Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
5 JULI 1998. - Omzendbrief POL 49bis, tot opheffing en vervanging van de omzendbrief POL 49 betreffende de financiële hulp voor de ondersteuning van de werking van het politiekorps ("boetefonds").
Titre
5 JUILLET 1998. - Circulaire POL 49bis, annulant et remplacant la circulaire POL 49 traitant de l'aide financière pour le soutien du fonctionnement du corps de police (" fonds des amendes ").
Table des matières
Table des matières
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel M. Artikel 226bis van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat een krediet ten belope van 7,5 % van de rijksontvangsten uit de boeten en strafrechtelijke veroordelingen in allerhande zaken, en ook uit de geldsommen die bedoeld worden in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering en in artikel 65 van de wet betreffende de politie van het wegverkeer, op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt ingeschreven.
  In hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten bepaalde financiële hulp van de Staat kunnen krijgen op het vlak van de veiligheid (Belgisch Staatsblad van 6 augustus 1994) worden de toekenningsvoorwaarden en de verdelingswijze van die toelage bepaald.
  Deze omzendbrief die de POL 49 van 15 september 1994 vervangt (Belgisch Staatsblad van 29 september 1994) heeft tot doel de praktische schikkingen te regelen.
  Onderhavige toelage is bedoeld voor de ondersteuning van de werking van de politiekorpsen van de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken.
  In dat artikel 226bis ligt het beginsel vervat krachtens welk in een krediet wordt voorzien, dat berekend wordt naar rato van een percentage van de inkomsten uit boeten in ruime zin en dat om een inkomstenoverdracht mogelijk te maken naar de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken en om tussen te komen in de gewone uitgaven inzake de operationele werking van het gemeentelijk politiekorps.
  Dat betekent evenwel geenszins dat het totale krediet van het "boetefonds" jaarlijks verdeeld wordt onder de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken. Mijn departement beschikt immers over de mogelijkheid om jaarlijks een bepaald bedrag van dat totale krediet voor te behouden om zelf een aantal werkingskosten van de politiekorpsen op zich te nemen. Aldus wordt enkel het overblijvende bedrag daadwerkelijk onder de gemeenten verdeeld. Het krediet dat moet worden verdeeld, wordt bijgevolg jaarlijks bepaald.
  I. Toekenningsvoorwaarden van het krediet.
  Om van het krediet te kunnen genieten dienen de gemeenten twee voorwaarden te vervullen :
  1. De gemeenten moeten een volwaardige politiezorg verstrekken.
  De notie "gemeente die een volwaardige politiezorg verstrekt" wordt op dit ogenblik bepaald in het eerste artikel van het koninklijk besluit van 20 augustus 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de gemeenten een veiligheidscontract kunnen sluiten of financiële hulp kunnen genieten voor de aanwerving van bijkomend personeel in het kader van hun politiedienst (Belgisch Staatsblad van 18 september 1996). Sinds 1 mei 1997 worden enkel nog die gemeenten geacht een volwaardige politiezorg te verstrekken waarvan :
  a) de reële korpssterkte bij de politie overeenstemt met de minimum veiligheidsnorm die vastgesteld is in het koninklijk besluit van 9 mei 1994 betreffende het minimum aantal betrekkingen van de organieke formatie van de politieambtenaren van de gemeentepolitie;
  b) het politiekorps, samen met de rijkswacht en, in voorkomend geval, met één of meer andere gemeentelijke politiekorpsen, alle taken van de politionele basiscomponent vervult op een door de Minister van Binnenlandse Zaken afgebakend territorium (IPZ); de gemeente moet dus minstens een veiligheidscharter afgesloten hebben, dat door de Minister van Binnenlandse Zaken werd goedgekeurd.
  De Minister van Binnenlandse Zaken stelt elk jaar ten laatste op 1 mei van ieder begrotingsjaar ambtshalve de lijst vast van de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken. Hij laat die lijst in het Belgisch Staatsblad verschijnen.
  De gemeenten die niet op die lijst voorkomen, kunnen evenwel bij de Minister van Binnenlandse Zaken een bezwaarschrift indienen dat moet vergezeld zijn door de nodige documenten waarmee aangetoond wordt dat de gemeente toch aan de dubbele voorwaarde voldoet. Het bezwaarschrift moet per aangetekende brief ingediend worden binnen de vijftien dagen na de publicatie van die lijst der gemeenten in het Belgisch Staatsblad.
  De Minister van Binnenlandse Zaken beschikt over dertig dagen om een definitieve beslissing te nemen. Indien het bezwaarschrift gegrond wordt verklaard, wordt de gemeente toegevoegd aan de lijst van de "erkende gemeenten".
  2. De gemeenten moeten een verzoek indienen.
  De aanvragen moeten ingediend worden bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken vóór 1 mei van elk begrotingsjaar en dat middels het als bijlage bij deze omzendbrief gevoegde formulier.
  Bij ontstentenis van een aanvraag kan een gemeente niet van de toelage genieten, zelfs niet indien de gemeente voorkomt op de lijst der gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken. Daarom wordt de gemeenten aangeraden om hun aanvraag in te dienen zonder te wachten op de publicatie van de "erkende gemeenten" in het Belgisch Staatsblad. Het inzenden van het aanvraagformulier houdt in dat de gemeente de toelage aanvaardt en zich er toe verbindt de reglementsbepalingen (bestemming van de toelage, toezicht....) na te leven.
  II. Verdelingswijze van het krediet tussen de begunstigde gemeenten.
  Het jaarlijks beschikbare krediet wordt verdeeld onder de gemeenten die voldoen aan de voorwaarden die in punt I van deze omzendbrief zijn opgesomd en dat op grond van volgende verdeelsleutel :
  - voor 1/4 van het totale bedrag door deling van de som door het aantal betrokken gemeenten;
  - voor 3/4 van het totale bedrag volgens een verdelingscoëfficiënt die voor 50 % steunt op het bevolkingsaantal van de gemeente en voor 50 % op de personeelssterkte van de gemeentepolitie.
  Het bevolkingsaantal dat daarbij in aanmerking genomen wordt, is het aantal dat in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en dat geldt voor 1 januari van het jaar dat het betrokken begrotingsjaar voorafgaat.
  De personeelssterkte die in aanmerking genomen wordt is eveneens die van 1 januari van het jaar dat het betrokken begrotingsjaar voorafgaat. Ze bestaat uit de leden van de gemeentepolitie in dienstactiviteit en zij die daarmee gelijkgesteld worden, titularis in de hoedanigheid van aspirant, stagiair of definitief agent, van een graad uit de hiërarchie der graden die vastgesteld zijn in de artikelen 1, 2 en 4 van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van de gemeentepolitie.
  III. Toekenningsprocedure van de toelage.
  De financiële tussenkomst wordt aan de gemeente verleend onder de vorm van een rechtstreekse toelage.
  Het bedrag dat aan iedere gemeente wordt toegekend, wordt vastgesteld in een globaal ministerieel besluit, dat voor elk begrotingsjaar in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en dat na afsluiting van de beroepsprocedure bij de Minister van Binnenlandse Zaken.
  IV. Modaliteiten voor het gebruik van de toelage.
  De gemeente beslist vrij over het gebruik van de toelage, zonder voorafgaandelijke toestemming van de Minister van Binnenlandse Zaken of van de provinciegouverneur, en zulks met inachtneming van de volgende beginselen :
  - de toelage moet aangewend worden voor de ondersteuning van de werking van het politiekorps, met uitzondering van de loonkosten van het personeel (dus b.v. : wapens, uniformen, kantoorbenodigdheden, huur van materieel, onderhouds- en herstellingskosten,...);
  - er mag geen cumulatie zijn met een andere financiële tegemoetkoming van de Staat. Zo kan de verwerving van een bepaald voorwerp niet tegelijkertijd via het "boetefonds" en de "trekkingsrechten" gefinancierd worden. Men kan daarentegen wel kiezen voor de betoelagingswijze die financieel gezien de interessantste is;
  - het gebruik van de toelage dient te gebeuren met inachtneming van de wetgeving op de overheidsopdrachten;
  - de begunstigde gemeenten moeten het gebruik dat van de toelage gemaakt is, kunnen aantonen ten laatste voor het einde van het jaar dat volgt op dat van de toekenning van de toelage.
  V. Toezicht.
  De provinciegouverneur onderwerpt de gemeenten die een toelage bekomen hebben aan een regelmatige inspectie.
  Die inspectie beoogt na te gaan of de financiële tegemoetkoming correct gebruikt werd.
  Daartoe leggen de gemeenten op eenvoudig verzoek van de provinciegouverneur alle nodige stukken voor. Zij verlenen hem de nodige faciliteiten om een inspectie ter plaatse uit te voeren.
  VI. Sancties.
  Indien een gemeente de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 juli 1994 niet naleeft, dan heeft dat de gedeeltelijke of zelfs volledige terugvordering van de aan die gemeente verleende toelage voor gevolg.
  Bovendien kan de Minister van Binnenlandse Zaken in dat geval beslissen om de voor het volgend begrotingsjaar voorziene toelage deels of volledig op te heffen.
  Gelieve, Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, in het bestuursmemoriaal de datum te willen vermelden waarop deze omzendbrief in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd.
  De Minister,
  L. Tobback.
Article M. L'article 226bis de la nouvelle loi communale dispose qu'un crédit à concurrence de 7,5 % des recettes de l'Etat provenant d'amendes de condamnations pénales en matières diverses, ainsi que des sommes d'argent visées par l'article 216bis du Code d'instruction criminelle et par l'article 65 de la loi relative à la police de la circulation routière, est inscrit au budget du Ministère de l'Intérieur.
  Le chapitre III de l'arrêté royal du 5 juillet 1994 détermine les conditions auxquelles les communes peuvent bénéficier de certaines aides financières de l'Etat dans le domaine de la sécurité (Moniteur belge du 6 août 1994) fixe les conditions d'octroi et le mode de répartition de ce subside.
  La présente circulaire qui remplace la POL 49 du 15 septembre 1994 (Moniteur belge du 29 septembre 1994) a pour but de régler les modalités pratiques.
  Ce crédit est destiné au soutien du fonctionnement des corps de police des communes qui assurent un service de police à part entière.
  L'article 226bis établit dès lors le principe de la constitution d'un crédit, calculé au prorata d'un pourcentage de recettes provenant d'amendes au sens large, visant à permettre un transfert de revenus aux communes qui assurent un service de police à part entière et à intervenir dans les dépenses ordinaires relatives au fonctionnement opérationnel du corps de police communale.
  Cela ne signifie toutefois nullement que le crédit global du " Fonds des amendes " sera réparti annuellement entre les communes assurant un service de police à part entière. Mon département disposant de la possibilité de réserver annuellement un certain montant de ce crédit global pour la prise en charge de frais de fonctionnement des corps de police, seul le solde restant est effectivement réparti entre les communes. Le crédit à répartir est donc déterminé annuellement.
  I. Conditions d'octroi du crédit.
  Pour pouvoir être bénéficiaire de ce crédit, les communes doivent répondre à deux conditions :
  1. les communes doivent assurer un service de police à part entière.
  La notion de " commune assurant un service de police à part entière " est définie actuellement à l'article 1er de l'arrêté royal du 20 août 1996 modifiant l'arrêté royal du 10 juin 1994 déterminant les conditions auxquelles les communes peuvent conclure un contrat de sécurité ou bénéficier d'une aide financière pour le recrutement de personnel supplémentaire dans le cadre de leur service de police (publié au Moniteur belge du 18 septembre 1996). Depuis le 1er mai 1997, sont seules considérées comme assurant un service de police à part entière, les communes dont :
  a) l'effectif du corps de police répond à la norme minimale de sécurité telle que prévue par l'arrêté royal du 9 mai 1994 relatif au nombre d'emplois à prévoir au cadre organique des fonctionnaires de la police communale;
  b) le corps de police assure, ensemble avec la gendarmerie et, le cas échéant, un ou plusieurs autres corps de la police communale, toutes les tâches de la composante policière de base sur un territoire délimité par le Ministre de l'Intérieur (ZIP), la commune doit donc au minimum avoir conclu une charte de sécurité, approuvée par le Ministre de l'Intérieur.
  Le Ministre de l'Intérieur détermine d'office chaque année et au plus tard le 1er mai de chaque année budgétaire, la liste des communes assurant un service de police à part entière et fait publier cette liste au Moniteur belge.
  Les communes ne figurant pas sur la liste peuvent néanmoins introduire un recours auprès du Ministre de l'Intérieur accompagné de pièces justificatives prouvant que la commune satisfait quand même à la double condition. Le recours doit être introduit par lettre recommandée à la poste endéans les 15 jours suivant la publication de la liste des communes au Moniteur belge.
  Le Ministre de l'Intérieur a trente jours pour se prononcer à titre définitif et si le recours est jugé fondé, la commune est ajoutée à la liste dite des " communes désignées ";
  2. les communes doivent introduire une demande.
  Les demandes doivent être introduites, auprès du Ministère de l'Intérieur, avant le 1er mai de chaque année budgétaire, à l'aide du formulaire de demande annexé à la présente circulaire.
  A défaut de rentrer le formulaire de demande, les communes ne peuvent bénéficier de la subvention et cela même si elles figurent sur la liste des communes assurant un service de police à part entière. C'est pourquoi, il est conseillé aux communes d'introduire leur demande sans attendre la publication au Moniteur belge des " communes désignées ". L'introduction du formulaire de demande atteste que la commune accepte la subvention et s'engage à respecter les dispositions réglementaires (affectation, contrôle, ...).
  II. Mode de répartition du crédit entre les communes bénéficiaires.
  Le crédit annuellement disponible est ventilé entre les communes remplissant les conditions énumérées au point I de la présente circulaire sur base de la clé de répartition suivante :
  - à raison de 1/4 du montant total en divisant la somme par le nombre de communes concernées;
  - à raison des 3/4 de la somme globale selon un coefficient de répartition qui est basé pour 50 % sur le chiffre de la population de la commune et pour 50 % sur les effectifs de la police communale.
  Le chiffre de la population qui est pris en considération est le chiffre publié au Moniteur belge, du 1er janvier de l'année précédant l'année budgétaire concernée.
  Les effectifs à prendre en considération sont également ceux du 1er janvier de l'année précédant l'année budgétaire concernée et sont composés des membres de la police communale en activité de service ou ceux qui y sont assimilés, titulaires en qualité d'aspirant, stagiaire ou agent définitif d'un grade de la hiérarchie des grades prévus aux articles 1er, 2 et 4 de l'arrêté royal du 13 octobre 1986 portant fixation des grades de la police communale.
  III. Procédure d'octroi de l'intervention.
  L'intervention financière est allouée aux communes sous forme d'allocation directe.
  Le montant à attribuer à chaque commune sera fixé par un arrêté ministériel global, publié au Moniteur belge pour chaque année budgétaire, et cela après la clôture de la procédure de recours auprès du Ministre de l'Intérieur.
  IV. Modalités pour l'affectation de l'intervention.
  C'est la commune qui décide librement de l'affectation de la subvention, sans autorisation préalable du Ministre de l'Intérieur ou du Gouverneur de province, dans le respect des principes suivants :
  - l'intervention doit être utilisée pour le soutien du fonctionnement du corps de police à l'exclusion des charges salariales (ex.: armes, uniformes, matériel de bureau, location de matériel, frais d'entretien et de réparation, ...);
  - il ne peut pas y avoir de cumul avec une autre intervention financière de l'Etat. Aussi, l'acquisition d'un même bien ne pourrait être financée à la fois via le " fonds des amendes " et les " droits de tirage "; par contre un choix peut être fait entre le mode de subventionnement le plus intéressant financièrement;
  - l'affectation de la subvention doit se faire dans le respect de la législation sur les marchés publics;
  - la commune bénéficiaire doit pouvoir prouver la destination donnée au subside au plus tard pour la fin de l'année qui suit celle de l'attribution du subside.
  V. Contrôle.
  Le gouverneur de province soumettra les communes ayant obtenu une subvention à une inspection régulière.
  Cette inspection a pour objet de vérifier si l'intervention financière a bien été affectée de façon correcte.
  A cet effet, les communes soumettront sur simple demande du gouverneur de province tous les documents nécessaires et elles lui fourniront toutes les facilités en vue d'effectuer l'inspection sur place.
  VI. Sanctions.
  Le non-respect par les communes des dispositions de l'arrêté royal du 5 juillet 1994 entraîne la récupération intégrale ou partielle de l'intervention financière octroyée à la commune.
  En outre le Ministre de l'Intérieur peut dans ce cas décider de supprimer entièrement ou partiellement la subvention prévue pour l'année budgétaire suivante.
  Je vous prie, Madame, Messieurs les Gouverneurs, de bien vouloir indiquer dans le mémorial administratif la date à laquelle la présente circulaire a été publiée au Moniteur belge.
  Le Ministre,
  L. Tobback.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Formulier (article 226bis NGW. - Koninklijk besluit van 5 juli 1994 (hoofdstuk III)).
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 13-08-1998, blz. 25973).
Art. N. Formulaire (article 226bis NLC - arrêté royal du 5 juillet 1994 (Chapitre III)).
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques. Voir M.B. 13-08-1998, p. 25973).