Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
17 NOVEMBER 1998. - Omzendbrief nr. 469. - Mobiliteitsreglementering.
Titre
17 NOVEMBRE 1998. - Circulaire n° 469. - Réglementation de la mobilité.
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel M. (Om technische redenen, wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikel : M1 - M3).
Article M. (Pour des raisons techniques, cette circulaire a été subdivisée en articles fictifs : M1 - M3).
Art. M1. I. Toepassingsgebied.
  I. 1. Betrokken overheidsdiensten.
  Het koninklijk besluit van 16 juli 1998 regelt de mobiliteit tussen de verschillende overheidsdiensten op federaal niveau : de ministeries, de wetenschappelijke inrichtingen (opgenomen onder de benaming "andere diensten van de ministeries"), de instellingen van openbaar nut en de andere overheidsdiensten die vermeld zijn in artikel 1 van het besluit.
  I. 2. Betrokken personeelsleden.
  Zijn onderworpen aan de regelgeving inzake vrijwillige en ambtshalve mobiliteit, de vastbenoemde personeelsleden, met uitzondering van :
  - de ambtenaren van de buitenlandse carrières van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;
  - de leden van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke inrichtingen;
  - de personeelsleden die behoren tot de secretariaten van de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Hoge Raad voor de Middenstand, op wie het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel niet geheel of gedeeltelijk toepasselijk is gemaakt.
  De stagiairs vallen uitsluitend onder de toepassing van de ambtshalve mobiliteit.
  Opgemerkt moet worden dat voor de stagiairs van niveau 1 een in ambtshalve mobiliteitstelling verschillend is van een wijziging van affectatie gedurende de stage.
Art. M1. I. Champ d'application.
  I. 1. Services publics concernés.
  L'arrêté royal du 16 juillet 1998 règle la mobilité entre les différents services publics au niveau fédéral : les ministères, les établissements scientifiques (repris sous l'appellation " autres services des ministères "), les organismes d'intérêt public et les autres services publics cités à l'article 1er dudit arrêté.
  I. 2. Membres du personnel concernés.
  Sont concernés par les mesures de mobilité volontaire et d'office, les membres du personnel nommés à titre définitif, à l'exception :
  - des agents des carrières extérieures du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération au développement;
  - des membres du personnel scientifique des établissements scientifiques;
  - des membres du personnel appartenant aux secrétariats du Conseil national du Travail, du Conseil central de l'Economie et du Conseil supérieur des Classes moyennes, auxquels l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat n'a pas été rendu applicable en tout ou en partie.
  Les stagiaires sont exclusivement soumis au régime de mobilité d'office.
  Il est à noter que, pour les stagiaires de niveau 1, une mesure de mobilité d'office est étrangère à un changement d'affectation pendant le stage.
Art. M2. II. De vrijwillige mobiliteit.
  Onder vrijwillige mobiliteit dient te worden verstaan de overplaatsing op vrijwillige basis van een ambtenaar van een overheidsdienst naar een andere overheidsdienst.
  II. 1. Grondregels.
  De overplaatsing wordt gevraagd door de ambtenaar en gebeurt ofwel naar een vacant verklaarde betrekking van dezelfde graad of dezelfde rang als die van de ambtenaar, ofwel naar een vacant verklaarde betrekking in een graad waarvoor de ambtenaar geslaagd is in een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau of in een examen voor verhoging in graad.
  De datum van inwerkingtreding van deze laatste mogelijkheid moet nog worden vastgesteld door de Koning.
  Om overgeplaatst te worden moet de ambtenaar houder zijn van het vereiste diploma en geslaagd zijn voor de geschiktheidstest indien die vereist worden door het organiek reglement van de overheidsdienst waarheen de overplaatsing gevraagd wordt. Overeenkomstig artikel 15 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken moet de ambtenaar in voorkomend geval voldoen aan de beroepskwalificaties die eventueel vereist zijn door de aard van de betrekking.
  De personeelsleden die aangeworven zijn volgens een bijzondere benoemingswijze of die een eerste benoeming hebben genoten worden van het voordeel van de vrijwillige mobiliteit uitgesloten tijdens de eerste negen jaren die volgen op hun aanwerving of hun benoeming.
  Onder bijzondere benoemingswijze moet worden verstaan elke wijze die afwijkt van de algemene voorwaarden tot werving van het rijkspersoneel, nl. :
  1° de toelaatbaarheidsvereisten vervullen die voor de te begeven betrekking zijn opgelegd;
  2° bij het Vast Wervingssecretariaat slagen voor het voorgeschreven vergelijkend wervingsexamen;
  3° met goed gevolg de stage hebben volbracht.
  Onder eerste benoeming moet worden verstaan elke wijze van benoeming die op bepalingen berust welke afwijken van het statuut.
  Enkel de ambtenaren die de voorwaarden vervullen welke vastgesteld zijn in artikel 4 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 kunnen geldig een overplaatsingsaanvraag indienen. Eén van deze voorwaarden is dat de ambtenaar zich in een administratieve stand moet bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden.
  In de volgende situaties :
  - schorsing in het belang van de dienst,
  - tuchtschorsing,
  - disponibiliteit door ambtsontheffing in het belang van de dienst,
  - verlof wegens opdracht waarvan het karakter van algemeen belang niet is erkend,
  - disponibiliteit voor persoonlijke aangelegenheden (zoals die later zal worden vervangen door de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden),
  kan een ambtenaar zijn aanspraken op bevordering niet laten gelden en kan hij dus niet geldig een aanvraag tot vrijwillige mobiliteit indienen.
  II. 2. Beschrijving van de procedure.
  De ambtenaar kan bij de Dienst Mobiliteit alle nuttige inlichtingen over de mobiliteitsmogelijkheden verkrijgen (procedure, lijst met vacante betrekkingen, ...).
  De te volgen procedure kan als volgt worden geschetst :
  1. de ambtenaar wendt zich tot zijn personeelsdienst om het door die dienst behoorlijk ingevulde formulier voor een overplaatsingsaanvraag te verkrijgen (bijlage 1 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998).
  Het bestuur mag niet weigeren dit formulier in te vullen;
  2. de ambtenaar vult het voor hem bestemde gedeelte van dit formulier in en dient, per aangetekende brief, bij de overheidsdienst van zijn keuze een kandidatuur in door middel van het genoemde formulier.
  Het aantal kandidaturen is niet beperkt. Zij blijven geldig gedurende twaalf maanden en zijn hernieuwbaar.
  Een afschrift van het formulier tot aanvraag om overplaatsing moet, per gewone brief, worden toegestuurd aan de Dienst Mobiliteit en aan het bestuur waar de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
  3. binnen drie maanden na het indienen van een overplaatsingsaanvraag wordt de kandidatuur onderzocht, naargelang van het niveau van de ambtenaar, hetzij door de Directieraad, hetzij door de leidende ambtenaar van de gekozen overheidsdienst;
  4. op grond van de functiebeschrijving van de te begeven betrekking wordt de kandidatuur op gemotiveerde wijze hetzij aangenomen, hetzij verworpen.
  Een afschrift van de genomen beslissing moet aan de Dienst Mobiliteit worden verzonden.
  De weerhouden kandidaturen worden opgenomen in een mobiliteitsreserve.
  Wanneer de bevoegde overheid nalaat de kandidatuur te onderzoeken binnen de haar toegemeten termijn, wordt het advies over de kandidaatstelling geacht gunstig te zijn en wordt de kandidaat in de mobiliteitsreserve opgenomen;
  5. wanneer de bevoegde overheid de beslissing neemt in de vacante betrekking te voorzien, roept zij de kandidaat die het best aan de vereisten van de functie beantwoordt op voor een proefperiode van drie maanden.
  De Dienst Mobiliteit moet door het bestuur op de hoogte worden gebracht van de datum waarop de ambtenaar de proefperiode aanvangt;
  6. bij het verstrijken van de proefperiode wordt de kandidatuur :
  - hetzij definitief aanvaard; de bevoegde overheid vaardigt een overplaatsingsbesluit uit dat in het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt;
  - hetzij op gemotiveerde wijze geweigerd; de kandidaat wordt opnieuw opgenomen in zijn bestuur van herkomst.
  Een afschrift van de genomen beslissing wordt aan de Dienst Mobiliteit toegestuurd.
  II. 3. Verduidelijkingen.
  A. Diverse prioriteiten.
  Met toepassing van artikel 6bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, wanneer er op verschillende wijzen in een graad kan worden benoemd en er geen enkele bepaling een bepaalde wijze voorschrijft, kiest de bevoegde overheid de wijze van toekenning van een vacante betrekking : bij werving, bij mutatie, bij bevordering of bij mobiliteit.
  Het koninklijk besluit van 16 juli 1998 stelt evenwel sommige prioriteiten tussen de verscheidene wijzen van toekenning vast.
  Aldus :
  1. heeft overeenkomstig artikel 28, § 1, van het genoemde besluit, de ambtshalve mobiliteit voorrang op de vrijwillige mobiliteit en de werving;
  2. heeft, overeenkomstig artikel 10, § 1, van het genoemde besluit, in een wervingsgraad de vrijwillige mobiliteit voorrang op de werving.
  Het toezicht op deze voorrangsregeling wordt uitgeoefend door de inspecteur van Financiën, de afgevaardigde van de Minister van Financiën of de regeringscommissaris die, vooraleer een wervingsmachtiging te viseren, moet nagaan of er zich in de mobiliteitsreserve geen voor de betrekking geschikte kandidaten meer bevinden. Daartoe dient hij van de Dienst Mobiliteit een attest te bekomen dat bevestigt dat geen enkele kandidatuur tot de vrijwillige mobiliteit werd aanvaard voor de te begeven betrekking.
  Sinds de inwerkingtreding van de wet van 20 mei 1997 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken bestaat er geen voorrang meer van de vrijwillige mobiliteit op de werving in de gevallen voorzien in de artikelen 17 en 33 van deze wet : de contractuele personeelsleden, personeelsleden "enig statuut" genoemd, in dienst op 1 januari 1996, genieten een voorrang op de mobiliteit voor het bezetten van een vacante betrekking;
  3. in de bevorderingsgraden kiest de bevoegde overheid de wijze van toekenning van de vacante betrekking : bij bevordering of bij mobiliteit.
  Niettemin, overeenkomstig artikel 10, § 2, van het bovengenoemde besluit, mag de overplaatsing de geslaagden voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau of voor een examen voor verhoging in graad of voor verhoging in weddeschaal niet benadelen. In deze context moet voorrang verleend worden aan de ambtenaren in hun eigen bestuur.
  Op te merken valt dat geen enkele prioriteit wordt vastgesteld tussen de vrijwillige mobiliteit en de interne mutatie. De overheid kiest, met toepassing van artikel 6bis van het reeds aangehaalde koninklijk besluit van 2 oktober 1937, de ambtenaar die het best beantwoordt aan de vereisten van de uit te oefenen functie.
  B. De geldelijke toestand.
  Overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 wil de algemene regel dat de overplaatsing zou gebeuren naar een vacant verklaarde betrekking met dezelfde weddeschaal als die waarvan het personeelslid titularis is. Alsdan behoudt de ambtenaar het voordeel van zijn weddeschaal.
  Wanneer er geen vacant verklaarde betrekking voorhanden is in de weddeschaal waarvan de ambtenaar titularis is kan overeenkomstig de tweede paragraaf, tweede alinea van voornoemd artikel, mits toestemming van de betrokkene, de overplaatsing gebeuren naar een vacant verklaarde betrekking van een lagere weddeschaal dan die waarvan de ambtenaar titularis is.
  Overeenkomstig artikel 27, § 4 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries bekomt de ambtenaar, die voor deze oplossing kiest, in zijn nieuwe betrekking nooit een lagere wedde dan die welke hij geniet. Deze ambtenaar wordt in zijn wedde geblokkeerd, d.w.z. dat hem geen tussentijdse verhogingen meer worden toegekend zolang de wedde die aan zijn nieuwe betrekking verbonden is niet op gelijke hoogte is gekomen van zijn huidige wedde. De bevoegde overheid moet de ambtenaar informeren over de duur van de eventuele blokkering van zijn wedde.
  Praktisch gezien wordt de ambtenaar administratief geaffecteerd op een vacante betrekking in een lagere weddeschaal dan die waarvan hij titularis is en dient hem de eerstvolgende vacant verklaarde betrekking in de weddeschaal waarvan hij titularis is te worden toegewezen.
  Wanneer de overplaatsing binnen eenzelfde rang een verandering van weddeschaalloopbaan impliceert, moet een omzetting tussen de ontwikkelingen van de twee, bijzondere of gemene, loopbanen vastgelegd worden om de weddeschaal van de ambtenaar in zijn nieuwe loopbaan te situeren.
  Indien er een vacant verklaarde betrekking bestaat in de weddeschaal van "omzetting" verbonden aan de nieuwe graad, verkrijgt de ambtenaar deze weddeschaal in de graad waarin hij is overgeplaatst.
  In het tegenovergestelde geval kan de ambtenaar worden overgeplaatst naar een vacant verklaarde betrekking bekleed met een lagere weddeschaal dan zijn schaal van "omzetting" en dit volgens de hiervoren vermelde regels.
  Het vastleggen van de omzetting wordt gevraagd aan de Dienst van Algemeen Bestuur.
  Overeenkomstig paragraaf 2, derde lid van hetzelfde artikel 12 kan een overplaatsing geen aanleiding geven tot een bevordering door verhoging in weddeschaal verbonden aan de vacante betrekking.
  Overeenkomstig paragraaf 2, vierde lid van het genoemde artikel, is een overgeplaatste ambtenaar niet meer onderworpen aan de statutaire en geldelijke bepalingen die in zijn overheidsdienst van herkomst op hem van toepassing waren. Deze overheidsdienst blijft evenwel verplicht de totale begrotingslast uit te betalen die betrekking heeft op de periode waarin de ambtenaar er zijn diensten heeft verricht.
  C. De proefperiode.
  Overeenkomstig artikel 9, paragraaf 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 wordt deze periode gelijkgesteld met een verlof voor stage. Dit verlof wordt niet bezoldigd door het bestuur van de ambtenaar. De proefperiode valt inderdaad budgettair ten laste van de overheidsdienst waarin de ambtenaar zijn diensten tijdens deze periode verricht. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, de kinderbijslag, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage worden door deze overheidsdienst betaald naar verhouding met de duur van de proefperiode.
  Gedurende deze periode ontvangt de ambtenaar de wedde verbonden aan de betrekking waarvoor hij zich heeft kandidaat gesteld. Ingeval van overgang naar het hogere niveau dient de ontvangen wedde niet te worden terugbetaald door de ambtenaar wanneer de proefperiode voortijdig wordt beëindigd of wanneer de proefperiode ongunstig wordt beoordeeld.
  Om tot een degelijke evaluatie te komen van de kandidaat en overeenkomstig de reglementering op de stage, moet de proefperiode voltijds worden doorlopen.
  Overeenkomstig paragraaf 4 van het bovenvermelde artikel kunnen zowel de ambtenaar als het bestuur een proefperiode beëindigen voor het verstrijken ervan. Wanneer het bestuur beslist een proefperiode te beëindigen moet het uitvoerig uiteenzetten aan welke eisen van de te begeven functie de betrokkene tekort is geschoten en moet het hem vooraf horen over de feiten die aan deze beslissing ten grondslag liggen.
  Wanneer de overplaatsing gebeurt naar een vacant verklaarde betrekking in een graad waarvoor de ambtenaar geslaagd is in een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, wordt hij, na het beëindigen van de proefperiode, in zijn nieuwe graad met terugwerkende kracht benoemd op de aanvangsdatum van de proefperiode.
  D. Gevolgen van de overplaatsing voor :
  1. de administratieve loopbaan van de ambtenaar.
  Het feit dat hij een overplaatsing via vrijwillige of ambtshalve mobiliteit verkrijgt mag de ambtenaar geen nadeel berokkenen voor de verdere afwikkeling van zijn loopbaan.
  Van bij de inwerkingtreding van het besluit tot overplaatsing van een ambtenaar dient hij voor de verdere afwikkeling van zijn loopbaan te worden gerangschikt volgens de passende artikelen van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel;
  2. De arbeidsregeling.
  Loopbaanonderbreking, deeltijdse arbeid, ...).
  Aangezien de proefperiode van drie maanden voltijds dient te worden verricht, moet de ambtenaar die vooraf :
  - een verlof wegens opdracht van algemeen belang,
  - een disponibiliteit voor persoonlijke aangelegenheden (zoals die later zal worden vervangen door de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden),
  - een verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan,
  - een verlof wegens verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden,
  - een verlof voor verminderde prestaties gewettigd door sociale of familiale redenen (zoals het later zal worden vervangen door het systeem van de deeltijdse loopbaanonderbreking),
  - de vrijwillige vierdagenweek,
  heeft verkregen, er met naleving van de vastgestelde bepalingen een einde aan maken. Aan te stippen valt dat de te geven opzeg in deze verschillende systemen ten hoogste drie maanden bedraagt en dat de betrokken reglementeringen bepalen dat de opzeggingstermijn met instemming van het bestuur kan worden verminderd.
  Het bestuur waarbij de proefperiode moet worden verricht moet rekening houden met de opgelegde opzeggingstermijnen.
  Van bij de overplaatsing kan de ambtenaar bij zijn nieuwe overheidsdienst een aanvraag voor een bijzondere arbeidsregeling indienen.
Art. M2. II. La mobilité volontaire.
  Par mobilité volontaire, il y a lieu d'entendre le transfert sur base volontaire d'un agent d'un service public vers un autre service public.
  II. 1. Règles de base.
  Demandé à l'initiative de l'agent, le transfert s'opère soit vers un emploi déclaré vacant de même grade ou de même rang que celui dont l'agent est doté, soit vers un emploi déclaré vacant dans un grade pour lequel l'agent a réussi un concours d'accession au niveau supérieur ou un examen d'avancement de grade.
  La date d'entrée en vigueur de cette dernière possibilité doit encore être fixée par le Roi.
  Pour être transféré, l'agent doit être porteur du diplôme requis et avoir réussi le test d'aptitude si ceux-ci sont exigés par le règlement organique du service public vers lequel le transfert est demandé. Conformément à l'article 15 de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, l'agent doit, le cas échéant, satisfaire aux qualifications professionnelles éventuellement requises par la nature de l'emploi.
  Les membres du personnel qui ont été recrutés selon un mode particulier de nomination ou qui ont bénéficié d'une première nomination sont exclus du bénéfice de la mobilité volontaire durant les neuf premières années qui suivent leur recrutement ou leur nomination.
  Par mode particulier de nomination, il faut entendre tout mode qui déroge aux conditions générales de recrutement des agents de l'Etat, à savoir :
  1° réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer;
  2° réussir, auprès du Secrétariat permanent de Recrutement, le concours de recrutement prévu;
  3° accomplir avec succès le stage probatoire.
  Par première nomination, il faut entendre tout mode de nomination fondé sur des dispositions dérogeant au statut.
  Seuls les agents qui remplissent les conditions fixées à l'article 4 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998 peuvent valablement introduire une demande de transfert. Une de ces conditions est que l'agent se trouve dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.
  Dans les situations suivantes :
  - suspension dans l'intérêt du service,
  - suspension disciplinaire,
  - disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service,
  - congé pour mission dont le caractère d'intérêt général n'est pas reconnu,
  - disponibilité pour convenance personnelle (ultérieurement remplacée par l'absence de longue durée pour raisons personnelles),
  un agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion et ne peut donc introduire valablement une demande de mobilité volontaire.
  II. 2. Description de la procédure.
  L'agent peut obtenir auprès du Service Mobilité tout renseignement utile sur les possibilités de mobilité (procédure, liste d'emplois vacants, ...).
  La procédure qui doit être suivie peut être schématisée comme suit :
  1. l'agent s'adresse à son Service du Personnel pour obtenir le formulaire de demande de transfert dûment complété par ce service (annexe 1 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998).
  L'administration ne peut refuser de remplir ce formulaire;
  2. l'agent complète la partie de ce formulaire qui lui est destinée et introduit, par lettre recommandée, auprès du service public de son choix une candidature au moyen dudit formulaire.
  Le nombre de candidatures n'est pas limité. Leur validité est de douze mois, renouvelables.
  Copie du formulaire de demande de transfert doit être envoyée, par simple lettre, au Service Mobilité ainsi qu'à l'administration au sein de laquelle l'agent exerce ses fonctions;
  3. dans les trois mois de l'introduction d'une demande de transfert, la candidature est examinée, en fonction du niveau de l'agent, soit par le Conseil de direction, soit par le fonctionnaire dirigeant du service public choisi par l'agent;
  4. sur base de la description de fonction de l'emploi à pourvoir, la candidature est de manière motivée soit retenue, soit écartée.
  Copie de la décision prise doit être envoyée au Service Mobilité.
  Les candidatures retenues sont reprises dans une réserve de mobilité.
  Si l'autorité compétente n'examine pas la candidature dans le délai qui lui est imparti, l'avis sur la candidature est censé favorable et le candidat est versé dans la réserve de mobilité;
  5. quand l'autorité compétente prend la décision de pourvoir à l'emploi vacant, elle met le candidat qui répond le mieux aux exigences de la fonction en période de probation pendant trois mois.
  Le Service Mobilité doit être informé par l'administration de la date de mise en période de probation d'un agent;
  6. à l'issue de la période de probation, la candidature est :
  - soit définitivement acceptée; l'autorité compétente prend un arrêté de transfert qui doit être publié au Moniteur belge;
  - soit refusée de manière motivée; l'agent réintègre son administration d'origine.
  Copie de la décision prise doit être transmise au Service Mobilité.
  II. 3. Précisions.
  A. Des diverses priorités.
  En application de l'article 6bis de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, lorsque la nomination dans un grade peut être faite selon plusieurs modes d'attribution et qu'aucun de ceux-ci n'est imposé par une disposition particulière, l'autorité compétente détermine le mode d'attribution d'un emploi vacant : par recrutement, par mutation, par promotion ou par mobilité.
  L'arrêté royal du 16 juillet 1998 fixe toutefois certaines priorités entre les divers modes d'attribution d'un emploi.
  Ainsi :
  1. conformément à l'article 28, § 1er, dudit arrêté, la mobilité d'office est prioritaire sur la mobilité volontaire et le recrutement;
  2. dans un grade de recrutement, la mobilité volontaire est, conformément à l'article 10, § 1er, de l'arrêté précité, prioritaire sur le recrutement.
  Le contrôle de cette priorité est assuré par l'inspecteur des finances, le délégué du Ministre des Finances ou le commissaire du Gouvernement qui doit, avant de viser une autorisation de recrutement, s'assurer que la réserve de mobilité ne comprend plus de candidat qualifié pour l'emploi. A cette fin, il doit obtenir du Service Mobilité une attestation confirmant qu'aucune candidature à la mobilité volontaire n'est retenue pour l'emploi à pourvoir.
  Depuis l'entrée en vigueur de la loi du 20 mai 1997 portant diverses mesures en matière de fonction publique, la priorité de la mobilité volontaire sur le recrutement n'existe pas dans les cas prévus aux articles 17 et 33 de cette loi : les agents contractuels dits " statut unique ", en service au 1er janvier 1996, bénéficient d'une priorité sur la mobilité en vue de pourvoir à l'emploi vacant;
  3. dans les grades de promotion, l'autorité compétente choisit le mode d'attribution de l'emploi vacant : par promotion ou par mobilité.
  Toutefois, conformément à l'article 10, § 2, de l'arrêté précité, le transfert ne peut porter préjudice aux lauréats d'un concours d'accession au niveau supérieur ou d'un examen d'avancement de grade ou d'avancement barémique. Dans ce contexte, une priorité doit être donnée aux agents dans leur propre administration.
  Il est à noter qu'aucune priorité n'est établie entre mobilité volontaire et mutation interne. L'autorité, en faisant application de l'article 6bis de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 précité, choisit l'agent qui répond le mieux aux exigences de la fonction à pourvoir.
  B. En matière pécuniaire.
  Conformément à l'article 12 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, la règle générale veut que le transfert s'opère vers un emploi déclaré vacant doté de la même échelle de traitement que celle dont l'intéressé est titulaire. L'agent conserve alors le bénéfice de son échelle de traitement.
  S'il n'existe pas d'emploi déclaré vacant dans l'échelle de traitement dont l'agent est titulaire, le transfert peut être réalisé, moyennant l'accord de l'intéressé, vers un emploi déclaré vacant doté d'une échelle de traitement inférieure à celle dont l'agent est titulaire, conformément au deuxième paragraphe, deuxième alinéa dudit article.
  L'agent qui opte pour cette solution n'obtient, conformément à l'article 27, § 4 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des ministères, à aucun moment dans son nouvel emploi un traitement inférieur à celui dont il bénéficie. Cet agent est bloqué dans son traitement c'est-à-dire qu'il ne touche plus ses augmentations intercalaires tant que le traitement attaché à son nouvel emploi n'a pas rattrapé son traitement actuel. L'autorité compétente doit informer l'agent de la durée d'un éventuel blocage de son traitement.
  D'un point de vue pratique, l'agent est administrativement affecté sur un emploi vacant dans une échelle de traitement inférieure à celle dont il est titulaire et doit obtenir par priorité le premier emploi déclaré vacant dans l'échelle de traitement dont il est titulaire.
  Lorsque le transfert se réalise au sein d'un même rang et implique un changement de carrière barémique, une conversion entre les développements des deux carrières, particulières ou communes, doit être établie afin de définir dans la nouvelle carrière barémique la même échelle de traitement que celle dont l'agent est titulaire.
  Si un emploi déclaré vacant existe dans l'échelle de traitement de " conversion " attachée au nouveau grade, l'agent transféré bénéficie de ladite échelle dans le grade dans lequel il est transféré.
  Dans le cas contraire, l'agent peut être transféré vers un emploi déclaré vacant doté d'une échelle de traitement inférieure à son échelle de " conversion " selon les règles décrites ci-dessus.
  La fixation de cette conversion est demandée au Service d'Administration générale.
  Conformément au deuxième paragraphe, troisième alinéa du même article 12, un transfert ne peut donner lieu à une promotion par avancement barémique liée à la vacance d'un emploi.
  Conformément au deuxième paragraphe, quatrième alinéa dudit article, un agent transféré n'est plus soumis aux dispositions statutaires et pécuniaires qui lui étaient applicables dans son service public d'origine. Ce service public reste cependant tenu de liquider la charge budgétaire totale afférente à la période pendant laquelle l'agent y a presté ses services.
  C. De la période de probation.
  Conformément à l'article 9, paragraphe 1er, de l'arrêté royal du 16 juillet 1998 cette période est assimilée à un congé pour stage. Ce congé n'est pas rémunéré par l'administration de l'agent. La période de probation est en effet, budgétairement à charge du service public au sein duquel l'agent preste ses services durant cette période. Les cotisations patronales de sécurité sociale, les allocations familiales, le pécule de vacances et l'allocation de fin d'année sont liquidés par ce service public au prorata de la durée de la période de probation.
  Durant cette période, l'agent percoit le traitement afférent à l'emploi pour lequel il s'est porté candidat. En cas d'accession au niveau supérieur, le traitement percu ne doit pas être remboursé par l'agent en cas d'interruption prématurée de la période de probation ou de conclusion négative de celle-ci.
  Afin d'assurer une évaluation correcte du candidat, et conformément à la réglementation relative au stage, la période de probation s'effectue à temps plein.
  Conformément au paragraphe 4 de l'article susmentionné, l'agent ou l'administration peut mettre un terme à une période de probation avant son expiration. Lorsque l'administration décide de mettre un terme à une période de probation, elle doit établir un relevé détaillé des manquements aux exigences de la fonction à pourvoir qui sont reprochés à l'intéressé et doit entendre au préalable celui-ci sur les faits qui sont à l'origine de cette décision.
  Dans le cas d'un transfert, à l'issue de la période de probation, dans un emploi déclaré vacant correspondant au grade pour lequel un agent a réussi un concours d'accession au niveau supérieur, la nomination de cet agent dans son nouveau grade doit être réalisée avec effet rétroactif à la date de sa mise en probation.
  D. Conséquences du transfert sur :
  1. la carrière administrative de l'agent.
  Le fait d'obtenir un transfert par mobilité volontaire ou par mobilité d'office ne peut porter préjudice à l'agent pour le déroulement ultérieur de sa carrière.
  Dès l'entrée en vigueur de l'arrêté de transfert d'un agent, il y a lieu de le classer pour le déroulement ultérieur de sa carrière selon les articles adéquats de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat;
  2. le régime de travail.
  Interruption de carrière, travail à temps partiel, ....
  La période de probation de trois mois étant effectuée à temps plein, l'agent qui a obtenu préalablement :
  - un congé pour mission d'intérêt général,
  - une disponibilité pour convenance personnelle (ultérieurement remplacée par une absence de longue durée pour raisons personnelles),
  - un congé pour interruption de la carrière professionnelle,
  - un congé pour prestations réduites pour convenance personnelle,
  - un congé pour prestations réduites, justifiées par des raisons sociales ou familiales (ultérieurement remplacé par le système d'interruption de la carrière à temps partiel),
  - la semaine volontaire de quatre jours,
  doit y mettre fin, dans le respect des dispositions particulières prévues. Il est à noter que le préavis à remettre dans ces divers systèmes est de trois mois au plus et que les réglementations concernées précisent que le délai de préavis peut être réduit avec l'accord de l'administration.
  L'administration auprès de laquelle la période de probation doit être effectuée doit tenir compte des délais de préavis imposés.
  Dès le transfert, l'agent peut introduire auprès de son nouveau service public une demande de régime particulier de travail.
Art. M3. III. De ambtshalve mobiliteit.
  Onder ambtshalve mobiliteit moet worden verstaan de terbeschikkingstelling van de Dienst Mobiliteit van een ambtenaar aangewezen door de benoemende overheid of door de overheid aan wie deze bevoegdheid uitdrukkelijk werd overgedragen.
  III. 1. Grondregels.
  De ambtshalve mobiliteit heeft betrekking op :
  1° de vastbenoemde ambtenaren en stagiairs die ofwel elke aanwijzing voor een betrekking hebben verloren of die bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit in een overheidsdienst overtallig worden geacht;
  2° de vastbenoemde ambtenaren die bij beslissing van de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst ongeschikt worden verklaard om hun functie verder te vervullen maar geschikt blijven om weder tewerkgesteld te worden in een andere functie, verenigbaar met hun gezondheidstoestand.
  Een ambtenaar die ter beschikking van de Dienst Mobiliteit wordt gesteld blijft administratief en geldelijk verbonden aan zijn dienst van herkomst waar hij geacht wordt zijn betrekking te bekleden tot er een hem betreffende herplaatsings- of overplaatsingsbeslissing is genomen door de Minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren of door het hoofd van bestuur aan wie hij deze bevoegdheid heeft overgedragen.
  Dat hij in ambtshalve mobiliteit is gesteld belet een ambtenaar niet een procedure van vrijwillige mobiliteit in te zetten.
  De Dienst Mobiliteit is ermee belast te zorgen voor de herplaatsing, de beziging of de overplaatsing van de hem ter beschikking gestelde ambtenaren :
  - herplaatsing en overplaatsing : een definitieve beslissing.
  De herplaatsing gebeurt binnen de overheidsdienst waartoe de ambtenaar behoort; de overplaatsing gebeurt van de ene overheidsdienst naar de andere.
  Herplaatsing en overplaatsing kunnen slechts geschieden in een definitief vacante betrekking van dezelfde graad of dezelfde rang als die waarvan de ambtenaar titularis is.
  Om herplaatst of overgeplaatst te worden moet de ambtenaar houder zijn van het vereiste diploma en geslaagd zijn voor de geschiktheidstest indien die door het organiek reglement worden vereist om toegang te hebben tot de betrekking.
  De herplaatsingsprocedure wordt afgesloten door de beslissing van de Minister van Ambtenarenzaken of van zijn afgevaardigde.
  De overplaatsingsprocedure, waartoe door de Minister van Ambtenarenzaken wordt beslist, wordt afgesloten met een overplaatsingsbesluit dat door de benoemende overheid wordt uitgevaardigd in de overheidsdienst waarheen de ambtenaar wordt overgeplaatst;
  - beziging : een tijdelijke oplossing.
  De beziging gebeurt ofwel binnen de overheidsdienst waartoe de ambtenaar behoort, ofwel in een andere overheidsdienst, voor een duur van ten hoogste vijf jaar.
  Overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de wet van 22 juli 1993, zoals gewijzigd inzonderheid door de wet van 20 mei 1997 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, gebeurt de beziging in hetzelfde niveau als dat waartoe de ambtenaar behoort :
  - ofwel op een definitief vacante betrekking van de personeelsformatie;
  - ofwel op een arbeidspost van een contractueel personeelslid voor uitzonderlijke en tijdelijke behoefte of van een vervangingscontractueel, op voorwaarde dat de indienstneming in deze betrekking niet voorziet in de toekenning van een premie ter uitvoering van artikel 94 van de programmawet van 30 december 1988 en het niet gaat om de vervanging van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan onderbreekt.
  III. 2. Gevolgde procedure.
  Het ter beschikking van de Dienst Mobiliteit stellen van een ambtenaar gebeurt door middel van een formulier dat opgenomen is in bijlage 2 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998.
  Dit formulier wordt slechts geldig ingediend wanneer het door de benoemende overheid is ondertekend en door de betrokkene geviseerd ten bewijze van de kennisneming van de beslissing.
  Ten einde het beroepsprofiel van de ter beschikking gestelde ambtenaar te kunnen onderzoeken, vraagt de Dienst Mobiliteit de toezending van een afschrift van het persoonlijk dossier en kan hij tevens alle andere nuttige inlichtingen inwinnen.
  In voorkomend geval bestudeert de Dienst Mobiliteit de mogelijkheden om de moeilijkheden bij het uitvoeren van een ambtshalve mobiliteit op te heffen, o.a. door het in opleiding plaatsen van de ambtenaar.
  De Dienst Mobiliteit centraliseert de informatie over de vacatures van betrekkingen in de overheidsdiensten die opgenomen zijn in het toepassingsgebied van de reglementering.
  Op basis van de ingezamelde inlichtingen stelt de Dienst Mobiliteit lijsten van vacante betrekkingen voor. Elke ambtenaar kan door rangschikking zijn voorkeur mededelen tussen de verschillende overheidsdiensten die hem werden voorgesteld. Zonder keuze van de ambtenaar tussen de hem gedane voorstellen moet de Dienst Mobiliteit ambtshalve optreden.
  Wanneer meerdere ambtenaren voor een zelfde betrekking kunnen worden aangewezen, kan door de Dienst Mobiliteit, in samenwerking met de betrokken overheidsdienst, een voorstelling van de kandidaten worden georganiseerd. De overheidsdienst stelt daartoe een functiebeschrijving op voor de te begeven betrekking en vermeldt daarbij de eventueel vereiste bijzondere beroepskwalificatie.
  De kandidaten worden, in de mate van het mogelijke, voorgesteld rekening houdend met de orde van voorkeur die zij hebben uitgebracht.
  De betrokken overheidsdienst moet aan de Dienst Mobiliteit een gemotiveerd verslag toesturen waarin een rangschikking van de kandidaten wordt voorgesteld.
  Wanneer de keuzemogelijkheden zijn uitgeput voert de Dienst Mobiliteit ambtshalve de mobiliteit van een ambtenaar uit.
  III. 3. Verduidelijkingen.
  A. Terbeschikkingstelling van de Dienst Mobiliteit van ambtenaren ingevolge :
  1. het verlies van elke aanwijzing voor een betrekking ingevolge hetzij het afschaffen van geheel of een deel van hun overheidsdienst, hetzij het afschaffen van betrekkingen in de personeelsformatie van hun overheidsdienst.
  Worden overeenkomstig artikel 18 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 aangewezen om ambtshalve in mobiliteit gesteld te worden, de ambtenaren die titularis zijn van een graad die met de afgeschafte betrekkingen overeenkomt mits naleving van de anciënniteitsregels die zijn opgesomd in de tweede paragraaf van dit artikel.
  Het naleven van deze anciënniteitsregels heeft tot doel de willekeurige aanwijzing van de ambtshalve in mobiliteit te stellen ambtenaren te voorkomen;
  2. een beslissing van de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst.
  Het ter beschikking van de Dienst Mobiliteit stellen kan slechts gebeuren ingevolge een definitieve beslissing van de Pensioencommissie van de Administratieve Gezondheidsdienst en niet op eenvoudig advies van een geneesheer van de A.G.D.. De terbeschikkingstelling gebeurt door middel van het formulier dat de bijlage 2 uitmaakt van het koninklijk besluit van 16 juli 1998.
  Om geldig ingediend te worden moet dit formulier vergezeld gaan van een afschrift van de beslissing van de Pensioencommissie en van een gedateerd afschrift van de brief ter kennisgeving van deze beslissing aan de betrokken ambtenaar.
  Overeenkomstig artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, beschikt de Dienst Mobiliteit over een termijn van twaalf maanden, die ingaat op de datum van kennisgeving aan de betrokkene van de beslissing van de Pensioencommissie, om een nieuwe tewerkstelling te vinden die beantwoordt aan de voorwaarden die door de Pensioencommissie worden opgelegd. Na deze termijn verkrijgt de ambtenaar van ambtswege een pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de bovenvermelde termijn.
  Er dient opgemerkt dat de rechtspraak van de Raad van State inzake vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid ertoe strekt om in hoofde van het bestuur waartoe de ambtenaar behoort een verplichting op te leggen om alle nodige maatregelen te treffen om een dergelijke beslissing, die de ambtenaar redelijkerwijze niet kan verwachten, te voorkomen (arrest n° 51.996 van 7 maart 1995).
  B. Voorrangsregels tussen de ambtshalve mobiliteit en de verschillende wijzen van toekenning van een betrekking.
  1. Vrijwillige mobiliteit, werving :
  overeenkomstig artikel 28 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 geniet de ambtshalve mobiliteit een absolute voorrang op de vrijwillige mobiliteit en een omzeggens absolute voorrang op de werving.
  Ter herinnering, overeenkomstig de artikelen 17 en 33 van de wet van 20 mei 1997 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, genieten de zogeheten contractuele personeelsleden "enig statuut", in dienst op 1 januari 1996, een voorrang op de mobiliteit voor de benoeming in de vacante betrekking.
  2. Bevordering, mutatie :
  het afsluiten van de procedures voor bevordering en mutatie die aan de gang zijn heeft voorrang op de onmiddellijke uitvoering van een overplaatsing of een herplaatsing, overeenkomstig artikel 28, § 2, tweede lid, van bovengenoemd koninklijk besluit.
  Een procedure is aan de gang vanaf het ogenblik dat ze ter kennis wordt gebracht van de personeelsleden, d.w.z. :
  - vanaf de datum van de dienstnota die de ambtenaren inlicht over hun rangschikking (niv. 2+, 2, 3 en 4) of de bevorderingsbetrekkingen die zijn te begeven (niv. 1);
  - zodra het hoofd van bestuur zijn toestemming heeft gegeven voor de aanvraag tot mutatie ingediend door de ambtenaar.
  De ambtshalve herplaatste of overgeplaatste ambtenaar wordt, in voorkomend geval, aangewezen voor een vacante betrekking van een graad van lagere rang van hetzelfde niveau.
  Na het afsluiten van deze procedures heeft de herplaatsing of de overplaatsing voorrang op de nieuwe bevorderings- of mutatieprocedures voor het toekennen van de volgende vacante betrekking in de betrokken graad.
  C. Verduidelijkingen inzake de geldelijke toestand.
  1. De beziging.
  Krachtens artikel 33, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1998, betaalt de dienst van herkomst van de ambtenaar die in beziging werd geplaatst in een andere overheidsdienst, verder aan die ambtenaar de verschuldigde wedde, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage, de kinderbijslag en de andere eventuele toelagen en vergoedingen.
  Overeenkomstig artikel 34, vierde lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 wordt het bedrag van de terugbetaling van het vakantiegeld en van de eindejaarstoelage berekend op basis van de bezinningsperiode.
  Elk bestuur neemt een deel van het vakantiegeld en van de toelage ten laste naar rato van wat de ambtenaar tijdens de referteperiodes heeft gepresteerd. Voor de omschrijving ervan wordt respectievelijk verwezen naar artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur en naar artikel 1, punt 5 van het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt.
  2. De overplaatsing.
  1° Overeenkomstig artikel 29, eerste lid van het koninklijk besluit van 16 juli 1998, behoudt de ambtshalve herplaatste of overgeplaatste ambtenaar zijn weddeschaal tenzij hij, in de graad waarnaar hij wordt overgeplaatst, een gunstiger weddeschaal geniet, in welk geval de genoemde schaal hem moet worden toegekend.
  2° De ambtshalve overgeplaatste ambtenaar moet zo spoedig mogelijk "geïntegreerd" worden in de nieuwe loopbaan in weddeschaal die aan zijn nieuwe graad is verbonden.
  Teneinde deze "integratie" te kunnen verwezenlijken zal de Dienst van Algemeen Bestuur gevraagd worden een correspondentietabel op te stellen tussen de ontwikkelingen van de bijzondere en gemene loopbanen in weddeschaal die met eenzelfde rang verbonden zijn.
  3° Als er geen enkele betrekking in de schaal waarvan de ambtenaar titularis is vacant is op het ogenblik van de overplaatsing, kan de ambtenaar aangewezen worden in een vacante betrekking van dezelfde graad of dezelfde rang met de eerste weddeschaal.
  Het gaat er dan om de afwikkeling van zijn toekomstige loopbaan in weddeschaal vast te leggen.
  D. Gevolgen van de overplaatsing voor :
  1. de administratieve loopbaan van de ambtenaar.
  Zoals hierboven in punt D.1. betreffende de vrijwillige mobiliteit werd vermeld, zijn het de gemeenschappelijke rangschikkingsregels bepaald bij het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, die als grondslag moeten dienen voor de latere afwikkeling van de loopbaan van de ambtshalve overgeplaatste ambtenaar;
  2. de arbeidsregeling.
  Tenzij de ambtshalve overplaatsing leidt tot een uitsluiting van het toepassingsgebied van de betrokken reglementering of tot het opleggen van nieuwe voorwaarden voor het verkrijgen van de genoemde bijzondere arbeidsregeling, zal het hernieuwen van de aanvragen door de ambtenaar bij zijn nieuw bestuur slechts moeten gebeuren op het einde van de periode waarvoor hem door zijn bestuur van herkomst een recht was toegekend.
  Deze omzendbrief vervangt de omzendbrief nr. 385, nieuwe mobiliteitsreglementering van 31 januari 1994.
  De Minister van Ambtenarenzaken,
  A. Flahaut.
Art. M3. III. La mobilité d'office.
  Par mobilité d'office, il y a lieu d'entendre la mise à la disposition du Service Mobilité d'un agent désigné par l'autorité qui détient le pouvoir de nomination, ou par l'autorité à laquelle elle a expressément délégué ce pouvoir.
  III. 1. Règles de base.
  La mobilité d'office concerne :
  1° des agents définitifs et stagiaires qui, soit ont perdu toute affectation à un emploi, soit sont estimés excédentaires dans un service public par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres;
  2° des agents définitifs qui sont déclarés inaptes par décision de la Commission des pensions du Service de Santé administratif à exercer leurs fonctions mais susceptibles d'exercer d'autres fonctions compatibles avec leur état de santé.
  Un agent mis à la disposition du Service Mobilité reste, administrativement et pécuniairement, attaché à son service public d'origine où il est réputé occuper son emploi, jusqu'à ce qu'une décision de reclassement ou de transfert le concernant ait été prise par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions ou par le chef d'administration auquel il a délégué ce pouvoir.
  Le fait d'être mis en mobilité d'office n'empêche pas un agent d'entamer une procédure de mobilité volontaire.
  Le Service Mobilité est chargé d'assurer le reclassement, la mise en utilisation ou le transfert des agents mis à sa disposition :
  - reclassement et transfert : une décision définitive.
  Le reclassement s'effectue au sein du service public auquel appartient l'agent; le transfert s'effectue d'un service public vers un autre service public.
  Reclassement et transfert ne peuvent être effectués que dans un emploi définitivement vacant de même grade ou de même rang que celui dont l'agent est titulaire.
  Pour être reclassé ou transféré, l'agent doit être porteur du diplôme requis et avoir réussi le test d'aptitude si ceux-ci sont exigés par le règlement organique pour l'accès à l'emploi.
  La procédure de reclassement est close par la décision du Ministre de la Fonction publique ou de son délégué.
  La procédure de transfert, décidée par le Ministre de la Fonction publique, se clôture par un arrêté de transfert pris par l'autorité qui détient le pouvoir de nomination dans le service public vers lequel l'agent est transféré;
  - mise en utilisation : une solution temporaire.
  La mise en utilisation s'effectue soit au sein du service public auquel appartient l'agent, soit dans un autre service public pour une durée maximale de cinq ans.
  Conformément à l'article 14, alinéa 2, de la loi du 22 juillet 1993, tel que modifié notamment par la loi du 20 mai 1997 portant diverses mesures en matière de fonction publique, l'utilisation s'effectue dans le même niveau que celui auquel l'agent appartient :
  - soit sur un emploi du cadre organique définitivement vacant;
  - soit sur un poste de travail de contractuel besoin exceptionnel et temporaire ou de contractuel de remplacement, à condition que l'engagement dans cet emploi ne prévoit pas l'octroi d'une prime en exécution de l'article 94 de la loi-programme du 30 décembre 1988 et ne soit pas réalisé pour remplacer un agent en interruption de carrière.
  III. 2. Procédure suivie.
  La mise à disposition du Service Mobilité d'un agent s'effectue au moyen du formulaire repris en annexe 2 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998.
  Ce formulaire n'est valablement introduit que lorsqu'il est signé par l'autorité qui détient le pouvoir de nomination et visé par l'intéressé pour attester qu'il a été informé de la décision.
  Afin d'étudier le profil professionnel de l'agent mis à sa disposition, le Service Mobilité se fait communiquer la copie du dossier personnel de l'intéressé ainsi que tout autre renseignement utile.
  Le cas échéant, le Service Mobilité étudie les possibilités de lever les obstacles à l'exécution d'une mobilité d'office, notamment par la mise en formation de l'agent.
  Le Service Mobilité centralise l'information sur les vacances d'emplois dans les services publics repris dans le champ d'application de la réglementation.
  Sur base des informations recueillies, le Service Mobilité propose des listes d'emplois vacants. Chaque agent peut faire part de ses préférences de classement entre les différents services publics qui lui sont proposés. Sans choix de l'agent entre les propositions qui lui sont faites, le Service Mobilité se voit contraint d'agir d'office.
  Lorsque plusieurs agents peuvent être désignés à un même emploi, une présentation des candidats peut être organisée par le Service Mobilité en collaboration avec le service public concerné. A cette fin, le service public élabore une description des fonctions afférentes à l'emploi à pourvoir ainsi que la qualification professionnelle particulière éventuellement requise.
  Les candidats sont présentés, dans la mesure du possible, en tenant compte de l'ordre des préférences qu'ils ont communiqué.
  Le service public concerné doit remettre au Service Mobilité un rapport motivé proposant un classement des candidats.
  Lorsque les possibilités de choix sont épuisées, le Service Mobilité exécute d'office la mobilité d'un agent.
  III. 3. Précisions.
  A. Mise à disposition du Service Mobilité d'agents suite à :
  1. la perte de toute affectation à un emploi par suite soit de la suppression de tout ou partie de leur service public, soit de la suppression d'emplois au cadre organique de leur service public.
  Conformément à l'article 18 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, doivent être désignés pour être mis en mobilité d'office les agents titulaires d'un grade correspondant aux emplois supprimés dans le respect des règles d'ancienneté énoncées au deuxième paragraphe de cet article.
  Le respect de ces règles d'ancienneté a pour but de prévenir la désignation arbitraire des agents mis en mobilité d'office;
  2. une décision de la Commission des pensions du Service de Santé administratif.
  La mise à disposition du Service Mobilité ne peut s'effectuer que suite à une décision définitive de la Commission des pensions du Service de Santé administratif et non sur simple avis d'un médecin du S.S.A.. Elle s'effectue au moyen du formulaire repris à l'annexe 2 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998.
  Pour être valablement introduit, ce formulaire doit être accompagné d'une copie de la décision de la Commission des pensions ainsi que d'une copie datée de la lettre de notification de cette décision à l'agent concerné.
  Conformément à l'article 117, § 3, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, le Service Mobilité dispose d'un délai de douze mois, prenant cours à la date de la notification à l'intéressé de la décision de la Commission des pensions, pour trouver un nouvel emploi répondant aux conditions de reprise du travail imposées par la Commission. Passé ce délai, l'agent obtient d'office une pension définitive pour inaptitude physique prenant cours le premier jour du mois qui suit l'expiration du délai précité.
  Il est à noter que la jurisprudence du Conseil d'Etat en matière de mise à la pension anticipée pour incapacité physique tend à induire dans le chef de l'administration à laquelle appartient l'agent une obligation de prendre toutes les mesures nécessaires pour éviter la mise à la pension anticipée pour les agents qui ne pouvaient raisonnablement pas s'y attendre (notamment arrêt n°51.996 du 7 mars 1995).
  B. Règles de priorité entre la mobilité d'office et les divers modes d'attribution d'un emploi.
  1. Mobilité volontaire, recrutement :
  conformément à l'article 28 de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, la mobilité d'office bénéficie d'une priorité absolue sur la mobilité volontaire et quasi absolue sur le recrutement.
  Pour rappel, conformément aux articles 17 et 33 de la loi du 20 mai 1997 portant diverses mesures en matière de fonction publique, les agents contractuels dits " statut unique ", en service au 1er janvier 1996, bénéficient d'une priorité sur la mobilité pour la nomination à l'emploi vacant.
  2. Promotion, mutation :
  la clôture des procédures de promotion et de mutation qui sont en cours est prioritaire sur l'exécution immédiate d'un transfert ou d'un reclassement, conformément à l'article 28, § 2, deuxième alinéa, de l'arrêté précité.
  Une procédure est en cours dès qu'elle est portée à la connaissance des membres du personnel, c'est-à-dire :
  - dès la date de la note de service informant les agents des classements (niv. 2+, 2, 3 et 4) ou des emplois de promotion à conférer (niv. 1);
  - dès que le chef d'administration a donné son accord à la demande de mutation introduite par un agent.
  L'agent reclassé ou transféré d'office est, le cas échéant, affecté à un emploi vacant d'un grade de rang inférieur du même niveau.
  Après clôture de ces procédures, le reclassement ou le transfert est prioritaire sur les nouvelles procédures de promotion ou de mutation pour l'attribution du prochain emploi vacant dans le grade concerné.
  C. Explications d'ordre pécuniaire.
  1. La mise en utilisation.
  En vertu de l'article 33, § 1er, de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, le service d'origine de l'agent qui est mis en utilisation dans un autre service public, continue à payer à cet agent la rémunération due, le pécule de vacances, l'allocation de fin d'année, les allocations familiales et les autres allocations et indemnités éventuelles.
  Conformément à l'article 34, quatrième alinéa, de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, le montant du remboursement du pécule de vacances et de l'allocation de fin d'année est calculé sur base de la période d'utilisation.
  Chaque administration prend à sa charge une partie du pécule et de l'allocation au prorata de ce que l'agent a presté pendant les périodes de référence. Pour la définition de celles-ci, il est respectivement renvoyé à l'article 2, alinéa 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'Administration générale du Royaume et à l'article 1er, point 5 de l'arrêté royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public.
  2. Le transfert.
  1° Conformément à l'article 29, alinéa premier de l'arrêté royal du 16 juillet 1998, l'agent transféré ou reclassé d'office conserve son échelle de traitement à moins qu'il ne bénéficie, dans le grade dans lequel il est transféré, d'une échelle barémique plus avantageuse auquel cas ladite échelle doit lui être attribuée.
  2° L'agent transféré d'office doit être " intégré " au plus vite dans la nouvelle carrière barémique attachée à son nouveau grade.
  Afin de pouvoir réaliser cette " intégration ", il sera demandé au Service d'Administration générale d'établir une correspondance entre les développements des carrières barémiques, particulières et communes, attachées à un même rang.
  3° Si aucun emploi vacant n'existe dans l'échelle de traitement dont l'agent est titulaire au moment de son transfert, l'agent peut être affecté sur un emploi vacant de même grade ou de même rang, doté de la première échelle de traitement.
  Il s'agit alors de fixer le déroulement de sa future carrière barémique.
  D. Conséquences du transfert sur :
  1. la carrière administrative de l'agent.
  Comme mentionné supra, au point D, 1 relatif à la mobilité volontaire, ce sont les règles de classement communes prévues par l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat qui doivent servir de base au déroulement ultérieur de la carrière de l'agent transféré d'office;
  2. le régime de travail.
  A moins que le transfert d'office ne conduise à une exclusion du champ d'application de la réglementation concernée ou à l'imposition de nouvelles conditions à l'obtention dudit régime de travail particulier, le renouvellement des demandes ne devra être effectué par l'agent auprès de sa nouvelle administration qu'au terme de la période pour laquelle un droit lui avait été accordé par son administration d'origine.
  Cette circulaire remplace la circulaire n° 385, nouvelle réglementation de la mobilité, du 31 janvier 1994.
  Le Ministre de la Fonction publique,
  A. Flahaut.