Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 JULI 1997. - Omzendbrief B.A. 97/13 betreffende de gemeentebegrotingen voor 1998. - Onderrichtingen ten behoeve van de gemeenten van het Vlaamse Gewest.
Titre
25 JUILLET 1997. - Circulaire B.A. 97/13 concernant les budgets communaux pour 1998. - Instructions en faveur des communes de la Région flamande (TRADUCTION).
Tekst (3)
Texte (1)
Artikel M. Hierna volgen de onderrichtingen die de gemeenten moeten naleven bij het opstellen van de begroting voor 1998.
  Deze omzendbrief is een gecoördineerde versie van alle sinds 1980 aan de gemeenten verstrekte begrotingsonderrichtingen en bevat alle op dit ogenblik nog geldende richtlijnen voor het opstellen van de gemeentebegrotingen, aangevuld met de voor 1998 specifieke onderrichtingen.
  Voor de volgende jaren zal het Vlaamse Gewest gecoördineerde begrotingsonderrichtingen blijven verstrekken zodat de gemeenten en provinciale gouvernementen niet langer rekening moeten houden met niet hernomen bepalingen uit voorgaande omzendbrieven.
  Voor het model van de begroting 1998 en de financiële meerjarenplanning blijft de omzendbrief van 16 juni 1995 van kracht, afgezien van de jaartallen, die vanzelfsprekend ieder jaar moeten worden aangepast. Het bij de begroting voor 1998 horende financieel meerjarenplan bevat op zijn minst de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001.
Article M. (Pour cette circulaire, voir version néerlandaise).
Art. M1. I. Onderrichtingen van algemene aard.
  1.1 Begrotingsevenwicht.
  Het indienen van een sluitende begroting, zowel in de gewone als de buitengewone dienst, wordt opgelegd door art. 252 van de Nieuwe Gemeentewet en de artikelen 7 en 8 van het decreet van 28 april 1993 houdende de regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten.
  Het wettelijk verplichte begrotingsevenwicht blijft uiteraard ook in 1998 de regel, evenals de verplichting om het evenwicht in de meerjarenplanning te bewaren. Gezonde financiën zijn immers een basisvoorwaarde om de autonome bestuurskracht van de gemeenten volledig tot haar recht te laten komen.
  1.2 De totstandkoming en indiening van de gemeentebegroting.
  Artikel 241, § 1., van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de gemeenteraad ieder jaar vergadert op de eerste maandag van oktober om te beraadslagen en te besluiten over de begroting van uitgaven en ontvangsten voor het volgende dienstjaar.
  Het gemeentebestuur heeft er alle belang bij om de begroting tijdig op te maken en in te dienen bij de toezichthoudende overheid. De belangrijkste redenen hiervoor zijn :
  * de beperking tot het strikte minimum van het gebruik van voorlopige kredieten. Deze zijn trouwens enkel mogelijk met betrekking tot de verplichte uitgaven van de gewone dienst;
  * de tijdige goedkeuring van de belastingverordeningen en de vaststelling van de aanslagvoeten van de aanvullende belasting op de personenbelasting en van de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Enkel dan kan de inkohiering en de inning van de belastingen zonder vertraging worden aangevat.
  Ik wijs erop dat onmiddellijk na de aanvaarding van de begroting in de gemeenteraad één exemplaar van de begroting en haar bijlagen moet opgezonden worden naar de administratie voor Binnenlandse Aangelegenheden, Markiesstraat 1, 1000 Brussel.
  De provinciale overheid onderzoekt de gemeentebegrotingen in volgorde van binnenkomst. De begrotingen van de steden die verplichtingen hebben tegenover het Vlaamse Gewest en waarop derhalve een bijzonder toezicht van toepassing is, worden evenwel bij voorrang behandeld.
  Ik verzoek de provinciale gouvernementen om, onmiddellijk na de ontvangst van de begrotingen, na te gaan of de documenten zorgvuldig werden opgemaakt, ook met betrekking tot alle vereiste bijlagen.
  In dat verband verwijs ik naar artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet dat het College van Burgemeester en Schepenen de verplichting oplegt om al die documenten uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin de begroting wordt behandeld, aan alle raadsleden te bezorgen.
  Wanneer aan die verplichting niet werd voldaan of wanneer de begroting of de bijlagen niet behoorlijk zijn ingevuld, moeten de provinciale overheden de voorgelegde stukken zonder enig onderzoek terugzenden.
  Wanneer de provinciale overheid bij het uitoefenen van het toezicht wijzigingen aanbrengt in het corpus van de begroting, moet zij erop letten dat het resultaat van die aanpassingen eveneens op een correcte wijze in de samenvattende tabellen wordt verwerkt.
  1.3 Integraal bij de begroting te voegen bijlagen.
  Ik herinner aan de lijst van de tabellen en bijlagen die integraal deel uitmaken van de begrotingsdocumenten en die aan alle gemeenteraadsleden moeten worden bezorgd, uiterlijk zeven vrije dagen vóór de vergadering waarin de gemeenteraad over de begroting beraadslaagt.
  a) Tabellen
  * tabel 1 : De algemene gegevens betreffende de gemeente
  * tabel 6 : Programma van tijdens het dienstjaar uit te voeren investeringen
  * tabel 7 : Tabel van de gemeenteleningen met samenvatting
  * tabel 8 : Evolutie van de gemeenteschuld
  * tabel 9 : Tabel van het gemeentepersoneel
  * tabel 10 : Tabel van het investeringsfonds
  Opmerking bij de tabellen 7 en 8
  De tabel van de leningen wordt, na de opgenomen en nog op te nemen leningen, aangevuld met een luik Onroerende leasing. Zo wordt een volledig overzicht gegeven van de financiële lasten die wegen of zullen wegen op de gemeentebegroting.
  Dat luik bevat eveneens twee onderdelen :
  * de lopende leasingovereenkomsten
  * de afgesloten en de in het begrotingsjaar af te sluiten leasingovereenkomsten die in het begrotingsjaar zelf nog geen aanleiding tot uitgaven (huurgelden) geven.
  Het luik Onroerende leasing wordt op dezelfde wijze ingevuld als het deel Leningen en bevat dus onder meer :
  functionele code, bestemming, oorspronkelijk bedrag, saldo, aflossing, intrest, enz.
  In de samenvatting worden de aan de onroerende leasing verbonden intresten en aflossingen samengeteld met de leninglasten.
  In de tabel Evolutie van de schuld houdt men eveneens rekening met de lasten die met nieuwe of nog af te sluiten leasingovereenkomsten gepaard gaan.
  In de meerjarenplanning worden de leasingverrichtingen afzonderlijk toegelicht in elk onderdeel waar ze een weerslag hebben.
  b) Afzonderlijke (verplichte) bijlagen
  * het meerjarig financieel beleidsplan
  De meerjarenplanning die bij de begroting 1998 gevoegd wordt, bestrijkt de periode 1998 tot 2001. Voor de gemeenten waarvan de begrotingen onderworpen zijn aan het bijzonder goedkeuringstoezicht van het Vlaamse Gewest, loopt de planning tot 2003.
  Ik vestig er nogmaals de aandacht op dat de meerjarenplanning slechts het beoogde waardevolle beleidsinstrument kan zijn wanneer het document met ernst en nauwgezetheid wordt opgemaakt.
  Veel gemeentebesturen geven nog steeds te weinig toelichtingen bij de meerjarenplanning. Die toelichtingen zijn nochtans essentieel om een juiste beoordeling van de financiële evolutie mogelijk te maken, zeker wanneer de in de meerjarenplanning gebruikte stijgingspercentages afwijken van de in de begrotingsonderrichtingen aanbevolen evolutie.
  Ik wil er ook nog eens op wijzen dat het voor elk jaar in de meerjarenplanning ingeschreven investeringsvolume realistisch moet zijn.
  * het bij artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet bedoelde verslag
  Dit verslag bevat een synthese van het ontwerp van begroting. Het beschrijft bovendien het algemeen en financieel beleid van de gemeente, geeft een overzicht van de toestand van het bestuur en van de gemeentezaken en verschaft eventueel andere nuttige informatie.
  * het advies van de begrotingscommissie, waarvan sprake in artikel 12 van het KB van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit.
  Er moet ten minste voldaan zijn aan de wettelijk gestelde vereisten inzake de samenstelling van de commissie (ten minste de secretaris, de ontvanger en een lid van het college) en de inhoud van het advies (de wettelijkheid en te verwachten financiële weerslag).
  Ik merk hier op dat het advies niet eenparig moet zijn en dat de gemeente, afhankelijk van haar eigen behoeften, naast de in artikel 12 van het algemeen reglement genoemde personen, nog anderen kan aanduiden om in de commissie te zetelen. Ik wijs er wel op dat dit overeenkomstig artikel 120, § 2 van de Nieuwe Gemeentewet uitsluitend behoort tot de bevoegdheden van de gemeenteraad.
  Om moeilijkheden inzake de werking van de begrotingscommissie te vermijden acht ik het bovendien wenselijk om een (beperkt) huishoudelijk reglement op te stellen, waarin eventueel de volgende elementen aan bod kunnen komen :
  - wie zit de commissie voor.
  - op wiens initiatief komt de commissie samen.
  - wie stelt de notulen op.
  - wat wordt minimaal opgenomen in het advies.
  Het advies van de begrotingscommissie kan het best worden opgevat als een beheersinstrument aan de hand waarvan een betere begroting kan worden opgesteld. Ik vestig er nogmaals de aandacht op dat begrotingen die niet vergezeld zijn van dit advies, niet voor goedkeuring door de toezichthoudende overheid in aanmerking komen.
  * het advies van de raden voor cultuurbeleid, dat luidens artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende organisatie van het overleg en de inspraak in het gemeentelijk cultuurbeleid door de gemeentelijke overheden moet worden gevraagd over alle aangelegenheden bedoeld in artikel 4, 1° tot en met 10° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Dat betekent onder meer dat aan de gemeentelijke raden voor cultuurbeleid advies moet worden gevraagd over de aspecten van de ontwerpbegroting die met het cultuurbeleid te maken hebben. Het gemeentebestuur moet tijdig dit advies vragen zodat de normale procedure voor de opmaak en de goedkeuring van de begroting niet wordt vertraagd of bemoeilijkt. De culturele adviesraden brengen een niet bindend advies uit over de genomen beleidslijnen in de ontwerp-begroting. De participatie van de burger in het gemeentelijk beleid kan enkel vergroten door hem een standpunt te laten verwoorden, waarop de gemeenteraad een gemotiveerd antwoord moet geven. Ik wijs er ook op dat de vergaderingen van de raden voor cultuurbeleid openbaar zijn krachtens het artikel 7,4° van het bovenvermelde decreet.
  * het ontwerp van milieujaarprogramma zoals bedoeld in artikel 2.1.26 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (Belgisch Staatsblad van 3 juni 1995) samen met het hierover uitgebrachte advies van de gemeentelijke adviesraad voor milieu en natuur. Deze onderrichting geldt enkel voor de gemeenten die met het Vlaamse Gewest een overeenkomst over het gemeentelijk milieu- en natuurbeleid hebben afgesloten.
  1.4 De begrotingswijzigingen.
  Ingevolge de nieuwe gemeentelijke boekhouding mogen de gemeenten reeds vóór 1 juli een begrotingswijziging doorvoeren. Ik dring er echter op aan om het aantal wijzigingen tot twee te beperken en slechts bij uitzondering een derde begrotingswijziging in te dienen. Veelvuldige en/of omvangrijke begrotingswijzigingen duiden op een onzorgvuldige opmaak van de begrotingsramingen.
  Het is bovendien van belang dat de gemeenten hun begrotingswijzigingen tijdig aannemen en naar de provinciale gouvernementen doorsturen. Laattijdig, d.w.z. na 10 november ingediende wijzigingen, lopen namelijk het gevaar niet meer vóór 31 december te kunnen worden goedgekeurd, zodat een regelmatige vastlegging van de uitgaven in het gedrang komt.
  Volgens artikel 15 van het algemeen reglement op de gemeentecomptabiliteit zijn de begrotingswijzigingen onderworpen aan dezelfde procedures als de oorspronkelijke begroting.
  Dat houdt in dat ook voor de begrotingswijzigingen de goedkeuringstermijnen pas beginnen te lopen als de begrotingswijziging volledig is. Dat betekent onder meer dat ook de begrotingswijzigingen vergezeld moeten zijn van het advies van de begrotingscommissie waarvan sprake is in artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, en van het advies van de raden voor cultuurbeleid bij wijzigingen aan kredieten die met het cultuurbeleid te maken hebben.
  Het meerjarig financieel beleidsplan moet slechts worden herwerkt wanneer de begrotingswijziging een wezenlijke invloed heeft op de volgende dienstjaren. Dat is onder meer het geval wanneer naar aanleiding van een begrotingswijziging het begrotingsresultaat van de afgesloten rekening in het beleidsplan wordt ingeschreven en daardoor het evenwicht in één of meer jaren niet meer kan worden gehandhaafd. De meerjarenplanning moet dan uiteraard worden aangepast om het evenwicht te herstellen.
  Bij beperkte begrotingswijzigingen sturen de gemeenten enkel de (al dan niet gewijzigde) samenvattende tabel van het financieel meerjarenplan mee naar het provinciaal gouvernement.
  1.5. Administratief toezicht en het beroep door de gouverneur.
  Krachtens de bepalingen van het decreet van 28 april 1993 inzake het administratief toezicht beschikt de bestendige deputatie over een termijn van honderd dagen, ingaande de dag na het inkomen van de begroting op het provinciaal gouvernement, om de ingediende begroting goed te keuren.
  Het verstrijken van deze termijn geeft een stilzwijgende goedkeuring aan de begroting, wat niet strookt met de bedoelingen van de decreetgever.
  Ik verzoek daarom het provinciaal college ervoor te zorgen dat het bijzonder goedkeuringstoezicht efficiënt wordt uitgeoefend en in ieder geval binnen de bij het decreet bepaalde termijn.
  Tegelijk verzoek ik mevrouw en de heren gouverneurs beroep aan te tekenen tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring door de bestendige deputatie telkens als :
  * de begroting wordt vastgesteld met een algemeen tekort van de gewone of de buitengewone dienst;
  * het begrotingsevenwicht slechts bereikt wordt door de overschatting van sommige ontvangsten en/of de onderraming van sommige uitgaven;
  * het financieel beleidsplan in één of meerdere jaren een algemeen tekort vertoont of wanneer het beleidsplan onvoldoende nauwkeurig is ingevuld of toegelicht.
  Ten slotte vraag ik mevrouw en de heren gouverneurs om met mijn ambt te overleggen over het eventueel instellen van een beroep indien de bestendige deputatie begrotingen met ernstige tekortkomingen zou goedkeuren.
-
Art. M2. II. Onderrichtingen van bijzondere aard.
  2.1 De fondsen.
  2.1.1 Het Gemeentefonds.
  In de begroting voor 1998 en in de meerjarenplanning schrijven de gemeenten de bedragen in die hen door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden individueel worden meegedeeld.
  De gemeenten die verder plannen dan 2001 passen vanaf 2002 een jaarlijkse verhoging van 2 % toe.
  2.1.2 Het Investeringsfonds.
  In de begroting voor 1998 schrijven de gemeenten het volgende bedrag in :
  bedrag van de definitieve trekkingsrechten voor 1996 x 1,046 (= TR '96 + 4,6 % ).
  In de meerjarenplanning stijgt het geraamde bedrag voor elk bijkomend jaar met 1,5 %. Dat betekent een inschrijving voor de volgende jaren van :
  1999 : TR '96 x 1,061
  2000 : TR '96 x 1,076
  2001 : TR '96 x 1,091
  Ik wens hier tevens de aandacht van de gemeentebesturen erop te vestigen dat zij er alle belang bij hebben om enerzijds de trekkingsrechten op het investeringsfonds goed op te volgen (d.w.z. het verschil tussen de toegekende en de opgevraagde trekkingsrechten) en anderzijds om voor de financiering van welbepaalde buitengewone uitgaven in de begroting effectief trekkingsrechten in te schrijven in plaats van deze rechten grotendeels jaar na jaar op te sparen.
  2.1.3 Het Sociaal Impulsfonds.
  In de begroting voor 1998 worden de trekkingsrechten ingeschreven onder de volgende ontvangstenartikels :
  - gewone dienst : 022/466-08 sociaal impulsfonds
  - buitengewone dienst : 022/665-52 sociaal impulsfonds
  Voor de uitgaven worden de bestaande begrotingsartikels gebruikt.
  De gemeentebesturen schrijven in de begroting enkel de bedragen in van de trekkingsrechten die zij krachtens de goedgekeurde beleidsovereenkomst zullen gebruiken. De trekkingsrechten die het OCMW zal gebruiken komen vanzelfsprekend niet voor in de gemeentebegroting.
  Wanneer het (bijgestuurde) beleidsplan nog niet is goedgekeurd door de Vlaamse regering bij het opstellen van de begroting voor 1998, schrijft de gemeente een realistische raming in. Hieronder verstaat men : een preliminaire verdeling van de middelen tussen gemeente en OCMW zoals vervat in het voorstel van beleidsplan waarover tenminste overeenstemming bestaat tussen het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau.
  Die overeenstemming moet blijken uit een besluit van beide organen waarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de resultaten van het overleg tussen gemeentebestuur en OCMW. In elk geval kan de som van de ramingen, ingeschreven in de respectieve begrotingen van gemeente en OCMW, niet hoger zijn dan het aan het lokaal bestuur voor 1998 meegedeelde bedrag aan trekkingsrechten uit het Sociaal Impulsfonds.
  Het gemeentebestuur moet bij een eerstvolgende begrotingswijziging deze raming vervangen door het bedrag vermeld in de beleidsovereenkomst zoals goedgekeurd door de Vlaamse regering of de bevoegde ministers. Als er op dat ogenblik nog geen goedgekeurde beleidsovereenkomst bestaat, blijft de eerst ingeschreven raming behouden.
  Aangezien de ontvangsten pas als een invorderingsrecht kunnen worden ingeschreven op het ogenblik dat ook de overeenkomstige uitgaven worden vastgelegd, worden de ontvangen bedragen waarvoor nog geen uitgaven werden vastgelegd, in de algemene boekhouding geboekt op een wachtrekening met algemeen nummer 49700 (te ventileren inningen). De vastlegging van de uitgaven gebeurt in de budgettaire boekhouding op de begrotingsartikels die op de respectieve uitgaven betrekking hebben.
  Gelijktijdig met de vastlegging van de uitgaven en in de mate dat de subsidie reeds werd geïnd, wordt de bovenvermelde wachtrekening gedebiteerd en gebeurt er een inschrijving op het begrotingsartikel van het Sociaal Impulsfonds. Naargelang het een verrichting in de gewone of de buitengewone dienst betreft, wordt daarbij gebruik gemaakt van het begrotingsartikel 022/466-08 of 022/665-52.
  Het gedeelte van de ontvangen trekkingsrechten waarvoor in 1997 nog geen uitgaven werden vastgelegd, moet in 1998 opnieuw als ontvangst ingeschreven worden in de tabel vorige dienstjaren van de begroting.
  Als de gemeente in 1998 uitgaven prefinanciert voor een gedeelte van de trekkingsrechten die zij pas zal ontvangen in 1999, wordt het geprefinancierde deel alleen ingeschreven aan uitgavenzijde. In 1999 wordt dat bedrag dan als een ontvangst ingeschreven in de tabel vorige dienstjaren van de begroting, zonder dat daar in die begroting uitgaven tegenover staan. Ik wijs erop dat de prefinanciering van uitgaven die later gefinancierd zullen worden met trekkingsrechten uit het SIF, slechts toegelaten is met eigen middelen en voor zover daarin voorzien is in de beleidsovereenkomst.
  2.1.4 De compensatie voor de derving van opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  Deze compensatie is afhankelijk van de aard van de vrijgestelde eigendommen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. De eigendommen van Gemeenschappen en Gewesten, van regionale instellingen van openbaar nut en van regionale overheidsbedrijven komen sinds 1994 niet meer voor compensatie in aanmerking. Anderzijds dekt het bijzonder krediet ter compensatie van niet-geïnde opcentiemen voor eigendommen vrijgesteld van onroerende voorheffing vanaf 1994 ten minste 72 % van de gederfde opcentiemen.
  Indien de gemeenten op het ogenblik van de opmaak van hun begroting de compensatie kennen die hen voor 1997 is toegekend (de koninklijke besluiten tot berekening en verdeling van het bijzonder krediet voor een bepaald jaar worden doorgaans tegen het einde van dat jaar getroffen), schrijven zij hetzelfde bedrag in voor 1998. Is dat niet het geval, dan behouden zij het voor 1996 ingeschreven bedrag.
  2.2 Fiscaliteit.
  Ik dring er vooreerst in het belang van de rechtszekerheid van de belastingplichtigen op aan dat de belastingreglementen tijdig, dat wil zeggen uiterlijk in de eerste maanden van het dienstjaar, goedgekeurd worden in de gemeenteraad.
  Voorts hebben de gemeentebesturen er alle belang bij om de besluiten betreffende de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing zo vlug mogelijk aan de provinciegouverneur te bezorgen, zodat de administratie der Directe Belastingen de inkohieringen zo snel mogelijk kan aanvatten.
  Dat geldt ook voor de wijzigingen die in de loop van het dienstjaar aan deze besluiten worden aangebracht : de federale administratie houdt namelijk enkel rekening met de aanslagvoeten die het provinciebestuur haar officieel meedeelt.
  2.2.1 De aanvullende belasting op de personenbelasting.
  De gemeenten die op het ogenblik van het opmaken van hun begroting nog niet beschikken over de raming van de netto-opbrengst van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting zoals meegedeeld door het Ministerie van Financiën, mogen in hun begroting een bedrag inschrijven dat gelijk is aan het voor 1997 laatst ingeschreven bedrag (op basis van de ramingen meegedeeld door het ministerie van Financiën), vermeerderd met 2 %. De door het federale ministerie geraamde opbrengst zal normaal midden oktober aan de gemeenten worden meegedeeld.
  Indien in de loop van 1998 andere ramingen worden meegedeeld door het ministerie van Financiën, kunnen de gemeenten, behoudens andersluidende onderrichtingen van mijnentwege, deze aangepaste ramingen verwerken ter gelegenheid van een begrotingswijziging.
  In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de aanvullende belasting op de personenbelasting, bij gelijkblijvende aanslagvoet, op maximum 2 %.
  Gemeenten die hun aanslagvoet wijzigen, schrijven een opbrengst in die overeenstemt met het door het ministerie van Financiën herberekende en meegedeelde bedrag.
  Behoudens wanneer de ramingen van het Ministerie van Financiën werden ontvangen kunnen zowel in de begroting als in de meerjarenplanning een lager stijgingspercentage dan 2 % worden opgenomen teneinde rekening te houden met de evolutie van de sociaal-economische toestand in de gemeente. In voorkomend geval zal de nodige toelichting worden verstrekt.
  2.2.2 De opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  De opbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor 1998 wordt als volgt geraamd :
-
  KI 1996
  

Modifications

x inkohieringen 1996 x 1,02
KI 1995
(KI = het niet-geindexeerd kadastraal inkomen)
-
  Als het aantal opcentiemen voor 1998 gewijzigd wordt ten opzichte van het aantal in 1996 geheven opcentiemen, dan moet de hierboven verkregen uitkomst nog vermenigvuldigd worden met het resultaat van de breuk :
-
  aantal opcentiemen 1998
  

Modifications

aantal opcentiemen 1996
-
  In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing, bij gelijkblijvende aanslagvoet, op maximum 3 %.
  2.2.3 Heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen.
  Het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap voor 1996 (BS van 30 december 1995) voerde een gewestelijke heffing in ter bestrijding en verkrotting van gebouwen en woningen.
  De gemeenten waarin alleen deze gewestelijke heffing van toepassing is, dienen hiervoor niet in een afzonderlijk begrotingsartikel te voorzien, aangezien de opbrengst van de gewestelijke heffing op het niveau van het Vlaamse Gewest bij de middelen van het Sociaal Impulsfonds wordt gevoegd en volgens de daar geldende criteria onder de gemeenten wordt verdeeld.
  Gemeenten die daarenboven nog opcentiemen op de gewestelijke belasting heffen, schrijven, in afwachting van een ministerieel besluit terzake, de daaruit resulterende opbrengsten in onder het nieuwe artikel 040/377-02. De datum van ontvangst van de desbetreffende opbrengsten bepaalt het dienstjaar.
  Indien de gemeente een eigen reglement heeft, boekt zij de opbrengst van deze belasting op het artikel 040/367-15.
  De vergoeding welke de gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze ter uitvoering van het decreet maken worden geboekt op artikel 040/465.01.
  2.3. De uitgaven van de gewone dienst.
  2.3.1. De personeelsuitgaven.
  Gelet op de verschillende data waarop de gemeenten de sectorale akkoorden toepassen en gelet op de mogelijke spreiding in de tijd kan geen algemeen stijgingspercentage van de personeelsuitgaven worden meegedeeld.
  De gemeenten dienen in elk geval rekening te houden met de volgende factoren :
  * de reële of de waarschijnlijke stijging of daling van het aantal personeelsleden;
  * de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen (gezondheids-index);
  * de toekenning van de periodieke verhogingen, rekening houdend met het tijdstip waarop deze worden toegekend;
  * de evolutie in de bijdragen voor de sociale zekerheid;
  * de CAO-bepalingen en meer in het bijzonder de algemene weddeschaalherziening, uiteraard met inbegrip van de inschakelingsmodaliteiten naar het nieuwe stelsel en de doorstroming in de functionele loopbaan.
  2.3.1.1 het indexcijfer der consumptieprijzen.
  Ingevolge de geplande indexverhoging op 1 september 1997 in plaats van de voorziene maar niet uitgevoerde indexverhoging op 1 april van dit jaar en de te verwachten indexstijging op 1 september 1998, stijgen de totale personeelsuitgaven voor 1998 met 1,17 % tegenover de geraamde personeelskosten voor 1997.
  In 1997 werden de personeelskosten namelijk met 5 maanden overraamd (indexverhoging op 1 september i.p.v. 1 april), dat betekent een correctie van :
  0,02 x 0,08333 x 5 = 0,008333 (waarbij 0,08333 = 1/12)
  Dus : raming 1998
  = raming 1997 x (0,02 - 0,008333)
  = raming 1997 x 0,01166
  Afgerond : + 1,17 % t.o.v. 1997
  2.3.1.2 de toepassing van de algemene weddeschaalherziening.
  Omdat de algemene weddeschaalherziening geen lineaire verhoging inhoudt van alle wedden, maar een totaal nieuw baremastelsel invoert voor de lokale besturen, moeten de gemeenten individueel de financiële gevolgen van de toepassing van de sectorale akkoorden berekenen.
  Bij de raming zal men rekening houden met de datum van inschakeling en met het eventueel toepassen van een verkorte evaluatieperiode. De besturen die in 1997 inschakelden, dienen te onderzoeken welke weddeverhogingen in 1998, als gevolg van een verkorte evaluatieperiode, worden doorgevoerd.
  De besturen die in 1998 zullen inschakelen doen dit op basis van de inschakelingstabel, waarbij tevens wordt onderzocht of, ingevolge een verkorte evaluatieperiode, nog bijkomende weddeverhogingen in 1998 worden toegekend.
  De gemeenten dienen de financiële weerslag van de weddeschaalherziening zo nauwkeurig mogelijk in de begroting te verwerken, gelet op de uitermate belangrijke gevolgen ervan voor de meerjarenplanning.
  Als algemene regel kan in de meerjarenplanning een groeivoet van 2 % (inclusief indexaanpassing) worden gehanteerd voor de gemeenten die reeds inschakelden, en 3 % (inclusief indexaanpassing) voor de overige gemeenten. Gelet op het grote belang van de weddeschaalherziening moeten steeds de nodige toelichtingen worden verstrekt.
  2.3.1.3 inschrijving van ontvangsten en uitgaven m.b.t. wedden van onderwijspersoneel.
  Krachtens artikel 72 van het KB van 2 augustus 1990 houdende het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, zijn de gemeenten verplicht de wedden van hun onderwijzend personeel die als tegenwaarde van de gewone toelagen rechtstreeks aan de belanghebbenden worden betaald, gelijktijdig als uitgave en als ontvangst te boeken.
  2.3.1.4 voorzieningen voor toekomstige pensioenlasten.
  Zoals alle overheden worden ook de lokale besturen in een steeds toenemende mate geconfronteerd met een zich uitbreidende groep van gepensioneerde werknemers en een verhoging van de bijdragevoet voor pensioenlasten.
  Het is daarom wenselijk dat ook de gemeentebesturen even stilstaan bij de pensioenproblematiek en onderzoeken in welke mate de pensioenlasten in de toekomst de gemeentebegrotingen zullen bezwaren. Vertrekkende van de resultaten van dat onderzoek en de gemeentelijke autonomie daarbij in acht genomen, beveel ik de gemeentebesturen aan dat zij, waar nodig, tijdig voorzieningen zouden treffen (vb. aanleg van een buitengewoon reservefonds) om op termijn de aanwassende pensioenlasten het hoofd te kunnen bieden. Dergelijke maatregelen getuigen immers niet alleen van vooruitziendheid maar ook van solidariteit tussen opeenvolgende generaties van beleidsverantwoordelijken.
  2.3.2. De werkingskosten.
  Bij gelijkblijvend beleid wordt de normale stijging van de werkingskosten op 2 % per jaar geraamd.
  De gemeenten mogen hiervan afwijkende bedragen in hun begroting en meerjarenplanning inschrijven. In voorkomend geval moeten de nodige toelichtingen worden verstrekt.
  2.3.3. De overdrachten.
  2.3.3.1 het OCMW.
  De werkingstoelage aan het OCMW is gelijk aan het in de goedgekeurde begroting van het OCMW ingeschreven werkingstekort. Dit is een wettelijke verplichting.
  Gelet op de motiveringsplicht moet de gemeenteraad de besluiten tot niet-goedkeuring of tot wijziging van de OCMW-begroting degelijk motiveren.
  2.3.3.2 de ziekenhuistekorten.
  Het voor 1998 in te schrijven bedrag wordt gevormd door het tekort of de tekorten die waarschijnlijk in 1998 ambtshalve van de rekening van de gemeente worden afgehouden. De raming gebeurt op basis van de gegevens verstrekt door het openbaar ziekenhuis.
  De gemeenten die nog belangrijke ziekenhuistekorten van vorige jaren moeten vereffenen, mogen een voorschot van 80 % op het exploitatietekort toestaan en dat voorschot als een vastgelegde uitgave in de rekening boeken.
  In de meerjarenplanning worden zowel met betrekking tot de evolutie van de werkingstoelage aan het OCMW als van de ziekenhuistekorten de nodige toelichtingen verstrekt. Gemeenten met een OCMW dat reeds een eigen meerjarig beleidsplan opmaakt, schrijven in de gemeentelijke meerjarenplanning dezelfde werkingstekorten in als in het OCMW-beleidsplan.
  2.3.3.3 subsidies aan gemeentelijke VZW.'s.
  Het komt aan de democratisch verkozen raden van de gemeenten toe om zelf de gemeentelijke aangelegenheden te regelen. Ik verwijs in dit verband naar de omzendbrief BA 93/03 van 21 april 1993 met betrekking tot de problematiek van de uitoefening van het gemeentelijk beleid via zogenaamde para-gemeentelijke VZW.'s. In deze omzendbrief werd bepaald dat gemeenten enkel nog toelagen van meer dan 100.000 frank aan zulke VZW.'s kunnen verstrekken voor zover een aantal minimale bepalingen worden nageleefd die eigen zijn aan de uitoefening van het openbaar bestuur.
  Met het oog op een correcte toepassing van die omzendbrief en het behoud van de openbaarheid van bestuur en de democratische controle van de verkozen raadsleden voegen de gemeenten, ter verantwoording, een afzonderlijke lijst bij hun begroting waarin de verenigingen zijn opgenomen die een gemeentelijke toelage van meer dan 100.000 frank ontvangen. Andere nuttige documenten zoals uittreksels uit statuten, overeenkomsten of concessies worden ter inzage gelaten in het gemeentehuis en kunnen desgevallend door de toezichthoudende overheid worden opgevraagd.
  Ik wijs terzake ook op de bepalingen van de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en de aanwending van sommige toelagen, die ook van toepassing is op de door de gemeenten gesubsidieerde rechtspersonen.
  2.3.4. De schulduitgaven.
  Voor de leningen die in 1998 worden afgesloten of herzien, gelden de volgende rentevoeten :
-
  duur van de          vijfjaarlijkse           driejaarlijkse
  lening               herziening               herziening
-
  max. 5 jaar           5,45 %                     4,80 %
  max. 10 jaar          5,50 %                     4,85 %
  max. 20 jaar          5,55 %                     4,90 %
  max. 30 jaar          6,05 %                     5,40 %
-
  Voor de nieuwe leningen schrijft men in de begroting voor 1998 een intrestlast van zes maanden in. Voor de terugbetaling van kapitaal wordt geen krediet uitgetrokken.
  2.3.5 Overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst.
  Overboekingen van de gewone naar de buitengewone dienst moeten altijd volledig worden uitgevoerd tijdens het dienstjaar, d.w.z. :
  * vastlegging en aanrekening van de uitgave op de gewone dienst, en
  * vaststelling van het recht op de buitengewone dienst
  Een eventueel overschot dat ontstaat op de buitengewone dienst (indien de aanrekeningen op de buitengewone dienst voor de investeringsuitgaven uiteindelijk kleiner zijn dan de vastgelegde bedragen) kan de gemeenteraad bestemmen voor het financieren van andere buitengewone uitgaven.
  Ik verzoek de gemeenten deze onderrichtingen strikt op te volgen.
  2.4 De buitengewone dienst.
  2.4.1 niet tijdig goedgekeurde leningen.
  Leningen die niet voor het jaareinde door de gemeenteraad zijn goedgekeurd en waarvoor dus geen invorderingsrecht kan worden geboekt, worden in de begroting van het volgende dienstjaar ingeschreven onder het hoofdstuk " vorige dienstjaren " (artikel 02).
  2.4.2 schuldherschikkingen.
  Ik herinner eraan dat, overeenkomstig artikel 22 van het decreet van 28 april 1993 houdende het administratief toezicht op de gemeenten, de besluiten van de gemeenteraad waardoor de financiële lasten van opgenomen leningen worden herschikt, binnen een termijn van 20 dagen ingaande op het treffen ervan, ter goedkeuring aan de Vlaamse regering moeten worden voorgelegd.
  2.5 De invoering van de Euro.
  Op 1 januari 1999 wordt de Euro de eenheidsmunt van de lidstaten die tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) zullen behoren. Het is waarschijnlijk dat ook België op die datum tot de EMU zal toetreden. Regionale, provinciale en lokale overheden worden dus onvermijdelijk met de problematiek van de invoering van de euro geconfronteerd.
  Bij de invoering van de Euro onderscheidt men 2 periodes :
  * de overgangsfase : van 1 januari 1999 tot 31 december 2001;
  * de definitieve fase : vanaf 1 januari 2002.
  Tijdens de overgangsfase zal de Euro reeds bestaan in het giraal geldverkeer maar nog niet onder de vorm van biljetten en munten.
  De gemeentebegrotingen blijven tijdens de overgangsperiode nog in BEF opgesteld. Concreet betekent dat :
  * opstellen van de begroting 2002 in Euro (inclusief de vergelijkende cijfers voor 2001 en 2000);
  * opstellen rekening 2001 in Belgische frank (begrotingsrekeningen, jaarrekeningen).
  Toch zal men reeds in de begroting voor 1998 moeten rekening houden met de nodige financiële middelen die de voorbereiding van de Euro vergt. De kostprijs ervan moet uiteraard zo nauwkeurig mogelijk worden geraamd. Zo dienen de gemeentebesturen onder meer rekening te houden met de volgende elementen :
  * vanaf 1 januari 1999 moeten zij in staat zijn om financiële informatie in Euro aan te nemen van particulieren of ondernemingen die dat wensen, althans voor zover deze betrekking heeft op feiten vanaf die datum. Dat betekent onder andere dat de door hen beschikbaar gestelde formulieren of documenten waarop inlichtingen worden verstrekt of gevraagd, zo zijn opgesteld dat ze naar keuze van de klant in BEF of in Euro kunnen worden ingevuld (vb. aanslagformulieren voor belastingen);
  * noodzakelijke aanpassingen aan de informaticatoepassingen : de verwachting bestaat namelijk dat de meeste gangbare systemen niet geschikt zullen zijn voor de verwerking van twee verschillende munteenheden en de berekeningen met cijfers na de komma. Bovendien mogen eveneens de problemen met betrekking tot de invoering van het jaar 2000 in de bestaande informaticasystemen niet worden onderschat.
  Met betrekking tot de invoering van de Euro zullen in het najaar van 1997 aan de gemeenten meer specifieke onderrichtingen worden verstrekt.
  2.6 Beoordeling van de financiële toestand van de gemeenten.
  Ter gelegenheid van het opmaken van de begroting voor het jaar 1998 wens ik hier in herinnering te brengen dat, in mijn opdracht, door de Vlerick School voor Management (universiteit Gent) een instrumentarium ter beoordeling van de financiële toestand van een gemeente werd ontwikkeld. De nodige vorming hieromtrent werd voorzien. Het in deze studie aangereikte systeem van financiële analyse kan een belangrijke informatiebron en hulpmiddel zijn om op basis van de jaarrekening 1996 van de gemeente het ontvangsten- en uitgavenbeleid waar nodig bij te sturen.
  De aangereikte analysetechnieken kunnen eveneens toegepast worden op de (ontwerp-)begroting.
  Ik beveel de gemeente aan om van dit instrument gebruik te maken en aldus een beter inzicht te verwerven in de eigen financiële toestand.
  * * *
  Mijn administratie voor Binnenlandse Aangelegenheden alsmede de diensten van de provinciale gouvernementen staan steeds ter beschikking voor verdere toelichting in verband met deze omzendbrief.
  Ik verzoek u, mevrouw, mijnheer de gouverneur, de gemeentebesturen kennis te geven van deze omzendbrief door een spoedige publicatie in het bestuursmemoriaal.
  Volledigheidshalve zend ik aan alle gemeentebesturen rechtstreeks een afschrift van deze omzendbrief.
  De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting,
  L. PEETERS
-