s'agisse des implants, et 20°, ces critères d'admission concernent les prix, le coût pour l'assurance et les éléments d'ordre médical, thérapeutique et social.".
Art. 78. Artikel 48, § 2, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt opgeheven.
Art. 78. L'article 48, § 2, alinéa 2, de la même loi coordonnée, est abrogé.
Art. 79. Artikel 49, § 3bis, van dezelfde gecoördineerde wet, ingevoegd door de wet van 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De krachtens artikel 37, § 12, vastgestelde vermindering van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke uit die opzegging voortvloeit, mag in geen geval door de betrokken zorgverlener worden teruggevorderd van de rechthebbenden.".
"De krachtens artikel 37, § 12, vastgestelde vermindering van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke uit die opzegging voortvloeit, mag in geen geval door de betrokken zorgverlener worden teruggevorderd van de rechthebbenden.".
Art. 79. L'article 49, § 3bis, de la même loi coordonnée, inséré par la loi du 20 décembre 1995, est complété par l'alinéa suivant :
"En aucun cas, la diminution de l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire prévue en vertu de l'article 37, § 12, résultant de cette résiliation, ne peut être récupérée par le dispensateur concerné à charge des bénéficiaires.".
"En aucun cas, la diminution de l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire prévue en vertu de l'article 37, § 12, résultant de cette résiliation, ne peut être récupérée par le dispensateur concerné à charge des bénéficiaires.".
Art. 80. In artikel 64, eerste lid en tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet worden de woorden "medische diensten of medisch-technische diensten" vervangen door de woorden "medische diensten, medisch-technische diensten, afdelingen of functies".
B. Financiering van multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging
B. Financiering van multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging
Art. 80. Dans l'article 64, alinéas 1er et 2 de la même loi coordonnée, les mots "services médicaux ou services médico-techniques" sont remplaces par les mots "services médicaux, services médico-techniques, sections ou fonctions".
B. Du financement des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs
B. Du financement des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs
Art. 81. In artikel 22 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij de koninklijke besluiten van 13 april 1997 en 25 april 1997 wordt een 6°ter ingevoegd, luidend als volgt :
"6°ter. sluit op voorstel van het College van geneesheren-directeurs met de multidisciplinaire begeleidingsequipes bedoeld in artikel 34, 21°, de in artikel 23, § 3bis bedoelde overeenkomsten.".
"6°ter. sluit op voorstel van het College van geneesheren-directeurs met de multidisciplinaire begeleidingsequipes bedoeld in artikel 34, 21°, de in artikel 23, § 3bis bedoelde overeenkomsten.".
Art. 81. Dans l'article 22, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995 et par les arrêtés royaux des 13 avril 1997 et 25 avril 1997 est inséré un 6°ter, rédigé comme suit :
"6°ter. conclut sur proposition du Collège des médecins-directeurs, les conventions visées à l'article 23, § 3bisavec les équipes d'accompagnement multidisciplinaires visées à l'article 34, 21°.".
"6°ter. conclut sur proposition du Collège des médecins-directeurs, les conventions visées à l'article 23, § 3bisavec les équipes d'accompagnement multidisciplinaires visées à l'article 34, 21°.".
Art. 82. In artikel 23 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 29 april 1996 en bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 wordt een § 3bis ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3bis. Het College van geneesheren-directeurs maakt met de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging bedoeld in artikel 34, 21°, ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en legt ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van deze overeenkomsten worden eveneens meegedeeld aan de Commissie voor begrotingscontrole.
De Koning bepaalt, op gezamenlijke voordracht van de Ministers die respectievelijk Sociale Zaken en Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben en op voorstel of na advies van het College van geneesheren-directeurs, de minimale criteria waaraan deze overeenkomsten moeten voldoen.".
"§ 3bis. Het College van geneesheren-directeurs maakt met de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging bedoeld in artikel 34, 21°, ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en legt ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van deze overeenkomsten worden eveneens meegedeeld aan de Commissie voor begrotingscontrole.
De Koning bepaalt, op gezamenlijke voordracht van de Ministers die respectievelijk Sociale Zaken en Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben en op voorstel of na advies van het College van geneesheren-directeurs, de minimale criteria waaraan deze overeenkomsten moeten voldoen.".
Art. 82. Dans l'article 23 de la même loi coordonnée, modifié par les lois des 20 décembre 1995 et 29 avril 1996 et par l'arrêté royal du 25 avril 1997, est inséré un § 3bis, rédigé comme suit :
"§ 3bis. Le Collège des médecins-directeurs établit avec les équipes d'accompagnement multidisciplinaires pour soins palliatifs, visées à l'article 34, 21°, des projets de conventions à conclure avec elles et les soumet à cet effet au Comité de l'assurance. Les projets de ces conventions sont également communiqués à la Commission de contrôle budgétaire.
Le Roi détermine, sur la proposition conjointe des Ministres qui ont respectivement les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions et sur proposition ou après avis du Collège des médecins-directeurs, les critères minimum auxquels ces conventions doivent satisfaire.".
"§ 3bis. Le Collège des médecins-directeurs établit avec les équipes d'accompagnement multidisciplinaires pour soins palliatifs, visées à l'article 34, 21°, des projets de conventions à conclure avec elles et les soumet à cet effet au Comité de l'assurance. Les projets de ces conventions sont également communiqués à la Commission de contrôle budgétaire.
Le Roi détermine, sur la proposition conjointe des Ministres qui ont respectivement les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions et sur proposition ou après avis du Collège des médecins-directeurs, les critères minimum auxquels ces conventions doivent satisfaire.".
Art. 83. Artikel 34 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 20 december 1995 wordt aangevuld met een 21°, luidend als volgt :
"21° de palliatieve verzorging verleend door een multidisciplinaire begeleidingsequipe.".
"21° de palliatieve verzorging verleend door een multidisciplinaire begeleidingsequipe.".
Art. 83. L'article 34 de la même loi coordonnée, modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 20 décembre 1995 est complété par un 21°, rédigé comme suit :
"21° les soins palliatifs dispensés par une équipe d'accompagnement multidisciplinaire.".
"21° les soins palliatifs dispensés par une équipe d'accompagnement multidisciplinaire.".
Art. 84. In artikel 37 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij de koninklijke besluiten van 12 december 1996, 21 februari 1997 en 16 april 1997 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 11 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Die tegemoetkoming kan onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden worden verminderd bij in Ministerraad overlegd besluit.".
2° Een § 14quater wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 14quater. Voor de in artikel 34, 21°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen vastgesteld door de in artikel 22, 6°ter, bedoelde overeenkomsten.".
3° Een § 16ter wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 16ter. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden die palliatieve verzorging behoeven volledig of gedeeltelijk afschaffen.".".
C. Overeenkomsten met de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging
1° Paragraaf 11 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Die tegemoetkoming kan onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden worden verminderd bij in Ministerraad overlegd besluit.".
2° Een § 14quater wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 14quater. Voor de in artikel 34, 21°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 % van de honoraria en prijzen vastgesteld door de in artikel 22, 6°ter, bedoelde overeenkomsten.".
3° Een § 16ter wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 16ter. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden die palliatieve verzorging behoeven volledig of gedeeltelijk afschaffen.".".
C. Overeenkomsten met de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging
Art. 84. A l'article 37 de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995 et par les arrêtés royaux des 12 décembre 1996, 21 février 1997 et 16 avril 1997 sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 11 est complété par l'alinéa suivant :
"Cette intervention peut être réduite, dans les conditions fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.".
2° Il est inséré un § 14quater, rédigé comme suit :
"§ 14quater. Pour les prestations visées à l'article 34, 21°, l'intervention de l'assurance soins de santé est fixée à 100 % des honoraires et des prix déterminés par les conventions visées à l'article 22, 6°ter.".
3° Il est inséré un § 16ter, rédigé comme suit :
"§ 16ter. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, supprimer totalement ou partiellement l'intervention personnelle relative aux prestations de santé octroyées aux bénéficiaires qui nécessitent des soins palliatifs.".".
C. Des conventions avec les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile
1° Le § 11 est complété par l'alinéa suivant :
"Cette intervention peut être réduite, dans les conditions fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.".
2° Il est inséré un § 14quater, rédigé comme suit :
"§ 14quater. Pour les prestations visées à l'article 34, 21°, l'intervention de l'assurance soins de santé est fixée à 100 % des honoraires et des prix déterminés par les conventions visées à l'article 22, 6°ter.".
3° Il est inséré un § 16ter, rédigé comme suit :
"§ 16ter. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, supprimer totalement ou partiellement l'intervention personnelle relative aux prestations de santé octroyées aux bénéficiaires qui nécessitent des soins palliatifs.".".
C. Des conventions avec les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile
Art. 85. In artikel 42, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, worden tussen de woorden "de verpleegkundigen" en "de kinesitherapeuten" de woorden "en de diensten thuisverpleging" ingevoegd.
Art. 85. Dans l'article 42, alinéa 1er, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, les mots "et les services de soins infirmiers à domicile" sont insérés entre les mots "de l'art infirmier" et les mots "les kinésithérapeutes".
Art. 86. Het opschrift van Titel III, hoofdstuk V, afdeling I, B van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door het volgende opschrift :
"B. Overeenkomsten met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten.".
"B. Overeenkomsten met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten.".
Art. 86. L'intitulé du titre III, chapitre V, section Ire, B, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, est remplacé par l'intitulé suivant :
"B. Des conventions avec les accoucheuses, les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile, les kinésithérapeutes, les logopèdes et les fournisseurs de prothèses, d'appareils et d'implants.".
"B. Des conventions avec les accoucheuses, les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile, les kinésithérapeutes, les logopèdes et les fournisseurs de prothèses, d'appareils et d'implants.".
Art. 87. In artikel 43 van dezelfde gecoördineerde wet, worden het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, en het tweede lid vervangen door de volgende leden :
"Wanneer er op nationaal vlak geen overeenkomst bestaat met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten, omdat de overeenkomst niet opgemaakt, niet goedgekeurd of vervallen is, kunnen alle verzekeringsinstellingen samen en de betrokken beroepsorganisaties of representatieve organisaties van de diensten rechtstreeks over streekovereenkomsten onderhandelen en die sluiten.
Deze overeenkomsten worden gesloten in streekcommissies, welke bestaan uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van, enerzijds, de verzekeringsinstellingen en, anderzijds, de organisaties welke in de beschouwde streek representatief zijn voor de belanghebbende beroepen of diensten. Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel kan de Koning omschrijven wat onder "streek" dient te worden verstaan.".
"Wanneer er op nationaal vlak geen overeenkomst bestaat met de vroedvrouwen, de verpleegkundigen en de diensten thuisverpleging, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verstrekkers van prothesen, toestellen en implantaten, omdat de overeenkomst niet opgemaakt, niet goedgekeurd of vervallen is, kunnen alle verzekeringsinstellingen samen en de betrokken beroepsorganisaties of representatieve organisaties van de diensten rechtstreeks over streekovereenkomsten onderhandelen en die sluiten.
Deze overeenkomsten worden gesloten in streekcommissies, welke bestaan uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van, enerzijds, de verzekeringsinstellingen en, anderzijds, de organisaties welke in de beschouwde streek representatief zijn voor de belanghebbende beroepen of diensten. Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel kan de Koning omschrijven wat onder "streek" dient te worden verstaan.".
Art. 87. Dans l'article 43 de la même loi coordonnée, les alinéas 1er, modifié par la loi du 20 décembre 1995, et 2, sont remplacés par les alinéas suivants :
"Lorsque sur le plan national, aucune convention n'existe avec les accoucheuses, les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile, les kinésithérapeutes, les logopèdes et les fournisseurs de prothèses, d'appareils et d'implants, parce que la convention n'a pas été établie, n'a pas été approuvée ou est devenue caduque, l'ensemble des organismes assureurs et les organisations professionnelles ou les organisations représentatives des services intéressés peuvent négocier et conclure directement des conventions régionales.
Ces conventions sont conclues au sein de commissions régionales, se composant d'un nombre égal de représentants, d'une part, des organismes assureurs et, d'autre part des organisations représentatives des professions ou services intéressés dans la région envisagée. Le Roi peut déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par "région" pour l'application des dispositions du présent article.".
"Lorsque sur le plan national, aucune convention n'existe avec les accoucheuses, les praticiens de l'art infirmier et les services de soins infirmiers à domicile, les kinésithérapeutes, les logopèdes et les fournisseurs de prothèses, d'appareils et d'implants, parce que la convention n'a pas été établie, n'a pas été approuvée ou est devenue caduque, l'ensemble des organismes assureurs et les organisations professionnelles ou les organisations représentatives des services intéressés peuvent négocier et conclure directement des conventions régionales.
Ces conventions sont conclues au sein de commissions régionales, se composant d'un nombre égal de représentants, d'une part, des organismes assureurs et, d'autre part des organisations représentatives des professions ou services intéressés dans la région envisagée. Le Roi peut déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par "région" pour l'application des dispositions du présent article.".
Art. 88. In artikel 44, § 1, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, worden tussen de woorden "de verpleegkundigen" en "de kinesitherapeuten" de woorden "en de diensten thuisverpleging" ingevoegd.
Art. 88. Dans l'article 44, § 1er, alinéa 1er, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, les mots "et les services de soins infirmiers à domicile" sont insérés entre les mots "de l'art infirmier" et les mots "les kinésithérapeutes".
Art. 89. In artikel 211, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, worden de woorden "of inrichtingen" vervangen door de woorden "of inrichtingen, diensten of instellingen".
Art. 89. Dans l'article 211, § 2, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 29 avril 1996, les mots "ou institutions" sont remplacés par les mots "ou établissements, services ou institutions".
Art. 90. In artikel 212 van dezelfde gecoördineerde wet, worden de woorden "of inrichtingen" vervangen door de woorden "of inrichtingen, diensten of instellingen".
D. Sociaal statuut van geneesheren, tandheelkundigen en apothekers
D. Sociaal statuut van geneesheren, tandheelkundigen en apothekers
Art. 90. Dans l'article 212 de la même loi coordonnée, les mots "ou d'établissements" sont remplacés par les mots "ou d'établissements, de services ou d'institutions".
D. Du statut social des médecins, praticiens de l'art dentaire et pharmaciens
D. Du statut social des médecins, praticiens de l'art dentaire et pharmaciens
Art. 91. In artikel 54, § 1, derde lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt de voorlaatste zin vervangen door de volgende tekst :
"Die verplichting geldt niet voor de apothekers. Hun representatieve organisaties kunnen evenwel ook een, door de Koning, erkende pensioenkas oprichten volgens dezelfde voorwaarden.".
"Die verplichting geldt niet voor de apothekers. Hun representatieve organisaties kunnen evenwel ook een, door de Koning, erkende pensioenkas oprichten volgens dezelfde voorwaarden.".
Art. 91. Dans l'article 54, § 1er, alinéa 3, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, l'avant-dernière phrase est remplacée par le texte suivant :
"Cette obligation n'est pas applicable aux pharmaciens. Leurs organisations représentatives peuvent néanmoins aussi créer une caisse de pensions agréée par le Roi selon les mêmes conditions.".
"Cette obligation n'est pas applicable aux pharmaciens. Leurs organisations représentatives peuvent néanmoins aussi créer une caisse de pensions agréée par le Roi selon les mêmes conditions.".
Art. 92. In artikel 54, § 1, van dezelfde gecoördineerde wet wordt tussen het vierde en het vijfde lid het volgende lid ingevoegd :
"Wanneer een zorgverlener deze bijdrage aanwendt voor een rust- of overlijdensverzekering die het recht voorziet om zijn verzekeringscontract af te kopen of een voorschot te bekomen, mogen deze rechten niet slaan op het dankzij de voornoemde bijdrage gekapitaliseerd bedrag. Dit bedrag mag ook niet tot waarborg dienen.".
"Wanneer een zorgverlener deze bijdrage aanwendt voor een rust- of overlijdensverzekering die het recht voorziet om zijn verzekeringscontract af te kopen of een voorschot te bekomen, mogen deze rechten niet slaan op het dankzij de voornoemde bijdrage gekapitaliseerd bedrag. Dit bedrag mag ook niet tot waarborg dienen.".
Art. 92. Dans l'article 54, § 1er, de la même loi coordonnée, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 4 et 5 :
"Lorsqu'un dispensateur de soins affecte la participation de l'Institut à la constitution d'une assurance retraite ou décès qui prévoit le droit de racheter son contrat d'assurance ou d'obtenir une avance, ces droits ne peuvent pas porter sur la somme capitalisée grâce à la participation précitée. Cette somme ne peut pas non plus servir de sûreté.".
"Lorsqu'un dispensateur de soins affecte la participation de l'Institut à la constitution d'une assurance retraite ou décès qui prévoit le droit de racheter son contrat d'assurance ou d'obtenir une avance, ces droits ne peuvent pas porter sur la somme capitalisée grâce à la participation précitée. Cette somme ne peut pas non plus servir de sûreté.".
Art. 93. In artikel 54, § 1, vijfde lid, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door het volgende lid :
"De bijdragen gestort in het kader van een rust- en overlijdensverzekeringscontract gesloten met een krachtens het derde lid door de Koning erkende pensioenkas, worden, voor de toepassing van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992, beschouwd als bijdragen die met toepassing van de sociale wetgeving verschuldigd zijn; die bijdragen mogen evenwel niet hoger zijn dan 115 % van het absoluut maximumbedrag van de bijdrage vastgesteld ter uitvoering van artikel 52bis, § 2 van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, ongeacht het belastbaar inkomen van de contractant.".
E. Klinische biologie
"De bijdragen gestort in het kader van een rust- en overlijdensverzekeringscontract gesloten met een krachtens het derde lid door de Koning erkende pensioenkas, worden, voor de toepassing van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992, beschouwd als bijdragen die met toepassing van de sociale wetgeving verschuldigd zijn; die bijdragen mogen evenwel niet hoger zijn dan 115 % van het absoluut maximumbedrag van de bijdrage vastgesteld ter uitvoering van artikel 52bis, § 2 van het koninklijk besluit nr 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, ongeacht het belastbaar inkomen van de contractant.".
E. Klinische biologie
Art. 93. L'article 54, § 1er, alinéa 5, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, est remplace par l'alinéa suivant :
"Les cotisations versées dans le cadre d'un contrat d'assurance retraite et d'assurance décès avec une caisse de pension agréée par le Roi en vertu de l'alinéa 3 ont, pour l'application du Code des impôts sur les revenus 1992, le caractère de cotisations dues en application de la législation sociale, sans pouvoir excéder 115 % du montant maximum absolu de la cotisation établie en exécution de l'article 52bis, § 2, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, et ce indépendamment du revenu imposable du contractant.".
E. De la biologie clinique
"Les cotisations versées dans le cadre d'un contrat d'assurance retraite et d'assurance décès avec une caisse de pension agréée par le Roi en vertu de l'alinéa 3 ont, pour l'application du Code des impôts sur les revenus 1992, le caractère de cotisations dues en application de la législation sociale, sans pouvoir excéder 115 % du montant maximum absolu de la cotisation établie en exécution de l'article 52bis, § 2, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, et ce indépendamment du revenu imposable du contractant.".
E. De la biologie clinique
Art. 94. In artikel 61 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In § 3, derde lid, worden de woorden : "De waarde van X wordt voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld," vervangen door de woorden : "De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast,".
2° In dezelfde § 3, wordt het laatste lid geschrapt.
3° In § 5 wordt het laatste lid geschrapt.
4° In § 12, derde lid, worden de woorden : "De waarde van X wordt voor ieder afzonderlijk dienstjaar vastgesteld," vervangen door de woorden : "De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast,".
5° In dezelfde § 12, wordt het voorlaatste lid geschrapt.
6° In § 14, wordt het voorlaatste lid geschrapt.
F. Verplichtingen van de aanvragers in geval van afwijzing van de aanvraag tot schrapping van de farmaceutische specialiteiten van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of van de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die bij de hiervoren bedoelde aanvraag tot aanneming is aangegaan
1° In § 3, derde lid, worden de woorden : "De waarde van X wordt voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld," vervangen door de woorden : "De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast,".
2° In dezelfde § 3, wordt het laatste lid geschrapt.
3° In § 5 wordt het laatste lid geschrapt.
4° In § 12, derde lid, worden de woorden : "De waarde van X wordt voor ieder afzonderlijk dienstjaar vastgesteld," vervangen door de woorden : "De Koning stelt voor ieder dienstjaar afzonderlijk de waarde van X vast,".
5° In dezelfde § 12, wordt het voorlaatste lid geschrapt.
6° In § 14, wordt het voorlaatste lid geschrapt.
F. Verplichtingen van de aanvragers in geval van afwijzing van de aanvraag tot schrapping van de farmaceutische specialiteiten van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of van de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die bij de hiervoren bedoelde aanvraag tot aanneming is aangegaan
Art. 94. A l'article 61 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
1° Au § 3, alinéa 3, les mots : "La valeur de X est fixée pour chaque exercice séparé," sont remplacés par les mots : "Le Roi fixe la valeur de X pour chaque exercice séparé,".
2° Au même § 3, le dernier alinéa est supprimé.
3° Au § 5, le dernier alinéa est supprimé.
4° Au § 12, troisième alinéa, les mots : "La valeur de X est fixée pour chaque exercice séparé" sont remplacés par les mots : "Le Roi fixe la valeur de X pour chaque exercice séparé,".
5° Au même § 12, l'avant-dernier alinéa est supprimé.
6° Au § 14, l'avant-dernier alinéa est supprimé.
F. Des obligations des demandeurs en cas de rejet de la demande de suppression des spécialités pharmaceutiques de la liste des spécialités admises au remboursement ou de la demande de modification de l'engagement souscrit lors de la demande d'admission susvisée
1° Au § 3, alinéa 3, les mots : "La valeur de X est fixée pour chaque exercice séparé," sont remplacés par les mots : "Le Roi fixe la valeur de X pour chaque exercice séparé,".
2° Au même § 3, le dernier alinéa est supprimé.
3° Au § 5, le dernier alinéa est supprimé.
4° Au § 12, troisième alinéa, les mots : "La valeur de X est fixée pour chaque exercice séparé" sont remplacés par les mots : "Le Roi fixe la valeur de X pour chaque exercice séparé,".
5° Au même § 12, l'avant-dernier alinéa est supprimé.
6° Au § 14, l'avant-dernier alinéa est supprimé.
F. Des obligations des demandeurs en cas de rejet de la demande de suppression des spécialités pharmaceutiques de la liste des spécialités admises au remboursement ou de la demande de modification de l'engagement souscrit lors de la demande d'admission susvisée
Art. 95. In artikel 72bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt een § 2 toegevoegd, luidend als volgt :
"§ 2. De Minister kan, samen met de Minister van Economie, op grond van farmacotherapeutische en sociale criteria en binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of vanaf de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die is aangegaan bij het aanvragen van de aanneming, de indiener van die aanvraag ertoe verplichten de specialiteit gedurende een jaar verder af te leveren aan apothekers onder de bestaande voorwaarden inzake prijs en vergoeding.
Eens die termijn van 45 dagen verstreken, wordt de aanvraag verondersteld te zijn aanvaard. De Koning stelt de procedure vast die door de indiener van de aanvraag en door de bovenvermelde Ministers moet worden gevolgd, alsmede de wijze waarop de in artikel 27 bedoelde Technische raad voor farmaceutische specialiteiten bij die procedure wordt betrokken.
Na het verstrijken van deze periode van één jaar, kan de aanvrager een aanvraag zoals bedoeld in het vorige lid opnieuw indienen.
Tegen de aanvragers die de verplichtingen niet naleven die ze krachtens het eerste lid hebben, worden administratieve geldboeten uitgesproken die door de Koning zullen worden vastgesteld, overeenkomstig de procedure van artikel 168.
Als de overtreder binnen drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop een administratieve geldboete is opgelegd, een overtreding begaat van dezelfde aard als deze die de toepassing van een administratieve geldboete tot gevolg heeft gehad, wordt de eerder opgelegde boete telkens verdubbeld. In geval van samenloop van overtredingen worden de geldboeten samengevoegd.".
G. Publiciteit
"§ 2. De Minister kan, samen met de Minister van Economie, op grond van farmacotherapeutische en sociale criteria en binnen een termijn van 45 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot schrapping van een farmaceutische specialiteit van de lijst van de voor vergoeding aangenomen specialiteiten of vanaf de aanvraag tot wijziging van de verbintenis die is aangegaan bij het aanvragen van de aanneming, de indiener van die aanvraag ertoe verplichten de specialiteit gedurende een jaar verder af te leveren aan apothekers onder de bestaande voorwaarden inzake prijs en vergoeding.
Eens die termijn van 45 dagen verstreken, wordt de aanvraag verondersteld te zijn aanvaard. De Koning stelt de procedure vast die door de indiener van de aanvraag en door de bovenvermelde Ministers moet worden gevolgd, alsmede de wijze waarop de in artikel 27 bedoelde Technische raad voor farmaceutische specialiteiten bij die procedure wordt betrokken.
Na het verstrijken van deze periode van één jaar, kan de aanvrager een aanvraag zoals bedoeld in het vorige lid opnieuw indienen.
Tegen de aanvragers die de verplichtingen niet naleven die ze krachtens het eerste lid hebben, worden administratieve geldboeten uitgesproken die door de Koning zullen worden vastgesteld, overeenkomstig de procedure van artikel 168.
Als de overtreder binnen drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop een administratieve geldboete is opgelegd, een overtreding begaat van dezelfde aard als deze die de toepassing van een administratieve geldboete tot gevolg heeft gehad, wordt de eerder opgelegde boete telkens verdubbeld. In geval van samenloop van overtredingen worden de geldboeten samengevoegd.".
G. Publiciteit
Art. 95. A l'article 72bisde la même loi, inséré par la loi du 20 décembre 1995, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2 ainsi rédigé :
"§ 2. Le Ministre peut, conjointement avec le Ministre de l'Economie, sur la base de critères d'ordre pharmacothérapeutique et social, et dans un délai de 45 jours à compter de la réception de la demande de suppression d'une spécialité pharmaceutique de la liste des spécialités admises au remboursement ou de la demande de modification de l'engagement souscrit lors de la demande d'admission, obliger l'auteur de cette demande de poursuivre, durant un an, la délivrance de la spécialité aux pharmaciens, aux conditions de prix et de remboursement existantes.
Passé ce délai de 45 jours, la demande est censée être acceptée. Le Roi fixe la procédure qui doit être suivie par l'auteur de la demande et par les Ministres susvisés ainsi que la manière dont le Conseil technique des spécialités pharmaceutiques visé à l'article 27 intervient dans cette procédure.
A l'expiration de la période d'un an, le demandeur peut réintroduire une demande telle que prévue à l'alinéa précédent.
Les demandeurs qui ne respectent pas les obligations qui leur incombent en vertu de l'alinéa 1er font l'objet d'amendes administratives qui seront déterminées par le Roi, conformément à la procédure de l'article 168.
Lorsque, dans le délai de trois ans à compter de la date à laquelle une amende administrative lui a été infligée, le contrevenant commet une infraction de même nature que celle qui a donné lieu à l'application d'une amende administrative, le montant de l'amende infligée précédemment est chaque fois doublé. En cas de concours d'infractions, les amendes sont cumulées.".
G. De la publicité
"§ 2. Le Ministre peut, conjointement avec le Ministre de l'Economie, sur la base de critères d'ordre pharmacothérapeutique et social, et dans un délai de 45 jours à compter de la réception de la demande de suppression d'une spécialité pharmaceutique de la liste des spécialités admises au remboursement ou de la demande de modification de l'engagement souscrit lors de la demande d'admission, obliger l'auteur de cette demande de poursuivre, durant un an, la délivrance de la spécialité aux pharmaciens, aux conditions de prix et de remboursement existantes.
Passé ce délai de 45 jours, la demande est censée être acceptée. Le Roi fixe la procédure qui doit être suivie par l'auteur de la demande et par les Ministres susvisés ainsi que la manière dont le Conseil technique des spécialités pharmaceutiques visé à l'article 27 intervient dans cette procédure.
A l'expiration de la période d'un an, le demandeur peut réintroduire une demande telle que prévue à l'alinéa précédent.
Les demandeurs qui ne respectent pas les obligations qui leur incombent en vertu de l'alinéa 1er font l'objet d'amendes administratives qui seront déterminées par le Roi, conformément à la procédure de l'article 168.
Lorsque, dans le délai de trois ans à compter de la date à laquelle une amende administrative lui a été infligée, le contrevenant commet une infraction de même nature que celle qui a donné lieu à l'application d'une amende administrative, le montant de l'amende infligée précédemment est chaque fois doublé. En cas de concours d'infractions, les amendes sont cumulées.".
G. De la publicité
Art. 96. Artikel 127, § 1, b) van dezelfde gecoördineerde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
"b) tot iedere persoon die de in artikel 34, eerste lid, 1°, b), c), 4° en 7°bis, bedoelde verstrekkingen mag verlenen en is ingeschreven op de in artikel 22, 7°, bedoelde lijst;".
H. Tariferingsdiensten
"b) tot iedere persoon die de in artikel 34, eerste lid, 1°, b), c), 4° en 7°bis, bedoelde verstrekkingen mag verlenen en is ingeschreven op de in artikel 22, 7°, bedoelde lijst;".
H. Tariferingsdiensten
Art. 96. L'article 127, § 1er, b), de la même loi coordonnée est remplacé par la disposition suivante :
"b) à toute personne habilitée à fournir les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 1°, b), c), 4° et 7°bis, inscrite à la liste visée à l'article 22, 7°;".
H. Des offices de tarification
"b) à toute personne habilitée à fournir les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 1°, b), c), 4° et 7°bis, inscrite à la liste visée à l'article 22, 7°;".
H. Des offices de tarification
Art. 97. In artikel 165, van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd door de wet van 20 december 1995, wordt het derde lid vervangen door de volgende bepalingen :
"Die diensten zijn gemachtigd om onder de door de Koning te bepalen voorwaarden van de apothekers een tegemoetkoming in de tariferingskosten te vorderen.
De apothekers en de geneesheren voor wie de tegemoetkoming gebeurt zoals vermeld in het eerste lid, zijn verplicht aangesloten bij een door hun gekozen tariferingsdienst.
De Koning kan regels vaststellen betreffende :
1° die aansluiting, onder meer in verband met de opzegging van de aansluiting door de tariferingsdienst en met de intrekking van de aansluiting door de aangeslotene;
2° de uitbesteding van de tarifering.".
I. Honorariumsupplementen
"Die diensten zijn gemachtigd om onder de door de Koning te bepalen voorwaarden van de apothekers een tegemoetkoming in de tariferingskosten te vorderen.
De apothekers en de geneesheren voor wie de tegemoetkoming gebeurt zoals vermeld in het eerste lid, zijn verplicht aangesloten bij een door hun gekozen tariferingsdienst.
De Koning kan regels vaststellen betreffende :
1° die aansluiting, onder meer in verband met de opzegging van de aansluiting door de tariferingsdienst en met de intrekking van de aansluiting door de aangeslotene;
2° de uitbesteding van de tarifering.".
I. Honorariumsupplementen
Art. 97. Dans l'article 165, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, l'alinéa 3 est remplacé par les dispositions suivantes :
"Ces offices sont autorisés à réclamer aux pharmaciens, dans les conditions à fixer par le Roi, une intervention dans leurs frais de tarification.
Les pharmaciens et les médecins pour qui l'intervention est octroyée, comme mentionné à l'alinéa 1er, adhèrent obligatoirement à l'office de tarification de leur choix.
Le Roi peut fixer des règles relatives à :
1° cette adhésion, entre autre concernant la dénonciation de l'adhésion par l'office de tarification et au retrait de l'adhésion par l'adhérant;
2° la sous-traitance de la tarification.".
I. Des suppléments d'honoraires
"Ces offices sont autorisés à réclamer aux pharmaciens, dans les conditions à fixer par le Roi, une intervention dans leurs frais de tarification.
Les pharmaciens et les médecins pour qui l'intervention est octroyée, comme mentionné à l'alinéa 1er, adhèrent obligatoirement à l'office de tarification de leur choix.
Le Roi peut fixer des règles relatives à :
1° cette adhésion, entre autre concernant la dénonciation de l'adhésion par l'office de tarification et au retrait de l'adhésion par l'adhérant;
2° la sous-traitance de la tarification.".
I. Des suppléments d'honoraires
Art. 98. In artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt de laatste zin gewijzigd als volgt :
"De Koning stelt de maximumbedragen vast die voor een verblijf in een kamer met één respectievelijk met twee bedden mogen worden aangerekend, na paritaire raadpleging van de verzekeringsinstellingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering en van de organen die de beheerders der ziekenhuizen vertegenwoordigen.".
"De Koning stelt de maximumbedragen vast die voor een verblijf in een kamer met één respectievelijk met twee bedden mogen worden aangerekend, na paritaire raadpleging van de verzekeringsinstellingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering en van de organen die de beheerders der ziekenhuizen vertegenwoordigen.".
Art. 98. A l'article 90 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, la dernière phrase est modifiée comme suit :
"Le Roi fixe le maximum des montants qui peuvent être portés en compte pour le séjour respectivement en chambre à un ou à deux lits, après consultation paritaire des organismes assureurs en matière d'assurance maladie-invalidité et des organismes représentant les gestionnaires des hôpitaux.".
"Le Roi fixe le maximum des montants qui peuvent être portés en compte pour le séjour respectivement en chambre à un ou à deux lits, après consultation paritaire des organismes assureurs en matière d'assurance maladie-invalidité et des organismes représentant les gestionnaires des hôpitaux.".
Art. 99. Een artikel 50bis, luidend als volgt, wordt in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd :
"Art. 50bis. - § 1. Ongeacht of de geneesheer verbonden is door een akkoord bedoeld in artikel 50, vormen de tarieven die als grondslag dienen voor de berekening van de verzekeringstegemoetkoming, de maximumhonoraria die kunnen worden geëist, indien de verstrekkingen worden verleend :
a) in het raam van een georganiseerde wachtdienst;
b) in het raam van een opname in een dienst intensieve verzorging;
c) aan patiënten die in een twee- of meerpersoonskamer zijn opgenomen, die een twee- of meerpersoonskamer hebben aangevraagd of die om medische redenen in een eenpersoonskamer zijn opgenomen;
d) aan kinderen die samen met een begeleidende ouder in het ziekenhuis worden opgenomen.
§ 2. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maximum honoraria en de maximum honorariumsupplementen bepalen die door de al dan niet verbonden geneesheren kunnen geëist worden indien de verstrekkingen worden verleend aan patiënten die op hun uitdrukkelijk verzoek en zonder dat dit noodzakelijk is voor hun behandeling worden opgenomen in een eenpersoonskamer.
Hij stelt op dezelfde wijze vast welke informatie door de geneesheer of door de ziekenhuisbeheerder aan de patiënten moeten worden gegeven en onder welke modaliteiten voornoemde informatie kan worden verstrekt.".
"Art. 50bis. - § 1. Ongeacht of de geneesheer verbonden is door een akkoord bedoeld in artikel 50, vormen de tarieven die als grondslag dienen voor de berekening van de verzekeringstegemoetkoming, de maximumhonoraria die kunnen worden geëist, indien de verstrekkingen worden verleend :
a) in het raam van een georganiseerde wachtdienst;
b) in het raam van een opname in een dienst intensieve verzorging;
c) aan patiënten die in een twee- of meerpersoonskamer zijn opgenomen, die een twee- of meerpersoonskamer hebben aangevraagd of die om medische redenen in een eenpersoonskamer zijn opgenomen;
d) aan kinderen die samen met een begeleidende ouder in het ziekenhuis worden opgenomen.
§ 2. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit, de maximum honoraria en de maximum honorariumsupplementen bepalen die door de al dan niet verbonden geneesheren kunnen geëist worden indien de verstrekkingen worden verleend aan patiënten die op hun uitdrukkelijk verzoek en zonder dat dit noodzakelijk is voor hun behandeling worden opgenomen in een eenpersoonskamer.
Hij stelt op dezelfde wijze vast welke informatie door de geneesheer of door de ziekenhuisbeheerder aan de patiënten moeten worden gegeven en onder welke modaliteiten voornoemde informatie kan worden verstrekt.".
Art. 99. Un article 50bis, libellé comme suit, est inséré dans la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 :
"Art. 50bis. - § 1er. Que le médecin adhère ou non à un accord visé à l'article 50, les tarifs servant de base au calcul de l'intervention de l'assurance constituent les honoraires maximums pouvant être réclamés, si les soins sont dispensés :
a) dans le cadre d'un service de garde organisé;
b) dans le cadre d'une admission dans un service de soins intensifs;
c) à des patients admis en salle commune ou en chambre à deux lits, ayant demandé à être admis en salle commune ou en chambre à deux lits ou admis en chambre particulière pour des raisons médicales;
d) à des enfants hospitalisés avec un parent accompagnateur.
§ 2. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les honoraires maximums et les suppléments d'honoraires maximums pouvant être réclamés par les médecins engagés ou non si les soins sont dispensés à des patients qui sont admis en chambre particulière à leur demande expresse et sans que leur traitement l'exige.
Il détermine de la même manière les informations que le médecin ou le gestionnaire de l'hôpital doit fournir aux patients ainsi que les modalités selon lesquelles lesdites informations peuvent être données.".
"Art. 50bis. - § 1er. Que le médecin adhère ou non à un accord visé à l'article 50, les tarifs servant de base au calcul de l'intervention de l'assurance constituent les honoraires maximums pouvant être réclamés, si les soins sont dispensés :
a) dans le cadre d'un service de garde organisé;
b) dans le cadre d'une admission dans un service de soins intensifs;
c) à des patients admis en salle commune ou en chambre à deux lits, ayant demandé à être admis en salle commune ou en chambre à deux lits ou admis en chambre particulière pour des raisons médicales;
d) à des enfants hospitalisés avec un parent accompagnateur.
§ 2. Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les honoraires maximums et les suppléments d'honoraires maximums pouvant être réclamés par les médecins engagés ou non si les soins sont dispensés à des patients qui sont admis en chambre particulière à leur demande expresse et sans que leur traitement l'exige.
Il détermine de la même manière les informations que le médecin ou le gestionnaire de l'hôpital doit fournir aux patients ainsi que les modalités selon lesquelles lesdites informations peuvent être données.".
Art. 100. Artikel 99 treedt in werking op 1 december 1998.
Art. 100. L'article 99 entre en vigueur le 1er décembre 1998.
Art. 101. Artikel 138 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 138. - De Koning kan, volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, de bepalingen van artikel 50bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, uitbreiden tot patiënten welke niet onder de toepassingssfeer van die wet vallen.".
J. Statuut ziekenhuisgeneesheer
"Art. 138. - De Koning kan, volgens de modaliteiten die Hij bepaalt, de bepalingen van artikel 50bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, uitbreiden tot patiënten welke niet onder de toepassingssfeer van die wet vallen.".
J. Statuut ziekenhuisgeneesheer
Art. 101. L'article 138 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 138. - Le Roi peut, selon les modalités qu'Il fixe, étendre les dispositions de l'article 50bisde la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, aux patients qui ne relèvent pas du champ d'application de cette loi.".
J. Du statut des médecins hospitaliers
"Art. 138. - Le Roi peut, selon les modalités qu'Il fixe, étendre les dispositions de l'article 50bisde la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, aux patients qui ne relèvent pas du champ d'application de cette loi.".
J. Du statut des médecins hospitaliers
Art. 102. Een artikel 128bis wordt ingevoegd in de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, luidend als volgt : "Art. 128bis. - De Koning kan, overeenkomstig nader door Hem te bepalen regels, bepalen welke financiële of statistische gegevens door de beheerder moeten worden medegedeeld aan de Medische raad van een ziekenhuis.".
K. Chronische ziekten
K. Chronische ziekten
Art. 102. Un article 128bisest inséré dans la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987 libellé comme suit : "Art. 128bis. - Le Roi peut, selon des règles déterminées par Lui, fixer les données financières ou statistiques qui doivent être communiquées par le gestionnaire au Conseil Médical d'un hôpital.".
K. Maladies chroniques
K. Maladies chroniques
Art. 103. Artikel 34, 14° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, opgeheven bij de wet van 20 december 1995 wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
"14° de materialen en de verzorgingsproducten voor de verzorging ten huize van rechthebbenden die lijden aan een zware aandoening.".
"14° de materialen en de verzorgingsproducten voor de verzorging ten huize van rechthebbenden die lijden aan een zware aandoening.".
Art. 103. L'article 34, 14° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, abrogé par la loi du 20 décembre 1995 est rétabli dans la lecture suivante :
"14° les matières et produits de soins pour les soins à domicile des bénéficiaires souffrant d'une affection grave.".
"14° les matières et produits de soins pour les soins à domicile des bénéficiaires souffrant d'une affection grave.".
Art. 104. Artikel 35, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Koning omschrijft de in artikel 34, 14°, bedoelde verstrekkingen.".
"De Koning omschrijft de in artikel 34, 14°, bedoelde verstrekkingen.".
Art. 104. L'article 35, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 20 décembre 1995, est complété par l'alinéa suivant :
"Le Roi détermine les prestations visées à l'article 34, 14°.".
"Le Roi détermine les prestations visées à l'article 34, 14°.".
Art. 105. In artikel 37 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) § 16bis, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 16bis. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt :
1° het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden met een chronische ziekte, volledig of gedeeltelijk afschaffen;
2° een forfaitaire toelage, waarvan Hij het bedrag bepaalt, instellen ten behoeve van voornoemde rechthebbenden als bijkomende tegemoetkoming in hun uitgaven voor geneeskundige verzorging.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke rechthebbenden voor de toepassing van het eerste lid moeten worden beschouwd als rechthebbenden met een chronische ziekte, waarbij deze rechthebbenden een of meer van de volgende voorwaarden dienen te vervullen :
- lijden aan een ziekte die voorkomt op een door Hem vastgestelde lijst;
- een door Hem te bepalen graad van zorgbehoevendheid bereiken;
- gedurende een door Hem te bepalen periode een bedrag aan persoonlijke aandelen hebben betaald, dat een door Hem vastgesteld grensbedrag overschrijdt.
Na advies van de bevoegde Technische Raad kan de Koning de geneeskundige verstrekkingen vaststellen waarop de bepaling van het eerste lid, 1°, wordt toegepast. Het advies van de Technische Raad wordt geacht te zijn gegeven indien het niet is geformuleerd binnen een termijn van twee maanden nadat hij daarom is verzocht.".
B) Het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"§ 20. De Koning stelt, na advies van het Verzekeringscomité, de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 14° bedoelde verstrekkingen vast, alsmede de voorwaarden van terugbetaling. Hij kan bepalen dat die tegemoetkoming wordt toegekend onder de vorm van een forfaitair bedrag of van een maximumbedrag voor een periode die Hij bepaalt.".
A) § 16bis, ingevoegd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 16bis. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt :
1° het persoonlijk aandeel betreffende de geneeskundige verstrekkingen die worden verleend aan rechthebbenden met een chronische ziekte, volledig of gedeeltelijk afschaffen;
2° een forfaitaire toelage, waarvan Hij het bedrag bepaalt, instellen ten behoeve van voornoemde rechthebbenden als bijkomende tegemoetkoming in hun uitgaven voor geneeskundige verzorging.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, welke rechthebbenden voor de toepassing van het eerste lid moeten worden beschouwd als rechthebbenden met een chronische ziekte, waarbij deze rechthebbenden een of meer van de volgende voorwaarden dienen te vervullen :
- lijden aan een ziekte die voorkomt op een door Hem vastgestelde lijst;
- een door Hem te bepalen graad van zorgbehoevendheid bereiken;
- gedurende een door Hem te bepalen periode een bedrag aan persoonlijke aandelen hebben betaald, dat een door Hem vastgesteld grensbedrag overschrijdt.
Na advies van de bevoegde Technische Raad kan de Koning de geneeskundige verstrekkingen vaststellen waarop de bepaling van het eerste lid, 1°, wordt toegepast. Het advies van de Technische Raad wordt geacht te zijn gegeven indien het niet is geformuleerd binnen een termijn van twee maanden nadat hij daarom is verzocht.".
B) Het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"§ 20. De Koning stelt, na advies van het Verzekeringscomité, de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 14° bedoelde verstrekkingen vast, alsmede de voorwaarden van terugbetaling. Hij kan bepalen dat die tegemoetkoming wordt toegekend onder de vorm van een forfaitair bedrag of van een maximumbedrag voor een periode die Hij bepaalt.".
Art. 105. A l'article 37 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
A) Le § 16bis inséré par la loi du 20 décembre 1995 est remplace par la disposition suivante :
"§ 16bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine :
1° supprimer totalement ou partiellement l'intervention personnelle relative aux prestations de santé octroyées aux bénéficiaires atteints d'une maladie chronique;
2° instaurer une allocation forfaitaire dont Il fixe le montant, à l'intention des bénéficiaires susvisés à titre d'intervention supplémentaire dans leurs dépenses pour soins de santé.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les bénéficiaires qui, pour l'application de l'alinéa 1er, doivent être considérés comme des bénéficiaires atteints d'une maladie chronique, ces bénéficiaires devant satisfaire à une ou plusieurs des conditions mentionnées ci-après :
- soit souffrir d'une maladie qui figure sur une liste établie par Lui;
- soit atteindre un degré de dépendance de soins à déterminer par Lui;
- soit avoir payé pendant une période à fixer par Lui des interventions personnelles dont le montant dépasse le plafond fixe par Lui.
Après avis du Conseil technique compétent, le Roi peut déterminer les prestations de santé auxquelles s'applique la disposition de l'alinéa 1er, 1°. L'avis du Conseil technique est censé avoir été donné s'il n'a pas été formulé dans un délai de deux mois après qu'il ait été invité à le formuler.".
B) L'article est complété par la disposition suivante :
"§ 20. Le Roi détermine, après avis du Comité de l'assurance, l'intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, 14°, ainsi que les conditions de remboursement. Il peut déterminer que cette intervention est accordée sous la forme d'un montant forfaitaire ou d'un montant maximum pour une période qu'Il détermine.".
A) Le § 16bis inséré par la loi du 20 décembre 1995 est remplace par la disposition suivante :
"§ 16bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine :
1° supprimer totalement ou partiellement l'intervention personnelle relative aux prestations de santé octroyées aux bénéficiaires atteints d'une maladie chronique;
2° instaurer une allocation forfaitaire dont Il fixe le montant, à l'intention des bénéficiaires susvisés à titre d'intervention supplémentaire dans leurs dépenses pour soins de santé.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les bénéficiaires qui, pour l'application de l'alinéa 1er, doivent être considérés comme des bénéficiaires atteints d'une maladie chronique, ces bénéficiaires devant satisfaire à une ou plusieurs des conditions mentionnées ci-après :
- soit souffrir d'une maladie qui figure sur une liste établie par Lui;
- soit atteindre un degré de dépendance de soins à déterminer par Lui;
- soit avoir payé pendant une période à fixer par Lui des interventions personnelles dont le montant dépasse le plafond fixe par Lui.
Après avis du Conseil technique compétent, le Roi peut déterminer les prestations de santé auxquelles s'applique la disposition de l'alinéa 1er, 1°. L'avis du Conseil technique est censé avoir été donné s'il n'a pas été formulé dans un délai de deux mois après qu'il ait été invité à le formuler.".
B) L'article est complété par la disposition suivante :
"§ 20. Le Roi détermine, après avis du Comité de l'assurance, l'intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, 14°, ainsi que les conditions de remboursement. Il peut déterminer que cette intervention est accordée sous la forme d'un montant forfaitaire ou d'un montant maximum pour une période qu'Il détermine.".
Afdeling III. - Uitkeringsverzekering.
Section III. - De l'assurance indemnités.
Art. 106. Artikel 82, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"4° stelt de algemene medische richtlijnen en criteria vast op voorstel van de Technische medische raad bedoeld in artikel 85.".
"4° stelt de algemene medische richtlijnen en criteria vast op voorstel van de Technische medische raad bedoeld in artikel 85.".
Art. 106. L'article 82, alinéa 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est complété par la disposition suivante :
"4° fixe les directives et critères médicaux généraux, sur proposition du Conseil technique médical visé à l'article 85.".
"4° fixe les directives et critères médicaux généraux, sur proposition du Conseil technique médical visé à l'article 85.".
Art. 107. Artikel 85 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 85. - Bij de Dienst voor uitkeringen wordt een Technische Medische Raad ingesteld die tot taak heeft :
1° op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit of op eigen initiatief, advies te verlenen over medische problemen aangaande de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid;
2° algemene medische richtlijnen en criteria voor te stellen om beter de evaluatieproblemen aangaande de arbeidsongeschiktheid op te vangen; deze richtlijnen en criteria worden daarna vastgesteld door de Geneeskundige Raad voor invaliditeit;
3° aan de hand van statistische gegevens met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid onderzoek te verrichten in verband met de werking van de uitkeringsverzekering en advies uit te brengen over problemen die hierbij rijzen.
De samenstelling en werkingsregelen van deze Raad worden door de Koning bepaald die eveneens de voorzitter en de leden ervan benoemt.".
"Art. 85. - Bij de Dienst voor uitkeringen wordt een Technische Medische Raad ingesteld die tot taak heeft :
1° op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit of op eigen initiatief, advies te verlenen over medische problemen aangaande de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid;
2° algemene medische richtlijnen en criteria voor te stellen om beter de evaluatieproblemen aangaande de arbeidsongeschiktheid op te vangen; deze richtlijnen en criteria worden daarna vastgesteld door de Geneeskundige Raad voor invaliditeit;
3° aan de hand van statistische gegevens met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid onderzoek te verrichten in verband met de werking van de uitkeringsverzekering en advies uit te brengen over problemen die hierbij rijzen.
De samenstelling en werkingsregelen van deze Raad worden door de Koning bepaald die eveneens de voorzitter en de leden ervan benoemt.".
Art. 107. L'article 85 de la même loi est remplacé par les dispositions suivantes :
"Art. 85. C Il est institué auprès du Service des indemnités un Conseil technique médical qui a pour mission :
1° à la demande du Comité de gestion des Services des indemnités, du Conseil médical de l'invalidité ou de sa propre initiative, d'émettre des avis sur des problèmes médicaux concernant la détermination de l'incapacité de travail;
2° de proposer des directives et critères médicaux généraux en vue de mieux résoudre les problèmes d'évaluation concernant l'incapacité de travail; ces directives et critères sont ensuite fixés par le Conseil médical de l'invalidité;
3° à l'aide de données statistiques relatives à l'incapacité de travail, de procéder à des investigations portant sur le fonctionnement de l'assurance indemnités et d'émettre des avis sur des problèmes qui surgissent en la matière.
La composition et les modalités de fonctionnement de ce Conseil sont fixées par le Roi, qui nomme également le président et les membres.".
"Art. 85. C Il est institué auprès du Service des indemnités un Conseil technique médical qui a pour mission :
1° à la demande du Comité de gestion des Services des indemnités, du Conseil médical de l'invalidité ou de sa propre initiative, d'émettre des avis sur des problèmes médicaux concernant la détermination de l'incapacité de travail;
2° de proposer des directives et critères médicaux généraux en vue de mieux résoudre les problèmes d'évaluation concernant l'incapacité de travail; ces directives et critères sont ensuite fixés par le Conseil médical de l'invalidité;
3° à l'aide de données statistiques relatives à l'incapacité de travail, de procéder à des investigations portant sur le fonctionnement de l'assurance indemnités et d'émettre des avis sur des problèmes qui surgissent en la matière.
La composition et les modalités de fonctionnement de ce Conseil sont fixées par le Roi, qui nomme également le président et les membres.".
Art. 108. Artikel 90 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
"De adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling spreekt zich tevens uit over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van primaire ongeschiktheid.".
"De adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling spreekt zich tevens uit over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van primaire ongeschiktheid.".
Art. 108. L'article 90 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
"Le médecin-conseil de l'organisme assureur se prononce également sur l'application des articles 101, alinéa premier, et 102, alinéa premier, en période d'incapacité primaire.".
"Le médecin-conseil de l'organisme assureur se prononce également sur l'application des articles 101, alinéa premier, et 102, alinéa premier, en période d'incapacité primaire.".
Art. 109. Artikel 94 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Geneeskundige raad voor invaliditeit spreekt zich, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, tevens uit, over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van invaliditeit.".
"De Geneeskundige raad voor invaliditeit spreekt zich, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, tevens uit, over de toepassing van de artikelen 101, eerste lid, en 102, eerste lid, in een tijdvak van invaliditeit.".
Art. 109. L'article 94 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
"Le Conseil médical de l'invalidité se prononce également, conformément aux dispositions de l'article 82, sur l'application des articles 101, alinéa premier, et 102, alinéa premier, en période d'invalidité.".
"Le Conseil médical de l'invalidité se prononce également, conformément aux dispositions de l'article 82, sur l'application des articles 101, alinéa premier, et 102, alinéa premier, en période d'invalidité.".
Art. 110. Artikel 93 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Koning kan voor de categorieën van invaliden die Hij bepaalt en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden toekennen.".
"De Koning kan voor de categorieën van invaliden die Hij bepaalt en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp aan derden toekennen.".
Art. 110. L'article 93 de la même loi, modifié par la loi du 4 août 1996, est complété par l'alinéa suivant :
"Le Roi peut, pour les catégories d'invalides qu'Il définit aux conditions qu'Il détermine, octroyer une allocation forfaitaire pour aide de tiers.".
"Le Roi peut, pour les catégories d'invalides qu'Il définit aux conditions qu'Il détermine, octroyer une allocation forfaitaire pour aide de tiers.".
Art. 111. Een artikel 104bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet, ingevoegd :
"Art. 104bis. - De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder een gerechtigde aan de uitkeringen die hem worden toegekend kan verzaken.".
"Art. 104bis. - De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder een gerechtigde aan de uitkeringen die hem worden toegekend kan verzaken.".
Art. 111. Un article 104bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
"Art. 104bis. C Le Roi détermine les conditions dans lesquelles le titulaire peut renoncer aux indemnités qui lui sont accordées.".
"Art. 104bis. C Le Roi détermine les conditions dans lesquelles le titulaire peut renoncer aux indemnités qui lui sont accordées.".
Afdeling IV. - Organisatie RIZIV.
Section IV. - De l'organisation de l'INAMI.
Art. 112. In artikel 12 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het punt 3° wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"de tuchtstraffen die de ambtenaren van niveau 1 moeten worden opgelegd, worden evenwel door de Minister uitgesproken, behoudens hetgeen in de artikelen 155 en 161 is bepaald betreffende de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de inspecteurs.";
2° een punt 3°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"3°bis. wijst de bevoegde hiërarchische meerderen aan die de voorlopige voorstellen inzake tuchtstraffen formuleren.".
1° het punt 3° wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"de tuchtstraffen die de ambtenaren van niveau 1 moeten worden opgelegd, worden evenwel door de Minister uitgesproken, behoudens hetgeen in de artikelen 155 en 161 is bepaald betreffende de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs en de inspecteurs.";
2° een punt 3°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"3°bis. wijst de bevoegde hiërarchische meerderen aan die de voorlopige voorstellen inzake tuchtstraffen formuleren.".
Art. 112. A l'article 12 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° le point 3° est complété par la disposition suivante :
"les sanctions disciplinaires à infliger aux fonctionnaires du niveau 1 sont toutefois prononcées par le Ministre, sauf ce qui est disposé aux articles 155 et 161 à l'égard des médecins-inspecteurs, pharmaciens-inspecteurs et inspecteurs.";
2° un point 3°bis est inséré, libellé comme suit :
"3°bis. désigne les supérieurs hiérarchiques compétents pour formuler les propositions provisoires de sanctions disciplinaires.".
1° le point 3° est complété par la disposition suivante :
"les sanctions disciplinaires à infliger aux fonctionnaires du niveau 1 sont toutefois prononcées par le Ministre, sauf ce qui est disposé aux articles 155 et 161 à l'égard des médecins-inspecteurs, pharmaciens-inspecteurs et inspecteurs.";
2° un point 3°bis est inséré, libellé comme suit :
"3°bis. désigne les supérieurs hiérarchiques compétents pour formuler les propositions provisoires de sanctions disciplinaires.".
Art. 113. In artikel 155, tiende lid, van dezelfde gecoördineerde wet worden de woorden "of het algemeen belang" geschrapt.
Art. 113. A l'article 155, alinéa 10, de la même loi coordonnée les mots "ou l'intérêt général" sont supprimés.
Art. 114. In artikel 161 van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid vormt een § 1;
2° het tweede en derde lid vormen een § 2;
3° de § 1 wordt aangevuld met een 12° en een 13°, luidend als volgt :
"12° kan aan de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs bekleed met verschillende graden de in het statuut van het Rijkspersoneel vastgestelde tuchtstraffen opleggen, met uitzondering van de terugzetting in graad en de afzetting die, op voorstel van het Comité, door de Koning worden uitgesproken;
13° stelt aan de Minister, telkens als het belang van de dienst zulks vereist, de schorsing van de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs voor binnen de perken, voorwaarden en modaliteiten vastgesteld door de statutaire bepalingen die de schorsing in het belang van de dienst regelen.";
4° in het eerste lid van § 2 worden de woorden "in het eerste lid, 1° en 10°" vervangen door de woorden "in § 1, 1°, 10°, 12° en 13°";
5° de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer het Comité de bevoegdheden uitoefent bedoeld in § 1, 12° en 13°, moet de inspecteur of de adjunct-inspecteur vooraf door het comité worden gehoord en mag hij zich laten bijstaan door een persoon die hij kiest.".
1° het eerste lid vormt een § 1;
2° het tweede en derde lid vormen een § 2;
3° de § 1 wordt aangevuld met een 12° en een 13°, luidend als volgt :
"12° kan aan de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs bekleed met verschillende graden de in het statuut van het Rijkspersoneel vastgestelde tuchtstraffen opleggen, met uitzondering van de terugzetting in graad en de afzetting die, op voorstel van het Comité, door de Koning worden uitgesproken;
13° stelt aan de Minister, telkens als het belang van de dienst zulks vereist, de schorsing van de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs voor binnen de perken, voorwaarden en modaliteiten vastgesteld door de statutaire bepalingen die de schorsing in het belang van de dienst regelen.";
4° in het eerste lid van § 2 worden de woorden "in het eerste lid, 1° en 10°" vervangen door de woorden "in § 1, 1°, 10°, 12° en 13°";
5° de § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
"Wanneer het Comité de bevoegdheden uitoefent bedoeld in § 1, 12° en 13°, moet de inspecteur of de adjunct-inspecteur vooraf door het comité worden gehoord en mag hij zich laten bijstaan door een persoon die hij kiest.".
Art. 114. A l'article 161 de la même loi coordonnée sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er devient le § 1er;
2° les alinéas 2 et 3 deviennent le § 2;
3° le § 1er est complété par un 12° et un 13°, libellés comme suit :
"12° peut infliger aux inspecteurs et inspecteurs-adjoints, revêtus de différents grades, les sanctions disciplinaires prévues au statut des agents de l'Etat à l'exception de la rétrogradation et de la révocation qui sont prononcées par le Roi, sur proposition du Comité;
13° propose au Ministre, chaque fois que l'intérêt du service le requiert, la suspension des inspecteurs et inspecteurs-adjoints dans les limites, conditions et modalités fixées par les dispositions statutaires qui régissent la suspension dans l'intérêt du service.";
4° dans l'alinéa 1er du § 2, les mots "de l'alinéa 1er, 1° et 10°" sont remplacés par les mots "du § 1er, 1°, 10°, 12° et 13°";
5° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
"L'inspecteur ou l'inspecteur adjoint doit être préalablement entendu et peut se faire assister par une personne de son choix devant le Comité lorsque ce dernier exerce les compétences visées au § 1er, 12° et 13°.".
1° l'alinéa 1er devient le § 1er;
2° les alinéas 2 et 3 deviennent le § 2;
3° le § 1er est complété par un 12° et un 13°, libellés comme suit :
"12° peut infliger aux inspecteurs et inspecteurs-adjoints, revêtus de différents grades, les sanctions disciplinaires prévues au statut des agents de l'Etat à l'exception de la rétrogradation et de la révocation qui sont prononcées par le Roi, sur proposition du Comité;
13° propose au Ministre, chaque fois que l'intérêt du service le requiert, la suspension des inspecteurs et inspecteurs-adjoints dans les limites, conditions et modalités fixées par les dispositions statutaires qui régissent la suspension dans l'intérêt du service.";
4° dans l'alinéa 1er du § 2, les mots "de l'alinéa 1er, 1° et 10°" sont remplacés par les mots "du § 1er, 1°, 10°, 12° et 13°";
5° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
"L'inspecteur ou l'inspecteur adjoint doit être préalablement entendu et peut se faire assister par une personne de son choix devant le Comité lorsque ce dernier exerce les compétences visées au § 1er, 12° et 13°.".
Art. 115. In artikel 185, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden ", op voorstel van de Comités van die Diensten," geschrapt;
2° het tweede lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° de in artikel 162 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning benoemd, op voorstel of na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle. De in artikel 160 bedoelde vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen hebben voor deze materie zitting met raadgevende stem. De voornoemde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning ontslagen en afgezet.".
1° in het eerste lid worden de woorden ", op voorstel van de Comités van die Diensten," geschrapt;
2° het tweede lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° de in artikel 162 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning benoemd, op voorstel of na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle. De in artikel 160 bedoelde vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen hebben voor deze materie zitting met raadgevende stem. De voornoemde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning ontslagen en afgezet.".
Art. 115. A l'article 185, § 2, de la même loi coordonnée, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots ", sur proposition des Comités de ces Services," sont supprimés;
2° l'alinéa 2, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
"2° les inspecteurs et inspecteurs adjoints visés à l'article 162, sont nommés par le Roi, sur proposition ou après avis du Comité du Service du contrôle administratif. Les représentants des organismes assureurs visés à l'article 160 siègent en la matière avec voix consultative. Les inspecteurs et inspecteurs adjoints susvisés sont licenciés et révoqués par le Roi.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots ", sur proposition des Comités de ces Services," sont supprimés;
2° l'alinéa 2, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
"2° les inspecteurs et inspecteurs adjoints visés à l'article 162, sont nommés par le Roi, sur proposition ou après avis du Comité du Service du contrôle administratif. Les représentants des organismes assureurs visés à l'article 160 siègent en la matière avec voix consultative. Les inspecteurs et inspecteurs adjoints susvisés sont licenciés et révoqués par le Roi.".
Art. 116. Artikel 213, § 2, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt vervangen door de volgende paragraaf :
"§ 2. Behoudens afwijkende bepaling in deze gecoördineerde wet, zijn de artikelen 9 tot 12 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, van toepassing op de persoon belast met het dagelijks beheer en zijn adjunct. Het artikel 9 van dezelfde wet is bovendien van toepassing op de leidend ambtenaren.
De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, welke bepalingen van de voornoemde wet van 25 april 1963, van toepassing zijn op de bij deze gecoördineerde wet bedoelde raden, comités, commissies en colleges.".
"§ 2. Behoudens afwijkende bepaling in deze gecoördineerde wet, zijn de artikelen 9 tot 12 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, van toepassing op de persoon belast met het dagelijks beheer en zijn adjunct. Het artikel 9 van dezelfde wet is bovendien van toepassing op de leidend ambtenaren.
De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, welke bepalingen van de voornoemde wet van 25 april 1963, van toepassing zijn op de bij deze gecoördineerde wet bedoelde raden, comités, commissies en colleges.".
Art. 116. L'article 213, § 2, de la même loi coordonnée, est remplacé par le paragraphe suivant :
"§ 2. Sauf disposition contraire dans la présente loi coordonnée, les articles 9 à 12 de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, sont applicables à la personne chargée de la gestion journalière et à son adjoint. L'article 9 de la même loi s'applique en outre aux fonctionnaires dirigeants.
Le Roi détermine, après avis du Conseil national du travail, les dispositions de la loi du 25 avril 1963 précitée, qui sont applicables aux conseils, comités, commissions et collèges prévus par la présente loi coordonnée.".
"§ 2. Sauf disposition contraire dans la présente loi coordonnée, les articles 9 à 12 de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, sont applicables à la personne chargée de la gestion journalière et à son adjoint. L'article 9 de la même loi s'applique en outre aux fonctionnaires dirigeants.
Le Roi détermine, après avis du Conseil national du travail, les dispositions de la loi du 25 avril 1963 précitée, qui sont applicables aux conseils, comités, commissions et collèges prévus par la présente loi coordonnée.".
Art. 117. In artikel 215, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "34, 1°, c, en 4°" vervangen door de woorden "34, 1°, c, 4° en 7°bis".
Art. 117. Dans l'article 215, § 1er, de la même loi, les mots "34, 1°, c, 4°" sont remplacés par les mots "34, 1°, c, 4° et 7°bis".
Afdeling V. - Afschaffing van het Nationaal pensioenfonds voor Mijnwerkers.
Section V. - Suppression du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.
Art. 118. In artikel 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° littera f) wordt vervangen door de volgende bepaling :
"f) onder "Bijzondere diensten" de Diensten voor geneeskundige verzorging, voor uitkeringen, voor geneeskundige controle en voor administratieve controle en de Administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, van deze wet;";
2° het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"r) door "Administrateur-generaal", de Administrateur-generaal van het Instituut behoudens een andere bepaling.".
1° littera f) wordt vervangen door de volgende bepaling :
"f) onder "Bijzondere diensten" de Diensten voor geneeskundige verzorging, voor uitkeringen, voor geneeskundige controle en voor administratieve controle en de Administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, van deze wet;";
2° het artikel wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"r) door "Administrateur-generaal", de Administrateur-generaal van het Instituut behoudens een andere bepaling.".
Art. 118. A l'article 2 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° le litera f) est remplacé par la disposition suivante :
"f) par "Services spéciaux", les Services des soins de santé, des indemnités, du contrôle médical et du contrôle administratif et la Cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, de la présente loi;";
2° l'article est complété par un r) rédigé comme suit :
"r) par "Administrateur général", l'Administrateur général de l'Institut en l'absence d'indication contraire.".
1° le litera f) est remplacé par la disposition suivante :
"f) par "Services spéciaux", les Services des soins de santé, des indemnités, du contrôle médical et du contrôle administratif et la Cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, de la présente loi;";
2° l'article est complété par un r) rédigé comme suit :
"r) par "Administrateur général", l'Administrateur général de l'Institut en l'absence d'indication contraire.".
Art. 119. In punt 7° van artikel 12 van dezelfde gecoördineerde wet, vervangen door artikel 143 van de huidige wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis, 6° tot 9° en 12° tot 20° en 23°" worden vervangen door de woorden "in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bisa), 6° tot 9° en 12° tot 21° en 23°";
2° na de woorden "aan de tak uitkeringen" worden de woorden "en aan de tak invaliditeitspensioenen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden" toegevoegd.
1° de woorden "in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis, 6° tot 9° en 12° tot 20° en 23°" worden vervangen door de woorden "in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bisa), 6° tot 9° en 12° tot 21° en 23°";
2° na de woorden "aan de tak uitkeringen" worden de woorden "en aan de tak invaliditeitspensioenen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden" toegevoegd.
Art. 119. Au point 7° de l'article 12 de la même loi coordonnée, remplacé par l'article 143 de la présente loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bis, 6° à 9° et 12° à 20° et 23°" sont remplacés par les mots "visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bisa), 6° à 9° et 12° à 21° et 23°";
2° après les mots "au secteur des indemnités" sont ajoutés les mots "et au secteur des pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés".
1° les mots "visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bis, 6° à 9° et 12° à 20° et 23°" sont remplacés par les mots "visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bisa), 6° à 9° et 12° à 21° et 23°";
2° après les mots "au secteur des indemnités" sont ajoutés les mots "et au secteur des pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés".
Art. 120. In dezelfde gecoördineerde wet wordt een artikel 80bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Het Beheerscomité voor de mijnwerkers :
1° is bevoegd voor de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
2° stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van het invaliditeitspensioen van de mijnwerkers;
3° maakt een jaarverslag;
4° beslist over de rechtsvorderingen in te stellen binnen zijn bevoegdheid.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de administratieve cel beslissen over het instellen van een rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Beheerscomité bedoeld in artikel 78bis voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
5° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor;
6° stelt het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de administratieve cel voor.".
"Het Beheerscomité voor de mijnwerkers :
1° is bevoegd voor de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
2° stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van het invaliditeitspensioen van de mijnwerkers;
3° maakt een jaarverslag;
4° beslist over de rechtsvorderingen in te stellen binnen zijn bevoegdheid.
In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de administratieve cel beslissen over het instellen van een rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Beheerscomité bedoeld in artikel 78bis voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
5° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor;
6° stelt het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de administratieve cel voor.".
Art. 120. Dans la même loi coordonnée, il est inséré un article 80bis, rédigé comme suit :
"Le Comité de gestion pour les ouvriers mineurs :
1° est compétent pour l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
2° arrête les comptes et établit le budget de la pension d'invalidité des ouvriers mineurs;
3° établit un rapport annuel;
4° décide des actions en justice à intenter dans le cadre de sa compétence.
En cas d'urgence, le fonctionnaire dirigeant de la cellule administrative peut décider d'intenter l'action en justice. Cette action est soumise à l'approbation du Comité de gestion visé à l'article 78bis, lors de sa plus prochaine séance. Si cette approbation est refusée, il y aura lieu à désistement de l'action intentée;
5° établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au Roi;
6° propose au Comité général le budget des frais d'administration de la cellule administrative.".
"Le Comité de gestion pour les ouvriers mineurs :
1° est compétent pour l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
2° arrête les comptes et établit le budget de la pension d'invalidité des ouvriers mineurs;
3° établit un rapport annuel;
4° décide des actions en justice à intenter dans le cadre de sa compétence.
En cas d'urgence, le fonctionnaire dirigeant de la cellule administrative peut décider d'intenter l'action en justice. Cette action est soumise à l'approbation du Comité de gestion visé à l'article 78bis, lors de sa plus prochaine séance. Si cette approbation est refusée, il y aura lieu à désistement de l'action intentée;
5° établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au Roi;
6° propose au Comité général le budget des frais d'administration de la cellule administrative.".
Art. 121. Artikel 177, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 177. - Met uitzondering van het personeel aangewezen bij de administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, staat het personeel van het Instituut onder de leiding van de Administrateur-generaal, bijgestaan door de Adjunct-administrateur-generaal.".
"Art. 177. - Met uitzondering van het personeel aangewezen bij de administratieve cel bedoeld bij artikel 78bis, § 3, staat het personeel van het Instituut onder de leiding van de Administrateur-generaal, bijgestaan door de Adjunct-administrateur-generaal.".
Art. 121. L'article 177, alinéa 1er, de la même loi coordonnée est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 177. - Hormis celui affecté à la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, le personnel de l'Institut est dirigé par l'Administrateur général, assiste par l'Administrateur général adjoint.".
"Art. 177. - Hormis celui affecté à la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, le personnel de l'Institut est dirigé par l'Administrateur général, assiste par l'Administrateur général adjoint.".
Art. 122. In artikel 181 van dezelfde gecoördineerde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De administrateur-generaal, bijgestaan door de adjunct-administrateur-generaal, oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer uit die hem door het Algemeen Comité en de beheersorganen van de bijzondere diensten in hun huishoudelijk reglement werden toevertrouwd.".
2° het derde lid wordt aangevuld door de woorden "van de bijzondere diensten";
3° in het zevende lid worden tussen de woorden "kunnen de beheersorganen" en "onder de voorwaarden" de woorden "van de bijzondere diensten" ingevoegd;
4° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
"Volgens dit artikel bevatten de bijzondere diensten niet de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3.".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De administrateur-generaal, bijgestaan door de adjunct-administrateur-generaal, oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer uit die hem door het Algemeen Comité en de beheersorganen van de bijzondere diensten in hun huishoudelijk reglement werden toevertrouwd.".
2° het derde lid wordt aangevuld door de woorden "van de bijzondere diensten";
3° in het zevende lid worden tussen de woorden "kunnen de beheersorganen" en "onder de voorwaarden" de woorden "van de bijzondere diensten" ingevoegd;
4° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
"Volgens dit artikel bevatten de bijzondere diensten niet de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3.".
Art. 122. A l'article 181 de la même loi coordonnée, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"L'Administrateur général, assisté par l'Administrateur général adjoint, exerce les pouvoirs de gestion journalière qui lui sont attribués par le Comité général et par les organes de gestion des services spéciaux dans leur règlement d'ordre intérieur.".
2° l'alinéa 3 est complété par les mots "des services spéciaux";
3° dans l'alinéa 7, les mots "des services spéciaux" sont insérés entre les mots "les organes de gestion" et le mot "peuvent";
4° l'article est complété par la disposition suivante :
"Au sens du présent article, les Services spéciaux ne comprennent pas la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"L'Administrateur général, assisté par l'Administrateur général adjoint, exerce les pouvoirs de gestion journalière qui lui sont attribués par le Comité général et par les organes de gestion des services spéciaux dans leur règlement d'ordre intérieur.".
2° l'alinéa 3 est complété par les mots "des services spéciaux";
3° dans l'alinéa 7, les mots "des services spéciaux" sont insérés entre les mots "les organes de gestion" et le mot "peuvent";
4° l'article est complété par la disposition suivante :
"Au sens du présent article, les Services spéciaux ne comprennent pas la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3.".
Art. 123. In dezelfde gecoördineerde wet wordt een artikel 181bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 181bis. - De administrateur-generaal van de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3 oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer die hem door het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers werden toevertrouwd.
De administrateur-generaal van de administratieve cel woont de zittingen van het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers bij. Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van het Algemeen Comité voorzover zij betrekking hebben op de administratieve cel en van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
Hij staat in voor het secretariaat van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
De administrateur-generaal van de administratieve cel stelt de vorderingen bij de rechtscolleges in overeenkomstig de beslissingen genomen met toepassing van artikel 80bis, 4°.
Hij gaat geen persoonlijke verbintenissen aan en is enkel verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn opdracht.
Ingeval de administrateur-generaal van de administratieve cel verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door een door het Algemeen Comité aangeduide ambtenaar op voordracht van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
Voor een vlottere afhandeling van de zaken kunnen het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor Mijnwerkers, onder de voorwaarden die zij vaststellen, de administrateur-generaal van de administratieve cel machtigen een gedeelte van zijn bevoegdheden over te dragen aan de ambtenaren bedoeld in artikel 78bis, § 3.".
"Art. 181bis. - De administrateur-generaal van de administratieve cel bedoeld in artikel 78bis, § 3 oefent de bevoegdheden inzake dagelijks beheer die hem door het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers werden toevertrouwd.
De administrateur-generaal van de administratieve cel woont de zittingen van het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor de Mijnwerkers bij. Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van het Algemeen Comité voorzover zij betrekking hebben op de administratieve cel en van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
Hij staat in voor het secretariaat van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
De administrateur-generaal van de administratieve cel stelt de vorderingen bij de rechtscolleges in overeenkomstig de beslissingen genomen met toepassing van artikel 80bis, 4°.
Hij gaat geen persoonlijke verbintenissen aan en is enkel verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn opdracht.
Ingeval de administrateur-generaal van de administratieve cel verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door een door het Algemeen Comité aangeduide ambtenaar op voordracht van het Beheerscomité voor Mijnwerkers.
Voor een vlottere afhandeling van de zaken kunnen het Algemeen Beheerscomité en het Beheerscomité voor Mijnwerkers, onder de voorwaarden die zij vaststellen, de administrateur-generaal van de administratieve cel machtigen een gedeelte van zijn bevoegdheden over te dragen aan de ambtenaren bedoeld in artikel 78bis, § 3.".
Art. 123. Dans la même loi coordonnée, il est inséré un article 181bis, rédigé comme suit :
"Art. 181bis. C L'Administrateur général de la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, exerce les pouvoirs de gestion journalière qui lui sont attribués par le Comité général de gestion et par le Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
L'Administrateur général de la cellule administrative assiste aux séances du Comité général de gestion et du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs. Il est chargé de l'exécution des décisions du Comité général, dans la mesure où elles concernent la cellule administrative, et du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
Il assure le secrétariat du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
L'Administrateur général de la cellule administrative saisit les instances juridictionnelles conformément aux décisions prises en application de l'article 80bis, 4°.
Il ne prend aucune obligation personnelle et n'est responsable que de l'exécution de sa mission.
En cas d'empêchement de l'Administrateur général de la cellule administrative ses pouvoirs sont exerces par un fonctionnaire de la cellule administrative désigné par le Comité général sur proposition du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
Pour faciliter l'expédition des affaires, le Comité général de gestion et le Comité de gestion des ouvriers mineurs peuvent, dans les conditions qu'ils déterminent, autoriser l'Administrateur général de la cellule administrative à déléguer une partie de ses pouvoirs à des fonctionnaires visés à l'article 78bis, § 3.".
"Art. 181bis. C L'Administrateur général de la cellule administrative visée à l'article 78bis, § 3, exerce les pouvoirs de gestion journalière qui lui sont attribués par le Comité général de gestion et par le Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
L'Administrateur général de la cellule administrative assiste aux séances du Comité général de gestion et du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs. Il est chargé de l'exécution des décisions du Comité général, dans la mesure où elles concernent la cellule administrative, et du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
Il assure le secrétariat du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
L'Administrateur général de la cellule administrative saisit les instances juridictionnelles conformément aux décisions prises en application de l'article 80bis, 4°.
Il ne prend aucune obligation personnelle et n'est responsable que de l'exécution de sa mission.
En cas d'empêchement de l'Administrateur général de la cellule administrative ses pouvoirs sont exerces par un fonctionnaire de la cellule administrative désigné par le Comité général sur proposition du Comité de gestion pour les ouvriers mineurs.
Pour faciliter l'expédition des affaires, le Comité général de gestion et le Comité de gestion des ouvriers mineurs peuvent, dans les conditions qu'ils déterminent, autoriser l'Administrateur général de la cellule administrative à déléguer une partie de ses pouvoirs à des fonctionnaires visés à l'article 78bis, § 3.".
Art. 124. Artikel 186 van dezelfde gecoördineerde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
"In geval van overdrachten naar het Instituut die aanleiding geven tot de opstelling van afzonderlijke personeelsformaties en taalkaders, kan de Koning evenwel voor een duur die Hij bepaalt, tussen die formaties en kaders als overgangsmaatregel een afsluiting instellen in verband met overplaatsing, graadverandering en bevordering.".
"In geval van overdrachten naar het Instituut die aanleiding geven tot de opstelling van afzonderlijke personeelsformaties en taalkaders, kan de Koning evenwel voor een duur die Hij bepaalt, tussen die formaties en kaders als overgangsmaatregel een afsluiting instellen in verband met overplaatsing, graadverandering en bevordering.".
Art. 124. L'article 186 de la même loi coordonnée est complété par l'alinéa suivant :
"En cas de transferts à l'Institut donnant lieu à établissement de cadres organiques et linguistiques distincts, le Roi peut toutefois, pour la durée qu'il fixe, instaurer entre ceux-ci, à titre transitoire, une barrière au transfert, au changement de grade et à la promotion.".
"En cas de transferts à l'Institut donnant lieu à établissement de cadres organiques et linguistiques distincts, le Roi peut toutefois, pour la durée qu'il fixe, instaurer entre ceux-ci, à titre transitoire, une barrière au transfert, au changement de grade et à la promotion.".
Art. 125. Artikel 191, 1°bis, b), van dezelfde gecoördineerde wet wordt opgeheven.
Art. 125. L'article 191, 1°bis, b), de la même loi coordonnée est abrogé.
Afdeling VI. - Ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
Section VI. - Des mutualités et unions nationales des mutualités.
Art. 126. Artikel 11 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 11. - § 1. De statuten, de lijst van de bestuurders, alsmede de wijzigingen aan deze statuten en aan deze lijst worden toegestuurd aan de Controledienst.
De vorm der documenten bedoeld in het vorige lid en de inlichtingen tot staving van een aanvraag tot goedkeuring van statuten of hun wijzigingen, worden door de Controledienst vastgesteld en voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
De Controledienst spreekt zich uit over de statuten en de wijzigingen ervan binnen een termijn van ten hoogste dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop deze statuten of de wijzigingen ervan hem werden overgemaakt. Behoudens in geval van onontvankelijkheid, kan deze termijn op initiatief van de Controledienst worden verlengd met vijfenveertig kalenderdagen. Deze geeft hiervan kennis aan het ziekenfonds of de landsbond. Na het verstrijken van die termijn wordt de goedkeuring geacht verkregen te zijn.
Het beroep ingesteld door de regeringscommissaris, met toepassing van artikel 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, bij de Minister van Sociale Zaken tegen de beslissing van de Controledienst schorst de termijn bedoeld in het vorig lid.
§ 2. De statutaire bepalingen en hun wijzigingen worden slechts door de Controledienst goedgekeurd indien deze niet strijdig zijn met de wettelijke en reglementaire bepalingen en indien deze het financieel evenwicht van het ziekenfonds of van de landsbond of van de betrokken diensten niet in het gedrang brengen.
§ 3. De weigeringsbeslissing van de Controledienst moet met redenen omkleed zijn en wordt binnen dertig kalenderdagen na de beslissing betekend aan het ziekenfonds of aan de landsbond. In geval zoals vermeld in § 1, vierde lid de regeringscommissaris beroep heeft ingesteld bij de Minister van Sociale Zaken dient de gemotiveerde beslissing aan het ziekenfonds of de landsbond te worden betekend binnen de dertig kalenderdagen vanaf de datum van het beroep. Bij gebrek aan notificatie binnen deze termijn worden de desbetreffende statutaire bepalingen geacht de goedkeuring te hebben verkregen.".
"Art. 11. - § 1. De statuten, de lijst van de bestuurders, alsmede de wijzigingen aan deze statuten en aan deze lijst worden toegestuurd aan de Controledienst.
De vorm der documenten bedoeld in het vorige lid en de inlichtingen tot staving van een aanvraag tot goedkeuring van statuten of hun wijzigingen, worden door de Controledienst vastgesteld en voorgeschreven op straffe van onontvankelijkheid.
De Controledienst spreekt zich uit over de statuten en de wijzigingen ervan binnen een termijn van ten hoogste dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum waarop deze statuten of de wijzigingen ervan hem werden overgemaakt. Behoudens in geval van onontvankelijkheid, kan deze termijn op initiatief van de Controledienst worden verlengd met vijfenveertig kalenderdagen. Deze geeft hiervan kennis aan het ziekenfonds of de landsbond. Na het verstrijken van die termijn wordt de goedkeuring geacht verkregen te zijn.
Het beroep ingesteld door de regeringscommissaris, met toepassing van artikel 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, bij de Minister van Sociale Zaken tegen de beslissing van de Controledienst schorst de termijn bedoeld in het vorig lid.
§ 2. De statutaire bepalingen en hun wijzigingen worden slechts door de Controledienst goedgekeurd indien deze niet strijdig zijn met de wettelijke en reglementaire bepalingen en indien deze het financieel evenwicht van het ziekenfonds of van de landsbond of van de betrokken diensten niet in het gedrang brengen.
§ 3. De weigeringsbeslissing van de Controledienst moet met redenen omkleed zijn en wordt binnen dertig kalenderdagen na de beslissing betekend aan het ziekenfonds of aan de landsbond. In geval zoals vermeld in § 1, vierde lid de regeringscommissaris beroep heeft ingesteld bij de Minister van Sociale Zaken dient de gemotiveerde beslissing aan het ziekenfonds of de landsbond te worden betekend binnen de dertig kalenderdagen vanaf de datum van het beroep. Bij gebrek aan notificatie binnen deze termijn worden de desbetreffende statutaire bepalingen geacht de goedkeuring te hebben verkregen.".
Art. 126. L'article 11 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par la loi du 20 juillet 1991, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 11. - § 1er. Les statuts, la liste des administrateurs, ainsi que les modifications à ces statuts et à cette liste sont transmis à l'Office de contrôle.
La forme des documents visés dans l'alinéa précédent, ainsi que les informations à transmettre à l'appui d'une demande d'approbation de statuts ou de leurs modifications, sont fixées et prescrites par l'Office de contrôle sous peine d'irrecevabilité.
L'Office de contrôle se prononce au sujet des statuts et de leurs modifications dans un délai maximum de trente jours civils à partir de la date à laquelle ces statuts ou les modifications de ceux-ci lui ont été transmis. Sauf dans le cas d'irrecevabilité, ce délai peut être prolongé de quarante-cinq jours civils à l'initiative de l'Office de contrôle. Ce dernier en donne connaissance à la mutualité ou à l'union nationale. A l'expiration de ce délai, l'approbation est considérée comme étant accordée.
Le recours exercé par le commissaire du gouvernement auprès du Ministre des Affaires sociales contre la décision de l'Office de contrôle, en application de l'article 10 de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public suspend le délai mentionné à l'alinéa précédent.
§ 2. Les dispositions statutaires et leurs modifications ne sont approuvées par l'Office de contrôle que lorsqu'elles ne sont pas contraires aux dispositions légales et réglementaires et quand elles ne mettent pas en péril l'équilibre financier de la mutualité ou de l'union nationale ou des services concernés.
§ 3. La décision de refus de l'Office de contrôle doit être motivée et est notifiée à la mutualité ou à l'union nationale concernée dans les trente jours civils après la décision. Si le commissaire du gouvernement a exercé un recours auprès du Ministre des Affaires sociales, comme prévu au § 1er, alinéa 4, la décision motivée doit être notifiée à la mutualité ou à l'union nationale dans un délai de trente jours civils à partir de la date du recours. A défaut de notification à l'expiration de ce délai, l'approbation des dispositions statutaires concernées est considérée comme étant accordée.".
"Art. 11. - § 1er. Les statuts, la liste des administrateurs, ainsi que les modifications à ces statuts et à cette liste sont transmis à l'Office de contrôle.
La forme des documents visés dans l'alinéa précédent, ainsi que les informations à transmettre à l'appui d'une demande d'approbation de statuts ou de leurs modifications, sont fixées et prescrites par l'Office de contrôle sous peine d'irrecevabilité.
L'Office de contrôle se prononce au sujet des statuts et de leurs modifications dans un délai maximum de trente jours civils à partir de la date à laquelle ces statuts ou les modifications de ceux-ci lui ont été transmis. Sauf dans le cas d'irrecevabilité, ce délai peut être prolongé de quarante-cinq jours civils à l'initiative de l'Office de contrôle. Ce dernier en donne connaissance à la mutualité ou à l'union nationale. A l'expiration de ce délai, l'approbation est considérée comme étant accordée.
Le recours exercé par le commissaire du gouvernement auprès du Ministre des Affaires sociales contre la décision de l'Office de contrôle, en application de l'article 10 de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public suspend le délai mentionné à l'alinéa précédent.
§ 2. Les dispositions statutaires et leurs modifications ne sont approuvées par l'Office de contrôle que lorsqu'elles ne sont pas contraires aux dispositions légales et réglementaires et quand elles ne mettent pas en péril l'équilibre financier de la mutualité ou de l'union nationale ou des services concernés.
§ 3. La décision de refus de l'Office de contrôle doit être motivée et est notifiée à la mutualité ou à l'union nationale concernée dans les trente jours civils après la décision. Si le commissaire du gouvernement a exercé un recours auprès du Ministre des Affaires sociales, comme prévu au § 1er, alinéa 4, la décision motivée doit être notifiée à la mutualité ou à l'union nationale dans un délai de trente jours civils à partir de la date du recours. A défaut de notification à l'expiration de ce délai, l'approbation des dispositions statutaires concernées est considérée comme étant accordée.".
Art. 127. Artikel 12 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd door de wet van 26 juni 1992 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 12. - § 1. De ziekenfondsen en de landsbonden bezitten de rechtspersoonlijkheid vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing van de Minister of de Controledienst tot goedkeuring van hun statuten. Deze bekendmaking, waaraan de lijst van bestuurders wordt toegevoegd, geschiedt op initiatief van de Controledienst binnen een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de statuten zijn goedgekeurd.
De beslissing tot goedkeuring van de statutenwijzigingen wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt.
De wijzigingen aan de lijst van de bestuurders worden echter bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op initiatief van het ziekenfonds of van de landsbond.
In geval van goedkeuring ingevolge het verstrijken van de in artikel 11 bepaalde termijnen, wordt de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vervangen door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, van een bericht waaruit blijkt dat ingevolge het verstrijken van de termijnen de goedkeuring geacht wordt te zijn verkregen. Deze bekendmaking, die gebeurt op initiatief van de Controledienst, heeft plaats binnen de dertig kalenderdagen na het verstrijken van deze termijnen.
§ 2. Elkeen kan, ten maatschappelijke zetel of op de Controledienst kosteloos kennis nemen van de statuten en van de lijst van bestuurders en hiervan een kopie te krijgen.".
"Art. 12. - § 1. De ziekenfondsen en de landsbonden bezitten de rechtspersoonlijkheid vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing van de Minister of de Controledienst tot goedkeuring van hun statuten. Deze bekendmaking, waaraan de lijst van bestuurders wordt toegevoegd, geschiedt op initiatief van de Controledienst binnen een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de datum waarop de statuten zijn goedgekeurd.
De beslissing tot goedkeuring van de statutenwijzigingen wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt.
De wijzigingen aan de lijst van de bestuurders worden echter bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op initiatief van het ziekenfonds of van de landsbond.
In geval van goedkeuring ingevolge het verstrijken van de in artikel 11 bepaalde termijnen, wordt de bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vervangen door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, van een bericht waaruit blijkt dat ingevolge het verstrijken van de termijnen de goedkeuring geacht wordt te zijn verkregen. Deze bekendmaking, die gebeurt op initiatief van de Controledienst, heeft plaats binnen de dertig kalenderdagen na het verstrijken van deze termijnen.
§ 2. Elkeen kan, ten maatschappelijke zetel of op de Controledienst kosteloos kennis nemen van de statuten en van de lijst van bestuurders en hiervan een kopie te krijgen.".
Art. 127. L'article 12 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités modifié par la loi du 26 juin 1992 est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 12. - § 1er. Les mutualités et les unions nationales jouissent de la personnalité juridique à dater de la publication au Moniteur belge de la décision du Ministre ou de l'Office de contrôle portant approbation de leurs statuts. Cette publication, à laquelle est jointe la liste des administrateurs, se fait à l'initiative de l'Office de contrôle dans un délai de trente jours civils à partir de la date d'approbation des statuts.
La décision portant approbation des modifications des statuts est publiée de la même manière.
Toutefois, pour ce qui concerne les modifications à la liste des administrateurs, la publication au Moniteur belge se fait à l'initiative de la mutualité ou de l'union nationale.
Dans le cas d'approbation suite à l'expiration des délais visés à l'article 11, la publication de la décision, visée à l'alinéa 1er, est remplacée par la publication au Moniteur belge d'un avis aux termes duquel l'approbation est considérée comme accordée suite à l'expiration des délais. Cette publication, réalisée à l'initiative de l'Office de contrôle, intervient dans les trente jours civils à dater de l'expiration de ces délais.
§ 2. Toute personne peut prendre connaissance, gratuitement, au siège social ou à l'Office de contrôle, des statuts et de la liste des administrateurs et en obtenir copie.".
"Art. 12. - § 1er. Les mutualités et les unions nationales jouissent de la personnalité juridique à dater de la publication au Moniteur belge de la décision du Ministre ou de l'Office de contrôle portant approbation de leurs statuts. Cette publication, à laquelle est jointe la liste des administrateurs, se fait à l'initiative de l'Office de contrôle dans un délai de trente jours civils à partir de la date d'approbation des statuts.
La décision portant approbation des modifications des statuts est publiée de la même manière.
Toutefois, pour ce qui concerne les modifications à la liste des administrateurs, la publication au Moniteur belge se fait à l'initiative de la mutualité ou de l'union nationale.
Dans le cas d'approbation suite à l'expiration des délais visés à l'article 11, la publication de la décision, visée à l'alinéa 1er, est remplacée par la publication au Moniteur belge d'un avis aux termes duquel l'approbation est considérée comme accordée suite à l'expiration des délais. Cette publication, réalisée à l'initiative de l'Office de contrôle, intervient dans les trente jours civils à dater de l'expiration de ces délais.
§ 2. Toute personne peut prendre connaissance, gratuitement, au siège social ou à l'Office de contrôle, des statuts et de la liste des administrateurs et en obtenir copie.".
Art. 128. In artikel 44, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "door de Minister" vervangen door de woorden "door de Controledienst".
Art. 128. Dans l'article 44, § 2, alinéa 1er, de la même loi, les mots "par le Ministre" sont remplacés par les mots "par l'Office de contrôle".
Art. 129. Artikel 14, § 1, eerste lid van dezelfde wet, wordt vervangen door het volgende lid :
"De algemene vergadering van een ziekenfonds is samengesteld uit vertegenwoordigers die worden verkozen in hun schoot voor een duur van zes jaar, door de leden en de personen te hunnen laste die meerderjarig of ontvoogd zijn en die hun woonplaats in België hebben.".
"De algemene vergadering van een ziekenfonds is samengesteld uit vertegenwoordigers die worden verkozen in hun schoot voor een duur van zes jaar, door de leden en de personen te hunnen laste die meerderjarig of ontvoogd zijn en die hun woonplaats in België hebben.".
Art. 129. L'article 14, § 1er, alinéa 1er, de la même loi est remplacé par l'alinéa suivant :
"L'assemblée générale d'une mutualité est composée de représentants élus en son sein pour une durée de six ans par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées qui résident en Belgique.".
"L'assemblée générale d'une mutualité est composée de représentants élus en son sein pour une durée de six ans par les membres et les personnes à leur charge majeures ou émancipées qui résident en Belgique.".
Art. 130. Een artikel 43bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
"Art. 43bis. - § 1. Ziekenfondsen die deel uitmaken van éénzelfde landsbond, kunnen voor de uitvoering van sommige taken bedoeld in artikel 3, en zonder afbreuk te doen van artikel 3, tweede lid, bepaalde diensten samen organiseren of groeperen in een nieuwe op te richten entiteit onder de vorm van een maatschappij van onderlinge bijstand.
§ 2. Deze vorm van samenwerking maakt het voorwerp uit van een beraadslaging van de algemene vergadering van de betrokken ziekenfondsen, die hiertoe speciaal wordt bijeengeroepen. De bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12, §§ 2 en 3, zijn hierop van toepassing.
Het bericht van bijeenroeping vermeldt :
1° de redenen van de samenwerking;
2° de rechten en verplichtingen van de betrokken ziekenfondsen, van hun leden en van de personen te hunnen laste;
3° de bestemming van de maatschappelijke fondsen met betrekking tot de desbetreffende diensten;
4° de statutenwijzigingen en de nieuwe statuten van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand.
§ 3. De oprichting van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand ten gevolge van de groepering van diensten van ziekenfondsen treedt in werking vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de goedkeuring van de statuten door de Controledienst.
De groepering van diensten van ziekenfondsen moet tevens worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de landsbond waartoe zij behoren.".
"Art. 43bis. - § 1. Ziekenfondsen die deel uitmaken van éénzelfde landsbond, kunnen voor de uitvoering van sommige taken bedoeld in artikel 3, en zonder afbreuk te doen van artikel 3, tweede lid, bepaalde diensten samen organiseren of groeperen in een nieuwe op te richten entiteit onder de vorm van een maatschappij van onderlinge bijstand.
§ 2. Deze vorm van samenwerking maakt het voorwerp uit van een beraadslaging van de algemene vergadering van de betrokken ziekenfondsen, die hiertoe speciaal wordt bijeengeroepen. De bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12, §§ 2 en 3, zijn hierop van toepassing.
Het bericht van bijeenroeping vermeldt :
1° de redenen van de samenwerking;
2° de rechten en verplichtingen van de betrokken ziekenfondsen, van hun leden en van de personen te hunnen laste;
3° de bestemming van de maatschappelijke fondsen met betrekking tot de desbetreffende diensten;
4° de statutenwijzigingen en de nieuwe statuten van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand.
§ 3. De oprichting van de Maatschappij van Onderlinge Bijstand ten gevolge van de groepering van diensten van ziekenfondsen treedt in werking vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op de goedkeuring van de statuten door de Controledienst.
De groepering van diensten van ziekenfondsen moet tevens worden goedgekeurd door de algemene vergadering van de landsbond waartoe zij behoren.".
Art. 130. Un article 43bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
"Art. 43bis. - § 1er. Les mutualités qui font partie d'une même union nationale, peuvent organiser ensemble ou grouper certains services dans une nouvelle entité à créer sous la forme d'une société mutualiste en vue de l'exécution de certaines tâches telles que stipulées à l'article 3 et ceci sans préjudice de l'article 3, alinéa 2.
§ 2. Cette forme de collaboration fait l'objet d'une délibération de l'assemblée générale des mutualités concernées qui est convoquée spécialement dans ce but. Les dispositions des articles 10, 11 et 12, §§ 2 et 3 s'appliquent.
La convocation mentionne les points suivants :
1° les raisons de la collaboration;
2° les droits et les obligations des mutualités concernées, de leurs membres et des personnes à leur charge;
3° l'affectation des fonds sociaux par rapport aux services concernés;
4° les modifications de statuts et nouveaux statuts de la société mutualiste.
§ 3. La création d'une société mutualiste suite au groupement de services de mutualités entre en vigueur à partir du 1er janvier de l'année civile qui suit l'approbation des statuts par l'Office de contrôle.
Le groupement de services de mutualités doit également être approuvé par l'assemblée générale de l'union nationale dont elles font parties.".
"Art. 43bis. - § 1er. Les mutualités qui font partie d'une même union nationale, peuvent organiser ensemble ou grouper certains services dans une nouvelle entité à créer sous la forme d'une société mutualiste en vue de l'exécution de certaines tâches telles que stipulées à l'article 3 et ceci sans préjudice de l'article 3, alinéa 2.
§ 2. Cette forme de collaboration fait l'objet d'une délibération de l'assemblée générale des mutualités concernées qui est convoquée spécialement dans ce but. Les dispositions des articles 10, 11 et 12, §§ 2 et 3 s'appliquent.
La convocation mentionne les points suivants :
1° les raisons de la collaboration;
2° les droits et les obligations des mutualités concernées, de leurs membres et des personnes à leur charge;
3° l'affectation des fonds sociaux par rapport aux services concernés;
4° les modifications de statuts et nouveaux statuts de la société mutualiste.
§ 3. La création d'une société mutualiste suite au groupement de services de mutualités entre en vigueur à partir du 1er janvier de l'année civile qui suit l'approbation des statuts par l'Office de contrôle.
Le groupement de services de mutualités doit également être approuvé par l'assemblée générale de l'union nationale dont elles font parties.".
Art. 131. Een artikel 43ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
"Art. 43ter. - Elk akkoord met een landsbond of een ziekenfonds dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een verzekeringsproduct, zoals bepaald in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, alsook van een bankproduct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, is verboden, ook indien deze producten speciaal werden ontworpen voor of voorbehouden zijn aan leden van een ziekenfonds of een landsbond.
Is eveneens verboden, elk akkoord dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in de artikelen 3 en 7, § 4, van onderhavige wet, in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteiten van de banksector zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
De promotie, distributie of de verkoop van de produkten of diensten, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden op onweerlegbare wijze vermoed het gevolg te zijn van een geschreven of een stilzwijgend akkoord.
Bestaande akkoorden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn zonder uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand volgend op de inwerkingtreding van dit artikel.".
"Art. 43ter. - Elk akkoord met een landsbond of een ziekenfonds dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een verzekeringsproduct, zoals bepaald in de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, alsook van een bankproduct, zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, is verboden, ook indien deze producten speciaal werden ontworpen voor of voorbehouden zijn aan leden van een ziekenfonds of een landsbond.
Is eveneens verboden, elk akkoord dat tot voorwerp heeft de promotie, distributie of verkoop van een dienst, ingericht door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald in de artikelen 3 en 7, § 4, van onderhavige wet, in het kader van beroepsactiviteiten die geheel of gedeeltelijk vallen binnen de werkingssfeer van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen of ressorteren onder de activiteiten van de banksector zoals bepaald in de wet van 22 maart 1993 betreffende het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
De promotie, distributie of de verkoop van de produkten of diensten, bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden op onweerlegbare wijze vermoed het gevolg te zijn van een geschreven of een stilzwijgend akkoord.
Bestaande akkoorden, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn zonder uitwerking vanaf de eerste dag van de vierde maand volgend op de inwerkingtreding van dit artikel.".
Art. 131. Un article 43ter, libellé comme suit, est inséré dans la même loi :
"Art. 43ter. - Est interdit tout accord avec une union nationale ou une mutualité ayant pour objet la promotion, la distribution ou la vente d'un produit d'assurance au sens de la loi du 25 juin 1992 relative aux assurances terrestres ou d'un produit bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit, même si ces produits ont été spécialement conçus pour des membres d'une mutualité ou d'une union nationale ou leur sont réservés.
Est interdit également tout accord ayant pour objet la promotion, la distribution ou la vente d'un service organisé par une union nationale ou une mutualité au sens des articles 3 et 7, § 4, de la présente loi, dans le cadre d'activités professionnelles qui entrent totalement ou partiellement dans le champ d'application de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et à la distribution d'assurances ou qui relève de l'activité bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit.
La promotion, la distribution ou la vente des produits et services vises aux alinéas 1er et 2 sont présumées de manière irréfragable être effectuées en vertu d'un accord écrit ou tacite.
Les accords existants visés aux alinéas 1er et 2 cessent de produire leurs effets le premier jour du quatrième mois qui suit l'entrée en vigueur du présent article.".
"Art. 43ter. - Est interdit tout accord avec une union nationale ou une mutualité ayant pour objet la promotion, la distribution ou la vente d'un produit d'assurance au sens de la loi du 25 juin 1992 relative aux assurances terrestres ou d'un produit bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit, même si ces produits ont été spécialement conçus pour des membres d'une mutualité ou d'une union nationale ou leur sont réservés.
Est interdit également tout accord ayant pour objet la promotion, la distribution ou la vente d'un service organisé par une union nationale ou une mutualité au sens des articles 3 et 7, § 4, de la présente loi, dans le cadre d'activités professionnelles qui entrent totalement ou partiellement dans le champ d'application de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et à la distribution d'assurances ou qui relève de l'activité bancaire au sens de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des institutions de crédit.
La promotion, la distribution ou la vente des produits et services vises aux alinéas 1er et 2 sont présumées de manière irréfragable être effectuées en vertu d'un accord écrit ou tacite.
Les accords existants visés aux alinéas 1er et 2 cessent de produire leurs effets le premier jour du quatrième mois qui suit l'entrée en vigueur du présent article.".
Art. 132. Artikel 70, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld met het volgend lid :
"Verkrijgt eveneens de hoedanigheid van "maatschappij van onderlinge bijstand" de entiteit die krachtens artikel 43bis van deze wet is ontstaan ingevolge een groepering van diensten en minstens één dienst zoals bedoeld in artikel 3, b, organiseert.".
"Verkrijgt eveneens de hoedanigheid van "maatschappij van onderlinge bijstand" de entiteit die krachtens artikel 43bis van deze wet is ontstaan ingevolge een groepering van diensten en minstens één dienst zoals bedoeld in artikel 3, b, organiseert.".
Art. 132. L'article 70, § 2, de la même loi, est complété par l'alinéa suivant :
"Obtient également la qualité de "société mutualiste", l'entité constituée en vertu de l'article 43bisde cette loi suite au groupement de services et qui organise au moins un des services visés à l'article 3, b.".
"Obtient également la qualité de "société mutualiste", l'entité constituée en vertu de l'article 43bisde cette loi suite au groupement de services et qui organise au moins un des services visés à l'article 3, b.".
Afdeling VII. - Over de heffing op de omzet van de farmaceutische produkten.
Section VII. - De la cotisation sur le chiffre d'affaires des produits pharmaceutiques.
Art. 133. Artikel 191, 15°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1984 en de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"15° de opbrengst van een heffing op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijsten die gevoegd zijn bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen en gelijkgestelde produkten.
Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd.
Voor 1995, 1996 en 1998 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2, 3 en op 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995 en 1997 is verwezenlijkt.
Van de aangegeven totale omzet, berekend op basis van de prijs buiten-bedrijf of buiten-invoerder, moet een aangifte worden gedaan die is opgesplitst per publiekverpakking of, bij ontstentenis daarvan, per stukverpakking van de in het eerste lid beoogde geneesmiddelen.
De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en bij een ter post aangetekende brief te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, Tervurenlaan 211, 1150 Brussel. Voor 1995, 1996 en 1998, dienen ze respectievelijk worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996 en 1 februari 1998.
Voor 1995, 1996 en 1998 dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996 en 1 maart 1998 op rekening nr 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding "heffing omzet 1994", "heffing omzet 1995" of "heffing omzet 1997".
De voornoemde Dienst zorgt voor het innen van de bovengenoemde heffing alsook voor het toezicht.
De schuldenaar die de bovengenoemde heffing niet binnen de in het zesde lid vastgestelde termijnen stort, is een opslag ten belope van 10 % van die heffing verschuldigd, alsmede een op die heffing verrekende verwijlinterest die gelijk is aan de wettelijke rentevoet.
De Algemene Raad kan aan de in het tweede lid bedoelde schuldenaar vrijstelling of vermindering van de opslag van de vergoeding of van de verwijlinterest toestaan op voorwaarde dat :
- alle vroegere betalingen door de betrokken schuldenaar zijn verricht binnen de vastgestelde termijn;
- de in derde lid bedoelde omzet binnen de vastgestelde termijn is meegedeeld op een wijze die het mogelijk maakt dat de verschuldigde bedragen worden gecontroleerd;
- de schuldenaar deugdelijk kan verantwoorden dat het hem onmogelijk is geweest de verschuldigde som binnen de vastgestelde termijn te storten.
De door de Algemene Raad toegekende vrijstelling kan slechts volledig zijn indien de schuldenaar :
- ofwel het bewijs van een geval van overmacht levert, dit wil zeggen van een gebeurtenis die hem volledig vreemd en onafhankelijk van zijn wil is, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk is en die het hem volstrekt onmogelijk heeft gemaakt zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die aan het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, het hebben voorbereid of het hebben vergezeld;
- ofwel bewijst dat hij op het ogenblik dat de storting eisbaar was, een vaste en eisbare schuldvordering bezat die hem niet toeliet zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen en hij de Algemene Raad daarover heeft geïnformeerd;
- ofwel behoorlijk aangetoonde dwingende redenen kan aanvoeren.
In alle andere uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de schuldenaar het bewijs kan leveren, kan de Algemene Raad een vermindering met de helft van de verschuldigde opslag en/of van de verwijlinterest toestaan.
De verwijlinterest tegen de wettelijke rentevoet wordt toegepast op het bedrag dat niet binnen de vastgestelde termijn is betaald en wordt berekend naar rata van het aantal dagen dat is verstreken tussen de datum waarop de betaling had moeten verricht worden en de dag waarop ze effectief is uitgevoerd.
De ontvangsten die volgen uit de voornoemde heffing zullen in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen worden in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994 en 1996 voor de heffing omzet 1995.".
"15° de opbrengst van een heffing op het omzetcijfer dat is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen die zijn ingeschreven op de lijsten die gevoegd zijn bij het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen en gelijkgestelde produkten.
Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd.
Voor 1995, 1996 en 1998 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2, 3 en op 4 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995 en 1997 is verwezenlijkt.
Van de aangegeven totale omzet, berekend op basis van de prijs buiten-bedrijf of buiten-invoerder, moet een aangifte worden gedaan die is opgesplitst per publiekverpakking of, bij ontstentenis daarvan, per stukverpakking van de in het eerste lid beoogde geneesmiddelen.
De voornoemde verklaringen dienen gedagtekend, ondertekend en waar en echt verklaard te worden en bij een ter post aangetekende brief te worden ingediend bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, Tervurenlaan 211, 1150 Brussel. Voor 1995, 1996 en 1998, dienen ze respectievelijk worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996 en 1 februari 1998.
Voor 1995, 1996 en 1998 dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996 en 1 maart 1998 op rekening nr 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding "heffing omzet 1994", "heffing omzet 1995" of "heffing omzet 1997".
De voornoemde Dienst zorgt voor het innen van de bovengenoemde heffing alsook voor het toezicht.
De schuldenaar die de bovengenoemde heffing niet binnen de in het zesde lid vastgestelde termijnen stort, is een opslag ten belope van 10 % van die heffing verschuldigd, alsmede een op die heffing verrekende verwijlinterest die gelijk is aan de wettelijke rentevoet.
De Algemene Raad kan aan de in het tweede lid bedoelde schuldenaar vrijstelling of vermindering van de opslag van de vergoeding of van de verwijlinterest toestaan op voorwaarde dat :
- alle vroegere betalingen door de betrokken schuldenaar zijn verricht binnen de vastgestelde termijn;
- de in derde lid bedoelde omzet binnen de vastgestelde termijn is meegedeeld op een wijze die het mogelijk maakt dat de verschuldigde bedragen worden gecontroleerd;
- de schuldenaar deugdelijk kan verantwoorden dat het hem onmogelijk is geweest de verschuldigde som binnen de vastgestelde termijn te storten.
De door de Algemene Raad toegekende vrijstelling kan slechts volledig zijn indien de schuldenaar :
- ofwel het bewijs van een geval van overmacht levert, dit wil zeggen van een gebeurtenis die hem volledig vreemd en onafhankelijk van zijn wil is, redelijkerwijze niet te voorzien en menselijk onoverkomelijk is en die het hem volstrekt onmogelijk heeft gemaakt zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen; bovendien mag de schuldenaar zich geen enkele fout te verwijten hebben in de gebeurtenissen, die aan het overkomen van die vreemde oorzaak zijn voorafgegaan, het hebben voorbereid of het hebben vergezeld;
- ofwel bewijst dat hij op het ogenblik dat de storting eisbaar was, een vaste en eisbare schuldvordering bezat die hem niet toeliet zijn verplichting binnen de vastgestelde termijn na te komen en hij de Algemene Raad daarover heeft geïnformeerd;
- ofwel behoorlijk aangetoonde dwingende redenen kan aanvoeren.
In alle andere uitzonderlijke omstandigheden waarvoor de schuldenaar het bewijs kan leveren, kan de Algemene Raad een vermindering met de helft van de verschuldigde opslag en/of van de verwijlinterest toestaan.
De verwijlinterest tegen de wettelijke rentevoet wordt toegepast op het bedrag dat niet binnen de vastgestelde termijn is betaald en wordt berekend naar rata van het aantal dagen dat is verstreken tussen de datum waarop de betaling had moeten verricht worden en de dag waarop ze effectief is uitgevoerd.
De ontvangsten die volgen uit de voornoemde heffing zullen in de rekening van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging opgenomen worden in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994 en 1996 voor de heffing omzet 1995.".
Art. 133. L'article 191, 15°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par l'arrêté royal du 12 août 1994 et la loi du 20 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
"15° le produit d'une cotisation sur le chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge des médicaments inscrits dans les listes qui sont annexées à l'arrêté royal du 2 septembre 1980 fixant les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité intervient dans le coût des spécialités pharmaceutiques et produits assimilés.
Cette cotisation est à charge des entreprises pharmaceutiques qui ont réalisé ce chiffre d'affaires durant l'année précédant celle pour laquelle la cotisation est due.
Pour les années 1995, 1996 et 1998, le montant de cette cotisation est fixé respectivement à 2, 3 et 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement durant les années 1994, 1995 et 1997.
Le chiffre d'affaires total, calculé au niveau ex-usine ou ex-importateur, fait l'objet d'une déclaration qui doit être ventilée par conditionnement public ou, à défaut, par conditionnement unitaire de médicaments visés à l'alinéa 1er.
Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes et doivent être introduites, par pli recommandé à la poste, au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, avenue de Tervuren 211, 1150 Bruxelles. Pour les années 1995, 1996 et 1998 elles doivent être introduites respectivement avant le 1er février 1996, le 1er novembre 1996 et le 1er février 1998.
Pour les années 1995, 1996 et 1998, la cotisation doit être versée respectivement avant le 1er mars 1996, le 1er décembre 1996 et le 1er mars 1998 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant, suivant l'année concernée, la mention : "cotisation chiffre d'affaires 1994", "cotisation chiffre d'affaires 1995" ou "cotisation chiffre d'affaires 1997".
Le Service susvisé assure la perception de la cotisation susvisée ainsi que le contrôle.
Le débiteur qui ne verse pas la cotisation susvisée dans les délais fixés à l'alinéa 6 est redevable d'une majoration égale à 10 % de cette cotisation, ainsi que d'un intérêt de retard sur ladite cotisation, calculé au taux d'intérêt légal.
Le Conseil général peut accorder au débiteur visé à l'alinéa 2 l'exonération ou la réduction de la majoration de la redevance ou de l'intérêt de retard à condition que :
- tous les paiements effectués antérieurement par le débiteur concerné l'aient été dans le délai fixé;
- les chiffres d'affaires visés à l'alinéa 3 aient été communiqués dans le délai fixé et de manière à permettre le contrôle des montants dus;
- le débiteur puisse dûment justifier qu'il lui a été impossible de verser la somme due dans le délai fixé.
L'exonération accordée par le Conseil général ne peut être totale que si le débiteur :
- soit justifie de l'existence d'un cas de force majeure, c'est-à-dire d'un événement qui lui est totalement étranger et indépendant de sa volonté, raisonnablement imprévisible et humainement insurmontable, qui l'a placé dans l'impossibilité absolue d'exécuter son obligation dans les délais prévus; il faut en outre que le débiteur ne puisse se reprocher aucune faute dans les événements qui ont précédé, préparé ou accompagné la survenance de cette cause étrangère;
D soit prouve qu'au moment de l'exigibilité du versement, il possédait une créance certaine et exigible qui ne lui permettait pas d'exécuter son obligation dans le délai prévu et que le Conseil général en ait été informé;
- soit peut invoquer des raisons impérieuses dûment prouvées.
Dans les autres cas de circonstances exceptionnelles dont le débiteur peut apporter la preuve, le Conseil général peut accorder une réduction de moitié de la majoration de la redevance et/ou de l'intérêt de retard.
L'intérêt de retard selon le taux d'intérêt légal s'applique sur le montant non payé dans le délai prévu et est calculé au prorata du nombre de jours écoulés entre la date où le paiement aurait du être effectué et le jour où il l'a été effectivement.
Les recettes qui résultent de la cotisation susvisée, sont imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé respectivement pour l'année comptable 1995 pour la cotisation chiffre d'affaires 1994 et 1996 pour la cotisation chiffre d'affaires 1995.".
"15° le produit d'une cotisation sur le chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge des médicaments inscrits dans les listes qui sont annexées à l'arrêté royal du 2 septembre 1980 fixant les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité intervient dans le coût des spécialités pharmaceutiques et produits assimilés.
Cette cotisation est à charge des entreprises pharmaceutiques qui ont réalisé ce chiffre d'affaires durant l'année précédant celle pour laquelle la cotisation est due.
Pour les années 1995, 1996 et 1998, le montant de cette cotisation est fixé respectivement à 2, 3 et 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement durant les années 1994, 1995 et 1997.
Le chiffre d'affaires total, calculé au niveau ex-usine ou ex-importateur, fait l'objet d'une déclaration qui doit être ventilée par conditionnement public ou, à défaut, par conditionnement unitaire de médicaments visés à l'alinéa 1er.
Les déclarations susvisées doivent être datées, signées, certifiées sincères et exactes et doivent être introduites, par pli recommandé à la poste, au Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, avenue de Tervuren 211, 1150 Bruxelles. Pour les années 1995, 1996 et 1998 elles doivent être introduites respectivement avant le 1er février 1996, le 1er novembre 1996 et le 1er février 1998.
Pour les années 1995, 1996 et 1998, la cotisation doit être versée respectivement avant le 1er mars 1996, le 1er décembre 1996 et le 1er mars 1998 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant, suivant l'année concernée, la mention : "cotisation chiffre d'affaires 1994", "cotisation chiffre d'affaires 1995" ou "cotisation chiffre d'affaires 1997".
Le Service susvisé assure la perception de la cotisation susvisée ainsi que le contrôle.
Le débiteur qui ne verse pas la cotisation susvisée dans les délais fixés à l'alinéa 6 est redevable d'une majoration égale à 10 % de cette cotisation, ainsi que d'un intérêt de retard sur ladite cotisation, calculé au taux d'intérêt légal.
Le Conseil général peut accorder au débiteur visé à l'alinéa 2 l'exonération ou la réduction de la majoration de la redevance ou de l'intérêt de retard à condition que :
- tous les paiements effectués antérieurement par le débiteur concerné l'aient été dans le délai fixé;
- les chiffres d'affaires visés à l'alinéa 3 aient été communiqués dans le délai fixé et de manière à permettre le contrôle des montants dus;
- le débiteur puisse dûment justifier qu'il lui a été impossible de verser la somme due dans le délai fixé.
L'exonération accordée par le Conseil général ne peut être totale que si le débiteur :
- soit justifie de l'existence d'un cas de force majeure, c'est-à-dire d'un événement qui lui est totalement étranger et indépendant de sa volonté, raisonnablement imprévisible et humainement insurmontable, qui l'a placé dans l'impossibilité absolue d'exécuter son obligation dans les délais prévus; il faut en outre que le débiteur ne puisse se reprocher aucune faute dans les événements qui ont précédé, préparé ou accompagné la survenance de cette cause étrangère;
D soit prouve qu'au moment de l'exigibilité du versement, il possédait une créance certaine et exigible qui ne lui permettait pas d'exécuter son obligation dans le délai prévu et que le Conseil général en ait été informé;
- soit peut invoquer des raisons impérieuses dûment prouvées.
Dans les autres cas de circonstances exceptionnelles dont le débiteur peut apporter la preuve, le Conseil général peut accorder une réduction de moitié de la majoration de la redevance et/ou de l'intérêt de retard.
L'intérêt de retard selon le taux d'intérêt légal s'applique sur le montant non payé dans le délai prévu et est calculé au prorata du nombre de jours écoulés entre la date où le paiement aurait du être effectué et le jour où il l'a été effectivement.
Les recettes qui résultent de la cotisation susvisée, sont imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé respectivement pour l'année comptable 1995 pour la cotisation chiffre d'affaires 1994 et 1996 pour la cotisation chiffre d'affaires 1995.".
Art. 134. In artikel 191 van dezelfde gecoördineerde wet wordt een 15°bis ingevoegd, luidend als volgt :
"15°bis. de opbrengst van een bijkomende heffing op de omzet die is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen, bedoeld in artikel 34, 5°, b) en c), ingeschreven op de lijsten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek of een geneesmiddelendepot aan ter verpleging opgenomen rechthebbenden of aan niet ter verpleging opgenomen rechthebbenden.
Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd.
Voor het jaar 1998 wordt het bedrag van de heffing vastgesteld op 4 pct van de omzet verwezenlijkt in het jaar 1997.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, meer bepaald met betrekking tot de aangifte, de controle en de inning, alsook met betrekking tot de verdeling van de opbrengst en het gedeelte ervan dat bestemd is voor de financiering van andere regelingen van verzekering voor geneeskundige verzorging.
De schuldenaar die de verschuldigde heffing niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, in aan het Instituut een opslag en een verwijlinterest verschuldigd waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Koning. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van de verschuldigde heffing en de op deze heffing berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Instituut de schuldenaar bedoeld in het vorige lid, vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de heffing en van de verwijlinterest.".
"15°bis. de opbrengst van een bijkomende heffing op de omzet die is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen, bedoeld in artikel 34, 5°, b) en c), ingeschreven op de lijsten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen en afgeleverd door een ziekenhuisapotheek of een geneesmiddelendepot aan ter verpleging opgenomen rechthebbenden of aan niet ter verpleging opgenomen rechthebbenden.
Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar dat voorafgaat aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd.
Voor het jaar 1998 wordt het bedrag van de heffing vastgesteld op 4 pct van de omzet verwezenlijkt in het jaar 1997.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, meer bepaald met betrekking tot de aangifte, de controle en de inning, alsook met betrekking tot de verdeling van de opbrengst en het gedeelte ervan dat bestemd is voor de financiering van andere regelingen van verzekering voor geneeskundige verzorging.
De schuldenaar die de verschuldigde heffing niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, in aan het Instituut een opslag en een verwijlinterest verschuldigd waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Koning. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van de verschuldigde heffing en de op deze heffing berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Instituut de schuldenaar bedoeld in het vorige lid, vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de heffing en van de verwijlinterest.".
Art. 134. Dans l'article 191 de la même loi coordonnée est inséré un 15°bis, libellé comme suit :
"15°bis. le produit d'une cotisation complémentaire sur le chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge des médicaments visés à l'article 34, 5°, b) et c), inscrits dans les listes de fournitures pharmaceutiques remboursables et délivrés par une officine hospitalière ou un dépôt de médicaments à des bénéficiaires hospitalisés ou à des bénéficiaires non-hospitalisés.
Cette cotisation est à charge des entreprises pharmaceutiques qui ont réalisé ce chiffre d'affaires durant l'année précédant celle pour laquelle la cotisation est due.
Pour l'année 1998, le montant de cette cotisation est fixé à 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 1997.
Le Roi fixe les modalités d'application de la présente disposition, en ce qui concerne notamment la déclaration, le contrôle et le recouvrement ainsi qu'en ce qui concerne la répartition de la ressource et la partie de celle-ci destinée au financement d'autres régimes d'assurance soins de santé.
Le débiteur, qui ne verse pas dans le délai fixé par le Roi la cotisation due, est redevable à l'Institut d'une majoration et d'un intérêt de retard dont le montant et les conditions d'application sont fixés par le Roi. La majoration ne peut toutefois être supérieure à 10 % de la cotisation due et l'intérêt de retard calcule ne peut excéder le taux d'intérêt légal.
Le Roi détermine également les conditions dans lesquelles l'Institut peut accorder au débiteur visé à l'alinéa précédent, l'exonération ou la réduction de la majoration de cotisation ou de l'intérêt de retard.".
"15°bis. le produit d'une cotisation complémentaire sur le chiffre d'affaires réalisé sur le marché belge des médicaments visés à l'article 34, 5°, b) et c), inscrits dans les listes de fournitures pharmaceutiques remboursables et délivrés par une officine hospitalière ou un dépôt de médicaments à des bénéficiaires hospitalisés ou à des bénéficiaires non-hospitalisés.
Cette cotisation est à charge des entreprises pharmaceutiques qui ont réalisé ce chiffre d'affaires durant l'année précédant celle pour laquelle la cotisation est due.
Pour l'année 1998, le montant de cette cotisation est fixé à 4 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 1997.
Le Roi fixe les modalités d'application de la présente disposition, en ce qui concerne notamment la déclaration, le contrôle et le recouvrement ainsi qu'en ce qui concerne la répartition de la ressource et la partie de celle-ci destinée au financement d'autres régimes d'assurance soins de santé.
Le débiteur, qui ne verse pas dans le délai fixé par le Roi la cotisation due, est redevable à l'Institut d'une majoration et d'un intérêt de retard dont le montant et les conditions d'application sont fixés par le Roi. La majoration ne peut toutefois être supérieure à 10 % de la cotisation due et l'intérêt de retard calcule ne peut excéder le taux d'intérêt légal.
Le Roi détermine également les conditions dans lesquelles l'Institut peut accorder au débiteur visé à l'alinéa précédent, l'exonération ou la réduction de la majoration de cotisation ou de l'intérêt de retard.".
Art. 135. Artikel 134 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 134 vastgesteld op 10-01-2000 door KB 2000-10-27/31, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 134 vastgesteld op 10-01-2000 door KB 2000-10-27/31, art. 1)
Art. 135. L'article 134 entre en vigueur à la date déterminée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 134 fixée le 10-01-2000 par AR 2000-10-27/31, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 134 fixée le 10-01-2000 par AR 2000-10-27/31, art. 1)
Art. 136. Het koninklijk besluit van 22 december 1995, waarbij voor het jaar 1995, de heffing op de omzet van sommige farmaceutische produkten nader wordt geregeld en het koninklijk besluit van 28 oktober 1996, waarbij voor het jaar 1996, de heffing op de omzet van sommige farmaceutische produkten nader wordt geregeld worden ingetrokken.
Alle formaliteiten die in uitvoering van voornoemde besluiten werden vervuld, worden geacht te zijn vervuld in uitvoering van de bepalingen van de huidige afdeling. Alle sommen die in uitvoering van voornoemde besluiten werden betaald, blijven verworven op de datum waarop zij werden betaald.
Alle formaliteiten die in uitvoering van voornoemde besluiten werden vervuld, worden geacht te zijn vervuld in uitvoering van de bepalingen van de huidige afdeling. Alle sommen die in uitvoering van voornoemde besluiten werden betaald, blijven verworven op de datum waarop zij werden betaald.
Art. 136. L'arrêté royal du 22 décembre 1995 fixant, pour l'année 1995, les modalités relatives à la cotisation sur le chiffre d'affaires de certains produits pharmaceutiques et l'arrêté royal du 28 octobre 1996, fixant pour l'année 1996, les modalités relatives à la cotisation sur le chiffre d'affaires de certains produits pharmaceutiques sont rapportés.
Toutes les formalités accomplies en exécution des arrêtés précités sont réputées accomplies en exécution des dispositions de la présente section. Toutes les sommes versées en exécution des arrêtés précités restent acquises aux dates auxquelles elles ont été payées.
Toutes les formalités accomplies en exécution des arrêtés précités sont réputées accomplies en exécution des dispositions de la présente section. Toutes les sommes versées en exécution des arrêtés précités restent acquises aux dates auxquelles elles ont été payées.
Art. 137. In artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 februari 1997 houdende de vaststelling voor het jaar 1997 van een heffing op de omzet van sommige farmaceutische producten, met toepassing van artikel 3, § 1, 2° en 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 april 1997, worden de woorden "1 juni 1997" vervangen door de woorden "1 oktober 1997".
Art. 137. A l'article 6, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 4 février 1997 portant fixation pour l'année 1997 d'une cotisation sur le chiffre d'affaires de certains produits pharmaceutiques en application de l'article 3, § 1er, 2° et 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, modifié par l'arrêté royal du 16 avril 1997, les mots "1er juin 1997" sont remplacés par les mots "1er octobre 1997".
Art. 138. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Art. 138. La présente section produit ses effets le 1er janvier 1996.
Afdeling VIII. - Financiële bepalingen.
Section VIII. - Dispositions financières.
Art. 139. In afwijking van de bepalingen van artikel 32, §§ 1 en 2 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houden de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen wordt verruimd, en van de bepalingen van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, worden de rijkstoelagen in de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen voor de dienstjaren 1995 en 1996 vastgesteld als volgt :
- geneeskundige verzorging : 7 663,3 miljoen frank;
- uitkeringen : 2 317,0 miljoen frank.
- geneeskundige verzorging : 7 663,3 miljoen frank;
- uitkeringen : 2 317,0 miljoen frank.
Art. 139. Par dérogation aux dispositions de l'article 32, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants, et aux dispositions de l'article 73, alinéa 1er, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants, les subventions de l'Etat dans le régime de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités pour les exercices 1995 et 1996 sont fixées comme suit :
- soins de santé : 7 663,3 millions de francs;
- indemnités : 2 317,0 millions de francs.
- soins de santé : 7 663,3 millions de francs;
- indemnités : 2 317,0 millions de francs.
Art. 140. Een artikel 27bis, luidend als volgt, wordt in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen ingevoegd :
"Art. 27bis. - Er worden Rijkstoelagen toegekend aan de ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, die een dienst geneeskundige verzorging gedurende het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar hebben ingericht voor de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen die vrijwillig zijn toegetreden tot deze dienst voor de andere geneeskundige verstrekkingen dan die voorzien bij de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke op hen betrekking hebben.
Deze toelagen zijn vanaf het begrotingsjaar 1998 vastgesteld op 2 023 000 000 frank.
Dit bedrag wordt, met ingang van 1 januari 1998, gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der prijzen bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder dienst voor geneeskundige verzorging. Hij bepaalt ook de voorwaarden en de modaliteiten met betrekking tot de toekenning van deze toelagen.
De toelagen worden onder de landsbonden verdeeld op basis van de normatieve verdeelsleutel bepaald overeenkomstig artikel 201 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, rekening houdend met de in artikel 196, §§ 3 en 4, van dezelfde wet gedefinieerde parameters, zodanig dat tussen de landsbonden en de ziekenfondsen de verschillen in objectieve gezondheidsrisico's, zoals vastgelegd in voormelde normatieve verdeelsleutel, volledig worden verevend en de verschillen in uitgaven tussen de landsbonden en de ziekenfondsen, die het gevolg zijn van verschillen in risicosamenstelling van de leden, volledig worden gecompenseerd.
De landsbonden verdelen deze toelagen onder de bij hen aangesloten ziekenfondsen overeenkomstig dezelfde criteria.".
"Art. 27bis. - Er worden Rijkstoelagen toegekend aan de ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, die een dienst geneeskundige verzorging gedurende het jaar voorafgaand aan het betrokken begrotingsjaar hebben ingericht voor de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen die vrijwillig zijn toegetreden tot deze dienst voor de andere geneeskundige verstrekkingen dan die voorzien bij de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging welke op hen betrekking hebben.
Deze toelagen zijn vanaf het begrotingsjaar 1998 vastgesteld op 2 023 000 000 frank.
Dit bedrag wordt, met ingang van 1 januari 1998, gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der prijzen bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder dienst voor geneeskundige verzorging. Hij bepaalt ook de voorwaarden en de modaliteiten met betrekking tot de toekenning van deze toelagen.
De toelagen worden onder de landsbonden verdeeld op basis van de normatieve verdeelsleutel bepaald overeenkomstig artikel 201 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, rekening houdend met de in artikel 196, §§ 3 en 4, van dezelfde wet gedefinieerde parameters, zodanig dat tussen de landsbonden en de ziekenfondsen de verschillen in objectieve gezondheidsrisico's, zoals vastgelegd in voormelde normatieve verdeelsleutel, volledig worden verevend en de verschillen in uitgaven tussen de landsbonden en de ziekenfondsen, die het gevolg zijn van verschillen in risicosamenstelling van de leden, volledig worden gecompenseerd.
De landsbonden verdelen deze toelagen onder de bij hen aangesloten ziekenfondsen overeenkomstig dezelfde criteria.".
Art. 140. Un article 27bis, rédigé comme suit est inséré dans la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales des mutualités :
"Art. 27bis. - Des subventions de l'Etat sont accordées aux mutualités et unions nationales de mutualités, qui ont organisé un service des soins de santé durant l'année précédant l'exercice budgétaire concerné en faveur des travailleurs indépendants et des membres des communautés religieuses qui ont adhéré volontairement à ce service pour les prestations de santé autres que celles prévues par le régime d'assurance obligatoire soins de santé qui les concernent.
Ces subventions sont fixées à partir de l'exercice budgétaire 1998 à 2 023 000 000 de francs.
Ce montant est lié, à partir du 1er janvier 1998, aux fluctuations de l'indice des prix visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par l'article 90 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par service des soins de santé. Il fixe également les conditions et modalités relatives à l'octroi de ces subventions.
Les subventions sont réparties entre les unions nationales sur base de la clé de répartition normative déterminée conformément à l'article 201 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, en tenant compte des paramètres définis à l'article 196, §§ 3 et 4, de la même loi, de manière telle que les différences qui existent, entre les unions nationales et les mutualités, au niveau des risques objectifs en matière de santé tels que définis dans la clé de répartition normative précitée, soient entièrement comblées et que les différences de dépenses entre les unions nationales et entre les mutualités, qui sont la conséquence de différences de composition des risques des membres, soient totalement compensées.
Les unions nationales répartissent ces subventions entre les mutualités affiliées auprès d'elles conformément aux mêmes critères.".
"Art. 27bis. - Des subventions de l'Etat sont accordées aux mutualités et unions nationales de mutualités, qui ont organisé un service des soins de santé durant l'année précédant l'exercice budgétaire concerné en faveur des travailleurs indépendants et des membres des communautés religieuses qui ont adhéré volontairement à ce service pour les prestations de santé autres que celles prévues par le régime d'assurance obligatoire soins de santé qui les concernent.
Ces subventions sont fixées à partir de l'exercice budgétaire 1998 à 2 023 000 000 de francs.
Ce montant est lié, à partir du 1er janvier 1998, aux fluctuations de l'indice des prix visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par l'article 90 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par service des soins de santé. Il fixe également les conditions et modalités relatives à l'octroi de ces subventions.
Les subventions sont réparties entre les unions nationales sur base de la clé de répartition normative déterminée conformément à l'article 201 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, en tenant compte des paramètres définis à l'article 196, §§ 3 et 4, de la même loi, de manière telle que les différences qui existent, entre les unions nationales et les mutualités, au niveau des risques objectifs en matière de santé tels que définis dans la clé de répartition normative précitée, soient entièrement comblées et que les différences de dépenses entre les unions nationales et entre les mutualités, qui sont la conséquence de différences de composition des risques des membres, soient totalement compensées.
Les unions nationales répartissent ces subventions entre les mutualités affiliées auprès d'elles conformément aux mêmes critères.".
Art. 141. Artikel 7bis van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, opgeheven door de wet van 14 juli 1976, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
"Art. 7bis. - De artikelen 2 tot 7, met uitzondering van artikel 6, § 1, alsook artikel 13, zijn niet van toepassing op de Kas der Geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.".
"Art. 7bis. - De artikelen 2 tot 7, met uitzondering van artikel 6, § 1, alsook artikel 13, zijn niet van toepassing op de Kas der Geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.".
Art. 141. L'article 7bisde la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, abrogé par la loi du 14 juillet 1976, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 7bis. C Les articles 2 à 7, l'article 6, § 1er, excepté, ainsi que l'article 13, ne sont pas d'application à la Caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges.".
"Art. 7bis. C Les articles 2 à 7, l'article 6, § 1er, excepté, ainsi que l'article 13, ne sont pas d'application à la Caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges.".
Art. 142. In artikel 189 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de woorden "bij het Instituut, bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en bij de Kas der Geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen" vervangen door de woorden "bij het Instituut en bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering,".
Art. 142. Dans l'article 189 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les mots "auprès de l'Institut, de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et de la Caisse des soins de santé de la Société nationale des chemins de fer belges," sont remplacés par les mots "auprès de l'Institut et de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité,".
Art. 143. Het punt 7° van artikel 12 van dezelfde gecoördineerde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"7° wijst de in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis, 6° tot 9°, en 12° tot 20°, en 23° bedoelde inkomsten onder de in of krachtens deze gecoördineerde wet gestelde voorwaarden toe aan de tak geneeskundige verzorging en aan de tak uitkeringen;".
"7° wijst de in artikel 191, eerste lid, 1°, 1°bis, 6° tot 9°, en 12° tot 20°, en 23° bedoelde inkomsten onder de in of krachtens deze gecoördineerde wet gestelde voorwaarden toe aan de tak geneeskundige verzorging en aan de tak uitkeringen;".
Art. 143. Le point 7° de l'article 12 de la même loi coordonnée, est remplacé par la disposition suivante :
"7° affecte les ressources visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bis, 6° à 9°, et 12° à 20°, et 23°, dans les conditions prévues par ou en vertu de la présente loi coordonnée, au secteur des soins de santé et au secteur des indemnités;".
"7° affecte les ressources visées à l'article 191, alinéa 1er, 1°, 1°bis, 6° à 9°, et 12° à 20°, et 23°, dans les conditions prévues par ou en vertu de la présente loi coordonnée, au secteur des soins de santé et au secteur des indemnités;".
Art. 144. _ In artikel 203, § 4, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet, worden de woorden "van de vooruitzichten inzake tewerkstelling en bijdragen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijk overheidsdiensten en het Nationaal pensioenfonds voor mijnwerkers" geschrapt.
Art. 144. A l'article 203, § 4, de la même loi coordonnée, les mots "des prévisions en matière d'emploi et de cotisations de l'Office national de sécurité sociale, de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales et du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont supprimés.
Art. 145. Artikel 207 van dezelfde gecoördineerde wet wordt opgeheven.
Art. 145. L'article 207 de la même loi coordonnée est abrogé.
Art. 146. In artikel 217, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wet wordt de zin "Hij bepaalt eveneens het aandeel van die uitgaven dat in aanmerking komt voor de berekening van de Rijkstoelage bedoeld bij artikel 191, eerste lid, 3°, en bij artikel 32, § 2 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tot de zelfstandigen wordt verruimd." geschrapt.
Art. 146. A l'article 217, alinéa 1er, de la même loi coordonnée, les mots "Il détermine également la part de ces dépenses qui est prise en considération pour le calcul de la subvention de l'Etat visée à l'article 191, alinéa 1er, 3°, et à l'article 32, § 2, de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités est étendue aux travailleurs indépendants." sont supprimés.
Art. 147. Artikel 191, eerste lid, 7°, tiende lid van dezelfde gecoördineerde wet, vervangen door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994, wordt vervangen door het volgende lid :
"Ieder uitbetalingsorganisme is verplicht zich bij het Instituut te laten inschrijven en alle inlichtingen te verstrekken waarom in het kader van de uitvoering van deze maatregel en van artikel 9bis van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid wordt verzocht;".
"Ieder uitbetalingsorganisme is verplicht zich bij het Instituut te laten inschrijven en alle inlichtingen te verstrekken waarom in het kader van de uitvoering van deze maatregel en van artikel 9bis van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid wordt verzocht;".
Art. 147. L'article 191, alinéa 1er, 7°, alinéa 10, de la même loi coordonnée, remplacé par l'arrêté royal du 12 août 1994, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Tout organisme débiteur est tenu de se faire immatriculer à l'Institut et de communiquer toutes les informations demandées dans le cadre de l'exécution de cette mesure et de l'article 9bisde la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;".
"Tout organisme débiteur est tenu de se faire immatriculer à l'Institut et de communiquer toutes les informations demandées dans le cadre de l'exécution de cette mesure et de l'article 9bisde la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale;".
Art. 148. In artikel 192, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet, vervangen door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 worden de woorden "en het in artikel 195, § 4, bedoelde meerbedrag der administratiekosten van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering" geschrapt.
Art. 148. A l'article 192, alinéa 2, de la même loi coordonnée, remplacé par l'arrêté royal du 12 août 1994 et modifié par la loi du 20 décembre 1995, les mots "et le montant de l'excédent des frais d'administration de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité, visé à l'article 195, § 4" sont supprimés.
Art. 149. In artikel 195 van dezelfde gecoördineerde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij het koninklijk besluit van 17 maart 1997 en het koninklijk besluit van 25 april 1997 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de § 1, 1°, tweede zin wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De jaarlijkse bedragen bedoeld in 2°, eerste lid en 3° worden verdeeld onder de regelingen en sectoren op basis van de uitgaven voor geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen."
2° de § 1, 2°, eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgesteld op 24 106,1 miljoen frank voor het jaar 1996.".
3° in § 1, 2°, vijfde lid worden de woorden "en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering" geschrapt;
4° § 1, 3°, opgeheven door het koninklijk besluit van 17 maart 1997, wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing :
"3° De Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ontvangt jaarlijks de tegenwaarde van haar werkelijke administratiekosten, verminderd met de supplementen die haar worden toegekend in toepassing van §§ 2 en 3 en in toepassing van de internationale verdragen.";
5° de § 4 wordt opgeheven".
1° de § 1, 1°, tweede zin wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De jaarlijkse bedragen bedoeld in 2°, eerste lid en 3° worden verdeeld onder de regelingen en sectoren op basis van de uitgaven voor geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen."
2° de § 1, 2°, eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Het bedrag van de administratiekosten van de vijf landsbonden wordt vastgesteld op 24 106,1 miljoen frank voor het jaar 1996.".
3° in § 1, 2°, vijfde lid worden de woorden "en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering" geschrapt;
4° § 1, 3°, opgeheven door het koninklijk besluit van 17 maart 1997, wordt opnieuw opgenomen in volgende lezing :
"3° De Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ontvangt jaarlijks de tegenwaarde van haar werkelijke administratiekosten, verminderd met de supplementen die haar worden toegekend in toepassing van §§ 2 en 3 en in toepassing van de internationale verdragen.";
5° de § 4 wordt opgeheven".
Art. 149. Dans l'article 195 de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 20 décembre 1995, par l'arrêté royal du 17 mars 1997 et par l'arrêté royal du 25 avril 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, 1°, deuxième phrase est remplacé par la disposition suivante :
"Les montants annuels visés aux 2°, alinéa 1er, et 3° sont répartis entre les régimes et secteurs sur la base des dépenses relatives aux soins de santé et aux indemnités."
2° le § 1er, 2°, alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"Le montant des frais d'administration des cinq unions nationales est fixé à 24 106,1 millions de francs pour l'année 1996.".
3° dans le § 1er, 2°, alinéa 5 les mots "et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité" sont supprimés;
4° le § 1er, 3°, supprimé par l'arrêté royal du 17 mars 1997, est réinséré, libellé comme suit :
"3° La Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité reçoit annuellement la contrepartie de ses frais d'administration réels, après déduction des suppléments qui lui sont accordés en application des §§ 2 et 3 et en application des conventions internationales.";
5° le § 4 est abrogé".
1° le § 1er, 1°, deuxième phrase est remplacé par la disposition suivante :
"Les montants annuels visés aux 2°, alinéa 1er, et 3° sont répartis entre les régimes et secteurs sur la base des dépenses relatives aux soins de santé et aux indemnités."
2° le § 1er, 2°, alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
"Le montant des frais d'administration des cinq unions nationales est fixé à 24 106,1 millions de francs pour l'année 1996.".
3° dans le § 1er, 2°, alinéa 5 les mots "et la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité" sont supprimés;
4° le § 1er, 3°, supprimé par l'arrêté royal du 17 mars 1997, est réinséré, libellé comme suit :
"3° La Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité reçoit annuellement la contrepartie de ses frais d'administration réels, après déduction des suppléments qui lui sont accordés en application des §§ 2 et 3 et en application des conventions internationales.";
5° le § 4 est abrogé".
Art. 150. Artikel 200 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 1994 en bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 200. - § 1. De rekeningen als bedoeld in artikel 12, 5°, worden uiterlijk negen maanden na het verstrijken van de boekjaar afgesloten.
§ 2. Het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de rekeningen per verzekeringsinstelling van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging, algemene regeling en regeling voor zelfstandigen wordt geblokkeerd op de toestand waarin het zich bevindt na het afsluiten van de rekeningen voor het boekjaar 1994.
§ 3. Zodra de tweede fase, bedoeld in artikel 196, § 1, in werking is getreden :
1° worden de terugvorderbare voorschotten, ten bedrage van 2 770 000 000 frank en 2 066 000 000 frank door het Rijk via het Instituut aan de verzekeringsinstellingen toegestaan in respectievelijk 1974 en 1979 en ingeschreven als schulden van de verzekeringsinstellingen ten overstaan van het Instituut, verrekend via de rekening-courant met het Instituut;
2° wordt de schuld van de verzekeringsinstellingen welke voortvloeit uit de terugvorderbare voorschotten die ten bedrage van 720 000 000 frank door het Rijk zijn toegestaan in 1970 en 1971, overgenomen door het Instituut;
3° wordt het bedrag van 848 196 293 frank, dat op 31 december 1994 werd ingeschreven op het speciaal reservefonds bedoeld in artikel 203, § 3, vijfde en zesde lid, zoals deze van toepassing waren vóór de inwerkingstreding van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot uitvoering van artikel 204, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, definitief toegekend, in de algemene regeling, aan de verzekeringsinstellingen naar rato van hun respectievelijk aandeel in dit fonds;
4° worden de in het § 2 bedoelde gecumuleerde boekhoudkundige resultaten van de verzekeringsinstellingen, na de aanpassingen voortvloeiend uit de toepassing van het punt 3° hierboven, zowel in mali als in boni, overgenomen door het Instituut.
§ 4. Het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de verplichte verzekering voor de geneeskundige verzorging, voortvloeiend uit de toepassing van § 3, wordt achtereenvolgens aangezuiverd door :
1° de definitieve toewijzing aan het Instituut, ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, van de door het Rijk toegestane recupereerbare voorschotten, waarvan sprake in § 3, 1° en 2° hierboven, voor een totaal bedrag van 5 556 000 000 frank;
2° de toewijzing aan het Instituut door het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1994 lopende leningen ten belope van 14 055 000 000 frank, in uitvoering van artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financiëel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot de vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
3° de toewijzing aan het Instituut door de RSZ-Globaal beheer van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1994 lopende leningen ten belope van volgende bedragen :
in 1995 : 1 376 000 000 frank;
in 1996 : 3 985 000 000 frank;
in 1997 : 3 283 333 333 frank;
4° de toekenning door de RSZ-Globaal beheer aan het Instituut van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1997 lopende leningen aangegaan vóór 31 december 1994 ten belope van een bedrag van 14 716 666 667 frank;
5° de toewijzing aan het Instituut van het bedrag bedoeld in § 5;
6° de toewijzing ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, regeling voor zelfstandigen, in afwijking van artikel 193, § 2, van het bedrag dat op 31 december 1994 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 41, 2° van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen;
7° de toewijzing ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, in afwijking van artikel 193, § 2, van het bedrag dat op 31 december 1994 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 80, 2°, beperkt tot het bedrag van het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de geneeskundige verzorging na toepassing van de punten 1° tot 6° hierboven.
§ 5. De RSZ-Globaal beheer en het globaal financiëel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen storten aan het Instituut, vóór 31 december 2005, het bedrag dat overeenstemt met het saldo van de rekening-courant van het Instituut ten overstaan van de verzekeringsinstellingen, dat voortvloeit uit de overname van de gecumuleerde resultaten van de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in § 3, 4°.
§ 6. De Koning bepaalt, bij een in Ministerrad overlegd besluit, de verdeelsleutel tussen de algemene regeling en de regeling der zelfstandigen van de in § 4, 1°, 5° en 7° bedoelde bedragen.".
"Art. 200. - § 1. De rekeningen als bedoeld in artikel 12, 5°, worden uiterlijk negen maanden na het verstrijken van de boekjaar afgesloten.
§ 2. Het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de rekeningen per verzekeringsinstelling van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging, algemene regeling en regeling voor zelfstandigen wordt geblokkeerd op de toestand waarin het zich bevindt na het afsluiten van de rekeningen voor het boekjaar 1994.
§ 3. Zodra de tweede fase, bedoeld in artikel 196, § 1, in werking is getreden :
1° worden de terugvorderbare voorschotten, ten bedrage van 2 770 000 000 frank en 2 066 000 000 frank door het Rijk via het Instituut aan de verzekeringsinstellingen toegestaan in respectievelijk 1974 en 1979 en ingeschreven als schulden van de verzekeringsinstellingen ten overstaan van het Instituut, verrekend via de rekening-courant met het Instituut;
2° wordt de schuld van de verzekeringsinstellingen welke voortvloeit uit de terugvorderbare voorschotten die ten bedrage van 720 000 000 frank door het Rijk zijn toegestaan in 1970 en 1971, overgenomen door het Instituut;
3° wordt het bedrag van 848 196 293 frank, dat op 31 december 1994 werd ingeschreven op het speciaal reservefonds bedoeld in artikel 203, § 3, vijfde en zesde lid, zoals deze van toepassing waren vóór de inwerkingstreding van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot uitvoering van artikel 204, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, definitief toegekend, in de algemene regeling, aan de verzekeringsinstellingen naar rato van hun respectievelijk aandeel in dit fonds;
4° worden de in het § 2 bedoelde gecumuleerde boekhoudkundige resultaten van de verzekeringsinstellingen, na de aanpassingen voortvloeiend uit de toepassing van het punt 3° hierboven, zowel in mali als in boni, overgenomen door het Instituut.
§ 4. Het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de verplichte verzekering voor de geneeskundige verzorging, voortvloeiend uit de toepassing van § 3, wordt achtereenvolgens aangezuiverd door :
1° de definitieve toewijzing aan het Instituut, ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, van de door het Rijk toegestane recupereerbare voorschotten, waarvan sprake in § 3, 1° en 2° hierboven, voor een totaal bedrag van 5 556 000 000 frank;
2° de toewijzing aan het Instituut door het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1994 lopende leningen ten belope van 14 055 000 000 frank, in uitvoering van artikel 8, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financiëel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot de vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
3° de toewijzing aan het Instituut door de RSZ-Globaal beheer van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1994 lopende leningen ten belope van volgende bedragen :
in 1995 : 1 376 000 000 frank;
in 1996 : 3 985 000 000 frank;
in 1997 : 3 283 333 333 frank;
4° de toekenning door de RSZ-Globaal beheer aan het Instituut van de middelen nodig ter aflossing van de op 31 december 1997 lopende leningen aangegaan vóór 31 december 1994 ten belope van een bedrag van 14 716 666 667 frank;
5° de toewijzing aan het Instituut van het bedrag bedoeld in § 5;
6° de toewijzing ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, regeling voor zelfstandigen, in afwijking van artikel 193, § 2, van het bedrag dat op 31 december 1994 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 41, 2° van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen;
7° de toewijzing ten voordele van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, in afwijking van artikel 193, § 2, van het bedrag dat op 31 december 1994 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 80, 2°, beperkt tot het bedrag van het gecumuleerd boekhoudkundig resultaat van de geneeskundige verzorging na toepassing van de punten 1° tot 6° hierboven.
§ 5. De RSZ-Globaal beheer en het globaal financiëel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen storten aan het Instituut, vóór 31 december 2005, het bedrag dat overeenstemt met het saldo van de rekening-courant van het Instituut ten overstaan van de verzekeringsinstellingen, dat voortvloeit uit de overname van de gecumuleerde resultaten van de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in § 3, 4°.
§ 6. De Koning bepaalt, bij een in Ministerrad overlegd besluit, de verdeelsleutel tussen de algemene regeling en de regeling der zelfstandigen van de in § 4, 1°, 5° en 7° bedoelde bedragen.".
Art. 150. L'article 200 de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 12 août 1994 et par la loi du 20 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 200. - § 1er. Les comptes tels que visés à l'article 12, 5°, sont clôturés au plus tard neuf mois après l'expiration de l'exercice.
§ 2. Le résultat comptable cumulé des comptes par organisme assureur de l'assurance obligatoire soins de santé du régime général et du régime des travailleur indépendants est bloqué dans la situation dans laquelle il se trouve après la clôture des comptes pour l'exercice 1994.
§ 3. Dès l'entrée en vigueur de la deuxième phase visée à l'article 196, § 1er :
1° les avances récupérables d'un montant de 2 770 000 000 de francs et de 2 066 000 000 de francs consenties par l'Etat aux organismes assureurs via l'Institut respectivement en 1974 et 1979 et inscrites comme dettes des organismes assureurs envers l'Institut, sont soldées via le compte courant envers l'Institut;
2° la dette des organismes assureurs résultant des avances récupérables d'un montant de 720 000 000 de francs consenties en 1970 et 1971 par l'Etat, est reprise par l'Institut;
3° le montant de 848 196 293 francs inscrit, au 31 décembre 1994, au fonds spécial de réserve visé à l'article 203, § 3, alinéas 5 et 6, dans leur version antérieure à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 août 1994 portant exécution de l'article 204, § 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est attribué définitivement, dans le régime général, aux organismes assureurs au prorata de leurs quotes-parts respectives dans ledit fonds;
4° les résultats comptables cumulés des organismes assureurs visés au § 2, tant en mali qu'en boni, corrigés suite à l'application du point 3° ci-avant, sont repris par l'Institut.
§ 4. Le résultat comptable cumulé de l'assurance obligatoire soins de santé, résultant de l'application du § 3 est apuré successivement par :
1° l'affectation définitive à l'Institut, au profit de l'assurance obligatoire soins de santé, des avances récupérables visées au § 3, 1° et 2° ci-dessus, consenties par l'Etat à concurrence d'un montant global de 5 556 000 000 de francs;
2° l'affectation à l'Institut par la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1994 à concurrence d'un montant de 14 055 000 000 de francs, en exécution de l'article 8, § 2, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
3° l'affectation à l'Institut par l'ONSS-Gestion globale des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1994 à concurrence des montants suivants :
en 1995 : 1 376 000 000 de francs;
en 1996 : 3 985 000 000 de francs;
en 1997 : 3 283 333 333 francs;
4° l'attribution à l'Institut par l'ONSS-gestion globale des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1997 et contractés avant le 31 décembre 1994 à concurrence d'un montant de 14 716 666 667 francs;
5° l'affectation à l'Institut du montant visé au § 5;
6° l'affectation au profit de l'assurance obligatoire soins de santé du régime des travailleurs indépendants, par dérogation à l'article 193, § 2, des montants inscrits à la date du 31 décembre 1994 au fonds de réserve prévu à l'article 41, 2° de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants;
7° l'affectation au profit de l'assurance obligatoire soins de santé, par dérogation à l'article 193, § 2, du montant inscrit à la date du 31 décembre 1994 au fonds de réserve prévu à l'article 80, 2°, limité au montant du résultat comptable cumulé de l'assurance soins de santé après application des points 1° à 6° précédents.
§ 5. L'ONSS-Gestion globale et la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants versent à l'Institut, avant le 31 décembre 2005, le montant correspondant au solde du compte courant de l'Institut envers les organismes assureurs résultant de la reprise des résultats cumulés des organismes assureurs visée au § 3, 4°.
§ 6. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe la clé de répartition entre le régime général et le régime des travailleurs indépendants des montants visés aux § 4, 1°, 5° et 7°.".
"Art. 200. - § 1er. Les comptes tels que visés à l'article 12, 5°, sont clôturés au plus tard neuf mois après l'expiration de l'exercice.
§ 2. Le résultat comptable cumulé des comptes par organisme assureur de l'assurance obligatoire soins de santé du régime général et du régime des travailleur indépendants est bloqué dans la situation dans laquelle il se trouve après la clôture des comptes pour l'exercice 1994.
§ 3. Dès l'entrée en vigueur de la deuxième phase visée à l'article 196, § 1er :
1° les avances récupérables d'un montant de 2 770 000 000 de francs et de 2 066 000 000 de francs consenties par l'Etat aux organismes assureurs via l'Institut respectivement en 1974 et 1979 et inscrites comme dettes des organismes assureurs envers l'Institut, sont soldées via le compte courant envers l'Institut;
2° la dette des organismes assureurs résultant des avances récupérables d'un montant de 720 000 000 de francs consenties en 1970 et 1971 par l'Etat, est reprise par l'Institut;
3° le montant de 848 196 293 francs inscrit, au 31 décembre 1994, au fonds spécial de réserve visé à l'article 203, § 3, alinéas 5 et 6, dans leur version antérieure à l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 août 1994 portant exécution de l'article 204, § 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est attribué définitivement, dans le régime général, aux organismes assureurs au prorata de leurs quotes-parts respectives dans ledit fonds;
4° les résultats comptables cumulés des organismes assureurs visés au § 2, tant en mali qu'en boni, corrigés suite à l'application du point 3° ci-avant, sont repris par l'Institut.
§ 4. Le résultat comptable cumulé de l'assurance obligatoire soins de santé, résultant de l'application du § 3 est apuré successivement par :
1° l'affectation définitive à l'Institut, au profit de l'assurance obligatoire soins de santé, des avances récupérables visées au § 3, 1° et 2° ci-dessus, consenties par l'Etat à concurrence d'un montant global de 5 556 000 000 de francs;
2° l'affectation à l'Institut par la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1994 à concurrence d'un montant de 14 055 000 000 de francs, en exécution de l'article 8, § 2, de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
3° l'affectation à l'Institut par l'ONSS-Gestion globale des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1994 à concurrence des montants suivants :
en 1995 : 1 376 000 000 de francs;
en 1996 : 3 985 000 000 de francs;
en 1997 : 3 283 333 333 francs;
4° l'attribution à l'Institut par l'ONSS-gestion globale des moyens nécessaires à l'amortissement des emprunts en cours au 31 décembre 1997 et contractés avant le 31 décembre 1994 à concurrence d'un montant de 14 716 666 667 francs;
5° l'affectation à l'Institut du montant visé au § 5;
6° l'affectation au profit de l'assurance obligatoire soins de santé du régime des travailleurs indépendants, par dérogation à l'article 193, § 2, des montants inscrits à la date du 31 décembre 1994 au fonds de réserve prévu à l'article 41, 2° de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants;
7° l'affectation au profit de l'assurance obligatoire soins de santé, par dérogation à l'article 193, § 2, du montant inscrit à la date du 31 décembre 1994 au fonds de réserve prévu à l'article 80, 2°, limité au montant du résultat comptable cumulé de l'assurance soins de santé après application des points 1° à 6° précédents.
§ 5. L'ONSS-Gestion globale et la gestion financière globale du statut social des travailleurs indépendants versent à l'Institut, avant le 31 décembre 2005, le montant correspondant au solde du compte courant de l'Institut envers les organismes assureurs résultant de la reprise des résultats cumulés des organismes assureurs visée au § 3, 4°.
§ 6. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe la clé de répartition entre le régime général et le régime des travailleurs indépendants des montants visés aux § 4, 1°, 5° et 7°.".
Afdeling IX. - Diverse bepalingen.
Section IX. - Dispositions diverses.
Art. 151. In artikel 2, b), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de woorden "Sociale voorzorg" vervangen door "Sociale zaken".
Art. 151. Dans l'article 2, b), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les mots "la prévoyance sociale" sont remplacés par les mots "les affaires sociales".
Art. 152. In artikel 211, § 1, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wet, zoals gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt de zin "De eerste verkiezingen hebben plaats op uiterlijk 30 juni 1997" geschrapt.
Art. 152. A l'article 211, § 1er, alinéa 2, de la même loi coordonnée, modifié par la loi du 29 avril 1996, la phrase "Les premières élections auront lieu au plus tard le 30 juin 1997" est supprimée.
Afdeling X. - Inwerkingtreding.
Section X. - Entrée en vigueur.
Art. 153. Artikel 139 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995.
De artikelen 148 en 149, 2° tot 5° hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Het artikel 149, 1° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 91 heeft uitwerking met ingang van 10 mei 1996.
Artikelen 98 treedt in werking op 1 januari 1998.
Artikel 101 treedt in werking op 1 december 1998.
De artikelen 148 en 149, 2° tot 5° hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Het artikel 149, 1° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 91 heeft uitwerking met ingang van 10 mei 1996.
Artikelen 98 treedt in werking op 1 januari 1998.
Artikel 101 treedt in werking op 1 december 1998.
Art. 153. L'article 139 produit ses effets le 1er janvier 1995.
Les articles 148 et 149, 2° à 5° produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
L'article 149, 1° produit ses effets le 1er janvier 1997.
L'article 91 produit ses effets le 10 mai 1996.
L'article 98 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
L'article 101 entre en vigueur le 1er décembre 1998.
Les articles 148 et 149, 2° à 5° produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
L'article 149, 1° produit ses effets le 1er janvier 1997.
L'article 91 produit ses effets le 10 mai 1996.
L'article 98 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
L'article 101 entre en vigueur le 1er décembre 1998.
HOOFDSTUK VI. - Overzeese sociale zekerheid.
CHAPITRE VI. - Sécurité sociale d'outre-mer.
Art. 154. § 1. In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, zoals het van toepassing was vóór de wijziging bij deze wet, worden de bedragen van de rijkstoelage bestemd voor het stelsel van de overzeese sociale zekerheid, vervangen door een enig en vast bedrag van 9 067,724 miljoen frank voor 1993 en van 9 155,142 miljoen frank voor 1994.
§ 2. [1 Vanaf het boekjaar 1997, zal de Staat jaarlijks aan de Dienst voor overzeese sociale zekerheid een subsidie storten die gelijk is aan het verschil tussen het totaal bedrag van de lasten ten laste van de drie Fondsen die hem werd toegewezen, en het bedrag van hun opbrengsten, evenwel zonder rekening te houden met de schommeling van de technische reserves.]1
Deze tussenkomst is betaalbaar per voorlopige twaalfden, berekend op basis van de begroting van het desbetreffend jaar.
Het definitieve bedrag ervan wordt vastgelegd bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen. [2 Als het definitieve bedrag lager ligt dan de per voorlopige twaalfden betaalde voorschotten, dan moet het saldo door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid teruggestort worden aan de Staat. Als dit bedrag hoger ligt, dan moet de Staat het saldo betalen aan de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid.]2
§ 2. [1 Vanaf het boekjaar 1997, zal de Staat jaarlijks aan de Dienst voor overzeese sociale zekerheid een subsidie storten die gelijk is aan het verschil tussen het totaal bedrag van de lasten ten laste van de drie Fondsen die hem werd toegewezen, en het bedrag van hun opbrengsten, evenwel zonder rekening te houden met de schommeling van de technische reserves.]1
Deze tussenkomst is betaalbaar per voorlopige twaalfden, berekend op basis van de begroting van het desbetreffend jaar.
Het definitieve bedrag ervan wordt vastgelegd bij de jaarlijkse afsluiting van de rekeningen. [2 Als het definitieve bedrag lager ligt dan de per voorlopige twaalfden betaalde voorschotten, dan moet het saldo door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid teruggestort worden aan de Staat. Als dit bedrag hoger ligt, dan moet de Staat het saldo betalen aan de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid.]2
Art. 154. § 1er. Par dérogation à l'article 8, alinéa 2, de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer, comme il était d'application avant la modification apportée par la présente loi, les montants de l'intervention de l'Etat destinés au régime de sécurité sociale d'outre-mer sont remplacés par un montant unique et fixe de 9 067,724 millions de francs pour 1993 et de 9 155,142 millions de francs pour 1994.
§ 2. [1 A partir de l'exercice 1997, l'Etat versera chaque année à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer une subvention égale à la différence entre le montant total des charges mises à charge des trois Fonds dont il est doté, et le montant de leurs produits, sans toutefois tenir compte de la fluctuation des réserves techniques.]1
Cette intervention est payable par douzièmes provisionnels calculés sur la base du budget de l'année concernée.
Son montant définitif est arrêté lors de la clôture annuelle des comptes. [2 Si le montant définitif est inférieur aux avances payées par douzièmes provisionnels, le solde doit alors être reversé à l'Etat par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer. Si ce montant est supérieur, l'Etat doit alors verser le solde à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer.]2
§ 2. [1 A partir de l'exercice 1997, l'Etat versera chaque année à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer une subvention égale à la différence entre le montant total des charges mises à charge des trois Fonds dont il est doté, et le montant de leurs produits, sans toutefois tenir compte de la fluctuation des réserves techniques.]1
Cette intervention est payable par douzièmes provisionnels calculés sur la base du budget de l'année concernée.
Son montant définitif est arrêté lors de la clôture annuelle des comptes. [2 Si le montant définitif est inférieur aux avances payées par douzièmes provisionnels, le solde doit alors être reversé à l'Etat par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer. Si ce montant est supérieur, l'Etat doit alors verser le solde à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer.]2
Art. 155. Artikel 58 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
"De Staat neemt te zijnen laste de administratiekosten die door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid worden gedragen.".
"De Staat neemt te zijnen laste de administratiekosten die door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid worden gedragen.".
Art. 155. L'article 58 de la même loi est complété par la phrase suivante :
"L'Etat prend à sa charge les dépenses administratives exposées par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer.".
"L'Etat prend à sa charge les dépenses administratives exposées par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer.".
HOOFDSTUK VII. - Sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.
CHAPITRE VII. - Sécurité sociale. des administrations provinciales et locales
Art. 156. In artikel 1, b, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen worden de woorden "artikel 161 van de nieuwe gemeentewet" vervangen door de woorden "de artikelen 156 tot 169 van de nieuwe gemeentewet".
Art. 156. A l'article 1er, b, de la loi du 6 août 1993 relative aux pensions du personnel nommé des administrations locales, les mots, "l'article 161 de la nouvelle loi communale" sont remplacés par les mots "les articles 156 à 169 de la nouvelle loi communale".
Art. 157. In artikel 161 van de nieuwe gemeentewet worden het vijfde tot en met het zesde lid vervangen door de volgende leden :
"De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten stelt ieder jaar voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die nodig is voor de financiering van de pensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen die aangesloten zijn bij de Rijksdienst, met toepassing van het eerste en het tweede lid, en van de pensioenen van hun rechthebbenden. De bijdragevoet wordt toegepast op de wedden die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde personeelsleden aangesloten gedurende het lopende jaar. Deze bijdragevoet wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de vermoedelijke uitgaven voor de pensioenen van deze personen, en, anderzijds, de vermoedelijke weddemassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt berekend, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van de hiervoor bepaalde verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar. Indien de opbrengst van de bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk uitgevoerde pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die het voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het in het eerste en tweede lid bedoeld gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden.
De plaatselijke overheidsdiensten waarvan het personeel met toepassing van het eerste en tweede lid is aangesloten, dienen aan de Rijksdienst de bijdragen te storten, die met toepassing van het vijfde lid verschuldigd zijn, volgens de regels bepaald in Hoofstuk II van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van Hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.
De Rijksdienst stort maandelijks vooraf aan de Schatkist de provisies die nodig zijn voor de betaling van de pensioenmaandbedragen ten laste van het in het eerste en tweede lid bedoelde gemeenschappelijk stelsel van de lokale overheden.".
"De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten stelt ieder jaar voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die nodig is voor de financiering van de pensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen die aangesloten zijn bij de Rijksdienst, met toepassing van het eerste en het tweede lid, en van de pensioenen van hun rechthebbenden. De bijdragevoet wordt toegepast op de wedden die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde personeelsleden aangesloten gedurende het lopende jaar. Deze bijdragevoet wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de vermoedelijke uitgaven voor de pensioenen van deze personen, en, anderzijds, de vermoedelijke weddemassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt berekend, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van de hiervoor bepaalde verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar. Indien de opbrengst van de bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk uitgevoerde pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die het voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het in het eerste en tweede lid bedoeld gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden.
De plaatselijke overheidsdiensten waarvan het personeel met toepassing van het eerste en tweede lid is aangesloten, dienen aan de Rijksdienst de bijdragen te storten, die met toepassing van het vijfde lid verschuldigd zijn, volgens de regels bepaald in Hoofstuk II van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van Hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.
De Rijksdienst stort maandelijks vooraf aan de Schatkist de provisies die nodig zijn voor de betaling van de pensioenmaandbedragen ten laste van het in het eerste en tweede lid bedoelde gemeenschappelijk stelsel van de lokale overheden.".
Art. 157. Dans l'article 161 de la nouvelle loi communale, les alinéas 5 et 6 sont remplacés par les alinéas suivants :
"L'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales fixe, chaque année pour l'année suivante, le taux de cotisation nécessaire au financement des pensions des anciens membres du personnel des pouvoirs locaux affiliés à l'Office, en application des alinéas 1er et 2, ainsi que des pensions des ayants droit de ceux-ci. Le taux est appliqué sur les traitements que chaque administration locale paie aux agents nommés et affiliés durant l'année en cours. Ce taux de cotisation est fixé sur la base du rapport entre, d'une part, les dépenses présumées pour les pensions de ces personnes et, d'autre part, la masse salariale présumée du personnel affilié à ce régime. Il est établi en tenant compte de l'évolution prévisible du rapport défini ci-avant pour une période qui ne peut être inférieure à trois ans. Lorsque, pour une année déterminée, le produit des cotisations s'avère supérieur aux dépenses réellement effectuées à titre de pension pour cette même année, l'excédent est inscrit au Fonds de réserve des pensions de l'Office national. Cet excédent de même que les revenus financiers qu'il produit ne pourront être affectés qu'au financement du régime commun de pension des pouvoirs locaux visé aux alinéas 1er et 2.
Les administrations locales dont le personnel est affilié en application des alinéas 1er et 2 sont tenus de verser à l'Office les cotisations dues en application de l'alinéa 5 selon les modalités prévues au Chapitre II de l'arrêté royal du 25 octobre 1985 portant exécution du Chapitre Ier, section 1re de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales.
L'Office verse anticipativement et mensuellement au Trésor public, les provisions nécessaires au paiement des mensualités de pensions à charge du régime commun de pension des pouvoirs locaux visé aux alinéas 1er et 2.".
"L'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales fixe, chaque année pour l'année suivante, le taux de cotisation nécessaire au financement des pensions des anciens membres du personnel des pouvoirs locaux affiliés à l'Office, en application des alinéas 1er et 2, ainsi que des pensions des ayants droit de ceux-ci. Le taux est appliqué sur les traitements que chaque administration locale paie aux agents nommés et affiliés durant l'année en cours. Ce taux de cotisation est fixé sur la base du rapport entre, d'une part, les dépenses présumées pour les pensions de ces personnes et, d'autre part, la masse salariale présumée du personnel affilié à ce régime. Il est établi en tenant compte de l'évolution prévisible du rapport défini ci-avant pour une période qui ne peut être inférieure à trois ans. Lorsque, pour une année déterminée, le produit des cotisations s'avère supérieur aux dépenses réellement effectuées à titre de pension pour cette même année, l'excédent est inscrit au Fonds de réserve des pensions de l'Office national. Cet excédent de même que les revenus financiers qu'il produit ne pourront être affectés qu'au financement du régime commun de pension des pouvoirs locaux visé aux alinéas 1er et 2.
Les administrations locales dont le personnel est affilié en application des alinéas 1er et 2 sont tenus de verser à l'Office les cotisations dues en application de l'alinéa 5 selon les modalités prévues au Chapitre II de l'arrêté royal du 25 octobre 1985 portant exécution du Chapitre Ier, section 1re de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales.
L'Office verse anticipativement et mensuellement au Trésor public, les provisions nécessaires au paiement des mensualités de pensions à charge du régime commun de pension des pouvoirs locaux visé aux alinéas 1er et 2.".
Art. 158. In artikel 7, § 2, laatste lid, van voormelde wet van 6 augustus 1993 worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar" en wordt artikel 7 aangevuld als volgt :
"De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot terugvordering van voormelde, niet-verschuldigde sommen, verjaren door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling.".
"De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot terugvordering van voormelde, niet-verschuldigde sommen, verjaren door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling.".
Art. 158. A l'article 7, § 2, dernier alinéa, de la loi précitée du 6 août 1993, les mots "trois ans" sont remplacés par les mots "cinq ans" et l'article 7 est complété ainsi :
"Les actions contre l'Office en recouvrement des sommes précitées indues, se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour du paiement.".
"Les actions contre l'Office en recouvrement des sommes précitées indues, se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour du paiement.".
Art. 159. Artikel 156 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 157 treedt in werking op 1 januari 1998.
Artikel 157 treedt in werking op 1 januari 1998.
Art. 159. L'article 156 produit ses effets le 1er janvier 1997.
L'article 157 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
L'article 157 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
Art. 160. In de nieuwe gemeentewet wordt een artikel 263decies toegevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 263decies. - De bepalingen van Hoofdstuk VI van Titel III van de wet zijn van toepassing op de autonome gemeentebedrijven.".
"Art. 263decies. - De bepalingen van Hoofdstuk VI van Titel III van de wet zijn van toepassing op de autonome gemeentebedrijven.".
Art. 160. Dans la nouvelle loi communale, un article 263deciesest ajouté, rédigé comme suit :
"Art. 263decies. - Les dispositions du Chapitre VI du Titre III de la loi s'appliquent aux régies autonomes communales.".
"Art. 263decies. - Les dispositions du Chapitre VI du Titre III de la loi s'appliquent aux régies autonomes communales.".
Art. 161. Artikel 160 heeft uitwerking met ingang van 18 april 1995.
Art. 161. L'article 160 produit ses effets le 18 avril 1995.
Art. 162. Artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de pensioenen van het benoemd personeel van de plaatselijke besturen, wordt vervangen door het volgende lid :
"§ 1. De Rijksdienst stelt ieder jaar voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die nodig is voor de financiering van de pensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen, waarvan het personeel aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, en van de pensioenen van hun rechthebbenden. Deze bijdragevoet wordt toegepast op de wedden die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde personeelsleden aangesloten gedurende het lopende jaar. Deze bijdragevoet wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de vermoedelijke uitgaven voor de pensioenen van deze personen, en, anderzijds, de vermoedelijke weddemassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt berekend, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van de hiervoor bepaalde verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar. Indien de opbrengst van de bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk uitgevoerde pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die dat voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen.".
"§ 1. De Rijksdienst stelt ieder jaar voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die nodig is voor de financiering van de pensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen, waarvan het personeel aangesloten is bij het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, en van de pensioenen van hun rechthebbenden. Deze bijdragevoet wordt toegepast op de wedden die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde personeelsleden aangesloten gedurende het lopende jaar. Deze bijdragevoet wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de vermoedelijke uitgaven voor de pensioenen van deze personen, en, anderzijds, de vermoedelijke weddemassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt berekend, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van de hiervoor bepaalde verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar. Indien de opbrengst van de bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk uitgevoerde pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die dat voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen.".
Art. 162. L'article 7, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 6 août 1993 relative aux pensions du personnel nommé des administrations locales est remplacé par l'alinéa suivant :
"§ 1er. L'Office fixe, chaque année pour l'année suivante, le taux de cotisation nécessaire au financement des pensions des anciens membres du personnel des administrations locales dont le personnel est affilié au régime des nouveaux affiliés à l'Office ainsi que des pensions des ayants droit de ceux-ci. Le taux est appliqué sur les traitements que chaque administration locale paie aux agents nommés et affiliés durant l'année en cours. Ce taux de cotisation est fixé sur la base du rapport entre, d'une part, les dépenses présumées pour les pensions de ces personnes et, d'autre part, la masse salariale présumée du personnel affilié à ce régime. Il est établi en tenant compte de l'évolution prévisible du rapport défini ci-avant pour une période qui ne peut être inférieure à trois ans. Lorsque, pour une année déterminée, le produit des cotisations s'avère supérieur aux dépenses réellement effectuées à titre de pension pour cette même année, l'excédent est inscrit au Fonds de réserve des pensions de l'Office. Cet excédent de même que les revenus financiers qu'il produit ne pourront être affectés qu'au financement du régime des nouveaux affiliés à l'Office national.".
"§ 1er. L'Office fixe, chaque année pour l'année suivante, le taux de cotisation nécessaire au financement des pensions des anciens membres du personnel des administrations locales dont le personnel est affilié au régime des nouveaux affiliés à l'Office ainsi que des pensions des ayants droit de ceux-ci. Le taux est appliqué sur les traitements que chaque administration locale paie aux agents nommés et affiliés durant l'année en cours. Ce taux de cotisation est fixé sur la base du rapport entre, d'une part, les dépenses présumées pour les pensions de ces personnes et, d'autre part, la masse salariale présumée du personnel affilié à ce régime. Il est établi en tenant compte de l'évolution prévisible du rapport défini ci-avant pour une période qui ne peut être inférieure à trois ans. Lorsque, pour une année déterminée, le produit des cotisations s'avère supérieur aux dépenses réellement effectuées à titre de pension pour cette même année, l'excédent est inscrit au Fonds de réserve des pensions de l'Office. Cet excédent de même que les revenus financiers qu'il produit ne pourront être affectés qu'au financement du régime des nouveaux affiliés à l'Office national.".
Art. 163. Artikel 162 treedt in werking op 1 januari 1998.
Art. 163. L'article 162 entre en vigueur le 1er janvier 1998.
Art. 164. In artikel 161ter, § 4, van de nieuwe gemeentewet, worden de woorden "drie jaar" vervangen door de woorden "vijf jaar".
Art. 164. A l'article 161ter, § 4, de la nouvelle loi communale, les mots "trois ans" sont remplacés par les mots "cinq ans".
HOOFDSTUK VIII. - Mijnwerkers.
CHAPITRE VIII. - Des Ouvriers mineurs.
Art. 165. Artikel 1 van de wet van 23 juli 1993 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling van jongeren in het raam van het jongerenbanenplan wordt aangevuld als volgt :
"alsook op de werknemers en de werkgevers die zijn onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden".
"alsook op de werknemers en de werkgevers die zijn onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden".
Art. 165. L'article 1er de la loi du 23 juillet 1993 portant des mesures de promotion de l'emploi des jeunes dans le cadre du plan d'embauche des jeunes est complété comme suit :
"ainsi qu'aux travailleurs et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés".
"ainsi qu'aux travailleurs et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés".
Art. 166. In artikel 2 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in § 1, eerste lid, worden de woorden "heeft plaatsgehad" vervangen door de woorden "heeft plaatsgehad in geval de werkgever is aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot het einde van de zesendertigste maand volgend op die waarin die indienstneming heeft plaatsgehad in geval de werkgever is aangesloten bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers";
B) in § 2, wordt het eerste lid aangevuld als volgt : "of in artikel 2, § 3, 1° tot 5° en 7°, en § 3bis, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, in artikel 56, 1° en 2°, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971";
C) in § 3, worden tussen de woorden "per kwartaal" en de woorden "bedoeld in dit artikel", de woorden "of per maand" ingevoegd.
A) in § 1, eerste lid, worden de woorden "heeft plaatsgehad" vervangen door de woorden "heeft plaatsgehad in geval de werkgever is aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot het einde van de zesendertigste maand volgend op die waarin die indienstneming heeft plaatsgehad in geval de werkgever is aangesloten bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers";
B) in § 2, wordt het eerste lid aangevuld als volgt : "of in artikel 2, § 3, 1° tot 5° en 7°, en § 3bis, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, in artikel 56, 1° en 2°, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971";
C) in § 3, worden tussen de woorden "per kwartaal" en de woorden "bedoeld in dit artikel", de woorden "of per maand" ingevoegd.
Art. 166. Dans l'article 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
A) dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "a pris cours" sont remplacés par les mots "a pris cours si l'employeur est affilié à l'Office national de sécurité sociale ou jusqu'à la fin du trente-sixième mois suivant celui pendant lequel cet engagement a pris cours si l'employeur est affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs";
B) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit : "ou à l'article 2, § 3, 1° à 5°, et 7°, et § 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail";
C) dans le § 3, les mots "ou par mois" sont insérés entre les mots "trimestre" et "prévue".
A) dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "a pris cours" sont remplacés par les mots "a pris cours si l'employeur est affilié à l'Office national de sécurité sociale ou jusqu'à la fin du trente-sixième mois suivant celui pendant lequel cet engagement a pris cours si l'employeur est affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs";
B) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit : "ou à l'article 2, § 3, 1° à 5°, et 7°, et § 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail";
C) dans le § 3, les mots "ou par mois" sont insérés entre les mots "trimestre" et "prévue".
Art. 167. In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in § 1, eerste lid, worden tussen de woorden "de voornoemde wet van 27 juni 1969" en de woorden "wordt de werkgever", de woorden "of van artikel 2, § 6, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945" ingevoegd;
B) § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : "in geval de werkgever is aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot het einde van de veertiende maand volgend op die waarin de indienstneming heeft plaatsgehad ingeval de werkgever is aangesloten bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers";
C) § 2, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
"of in artikel 2, § 2, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945".
A) in § 1, eerste lid, worden tussen de woorden "de voornoemde wet van 27 juni 1969" en de woorden "wordt de werkgever", de woorden "of van artikel 2, § 6, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945" ingevoegd;
B) § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : "in geval de werkgever is aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot het einde van de veertiende maand volgend op die waarin de indienstneming heeft plaatsgehad ingeval de werkgever is aangesloten bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers";
C) § 2, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :
"of in artikel 2, § 2, van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945".
Art. 167. Dans l'article 4 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
A) dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "ou à l'article 2, § 6, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945 sont insérés entre les mots "du 27 juin 1969" et ", l'employeur";
B) le § 1er, alinéa 2, est complété comme suit : "si l'employeur est affilié à l'Office national ou du quatorzième mois suivant celui pendant lequel l'engagement a eu lieu si l'employeur est affilié au Fonds national de retraite";
C) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit :
"ou à l'article 2, § 2, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945".
A) dans le § 1er, alinéa 1er, les mots "ou à l'article 2, § 6, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945 sont insérés entre les mots "du 27 juin 1969" et ", l'employeur";
B) le § 1er, alinéa 2, est complété comme suit : "si l'employeur est affilié à l'Office national ou du quatorzième mois suivant celui pendant lequel l'engagement a eu lieu si l'employeur est affilié au Fonds national de retraite";
C) le § 2, alinéa 1er, est complété comme suit :
"ou à l'article 2, § 2, de l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945".
Art. 168. In artikel 5, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden tussen de woorden "van het kwartaal" en het woord "waarvoor", de woorden "of van de maand" ingevoegd.
Art. 168. Dans l'article 5, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots "ou du mois" sont insérés entre les mots "trimestre" et "pou r".
Art. 169. In artikel 6, § 1, van dezelfde wet worden tussen de woorden "in zijn driemaandelijkse" en het woord "aangifte", de woorden "of maandelijkse" ingevoegd.
Art. 169. Dans l'article 6, § 1er, de la même loi, les mots "ou mensuelle" sont insérés entre les mots "trimestrielle" et "à l'institution".
Art. 170. Artikel 46, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd door de wet van 30 maart 1994, wordt aangevuld als volgt : ", evenals op de werknemers en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, onderworpen zijn".
Art. 170. L'article 46, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993, portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, confirmé par la loi du 30 mars 1994, est complété comme suit : "ainsi qu'aux travailleurs et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés".
Art. 171. Een artikel 47bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
"Art. 47bis. - § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 46 die aan voornoemde besluitwet van 10 januari 1945 onderworpen zijn genieten voor de werknemers bedoeld in hetzelfde artikel en die voltijds tewerkgesteld worden een vermindering ten belope van respectievelijk 50, 35, 20 en 10 % van de werkgeversbijdragen vastgesteld bij artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, bij artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en bij artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %), gedeeld door het aantal vergoede dagen, niet hoger is dan het bedrag van de daggrenzen vastgesteld respectievelijk op 1 900, 2 050, 2 200 en 2 350 frank.
De vermindering bedoeld in het vorige lid wordt toegestaan voor de deeltijdse werknemers ten belope van respectievelijk 50, 35, 20 en 10 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren, de uurloongrenzen vastgesteld op respectievelijk 250, 270, 290 en 310 frank niet te boven gaat.
Voor de handarbeiders en gelijkgestelden wordt de vermindering van de bijdragen bedoeld bij het eerste en het tweede lid berekend op het loon verhoogd tot 108 %.
Evenwel wordt geen vermindering van de bijdragen toegekend indien de daggrens of de uurloongrens geen 1 500 frank of 200 frank bereikt. Deze grenzen zijn gebracht op 1 530 frank per dag of 204 frank per uur vanaf 1 januari 1995.
De vergoedingen die aan de werknemers worden betaald ingevolge een verbreking van de dienstbetrekking, zijn uitgesloten van de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld bij het eerste en het tweede lid.
In afwijking van de bepalingen van het eerste en het tweede lid wordt geen vermindering van de werkgeversbijdragen toegestaan, indien de maandelijks aangegeven loonsom uitsluitend bestaat uit premies, waarvoor geen arbeidsdagen worden aangegeven.
§ 2. Voor bepaalde categorieën van werkgevers kunnen door Ons bijzondere berekeningsmodaliteiten voor de vermindering van de werkgeversbijdragen worden bepaald.".
"Art. 47bis. - § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 46 die aan voornoemde besluitwet van 10 januari 1945 onderworpen zijn genieten voor de werknemers bedoeld in hetzelfde artikel en die voltijds tewerkgesteld worden een vermindering ten belope van respectievelijk 50, 35, 20 en 10 % van de werkgeversbijdragen vastgesteld bij artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, bij artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en bij artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %), gedeeld door het aantal vergoede dagen, niet hoger is dan het bedrag van de daggrenzen vastgesteld respectievelijk op 1 900, 2 050, 2 200 en 2 350 frank.
De vermindering bedoeld in het vorige lid wordt toegestaan voor de deeltijdse werknemers ten belope van respectievelijk 50, 35, 20 en 10 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren, de uurloongrenzen vastgesteld op respectievelijk 250, 270, 290 en 310 frank niet te boven gaat.
Voor de handarbeiders en gelijkgestelden wordt de vermindering van de bijdragen bedoeld bij het eerste en het tweede lid berekend op het loon verhoogd tot 108 %.
Evenwel wordt geen vermindering van de bijdragen toegekend indien de daggrens of de uurloongrens geen 1 500 frank of 200 frank bereikt. Deze grenzen zijn gebracht op 1 530 frank per dag of 204 frank per uur vanaf 1 januari 1995.
De vergoedingen die aan de werknemers worden betaald ingevolge een verbreking van de dienstbetrekking, zijn uitgesloten van de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld bij het eerste en het tweede lid.
In afwijking van de bepalingen van het eerste en het tweede lid wordt geen vermindering van de werkgeversbijdragen toegestaan, indien de maandelijks aangegeven loonsom uitsluitend bestaat uit premies, waarvoor geen arbeidsdagen worden aangegeven.
§ 2. Voor bepaalde categorieën van werkgevers kunnen door Ons bijzondere berekeningsmodaliteiten voor de vermindering van de werkgeversbijdragen worden bepaald.".
Art. 171. Un article 47bis, rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
"Art. 47bis. - § 1er. Les employeurs visés à l'article 46 qui sont soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 bénéficient pour les travailleurs visés par le même article et qui sont occupés à temps plein d'une réduction à raison de respectivement 50, 35, 20 et 10 % des cotisations patronales visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre déclaré de journées rémunérées, ne dépasse pas les montants des plafonds journaliers fixés respectivement à 1 900, 2 050, 2 200 et 2 350 francs.
La réduction visée à l'alinéa précédent est accordée pour les travailleurs à temps partiel, à raison de 50, 35, 20 et 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées ne dépasse pas les montants des plafonds horaires fixés respectivement à 250, 270, 290 et 310 francs.
En ce qui concerne les travailleurs manuels et assimilés, la réduction des cotisations visée aux deux premiers alinéas est calculée sur la rémunération portée à 108 %.
Toutefois, la réduction des cotisations n'est pas accordée si le plafond journalier ou le plafond horaire n'atteint pas un montant de 1 500 francs par jour ou 200 francs par heure. Ces plafonds sont portés à 1 530 francs par jour ou 204 francs par heure à partir du 1er janvier 1995.
Les indemnités payées aux travailleurs en raison de la rupture du contrat sont exclues de la réduction des cotisations patronales visée aux deux premiers alinéas.
Par dérogation aux dispositions des deux premiers alinéas, il n'y a pas de réduction des cotisations patronales lorsque la masse salariale déclarée mensuellement pour le travailleur n'est constituée que de primes pour lesquelles il n'y a pas de journées de travail déclarées.
§ 2. Pour certaines catégories d'employeurs, peuvent être fixées par Nous des modalités particulières pour le calcul de la réduction des cotisations patronales.".
"Art. 47bis. - § 1er. Les employeurs visés à l'article 46 qui sont soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 bénéficient pour les travailleurs visés par le même article et qui sont occupés à temps plein d'une réduction à raison de respectivement 50, 35, 20 et 10 % des cotisations patronales visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre déclaré de journées rémunérées, ne dépasse pas les montants des plafonds journaliers fixés respectivement à 1 900, 2 050, 2 200 et 2 350 francs.
La réduction visée à l'alinéa précédent est accordée pour les travailleurs à temps partiel, à raison de 50, 35, 20 et 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées ne dépasse pas les montants des plafonds horaires fixés respectivement à 250, 270, 290 et 310 francs.
En ce qui concerne les travailleurs manuels et assimilés, la réduction des cotisations visée aux deux premiers alinéas est calculée sur la rémunération portée à 108 %.
Toutefois, la réduction des cotisations n'est pas accordée si le plafond journalier ou le plafond horaire n'atteint pas un montant de 1 500 francs par jour ou 200 francs par heure. Ces plafonds sont portés à 1 530 francs par jour ou 204 francs par heure à partir du 1er janvier 1995.
Les indemnités payées aux travailleurs en raison de la rupture du contrat sont exclues de la réduction des cotisations patronales visée aux deux premiers alinéas.
Par dérogation aux dispositions des deux premiers alinéas, il n'y a pas de réduction des cotisations patronales lorsque la masse salariale déclarée mensuellement pour le travailleur n'est constituée que de primes pour lesquelles il n'y a pas de journées de travail déclarées.
§ 2. Pour certaines catégories d'employeurs, peuvent être fixées par Nous des modalités particulières pour le calcul de la réduction des cotisations patronales.".
Art. 172. Een artikel 47bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
"Art. 47bis. - § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 46 die aan de besluitwet van 10 januari 1945, onderworpen zijn, genieten voor de werknemers bedoeld in hetzelfde artikel en die voltijds tewerkgesteld worden een vermindering van de werkgeversbijdragen vastgesteld bij artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, bij artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en bij artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Deze vermindering wordt vastgesteld op :
a) 50 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 1 561 frank en 1 977 frank;
b) 35 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 1 978 frank en 2 133 frank;
c) 20 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 2 134 frank en 2 289 frank;
d) 10 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 2 290 frank en 2 808 frank.
De vermindering bedoeld in het vorige lid wordt toegestaan voor de deeltijdse werknemers ten belope van :
a) 50 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren de uurloongrens van 260 frank niet te boven gaat;
b) 35 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 261 frank en 281 frank;
c) 20 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 282 frank en 301 frank;
d) 10 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 302 frank en 369 frank.
Voor de handarbeiders en gelijkgestelden wordt de vermindering van de bijdragen bedoeld bij het tweede en het derde lid berekend op het loon verhoogd tot 108 %.
Evenwel wordt geen vermindering van de bijdragen toegekend indien de daggrens of de uurloongrens geen 1 530 frank of 204 frank bereikt.
De vergoedingen die aan de werknemers worden betaald ingevolge een verbreking van de dienstbetrekking, zijn uitgesloten van de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld bij het tweede en het derde lid.
In afwijking van de bepalingen van het tweede en het derde lid wordt geen vermindering van de werkgeversbijdragen toegestaan, indien de maandelijks aangegeven loonsom uitsluitend bestaat uit premies, waarvoor geen arbeidsdagen worden aangegeven.
§ 2. Voor bepaalde categorieën van werkgevers kunnen door Ons bijzondere berekeningsmodaliteiten voor de vermindering van de werkgeversbijdragen worden bepaald.".
"Art. 47bis. - § 1. De werkgevers bedoeld in artikel 46 die aan de besluitwet van 10 januari 1945, onderworpen zijn, genieten voor de werknemers bedoeld in hetzelfde artikel en die voltijds tewerkgesteld worden een vermindering van de werkgeversbijdragen vastgesteld bij artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, bij artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en bij artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Deze vermindering wordt vastgesteld op :
a) 50 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 1 561 frank en 1 977 frank;
b) 35 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 1 978 frank en 2 133 frank;
c) 20 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 2 134 frank en 2 289 frank;
d) 10 % voor zover de loonsom die per werknemer maandelijks wordt aangegeven (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede werkdagen begrepen is tussen de volgende daggrensbedragen : 2 290 frank en 2 808 frank.
De vermindering bedoeld in het vorige lid wordt toegestaan voor de deeltijdse werknemers ten belope van :
a) 50 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren de uurloongrens van 260 frank niet te boven gaat;
b) 35 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 261 frank en 281 frank;
c) 20 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 282 frank en 301 frank;
d) 10 % voor zover de per werknemer maandelijks aangegeven loonsom (tegen 100 %) gedeeld door het aantal vergoede uren begrepen is tussen de uurloongrenzen van 302 frank en 369 frank.
Voor de handarbeiders en gelijkgestelden wordt de vermindering van de bijdragen bedoeld bij het tweede en het derde lid berekend op het loon verhoogd tot 108 %.
Evenwel wordt geen vermindering van de bijdragen toegekend indien de daggrens of de uurloongrens geen 1 530 frank of 204 frank bereikt.
De vergoedingen die aan de werknemers worden betaald ingevolge een verbreking van de dienstbetrekking, zijn uitgesloten van de vermindering van de werkgeversbijdragen bedoeld bij het tweede en het derde lid.
In afwijking van de bepalingen van het tweede en het derde lid wordt geen vermindering van de werkgeversbijdragen toegestaan, indien de maandelijks aangegeven loonsom uitsluitend bestaat uit premies, waarvoor geen arbeidsdagen worden aangegeven.
§ 2. Voor bepaalde categorieën van werkgevers kunnen door Ons bijzondere berekeningsmodaliteiten voor de vermindering van de werkgeversbijdragen worden bepaald.".
Art. 172. Un article 47bis, rédigé comme suit est inséré dans le même arrêté :
"Art. 47bis. - § 1er. Les employeurs visés à l'article 46 qui sont soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945, bénéficient pour les travailleurs visés par le même article et qui sont occupes à temps plein d'une réduction des cotisations patronales fixées par l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Cette réduction est fixée à :
a) 50 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants de plafonds journaliers suivants : 1 561 francs et 1 977 francs;
b) 35 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 1 978 francs et 2 133 francs;
c) 20 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 2 134 francs et 2 289 francs;
d) 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 2 290 francs et 2 808 francs.
La réduction visée à l'alinéa précédent est accordée pour les travailleurs à temps partiel à raison de :
a) 50 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées ne dépasse pas le montant du plafond horaire de 260 francs;
b) 35 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 261 francs et 281 francs;
c) 20 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 282 francs et 301 francs;
d) 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (a 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 302 francs et 369 francs.
En ce qui concerne les travailleurs manuels et assimilés, la réduction des cotisations visée aux alinéas 2 et 3 est calculée sur la rémunération portée à 108 %.
Toutefois, la réduction des cotisations n'est pas accordée si le plafond journalier ou le plafond horaire n'atteint pas un montant de 1 530 francs par jour ou 204 francs par heure.
Les indemnités payées aux travailleurs en raison de la rupture du contrat sont exclues de la réduction des cotisations patronales visée aux alinéas 2 et 3.
Par dérogation aux dispositions des alinéas 2 et 3, il n'est pas attribué de réduction des cotisations patronales lorsque la masse salariale déclarée mensuellement pour le travailleur n'est constituée que de primes pour lesquelles il n'y a pas de journées de travail déclarées.
§ 2. Pour certaines catégories d'employeurs, peuvent être fixées par Nous des modalités particulières pour le calcul de la réduction des cotisations patronales.".
"Art. 47bis. - § 1er. Les employeurs visés à l'article 46 qui sont soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945, bénéficient pour les travailleurs visés par le même article et qui sont occupes à temps plein d'une réduction des cotisations patronales fixées par l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Cette réduction est fixée à :
a) 50 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants de plafonds journaliers suivants : 1 561 francs et 1 977 francs;
b) 35 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 1 978 francs et 2 133 francs;
c) 20 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 2 134 francs et 2 289 francs;
d) 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %), divisée par le nombre de journées ouvrables rémunérées se situe entre les montants des plafonds journaliers suivants : 2 290 francs et 2 808 francs.
La réduction visée à l'alinéa précédent est accordée pour les travailleurs à temps partiel à raison de :
a) 50 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées ne dépasse pas le montant du plafond horaire de 260 francs;
b) 35 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 261 francs et 281 francs;
c) 20 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (à 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 282 francs et 301 francs;
d) 10 % pour autant que la masse salariale déclarée mensuellement par travailleur (a 100 %) divisée par le nombre d'heures rémunérées se situe entre les montants de plafond horaire suivants : 302 francs et 369 francs.
En ce qui concerne les travailleurs manuels et assimilés, la réduction des cotisations visée aux alinéas 2 et 3 est calculée sur la rémunération portée à 108 %.
Toutefois, la réduction des cotisations n'est pas accordée si le plafond journalier ou le plafond horaire n'atteint pas un montant de 1 530 francs par jour ou 204 francs par heure.
Les indemnités payées aux travailleurs en raison de la rupture du contrat sont exclues de la réduction des cotisations patronales visée aux alinéas 2 et 3.
Par dérogation aux dispositions des alinéas 2 et 3, il n'est pas attribué de réduction des cotisations patronales lorsque la masse salariale déclarée mensuellement pour le travailleur n'est constituée que de primes pour lesquelles il n'y a pas de journées de travail déclarées.
§ 2. Pour certaines catégories d'employeurs, peuvent être fixées par Nous des modalités particulières pour le calcul de la réduction des cotisations patronales.".
Art. 173. Artikel 60 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt aangevuld als volgt :
", en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen zijn.".
", en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen zijn.".
Art. 173. L'article 60 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, est complété comme suit :
"et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.".
"et aux employeurs soumis à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.".
Art. 174. Artikel 61, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt : "of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
Art. 174. L'article 61, § 2, de la même loi est complété comme suit : "ou à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi précité du 10 janvier 1945, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.".
Art. 175. In artikel 63, § 1, van dezelfde wet, worden tussen de woorden "zijn driemaandelijkse aangifte" en "aan de instelling" de woorden "of in zijn maandelijkse aangifte" ingevoegd.
Art. 175. Dans l'article 63, § 1er, de la même loi, les mots "ou mensuelle" sont insérés entre le mot "trimestrielle" et les mots "a l'institution".
Art. 176. Artikel 2, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, vervangen door de wet van 28 mei 1991, wordt aangevuld als volgt : "of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van de voornoemde besluitwet van 10 januari 1945, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.".
Art. 176. L'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifié par la loi du 28 mai 1991, est complété comme suit : "ou à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.".
Art. 177. In artikel 2, § 2, van hetzelfde besluit, worden tussen de woorden "aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid" en ", de identiteit" de woorden "of in zijn maandelijkse aangifte aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers" ingevoegd.
Art. 177. Dans l'article 2, § 2, du même arrêté, les mots "ou dans sa déclaration mensuelle au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont insérés entre les mots "à l'Office national de sécurité sociale" et les mots "l'identité du travailleur".
Art. 178. Artikel 4, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, wordt vervangen door het volgende lid :
"Van het voordeel van dit besluit zijn uitgesloten de werkgevers die, bij het verstrijken van het kwartaal of van de maand waarvoor zij de toepassing van artikel 2 inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen. Indien de betrokken werkgevers echter voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen afwijkingen toestaan.".
"Van het voordeel van dit besluit zijn uitgesloten de werkgevers die, bij het verstrijken van het kwartaal of van de maand waarvoor zij de toepassing van artikel 2 inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen. Indien de betrokken werkgevers echter voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen afwijkingen toestaan.".
Art. 178. L'article 4, § 1er, alinéa 1er, du même arrêté est remplacé par l'alinéa suivant :
"Sont exclus du bénéfice du présent arrêté les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils invoquent l'application de l'article 2, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale. Cependant, s'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
"Sont exclus du bénéfice du présent arrêté les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils invoquent l'application de l'article 2, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale. Cependant, s'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
Art. 179. Artikel 36, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, gewijzigd bij de wet van 3 april 1995, wordt vervangen door het volgende lid :
"De werkgevers die op basis van een goedgekeurd bedrijfsplan tot herverdeling van arbeid, zoals bedoeld in artikel 35, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven ten minste een gelijk blijvend aantal aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangegeven aantal dagen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal of de overeenstemmende maand van het jaar 1993, hebben per bijkomende arbeidsplaats, recht op een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdrage van 25 000 frank per kwartaal of van het derde van deze som per maand voor de werkgevers die bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn.".
"De werkgevers die op basis van een goedgekeurd bedrijfsplan tot herverdeling van arbeid, zoals bedoeld in artikel 35, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven ten minste een gelijk blijvend aantal aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangegeven aantal dagen aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal of de overeenstemmende maand van het jaar 1993, hebben per bijkomende arbeidsplaats, recht op een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdrage van 25 000 frank per kwartaal of van het derde van deze som per maand voor de werkgevers die bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn.".
Art. 179. L'article 36, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, modifié par la loi du 3 avril 1995 est remplacé par l'alinéa suivant :
"Les employeurs qui, sur la base d'un plan d'entreprise de redistribution du travail approuvé, visé à l'article 35, connaissent un accroissement net de l'effectif et un nombre au moins égal au nombre de jours déclarés à l'Office national de sécurité sociale ou au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, par rapport au trimestre ou au mois correspondant de l'année 1993, ont droit, pour chaque emploi supplémentaire, à une diminution forfaitaire des cotisations patronales, à concurrence de 25 000 francs par trimestre ou au tiers de cette somme par mois pour les employeurs affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
"Les employeurs qui, sur la base d'un plan d'entreprise de redistribution du travail approuvé, visé à l'article 35, connaissent un accroissement net de l'effectif et un nombre au moins égal au nombre de jours déclarés à l'Office national de sécurité sociale ou au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, par rapport au trimestre ou au mois correspondant de l'année 1993, ont droit, pour chaque emploi supplémentaire, à une diminution forfaitaire des cotisations patronales, à concurrence de 25 000 francs par trimestre ou au tiers de cette somme par mois pour les employeurs affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
Art. 180. Artikel 36, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995, wordt vervangen door het volgende lid :
"Indien het bedrijfsplan tot herverdeling van de arbeid, zoals bedoeld in artikel 35, werd neergelegd en goedgekeurd na 1 januari 1996, heeft de werkgever, voor iedere bijkomende netto aanwerving gerealiseerd in de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 recht op een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid van 37 500 frank per kwartaal gedurende het kwartaal van de aanwerving en de 12 daaropvolgende kwartalen als hij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is en van 12 500 frank per maand gedurende de maand van de aanwerving en de 38 daaropvolgende maanden als hij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is, voor zover hij tijdens die periode voldoet aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid.".
"Indien het bedrijfsplan tot herverdeling van de arbeid, zoals bedoeld in artikel 35, werd neergelegd en goedgekeurd na 1 januari 1996, heeft de werkgever, voor iedere bijkomende netto aanwerving gerealiseerd in de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 recht op een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid van 37 500 frank per kwartaal gedurende het kwartaal van de aanwerving en de 12 daaropvolgende kwartalen als hij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is en van 12 500 frank per maand gedurende de maand van de aanwerving en de 38 daaropvolgende maanden als hij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is, voor zover hij tijdens die periode voldoet aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid.".
Art. 180. L'article 36, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, inséré par la loi du 22 décembre 1995, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Si le plan d'entreprise de redistribution du travail, tel que visé à l'article 35, est déposé et approuvé après le 1er janvier 1996, l'employeur a droit pour chaque engagement net supplémentaire réalisé dans la période du 1er janvier 1996 au 31 décembre 1997 à une réduction forfaitaire des cotisations patronales de sécurité sociale de 37 500 francs par trimestre durant le trimestre de l'engagement et les 12 trimestres suivants s'il est affilié à l'Office national de sécurité sociale et de 12 500 francs par mois durant le mois de l'engagement et les 38 mois suivants s'il est affilié au Fond national de retraite pour les ouvriers mineurs, pour autant qu'il satisfasse pendant cette période aux conditions mentionnées à l'alinéa 1er.".
"Si le plan d'entreprise de redistribution du travail, tel que visé à l'article 35, est déposé et approuvé après le 1er janvier 1996, l'employeur a droit pour chaque engagement net supplémentaire réalisé dans la période du 1er janvier 1996 au 31 décembre 1997 à une réduction forfaitaire des cotisations patronales de sécurité sociale de 37 500 francs par trimestre durant le trimestre de l'engagement et les 12 trimestres suivants s'il est affilié à l'Office national de sécurité sociale et de 12 500 francs par mois durant le mois de l'engagement et les 38 mois suivants s'il est affilié au Fond national de retraite pour les ouvriers mineurs, pour autant qu'il satisfasse pendant cette période aux conditions mentionnées à l'alinéa 1er.".
Art. 181. In artikel 104bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij de wet van 22 december 1995 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 maart 1997, worden, de §§ 1, 2 en 4 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen :
"§ 1. De werkgevers die in toepassing van de artikelen 100 en 102 overgaan tot de vervanging van de werknemer door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week, kunnen voor de vervangers die zij in dienst nemen gedeeltelijk vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7°, en 9°, en 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2° van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid wordt, voor zover de vervanger deeltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 50 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 25 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 50 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 25 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.
In afwijking van het tweede lid wordt, voor zover de vervanger in dienst wordt genomen na 31 december 1996 en deeltijds wordt tewerkgesteld in een onderneming met minder dan 50 werknemers, de vrijstelling bedoeld in het eerste lid vastgesteld op 75 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 50 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 75 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 50 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is. De periode die in acht genomen moet worden voor het bepalen van het aantal werknemers tewerkgesteld in de onderneming, word door de Koning bepaald.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover de vervanger voltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 25 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 25 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden als de werkgever bij het National Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.".
"§ 2. Van de toepassing van dit artikel zijn uitgesloten de werkgevers die, bij het verstrijken van het kwartaal of de maand waarvoor zij de toepassing ervan inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Indien de betrokken werkgevers voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen, afwijkingen toestaan.".
"§ 4. Om de voordelen van dit artikel te genieten, moet de werkgever in zijn driemaandelijkse of maandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert en bewijzen dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid vermelde formaliteiten en bewijsstukken.".
"§ 1. De werkgevers die in toepassing van de artikelen 100 en 102 overgaan tot de vervanging van de werknemer door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week, kunnen voor de vervangers die zij in dienst nemen gedeeltelijk vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7°, en 9°, en 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2° van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid wordt, voor zover de vervanger deeltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 50 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 25 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 50 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 25 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.
In afwijking van het tweede lid wordt, voor zover de vervanger in dienst wordt genomen na 31 december 1996 en deeltijds wordt tewerkgesteld in een onderneming met minder dan 50 werknemers, de vrijstelling bedoeld in het eerste lid vastgesteld op 75 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 50 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 75 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 50 % gedurende de 15e tot en met de 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is. De periode die in acht genomen moet worden voor het bepalen van het aantal werknemers tewerkgesteld in de onderneming, word door de Koning bepaald.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover de vervanger voltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 25 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 25 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden als de werkgever bij het National Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.".
"§ 2. Van de toepassing van dit artikel zijn uitgesloten de werkgevers die, bij het verstrijken van het kwartaal of de maand waarvoor zij de toepassing ervan inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Indien de betrokken werkgevers voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen, afwijkingen toestaan.".
"§ 4. Om de voordelen van dit artikel te genieten, moet de werkgever in zijn driemaandelijkse of maandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert en bewijzen dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid vermelde formaliteiten en bewijsstukken.".
Art. 181. Dans l'article 104bisde la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, inséré par la loi du 22 décembre 1995 et modifié par l'arrête royal du 14 mars 1997, les §§ 1er, 2 et 4 sont remplacés respectivement par les dispositions suivantes :
"§ 1er. Les employeurs qui, en application des articles 100 et 102, procèdent au remplacement du travailleur par un chômeur complet indemnisé, qui bénéficie d'allocations pour tous les jours de la semaine, peuvent être exonérés partiellement, pour les remplaçants qu'ils engagent, des cotisations patronales visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bisde la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, ou à l'article 2, §§ 3, 1° à 5° et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2° des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
L'exonération visée à l'alinéa 1er est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps partiel, fixée à 50 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants et à 25 % pendant le 5e jusque et y compris le 8e trimestre suivant celui de l'engagement s' il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 50 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 25 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.
Par dérogation à l'alinéa 2, pour autant que le remplaçant soit engagé après le 31 décembre 1996 et occupé à temps partiel dans une entreprise qui compte moins de 50 travailleurs, la dispense visée à l'alinéa 1er est fixée à 75 % pendant le trimestre de l'engagement et les quatre trimestres suivants et à 50 % pendant le 5e jusqu'au 8e trimestre suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 75 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 50 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs. La période dont il faut tenir compte pour déterminer le nombre de travailleurs occupés dans l'entreprise, est déterminée par le Roi.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps plein, fixée à 25 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants s'il s'agit d'un employeur affilie à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 25 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants s'il s'agit d'un employeur affilie au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
"§ 2. Sont exclus de l'application du présent article les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils en invoquent l'application, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
S'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
"§ 4. Pour pouvoir bénéficier des avantages du présent article, l'employeur doit préciser, dans la déclaration trimestrielle ou mensuelle aux institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale, l'identité exacte du travailleur pour lequel il réduit les cotisations patronales et prouver que ce travailleur remplit les conditions requises pour l'application des dispositions du présent article.
Le Roi détermine les modalités relatives aux formalités et justificatifs mentionnés à l'alinéa 1er.".
"§ 1er. Les employeurs qui, en application des articles 100 et 102, procèdent au remplacement du travailleur par un chômeur complet indemnisé, qui bénéficie d'allocations pour tous les jours de la semaine, peuvent être exonérés partiellement, pour les remplaçants qu'ils engagent, des cotisations patronales visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bisde la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, ou à l'article 2, §§ 3, 1° à 5° et 7°, et 3bisde l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2° des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
L'exonération visée à l'alinéa 1er est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps partiel, fixée à 50 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants et à 25 % pendant le 5e jusque et y compris le 8e trimestre suivant celui de l'engagement s' il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 50 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 25 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.
Par dérogation à l'alinéa 2, pour autant que le remplaçant soit engagé après le 31 décembre 1996 et occupé à temps partiel dans une entreprise qui compte moins de 50 travailleurs, la dispense visée à l'alinéa 1er est fixée à 75 % pendant le trimestre de l'engagement et les quatre trimestres suivants et à 50 % pendant le 5e jusqu'au 8e trimestre suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 75 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 50 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs. La période dont il faut tenir compte pour déterminer le nombre de travailleurs occupés dans l'entreprise, est déterminée par le Roi.
L'exonération visée à l'alinéa 1er, est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps plein, fixée à 25 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants s'il s'agit d'un employeur affilie à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 25 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants s'il s'agit d'un employeur affilie au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
"§ 2. Sont exclus de l'application du présent article les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils en invoquent l'application, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
S'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
"§ 4. Pour pouvoir bénéficier des avantages du présent article, l'employeur doit préciser, dans la déclaration trimestrielle ou mensuelle aux institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale, l'identité exacte du travailleur pour lequel il réduit les cotisations patronales et prouver que ce travailleur remplit les conditions requises pour l'application des dispositions du présent article.
Le Roi détermine les modalités relatives aux formalités et justificatifs mentionnés à l'alinéa 1er.".
Art. 182. In artikel 18 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 maart 1997, worden de §§ 1, 2 en 4 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen :
§ 1. De werkgevers die in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr 55 gesloten op 13 juli 1993 in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 november 1993, overgaat tot de vervanging van een oudere werknemer bedoeld in artikel 46 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, kunnen voor de volledig werklozen die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week die zij als vervangers in dienst nemen, gedeeltelijk vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7°, en 9°, en 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid is, voor zover de vervanger deeltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 50 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 25 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 50 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 25 % gedurende de 15e tot en met 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.
Deze vrijstelling wordt, voor zover de vervanger voltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 25 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 25 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.".
"§ 2. Van de toepassing van dit artikel zijn uitgesloten de werkgevers die bij het verstrijken van het kwartaal of de maand waarvoor zij de toepassing ervan inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen.
Indien de betrokken werkgevers voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, afwijkingen toestaan.".
"§ 4. Om de voordelen van dit artikel te genieten, moet de werkgever in zijn driemaandelijkse of maandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert en bewijzen dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid vermelde formaliteiten en bewijsstukken.".
§ 1. De werkgevers die in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de invoering van een stelsel van halftijds brugpensioen zoals bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst nr 55 gesloten op 13 juli 1993 in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 17 november 1993, overgaat tot de vervanging van een oudere werknemer bedoeld in artikel 46 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, kunnen voor de volledig werklozen die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week die zij als vervangers in dienst nemen, gedeeltelijk vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7°, en 9°, en 3bis van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, of in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De vrijstelling bedoeld in het eerste lid is, voor zover de vervanger deeltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 50 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen en op 25 % gedurende het 5e tot en met het 8e kwartaal volgend op dat van de aanwerving als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 50 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden en op 25 % gedurende de 15e tot en met 26e maand volgend op deze van de aanwerving als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.
Deze vrijstelling wordt, voor zover de vervanger voltijds wordt tewerkgesteld, vastgesteld op 25 % gedurende het kwartaal van de indienstneming en de 4 daarop volgende kwartalen als de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten is. Ze is vastgesteld op 25 % gedurende de maand van de indienstneming en de 14 daarop volgende maanden als de werkgever bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten is.".
"§ 2. Van de toepassing van dit artikel zijn uitgesloten de werkgevers die bij het verstrijken van het kwartaal of de maand waarvoor zij de toepassing ervan inroepen, schuldenaar zijn van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen.
Indien de betrokken werkgevers voor de aanzuivering van hun schuld uitstel van betaling hebben gekregen en de termijnen strikt hebben nageleefd, kan het beheerscomité van de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, afwijkingen toestaan.".
"§ 4. Om de voordelen van dit artikel te genieten, moet de werkgever in zijn driemaandelijkse of maandelijkse aangifte aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de sociale-zekerheidsbijdragen, de juiste identiteit vermelden van de werknemer voor wie hij de werkgeversbijdragen vermindert en bewijzen dat de werknemer voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel.
De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in het eerste lid vermelde formaliteiten en bewijsstukken.".
Art. 182. Dans l'article 18 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, modifie par l'arrêté royal du 14 mars 1997, les §§ 1er, 2 et 4 sont remplacés respectivement par les dispositions suivantes :
"§ 1er. Les employeurs qui, en application d'une convention collective de travail qui prévoit l'introduction d'un régime de prépension à mi-temps tel que visé dans la convention collective de travail n° 55, conclue le 13 juillet 1993 au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 17 novembre 1993, procèdent au remplacement d'un travailleur âgé visé à l'article 46 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, peuvent pour les chômeurs complets qui bénéficient d'allocations pour tous les jours de la semaine qu'ils engagent comme remplaçants, être exonérés partiellement des cotisations patronales de sécurité sociale visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bisde la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, ou de celles visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bis, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
L'exonération visée à l'alinéa 1er est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps partiel, fixée à 50 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants et à 25 % pendant le 5e jusque et y compris le 8e trimestre suivant l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 50 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 25 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.
Cette exonération est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps plein, fixée à 25 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants s' il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 25 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
"§ 2. Sont exclus de l'application du présent article les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils en invoquent l'application, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
S'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
"§ 4. Pour pouvoir bénéficier des avantages du présent article, l'employeur doit préciser, dans la déclaration trimestrielle ou mensuelle aux institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale, l'identité exacte du travailleur pour lequel il réduit les cotisations patronales et prouver que ce travailleur remplit les conditions requises pour l'application des dispositions du présent article.
Le Roi détermine les modalités relatives aux formalités et justificatifs mentionnés à l'alinéa 1er.".
"§ 1er. Les employeurs qui, en application d'une convention collective de travail qui prévoit l'introduction d'un régime de prépension à mi-temps tel que visé dans la convention collective de travail n° 55, conclue le 13 juillet 1993 au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 17 novembre 1993, procèdent au remplacement d'un travailleur âgé visé à l'article 46 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, peuvent pour les chômeurs complets qui bénéficient d'allocations pour tous les jours de la semaine qu'ils engagent comme remplaçants, être exonérés partiellement des cotisations patronales de sécurité sociale visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bisde la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, ou de celles visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bis, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
L'exonération visée à l'alinéa 1er est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps partiel, fixée à 50 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants et à 25 % pendant le 5e jusque et y compris le 8e trimestre suivant l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 50 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants et à 25 % pendant le 15e jusque et y compris le 26e mois suivant celui de l'engagement s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.
Cette exonération est, pour autant que le remplaçant soit occupé à temps plein, fixée à 25 % pendant le trimestre de l'engagement et les 4 trimestres suivants s' il s'agit d'un employeur affilié à l'Office national de sécurité sociale. Elle est fixée à 25 % pendant le mois de l'engagement et les 14 mois suivants s'il s'agit d'un employeur affilié au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs.".
"§ 2. Sont exclus de l'application du présent article les employeurs qui, à l'expiration du trimestre ou du mois pour lequel ils en invoquent l'application, sont débiteurs envers les institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
S'il s'agit d'employeurs qui ont obtenu pour l'apurement de leur dette des délais de paiement qu'ils ont respectés strictement, des dérogations peuvent être accordées par le comité de gestion des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.".
"§ 4. Pour pouvoir bénéficier des avantages du présent article, l'employeur doit préciser, dans la déclaration trimestrielle ou mensuelle aux institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale, l'identité exacte du travailleur pour lequel il réduit les cotisations patronales et prouver que ce travailleur remplit les conditions requises pour l'application des dispositions du présent article.
Le Roi détermine les modalités relatives aux formalités et justificatifs mentionnés à l'alinéa 1er.".
Art. 183. Artikel 30, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 35 hebben de werkgevers die ter uitvoering van een tewerkstellingsakkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van een daartoe in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van het jaar 1996 als zij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten zijn of de overeenstemmende maand van het jaar 1996 als zij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1996, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37 500 frank per kwartaal als zij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten zijn en van 12 500 frank per maand als zij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn. Indien de vermindering van 37 500 frank hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7° en 9°, en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of indien de vermindering van 12 500 frank hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 30 juni 1970, en in artikel 59, 1° van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, die voor de bijkomende werknemer verschuldigd zijn, wordt het bedrag van de vermindering beperkt tot het bedrag dat overeenstemt met een volledige vrijstelling van de voornoemde werkgeversbijdragen, verschuldigd voor deze werknemer.".
"§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 35 hebben de werkgevers die ter uitvoering van een tewerkstellingsakkoord gesloten overeenkomstig de bepalingen van een daartoe in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, een netto-aangroei van het aantal werknemers en daarenboven tenminste een gelijkwaardig arbeidsvolume aantonen, dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van het jaar 1996 als zij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten zijn of de overeenstemmende maand van het jaar 1996 als zij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn, voor elke nieuw aangeworven werknemer, aangeworven na 31 december 1996, recht op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid van 37 500 frank per kwartaal als zij bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangesloten zijn en van 12 500 frank per maand als zij bij het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers aangesloten zijn. Indien de vermindering van 37 500 frank hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7° en 9°, en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of indien de vermindering van 12 500 frank hoger is dan het bedrag van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3, 1° tot 5°, en 7°, en 3bis, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 30 juni 1970, en in artikel 59, 1° van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, die voor de bijkomende werknemer verschuldigd zijn, wordt het bedrag van de vermindering beperkt tot het bedrag dat overeenstemt met een volledige vrijstelling van de voornoemde werkgeversbijdragen, verschuldigd voor deze werknemer.".
Art. 183. L'article 30, § 1er, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 35, les employeurs qui, en exécution d'un accord en faveur de l'emploi conclu conformément aux dispositions d'une convention collective de travail conclue à cet effet au sein du Conseil national du travail, font la preuve d'une croissance nette du nombre de travailleurs et en outre d'un volume de travail au moins équivalent et ce, par comparaison avec le trimestre correspondant de 1996 s'ils sont affiliés à l'Office national de sécurité sociale ou du mois correspondant de 1996 s'ils sont affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, ont droit, pour chaque nouveau travailleur engagé après le 31 décembre 1996, à une réduction des cotisations patronales de sécurité sociale de 37 500 francs par trimestre s'ils sont affiliés à l'Office national de sécurité sociale et de 12 500 francs par mois s'ils sont affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs. Si la réduction de 37 500 francs est supérieure au montant des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ou si la réduction de 12 500 francs est supérieure au montant des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bis, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, dues pour le travailleur supplémentaire, le montant de la réduction est limité au montant correspondant à une exonération complète des cotisations patronales susmentionnées dues pour ce travailleur.".
"§ 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 35, les employeurs qui, en exécution d'un accord en faveur de l'emploi conclu conformément aux dispositions d'une convention collective de travail conclue à cet effet au sein du Conseil national du travail, font la preuve d'une croissance nette du nombre de travailleurs et en outre d'un volume de travail au moins équivalent et ce, par comparaison avec le trimestre correspondant de 1996 s'ils sont affiliés à l'Office national de sécurité sociale ou du mois correspondant de 1996 s'ils sont affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs, ont droit, pour chaque nouveau travailleur engagé après le 31 décembre 1996, à une réduction des cotisations patronales de sécurité sociale de 37 500 francs par trimestre s'ils sont affiliés à l'Office national de sécurité sociale et de 12 500 francs par mois s'ils sont affiliés au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs. Si la réduction de 37 500 francs est supérieure au montant des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3, 1° à 7°, et 9°, et 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ou si la réduction de 12 500 francs est supérieure au montant des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3, 1° à 5°, et 7°, et 3bis, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, dues pour le travailleur supplémentaire, le montant de la réduction est limité au montant correspondant à une exonération complète des cotisations patronales susmentionnées dues pour ce travailleur.".
Art. 184. In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden tussen de woorden "van het kwartaal" en ", waarvoor zij de" de woorden "of de maand" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden tussen de woorden "desbetreffende kwartaal" en "voor de toepassing" de woorden "of de desbetreffende maand" ingevoegd.
1° in het eerste lid worden tussen de woorden "van het kwartaal" en ", waarvoor zij de" de woorden "of de maand" ingevoegd;
2° in het tweede lid worden tussen de woorden "desbetreffende kwartaal" en "voor de toepassing" de woorden "of de desbetreffende maand" ingevoegd.
Art. 184. A l'article 32, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou du mois" sont insérés entre les mots "du trimestre" et "pour lequel";
2° dans l'alinéa 2, les mots "ou le mois" sont insérés entre les mots "pour le trimestre" et "concernés".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "ou du mois" sont insérés entre les mots "du trimestre" et "pour lequel";
2° dans l'alinéa 2, les mots "ou le mois" sont insérés entre les mots "pour le trimestre" et "concernés".
Art. 185. Dit hoofdstuk treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van :
1° de artikelen 165 tot 169, die uitwerking hebben met ingang van 1 augustus 1993;
2° de artikelen 170, 176, 177, 178, die uitwerking hebben met ingang van 1 april 1994;
3° artikel 171, dat uitwerking heeft van 1 april 1994 tot 9 mei 1996;
4° artikel 172, dat uitwerking heeft met ingang van 10 mei 1996;
5° de artikelen 173, 174, 175, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1995;
6° artikel 179, dat uitwerking heeft met ingang van 10 januari 1994;
7° artikel 180, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1996;
8° de artikelen 183 en 184 die uitwerking hebben met ingang van 11 augustus 1996.
1° de artikelen 165 tot 169, die uitwerking hebben met ingang van 1 augustus 1993;
2° de artikelen 170, 176, 177, 178, die uitwerking hebben met ingang van 1 april 1994;
3° artikel 171, dat uitwerking heeft van 1 april 1994 tot 9 mei 1996;
4° artikel 172, dat uitwerking heeft met ingang van 10 mei 1996;
5° de artikelen 173, 174, 175, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1995;
6° artikel 179, dat uitwerking heeft met ingang van 10 januari 1994;
7° artikel 180, dat uitwerking heeft met ingang van 9 januari 1996;
8° de artikelen 183 en 184 die uitwerking hebben met ingang van 11 augustus 1996.
Art. 185. Le présent chapitre entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge, à l'exception :
1° des articles 165 à 169 qui produisent leurs effets le 1er août 1993;
2° des articles 170, 176, 177, 178 qui produisent leurs effets le 1er avril 1994;
3° de l'article 171 qui produit ses effets du 1er avril 1994 au 9 mai 1996;
4° de l'article 172 qui produit ses effets le 10 mai 1996;
5° des articles 173, 174, 175, qui produisent leurs effets le 1er janvier 1995;
6° de l'article 179 qui produit ses effets le 10 janvier 1994;
7° de l'article 180 qui produit ses effets le 9 janvier 1996;
8° des articles 183 et 184 qui produisent leurs effets le 11 août 1996.
1° des articles 165 à 169 qui produisent leurs effets le 1er août 1993;
2° des articles 170, 176, 177, 178 qui produisent leurs effets le 1er avril 1994;
3° de l'article 171 qui produit ses effets du 1er avril 1994 au 9 mai 1996;
4° de l'article 172 qui produit ses effets le 10 mai 1996;
5° des articles 173, 174, 175, qui produisent leurs effets le 1er janvier 1995;
6° de l'article 179 qui produit ses effets le 10 janvier 1994;
7° de l'article 180 qui produit ses effets le 9 janvier 1996;
8° des articles 183 et 184 qui produisent leurs effets le 11 août 1996.
HOOFDSTUK IX. - Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden.
CHAPITRE IX. - Institut national des invalides de guerre.
Art. 186. In artikel 3 van de wet van 8 augustus 1981 tot oprichting van het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oudstrijders en oorlogsslachtoffers en van de Hoge Raad voor oorlogsinvaliden, oudstrijders en oorlogsslachtoffers, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :
"Daarbij kan het Nationaal Instituut, met het oog op het verzekeren van een goed beheer van tehuizen, ziekenhuisdiensten of residentiediensten bestemd om zijn gerechtigden op te nemen, aanvullend, met het oog op het optimaliseren van zijn bezettingsgraad, de toegang tot tehuizen, ziekenhuisdiensten of residentiediensten verlenen aan niet-gerechtigden.".
"Daarbij kan het Nationaal Instituut, met het oog op het verzekeren van een goed beheer van tehuizen, ziekenhuisdiensten of residentiediensten bestemd om zijn gerechtigden op te nemen, aanvullend, met het oog op het optimaliseren van zijn bezettingsgraad, de toegang tot tehuizen, ziekenhuisdiensten of residentiediensten verlenen aan niet-gerechtigden.".
Art. 186. Dans l'article 3 de la loi du 8 août 1981 relative à la création de l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre ainsi que du Conseil supérieur des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de guerre, l'alinéa suivant est inséré entre le deuxième alinéa et le troisième alinéa :
"De plus, en vue d'assurer une bonne gestion des homes, services hospitaliers ou résidences services destinés à accueillir ses ressortissants, l'Institut national peut, à titre supplétif, en vue d'optimaliser son taux d'occupation, autoriser l'accès des homes, services hospitaliers ou résidences services à des non-ressortissants.".
"De plus, en vue d'assurer une bonne gestion des homes, services hospitaliers ou résidences services destinés à accueillir ses ressortissants, l'Institut national peut, à titre supplétif, en vue d'optimaliser son taux d'occupation, autoriser l'accès des homes, services hospitaliers ou résidences services à des non-ressortissants.".
HOOFDSTUK X. - Jaarlijkse vakantie.
CHAPITRE X. - Vacances annuelles.
Art. 187. In artikel 9, derde lid van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt het woord "werknemer" vervangen door het woord "hoofdarbeider".
Art. 187. A l'article 9, alinéa 3 des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, le mot "intellectuel" est inséré dans les mots "travailleur" et "décédé".
Art. 188. In artikel 48 van dezelfde wetten, wordt een nieuwe alinea ingevoegd tussen alinea 1 en 2, die luidt als volgt :
"De bevoegde Minister zal eveneens aan de agenten van de Rijksdienst de bevoegdheid waarvan sprake in alinea 1 kunnen toekennen. Die stellen elk onderzoek in ofwel op eigen initiatief ofwel op verzoek van een instelling die meewerkt aan de toepassing van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie en de uitvoeringsbesluiten ervan.".
"De bevoegde Minister zal eveneens aan de agenten van de Rijksdienst de bevoegdheid waarvan sprake in alinea 1 kunnen toekennen. Die stellen elk onderzoek in ofwel op eigen initiatief ofwel op verzoek van een instelling die meewerkt aan de toepassing van de wetgeving betreffende de jaarlijkse vakantie en de uitvoeringsbesluiten ervan.".
Art. 188. A l'article 48 des mêmes lois, il est inséré un nouvel alinéa entre l'alinéa 1er et 2, libellé comme suit :
"Le Ministre compétent pourra reconnaître également à des agents de l'Office national l'attribution dont il est question à l'alinéa 1er. Ceux-ci procèdent à toute enquête soit d'initiative soit à la demande d'une institution coopérant à l'application de la législation relative aux vacances annuelles et de ses arrêtés d'exécution.".
"Le Ministre compétent pourra reconnaître également à des agents de l'Office national l'attribution dont il est question à l'alinéa 1er. Ceux-ci procèdent à toute enquête soit d'initiative soit à la demande d'une institution coopérant à l'application de la législation relative aux vacances annuelles et de ses arrêtés d'exécution.".
Art. 189. In dezelfde wetten, wordt een nieuw artikel 49, ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 49. - De in alinea 2 van artikel 48 van deze wet, bedoelde personeelsleden oefenen bovendien controle uit over de toekenning van de vakantiegelden en de vakantiedagen die krachtens een wettelijke bepaling, een collectieve overeenkomst of een contract verschuldigd zijn.".
"Art. 49. - De in alinea 2 van artikel 48 van deze wet, bedoelde personeelsleden oefenen bovendien controle uit over de toekenning van de vakantiegelden en de vakantiedagen die krachtens een wettelijke bepaling, een collectieve overeenkomst of een contract verschuldigd zijn.".
Art. 189. Dans les mêmes lois, il est introduit un nouvel article 49, libellé comme suit :
"Art. 49. - Les agents visés à l'alinéa 2 de l'article 48 de la présente loi, contrôlent, en outre, l'attribution de pécules de vacances et de jours de vacances dus aux travailleurs manuels en vertu d'une disposition légale, d'une convention collective ou d'un contrat.".
"Art. 49. - Les agents visés à l'alinéa 2 de l'article 48 de la présente loi, contrôlent, en outre, l'attribution de pécules de vacances et de jours de vacances dus aux travailleurs manuels en vertu d'une disposition légale, d'une convention collective ou d'un contrat.".
Art. 190. Artikel 2 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers wordt als volgt gewijzigd :
1° in § 1, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 96 van 28 september 1982 en bij de programmawet van 22 december 1989, worden de woorden "en de bijkomende vakantie van de mijnwerkers" geschrapt;
2° § 3, 6°, gewijzigd bij koninklijk besluit van 1 maart 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"6° 15,50 % van het loon van de arbeider, bestemd voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie. Een deel van 9,50 % dat in de bijdrage van 15,50 % begrepen is, wordt slechts jaarlijks gestort in de loop van het jaar na het vakantiejaar, op de datum en volgens de modaliteiten die de Koning bepaalt.";
3° in § 3ter, vierde lid, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 1989, worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
4° in § 6, eerste lid, worden de woorden "aan het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
5° § 7, lid 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De bijdragen voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie worden, nadat de beheerskosten zijn afgehouden, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald, overeenkomstig de bepalingen die voor dit stelsel gelden.".
1° in § 1, tweede lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 96 van 28 september 1982 en bij de programmawet van 22 december 1989, worden de woorden "en de bijkomende vakantie van de mijnwerkers" geschrapt;
2° § 3, 6°, gewijzigd bij koninklijk besluit van 1 maart 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"6° 15,50 % van het loon van de arbeider, bestemd voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie. Een deel van 9,50 % dat in de bijdrage van 15,50 % begrepen is, wordt slechts jaarlijks gestort in de loop van het jaar na het vakantiejaar, op de datum en volgens de modaliteiten die de Koning bepaalt.";
3° in § 3ter, vierde lid, ingevoegd bij de programmawet van 22 december 1989, worden de woorden "het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
4° in § 6, eerste lid, worden de woorden "aan het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers" vervangen door de woorden "aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid";
5° § 7, lid 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De bijdragen voor het stelsel van de jaarlijkse vakantie worden, nadat de beheerskosten zijn afgehouden, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie betaald, overeenkomstig de bepalingen die voor dit stelsel gelden.".
Art. 190. A l'article 2 de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimiles, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, alinéa 2, modifié par l'arrêté royal n° 96 du 28 septembre 1982 et par la loi-programme du 22 décembre 1989, les mots "et des vacances complémentaires des ouvriers mineurs de fond" sont supprimés;
2° le § 3, 6°, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1989 et par l'arrêté royal du 13 octobre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
"6° 15,50 % du montant de la rémunération de l'ouvrier, destinés au régime des vacances annuelles. Une part de 9,50 % comprise dans la cotisation de 15,50 % n'est versée qu'annuellement dans le cours de l'année qui suit l'exercice de vacances, à la date fixée par le Roi et suivant les modalités qu'il détermine.";
3° dans le § 3ter, alinéa 4, inséré par la loi-programme du 22 décembre 1989, les mots "Le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "L'Office national de sécurité sociale";
4° dans le § 6, alinéa 1er, les mots "au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "à l'Office national de sécurité sociale";
5° le § 7, alinéa 3, modifié par l'arrêté royal du 8 août 1997, est remplacé par la disposition suivante :
"En ce qui concerne les cotisations relatives au régime des vacances annuelles, l'Office national de sécurité sociale les verse, après prélèvement des frais d'administration, à l'Office des vacances annuelles conformément aux dispositions déterminant l'application de ce régime.".
1° dans le § 1er, alinéa 2, modifié par l'arrêté royal n° 96 du 28 septembre 1982 et par la loi-programme du 22 décembre 1989, les mots "et des vacances complémentaires des ouvriers mineurs de fond" sont supprimés;
2° le § 3, 6°, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1989 et par l'arrêté royal du 13 octobre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
"6° 15,50 % du montant de la rémunération de l'ouvrier, destinés au régime des vacances annuelles. Une part de 9,50 % comprise dans la cotisation de 15,50 % n'est versée qu'annuellement dans le cours de l'année qui suit l'exercice de vacances, à la date fixée par le Roi et suivant les modalités qu'il détermine.";
3° dans le § 3ter, alinéa 4, inséré par la loi-programme du 22 décembre 1989, les mots "Le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "L'Office national de sécurité sociale";
4° dans le § 6, alinéa 1er, les mots "au Fonds national de retraite des ouvriers mineurs" sont remplacés par les mots "à l'Office national de sécurité sociale";
5° le § 7, alinéa 3, modifié par l'arrêté royal du 8 août 1997, est remplacé par la disposition suivante :
"En ce qui concerne les cotisations relatives au régime des vacances annuelles, l'Office national de sécurité sociale les verse, après prélèvement des frais d'administration, à l'Office des vacances annuelles conformément aux dispositions déterminant l'application de ce régime.".
Art. 191. De besluitwet van 14 april 1945 betreffende bijkomende voordelen bij de jaarlijkse vakantie ten gunste van de mijnwerkers van de steenkolenmijnen, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 8 van 23 oktober 1978, wordt opgeheven.
Art. 191. L'arrêté-loi du 14 avril 1945 sur les avantages complémentaires aux vacances annuelles des ouvriers mineurs des charbonnages, modifié par l'arrête royal n° 8 du 23 octobre 1978, est abrogé.
Art. 192. <W 1999-01-25/32, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 16-02-1999> De artikelen 190, 1° en 2°, en 191 treden in werking op 1 januari 1998 en zijn voor de eerste maal van toepassing voor uitbetaling van de vakantiegelden van het vakantiejaar 1999, voor het vakantiedienstjaar 1998.
Artikel 190, 3°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari 1999.
Artikel 190, 3°, 4° en 5°, treedt in werking op 1 januari 1999.
Art. 192. <L 1999-01-25/32, art. 83, 002; En vigueur : 16-02-1999> Les articles 190, 1° et 2°, et 191 entrent en vigueur le 1er janvier 1998 et s'appliquent pour la première fois au paiement des pécules de vacances de l'année 1999, ayant trait à l'exercice de vacances 1998.
L'article 190, 3°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er janvier 1999.
L'article 190, 3°, 4° et 5°, entre en vigueur le 1er janvier 1999.
HOOFDSTUK XI. - Objectieve aansprakelijkheid.
CHAPITRE XI. - Responsabilité objective.
Art. 193. In artikel 8, zevende lid, littera c, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffingen en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, worden tussen de woorden "geneeskundige verzorging en uitkeringen" en "en het eigen recht", de woorden ", het subrogatierecht toegekend aan de rechtspersonen en instellingen bedoeld bij artikel 14 § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector" ingevoegd.
Art. 193. Dans l'article 8, alinéa 7, littéra c, de la loi du 30 juillet 1979 relative à la prévention des incendies et des explosions ainsi qu'à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile dans ces mêmes circonstances, modifié par la loi du 29 avril 1996, il est inséré entre les mots "soins de santé et indemnités" et "et le droit propre" les mots ", le droit de subrogation accordé aux personnes morales et aux institutions visées à l'article 14, § 3, de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public".
Art. 194. Artikel 193 heeft uitwerking met ingang van 31 december 1994.
Art. 194. L'article 193 produit ses effets le 31 décembre 1994.
HOOFDSTUK XII. - Overlegstructuur.
CHAPITRE XII. - Structure de concertation.
Art. 195. Artikel 206, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 29 april 1996 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. Het Instituut deelt aan de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, de gevalideerde facturatiebestanden mee met betrekking tot de verrichte verblijven. De Koning bepaalt de periodiciteit, de termijn en de modaliteiten voor de overdracht van die gegevens.".
"§ 2. Het Instituut deelt aan de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, de gevalideerde facturatiebestanden mee met betrekking tot de verrichte verblijven. De Koning bepaalt de periodiciteit, de termijn en de modaliteiten voor de overdracht van die gegevens.".
Art. 195. L'article 206, § 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi du 29 avril 1996 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 2. L'Institut transmet à la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, les fichiers de facturation validés en relation avec les séjours réalisés. Le Roi détermine la périodicité, le délai et les modalités de la transmission de ces données.".
"§ 2. L'Institut transmet à la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, les fichiers de facturation validés en relation avec les séjours réalisés. Le Roi détermine la périodicité, le délai et les modalités de la transmission de ces données.".
Art. 196. Artikel 141, eerste lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Onverminderd de toepassing van de artikelen 153 tot 164, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten waaronder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu onder elkaar anonieme gegevens uitwisselen die betrekking hebben op het verblijf in een ziekenhuis en op geneesmiddelen.".
"Onverminderd de toepassing van de artikelen 153 tot 164, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten waaronder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu onder elkaar anonieme gegevens uitwisselen die betrekking hebben op het verblijf in een ziekenhuis en op geneesmiddelen.".
Art. 196. L'article 141, alinéa 1er, de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, est remplacé par la disposition suivante :
"Sans préjudice de l'application des articles 153 à 164, le Roi détermine les conditions et les modalités selon lesquelles l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et le Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement échangent entre eux des données anonymes qui ont trait au séjour en hôpital et aux médicaments.".
"Sans préjudice de l'application des articles 153 à 164, le Roi détermine les conditions et les modalités selon lesquelles l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et le Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement échangent entre eux des données anonymes qui ont trait au séjour en hôpital et aux médicaments.".
Art. 197. Artikel 154, eerste lid, 3°, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"kennis te nemen van de resultaten van de onderzoeken van de technische cel bedoeld in artikel 155 van deze wet;".
"kennis te nemen van de resultaten van de onderzoeken van de technische cel bedoeld in artikel 155 van deze wet;".
Art. 197. L'article 154, alinéa premier, 3°, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
"de prendre connaissance des résultats des analyses de la cellule technique visée à l'article 155 de la présente loi;".
"de prendre connaissance des résultats des analyses de la cellule technique visée à l'article 155 de la présente loi;".
Art. 198. In artikel 156 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid :
"De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen te verzamelen, te verwerken en te analyseren.";
2° het vijfde lid wordt vervangen door het volgende lid :
"De Koning bepaalt de wijze waarop de ziekenhuizen en de verzekeringsinstellingen aan de in artikel 155 bedoelde technische cel, vanaf het begrotingsjaar 1995, de noodzakelijke informatie voor de samenvoeging van de anonieme minimale klinische en financiële gegevens mededelen.";
3° het zesde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"De mededeling, aan het Ministerie of het Instituut, van gegevens aangaande een rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd is echter toegelaten indien deze gegevens nodig zijn voor de uitvoering van maatregelen in het kader van hun wettelijke bevoegdheden en die dienen genomen te worden op basis van de werkzaamheden, analyses of resultaten van de technische cel.".
1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid :
"De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen te verzamelen, te verwerken en te analyseren.";
2° het vijfde lid wordt vervangen door het volgende lid :
"De Koning bepaalt de wijze waarop de ziekenhuizen en de verzekeringsinstellingen aan de in artikel 155 bedoelde technische cel, vanaf het begrotingsjaar 1995, de noodzakelijke informatie voor de samenvoeging van de anonieme minimale klinische en financiële gegevens mededelen.";
3° het zesde lid wordt aangevuld met de volgende bepaling :
"De mededeling, aan het Ministerie of het Instituut, van gegevens aangaande een rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd is echter toegelaten indien deze gegevens nodig zijn voor de uitvoering van maatregelen in het kader van hun wettelijke bevoegdheden en die dienen genomen te worden op basis van de werkzaamheden, analyses of resultaten van de technische cel.".
Art. 198. A l'article 156 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
"La cellule technique a pour tâche de collecter, de traiter et d'analyser les données relatives aux hôpitaux.";
2° l'alinéa 5 est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le Roi fixe les modalités selon lesquelles les hôpitaux et les organismes assureurs sont tenus de transmettre à la cellule technique visée à l'article 155, à partir de l'exercice budgétaire 1995, les informations nécessaires à la fusion des données cliniques minimum et financières anonymes.";
3° l'alinéa 6 est complété par la disposition suivante :
"La communication, au Ministère ou à l'Institut, de données concernant une personne morale qui est identifiée ou qui peut l'être est toutefois autorisée si ces données sont nécessaires à l'exécution de mesures dans le cadre de leurs missions légales et qui doivent être prises sur la base des travaux, des analyses ou des résultats de la cellule technique.".
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
"La cellule technique a pour tâche de collecter, de traiter et d'analyser les données relatives aux hôpitaux.";
2° l'alinéa 5 est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le Roi fixe les modalités selon lesquelles les hôpitaux et les organismes assureurs sont tenus de transmettre à la cellule technique visée à l'article 155, à partir de l'exercice budgétaire 1995, les informations nécessaires à la fusion des données cliniques minimum et financières anonymes.";
3° l'alinéa 6 est complété par la disposition suivante :
"La communication, au Ministère ou à l'Institut, de données concernant une personne morale qui est identifiée ou qui peut l'être est toutefois autorisée si ces données sont nécessaires à l'exécution de mesures dans le cadre de leurs missions légales et qui doivent être prises sur la base des travaux, des analyses ou des résultats de la cellule technique.".
Art. 199. In artikel 157, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de verwijzing naar "artikel 154" wordt vervangen door de verwijzing naar "artikel 156";
2° in de Franse tekst van punt 2° worden de woorden "Conseil général national" vervangen door de woorden "Conseil général".
1° de verwijzing naar "artikel 154" wordt vervangen door de verwijzing naar "artikel 156";
2° in de Franse tekst van punt 2° worden de woorden "Conseil général national" vervangen door de woorden "Conseil général".
Art. 199. A l'article 157, alinéa 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° la référence à "l'article 154" est remplacée par la référence à "l'article 156";
2° dans le texte français du point 2°, les mots "Conseil général national" sont remplacés par les mots "Conseil général".
1° la référence à "l'article 154" est remplacée par la référence à "l'article 156";
2° dans le texte français du point 2°, les mots "Conseil général national" sont remplacés par les mots "Conseil général".
Art. 200. In artikel 164 van dezelfde wet worden in de Nederlandse tekst tussen de woorden "aangewezen in" en "artikel 2, §§ 1, 2 en 3" de woorden "artikel 1 en" ingevoegd.
Art. 200. Dans le texte néerlandais de l'article 164 de la même loi, les mots "artikel 1 en" sont insérés entre les mots "aangewezen in" et "artikel 2, §§ 1, 2 en 3".
TITEL 3. - Volksgezondheid.
TITRE 3. - Santé publique.
HOOFDSTUK I. - Koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.
CHAPITRE Ier. - Arrêté royal no 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales.
Afdeling 1. - Kinesisten.
Section 1re. - Kinésithérapeutes.
Art. 201. § 1. In artikel 30, § 1, van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, worden de punten "5°bis" en "5ter" opgeheven.
§ 2. In dezelfde § 1, derde lid, worden de woorden "en 5°ter" geschrapt.
§ 2. In dezelfde § 1, derde lid, worden de woorden "en 5°ter" geschrapt.
Art. 201. § 1er. A l'article 30, § 1er, de l'arrêté royal no 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, les points "5°bis" et "5°ter" sont abrogés.
§ 2. Au même § 1er, alinéa 3, les mots "et 5°ter" sont supprimés.
§ 2. Au même § 1er, alinéa 3, les mots "et 5°ter" sont supprimés.
Art. 202. In artikel 35octies, § 2, derde streepje, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
de woorden "en de beroepstitel bedoeld in artikel 21bis, § 3" worden toegevoegd na de woorden "in artikel 35ter".
de woorden "en de beroepstitel bedoeld in artikel 21bis, § 3" worden toegevoegd na de woorden "in artikel 35ter".
Art. 202. A l'article 35octies, § 2, troisième tiret, du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
les mots "et le titre professionnel visé à l'article 21bis, § 3" sont insérés après les mots "à l'article 35ter".
les mots "et le titre professionnel visé à l'article 21bis, § 3" sont insérés après les mots "à l'article 35ter".
Art. 203. § 1. In artikel 35nonies, § 1, 1°, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "bepaalt de Koning, na advies van de Planningscommissie, het globaal aantal kandidaten," worden vervangen door de woorden "kan de Koning, na advies van de Planningscommissie, het globaal aantal kandidaten bepalen,";
2° tussen de woorden "verkrijgen" en "van de bijzondere beroepstitels", worden de woorden "van de beroepstitel, bedoeld in artikel 21bis, § 3, of" ingevoegd.
§ 2. In de 2° van hetzelfde artikel 35nonies, § 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "legt de Koning de criteria vast" worden vervangen door de woorden "kan de Koning de criteria vastleggen";
2° de woorden "en voor de selectie van de kandidaten voor het verkrijgen van de beroepstitel, bedoeld in artikel 21bis, § 3" worden toegevoegd na de woorden "in artikel 35ter".
1° de woorden "bepaalt de Koning, na advies van de Planningscommissie, het globaal aantal kandidaten," worden vervangen door de woorden "kan de Koning, na advies van de Planningscommissie, het globaal aantal kandidaten bepalen,";
2° tussen de woorden "verkrijgen" en "van de bijzondere beroepstitels", worden de woorden "van de beroepstitel, bedoeld in artikel 21bis, § 3, of" ingevoegd.
§ 2. In de 2° van hetzelfde artikel 35nonies, § 1, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "legt de Koning de criteria vast" worden vervangen door de woorden "kan de Koning de criteria vastleggen";
2° de woorden "en voor de selectie van de kandidaten voor het verkrijgen van de beroepstitel, bedoeld in artikel 21bis, § 3" worden toegevoegd na de woorden "in artikel 35ter".
Art. 203. § 1er. A l'article 35nonies, § 1er, 1°, du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "le Roi détermine, après avis de la Commission de planification, le nombre global de candidats," sont remplacés par les mots "le Roi peut déterminer, après avis de la Commission de planification, le nombre global de candidats,";
2° les mots "du titre professionnel, visé à l'article 21bis, § 3, ou" sont insérés entre les mots "à l'attribution" et les mots "des titres".
§ 2. Au 2° du même article 35nonies, § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "le Roi fixe les critères" sont remplacés par les mots "le Roi peut fixer les critères";
2° les mots "et pour la sélection des candidats à l'obtention du titre professionnel, visé à l'article 21bis, § 3" sont ajoutés après les mots "par l'article 35ter".
1° les mots "le Roi détermine, après avis de la Commission de planification, le nombre global de candidats," sont remplacés par les mots "le Roi peut déterminer, après avis de la Commission de planification, le nombre global de candidats,";
2° les mots "du titre professionnel, visé à l'article 21bis, § 3, ou" sont insérés entre les mots "à l'attribution" et les mots "des titres".
§ 2. Au 2° du même article 35nonies, § 1er, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "le Roi fixe les critères" sont remplacés par les mots "le Roi peut fixer les critères";
2° les mots "et pour la sélection des candidats à l'obtention du titre professionnel, visé à l'article 21bis, § 3" sont ajoutés après les mots "par l'article 35ter".
Afdeling 2. - Buitenlandse studenten.
Section 2. - Etudiants étrangers.
Art. 204. In het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 1bis. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
"Europees onderdaan" :
- onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Unie;
- onderdaan van Noorwegen, IJsland of het Vorstendom Liechtenstein;
- onderdaan van een Staat waarmee de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten een Associatieovereenkomst gesloten hebben die in werking is getreden en waarin bepaald wordt dat deze onderdaan, voor wat betreft de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit, niet mag gediscrimineerd worden op grond van zijn nationaliteit."
"Artikel 1bis. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
"Europees onderdaan" :
- onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Unie;
- onderdaan van Noorwegen, IJsland of het Vorstendom Liechtenstein;
- onderdaan van een Staat waarmee de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten een Associatieovereenkomst gesloten hebben die in werking is getreden en waarin bepaald wordt dat deze onderdaan, voor wat betreft de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit, niet mag gediscrimineerd worden op grond van zijn nationaliteit."
Art. 204. Dans l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales est inséré un article 1erbis, rédigé comme suit :
"Article 1erbis. - Pour l'application du présent arrêté on entend par :
"ressortissant européen" :
- ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne;
- ressortissant de la Norvège, de l'Islande ou de la Principauté de Liechtenstein;
- ressortissant d'un Etat avec lequel les Communautés européennes et leurs Etats membres ont conclu un Accord d'association, entré en vigueur et stipulant que, dans le cadre de l'accès à et de l'exercice d'une activité professionnelle, ce ressortissant ne peut pas être discriminé en raison de sa nationalité.".
"Article 1erbis. - Pour l'application du présent arrêté on entend par :
"ressortissant européen" :
- ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne;
- ressortissant de la Norvège, de l'Islande ou de la Principauté de Liechtenstein;
- ressortissant d'un Etat avec lequel les Communautés européennes et leurs Etats membres ont conclu un Accord d'association, entré en vigueur et stipulant que, dans le cadre de l'accès à et de l'exercice d'une activité professionnelle, ce ressortissant ne peut pas être discriminé en raison de sa nationalité.".
Art. 205. In hetzelfde besluit wordt een artikel 49bis, ingevoegd luidend als volgt :
"Art. 49bis. § 1. Andere buitenlanders dan Europese onderdanen, wier buitenlands diploma gelijkwaardig werd verklaard door de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en die in België beroepsactiviteiten wensen uit te oefenen vermeld in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis of 21quater of die in aanmerking wensen te komen voor het uitoefenen van een paramedisch beroep in overeenstemming met Hoofdstuk II, kunnen pas hun beroep uitoefenen, nadat zijn hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in dit besluit, vervuld hebben.
§ 2. De personen vermeld in § 1 moeten een gemotiveerde aanvraag tot uitoefening van hun beroep indienen bij de Minister die de Volksgezondheid tot zijn bevoegdheid heeft.
Wanneer de aanvraag het uitoefenen van een beroep betreft waarvoor het bezit van een diploma betreffende de geneeskunde, de tandheelkunde of de farmacie is vereist, wordt de aanvraag voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België of aan de "Académie royale de médecine de Belgique".
"Art. 49bis. § 1. Andere buitenlanders dan Europese onderdanen, wier buitenlands diploma gelijkwaardig werd verklaard door de bevoegde autoriteiten van een gemeenschap en die in België beroepsactiviteiten wensen uit te oefenen vermeld in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis of 21quater of die in aanmerking wensen te komen voor het uitoefenen van een paramedisch beroep in overeenstemming met Hoofdstuk II, kunnen pas hun beroep uitoefenen, nadat zijn hiertoe door de Koning toegelaten werden en nadat zij bovendien de andere voorwaarden voor het uitoefenen van hun beroep, vermeld in dit besluit, vervuld hebben.
§ 2. De personen vermeld in § 1 moeten een gemotiveerde aanvraag tot uitoefening van hun beroep indienen bij de Minister die de Volksgezondheid tot zijn bevoegdheid heeft.
Wanneer de aanvraag het uitoefenen van een beroep betreft waarvoor het bezit van een diploma betreffende de geneeskunde, de tandheelkunde of de farmacie is vereist, wordt de aanvraag voorafgaandelijk voor advies voorgelegd aan de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België of aan de "Académie royale de médecine de Belgique".
Art. 205. Dans le même arrêté, est inséré un article 49bis, rédigé comme suit :
"Art. 49bis. - § 1er. Les étrangers, autres que les ressortissants européens, dont le diplôme étranger a été déclaré équivalent par les autorités compétentes d'une Communauté, et qui désirent exercer en Belgique des activités professionnelles visées aux articles 2, 3, 4, 5, § 2, 21bisou 21quaterou qui désirent entrer en ligne de compte pour l'exercice d'une profession paramédicale conformément au Chapitre II, ne peuvent exercer leur profession, qu'après y avoir été autorisés par le Roi et après avoir rempli, en outre, les autres conditions pour l'exercice de leur profession, visées par le présent arrêté.
§ 2. Les personnes visées au § 1er doivent introduire une demande motivée d'exercice de leur profession auprès du Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Lorsque la demande concerne l'exercice d'une profession liée à la possession d'un diplôme relatif à la médecine, à la science dentaire ou à la pharmacie, la demande est soumise préalablement à l'avis de l'Académie royale de Médecine de Belgique ou de la "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België".
"Art. 49bis. - § 1er. Les étrangers, autres que les ressortissants européens, dont le diplôme étranger a été déclaré équivalent par les autorités compétentes d'une Communauté, et qui désirent exercer en Belgique des activités professionnelles visées aux articles 2, 3, 4, 5, § 2, 21bisou 21quaterou qui désirent entrer en ligne de compte pour l'exercice d'une profession paramédicale conformément au Chapitre II, ne peuvent exercer leur profession, qu'après y avoir été autorisés par le Roi et après avoir rempli, en outre, les autres conditions pour l'exercice de leur profession, visées par le présent arrêté.
§ 2. Les personnes visées au § 1er doivent introduire une demande motivée d'exercice de leur profession auprès du Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Lorsque la demande concerne l'exercice d'une profession liée à la possession d'un diplôme relatif à la médecine, à la science dentaire ou à la pharmacie, la demande est soumise préalablement à l'avis de l'Académie royale de Médecine de Belgique ou de la "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België".
Art. 206. In hetzelfde besluit wordt een artikel 49ter, ingevoegd luidend als volgt :
"Art. 49ter. De Koning is gemachtigd om, zelfs aan personen die geen diploma bezitten, op advies van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België of van de "Académie royale de Médecine de Belgique", bijzondere vrijstellingen te verlenen voor de uitoefening van zekere delen der geneeskunst zodat zij in België een beperkte klinische opleiding kunnen volgen en dit in het kader van de medische en wetenschappelijke samenwerking met landen die geen Lidstaat zijn van de Europese Unie.
Deze vrijstellingen kunnen slechts toepasselijk zijn op wat er uitdrukkelijk op vermeld staat en de begunstigden van deze vrijstellingen mogen in geen enkel geval het beroep waarbinnen zij tot een beperkte activiteit toegelaten werden, op eigen verantwoordelijkheid uitoefenen.
Deze werkzaamheden kunnen evenmin een grond vormen voor een erkenning bedoeld in artikel 35sexies of voor het uitvoeren van verstrekkingen die aanleiding kunnen geven tot een tussenkomst bepaald bij de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen."
"Art. 49ter. De Koning is gemachtigd om, zelfs aan personen die geen diploma bezitten, op advies van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België of van de "Académie royale de Médecine de Belgique", bijzondere vrijstellingen te verlenen voor de uitoefening van zekere delen der geneeskunst zodat zij in België een beperkte klinische opleiding kunnen volgen en dit in het kader van de medische en wetenschappelijke samenwerking met landen die geen Lidstaat zijn van de Europese Unie.
Deze vrijstellingen kunnen slechts toepasselijk zijn op wat er uitdrukkelijk op vermeld staat en de begunstigden van deze vrijstellingen mogen in geen enkel geval het beroep waarbinnen zij tot een beperkte activiteit toegelaten werden, op eigen verantwoordelijkheid uitoefenen.
Deze werkzaamheden kunnen evenmin een grond vormen voor een erkenning bedoeld in artikel 35sexies of voor het uitvoeren van verstrekkingen die aanleiding kunnen geven tot een tussenkomst bepaald bij de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen."
Art. 206. Dans le même arrêté, est inséré un article 49ter, rédigé comme suit :
"Art. 49ter. - Le Roi est autorisé à accorder à des personnes, même non diplômées, sur l'avis de l'Académie royale de Médecine de Belgique ou de la "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België", des dispenses spéciales pour l'exercice de certains actes de l'art de guérir de sorte qu'elles puissent acquérir une formation clinique limitée en Belgique et ceci dans le cadre de la coopération médicale et scientifique avec les pays qui ne sont pas des Etats membres de l'Union européenne.
Ces dispenses ne peuvent s'appliquer qu'à ce qui y est expressément désigné et les bénéficiaires de ces dispenses ne peuvent, en aucun cas, exercer sous leur propre responsabilité la profession pour laquelle une activité limitée leur a été autorisée.
Ces activités ne peuvent pas non plus être prises en considération pour l'agrément visé à l'article 35sexiesou pour l'exécution des prestations donnant lieu à une intervention visée à la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités."
"Art. 49ter. - Le Roi est autorisé à accorder à des personnes, même non diplômées, sur l'avis de l'Académie royale de Médecine de Belgique ou de la "Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België", des dispenses spéciales pour l'exercice de certains actes de l'art de guérir de sorte qu'elles puissent acquérir une formation clinique limitée en Belgique et ceci dans le cadre de la coopération médicale et scientifique avec les pays qui ne sont pas des Etats membres de l'Union européenne.
Ces dispenses ne peuvent s'appliquer qu'à ce qui y est expressément désigné et les bénéficiaires de ces dispenses ne peuvent, en aucun cas, exercer sous leur propre responsabilité la profession pour laquelle une activité limitée leur a été autorisée.
Ces activités ne peuvent pas non plus être prises en considération pour l'agrément visé à l'article 35sexiesou pour l'exécution des prestations donnant lieu à une intervention visée à la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités."
Art. 207. In hetzelfde besluit wordt een artikel 49quater, luidend als volgt, ingevoegd :
"Art. 49quater. De Koning is gemachtigd om de benamingen van de diploma's die toegang verlenen tot het uitoefenen van de beroepen of activiteiten vermeld in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quater en 22 aan te passen aan de benamingen van de diploma's afgeleverd door de Gemeenschappen.".
"Art. 49quater. De Koning is gemachtigd om de benamingen van de diploma's die toegang verlenen tot het uitoefenen van de beroepen of activiteiten vermeld in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quater en 22 aan te passen aan de benamingen van de diploma's afgeleverd door de Gemeenschappen.".
Art. 207. Dans le même arrêté est inséré un article 49quater, rédigé comme suit :
"Art. 49quater. - Le Roi est autorisé à adapter les dénominations des diplômes donnant accès à l'exercice des professions ou des activités visées aux articles 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quateret 22 aux dénominations reprises dans les diplômes délivrés par les Communautés."
"Art. 49quater. - Le Roi est autorisé à adapter les dénominations des diplômes donnant accès à l'exercice des professions ou des activités visées aux articles 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis, 21quateret 22 aux dénominations reprises dans les diplômes délivrés par les Communautés."
Art. 208. Artikel 2 van de wet van 19 maart 1971 betreffende de gelijkwaardigheid van de buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften en artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 tot vaststelling van de voorwaarden tot en de procedure van het verlenen van de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma's en studiegetuigschriften, worden opgeheven voor wat betreft de beroepen of activiteiten die, in het kader van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, geregeld worden, op initiatief van de Minister die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft.
Art. 208. L'article 2 de la loi du 19 mars 1971 concernant l'équivalence des diplômes et certificats étrangers et l'article 7 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 déterminant les conditions et la procédure d'octroi de l'équivalence des diplômes et certificats d'études étrangers, sont abrogés pour ce qui concerne les professions ou activités réglementées, dans le cadre de l'arrêté royal no 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, et ce à l'initiative du Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Art. 209. Artikel 57 van het besluit van de Regent van 31 december 1949 tot coördinatie van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, wordt opgeheven.
Art. 209. L'article 57 de l'arrêté du Régent du 31 décembre 1949 portant coordination des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, est abrogé.
Afdeling 3. - Apotheken.
Section 3. - Pharmaciens.
Art. 210. In artikel, 4 § 3, 1°, van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, gewijzigd bij de wet van 17 december 1973, wordt het zesde lid, ingevoegd bij de wet van 26 juni 1992, aangevuld met de volgende bepaling :
"Hij bepaalt tevens de periode waarin er aanvragen of hernieuwde aanvragen tot vergunning voor de opening van een een voor het publiek opengestelde apotheek kunnen worden ingediend."
"Hij bepaalt tevens de periode waarin er aanvragen of hernieuwde aanvragen tot vergunning voor de opening van een een voor het publiek opengestelde apotheek kunnen worden ingediend."
Art. 210. A l'article 4, § 3, 1°, de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'art de guérir, à l'art infirmier, de professions paramédicales et aux commissions médicales, modifié par la loi du 17 décembre 1973, l'alinéa 6, inséré par la loi du 26 juin 1992, est complété par la disposition suivante :
"Il détermine également la période pendant laquelle des demandes ou renouvellements de demande pour l'ouverture d'une officine ouverte au public peuvent être introduites."
"Il détermine également la période pendant laquelle des demandes ou renouvellements de demande pour l'ouverture d'une officine ouverte au public peuvent être introduites."
HOOFDSTUK II. - Dierenartsen en Instituut veterinaire keuring.
CHAPITRE II. - Vétérinaires et Institut d'expertise vétérinaire.
Afdeling 1. - Wijziging aan de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde
Section 1re. - Modification à la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire
Art. 211. In artikel 4, vierde lid, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, worden tussen de woorden "verorderingsbepalingen," en "vooraf" de woorden "andere dan de wetten betreffende de veterinaire keuring," ingevoegd.
Art. 211. Dans l'article 4, alinéa 4, de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire, les mots "autres que celles relatives à l'expertise vétérinaire," sont insérés entre les mots "réglementaires" et "doivent".
Art. 212. Artikel 9, § 3, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 kan elke dierenarts die een geneesmiddel heeft voorgeschreven of verschaft, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat hij misbruik maakt van het recht om geneesmiddelen voor te schrijven of te verschaffen, opgeroepen worden om de medische noodzaak ervan, zowel naar hoeveelheid en naar het aangepaste karakter van de behandeling als naar bestemming, te verantwoorden voor de bevoegde gewestelijke commissies, bedoeld in § 4 van dit artikel.
Hiertoe, moeten de overheidspersonen bedoeld in artikel 34, § 1, alle inlichtingen in verband met het misbruik van het voorschrijven of het verschaffen van geneesmiddelen door de dierenarts meedelen aan de gewestelijke commissie van hun ambtsgebied."
"§ 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 14 kan elke dierenarts die een geneesmiddel heeft voorgeschreven of verschaft, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat hij misbruik maakt van het recht om geneesmiddelen voor te schrijven of te verschaffen, opgeroepen worden om de medische noodzaak ervan, zowel naar hoeveelheid en naar het aangepaste karakter van de behandeling als naar bestemming, te verantwoorden voor de bevoegde gewestelijke commissies, bedoeld in § 4 van dit artikel.
Hiertoe, moeten de overheidspersonen bedoeld in artikel 34, § 1, alle inlichtingen in verband met het misbruik van het voorschrijven of het verschaffen van geneesmiddelen door de dierenarts meedelen aan de gewestelijke commissie van hun ambtsgebied."
Art. 212. L'article 9, § 3, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 3. Sans préjudice de l'article 14, tout médecin vétérinaire qui a prescrit ou fourni un médicament peut, lorsqu'il existe des raisons de croire qu'il abuse du droit de prescrire ou de fournir des médicaments, être appelé à en justifier, devant les commissions régionales compétentes visées au § 4 de cet article, la nécessité médicale tant du point de vue de la quantité, de l'adéquation du traitement que de la destination.
A cette fin, les agents de l'autorité visés à l'article 34, § 1er, doivent communiquer toutes informations relatives à l'abus de prescription ou de fourniture de médicaments par les médecins vétérinaires, à la commission régionale de leur circonscription administrative."
"§ 3. Sans préjudice de l'article 14, tout médecin vétérinaire qui a prescrit ou fourni un médicament peut, lorsqu'il existe des raisons de croire qu'il abuse du droit de prescrire ou de fournir des médicaments, être appelé à en justifier, devant les commissions régionales compétentes visées au § 4 de cet article, la nécessité médicale tant du point de vue de la quantité, de l'adéquation du traitement que de la destination.
A cette fin, les agents de l'autorité visés à l'article 34, § 1er, doivent communiquer toutes informations relatives à l'abus de prescription ou de fourniture de médicaments par les médecins vétérinaires, à la commission régionale de leur circonscription administrative."
Art. 213. In artikel 9 van dezelfde wet waarvan § 4 § 5 wordt, wordt aangevuld met een § 4, luidend als volgt :
"§ 4. De Koning kan, op advies van een wetenschappelijke raad die Hij aanwijst, de regels voor goede diergeneeskundige praktijkuitoefening inzake het voorschrijven en het verschaffen van geneesmiddelen, bepalen. Hiertoe, wijst Hij tevens twee gewestelijke commissies aan die toezicht uitoefenen op de naleving van deze regels. Hij bepaalt de samenstelling en de werking van deze raad en deze commissies.".
"§ 4. De Koning kan, op advies van een wetenschappelijke raad die Hij aanwijst, de regels voor goede diergeneeskundige praktijkuitoefening inzake het voorschrijven en het verschaffen van geneesmiddelen, bepalen. Hiertoe, wijst Hij tevens twee gewestelijke commissies aan die toezicht uitoefenen op de naleving van deze regels. Hij bepaalt de samenstelling en de werking van deze raad en deze commissies.".
Art. 213. A l'article 9 de la même loi, dont le § 4 devient le § 5, est inséré un § 4, rédigé comme suit :
"§ 4. Le Roi peut, sur avis du conseil scientifique qu'Il désigne, fixer les règles de bonnes pratiques vétérinaires en matière de prescription et de fourniture des médicaments. A cette fin, Il désigne également deux commissions régionales qui surveillent l'application de ces règles. Il détermine la composition et le fonctionnement de ce conseil et de ces commissions."
"§ 4. Le Roi peut, sur avis du conseil scientifique qu'Il désigne, fixer les règles de bonnes pratiques vétérinaires en matière de prescription et de fourniture des médicaments. A cette fin, Il désigne également deux commissions régionales qui surveillent l'application de ces règles. Il détermine la composition et le fonctionnement de ce conseil et de ces commissions."
Art. 214. Artikel 10, § 2, van dezelfde wet, wordt opgeheven.
Art. 214. L'article 10, § 2, de la même loi, est abrogé.
Art. 215. In artikel 21 van dezelfde wet, worden de woorden "van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van vijftig frank tot vierduizend frank" vervangen door de woorden "van een maand tot een jaar en met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftienduizend frank".
Art. 215. A l'article 21 de la même loi, les mots "de huit jours à trois mois et d'une amende de cinquante francs à quatre mille francs" sont remplacés par les mots "d'un mois à un an et d'une amende de cinq cent francs à quinze mille francs".
Art. 216. In artikel 22 van dezelfde wet, worden de woorden "met geldboete van vijftig frank tot vierduizend frank" vervangen door de woorden "met geldboete van vijfhonderd frank tot vijftienduizend frank".
Art. 216. A l'article 22 de la même loi, les mots "d'une amende de cinquante francs à quatre mille francs" sont remplacés par les mots "d'une amende de cinq cent francs à quinze mille francs".
Art. 217. Artikel 34, § 4, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"§ 4. Voor de uitvoering van de taken bedoeld bij deze wet beschikken de leden van de geneeskundige commissie en de leden van de gewestelijke commissies, bedoeld in artikel 9, § 4, van deze wet, over de bevoegdheden bepaald in de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel.".
"§ 4. Voor de uitvoering van de taken bedoeld bij deze wet beschikken de leden van de geneeskundige commissie en de leden van de gewestelijke commissies, bedoeld in artikel 9, § 4, van deze wet, over de bevoegdheden bepaald in de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel.".
Art. 217. L'article 34, § 4, de la même loi, est remplacé par les dispositions suivantes :
"§ 4. Pour l'exécution des tâches prévues par la présente loi, les membres de la commission médicale et les membres des commissions régionales, visées à l'article 9, § 4, de la présente loi, disposent des pouvoirs visés aux §§ 1er, 2 et 3 du présent article.".
"§ 4. Pour l'exécution des tâches prévues par la présente loi, les membres de la commission médicale et les membres des commissions régionales, visées à l'article 9, § 4, de la présente loi, disposent des pouvoirs visés aux §§ 1er, 2 et 3 du présent article.".
Afdeling 2. - Wijzigingen aan de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor Veterinaire Keuring.
Section 2. - Modifications à la loi du 13 juillet 1981 portant création d'un Institut d'expertise vétérinaire
Art. 218. Artikel 9 van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, wordt aangevuld als volgt :
"6° de opbrengst van administratieve geldboetes;
7° de opbrengst van de plaatsing van de financiële reserves.".
"6° de opbrengst van administratieve geldboetes;
7° de opbrengst van de plaatsing van de financiële reserves.".
Art. 218. L'article 9 de la loi du 13 juillet 1981 portant création d'un Institut d'expertise vétérinaire, est complété comme suit :
"6° le produit d'amendes administratives;
7° le produit du placement des réserves financières.".
"6° le produit d'amendes administratives;
7° le produit du placement des réserves financières.".
Art. 219. In artikel 10 van dezelfde wet worden de woorden "leningen aan te gaan" vervangen door de woorden "leningen aan te gaan en over financiële reserves te beschikken".
Art. 219. A l'article 10 de la même loi, les mots "des emprunts" sont remplaces par les mots "des emprunts et à disposer de réserves financières".
Art. 220. § 1. Artikel 36 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 1989 en 29 april 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 36. § 1. De dierenartsen die met een opdracht belast zijn vóór 1 september 1997 worden met het oog op een benoeming in een vacante betrekking van keurder op het kader van het Instituut, ingeschreven op een wervingsreserve indien zij geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat.
De Koning bepaalt de aard, de omvang en de duur van de prestaties die voor de vaststelling van hun administratieve en geldelijke loopbaan in aanmerking genomen kunnen worden.
§ 2. Dit artikel houdt op van kracht te zijn op 1 januari 1999, behoudens de in § 1, eerste lid, bedoelde wervingsreserve die gedurende twee jaar geldig blijft.".
"Art. 36. § 1. De dierenartsen die met een opdracht belast zijn vóór 1 september 1997 worden met het oog op een benoeming in een vacante betrekking van keurder op het kader van het Instituut, ingeschreven op een wervingsreserve indien zij geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen georganiseerd door het Vast Wervingssecretariaat.
De Koning bepaalt de aard, de omvang en de duur van de prestaties die voor de vaststelling van hun administratieve en geldelijke loopbaan in aanmerking genomen kunnen worden.
§ 2. Dit artikel houdt op van kracht te zijn op 1 januari 1999, behoudens de in § 1, eerste lid, bedoelde wervingsreserve die gedurende twee jaar geldig blijft.".
Art. 220. § 1er. L'article 36 de la même loi, modifié par les lois du 22 mars 1989 et du 29 avril 1996, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 36. - § 1er. En vue d'une nomination dans un emploi d'expert vacant au cadre organique de l'Institut, les vétérinaires désignés comme chargés de mission au 1er septembre 1997, sont versés dans une réserve de recrutement s'ils sont lauréats d'un concours de recrutement organisé par le Secrétariat Permanent de Recrutement.
Le Roi fixe la nature, le volume et la durée des prestations qui peuvent être prises en considération pour la fixation de leur carrière administrative et pécuniaire.
§ 2. Le présent article cessera de produire ses effets le 1er janvier 1999, à l'exception de la réserve de recrutement visée au § 1er, alinéa 1er, qui est maintenue pendant une durée de deux ans.".
"Art. 36. - § 1er. En vue d'une nomination dans un emploi d'expert vacant au cadre organique de l'Institut, les vétérinaires désignés comme chargés de mission au 1er septembre 1997, sont versés dans une réserve de recrutement s'ils sont lauréats d'un concours de recrutement organisé par le Secrétariat Permanent de Recrutement.
Le Roi fixe la nature, le volume et la durée des prestations qui peuvent être prises en considération pour la fixation de leur carrière administrative et pécuniaire.
§ 2. Le présent article cessera de produire ses effets le 1er janvier 1999, à l'exception de la réserve de recrutement visée au § 1er, alinéa 1er, qui est maintenue pendant une durée de deux ans.".
Afdeling 3. - Wijziging aan de wet van 14 juli 1994 betreffende de financiering van het Instituut voor veterinaire keuring.
Section 3. - Modification à la loi du 14 juillet 1994 relative au financement de l'Institut d'expertise vétérinaire
Art. 221. In artikel 2, § 1, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de financiering van het Instituut voor veterinaire keuring, wordt het 1° vervangen door de volgende bepaling :
1° a) runderen, paarden, veulens, ezels, muilezels en muildieren : 171 frank per dier;
b) kalveren : 140 frank per dier;".
1° a) runderen, paarden, veulens, ezels, muilezels en muildieren : 171 frank per dier;
b) kalveren : 140 frank per dier;".
Art. 221. A l'article 2, § 1er, de la loi du 14 juillet 1994 relative au financement de l'Institut d'expertise vétérinaire, le 1° est remplacé par la disposition suivante :
1° a) bovins, chevaux, poulains, ânes, mules et mulets : 171 francs par animal;
b) veaux : 140 francs par animal;".
1° a) bovins, chevaux, poulains, ânes, mules et mulets : 171 francs par animal;
b) veaux : 140 francs par animal;".
HOOFDSTUK III. - Het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid-Louis Pasteur (WIV-LP).
CHAPITRE III. - L'Institut scientifique de la Santé publique - Louis Pasteur (ISSP-LP).
Afdeling 1. - Financiering.
Section 1re. - Financement
Art. 222. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de retributies vaststellen die ten gunste [1 van Sciensano]1 worden geïnd van :
1° de aanvragers van een machtiging tot het verrichten van proefnemingen met of het commercialiseren van produkten met genetisch gemodificeerde stoffen en de aanvragers van wetenschappelijke adviezen betreffende de beoordeling van de risico's van die produkten;
2° (...) <W 2001-12-30/30, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Die retributies zijn bestemd om de kosten van de administratie, de werking, de vergunning, het toezicht en controle [1 van Sciensano]1 te dekken.
De Koning stelt het bedrag en de betaalwijze van die retributies vast.
1° de aanvragers van een machtiging tot het verrichten van proefnemingen met of het commercialiseren van produkten met genetisch gemodificeerde stoffen en de aanvragers van wetenschappelijke adviezen betreffende de beoordeling van de risico's van die produkten;
2° (...) <W 2001-12-30/30, art. 47, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Die retributies zijn bestemd om de kosten van de administratie, de werking, de vergunning, het toezicht en controle [1 van Sciensano]1 te dekken.
De Koning stelt het bedrag en de betaalwijze van die retributies vast.
Modifications
Art. 222. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les redevances qui sont perçues au profit [1 de Sciensano]1 à charge :
1° des demandeurs d'une autorisation en vue de l'expérimentation ou de la mise sur le marché de produits à base de substances génétiquement modifiées et des demandeurs d'avis scientifiques relatifs à l'évaluation des risques de ces produits;
2° (...) <L 2001-12-30/30, art. 47, 004; En vigueur : 01-01-2002>
Ces redevances sont destinées à couvrir les frais d'administration, de fonctionnement, d'autorisation, de surveillance et de contrôle [1 de Sciensano]1.
Le Roi détermine le montant et les modalités de paiement de ces redevances.
1° des demandeurs d'une autorisation en vue de l'expérimentation ou de la mise sur le marché de produits à base de substances génétiquement modifiées et des demandeurs d'avis scientifiques relatifs à l'évaluation des risques de ces produits;
2° (...) <L 2001-12-30/30, art. 47, 004; En vigueur : 01-01-2002>
Ces redevances sont destinées à couvrir les frais d'administration, de fonctionnement, d'autorisation, de surveillance et de contrôle [1 de Sciensano]1.
Le Roi détermine le montant et les modalités de paiement de ces redevances.
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Belgische Rode Kruis.
CHAPITRE IV. - Croix-Rouge de Belgique.
Art. 223. In artikel 1, § 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot toekenning van bijkomende geldmiddelen aan het Belgische Rode Kruis, wordt het derde lid vervangen door het volgend lid :
"De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de toeslag verminderen of deze verhogen tot een maximum van 1 %. Op dezelfde manier kan Hij het bedrag afkomstig van de inning van de toeslag geheel of gedeeltelijk toewijzen aan een of meer welbepaalde activiteiten.".
"De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de toeslag verminderen of deze verhogen tot een maximum van 1 %. Op dezelfde manier kan Hij het bedrag afkomstig van de inning van de toeslag geheel of gedeeltelijk toewijzen aan een of meer welbepaalde activiteiten.".
Art. 223. A l'article 1er, § 1er, de la loi du 7 août 1974 accordant des ressources complémentaires à la Croix-Rouge de Belgique, l'alinéa 3 est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, diminuer ce supplément ou l'augmenter jusqu'à un maximum de 1 %. De la même manière, Il peut affecter, en tout ou en partie, le montant résultant de la perception de ce supplément à une ou plusieurs activités déterminées.".
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, diminuer ce supplément ou l'augmenter jusqu'à un maximum de 1 %. De la même manière, Il peut affecter, en tout ou en partie, le montant résultant de la perception de ce supplément à une ou plusieurs activités déterminées.".
HOOFDSTUK V. - Retributies voor de financiering van de opdrachten voorzien in de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica.
CHAPITRE V. - Redevance pour le financement des missions prévues par la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques.
Art. 224. § 1. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, retributies opleggen ter financiering van de opdrachten van de administratie voortvloeiend uit de toepassing van artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica met betrekking tot verdovende middelen, psychotrope stoffen, de stoffen waaruit deze kunnen worden gefabriceerd en stoffen met hormonale, antihormonale of antibiotische werking.
Deze retributies worden gestort (op een rekening van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten). <W 2008-12-22/32, art. 173, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bedragen en de wijze van betaling van de retributies vast. Hij kan nadere voorwaarden vaststellen met betrekking tot deze retributies.
(§ 3. De retributies bedoeld in dit artikel worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk, in functie van het indexcijfer van de maand september.
Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand september voorafgaand aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit tot vaststelling van het bedrag van de heffing of retributie.
Voor de retributies vastgesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de programmawet van 22 december 2008, is het aanvangsindexcijfer dat van de maand september voorafgaand aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van hun laatste vaststelling vóór deze datum.
De geïndexeerde bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de heffingen en retributies opeisbaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat gedurende hetwelk de aanpassing is uitgevoerd.) <W 2008-12-22/32, art. 173, 2°, 005; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
Deze retributies worden gestort (op een rekening van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten). <W 2008-12-22/32, art. 173, 1°, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bedragen en de wijze van betaling van de retributies vast. Hij kan nadere voorwaarden vaststellen met betrekking tot deze retributies.
(§ 3. De retributies bedoeld in dit artikel worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk, in functie van het indexcijfer van de maand september.
Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand september voorafgaand aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit tot vaststelling van het bedrag van de heffing of retributie.
Voor de retributies vastgesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de programmawet van 22 december 2008, is het aanvangsindexcijfer dat van de maand september voorafgaand aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van hun laatste vaststelling vóór deze datum.
De geïndexeerde bedragen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en zijn van toepassing op de heffingen en retributies opeisbaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op dat gedurende hetwelk de aanpassing is uitgevoerd.) <W 2008-12-22/32, art. 173, 2°, 005; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
Art. 224. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, imposer des redevances pour financer les missions de l'administration découlant de l'application de l'article 1er de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques en ce qui concerne les stupéfiants, les psychotropes, les substances à partir desquelles ils peuvent être fabriqués et les substances à action hormonale, anti-hormonale ou antibiotique.
Ces redevances sont versées (sur un compte de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé). <L 2008-12-22/32, art. 173, 1°, 005; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les montants et le mode de paiement des redevances. Il peut préciser les conditions de ces redevances.
(§ 3. Les rétributions visées dans le présent article sont adaptées chaque année à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de l'Etat, en fonction de l'indice du mois de septembre.
L'indice de départ est celui du mois de septembre précédant la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal fixant le montant de la contribution ou de la rétribution.
Pour les rétributions fixées avant la date d'entrée en vigueur de la loi-programme du 22 décembre 2008, l'indice de départ est celui du mois de septembre précédant la publication au Moniteur belge de leur dernière fixation avant cette date.
Les montants indexés sont publies au Moniteur belge et sont applicables aux contributions et rétributions exigibles à partir du 1er janvier de l'année qui suit celle durant laquelle l'adaptation a été effectuée.) <L 2008-12-22/32, art. 173, 2°, 005; En vigueur : 08-01-2009>
Ces redevances sont versées (sur un compte de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé). <L 2008-12-22/32, art. 173, 1°, 005; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les montants et le mode de paiement des redevances. Il peut préciser les conditions de ces redevances.
(§ 3. Les rétributions visées dans le présent article sont adaptées chaque année à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de l'Etat, en fonction de l'indice du mois de septembre.
L'indice de départ est celui du mois de septembre précédant la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal fixant le montant de la contribution ou de la rétribution.
Pour les rétributions fixées avant la date d'entrée en vigueur de la loi-programme du 22 décembre 2008, l'indice de départ est celui du mois de septembre précédant la publication au Moniteur belge de leur dernière fixation avant cette date.
Les montants indexés sont publies au Moniteur belge et sont applicables aux contributions et rétributions exigibles à partir du 1er janvier de l'année qui suit celle durant laquelle l'adaptation a été effectuée.) <L 2008-12-22/32, art. 173, 2°, 005; En vigueur : 08-01-2009>
Art. 225. De tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt als volgt gewijzigd :
1° In de kolom "Benaming van het organiek begrotingsfonds" wordt de rubriek "25-1 Uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de wet op de geneesmiddelen (wet van 5 januari 1976)" vervangen door :
"25-1. Uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 29 december 1990, artikel 133) en de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica (wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998, artikel 224)";
2° In de kolom "Aard van de toegewezen ontvangsten" wordt de rubriek "Ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van de wet 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 5 januari 1976, artikel 152)" vervangen door :
"Ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van de wet 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 29 december 1990, artikel 133) en van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica (wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998, artikel 224)";
3° In de kolom "Aard van de gemachtigde uitgaven" wordt de rubriek "Inspectie der apotheken : bezoldiging statutairen, erelonen, zitpenningen, studies en onderzoeken, vermogensuitgaven; farmacotherapeutische informatiek." vervangen door :
"Algemene Farmaceutische Inspectie : bezoldiging statutairen, contractuelen, experten, erelonen, zitpenningen, studies en onderzoeken, vermogensuitgaven, farmacotherapeutische informatiek".
1° In de kolom "Benaming van het organiek begrotingsfonds" wordt de rubriek "25-1 Uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de wet op de geneesmiddelen (wet van 5 januari 1976)" vervangen door :
"25-1. Uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 29 december 1990, artikel 133) en de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica (wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998, artikel 224)";
2° In de kolom "Aard van de toegewezen ontvangsten" wordt de rubriek "Ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van de wet 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 5 januari 1976, artikel 152)" vervangen door :
"Ontvangsten voortvloeiend uit de toepassing van de wet 25 maart 1964 op de geneesmiddelen (wet van 29 december 1990, artikel 133) en van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica (wet houdende sociale bepalingen van 22 februari 1998, artikel 224)";
3° In de kolom "Aard van de gemachtigde uitgaven" wordt de rubriek "Inspectie der apotheken : bezoldiging statutairen, erelonen, zitpenningen, studies en onderzoeken, vermogensuitgaven; farmacotherapeutische informatiek." vervangen door :
"Algemene Farmaceutische Inspectie : bezoldiging statutairen, contractuelen, experten, erelonen, zitpenningen, studies en onderzoeken, vermogensuitgaven, farmacotherapeutische informatiek".
Art. 225. Le tableau joint en annexe de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, est modifié comme suit :
1° A la colonne "Dénomination du fonds budgétaire organique", la rubrique "25-1 Dépenses résultant de l'application de la loi sur les médicaments (loi du 5 janvier 1976)" est remplacée par :
"25-1. Dépenses résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 29 décembre 1990, article 133) et de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques (loi portant des dispositions sociales du 22 février 1998, article 224)";
2° A la colonne "Nature des recettes affectées", la rubrique "Recettes résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 5 janvier 1976, article 152)" est remplacée par :
"Recettes résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 29 décembre 1990, article 133) et de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques (loi portant des dispositions sociales du 22 février 1998, article 224)";
3° A la colonne "Nature des dépenses autorisées", la rubrique "Inspection des pharmacies : traitements statutaires, honoraires, jetons de présence, études et enquêtes, dépenses patrimoniales; informatique pharmacothérapeutique" est remplacée par :
"Inspection générale de la Pharmacie : traitements statutaires, contractuels, experts, honoraires, jetons de présence, études et enquêtes, dépenses patrimoniales, informatique pharmacotherapeutique".
1° A la colonne "Dénomination du fonds budgétaire organique", la rubrique "25-1 Dépenses résultant de l'application de la loi sur les médicaments (loi du 5 janvier 1976)" est remplacée par :
"25-1. Dépenses résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 29 décembre 1990, article 133) et de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques (loi portant des dispositions sociales du 22 février 1998, article 224)";
2° A la colonne "Nature des recettes affectées", la rubrique "Recettes résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 5 janvier 1976, article 152)" est remplacée par :
"Recettes résultant de l'application de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments (loi du 29 décembre 1990, article 133) et de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, désinfectantes ou antiseptiques (loi portant des dispositions sociales du 22 février 1998, article 224)";
3° A la colonne "Nature des dépenses autorisées", la rubrique "Inspection des pharmacies : traitements statutaires, honoraires, jetons de présence, études et enquêtes, dépenses patrimoniales; informatique pharmacothérapeutique" est remplacée par :
"Inspection générale de la Pharmacie : traitements statutaires, contractuels, experts, honoraires, jetons de présence, études et enquêtes, dépenses patrimoniales, informatique pharmacotherapeutique".
HOOFDSTUK VI. - Bioveiligheid.
CHAPITRE VI. - Biosécurité.
Art. 226. In artikel 132 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning, op gezamenlijk voorstel van de Ministers die bevoegd zijn voor de betrokken Ministeries, aangeduide ambtenaren en beambten van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en het Ministerie van Middenstand en van Landbouw, toezicht op de naleving van de bepalingen genomen, enerzijds krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen en, anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid.";
2° de §§ 3 tot 14, luidend als volgt, worden ingevoegd :
"§ 3. In de uitoefening van hun opdracht mogen zij :
1° alle inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, vervoermiddelen, lokalen of andere plaatsen, al dan niet in de open lucht, gelegen en bestemd voor nijverheids-, handels-, landbouw-, ambachtelijke of wetenschappelijke aktiviteiten, betreden of binnentreden;
2° wanneer zij deel uitmaken van of aanhorig zijn aan woongelegenheden van de in het vorige lid aangegeven plaatsen deze slechts betreden tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds, tenzij zij in het bezit zijn van een voorafgaandelijk schriftelijke machtiging hiertoe afgeleverd door een rechter van de politierechtbank; dergelijke machtiging is ten alle tijde vereist voor het binnentreden van plaatsen die tot woning dienen;
3° zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen;
4° monsters nemen of onder hun toezicht laten nemen en deze laten analyseren.
§ 4. De door de Koning aangewezen ambtenaren en beambten stellen de overtredingen van de bepalingen genomen, enerzijds, krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen en, anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, en van de ten uitvoer genomen besluiten vast in processen-verbaal, die bewijskracht hebben behoudens tegenbewijs; een afschrift ervan wordt binnen de vijftien kalenderdagen na de vaststelling aan de overtreder toegezonden.
§ 5. Overtreding van de bepalingen genomen, enerzijds, krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen, en anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, of van de besluiten tot uitvoering ervan, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en een geldboete van 1 000 frank tot 50 000 frank, of van een administratieve boete.
De verbaliserende ambtenaar stuurt het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt aan de Procureur des Konings alsook een afschrift ervan aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
§ 6. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt.
Strafvervolging sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
§ 7. De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
Ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de modaliteiten en voorwaarden die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen.
§ 8. De beslissing van de ambtenaar is met redenen omkleed en bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete, die niet lager mag zijn dan het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke bepaling, noch hoger dan het vijfvoudige van dit minimum.
Deze bedragen worden evenwel altijd vermeerderd met de opcentiemen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten.
Bovendien worden expertisekosten ten laste gelegd van de overtreder.
§ 9. Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen zijn dan het maximumbedrag bedoeld in § 5 van dit artikel.
§ 10. De beslissing bedoeld in § 8 van dit artikel wordt aan de betrokkene bekendgemaakt bij een ter post aangetekende brief samen met een verzoek tot betaling van de boete binnen de door de Koning gestelde termijn. Deze kennisgeving doet de strafvordering vervallen; de betaling van de administratieve geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie.
§ 11. Blijft de betrokkene in gebreke om de geldboete en de expertisekosten binnen de gestelde termijn te betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete en de expertisekosten voor de bevoegde rechtbank. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van het vierde deel, boek II en boek III, zijn van toepassing.
§ 12. Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd drie jaar na het feit dat een bij deze wet bedoeld misdrijf oplevert.
De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het vorige lid gestelde termijn stuiten evenwel de loop ervan.
Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
§ 13. De Koning bepaalt de procedureregelen die van toepassing zijn op de administratieve geldboeten.
De administratieve geldboeten worden gestort op een speciale rekening van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.
§ 14. De rechtspersoon waarvan de overtreder orgaan of aangestelde is, is eveneens aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete."
1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. Onverminderd de bevoegdheid van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning, op gezamenlijk voorstel van de Ministers die bevoegd zijn voor de betrokken Ministeries, aangeduide ambtenaren en beambten van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en het Ministerie van Middenstand en van Landbouw, toezicht op de naleving van de bepalingen genomen, enerzijds krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen en, anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid.";
2° de §§ 3 tot 14, luidend als volgt, worden ingevoegd :
"§ 3. In de uitoefening van hun opdracht mogen zij :
1° alle inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, vervoermiddelen, lokalen of andere plaatsen, al dan niet in de open lucht, gelegen en bestemd voor nijverheids-, handels-, landbouw-, ambachtelijke of wetenschappelijke aktiviteiten, betreden of binnentreden;
2° wanneer zij deel uitmaken van of aanhorig zijn aan woongelegenheden van de in het vorige lid aangegeven plaatsen deze slechts betreden tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds, tenzij zij in het bezit zijn van een voorafgaandelijk schriftelijke machtiging hiertoe afgeleverd door een rechter van de politierechtbank; dergelijke machtiging is ten alle tijde vereist voor het binnentreden van plaatsen die tot woning dienen;
3° zich alle inlichtingen en bescheiden doen verstrekken die zij tot het volbrengen van hun opdracht nodig achten, en overgaan tot alle nuttige vaststellingen;
4° monsters nemen of onder hun toezicht laten nemen en deze laten analyseren.
§ 4. De door de Koning aangewezen ambtenaren en beambten stellen de overtredingen van de bepalingen genomen, enerzijds, krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen en, anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, en van de ten uitvoer genomen besluiten vast in processen-verbaal, die bewijskracht hebben behoudens tegenbewijs; een afschrift ervan wordt binnen de vijftien kalenderdagen na de vaststelling aan de overtreder toegezonden.
§ 5. Overtreding van de bepalingen genomen, enerzijds, krachtens de internationale akkoorden en verdragen in verband met het gebruik van genetisch gewijzigde organismen, en anderzijds, van het samenwerkingsakkoord van 25 april 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de administratieve en wetenschappelijke coördinatie inzake bioveiligheid, of van de besluiten tot uitvoering ervan, kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en een geldboete van 1 000 frank tot 50 000 frank, of van een administratieve boete.
De verbaliserende ambtenaar stuurt het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt aan de Procureur des Konings alsook een afschrift ervan aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
§ 6. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt.
Strafvervolging sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
§ 7. De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.
Ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de modaliteiten en voorwaarden die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen.
§ 8. De beslissing van de ambtenaar is met redenen omkleed en bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete, die niet lager mag zijn dan het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke bepaling, noch hoger dan het vijfvoudige van dit minimum.
Deze bedragen worden evenwel altijd vermeerderd met de opcentiemen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten.
Bovendien worden expertisekosten ten laste gelegd van de overtreder.
§ 9. Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen zijn dan het maximumbedrag bedoeld in § 5 van dit artikel.
§ 10. De beslissing bedoeld in § 8 van dit artikel wordt aan de betrokkene bekendgemaakt bij een ter post aangetekende brief samen met een verzoek tot betaling van de boete binnen de door de Koning gestelde termijn. Deze kennisgeving doet de strafvordering vervallen; de betaling van de administratieve geldboete maakt een einde aan de vordering van de administratie.
§ 11. Blijft de betrokkene in gebreke om de geldboete en de expertisekosten binnen de gestelde termijn te betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete en de expertisekosten voor de bevoegde rechtbank. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van het vierde deel, boek II en boek III, zijn van toepassing.
§ 12. Geen administratieve geldboete kan worden opgelegd drie jaar na het feit dat een bij deze wet bedoeld misdrijf oplevert.
De daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het vorige lid gestelde termijn stuiten evenwel de loop ervan.
Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.
§ 13. De Koning bepaalt de procedureregelen die van toepassing zijn op de administratieve geldboeten.
De administratieve geldboeten worden gestort op een speciale rekening van de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.
§ 14. De rechtspersoon waarvan de overtreder orgaan of aangestelde is, is eveneens aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboete."
Art. 226. A l'article 132 de la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions sociales et diverses, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 2. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement et du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, désignés par le Roi, sur proposition conjointe des Ministres qui ont les Ministères concernés dans leurs attributions, contrôlent l'application des dispositions, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1998 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité.";
2° les §§ 3 à 14 rédiges comme suit, sont insérés :
"§ 3. Dans l'exécution de leur mission, ils sont habilités à :
1° accéder à ou pénétrer dans tous les établissements, parties d'établissements, moyens de transport, locaux ou autres endroits, à ciel ouvert ou non, destinés à des activités industrielles, commerciales, agricoles, artisanales ou scientifiques;
2° lorsqu'ils font partie d'habitations ou sont attenants à celles-ci, ne pénétrer dans les lieux, énumérés à l'alinéa précédent, qu'entre cinq heures du matin et neuf heures du soir, sauf si une autorisation écrite, préalable, a été délivrée à cet effet par un juge du tribunal de police; une telle autorisation est toujours requise pour pénétrer dans les lieux servant d'habitation;
3° exiger la production des informations et documents dont ils estiment avoir besoin dans l'exécution de leur mission et procéder à toutes les constatations utiles;
4° prélever ou faire prélever, sous leur surveillance, des échantillons et les faire analyser.
§ 4. Les fonctionnaires et agents, désignés par le Roi, constatent les infractions aux dispositions prises, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, et aux arrêtés d'exécution, en dressant des procès-verbaux qui font foi jusqu'à preuve du contraire; une copie du procès-verbal est transmise au contrevenant, dans les quinze jours civils suivant la constatation.
§ 5. Les infractions aux dispositions prises, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, ou aux arrêtés pris en exécution de celle-ci, peuvent être punies d'une peine de prison d'un mois à deux ans et d'une amende de 1 000 francs à 50 000 francs, ou d'une amende administrative.
Le fonctionnaire verbalisant envoie le procès-verbal qui constate le délit au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire désigné par le Roi.
§ 6. Le procureur du Roi décide s'il y a lieu ou non de poursuivre pénalement.
Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
§ 7. Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois, à compter du jour de la réception du procès-verbal, pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné par le Roi.
Dans le cas où le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé, le fonctionnaire désigné par le Roi, décide, suivant les modalités et conditions qu'Il fixe, décide, après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu de proposer une amende administrative du chef de l'infraction.
§ 8. La décision du fonctionnaire est motivée avec raison et fixe le montant de l'amende administrative qui ne peut être inférieur au minimum de l'amende prévue par la disposition légale violée, ni supérieur au quintuple de ce minimum.
Toutefois ces montants sont toujours majorés des décimes additionnels fixes pour les amendes pénales.
En outre, les frais d'expertise sont mis à charge du contrevenant.
§ 9. En cas de concours d'infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans que leur total puisse excéder le maximum prévu au § 5 du présent article.
§ 10. La décision, visée au § 8 du présent article, est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste, en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai fixé par le Roi. Cette notification éteint l'action publique; le paiement de l'amende administrative met fin à l'action de l'administration.
§ 11. Si l'intéressé demeure en défaut de payer l'amende et les frais d'expertise dans le délai fixé, le fonctionnaire poursuit le paiement de l'amende et des frais d'expertise devant le tribunal compétent. Les dispositions du Code judiciaire, notamment la quatrième partie, livre II et livre III, sont applicables.
§ 12. Il ne peut être infligé d'amende administrative trois ans après le fait constitutif d'une infraction prévue par la présente loi.
Toutefois les actes d'instruction ou de poursuite, faits dans le délai déterminé à l'alinéa précédent, en interrompent le cours.
Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
§ 13. Le Roi détermine les règles de procédure applicables en matière d'amendes administratives.
Les amendes administratives sont versées sur un compte spécial du budget du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement.
§ 14. La personne morale dont le contrevenant est l'organe ou le préposé, est également responsable du paiement de l'amende administrative."
1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 2. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement et du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, désignés par le Roi, sur proposition conjointe des Ministres qui ont les Ministères concernés dans leurs attributions, contrôlent l'application des dispositions, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1998 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité.";
2° les §§ 3 à 14 rédiges comme suit, sont insérés :
"§ 3. Dans l'exécution de leur mission, ils sont habilités à :
1° accéder à ou pénétrer dans tous les établissements, parties d'établissements, moyens de transport, locaux ou autres endroits, à ciel ouvert ou non, destinés à des activités industrielles, commerciales, agricoles, artisanales ou scientifiques;
2° lorsqu'ils font partie d'habitations ou sont attenants à celles-ci, ne pénétrer dans les lieux, énumérés à l'alinéa précédent, qu'entre cinq heures du matin et neuf heures du soir, sauf si une autorisation écrite, préalable, a été délivrée à cet effet par un juge du tribunal de police; une telle autorisation est toujours requise pour pénétrer dans les lieux servant d'habitation;
3° exiger la production des informations et documents dont ils estiment avoir besoin dans l'exécution de leur mission et procéder à toutes les constatations utiles;
4° prélever ou faire prélever, sous leur surveillance, des échantillons et les faire analyser.
§ 4. Les fonctionnaires et agents, désignés par le Roi, constatent les infractions aux dispositions prises, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, et aux arrêtés d'exécution, en dressant des procès-verbaux qui font foi jusqu'à preuve du contraire; une copie du procès-verbal est transmise au contrevenant, dans les quinze jours civils suivant la constatation.
§ 5. Les infractions aux dispositions prises, d'une part, en vertu des accords et traités internationaux en ce qui concerne l'usage d'organismes génétiquement modifiés et, d'autre part, de l'accord de coopération du 25 avril 1997 entre l'Etat fédéral et les Régions relatif à la coordination administrative et scientifique en matière de biosécurité, ou aux arrêtés pris en exécution de celle-ci, peuvent être punies d'une peine de prison d'un mois à deux ans et d'une amende de 1 000 francs à 50 000 francs, ou d'une amende administrative.
Le fonctionnaire verbalisant envoie le procès-verbal qui constate le délit au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire désigné par le Roi.
§ 6. Le procureur du Roi décide s'il y a lieu ou non de poursuivre pénalement.
Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
§ 7. Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois, à compter du jour de la réception du procès-verbal, pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné par le Roi.
Dans le cas où le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé, le fonctionnaire désigné par le Roi, décide, suivant les modalités et conditions qu'Il fixe, décide, après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu de proposer une amende administrative du chef de l'infraction.
§ 8. La décision du fonctionnaire est motivée avec raison et fixe le montant de l'amende administrative qui ne peut être inférieur au minimum de l'amende prévue par la disposition légale violée, ni supérieur au quintuple de ce minimum.
Toutefois ces montants sont toujours majorés des décimes additionnels fixes pour les amendes pénales.
En outre, les frais d'expertise sont mis à charge du contrevenant.
§ 9. En cas de concours d'infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans que leur total puisse excéder le maximum prévu au § 5 du présent article.
§ 10. La décision, visée au § 8 du présent article, est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste, en même temps qu'une invitation à acquitter l'amende dans le délai fixé par le Roi. Cette notification éteint l'action publique; le paiement de l'amende administrative met fin à l'action de l'administration.
§ 11. Si l'intéressé demeure en défaut de payer l'amende et les frais d'expertise dans le délai fixé, le fonctionnaire poursuit le paiement de l'amende et des frais d'expertise devant le tribunal compétent. Les dispositions du Code judiciaire, notamment la quatrième partie, livre II et livre III, sont applicables.
§ 12. Il ne peut être infligé d'amende administrative trois ans après le fait constitutif d'une infraction prévue par la présente loi.
Toutefois les actes d'instruction ou de poursuite, faits dans le délai déterminé à l'alinéa précédent, en interrompent le cours.
Ces actes font courir un nouveau délai d'égale durée, même à l'égard des personnes qui n'y sont pas impliquées.
§ 13. Le Roi détermine les règles de procédure applicables en matière d'amendes administratives.
Les amendes administratives sont versées sur un compte spécial du budget du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement.
§ 14. La personne morale dont le contrevenant est l'organe ou le préposé, est également responsable du paiement de l'amende administrative."
TITEL 4. - Pensioenen.
TITRE 4. - Pensions.
Art. 227. Artikel 12, § 3, 2°, van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van personeelsleden van sommige instellingen van openbaar nut en hun rechthebbenden, vervangen bij de wet van 20 juli 1991, wordt aangevuld als volgt :
"e) de maandelijkse voorafbetalingen en de regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.".
"e) de maandelijkse voorafbetalingen en de regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.".
Art. 227. L'article 12, § 3, 2°, de la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, remplacé par la loi du 20 juillet 1991, est complété comme suit :
"e) les provisions mensuelles et la régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises.".
"e) les provisions mensuelles et la régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises.".
Art. 228. In de tweede kolom van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen worden met betrekking tot het fonds "21.1 Fonds voor Overlevingspensioenen" de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een 8°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"8°bis. Maandelijkse voorafbetalingen en regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;";
2° het 9° wordt aangevuld met de woorden "en van artikel 9 van voormeld koninklijk besluit van 27 februari 1997".
1° een 8°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
"8°bis. Maandelijkse voorafbetalingen en regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;";
2° het 9° wordt aangevuld met de woorden "en van artikel 9 van voormeld koninklijk besluit van 27 februari 1997".
Art. 228. A la deuxième colonne du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, en regard du fonds "21.1. Fonds des pensions de survie", sont apportées les modifications suivantes :
1° il est inséré un 8°bis, rédigé comme suit :
"8°bis. Provisions mensuelles et régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises;";
2° le 9° est complété par les mots "et de l'article 9 de l'arrêté royal du 27 février 1997 précité".
1° il est inséré un 8°bis, rédigé comme suit :
"8°bis. Provisions mensuelles et régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises;";
2° le 9° est complété par les mots "et de l'article 9 de l'arrêté royal du 27 février 1997 précité".
Art. 229. In dezelfde kolom worden met betrekking tot het Fonds "21.2. Rustpensioenen van het personeel van instellingen van openbaar nut (wet van 28 april 1958)" de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "Provisionele voorschotten" in 1° worden vervangen door het woord "Bijdragen";
2° het 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° Maandelijkse voorafbetalingen en regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;".
1° de woorden "Provisionele voorschotten" in 1° worden vervangen door het woord "Bijdragen";
2° het 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2° Maandelijkse voorafbetalingen en regularisatie voor het voorgaande jaar, gestort met toepassing van artikel 8, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 februari 1997 houdende uitvoering van artikel 56, zevende lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;".
Art. 229. A cette même colonne, en regard du Fonds "21.2. Pensions de retraite du personnel des organismes d'intérêt public (loi du 28 avril 1958)", sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "Avances provisionnelles" figurant dans le 1° sont remplacés par le mot "Contributions";
2° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
"2° Provisions mensuelles et régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises;".
1° les mots "Avances provisionnelles" figurant dans le 1° sont remplacés par le mot "Contributions";
2° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
"2° Provisions mensuelles et régularisation pour l'année qui précède, versées en application de l'article 8, alinéas 1er et 2, de l'arrêté royal du 27 février 1997 portant exécution de l'article 56, alinéa 7, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises;".
Art. 230. In artikel 1 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1971, 11 juli 1975 en 4 juni 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "cbis) DE POST;" worden geschrapt;
2° de woorden "cter) de Regie voor maritiem transport;" worden geschrapt.
1° de woorden "cbis) DE POST;" worden geschrapt;
2° de woorden "cter) de Regie voor maritiem transport;" worden geschrapt.
Art. 230. Dans l'article 1er de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, modifié par les lois des 6 juillet 1971, 11 juillet 1975 et 4 juin 1976, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "cbis) de LA POSTE;" sont supprimés;
2° les mots "cter) de la Régie des transports maritimes;" sont supprimés.
1° les mots "cbis) de LA POSTE;" sont supprimés;
2° les mots "cter) de la Régie des transports maritimes;" sont supprimés.
Art. 231. De artikelen 227 tot en met 229 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Artikel 230, 1° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en artikel 230, 2° heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997.
Artikel 230, 1° heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en artikel 230, 2° heeft uitwerking met ingang van 26 februari 1997.
Art. 231. Les articles 227 à 229 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
L'article 230, 1° produit ses effets le 1er janvier 1997 et l'article 230, 2° produit ses effets le 26 février 1997.
L'article 230, 1° produit ses effets le 1er janvier 1997 et l'article 230, 2° produit ses effets le 26 février 1997.
Art. 232. Artikel 18, § 2, tweede lid, van de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 478 van 5 december 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De gerechtigde ofwel op een pensioen ingevolge stortingen verricht bij toepassing van artikel 3, §§ 1 en 2 van deze wet, ofwel op een rente gevestigd door stortingen van vrijwillig verzekerden in het kader van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, samengeordend door het besluit van de Regent van 12 september 1946, kan, bij of na het ingaan van zijn rechten, de gekapitaliseerde waarde ervan geheel in speciën uitbetaald krijgen.
De afkoop van een ouderdomspensioen of -rente brengt de afkoop van het overeenstemmende overlevingspensioen of -rente met zich mee.".
"De gerechtigde ofwel op een pensioen ingevolge stortingen verricht bij toepassing van artikel 3, §§ 1 en 2 van deze wet, ofwel op een rente gevestigd door stortingen van vrijwillig verzekerden in het kader van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, samengeordend door het besluit van de Regent van 12 september 1946, kan, bij of na het ingaan van zijn rechten, de gekapitaliseerde waarde ervan geheel in speciën uitbetaald krijgen.
De afkoop van een ouderdomspensioen of -rente brengt de afkoop van het overeenstemmende overlevingspensioen of -rente met zich mee.".
Art. 232. L'article 18, § 2, alinéa 2, de la loi du 12 février 1963 relative à l'organisation d'un régime de pension de retraite et de survie au profit des assurés libres, modifié par l'arrêté royal n° 478 du 5 décembre 1986, est remplacé par la disposition suivante :
"Le bénéficiaire soit, d'une pension résultant des versements effectués en application de l'article 3, §§ 1er et 2 de la présente loi, soit, d'une rente constituée par des versements d'assurés libres dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnées par l'arrêté du Régent du 12 septembre 1946 peut, au moment ou après l'ouverture de ses droits, en recevoir intégralement en espèces la valeur capitalisée.
Le rachat d'une pension ou d'une rente de vieillesse entraîne le rachat de la pension ou de la rente de survie correspondante.".
"Le bénéficiaire soit, d'une pension résultant des versements effectués en application de l'article 3, §§ 1er et 2 de la présente loi, soit, d'une rente constituée par des versements d'assurés libres dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, coordonnées par l'arrêté du Régent du 12 septembre 1946 peut, au moment ou après l'ouverture de ses droits, en recevoir intégralement en espèces la valeur capitalisée.
Le rachat d'une pension ou d'une rente de vieillesse entraîne le rachat de la pension ou de la rente de survie correspondante.".
Art. 233. Artikel 22, § 2, van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden, gewijzigd bij de wet van 5 juni 1970, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Een verzekeringsinstelling erkend krachtens de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, mag ten alle tijde afstand doen van de mogelijkheid tot het instellen van een regeling tot verzekering van buitenwettelijke voordelen bedoeld in het eerste lid, en van het beheer van de ingestelde regelingen mits de Rijksdienst voor pensioenen of een van de andere Gemeenschappelijke Verzekeringskassen erkend bij voornoemde wet van 18 juni 1930, haar rechten en haar plichten, haar activa en passiva, wat betreft de verzekering van buitenwettelijke voordelen ingesteld volgens het eerste lid, overneemt.
De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van het vorige lid vast."
"Een verzekeringsinstelling erkend krachtens de wet van 18 juni 1930 betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden, mag ten alle tijde afstand doen van de mogelijkheid tot het instellen van een regeling tot verzekering van buitenwettelijke voordelen bedoeld in het eerste lid, en van het beheer van de ingestelde regelingen mits de Rijksdienst voor pensioenen of een van de andere Gemeenschappelijke Verzekeringskassen erkend bij voornoemde wet van 18 juni 1930, haar rechten en haar plichten, haar activa en passiva, wat betreft de verzekering van buitenwettelijke voordelen ingesteld volgens het eerste lid, overneemt.
De Koning stelt de toepassingsmodaliteiten van het vorige lid vast."
Art. 233. L'article 22, § 2, de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés, modifié par la loi du 5 juin 1970, est complété par les alinéas suivants :
"Un organisme agréé en vertu de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, peut, à tout moment, renoncer à la faculté de conclure des assurances des avantages extra-légaux visé à l'alinéa 1er et à la gestion des assurances conclues, moyennant reprise, par l'Office national des pensions ou par une des Caisses communes d'assurance agréées en vertu de la loi du 18 juin 1930 précitée, de ses droits et obligations, de son actif et de son passif, relatifs aux assurances des avantages extra-légaux conclues en vertu de l'alinéa 1er.
Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa précédent."
"Un organisme agréé en vertu de la loi du 18 juin 1930 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés, peut, à tout moment, renoncer à la faculté de conclure des assurances des avantages extra-légaux visé à l'alinéa 1er et à la gestion des assurances conclues, moyennant reprise, par l'Office national des pensions ou par une des Caisses communes d'assurance agréées en vertu de la loi du 18 juin 1930 précitée, de ses droits et obligations, de son actif et de son passif, relatifs aux assurances des avantages extra-légaux conclues en vertu de l'alinéa 1er.
Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa précédent."
Art. 234. In het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt een artikel 41septies ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 41septies. - De Rijksdienst voor pensioenen neemt de rechten en verplichtingen over van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas inzake de toepassing van de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden.
De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding en stelt de nadere toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast en kan de voornoemde wet van 12 februari 1963 aanpassen om haar in overeenstemming te brengen met de in het vorig lid bedoelde wijziging.".
"Art. 41septies. - De Rijksdienst voor pensioenen neemt de rechten en verplichtingen over van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas inzake de toepassing van de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden.
De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding en stelt de nadere toepassingsmodaliteiten van dit artikel vast en kan de voornoemde wet van 12 februari 1963 aanpassen om haar in overeenstemming te brengen met de in het vorig lid bedoelde wijziging.".
Art. 234. Dans l'arrêté royal no 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés est inséré un article 41septies, rédigé comme suit :
"Art. 41septies. - L'Office national des pensions reprend les droits et obligations de la Caisse générale d'épargne et de retraite quant à l'application de la loi du 12 février 1963 relative à l'organisation d'un régime de pension de retraite et de survie au profit des assurés libres.
Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur et les modalités d'application du présent article et peut adapter la loi du 12 février 1963 précitée en vue de la rendre conforme à la modification visée à l'alinéa précédent.".
"Art. 41septies. - L'Office national des pensions reprend les droits et obligations de la Caisse générale d'épargne et de retraite quant à l'application de la loi du 12 février 1963 relative à l'organisation d'un régime de pension de retraite et de survie au profit des assurés libres.
Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur et les modalités d'application du présent article et peut adapter la loi du 12 février 1963 précitée en vue de la rendre conforme à la modification visée à l'alinéa précédent.".
Art. 235. Artikel 41 van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Rijksdienst voor pensioenen kan met betrekking tot de onroerende goederen bedoeld in artikel 16, eerste lid, e), van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de éénmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, dadingen, compromissen en minnelijke schikkingen afsluiten op voorwaarde dat de Ministers die bevoegd zijn voor de Pensioenen en voor de Begroting hun akkoord verlenen.".
"De Rijksdienst voor pensioenen kan met betrekking tot de onroerende goederen bedoeld in artikel 16, eerste lid, e), van het koninklijk besluit van 13 september 1971 houdende uitvoering van hoofdstuk I, van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de éénmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, dadingen, compromissen en minnelijke schikkingen afsluiten op voorwaarde dat de Ministers die bevoegd zijn voor de Pensioenen en voor de Begroting hun akkoord verlenen.".
Art. 235. L'article 41 de l'arrêté royal no 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, est complété par l'alinéa suivant :
"L'Office national des pensions peut en ce qui concerne les biens immobiliers visés à l'article 16, alinéa 1er, e), de l'arrêté royal du 13 septembre 1971 portant exécution du chapitre Ier de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, transiger, compromettre et conclure des arrangements à l'amiable, moyennant l'accord des Ministres ayant les Pensions et le Budget dans leurs attributions.".
"L'Office national des pensions peut en ce qui concerne les biens immobiliers visés à l'article 16, alinéa 1er, e), de l'arrêté royal du 13 septembre 1971 portant exécution du chapitre Ier de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, transiger, compromettre et conclure des arrangements à l'amiable, moyennant l'accord des Ministres ayant les Pensions et le Budget dans leurs attributions.".
Art. 236. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 april 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, heeft uitwerking vanaf 1 januari 1996.
Art. 236. L'article 1er de l'arrêté royal du 23 avril 1997 portant modification de l'arrêté royal no 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, produit ses effets le 1er janvier 1996.
Art. 237. De regeling voorzien in artikel 23 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen, met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, is eveneens van toepassing op de cumulaties die zich voordoen vanaf 1 januari 1987.
Art. 237. Le régime prévu dans l'article 23 du même arrêté royal du 30 janvier 1997, relatif au régime de pension des travailleurs indépendants, en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, est également appliqué pour les cumuls qui surviennent à partir du 1er janvier 1987.
Art. 238. Artikel 6, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 maart 1997 en 25 april 1997, wordt vervangen door de volgende twee leden :
"Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen 341,17 (1971 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 341,17 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen voor het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de drie laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.".
"Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen 341,17 (1971 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 341,17 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen voor het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de drie laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.".
Art. 238. L'article 6, § 2, alinéa 2 de l' arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, confirmé par la loi du 26 juin 1997 et modifié par les arrêtés royaux du 21 mars 1997 et du 25 avril 1997, est remplacé par les deux alinéas suivants :
"Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est lié à l'indice des prix à la consommation 341,17 (1971 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 341,17 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.".
"Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est lié à l'indice des prix à la consommation 341,17 (1971 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 341,17 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.".
Art. 239. Artikel 9, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, bekrachtigd bij de wet van 26 juni 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 maart 1997 en 25 april 1997, wordt vervangen door het volgende lid :
"Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen 341,17 (1971 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2, tweede en derde lid.".
"Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen 341,17 (1971 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2, tweede en derde lid.".
Art. 239. L'article 9, § 2, alinéa 2 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, confirmé par la loi du 26 juin 1997 et modifié par les arrêtés royaux du 21 mars 1997 et du 25 avril 1997, est remplacé par l'alinéa suivant :
"Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est lié à l'indice des prix à la consommation 341,17 (1971 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2, 2e et 3e alinéas.".
"Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est lié à l'indice des prix à la consommation 341,17 (1971 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2, 2e et 3e alinéas.".
Art. 240. De artikels 238 en 239 hebben uitwerking op 1 juli 1997.
Art. 240. Les articles 238 et 239 produisent leurs effets le 1er juillet 1997.
Art. 241. Artikel 1 van de wet van 5 augustus 1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privésector wordt aangevuld met het volgende lid :
"De Koning bepaalt op voorstel van de Ministers die de Pensioenen, de Financiën en de Begroting onder hun bevoegdheid hebben, elk jaar op forfaitaire wijze en voor elke in het eerste lid bedoelde instelling de bedragen die met toepassing van 1° en 2° van dit lid moeten gestort worden.".
"De Koning bepaalt op voorstel van de Ministers die de Pensioenen, de Financiën en de Begroting onder hun bevoegdheid hebben, elk jaar op forfaitaire wijze en voor elke in het eerste lid bedoelde instelling de bedragen die met toepassing van 1° en 2° van dit lid moeten gestort worden.".
Art. 241. L'article 1er de la loi du 5 août 1968 établissant certaines relations entre les régimes de pensions du secteur public et ceux du secteur privé est complété par l'alinéa suivant :
"Le Roi fixe sur la proposition des Ministres qui ont les Pensions, les Finances et le Budget dans leurs attributions, chaque année, de manière forfaitaire et pour chaque institution visée à l'alinéa premier, les montants à verser en application des 1° et 2° de cet alinéa.".
"Le Roi fixe sur la proposition des Ministres qui ont les Pensions, les Finances et le Budget dans leurs attributions, chaque année, de manière forfaitaire et pour chaque institution visée à l'alinéa premier, les montants à verser en application des 1° et 2° de cet alinéa.".
Art. 242. Het artikel 241 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
Art. 242. L'article 241 produit ses effets le 1er janvier 1997.
Art. 243. Artikel 20 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van een handvest van de sociaal verzekerde, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1997, wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt :
"De interesten bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval niet verschuldigd indien er voorschotten worden uitbetaald en indien :
- de definitieve beslissing afhankelijk is van inlichtingen die door de aanvrager zelf of door een niet in artikel 2 van deze wet bedoelde instelling moeten worden verstrekt;
- de definitieve beslissing afhangt van de beslissing van twee of meer pensioeninstellingen en voor zover de pensioenaanvragen werden ingediend binnen de acht maanden die voorafgaan aan de ingangsdatum van het pensioen;
- slechts bij de definitieve beslissing kan worden vastgesteld dat de sociaal verzekerde voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een minimumuitkering.".
"De interesten bedoeld in het eerste lid, zijn in ieder geval niet verschuldigd indien er voorschotten worden uitbetaald en indien :
- de definitieve beslissing afhankelijk is van inlichtingen die door de aanvrager zelf of door een niet in artikel 2 van deze wet bedoelde instelling moeten worden verstrekt;
- de definitieve beslissing afhangt van de beslissing van twee of meer pensioeninstellingen en voor zover de pensioenaanvragen werden ingediend binnen de acht maanden die voorafgaan aan de ingangsdatum van het pensioen;
- slechts bij de definitieve beslissing kan worden vastgesteld dat de sociaal verzekerde voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een minimumuitkering.".
Art. 243. L'article 20 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer une charte de l'assuré social, modifié par la loi du 25 juin 1997, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
"Les intérêts visés à l'alinéa 1er ne sont en tout état de cause, pas dus lorsque des avances sont payées, et que :
- la décision définitive dépend d'informations qui doivent être fournies par le demandeur lui-même ou par une institution non visée à l'article 2 de la présente loi;
- la décision définitive dépend de la décision de deux ou plusieurs organismes de pension et pour autant que les demandes de pension aient été introduites dans un délai de huit mois qui précède la date de prise de cours de la pension;
- ce n'est que lors de la décision définitive, que l'on peut constater que l'assuré social satisfait aux conditions requises pour avoir droit à une prestation minimum.".
"Les intérêts visés à l'alinéa 1er ne sont en tout état de cause, pas dus lorsque des avances sont payées, et que :
- la décision définitive dépend d'informations qui doivent être fournies par le demandeur lui-même ou par une institution non visée à l'article 2 de la présente loi;
- la décision définitive dépend de la décision de deux ou plusieurs organismes de pension et pour autant que les demandes de pension aient été introduites dans un délai de huit mois qui précède la date de prise de cours de la pension;
- ce n'est que lors de la décision définitive, que l'on peut constater que l'assuré social satisfait aux conditions requises pour avoir droit à une prestation minimum.".
Art. 244. In artikel 60bis, § 1, tweede lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 513 van 27 maart 1987, worden de woorden "onder zijn leden" weggelaten.
Art. 244. A l'article 60bis, § 1er, alinéa 2, 2° et 3°, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, inséré par l'arrêté royal n° 513 du 27 mars 1987, les mots "parmi ses membres" sont supprimés.
TITEL 5. - Sociaal statuut van de zelfstandigen en de KMO's.
TITRE 5. - Statut social des indépendants et des PME.
HOOFDSTUK I. - Sociale verzekering in geval van faillissement.
CHAPITRE Ier. - Assurance sociale en cas de faillite.
Art. 245. Artikel 1410, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld als volgt :
"9° de uitkering voorzien in artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.".
"9° de uitkering voorzien in artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.".
Art. 245. L'article 1410, § 2 du Code judiciaire est complété comme suit :
"9° à la prestation visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite et des personnes assimilées, en application des articles 29 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pension.".
"9° à la prestation visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite et des personnes assimilées, en application des articles 29 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pension.".
Art. 246. In het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt een artikel 7bis, luidend als volgt, ingevoegd :
"Art. 7bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 6 van dit besluit, verjaart de vordering tot betaling van de in artikel 7 voorziene uitkering na verloop van drie jaar.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op datgene van het vonnis van faillietverklaring of op datgene van het vonnis van ontbinding van het akkoord van faillissement.
Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een ter post aangetekend schrijven, ingediend bij de bevoegde instelling. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
De bevoegde instelling mag in geen geval het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.".
"Art. 7bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 6 van dit besluit, verjaart de vordering tot betaling van de in artikel 7 voorziene uitkering na verloop van drie jaar.
De termijn van drie jaar neemt een aanvang de eerste dag van het kwartaal dat volgt op datgene van het vonnis van faillietverklaring of op datgene van het vonnis van ontbinding van het akkoord van faillissement.
Buiten de oorzaken vermeld in het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door een verzoek tot betaling, bij een ter post aangetekend schrijven, ingediend bij de bevoegde instelling. De stuiting is geldig voor drie jaar en mag worden hernieuwd.
De bevoegde instelling mag in geen geval het voordeel van de bij dit artikel bepaalde verjaring verzaken.".
Art. 246. Dans l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite et des personnes assimilées, en application des articles 29 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, est inséré un article 7bis, rédigé comme suit :
"Art. 7bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 6 du présent arrêté, l'action en paiement de la prestation prévue à l'article 7 se prescrit par trois ans.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit celui du jugement déclaratif de faillite ou celui du jugement de résolution du concordat après faillite.
Outre les causes prévues au Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée à la poste auprès de l'organisme compétent. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, l'organisme compétent ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.".
"Art. 7bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 6 du présent arrêté, l'action en paiement de la prestation prévue à l'article 7 se prescrit par trois ans.
Le délai de trois ans prend cours le premier jour du trimestre qui suit celui du jugement déclaratif de faillite ou celui du jugement de résolution du concordat après faillite.
Outre les causes prévues au Code civil, la prescription est interrompue par une requête en paiement introduite par lettre recommandée à la poste auprès de l'organisme compétent. L'interruption est valable pour trois ans et peut être renouvelée.
En aucun cas, l'organisme compétent ne peut renoncer au bénéfice de la prescription fixée par le présent article.".
Art. 247. Een artikel 8bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
"Art. 8bis. De vordering tot terugbetaling van de in artikel 7 voorziene uitkering die ten onrechte werd betaald, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling werd gedaan.
Buiten de in het Burgerlijk Wetboek vermelde oorzaken wordt de verjaring gestuit door een, bij ter post aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verbintenis bepaald in artikel 5 niet heeft nageleefd.".
"Art. 8bis. De vordering tot terugbetaling van de in artikel 7 voorziene uitkering die ten onrechte werd betaald, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling werd gedaan.
Buiten de in het Burgerlijk Wetboek vermelde oorzaken wordt de verjaring gestuit door een, bij ter post aangetekend schrijven, aan de schuldenaar betekende vordering tot terugbetaling van wat ten onrechte werd uitbetaald.
De verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht indien de ten onrechte uitbetaalde uitkering werd bekomen door bedrieglijke handelingen of door valse of opzettelijk onvolledige verklaringen of nog indien de begunstigde de verbintenis bepaald in artikel 5 niet heeft nageleefd.".
Art. 247. Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
"Art. 8bis. L'action en répétition de la prestation visée à l'article 7 et payée indûment se prescrit par trois ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué.
Outre les causes prévues par le Code civil, la prescription est interrompue par la réclamation des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire de la prestation n'a pas respecté l'engagement visé à l'article 5.".
"Art. 8bis. L'action en répétition de la prestation visée à l'article 7 et payée indûment se prescrit par trois ans à partir de la date à laquelle le paiement a été effectué.
Outre les causes prévues par le Code civil, la prescription est interrompue par la réclamation des paiements indus notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste.
Le délai de prescription est porté à cinq ans si la prestation payée indûment a été obtenue à la suite de manoeuvres frauduleuses ou de déclarations fausses ou sciemment incomplètes, ou encore si le bénéficiaire de la prestation n'a pas respecté l'engagement visé à l'article 5.".
Art. 248. Een artikel 10bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde besluit ingevoegd :
"Art. 10bis. Wanneer door nalatigheid van een sociale verzekeringskas, de in artikel 7 voorziene uitkering ten onrechte werd betaald en de terugvordering van het niet-verschuldigde onmogelijk blijkt, wordt de sociale verzekeringskas verantwoordelijk verklaard bij beslissing van de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut der zelfstandigen, en worden de bedoelde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd om de beheerskosten van de betrokken kas te dekken.".
"Art. 10bis. Wanneer door nalatigheid van een sociale verzekeringskas, de in artikel 7 voorziene uitkering ten onrechte werd betaald en de terugvordering van het niet-verschuldigde onmogelijk blijkt, wordt de sociale verzekeringskas verantwoordelijk verklaard bij beslissing van de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut der zelfstandigen, en worden de bedoelde bedragen ten laste gelegd van de opbrengst van de bijdragen bestemd om de beheerskosten van de betrokken kas te dekken.".
Art. 248. Un article 10bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
"Art. 10bis. Lorsque, par suite de négligence d'une caisse d'assurances sociales, la prestation visée à l'article 7 a été payée indûment et que la répétition de l'indu s'avère impossible, la caisse d'assurances sociales en est déclarée responsable par décision du Ministre ayant le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, les sommes en cause étant mises à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse concernée.".
"Art. 10bis. Lorsque, par suite de négligence d'une caisse d'assurances sociales, la prestation visée à l'article 7 a été payée indûment et que la répétition de l'indu s'avère impossible, la caisse d'assurances sociales en est déclarée responsable par décision du Ministre ayant le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions, les sommes en cause étant mises à charge du produit des cotisations destinées à couvrir les frais d'administration de la caisse concernée.".
Art. 249. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 juli 1997.
Art. 249. Les dispositions du présent chapitre produisent leur effet le 1er juillet 1997.
HOOFDSTUK II. - Communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector.
CHAPITRE II. - Régime communautaire d'aides à la préretraite en agriculture.
Art. 250. In de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector, wordt een artikel 13bis ingelast dat luidt als volgt :
"Art. 13bis. § 1. Onverschuldigd betaalde supplementen worden teruggevorderd door het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Zo een regeling in der minne met de schuldenaar of diens erfgenamen niet mogelijk blijkt, kan dit Ministerie, na de ingebrekestelling van de schuldenaar per aangetekende brief, de Rijksdienst voor Pensioenen opdragen :
1° de schuld terug te vorderen door gehele of gedeeltelijke compensatie op de nog aan de begunstigde of diens overlevende echtgenoot betaalbare supplementen;
2° de schuld, op de wijze zoals bepaald in artikel 1410, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek terug te vorderen op de andere voordelen betaald door de Rijksdienst, wanneer geen supplementen meer betaalbaar zijn in toepassing van 1° hiervoor.
§ 2. Zo de schuldenaar geen voordelen meer geniet die door de Rijksdienst worden betaald, kan de terugvordering geschieden met alle rechtsmiddelen.
§ 3. De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit :
- de bestemming van de teruggevorderde supplementen;
- de regels inzake de tenlasteneming van de onverschuldigd betaalde supplementen waarvan de terugvordering onmogelijk blijkt.".
"Art. 13bis. § 1. Onverschuldigd betaalde supplementen worden teruggevorderd door het Ministerie van Middenstand en Landbouw. Zo een regeling in der minne met de schuldenaar of diens erfgenamen niet mogelijk blijkt, kan dit Ministerie, na de ingebrekestelling van de schuldenaar per aangetekende brief, de Rijksdienst voor Pensioenen opdragen :
1° de schuld terug te vorderen door gehele of gedeeltelijke compensatie op de nog aan de begunstigde of diens overlevende echtgenoot betaalbare supplementen;
2° de schuld, op de wijze zoals bepaald in artikel 1410, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek terug te vorderen op de andere voordelen betaald door de Rijksdienst, wanneer geen supplementen meer betaalbaar zijn in toepassing van 1° hiervoor.
§ 2. Zo de schuldenaar geen voordelen meer geniet die door de Rijksdienst worden betaald, kan de terugvordering geschieden met alle rechtsmiddelen.
§ 3. De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit :
- de bestemming van de teruggevorderde supplementen;
- de regels inzake de tenlasteneming van de onverschuldigd betaalde supplementen waarvan de terugvordering onmogelijk blijkt.".
Art. 250. Dans la loi du 23 décembre 1994 instituant un régime communautaire, d'aides à la préretraite en agriculture, il est inséré un article 13bis, rédigé comme suit :
"Art. 13bis. § 1er. Les suppléments indûment payés sont récupérés par le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture. Dans les cas où un règlement à l'amiable avec le débiteur ou ses héritiers s'avère impossible, ce Ministère peut, après la mise en demeure du débiteur par lettre recommandée à la poste, ordonner à l'Office national des Pensions :
1° de récupérer la dette par le biais d'une compensation totale ou partielle avec les suppléments qui sont encore payables au bénéficiaire ou à son conjoint survivant;
2° de récupérer la dette, de la manière visée à l'article 1410, § 4 du Code Judiciaire, sur d'autres avantages payés par l'Office national, dans les cas où il n'y a plus de suppléments payables en application du 1° ci-avant.
§ 2. Si le débiteur ne bénéficie plus d'avantages payés par l'Office national, la récupération peut se faire par tout moyen de droit.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres :
- la destination des suppléments récupérés;
- les règles de la prise en charge des suppléments indûment payés dont la récupération s'avère impossible.".
"Art. 13bis. § 1er. Les suppléments indûment payés sont récupérés par le Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture. Dans les cas où un règlement à l'amiable avec le débiteur ou ses héritiers s'avère impossible, ce Ministère peut, après la mise en demeure du débiteur par lettre recommandée à la poste, ordonner à l'Office national des Pensions :
1° de récupérer la dette par le biais d'une compensation totale ou partielle avec les suppléments qui sont encore payables au bénéficiaire ou à son conjoint survivant;
2° de récupérer la dette, de la manière visée à l'article 1410, § 4 du Code Judiciaire, sur d'autres avantages payés par l'Office national, dans les cas où il n'y a plus de suppléments payables en application du 1° ci-avant.
§ 2. Si le débiteur ne bénéficie plus d'avantages payés par l'Office national, la récupération peut se faire par tout moyen de droit.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres :
- la destination des suppléments récupérés;
- les règles de la prise en charge des suppléments indûment payés dont la récupération s'avère impossible.".
TITEL 6. - Sociale Integratie.
TITRE 6. - Intégration sociale.
HOOFDSTUK I. - Dringende medische hulpverlening.
CHAPITRE Ier. - Aide médicale urgente.
Art. 251. Artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Artikel 1. - De huidige wet beoogt de inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening.
Onder dringende geneeskundige hulpverlening wordt verstaan het onmiddellijk verstrekken van aangepaste hulp aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een plotse verwikkeling van een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd.
De Koning bepaalt de modaliteiten inzake de werking en het beheer van de dringende geneeskundige hulpverlening. Hij ziet erop toe dat de handelingen van alle betrokkenen in overeenstemming zijn met de doelstelling van deze wet.".
"Artikel 1. - De huidige wet beoogt de inrichting van de dringende geneeskundige hulpverlening.
Onder dringende geneeskundige hulpverlening wordt verstaan het onmiddellijk verstrekken van aangepaste hulp aan alle personen van wie de gezondheidstoestand ten gevolge van een ongeval, een plotse aandoening of een plotse verwikkeling van een ziekte een dringende tussenkomst vereist na een oproep via het eenvormig oproepstelsel waardoor de hulpverlening, het vervoer en de opvang in een aangepaste ziekenhuisdienst worden verzekerd.
De Koning bepaalt de modaliteiten inzake de werking en het beheer van de dringende geneeskundige hulpverlening. Hij ziet erop toe dat de handelingen van alle betrokkenen in overeenstemming zijn met de doelstelling van deze wet.".
Art. 251. L'article 1er de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente est remplacé par la disposition suivante :
"Article 1er. La présente loi a pour objet l'organisation de l'aide médicale urgente.
Il faut entendre par aide médicale urgente, la dispensation immédiate de secours appropriés à toutes les personnes dont l'état de santé par suite d'un accident ou d'une maladie soudaine ou de la complication soudaine d'une maladie requiert une intervention urgente après un appel au système d'appel unifié par lequel sont assurés les secours, le transport et l'accueil dans un service hospitalier adéquat.
Le Roi détermine les modalités de fonctionnement et de gestion de l'aide médicale urgente. Il veille au respect par l'ensemble des intervenants de la conformité de leurs actes à l'objectif de la présente loi.".
"Article 1er. La présente loi a pour objet l'organisation de l'aide médicale urgente.
Il faut entendre par aide médicale urgente, la dispensation immédiate de secours appropriés à toutes les personnes dont l'état de santé par suite d'un accident ou d'une maladie soudaine ou de la complication soudaine d'une maladie requiert une intervention urgente après un appel au système d'appel unifié par lequel sont assurés les secours, le transport et l'accueil dans un service hospitalier adéquat.
Le Roi détermine les modalités de fonctionnement et de gestion de l'aide médicale urgente. Il veille au respect par l'ensemble des intervenants de la conformité de leurs actes à l'objectif de la présente loi.".
Art. 252. Een artikel 4bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
"Art. 4bis. Op verzoek van de aangestelde van het eenvormig oproepstelsel, is het interventieteam van de functie "mobiele urgentiegroep" verplicht zich naar de opgegeven plaats te begeven om er de patiënt dringende medische en verpleegkundige zorgen te verstrekken en indien nodig het toezicht en de verzorging van de patiënt te verzekeren tijdens zijn overbrenging naar het hem opgegeven ziekenhuis, of in de gevallen bepaald door de Koning, naar het meest aangewezen ziekenhuis rekening houdend met de gezondheidstoestand van de patiënt of de patiënten.".
"Art. 4bis. Op verzoek van de aangestelde van het eenvormig oproepstelsel, is het interventieteam van de functie "mobiele urgentiegroep" verplicht zich naar de opgegeven plaats te begeven om er de patiënt dringende medische en verpleegkundige zorgen te verstrekken en indien nodig het toezicht en de verzorging van de patiënt te verzekeren tijdens zijn overbrenging naar het hem opgegeven ziekenhuis, of in de gevallen bepaald door de Koning, naar het meest aangewezen ziekenhuis rekening houdend met de gezondheidstoestand van de patiënt of de patiënten.".
Art. 252. Un article 4bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
"Art. 4bis. Sur demande du préposé du système d'appel unifié, l'équipe d'intervention de la fonction "service mobile d'urgence" est tenue de se rendre à l'endroit indiqué, d'y accomplir les actes médicaux et infirmiers urgents, le cas échéant, la surveillance et les soins au patient lors de son transfert à l'hôpital qui lui est indiqué ou, dans les cas déterminés par le Roi, à l'hôpital le plus adéquat compte tenu de l'état du ou des patients.".
"Art. 4bis. Sur demande du préposé du système d'appel unifié, l'équipe d'intervention de la fonction "service mobile d'urgence" est tenue de se rendre à l'endroit indiqué, d'y accomplir les actes médicaux et infirmiers urgents, le cas échéant, la surveillance et les soins au patient lors de son transfert à l'hôpital qui lui est indiqué ou, dans les cas déterminés par le Roi, à l'hôpital le plus adéquat compte tenu de l'état du ou des patients.".
Art. 253. In artikel 5 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst wordt in het eerste lid het woord "service" vervangen door het woord "système";
2° in het derde lid vervangen de woorden "hun medewerking aan de dringende medische hulpverlening" de woorden "hun medewerking aan het eenvormig oproepstelsel".
1° in de Franse tekst wordt in het eerste lid het woord "service" vervangen door het woord "système";
2° in het derde lid vervangen de woorden "hun medewerking aan de dringende medische hulpverlening" de woorden "hun medewerking aan het eenvormig oproepstelsel".
Art. 253. A l'article 5 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le texte français, à l'alinéa 1er, le mot "système" remplace le mot "service";
2° à l'alinéa 3, les mots "au fonctionnement de l'aide médicale urgente" remplacent les mots "au fonctionnement du système d'appel unifie".
1° dans le texte français, à l'alinéa 1er, le mot "système" remplace le mot "service";
2° à l'alinéa 3, les mots "au fonctionnement de l'aide médicale urgente" remplacent les mots "au fonctionnement du système d'appel unifie".
Art. 254. In artikel 6 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "die indien nodig handelt op verzoek van de arts van het interventieteam van de functie "mobiele urgentiegroep" die zich bij de patiënt of de patiënten bevindt en conform artikel 4bis het meest aangewezen ziekenhuis aanduidt" worden ingevoegd tussen de woorden "eenvormig oproepstelsel" en "is eenieder die verantwoordelijk is";
2° de woorden "op te nemen" worden vervangen door de woorden "op te vangen".
1° de woorden "die indien nodig handelt op verzoek van de arts van het interventieteam van de functie "mobiele urgentiegroep" die zich bij de patiënt of de patiënten bevindt en conform artikel 4bis het meest aangewezen ziekenhuis aanduidt" worden ingevoegd tussen de woorden "eenvormig oproepstelsel" en "is eenieder die verantwoordelijk is";
2° de woorden "op te nemen" worden vervangen door de woorden "op te vangen".
Art. 254. A l'article 6 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "qui répond, le cas échéant, à la demande du médecin de l'équipe d'intervention de la fonction "service mobile d'urgence" qui se trouve auprès du patient et qui, conformément à l'article 4bis, lui désigne l'hôpital le plus adéquat" sont insérés entre les mots "système d'appel unifié" et "toute personne responsable";
2° le mot "admettre" est remplacé par le mot "accueillir".
1° les mots "qui répond, le cas échéant, à la demande du médecin de l'équipe d'intervention de la fonction "service mobile d'urgence" qui se trouve auprès du patient et qui, conformément à l'article 4bis, lui désigne l'hôpital le plus adéquat" sont insérés entre les mots "système d'appel unifié" et "toute personne responsable";
2° le mot "admettre" est remplacé par le mot "accueillir".
Art. 255. In artikel 7 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden "verzekeringsmaatschappijen" vervangen door de woorden "verzekeringsondernemingen";
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 3. Het Fonds voor dringende geneeskundige hulpverlening wordt gestijfd voor 2/3 door de bijdragen van de in § 1 bedoelde ondernemingen en voor 1/3 door een jaarlijkse staatstoelage.".
1° in § 1 worden de woorden "verzekeringsmaatschappijen" vervangen door de woorden "verzekeringsondernemingen";
2° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 3. Het Fonds voor dringende geneeskundige hulpverlening wordt gestijfd voor 2/3 door de bijdragen van de in § 1 bedoelde ondernemingen en voor 1/3 door een jaarlijkse staatstoelage.".
Art. 255. A l'article 7 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, les mots "sociétés d'assurances" sont remplacés par les mots "entreprises d'assurances";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 3. Le Fonds d'aide médicale urgente est alimenté pour 2/3 par les contributions des entreprises visées au § 1er et pour 1/3 par un subside annuel de l'Etat.".
1° dans le § 1er, les mots "sociétés d'assurances" sont remplacés par les mots "entreprises d'assurances";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 3. Le Fonds d'aide médicale urgente est alimenté pour 2/3 par les contributions des entreprises visées au § 1er et pour 1/3 par un subside annuel de l'Etat.".
Art. 256. In artikel 8, 2°, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2°, eerste lid worden de woorden "in artikel 5 en 6 bedoelde vervoerders en ziekenhuizen" vervangen door de woorden "in de artikels 4bis en 5 bedoelde functies "mobiele urgentiegroepen" en ambulancediensten";
2° in 2°, tweede lid, worden de woorden "de vervoerders en ziekenhuizen" vervangen door de woorden "de functies "mobiele urgentiegroepen" en de ambulancediensten".
1° in 2°, eerste lid worden de woorden "in artikel 5 en 6 bedoelde vervoerders en ziekenhuizen" vervangen door de woorden "in de artikels 4bis en 5 bedoelde functies "mobiele urgentiegroepen" en ambulancediensten";
2° in 2°, tweede lid, worden de woorden "de vervoerders en ziekenhuizen" vervangen door de woorden "de functies "mobiele urgentiegroepen" en de ambulancediensten".
Art. 256. A l'article 8, 2°, de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° au 2°, alinéa 1er, les mots "des transporteurs et des hôpitaux, prévus respectivement aux articles 5 et 6" sont remplacés par les mots "des fonctions "services mobiles d'urgence" et des services d'ambulance prévus respectivement aux articles 4biset 5";
2° au 2°, alinéa 2, les mots "les transporteurs et les hôpitaux" sont remplacés par les mots "les fonctions "services mobiles d'urgence" et les services d'ambulance".
1° au 2°, alinéa 1er, les mots "des transporteurs et des hôpitaux, prévus respectivement aux articles 5 et 6" sont remplacés par les mots "des fonctions "services mobiles d'urgence" et des services d'ambulance prévus respectivement aux articles 4biset 5";
2° au 2°, alinéa 2, les mots "les transporteurs et les hôpitaux" sont remplacés par les mots "les fonctions "services mobiles d'urgence" et les services d'ambulance".
Art. 257. In artikel 9, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "vervoerders en ziekenhuizen" vervangen door de woorden "functies "mobiele urgentiegroepen" en ambulancediensten".
Art. 257. Dans l'article 9, alinéa 2, de la même loi, les mots "les transporteurs et hôpitaux" sont remplacés par les mots "les fonctions "services mobiles d'urgence" et services d'ambulance".
Art. 258. In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 maart 1971, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de vervoerders en de ziekenhuizen" vervangen door de woorden "de functies "mobiele urgentiegroepen" en de ambulancediensten";
2° in het tweede lid worden de woorden "de vervoerder of het ziekenhuis" vervangen door de woorden "de functie "mobiele urgentiegroep" of de ambulancedienst".
1° in het eerste lid worden de woorden "de vervoerders en de ziekenhuizen" vervangen door de woorden "de functies "mobiele urgentiegroepen" en de ambulancediensten";
2° in het tweede lid worden de woorden "de vervoerder of het ziekenhuis" vervangen door de woorden "de functie "mobiele urgentiegroep" of de ambulancedienst".
Art. 258. A l'article 10 de la même loi, modifié par la loi du 2 mars 1971, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "transporteurs et hôpitaux" sont remplacés par les mots "les fonctions "services mobiles d'urgence" et les services d'ambulance";
2° dans l'alinéa 2, les mots "le transporteur et l'hôpital" sont remplacés par les mots "la fonction "service mobile d'urgence" et le service d'ambulance".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "transporteurs et hôpitaux" sont remplacés par les mots "les fonctions "services mobiles d'urgence" et les services d'ambulance";
2° dans l'alinéa 2, les mots "le transporteur et l'hôpital" sont remplacés par les mots "la fonction "service mobile d'urgence" et le service d'ambulance".
Art. 259. In artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1994, worden de woorden "50 tot 500 frank" vervangen door de woorden "100 tot 1 000 frank" en worden tussen de woorden "de werking van een ambulancedienst" en "instaan" de woorden "of een mobiele urgentiedienst" ingevoegd.
Art. 259. A l'article 11, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 22 février 1994, les mots "50 à 500 francs" sont remplacés par les mots "100 à 1 000 francs" et les mots "ou d'un service mobile d'urgence" sont insérés entre les mots "le fonctionnement d'un service d'ambulance" et "qui, ayant fait l'objet".
Art. 260. De artikelen 251 tot en met 259 treden in werking op 1 januari 1998.
Art. 260. Les articles 251 à 259 entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
HOOFDSTUK II. - Tegemoetkomingen aan gehandicapten.
CHAPITRE II. - Allocations aux handicapés.
Art. 261. Artikel 4, § 1, 5°, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, ingevoegd door de wet van 20 juli 1991, wordt aangevuld als volgt :
"en in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.".
"en in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.".
Art. 261. L'article 4, § 1er, 5°, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, inséré par la loi du 20 juillet 1991, est complété comme suit :
"et à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.".
"et à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.".
Art. 262. In artikel 11bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
"Nochtans wanneer de ingangsdatum van het recht op de tegemoetkoming vroeger valt dan de datum van indiening van de aanvraag, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan de aanvraag werd ingediend.";
2° in het tweede lid worden de woorden "vierde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
1° in § 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
"Nochtans wanneer de ingangsdatum van het recht op de tegemoetkoming vroeger valt dan de datum van indiening van de aanvraag, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze in de loop waarvan de aanvraag werd ingediend.";
2° in het tweede lid worden de woorden "vierde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
Art. 262. A l'article 11bis, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 juillet 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le § 1er, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"Toutefois, lorsque la date de prise de cours du droit à l'allocation est antérieure à la date d'introduction de la demande, le délai prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "alinéa 4" sont remplacés par les mots "alinéa 5".
1° dans le § 1er, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
"Toutefois, lorsque la date de prise de cours du droit à l'allocation est antérieure à la date d'introduction de la demande, le délai prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.";
2° dans l'alinéa 2, les mots "alinéa 4" sont remplacés par les mots "alinéa 5".
Art. 263. In artikel 16 van dezelfde wet wordt een § 3bis ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3bis. Aan terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen wordt ambtshalve verzaakt, bij het overlijden van diegene aan wie ze werden betaald, indien op dat ogenblik de beslissing tot terugvordering aan betrokkene nog niet werd betekend.
Er wordt evenwel niet ambtshalve verzaakt :
a) in geval van arglist of bedrog;
b) indien er, op het ogenblik van het overlijden van betrokkene, vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen bestaan. In dit geval geschiedt de terugvordering op de vervallen tegemoetkomingen die nog niet werden uitbetaald aan de betrokkene of aan de in artikel 15 beoogde personen;
c) wanneer het terug te vorderen bedrag hoger is dan een door de Koning bepaald bedrag.".
"§ 3bis. Aan terugvordering van ten onrechte uitbetaalde tegemoetkomingen wordt ambtshalve verzaakt, bij het overlijden van diegene aan wie ze werden betaald, indien op dat ogenblik de beslissing tot terugvordering aan betrokkene nog niet werd betekend.
Er wordt evenwel niet ambtshalve verzaakt :
a) in geval van arglist of bedrog;
b) indien er, op het ogenblik van het overlijden van betrokkene, vervallen en nog niet uitbetaalde tegemoetkomingen bestaan. In dit geval geschiedt de terugvordering op de vervallen tegemoetkomingen die nog niet werden uitbetaald aan de betrokkene of aan de in artikel 15 beoogde personen;
c) wanneer het terug te vorderen bedrag hoger is dan een door de Koning bepaald bedrag.".
Art. 263. A l'article 16 de la même loi est inséré un § 3bis, rédigé comme suit :
"§ 3bis. Il est renoncé d'office à la récupération des allocations payées indûment, au décès de celui auquel elles ont été payées si, à ce moment, la décision de récupération n'avait pas encore été notifiée à l'intéressé.
Il n'est toutefois pas renoncé d'office :
a) en cas de dol ou de fraude;
b) si, au moment du décès de l'intéressé, il existe des allocations échues et non encore payées. Dans ce cas la récupération s'effectue sur les allocations échues mais non encore payées à l'intéressé ou aux personnes visées à l'article 15;
c) quand le montant à récupérer est supérieur au montant à déterminer par le Roi.".
"§ 3bis. Il est renoncé d'office à la récupération des allocations payées indûment, au décès de celui auquel elles ont été payées si, à ce moment, la décision de récupération n'avait pas encore été notifiée à l'intéressé.
Il n'est toutefois pas renoncé d'office :
a) en cas de dol ou de fraude;
b) si, au moment du décès de l'intéressé, il existe des allocations échues et non encore payées. Dans ce cas la récupération s'effectue sur les allocations échues mais non encore payées à l'intéressé ou aux personnes visées à l'article 15;
c) quand le montant à récupérer est supérieur au montant à déterminer par le Roi.".
Art. 264. Artikel 18 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
"De zorgverleners dienen alle inlichtingen of documenten mede te delen die nuttig zijn voor de evaluatie van de vermindering van het verdienvermogen en/of het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. De mededeling of het gebruik van deze inlichtingen en documenten zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het medisch geheim.".
"De zorgverleners dienen alle inlichtingen of documenten mede te delen die nuttig zijn voor de evaluatie van de vermindering van het verdienvermogen en/of het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. De mededeling of het gebruik van deze inlichtingen en documenten zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het medisch geheim.".
Art. 264. L'article 18 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
"Les dispensateurs de soins sont tenus de communiquer tous renseignements ou documents utiles à l'évaluation de la réduction de capacité de gain et/ou du manque ou de la réduction d'autonomie. La communication ou l'utilisation de ces renseignements et documents sont subordonnées au respect du secret médical.".
"Les dispensateurs de soins sont tenus de communiquer tous renseignements ou documents utiles à l'évaluation de la réduction de capacité de gain et/ou du manque ou de la réduction d'autonomie. La communication ou l'utilisation de ces renseignements et documents sont subordonnées au respect du secret médical.".
Art. 265. In artikel 19 van dezelfde wet wordt het tweede lid, ingevoegd door het artikel 164 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, het vijfde lid.
Art. 265. Dans l'article 19 de la même loi, l'alinéa 2, inséré par l'article 164 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, devient l'alinéa 5.
Art. 266. In artikel 7 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten wordt een nieuwe § 3 ingevoegd, luidend als volgt :
"§ 3. Wat de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden betreft en in afwijking van § 1, tweede lid, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen volgens welke modaliteiten de grens voor een alleenstaande gerechtigde kan worden toegepast op een samenwonende gerechtigde die bij bloed- of aanverwanten in de eerste of de tweede graad inwoont of gaat inwonen of wanneer dezen bij hem inwonen of gaan inwonen.".
"§ 3. Wat de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden betreft en in afwijking van § 1, tweede lid, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen volgens welke modaliteiten de grens voor een alleenstaande gerechtigde kan worden toegepast op een samenwonende gerechtigde die bij bloed- of aanverwanten in de eerste of de tweede graad inwoont of gaat inwonen of wanneer dezen bij hem inwonen of gaan inwonen.".
Art. 266. Dans l'article 7 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, il est inséré un § 3 nouveau, rédigé comme suit :
"§ 3. En ce qui concerne l'allocation pour l'aide aux personnes âgées, et par dérogation au § 1er, alinéa 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités selon lesquelles le plafond pour un bénéficiaire isolé peut être appliqué au bénéficiaire cohabitant lorsque ce dernier habite ou va habiter chez des parents ou alliés au premier ou au deuxième degré ou lorsque ceux-ci habitent ou vont habiter chez lui.".
"§ 3. En ce qui concerne l'allocation pour l'aide aux personnes âgées, et par dérogation au § 1er, alinéa 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer les modalités selon lesquelles le plafond pour un bénéficiaire isolé peut être appliqué au bénéficiaire cohabitant lorsque ce dernier habite ou va habiter chez des parents ou alliés au premier ou au deuxième degré ou lorsque ceux-ci habitent ou vont habiter chez lui.".
Art. 267. Artikel 13, § 2, eerste volzin van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"§ 2. De inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming kunnen worden verleend bij wijze van voorschot op de respectievelijk in § 1, eerste lid, 1° en 2° bedoelde uitkeringen.".
"§ 2. De inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming kunnen worden verleend bij wijze van voorschot op de respectievelijk in § 1, eerste lid, 1° en 2° bedoelde uitkeringen.".
Art. 267. L'article 13, § 2, première phrase, de la même loi, remplacé par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
"§ 2. L'allocation de remplacement de revenus et l'allocation d'intégration peuvent être accordées à titre d'avance sur les prestations visées respectivement au § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.".
"§ 2. L'allocation de remplacement de revenus et l'allocation d'intégration peuvent être accordées à titre d'avance sur les prestations visées respectivement au § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°.".
Art. 268. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 262 dat in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 262 vastgesteld op 01-02-1999 door KB 1999-01-15/31, art. 20)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 262 vastgesteld op 01-02-1999 door KB 1999-01-15/31, art. 20)
Art. 268. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 262 qui entre en vigueur à une date à fixer par le Roi.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 262 fixée le 01-02-1999 par AR 1999-01-15/31, art. 20)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 262 fixée le 01-02-1999 par AR 1999-01-15/31, art. 20)
HOOFDSTUK III. - Armoede en sociale integratie.
CHAPITRE III. - Pauvreté et intégration sociale.
Art. 269. Het opschrift van afdeling 4 van hoofdstuk IV van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor de werkgelegenheid, wordt vervangen door het volgende opschrift :
"Bestaansminimumgerechtigden en rechthebbenden op financiële maatschappelijke dienstverlening die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister.".
"Bestaansminimumgerechtigden en rechthebbenden op financiële maatschappelijke dienstverlening die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister.".
Art. 269. L'intitulé de la section 4 du chapitre IV de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, est remplacé par l'intitulé suivant :
"Bénéficiaires du minimum de moyens d'existence et bénéficiaires de l'aide sociale financière inscrits au registre de la population.".
"Bénéficiaires du minimum de moyens d'existence et bénéficiaires de l'aide sociale financière inscrits au registre de la population.".
Art. 270. In artikel 33, § 1, van genoemde wet van 22 december 1995, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt het woord "bijkomende" geschrapt.
Art. 270. A l'article 33, § 1er, de la loi du 22 décembre 1995 précitée, modifié par la loi du 29 avril 1996, le mot "supplémentaire" est supprimé.
Art. 271. In artikel 33, § 2, van genoemde wet worden de woorden : "en definieert wat moet verstaan worden onder bijkomende tewerkstelling" geschrapt.
Art. 271. A l'article 33, § 2, de la loi du 22 décembre 1995 précitée, les mots "et définit ce qu'il faut entendre par emploi supplémentaire" sont supprimés.
Art. 272. Artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, wordt aangevuld met een § 5, luidend als volgt :
"§ 5. In afwijking van de algemene bepalingen vervat in de §§ 1 en 3 en in artikel 5, bedraagt het bestaansminimum respectievelijk :
1° 6 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene halftijds verbonden is door een eerste werkervaringscontract;
2° 10 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene verbonden is door een arbeidsovereenkomst in het kader van een doorstromingsprogramma waarvan de uurregeling minstens halftijds is;
3° 12 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene verbonden is door een arbeidsovereenkomst in het kader van een doorstromingsprogramma waarvan de uurregeling minstens drie vierden bedraagt van een voltijdse uurregeling;
4° 17 500 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een halftijdse werktijdregeling voorziet in het kader van een erkende arbeidsplaats in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
5° 22 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een 4/5 werktijdregeling voorziet in het kader van een erkende arbeidsplaats in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
6° 6 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een halftijdse werktijdregeling voorziet en waarvoor de werkgever recht heeft op de vrijstelling van werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen.
De bedragen bedoeld in 2° en 3° worden verhoogd met 2 000 frank indien de betrokkene voor zijn terwerkstelling werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.
Het bedrag van het bestaansminimum bedoeld in voorgaande leden wordt evenwel begrensd tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft.
In het kader van de toegang van de bestaansminimumgerechtigden tot de verschillende tewerkstellingsprogramma's en ter ondersteuning van het tewerkstellingsbeleid ten voordele van bestaansminimumgerechtigden, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, andere bedragen van het bestaansminimum vastleggen en de voorwaarden van toekenning ervan bepalen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, eveneens de in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en voorwaarden aanpassen.
Indien, na toepassing van de bepalingen vervat in voorgaande leden, de betrokkene over inkomsten beschikt waarvan het bedrag lager is dan het bedrag van het bestaansminimum waarop hij recht zou hebben krachtens de algemene bepalingen vervat in de §§ 1 en 3 en in artikel 5, wordt hem een aanvullend bestaansminimum toegekend overeenkomstig deze bepaling.".
"§ 5. In afwijking van de algemene bepalingen vervat in de §§ 1 en 3 en in artikel 5, bedraagt het bestaansminimum respectievelijk :
1° 6 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene halftijds verbonden is door een eerste werkervaringscontract;
2° 10 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene verbonden is door een arbeidsovereenkomst in het kader van een doorstromingsprogramma waarvan de uurregeling minstens halftijds is;
3° 12 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene verbonden is door een arbeidsovereenkomst in het kader van een doorstromingsprogramma waarvan de uurregeling minstens drie vierden bedraagt van een voltijdse uurregeling;
4° 17 500 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een halftijdse werktijdregeling voorziet in het kader van een erkende arbeidsplaats in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
5° 22 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een 4/5 werktijdregeling voorziet in het kader van een erkende arbeidsplaats in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
6° 6 000 frank per kalendermaand indien de betrokkene, gerechtigd op het bestaansminimum, verbonden is door een arbeidsovereenkomst die minstens in een halftijdse werktijdregeling voorziet en waarvoor de werkgever recht heeft op de vrijstelling van werkgeversbijdragen bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen.
De bedragen bedoeld in 2° en 3° worden verhoogd met 2 000 frank indien de betrokkene voor zijn terwerkstelling werkzaamheden heeft uitgevoerd in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.
Het bedrag van het bestaansminimum bedoeld in voorgaande leden wordt evenwel begrensd tot het nettoloon waarop de werknemer voor de betreffende kalendermaand recht heeft.
In het kader van de toegang van de bestaansminimumgerechtigden tot de verschillende tewerkstellingsprogramma's en ter ondersteuning van het tewerkstellingsbeleid ten voordele van bestaansminimumgerechtigden, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, andere bedragen van het bestaansminimum vastleggen en de voorwaarden van toekenning ervan bepalen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, eveneens de in het eerste en tweede lid vermelde bedragen en voorwaarden aanpassen.
Indien, na toepassing van de bepalingen vervat in voorgaande leden, de betrokkene over inkomsten beschikt waarvan het bedrag lager is dan het bedrag van het bestaansminimum waarop hij recht zou hebben krachtens de algemene bepalingen vervat in de §§ 1 en 3 en in artikel 5, wordt hem een aanvullend bestaansminimum toegekend overeenkomstig deze bepaling.".
Art. 272. L'article 2 de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est complété par un § 5, rédigé comme suit :
"§ 5. Par dérogation aux dispositions générales contenues aux §§ 1er et 3 et à l'article 5, le minimum de moyens d'existence s'élève respectivement à :
1° 6 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de première expérience professionnelle à mi-temps;
2° 10 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de travail dans un programme de transition professionnelle dont le régime de travail est au moins à mi-temps;
3° 12 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de travail dans un programme de transition professionnelle dont le régime de travail comprend au moins trois quarts d'un horaire à temps plein;
4° 17 500 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à mi-temps dans le cadre d'un poste de travail reconnu au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
5° 22 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à 4/5e temps dans le cadre d'un poste de travail reconnu au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
6° 6 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à mi-temps et pour lequel l'employeur a droit à la dispense des cotisations patronales visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales.
Les montants visés au 2° et au 3° sont augmentés de 2 000 francs lorsque l'intéressé a effectué précédemment à son engagement des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi.
Le montant du minimum de moyens d'existence visé aux alinéas précédents est toutefois limité au salaire net auquel le travailleur a droit pour le mois calendrier concerné.
Dans le cadre de l'accession des bénéficiaires du minimum de moyens d'existence aux différents programmes pour l'emploi et en vue de soutenir la politique de l'emploi en faveur des minimexés, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer d'autres montants du minimum de moyens d'existence et en déterminer les conditions d'octroi. Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les montants et les conditions mentionnés aux alinéas 1er et 2.
Si, après application des dispositions contenues aux alinéas précédents, l'intéressé dispose de ressources d'un montant inférieur au montant du minimum de moyens d'existence auquel il pourrait prétendre en vertu des dispositions générales contenues aux §§ 1er et 3 et à l'article 5, un complément de minimum de moyens d'existence lui est octroyé conformément à ces dispositions.".
"§ 5. Par dérogation aux dispositions générales contenues aux §§ 1er et 3 et à l'article 5, le minimum de moyens d'existence s'élève respectivement à :
1° 6 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de première expérience professionnelle à mi-temps;
2° 10 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de travail dans un programme de transition professionnelle dont le régime de travail est au moins à mi-temps;
3° 12 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé est lié par un contrat de travail dans un programme de transition professionnelle dont le régime de travail comprend au moins trois quarts d'un horaire à temps plein;
4° 17 500 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à mi-temps dans le cadre d'un poste de travail reconnu au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
5° 22 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à 4/5e temps dans le cadre d'un poste de travail reconnu au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
6° 6 000 francs par mois calendrier lorsque l'intéressé, bénéficiaire du minimum de moyens d'existence est lié par un contrat de travail qui prévoit un horaire de travail au moins à mi-temps et pour lequel l'employeur a droit à la dispense des cotisations patronales visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 décembre 1994 portant exécution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales.
Les montants visés au 2° et au 3° sont augmentés de 2 000 francs lorsque l'intéressé a effectué précédemment à son engagement des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi.
Le montant du minimum de moyens d'existence visé aux alinéas précédents est toutefois limité au salaire net auquel le travailleur a droit pour le mois calendrier concerné.
Dans le cadre de l'accession des bénéficiaires du minimum de moyens d'existence aux différents programmes pour l'emploi et en vue de soutenir la politique de l'emploi en faveur des minimexés, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer d'autres montants du minimum de moyens d'existence et en déterminer les conditions d'octroi. Le Roi peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les montants et les conditions mentionnés aux alinéas 1er et 2.
Si, après application des dispositions contenues aux alinéas précédents, l'intéressé dispose de ressources d'un montant inférieur au montant du minimum de moyens d'existence auquel il pourrait prétendre en vertu des dispositions générales contenues aux §§ 1er et 3 et à l'article 5, un complément de minimum de moyens d'existence lui est octroyé conformément à ces dispositions.".
Art. 273. Artikel 18, § 4 van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Een toelage blijft verschuldigd aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wanneer het centrum, met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, voor een bestaansminimumgerechtigde een overeenkomst inzake tewerkstelling sluit met een privéonderneming.
Deze toelage moet volledig besteed worden aan de omkadering in de onderneming of binnen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn en aan de vorming van de rechthebbenden bedoeld in het eerste lid.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de hoogte van de in het tweede lid bedoelde toelage, evenals de voorwaarden, de duur en de modaliteiten waaronder deze toelage wordt toegekend.".
"Een toelage blijft verschuldigd aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn wanneer het centrum, met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, voor een bestaansminimumgerechtigde een overeenkomst inzake tewerkstelling sluit met een privéonderneming.
Deze toelage moet volledig besteed worden aan de omkadering in de onderneming of binnen het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn en aan de vorming van de rechthebbenden bedoeld in het eerste lid.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de hoogte van de in het tweede lid bedoelde toelage, evenals de voorwaarden, de duur en de modaliteiten waaronder deze toelage wordt toegekend.".
Art. 273. L'article 18, § 4 de la même loi, est complété par les alinéas suivants :
"Une subvention reste due au Centre Public d'Aide Sociale lorsque le centre conclut pour un bénéficiaire d'un minimum de moyens d'existence une convention en matière de mise au travail avec une entreprise privée, en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 organique des Centres Publics d'Aide Sociale.
Cette subvention doit être entièrement consacrée à l'encadrement dans l'entreprise ou au sein du Centre Public d'Aide Sociale et à la formation des bénéficiaires visé à l'alinéa 1er.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la subvention visée à l'alinéa 2, de même que les conditions, la durée et les modalités selon lesquelles cette subvention est accordée.".
"Une subvention reste due au Centre Public d'Aide Sociale lorsque le centre conclut pour un bénéficiaire d'un minimum de moyens d'existence une convention en matière de mise au travail avec une entreprise privée, en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 organique des Centres Publics d'Aide Sociale.
Cette subvention doit être entièrement consacrée à l'encadrement dans l'entreprise ou au sein du Centre Public d'Aide Sociale et à la formation des bénéficiaires visé à l'alinéa 1er.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la subvention visée à l'alinéa 2, de même que les conditions, la durée et les modalités selon lesquelles cette subvention est accordée.".
Art. 274. Artikel 18, § 5, van dezelfde wet, wordt aangevuld met het volgend lid :
"De toelage bedraagt 100 % wanneer het bestaansminimum wordt toegekend met toepassing van artikel 2, § 5.".
"De toelage bedraagt 100 % wanneer het bestaansminimum wordt toegekend met toepassing van artikel 2, § 5.".
Art. 274. L'article 18, § 5, de la même loi, est complété par l'alinéa suivant :
"La subvention est égale à 100 % lorsque le minimum de moyens d'existence est octroyé en application de l'article 2, § 5.".
"La subvention est égale à 100 % lorsque le minimum de moyens d'existence est octroyé en application de l'article 2, § 5.".
Art. 275. Artikel 5, § 4, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, wordt aangevuld met het volgend lid :
"De toelage bedraagt 100 % van de kosten van de bijstand verleend aan de behoeftige bedoeld in voorgaand lid wanneer de bijstand verleend wordt onder dezelfde voorwaarden die worden opgesomd in artikel 2, § 5, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.".
"De toelage bedraagt 100 % van de kosten van de bijstand verleend aan de behoeftige bedoeld in voorgaand lid wanneer de bijstand verleend wordt onder dezelfde voorwaarden die worden opgesomd in artikel 2, § 5, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.".
Art. 275. L'article 5, § 4, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les Centres Publics d'Aide Sociale, est complété par l'alinéa suivant :
"La subvention est égale à 100 % du montant des frais de l'assistance accordée à l'indigent visé à l'alinéa précédent lorsque l'assistance est octroyée dans les mêmes conditions que celles énumérées à l'article 2, § 5, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.".
"La subvention est égale à 100 % du montant des frais de l'assistance accordée à l'indigent visé à l'alinéa précédent lorsque l'assistance est octroyée dans les mêmes conditions que celles énumérées à l'article 2, § 5, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence.".
Art. 276. Artikel 60, § 7 van de wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, wordt vervangen door volgende tekst :
"§ 7. Wanneer een persoon het bewijs moet leveren van een periode van tewerkstelling om het volledig voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te bekomen, neemt het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn alle maatregelen om hem een betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.
In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk XII van deze wet of een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid.".
"§ 7. Wanneer een persoon het bewijs moet leveren van een periode van tewerkstelling om het volledig voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te bekomen, neemt het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn alle maatregelen om hem een betrekking te bezorgen. In voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.
In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, vennootschappen met een sociaal oogmerk zoals bedoeld in artikel 164bis van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, een ander Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk XII van deze wet of een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid.".
Art. 276. L'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 relative aux Centres Publics d'Aide Sociale, est remplacé par le texte suivant :
"§ 7. Lorsqu'une personne doit justifier d'une période de travail pour obtenir le bénéfice complet de certaines allocations sociales, le Centre Public d'Aide Sociale prend toutes dispositions de nature à lui procurer un emploi. Le cas échéant il fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée.
Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engages dans les liens d'un contrat de travail par les Centres Publics d'Aide Sociale, en application du présent paragraphe, peuvent être mis par ces centres à la disposition de communes, d'associations sans but lucratif, ou d'intercommunales à but social, culturel ou écologique, des sociétés à finalité sociale, telles que visées à l'article 164bisdes lois coordonnées sur les sociétés commerciales, d'un autre Centre Public d'Aide Sociale, d'une association au sens du chapitre XII de la présente loi ou d'un hôpital public, affilié de plein droit à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou à l'Office national de sécurité sociale.".
"§ 7. Lorsqu'une personne doit justifier d'une période de travail pour obtenir le bénéfice complet de certaines allocations sociales, le Centre Public d'Aide Sociale prend toutes dispositions de nature à lui procurer un emploi. Le cas échéant il fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée.
Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engages dans les liens d'un contrat de travail par les Centres Publics d'Aide Sociale, en application du présent paragraphe, peuvent être mis par ces centres à la disposition de communes, d'associations sans but lucratif, ou d'intercommunales à but social, culturel ou écologique, des sociétés à finalité sociale, telles que visées à l'article 164bisdes lois coordonnées sur les sociétés commerciales, d'un autre Centre Public d'Aide Sociale, d'une association au sens du chapitre XII de la présente loi ou d'un hôpital public, affilié de plein droit à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou à l'Office national de sécurité sociale.".
Art. 277. Artikel 5, § 2, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, wordt aangevuld als volgt :
"e) de premies en toelagen van de Gewesten voor verhuizing, installatie en huur die aan betrokkene worden toegekend".
"e) de premies en toelagen van de Gewesten voor verhuizing, installatie en huur die aan betrokkene worden toegekend".
Art. 277. L'article 5 § 2, alinéa 1er, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, est complété comme suit :
"e) des primes et allocations régionales de déménagement, d'installation et de loyer accordées à l'intéressé".
"e) des primes et allocations régionales de déménagement, d'installation et de loyer accordées à l'intéressé".
Art. 278. De artikelen 269 tot 276 treden in werking op 1 januari 1998.
Art. 278. Les articles 269 à 276 entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
Art. 279. Artikel 58 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, gewijzigd bij de wet van 5 augustus 1992, wordt opgeheven.
Art. 279. L'article 58 de la loi organique du 8 juillet 1976 sur les Centres Publics d'Aide Sociale, modifiée par la loi du 5 août 1992, est abrogé.
Art. 280. Artikel 18, § 7, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, gewijzigd bij de wet van 12 januari 1993 wordt aangevuld met het volgende lid :
"In afwijking van de bepalingen van de artikelen 28, tweede lid, en 57 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, worden de aan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn te veel gestorte bedragen van de toelagen, die betrekking hebben op jaren die aan het lopend jaar voorafgaan, beschouwd als een voorschot op de toelage voor het lopend jaar.".
"In afwijking van de bepalingen van de artikelen 28, tweede lid, en 57 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, worden de aan de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn te veel gestorte bedragen van de toelagen, die betrekking hebben op jaren die aan het lopend jaar voorafgaan, beschouwd als een voorschot op de toelage voor het lopend jaar.".
Art. 280. L'article 18, § 7, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, modifié par la loi du 12 janvier 1993 est complété par l'alinéa suivant :
"Par dérogation aux dispositions des articles 28, alinéa 2, et 57 de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la comptabilité de l'Etat, les montants des subventions versés en trop aux Centres Publics d'Aide Sociale et relatifs à des années antérieures à l'année en cours sont considérés comme avance sur la subvention de l'année courante.".
"Par dérogation aux dispositions des articles 28, alinéa 2, et 57 de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la comptabilité de l'Etat, les montants des subventions versés en trop aux Centres Publics d'Aide Sociale et relatifs à des années antérieures à l'année en cours sont considérés comme avance sur la subvention de l'année courante.".
Art. 281. Binnen de grenzen van de daarvoor op de begroting van zijn departement uitgetrokken kredieten, mag de Minister, tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, jaarlijks een toelage toekennen aan het Nationaal Centrum ter voorkoming en behandeling van intoxicaties, gezegd "Antigifcentrum". De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke voormelde toelage wordt toegekend.
Art. 281. Dans la limite des crédits inscrits au budget de son département, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, peut accorder une subvention annuelle au centre national de prévention et de traitement des intoxications, dit "Centre Antipoisons". Le Roi détermine les modalités suivant lesquelles cette subvention est octroyée.
Art. 282. § 1. Het Fonds voor de aanschaf voor rekening van de agglomeraties, intercommunales en de gemeenten van materiaal voor uitrusting van de brandweerdiensten wordt afgeschaft.
De beschikbare middelen op 1 januari 1997 worden van bestemming veranderd en gevoegd bij de algemene middelen van de Schatkist.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt de rubriek 13-3 geschrapt.
De beschikbare middelen op 1 januari 1997 worden van bestemming veranderd en gevoegd bij de algemene middelen van de Schatkist.
§ 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt de rubriek 13-3 geschrapt.
Art. 282. § 1er. Le Fonds d'acquisition pour compte des agglomérations, intercommunales et communes de matériel pour l'équipement des services d'incendie est supprimé.
Les moyens disponibles au 1er janvier 1997 sont désaffectés et ajoutés aux ressources générales du Trésor.
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990, la rubrique 13-3 est supprimée.
Les moyens disponibles au 1er janvier 1997 sont désaffectés et ajoutés aux ressources générales du Trésor.
§ 2. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990, la rubrique 13-3 est supprimée.
Art. 283. Er wordt met ingang van 1 januari 1998 een bijdrage geheven ten bedrage van 10 % op het bedrag van de premie van de bijzondere aansprakelijkheidsverzekering, af te sluiten door de organisatoren van sportwedstrijden en sportcompetities voor motorvoertuigen die geheel of gedeeltelijk op de openbare weg plaatshebben. Deze bijdrage, ten laste van de organisatoren, wordt door dezen gestort op een rekening van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en toegevoegd aan de algemene middelen van de Schatkist.
Het voorafgaandelijk en schriftelijk verlof van de burgemeesters van de gemeenten op wiens grondgebied de sportwedstrijden of sportcompetities worden georganiseerd, zoals bepaald in artikel 9 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 16 maart 1968, maakt melding van de bepaling van het eerste lid van dit artikel.
Het voorafgaandelijk en schriftelijk verlof van de burgemeesters van de gemeenten op wiens grondgebied de sportwedstrijden of sportcompetities worden georganiseerd, zoals bepaald in artikel 9 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 16 maart 1968, maakt melding van de bepaling van het eerste lid van dit artikel.
Art. 283. A partir du 1er janvier 1998 une contribution sera perçue à concurrence de 10 % du montant de la prime de l'assurance de la responsabilité civile particulière à conclure par les organisateurs d'épreuves et de compétitions sportives pour véhicules à moteur, disputées en totalité ou en partie sur la voie publique. Cette contribution, à charge des organisateurs, doit être versée sur un compte du Ministère de l'Intérieur et ajoutée aux ressources générales du Trésor.
L'autorisation préalable et écrite des bourgmestres des communes sur le territoire desquelles ces épreuves ou compétitions ont lieu, tel que déterminées à l'article 9 de la loi sur la police de la circulation routière, coordonnée par l'arrêté royal du 16 mars 1968, fait mention de la disposition de l'alinéa 1er du présent article.
L'autorisation préalable et écrite des bourgmestres des communes sur le territoire desquelles ces épreuves ou compétitions ont lieu, tel que déterminées à l'article 9 de la loi sur la police de la circulation routière, coordonnée par l'arrêté royal du 16 mars 1968, fait mention de la disposition de l'alinéa 1er du présent article.
Art. 284. Hoofdstuk VI van Titel II, "Eindejaarstoelage", van de programmawet van... houdende diverse bepalingen, is van toepassing op de instellingen van openbaar nut van categorie B en D bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en die onder het gezag, de controle of de voogdijbevoegdheid vallen van de Staat.
Het is eveneens toepasselijk op de personeelsleden van de openbare instellingen van sociale zekerheid die bedoeld zijn bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Het is eveneens toepasselijk op de personeelsleden van de openbare instellingen van sociale zekerheid die bedoeld zijn bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Art. 284. Le chapitre VI du Titre II, "De l'allocation de fin d'année", de la loi-programme du... portant des dispositions diverses, est applicable aux membres du personnel des organismes d'intérêt public des catégories B et D visés à l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public qui sont soumis à l'autorité, au pouvoir de contrôle ou de tutelle de l'Etat.
Il est également applicable aux membres du personnel des institutions publiques de sécurité sociale visées par l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Il est également applicable aux membres du personnel des institutions publiques de sécurité sociale visées par l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.