Artikel 1. Artikel 36 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging oor de afdeling administratie van de Raad van State wordt aangevuld met het volgende lid :
"De arresten die de uitdrukkelijke of vermoedelijke afstand bekrachtigen of die de afwezigheid van het vereiste belang vaststellen, met toepassing van de artikelen 17, § 4ter en 21, tweede en zesde lid, van de gecoördineerde wetten, alsook de arresten waarin besloten wordt dat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, zijn het voorwerp van een toezending van een ongezegeld afschrift bij gewone brief."
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 FEBRUARI 1997. - Koninklijk besluit tot wijziging van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.
Titre
17 FEVRIER 1997. - Arrêté royal modifiant l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat et l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat
Informations sur le document
Info du document
Tekst (10)
Texte (10)
Article 1. L'article 36 de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat est complété par l'alinéa suivant :
"Toutefois, les arrêts qui décrètent le désistement exprès ou présumé ou qui constatent l'absence de l'intérêt requis, par application des articles 17, § 4ter et 21, alinéas 2 et 6, des lois coordonnées, ainsi que les arrêts qui décident qu'il n'y a plus lieu à statuer font l'objet d'un envoi en copie libre sous pli ordinaire."
"Toutefois, les arrêts qui décrètent le désistement exprès ou présumé ou qui constatent l'absence de l'intérêt requis, par application des articles 17, § 4ter et 21, alinéas 2 et 6, des lois coordonnées, ainsi que les arrêts qui décident qu'il n'y a plus lieu à statuer font l'objet d'un envoi en copie libre sous pli ordinaire."
Art. 2. Artikel 67 van hetzelfde besluit opgeheven.
Art. 2. L'article 67 du même arrêté est abrogé.
Art. 3. Artikel 68 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 15 juli 1956, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Wanneer verzocht wordt om de schorsing van de uitvoering van de akte of het reglement van een administratieve overheid, worden in het arrest van de Raad van State terzelfdertijd de kosten van de vordering tot schorsing en deze van het verzoekschrift tot nietigverklaring begroot en wordt uitspraak gedaan over de bijdrage in de betaling ervan op het moment dat daarin uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
In ieder geval wordt het geheel van de kosten die zowel verband houden met de vordering tot schorsing als met het verzoekschrift tot nietigverklaring, ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.
Wanneer de vordering tot schorsing echter niet vergezeld of gevolgd wordt door een verzoekschrift tot nietigverklaring, worden in het arrest dat de schorsing opheft, de kosten begroot, waarbij zij ten laste gelogd worden van de verzoeker."
"Wanneer verzocht wordt om de schorsing van de uitvoering van de akte of het reglement van een administratieve overheid, worden in het arrest van de Raad van State terzelfdertijd de kosten van de vordering tot schorsing en deze van het verzoekschrift tot nietigverklaring begroot en wordt uitspraak gedaan over de bijdrage in de betaling ervan op het moment dat daarin uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
In ieder geval wordt het geheel van de kosten die zowel verband houden met de vordering tot schorsing als met het verzoekschrift tot nietigverklaring, ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.
Wanneer de vordering tot schorsing echter niet vergezeld of gevolgd wordt door een verzoekschrift tot nietigverklaring, worden in het arrest dat de schorsing opheft, de kosten begroot, waarbij zij ten laste gelogd worden van de verzoeker."
Art. 3. L'article 68 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 15 juillet 1956, est complété par les alinéas suivants :
"Lorsque la suspension de l'exécution de l'acte ou du règlement d'une autorité administrative est demandée, l'arrêt du Conseil d'Etat liquide à la fois les dépens de la demande de suspension et ceux de la requête en annulation se prononce sur la contribution au paiement de ceux-ci au moment où il statue sur la requête en annulation.
En tout état de cause, l'ensemble des dépens, liés tant à la demande de suspension qu'à la requête en annulation, sont mis à charge de la partie qui succombe au fond.
Toutefois, lorsque la demande de suspension n'est pas accompagnée on suivie d'une requête en annulation, l'arrêt qui lève la suspension liquide les dépens en les mettant à charge du requérant."
"Lorsque la suspension de l'exécution de l'acte ou du règlement d'une autorité administrative est demandée, l'arrêt du Conseil d'Etat liquide à la fois les dépens de la demande de suspension et ceux de la requête en annulation se prononce sur la contribution au paiement de ceux-ci au moment où il statue sur la requête en annulation.
En tout état de cause, l'ensemble des dépens, liés tant à la demande de suspension qu'à la requête en annulation, sont mis à charge de la partie qui succombe au fond.
Toutefois, lorsque la demande de suspension n'est pas accompagnée on suivie d'une requête en annulation, l'arrêt qui lève la suspension liquide les dépens en les mettant à charge du requérant."
Art. 4. In artikel 70 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 5 september 1952, 17 november 1955, 31 december 1968 en 24 maart 1983, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan § 1 :
a) de woorden "4 000 frank" worden vervangen door de woorden "7 000 frank";
b) 2° wordt aangevuld ais volgt :
"alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden";
c) de volgende leden worden toegevoegd :
"Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2°, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing ongeacht of deze a) dan niet samen met een verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij de artikelen 15bis en 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3 van dit artikel en artikel 68, tweede lid.
Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de Raad van State krachtens artikel 93 van mening is dat hij kennelijk niet bevoegd is of dat de vordering kennelijk onontvankelijk of ongegrond is, wordt de procedure versneld zonder dat het verzoekschrift tot nietigverklaring aanleiding geeft tot de kwijting van het recht. Hetzelfde geldt wanneer, met toepassing van artikel 94, de voorzitter van de kamer van oordeel is dat de vordering kennelijk gegrond is.
Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de verzoeker zich in de loop van de schorsingsprocedure terugtrekt, of wanneer de aangeklaagde akte ingetrokken wordt zodat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, kan de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over het verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure gevorderd kan worden, en is het recht dat daarmee verband houdt, niet verschuldigd.
In het geval van een collectief verzoekschrift tot nietigverklaring moeten de verzoekers die de schorsing niet gevorderd hebben, op straffe van onontvankelijkheid, onmiddellijk het recht kwijten dat verschuldigd is op het verzoekschrift tot nietigverklaring.";
2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden "3 000 frank" worden vervangen door de woorden "5 000 frank" en de woorden "§ 1" door de woorden "§ 1, eerste lid";
b) het volgende lid wordt toegevoegd :
"Indien een persoon die vrijwillig tussenkomt in een schorsingsprocedure, twee verzoekschriften tot tussenkomst indient waarvan het ene voor de schorsingsprocedure en het andere voor de annulatieprocedure, dan wordt het recht slechts gekweten voor de tussenkomst in de schorsingsprocedure en wordt zij in debet begroot voor de annulatieprocedure."
1° aan § 1 :
a) de woorden "4 000 frank" worden vervangen door de woorden "7 000 frank";
b) 2° wordt aangevuld ais volgt :
"alsook de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid, onder de in het tweede lid bepaalde voorwaarden";
c) de volgende leden worden toegevoegd :
"Wanneer de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement van een administratieve overheid wordt gevorderd, wordt het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2°, slechts onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing ongeacht of deze a) dan niet samen met een verzoekschrift tot nietigverklaring werd ingediend. In dit geval is het recht van het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij de artikelen 15bis en 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en wordt het gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 3 van dit artikel en artikel 68, tweede lid.
Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de Raad van State krachtens artikel 93 van mening is dat hij kennelijk niet bevoegd is of dat de vordering kennelijk onontvankelijk of ongegrond is, wordt de procedure versneld zonder dat het verzoekschrift tot nietigverklaring aanleiding geeft tot de kwijting van het recht. Hetzelfde geldt wanneer, met toepassing van artikel 94, de voorzitter van de kamer van oordeel is dat de vordering kennelijk gegrond is.
Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de Raad van State, en wanneer de verzoeker zich in de loop van de schorsingsprocedure terugtrekt, of wanneer de aangeklaagde akte ingetrokken wordt zodat er geen uitspraak meer gedaan moet worden, kan de Raad van State in één en hetzelfde arrest uitspraak doen over de vordering tot schorsing en over het verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de voortzetting van de procedure gevorderd kan worden, en is het recht dat daarmee verband houdt, niet verschuldigd.
In het geval van een collectief verzoekschrift tot nietigverklaring moeten de verzoekers die de schorsing niet gevorderd hebben, op straffe van onontvankelijkheid, onmiddellijk het recht kwijten dat verschuldigd is op het verzoekschrift tot nietigverklaring.";
2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden "3 000 frank" worden vervangen door de woorden "5 000 frank" en de woorden "§ 1" door de woorden "§ 1, eerste lid";
b) het volgende lid wordt toegevoegd :
"Indien een persoon die vrijwillig tussenkomt in een schorsingsprocedure, twee verzoekschriften tot tussenkomst indient waarvan het ene voor de schorsingsprocedure en het andere voor de annulatieprocedure, dan wordt het recht slechts gekweten voor de tussenkomst in de schorsingsprocedure en wordt zij in debet begroot voor de annulatieprocedure."
Art. 4. A l'article 70 du même arrête, modifié par les arrêtés des 5 septembre 1952, 17 novembre 1955, 31 décembre 1968 et 24 mars 1983, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er :
a) les mots "4 000 francs" sont remplacés par les mots "7 000 francs";
b) le 2° est complété comme suit :
"ainsi que les demandes de suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative, dans les conditions fixées par l'alinéa 2";
c) les alinéas suivants sont ajoutés :
"Lorsque la suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative est demandée, la taxe fixée à l'alinéa 1er, 2°, n'est immédiatement payée que pour la demande de suspension, que celle-ci ait été ou non introduite en même temps qu'une requête en annulation. Dans ce cas, la taxe pour la requête en annulation n'est due que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure visée par les articles 15bis et 15ter de l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3 du présent article et de l'article 68, alinéa 2.
Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et qu'en vertu de l'article 93, il estime qu'il n'est manifestement pas compétent ou que la demande est manifestement irrecevable ou non fondée, la procédure est diligentée sans que la requête en annulation donne lieu au paiement de la taxe. Il en est de même lorsque en application de l'article 94, le président de chambre estime que la demande est manifestement fondée.
Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et que dans le cours de la procédure de suspension, le requérant se désiste, ou lorsque l'acte attaqué est retire en sorte qu'il n'y a plus lieu à statuer, le Conseil d'Etat peut se prononcer par un seul et même arrêt sur la demande de suspension et sur la requête en annulation sans qu'il y ait lieu à demande de poursuite de la procédure et la taxe y afférente n'est pas due.
En cas de requête collective en annulation, ceux des requérants qui n'ont pas demandé la suspension doivent, sous peine d'irrecevabilité, payer immédiatement, sur la requête en annulation, la taxe due pour celle-ci.";
2° au § 2, sont apportées les modifications suivantes :
a) les mots "3 000 francs" sont remplacés par les mots "5 000 francs" et les mots "§ 1er" par les mots "§ 1er, alinéa 1er";
b) l'alinéa suivant est ajouté :
"Si une personne intervenant volontairement dans une procédure en suspension forme deux requêtes en intervention, l'une pour la procédure en suspension et l'autre pour la procédure en annulation, la taxe n'est payée que pour l'intervention dans la procédure en suspension et est liquidée en débet pour la procédure en annulation."
1° au § 1er :
a) les mots "4 000 francs" sont remplacés par les mots "7 000 francs";
b) le 2° est complété comme suit :
"ainsi que les demandes de suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative, dans les conditions fixées par l'alinéa 2";
c) les alinéas suivants sont ajoutés :
"Lorsque la suspension de l'exécution d'un acte ou d'un règlement d'une autorité administrative est demandée, la taxe fixée à l'alinéa 1er, 2°, n'est immédiatement payée que pour la demande de suspension, que celle-ci ait été ou non introduite en même temps qu'une requête en annulation. Dans ce cas, la taxe pour la requête en annulation n'est due que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure visée par les articles 15bis et 15ter de l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat et est acquittée par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 3 du présent article et de l'article 68, alinéa 2.
Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et qu'en vertu de l'article 93, il estime qu'il n'est manifestement pas compétent ou que la demande est manifestement irrecevable ou non fondée, la procédure est diligentée sans que la requête en annulation donne lieu au paiement de la taxe. Il en est de même lorsque en application de l'article 94, le président de chambre estime que la demande est manifestement fondée.
Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'une demande de suspension et d'une requête en annulation, et que dans le cours de la procédure de suspension, le requérant se désiste, ou lorsque l'acte attaqué est retire en sorte qu'il n'y a plus lieu à statuer, le Conseil d'Etat peut se prononcer par un seul et même arrêt sur la demande de suspension et sur la requête en annulation sans qu'il y ait lieu à demande de poursuite de la procédure et la taxe y afférente n'est pas due.
En cas de requête collective en annulation, ceux des requérants qui n'ont pas demandé la suspension doivent, sous peine d'irrecevabilité, payer immédiatement, sur la requête en annulation, la taxe due pour celle-ci.";
2° au § 2, sont apportées les modifications suivantes :
a) les mots "3 000 francs" sont remplacés par les mots "5 000 francs" et les mots "§ 1er" par les mots "§ 1er, alinéa 1er";
b) l'alinéa suivant est ajouté :
"Si une personne intervenant volontairement dans une procédure en suspension forme deux requêtes en intervention, l'une pour la procédure en suspension et l'autre pour la procédure en annulation, la taxe n'est payée que pour l'intervention dans la procédure en suspension et est liquidée en débet pour la procédure en annulation."
Art. 5. In artikel 71 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 december 1968, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door volgende leden :
"De rechten bedoeld in het voorgaande lid worden betaald door middel van plakzegels, van het type voorzien zoals bij de heffing van zegelrechten, aangebracht in hun geheel, naargelang van het geval :
a) Op het origineel van het verzoekschrift;
b) op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 70, § 1, tweede lid.
Deze zegels worden onbruikbaar gemaakt op de wijze voorgeschreven door artikel 13 van het besluit van de Regent van 18 september 1947, tot uitvoering van het Wetboek van zegelrechten.
Wanneer in de vordering tot schorsing de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, moet het recht verschuldigd bij artikel 70, § 1, 2°, en § 2, eerste lid, betaald worden, indien dit niet gebeurd is op hot origineel van de vordering of van het verzoekschrift tot tussenkomst voordat de bevoegde kamer uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing. Het arrest dat, in de gevallen die bedoeld worden in artikel 17, § 1, derde en vierde lid, van de gecoördineerde wetten, de voorlopige schorsing of de bevestiging daarvan weigert, doet uitspraak over de kosten van de schorsingsprocedure. In dit geval is de hoofdgriffier, overeenkomstig artikel 69, tweede lid, belast met de inning van het recht dat niet betaald zou zijn op het origineel van de vordering tot schorsing of van het verzoekschrift tot nietigverklaring.";
2° In het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "eerste lid" vervangen door de woorden "tweede lid".
1° het eerste lid wordt vervangen door volgende leden :
"De rechten bedoeld in het voorgaande lid worden betaald door middel van plakzegels, van het type voorzien zoals bij de heffing van zegelrechten, aangebracht in hun geheel, naargelang van het geval :
a) Op het origineel van het verzoekschrift;
b) op het origineel van de vordering tot schorsing of de vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 70, § 1, tweede lid.
Deze zegels worden onbruikbaar gemaakt op de wijze voorgeschreven door artikel 13 van het besluit van de Regent van 18 september 1947, tot uitvoering van het Wetboek van zegelrechten.
Wanneer in de vordering tot schorsing de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, moet het recht verschuldigd bij artikel 70, § 1, 2°, en § 2, eerste lid, betaald worden, indien dit niet gebeurd is op hot origineel van de vordering of van het verzoekschrift tot tussenkomst voordat de bevoegde kamer uitspraak doet over de bevestiging van de schorsing. Het arrest dat, in de gevallen die bedoeld worden in artikel 17, § 1, derde en vierde lid, van de gecoördineerde wetten, de voorlopige schorsing of de bevestiging daarvan weigert, doet uitspraak over de kosten van de schorsingsprocedure. In dit geval is de hoofdgriffier, overeenkomstig artikel 69, tweede lid, belast met de inning van het recht dat niet betaald zou zijn op het origineel van de vordering tot schorsing of van het verzoekschrift tot nietigverklaring.";
2° In het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden "eerste lid" vervangen door de woorden "tweede lid".
Art. 5. A l'article 71 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 31 décembre 1968, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par les alinéas suivants :
"Les taxes visées à l'article précédent sont acquittées au moyen de timbres adhésifs, du type prévu pour la perception du droit de timbre, à apposer en entier, selon le cas :
a) sur l'original de la requête;
b) sur l'original de la demande de suspension ou de la demande de poursuite de la procédure visée à l'article 70, § 1er, alinéa 2.
Ces timbres sont annulés de la manière prescrite par l'article 13 de l'arrêté du Régent du 18 septembre 1947, relatif à l'exécution du Code des droits de timbre.
Lorsque la demande de suspension invoque l'extrême urgence, la taxe fixée à l'article 70, § 1er, 2° et § 2, alinéa 1er, doit être acquittée, si elle ne l'est sur l'original de la demande ou de la requête en intervention, avant que la chambre compétente statue sur la confirmation de la suspension. L'arrêt qui, dans les cas visés à l'article 17, § 1er, alinéas 3 et 4 des lois coordonnées, refuse la suspension provisoire ou en refuse la confirmation, prononce sur les dépens de la procédure en suspension. Dans ce cas, le recouvrement de la taxe qui n'aurait pas été acquittée sur l'original de la demande de suspension ou de la requête en intervention, est poursuivi à l'intervention du greffier en chef conformément a l'article 69, alinéa 2.";
2° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 5, lest mots "alinéa 1er" sont remplacés par les mots "alinéa 2".
1° l'alinéa 1er est remplacé par les alinéas suivants :
"Les taxes visées à l'article précédent sont acquittées au moyen de timbres adhésifs, du type prévu pour la perception du droit de timbre, à apposer en entier, selon le cas :
a) sur l'original de la requête;
b) sur l'original de la demande de suspension ou de la demande de poursuite de la procédure visée à l'article 70, § 1er, alinéa 2.
Ces timbres sont annulés de la manière prescrite par l'article 13 de l'arrêté du Régent du 18 septembre 1947, relatif à l'exécution du Code des droits de timbre.
Lorsque la demande de suspension invoque l'extrême urgence, la taxe fixée à l'article 70, § 1er, 2° et § 2, alinéa 1er, doit être acquittée, si elle ne l'est sur l'original de la demande ou de la requête en intervention, avant que la chambre compétente statue sur la confirmation de la suspension. L'arrêt qui, dans les cas visés à l'article 17, § 1er, alinéas 3 et 4 des lois coordonnées, refuse la suspension provisoire ou en refuse la confirmation, prononce sur les dépens de la procédure en suspension. Dans ce cas, le recouvrement de la taxe qui n'aurait pas été acquittée sur l'original de la demande de suspension ou de la requête en intervention, est poursuivi à l'intervention du greffier en chef conformément a l'article 69, alinéa 2.";
2° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 5, lest mots "alinéa 1er" sont remplacés par les mots "alinéa 2".
Art. 6. In artikel 78 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 31 december 1968, worden de woorden "in artikel 7, § 1, en in artikel 9 van de wet van 23 december 1946" vervangen door de woorden "in de artikelen 11, 14, 17 en 18 van de gecoördineerde wetten en op de vorderingen tot tussenkomst".
Art. 6. Dans l'article 78 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 31 décembre 1968, les mots "à l'article 7, § 1er, et à l'article 9 de la loi du 23 décembre 1946" sont remplacés par les mots "aux articles 11, 14, 17 et 18 des lois coordonnées, ainsi qu'aux demandes en intervention".
Art. 7. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 6 de l'arrêté royal du 5 décembre 1991 déterminant la procédure en référé devant le Conseil d'Etat est abrogé.
Art. 8. De procedures die ingesteld zijn vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit en die op die datum aan de gang zijn, alsook de latere akten van deze procedures en hetzelfde geding, blijven onderworpen aan de bepalingen inzake rechten waarin voorzien wordt door het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, zoals zij van toepassing waren vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 8. Les procédures introduites avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté et en cours à cette date, ainsi que les actes ultérieurs de ces procédures dans la même cause restent soumis aux dispositions en matière de taxes prévues par l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat, telles qu'elles étaient d'application avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de tweede maand volgend op die gedurende welke in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 9. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du deuxième mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 10. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 17 februari 1997.
ALBERT
Gegeven te Brussel, 17 februari 1997.
ALBERT
Art. 10. Notre Ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 17 février 1997.
Donné à Bruxelles, le 17 février 1997.