Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
30 JULI 1997. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 15 oktober 1968 tot inrichting van een vergelijkend aanwervingsexamen voor inspecteur van de buitendiensten van de sectie Veiligheid van de Staat van het Bestuur van de Openbare Veiligheid.
Titre
30 JUILLET 1997. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 15 octobre 1968 organisant le concours de recrutement d'inspecteur des services extérieurs de la section Sûreté de l'Etat de l'Administration de la Sûreté publique.
Informations sur le document
Numac: 1997009651
Datum: 1997-07-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1997009651
Date: 1997-07-30
Moniteur: Voir
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel 1. Het opschrift van het ministerieel besluit van 15 oktober 1968 tot inrichting van een vergelijkend aanwervingsexamen voor inspecteur van de buitendiensten van de sectie Veiligheid van de Staat van het Bestuur van de Openbare Veiligheid wordt vervangen door het volgend opschrift : "Ministerieel besluit tot inrichting van een vergelijkend wervingsexamen voor inspecteur van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat".
Article 1. L'intitulé de l'arrêté ministériel du 15 octobre 1968 organisant le concours de recrutement d'inspecteur des services extérieurs de la section Sûreté de l'Etat de l'Administration de la Sûreté publique est remplacé par l'intitulé suivant : " Arrêté ministériel organisant le concours de recrutement d'inspecteur des services extérieurs de l'Administration de la Sûreté de l'Etat. ".
Art. 2. In de artikelen 6 en 16 van hetzelfde besluit wordt het opschrift van het koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van de sectie Veiligheid van de Staat van het Bestuur van de Openbare Veiligheid vervangen door het volgend opschrift : "Koninklijk besluit van 29 april 1966 houdende het statuut van het personeel van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat".
Art. 2. Aux articles 6 et 16 du même arrêté, l'intitulé de l'arrêté royal du 29 avril 1966 portant le statut du personnel de la section Sûreté de l'Etat de l'Administration de la Sûreté publique est remplacé par l'intitulé suivant : " Arrêté royal du 29 avril 1966 portant le statut du personnel de l'Administration de la Sûreté de l'Etat. ".
Art. 3. In hetzelfde besluit worden de woorden "Administrateur-Directeur-generaal van de Openbare Veiligheid" vervangen door de woorden "Administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat".
Art. 3. Dans le même arrêté, les mots " administrateur-directeur général de la Sûreté publique " sont remplacés par les mots " administrateur général de la Sûreté de l'Etat ".
Art. 4. In artikel 3, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden "de Meeûssquare 8, bus 7, 1040 Brussel" vervangen door "Emile Jacqmainlaan 150, bus 2 te 1000 Brussel".
  Lid 1, 5° wordt vervangen door de volgende bepaling : "5° een gelijkvormig afschrift van het diploma of getuigschrift dat voorkomt in de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en dat in aanmerking komt voor de toelating tot de rijksbesturen onder rubriek "niveau 2+".
  Het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De inschrijving tot de proeven is onderworpen aan de betaling van een recht vastgesteld op 300 fr dat gekweten wordt door het aanbrengen van fiscale zegels, die vervolgens door de postdienst afgestempeld worden, op de strook van het inschrijvingsformulier ".
Art. 4. A l'article 3, alinéa 1er du même arrêté, les mots " Square de Meeûs, 8 boîte 7 à 1040 Bruxelles " sont remplacés par " Boulevard Emile Jacqmain, 150 boîte 2 à 1000 Bruxelles ".
  L'alinéa 1er, 5° est remplacé par la disposition suivante : " 5° une copie certifiée conforme du diplôme ou certificat figurant à l'annexe 1 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 pris en considération pour l'admission dans les administrations de l'Etat sous la rubrique " niveau 2+ ". ".
  L'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " L'inscription aux épreuves est subordonnée au paiement d'un droit fixé à 300 frs acquitté en timbres fiscaux apposés sur le talon du formulaire et oblitérés par le service des postes. ".
Art. 5. In artikel 4 van hetzelfde besluit wordt de referentie vermeld tussen twee haakjes vervangen door : "cfr. B.I.3 van bijgevoegd programma".
Art. 5. A l'article 4 du même arrêté, la référence mentionnée entre parenthèses est remplacée par la référence suivante : " cf. B. I. 3. du programme ci-après ".
Art. 6. De artikelen 6, 7 en 8 van hetzelfde besluit zijn opgeheven.
Art. 6. Les articles 6, 7 et 8 du même arrêté sont abrogés.
Art. 7. Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 1. De examencommissie kiest het onderwerp van de voordracht die het voorwerp uitmaakt van de schriftelijke proef en duidt twee van haar leden aan om de tekst ervan op te stellen. Niemand anders krijgt er kennis van voor de aanvang van de proef. De aangeduide leden zijn belast met de verbetering en de beoordeling van de schriftelijk proef.
  § 2 Voor elke mondelinge proef duidt de examencommissie drie van haar leden aan die de proeven afnemen en beoordelen.
  In afwijking van het vorig lid, duidt de examencommissie twee leden aan die de conversatieproef in de vreemde taal afnemen en beoordelen. "
Art. 7. L'article 9 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le jury choisit le sujet sur lequel porte la conférence qui fait l'objet de l'épreuve écrite et désigne deux de ses membres pour rédiger le texte de celle-ci. Nul autre n'en reçoit connaissance avant que l'épreuve n'ait commencé. Les membres désignés assurent la correction et la cotation de l'épreuve écrite.
  § 2. Pour chaque épreuve orale, le jury désigne trois de ses membres qui les font subir et les cotent.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, le jury désigne deux membres qui font subir et cotent les épreuves de conversation en langue étrangère. ".
Art. 8. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Het programma van het vergelijkend wervingsexamen voor de graad van inspecteur van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat wordt als volgt bepaald :
  § 1 Onderwerpen van het vergelijkend examen
Art. 8. L'article 10 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Le programme du concours de recrutement au grade d'inspecteur des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat est fixé comme suit :
  § 1er. Matières du concours.
  Examenonderwerp
  A.   Schriftelijke proef over de      Waarde        Vaste minima
       algemene vorming (4 u 1/2)     coefficient     der punten
  Matière du concours.
  Samenvatting en commentaar op             3          36 op 60
  een voordracht inzake een
  onderwerp van algemene aard
  A.   Epreuve écrite portant       Coefficient           Minima des
       sur la formation             d'importance          points requis
       générale (4 h 1/2)
  B.I. Conversatieproef
       Résume et commentaires             3                 36 sur 60
       d'une conférence sur un                              points
       sujet d'ordre général
  1.   Onderhoud over onder-
       werpen van algemene
       aard (ongeveer 20
       minuten)
  B.I. Epreuve de conversation
  2.   Observatieproef
  1.   Entretien sur des
       questions d'ordre
       général (20 minutes
       environ)
  2.   Epreuve d'observation
  3.   Conversation dans la
       langue étrangère
       choisie par le candidat
       parmi les langues
       suivantes :
       anglais, allemand,
       espagnol, italien,                 3                 36 sur 60
       russe, arabe                                          points
       (15 minutes environ)
  3.   Gesprek in een vreemde
       taal gekozen door de kan-
       didaat tussen de volgende
       talen :                              3          35 op 60
       Engels, Duits, Spaans, Ita-                     punten
       liaans, Russisch, Arabisch
       (Ongeveer 15 minuten)
  B. II. Epreuve orale sur des
       matières déterminées
       (30 minutes environ)
  1.   Eléments du droit                  2                 20 sur 40
       constitutionnel belge :                              points
       la Constitution,
       l'organisation
       administrative et
       judiciaire
  2.   Eléments de                        1                 10 sur 20
       législation qui se                                   points
       rapportent aux
       attributions de la
       Sureté de l'Etat
       a) Droit pénal
       b) Code d'instruction
       criminelle
       c) Convention
       européenne de
       sauvegarde des
       Droits de l'homme et
       des Libertés
       fondamentales
  B.II. Mondelinge proef over
       bepaalde vakken (ongeveer
       30 minuten)
    Pour être admissible, les candidats doivent obtenir 36 points sur 60 pour
  l'ensemble des matières reprises sous B. II.
  1.   Begrippen van het Belgische
       grondwettelijk recht : de
       grondwet, de bestuurlijke-           2          20 op 40
       en rechterlijke inrichting                      punten
  Pour l'ensemble des épreuves du concours, les candidats doivent obtenir 108 points sur 180.
  § 2. Détail des matières du concours.
  A. Epreuve écrite sur la formation générale.
  Cette épreuve a pour objet de déceler l'esprit de synthèse et de critique des candidats. Elle comporte deux parties distinctes :
  a) un résumé en texte continu des idées maîtresses développées;
  b) un exposé écrit comprenant les remarques, les réflexions personnelles et, éventuellement, les objections, ainsi que les critiques jugées opportunes par les candidats.
  L'appréciation du jury porte sur le fond, la forme et l'orthographe des textes.
  B. I. Epreuve de conversation.
  1. Entretien sur des sujets d'ordre général (vingt minutes environ).
  L'épreuve de conversation constitue un entretien à bâtons rompus et porte sur toute matière d'ordre général susceptible de faire connaître la personnalité des candidats, leur maturité d'esprit et leur façon de se présenter.
  2. Epreuve d'observation.
  Description d'une scène.
  3. Conversation dans la langue étrangère choisie par le candidat.
  Celle-ci porte sur un sujet d'ordre général.
  B. II. Epreuve orale sur des matières déterminées.
  B. II. 1. Eléments du droit constitutionnel belge.
  1. NOTIONS FONDAMENTALES.
  1. La Constitution.
  1. Définition.
  2. Caractères (généralité - suprématie - stabilité).
  3. Contexte historique de la Constitution. Le Congrès national.
  4. Procédure de révision de la Constitution.
  2. L'Etat belge.
  1. La Belgique, Etat de droit.
  2. La Belgique, Etat fédéral.
  3. La Belgique, démocratie représentative.
  4. La Belgique, monarchie constitutionnelle.
  5. La hiérarchie des normes.
  (Constitution, lois spéciales; lois, décrets et ordonnances; arrêtés royaux, ministériels, communautaires et régionaux, règlements provinciaux, d'agglomération et communaux).
  6. Les compétences résiduelles.
  3. Le territoire belge.
  1. Espaces terrestre, maritime et aérien.
  2. Régions, provinces et communes.
  3. Les régions linguistiques; les territoires à statut particulier.
  4. Modification des limites de l'Etat, des provinces et des communes, des régions linguistiques.
  4. La nationalité.
  1. Nationalité d'origine.
  2. Modes d'acquisitions de la nationalité belge (option, naturalisation, adoption, mariage, ...).
  3. Perte de la nationalité belge.
  4. Recouvrement de la nationalité belge.
  5. Le statut des étrangers.
  1. Droits et libertés garantis par la Constitution belge.
  2. Droits et libertés garantis par les conventions internationales.
  3. Droits politiques et droits civils - Admission aux emplois civils et militaires - Les ressortissants de l'Union européenne.
  4. Accès au territoire. Séjour. Etablissement. Obligations.
  Expulsion. Extradition.
  2. LES LIBERTES.
  1. Le régime des droits et des libertés; proscription, en principe, des mesures préventives - répression des infractions - légalité (connaissance approfondie).
  2. L'égalité devant la loi (connaissance approfondie).
  3. La non-discrimination; protection, par la loi et le décret, des minorités idéologiques et philosophiques. Le pacte culturel (connaissance approfondie).
  4. La liberté individuelle; poursuites, arrestation, peines. Interdiction de certaines peines (généralités).
  5. La protection du domicile et de la propriété (généralités).
  6. La liberté de manifester ses opinions. La liberté des cultes. Liberté de l'organisation des cultes (connaissance approfondie).
  7. Le respect de la vie privée et de la dignité humaine. Les droits économiques, sociaux et culturels (connaissance approfondie).
  8. La liberté de l'enseignement. Garanties constitutionnelles (généralités).
  9. La liberté de presse (généralités).
  10. La liberté de réunion - La liberté d'association (généralités).
  11. Le droit de pétition (généralités).
  12. Le secret des lettres (connaissance approfondie).
  13. La publicité de l'administration (généralités).
  14. La protection particulière des articles 10, 11 et 24 de la Constitution (connaissance approfondie).
  3. THEORIE GENERALE DES POUVOIRS.
  La séparation des pouvoirs (notions).
  4. LE POUVOIR LEGISLATIF FEDERAL (notions).
  1. Le pouvoir législatif.
  1. Rôle et prépondérance théorique.
  2. Le bicaméralisme : avantages et inconvénients. Rôle des deux chambres dans l'Etat fédéral suite à la réforme de 1993 : prépondérance de la Chambre sur le Sénat.
  2. Le système électoral belge.
  1. Types d'élections et périodicité.
  2. Division du pays en circonscriptions électorales.
  3. Le système proportionnel : avantages et inconvénients par rapport au système majoritaire.
  3. Fonctionnement des Chambres.
  1. Procédure d'élaboration de la loi.
  2. Questions écrites et orales.
  Interpellations. Droit d'enquête.
  4. La Chambre des représentants.
  1. Composition et compétences (exclusives, conjointes et alternées avec le Sénat).
  2. Contrôle politique du Gouvernement : l'investiture. Cas où la Chambre peut renverser le Gouvernement. Motions de confiance et de méfiance. La " méfiance constructive ".
  5. Le Sénat.
  Composition et compétences.
  5. LE POUVOIR EXECUTIF FEDERAL
  (notions).
  1. Sphère de compétence du pouvoir exécutif. Compétences d'attribution. Exécution des lois (arrêtés royaux et ministériels). Administration générale.
  2. Le statut personnel du Roi.
  L'irresponsabilité et l'inviolabilité.
  3. Les pouvoirs constitutionnels du Roi.
  - Le pouvoir réglementaire; arrêtés ordinaires; arrêtés-lois. Le contreseing ministériel.
  - Le pouvoir de nomination et de révocation.
  - Sanction et promulgation des lois.
  4. Le Gouvernement fédéral.
  1. Composition du Gouvernement et fonctionnement.
  Le premier ministre, les vice-premiers ministres, les ministres, les secrétaires d'Etat.
  Le Conseil des ministres; la parité linguistique.
  2. La responsabilité politique des ministres; le contreseing.
  Le Gouvernement de législature. Cas où le Gouvernement est tenu de démissionner. Les affaires courantes.
  3. La responsabilité civile et pénale.
  5. La force publique.
  Principes constitutionnels.
  6. LE POUVOIR JUDICIAIRE.
  1. Principes généraux.
  Rôle du pouvoir judiciaire.
  Droits civils et droits politiques.
  Magistrature assise et magistrature debout.
  2. L'organisation judiciaire : compétences
  (notions).
  1. La justice de paix et le tribunal de police.
  2. Le tribunal de première instance.
  3. Le tribunal de commerce et le tribunal du travail.
  4. Le tribunal d'arrondissement.
  5. Les juridictions militaires.
  6. Les Cours d'appel.
  7. La Cour d'assises.
  8. La Cour de Cassation.
  3. La Cour d'Arbitrage.
  Composition. Compétences.
  4. Le Conseil d'état.
  Rôle de la Section de législation.
  Rôle de la Section d'administration.
  7. LES COMMUNAUTES ET LES REGIONS
  (notions).
  1. Compétences territoriales des Communautés et des Régions.
  2. Les Communautés.
  - Les compétences matérielles.
  - La fusion des organes de la Communauté flamande et de la Région flamande.
  - La Communauté flamande. Le Parlement et le Gouvernement : composition, compétences, fonctionnement.
  - La Communauté française. Le Conseil et le Gouvernement : composition, compétences, fonctionnement.
  - La Communauté germanophone. Le Conseil et le Gouvernement : composition, compétences, fonctionnement. L'exercice de compétences régionales wallonnes.
  - La protection des minorités idéologiques et philosophiques.
  - L'élaboration du décret : le contrôle politique du Gouvernement. Le vote du budget.
  - La responsabilité politique et pénale des ministres communautaires. L'immunité.
  3. Les Régions flamande et wallonne.
  - Les compétences matérielles des régions.
  - Le Parlement wallon : compétences composition, fonctionnement.
  - L'élaboration des décrets.
  - Le Gouvernement régional wallon :
  composition, fonctionnement.
  - Responsabilité politique et pénale des ministres régionaux. L'immunité.
  4. La Région de Bruxelles-Capitale.
  - L'exercice des compétences régionales.
  - Le Conseil : composition, compétences, fonctionnement. Les groupes linguistiques.
  - Le Gouvernement : les ministres.
  - Les secrétaires d'état régionaux.
  - Les normes régionales : ordonnances et arrêtés.
  - La responsabilité politique et pénale.
  8. LES RELATIONS INTERNATIONALES
  (notions).
  Répartition des compétences :
  - entre le pouvoir fédéral et les entités fédérées;
  - entre le pouvoir législatif et exécutif.
  B. II. 2. Eléments de législation qui se rapportent aux attributions de la Sûreté de l'Etat.
  a) DROIT PENAL.
  Code pénal :
  Livre 1er (notions).
  Livre II :
  Titre 1er : Crimes et délits contre la sûreté de l'Etat (notions).
  Titre II : Chapitre III : Des atteintes portées par des fonctionnaires publics aux droits garantis par la Constitution (connaissance approfondie).
  b) CODE D'INSTRUCTION CRIMINELLE.
  Livre 1er : De la police judiciaire et des officiers de police qui l'exercent (notions).
  c) CONVENTION EUROPEENNE DE SAUVEGARDE DES DROITS DE L'HOMME ET DES LIBERTES FONDAMENTALES.
  1. Contenu et portée des dispositions des articles suivants de la Convention :
  1 à 7 et 9 à 19 (notions).
  8 (connaissance approfondie).
  2. Protocole additionnel.
  Articles 1er et 2 (notions). _
  3. Protocole n° 4.
  Articles 1er à 4 (notions). _ ".
  2.   Begrippen van de wetgeving
       die betrekking hebben tot de
       bevoegdheden van de Veilig-
       heid van de Staat
       a) Strafwetgeving                    1          10 op 20
                                                       punten
       b) Wetboek van strafvorde-
       ring
       c) Europees Verdrag tot
       Bescherming van de
       Rechten van de Mens en de
       Fundamentele Vrijheden
  Om aangenomen te kunnen worden moeten de kandidaten 36
  punten op 60 behalen op het geheel van de vakken vermeld sub B.II.
-
  Voor het geheel van de proeven van het wervingsexamen, moeten de kandidaten 108 punten op 180 behalen.
  § 2. Omstandige opgave van de examenonderwerpen
  A. Schriftelijke proef over de algemene vorming
  Deze proef heeft tot doel de zin voor synthese en kritiek bij de kandidaten na te gaan. Ze bestaat uit twee onderscheiden delen :
  a) een samenvatting, in doorlopende tekst, van de ontwikkelde hoofdgedachten;
  b) een geschreven uiteenzetting die de opmerkingen, de persoonlijke overwegingen en eventueel de bezwaren evenals de kritiek omvat, die de kandidaat gepast acht.
  De beoordeling door de examencommissie houdt rekening met de inhoud, de vorm en de spelling van de teksten.
  B.I. Conversatieproef.
  1. Onderhoud over onderwerpen van algemene aard (ongeveer twintig minuten).
  De conversatieproef bestaat uit een los gesprek en gaat over om het even welk onderwerp van algemene aard dat de persoonlijkheid van de kandidaten, hun geestelijke rijpheid en hun manier van voorkomen kan leren kennen.
  2. Observatieproef.
  Beschrijven van een scène.
  3. Gesprek in de vreemde taal gekozen door de kandidaat.
  Dit handelt over een onderwerp van algemene aard.
  B.II. Mondelinge proef over bepaalde vakken.
  B.II.1. Begrippen van het Belgische grondwettelijk recht.
  1. BASISBEGRIPPEN.
  1. De Grondwet.
  1. Definitie.
  2. Kenmerken (norm van algemene aard - hoogste rechtsnorm continuïteit).
  3. Historische context van de Grondwet. Het Nationaal Congres.
  4. Procedure tot herziening van de Grondwet.
  2. De Belgische Staat.
  1. België, rechtsstaat.
  2. België, federale Staat.
  3. België, representatieve democratie.
  4. België, grondwettelijke monarchie.
  5. Hiërarchie der normen.
  (Grondwet, bijzondere wetten; wetten, decreten en ordonnanties; koninklijke en ministeriële besluiten, besluiten van gemeenschaps- en gewestregeringen, provinciale verordeningen, verordeningen van agglomeraties, gemeentelijke verordeningen).
  6. Residuaire bevoegdheden.
  3. Het Belgisch Grondgebied.
  1. Grond-, water- en luchtgebied.
  2. Gewesten, provincies en gemeenten.
  3. Taalgebieden; gebieden met een bijzonder taalstatuut.
  4. Verandering van de grenzen van de Staat, de provincies, de gemeenten, de taalgebieden.
  4. De nationaliteit.
  1. Nationaliteit van herkomst.
  2. Wijzen van verkrijging van de Belgische nationaliteit (optie, naturalisatie, adoptie, huwelijk,...).
  3. Verlies van de Belgische nationaliteit.
  4. Herkrijging van de Belgische nationaliteit.
  5. Het statuut van vreemdeling.
  1. Rechten en vrijheden gewaarborgd door de Belgische Grondwet.
  2. Rechten en vrijheden gewaarborgd door de internationale verdragen.
  3. Politieke en burgerlijke rechten - Benoemingen tot burgerlijke en militaire bedieningen - De onderhorigen van de Europese Unie.
  4. Toegang tot het grondgebied. Verblijf. Vestiging. Verplichtingen. Verwijdering. Uitlevering.
  2. DE VRIJHEDEN.
  1. Het stelsel van rechten en vrijheden; principiële uitsluiting van preventieve maatregelen - beteugeling van misdrijven - wettigheidsbeginsel. (grondige kennis).
  2. De gelijkheid voor de wet. (grondige kennis).
  3. Het non-discriminatiebeginsel; bescherming door wet en decreet van ideologische en filosofische minderheden. Het cultuurpact. (grondige kennis).
  4. De vrijheid van persoon; rechtsvervolging, aanhouding, straffen. Verbod van bepaalde straffen. (algemene beginselen).
  5. De onschendbaarheid van de woning en bescherming van het eigendomsrecht. (algemene beginselen).
  6. De vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van eredienst en vrije openbare uitoefening. (grondige kennis).
  7. De bescherming van het privé-leven en de menselijke waardigheid. Economische, sociale en culturele rechten. (grondige kennis).
  8. De vrijheid van onderwijs. Grondwettelijke garanties. (algemene beginselen).
  9. De persvrijheid. (algemene beginselen).
  10. De vrijheid van vergadering - De vrijheid van vereniging. (algemene beginselen).
  11. Het petitierecht. (algemene beginselen).
  12. De onschendbaarheid van het briefgeheim. (grondige kennis).
  13. De openbaarheid van bestuur. (algemene beginselen).
  14. De bijzondere bescherming voorzien in de artikelen 10,11 en 24 van de Grondwet. (grondige kennis).
  3. DE MACHTEN (ALGEMENE THEORIE).
  De scheiding der machten. (noties).
  4. DE FEDERALE WETGEVENDE MACHT.
  (noties).
  1. De wetgevende macht.
  1. Rol en theoretische primauteit.
  2. Het tweekamerstelsel : voor- en nadelen. Rol van beide kamers in de federale Staat ten gevolge van de hervorming van 1993 : voorrang van de Kamer op de Senaat.
  2. Het Belgisch kiesstelsel.
  1. Soorten verkiezingen en periodiciteit.
  2. Opdeling van het land in kiesomschrijvingen.
  3. De evenredige vertegenwoordiging : voor- en nadelen t.o.v. het meerderheidssysteem.
  3. Werking van de Kamers.
  1. Totstandkoming van de wet.
  2. Schriftelijke en mondelinge vragen.
  Interpellaties. Recht van onderzoek.
  4. De Kamer van Volksvertegenwoordigers.
  1. Samenstelling en bevoegdheden (exclusieve bevoegdheden, gezamenlijke en alternerende bevoegdheden met de Senaat).
  2. Politieke controle op de regering : de investituur. Gevallen waarin de Kamer de regering kan doen vallen. Moties van vertrouwen en wantrouwen. " De constructieve motie van wantrouwen ".
  5. De Senaat.
  Samenstelling en bevoegdheden.
  5. DE FEDERALE UITVOERENDE MACHT.
  (noties)
  1. Bevoegdheidssfeer. Toegewezen bevoegdheden. Uitvoering van wetten (koninklijke en ministeriële besluiten). Algemeen bestuur.
  2. Het persoonlijk statuut van de Koning.
  Onverantwoordelijkheid en onschendbaarheid.
  3. De grondwettelijke bevoegdheden van de Koning.
  - De koninklijke verordeningsbevoegdheid; gewone besluiten, besluitwetten. De ministeriële mede-ondertekening.
  - Het benoemings- en ontslagrecht.
  - Bekrachtiging en afkondiging van de wetten.
  4. De federale regering.
  1. Samenstelling en werking van de regering.
  De eerste minister, de vice-eerste ministers, de ministers, de staatssecretarissen.
  De ministerraad; de taalpariteit.
  2. De politieke verantwoordelijkheid van de ministers; de medeondertekening.
  De legislatuurregering. Gevallen waarin de regering ontslag moet nemen. Lopende zaken.
  3. De burgerrechtelijke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
  5. De openbare macht.
  Grondwettelijke beginselen.
  6. DE RECHTERLIJKE MACHT.
  1. Algemene principes.
  Rol van de rechterlijke macht.
  Burgerlijke en politieke rechten.
  Zittende en staande magistratuur.
  2. De rechterlijke organisatie : bevoegdheden
  ( noties).
  1. Het vredegerecht en de politierechtbank.
  2. De rechtbank van eerste aanleg.
  3. De rechtbank van koophandel en de arbeidsrechtbank.
  4. De arrondissementsrechtbank.
  5. De militaire rechtbanken.
  6. De Hoven van Beroep.
  7. Het Assisenhof.
  8. Het Hof van Cassatie.
  3. Het Arbitragehof.
  Samenstelling. Bevoegdheden.
  4. De Raad van State.
  Rol van de afdeling wetgeving.
  Rol van de afdeling administratie.
  7. DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN
  (noties).
  1. De territoriale bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten.
  2. De Gemeenschappen.
  - De materiële bevoegdheden.
  - De fusie van de organen van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap.
  - De Vlaamse Gemeenschap. Het Vlaamse Parlement en de Vlaamse Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking.
  - De Franse Gemeenschap. Raad en Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking.
  - De Duitstalige Gemeenschap. Raad en Regering : samenstelling, bevoegdheden, werking. Uitoefening van bevoegdheden van het Waalse Gewest.
  - De bescherming van de ideologische en filosofische minderheden.
  - Totstandkoming van decreten : politieke controle op de Regering. Goedkeuring van de begroting.
  - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gemeenschapsministers. Onschendbaarheid.
  3. Het Vlaamse en het Waalse Gewest.
  - De materiële bevoegdheden van de Gewesten.
  - Het Waalse Parlement : samenstelling, bevoegdheden, werking.
  - Totstandkoming van decreten.
  - De Waalse Gewestregering :
  samenstelling, werking.
  - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de Gewestministers. Onschendbaarheid.
  4. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  - De uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden.
  - De Raad : samenstelling, bevoegdheden, werking. De taalgroepen.
  - De Regering : de ministers.
  - De gewestelijke staatssecretarissen
  - Gewestelijke normen : ordonnanties en besluiten.
  - Politieke en strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
  8. INTERNATIONALE BETREKKINGEN.
  (noties)
  Bevoegdheidsverdeling
  - tussen de federale overheid en de Gemeenschappen en Gewesten;
  - tussen de wetgevende en de uitvoerende macht.
  B.II.2. Begrippen van de wetgeving die betrekking hebben tot de bevoegdheden van de Veiligheid van de Staat.
  a) STRAFWETGEVING :
  Strafwetboek :
  Boek I (noties).
  Boek II :
  Titel I : Misdaden en wanbedrijven tegen de veiligheid van de staat. (noties)
  Titel II : Hoofdstuk III : Schending door openbare ambtenaren van rechten door de Grondwet gewaarborgd. (grondige kennis)
  b) WETBOEK VAN STRAFVORDERING :
  Boek I : De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitvoeren. (noties)
  c) EUROPEES VERDRAG TOT BESCHERMING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN.
  1. Inhoud en draagwijdte van de bepalingen van de volgende artikelen van het Verdrag :
  1 tot 7 en 9 tot 19 (noties)
  8 (grondige kennis)
  2. Aanvullend protocol
  artikelen 1 en 2 (noties)
  3. Protocol nr. 4
  artikelen 1 tot 4 (noties)
-
Art. 9. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Verbetering en beoordeling geschieden overeenkomstig de hierna volgende bepalingen :
  § 1. Schriftelijke proef A : Samenvatting en commentaar op een voordracht inzake een onderwerp van algemene aard
  De proef wordt beoordeeld door de twee leden van de examencommissie hiertoe aangeduid overeenkomstig artikel 9.
  Ieder van de correctoren duidt zijn beoordelingscijfer aan naast het volgnummer van het verbeterde werk, op een lijst die aan elk van hen overhandigd werd.
  Zij mogen hun respectievelijke lijsten niet aan elkaar meedelen, zolang ieder van hen zijn eigen beoordelingswerken niet heeft beëindigd.
  De beoordelingslijsten worden door de correctoren gedateerd en ondertekend.
  Zodra alle examenwerken definitief beoordeeld zijn, worden de uitslagen overgebracht op de verzameltabel die op elk schrift voorkomt.
  Na de deliberatie worden de aan de schriften gehechte omslagen geopend en er wordt nota genomen van de naam van de kandidaat, op wie de beoordelingscijfers betrekking hebben.
  De kandidaten worden tot de volgende proef toegelaten in de volgorde bepaald door de examencommissie.
  § 2. Mondelinge proeven B.
  Deze proeven worden beoordeeld door de leden van de examencommissie hiertoe aangeduid overeenkomstig artikel 9.
  De kandidaten die het vereiste minimum van de punten voor de proef B.I. behaald hebben, worden tot de proef B.II. toegelaten in de volgorde bepaald door de examencommissie.
Art. 9. L'article 14 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " La correction et la cotation se font conformément aux prescriptions suivantes :
  § 1er. Epreuve écrite A : résumé et commentaire d'une conférence sur un sujet d'ordre général.
  L'épreuve est cotée par les deux membres du jury désignés conformément à l'article 9.
  Chacun des correcteurs indiquera la cote attribuée en regard du numéro de la composition corrigée, sur une liste remise à chacun d'eux.
  Ils ne se communiqueront pas leurs listes respectives tant que chacun d'eux n'aura pas terminé ses corrections.
  Les listes d'appréciation sont datées et signées par les correcteurs.
  Dès que toutes les compositions ont été définitivement cotées, les résultats sont reportés sur le tableau récapitulatif qui figure sur chaque cahier.
  Après délibération, les enveloppes fixées sur les cahiers sont ouvertes et il est pris note du nom du candidat auquel les cotes se rapportent.
  Les candidats sont admis à l'épreuve suivante dans l'ordre déterminé par le jury.
  § 2. Epreuves orales B.
  Ces épreuves sont cotées par les membres du jury désignés conformément à l'article 9.
  Les candidats ayant obtenu le minimum des points requis à l'épreuve B. I. sont admis à l'épreuve B. II. dans l'ordre déterminé par le jury. ".
Art. 10. In artikel 16, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden "naar verdienste van de kandidaten" vervangen door "op basis van de punten in het totaal behaald voor de proeven A en B".
  In het tweede lid van hetzelfde artikel worden de woorden "proef B" vervangen door de woorden "proef B.I. "
Art. 10. A l'alinéa 1er de l'article 16 du même arrêté les mots " de mérites des candidats " sont remplacés par " des points obtenus au total des épreuves A et B ".
  A l'alinéa 2 du même article, les mots " l'épreuve B " sont remplacés par les mots " l'épreuve B. I. ".
Art. 11. Artikel 17 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De kandidaten ontvangen van de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat kennisgeving van het resultaat van de proeven van het vergelijkend examen.
  De geslaagde kandidaten krijgen mededeling van hun rangnummer. "
Art. 11. L'article 17 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Les candidats reçoivent de l'administrateur général de la Sûreté de l'Etat notification du résultat des épreuves du concours.
  Les lauréats sont informés de leur rang de classement. ".
Art. 12. Artikel 18 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De mededeling van de rangschikking heeft niet noodzakelijk de indienstroeping tot gevolg. Deze is afhankelijk van het voorafgaand vaststellen van het bestaan van de voorwaarden bedoeld in het ministerieel besluit van te vervolledigen betreffende de lichamelijke geschiktheid vereist van de kandidaten voor de betrekkingen van de buitendiensten van het Bestuur van de Veiligheid van de Staat. "
Art. 12. L'article 18 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " La communication du classement ne préjuge pas de l'appel en service, lequel est subordonné à la constatation préalable de l'existence des conditions visées à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1997 relatif aux aptitudes physiques requises des candidats aux emplois des services extérieurs de l'Administration de la Sûreté de l'Etat. ".
Art. 13. Artikel 20 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Het koninklijk besluit van 22 april 1974 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen voor de leden, secretarissen en helpers van de examencommissies van de examens georganiseerd of voorgezeten door de Vaste Wervingssecretaris, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 augustus 1985 en 17 maart 1995, is toepasselijk op de leden van de examencommissie van dit vergelijkend examen.
Art. 13. L'article 20 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " L'arrêté royal du 22 avril 1974 fixant les allocations et indemnités accordées aux membres, secrétaires et auxiliaires des jurys des épreuves organisées ou présidées par le Secrétaire permanent de recrutement, modifiés par les arrêtés royaux des 12 août 1985 et 17 mars 1995, est applicable aux membres du jury du présent concours. ".
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Brussel,
  S. DE CLERCK
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Bruxelles, le 30 juillet 1997.
  S. DE CLERCK