Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 MEI 1997. - Omzendbrief. - Relatie tussen de burgemeester en de rijkswacht.
Titre
29 MAI 1997. - Circulaire. - Relations entre le bourgmestre et la gendarmerie.
Informations sur le document
Numac: 1997801919
Datum: 1997-05-29
Info du document
Numac: 1997801919
Date: 1997-05-29
Tekst (20)
Texte (20)
Artikel M. (Om technische redenen wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen : Art. M1-M4).
Article M. (Pour des raisons techniques, cette circulaire a été subdivisée en articles fictifs : M1 - 2M4).
Art. M1. 1. Uitgangspunten.
Art. M1. 1. Principes.
Art. 1M 1. 1.1. De burgemeester is de spilfiguur inzake het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Tot de wet van 3 april 1997 was dit principe niet expliciet vermeld in de wet. Wel kon het worden afgeleid uit de hoofdstukken III en IV van titel II van de Nieuwe gemeentewet (N.Gem.W.). Immers, op grond van artikel 133 N.Gem.W. is de burgemeester in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, de politiedecreten, de politieordonnaties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Bovendien kan hij, onder bepaalde voorwaarden, op grond van artikel 134, § 1, N.Gem.W. zelf politieverordeningen maken. Inhoudelijk worden de taken van de gemeente inzake bestuurlijke politie gedefinieerd in artikel 135, § 2, N.Gem.W. In dat raam moet ook worden verwezen naar het decreet van 10 vendémiaire jaar IV (2 oktober 1795) betreffende de politie van de gemeenten, dat o.a. de aansprakelijkheid regelt van de gemeenten voor de schade veroorzaakt door misdrijven gepleegd n.a.v. samenscholingen of bijeenkomsten.
Voor het uitoefenen van zijn verantwoordelijkheid beschikt de burgemeester over de gemeentepolitie. Hij is het hoofd van de gemeentepolitie in de uitoefening van haar opdrachten van bestuurlijke politie (artikel 172, § 1, N.Gem.W.). Dit wil zeggen dat hij in het raam van de bestuurlijke politie het hiërarchisch gezag heeft over de gemeentepolitie. Hij kan haar dus in werking stellen door middel van bevelen en kan haar onderrichtingen geven.
De dagelijkse leiding, de organisatie en de verdeling van de taken van het politiekorps berusten bij de korpschef (artikel 171bis, N.Gem.W.). De burgemeester richt zijn bevelen hieromtrent en omtrent de opdrachten van bestuurlijke politie aan de korpschef.
Tot de wet van 3 april 1997 was dit principe niet expliciet vermeld in de wet. Wel kon het worden afgeleid uit de hoofdstukken III en IV van titel II van de Nieuwe gemeentewet (N.Gem.W.). Immers, op grond van artikel 133 N.Gem.W. is de burgemeester in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, de politiedecreten, de politieordonnaties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Bovendien kan hij, onder bepaalde voorwaarden, op grond van artikel 134, § 1, N.Gem.W. zelf politieverordeningen maken. Inhoudelijk worden de taken van de gemeente inzake bestuurlijke politie gedefinieerd in artikel 135, § 2, N.Gem.W. In dat raam moet ook worden verwezen naar het decreet van 10 vendémiaire jaar IV (2 oktober 1795) betreffende de politie van de gemeenten, dat o.a. de aansprakelijkheid regelt van de gemeenten voor de schade veroorzaakt door misdrijven gepleegd n.a.v. samenscholingen of bijeenkomsten.
Voor het uitoefenen van zijn verantwoordelijkheid beschikt de burgemeester over de gemeentepolitie. Hij is het hoofd van de gemeentepolitie in de uitoefening van haar opdrachten van bestuurlijke politie (artikel 172, § 1, N.Gem.W.). Dit wil zeggen dat hij in het raam van de bestuurlijke politie het hiërarchisch gezag heeft over de gemeentepolitie. Hij kan haar dus in werking stellen door middel van bevelen en kan haar onderrichtingen geven.
De dagelijkse leiding, de organisatie en de verdeling van de taken van het politiekorps berusten bij de korpschef (artikel 171bis, N.Gem.W.). De burgemeester richt zijn bevelen hieromtrent en omtrent de opdrachten van bestuurlijke politie aan de korpschef.
Art. 1M 1. 1.1. Le bourgmestre est la figure-clé en matière de la politique communale de sécurité.
Jusqu'à la loi du 3 avril 1997 ce principe ne figurait pas expressément dans la loi. Il pouvait toutefois être déduit des Chapitres III et IV du Titre II de la nouvelle loi communale (NLC). Sur la base de l'article 133 NLC, le bourgmestre est en effet chargé notamment de l'exécution des lois de police, des décrets de police, des ordonnances de police, des règlements de police et des arrêtés de police. En outre, il peut, sous certaines conditions, sur la base de l'article 134, § 1, NLC, édicter lui-même des règlements de police. Quant à leur contenu, les tâches de la commune en matière de police administrative sont définies à l'article 135, § 2, NLC. Dans ce cadre il convient de rappeler également le décret du 10 vendémiaire an IV (2 octobre 1795) sur la police intérieure des communes, qui règle notamment la responsabilité de la commune pour les dommages causés par des délits commis à l'occasion d'attroupements ou rassemblements.
Pour l'exercice de sa responsabilité, le bourgmestre dispose de la police communale. Il est le chef de la police communale dans l'exercice de ses missions de police administrative (article 172, § 1, NLC). Ceci signifie qu'il exerce l'autorité hiérarchique sur la police communale dans le cadre de la police administrative. Il peut donc la mettre en oeuvre au moyen d'ordres et lui donner des instructions.
La direction journalière, l'organisation et la répartition des tâches du corps de police relèvent du chef de corps (article 171bis NLC). Le bourgmestre adresse ses ordres en la matière de même que ceux qui concernent les missions de police administrative, au chef de corps.
Jusqu'à la loi du 3 avril 1997 ce principe ne figurait pas expressément dans la loi. Il pouvait toutefois être déduit des Chapitres III et IV du Titre II de la nouvelle loi communale (NLC). Sur la base de l'article 133 NLC, le bourgmestre est en effet chargé notamment de l'exécution des lois de police, des décrets de police, des ordonnances de police, des règlements de police et des arrêtés de police. En outre, il peut, sous certaines conditions, sur la base de l'article 134, § 1, NLC, édicter lui-même des règlements de police. Quant à leur contenu, les tâches de la commune en matière de police administrative sont définies à l'article 135, § 2, NLC. Dans ce cadre il convient de rappeler également le décret du 10 vendémiaire an IV (2 octobre 1795) sur la police intérieure des communes, qui règle notamment la responsabilité de la commune pour les dommages causés par des délits commis à l'occasion d'attroupements ou rassemblements.
Pour l'exercice de sa responsabilité, le bourgmestre dispose de la police communale. Il est le chef de la police communale dans l'exercice de ses missions de police administrative (article 172, § 1, NLC). Ceci signifie qu'il exerce l'autorité hiérarchique sur la police communale dans le cadre de la police administrative. Il peut donc la mettre en oeuvre au moyen d'ordres et lui donner des instructions.
La direction journalière, l'organisation et la répartition des tâches du corps de police relèvent du chef de corps (article 171bis NLC). Le bourgmestre adresse ses ordres en la matière de même que ceux qui concernent les missions de police administrative, au chef de corps.
Art. 2M 1. 1.2. De rijkswacht is een federale, algemene politiedienst, bevoegd over het gehele grondgebied van het Rijk voor de bestuurlijke politie en de gerechtelijke politie. Zij is lokaal ingeplant door middel van brigades en districten. Haar bevoegdheden put zij uit de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en tal van andere bijzondere wetten.
Als federale algemene politiedienst is het de taak van de rijkswacht fundamenteel bij te dragen tot het bevorderen van de openbare rust, veiligheid en gezondheid, in het bijzonder door te zorgen voor een harmonisch verloop van het leven in gemeenschap, de problemen inzake veiligheid te voorkomen, op te lossen of te beheersen en de burger te beschermen, te helpen en gerust te stellen.
Deze missie vult zij in door het ontwikkelen van o.a. de basispolitiezorg en de gespecialiseerde politiezorg.
De basispolitiezorg houdt in dat de rijkswacht in overleg en samen met alle betrokken partijen een politiezorg op maat organiseert voor de lokale leefgemeenschap.
Inzake bestuurlijke politie, wordt die basiscomponent van de politiezorg door artikel 14 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt toevertrouwd aan de gemeentepolitie en de rijkswacht op basis van gelijkwaardigheid. Een politiezorg op maat impliceert derhalve een goede samenwerking tussen en coördinatie van die twee politiediensten en moet er in elk geval toe leiden dat, via sluitende afspraken, elke vorm van dubbel gebruik of overlapping vermeden wordt.
De gespecialiseerde politiezorg, als onderdeel van de aanvullende component zoals omschreven in de omzendbrief IPZ 1, Belgisch Staatsblad , 29 december 1995, p. 35008 e.v., heeft betrekking op de effectieve beheersing van een aantal maatschappij-ontwrichtende problemen waarachter meer georganiseerde vormen van criminaliteit schuil gaan en die als federale prioriteiten worden beschouwd (voorbeelden : drugs, mensenhandel, hormonen, financieel-economische criminaliteit). Ook de gerechtelijke politie bij de parketten werkt in dit domein zodat een duidelijke specialisatie, coördinatie en samenwerking tussen de gerechtelijke politie bij de parketten en de rijkswacht noodzakelijk zijn. Dit wordt geregeld door de richtlijn van de Minister van Justitie van 21 februari 1997 tot regeling van de samenwerking en coördinatie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie tussen de politiediensten. Wat bovendien de lokale uitingen van de federale prioriteiten betreft, is, net zoals inzake de basispolitiezorg, een coördinatie vereist tussen de gemeentepolitie en de rijkswacht.
Voor het uitoefenen van haar opdrachten staat de rijkswacht onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken. Zij staat evenwel onder het gezag van de Minister van Justitie wat de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie, de politie van de hoven en rechtbanken, de politie van de gevangenissen en de overbrenging van gevangenen betreft.
Dit gezag is hiërarchisch in die zin dat, wat de uitvoering van de opdrachten betreft, deze ministers elk binnen hun bevoegdheidsdomein, bevelen en onderrichtingen kunnen geven.
Daarnaast beschikken op het vlak van de algemene bestuurlijke politie de provinciegouverneur, de arrondissementscommissaris en de burgemeester over de bevoegdheid de rijkswacht te vorderen (infra 3.4.).
Een vordering geeft de overheden en de ambtenaren die geen hiërarchisch gezag hebben over de rijkswacht en waarvan de eigen mogelijkheden en middelen onvoldoende of onaangepast zijn, de bevoegdheid die dienst, en in voorkomend geval de leden ervan, te verplichten hun medewerking te verlenen aan de materiële uitvoering van de beslissingen die door die overheden worden genomen.
Als federale algemene politiedienst is het de taak van de rijkswacht fundamenteel bij te dragen tot het bevorderen van de openbare rust, veiligheid en gezondheid, in het bijzonder door te zorgen voor een harmonisch verloop van het leven in gemeenschap, de problemen inzake veiligheid te voorkomen, op te lossen of te beheersen en de burger te beschermen, te helpen en gerust te stellen.
Deze missie vult zij in door het ontwikkelen van o.a. de basispolitiezorg en de gespecialiseerde politiezorg.
De basispolitiezorg houdt in dat de rijkswacht in overleg en samen met alle betrokken partijen een politiezorg op maat organiseert voor de lokale leefgemeenschap.
Inzake bestuurlijke politie, wordt die basiscomponent van de politiezorg door artikel 14 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt toevertrouwd aan de gemeentepolitie en de rijkswacht op basis van gelijkwaardigheid. Een politiezorg op maat impliceert derhalve een goede samenwerking tussen en coördinatie van die twee politiediensten en moet er in elk geval toe leiden dat, via sluitende afspraken, elke vorm van dubbel gebruik of overlapping vermeden wordt.
De gespecialiseerde politiezorg, als onderdeel van de aanvullende component zoals omschreven in de omzendbrief IPZ 1, Belgisch Staatsblad , 29 december 1995, p. 35008 e.v., heeft betrekking op de effectieve beheersing van een aantal maatschappij-ontwrichtende problemen waarachter meer georganiseerde vormen van criminaliteit schuil gaan en die als federale prioriteiten worden beschouwd (voorbeelden : drugs, mensenhandel, hormonen, financieel-economische criminaliteit). Ook de gerechtelijke politie bij de parketten werkt in dit domein zodat een duidelijke specialisatie, coördinatie en samenwerking tussen de gerechtelijke politie bij de parketten en de rijkswacht noodzakelijk zijn. Dit wordt geregeld door de richtlijn van de Minister van Justitie van 21 februari 1997 tot regeling van de samenwerking en coördinatie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie tussen de politiediensten. Wat bovendien de lokale uitingen van de federale prioriteiten betreft, is, net zoals inzake de basispolitiezorg, een coördinatie vereist tussen de gemeentepolitie en de rijkswacht.
Voor het uitoefenen van haar opdrachten staat de rijkswacht onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken. Zij staat evenwel onder het gezag van de Minister van Justitie wat de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie, de politie van de hoven en rechtbanken, de politie van de gevangenissen en de overbrenging van gevangenen betreft.
Dit gezag is hiërarchisch in die zin dat, wat de uitvoering van de opdrachten betreft, deze ministers elk binnen hun bevoegdheidsdomein, bevelen en onderrichtingen kunnen geven.
Daarnaast beschikken op het vlak van de algemene bestuurlijke politie de provinciegouverneur, de arrondissementscommissaris en de burgemeester over de bevoegdheid de rijkswacht te vorderen (infra 3.4.).
Een vordering geeft de overheden en de ambtenaren die geen hiërarchisch gezag hebben over de rijkswacht en waarvan de eigen mogelijkheden en middelen onvoldoende of onaangepast zijn, de bevoegdheid die dienst, en in voorkomend geval de leden ervan, te verplichten hun medewerking te verlenen aan de materiële uitvoering van de beslissingen die door die overheden worden genomen.
Art. 2M 1. 1.2. La gendarmerie est un service de police générale fédéral compétent sur l'ensemble du territoire du Royaume pour la police administrative et la police judiciaire. Les brigades et districts consacrent son implantation locale. Elle tire ses compétences de la loi du 2 décembre 1957 sur la gendarmerie, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, et de nombre d'autres lois particulières.
En tant que service de police générale fédéral, il est du devoir de la gendarmerie de contribuer fondamentalement à la garantie de la tranquillité, de la sécurité et de la salubrité publiques, en veillant particulièrement à un développement harmonieux de la communauté, en prévenant, résolvant ou maîtrisant les problèmes de sécurité et en protégeant, en aidant et en rassurant les citoyens.
Elle remplit cette mission en développant notamment la fonction de police de base et la fonction de police spécialisée.
La fonction de police de base suppose que la gendarmerie organise au profit de la communauté locale une police de base adaptée et ce, en concertation et en collaboration avec toutes les parties concernées.
En matière de police administrative, l'article 14 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police confie cette composante de base de la fonction de police tant à la gendarmerie qu'à la police communale sur un pied d'équivalence. Une fonction de police adaptée implique dès lors une bonne collaboration et une coordination de ces deux services de police, ayant comme but d'éviter à tous moments toutes formes de double emploi ou de chevauchement.
La fonction de police spécialisée, en tant que partie de la composante additionnelle telle que visée par la circulaire ZIP1, Moniteur belge, 29 décembre 1995, pp. 35008 et ss., concerne la maîtrise effective d'un certain nombre de problèmes socialement nuisibles derrière lesquels se profilent plusieurs formes de criminalité organisée et qui sont considérées comme des priorités fédérales (exemples : drogue, trafic des êtres humains, hormones, criminalité financière et économique). La police judiciaire près les parquets est aussi active dans ce domaine, d'où la nécessité d'une claire spécialisation, coordination et collaboration entre la police judiciaire près les parquets et la gendarmerie. Ceci est réglé par la directive du Ministre de la Justice du 21 février 1997 organisant la collaboration et la coordination entre les services de police en ce qui concerne les missions de police judiciaire. En ce qui concerne par ailleurs les manifestations locales des priorités fédérales une coordination s'impose entre la police communale et la gendarmerie, tout comme pour la fonction de police de base.
Pour l'exercice de ses missions, la gendarmerie est placée sous l'autorité du Ministre de l'Intérieur. Elle est toutefois placée sous l'autorité du Ministre de la Justice en ce qui concerne l'exécution des missions de police judiciaire, la police des cours et tribunaux et la police des prisons et le transfèrement des détenus.
Cette autorité est hiérarchique en ce sens que ces ministres peuvent, chacun dans les limites de ses compétences, donner des ordres et des instructions pour l'exécution des missions.
Par ailleurs, le gouverneur de province, le commissaire d'arrondissement et le bourgmestre disposent, en matière de police administrative générale, de la compétence de requérir la gendarmerie (infra 3.4.).
Une réquisition donne, aux autorités et fonctionnaires qui n'ont pas de pouvoir hiérarchique sur la gendarmerie et dont les possibilités et moyens propres sont insuffisants ou inadaptés, la compétence de contraindre ce service et, le cas échéant les membres de celui-ci, à apporter leur concours à l'exécution matérielle des décisions qui sont prises par ces autorités.
En tant que service de police générale fédéral, il est du devoir de la gendarmerie de contribuer fondamentalement à la garantie de la tranquillité, de la sécurité et de la salubrité publiques, en veillant particulièrement à un développement harmonieux de la communauté, en prévenant, résolvant ou maîtrisant les problèmes de sécurité et en protégeant, en aidant et en rassurant les citoyens.
Elle remplit cette mission en développant notamment la fonction de police de base et la fonction de police spécialisée.
La fonction de police de base suppose que la gendarmerie organise au profit de la communauté locale une police de base adaptée et ce, en concertation et en collaboration avec toutes les parties concernées.
En matière de police administrative, l'article 14 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police confie cette composante de base de la fonction de police tant à la gendarmerie qu'à la police communale sur un pied d'équivalence. Une fonction de police adaptée implique dès lors une bonne collaboration et une coordination de ces deux services de police, ayant comme but d'éviter à tous moments toutes formes de double emploi ou de chevauchement.
La fonction de police spécialisée, en tant que partie de la composante additionnelle telle que visée par la circulaire ZIP1, Moniteur belge, 29 décembre 1995, pp. 35008 et ss., concerne la maîtrise effective d'un certain nombre de problèmes socialement nuisibles derrière lesquels se profilent plusieurs formes de criminalité organisée et qui sont considérées comme des priorités fédérales (exemples : drogue, trafic des êtres humains, hormones, criminalité financière et économique). La police judiciaire près les parquets est aussi active dans ce domaine, d'où la nécessité d'une claire spécialisation, coordination et collaboration entre la police judiciaire près les parquets et la gendarmerie. Ceci est réglé par la directive du Ministre de la Justice du 21 février 1997 organisant la collaboration et la coordination entre les services de police en ce qui concerne les missions de police judiciaire. En ce qui concerne par ailleurs les manifestations locales des priorités fédérales une coordination s'impose entre la police communale et la gendarmerie, tout comme pour la fonction de police de base.
Pour l'exercice de ses missions, la gendarmerie est placée sous l'autorité du Ministre de l'Intérieur. Elle est toutefois placée sous l'autorité du Ministre de la Justice en ce qui concerne l'exécution des missions de police judiciaire, la police des cours et tribunaux et la police des prisons et le transfèrement des détenus.
Cette autorité est hiérarchique en ce sens que ces ministres peuvent, chacun dans les limites de ses compétences, donner des ordres et des instructions pour l'exécution des missions.
Par ailleurs, le gouverneur de province, le commissaire d'arrondissement et le bourgmestre disposent, en matière de police administrative générale, de la compétence de requérir la gendarmerie (infra 3.4.).
Une réquisition donne, aux autorités et fonctionnaires qui n'ont pas de pouvoir hiérarchique sur la gendarmerie et dont les possibilités et moyens propres sont insuffisants ou inadaptés, la compétence de contraindre ce service et, le cas échéant les membres de celui-ci, à apporter leur concours à l'exécution matérielle des décisions qui sont prises par ces autorités.
Art. 3M 1. 1.3. De regering heeft ervoor gekozen de coördinatie van en de samenwerking tussen de politiediensten te verbeteren onder meer door de invoering van de interpolitiezones (regeringsprogramma 1995, blz. 15).
Deze vernieuwde politiewerking steunt op de uitgangspunten vermeld in de reeds geciteerde omzendbrief IPZ 1.
Voor elke interpolitiezone moet door toedoen van het lokaal vijfhoeksoverleg bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 10 april 1995 houdende de algemene regels van het vijfhoeksoverleg, een veiligheidscharter tot stand komen, waarin het veiligheidsbeleid voor de zone wordt vastgelegd en waarop de algemene politiewerking binnen de zone stoelt. Bij uitblijven van een veiligheidscharter, kunnen niettemin akkoorden inzake het veiligheidsbeleid worden gesloten tussen bepaalde partners onderling.
Het veiligheidscharter is een werkinstrument dat een lokaal geïntegreerd veiligheidsbeleid bevordert inzake toezicht, regelend optreden en herstel van de openbare orde, bijstand, preventie, beheersing en bestrijding van de criminaliteit (artikelen 14 en 15 van de wet op het politieambt). De klemtoon dient gelegd op het lokale karakter van dat beleid. Er moet worden ingespeeld op de specifieke veiligheidsbehoeften en -eisen van een zone, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de beleidslijnen die vastgelegd werden op andere bevoegde niveaus.
Om dit beleidsdoel te bereiken, wordt de algemene politiediensten gevraagd om samen de politiezorg te verzekeren op een bevolkingsgerichte wijze. Het gewone dagelijkse politiewerk wordt, in onderlinge afspraak, uitgevoerd door de politiediensten, ieder wat zijn domein betreft. De bijzondere doelstellingen die het beleid vorm geven, kunnen projectmatig worden aangepakt in gezamenlijk overleg.
Deze vernieuwde politiewerking steunt op de uitgangspunten vermeld in de reeds geciteerde omzendbrief IPZ 1.
Voor elke interpolitiezone moet door toedoen van het lokaal vijfhoeksoverleg bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 10 april 1995 houdende de algemene regels van het vijfhoeksoverleg, een veiligheidscharter tot stand komen, waarin het veiligheidsbeleid voor de zone wordt vastgelegd en waarop de algemene politiewerking binnen de zone stoelt. Bij uitblijven van een veiligheidscharter, kunnen niettemin akkoorden inzake het veiligheidsbeleid worden gesloten tussen bepaalde partners onderling.
Het veiligheidscharter is een werkinstrument dat een lokaal geïntegreerd veiligheidsbeleid bevordert inzake toezicht, regelend optreden en herstel van de openbare orde, bijstand, preventie, beheersing en bestrijding van de criminaliteit (artikelen 14 en 15 van de wet op het politieambt). De klemtoon dient gelegd op het lokale karakter van dat beleid. Er moet worden ingespeeld op de specifieke veiligheidsbehoeften en -eisen van een zone, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met de beleidslijnen die vastgelegd werden op andere bevoegde niveaus.
Om dit beleidsdoel te bereiken, wordt de algemene politiediensten gevraagd om samen de politiezorg te verzekeren op een bevolkingsgerichte wijze. Het gewone dagelijkse politiewerk wordt, in onderlinge afspraak, uitgevoerd door de politiediensten, ieder wat zijn domein betreft. De bijzondere doelstellingen die het beleid vorm geven, kunnen projectmatig worden aangepakt in gezamenlijk overleg.
Art. 3M 1. 1.3. Le gouvernement a choisi d'améliorer la collaboration et la coordination entre les services de police notamment par l'introduction des zones interpolice (programme de gouvernement 1995, p. 15).
Le nouveau fonctionnement de l'appareil policier repose sur les principes figurant dans la circulaire ZIP1 précitée.
Pour chaque zone interpolice, une charte de sécurité doit être élaborée, à l'intervention de la concertation pentagonale locale visée au Chapitre II de l'arrêté royal du 10 avril 1995 portant les modalités générales de la concertation pentagonale, charte où est fixée la politique de sécurité de la zone et sur laquelle repose le fonctionnement général de la police au sein de la zone. L'absence d'une charte de sécurité peut néanmoins être comblée par des accords relatifs à la politique de sécurité conclus entre certains partenaires.
La charte de sécurité est un instrument de travail qui favorise une politique locale de sécurité intégrée en matière de surveillance, régulation et de rétablissement de l'ordre public, d'assistance, de prévention, de maîtrise et de lutte contre la criminalité (articles 14 et 15 de la loi sur la fonction de police). L'accent doit être mis sur le caractère local de cette politique. Elle doit rencontrer les besoins spécifiques et les exigences, en matière de sécurité, d'une zone, tout en tenant compte toutefois des lignes de conduite arrêtées à d'autres niveaux de compétence.
Pour réaliser cet objectif stratégique, il est demandé aux services de police générale d'assurer ensemble la fonction de police orientée spécifiquement vers la population. Le travail policier quotidien sera exécuté, de concert, par les services de police, chacun dans son domaine. Les objectifs particuliers qui donnent corps à la politique peuvent être abordés sous la forme de projets, de commun accord.
Le nouveau fonctionnement de l'appareil policier repose sur les principes figurant dans la circulaire ZIP1 précitée.
Pour chaque zone interpolice, une charte de sécurité doit être élaborée, à l'intervention de la concertation pentagonale locale visée au Chapitre II de l'arrêté royal du 10 avril 1995 portant les modalités générales de la concertation pentagonale, charte où est fixée la politique de sécurité de la zone et sur laquelle repose le fonctionnement général de la police au sein de la zone. L'absence d'une charte de sécurité peut néanmoins être comblée par des accords relatifs à la politique de sécurité conclus entre certains partenaires.
La charte de sécurité est un instrument de travail qui favorise une politique locale de sécurité intégrée en matière de surveillance, régulation et de rétablissement de l'ordre public, d'assistance, de prévention, de maîtrise et de lutte contre la criminalité (articles 14 et 15 de la loi sur la fonction de police). L'accent doit être mis sur le caractère local de cette politique. Elle doit rencontrer les besoins spécifiques et les exigences, en matière de sécurité, d'une zone, tout en tenant compte toutefois des lignes de conduite arrêtées à d'autres niveaux de compétence.
Pour réaliser cet objectif stratégique, il est demandé aux services de police générale d'assurer ensemble la fonction de police orientée spécifiquement vers la population. Le travail policier quotidien sera exécuté, de concert, par les services de police, chacun dans son domaine. Les objectifs particuliers qui donnent corps à la politique peuvent être abordés sous la forme de projets, de commun accord.
Art. 4M 1. 1.4. De verhouding tussen de burgemeester en de gemeentepolitie enerzijds en de rijkswacht anderzijds, alsmede de coördinatie van en de samenwerking tussen beide politiediensten zijn tot op heden schier wettelijk omschreven. Er is wel artikel 10 van de wet op het politieambt, dat de wettelijke grondslag vormt van het vijfhoeksoverleg. In dat raam bepaalt de omzendbrief IPZ1 dat de omzendbrief OOP-13 van 26 april 1990 houdende de algemene richtlijnen betreffende de coördinatie van het optreden van de gemeentepolitie en de rijkswacht in het raam van de bestuurlijke politie, als richtbaken kan fungeren bij de taakafspraken tussen die twee korpsen.
Art. 4M 1. 1.4. Les relations entre le bourgmestre et la police communale d'une part et la gendarmerie d'autre part, ainsi que la coordination et la collaboration entre les deux services de police n'ont jusqu'à présent pas fait l'objet de nombreuses prescriptions légales. Mentionnons toutefois l'article 10 de la loi sur la fonction de police qui constitue l'assise légale de la concertation pentagonale. Dans ce cadre, la circulaire ZIP1 précise que la circulaire OOP13 du 26 avril 1990 portant les directives générales relatives à la coordination de l'intervention de la police communale et de la gendarmerie dans le cadre de la police administrative, peut servir de fil conducteur à l'occasion de la répartition des tâches entre les deux corps.
Art. M2. 2. De wet van 3 april 1997.
Gelet op voormelde uitgangspunten, heeft de regering een wetgevend initiatief genomen om de burgemeester in staat te stellen zijn rol van spilfiguur inzake het gemeentelijk veiligheidsbeleid waar te nemen en de coördinatie van en de samenwerking tussen de gemeentepolitie en de rijkswacht te bevorderen. Deze wet stoelt op volgende principes :
a) de uitdrukkelijke wettelijke bekrachtiging van de rol van de burgemeester als spilfiguur inzake het gemeentelijk veiligheidsbeleid. De burgemeester is het hoofd van de bestuurlijke politie in de gemeente. Deze bevoegdheid die hem reeds was toegekend door het decreet van 14 december 1789, is thans uitdrukkelijk opgenomen in artikel 133 N.Gem.W. dat bepaalt dat "onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, de burgemeester de verantwoordelijke overheid is inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente";
b) de uitbreiding van de rapporteringsverplichting van de korpschef van de gemeentepolitie t.a.v. de burgemeester en de invoering van een gelijkaardige verplichting in hoofde van de lokale rijkswachtoverheid. Ook wordt in een wederzijdse informatie-uitwisseling tussen beide politiediensten voorzien;
c) de mogelijkheid voor de burgemeester om richtlijnen te geven aan de rijkswacht omtrent het gemeentelijk veiligheidsbeleid en de verplichting voor de rijkswacht om zich hiernaar te schikken;
d) een uitbreiding van het vorderingsrecht van de burgemeester t.o.v. de rijkswacht;
e) de afdwingbaarheid van de richtlijnen en vorderingen.
Deze omzendbrief heeft tot doel de exacte betekenis en draagwijdte van de bewoordingen van de wet toe te lichten door de begrippen te omschrijven en voorbeelden te geven. Het reeds vroeger bestaande vorderingsrecht van de burgemeester in het raam van de openbare orde zal ook worden besproken.
Gelet op voormelde uitgangspunten, heeft de regering een wetgevend initiatief genomen om de burgemeester in staat te stellen zijn rol van spilfiguur inzake het gemeentelijk veiligheidsbeleid waar te nemen en de coördinatie van en de samenwerking tussen de gemeentepolitie en de rijkswacht te bevorderen. Deze wet stoelt op volgende principes :
a) de uitdrukkelijke wettelijke bekrachtiging van de rol van de burgemeester als spilfiguur inzake het gemeentelijk veiligheidsbeleid. De burgemeester is het hoofd van de bestuurlijke politie in de gemeente. Deze bevoegdheid die hem reeds was toegekend door het decreet van 14 december 1789, is thans uitdrukkelijk opgenomen in artikel 133 N.Gem.W. dat bepaalt dat "onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, de burgemeester de verantwoordelijke overheid is inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente";
b) de uitbreiding van de rapporteringsverplichting van de korpschef van de gemeentepolitie t.a.v. de burgemeester en de invoering van een gelijkaardige verplichting in hoofde van de lokale rijkswachtoverheid. Ook wordt in een wederzijdse informatie-uitwisseling tussen beide politiediensten voorzien;
c) de mogelijkheid voor de burgemeester om richtlijnen te geven aan de rijkswacht omtrent het gemeentelijk veiligheidsbeleid en de verplichting voor de rijkswacht om zich hiernaar te schikken;
d) een uitbreiding van het vorderingsrecht van de burgemeester t.o.v. de rijkswacht;
e) de afdwingbaarheid van de richtlijnen en vorderingen.
Deze omzendbrief heeft tot doel de exacte betekenis en draagwijdte van de bewoordingen van de wet toe te lichten door de begrippen te omschrijven en voorbeelden te geven. Het reeds vroeger bestaande vorderingsrecht van de burgemeester in het raam van de openbare orde zal ook worden besproken.
Art. M2. 2. La loi du 3 avril 1997.
Compte tenu des principes susvisés, le gouvernement a pris une initiative législative de manière à permettre au bourgmestre d'assumer son rôle de figure-clé de la politique communale de sécurité et afin de favoriser la coordination et la collaboration entre la police communale et la gendarmerie. Cette loi repose sur les principes suivants :
a) la confirmation légale expresse du rôle du bourgmestre en tant que figure-clé en matière de la politique communale de sécurité. Le bourgmestre est le chef de la police administrative au sein de la commune. Cette compétence qui lui avait déjà été accordée par le décret du 14 décembre 1789 est désormais expressément inscrite dans l'article 133 NLC qui dispose que : "sans préjudice des compétences du Ministre de l'Intérieur, du gouverneur et des institutions communales compétentes, le bourgmestre est l'autorité responsable en matière de police administrative sur le territoire de la commune. ";
b) l'extension de l'obligation de faire rapport qui pèse sur le chef de corps de la police communale à l'égard du bourgmestre et l'introduction d'une obligation analogue dans le chef de l'autorité locale de gendarmerie. Un échange réciproque d'informations a également été prévu entre les deux services de police;
c) la possibilité pour le bourgmestre de donner des directives à la gendarmerie en matière de politique locale de sécurité et l'obligation pour la gendarmerie de s'y conformer;
d) une extension du droit de réquisition du bourgmestre à l'égard de la gendarmerie;
e) le caractère contraignant des directives et des réquisitions.
La présente circulaire a pour objectif d'éclairer la signification exacte et la portée des termes utilisés par la loi en précisant certaines notions et en donnant des exemples. Le droit de réquisition dont disposait déjà le bourgmestre dans le cadre de l'ordre public sera également commenté.
Compte tenu des principes susvisés, le gouvernement a pris une initiative législative de manière à permettre au bourgmestre d'assumer son rôle de figure-clé de la politique communale de sécurité et afin de favoriser la coordination et la collaboration entre la police communale et la gendarmerie. Cette loi repose sur les principes suivants :
a) la confirmation légale expresse du rôle du bourgmestre en tant que figure-clé en matière de la politique communale de sécurité. Le bourgmestre est le chef de la police administrative au sein de la commune. Cette compétence qui lui avait déjà été accordée par le décret du 14 décembre 1789 est désormais expressément inscrite dans l'article 133 NLC qui dispose que : "sans préjudice des compétences du Ministre de l'Intérieur, du gouverneur et des institutions communales compétentes, le bourgmestre est l'autorité responsable en matière de police administrative sur le territoire de la commune. ";
b) l'extension de l'obligation de faire rapport qui pèse sur le chef de corps de la police communale à l'égard du bourgmestre et l'introduction d'une obligation analogue dans le chef de l'autorité locale de gendarmerie. Un échange réciproque d'informations a également été prévu entre les deux services de police;
c) la possibilité pour le bourgmestre de donner des directives à la gendarmerie en matière de politique locale de sécurité et l'obligation pour la gendarmerie de s'y conformer;
d) une extension du droit de réquisition du bourgmestre à l'égard de la gendarmerie;
e) le caractère contraignant des directives et des réquisitions.
La présente circulaire a pour objectif d'éclairer la signification exacte et la portée des termes utilisés par la loi en précisant certaines notions et en donnant des exemples. Le droit de réquisition dont disposait déjà le bourgmestre dans le cadre de l'ordre public sera également commenté.
Art. M3. 3. De relatie burgemeester-rijkswacht.
Art. M3. 3. La relation bourgmestre-gendarmerie.
Art. 1M 3. 3.1. De ongedwongen samenwerking.
In principe verwezenlijkt de burgemeester het gemeentelijk veiligheidsbeleid in overleg en in goede verstandhouding met de rijkswacht. De regel zou moeten zijn dat daarover akkoorden worden gesloten die ook worden nageleefd. Alzo groeit immers een wederzijds vertrouwen dat de lokale veiligheid ten goede komt. Toch moet de burgemeester zijn toevlucht kunnen nemen tot meer dwingende maatregelen, zoals het uitvaardigen van richtlijnen (infra 3.3.) of het vorderen (infra 3.4.).
Wat de akkoorden over het gemeentelijk veiligheidsbeleid betreft, moet in de eerste plaats gedacht worden aan het veiligheidscharter of aan de akkoorden die door toedoen van het vijfhoeksoverleg tot stand komen (supra 1.3.). Op plaatsen waar die consensus niet onmiddellijk wordt bereikt, kan het beleid ook vorm krijgen door afzonderlijke, bilaterale akkoorden.
De goede uitvoering en bijsturing van die akkoorden, impliceren een voortdurende dialoog tussen o.a. de burgemeester, zijn gemeentepolitie en de rijkswacht. De wet van 3 april 1997 omschrijft daarom de diverse informatieverplichtingen terzake.
In principe verwezenlijkt de burgemeester het gemeentelijk veiligheidsbeleid in overleg en in goede verstandhouding met de rijkswacht. De regel zou moeten zijn dat daarover akkoorden worden gesloten die ook worden nageleefd. Alzo groeit immers een wederzijds vertrouwen dat de lokale veiligheid ten goede komt. Toch moet de burgemeester zijn toevlucht kunnen nemen tot meer dwingende maatregelen, zoals het uitvaardigen van richtlijnen (infra 3.3.) of het vorderen (infra 3.4.).
Wat de akkoorden over het gemeentelijk veiligheidsbeleid betreft, moet in de eerste plaats gedacht worden aan het veiligheidscharter of aan de akkoorden die door toedoen van het vijfhoeksoverleg tot stand komen (supra 1.3.). Op plaatsen waar die consensus niet onmiddellijk wordt bereikt, kan het beleid ook vorm krijgen door afzonderlijke, bilaterale akkoorden.
De goede uitvoering en bijsturing van die akkoorden, impliceren een voortdurende dialoog tussen o.a. de burgemeester, zijn gemeentepolitie en de rijkswacht. De wet van 3 april 1997 omschrijft daarom de diverse informatieverplichtingen terzake.
Art. 1M 3. 3.1. La collaboration non-contraignante.
En principe le bourgmestre met en oeuvre la politique communale de sécurité en concertation et en bonne compréhension avec la gendarmerie. La règle devrait être que des accords à cet égard soient conclus et respectés. En effet, c'est de cette manière que doit se développer une confiance réciproque qui ne peut que profiter à la sécurité locale. Cependant, le bourgmestre doit pouvoir recourir à des mesures plus contraignantes, telles que les directives (infra 3.3.) ou les réquisitions (infra 3.4.).
En ce qui concerne les accords sur la politique communale de sécurité, on pense en premier lieu à la charte de sécurité ou aux accords qui sont scellés à l'intervention de la concertation pentagonale (supra 1.3.). Là où ce consensus ne pourra être atteint immédiatement, la politique peut aussi prendre forme par des accords bilatéraux séparés.
L'exécution correcte et le suivi de ces accords impliquent un dialogue permanent entre notamment le bourgmestre, sa police communale et la gendarmerie. La loi du 3 avril 1997 décrit à cet effet les diverses obligations d'information en la matière.
En principe le bourgmestre met en oeuvre la politique communale de sécurité en concertation et en bonne compréhension avec la gendarmerie. La règle devrait être que des accords à cet égard soient conclus et respectés. En effet, c'est de cette manière que doit se développer une confiance réciproque qui ne peut que profiter à la sécurité locale. Cependant, le bourgmestre doit pouvoir recourir à des mesures plus contraignantes, telles que les directives (infra 3.3.) ou les réquisitions (infra 3.4.).
En ce qui concerne les accords sur la politique communale de sécurité, on pense en premier lieu à la charte de sécurité ou aux accords qui sont scellés à l'intervention de la concertation pentagonale (supra 1.3.). Là où ce consensus ne pourra être atteint immédiatement, la politique peut aussi prendre forme par des accords bilatéraux séparés.
L'exécution correcte et le suivi de ces accords impliquent un dialogue permanent entre notamment le bourgmestre, sa police communale et la gendarmerie. La loi du 3 avril 1997 décrit à cet effet les diverses obligations d'information en la matière.
Art. 2M 3. 3.2. De informatieverplichting t.o.v. de burgemeester
Om de burgemeester in staat te stellen zijn rol van spilfiguur inzake het lokaal veiligheidsbeleid op te nemen, dient de korpschef van de gemeentepolitie hem zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen van gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid en gezondheid kunnen verstoren en brengt hij hem verslag uit over o.a. de veiligheidsproblemen in de gemeente (nieuw artikel 172 N.Gem.W.).
Voortaan bevat de wet op de rijkswacht een gelijkaardige verplichting door in het nieuwe artikel 51 o.a. te bepalen dat de bestuurlijke overheden (burgemeester) en de rijkswacht (brigadecommandant of districtscommandant) elkaar de door hen ontvangen inlichtingen meedelen betreffende de openbare orde, die tot preventie- of repressiemaatregelen aanleiding kunnen geven en dat de genoemde rijkswachtoverheden bij de burgemeester periodiek verslag uitbrengen over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Daarbij kan o.a. worden gedacht aan overlast ten gevolge van nachtlawaai, voorziene manifestaties zoals voetbalwedstrijden, wielerkoersen, rally's of muziekfestivals, overlast door druggebruik op bepaalde plaatsen, de evolutie van de diefstallen met braak, een plaag van overvallen,.... Die informatie moet in voorkomend geval aanleiding geven tot overleg over de al dan niet bijkomend te nemen maatregelen. De brigadecommandant of de districtscommandant moet de burgemeester ook op de hoogte brengen van informatie waarvan hij kennis krijgt bij de uitoefening van de opdrachten van gerechtelijke politie voor zover die informatie van belang is voor het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Uiteraard mogen zij hierbij het geheim van het onderzoek (artikel 458 SWB) niet schenden. Op die wijze moet de rijkswacht bijdragen tot de algemene informatie waarover de burgemeester moet beschikken.
Bovendien dienen de korpschef en, op verzoek van de burgemeester, ook de brigadecommandant of de districtscommandant, bij hem binnen de kortste termijnen verslag uit te brengen over :
* de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente;
* de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake :
- de taakverdeling tussen de politiediensten.
Voor de realisatie van het lokaal veiligheidsbeleid moeten er akkoorden gesloten worden tussen de politiediensten om, onder meer door middel van taakverdeling, te komen tot een effectiever antwoord op de lokale veiligheidsproblemen. Deze taakverdeling moet worden geëvalueerd om na te gaan of de partijen hun verbintenissen naleven en om eventuele op te lossen problemen te ontdekken. Indien bv. een politiekorps zich ertoe verbindt om, in het raam van de bestrijding van een diefstallenplaag in voertuigen, op bepaalde uren zichtbaar aanwezig te zijn, dan moet het de burgemeester informeren over de uitvoering van deze verbintenis. In het raam van de afgesproken taakverdeling is het niet logisch dat een politiekorps zonder meer initiatieven zou ontwikkelen in een domein dat bij overeenkomst prioritair werd toegewezen aan een andere politiedienst;
- de coördinatie van hun optreden.
Opdat de verstrekte politiezorg zo effectief en efficiënt mogelijk zou zijn, dienen er tussen de politiediensten ook akkoorden inzake coördinatie te worden afgesloten. Deze akkoorden kunnen o.a. slaan op een functionele verdeling van de interventie, of, daar waar dat niet mogelijk is, op een verdeling in de tijd of nog op gezamenlijke acties (bv. inzake verkeer of drugs). Ook die akkoorden moeten worden geëvalueerd;
- de uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
De politiekorpsen zijn elk afzonderlijk en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van het gemeentelijk veiligheidsbeleid door de uitvoering van concrete actieplannen. De gevoerde acties moeten worden geëvalueerd. Deze evaluatie moet het mogelijk maken verbeterende maatregelen te nemen of de prioriteiten en de in te zetten middelen opnieuw te definiëren. Indien men bijvoorbeeld besloten heeft een actie te voeren tegen het druggebruik en in het raam daarvan een politiedienst zich ertoe verbonden heeft een sensibiliseringscampagne te voeren in de scholen, dan moet dit politiekorps periodiek verslag uitbrengen over de kwantitatieve en kwalitatieve evolutie van dit initiatief. De resultaten ervan zullen worden verwerkt in de evaluatie van het algemeen actieplan inzake de strijd tegen het druggebruik.
Zowel de korpschef als de brigadecommandant of de districtscommandant moeten de burgemeester ook vooraf inlichten over de initiatieven die de gemeentepolitie en de rijkswacht overwegen te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Binnen de mogelijkheid om op grond van het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht richtlijnen m.b.t. het gemeentelijk veiligheidsbeleid aan de rijkswacht te geven, waarnaar zij zich bij het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie dient te schikken, kan de burgemeester in voorkomend geval initiatieven van de rijkswacht bijsturen of verbieden. In dezelfde mate kan hij, als hiërarchische overheid, eveneens dergelijke initiatieven van de gemeentepolitie bijsturen of verbieden.
Door het uitbrengen van verslag leggen de gemeentepolitie en de rijkswacht t.o.v. de burgemeester verantwoording af over de uitvoering van de bestuurlijke politie in de gemeente. Het verdient aanbeveling dat deze rapportering in gemeen overleg zou gebeuren.
Van zijn kant moet de burgemeester er bovendien op toezien dat de problemen in verband met de openbare orde in de gemeente het voorwerp uitmaken van informatie-uitwisselingen tussen de brigadecommandant of de districtscommandant van de rijkswacht en de korpschef van de gemeentepolitie, en moet hij hen daartoe regelmatig samenbrengen (nieuw artikel 172 N.Gem.W.).
De informatie van de gemeentepolitie en van de rijkswacht moet worden aangevuld met die verstrekt door de gerechtelijke politie bij de parketten in uitvoering van artikel 14, vierde lid, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en in het raam van het vijfhoeksoverleg bedoeld in artikel 10 van diezelfde wet.
Ten slotte weze ook aangestipt dat de korpschef van de gemeentepolitie ertoe gehouden is de burgemeester maandelijks te rapporteren over de werking van het korps en hem kennis te geven van de klachten afkomstig van buitenaf omtrent de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.
Om de burgemeester in staat te stellen zijn rol van spilfiguur inzake het lokaal veiligheidsbeleid op te nemen, dient de korpschef van de gemeentepolitie hem zo spoedig mogelijk op de hoogte te brengen van gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid en gezondheid kunnen verstoren en brengt hij hem verslag uit over o.a. de veiligheidsproblemen in de gemeente (nieuw artikel 172 N.Gem.W.).
Voortaan bevat de wet op de rijkswacht een gelijkaardige verplichting door in het nieuwe artikel 51 o.a. te bepalen dat de bestuurlijke overheden (burgemeester) en de rijkswacht (brigadecommandant of districtscommandant) elkaar de door hen ontvangen inlichtingen meedelen betreffende de openbare orde, die tot preventie- of repressiemaatregelen aanleiding kunnen geven en dat de genoemde rijkswachtoverheden bij de burgemeester periodiek verslag uitbrengen over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Daarbij kan o.a. worden gedacht aan overlast ten gevolge van nachtlawaai, voorziene manifestaties zoals voetbalwedstrijden, wielerkoersen, rally's of muziekfestivals, overlast door druggebruik op bepaalde plaatsen, de evolutie van de diefstallen met braak, een plaag van overvallen,.... Die informatie moet in voorkomend geval aanleiding geven tot overleg over de al dan niet bijkomend te nemen maatregelen. De brigadecommandant of de districtscommandant moet de burgemeester ook op de hoogte brengen van informatie waarvan hij kennis krijgt bij de uitoefening van de opdrachten van gerechtelijke politie voor zover die informatie van belang is voor het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Uiteraard mogen zij hierbij het geheim van het onderzoek (artikel 458 SWB) niet schenden. Op die wijze moet de rijkswacht bijdragen tot de algemene informatie waarover de burgemeester moet beschikken.
Bovendien dienen de korpschef en, op verzoek van de burgemeester, ook de brigadecommandant of de districtscommandant, bij hem binnen de kortste termijnen verslag uit te brengen over :
* de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente;
* de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake :
- de taakverdeling tussen de politiediensten.
Voor de realisatie van het lokaal veiligheidsbeleid moeten er akkoorden gesloten worden tussen de politiediensten om, onder meer door middel van taakverdeling, te komen tot een effectiever antwoord op de lokale veiligheidsproblemen. Deze taakverdeling moet worden geëvalueerd om na te gaan of de partijen hun verbintenissen naleven en om eventuele op te lossen problemen te ontdekken. Indien bv. een politiekorps zich ertoe verbindt om, in het raam van de bestrijding van een diefstallenplaag in voertuigen, op bepaalde uren zichtbaar aanwezig te zijn, dan moet het de burgemeester informeren over de uitvoering van deze verbintenis. In het raam van de afgesproken taakverdeling is het niet logisch dat een politiekorps zonder meer initiatieven zou ontwikkelen in een domein dat bij overeenkomst prioritair werd toegewezen aan een andere politiedienst;
- de coördinatie van hun optreden.
Opdat de verstrekte politiezorg zo effectief en efficiënt mogelijk zou zijn, dienen er tussen de politiediensten ook akkoorden inzake coördinatie te worden afgesloten. Deze akkoorden kunnen o.a. slaan op een functionele verdeling van de interventie, of, daar waar dat niet mogelijk is, op een verdeling in de tijd of nog op gezamenlijke acties (bv. inzake verkeer of drugs). Ook die akkoorden moeten worden geëvalueerd;
- de uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
De politiekorpsen zijn elk afzonderlijk en gezamenlijk verantwoordelijk voor de realisatie van het gemeentelijk veiligheidsbeleid door de uitvoering van concrete actieplannen. De gevoerde acties moeten worden geëvalueerd. Deze evaluatie moet het mogelijk maken verbeterende maatregelen te nemen of de prioriteiten en de in te zetten middelen opnieuw te definiëren. Indien men bijvoorbeeld besloten heeft een actie te voeren tegen het druggebruik en in het raam daarvan een politiedienst zich ertoe verbonden heeft een sensibiliseringscampagne te voeren in de scholen, dan moet dit politiekorps periodiek verslag uitbrengen over de kwantitatieve en kwalitatieve evolutie van dit initiatief. De resultaten ervan zullen worden verwerkt in de evaluatie van het algemeen actieplan inzake de strijd tegen het druggebruik.
Zowel de korpschef als de brigadecommandant of de districtscommandant moeten de burgemeester ook vooraf inlichten over de initiatieven die de gemeentepolitie en de rijkswacht overwegen te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Binnen de mogelijkheid om op grond van het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht richtlijnen m.b.t. het gemeentelijk veiligheidsbeleid aan de rijkswacht te geven, waarnaar zij zich bij het vervullen van haar opdrachten van bestuurlijke politie dient te schikken, kan de burgemeester in voorkomend geval initiatieven van de rijkswacht bijsturen of verbieden. In dezelfde mate kan hij, als hiërarchische overheid, eveneens dergelijke initiatieven van de gemeentepolitie bijsturen of verbieden.
Door het uitbrengen van verslag leggen de gemeentepolitie en de rijkswacht t.o.v. de burgemeester verantwoording af over de uitvoering van de bestuurlijke politie in de gemeente. Het verdient aanbeveling dat deze rapportering in gemeen overleg zou gebeuren.
Van zijn kant moet de burgemeester er bovendien op toezien dat de problemen in verband met de openbare orde in de gemeente het voorwerp uitmaken van informatie-uitwisselingen tussen de brigadecommandant of de districtscommandant van de rijkswacht en de korpschef van de gemeentepolitie, en moet hij hen daartoe regelmatig samenbrengen (nieuw artikel 172 N.Gem.W.).
De informatie van de gemeentepolitie en van de rijkswacht moet worden aangevuld met die verstrekt door de gerechtelijke politie bij de parketten in uitvoering van artikel 14, vierde lid, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en in het raam van het vijfhoeksoverleg bedoeld in artikel 10 van diezelfde wet.
Ten slotte weze ook aangestipt dat de korpschef van de gemeentepolitie ertoe gehouden is de burgemeester maandelijks te rapporteren over de werking van het korps en hem kennis te geven van de klachten afkomstig van buitenaf omtrent de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.
Art. 2M 3. 3.2. L'obligation d'information à l'égard du bourgmestre.
En vue de permettre au bourgmestre d'assumer son rôle de figure-clé en ce qui concerne la politique locale de sécurité, le chef de corps de la police communale doit l'avertir aussi vite que possible de tous les faits importants qui peuvent perturber la tranquillité, la sécurité et la salubrité publiques et il lui fait rapport notamment des problèmes de sécurité dans la commune (nouvel article 172 NLC).
Dorénavant, la loi sur la gendarmerie comporte une obligation analogue par la précision apportée à l'article 51 nouveau, en vertu duquel les autorités administratives (le bourgmestre) et la gendarmerie (le commandant de district ou de brigade) doivent se communiquer les renseignements qui leur parviennent au sujet de l'ordre public et qui peuvent donner lieu à des mesures de prévention ou de répression et en vertu duquel les autorités de gendarmerie précitées font périodiquement rapport au bourgmestre au sujet des problèmes de sécurité dans la commune. On peut notamment penser à des nuisances résultant du tapage nocturne, à des manifestations prévues telles que des matches de football, des courses cyclistes, des rallyes ou des festivals de musique, à la nuisance qui résulte d'une consommation de stupéfiants à certains endroits, à l'évolution des vols avec effraction, à une épidémie de hold-ups, .... Cette information doit, le cas échéant, donner lieu à une concertation au sujet des mesures complémentaires éventuelles. Le commandant de brigade ou le commandant du district doivent également porter à la connaissance du bourgmestre les informations qu'ils recueillent dans l'exercice de leurs missions de police judiciaire pour autant que ces informations présentent un intérêt pour la politique communale de sécurité. Il va de soi qu'ils ne peuvent, à cette occasion, violer le secret de l'instruction (article 458 CP). De cette manière, la gendarmerie doit contribuer à l'information générale dont le bourgmestre doit disposer.
En outre, le chef de corps et, à la demande du bourgmestre, le commandant de brigade ou de district également, doivent lui faire rapport dans les plus brefs délais au sujet de :
* l'exécution des missions de police administrative sur le territoire de la commune;
* l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de :
- la répartition des tâches entre les services de police.
Pour la réalisation de la politique locale de sécurité, des accords doivent être conclus entre les services de police afin d'arriver, notamment par le biais d'une répartition des tâches, à une réponse plus effective aux problèmes locaux de sécurité. Cette répartition des tâches doit être évaluée pour vérifier si les parties respectent leurs obligations et pour découvrir des problèmes éventuels à résoudre. Si, par exemple, un corps de police s'engage, dans le cadre de la lutte contre une épidémie de vols dans les véhicules, à assurer une présence visible à certaines heures, il doit alors informer le bourgmestre de l'exécution de cette obligation. Dans le cadre de la répartition des tâches convenue, il n'est pas logique qu'un corps de police développe sans plus des initiatives dans un domaine qui, par convention, a été attribué prioritairement à un autre service de police;
- de coordination de leurs interventions.
Pour que la fonction de police soit assurée d'une manière aussi effective et efficiente que possible, des accords de coordination doivent également être conclus entre les services de police. Ces accords peuvent notamment avoir trait à une répartition fonctionnelle de l'intervention ou, là où cela n'est pas possible, à une répartition dans le temps ou encore à des actions conjointes (en matière de circulation routière ou de drogues). Ces accords doivent également faire l'objet d'une évaluation;
- d'exécution de la politique communale de sécurité.
Les corps de police sont chacun, séparément et conjointement, responsables de la réalisation de la politique communale de sécurité par l'exécution de plans d'action concrets. Les actions menées doivent être évaluées. Cette évaluation doit permettre de prendre des mesures correctrices ou de définir à nouveau les priorités et les moyens à mettre en oeuvre. Si l'on a décidé par exemple de mener une action contre l'usage de stupéfiants et que, dans ce cadre, un service de police s'est engagé à mener une campagne de sensibilisation dans une école, alors ce corps de police doit faire périodiquement rapport de l'évolution quantitative et qualitative de cette initiative. Les résultats en seront exploités dans l'évaluation du plan d'action général en matière de lutte contre l'usage de stupéfiant.
Tant le chef de corps que le commandant de brigade ou de district doivent aussi informer préalablement le bourgmestre des initiatives que la police communale et la gendarmerie comptent prendre et qui concernent la politique communale de sécurité. Dans le cadre de la possibilité créée par l'article 16 nouveau, de la loi sur la gendarmerie, de donner des directives relatives à la politique communale de sécurité à la gendarmerie et auxquelles celle-ci doit se conformer lors de l'exécution de ses missions de police administrative, le bourgmestre peut, le cas échéant, adapter ou interdire une initiative de la gendarmerie, tout comme, en tant qu'autorité hiérarchique, il peut adapter ou interdire une initiative de la police communale.
En faisant rapport, la police communale et la gendarmerie rendent compte au bourgmestre de l'exécution de la police administrative dans la commune. Il se recommande que cette action de faire rapport se déroule de concert.
De son côté, le bourgmestre doit veiller en outre à ce que les problèmes liés à l'ordre public dans la commune fassent l'objet d'échanges d'information entre le commandant de brigade et le commandant de district de gendarmerie et le chef de corps de la police communale et il doit les réunir régulièrement à cet effet (nouvel article 172 NLC).
L'information de la police communale et de la gendarmerie doit être complétée par celle fournie par la police judiciaire près les parquets en exécution de l'article 14, quatrième alinéa, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police et dans le cadre de la concertation pentagonale visée à l'article 10 de la même loi.
Ajoutons finalement aussi que le chef de corps de la police communale est tenu de faire rapport, tous les mois, au bourgmestre sur le fonctionnement du corps et de l'informer des plaintes venant de l'extérieur et concernant le fonctionnement du corps ou les interventions de son personnel.
En vue de permettre au bourgmestre d'assumer son rôle de figure-clé en ce qui concerne la politique locale de sécurité, le chef de corps de la police communale doit l'avertir aussi vite que possible de tous les faits importants qui peuvent perturber la tranquillité, la sécurité et la salubrité publiques et il lui fait rapport notamment des problèmes de sécurité dans la commune (nouvel article 172 NLC).
Dorénavant, la loi sur la gendarmerie comporte une obligation analogue par la précision apportée à l'article 51 nouveau, en vertu duquel les autorités administratives (le bourgmestre) et la gendarmerie (le commandant de district ou de brigade) doivent se communiquer les renseignements qui leur parviennent au sujet de l'ordre public et qui peuvent donner lieu à des mesures de prévention ou de répression et en vertu duquel les autorités de gendarmerie précitées font périodiquement rapport au bourgmestre au sujet des problèmes de sécurité dans la commune. On peut notamment penser à des nuisances résultant du tapage nocturne, à des manifestations prévues telles que des matches de football, des courses cyclistes, des rallyes ou des festivals de musique, à la nuisance qui résulte d'une consommation de stupéfiants à certains endroits, à l'évolution des vols avec effraction, à une épidémie de hold-ups, .... Cette information doit, le cas échéant, donner lieu à une concertation au sujet des mesures complémentaires éventuelles. Le commandant de brigade ou le commandant du district doivent également porter à la connaissance du bourgmestre les informations qu'ils recueillent dans l'exercice de leurs missions de police judiciaire pour autant que ces informations présentent un intérêt pour la politique communale de sécurité. Il va de soi qu'ils ne peuvent, à cette occasion, violer le secret de l'instruction (article 458 CP). De cette manière, la gendarmerie doit contribuer à l'information générale dont le bourgmestre doit disposer.
En outre, le chef de corps et, à la demande du bourgmestre, le commandant de brigade ou de district également, doivent lui faire rapport dans les plus brefs délais au sujet de :
* l'exécution des missions de police administrative sur le territoire de la commune;
* l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de :
- la répartition des tâches entre les services de police.
Pour la réalisation de la politique locale de sécurité, des accords doivent être conclus entre les services de police afin d'arriver, notamment par le biais d'une répartition des tâches, à une réponse plus effective aux problèmes locaux de sécurité. Cette répartition des tâches doit être évaluée pour vérifier si les parties respectent leurs obligations et pour découvrir des problèmes éventuels à résoudre. Si, par exemple, un corps de police s'engage, dans le cadre de la lutte contre une épidémie de vols dans les véhicules, à assurer une présence visible à certaines heures, il doit alors informer le bourgmestre de l'exécution de cette obligation. Dans le cadre de la répartition des tâches convenue, il n'est pas logique qu'un corps de police développe sans plus des initiatives dans un domaine qui, par convention, a été attribué prioritairement à un autre service de police;
- de coordination de leurs interventions.
Pour que la fonction de police soit assurée d'une manière aussi effective et efficiente que possible, des accords de coordination doivent également être conclus entre les services de police. Ces accords peuvent notamment avoir trait à une répartition fonctionnelle de l'intervention ou, là où cela n'est pas possible, à une répartition dans le temps ou encore à des actions conjointes (en matière de circulation routière ou de drogues). Ces accords doivent également faire l'objet d'une évaluation;
- d'exécution de la politique communale de sécurité.
Les corps de police sont chacun, séparément et conjointement, responsables de la réalisation de la politique communale de sécurité par l'exécution de plans d'action concrets. Les actions menées doivent être évaluées. Cette évaluation doit permettre de prendre des mesures correctrices ou de définir à nouveau les priorités et les moyens à mettre en oeuvre. Si l'on a décidé par exemple de mener une action contre l'usage de stupéfiants et que, dans ce cadre, un service de police s'est engagé à mener une campagne de sensibilisation dans une école, alors ce corps de police doit faire périodiquement rapport de l'évolution quantitative et qualitative de cette initiative. Les résultats en seront exploités dans l'évaluation du plan d'action général en matière de lutte contre l'usage de stupéfiant.
Tant le chef de corps que le commandant de brigade ou de district doivent aussi informer préalablement le bourgmestre des initiatives que la police communale et la gendarmerie comptent prendre et qui concernent la politique communale de sécurité. Dans le cadre de la possibilité créée par l'article 16 nouveau, de la loi sur la gendarmerie, de donner des directives relatives à la politique communale de sécurité à la gendarmerie et auxquelles celle-ci doit se conformer lors de l'exécution de ses missions de police administrative, le bourgmestre peut, le cas échéant, adapter ou interdire une initiative de la gendarmerie, tout comme, en tant qu'autorité hiérarchique, il peut adapter ou interdire une initiative de la police communale.
En faisant rapport, la police communale et la gendarmerie rendent compte au bourgmestre de l'exécution de la police administrative dans la commune. Il se recommande que cette action de faire rapport se déroule de concert.
De son côté, le bourgmestre doit veiller en outre à ce que les problèmes liés à l'ordre public dans la commune fassent l'objet d'échanges d'information entre le commandant de brigade et le commandant de district de gendarmerie et le chef de corps de la police communale et il doit les réunir régulièrement à cet effet (nouvel article 172 NLC).
L'information de la police communale et de la gendarmerie doit être complétée par celle fournie par la police judiciaire près les parquets en exécution de l'article 14, quatrième alinéa, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police et dans le cadre de la concertation pentagonale visée à l'article 10 de la même loi.
Ajoutons finalement aussi que le chef de corps de la police communale est tenu de faire rapport, tous les mois, au bourgmestre sur le fonctionnement du corps et de l'informer des plaintes venant de l'extérieur et concernant le fonctionnement du corps ou les interventions de son personnel.
Art. 3M 3. 3.3. Richtlijnen van de burgemeester in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
3.3.1. Begrip en draagwijdte.
Krachtens het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht, schikt de rijkswacht zich bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie naar de door de burgemeester binnen het raam van zijn bevoegdheden uitgevaardigde richtlijnen m.b.t. het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Ook al is de ongedwongen samenwerking de regel (supra 3.1.), toch moet de burgemeester, als spilfiguur van het gemeentelijk veiligheidsbeleid, richtlijnen kunnen geven aan de rijkswacht.
Richtlijnen in de zin van het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht, zijn schriftelijke voorschriften die het door de rijkswacht na te leven raamkader vastleggen waarbinnen de burgemeester wenst zijn wettelijke taak - in te staan voor de uitvoering van de wetten en besluiten (artikel 133 N.Gem.W.) - waar te maken en die ook bepalen welke politiemaatregelen volgens de burgemeester in dit raam al dan niet dienen te worden getroffen of uitgevoerd. Zij kunnen in dit opzicht ook aanbevelingen en precieze aanwijzingen bevatten omtrent de in te zetten middelen, zonder zich evenwel in te laten met de eigenlijke concrete dienstorganisatie.
Die richtlijnen die de burgemeester voortaan kan uitvaardigen in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid, onderscheiden zich door hun eigen aard en mate van afdwingbaarheid van de bevelen, onderrichtingen en vorderingen bedoeld in artikel 6 van de wet op het politieambt. Zij hebben inderdaad niet het rechtstreeks en onmiddellijk dwingend karakter van de bevelen en onderrichtingen die uitgaan van de gezaghebbende overheden (supra 1.2.) en reiken evenmin even ver als de vorderingen die de burgemeester tot de rijkswacht kan richten. De naleving ervan kan evenwel via een geëigende procedure worden afgedwongen (nieuw artikel 51bis van de wet op de rijkswacht).
In feite moeten de richtlijnen van de burgemeester gezien worden in het raam van zijn bevoegdheid om als bijzondere verantwoordelijke voor de uitvoering van de politiewetten en besluiten (cf. artikel 133 N.Gem.W.), aan te geven hoe hij wenst dat de rijkswacht hem concreet bijstaat in de uitoefening van zijn opdracht (zoals andere bestuurlijke overheden omzendbrieven kunnen richten aan de diensten die te hunner beschikking staan).
Hij krijgt voortaan de mogelijkheid ook een federale dienst, namelijk de rijkswacht, ertoe te brengen haar actie in principe af te stemmen op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Bovendien wordt de rijkswacht door het nieuwe artikel 16 opdracht gegeven, zelfs zonder richtlijnen, bij te dragen tot de verwezenlijking van dat beleid.
Per definitie kunnen die richtlijnen dus geen taakverdeling tussen politiediensten opleggen. Dit is een materie die voorbehouden is voor akkoorden (cf. supra). Immers, een taakverdeling veronderstelt een voorafgaand beredeneerd overleg m.b.t. verschillende parameters zoals de effectieven, de budgetten, andere verantwoordelijkheden,....
De rijkswacht zal die richtlijnen naleven, voor zover ze niet indruisen tegen de door de federale overheid gegeven bevelen of onderrichtingen.
Geven die richtlijnen de burgemeester meer armslag, toch kan die laatste daardoor :
- de rijkswacht geen verplichtingen opleggen die strijdig zouden zijn met de wet (bv. : iemand bestuurlijk laten aanhouden wanneer niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden);
- de rijkswacht niet formeel verbieden op te treden wanneer zij daartoe wettelijk gehouden is;
- zich niet mengen in de dienstorganisatie van de rijkswacht, zoals hij dat trouwens zelfs niet vermag te doen bij vordering (artikel 44 van de wet op de rijkswacht).
De rijkswacht schikt zich naar de gegeven richtlijnen voor zover zij voormelde beginselen niet schenden. De wet voorziet in een hiërarchisch beroep i.g.v. niet-naleving. In voorkomend geval zal dan uiteindelijk de Minister van Binnenlandse Zaken de zaak beslechten (nieuw artikel 51bis van de wet op de rijkswacht) en aldus de richtlijnen afdwingbaar kunnen maken.
Deze procedure alsmede de aard zelf van de richtlijnen, vereisen dat zij schriftelijk worden gegeven.
3.3.2. Voorbeelden van richtlijnen.
Het gemeentelijk veiligheidsbeleid heeft als finaliteit het correct reageren op onder meer de volgende problemen :
- het bestuurlijk optreden bij incidenten en individuele problemen waarmee de burger bij de politie terecht moet kunnen;
- de onveiligheidsfenomenen die beheerst moeten worden;
- maatschappelijke gebeurtenissen, groot of klein van aard, die een risico op verstoring van de openbare orde inhouden.
De richtlijnen die de burgemeester in dat raam uitvaardigt, kunnen o.a. bepalen wat gedaan moet worden met betrekking tot deze incidenten, fenomenen en gebeurtenissen.
Zij kunnen zowel van algemene aard zijn, als betrekking hebben op een bepaalde situatie of een bepaald initiatief.
Het is evenwel duidelijk dat de burgemeester zich op geen enkel ogenblik kan inlaten met de uitvoering van de taken van gerechtelijke politie door de rijkswacht, noch daarover verantwoording kan vragen. Wel kan hij daarover, binnen de grenzen van het geheim van het onderzoek, worden ingelicht (supra 3.2.).
Meer algemeen moet worden gesteld dat telkens wanneer de richtlijnen van de burgemeester het bevoegdheidsdomein van de procureur des Konings zouden raken, er vooraf tussen hen overleg moet worden gepleegd, bij voorkeur in het raam van het vijfhoeksoverleg. Ook omgekeerd dient de procureur des Konings overleg te plegen met de burgemeester wanneer een geplande gerechtelijke actie de openbare orde zou kunnen verstoren en dus ook de burgemeester in dat kader de nodige maatregelen moet kunnen nemen (voorbeelden : grootscheepse inval in sommige milieus, grote drugrazzia's in dancings). Dit allemaal in zoverre het geheim van het onderzoek zich daar uiteraard niet tegen verzet.
Als algemene richtlijn kan de burgemeester bijvoorbeeld voorschrijven :
- een bepaald fenomeen projectmatig aan te pakken (dit is een integrale en gecoördineerde aanpak). Het kan hier bijvoorbeeld gaan om :
* een inbraakplaag in een bepaalde wijk;
* een algemeen probleem van vandalisme;
* het systematisch gevaarlijk parkeren;* een plaag van valse bommeldingen;
- zich prioritair te richten naar een bepaald lokaal fenomeen, eerder dan naar een ander;
- om bij inbraak de slachtoffers te verwijzen naar de preventiedienst van de gemeente die hen zal voorlichten over techno-preventieve maatregelen;
- bijzondere aandacht te besteden aan agressief of egoïstisch rijgedrag;
- dat in geval van burenruzie of echtelijke moeilijkheden de personen worden doorverwezen naar de bevoegde sociale diensten of opvangcentra;
- dat de hercontactname met slachtoffers de regel moet zijn;
- dat vakantietoezicht zou worden georganiseerd bij afwezigheid van de bewoners;
- dat hij systematisch zou worden ingelicht n.a.v. een ramp, een verkeersongeval met dodelijke slachtoffers, een brand,...;
- dat de naleving van bepaalde gemeentelijke reglementeringen systematisch zou worden gecontroleerd.
Als bijzondere richtlijn kan de burgemeester bijvoorbeeld voorschrijven :
- dat zou worden opgetreden t.o.v. een bepaalde mega-dancing die de laatste tijd het voorwerp was van talrijke klachten van de omwonenden;
- dat naar aanleiding van een bepaalde ramp de nodige maatregelen moeten worden genomen om ramptoerisme te vermijden;
- om naar aanleiding van de organisatie van een sportwedstrijd, een muziekfestival of een rommelmarkt streng op te treden t.o.v. foutparkeerders.
Zoals reeds gezegd, kan de burgemeester, zoals bij de vorderingen, zonder zich te mengen in de dienstorganisatie (supra 3.3.1.), bij het geven van richtlijnen aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven nopens de in te zetten middelen. Die richtlijnen mogen echter niet strijdig zijn met artikel 8 van de wet op het politieambt, dat bepaalt dat de politieambtenaren, bij het vervullen van hun opdrachten, uitsluitend onder de leiding staan van de meerderen van de politiedienst waartoe deze politieambtenaren behoren (zie ook artikel 49 van de wet op de rijkswacht). Dit houdt o.a. in dat het de brigadecommandant of districtscommandant is die bepaalt welke rijkswachters met welke middelen de taken vervullen.
Zo kan de burgemeester bijvoorbeeld niet eisen dat :
- een bepaalde taak zou worden uitgevoerd door rijkswachter X en rijkswachter Y;
- de rijkswacht haar patrouilles met twee of met drie zou uitvoeren;
- de rijkswacht te voet, per fiets of te paard zou patrouilleren;
- de lokale brigade open is van dat uur tot dat uur.
De burgemeester kan ook negatieve richtlijnen geven. Zo zou hij bijvoorbeeld de rijkswacht kunnen voorschrijven om in een drukke, verkeersvrije straat niet per voertuig te patrouilleren.
Hij kan evenwel de rijkswacht niet verbieden haar wettelijke opdrachten uit te voeren (supra 3.3.1.) en bijvoorbeeld verbieden :
- een actie te voeren in een plaatselijke mega-dancing, gekend voor de handel in en het gebruik van drugs;
- snelheids- en alcoholcontroles te verrichten in het raam van de verkeersveiligheid op het grondgebied van de gemeente.
3.3.1. Begrip en draagwijdte.
Krachtens het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht, schikt de rijkswacht zich bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie naar de door de burgemeester binnen het raam van zijn bevoegdheden uitgevaardigde richtlijnen m.b.t. het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Ook al is de ongedwongen samenwerking de regel (supra 3.1.), toch moet de burgemeester, als spilfiguur van het gemeentelijk veiligheidsbeleid, richtlijnen kunnen geven aan de rijkswacht.
Richtlijnen in de zin van het nieuwe artikel 16 van de wet op de rijkswacht, zijn schriftelijke voorschriften die het door de rijkswacht na te leven raamkader vastleggen waarbinnen de burgemeester wenst zijn wettelijke taak - in te staan voor de uitvoering van de wetten en besluiten (artikel 133 N.Gem.W.) - waar te maken en die ook bepalen welke politiemaatregelen volgens de burgemeester in dit raam al dan niet dienen te worden getroffen of uitgevoerd. Zij kunnen in dit opzicht ook aanbevelingen en precieze aanwijzingen bevatten omtrent de in te zetten middelen, zonder zich evenwel in te laten met de eigenlijke concrete dienstorganisatie.
Die richtlijnen die de burgemeester voortaan kan uitvaardigen in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid, onderscheiden zich door hun eigen aard en mate van afdwingbaarheid van de bevelen, onderrichtingen en vorderingen bedoeld in artikel 6 van de wet op het politieambt. Zij hebben inderdaad niet het rechtstreeks en onmiddellijk dwingend karakter van de bevelen en onderrichtingen die uitgaan van de gezaghebbende overheden (supra 1.2.) en reiken evenmin even ver als de vorderingen die de burgemeester tot de rijkswacht kan richten. De naleving ervan kan evenwel via een geëigende procedure worden afgedwongen (nieuw artikel 51bis van de wet op de rijkswacht).
In feite moeten de richtlijnen van de burgemeester gezien worden in het raam van zijn bevoegdheid om als bijzondere verantwoordelijke voor de uitvoering van de politiewetten en besluiten (cf. artikel 133 N.Gem.W.), aan te geven hoe hij wenst dat de rijkswacht hem concreet bijstaat in de uitoefening van zijn opdracht (zoals andere bestuurlijke overheden omzendbrieven kunnen richten aan de diensten die te hunner beschikking staan).
Hij krijgt voortaan de mogelijkheid ook een federale dienst, namelijk de rijkswacht, ertoe te brengen haar actie in principe af te stemmen op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Bovendien wordt de rijkswacht door het nieuwe artikel 16 opdracht gegeven, zelfs zonder richtlijnen, bij te dragen tot de verwezenlijking van dat beleid.
Per definitie kunnen die richtlijnen dus geen taakverdeling tussen politiediensten opleggen. Dit is een materie die voorbehouden is voor akkoorden (cf. supra). Immers, een taakverdeling veronderstelt een voorafgaand beredeneerd overleg m.b.t. verschillende parameters zoals de effectieven, de budgetten, andere verantwoordelijkheden,....
De rijkswacht zal die richtlijnen naleven, voor zover ze niet indruisen tegen de door de federale overheid gegeven bevelen of onderrichtingen.
Geven die richtlijnen de burgemeester meer armslag, toch kan die laatste daardoor :
- de rijkswacht geen verplichtingen opleggen die strijdig zouden zijn met de wet (bv. : iemand bestuurlijk laten aanhouden wanneer niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden);
- de rijkswacht niet formeel verbieden op te treden wanneer zij daartoe wettelijk gehouden is;
- zich niet mengen in de dienstorganisatie van de rijkswacht, zoals hij dat trouwens zelfs niet vermag te doen bij vordering (artikel 44 van de wet op de rijkswacht).
De rijkswacht schikt zich naar de gegeven richtlijnen voor zover zij voormelde beginselen niet schenden. De wet voorziet in een hiërarchisch beroep i.g.v. niet-naleving. In voorkomend geval zal dan uiteindelijk de Minister van Binnenlandse Zaken de zaak beslechten (nieuw artikel 51bis van de wet op de rijkswacht) en aldus de richtlijnen afdwingbaar kunnen maken.
Deze procedure alsmede de aard zelf van de richtlijnen, vereisen dat zij schriftelijk worden gegeven.
3.3.2. Voorbeelden van richtlijnen.
Het gemeentelijk veiligheidsbeleid heeft als finaliteit het correct reageren op onder meer de volgende problemen :
- het bestuurlijk optreden bij incidenten en individuele problemen waarmee de burger bij de politie terecht moet kunnen;
- de onveiligheidsfenomenen die beheerst moeten worden;
- maatschappelijke gebeurtenissen, groot of klein van aard, die een risico op verstoring van de openbare orde inhouden.
De richtlijnen die de burgemeester in dat raam uitvaardigt, kunnen o.a. bepalen wat gedaan moet worden met betrekking tot deze incidenten, fenomenen en gebeurtenissen.
Zij kunnen zowel van algemene aard zijn, als betrekking hebben op een bepaalde situatie of een bepaald initiatief.
Het is evenwel duidelijk dat de burgemeester zich op geen enkel ogenblik kan inlaten met de uitvoering van de taken van gerechtelijke politie door de rijkswacht, noch daarover verantwoording kan vragen. Wel kan hij daarover, binnen de grenzen van het geheim van het onderzoek, worden ingelicht (supra 3.2.).
Meer algemeen moet worden gesteld dat telkens wanneer de richtlijnen van de burgemeester het bevoegdheidsdomein van de procureur des Konings zouden raken, er vooraf tussen hen overleg moet worden gepleegd, bij voorkeur in het raam van het vijfhoeksoverleg. Ook omgekeerd dient de procureur des Konings overleg te plegen met de burgemeester wanneer een geplande gerechtelijke actie de openbare orde zou kunnen verstoren en dus ook de burgemeester in dat kader de nodige maatregelen moet kunnen nemen (voorbeelden : grootscheepse inval in sommige milieus, grote drugrazzia's in dancings). Dit allemaal in zoverre het geheim van het onderzoek zich daar uiteraard niet tegen verzet.
Als algemene richtlijn kan de burgemeester bijvoorbeeld voorschrijven :
- een bepaald fenomeen projectmatig aan te pakken (dit is een integrale en gecoördineerde aanpak). Het kan hier bijvoorbeeld gaan om :
* een inbraakplaag in een bepaalde wijk;
* een algemeen probleem van vandalisme;
* het systematisch gevaarlijk parkeren;* een plaag van valse bommeldingen;
- zich prioritair te richten naar een bepaald lokaal fenomeen, eerder dan naar een ander;
- om bij inbraak de slachtoffers te verwijzen naar de preventiedienst van de gemeente die hen zal voorlichten over techno-preventieve maatregelen;
- bijzondere aandacht te besteden aan agressief of egoïstisch rijgedrag;
- dat in geval van burenruzie of echtelijke moeilijkheden de personen worden doorverwezen naar de bevoegde sociale diensten of opvangcentra;
- dat de hercontactname met slachtoffers de regel moet zijn;
- dat vakantietoezicht zou worden georganiseerd bij afwezigheid van de bewoners;
- dat hij systematisch zou worden ingelicht n.a.v. een ramp, een verkeersongeval met dodelijke slachtoffers, een brand,...;
- dat de naleving van bepaalde gemeentelijke reglementeringen systematisch zou worden gecontroleerd.
Als bijzondere richtlijn kan de burgemeester bijvoorbeeld voorschrijven :
- dat zou worden opgetreden t.o.v. een bepaalde mega-dancing die de laatste tijd het voorwerp was van talrijke klachten van de omwonenden;
- dat naar aanleiding van een bepaalde ramp de nodige maatregelen moeten worden genomen om ramptoerisme te vermijden;
- om naar aanleiding van de organisatie van een sportwedstrijd, een muziekfestival of een rommelmarkt streng op te treden t.o.v. foutparkeerders.
Zoals reeds gezegd, kan de burgemeester, zoals bij de vorderingen, zonder zich te mengen in de dienstorganisatie (supra 3.3.1.), bij het geven van richtlijnen aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven nopens de in te zetten middelen. Die richtlijnen mogen echter niet strijdig zijn met artikel 8 van de wet op het politieambt, dat bepaalt dat de politieambtenaren, bij het vervullen van hun opdrachten, uitsluitend onder de leiding staan van de meerderen van de politiedienst waartoe deze politieambtenaren behoren (zie ook artikel 49 van de wet op de rijkswacht). Dit houdt o.a. in dat het de brigadecommandant of districtscommandant is die bepaalt welke rijkswachters met welke middelen de taken vervullen.
Zo kan de burgemeester bijvoorbeeld niet eisen dat :
- een bepaalde taak zou worden uitgevoerd door rijkswachter X en rijkswachter Y;
- de rijkswacht haar patrouilles met twee of met drie zou uitvoeren;
- de rijkswacht te voet, per fiets of te paard zou patrouilleren;
- de lokale brigade open is van dat uur tot dat uur.
De burgemeester kan ook negatieve richtlijnen geven. Zo zou hij bijvoorbeeld de rijkswacht kunnen voorschrijven om in een drukke, verkeersvrije straat niet per voertuig te patrouilleren.
Hij kan evenwel de rijkswacht niet verbieden haar wettelijke opdrachten uit te voeren (supra 3.3.1.) en bijvoorbeeld verbieden :
- een actie te voeren in een plaatselijke mega-dancing, gekend voor de handel in en het gebruik van drugs;
- snelheids- en alcoholcontroles te verrichten in het raam van de verkeersveiligheid op het grondgebied van de gemeente.
Art. 3M 3. 3.3. Directives du bourgmestre dans le cadre de la politique communale de sécurité.
3.3.1. Notion et portée.
Conformément à l'article 16 nouveau de la loi sur la gendarmerie, celle-ci se conforme, lors de l'exécution de missions de police administrative, aux directives définies par le bourgmestre dans le cadre de ses compétences et qui sont relatives à la politique communale de sécurité.
Même si la collaboration non-contraignante est la règle (supra 3.1.), le bourgmestre doit, en tant que figure-clé de la politique communale de sécurité, pouvoir donner des directives à la gendarmerie.
Les directives au sens du nouvel article 16 de la loi sur la gendarmerie sont des prescriptions écrites qui fixent le cadre à respecter par la gendarmerie et dans lequel le bourgmestre souhaite assumer sa responsabilité en ce qui concerne sa tâche légale de veiller à l'exécution des lois et règlements (article 133 NLC) et qui déterminent aussi quelles mesures de police seront ou non prises ou exécutées dans ce cadre, selon le bourgmestre. Elles peuvent aussi contenir à cet effet des recommandations et des indications précises en ce qui concerne les moyens à mettre en oeuvre, sans toutefois s'immiscer dans l'organisation concrète du service.
Ces directives que le bourgmestre peut désormais édicter dans le cadre de la politique communale de sécurité, se distinguent par leur nature propre et par la mesure de leur caractère contraignant, des ordres, instructions et réquisitions visés à l'article 6 de la loi sur la fonction de police. En effet, elles n'ont pas le caractère directement et immédiatement contraignant des ordres et des instructions émanant des autorités ayant une autorité hiérarchique (supra 1.2.) et ne vont pas non plus aussi loin que les réquisitions que le bourgmestre peut adresser à la gendarmerie. Le respect peut toutefois en être imposé par une procédure spécifique (nouvel article 51bis de la loi sur la gendarmerie).
En fait, les directives du bourgmestre doivent être situées dans le cadre de ses compétences de préciser, comme responsable spécifique de l'exécution des lois et règlements de police (cf. article 133 NLC) et à l'instar des autres autorités administratives qui adressent des circulaires aux services qui sont à leur disposition, la façon dont il souhaiterait que la gendarmerie l'assiste concrètement dans l'accomplissement de sa mission.
Dorénavant la possibilité lui est offerte d'amener aussi un service fédéral, à savoir la gendarmerie, à faire concorder ses actions avec la politique communale de sécurité.
De plus, de par l'article 16 nouveau, mission est donnée à la gendarmerie de contribuer à la réalisation de cette politique, même en l'absence de directives.
Il est donc clair que, par définition, les directives ne pourraient contenir une répartition de tâches entre services de police. Cette matière est réservée aux accords (cf. supra). En effet, une répartition de tâches suppose une concertation raisonnée préalable au sujet de différents paramètres, tels que les effectifs, les budgets, les autres responsabilités, ....
La gendarmerie se conformera à ces directives pour autant qu'elles n'entrent pas en conflit avec les ordres ou instructions émanant de l'autorité fédérale.
Si ces directives donnent des coudées plus franches au bourgmestre celui-ci ne peut pas :
- imposer à la gendarmerie des obligations qui seraient contraires à la loi (par ex. faire arrêter administrativement quelqu'un alors que les conditions légales ne sont pas remplies);
- interdire à la gendarmerie d'intervenir alors qu'elle y est légalement tenue;
- s'immiscer dans l'organisation du service de la gendarmerie tout comme il ne peut d'ailleurs pas le faire en matière de réquisitions (article 44 de la loi sur la gendarmerie).
La gendarmerie se conforme aux directives édictées pour autant qu'elles ne contreviennent pas aux principes précités. La loi prévoit un recours hiérarchique en cas de non respect. Le cas échéant, ce sera finalement le Ministre de l'Intérieur qui tranchera (nouvel article 51bis de la loi sur la gendarmerie) et qui pourra ainsi les rendre contraignantes.
Cette procédure ainsi que la nature même des directives postulent que celles-ci soient écrites.
3.3.2. Exemples de directives.
La politique communale de sécurité a pour finalité de réagir correctement notamment aux problèmes suivants :
- l'intervention administrative en cas d'incidents ou de problèmes individuels pour lesquels le citoyen doit pouvoir s'adresser à la police;
- les phénomènes insécurisants qui doivent être maîtrisés;
- des événements sociaux, de petite ou grande échelle, qui comportent un risque de perturbation de l'ordre public.
Les directives que le bourgmestre édicte dans ce cadre peuvent notamment définir ce qui doit être fait à l'égard des incidents, phénomènes et événements.
Elles peuvent aussi bien être de nature générale qu'avoir trait à une situation ou à une initiative précise.
Il est toutefois clair que le bourgmestre ne peut en aucun cas s'immiscer dans l'exécution par la gendarmerie des tâches de police judiciaire ni demander qu'il lui en soit rendu compte. Il peut néanmoins demander d'en être tenu informé dans les limites du secret de l'instruction (supra 3.2.).
Le principe général doit être que chaque fois que les directives du bourgmestre touchent au domaine des compétences du procureur du Roi, une concertation préalable doit être organisée entre eux, de préférence dans le cadre de la concertation pentagonale. De son côté le procureur du Roi doit également se concerter avec le bourgmestre lorsqu'une action judiciaire planifiée pourrait troubler l'ordre public et que, dans ce cadre, le bourgmestre doive donc pouvoir prendre les mesures nécessaires (exemples : action de grande envergure dans certains milieux, grandes opérations de contrôle de drogue dans les dancings). Tout ceci ne vaut bien évidemment pour autant que le secret de l'instruction ne s'y oppose pas.
A titre de directives générales, le bourgmestre peut par exemple prescrire :
- d'appréhender un phénomène précis sous la forme d'un projet (il s'agit d'une approche intégrale et coordonnée). Il peut s'agir par exemple :
* d'une épidémie d'effractions dans un certain quartier;
* d'un problème généralisé de vandalisme;
* de stationnements dangereux systématiques;
* d'une épidémie de fausses alertes à la bombe;
- de s'attacher prioritairement à un phénomène local précis plutôt qu'à un autre :
- en cas d'effraction, d'aiguiller les victimes vers le service de prévention de la commune qui les informera des mesures techniques préventives;
- de prêter une attention particulière au comportement égoïste ou agressif de certains conducteurs;
- qu'en cas de dispute de voisinage ou de conflits conjugaux, les personnes soient dirigées vers les centres d'accueil ou les services sociaux compétents;
- qu'il soit de règle que l'on reprenne contact avec les victimes;
- qu'une surveillance pendant les vacances soit organisée en cas d'absence des occupants;
- qu'il soit systématiquement informé à l'occasion d'une catastrophe, d'un accident de roulage avec mort d'homme, d'un incendie, ...;
- que l'application de certaines réglementations communales soit systématiquement contrôlée.
A titre de directives particulières, le bourgmestre peut par exemple prescrire :
- que l'on intervienne à l'égard de tel méga-dancing qui a fait l'objet, ces derniers temps, de nombreuses plaintes des riverains;
- qu'à l'occasion d'une catastrophe déterminée les mesures nécessaires soient prises pour éviter le tourisme de catastrophe;
- d'intervenir sévèrement à l'égard des véhicules en stationnement interdit lors de manifestations sportives, d'un festival de musique ou d'un marché aux puces.
Il a déjà été mentionné que, tout comme en matière de réquisitions, le bourgmestre peut, lorsqu'il donne des directives, sans s'immiscer dans l'organisation du service (supra 3.3.1.), faire des recommandations et donner des indications précises en ce qui concerne les moyens à mettre en oeuvre. Ces directives ne peuvent toutefois pas être contraires à l'article 8 de la loi sur la fonction de police qui dispose que les fonctionnaires de police sont placés, pour l'exécution de leurs missions, sous l'autorité exclusive des supérieurs du service de police auquel ces fonctionnaires de police appartiennent (voir aussi l'article 49 de la loi sur la gendarmerie). Ceci implique notamment que c'est le commandant de brigade ou le commandant de district qui déterminera quels gendarmes effectueront les missions avec quels moyens.
Ainsi, le bourgmestre ne pourra par exemple pas exiger que :
- un tel devoir soit exécuté par le gendarme X ou le gendarme Y;
- la gendarmerie effectue ses patrouilles par deux ou par trois;
- la gendarmerie patrouille à pied, en vélo ou à cheval;
- la brigade locale soit ouverte de telle heure à telle heure.
Le bourgmestre peut aussi donner des directives négatives. C'est ainsi qu'il pourrait par exemple prescrire à la gendarmerie de ne pas patrouiller en voiture dans une rue piétonne fortement fréquentée.
Il ne peut toutefois pas interdire à la gendarmerie de remplir ses missions légales (supra 3.3.1.) et, par exemple, interdire :
- de mener une action dans un méga-dancing local connu pour trafic et consommation de stupéfiants;
- d'exécuter des contrôles de vitesse ou d'alcoolémie dans le cadre de la sécurité routière sur le territoire de la commune.
3.3.1. Notion et portée.
Conformément à l'article 16 nouveau de la loi sur la gendarmerie, celle-ci se conforme, lors de l'exécution de missions de police administrative, aux directives définies par le bourgmestre dans le cadre de ses compétences et qui sont relatives à la politique communale de sécurité.
Même si la collaboration non-contraignante est la règle (supra 3.1.), le bourgmestre doit, en tant que figure-clé de la politique communale de sécurité, pouvoir donner des directives à la gendarmerie.
Les directives au sens du nouvel article 16 de la loi sur la gendarmerie sont des prescriptions écrites qui fixent le cadre à respecter par la gendarmerie et dans lequel le bourgmestre souhaite assumer sa responsabilité en ce qui concerne sa tâche légale de veiller à l'exécution des lois et règlements (article 133 NLC) et qui déterminent aussi quelles mesures de police seront ou non prises ou exécutées dans ce cadre, selon le bourgmestre. Elles peuvent aussi contenir à cet effet des recommandations et des indications précises en ce qui concerne les moyens à mettre en oeuvre, sans toutefois s'immiscer dans l'organisation concrète du service.
Ces directives que le bourgmestre peut désormais édicter dans le cadre de la politique communale de sécurité, se distinguent par leur nature propre et par la mesure de leur caractère contraignant, des ordres, instructions et réquisitions visés à l'article 6 de la loi sur la fonction de police. En effet, elles n'ont pas le caractère directement et immédiatement contraignant des ordres et des instructions émanant des autorités ayant une autorité hiérarchique (supra 1.2.) et ne vont pas non plus aussi loin que les réquisitions que le bourgmestre peut adresser à la gendarmerie. Le respect peut toutefois en être imposé par une procédure spécifique (nouvel article 51bis de la loi sur la gendarmerie).
En fait, les directives du bourgmestre doivent être situées dans le cadre de ses compétences de préciser, comme responsable spécifique de l'exécution des lois et règlements de police (cf. article 133 NLC) et à l'instar des autres autorités administratives qui adressent des circulaires aux services qui sont à leur disposition, la façon dont il souhaiterait que la gendarmerie l'assiste concrètement dans l'accomplissement de sa mission.
Dorénavant la possibilité lui est offerte d'amener aussi un service fédéral, à savoir la gendarmerie, à faire concorder ses actions avec la politique communale de sécurité.
De plus, de par l'article 16 nouveau, mission est donnée à la gendarmerie de contribuer à la réalisation de cette politique, même en l'absence de directives.
Il est donc clair que, par définition, les directives ne pourraient contenir une répartition de tâches entre services de police. Cette matière est réservée aux accords (cf. supra). En effet, une répartition de tâches suppose une concertation raisonnée préalable au sujet de différents paramètres, tels que les effectifs, les budgets, les autres responsabilités, ....
La gendarmerie se conformera à ces directives pour autant qu'elles n'entrent pas en conflit avec les ordres ou instructions émanant de l'autorité fédérale.
Si ces directives donnent des coudées plus franches au bourgmestre celui-ci ne peut pas :
- imposer à la gendarmerie des obligations qui seraient contraires à la loi (par ex. faire arrêter administrativement quelqu'un alors que les conditions légales ne sont pas remplies);
- interdire à la gendarmerie d'intervenir alors qu'elle y est légalement tenue;
- s'immiscer dans l'organisation du service de la gendarmerie tout comme il ne peut d'ailleurs pas le faire en matière de réquisitions (article 44 de la loi sur la gendarmerie).
La gendarmerie se conforme aux directives édictées pour autant qu'elles ne contreviennent pas aux principes précités. La loi prévoit un recours hiérarchique en cas de non respect. Le cas échéant, ce sera finalement le Ministre de l'Intérieur qui tranchera (nouvel article 51bis de la loi sur la gendarmerie) et qui pourra ainsi les rendre contraignantes.
Cette procédure ainsi que la nature même des directives postulent que celles-ci soient écrites.
3.3.2. Exemples de directives.
La politique communale de sécurité a pour finalité de réagir correctement notamment aux problèmes suivants :
- l'intervention administrative en cas d'incidents ou de problèmes individuels pour lesquels le citoyen doit pouvoir s'adresser à la police;
- les phénomènes insécurisants qui doivent être maîtrisés;
- des événements sociaux, de petite ou grande échelle, qui comportent un risque de perturbation de l'ordre public.
Les directives que le bourgmestre édicte dans ce cadre peuvent notamment définir ce qui doit être fait à l'égard des incidents, phénomènes et événements.
Elles peuvent aussi bien être de nature générale qu'avoir trait à une situation ou à une initiative précise.
Il est toutefois clair que le bourgmestre ne peut en aucun cas s'immiscer dans l'exécution par la gendarmerie des tâches de police judiciaire ni demander qu'il lui en soit rendu compte. Il peut néanmoins demander d'en être tenu informé dans les limites du secret de l'instruction (supra 3.2.).
Le principe général doit être que chaque fois que les directives du bourgmestre touchent au domaine des compétences du procureur du Roi, une concertation préalable doit être organisée entre eux, de préférence dans le cadre de la concertation pentagonale. De son côté le procureur du Roi doit également se concerter avec le bourgmestre lorsqu'une action judiciaire planifiée pourrait troubler l'ordre public et que, dans ce cadre, le bourgmestre doive donc pouvoir prendre les mesures nécessaires (exemples : action de grande envergure dans certains milieux, grandes opérations de contrôle de drogue dans les dancings). Tout ceci ne vaut bien évidemment pour autant que le secret de l'instruction ne s'y oppose pas.
A titre de directives générales, le bourgmestre peut par exemple prescrire :
- d'appréhender un phénomène précis sous la forme d'un projet (il s'agit d'une approche intégrale et coordonnée). Il peut s'agir par exemple :
* d'une épidémie d'effractions dans un certain quartier;
* d'un problème généralisé de vandalisme;
* de stationnements dangereux systématiques;
* d'une épidémie de fausses alertes à la bombe;
- de s'attacher prioritairement à un phénomène local précis plutôt qu'à un autre :
- en cas d'effraction, d'aiguiller les victimes vers le service de prévention de la commune qui les informera des mesures techniques préventives;
- de prêter une attention particulière au comportement égoïste ou agressif de certains conducteurs;
- qu'en cas de dispute de voisinage ou de conflits conjugaux, les personnes soient dirigées vers les centres d'accueil ou les services sociaux compétents;
- qu'il soit de règle que l'on reprenne contact avec les victimes;
- qu'une surveillance pendant les vacances soit organisée en cas d'absence des occupants;
- qu'il soit systématiquement informé à l'occasion d'une catastrophe, d'un accident de roulage avec mort d'homme, d'un incendie, ...;
- que l'application de certaines réglementations communales soit systématiquement contrôlée.
A titre de directives particulières, le bourgmestre peut par exemple prescrire :
- que l'on intervienne à l'égard de tel méga-dancing qui a fait l'objet, ces derniers temps, de nombreuses plaintes des riverains;
- qu'à l'occasion d'une catastrophe déterminée les mesures nécessaires soient prises pour éviter le tourisme de catastrophe;
- d'intervenir sévèrement à l'égard des véhicules en stationnement interdit lors de manifestations sportives, d'un festival de musique ou d'un marché aux puces.
Il a déjà été mentionné que, tout comme en matière de réquisitions, le bourgmestre peut, lorsqu'il donne des directives, sans s'immiscer dans l'organisation du service (supra 3.3.1.), faire des recommandations et donner des indications précises en ce qui concerne les moyens à mettre en oeuvre. Ces directives ne peuvent toutefois pas être contraires à l'article 8 de la loi sur la fonction de police qui dispose que les fonctionnaires de police sont placés, pour l'exécution de leurs missions, sous l'autorité exclusive des supérieurs du service de police auquel ces fonctionnaires de police appartiennent (voir aussi l'article 49 de la loi sur la gendarmerie). Ceci implique notamment que c'est le commandant de brigade ou le commandant de district qui déterminera quels gendarmes effectueront les missions avec quels moyens.
Ainsi, le bourgmestre ne pourra par exemple pas exiger que :
- un tel devoir soit exécuté par le gendarme X ou le gendarme Y;
- la gendarmerie effectue ses patrouilles par deux ou par trois;
- la gendarmerie patrouille à pied, en vélo ou à cheval;
- la brigade locale soit ouverte de telle heure à telle heure.
Le bourgmestre peut aussi donner des directives négatives. C'est ainsi qu'il pourrait par exemple prescrire à la gendarmerie de ne pas patrouiller en voiture dans une rue piétonne fortement fréquentée.
Il ne peut toutefois pas interdire à la gendarmerie de remplir ses missions légales (supra 3.3.1.) et, par exemple, interdire :
- de mener une action dans un méga-dancing local connu pour trafic et consommation de stupéfiants;
- d'exécuter des contrôles de vitesse ou d'alcoolémie dans le cadre de la sécurité routière sur le territoire de la commune.
Art. 4M 3. 3.4. De vorderingen.
Afgezien van de mogelijkheid tot vorderen in het geval van een uitvoerbare beslissing van bestuurlijke politie (bv. : beslissing tot sluiting van een dancing), was het vorderingsrecht van de burgemeester t.a.v. de rijkswacht beperkt tot de handhaving of het herstel van de openbare rust (infra 3.4.1.). De wet van 3 april 1997 breidt het vorderingsrecht van de burgemeester uit (infra 3.4.2.), maar dan nog zal de vordering een uitzonderingsmaatregel blijven (supra 3.1.).
3.4.1. De vorderingen in het raam van de openbare orde.
In het raam van de openbare orde kan de burgemeester de rijkswacht vorderen in geval van oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, dit met het oog op het handhaven of het herstellen van de openbare rust (zie artikel 175 N.Gem.W.). Hij kan evenwel slechts vorderen, voor zover de eigen mogelijkheden en middelen, die ook worden aangewend, onvoldoende of onaangepast zijn.
3.4.1.1. Modaliteiten van de vordering (zie artikel 175 N.Gem.W.; de artikelen 44, 45, 46 en 48 van de wet op de rijkswacht; artikel 6 van de wet op het politieambt).
De vordering moet :
* schriftelijk gebeuren. In spoedeisende gevallen kan de rijkswacht telefonisch of per fax gevorderd worden. Die vordering moet zodra mogelijk schriftelijk bevestigd worden;
* gedagtekend zijn;
* de naam, hoedanigheid en handtekening van de burgemeester dragen;
* de wetsbepaling vermelden waarop zij steunt;
* het voorwerp bevatten van de vordering. Dit voorwerp kan algemeen of bijzonder zijn en moet worden verduidelijkt (infra 3.4.1.3.);
* gericht zijn aan de territoriaal bevoegde districtscommandant of aan de bevoegde hogere rijkswachtoverheden.
Een geijkte formule om de rijkswacht te vorderen bestaat niet.
Volgende formule wordt aanbevolen :
Wij, N....(naam), burgemeester van A... (naam gemeente), vorderen krachtens... (vermelding van de wetsbepaling waarop de vordering steunt), X... (naam van de territoriaal bevoegde districtscommandant of de bevoegde hogere rijkswachtoverheid), bevelhebber van het rijkswachtdistrict Y... (naam van het district), om de hulp van de rijkswacht te verlenen om... (omschrijving van de opdracht van openbare orde die het voorwerp van de vordering uitmaakt).
Als waarborg voor de voornoemde bevelhebber, plaatsen wij hieronder onze handtekening.
Gegeven te.........................op..
3.4.1.2. Voorwaarden van de vordering :
* een toestand van oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde (zie artikel 175 N.Gem.W.). Op basis van deze voorwaarde is ook een preventieve vordering dus mogelijk;* de eigen middelen moeten ontoereikend, onaangepast of onbestaand zijn. Dit wil zeggen dat de burgemeester eerst zijn eigen middelen, waaronder de gemeentepolitie, moet inzetten alvorens hij een beroep kan doen op de rijkswacht. De vordering is dus een uitzonderlijke maatregel en kan nooit aangewend worden om de verantwoordelijkheid van de gemeente af te wentelen op de federale overheid.
3.4.1.3. Voorwerp van de vordering.
De opdracht, opgelegd via vordering, is de handhaving van de openbare rust met uitzondering van de andere componenten van de openbare orde, namelijk de openbare veiligheid en de openbare gezondheid.
De openbare rust kan worden gedefinieerd als de afwezigheid van wanordelijkheden en verstoringen in openbare plaatsen.
De rijkswacht kan op grond van artikel 175 N.Gem.W. dus niet gevorderd worden om bijvoorbeeld :
* een helicopter in te zetten bij een zoektocht naar een verdwenen minderjarige;
* een waterbedeling te organiseren bij aanhoudende droogte;
* in geval van staking het huisvuil op te halen;
* op te treden tegen stakers die op vreedzame wijze een bedrijf bezetten zonder dat daarbij sprake is van een verstoring van de openbare rust;
* ondergelopen kelders leeg te pompen;
* de inwoners te verplichten fiscale stickers te kleven op de vuilniszakken....
Ter uitvoering van de vordering verduidelijkt de burgemeester, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het voorwerp van de vordering en kan hij aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden gebruikt (artikel 44 wet op de rijkswacht en artikel 6 wet op het politieambt).
Zo kan hij bijvoorbeeld vragen dat :
* de ruiterij zou worden ingezet;
* sproeiwagens zouden worden gebruikt;
* een helicopter zou worden ingezet.
Of omgekeerd dat :
* de ruiterij niet zou worden ingezet;
* geen sproeiwagens zouden worden gebruikt;
* geen Spaanse ruiters zouden worden geplaatst;
* in geen geval gebruik zou worden gemaakt van traangas.
De uitvoering van de vordering gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de rijkswachtchefs die de daartoe nodige dienstorganisatie bepalen (artikel 49 van de wet op de rijkswacht en artikel 8 van de wet op het politieambt). Hierbij worden de door de vorderende overheid geformuleerde aanbevelingen en precieze aanwijzingen opgevolgd voor zover dit de uitvoering van de andere politieopdrachten niet in het gedrang brengt en verenigbaar blijft met de gestelde operationele verantwoordelijkheid. In het tegenovergestelde geval, zal de rijkswacht die niet-naleving motiveren. In voorkomend geval kan de Minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, uiteindelijk het bevel geven aan de rijkswacht om zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid (artikel 44 van de wet op de rijkswacht).
Om het verloop van de in voormeld artikel 49 bedoelde operaties niet te verstoren of te belemmeren, zal de burgemeester die aanbevelingen en aanwijzingen tijdig vooraf geven.
3.4.1.4. Einde van de vordering.
De werking van de vordering houdt op wanneer de burgemeester aan de met de uitvoering belaste rijkswachtoverheid schriftelijk of mondeling de opheffing van de vordering betekent (artikel 50 van de wet op de rijkswacht). Deze vereiste wordt vaak veronachtzaamd.
3.4.1.5. Houding van de rijkswacht in geval van een onwettige vordering.
Een vordering is maar wettig, zo zij aan de volgende voorwaarden voldoet :
* zij moet uitgaan van de bevoegde overheid, in casu van de burgemeester of de persoon die hem vervangt. Met deze laatste wordt de plaatsvervangende burgemeester bedoeld;
* de motieven van de vordering moeten geoorloofd zijn, in die zin dat ze een verantwoording moeten vinden in artikel 175 N.Gem.W.;
* het voorwerp van de vordering moet geoorloofd zijn;
* de vordering moet het bereiken van het doel waarvoor de opvorderingsbevoegdheid werd verleend, beogen, namelijk het herstel van de openbare rust;
* de vordering moet gebeuren volgens de supra 3.4.1.1. vermelde modaliteiten.
De houding die de rijkswacht moet aannemen bij een kennelijk onwettige vordering, is de volgende :
* een dergelijke vordering wordt niet uitgevoerd (zie artikel 47 van de wet op de rijkswacht, a contrario);
* de districtscommandant of de hogere rijkswachtoverheid die gevorderd wordt, neemt contact op met de vorderende autoriteit om de gebreken van de vordering te verhelpen. Indien zij daarop ingaat, is het probleem opgelost;
* weigert de burgemeester zijn vordering in te trekken of aan te passen, dan neemt de districtscommandant of de hogere rijkswachtoverheid contact op met het rijkswachtcommando met het oog op de adiëring van de bevoegde politie-overheid.
3.4.1.6. Houding van de rijkswacht in geval van een abusieve vordering.
Men spreekt van een abusieve vordering, wanneer de vorderende overheid niet eerst al haar eigen middelen heeft ingezet die geschikt zijn om haar beslissing materieel uit te voeren. De vordering komt dan voor als een kennelijk misbruik.
De houding die de rijkswacht moet aannemen ten opzichte van dergelijke vordering is die bepaald bij artikel 47 van de wet op de rijkswacht. De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Maar indien de vordering, hoewel wettelijk, haar als een kennelijk misbruik voorkomt, meldt zij dit onverwijld via de hiërarchische weg aan de hogere overheid van de rijkswacht.
3.4.2. Uitbreiding van het vorderingsrecht.
Het vorderingsrecht, dat voorheen enkel bestond in het raam van de handhaving en het herstel van de openbare orde (supra 3.4.1.), wordt thans uitgebreid tot het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie vermeld in de overeenkomsten bedoeld in artikel 133bis, tweede lid, N.Gem.W., die de burgemeester met de brigadecommandant of de districtscommandant heeft gesloten.
Luidens dat artikel 133bis betreft het de overeenkomsten inzake het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie. Op te merken valt dat het adjectief " algemene " gebruikt in voornoemd artikel 133bis, net zoals de laatste zinsnede ervan, enkel duiden op die overeenkomsten of delen van een overeenkomst, die gelet op hun aard en gelet op de bevoegdheden van de gemeenteraad, aan die raad ter goedkeuring moeten worden voorgelegd. Bovendien, zoals hieronder zal worden toegelicht, komen alleen " concrete " afspraken inzake het vervullen van gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie, die de burgemeester met de rijkswachtoverheid heeft gemaakt, in aanmerking voor het uitgebreide vorderingsrecht..
Zoals reeds werd beklemtoond (supra 3.1.), zal dit vorderingsrecht slechts zelden moeten worden aangewend, vermits de rijkswacht, behoudens bijzondere omstandigheden, haar verbintenissen zal naleven.
Vermits het hier een vordering betreft m.b.t. het naleven van akkoorden door de rijkswacht, geldt de regel dat eerst de eigen middelen moeten worden ingezet, natuurlijk niet. Wel is vereist dat de gemeentepolitie haar verbintenissen opgenomen in de akkoorden, naleeft. Door die vereiste wordt vermeden dat de engagementen van die dienst via de vordering aan de rijkswacht zouden worden opgelegd.
3.4.2.1. Modaliteiten van die vordering.
De modaliteiten zijn identiek met die welke supra 3.4.1.1. werden beschreven voor de vordering in het raam van de handhaving en het herstel van de openbare orde.
3.4.2.2. Voorwaarden van die vordering.
* Voorafgaande voorwaarde is het bestaan van een akkoord over het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie tussen de burgemeester en de brigadecommandant of districtscommandant. In de eerste plaats wordt hier gedacht aan het veiligheidscharter of aan de akkoorden die door toedoen van het vijfhoeksoverleg tot stand komen. Ook de naleving van andere akkoorden, die buiten dit overleg werden gesloten, kunnen echter het voorwerp uitmaken van dit vorderingsrecht.
* Alleen de concrete, uitvoerbare en in positieve termen gestelde afspraken komen eventueel voor uitvoering ingevolge vordering in aanmerking.
Voldoende concreet is bijvoorbeeld de afspraak dat :
- de rijkswacht een permanent contactpunt zal openhouden in de lokale brigade;
- de rijkswacht zal instaan voor het verkeerstoezicht bij de plaatselijke scholen;
- de rijkswacht zal instaan voor de organisatie van drugspreventie in de scholen;
- de rijkswacht gedurende de maanden juli en augustus het vakantietoezicht zal verzekeren in een bepaalde wijk, terwijl de politie dit zal doen in een andere wijk;
- de rijkswacht zal instaan voor de bewaking van het gerechtsgebouw, terwijl de politie zal instaan voor de bewaking van het gemeentehuis.
Niet voldoende concreet is bijvoorbeeld de afspraak dat :
- de rijkswacht zal instaan voor het verkeerstoezicht buiten het centrum van de stad;
- de rijkswacht moet zorgen voor een degelijke opvang van slachtoffers van misdrijven;
- de rijkswacht verantwoordelijk is voor de drugbestrijding;
- de rijkswacht de politie zoveel mogelijk moet steunen.
* De brigadecommandant of districtscommandant leeft de in het akkoord aangegane verbintenissen niet na.
3.4.2.3. Voorwerp van die vordering.
De opdracht, opgelegd via vordering, is de naleving van een concrete, uitvoerbare en in positieve termen gestelde afspraak. Zij kan, zoals alle vorderingen, gepaard gaan met na te leven aanbevelingen en precieze aanwijzingen. Terzake geldt zelfs een bijzondere motiveringsplicht in hoofde van de rijkswachtoverheid die die aanbevelingen en aanwijzingen niet zou opvolgen (cf. infra).
Afgezien van de mogelijkheid tot vorderen in het geval van een uitvoerbare beslissing van bestuurlijke politie (bv. : beslissing tot sluiting van een dancing), was het vorderingsrecht van de burgemeester t.a.v. de rijkswacht beperkt tot de handhaving of het herstel van de openbare rust (infra 3.4.1.). De wet van 3 april 1997 breidt het vorderingsrecht van de burgemeester uit (infra 3.4.2.), maar dan nog zal de vordering een uitzonderingsmaatregel blijven (supra 3.1.).
3.4.1. De vorderingen in het raam van de openbare orde.
In het raam van de openbare orde kan de burgemeester de rijkswacht vorderen in geval van oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, dit met het oog op het handhaven of het herstellen van de openbare rust (zie artikel 175 N.Gem.W.). Hij kan evenwel slechts vorderen, voor zover de eigen mogelijkheden en middelen, die ook worden aangewend, onvoldoende of onaangepast zijn.
3.4.1.1. Modaliteiten van de vordering (zie artikel 175 N.Gem.W.; de artikelen 44, 45, 46 en 48 van de wet op de rijkswacht; artikel 6 van de wet op het politieambt).
De vordering moet :
* schriftelijk gebeuren. In spoedeisende gevallen kan de rijkswacht telefonisch of per fax gevorderd worden. Die vordering moet zodra mogelijk schriftelijk bevestigd worden;
* gedagtekend zijn;
* de naam, hoedanigheid en handtekening van de burgemeester dragen;
* de wetsbepaling vermelden waarop zij steunt;
* het voorwerp bevatten van de vordering. Dit voorwerp kan algemeen of bijzonder zijn en moet worden verduidelijkt (infra 3.4.1.3.);
* gericht zijn aan de territoriaal bevoegde districtscommandant of aan de bevoegde hogere rijkswachtoverheden.
Een geijkte formule om de rijkswacht te vorderen bestaat niet.
Volgende formule wordt aanbevolen :
Wij, N....(naam), burgemeester van A... (naam gemeente), vorderen krachtens... (vermelding van de wetsbepaling waarop de vordering steunt), X... (naam van de territoriaal bevoegde districtscommandant of de bevoegde hogere rijkswachtoverheid), bevelhebber van het rijkswachtdistrict Y... (naam van het district), om de hulp van de rijkswacht te verlenen om... (omschrijving van de opdracht van openbare orde die het voorwerp van de vordering uitmaakt).
Als waarborg voor de voornoemde bevelhebber, plaatsen wij hieronder onze handtekening.
Gegeven te.........................op..
3.4.1.2. Voorwaarden van de vordering :
* een toestand van oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde (zie artikel 175 N.Gem.W.). Op basis van deze voorwaarde is ook een preventieve vordering dus mogelijk;* de eigen middelen moeten ontoereikend, onaangepast of onbestaand zijn. Dit wil zeggen dat de burgemeester eerst zijn eigen middelen, waaronder de gemeentepolitie, moet inzetten alvorens hij een beroep kan doen op de rijkswacht. De vordering is dus een uitzonderlijke maatregel en kan nooit aangewend worden om de verantwoordelijkheid van de gemeente af te wentelen op de federale overheid.
3.4.1.3. Voorwerp van de vordering.
De opdracht, opgelegd via vordering, is de handhaving van de openbare rust met uitzondering van de andere componenten van de openbare orde, namelijk de openbare veiligheid en de openbare gezondheid.
De openbare rust kan worden gedefinieerd als de afwezigheid van wanordelijkheden en verstoringen in openbare plaatsen.
De rijkswacht kan op grond van artikel 175 N.Gem.W. dus niet gevorderd worden om bijvoorbeeld :
* een helicopter in te zetten bij een zoektocht naar een verdwenen minderjarige;
* een waterbedeling te organiseren bij aanhoudende droogte;
* in geval van staking het huisvuil op te halen;
* op te treden tegen stakers die op vreedzame wijze een bedrijf bezetten zonder dat daarbij sprake is van een verstoring van de openbare rust;
* ondergelopen kelders leeg te pompen;
* de inwoners te verplichten fiscale stickers te kleven op de vuilniszakken....
Ter uitvoering van de vordering verduidelijkt de burgemeester, zonder zich te mengen in de organisatie van de dienst, het voorwerp van de vordering en kan hij aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden gebruikt (artikel 44 wet op de rijkswacht en artikel 6 wet op het politieambt).
Zo kan hij bijvoorbeeld vragen dat :
* de ruiterij zou worden ingezet;
* sproeiwagens zouden worden gebruikt;
* een helicopter zou worden ingezet.
Of omgekeerd dat :
* de ruiterij niet zou worden ingezet;
* geen sproeiwagens zouden worden gebruikt;
* geen Spaanse ruiters zouden worden geplaatst;
* in geen geval gebruik zou worden gemaakt van traangas.
De uitvoering van de vordering gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de rijkswachtchefs die de daartoe nodige dienstorganisatie bepalen (artikel 49 van de wet op de rijkswacht en artikel 8 van de wet op het politieambt). Hierbij worden de door de vorderende overheid geformuleerde aanbevelingen en precieze aanwijzingen opgevolgd voor zover dit de uitvoering van de andere politieopdrachten niet in het gedrang brengt en verenigbaar blijft met de gestelde operationele verantwoordelijkheid. In het tegenovergestelde geval, zal de rijkswacht die niet-naleving motiveren. In voorkomend geval kan de Minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, uiteindelijk het bevel geven aan de rijkswacht om zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid (artikel 44 van de wet op de rijkswacht).
Om het verloop van de in voormeld artikel 49 bedoelde operaties niet te verstoren of te belemmeren, zal de burgemeester die aanbevelingen en aanwijzingen tijdig vooraf geven.
3.4.1.4. Einde van de vordering.
De werking van de vordering houdt op wanneer de burgemeester aan de met de uitvoering belaste rijkswachtoverheid schriftelijk of mondeling de opheffing van de vordering betekent (artikel 50 van de wet op de rijkswacht). Deze vereiste wordt vaak veronachtzaamd.
3.4.1.5. Houding van de rijkswacht in geval van een onwettige vordering.
Een vordering is maar wettig, zo zij aan de volgende voorwaarden voldoet :
* zij moet uitgaan van de bevoegde overheid, in casu van de burgemeester of de persoon die hem vervangt. Met deze laatste wordt de plaatsvervangende burgemeester bedoeld;
* de motieven van de vordering moeten geoorloofd zijn, in die zin dat ze een verantwoording moeten vinden in artikel 175 N.Gem.W.;
* het voorwerp van de vordering moet geoorloofd zijn;
* de vordering moet het bereiken van het doel waarvoor de opvorderingsbevoegdheid werd verleend, beogen, namelijk het herstel van de openbare rust;
* de vordering moet gebeuren volgens de supra 3.4.1.1. vermelde modaliteiten.
De houding die de rijkswacht moet aannemen bij een kennelijk onwettige vordering, is de volgende :
* een dergelijke vordering wordt niet uitgevoerd (zie artikel 47 van de wet op de rijkswacht, a contrario);
* de districtscommandant of de hogere rijkswachtoverheid die gevorderd wordt, neemt contact op met de vorderende autoriteit om de gebreken van de vordering te verhelpen. Indien zij daarop ingaat, is het probleem opgelost;
* weigert de burgemeester zijn vordering in te trekken of aan te passen, dan neemt de districtscommandant of de hogere rijkswachtoverheid contact op met het rijkswachtcommando met het oog op de adiëring van de bevoegde politie-overheid.
3.4.1.6. Houding van de rijkswacht in geval van een abusieve vordering.
Men spreekt van een abusieve vordering, wanneer de vorderende overheid niet eerst al haar eigen middelen heeft ingezet die geschikt zijn om haar beslissing materieel uit te voeren. De vordering komt dan voor als een kennelijk misbruik.
De houding die de rijkswacht moet aannemen ten opzichte van dergelijke vordering is die bepaald bij artikel 47 van de wet op de rijkswacht. De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Maar indien de vordering, hoewel wettelijk, haar als een kennelijk misbruik voorkomt, meldt zij dit onverwijld via de hiërarchische weg aan de hogere overheid van de rijkswacht.
3.4.2. Uitbreiding van het vorderingsrecht.
Het vorderingsrecht, dat voorheen enkel bestond in het raam van de handhaving en het herstel van de openbare orde (supra 3.4.1.), wordt thans uitgebreid tot het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie vermeld in de overeenkomsten bedoeld in artikel 133bis, tweede lid, N.Gem.W., die de burgemeester met de brigadecommandant of de districtscommandant heeft gesloten.
Luidens dat artikel 133bis betreft het de overeenkomsten inzake het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie. Op te merken valt dat het adjectief " algemene " gebruikt in voornoemd artikel 133bis, net zoals de laatste zinsnede ervan, enkel duiden op die overeenkomsten of delen van een overeenkomst, die gelet op hun aard en gelet op de bevoegdheden van de gemeenteraad, aan die raad ter goedkeuring moeten worden voorgelegd. Bovendien, zoals hieronder zal worden toegelicht, komen alleen " concrete " afspraken inzake het vervullen van gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie, die de burgemeester met de rijkswachtoverheid heeft gemaakt, in aanmerking voor het uitgebreide vorderingsrecht..
Zoals reeds werd beklemtoond (supra 3.1.), zal dit vorderingsrecht slechts zelden moeten worden aangewend, vermits de rijkswacht, behoudens bijzondere omstandigheden, haar verbintenissen zal naleven.
Vermits het hier een vordering betreft m.b.t. het naleven van akkoorden door de rijkswacht, geldt de regel dat eerst de eigen middelen moeten worden ingezet, natuurlijk niet. Wel is vereist dat de gemeentepolitie haar verbintenissen opgenomen in de akkoorden, naleeft. Door die vereiste wordt vermeden dat de engagementen van die dienst via de vordering aan de rijkswacht zouden worden opgelegd.
3.4.2.1. Modaliteiten van die vordering.
De modaliteiten zijn identiek met die welke supra 3.4.1.1. werden beschreven voor de vordering in het raam van de handhaving en het herstel van de openbare orde.
3.4.2.2. Voorwaarden van die vordering.
* Voorafgaande voorwaarde is het bestaan van een akkoord over het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie tussen de burgemeester en de brigadecommandant of districtscommandant. In de eerste plaats wordt hier gedacht aan het veiligheidscharter of aan de akkoorden die door toedoen van het vijfhoeksoverleg tot stand komen. Ook de naleving van andere akkoorden, die buiten dit overleg werden gesloten, kunnen echter het voorwerp uitmaken van dit vorderingsrecht.
* Alleen de concrete, uitvoerbare en in positieve termen gestelde afspraken komen eventueel voor uitvoering ingevolge vordering in aanmerking.
Voldoende concreet is bijvoorbeeld de afspraak dat :
- de rijkswacht een permanent contactpunt zal openhouden in de lokale brigade;
- de rijkswacht zal instaan voor het verkeerstoezicht bij de plaatselijke scholen;
- de rijkswacht zal instaan voor de organisatie van drugspreventie in de scholen;
- de rijkswacht gedurende de maanden juli en augustus het vakantietoezicht zal verzekeren in een bepaalde wijk, terwijl de politie dit zal doen in een andere wijk;
- de rijkswacht zal instaan voor de bewaking van het gerechtsgebouw, terwijl de politie zal instaan voor de bewaking van het gemeentehuis.
Niet voldoende concreet is bijvoorbeeld de afspraak dat :
- de rijkswacht zal instaan voor het verkeerstoezicht buiten het centrum van de stad;
- de rijkswacht moet zorgen voor een degelijke opvang van slachtoffers van misdrijven;
- de rijkswacht verantwoordelijk is voor de drugbestrijding;
- de rijkswacht de politie zoveel mogelijk moet steunen.
* De brigadecommandant of districtscommandant leeft de in het akkoord aangegane verbintenissen niet na.
3.4.2.3. Voorwerp van die vordering.
De opdracht, opgelegd via vordering, is de naleving van een concrete, uitvoerbare en in positieve termen gestelde afspraak. Zij kan, zoals alle vorderingen, gepaard gaan met na te leven aanbevelingen en precieze aanwijzingen. Terzake geldt zelfs een bijzondere motiveringsplicht in hoofde van de rijkswachtoverheid die die aanbevelingen en aanwijzingen niet zou opvolgen (cf. infra).
Art. 4M 3. 3.4. Les réquisitions.
Sans préjudice de la possibilité de requérir en cas de décision exécutoire de police administrative (ex : décision de fermer un dancing), le droit de réquisition du bourgmestre à l'égard de la gendarmerie était limité au maintien ou au rétablissement de la tranquillité publique (infra 3.4.1.). La loi du 3 avril 1997 étend le droit de réquisition du bourgmestre (infra 3.4.2.), mais la réquisition restera une mesure d'exception (supra 3.1.).
3.4.1. Les réquisitions dans le cadre de l'ordre public.
Dans le cadre du maintien de l'ordre, le bourgmestre peut requérir la gendarmerie en cas d'émeute, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes pour l'ordre public, ceci en vue de maintenir ou de rétablir la tranquillité publique (voir article 175 NLC). Il ne peut toutefois requérir que pour autant que ses possibilités et moyens, qui ont par ailleurs été mis en oeuvre, soient insuffisants ou inadaptés.
3.4.1.1. Modalités de la réquisition (voir l'article 175 NLC; les articles 44, 45, 46 et 48 de la loi sur la gendarmerie; l'article 6 de la loi sur la fonction de police) La réquisition doit :
* être faite par écrit. En cas d'urgence, la gendarmerie peut être requise par téléphone ou par fax. Une telle réquisition doit être confirmée par écrit dès que possible;
* être datée;
* porter le nom, la qualité et la signature du bourgmestre;
* indiquer la disposition légale sur laquelle elle repose;
* comporter l'objet de la réquisition. Cet objet peut être général ou particulier et doit être précisé (infra 3.4.1.3.);
* être adressée au commandant de district territorialement compétent ou aux autorités supérieures de gendarmerie compétentes.
Il n'existe pas de formule sacramentelle pour requérir la gendarmerie. La formule suivante peut toutefois être recommandée :
Nous, N ... (nom), bourgmestre de A ... (nom de la commune), requérons en vertu de... (mention de la disposition légale sur laquelle repose la réquisition), X ... (nom du commandant de district ou de l'autorité supérieure de gendarmerie territorialement compétente) commandant du district de gendarmerie de Y ... (nom du district) de fournir l'aide de la gendarmerie afin de ... (description de la mission de maintien de l'ordre qui fait l'objet de la réquisition).
A titre de garantie pour le commandant précité, nous apposons ci-dessous notre signature.
Donné à ....................., le ........................
3.4.1.2. Conditions de la réquisition :
* une situation d'émeute, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes pour l'ordre public (voir article 175 NLC). Sur la base de cette condition, une réquisition préventive est donc possible;
* les moyens propres doivent être inopérants, inadaptés ou inexistants. Ceci veut dire que le bourgmestre doit d'abord mettre en oeuvre ses propres moyens, dont la police communale, avant de pouvoir faire appel à la gendarmerie. La réquisition est donc une mesure exceptionnelle et ne peut donc jamais être utilisée pour reporter la responsabilité de la commune sur l'autorité fédérale.
3.4.1.3. Objet de la réquisition.
La mission, imposée par la réquisition, est le maintien de la tranquillité publique à l'exception des autres composantes de l'ordre public, à savoir la sécurité et la salubrité publiques.
La tranquillité publique peut être définie comme l'absence de désordres et de perturbations dans les lieux publics.
Sur la base de l'article 175 NLC, la gendarmerie ne peut donc pas être requise par exemple, pour :
* mettre en oeuvre un hélicoptère dans le cadre de la recherche d'un mineur disparu;
* organiser une distribution d'eau en cas de sécheresse persistante;
* ramasser les immondices en cas de grève des éboueurs;
* intervenir contre des grévistes qui occupent de manière pacifique une usine sans qu'il y ait trouble de la tranquillité publique;
* vider des caves inondées;
* obliger les citoyens à apposer des autocollants fiscaux sur les sacs à ordure ....
En vue de l'exécution de la réquisition, le bourgmestre précise l'objet de la réquisition, sans s'immiscer dans l'organisation du service, et il peut donner des recommandations et indications précises concernant les moyens qui doivent être mis en oeuvre et utilisés (article 44 de la loi sur la gendarmerie et article 6 de la loi sur la fonction de police).
C'est ainsi qu'il peut par exemple demander :
* que la cavalerie soit mise en oeuvre;
* que l'on utilise des arroseuses;
* que l'on mette en oeuvre un hélicoptère.
Ou, au contraire :
* que la cavalerie ne soit pas mise en oeuvre;
* que l'on n'utilise pas d'arroseuses;
* que l'on ne place pas de chevaux de Frise;
* qu'en aucun cas on utilise des gaz lacrymogènes.
Les chefs de gendarmerie sont responsables de l'exécution de la réquisition et organisent le service à cet effet (article 49 de la loi sur la gendarmerie et article 8 de la loi sur la fonction de police). Dans ce cadre, les recommandations et indications précises formulées par l'autorité requérante seront suivies pour autant que ceci ne porte pas atteinte à l'exécution d'autres missions de police et soit compatible avec la responsabilité opérationnelle précitée. Dans le cas contraire, la gendarmerie en justifiera le non-respect. Le cas échéant, le Ministre de l'Intérieur peut, sur requête de l'autorité requérante, donner finalement à la gendarmerie l'ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité (article 44 de la loi sur la gendarmerie).
Afin de ne pas gêner ou empêcher le déroulement des opérations visées par l'article 49 précité, le bourgmestre veillera à donner suffisamment à temps ces recommandations et indications.
3.4.1.4. Fin de la réquisition.
L'effet de la réquisition cesse lorsque le bourgmestre signifie, par écrit ou oralement, la levée de la réquisition à l'autorité de gendarmerie chargée de son exécution (article 50 de la loi sur la gendarmerie). Cette exigence est souvent négligée.
3.4.1.5. Attitude de la gendarmerie en cas de réquisition illégale.
Une réquisition n'est légale que lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
* elle doit émaner de l'autorité compétente, dans le cas d'espèce le bourgmestre ou la personne qui le remplace. On vise ici le bourgmestre faisant fonction;
* les motifs de la réquisition doivent être légitimes en ce sens qu'ils doivent trouver une justification dans l'article 175 NLC;
* l'objet de la réquisition doit être légitime;
* la réquisition doit viser à atteindre le but pour lequel la compétence de réquisition a été octroyée, à savoir le rétablissement de la tranquillité publique;
* la réquisition doit respecter les modalités visées supra 3.4.1.1..
L'attitude que doit adopter la gendarmerie en cas de réquisition manifestement illégale est la suivante :
* une telle réquisition ne sera pas exécutée (voir l'article 47 de la loi sur la gendarmerie, a contrario);
* le commandant de district ou l'autorité supérieure de gendarmerie qui est requis, prend contact avec l'autorité requérante pour remédier aux insuffisances de la réquisition. Si celle-ci s'y range, le problème est alors résolu;
* si le bourgmestre refuse de retirer ou d'adapter sa réquisition, le commandant de district ou l'autorité supérieure de gendarmerie prendra contact avec le commandant de la gendarmerie en vue de saisir l'autorité de police compétente.
3.4.1.6. Attitude de la gendarmerie en cas de réquisition abusive.
On parle de réquisition abusive lorsque l'autorité requérante ne met pas d'abord en oeuvre ses moyens propres pour faire exécuter matériellement sa décision. La réquisition apparaît alors comme un abus manifeste.
L'attitude qui doit être celle de la gendarmerie à l'égard de telles réquisitions est prévue par l'article 47 de la loi sur la gendarmerie. L'autorité requise ne peut discuter de l'opportunité de la réquisition. Elle doit l'exécuter. Mais si la réquisition, bien que légale, lui apparaît manifestement abusive, elle le signale sans délai, par la voie hiérarchique, à l'autorité supérieure de gendarmerie.
3.4.2. Extension du droit de réquisition.
Le droit de réquisition qui existait antérieurement dans le cadre du maintien et du rétablissement de l'ordre public (supra 3.4.1.) est désormais étendu à l'exécution des missions de police administrative figurant dans les conventions visées à l'article 133bis, alinéa 2, NLC, que le bourgmestre a conclues avec le commandant de brigade ou le commandant de district.
Il s'agit, selon ledit article 133bis, des conventions en matière d'exécution des missions communales de police administrative. Remarquons que l'adjectif "générales" repris dans l'article 133bis précité tout comme la dernière partie de phrase de celui-ci, ne visent que les conventions ou les parties de convention qui, eu égard à leur nature et aux compétences du conseil communal, doivent être soumises à l'approbation de ce conseil. De plus, comme il sera explicité ci-dessous, seuls les engagements "concrets" en matière d'exécution des missions communales de police administrative que le bourgmestre a conclus avec la gendarmerie, entrent en ligne de compte pour le droit étendu de requérir.
Ainsi qu'il a déjà été indiqué (supra 3.1.), le droit de réquisition ne devra être mis en oeuvre que rarement puisque la gendarmerie respectera ses engagements hormis en cas de circonstances tout à fait spéciales.
Puisqu'il s'agit ici d'une réquisition relative au respect d'accords par la gendarmerie, la règle qui veut que les moyens propres soient d'abord épuisés ne joue évidemment pas. Il est cependant exigé que la police communale respecte les engagements qu'elle a souscrits dans les accords. Ce faisant, on évite que les engagements de ce service soient imposés à la gendarmerie par la voie de la réquisition.
3.4.2.1. Modalités de cette réquisition.
Les modalités sont identiques à celles qui ont été décrites supra 3.4.1.1. pour la réquisition dans le cadre du maintien et du rétablissement de l'ordre public.
3.4.2.2. Conditions de cette réquisition.
* La condition préalable est l'existence d'un accord relatif à l'exécution des missions communales de police administrative entre le bourgmestre et le commandant de la brigade ou le commandant de district. On pense en premier lieu à la charte de sécurité ou aux accords qui sont conclus à l'intervention de la concertation pentagonale. Le respect d'autres accords conclus en dehors de cette concertation, peut aussi faire l'objet de ce droit de réquisition.
* Seuls les engagements concrets, exécutoires et rédigés en termes positifs entrent éventuellement en ligne de compte pour être exécutés par voie de réquisition.
Sont, par exemple, suffisamment concrets, les engagements en vertu desquels la gendarmerie :
- assurera un point de contact permanent dans la brigade locale;
- assurera la surveillance de la circulation aux abords des écoles de la localité;
- organisera des actions préventives dans les écoles en matière de stupéfiants;
- se chargera de la surveillance de certains quartiers pendant la période de vacances de juillet et août tandis que la police le fera dans d'autres quartiers;
- assurera la protection du palais de justice tandis que la police se chargera de la maison communale.
Ne sont par exemple pas suffisamment concrets les engagements en vertu desquels la gendarmerie :
- assurera la surveillance de la circulation en-dehors du centre de la ville;
- se chargera d'un accueil correct des victimes d'infractions;
- est responsable de la lutte contre les stupéfiants;
- doit assister autant que possible la police.
* Le commandant de brigade ou de district ne respecte pas les engagements souscrits dans l'accord.
3.4.2.3. Objet de cette réquisition.
La mission imposée par la réquisition réside en l'exécution d'un engagement concret, exécutoire et formulé en termes positifs. Elle peut, comme pour toute réquisition, être accompagnée de recommandations et d'indications précises. La loi impose même une obligation de motivation particulière à l'autorité de gendarmerie qui ne respecterait pas ces recommandations et indications (cf. infra).
Sans préjudice de la possibilité de requérir en cas de décision exécutoire de police administrative (ex : décision de fermer un dancing), le droit de réquisition du bourgmestre à l'égard de la gendarmerie était limité au maintien ou au rétablissement de la tranquillité publique (infra 3.4.1.). La loi du 3 avril 1997 étend le droit de réquisition du bourgmestre (infra 3.4.2.), mais la réquisition restera une mesure d'exception (supra 3.1.).
3.4.1. Les réquisitions dans le cadre de l'ordre public.
Dans le cadre du maintien de l'ordre, le bourgmestre peut requérir la gendarmerie en cas d'émeute, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes pour l'ordre public, ceci en vue de maintenir ou de rétablir la tranquillité publique (voir article 175 NLC). Il ne peut toutefois requérir que pour autant que ses possibilités et moyens, qui ont par ailleurs été mis en oeuvre, soient insuffisants ou inadaptés.
3.4.1.1. Modalités de la réquisition (voir l'article 175 NLC; les articles 44, 45, 46 et 48 de la loi sur la gendarmerie; l'article 6 de la loi sur la fonction de police) La réquisition doit :
* être faite par écrit. En cas d'urgence, la gendarmerie peut être requise par téléphone ou par fax. Une telle réquisition doit être confirmée par écrit dès que possible;
* être datée;
* porter le nom, la qualité et la signature du bourgmestre;
* indiquer la disposition légale sur laquelle elle repose;
* comporter l'objet de la réquisition. Cet objet peut être général ou particulier et doit être précisé (infra 3.4.1.3.);
* être adressée au commandant de district territorialement compétent ou aux autorités supérieures de gendarmerie compétentes.
Il n'existe pas de formule sacramentelle pour requérir la gendarmerie. La formule suivante peut toutefois être recommandée :
Nous, N ... (nom), bourgmestre de A ... (nom de la commune), requérons en vertu de... (mention de la disposition légale sur laquelle repose la réquisition), X ... (nom du commandant de district ou de l'autorité supérieure de gendarmerie territorialement compétente) commandant du district de gendarmerie de Y ... (nom du district) de fournir l'aide de la gendarmerie afin de ... (description de la mission de maintien de l'ordre qui fait l'objet de la réquisition).
A titre de garantie pour le commandant précité, nous apposons ci-dessous notre signature.
Donné à ....................., le ........................
3.4.1.2. Conditions de la réquisition :
* une situation d'émeute, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes pour l'ordre public (voir article 175 NLC). Sur la base de cette condition, une réquisition préventive est donc possible;
* les moyens propres doivent être inopérants, inadaptés ou inexistants. Ceci veut dire que le bourgmestre doit d'abord mettre en oeuvre ses propres moyens, dont la police communale, avant de pouvoir faire appel à la gendarmerie. La réquisition est donc une mesure exceptionnelle et ne peut donc jamais être utilisée pour reporter la responsabilité de la commune sur l'autorité fédérale.
3.4.1.3. Objet de la réquisition.
La mission, imposée par la réquisition, est le maintien de la tranquillité publique à l'exception des autres composantes de l'ordre public, à savoir la sécurité et la salubrité publiques.
La tranquillité publique peut être définie comme l'absence de désordres et de perturbations dans les lieux publics.
Sur la base de l'article 175 NLC, la gendarmerie ne peut donc pas être requise par exemple, pour :
* mettre en oeuvre un hélicoptère dans le cadre de la recherche d'un mineur disparu;
* organiser une distribution d'eau en cas de sécheresse persistante;
* ramasser les immondices en cas de grève des éboueurs;
* intervenir contre des grévistes qui occupent de manière pacifique une usine sans qu'il y ait trouble de la tranquillité publique;
* vider des caves inondées;
* obliger les citoyens à apposer des autocollants fiscaux sur les sacs à ordure ....
En vue de l'exécution de la réquisition, le bourgmestre précise l'objet de la réquisition, sans s'immiscer dans l'organisation du service, et il peut donner des recommandations et indications précises concernant les moyens qui doivent être mis en oeuvre et utilisés (article 44 de la loi sur la gendarmerie et article 6 de la loi sur la fonction de police).
C'est ainsi qu'il peut par exemple demander :
* que la cavalerie soit mise en oeuvre;
* que l'on utilise des arroseuses;
* que l'on mette en oeuvre un hélicoptère.
Ou, au contraire :
* que la cavalerie ne soit pas mise en oeuvre;
* que l'on n'utilise pas d'arroseuses;
* que l'on ne place pas de chevaux de Frise;
* qu'en aucun cas on utilise des gaz lacrymogènes.
Les chefs de gendarmerie sont responsables de l'exécution de la réquisition et organisent le service à cet effet (article 49 de la loi sur la gendarmerie et article 8 de la loi sur la fonction de police). Dans ce cadre, les recommandations et indications précises formulées par l'autorité requérante seront suivies pour autant que ceci ne porte pas atteinte à l'exécution d'autres missions de police et soit compatible avec la responsabilité opérationnelle précitée. Dans le cas contraire, la gendarmerie en justifiera le non-respect. Le cas échéant, le Ministre de l'Intérieur peut, sur requête de l'autorité requérante, donner finalement à la gendarmerie l'ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité (article 44 de la loi sur la gendarmerie).
Afin de ne pas gêner ou empêcher le déroulement des opérations visées par l'article 49 précité, le bourgmestre veillera à donner suffisamment à temps ces recommandations et indications.
3.4.1.4. Fin de la réquisition.
L'effet de la réquisition cesse lorsque le bourgmestre signifie, par écrit ou oralement, la levée de la réquisition à l'autorité de gendarmerie chargée de son exécution (article 50 de la loi sur la gendarmerie). Cette exigence est souvent négligée.
3.4.1.5. Attitude de la gendarmerie en cas de réquisition illégale.
Une réquisition n'est légale que lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
* elle doit émaner de l'autorité compétente, dans le cas d'espèce le bourgmestre ou la personne qui le remplace. On vise ici le bourgmestre faisant fonction;
* les motifs de la réquisition doivent être légitimes en ce sens qu'ils doivent trouver une justification dans l'article 175 NLC;
* l'objet de la réquisition doit être légitime;
* la réquisition doit viser à atteindre le but pour lequel la compétence de réquisition a été octroyée, à savoir le rétablissement de la tranquillité publique;
* la réquisition doit respecter les modalités visées supra 3.4.1.1..
L'attitude que doit adopter la gendarmerie en cas de réquisition manifestement illégale est la suivante :
* une telle réquisition ne sera pas exécutée (voir l'article 47 de la loi sur la gendarmerie, a contrario);
* le commandant de district ou l'autorité supérieure de gendarmerie qui est requis, prend contact avec l'autorité requérante pour remédier aux insuffisances de la réquisition. Si celle-ci s'y range, le problème est alors résolu;
* si le bourgmestre refuse de retirer ou d'adapter sa réquisition, le commandant de district ou l'autorité supérieure de gendarmerie prendra contact avec le commandant de la gendarmerie en vue de saisir l'autorité de police compétente.
3.4.1.6. Attitude de la gendarmerie en cas de réquisition abusive.
On parle de réquisition abusive lorsque l'autorité requérante ne met pas d'abord en oeuvre ses moyens propres pour faire exécuter matériellement sa décision. La réquisition apparaît alors comme un abus manifeste.
L'attitude qui doit être celle de la gendarmerie à l'égard de telles réquisitions est prévue par l'article 47 de la loi sur la gendarmerie. L'autorité requise ne peut discuter de l'opportunité de la réquisition. Elle doit l'exécuter. Mais si la réquisition, bien que légale, lui apparaît manifestement abusive, elle le signale sans délai, par la voie hiérarchique, à l'autorité supérieure de gendarmerie.
3.4.2. Extension du droit de réquisition.
Le droit de réquisition qui existait antérieurement dans le cadre du maintien et du rétablissement de l'ordre public (supra 3.4.1.) est désormais étendu à l'exécution des missions de police administrative figurant dans les conventions visées à l'article 133bis, alinéa 2, NLC, que le bourgmestre a conclues avec le commandant de brigade ou le commandant de district.
Il s'agit, selon ledit article 133bis, des conventions en matière d'exécution des missions communales de police administrative. Remarquons que l'adjectif "générales" repris dans l'article 133bis précité tout comme la dernière partie de phrase de celui-ci, ne visent que les conventions ou les parties de convention qui, eu égard à leur nature et aux compétences du conseil communal, doivent être soumises à l'approbation de ce conseil. De plus, comme il sera explicité ci-dessous, seuls les engagements "concrets" en matière d'exécution des missions communales de police administrative que le bourgmestre a conclus avec la gendarmerie, entrent en ligne de compte pour le droit étendu de requérir.
Ainsi qu'il a déjà été indiqué (supra 3.1.), le droit de réquisition ne devra être mis en oeuvre que rarement puisque la gendarmerie respectera ses engagements hormis en cas de circonstances tout à fait spéciales.
Puisqu'il s'agit ici d'une réquisition relative au respect d'accords par la gendarmerie, la règle qui veut que les moyens propres soient d'abord épuisés ne joue évidemment pas. Il est cependant exigé que la police communale respecte les engagements qu'elle a souscrits dans les accords. Ce faisant, on évite que les engagements de ce service soient imposés à la gendarmerie par la voie de la réquisition.
3.4.2.1. Modalités de cette réquisition.
Les modalités sont identiques à celles qui ont été décrites supra 3.4.1.1. pour la réquisition dans le cadre du maintien et du rétablissement de l'ordre public.
3.4.2.2. Conditions de cette réquisition.
* La condition préalable est l'existence d'un accord relatif à l'exécution des missions communales de police administrative entre le bourgmestre et le commandant de la brigade ou le commandant de district. On pense en premier lieu à la charte de sécurité ou aux accords qui sont conclus à l'intervention de la concertation pentagonale. Le respect d'autres accords conclus en dehors de cette concertation, peut aussi faire l'objet de ce droit de réquisition.
* Seuls les engagements concrets, exécutoires et rédigés en termes positifs entrent éventuellement en ligne de compte pour être exécutés par voie de réquisition.
Sont, par exemple, suffisamment concrets, les engagements en vertu desquels la gendarmerie :
- assurera un point de contact permanent dans la brigade locale;
- assurera la surveillance de la circulation aux abords des écoles de la localité;
- organisera des actions préventives dans les écoles en matière de stupéfiants;
- se chargera de la surveillance de certains quartiers pendant la période de vacances de juillet et août tandis que la police le fera dans d'autres quartiers;
- assurera la protection du palais de justice tandis que la police se chargera de la maison communale.
Ne sont par exemple pas suffisamment concrets les engagements en vertu desquels la gendarmerie :
- assurera la surveillance de la circulation en-dehors du centre de la ville;
- se chargera d'un accueil correct des victimes d'infractions;
- est responsable de la lutte contre les stupéfiants;
- doit assister autant que possible la police.
* Le commandant de brigade ou de district ne respecte pas les engagements souscrits dans l'accord.
3.4.2.3. Objet de cette réquisition.
La mission imposée par la réquisition réside en l'exécution d'un engagement concret, exécutoire et formulé en termes positifs. Elle peut, comme pour toute réquisition, être accompagnée de recommandations et d'indications précises. La loi impose même une obligation de motivation particulière à l'autorité de gendarmerie qui ne respecterait pas ces recommandations et indications (cf. infra).
Art. 5M 3. 3.5. Afdwingbaarheid van de richtlijnen en vorderingen.
Die afdwingbaarheid is vervat in de wettelijke bepalingen die een bijzondere motiveringsplicht opleggen, in een hiërarchische beroepsprocedure voorzien of een adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken mogelijk maken. Zij volgt ook uit enkele tuchtrechtelijke en strafbepalingen.
3.5.1. Afdwingbaarheid van de richtlijnen.
3.5.1.1. Concrete uitvoering.
Het nieuw artikel 16 van de wet op de rijkswacht stelt dat de rijkswacht zich schikt naar de richtlijnen van de burgemeester.
Het nieuw artikel 24/1, § 2, tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973 stelt bovendien de hiërarchische meerderen verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de richtlijnen die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten.
3.5.1.2. Beroep op de hiërarchische chef (art 51bis, eerste en tweede lid).
Indien de burgemeester oordeelt dat de rijkswacht zich niet schikt naar zijn richtlijnen uitgevaardigd in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid of naar de bijgaande aanbevelingen of precieze aanwijzingen, kan hij de hiërarchische chef van de betrokken rijkswachtoverheid verzoeken ze te doen eerbiedigen.
De hiërarchische chef van de brigadecommandant is de districtscommandant.
De hiërarchische chef van de districtscommandant is de groepscommandant.
De hiërarchische chef stuurt binnen de 48 uren een met redenen omkleed verslag aan de burgemeester over het gevolg dat hij aan dat verzoek geeft.
Dezelfde hiërarchische verhaalprocedure is van toepassing zo de burgemeester zou oordelen dat de rijkswacht de verbintenissen aangegaan in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid niet naleeft.
3.5.1.3. Adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken (art 51bis, derde lid).
Indien de hiërarchische chef het verzoek van de burgemeester niet inwilligt, kan de burgemeester zich rechtstreeks wenden tot de Minister van Binnenlandse Zaken.
Deze laatste spreekt zich uit binnen de twintig werkdagen te rekenen vanaf de adiëring en zal daartoe zo mogelijk het advies van de gouverneur inwinnen.
3.5.1.4. Tuchtsancties.
De Minister van Binnenlandse Zaken kan, uit eigen beweging of op verzoek van de burgemeester die de richtlijn uitvaardigde, een tuchtprocedure laten aanspannen tegen diegenen die volgens hen verantwoordelijk zijn voor de niet-uitvoering of slechte uitvoering van die richtlijn. De burgemeester moet ten slotte ingelicht worden over het aan zijn verzoek gegeven gevolg (artikel 24/26, § 3, eerste en tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973).
3.5.2. Afdwingbaarheid van de vorderingen.
3.5.2.1. Concrete uitvoering.
De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van een wettige vordering niet oordelen maar moet ze uitvoeren (artikel 47 van de wet op de rijkswacht).
Artikel 24/1, § 2, tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973, stelt bovendien de hiërarchische meerderen verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de vorderingen die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten.
3.5.2.2. Bijzondere motiveringsplicht.
In het raam van het uitgebreide vorderingsrecht (nieuw art. 44, tweede lid), geldt een bijzondere motiveringsplicht bij het niet kunnen opvolgen van de door de burgemeester naar aanleiding van de vordering gegeven aanbevelingen of precieze aanwijzingen.
In artikel 44, vijfde lid, in fine, van de wet op de rijkswacht is immers ingeschreven dat de burgemeester de bijzondere omstandigheden moeten worden meegedeeld die het onmogelijk maken aan zijn aanbevelingen of aanwijzingen gevolg te geven.
Voor zover die aanbevelingen of aanwijzingen zich niet inmengen in de dienstorganisatie of de operationele leiding, kan de niet-naleving ervan enkel gerechtvaardigd worden door concrete omstandigheden die de naleving onmogelijk maken zonder andere opdrachten in het gedrang te brengen.
3.5.2.3. Beroep op de hiërarchische chef.
Alhoewel niet uitdrukkelijk wettelijk bepaald, kan de burgemeester zich wenden tot de hiërarchische chef van het personeelslid dat in gebreke zou blijven bij de uitvoering van een vordering.
3.5.2.4. Adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken.
Overeenkomstig artikel 44, zesde lid, wet op de rijkswacht, kan de Minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid.
De burgemeester kan zich daartoe richten tot de Minister van Binnenlandse Zaken, het weze in het raam van de vorderingen inzake de openbare orde dan wel in het raam van het uitgebreide vorderingsrecht.
3.5.2.5. Tuchtsancties.
Overeenkomstig het gewijzigde artikel 24/26, § 3, van de statutaire wet van 27 december 1973, kan de burgemeester de Minister van Binnenlandse Zaken verzoeken een tuchtprocedure te bevelen tegen een personeelslid dat in gebreke zou zijn gebleven bij de uitvoering van vorderingen gegeven door de burgemeester.
De burgemeester moet worden ingelicht over het aan de zaak gegeven gevolg.
De Minister van Binnenlandse Zaken kan uiteraard ook uit eigen beweging optreden.
3.5.2.6. Strafrechtelijke bepaling.
Artikel 259 van het strafwetboek bepaalt dat ieder bevelhebber, ieder officier of onderofficier van de openbare macht die, na door de burgerlijke overheid wettelijk te zijn gevorderd, weigert de onder zijn bevel geplaatste macht te doen optreden, gestraft wordt met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden.
Die afdwingbaarheid is vervat in de wettelijke bepalingen die een bijzondere motiveringsplicht opleggen, in een hiërarchische beroepsprocedure voorzien of een adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken mogelijk maken. Zij volgt ook uit enkele tuchtrechtelijke en strafbepalingen.
3.5.1. Afdwingbaarheid van de richtlijnen.
3.5.1.1. Concrete uitvoering.
Het nieuw artikel 16 van de wet op de rijkswacht stelt dat de rijkswacht zich schikt naar de richtlijnen van de burgemeester.
Het nieuw artikel 24/1, § 2, tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973 stelt bovendien de hiërarchische meerderen verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de richtlijnen die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten.
3.5.1.2. Beroep op de hiërarchische chef (art 51bis, eerste en tweede lid).
Indien de burgemeester oordeelt dat de rijkswacht zich niet schikt naar zijn richtlijnen uitgevaardigd in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid of naar de bijgaande aanbevelingen of precieze aanwijzingen, kan hij de hiërarchische chef van de betrokken rijkswachtoverheid verzoeken ze te doen eerbiedigen.
De hiërarchische chef van de brigadecommandant is de districtscommandant.
De hiërarchische chef van de districtscommandant is de groepscommandant.
De hiërarchische chef stuurt binnen de 48 uren een met redenen omkleed verslag aan de burgemeester over het gevolg dat hij aan dat verzoek geeft.
Dezelfde hiërarchische verhaalprocedure is van toepassing zo de burgemeester zou oordelen dat de rijkswacht de verbintenissen aangegaan in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid niet naleeft.
3.5.1.3. Adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken (art 51bis, derde lid).
Indien de hiërarchische chef het verzoek van de burgemeester niet inwilligt, kan de burgemeester zich rechtstreeks wenden tot de Minister van Binnenlandse Zaken.
Deze laatste spreekt zich uit binnen de twintig werkdagen te rekenen vanaf de adiëring en zal daartoe zo mogelijk het advies van de gouverneur inwinnen.
3.5.1.4. Tuchtsancties.
De Minister van Binnenlandse Zaken kan, uit eigen beweging of op verzoek van de burgemeester die de richtlijn uitvaardigde, een tuchtprocedure laten aanspannen tegen diegenen die volgens hen verantwoordelijk zijn voor de niet-uitvoering of slechte uitvoering van die richtlijn. De burgemeester moet ten slotte ingelicht worden over het aan zijn verzoek gegeven gevolg (artikel 24/26, § 3, eerste en tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973).
3.5.2. Afdwingbaarheid van de vorderingen.
3.5.2.1. Concrete uitvoering.
De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van een wettige vordering niet oordelen maar moet ze uitvoeren (artikel 47 van de wet op de rijkswacht).
Artikel 24/1, § 2, tweede lid, van de statutaire wet van 27 december 1973, stelt bovendien de hiërarchische meerderen verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de vorderingen die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten.
3.5.2.2. Bijzondere motiveringsplicht.
In het raam van het uitgebreide vorderingsrecht (nieuw art. 44, tweede lid), geldt een bijzondere motiveringsplicht bij het niet kunnen opvolgen van de door de burgemeester naar aanleiding van de vordering gegeven aanbevelingen of precieze aanwijzingen.
In artikel 44, vijfde lid, in fine, van de wet op de rijkswacht is immers ingeschreven dat de burgemeester de bijzondere omstandigheden moeten worden meegedeeld die het onmogelijk maken aan zijn aanbevelingen of aanwijzingen gevolg te geven.
Voor zover die aanbevelingen of aanwijzingen zich niet inmengen in de dienstorganisatie of de operationele leiding, kan de niet-naleving ervan enkel gerechtvaardigd worden door concrete omstandigheden die de naleving onmogelijk maken zonder andere opdrachten in het gedrang te brengen.
3.5.2.3. Beroep op de hiërarchische chef.
Alhoewel niet uitdrukkelijk wettelijk bepaald, kan de burgemeester zich wenden tot de hiërarchische chef van het personeelslid dat in gebreke zou blijven bij de uitvoering van een vordering.
3.5.2.4. Adiëring van de Minister van Binnenlandse Zaken.
Overeenkomstig artikel 44, zesde lid, wet op de rijkswacht, kan de Minister van Binnenlandse Zaken, op verzoek van de vorderende overheid, bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid.
De burgemeester kan zich daartoe richten tot de Minister van Binnenlandse Zaken, het weze in het raam van de vorderingen inzake de openbare orde dan wel in het raam van het uitgebreide vorderingsrecht.
3.5.2.5. Tuchtsancties.
Overeenkomstig het gewijzigde artikel 24/26, § 3, van de statutaire wet van 27 december 1973, kan de burgemeester de Minister van Binnenlandse Zaken verzoeken een tuchtprocedure te bevelen tegen een personeelslid dat in gebreke zou zijn gebleven bij de uitvoering van vorderingen gegeven door de burgemeester.
De burgemeester moet worden ingelicht over het aan de zaak gegeven gevolg.
De Minister van Binnenlandse Zaken kan uiteraard ook uit eigen beweging optreden.
3.5.2.6. Strafrechtelijke bepaling.
Artikel 259 van het strafwetboek bepaalt dat ieder bevelhebber, ieder officier of onderofficier van de openbare macht die, na door de burgerlijke overheid wettelijk te zijn gevorderd, weigert de onder zijn bevel geplaatste macht te doen optreden, gestraft wordt met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden.
Art. 5M 3. 3.5. Force contraignante des directives et réquisitions.
Cette force contraignante découle des dispositions légales qui imposent une obligation de motivation particulière, qui prévoient des procédures d'appel hiérarchiques ou qui offrent la possibilité de saisir le Ministre de l'Intérieur. Elle découle aussi de certaines dispositions disciplinaires et pénales.
3.5.1. Force contraignante des directives.
3.5.1.1. L'exécution concrète.
Le nouvel article 16 de la loi sur la gendarmerie dispose que la gendarmerie se conforme aux directives définies par le bourgmestre.
De plus, le nouvel article 24/1, § 2, deuxième alinéa, de la loi statutaire du 27 décembre 1973 rend les supérieurs hiérarchiques responsables de l'exécution correcte des directives que les autorités compétentes adressent à la gendarmerie.
3.5.1.2. Recours au chef hiérarchique (art. 51bis, alinéas 1 et 2).
Si le bourgmestre estime que la gendarmerie ne se conforme pas aux directives qu'il a édictées dans le cadre de la politique communale de sécurité ou aux recommandations ou indications précises y liées, il peut demander au chef hiérarchique de l'autorité de gendarmerie concernée de les faire respecter.
Le chef hiérarchique du commandant de brigade est le commandant de district.
Le chef hiérarchique du commandant de district est le commandant de groupe.
Le chef hiérarchique adresse, dans les 48 heures, au bourgmestre un rapport motivé quant à la suite qu'il donne à sa requête.
Ce même recours au chef hiérarchique vaut également lorsque le bourgmestre estimerait que la gendarmerie ne respecte pas les engagements conclus dans le cadre de la politique communale de sécurité.
3.5.1.3. Saisine du Ministre de l'Intérieur (art. 51bis, alinéa 3).
Si le chef hiérarchique ne satisfait pas à la requête du bourgmestre, celui-ci peut s'adresser directement au Ministre de l'Intérieur.
Ce dernier se prononce dans les vingt jours ouvrables à compter de la saisine et sollicitera à cet effet, si possible, l'avis du gouverneur.
3.5.1.4. Sanctions disciplinaires.
Le Ministre de l'Intérieur peut faire entamer d'initiative ou à la demande du bourgmestre qui a pris la directive, une procédure disciplinaire contre ceux qui, selon eux, sont responsables de la non-exécution ou de la mauvaise exécution de cette directive. Enfin, le bourgmestre doit être informé de la suite donnée à sa requête (art. 24/26, § 3, alinéas 1 et 2, de la loi statutaire du 27 décembre 1973).
3.5.2. Force contraignante des réquisitions.
3.5.2.1. L'exécution concrète.
L'autorité de gendarmerie requise n'est pas en droit d'apprécier l'opportunité d'une réquisition légale mais doit l'exécuter (article 47 de la loi sur la gendarmerie).
De plus l'article 24/1, § 2, deuxième alinéa, de la loi statutaire du 27 décembre 1973 rend les supérieurs hiérarchiques responsables de l'exécution correcte des réquisitions que les autorités compétentes adressent à la gendarmerie.
3.5.2.2. Obligation de motivation particulière.
Dans le cadre du droit de réquisition étendu (nouvel article 44, alinéa 2), il existe une obligation de motivation particulière en cas d'impossibilité de respecter les recommandations ou indications de la part du bourgmestre à l'occasion d'une réquisition.
En effet, il est précisé à l'article 44, alinéa 5, in fine, de la loi sur la gendarmerie, que les circonstances particulières qui rendent impossible le respect des recommandations ou indications de la part du bourgmestre, lui seront communiquées.
Dans la mesure où elles ne s'immiscent pas dans l'organisation du service ni dans la direction opérationnelle, leur non-respect ne peut être justifié que par des circonstances concrètes qui en rendent le respect impossible sans porter atteinte à d'autres missions.
3.5.2.3. Recours au chef hiérarchique.
Bien que la loi ne le prévoie pas explicitement, le bourgmestre peut s'adresser au chef hiérarchique du membre du personnel qui resterait en défaut lors d'une exécution d'une réquisition.
3.5.2.4. Saisine du Ministre de l'Intérieur.
Conformément à l'article 44, alinéa 6, de la loi sur la gendarmerie, le Ministre de l'Intérieur peut, à la demande de l'autorité requérante, donner ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité.
Le bourgmestre peut donc saisir à cet effet le Ministre de l'Intérieur, que se soit dans le cadre des réquisitions en matière d'ordre public ou dans celui du droit de réquisition étendu.
3.5.2.5. Sanctions disciplinaires.
Conformément à l'article 24/26, § 3, modifié, de la loi statutaire du 27 décembre 1973, le bourgmestre peut demander au Ministre de l'Intérieur d'ordonner une procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel qui serait resté en défaut lors de l'exécution de réquisitions données par le bourgmestre.
Le bourgmestre sera informé des suites réservées à l'affaire.
Le Ministre de l'Intérieur peut évidemment aussi agir d'initiative.
3.5.2.6. Disposition pénale.
L'article 259 du Code pénal dispose que tout commandant, tout officier ou sous-officier de la force publique qui, après avoir été légalement requis par l'autorité civile, aura refusé de faire agir la force placée sous ses ordres, sera puni d'un emprisonnement de quinze jours à trois mois.
Cette force contraignante découle des dispositions légales qui imposent une obligation de motivation particulière, qui prévoient des procédures d'appel hiérarchiques ou qui offrent la possibilité de saisir le Ministre de l'Intérieur. Elle découle aussi de certaines dispositions disciplinaires et pénales.
3.5.1. Force contraignante des directives.
3.5.1.1. L'exécution concrète.
Le nouvel article 16 de la loi sur la gendarmerie dispose que la gendarmerie se conforme aux directives définies par le bourgmestre.
De plus, le nouvel article 24/1, § 2, deuxième alinéa, de la loi statutaire du 27 décembre 1973 rend les supérieurs hiérarchiques responsables de l'exécution correcte des directives que les autorités compétentes adressent à la gendarmerie.
3.5.1.2. Recours au chef hiérarchique (art. 51bis, alinéas 1 et 2).
Si le bourgmestre estime que la gendarmerie ne se conforme pas aux directives qu'il a édictées dans le cadre de la politique communale de sécurité ou aux recommandations ou indications précises y liées, il peut demander au chef hiérarchique de l'autorité de gendarmerie concernée de les faire respecter.
Le chef hiérarchique du commandant de brigade est le commandant de district.
Le chef hiérarchique du commandant de district est le commandant de groupe.
Le chef hiérarchique adresse, dans les 48 heures, au bourgmestre un rapport motivé quant à la suite qu'il donne à sa requête.
Ce même recours au chef hiérarchique vaut également lorsque le bourgmestre estimerait que la gendarmerie ne respecte pas les engagements conclus dans le cadre de la politique communale de sécurité.
3.5.1.3. Saisine du Ministre de l'Intérieur (art. 51bis, alinéa 3).
Si le chef hiérarchique ne satisfait pas à la requête du bourgmestre, celui-ci peut s'adresser directement au Ministre de l'Intérieur.
Ce dernier se prononce dans les vingt jours ouvrables à compter de la saisine et sollicitera à cet effet, si possible, l'avis du gouverneur.
3.5.1.4. Sanctions disciplinaires.
Le Ministre de l'Intérieur peut faire entamer d'initiative ou à la demande du bourgmestre qui a pris la directive, une procédure disciplinaire contre ceux qui, selon eux, sont responsables de la non-exécution ou de la mauvaise exécution de cette directive. Enfin, le bourgmestre doit être informé de la suite donnée à sa requête (art. 24/26, § 3, alinéas 1 et 2, de la loi statutaire du 27 décembre 1973).
3.5.2. Force contraignante des réquisitions.
3.5.2.1. L'exécution concrète.
L'autorité de gendarmerie requise n'est pas en droit d'apprécier l'opportunité d'une réquisition légale mais doit l'exécuter (article 47 de la loi sur la gendarmerie).
De plus l'article 24/1, § 2, deuxième alinéa, de la loi statutaire du 27 décembre 1973 rend les supérieurs hiérarchiques responsables de l'exécution correcte des réquisitions que les autorités compétentes adressent à la gendarmerie.
3.5.2.2. Obligation de motivation particulière.
Dans le cadre du droit de réquisition étendu (nouvel article 44, alinéa 2), il existe une obligation de motivation particulière en cas d'impossibilité de respecter les recommandations ou indications de la part du bourgmestre à l'occasion d'une réquisition.
En effet, il est précisé à l'article 44, alinéa 5, in fine, de la loi sur la gendarmerie, que les circonstances particulières qui rendent impossible le respect des recommandations ou indications de la part du bourgmestre, lui seront communiquées.
Dans la mesure où elles ne s'immiscent pas dans l'organisation du service ni dans la direction opérationnelle, leur non-respect ne peut être justifié que par des circonstances concrètes qui en rendent le respect impossible sans porter atteinte à d'autres missions.
3.5.2.3. Recours au chef hiérarchique.
Bien que la loi ne le prévoie pas explicitement, le bourgmestre peut s'adresser au chef hiérarchique du membre du personnel qui resterait en défaut lors d'une exécution d'une réquisition.
3.5.2.4. Saisine du Ministre de l'Intérieur.
Conformément à l'article 44, alinéa 6, de la loi sur la gendarmerie, le Ministre de l'Intérieur peut, à la demande de l'autorité requérante, donner ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité.
Le bourgmestre peut donc saisir à cet effet le Ministre de l'Intérieur, que se soit dans le cadre des réquisitions en matière d'ordre public ou dans celui du droit de réquisition étendu.
3.5.2.5. Sanctions disciplinaires.
Conformément à l'article 24/26, § 3, modifié, de la loi statutaire du 27 décembre 1973, le bourgmestre peut demander au Ministre de l'Intérieur d'ordonner une procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel qui serait resté en défaut lors de l'exécution de réquisitions données par le bourgmestre.
Le bourgmestre sera informé des suites réservées à l'affaire.
Le Ministre de l'Intérieur peut évidemment aussi agir d'initiative.
3.5.2.6. Disposition pénale.
L'article 259 du Code pénal dispose que tout commandant, tout officier ou sous-officier de la force publique qui, après avoir été légalement requis par l'autorité civile, aura refusé de faire agir la force placée sous ses ordres, sera puni d'un emprisonnement de quinze jours à trois mois.
Art. M4. 4. Andere nuttige gegevens
Art. M4. 4. Autres données utiles.
Art. 1M 4. 4.1. Als bijlage bij deze omzendbrief gaat, ten gerieve van eenieder, een gecoördineerde versie van de wetsbepalingen die het voorwerp uitmaken van deze omzendbrief.
Art. 1M 4. 4.1. Pour en faciliter la compréhension, est annexé à la présente circulaire un document reprenant la version coordonnée des dispositions légales qui font l'objet de la circulaire.
Art. 2M 4. 4.2. Inzake de vorderingen verdient het aanbeveling te verwijzen naar de parlementaire werkzaamheden rond de wet van 3 april 1997, in het bijzonder : Gedr. St., Kamer, G.Z., 1996-97, nr. 870/6 - Bijlagen 1 en 2.
Het gelieve U, Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, de publicatiedatum van deze omzendbrief in het Belgisch Staatsblad in het Bestuursmemoriaal te willen vermelden.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
Het gelieve U, Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, de publicatiedatum van deze omzendbrief in het Belgisch Staatsblad in het Bestuursmemoriaal te willen vermelden.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Justitie,
S. DE CLERCK
Art. 2M 4. 4.2. En matière de réquisition, il est conseillé de consulter les travaux parlementaires relatifs à la loi du 3 avril 1997, et plus précisément : Doc. Parl., Chambre, S.O., 1996-97, N° 870/6 - Annexes 1 et 2.
Je vous prie, Madame, Monsieur le Gouverneur, de bien vouloir mentionner au Mémorial administratif la date à laquelle cette circulaire a été publiée au Moniteur belge.
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
Je vous prie, Madame, Monsieur le Gouverneur, de bien vouloir mentionner au Mémorial administratif la date à laquelle cette circulaire a été publiée au Moniteur belge.
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre de la Justice,
S. DE CLERCK
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1 bij de omzendbrief d.d. 29 mei 1997.
Gecoördineerde versie van enkele bepalingen van de nieuwe gemeentewet.
Art. 133. De burgemeester is belast met de uitvoering van de wetten, de decreten, de ordonnanties, de verordeningen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, tenzij zulks uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen of aan de gemeenteraad is opgedragen.
Hij is in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, de politiedecreten, de politieordonnanties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Hij kan echter onder zijn verantwoordelijkheid zijn bevoegdheid geheel of ten dele overdragen aan een van de schepenen.
(Wet van 3 april 1997 - Onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, is de burgemeester de verantwoordelijke overheid inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente.).
Art. 133bis. Zonder op enige wijze afbreuk te kunnen doen aan de aan de burgemeester toegekende bevoegdheden, heeft de gemeenteraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeester over de wijze waarop deze de bevoegdheden uitoefent die hem zijn verleend krachtens artikel 133, (Wet van 3 april 1997 - tweede en derde lid), artikel 171bis, eerste en derde lid, artikel 172, (Wet van 3 april 1997 -§ 1) en artikel 175.
(Wet van 3 april 1997 - De burgemeester legt de mede door hem, al dan niet in het raam van het vijfhoeksoverleg bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gesloten algemene overeenkomsten inzake het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie, ter goedkeuring voor aan de gemeenteraad, voor zover die gevolgen hebben voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheden van de gemeenteraad behoren.).
Art. 134. § 1. In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven , met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
§ 2. Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in § 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.
De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen.
Art. 135. § 1. Tot de bevoegdheden van de gemeenten behoren inzonderheid : het beheer van de goederen en inkomsten van de gemeente; de vaststelling en de verrichting van de plaatselijke uitgaven die met de gelden van de gemeente dienen te worden betaald; het ontwerpen en het doen uitvoeren van de openbare werken die ten laste van de gemeente vallen; het beheer van de inrichtingen die aan de gemeente toebehoren, die op haar kosten worden onderhouden of die in het bijzonder bestemd zijn voor het gebruik van haar inwoners.
§ 2. De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd :
1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en andere openbare plaatsen;
4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven.
(Wet van 3 april 1997 - Art. 172. § 1. De burgemeester is het hoofd van de gemeentepolitie in de uitoefening van haar opdrachten van bestuurlijke politie.
Hij ziet er bovendien op toe dat enerzijds de brigadecommandant of de districtscommandant van de rijkswacht en anderzijds de korpschef van de gemeentepolitie, informatie uitwisselen over de problemen in verband met de openbare orde in de gemeente; hij brengt hen daartoe geregeld samen.
§ 2. Om hem in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, brengt de korpschef van de gemeentepolitie hem zo snel mogelijk op de hoogte van gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid kunnen verstoren.
De korpschef brengt bij de burgemeester verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Hij brengt binnen de kortste termijnen bij de burgemeester verslag uit over de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake taakverdeling tussen de politiediensten, coördinatie van hun optreden en uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Hij licht hem ook in over de initiatieven die de gemeentepolitie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Hij is gehouden de burgemeester maandelijks te rapporteren over de werking van het korps en hem kennis te geven van de klachten afkomstig van buitenaf omtrent de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.).
Art. 175. (Wet van 3 april 1997 - Bij oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, kan de burgemeester of de persoon die hem vervangt, met het oog op de handhaving of het herstel van de openbare rust, de rijkswacht of het leger vorderen. Deze moeten zich schikken naar de opvordering.)
De opvordering moet schriftelijk geschieden, gedagtekend zijn en naam, hoedanigheid en handtekening van de vorderende overheid dragen; zij moet daarenboven de wetsbepaling vermelden waarop zij steunt alsook het voorwerp van de opvordering.
De provinciegouverneur en de arrondissementscommissaris worden door de opvorderende overheid onmiddellijk over de vordering ingelicht.
In dringende gevallen kan (Wet van 3 april 1997 - de rijkswacht of het leger) telegrafisch of telefonisch worden opgevorderd. Dergelijke opvordering moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vormen bepaald in het tweede lid.
(Wet van 3 april 1997 - Bij opvordering of ingrijpen van de rijkswacht of van het leger, blijft de gemeentepolitie onder het gezag van de burgemeester en de leiding van de korpschef.).
De opgevorderde machten blijven in nauw contact met de opvorderende overheid en de korpschef om op gecoördineerde wijze op te treden.
Gecoördineerde versie van enkele bepalingen van de nieuwe gemeentewet.
Art. 133. De burgemeester is belast met de uitvoering van de wetten, de decreten, de ordonnanties, de verordeningen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, tenzij zulks uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen of aan de gemeenteraad is opgedragen.
Hij is in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, de politiedecreten, de politieordonnanties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Hij kan echter onder zijn verantwoordelijkheid zijn bevoegdheid geheel of ten dele overdragen aan een van de schepenen.
(Wet van 3 april 1997 - Onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, is de burgemeester de verantwoordelijke overheid inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente.).
Art. 133bis. Zonder op enige wijze afbreuk te kunnen doen aan de aan de burgemeester toegekende bevoegdheden, heeft de gemeenteraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeester over de wijze waarop deze de bevoegdheden uitoefent die hem zijn verleend krachtens artikel 133, (Wet van 3 april 1997 - tweede en derde lid), artikel 171bis, eerste en derde lid, artikel 172, (Wet van 3 april 1997 -§ 1) en artikel 175.
(Wet van 3 april 1997 - De burgemeester legt de mede door hem, al dan niet in het raam van het vijfhoeksoverleg bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gesloten algemene overeenkomsten inzake het vervullen van de gemeentelijke opdrachten van bestuurlijke politie, ter goedkeuring voor aan de gemeenteraad, voor zover die gevolgen hebben voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheden van de gemeenteraad behoren.).
Art. 134. § 1. In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven , met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
§ 2. Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in § 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.
De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen.
Art. 135. § 1. Tot de bevoegdheden van de gemeenten behoren inzonderheid : het beheer van de goederen en inkomsten van de gemeente; de vaststelling en de verrichting van de plaatselijke uitgaven die met de gelden van de gemeente dienen te worden betaald; het ontwerpen en het doen uitvoeren van de openbare werken die ten laste van de gemeente vallen; het beheer van de inrichtingen die aan de gemeente toebehoren, die op haar kosten worden onderhouden of die in het bijzonder bestemd zijn voor het gebruik van haar inwoners.
§ 2. De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd :
1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drankgelegenheden, kerken en andere openbare plaatsen;
4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven.
(Wet van 3 april 1997 - Art. 172. § 1. De burgemeester is het hoofd van de gemeentepolitie in de uitoefening van haar opdrachten van bestuurlijke politie.
Hij ziet er bovendien op toe dat enerzijds de brigadecommandant of de districtscommandant van de rijkswacht en anderzijds de korpschef van de gemeentepolitie, informatie uitwisselen over de problemen in verband met de openbare orde in de gemeente; hij brengt hen daartoe geregeld samen.
§ 2. Om hem in staat te stellen zijn verantwoordelijkheden van bestuurlijke politie uit te oefenen, brengt de korpschef van de gemeentepolitie hem zo snel mogelijk op de hoogte van gewichtige feiten die de openbare rust, veiligheid of gezondheid kunnen verstoren.
De korpschef brengt bij de burgemeester verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Hij brengt binnen de kortste termijnen bij de burgemeester verslag uit over de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake taakverdeling tussen de politiediensten, coördinatie van hun optreden en uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Hij licht hem ook in over de initiatieven die de gemeentepolitie overweegt te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid.
Hij is gehouden de burgemeester maandelijks te rapporteren over de werking van het korps en hem kennis te geven van de klachten afkomstig van buitenaf omtrent de werking van het korps of het optreden van zijn personeel.).
Art. 175. (Wet van 3 april 1997 - Bij oproer, kwaadwillige samenscholingen of ernstige en nakende bedreigingen van de openbare orde, kan de burgemeester of de persoon die hem vervangt, met het oog op de handhaving of het herstel van de openbare rust, de rijkswacht of het leger vorderen. Deze moeten zich schikken naar de opvordering.)
De opvordering moet schriftelijk geschieden, gedagtekend zijn en naam, hoedanigheid en handtekening van de vorderende overheid dragen; zij moet daarenboven de wetsbepaling vermelden waarop zij steunt alsook het voorwerp van de opvordering.
De provinciegouverneur en de arrondissementscommissaris worden door de opvorderende overheid onmiddellijk over de vordering ingelicht.
In dringende gevallen kan (Wet van 3 april 1997 - de rijkswacht of het leger) telegrafisch of telefonisch worden opgevorderd. Dergelijke opvordering moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vormen bepaald in het tweede lid.
(Wet van 3 april 1997 - Bij opvordering of ingrijpen van de rijkswacht of van het leger, blijft de gemeentepolitie onder het gezag van de burgemeester en de leiding van de korpschef.).
De opgevorderde machten blijven in nauw contact met de opvorderende overheid en de korpschef om op gecoördineerde wijze op te treden.
Art. N1. Annexe 1. Version coordonnée de certaines dispositions de la nouvelle loi communale.
Art. 133. Le bourgmestre est chargé de l'exécution des lois, des décrets, des ordonnances, des règlements et arrêtés de l'Etat, des Régions, des Communautés, des Commissions communautaires, du conseil provincial et la députation permanente du conseil provincial, à moins qu'elle ne soit formellement attribuée au collège des bourgmestre et échevins ou au conseil communal.
Il est spécialement chargé de l'exécution des lois, décrets, ordonnances, règlements et arrêtés de police. Néanmoins, il peut, sous sa responsabilité, déléguer ses attributions, en tout ou en partie, à l'un des échevins.
(Loi du 3 avril 1997 - Sans préjudice des compétences du Ministre de l'Intérieur, du gouverneur et des institutions communales compétentes, le bourgmestre est l'autorité responsable en matière de police administrative sur le territoire de la commune.).
Art. 133bis. Sans pouvoir, d'une façon quelconque, porter atteinte aux attributions du bourgmestre, le conseil communal a le droit d'être informé par le bourgmestre de la manière dont celui-ci exerce les pouvoirs que lui confèrent les articles 133, (Loi du 3 avril 1997 - alinéas 2 et 3.), 171bis, premier et troisième alinéa, 172, (Loi du 3 avril 1997 - § 1.) et 175.
(Loi du 3 avril 1997 - Le bourgmestre soumet pour approbation au conseil communal les conventions générales qu'il a conclues en matière d'exécution des missions communales de police administrative, dans ou en dehors du cadre de la concertation pentagonale visée à l'article 10, § 1, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, pour autant que celles-ci aient des répercussions sur les matières qui relèvent de la compétence du conseil communal.).
Art. 134. § 1. En cas d'émeutes, d'attroupements hostiles, d'atteintes graves portées à la paix publique ou d'autres événements imprévus, lorsque le moindre retard pourrait occasionner des dangers ou des dommages pour les habitants, le bourgmestre peut faire des ordonnances de police, à charge d'en donner sur le champ communication au conseil, en y joignant les motifs pour lesquels il a cru devoir se dispenser de recourir au conseil. Ces ordonnances cesseront immédiatement d'avoir effet si elles ne sont confirmées par le conseil à sa plus prochaine réunion.
§ 2. Pour les communes de la région de langue allemande, les communes énumérées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, ainsi que les communes de Comines-Warneton et de Fourons, le bourgmestre communique immédiatement les ordonnances visées au § 1 au gouverneur de province, en y joignant les motifs pour lesquels il a cru devoir se dispenser de recourir au conseil.
Le gouverneur peut en suspendre l'exécution.
Art. 135. § 1. Les attributions des communes sont notamment : de régir les biens et revenus de la commune; de régler et d'acquitter celles des dépenses locales qui doivent être payées des deniers communs; de diriger et faire exécuter les travaux publics qui sont à charge de la commune; d'administrer les établissements qui appartiennent à la commune, qui sont entretenus de ses deniers, ou qui sont particulièrement destinés à l'usage de ses habitants.
§ 2. De même, les communes ont pour mission de faire jouir les habitants des avantages d'une bonne police, notamment de la propreté, de la salubrité, de la sûreté et de la tranquillité dans les rues, lieux et édifices publics.
Plus particulièrement, et dans la mesure où la matière n'est pas exclue de la compétence des communes, les objets de police confiés à la vigilance et à l'autorité des communes sont :
1° tout ce qui intéresse la sûreté et la commodité du passage dans les rues, quais, places et voies publiques; ce qui comprend le nettoiement, l'illumination, l'enlèvement des encombrements, la démolition ou la réparation des bâtiments menacant de ruine, l'interdiction de rien exposer aux fenêtres ou autres parties des bâtiments qui puisse nuire par sa chute, et celle de rien jeter qui puisse blesser ou endommager les passants ou causer des exhalaisons nuisibles; la police de la circulation routière, en tant qu'elle s'applique à des situations permanentes ou périodiques, ne tombe pas sous l'application du présent article;
2° le soin de réprimer les atteintes à la tranquillité publique, telles que les rixes et disputes accompagnées d'ameutement dans les rues; le tumulte excité dans les lieux d'assemblée publique, les bruits et attroupements nocturnes qui troublent le repos des habitants;
3° le maintien du bon ordre dans les endroits où il se fait de grands rassemblements d'hommes, tels que les foires, marchés, réjouissances et céremonies publiques, spectacles, jeux, cafés, églises et autres lieux publics;
4° l'inspection sur la fidélité du débit des denrées pour la vente desquelles il est fait usage d'unités ou d'instruments de mesure, et sur la salubrité des comestibles exposés en vente publique;
5° le soin de prévenir, par les précautions convenables, et celui de faire cesser par la distribution des secours nécessaires, les accidents et fléaux calamiteux, tels que les incendies, les épidémies et les epizooties;
6° le soin de remédier aux événements fâcheux qui pourraient être occasionnes par la divagation des animaux malfaisants ou féroces.
(Loi du 3 avril 1997 - Art. 172. § 1. Le bourgmestre est le chef de la police communale dans l'exercice des missions de police administrative de celle-ci.
Il veille, en outre, à ce que les problèmes liés à l'ordre public dans la commune fasse l'objet d'échanges d'informations entre le commandant de brigade ou le commandant de district de la gendarmerie, d'une part, et le chef de corps de la police communale, d'autre part; il les réunit régulièrement à cet effet.
§ 2. Pour lui permettre d'assurer ses responsabilités de police administrative, le chef de corps de la police communale l'informe dans les plus brefs délais des faits importants qui sont de nature à troubler la tranquillité, la sécurité ou la salubrité publiques.
Le chef de corps fait rapport au bourgmestre sur les problèmes de sécurité dans la commune. Il fait rapport au bourgmestre, dans les plus brefs délais, sur l'exécution des missions de police administrative sur le territoire de la commune et sur l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de répartition des tâches entre les services de police, de coordination de leurs interventions et d'exécution de la politique communale de sécurité.
Il l'informe en outre des initiatives que la police communale compte prendre et qui concernent la police communale de sécurité.
Il est tenu de faire rapport, tous les mois, au bourgmestre sur le fonctionnement du corps et de l'informer des plaintes venant de l'extérieur et concernant le fonctionnement du corps ou les interventions de son personnel.).
Art. 175. (Loi du 3 avril 1997 - En cas d'émeutes, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes contre l'ordre public, le bourgmestre ou celui qui le remplace peut requérir la gendarmerie ou l'armee aux fins de maintenir ou de rétablir la tranquillité publique. Elles sont tenues de se conformer à ces réquisitions.).
La réquisition doit se faire par écrit, être datée et porter le nom, la qualité et la signature de l'autorité requérante; elle doit en outre mentionner la disposition légale sur laquelle elle se fonde ainsi que l'objet de la réquisition.
Le gouverneur de province et le commissaire d'arrondissement sont immédiatement informés de la réquisition par l'autorité requérante.
En cas d'urgence, (Loi du 3 avril 1997 - la gendarmerie ou l'armée.) peuvent être requises par voie télégraphique ou téléphonique. Pareille réquisition doit être confirmée au plus tôt dans les formes prévues à l'alinéa 2.
(Loi du 3 avril 1997 - En cas de réquisition ou d'intervention de la gendarmerie ou de l'armée, la police communale reste sous l'autorité du bourgmestre et la direction du chef de corps.).
En cas de réquisition ou d'intervention de la gendarmerie ou de l'armée, la police communale reste sous l'autorité du bourgmestre et la direction du chef de corps.
Art. 133. Le bourgmestre est chargé de l'exécution des lois, des décrets, des ordonnances, des règlements et arrêtés de l'Etat, des Régions, des Communautés, des Commissions communautaires, du conseil provincial et la députation permanente du conseil provincial, à moins qu'elle ne soit formellement attribuée au collège des bourgmestre et échevins ou au conseil communal.
Il est spécialement chargé de l'exécution des lois, décrets, ordonnances, règlements et arrêtés de police. Néanmoins, il peut, sous sa responsabilité, déléguer ses attributions, en tout ou en partie, à l'un des échevins.
(Loi du 3 avril 1997 - Sans préjudice des compétences du Ministre de l'Intérieur, du gouverneur et des institutions communales compétentes, le bourgmestre est l'autorité responsable en matière de police administrative sur le territoire de la commune.).
Art. 133bis. Sans pouvoir, d'une façon quelconque, porter atteinte aux attributions du bourgmestre, le conseil communal a le droit d'être informé par le bourgmestre de la manière dont celui-ci exerce les pouvoirs que lui confèrent les articles 133, (Loi du 3 avril 1997 - alinéas 2 et 3.), 171bis, premier et troisième alinéa, 172, (Loi du 3 avril 1997 - § 1.) et 175.
(Loi du 3 avril 1997 - Le bourgmestre soumet pour approbation au conseil communal les conventions générales qu'il a conclues en matière d'exécution des missions communales de police administrative, dans ou en dehors du cadre de la concertation pentagonale visée à l'article 10, § 1, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, pour autant que celles-ci aient des répercussions sur les matières qui relèvent de la compétence du conseil communal.).
Art. 134. § 1. En cas d'émeutes, d'attroupements hostiles, d'atteintes graves portées à la paix publique ou d'autres événements imprévus, lorsque le moindre retard pourrait occasionner des dangers ou des dommages pour les habitants, le bourgmestre peut faire des ordonnances de police, à charge d'en donner sur le champ communication au conseil, en y joignant les motifs pour lesquels il a cru devoir se dispenser de recourir au conseil. Ces ordonnances cesseront immédiatement d'avoir effet si elles ne sont confirmées par le conseil à sa plus prochaine réunion.
§ 2. Pour les communes de la région de langue allemande, les communes énumérées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, ainsi que les communes de Comines-Warneton et de Fourons, le bourgmestre communique immédiatement les ordonnances visées au § 1 au gouverneur de province, en y joignant les motifs pour lesquels il a cru devoir se dispenser de recourir au conseil.
Le gouverneur peut en suspendre l'exécution.
Art. 135. § 1. Les attributions des communes sont notamment : de régir les biens et revenus de la commune; de régler et d'acquitter celles des dépenses locales qui doivent être payées des deniers communs; de diriger et faire exécuter les travaux publics qui sont à charge de la commune; d'administrer les établissements qui appartiennent à la commune, qui sont entretenus de ses deniers, ou qui sont particulièrement destinés à l'usage de ses habitants.
§ 2. De même, les communes ont pour mission de faire jouir les habitants des avantages d'une bonne police, notamment de la propreté, de la salubrité, de la sûreté et de la tranquillité dans les rues, lieux et édifices publics.
Plus particulièrement, et dans la mesure où la matière n'est pas exclue de la compétence des communes, les objets de police confiés à la vigilance et à l'autorité des communes sont :
1° tout ce qui intéresse la sûreté et la commodité du passage dans les rues, quais, places et voies publiques; ce qui comprend le nettoiement, l'illumination, l'enlèvement des encombrements, la démolition ou la réparation des bâtiments menacant de ruine, l'interdiction de rien exposer aux fenêtres ou autres parties des bâtiments qui puisse nuire par sa chute, et celle de rien jeter qui puisse blesser ou endommager les passants ou causer des exhalaisons nuisibles; la police de la circulation routière, en tant qu'elle s'applique à des situations permanentes ou périodiques, ne tombe pas sous l'application du présent article;
2° le soin de réprimer les atteintes à la tranquillité publique, telles que les rixes et disputes accompagnées d'ameutement dans les rues; le tumulte excité dans les lieux d'assemblée publique, les bruits et attroupements nocturnes qui troublent le repos des habitants;
3° le maintien du bon ordre dans les endroits où il se fait de grands rassemblements d'hommes, tels que les foires, marchés, réjouissances et céremonies publiques, spectacles, jeux, cafés, églises et autres lieux publics;
4° l'inspection sur la fidélité du débit des denrées pour la vente desquelles il est fait usage d'unités ou d'instruments de mesure, et sur la salubrité des comestibles exposés en vente publique;
5° le soin de prévenir, par les précautions convenables, et celui de faire cesser par la distribution des secours nécessaires, les accidents et fléaux calamiteux, tels que les incendies, les épidémies et les epizooties;
6° le soin de remédier aux événements fâcheux qui pourraient être occasionnes par la divagation des animaux malfaisants ou féroces.
(Loi du 3 avril 1997 - Art. 172. § 1. Le bourgmestre est le chef de la police communale dans l'exercice des missions de police administrative de celle-ci.
Il veille, en outre, à ce que les problèmes liés à l'ordre public dans la commune fasse l'objet d'échanges d'informations entre le commandant de brigade ou le commandant de district de la gendarmerie, d'une part, et le chef de corps de la police communale, d'autre part; il les réunit régulièrement à cet effet.
§ 2. Pour lui permettre d'assurer ses responsabilités de police administrative, le chef de corps de la police communale l'informe dans les plus brefs délais des faits importants qui sont de nature à troubler la tranquillité, la sécurité ou la salubrité publiques.
Le chef de corps fait rapport au bourgmestre sur les problèmes de sécurité dans la commune. Il fait rapport au bourgmestre, dans les plus brefs délais, sur l'exécution des missions de police administrative sur le territoire de la commune et sur l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de répartition des tâches entre les services de police, de coordination de leurs interventions et d'exécution de la politique communale de sécurité.
Il l'informe en outre des initiatives que la police communale compte prendre et qui concernent la police communale de sécurité.
Il est tenu de faire rapport, tous les mois, au bourgmestre sur le fonctionnement du corps et de l'informer des plaintes venant de l'extérieur et concernant le fonctionnement du corps ou les interventions de son personnel.).
Art. 175. (Loi du 3 avril 1997 - En cas d'émeutes, d'attroupements hostiles ou de menaces graves et imminentes contre l'ordre public, le bourgmestre ou celui qui le remplace peut requérir la gendarmerie ou l'armee aux fins de maintenir ou de rétablir la tranquillité publique. Elles sont tenues de se conformer à ces réquisitions.).
La réquisition doit se faire par écrit, être datée et porter le nom, la qualité et la signature de l'autorité requérante; elle doit en outre mentionner la disposition légale sur laquelle elle se fonde ainsi que l'objet de la réquisition.
Le gouverneur de province et le commissaire d'arrondissement sont immédiatement informés de la réquisition par l'autorité requérante.
En cas d'urgence, (Loi du 3 avril 1997 - la gendarmerie ou l'armée.) peuvent être requises par voie télégraphique ou téléphonique. Pareille réquisition doit être confirmée au plus tôt dans les formes prévues à l'alinéa 2.
(Loi du 3 avril 1997 - En cas de réquisition ou d'intervention de la gendarmerie ou de l'armée, la police communale reste sous l'autorité du bourgmestre et la direction du chef de corps.).
En cas de réquisition ou d'intervention de la gendarmerie ou de l'armée, la police communale reste sous l'autorité du bourgmestre et la direction du chef de corps.
Art. N2. Bijlage 2 bij de omzendbrief d.d. 29 mei 1997. Gecoördineerde versie van enkele bepalingen van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht.
Art 16. (Wet van 3 april 1997 - Onverminderd de onderrichtingen en bevelen van de Minister van Binnenlandse Zaken, schikt de rijkswacht zich bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie naar de door de burgemeester binnen het raam van zijn bevoegdheden uitgevaardigde richtlijnen met betrekking tot het gemeentelijk veiligheidsbeleid en draagt zij bij tot de verwezenlijking van dat beleid.)
Art. 44. De voor de handhaving der orde wettelijk verantwoordelijke administratieve overheden treden ten opzichte van de rijkswacht op door middel van vorderingen.
(Wet van 3 april 1997 - De burgemeester kan de rijkswacht vorderen met het oog op het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie vermeld in de overeenkomsten bedoeld in artikel 133bis, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, die hij met de brigadecommandant of de disctrictscommandant heeft gesloten.).
Onverminderd de verplichtingen die voor sommige leden der rijkswacht volgen uit hun hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de krijgsauditeur, doen de gerechtelijke overheden op de rijkswacht een beroep door middel van vordering. (Wet van 18 Jul 91.).
(Wet van 18 Jul 91. - Ter uitvoering van de aan de rijkswacht gerichte vorderingen, verduidelijken de bevoegde overheden, zonder zich in te mengen in de organisatie van de dienst, het onderwerp van de vordering en kunnen ze aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden aangewend.
Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan deze aanbevelingen en aanwijzingen omdat hun uitvoering de uitvoering van andere politieopdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de vorderende overheid hiervan zo spoedig mogelijk ingelicht. (Wet van 3 april 1997 In geval van vordering met toepassing van het tweede lid, worden in de aan de burgemeester meegedeelde informatie de bijzondere omstandigheden vermeld die het onmogelijk maken aan die aanbevelingen of aanwijzingen gevolg te geven.).
Ter uitvoering van de vorderingen, kan de Minister van Justitie of de Minister van Binnenlandse Zaken, elk wat hem betreft, op verzoek van de vorderende overheid, bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid.).
Art. 45. Iedere vordering moet schriftelijk geschieden, met opgaaf van de wetsbepaling krachtens welke zij wordt gedaan, en van het onderwerp; zij moet gedagtekend zijn en de naam en hoedanigheid alsmede de handtekening van de vorderende overheid dragen.
Art. 46. In spoedeisende gevallen kan de rijkswacht telefonisch of telegrafisch gevorderd worden. Die vordering moet zodra mogelijk bevestigd worden in de vormen bepaald bij artikel 45.
Art. 47. De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Maar indien de vordering, hoewel wettelijk, haar als een kennelijk misbruik voorkomt meldt zij dit onverwijld langs de hiërarchische weg aan de hogere overheid van de rijkswacht.
Art. 48. (Wet van 18 Jul 91. - De vorderingen tot het bekomen van de medewerking van de rijkswacht voor de uitvoering van haar opdrachten worden gericht aan de territoriaal bevoegde districtscommandant of aan de bevoegde hogere rijkswachtoverheden.
De hogere rijkswachtoverheden coördineren, verschaffen de nodige steun en controleren de uitvoering van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering, zonder zich in te mengen in het verloop van gerechtelijke onderzoeken.
De op dit vlak door deze overheden getroffen maatregelen worden ter kennis gebracht van de vorderende overheden.).
Art. 49. De tot de uitvoering van de vorderingen nodige operaties worden, onder eigen verantwoordelijkheid, geleid door de hoofden van de rijkswacht, die de troepenbewegingen bevelen, hun opstelling vaststellen, de omvang en de aard van de aan te wenden middelen bepalen.
Art. 50. De werking van de vordering houdt op wanneer de vorderende overheid aan de met de uitvoering belaste rijkswachtoverheid schriftelijk of mondeling de opheffing van de vordering betekent.
(Wet van 3 april 1997 - Hoofdstuk III. - BETREKKINGEN MET DE BESTUURLIJKE OVERHEDEN.
Art. 51. De bestuurlijke overheden en de rijkswacht moeten elkaar de door hen ontvangen inlichtingen meedelen betreffende de openbare orde, die tot preventie- of repressiemaatregelen aanleiding kunnen geven.
Dienstbetrekkingen worden geregeld onderhouden :
- met de burgemeesters, door de brigadecommandanten of de districtcommandanten. De brigadecommandant of de districtscommandant brengt bij de burgemeester periodiek verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Op verzoek van de burgemeester, brengt de brigadecommandant of de districtscommandant binnen de kortste termijnen bij hem verslag uit over de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake taakverdeling tussen de politiediensten, coördinatie van hun optreden en uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij licht hem ook voorafgaandelijk in over de initiatieven die de rijkswacht overweegt te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. In voorkomend geval kan de burgemeester gebruik maken van de in artikel 16 voorziene mogelijkheid richtlijnen te geven om een initiatief aan te passen of te verbieden;
- met de arrondissementscommissarissen, door de districtscommandanten;
- met de provinciegouverneurs, door de groepscommandanten.
Art. 51bis. Indien de burgemeester oordeelt dat de rijkswacht de verbintenissen aangegaan in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid niet naleeft of zich niet schikt naar de richtlijnen bedoeld in artikel 16, kan hij de hiërarchische chef van de betrokken rijkswachtoverheid verzoeken deze verbintenissen of richtlijnen te doen eerbiedigen.
De hiërarchische chef stuurt binnen 48 uren een met redenen omkleed verslag aan de burgemeester over het gevolg dat hij aan dat verzoek geeft.
Zo zijn verzoek niet wordt ingewilligd, kan de burgemeester het, met het oog op een beslissing, voorleggen aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze laatste spreekt zich uit binnen twintig werkdagen te rekenen vanaf de adiëring.)
Art 16. (Wet van 3 april 1997 - Onverminderd de onderrichtingen en bevelen van de Minister van Binnenlandse Zaken, schikt de rijkswacht zich bij het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie naar de door de burgemeester binnen het raam van zijn bevoegdheden uitgevaardigde richtlijnen met betrekking tot het gemeentelijk veiligheidsbeleid en draagt zij bij tot de verwezenlijking van dat beleid.)
Art. 44. De voor de handhaving der orde wettelijk verantwoordelijke administratieve overheden treden ten opzichte van de rijkswacht op door middel van vorderingen.
(Wet van 3 april 1997 - De burgemeester kan de rijkswacht vorderen met het oog op het vervullen van de opdrachten van bestuurlijke politie vermeld in de overeenkomsten bedoeld in artikel 133bis, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, die hij met de brigadecommandant of de disctrictscommandant heeft gesloten.).
Onverminderd de verplichtingen die voor sommige leden der rijkswacht volgen uit hun hoedanigheid van officier van de gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de krijgsauditeur, doen de gerechtelijke overheden op de rijkswacht een beroep door middel van vordering. (Wet van 18 Jul 91.).
(Wet van 18 Jul 91. - Ter uitvoering van de aan de rijkswacht gerichte vorderingen, verduidelijken de bevoegde overheden, zonder zich in te mengen in de organisatie van de dienst, het onderwerp van de vordering en kunnen ze aanbevelingen en precieze aanwijzingen geven omtrent de middelen die moeten worden ingezet en die moeten worden aangewend.
Wanneer het niet mogelijk is gevolg te geven aan deze aanbevelingen en aanwijzingen omdat hun uitvoering de uitvoering van andere politieopdrachten in het gedrang zou brengen, wordt de vorderende overheid hiervan zo spoedig mogelijk ingelicht. (Wet van 3 april 1997 In geval van vordering met toepassing van het tweede lid, worden in de aan de burgemeester meegedeelde informatie de bijzondere omstandigheden vermeld die het onmogelijk maken aan die aanbevelingen of aanwijzingen gevolg te geven.).
Ter uitvoering van de vorderingen, kan de Minister van Justitie of de Minister van Binnenlandse Zaken, elk wat hem betreft, op verzoek van de vorderende overheid, bevel geven zich te schikken naar de aanbevelingen en aanwijzingen van deze overheid.).
Art. 45. Iedere vordering moet schriftelijk geschieden, met opgaaf van de wetsbepaling krachtens welke zij wordt gedaan, en van het onderwerp; zij moet gedagtekend zijn en de naam en hoedanigheid alsmede de handtekening van de vorderende overheid dragen.
Art. 46. In spoedeisende gevallen kan de rijkswacht telefonisch of telegrafisch gevorderd worden. Die vordering moet zodra mogelijk bevestigd worden in de vormen bepaald bij artikel 45.
Art. 47. De gevorderde rijkswachtoverheid mag over de gepastheid van de vordering niet oordelen. Zij moet ze uitvoeren. Maar indien de vordering, hoewel wettelijk, haar als een kennelijk misbruik voorkomt meldt zij dit onverwijld langs de hiërarchische weg aan de hogere overheid van de rijkswacht.
Art. 48. (Wet van 18 Jul 91. - De vorderingen tot het bekomen van de medewerking van de rijkswacht voor de uitvoering van haar opdrachten worden gericht aan de territoriaal bevoegde districtscommandant of aan de bevoegde hogere rijkswachtoverheden.
De hogere rijkswachtoverheden coördineren, verschaffen de nodige steun en controleren de uitvoering van de opdrachten verricht ten gevolge van een vordering, zonder zich in te mengen in het verloop van gerechtelijke onderzoeken.
De op dit vlak door deze overheden getroffen maatregelen worden ter kennis gebracht van de vorderende overheden.).
Art. 49. De tot de uitvoering van de vorderingen nodige operaties worden, onder eigen verantwoordelijkheid, geleid door de hoofden van de rijkswacht, die de troepenbewegingen bevelen, hun opstelling vaststellen, de omvang en de aard van de aan te wenden middelen bepalen.
Art. 50. De werking van de vordering houdt op wanneer de vorderende overheid aan de met de uitvoering belaste rijkswachtoverheid schriftelijk of mondeling de opheffing van de vordering betekent.
(Wet van 3 april 1997 - Hoofdstuk III. - BETREKKINGEN MET DE BESTUURLIJKE OVERHEDEN.
Art. 51. De bestuurlijke overheden en de rijkswacht moeten elkaar de door hen ontvangen inlichtingen meedelen betreffende de openbare orde, die tot preventie- of repressiemaatregelen aanleiding kunnen geven.
Dienstbetrekkingen worden geregeld onderhouden :
- met de burgemeesters, door de brigadecommandanten of de districtcommandanten. De brigadecommandant of de districtscommandant brengt bij de burgemeester periodiek verslag uit over de veiligheidsproblemen in de gemeente. Op verzoek van de burgemeester, brengt de brigadecommandant of de districtscommandant binnen de kortste termijnen bij hem verslag uit over de uitvoering van de opdrachten van bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente en over de voorbije en te verwachten uitvoering van de aangegane verbintenissen inzake taakverdeling tussen de politiediensten, coördinatie van hun optreden en uitvoering van het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Hij licht hem ook voorafgaandelijk in over de initiatieven die de rijkswacht overweegt te nemen en die betrekking hebben op het gemeentelijk veiligheidsbeleid. In voorkomend geval kan de burgemeester gebruik maken van de in artikel 16 voorziene mogelijkheid richtlijnen te geven om een initiatief aan te passen of te verbieden;
- met de arrondissementscommissarissen, door de districtscommandanten;
- met de provinciegouverneurs, door de groepscommandanten.
Art. 51bis. Indien de burgemeester oordeelt dat de rijkswacht de verbintenissen aangegaan in het raam van het gemeentelijk veiligheidsbeleid niet naleeft of zich niet schikt naar de richtlijnen bedoeld in artikel 16, kan hij de hiërarchische chef van de betrokken rijkswachtoverheid verzoeken deze verbintenissen of richtlijnen te doen eerbiedigen.
De hiërarchische chef stuurt binnen 48 uren een met redenen omkleed verslag aan de burgemeester over het gevolg dat hij aan dat verzoek geeft.
Zo zijn verzoek niet wordt ingewilligd, kan de burgemeester het, met het oog op een beslissing, voorleggen aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze laatste spreekt zich uit binnen twintig werkdagen te rekenen vanaf de adiëring.)
Art. N2. Annexe 2. Version coordonnée de certaines dispositions de la loi du 2 décembre 1957 sur la gendarmerie.
Art. 1N2. Art. 16. (Loi du 3 avril 1997 - Sans préjudice des instructions et ordres du Ministre de l'Intérieur, la gendarmerie se conforme, lors de l'exécution de missions de police administrative, aux directives définies par le bourgmestre dans le cadre de ses compétences et qui sont relatives à la politique communale de sécurité et contribue à la réalisation de cette politique.).
Art. 2N2. Art. 44. L'action des autorités administratives légalement responsables du maintien de l'ordre s'exerce à l'égard de la gendarmerie par voie de réquisition.
(Loi du 3 avril 1997 - Le bourgmestre peut requérir la gendarmerie en vue de l'exécution des missions de police administrative prévues dans les conventions visées à l'article 133bis, alinéa 2, de la nouvelle loi communale, qu'il a conclues avec le commandant de brigade ou le commandant de district.).
Sans préjudice des obligations qui résultent pour certains membres de la gendarmerie de leur qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur militaire, l'action des autorités judiciaires s'exerce a l'égard de la gendarmerie par voie de réquisition. (Loi du 18 juillet 1991.).
(Loi du 18 juillet 1991. - Pour l'exécution des réquisitions adressées à la gendarmerie, les autorités compétentes, sans s'immiscer dans l'organisation du service, précisent l'objet de la réquisition et peuvent faire des recommandations et donner des indications précises sur les moyens à mettre en oeuvre et les ressources à utiliser.
Lorsqu'il est impossible de se conformer à ces recommandations et indications parce que leur exécution porterait atteinte a l'exécution d'autres missions de police, l'autorité requérante en est informée dans les meilleurs délais. (Loi du 3 avril 1997 - En cas de réquisition effectuée en application de l'alinéa 2, l'information adressée au bourgmestre comporte la mention des circonstances particulières qui rendent impossible le respect de ces recommandations ou indications.).
Pour l'exécution des réquisitions, le Ministre de la Justice ou le Ministre de l'Intérieur peut, chacun pour ce qui le concerne, à la demande de l'autorité requérante, donner ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité.).
Art. 3N2. Art. 45. Toute réquisition doit être écrite, mentionner la disposition légale en vertu de laquelle elle est faite, en indiquer l'objet, être datée et porter les noms et qualité ainsi que la signature de l'autorité requérante.
Art. 4N2. Art. 46. En cas d'urgence, la gendarmerie peut être requise par voie téléphonique ou télégraphique. Cette réquisition doit être confirmée le plus rapidement possible dans les formes prévues à l'article 45.
Art. 5N2. Art. 47. L'autorité requise de la gendarmerie ne peut discuter l'opportunité de la réquisition. Elle doit l'exécuter. Mais si la réquisition, quoique légale, lui paraît manifestement abusive, elle en informe immédiatement l'autorité supérieure de la gendarmerie par la voie hiérarchique.
Art. 6N2. Art. 48. (Loi du 18 juillet 1991. - Les réquisitions visant à obtenir le concours de la gendarmerie pour l'exécution de ses missions sont adressées au commandant de district territorialement compétent ou aux autorités supérieures de gendarmerie compétentes.
Les autorités supérieures de gendarmerie, sans s'immiscer dans le déroulement des enquêtes judiciaires, coordonnent, apportent le soutien nécessaire et contrôlent l'exécution des missions effectuées à la suite d'une réquisition.
Les mesures prises à cet égard par ces autorités sont portées à la connaissance des autorités requérantes.).
Art. 7N2. Art. 49. Les opérations nécessaires à l'exécution des réquisitions sont menées, sous leur responsabilite, par les chefs de la gendarmerie qui ordonnent les mouvements de troupe, fixent leurs emplacements, déterminent l'importance et la nature des moyens à mettre en oeuvre.
Art. 8N2. Art. 50. Les effets de la réquisition cessent lorsque l'autorité requérante signifie par écrit ou verbalement la levée de la réquisition à l'autorité de gendarmerie qui était chargée de son exécution.
(Loi du 3 avril 1997 - Chapitre III. - Rapports avec les autorités administratives.
Art. 9N2. Art. 51. Les autorités administratives et la gendarmerie doivent se communiquer les renseignements qui leur parviennent au sujet de l'ordre public et qui peuvent donner lieu a des mesures de prévention ou de répression.
Des rapports de service sont régulièrement établis :
- avec les bourgmestres, par les commandants de brigade ou les commandants de district. Le commandant de brigade ou le commandant de district fait périodiquement rapport au bourgmestre au sujet des problèmes de sécurité dans la commune. A la requête du bourgmestre, le commandant de brigade ou le commandant de district lui fait rapport dans les plus brefs délais au sujet de l'execution des missions de police administrative sur le territoire de la commune et de l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de répartition des tâches entre les services de police, de coordination de leurs interventions et de l'exécution de la politique communale de sécurité. Il l'informe en outre préalablement des initiatives que la gendarmerie compte prendre et qui concernent la politique communale de sécurité. S'il échet le bourgmestre peut faire usage de la possibilité prévue à l'article 16 de donner des directives pour adapter ou interdire une initiative;
- avec les commissaires d'arrondissement, par les commandants de district;
- avec les gouverneurs de province, par les commandants de groupe.
Art. 10N2. Art. 51bis. Si le bourgmestre estime que la gendarmerie ne remplit pas les obligations contractées dans le cadre de la politique communale de sécurite ou ne se conforme pas aux directives visées à l'article 16, il peut inviter le chef hiérarchique de l'autorité de gendarmerie concernée à faire respecter ces obligations ou ces directives.
Le chef hiérarchique adresse un rapport motivé au bourgmestre sur les suites réservées à sa requête dans les 48 heures de celle-ci.
S'il n'est pas satisfait à sa requête, le bourgmestre peut la soumettre pour décision au Ministre de l'Intérieur. Celui-ci se prononce dans les vingt jours ouvrables à compter de la saisine.).
Art. 1N2. Art. 16. (Loi du 3 avril 1997 - Sans préjudice des instructions et ordres du Ministre de l'Intérieur, la gendarmerie se conforme, lors de l'exécution de missions de police administrative, aux directives définies par le bourgmestre dans le cadre de ses compétences et qui sont relatives à la politique communale de sécurité et contribue à la réalisation de cette politique.).
Art. 2N2. Art. 44. L'action des autorités administratives légalement responsables du maintien de l'ordre s'exerce à l'égard de la gendarmerie par voie de réquisition.
(Loi du 3 avril 1997 - Le bourgmestre peut requérir la gendarmerie en vue de l'exécution des missions de police administrative prévues dans les conventions visées à l'article 133bis, alinéa 2, de la nouvelle loi communale, qu'il a conclues avec le commandant de brigade ou le commandant de district.).
Sans préjudice des obligations qui résultent pour certains membres de la gendarmerie de leur qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur militaire, l'action des autorités judiciaires s'exerce a l'égard de la gendarmerie par voie de réquisition. (Loi du 18 juillet 1991.).
(Loi du 18 juillet 1991. - Pour l'exécution des réquisitions adressées à la gendarmerie, les autorités compétentes, sans s'immiscer dans l'organisation du service, précisent l'objet de la réquisition et peuvent faire des recommandations et donner des indications précises sur les moyens à mettre en oeuvre et les ressources à utiliser.
Lorsqu'il est impossible de se conformer à ces recommandations et indications parce que leur exécution porterait atteinte a l'exécution d'autres missions de police, l'autorité requérante en est informée dans les meilleurs délais. (Loi du 3 avril 1997 - En cas de réquisition effectuée en application de l'alinéa 2, l'information adressée au bourgmestre comporte la mention des circonstances particulières qui rendent impossible le respect de ces recommandations ou indications.).
Pour l'exécution des réquisitions, le Ministre de la Justice ou le Ministre de l'Intérieur peut, chacun pour ce qui le concerne, à la demande de l'autorité requérante, donner ordre de se conformer aux recommandations et indications de cette autorité.).
Art. 3N2. Art. 45. Toute réquisition doit être écrite, mentionner la disposition légale en vertu de laquelle elle est faite, en indiquer l'objet, être datée et porter les noms et qualité ainsi que la signature de l'autorité requérante.
Art. 4N2. Art. 46. En cas d'urgence, la gendarmerie peut être requise par voie téléphonique ou télégraphique. Cette réquisition doit être confirmée le plus rapidement possible dans les formes prévues à l'article 45.
Art. 5N2. Art. 47. L'autorité requise de la gendarmerie ne peut discuter l'opportunité de la réquisition. Elle doit l'exécuter. Mais si la réquisition, quoique légale, lui paraît manifestement abusive, elle en informe immédiatement l'autorité supérieure de la gendarmerie par la voie hiérarchique.
Art. 6N2. Art. 48. (Loi du 18 juillet 1991. - Les réquisitions visant à obtenir le concours de la gendarmerie pour l'exécution de ses missions sont adressées au commandant de district territorialement compétent ou aux autorités supérieures de gendarmerie compétentes.
Les autorités supérieures de gendarmerie, sans s'immiscer dans le déroulement des enquêtes judiciaires, coordonnent, apportent le soutien nécessaire et contrôlent l'exécution des missions effectuées à la suite d'une réquisition.
Les mesures prises à cet égard par ces autorités sont portées à la connaissance des autorités requérantes.).
Art. 7N2. Art. 49. Les opérations nécessaires à l'exécution des réquisitions sont menées, sous leur responsabilite, par les chefs de la gendarmerie qui ordonnent les mouvements de troupe, fixent leurs emplacements, déterminent l'importance et la nature des moyens à mettre en oeuvre.
Art. 8N2. Art. 50. Les effets de la réquisition cessent lorsque l'autorité requérante signifie par écrit ou verbalement la levée de la réquisition à l'autorité de gendarmerie qui était chargée de son exécution.
(Loi du 3 avril 1997 - Chapitre III. - Rapports avec les autorités administratives.
Art. 9N2. Art. 51. Les autorités administratives et la gendarmerie doivent se communiquer les renseignements qui leur parviennent au sujet de l'ordre public et qui peuvent donner lieu a des mesures de prévention ou de répression.
Des rapports de service sont régulièrement établis :
- avec les bourgmestres, par les commandants de brigade ou les commandants de district. Le commandant de brigade ou le commandant de district fait périodiquement rapport au bourgmestre au sujet des problèmes de sécurité dans la commune. A la requête du bourgmestre, le commandant de brigade ou le commandant de district lui fait rapport dans les plus brefs délais au sujet de l'execution des missions de police administrative sur le territoire de la commune et de l'exécution passée et prévisible des obligations contractées en matière de répartition des tâches entre les services de police, de coordination de leurs interventions et de l'exécution de la politique communale de sécurité. Il l'informe en outre préalablement des initiatives que la gendarmerie compte prendre et qui concernent la politique communale de sécurité. S'il échet le bourgmestre peut faire usage de la possibilité prévue à l'article 16 de donner des directives pour adapter ou interdire une initiative;
- avec les commissaires d'arrondissement, par les commandants de district;
- avec les gouverneurs de province, par les commandants de groupe.
Art. 10N2. Art. 51bis. Si le bourgmestre estime que la gendarmerie ne remplit pas les obligations contractées dans le cadre de la politique communale de sécurite ou ne se conforme pas aux directives visées à l'article 16, il peut inviter le chef hiérarchique de l'autorité de gendarmerie concernée à faire respecter ces obligations ou ces directives.
Le chef hiérarchique adresse un rapport motivé au bourgmestre sur les suites réservées à sa requête dans les 48 heures de celle-ci.
S'il n'est pas satisfait à sa requête, le bourgmestre peut la soumettre pour décision au Ministre de l'Intérieur. Celui-ci se prononce dans les vingt jours ouvrables à compter de la saisine.).
Art. N3. Bijlage 3 bij de omzendbrief d.d. 29 mei 1997.
Gecoördineerde versie van enkele bepalingen van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
Art. 24/1. § 1. De personeelsleden staan onder het gezag van hun meerderen. Dat gezag wordt naargelang van het geval uitgeoefend wegens het ambt, de functie, de graad of de anciënniteit.
Het gezag van een personeelslid over een ander personeelslid wordt uitgeoefend wegens het ambt of de functie, binnen de perken van dat ambt of die functie en van de machtiging die hij ontleent aan wettelijke of reglementaire bepalingen of aan permanente of tijdelijke orders.
Wat evenwel het behoud van de algemene tucht betreft, heeft een personeelslid gezag over een ander personeelslid, wanneer het met een hogere graad bekleed is of wanneer het meer anciënniteit heeft in dezelfde graad.
§ 2. De bevelen gegeven door de meerderen hebben de uitvoering van de opdrachten van de rijkswacht en de goede werking van haar eenheden en diensten tot doel.
Deze meerderen zijn verantwoordelijk voor de bevelen die zij geven. Zij staan in voor de eenheid die hun wordt toevertrouwd en voor de goede werking van de dienst, met inbegrip van de correcte uitvoering van de vorderingen (Wet van 3 april 1997 - en de richtlijnen) die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten. Zij waken eveneens over het behoud van de algemene tucht.
§ 3. De meerderen oefenen hun gezag uit met billijkheid en correctheid.
Zij moeten het voorbeeld geven aan alle personeelsleden, tegenover hen loyaal en open zijn en blijk geven van beleefdheid, en hun waardigheid eerbiedigen.
Art. 24/26. § 1. Iedere meerdere met de bevoegdheid van eenheidscommandant, die kennis krijgt van feiten die een vergrijp tegen de tucht kunnen vormen, kan een voorafgaand onderzoek doen instellen om te bepalen of er tegen het betrokken personeelslid een tuchtprocedure moet worden aangespannen. Deze meerdere wijst het personeelslid aan dat met het onderzoek wordt belast.
§ 2. Wordt de eenheidscommandant geïnformeerd door een overheid onder wier gezag de rijkswacht staat krachtens artikel 2, § 2, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, of door een overheid die haar krachtens artikel 44 van dezelfde wet door middel van een vordering aanwendt, dan beveelt de eenheidscommandant het in § 1 bedoelde onderzoek en licht hij die overheden in over het gevolg dat aan de zaak wordt gegeven.
Er wordt op dezelfde manier gehandeld wanneer de aangifte of de klacht van een personeelslid uitgaat.
§ 3. De Minister van Binnenlandse Zaken kan de commandant van de rijkswacht bevelen om een tuchtprocedure aan te spannen tegen een personeelslid wegens welbepaalde feiten. Hebben deze feiten rechtstreeks betrekking op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie of van een andere opdracht waarvoor de rijkswacht onder het gezag staat van de Minister van Justitie, dan handelt de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Justitie.
(Wet van 3 april 1997 - Deze laatste vat de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van de Procureur des Konings of van een onderzoeksrechter. Hebben deze feiten rechtstreeks betrekking op de uitvoering van een in het raam van zijn bevoegdheden door de burgemeester gegeven richtlijn of vordering, dan handelt de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van die burgemeester).
De eenheidscommandant die geadieerd wordt door de commandant van de rijkswacht handelend op bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken, doet een voorafgaand onderzoek instellen, maakt in voorkomend geval een inleidend verslag op en zet de procedure voort overeenkomstig de artikelen 24/27 en 24/28. Hij licht de commandant van de rijkswacht in over het gevolg dat aan het bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt gegeven. De commandant van de rijkswacht brengt op zijn beurt de Minister van Binnenlandse Zaken op de hoogte die, in voorkomend geval, de Minister van Justitie (Wet van 3 april 1997 - of de burgemeester naargelang van het geval), inlicht over de staat van de procedure. Deze overheden worden op de hoogte gebracht van de afloop van de procedure.
§ 4. Verzuimt de eenheidscommandant zonder geldige reden een tuchtprocedure tegen een personeelslid aan te spannen of voort te zetten, dan kan de commandant van de rijkswacht hem daartoe het bevel geven.
In dat geval doet de eenheidscommandant, volgens het geval, overgaan tot het voorafgaand onderzoek, stelt hij een inleidend verslag op en zet hij de procedure voort overeenkomstig de artikelen 24/27 en 24/28. Na afloop van de nog uit te voeren plichten, licht hij de commandant van de rijkswacht in over zijn beslissing.
Art. 24/41. Met gevangenisstraf van 1 maand tot 6 maanden en met geldboete van 26 frank tot 500 frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft het personeelslid dat, in het raam van de voorbereiding of de uitvoering van een opdracht van bestuurlijke of van gerechtelijke politie, weigert aan de bevelen van zijn meerdere te gehoorzamen of er zich met opzet van onthoudt die uit te voeren.
Gecoördineerde versie van enkele bepalingen van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
Art. 24/1. § 1. De personeelsleden staan onder het gezag van hun meerderen. Dat gezag wordt naargelang van het geval uitgeoefend wegens het ambt, de functie, de graad of de anciënniteit.
Het gezag van een personeelslid over een ander personeelslid wordt uitgeoefend wegens het ambt of de functie, binnen de perken van dat ambt of die functie en van de machtiging die hij ontleent aan wettelijke of reglementaire bepalingen of aan permanente of tijdelijke orders.
Wat evenwel het behoud van de algemene tucht betreft, heeft een personeelslid gezag over een ander personeelslid, wanneer het met een hogere graad bekleed is of wanneer het meer anciënniteit heeft in dezelfde graad.
§ 2. De bevelen gegeven door de meerderen hebben de uitvoering van de opdrachten van de rijkswacht en de goede werking van haar eenheden en diensten tot doel.
Deze meerderen zijn verantwoordelijk voor de bevelen die zij geven. Zij staan in voor de eenheid die hun wordt toevertrouwd en voor de goede werking van de dienst, met inbegrip van de correcte uitvoering van de vorderingen (Wet van 3 april 1997 - en de richtlijnen) die de daartoe bevoegde overheden aan de rijkswacht richten. Zij waken eveneens over het behoud van de algemene tucht.
§ 3. De meerderen oefenen hun gezag uit met billijkheid en correctheid.
Zij moeten het voorbeeld geven aan alle personeelsleden, tegenover hen loyaal en open zijn en blijk geven van beleefdheid, en hun waardigheid eerbiedigen.
Art. 24/26. § 1. Iedere meerdere met de bevoegdheid van eenheidscommandant, die kennis krijgt van feiten die een vergrijp tegen de tucht kunnen vormen, kan een voorafgaand onderzoek doen instellen om te bepalen of er tegen het betrokken personeelslid een tuchtprocedure moet worden aangespannen. Deze meerdere wijst het personeelslid aan dat met het onderzoek wordt belast.
§ 2. Wordt de eenheidscommandant geïnformeerd door een overheid onder wier gezag de rijkswacht staat krachtens artikel 2, § 2, van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, of door een overheid die haar krachtens artikel 44 van dezelfde wet door middel van een vordering aanwendt, dan beveelt de eenheidscommandant het in § 1 bedoelde onderzoek en licht hij die overheden in over het gevolg dat aan de zaak wordt gegeven.
Er wordt op dezelfde manier gehandeld wanneer de aangifte of de klacht van een personeelslid uitgaat.
§ 3. De Minister van Binnenlandse Zaken kan de commandant van de rijkswacht bevelen om een tuchtprocedure aan te spannen tegen een personeelslid wegens welbepaalde feiten. Hebben deze feiten rechtstreeks betrekking op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie of van een andere opdracht waarvoor de rijkswacht onder het gezag staat van de Minister van Justitie, dan handelt de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van de Minister van Justitie.
(Wet van 3 april 1997 - Deze laatste vat de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van de Procureur des Konings of van een onderzoeksrechter. Hebben deze feiten rechtstreeks betrekking op de uitvoering van een in het raam van zijn bevoegdheden door de burgemeester gegeven richtlijn of vordering, dan handelt de Minister van Binnenlandse Zaken uit eigen beweging of op verzoek van die burgemeester).
De eenheidscommandant die geadieerd wordt door de commandant van de rijkswacht handelend op bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken, doet een voorafgaand onderzoek instellen, maakt in voorkomend geval een inleidend verslag op en zet de procedure voort overeenkomstig de artikelen 24/27 en 24/28. Hij licht de commandant van de rijkswacht in over het gevolg dat aan het bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt gegeven. De commandant van de rijkswacht brengt op zijn beurt de Minister van Binnenlandse Zaken op de hoogte die, in voorkomend geval, de Minister van Justitie (Wet van 3 april 1997 - of de burgemeester naargelang van het geval), inlicht over de staat van de procedure. Deze overheden worden op de hoogte gebracht van de afloop van de procedure.
§ 4. Verzuimt de eenheidscommandant zonder geldige reden een tuchtprocedure tegen een personeelslid aan te spannen of voort te zetten, dan kan de commandant van de rijkswacht hem daartoe het bevel geven.
In dat geval doet de eenheidscommandant, volgens het geval, overgaan tot het voorafgaand onderzoek, stelt hij een inleidend verslag op en zet hij de procedure voort overeenkomstig de artikelen 24/27 en 24/28. Na afloop van de nog uit te voeren plichten, licht hij de commandant van de rijkswacht in over zijn beslissing.
Art. 24/41. Met gevangenisstraf van 1 maand tot 6 maanden en met geldboete van 26 frank tot 500 frank of met een van die straffen alleen wordt gestraft het personeelslid dat, in het raam van de voorbereiding of de uitvoering van een opdracht van bestuurlijke of van gerechtelijke politie, weigert aan de bevelen van zijn meerdere te gehoorzamen of er zich met opzet van onthoudt die uit te voeren.
Art. N3. Annexe 3. Version coordonnée de certaines dispositions de la loi du 27 décembre 1973 relative au statut du personnel du corps opérationnel de la gendarmerie.
Art. 24/1. § 1. Les membres du personnel sont placés sous l'autorité de leurs supérieurs. Cette autorité s'exerce en raison, selon le cas, de l'emploi, de la fonction, du grade ou de l'ancienneté.
L'autorité d'un membre du personnel sur un autre membre du personnel s'exerce en raison de l'emploi ou de la fonction, dans les limites de cet emploi ou de cette fonction et de l'habilitation qu'il puise dans des dispositions législatives ou réglementaires ou dans des ordres permanents ou momentanés.
Toutefois, en ce qui concerne le maintien de la discipline générale, un membre du personnel a autorité sur un autre membre du personnel s'il est revêtu d'un grade plus élevé que lui, ou s'il est plus ancien que lui dans le même grade.
§ 2. Les ordres donnés par les supérieurs ont pour objet l'exécution des missions de la gendarmerie et le bon fonctionnement des unités et services de celle-ci.
Ces supérieurs sont responsables des ordres qu'ils donnent. Ils repondent de l'unité qui leur est confiée ainsi que du bon fonctionnement du service, en ce compris l'exécution correcte des réquisitions (Loi du 3 avril 1997 - et des directives.) adressées à la gendarmerie par les autorités qui y sont habilitées. Ils veillent également au maintien de la discipline générale.
§ 3. Les supérieurs exercent leur autorité avec équité et correction.
Ils doivent donner l'exemple à tous les membres du personnel, être loyaux, ouverts et faire preuve de politesse à leur égard et respecter leur dignité.
Art. 24/26. § 1. Tout supérieur exerçant les attributions de commandant d'unité qui acquiert la connaissance de faits susceptibles de constituer une faute disciplinaire peut faire procéder à une enquête préalable en vue de déterminer s'il y a lieu d'entamer une procédure disciplinaire à l'encontre du membre du personnel en cause. Ce supérieur désigne le membre du personnel chargé de l'enquête.
§ 2. Si l'information du commandant d'unité émane de l'une des autorités dont relève la gendarmerie en vertu de l'article 2, § 2, de la loi du 2 décembre 1957 sur la gendarmerie ou de l'une de celles qui la mettent en oeuvre par voie de réquisition en vertu de l'article 44 de cette même loi, le commandant d'unité ordonne l'enquete visée au § 1 et informe ces autorités des suites réservées à l'affaire.
Il en va de même en cas de dénonciation ou de plainte émanant d'un membre du personnel.
§ 3. Le Ministre de l'Intérieur peut donner au commandant de la gendarmerie injonction d'entamer une procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel en raison de faits précis. Si ces faits sont directement liés à l'exécution d'une mission de police judiciaire ou d'une autre mission pour laquelle la gendarmerie est placée sous l'autorité du Ministre de la Justice, le Ministre de l'Intérieur agit d'initiative ou à la requête du Ministre de la Justice.
(Loi du 3 avril 1997 - Ce dernier saisit le Ministre de l'Intérieur d'initiative ou à la requête du Procureur du Roi ou d'un juge d'instruction. Si ces faits sont directement liés à l'exécution d'une directive ou réquisition donnée par un bourgmestre dans le cadre de ses compétences, le Ministre de l'Intérieur agit d'initiative ou à la requête de ce bourgmestre.).
Le commandant d'unité, saisi par le commandant de la gendarmerie agissant sur injonction du Ministre de l'Intérieur, fait procéder à l'enquête prealable et, s'il y a lieu, rédige un rapport introductif et poursuit la procédure conformément aux articles 24/27 et 24/28. Il informe le commandant de la gendarmerie des suites réservées à l'injonction du Ministre de l'Intérieur. Le commandant de la gendarmerie en informe, à son tour, le Ministre de l'Intérieur qui communique, s'il échet, l'état de la procédure au Ministre de la Justice (Loi du 3 avril 1997 - ou au bourgmestre selon le cas.). Ces autorités sont informées de l'issue de la procédure.
§ 4. Si le commandant d'unité s'abstient, sans motif valable, d'entamer ou de poursuivre la procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel, le commandant de la gendarmerie peut le lui ordonner.
En l'espèce, le commandant d'unité, selon le cas, fait procéder à l'enquête préalable, rédige un rapport introductif et poursuit la procédure conformément aux articles 24/27 et 24/28. Au terme des devoirs qui lui restaient à effectuer, il informe le commandant de la gendarmerie de sa décision.
Art. 24/41. Est puni d'un emprisonnement de 1 mois à 6 mois et d'une amende de 26 à 500 francs ou de l'une de ces peines seulement, le membre du personnel qui refuse d'obéir aux ordres de son supérieur ou s'abstient à dessein de les exécuter dans le cadre de la préparation ou de l'exécution d'une mission de police administrative ou de police judiciaire.
Art. 24/1. § 1. Les membres du personnel sont placés sous l'autorité de leurs supérieurs. Cette autorité s'exerce en raison, selon le cas, de l'emploi, de la fonction, du grade ou de l'ancienneté.
L'autorité d'un membre du personnel sur un autre membre du personnel s'exerce en raison de l'emploi ou de la fonction, dans les limites de cet emploi ou de cette fonction et de l'habilitation qu'il puise dans des dispositions législatives ou réglementaires ou dans des ordres permanents ou momentanés.
Toutefois, en ce qui concerne le maintien de la discipline générale, un membre du personnel a autorité sur un autre membre du personnel s'il est revêtu d'un grade plus élevé que lui, ou s'il est plus ancien que lui dans le même grade.
§ 2. Les ordres donnés par les supérieurs ont pour objet l'exécution des missions de la gendarmerie et le bon fonctionnement des unités et services de celle-ci.
Ces supérieurs sont responsables des ordres qu'ils donnent. Ils repondent de l'unité qui leur est confiée ainsi que du bon fonctionnement du service, en ce compris l'exécution correcte des réquisitions (Loi du 3 avril 1997 - et des directives.) adressées à la gendarmerie par les autorités qui y sont habilitées. Ils veillent également au maintien de la discipline générale.
§ 3. Les supérieurs exercent leur autorité avec équité et correction.
Ils doivent donner l'exemple à tous les membres du personnel, être loyaux, ouverts et faire preuve de politesse à leur égard et respecter leur dignité.
Art. 24/26. § 1. Tout supérieur exerçant les attributions de commandant d'unité qui acquiert la connaissance de faits susceptibles de constituer une faute disciplinaire peut faire procéder à une enquête préalable en vue de déterminer s'il y a lieu d'entamer une procédure disciplinaire à l'encontre du membre du personnel en cause. Ce supérieur désigne le membre du personnel chargé de l'enquête.
§ 2. Si l'information du commandant d'unité émane de l'une des autorités dont relève la gendarmerie en vertu de l'article 2, § 2, de la loi du 2 décembre 1957 sur la gendarmerie ou de l'une de celles qui la mettent en oeuvre par voie de réquisition en vertu de l'article 44 de cette même loi, le commandant d'unité ordonne l'enquete visée au § 1 et informe ces autorités des suites réservées à l'affaire.
Il en va de même en cas de dénonciation ou de plainte émanant d'un membre du personnel.
§ 3. Le Ministre de l'Intérieur peut donner au commandant de la gendarmerie injonction d'entamer une procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel en raison de faits précis. Si ces faits sont directement liés à l'exécution d'une mission de police judiciaire ou d'une autre mission pour laquelle la gendarmerie est placée sous l'autorité du Ministre de la Justice, le Ministre de l'Intérieur agit d'initiative ou à la requête du Ministre de la Justice.
(Loi du 3 avril 1997 - Ce dernier saisit le Ministre de l'Intérieur d'initiative ou à la requête du Procureur du Roi ou d'un juge d'instruction. Si ces faits sont directement liés à l'exécution d'une directive ou réquisition donnée par un bourgmestre dans le cadre de ses compétences, le Ministre de l'Intérieur agit d'initiative ou à la requête de ce bourgmestre.).
Le commandant d'unité, saisi par le commandant de la gendarmerie agissant sur injonction du Ministre de l'Intérieur, fait procéder à l'enquête prealable et, s'il y a lieu, rédige un rapport introductif et poursuit la procédure conformément aux articles 24/27 et 24/28. Il informe le commandant de la gendarmerie des suites réservées à l'injonction du Ministre de l'Intérieur. Le commandant de la gendarmerie en informe, à son tour, le Ministre de l'Intérieur qui communique, s'il échet, l'état de la procédure au Ministre de la Justice (Loi du 3 avril 1997 - ou au bourgmestre selon le cas.). Ces autorités sont informées de l'issue de la procédure.
§ 4. Si le commandant d'unité s'abstient, sans motif valable, d'entamer ou de poursuivre la procédure disciplinaire à charge d'un membre du personnel, le commandant de la gendarmerie peut le lui ordonner.
En l'espèce, le commandant d'unité, selon le cas, fait procéder à l'enquête préalable, rédige un rapport introductif et poursuit la procédure conformément aux articles 24/27 et 24/28. Au terme des devoirs qui lui restaient à effectuer, il informe le commandant de la gendarmerie de sa décision.
Art. 24/41. Est puni d'un emprisonnement de 1 mois à 6 mois et d'une amende de 26 à 500 francs ou de l'une de ces peines seulement, le membre du personnel qui refuse d'obéir aux ordres de son supérieur ou s'abstient à dessein de les exécuter dans le cadre de la préparation ou de l'exécution d'une mission de police administrative ou de police judiciaire.