Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
23 APRIL 1998. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot regeling van de bewapening van de gemeentepolitie.
Titre
23 AVRIL 1998. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 10 avril 1995 réglant l'armement de la police communale.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot regeling van de bewapening van de gemeentepolitie wordt aangevuld met het volgende lid : "De hulpagenten van politie kunnen ook over de bewapening beschikken vermeld in punt c) van het vorige lid".
Article 1. L'article 1er de l'arrêté royal du 10 avril 1995 réglant l'armement de la police communale est complété par l'alinéa suivant : " Les agents auxiliaires de police peuvent disposer également de l'armement prévu au point c) de l'alinéa précédent. ".
Art. 2. In artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In § 1 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid : "De hulpagenten van politie daarentegen mogen tijdens de dienst, en volgens de richtlijnen van de korpschef, de bewapening dragen die hun toevertrouwd wordt in toepassing van artikel 1, laatste lid.".
2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling : "§ 2. Ingeval een politieambtenaar of een hulpagent van politie zich in non-activiteit bevindt of langdurig ziek is, levert hij zijn dienstbewapening in bij de korpschef. De machtiging voorzien in artikel 10 wordt voor de politieambtenaar ingetrokken.".
3° Lid 1 van § 3 wordt vervangen door het volgende lid : "Wanneer het voorhanden hebben of het dragen van de dienstbewapening door een politieambtenaar of een hulpagent van politie een gevaar betekent voor hemzelf of voor derden, kan de korpschef hem tijdelijk zijn dienstbewapening ontnemen en, voor de politieambtenaar, de machtiging voorzien in artikel 10 intrekken".
1° In § 1 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid : "De hulpagenten van politie daarentegen mogen tijdens de dienst, en volgens de richtlijnen van de korpschef, de bewapening dragen die hun toevertrouwd wordt in toepassing van artikel 1, laatste lid.".
2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling : "§ 2. Ingeval een politieambtenaar of een hulpagent van politie zich in non-activiteit bevindt of langdurig ziek is, levert hij zijn dienstbewapening in bij de korpschef. De machtiging voorzien in artikel 10 wordt voor de politieambtenaar ingetrokken.".
3° Lid 1 van § 3 wordt vervangen door het volgende lid : "Wanneer het voorhanden hebben of het dragen van de dienstbewapening door een politieambtenaar of een hulpagent van politie een gevaar betekent voor hemzelf of voor derden, kan de korpschef hem tijdelijk zijn dienstbewapening ontnemen en, voor de politieambtenaar, de machtiging voorzien in artikel 10 intrekken".
Art. 2. Dans l'article 8 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 : " Les agents auxiliaires de police, quant à eux, peuvent porter pendant le service et ce, suivant les directives du chef de corps, l'armement qui leur est confié en application de l'article 1er, dernier alinéa. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante : " § 2. Dans le cas où le fonctionnaire de police ou l'agent auxiliaire de police est en position administrative de non-activité ou en maladie de longue durée, il rend son armement de service au chef de corps. L'autorisation prévue à l'article 10 est retirée au fonctionnaire de police. ";
3° l'alinéa 1er du § 3 est remplacé par l'alinéa suivant : " Quand la détention ou le port de l'armement de service par un fonctionnaire de police ou un agent auxiliaire de police, présente un danger pour lui ou pour des tiers, le chef de corps peut lui retirer temporairement son armement de service ainsi que, pour le fonctionnaire de police, l'autorisation prévue à l'article 10. ".
1° au § 1er, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 : " Les agents auxiliaires de police, quant à eux, peuvent porter pendant le service et ce, suivant les directives du chef de corps, l'armement qui leur est confié en application de l'article 1er, dernier alinéa. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante : " § 2. Dans le cas où le fonctionnaire de police ou l'agent auxiliaire de police est en position administrative de non-activité ou en maladie de longue durée, il rend son armement de service au chef de corps. L'autorisation prévue à l'article 10 est retirée au fonctionnaire de police. ";
3° l'alinéa 1er du § 3 est remplacé par l'alinéa suivant : " Quand la détention ou le port de l'armement de service par un fonctionnaire de police ou un agent auxiliaire de police, présente un danger pour lui ou pour des tiers, le chef de corps peut lui retirer temporairement son armement de service ainsi que, pour le fonctionnaire de police, l'autorisation prévue à l'article 10. ".
Art. 3. In artikel 11 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door het volgende lid : "De politieambtenaren mogen de in de artikelen 1, 2, 5 en 10 bedoelde dienstbewapening bezitten, dragen, vervoeren en gebruiken. De hulpagenten van politie daarentegen mogen de in artikel 1, eerste lid, c, bedoelde dienstbewapening bezitten, dragen, vervoeren en gebruiken".
Art. 3. A l'article 11 du même arrêté, l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant : " Les fonctionnaires de police peuvent détenir, porter, transporter et utiliser l'armement de service visé aux articles 1er, 2, 5 et 10. Les agents auxiliaires de police, quant à eux, peuvent détenir, porter, transporter et utiliser l'armement de service visé à l'article 1er, premier alinéa, c.".
Art. 4. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 23 april 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 23 april 1998.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Art. 4. Notre Ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 23 avril 1998.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 23 avril 1998.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE