Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 JUNI 1996. - Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van [de vakgebonden eindtermen en de vakgebonden ontwikkelingsdoelen] van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs. <Opschrift gewijzigd door2009-02-13/47, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-07-2009> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-08-1996 en tekstbijwerking tot 03-07-2009)
Titre
20 JUIN 1996. - Arrêté du Gouvernement flamand définissant [les objectifs finaux spécifiques aux différentes branches et les objectifs de développement spécifiques aux différentes branches] du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire. <Intitulé modifié par AGF2009-02-13/47, art. 2, 003; En vigueur : 13-07-2009> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-08-1996 et mise à jour au 03-07-2009)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (36)
Texte (36)
Artikel 1. [1 De vakgebonden eindtermen en de vakgebonden ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs worden vastgesteld in de bijlage, die bij dit besluit is gevoegd.]1
Article 1. [1 Les objectifs finaux spécifiques aux différentes branches et les objectifs de développement spécifiques aux différentes branches du premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire sont fixés à l'annexe au présent arrêté.]1
Modifications
Art. 2. De eindtermen en ontwikkelingsdoelen vastgesteld bij dit besluit moeten worden in acht genomen vanaf het schooljaar 1997-1998.
Art. 2. Les objectifs finaux et les objectifs de développement fixés par le présent arrêté seront applicables à partir de l'année scolaire 1997-1998.
Art. 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 3. Le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 20 juni 1996.
Brussel, 20 juni 1996.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
Brussel, 20 juni 1996.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 20 juin 1996.
Bruxelles, le 20 juin 1996.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Fonction publique,
L. VAN DEN BOSSCHE
Bruxelles, le 20 juin 1996.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Fonction publique,
L. VAN DEN BOSSCHE
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. Bijlage 1. Eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs.
Vakgebonden eindtermen
Aardrijkskunde
Natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk
Geschiedenis
Lichamelijke opvoeding
Moderne vreemde talen: Frans - Engels
Artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding
Nederlands
Technologische opvoeding
Wiskunde
Vakoverschrijdende eindtermen
Leren leren
Sociale vaardigheden
Opvoeden tot burgerzin
Gezondheidseducatie
Milieu-educatie
(Informatie- en communicatietechnologie)
Vakgebonden eindtermen
Aardrijkskunde
Natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk
Geschiedenis
Lichamelijke opvoeding
Moderne vreemde talen: Frans - Engels
Artistieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding
Nederlands
Technologische opvoeding
Wiskunde
Vakoverschrijdende eindtermen
Leren leren
Sociale vaardigheden
Opvoeden tot burgerzin
Gezondheidseducatie
Milieu-educatie
(Informatie- en communicatietechnologie)
Art. N1. Objectifs finaux et objectifs de développement pour le premier degré de l'enseignement secondaire ordinaire
Objectifs finaux liés aux différentes branches
Géographie
Sciences naturelles ou physique et/ou biologie et/ou travaux scientifiques
Histoire
Education physique
Langues étrangères modernes : Francais - Anglais
Education artistique ou plastique et/ou musicale
Néerlandais.
Education technologique
Mathématiques
Objectifs finaux interdisciplinaires
Apprendre à étudier
Aptitudes sociales
Education au sens civique
Education à la santé
Education à l'environnement
(Technologie d'information et de communication)
Objectifs finaux liés aux différentes branches
Géographie
Sciences naturelles ou physique et/ou biologie et/ou travaux scientifiques
Histoire
Education physique
Langues étrangères modernes : Francais - Anglais
Education artistique ou plastique et/ou musicale
Néerlandais.
Education technologique
Mathématiques
Objectifs finaux interdisciplinaires
Apprendre à étudier
Aptitudes sociales
Education au sens civique
Education à la santé
Education à l'environnement
(Technologie d'information et de communication)
Art. 1N1. VAKGEBONDEN EINDTERMEN
AARDRIJKSKUNDE (1)
1 Landschap en kaart
De leerlingen kunnen
1 een reëel landschap en beelden ervan met elementaire geografische termen beschrijven en deze op een overeenstemmende kaart aanwijzen.
2 kaarten en plattegronden lezen door gebruik te maken van legende, schaal en oriëntatie.
3 een kaart en een aardrijkskundig element in een atlas vinden en lokaliseren aan de hand van de inhoudstafel en het namenregister.
4 op werkkaarten van Vlaanderen of België en van andere bestudeerde gebieden diverse landschapscomponenten benoemen, zijnde reliëfgebieden, rivieren, landbouwgebieden, industriegebieden, agglomeraties en steden, zeehavens, transportassen, toeristische streken en toeristische centra.
De leerlingen
* 5 leren spontaan de passende kaart raadplegen.
2 Bevolking en multiculturele samenleving
De leerlingen kunnen
6 elementaire begrippen aangaande de bevolking, inclusief culturele aspecten, verwoorden en desbetreffende bevolkingsgegevens aflezen van kaarten en grafieken.
7 elementen van andere culturen in de eigen omgeving beschrijven.
De leerlingen
* 8 leren respect opbrengen voor de eigenheid en de specifieke leefwijze van mensen uit andere culturen, ook in onze multiculturele samenleving.
3 Het natuurlijk milieu
3.1 Bodem en ondergrond
De leerlingen kunnen
9 enkele gesteenten op monsters benoemen op basis van proefondervindelijke waarnemingen.
10 bodem en ondergrond in een ontsluiting of op een afbeelding onderscheiden.
11 in de eigen omgeving bouwmaterialen in verband brengen met gesteenten of de verwerking ervan.
3.2 Reliëf
De leerlingen kunnen
12 in een landschap en op beeld de belangrijkste elementen van het reliëf aanwijzen alsook reliëfvormen herkennen en benoemen.
13 in een landschap en op beeld de werking van stromend water verwoorden.
14 op kaarten hoogten en hoogtezones aflezen aan de hand van hoogtepunten, hoogtelijnen en kleuren.
15 de vervuilingsgraad van enkele Belgische rivieren van een kaart aflezen en de belangrijkste oorzaken ervan opnoemen.
De leerlingen
* 16 leren respect opbrengen voor de waarde van zuiver water.
3.3 Weer en klimaat
De leerlingen kunnen
17 de overeenkomsten en verschillen tussen weer en klimaat verwoorden.
18 voor enkele factoren uitleggen hoe ze weer en klimaat beïnvloeden.
19 met voorbeelden illustreren dat weer en klimaat de plantengroei en de activiteiten van dier en mens beïnvloeden.
20 gegevens over weer en klimaat van een gebied uit cijfers, grafische voorstellingen en kaarten aflezen.
4 De mens en het landschap
4.1 Het landelijk landschap
De leerlingen kunnen
21 een landelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een landelijk landschap elders.
22 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met landbouwactiviteiten.
De leerlingen
* 23 leren open ruimten als waardevol, duurzaam, maatschappelijk bezit waarderen.
4.2 Het industrielandschap
De leerlingen kunnen
24 een industrielandschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een industrielandschap elders.
25 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met industriële activiteiten.
4.3 Het stedelijk landschap
De leerlingen kunnen
26 een stedelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een stedelijk landschap elders.
27 milieu-effecten en samenlevingsaspecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het stedelijk landschap.
De leerlingen
* 28 leren aandacht hebben voor en dragen bij tot de leefkwaliteit van de eigen omgeving.
4.4 Het verkeer in het landschap
De leerlingen kunnen
29 de landschappelijke invloed van het verkeer beschrijven.
30 een havenlandschap herkennen en beschrijven naar uitzicht en functies.
31 voor de eigen omgeving de drukke verkeersknooppunten aanbrengen op kaart of stadsplan.
32 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het verkeer.
De leerlingen
* 33 ontwikkelen een kritische houding tegenover de verkeerssituatie in de eigen omgeving.
4.5 Het toeristische en recreatieve landschap
De leerlingen kunnen
34 een toeristisch en recreatief landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een toeristisch landschap elders.
35 effecten van toerisme en recreatie op het landschap en de economie verwoorden.
De leerlingen
* 36 leren als toerist en recreant respect opbrengen voor het milieu, het patrimonium en de bewoners.
5 De eigen leefruimte
De leerlingen kunnen
37 de eigen leefruimte herkennen als een gedifferentieerd geheel van landschappen.
38 de eigen leefruimte in een regionaal kader plaatsen en daarvan enkele hoofdkenmerken verwoorden.
AARDRIJKSKUNDE (1)
1 Landschap en kaart
De leerlingen kunnen
1 een reëel landschap en beelden ervan met elementaire geografische termen beschrijven en deze op een overeenstemmende kaart aanwijzen.
2 kaarten en plattegronden lezen door gebruik te maken van legende, schaal en oriëntatie.
3 een kaart en een aardrijkskundig element in een atlas vinden en lokaliseren aan de hand van de inhoudstafel en het namenregister.
4 op werkkaarten van Vlaanderen of België en van andere bestudeerde gebieden diverse landschapscomponenten benoemen, zijnde reliëfgebieden, rivieren, landbouwgebieden, industriegebieden, agglomeraties en steden, zeehavens, transportassen, toeristische streken en toeristische centra.
De leerlingen
* 5 leren spontaan de passende kaart raadplegen.
2 Bevolking en multiculturele samenleving
De leerlingen kunnen
6 elementaire begrippen aangaande de bevolking, inclusief culturele aspecten, verwoorden en desbetreffende bevolkingsgegevens aflezen van kaarten en grafieken.
7 elementen van andere culturen in de eigen omgeving beschrijven.
De leerlingen
* 8 leren respect opbrengen voor de eigenheid en de specifieke leefwijze van mensen uit andere culturen, ook in onze multiculturele samenleving.
3 Het natuurlijk milieu
3.1 Bodem en ondergrond
De leerlingen kunnen
9 enkele gesteenten op monsters benoemen op basis van proefondervindelijke waarnemingen.
10 bodem en ondergrond in een ontsluiting of op een afbeelding onderscheiden.
11 in de eigen omgeving bouwmaterialen in verband brengen met gesteenten of de verwerking ervan.
3.2 Reliëf
De leerlingen kunnen
12 in een landschap en op beeld de belangrijkste elementen van het reliëf aanwijzen alsook reliëfvormen herkennen en benoemen.
13 in een landschap en op beeld de werking van stromend water verwoorden.
14 op kaarten hoogten en hoogtezones aflezen aan de hand van hoogtepunten, hoogtelijnen en kleuren.
15 de vervuilingsgraad van enkele Belgische rivieren van een kaart aflezen en de belangrijkste oorzaken ervan opnoemen.
De leerlingen
* 16 leren respect opbrengen voor de waarde van zuiver water.
3.3 Weer en klimaat
De leerlingen kunnen
17 de overeenkomsten en verschillen tussen weer en klimaat verwoorden.
18 voor enkele factoren uitleggen hoe ze weer en klimaat beïnvloeden.
19 met voorbeelden illustreren dat weer en klimaat de plantengroei en de activiteiten van dier en mens beïnvloeden.
20 gegevens over weer en klimaat van een gebied uit cijfers, grafische voorstellingen en kaarten aflezen.
4 De mens en het landschap
4.1 Het landelijk landschap
De leerlingen kunnen
21 een landelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een landelijk landschap elders.
22 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met landbouwactiviteiten.
De leerlingen
* 23 leren open ruimten als waardevol, duurzaam, maatschappelijk bezit waarderen.
4.2 Het industrielandschap
De leerlingen kunnen
24 een industrielandschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een industrielandschap elders.
25 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met industriële activiteiten.
4.3 Het stedelijk landschap
De leerlingen kunnen
26 een stedelijk landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een stedelijk landschap elders.
27 milieu-effecten en samenlevingsaspecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het stedelijk landschap.
De leerlingen
* 28 leren aandacht hebben voor en dragen bij tot de leefkwaliteit van de eigen omgeving.
4.4 Het verkeer in het landschap
De leerlingen kunnen
29 de landschappelijke invloed van het verkeer beschrijven.
30 een havenlandschap herkennen en beschrijven naar uitzicht en functies.
31 voor de eigen omgeving de drukke verkeersknooppunten aanbrengen op kaart of stadsplan.
32 milieu-effecten opnoemen die in verband kunnen gebracht worden met het verkeer.
De leerlingen
* 33 ontwikkelen een kritische houding tegenover de verkeerssituatie in de eigen omgeving.
4.5 Het toeristische en recreatieve landschap
De leerlingen kunnen
34 een toeristisch en recreatief landschap herkennen, beschrijven naar uitzicht en functies en eenvoudige observeerbare kenmerken ervan vergelijken met een toeristisch landschap elders.
35 effecten van toerisme en recreatie op het landschap en de economie verwoorden.
De leerlingen
* 36 leren als toerist en recreant respect opbrengen voor het milieu, het patrimonium en de bewoners.
5 De eigen leefruimte
De leerlingen kunnen
37 de eigen leefruimte herkennen als een gedifferentieerd geheel van landschappen.
38 de eigen leefruimte in een regionaal kader plaatsen en daarvan enkele hoofdkenmerken verwoorden.
Art. 1N1. OBJECTIFS FINAUX LIES AUX DIFFERENTES BRANCHES. GEOGRAPHIE (1).
1 Paysage et carte
Les élèves peuvent
1 décrire un paysage réel et des images de ce paysage avec des termes élémentaires de géographie et les indiquer sur une carte correspondante.
2 lire des cartes et des plans à l'aide de la légende, de l'échelle et de l'orientation.
3 trouver une carte et un élément géographique dans un atlas et les localiser à l'aide de la table des matières et de l'index.
4 nommer sur des cartes de travail de Flandre ou de Belgique et des autres régions étudiées les différentes composantes du paysage, à savoir les reliefs, les rivières, les régions agricoles, les régions industrielles, les agglomérations et les villes, les ports maritimes, les axes de transport, les régions touristiques et les centres touristiques.
Les élèves
* 5 consultent spontanément la carte appropriée.
2 Population et société multiculturelle
Les élèves peuvent
6 expliquer des concepts élémentaires concernant la population, y compris ses aspects multiculturels, et lire les données démographiques y afférentes sur des cartes et des graphiques.
7 expliquer des éléments d'autres cultures présents dans leur propre environnement.
Les élèves
* 8 font preuve de respect pour le caractère propre et la manière de vivre spécifique de personnes appartenant à d'autres cultures, également dans notre société multiculturelle.
3 Le milieu naturel
3.1 Sol et sous-sol
Les élèves peuvent
9 nommer, sur échantillons, quelques roches sur la base d'observations expérimentales.
10 distinguer le sol du sous-sol dans un affleurement ou sur une illustration.
11 établir, dans un environnement local, le rapport entre des matériaux de construction et des roches ou le traitement de celles-ci.
3.2 Relief
Les élèves peuvent
12 indiquer dans un paysage et sur une image les principaux éléments du relief ainsi que reconnaître et nommer les formes du relief.
13 décrire l'action de l'eau des cours d'eau dans un paysage ou sur une image.
14 lire des altitudes et des zones d'altitudes sur des cartes à l'aide des points culminants, des courbes de niveau et des couleurs.
15 lire le degré de pollution de quelques rivières belges sur une carte et en citer les causes principales.
Les élèves
* 16 font preuve de respect quant à la valeur de l'eau pure.
3.3 Conditions atmosphériques et climat
Les élèves peuvent
17 expliquer les similitudes et les différences entre le temps et le climat.
18 expliquer quelques facteurs qui influencent le temps et le climat.
19 illustrer par des exemples que le temps et le climat influencent la végétation et les activités des animaux et des hommes.
20 lire des données sur le temps et le climat d'une région à partir de chiffres, de représentations graphiques et de cartes.
4 L'homme et le paysage
4.1 Le paysage agricole
Les élèves peuvent
21 reconnaître un paysage agricole, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage agricole ailleurs.
22 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec les activités agricoles.
Les élèves
* 23 apprennent à considérer les espaces extérieurs comme une possession précieuse, durable et sociale.
4.2 Le paysage industriel
Les élèves peuvent
24 reconnaître un paysage industriel, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage industriel ailleurs.
25 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec des activités industrielles.
4.3 Le paysage urbain
Les élèves peuvent
26 reconnaître le paysage urbain, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage urbain ailleurs.
27 nommer les effets sur l'environnement et les phénomènes de société qui peuvent être mis en relation avec le paysage urbain.
Les élèves
* 28 apprennent à porter attention à la qualité de la vie de l'environnement local et y contribuent.
4.4 La circulation dans le paysage
Les élèves peuvent
29 décrire l'influence de la circulation sur le paysage.
30 reconnaître le paysage portuaire et décrire ses aspects et fonctions.
31 indiquer les noeuds routiers de circulation intense sur une carte ou sur un plan de ville de leur propre environnement.
32 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec la circulation.
Les élèves
* 33 adoptent une attitude critique face à la situation de la circulation dans leur environnement local.
4.6 Le paysage touristique et récréatif
Les élèves peuvent
34 reconnaître un paysage touristique et récréatif, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage touristique ailleurs.
35 expliquer les effets du tourisme et de la récréation sur le paysage et sur l'économie.
Les élèves
* 36 apprennent, en tant que touristes et personnes pratiquant des activités récréatives, du respect pour l'environnement, le patrimoine et les habitants.
5 Le propre espace vital
Les élèves peuvent
37 reconnaître leur propre espace vital comme un ensemble différencié de paysages.
38 placer leur propre espace vital dans un cadre régional et en expliquer quelques-unes des principales caractéristiques.
1 Paysage et carte
Les élèves peuvent
1 décrire un paysage réel et des images de ce paysage avec des termes élémentaires de géographie et les indiquer sur une carte correspondante.
2 lire des cartes et des plans à l'aide de la légende, de l'échelle et de l'orientation.
3 trouver une carte et un élément géographique dans un atlas et les localiser à l'aide de la table des matières et de l'index.
4 nommer sur des cartes de travail de Flandre ou de Belgique et des autres régions étudiées les différentes composantes du paysage, à savoir les reliefs, les rivières, les régions agricoles, les régions industrielles, les agglomérations et les villes, les ports maritimes, les axes de transport, les régions touristiques et les centres touristiques.
Les élèves
* 5 consultent spontanément la carte appropriée.
2 Population et société multiculturelle
Les élèves peuvent
6 expliquer des concepts élémentaires concernant la population, y compris ses aspects multiculturels, et lire les données démographiques y afférentes sur des cartes et des graphiques.
7 expliquer des éléments d'autres cultures présents dans leur propre environnement.
Les élèves
* 8 font preuve de respect pour le caractère propre et la manière de vivre spécifique de personnes appartenant à d'autres cultures, également dans notre société multiculturelle.
3 Le milieu naturel
3.1 Sol et sous-sol
Les élèves peuvent
9 nommer, sur échantillons, quelques roches sur la base d'observations expérimentales.
10 distinguer le sol du sous-sol dans un affleurement ou sur une illustration.
11 établir, dans un environnement local, le rapport entre des matériaux de construction et des roches ou le traitement de celles-ci.
3.2 Relief
Les élèves peuvent
12 indiquer dans un paysage et sur une image les principaux éléments du relief ainsi que reconnaître et nommer les formes du relief.
13 décrire l'action de l'eau des cours d'eau dans un paysage ou sur une image.
14 lire des altitudes et des zones d'altitudes sur des cartes à l'aide des points culminants, des courbes de niveau et des couleurs.
15 lire le degré de pollution de quelques rivières belges sur une carte et en citer les causes principales.
Les élèves
* 16 font preuve de respect quant à la valeur de l'eau pure.
3.3 Conditions atmosphériques et climat
Les élèves peuvent
17 expliquer les similitudes et les différences entre le temps et le climat.
18 expliquer quelques facteurs qui influencent le temps et le climat.
19 illustrer par des exemples que le temps et le climat influencent la végétation et les activités des animaux et des hommes.
20 lire des données sur le temps et le climat d'une région à partir de chiffres, de représentations graphiques et de cartes.
4 L'homme et le paysage
4.1 Le paysage agricole
Les élèves peuvent
21 reconnaître un paysage agricole, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage agricole ailleurs.
22 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec les activités agricoles.
Les élèves
* 23 apprennent à considérer les espaces extérieurs comme une possession précieuse, durable et sociale.
4.2 Le paysage industriel
Les élèves peuvent
24 reconnaître un paysage industriel, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage industriel ailleurs.
25 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec des activités industrielles.
4.3 Le paysage urbain
Les élèves peuvent
26 reconnaître le paysage urbain, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage urbain ailleurs.
27 nommer les effets sur l'environnement et les phénomènes de société qui peuvent être mis en relation avec le paysage urbain.
Les élèves
* 28 apprennent à porter attention à la qualité de la vie de l'environnement local et y contribuent.
4.4 La circulation dans le paysage
Les élèves peuvent
29 décrire l'influence de la circulation sur le paysage.
30 reconnaître le paysage portuaire et décrire ses aspects et fonctions.
31 indiquer les noeuds routiers de circulation intense sur une carte ou sur un plan de ville de leur propre environnement.
32 nommer les effets sur l'environnement qui peuvent être mis en relation avec la circulation.
Les élèves
* 33 adoptent une attitude critique face à la situation de la circulation dans leur environnement local.
4.6 Le paysage touristique et récréatif
Les élèves peuvent
34 reconnaître un paysage touristique et récréatif, décrire ses aspects et fonctions et comparer ses caractéristiques aisément reconnaissables à un paysage touristique ailleurs.
35 expliquer les effets du tourisme et de la récréation sur le paysage et sur l'économie.
Les élèves
* 36 apprennent, en tant que touristes et personnes pratiquant des activités récréatives, du respect pour l'environnement, le patrimoine et les habitants.
5 Le propre espace vital
Les élèves peuvent
37 reconnaître leur propre espace vital comme un ensemble différencié de paysages.
38 placer leur propre espace vital dans un cadre régional et en expliquer quelques-unes des principales caractéristiques.
Art. 2N1. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF BIOLOGIE EN/OF WETENSCHAPPELIJK WERK (2)
De leerlingen kunnen
1 kenmerken van een levend wezen verduidelijken.
2 illustreren dat een levend wezen als een geheel moet worden beschouwd en dat er samenhang is tussen de verschillende organisatieniveaus (cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme).
3 de cel als structurele eenheid van levende wezens beschrijven en volgende delen herkennen en benoemen: celwand, celmembraan, cytoplasma, vacuole, bladgroenkorrel, kern.
4 elementen aanhalen voor het feit dat alle mensen ondanks hun verscheidenheid tot dezelfde soort behoren.
5 beschrijven hoe de voortplanting bij mensen verloopt, verduidelijken dat via de bevruchting erfelijk materiaal van ouders op nakomelingen wordt doorgegeven, de geslachtsorganen benoemen en de menstruatiecyclus, zaadlozing, bevruchting, zwangerschap en geboorte beschrijven.
6 manieren aangeven om de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen.
7 lichamelijke en sociaal-emotionele veranderingen in de puberteit bij jongens en meisjes onderkennen.
8 het belang van de stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam en verduidelijken dat het opnemen, het transport en de verwerking van voedingsstoffen en zuurstofgas hierbij een belangrijke rol spelen.
9 de bouw en de werking van het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel bij de mens toelichten en hun onderlinge samenhang bespreken.
10 het verband aantonen tussen de kwaliteit en de kwantiteit van de voeding en de gezondheid. Ze kennen het belang van een goede hygiëne van het spijsverteringsstelsel. Ze zien in dat ze hun eigen voedingsgewoonte kunnen bepalen en bijsturen.
11 illustreren op welke wijze ze de belangrijkste risico's en gevaren voor de ademhalingswegen en het bloedvatenstelsel kunnen vermijden.
12 elementen geven van de werking van het bewegingsapparaat en aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het spierstelsel illustreren.
13 een aantal kenmerkende organismen uit een biotoop herkennen en benoemen door gebruik te maken van een eenvoudige determineersleutel.
14 duidelijk maken dat groene planten onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht organische stoffen produceren voor eigen gebruik en daarbij zuurstofgas aanmaken (fotosynthese). De leerlingen kunnen eveneens duidelijk maken dat organismen door dit proces direct of indirect van die groene planten afhankelijk zijn.
15 de delen van een zaadplant benoemen en de bouw van een zaadplant beschrijven in relatie met de fotosynthese, de opneming van stoffen en de voortplanting.
16 verduidelijken dat de organismen van een biotoop een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties voorkomen. Ze kunnen in dit verband de begrippen voedselketen en voedselweb hanteren en kennen het belang van producenten, consumenten en reducenten.
17 met voorbeelden illustreren dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd.
18 met voorbeelden illustreren dat levende wezens aangepast zijn aan hun omgeving.
19 voorbeelden geven waaruit blijkt dat de mens natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor het biologisch evenwicht kan gewijzigd worden.
20 voorbeelden geven van toepassingen van hun biologische kennis in het dagelijks leven.
21 eenvoudige grafische voorstellingen en tabellen interpreteren.
22 eenvoudige microscopische preparaten maken en bij microscopie-oefeningen de relatie leggen tussen waargenomen afmetingen en de werkelijke grootte.
23 in een biotoop gerichte waarnemingen verrichten.
De leerlingen
* 24 leren de individuele verscheidenheid en de groepsdiversiteit van de mens aanvaarden en die niet gebruiken om een rangorde te bepalen.
De leerlingen kunnen
1 kenmerken van een levend wezen verduidelijken.
2 illustreren dat een levend wezen als een geheel moet worden beschouwd en dat er samenhang is tussen de verschillende organisatieniveaus (cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme).
3 de cel als structurele eenheid van levende wezens beschrijven en volgende delen herkennen en benoemen: celwand, celmembraan, cytoplasma, vacuole, bladgroenkorrel, kern.
4 elementen aanhalen voor het feit dat alle mensen ondanks hun verscheidenheid tot dezelfde soort behoren.
5 beschrijven hoe de voortplanting bij mensen verloopt, verduidelijken dat via de bevruchting erfelijk materiaal van ouders op nakomelingen wordt doorgegeven, de geslachtsorganen benoemen en de menstruatiecyclus, zaadlozing, bevruchting, zwangerschap en geboorte beschrijven.
6 manieren aangeven om de voortplanting te regelen en om seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen.
7 lichamelijke en sociaal-emotionele veranderingen in de puberteit bij jongens en meisjes onderkennen.
8 het belang van de stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het menselijk lichaam en verduidelijken dat het opnemen, het transport en de verwerking van voedingsstoffen en zuurstofgas hierbij een belangrijke rol spelen.
9 de bouw en de werking van het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het bloed, de bloedsomloop en het uitscheidingsstelsel bij de mens toelichten en hun onderlinge samenhang bespreken.
10 het verband aantonen tussen de kwaliteit en de kwantiteit van de voeding en de gezondheid. Ze kennen het belang van een goede hygiëne van het spijsverteringsstelsel. Ze zien in dat ze hun eigen voedingsgewoonte kunnen bepalen en bijsturen.
11 illustreren op welke wijze ze de belangrijkste risico's en gevaren voor de ademhalingswegen en het bloedvatenstelsel kunnen vermijden.
12 elementen geven van de werking van het bewegingsapparaat en aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het spierstelsel illustreren.
13 een aantal kenmerkende organismen uit een biotoop herkennen en benoemen door gebruik te maken van een eenvoudige determineersleutel.
14 duidelijk maken dat groene planten onder invloed van licht en met stoffen uit de bodem en de lucht organische stoffen produceren voor eigen gebruik en daarbij zuurstofgas aanmaken (fotosynthese). De leerlingen kunnen eveneens duidelijk maken dat organismen door dit proces direct of indirect van die groene planten afhankelijk zijn.
15 de delen van een zaadplant benoemen en de bouw van een zaadplant beschrijven in relatie met de fotosynthese, de opneming van stoffen en de voortplanting.
16 verduidelijken dat de organismen van een biotoop een levensgemeenschap vormen waarin voedselrelaties voorkomen. Ze kunnen in dit verband de begrippen voedselketen en voedselweb hanteren en kennen het belang van producenten, consumenten en reducenten.
17 met voorbeelden illustreren dat de omgeving het voorkomen van levende wezens beïnvloedt en omgekeerd.
18 met voorbeelden illustreren dat levende wezens aangepast zijn aan hun omgeving.
19 voorbeelden geven waaruit blijkt dat de mens natuur en milieu beïnvloedt en dat hierdoor het biologisch evenwicht kan gewijzigd worden.
20 voorbeelden geven van toepassingen van hun biologische kennis in het dagelijks leven.
21 eenvoudige grafische voorstellingen en tabellen interpreteren.
22 eenvoudige microscopische preparaten maken en bij microscopie-oefeningen de relatie leggen tussen waargenomen afmetingen en de werkelijke grootte.
23 in een biotoop gerichte waarnemingen verrichten.
De leerlingen
* 24 leren de individuele verscheidenheid en de groepsdiversiteit van de mens aanvaarden en die niet gebruiken om een rangorde te bepalen.
Art. 2N1. SCIENCES NATURELLES OU PHYSIQUE ET/OU BIOLOGIE ET/OU TRAVAUX SCIENTIFIQUES (2). Les élèves peuvent
1 expliquer les caractéristiques d'un être vivant.
2 illustrer qu'un être vivant doit être considéré comme un tout et qu'il existe une corrélation entre les différents niveaux d'organisation (cellule, tissu cellulaire, organe, système, organisme).
3 décrire la cellule comme une entité structurelle d'êtres vivants, reconnaître et nommer les parties suivantes : la paroi cellulaire, la membrane cellulaire, le cytoplasme, la vacuole, le chloroplaste, le noyau.
4 avancer des arguments pour la thèse que tous les hommes appartiennent à la même sorte et ce, malgré leurs différences.
5 décrire la reproduction chez l'homme, expliquer que, par le biais de la fécondation, les parents transmettent du matériel génétique à leurs descendants, nommer les organes génitaux et décrire le cycle menstruel, l'éjaculation, la fécondation, la grossesse et la naissance.
6 indiquer quels sont les moyens de régler la reproduction et d'éviter les maladies sexuellement transmissibles.
7 reconnaître les changements physiques et socio-émotionnels qui surviennent pendant la puberté chez les garçons et les filles.
8 décrire l'importance du métabolisme pour la préservation du corps humain et expliquer que l'absorption, le transport et le traitement de substances nutritives et d'oxygène jouent un rôle essentiel dans ce domaine.
9 expliquer la structure et le fonctionnement du système digestif, respiratoire, du sang, de la circulation sanguine et du système d'excrétion de l'homme et discuter des interactions entre eux.
10 montrer le lien existant entre la qualité et la quantité de nourriture et la santé. Ils accordent de l'importance à une bonne hygiène du système digestif. Ils comprennent qu'ils peuvent déterminer et adapter leurs propres habitudes alimentaires.
11 expliquer comment ils peuvent éviter les principaux risques et dangers concernant les voies respiratoires et le système vasculaire.
12 donner les principes du fonctionnement de l'appareil locomoteur et illustrer, à l'aide d'exemples, l'effet de certaines positions et de certains mouvements sur le bon développement de l'ossature et du système musculaire.
13 reconnaître un certain nombre d'organismes caractéristiques d'un biotope et les nommer à l'aide d'une clé d'orientation simple.
14 montrer clairement que les plantes vertes produisent, pour leur propre usage, des substances organiques sous l'influence de la lumière et à partir de substances provenant du sol et de l'air et produisent par la même occasion de l'oxygène (photosynthèse). Les élèves peuvent également montrer clairement que les organismes sont, de par ce processus, directement ou indirectement dépendants de ces plantes vertes.
15 nommer les différentes parties d'une phanérogame et décrire la structure d'une phanérogame en relation avec la photosynthèse, l'absorption de substances et la reproduction.
16 expliquer que les organismes d'un biotope forment une biocénose au sein de laquelle des relations alimentaires existent. Ils peuvent, à ce sujet, utiliser les concepts de chaîne et de tissu alimentaires et connaissent l'importance des producteurs, des consommateurs et des décomposeurs.
17 illustrer par des exemples que le milieu influence l'apparition d'êtres vivants et vice-versa.
18 illustrer par des exemples que les êtres vivants sont adaptés à leur milieu.
19 donner des exemples desquels il ressort que l'homme influence la nature et l'environnement et que l'équilibre biologique peut, de ce fait, être modifié.
20 donner des exemples d'application de connaissances biologiques dans la vie quotidienne.
21 interpréter des représentations graphiques et des tableaux simples.
22 faire des préparations microscopiques simples et établir le lien entre les dimensions observées et la taille réelle.
23 effectuer des observations ponctuelles dans un biotope.
Les élèves
* 24 apprennent à accepter la différence individuelle et la diversité de groupe de l'homme et ne pas les utiliser pour déterminer une hiérarchie.
1 expliquer les caractéristiques d'un être vivant.
2 illustrer qu'un être vivant doit être considéré comme un tout et qu'il existe une corrélation entre les différents niveaux d'organisation (cellule, tissu cellulaire, organe, système, organisme).
3 décrire la cellule comme une entité structurelle d'êtres vivants, reconnaître et nommer les parties suivantes : la paroi cellulaire, la membrane cellulaire, le cytoplasme, la vacuole, le chloroplaste, le noyau.
4 avancer des arguments pour la thèse que tous les hommes appartiennent à la même sorte et ce, malgré leurs différences.
5 décrire la reproduction chez l'homme, expliquer que, par le biais de la fécondation, les parents transmettent du matériel génétique à leurs descendants, nommer les organes génitaux et décrire le cycle menstruel, l'éjaculation, la fécondation, la grossesse et la naissance.
6 indiquer quels sont les moyens de régler la reproduction et d'éviter les maladies sexuellement transmissibles.
7 reconnaître les changements physiques et socio-émotionnels qui surviennent pendant la puberté chez les garçons et les filles.
8 décrire l'importance du métabolisme pour la préservation du corps humain et expliquer que l'absorption, le transport et le traitement de substances nutritives et d'oxygène jouent un rôle essentiel dans ce domaine.
9 expliquer la structure et le fonctionnement du système digestif, respiratoire, du sang, de la circulation sanguine et du système d'excrétion de l'homme et discuter des interactions entre eux.
10 montrer le lien existant entre la qualité et la quantité de nourriture et la santé. Ils accordent de l'importance à une bonne hygiène du système digestif. Ils comprennent qu'ils peuvent déterminer et adapter leurs propres habitudes alimentaires.
11 expliquer comment ils peuvent éviter les principaux risques et dangers concernant les voies respiratoires et le système vasculaire.
12 donner les principes du fonctionnement de l'appareil locomoteur et illustrer, à l'aide d'exemples, l'effet de certaines positions et de certains mouvements sur le bon développement de l'ossature et du système musculaire.
13 reconnaître un certain nombre d'organismes caractéristiques d'un biotope et les nommer à l'aide d'une clé d'orientation simple.
14 montrer clairement que les plantes vertes produisent, pour leur propre usage, des substances organiques sous l'influence de la lumière et à partir de substances provenant du sol et de l'air et produisent par la même occasion de l'oxygène (photosynthèse). Les élèves peuvent également montrer clairement que les organismes sont, de par ce processus, directement ou indirectement dépendants de ces plantes vertes.
15 nommer les différentes parties d'une phanérogame et décrire la structure d'une phanérogame en relation avec la photosynthèse, l'absorption de substances et la reproduction.
16 expliquer que les organismes d'un biotope forment une biocénose au sein de laquelle des relations alimentaires existent. Ils peuvent, à ce sujet, utiliser les concepts de chaîne et de tissu alimentaires et connaissent l'importance des producteurs, des consommateurs et des décomposeurs.
17 illustrer par des exemples que le milieu influence l'apparition d'êtres vivants et vice-versa.
18 illustrer par des exemples que les êtres vivants sont adaptés à leur milieu.
19 donner des exemples desquels il ressort que l'homme influence la nature et l'environnement et que l'équilibre biologique peut, de ce fait, être modifié.
20 donner des exemples d'application de connaissances biologiques dans la vie quotidienne.
21 interpréter des représentations graphiques et des tableaux simples.
22 faire des préparations microscopiques simples et établir le lien entre les dimensions observées et la taille réelle.
23 effectuer des observations ponctuelles dans un biotope.
Les élèves
* 24 apprennent à accepter la différence individuelle et la diversité de groupe de l'homme et ne pas les utiliser pour déterminer une hiérarchie.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 3N1. GESCHIEDENIS
Eindtermen (3)
1 Kennis en Inzicht
1.1 Kennis en inzicht in verband met het historisch referentiekader
De leerlingen
1 verduidelijken de begrippen generatie, decennium, eeuw, millennium aan de hand van historische evoluties, vertrekkend van het heden.
2 kennen de gebruikelijke Westerse periodisering:
- Prehistorie,
- Oude Nabije Oosten,
- Klassieke Oudheid,
- Middeleeuwen,
- Nieuwe Tijd,
- Nieuwste Tijd,
- Eigen Tijd.
3 kennen scharnierdata en de betekenis ervan en zij duiden het verschil in duur aan tussen die perioden.
4 geven verschillen aan tussen preïndustriële en geïndustrialiseerde samenlevingen op basis van kenmerken uit de socialiteitsdimensie.
5 formuleren voor elk van de ontwikkelingsfasen van het gekozen referentiekader één fundamentele maatschappelijke probleemstelling.
6 preciseren en verruimen doorheen de gekozen probleemstellingen algemene historische begrippen.
1.2 Kennis en inzicht in verband met de bestudeerde samenlevingen
De leerlingen
7 verduidelijken belangrijke kenmerken van onderscheiden maatschappelijke domeinen.
8 tonen aan dat er onderlinge verbanden en wisselwerkingen binnen en tussen die domeinen bestaan.
9 even een voorbeeld van:
- het verschil tussen aanleiding en oorzaken;
- een oorzaak-gevolg relatie;
- een doel-middel verhouding.
10 illustreren mogelijke tempoverschillen in de ontwikkeling van maatschappelijke domeinen.
11 leggen ten minste één probleem uit in verband met mens en maatschappij waarmee die samenlevingen werden geconfronteerd.
1.3 Kennis en inzicht in verband met de integratie tussen het referentiekader en de samenlevingen
De leerlingen
12 situeren de bestudeerde samenlevingen in de ontwikkelingsfasen van het referentiekader inzake - tijd,
- ruimte,
- socialiteit.
13 geven voorbeelden van vergelijkbaar maatschappelijk gedrag in de geschiedenis, zoals bij migratie, sedentarisatie, verstedelijking, staatsvorming, kolonisatie, expansie en onderwerping, ontvoogdingsstrijd, revolutie.
14 maken het onderscheid tussen lokaal, regionaal, nationaal, Europees, mundiaal (en hebben kennis van de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen).
15 geven aan de hand van het referentiekader en/of de bestudeerde samenlevingen een voorbeeld van:
- open en gesloten ruimte;
- stedelijke en rurale samenleving;
- continentaal en maritiem perspectief;
- centrum en periferie;
- korte en verre afstand.
16 vergelijken de bestudeerde samenlevingen met elkaar en met probleemstellingen van de hedendaagse samenleving.
2 Vaardigheden
De leerlingen kunnen
17 informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van concrete opdrachten, zoals raadplegen van inhoudstafels van handboeken, gebruiken van een geschiedenisatlas, opzoeken van trefwoorden in referentiewerken, gebruiken van interactieve media, gebruiken van databanken.
18 materiële en landschappelijke historische getuigen observeren en beschrijven aan de hand van een eenvoudig observatieprotocol.
19 eenvoudige tekstuele, auditieve, visuele en audiovisuele informatie ordenen inzake:
- tijdskader,
- ruimtelijk kader,
- dimensie socialiteit.
20 aan de hand van gerichte vragen kaarten lezen en de essentie ervan interpreteren, zoals het gebruik van het register van de geschiedenisatlas, het gebruiken van de legende, oriëntatie en schaal, het in verband brengen met elkaar van titel en inhoud van een kaart.
21 diverse informatiebronnen identificeren en in verband brengen met hun ontstaan in tijd en ruimte.
22 aan de hand van gerichte vragen eenvoudige historische informatie kritisch analyseren.
23 aan de hand van een geleide opdracht het onderscheid tussen feit en mening toepassen op die informatie.
3 Attitudes
De leerlingen
* 24 leren nauwkeurig zijn bij het verzamelen, ordenen, analyseren en interpreteren van historische gegevens.
* 25 leren belangstelling aan de dag leggen voor het historisch-cultureel erfgoed.
* 26 leren belangstelling aan de dag leggen voor de problemen van een samenleving.
Eindtermen (3)
1 Kennis en Inzicht
1.1 Kennis en inzicht in verband met het historisch referentiekader
De leerlingen
1 verduidelijken de begrippen generatie, decennium, eeuw, millennium aan de hand van historische evoluties, vertrekkend van het heden.
2 kennen de gebruikelijke Westerse periodisering:
- Prehistorie,
- Oude Nabije Oosten,
- Klassieke Oudheid,
- Middeleeuwen,
- Nieuwe Tijd,
- Nieuwste Tijd,
- Eigen Tijd.
3 kennen scharnierdata en de betekenis ervan en zij duiden het verschil in duur aan tussen die perioden.
4 geven verschillen aan tussen preïndustriële en geïndustrialiseerde samenlevingen op basis van kenmerken uit de socialiteitsdimensie.
5 formuleren voor elk van de ontwikkelingsfasen van het gekozen referentiekader één fundamentele maatschappelijke probleemstelling.
6 preciseren en verruimen doorheen de gekozen probleemstellingen algemene historische begrippen.
1.2 Kennis en inzicht in verband met de bestudeerde samenlevingen
De leerlingen
7 verduidelijken belangrijke kenmerken van onderscheiden maatschappelijke domeinen.
8 tonen aan dat er onderlinge verbanden en wisselwerkingen binnen en tussen die domeinen bestaan.
9 even een voorbeeld van:
- het verschil tussen aanleiding en oorzaken;
- een oorzaak-gevolg relatie;
- een doel-middel verhouding.
10 illustreren mogelijke tempoverschillen in de ontwikkeling van maatschappelijke domeinen.
11 leggen ten minste één probleem uit in verband met mens en maatschappij waarmee die samenlevingen werden geconfronteerd.
1.3 Kennis en inzicht in verband met de integratie tussen het referentiekader en de samenlevingen
De leerlingen
12 situeren de bestudeerde samenlevingen in de ontwikkelingsfasen van het referentiekader inzake - tijd,
- ruimte,
- socialiteit.
13 geven voorbeelden van vergelijkbaar maatschappelijk gedrag in de geschiedenis, zoals bij migratie, sedentarisatie, verstedelijking, staatsvorming, kolonisatie, expansie en onderwerping, ontvoogdingsstrijd, revolutie.
14 maken het onderscheid tussen lokaal, regionaal, nationaal, Europees, mundiaal (en hebben kennis van de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen).
15 geven aan de hand van het referentiekader en/of de bestudeerde samenlevingen een voorbeeld van:
- open en gesloten ruimte;
- stedelijke en rurale samenleving;
- continentaal en maritiem perspectief;
- centrum en periferie;
- korte en verre afstand.
16 vergelijken de bestudeerde samenlevingen met elkaar en met probleemstellingen van de hedendaagse samenleving.
2 Vaardigheden
De leerlingen kunnen
17 informatie opzoeken over het verleden en het heden op basis van concrete opdrachten, zoals raadplegen van inhoudstafels van handboeken, gebruiken van een geschiedenisatlas, opzoeken van trefwoorden in referentiewerken, gebruiken van interactieve media, gebruiken van databanken.
18 materiële en landschappelijke historische getuigen observeren en beschrijven aan de hand van een eenvoudig observatieprotocol.
19 eenvoudige tekstuele, auditieve, visuele en audiovisuele informatie ordenen inzake:
- tijdskader,
- ruimtelijk kader,
- dimensie socialiteit.
20 aan de hand van gerichte vragen kaarten lezen en de essentie ervan interpreteren, zoals het gebruik van het register van de geschiedenisatlas, het gebruiken van de legende, oriëntatie en schaal, het in verband brengen met elkaar van titel en inhoud van een kaart.
21 diverse informatiebronnen identificeren en in verband brengen met hun ontstaan in tijd en ruimte.
22 aan de hand van gerichte vragen eenvoudige historische informatie kritisch analyseren.
23 aan de hand van een geleide opdracht het onderscheid tussen feit en mening toepassen op die informatie.
3 Attitudes
De leerlingen
* 24 leren nauwkeurig zijn bij het verzamelen, ordenen, analyseren en interpreteren van historische gegevens.
* 25 leren belangstelling aan de dag leggen voor het historisch-cultureel erfgoed.
* 26 leren belangstelling aan de dag leggen voor de problemen van een samenleving.
Art. 3N1. HISTOIRE. Objectifs finaux concrets (3)
1 Connaissance et compréhension
1.1 Connaissance et compréhension en rapport avec le cadre de référence historique
Les élèves
1 expliquent les concepts de génération, décennie, siècle, millénaire à l'aide d'évolutions historiques, en partant de l'actualité.
2 connaissent la périodisation utilisée en Occident :
- Préhistoire,
- Proche-Orient ancien,
- Antiquité gréco-romaine,
- Moyen-Age,
- Temps modernes,
- Temps nouveaux,
- Monde contemporain.
3 connaissent les dates charnières ainsi que leur signification et montrent la différence de durée entre ces dates.
4 donnent des différences entre sociétés préindustrielles et industrialisées sur la base de caractéristiques de la dimension sociale.
5 formulent un problème social fondamental pour chacune des phases de développement du cadre de référence choisi.
6 préciser et étendre, au travers des problèmes envisagés, des concepts historiques généraux.
1.2 Connaissance et compréhension des sociétés étudiées
Les élèves
7 précisent les caractéristiques importantes des différents domaines sociaux.
8 montrent qu'il existe des rapports et interactions mutuels au sein de et entre ces domaines.
9 donnent un exemple de :
- la différence entre occasion directe et causes;
- une relation de cause à effet;
- une relation but - moyen.
10 illustrent les différences possibles de rythme dans le développement des domaines sociaux.
11 expliquent au moins un problème en rapport avec l'homme et la société auquel les sociétés ont été confrontées.
1.3 Connaissance et compréhension en rapport avec l'intégration du cadre de référence et des sociétés
Les élèves
12 situent les sociétés étudiées dans les phases de développement du cadre de référence en ce qui concerne
- le temps,
- l'espace,
- la socialité.
13 donnent des exemples de comportement social comparable dans l'histoire, tels que la migration, la sédentarisation, l'urbanisation, la formation des Etats, la colonisation, l'expansion et l'assujettissement, la lutte d'émancipation, la révolution.
14 font la différence entre local, régional, national, européen et mondial (et connaissent l'histoire et la culture de la Flandre).
15 donnent à l'aide du cadre de référence et/ou des sociétés étudiées un exemple illustrant les points suivants :
- espace ouvert et clos;
- société urbaine et rurale;
- perspective continentale et maritime;
- centre et périphérie;
- distance courte et longue.
16 comparent les sociétés étudiées entre elles et avec les problèmes de la société actuelle.
2. Aptitudes
Les élèves peuvent
17 rechercher des informations sur le passé et le présent sur la base de tâches concrètes, comme consulter des tables des matières de manuels, utiliser un atlas historique, rechercher des mots-clés dans les ouvrages de référence, utiliser des médias interactifs, des banques de données.
18 observer des témoins historiques constitués par des éléments matériels ou des paysages et les décrire à l'aide d'un protocole d'observation simple.
19 classer des informations textuelles, auditives, visuelles et audiovisuelles simples concernant :
- le cadre temporel,
- le cadre spatial,
- la dimension de socialité.
20 lire des cartes à l'aide de questions précises et en interpréter l'essence, comme utiliser l'index d'un atlas historique, utiliser la légende, l'orientation et l'échelle, établir le rapport entre le titre et le contenu d'une carte.
21 identifier diverses sources d'information et les mettre en rapport avec leur apparition dans le temps et l'espace.
22 analyser de façon critique à l'aide de questions précises des informations historiques simples.
23 appliquer à cette information la différence entre fait et opinion à l'aide d'une tâche précise.
2.3 Attitudes
Les élèves
* 24 apprennent à être précis lorsqu'ils rassemblent, classent, analysent et interprètent des données historiques.
* 25 apprennent à s'intéresser à l'héritage historico-culturel.
* 26 apprennent à s'intéresser aux problèmes d'une société.
1 Connaissance et compréhension
1.1 Connaissance et compréhension en rapport avec le cadre de référence historique
Les élèves
1 expliquent les concepts de génération, décennie, siècle, millénaire à l'aide d'évolutions historiques, en partant de l'actualité.
2 connaissent la périodisation utilisée en Occident :
- Préhistoire,
- Proche-Orient ancien,
- Antiquité gréco-romaine,
- Moyen-Age,
- Temps modernes,
- Temps nouveaux,
- Monde contemporain.
3 connaissent les dates charnières ainsi que leur signification et montrent la différence de durée entre ces dates.
4 donnent des différences entre sociétés préindustrielles et industrialisées sur la base de caractéristiques de la dimension sociale.
5 formulent un problème social fondamental pour chacune des phases de développement du cadre de référence choisi.
6 préciser et étendre, au travers des problèmes envisagés, des concepts historiques généraux.
1.2 Connaissance et compréhension des sociétés étudiées
Les élèves
7 précisent les caractéristiques importantes des différents domaines sociaux.
8 montrent qu'il existe des rapports et interactions mutuels au sein de et entre ces domaines.
9 donnent un exemple de :
- la différence entre occasion directe et causes;
- une relation de cause à effet;
- une relation but - moyen.
10 illustrent les différences possibles de rythme dans le développement des domaines sociaux.
11 expliquent au moins un problème en rapport avec l'homme et la société auquel les sociétés ont été confrontées.
1.3 Connaissance et compréhension en rapport avec l'intégration du cadre de référence et des sociétés
Les élèves
12 situent les sociétés étudiées dans les phases de développement du cadre de référence en ce qui concerne
- le temps,
- l'espace,
- la socialité.
13 donnent des exemples de comportement social comparable dans l'histoire, tels que la migration, la sédentarisation, l'urbanisation, la formation des Etats, la colonisation, l'expansion et l'assujettissement, la lutte d'émancipation, la révolution.
14 font la différence entre local, régional, national, européen et mondial (et connaissent l'histoire et la culture de la Flandre).
15 donnent à l'aide du cadre de référence et/ou des sociétés étudiées un exemple illustrant les points suivants :
- espace ouvert et clos;
- société urbaine et rurale;
- perspective continentale et maritime;
- centre et périphérie;
- distance courte et longue.
16 comparent les sociétés étudiées entre elles et avec les problèmes de la société actuelle.
2. Aptitudes
Les élèves peuvent
17 rechercher des informations sur le passé et le présent sur la base de tâches concrètes, comme consulter des tables des matières de manuels, utiliser un atlas historique, rechercher des mots-clés dans les ouvrages de référence, utiliser des médias interactifs, des banques de données.
18 observer des témoins historiques constitués par des éléments matériels ou des paysages et les décrire à l'aide d'un protocole d'observation simple.
19 classer des informations textuelles, auditives, visuelles et audiovisuelles simples concernant :
- le cadre temporel,
- le cadre spatial,
- la dimension de socialité.
20 lire des cartes à l'aide de questions précises et en interpréter l'essence, comme utiliser l'index d'un atlas historique, utiliser la légende, l'orientation et l'échelle, établir le rapport entre le titre et le contenu d'une carte.
21 identifier diverses sources d'information et les mettre en rapport avec leur apparition dans le temps et l'espace.
22 analyser de façon critique à l'aide de questions précises des informations historiques simples.
23 appliquer à cette information la différence entre fait et opinion à l'aide d'une tâche précise.
2.3 Attitudes
Les élèves
* 24 apprennent à être précis lorsqu'ils rassemblent, classent, analysent et interprètent des données historiques.
* 25 apprennent à s'intéresser à l'héritage historico-culturel.
* 26 apprennent à s'intéresser aux problèmes d'une société.
Art. 4N1. LICHAMELIJKE OPVOEDING (4)
1 Motorische competenties
1.1 Verantwoord en veilig bewegen
De leerlingen
1 kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen.
2 kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven.
3 gebruiken aangepaste uitrusting en kledij bij het uitvoeren van bewegingsactiviteiten
1.2 Zelfstandig werken
De leerlingen kunnen
4 in eenvoudige bewegingssituaties zelfstandig en onder begeleiding oefenen in kleine groepen, het gepaste materiaal opstellen en wegbergen.
1.3 Reflecteren over bewegen
De leerlingen kunnen
5 de belangrijkste onderdelen van een bewegingsverloop benoemen.
6 oorzaken van lukken en mislukken van de beweging aangeven.
1.4 Gymnastiek
De leerlingen kunnen
7 evenwicht behouden en herstellen.
8 in omgekeerde houding hangen en steunen.
9 vrije sprongen en steunsprongen uitvoeren.
10 hangen, steunen, zwaaien aan toestellen en beheerst landen.
11 een draaibeweging om de breedteas uitvoeren.
12 klimmen.
13 gekende oefeningen in een eenvoudige gymnastische combinatie uitvoeren.
1.5 Atletiek
De leerlingen kunnen
14 een duurloop en een sprint uitvoeren.
15 verspringen en hoogspringen en op een veilige manier landen.
16 werpen en stoten.
1.6 Dans en expressie
De leerlingen kunnen
17 eenvoudige bewegingen uitvoeren op een maatstructuur.
18 verschillende basisbewegingen uit één dansvorm uitvoeren: volksdans of sociale dans of jazzdans.
1.7 Spel en sportspel
De leerlingen
19 kunnen deelnemen aan een vorm van doelspel en een vorm van terugslagspel.
20 spelen volgens afgesproken en aangepaste regels.
21 kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties.
De leerlingen
* 22 leren omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen en fair-play.
1.8 Verdedigingssporten
De leerlingen kunnen
23 deelnemen aan een eenvoudige vorm van verdedigingssport met het oog op:
- veilig vallen;
- evenwicht bewaren, verstoren en herstellen;
- lichamelijk contact durven nemen binnen de grenzen van de gestelde opdracht.
1.9 Bewegen in verschillende milieus
De leerlingen
24 nemen deel aan bewegingsactiviteiten in de natuur.
25 kunnen één zwemslag doeltreffend uitvoeren.
26 beheersen voorbereidende vormen van reddend zwemmen.
2 Gezonde en veilige levensstijl
De leerlingen
27 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
28 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
29 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
De leerlingen
* 30 leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
3 Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren
De leerlingen
31 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
32 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
33 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
De leerlingen
* 34 leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
* 35 leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.
1 Motorische competenties
1.1 Verantwoord en veilig bewegen
De leerlingen
1 kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen.
2 kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven.
3 gebruiken aangepaste uitrusting en kledij bij het uitvoeren van bewegingsactiviteiten
1.2 Zelfstandig werken
De leerlingen kunnen
4 in eenvoudige bewegingssituaties zelfstandig en onder begeleiding oefenen in kleine groepen, het gepaste materiaal opstellen en wegbergen.
1.3 Reflecteren over bewegen
De leerlingen kunnen
5 de belangrijkste onderdelen van een bewegingsverloop benoemen.
6 oorzaken van lukken en mislukken van de beweging aangeven.
1.4 Gymnastiek
De leerlingen kunnen
7 evenwicht behouden en herstellen.
8 in omgekeerde houding hangen en steunen.
9 vrije sprongen en steunsprongen uitvoeren.
10 hangen, steunen, zwaaien aan toestellen en beheerst landen.
11 een draaibeweging om de breedteas uitvoeren.
12 klimmen.
13 gekende oefeningen in een eenvoudige gymnastische combinatie uitvoeren.
1.5 Atletiek
De leerlingen kunnen
14 een duurloop en een sprint uitvoeren.
15 verspringen en hoogspringen en op een veilige manier landen.
16 werpen en stoten.
1.6 Dans en expressie
De leerlingen kunnen
17 eenvoudige bewegingen uitvoeren op een maatstructuur.
18 verschillende basisbewegingen uit één dansvorm uitvoeren: volksdans of sociale dans of jazzdans.
1.7 Spel en sportspel
De leerlingen
19 kunnen deelnemen aan een vorm van doelspel en een vorm van terugslagspel.
20 spelen volgens afgesproken en aangepaste regels.
21 kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties.
De leerlingen
* 22 leren omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen en fair-play.
1.8 Verdedigingssporten
De leerlingen kunnen
23 deelnemen aan een eenvoudige vorm van verdedigingssport met het oog op:
- veilig vallen;
- evenwicht bewaren, verstoren en herstellen;
- lichamelijk contact durven nemen binnen de grenzen van de gestelde opdracht.
1.9 Bewegen in verschillende milieus
De leerlingen
24 nemen deel aan bewegingsactiviteiten in de natuur.
25 kunnen één zwemslag doeltreffend uitvoeren.
26 beheersen voorbereidende vormen van reddend zwemmen.
2 Gezonde en veilige levensstijl
De leerlingen
27 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
28 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
29 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
De leerlingen
* 30 leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
3 Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren
De leerlingen
31 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
32 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
33 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
De leerlingen
* 34 leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
* 35 leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.
Art. 4N1. EDUCATION PHYSIQUE (4).
1 Compétences de motricité
1.1 Se mouvoir de façon justifiée et en sécurité
Les élèves
1 peuvent appliquer les principes fondamentaux de rééducation de la posture et du dos dans des situations mouvantes.
2 peuvent respecter, avec accompagnement, des mesures de sécurité, des conventions et des règlements.
3 utilisent un équipement et des vêtements appropriés lorsqu'ils effectuent des activités mouvantes.
1.2 Travailler de façon autonome
Les élèves peuvent
4 en petits groupes, s'exercer de façon autonome et sous assistance lors de situations mouvantes simples ainsi que placer le matériel approprié et le ranger.
1.3 Réflexions sur la motricité
Les élèves peuvent
5 nommer les phases essentielles d'un exercice de motricité.
6 donner les causes principales de la réussite ou de l'échec du mouvement.
1.4 Gymnastique
Les élèves peuvent
7 garder et rétablir l'équilibre.
8 se pendre à l'envers et se trouver en appui à l'envers.
9 effectuer des sauts libres et des sauts d'appui.
10 effectuer les exercices de suspension, d'appui et de circumduction à des agrès et se réceptionner de manière contrôlée.
11 exécuter à un appareil des mouvements tournants autour de l'axe de largeur.
12 grimper.
13 effectuer des exercices connus dans une combinaison de gymnastique simple.
1.5 Athlétisme
Les élèves peuvent
14 effectuer une course d'endurance et un sprint.
15 effectuer des sauts en longueur et en hauteur et se réceptionner en toute sécurité.
16 effectuer des lancers.
1.6 Danse et expression
Les élèves
17 peuvent effectuer des mouvements simples sur des structures de mesure.
18 peuvent effectuer plusieurs mouvements de base d'une seule danse : danse populaire ou danse sociale ou jazz.
1.7 Jeux et sports
Les élèves
19 peuvent participer à une forme de jeu de but et à une forme de jeu de renvoi.
20 jouent en respectant des règles établies et adaptées.
21 peuvent remplir plusieurs rôles dans des situations de jeu.
Les élèves
* 22 peuvent assimiler des éléments comme le stress, l'échec, la victoire et le fair-play.
1.8 Sports d'auto-défense
Les élèves
23 peuvent participer à des formes simples d'un sport d'autodéfense :
- peuvent tomber en toute sécurité;
- peuvent garder, rompre et rétablir l'équilibre.
- osent établir des contacts physiques dans les limites de la tâche demandée.
1.9 Se mouvoir dans différents milieux
Les élèves
24 participent à des activités mouvantes dans la nature.
25 peuvent pratiquer un style de natation de manière efficace.
26 maîtrisent des formes préparatoires de la nage du sauveteur.
2 Style de vie sain et sûr
Les élèves
27 développent une condition optimale basée sur l'endurance, la force, la souplesse et la rapidité dans différentes situations mouvantes.
28 connaissent l'importance de l'échauffement avant les activités physiques ainsi que du repos après ces activités et appliquent ces principes.
29 appliquent lors et après des activités mouvantes les règles d'hygiène.
* 30 apprennent à avoir une approche positive de l'entraînement régulier et à comparer leur prestations actuelles à des prestations antérieures.
3 Développement du concept de soi-même et du fonctionnement social
Les élèves
31 peuvent effectuer différentes tâches et respecter les conventions lors d'activités de groupe.
32 font preuve de respect envers le matériel en toute circonstance.
33 impliquent tous les élèves sans distinction de sexe, d'origine ethnique ou de disposition mouvante dans le jeu et autres activités de groupe.
Les élèves
* 34 apprennent à évaluer de manière correcte leurs propres mouvements, leurs possibilités et restrictions.
* 35 apprennent à se montrer appliqués et persévérants et à déplacer leurs propres limites.
1 Compétences de motricité
1.1 Se mouvoir de façon justifiée et en sécurité
Les élèves
1 peuvent appliquer les principes fondamentaux de rééducation de la posture et du dos dans des situations mouvantes.
2 peuvent respecter, avec accompagnement, des mesures de sécurité, des conventions et des règlements.
3 utilisent un équipement et des vêtements appropriés lorsqu'ils effectuent des activités mouvantes.
1.2 Travailler de façon autonome
Les élèves peuvent
4 en petits groupes, s'exercer de façon autonome et sous assistance lors de situations mouvantes simples ainsi que placer le matériel approprié et le ranger.
1.3 Réflexions sur la motricité
Les élèves peuvent
5 nommer les phases essentielles d'un exercice de motricité.
6 donner les causes principales de la réussite ou de l'échec du mouvement.
1.4 Gymnastique
Les élèves peuvent
7 garder et rétablir l'équilibre.
8 se pendre à l'envers et se trouver en appui à l'envers.
9 effectuer des sauts libres et des sauts d'appui.
10 effectuer les exercices de suspension, d'appui et de circumduction à des agrès et se réceptionner de manière contrôlée.
11 exécuter à un appareil des mouvements tournants autour de l'axe de largeur.
12 grimper.
13 effectuer des exercices connus dans une combinaison de gymnastique simple.
1.5 Athlétisme
Les élèves peuvent
14 effectuer une course d'endurance et un sprint.
15 effectuer des sauts en longueur et en hauteur et se réceptionner en toute sécurité.
16 effectuer des lancers.
1.6 Danse et expression
Les élèves
17 peuvent effectuer des mouvements simples sur des structures de mesure.
18 peuvent effectuer plusieurs mouvements de base d'une seule danse : danse populaire ou danse sociale ou jazz.
1.7 Jeux et sports
Les élèves
19 peuvent participer à une forme de jeu de but et à une forme de jeu de renvoi.
20 jouent en respectant des règles établies et adaptées.
21 peuvent remplir plusieurs rôles dans des situations de jeu.
Les élèves
* 22 peuvent assimiler des éléments comme le stress, l'échec, la victoire et le fair-play.
1.8 Sports d'auto-défense
Les élèves
23 peuvent participer à des formes simples d'un sport d'autodéfense :
- peuvent tomber en toute sécurité;
- peuvent garder, rompre et rétablir l'équilibre.
- osent établir des contacts physiques dans les limites de la tâche demandée.
1.9 Se mouvoir dans différents milieux
Les élèves
24 participent à des activités mouvantes dans la nature.
25 peuvent pratiquer un style de natation de manière efficace.
26 maîtrisent des formes préparatoires de la nage du sauveteur.
2 Style de vie sain et sûr
Les élèves
27 développent une condition optimale basée sur l'endurance, la force, la souplesse et la rapidité dans différentes situations mouvantes.
28 connaissent l'importance de l'échauffement avant les activités physiques ainsi que du repos après ces activités et appliquent ces principes.
29 appliquent lors et après des activités mouvantes les règles d'hygiène.
* 30 apprennent à avoir une approche positive de l'entraînement régulier et à comparer leur prestations actuelles à des prestations antérieures.
3 Développement du concept de soi-même et du fonctionnement social
Les élèves
31 peuvent effectuer différentes tâches et respecter les conventions lors d'activités de groupe.
32 font preuve de respect envers le matériel en toute circonstance.
33 impliquent tous les élèves sans distinction de sexe, d'origine ethnique ou de disposition mouvante dans le jeu et autres activités de groupe.
Les élèves
* 34 apprennent à évaluer de manière correcte leurs propres mouvements, leurs possibilités et restrictions.
* 35 apprennent à se montrer appliqués et persévérants et à déplacer leurs propres limites.
Art. 5N1. MODERNE VREEMDE TALEN:
FRANS
ENGELS (5)
1 Luisteren
De leerlingen kunnen
1 de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken aanwijzingen, instructies en waarschuwingen die verwoord zijn in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
2 relevante en herkenbare informatie selecteren uit functionele boodschappen, die verwoord zijn in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
3 de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet verwoord wordt in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
4 in een eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende begrijpen om deze te woord te kunnen staan.
5 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- verzoeken om te herhalen;
- verzoeken om langzamer te spreken;
- vragen naar een omschrijving;
- vragen om te spellen;
- vragen om iets op te schrijven.
De leerlingen
* 6 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige luisterbereidheid opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren en zich te concentreren op wat ze willen vernemen.
2 Lezen
De leerlingen kunnen
7 de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en waarschuwingen, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
8 relevante en herkenbare informatie opzoeken in functionele teksten, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
9 de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet wordt verwoord in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
10 de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
11 strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- herkennen van doorzichtige woorden;
- afleiden uit de context;
- raadplegen van een eenvoudig woordenboek of woordenlijst.
De leerlingen
* 12 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige leesbereidheid opbrengen en zich concentreren op wat ze willen vernemen.
3 Spreken: Frans (F)
De leerlingen kunnen
F 13 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op basis van behandelde onderwerpen.
F 14 eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
F 15 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de hand van eenvoudige documenten.
F 16 op een eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
F 17 deelnemen aan een eenvoudig gesprek in voor hen relevante en haalbare situaties.
F 18 op gepaste wijze een aantal taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen, rekening houdend met de elementaire omgangsregels.
F 19 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- het op een andere wijze zeggen;
- een eenvoudige omschrijving geven of vragen;
- het juiste woord vragen;
- gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
* F 20 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
4 Spreken: Engels (E)
De leerlingen kunnen
E 13 deelnemen aan door de leraar geleide gesprekken.
E 14 eenvoudige vragen stellen en een bondig antwoord geven op vragen over in de klas beluisterd en gelezen tekstmateriaal.
E 15 op een eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
E 16 op gepaste wijze een aantal taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen, rekening houdend met de elementaire omgangsregels.
E 17 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- het op een andere wijze zeggen;
- een eenvoudige omschrijving geven of vragen;
- het juiste woord vragen;
- gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
* E 18 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
5 Schrijven: Frans (F)
De leerlingen kunnen
F 21 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
F 22 inlichtingen verstrekken op eenvoudige invulformulieren.
F 23 korte mededelingen opstellen met behulp van een voorbeeld.
F 24 een eenvoudige korte tekst neerschrijven over een bestudeerd onderwerp met behulp van sleutelwoorden.
F 25 strategieën aanwenden die het schrijven vergemakkelijken:
- gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
- een eenvoudig woordenboek of woordenlijst doeltreffend gebruiken om het juiste woord te vinden.
De leerlingen
* F 26 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige schrijfbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
6 Schrijven: Engels (E)
De leerlingen kunnen
E 19 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
E 20 schriftelijke oefeningen maken waarbij gegevens moeten worden gewijzigd of aangevuld.
E 21 inlichtingen verstrekken op eenvoudige invulformulieren.
E 22 een korte mededeling opstellen met behulp van een voorbeeld.
E 23 strategieën aanwenden die het schrijven vergemakkelijken:
- gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
- een eenvoudig woordenboek of woordenlijst doeltreffend gebruiken om het juiste woord te vinden.
De leerlingen
* E 24 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige schrijfbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
FRANS
ENGELS (5)
1 Luisteren
De leerlingen kunnen
1 de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken aanwijzingen, instructies en waarschuwingen die verwoord zijn in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
2 relevante en herkenbare informatie selecteren uit functionele boodschappen, die verwoord zijn in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
3 de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet verwoord wordt in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een matig spreektempo.
4 in een eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende begrijpen om deze te woord te kunnen staan.
5 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- verzoeken om te herhalen;
- verzoeken om langzamer te spreken;
- vragen naar een omschrijving;
- vragen om te spellen;
- vragen om iets op te schrijven.
De leerlingen
* 6 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige luisterbereidheid opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren en zich te concentreren op wat ze willen vernemen.
2 Lezen
De leerlingen kunnen
7 de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en waarschuwingen, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
8 relevante en herkenbare informatie opzoeken in functionele teksten, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
9 de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet wordt verwoord in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
10 de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
11 strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- herkennen van doorzichtige woorden;
- afleiden uit de context;
- raadplegen van een eenvoudig woordenboek of woordenlijst.
De leerlingen
* 12 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige leesbereidheid opbrengen en zich concentreren op wat ze willen vernemen.
3 Spreken: Frans (F)
De leerlingen kunnen
F 13 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op basis van behandelde onderwerpen.
F 14 eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
F 15 eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de hand van eenvoudige documenten.
F 16 op een eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
F 17 deelnemen aan een eenvoudig gesprek in voor hen relevante en haalbare situaties.
F 18 op gepaste wijze een aantal taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen, rekening houdend met de elementaire omgangsregels.
F 19 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- het op een andere wijze zeggen;
- een eenvoudige omschrijving geven of vragen;
- het juiste woord vragen;
- gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
* F 20 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
4 Spreken: Engels (E)
De leerlingen kunnen
E 13 deelnemen aan door de leraar geleide gesprekken.
E 14 eenvoudige vragen stellen en een bondig antwoord geven op vragen over in de klas beluisterd en gelezen tekstmateriaal.
E 15 op een eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
E 16 op gepaste wijze een aantal taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen, rekening houdend met de elementaire omgangsregels.
E 17 in een eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- het op een andere wijze zeggen;
- een eenvoudige omschrijving geven of vragen;
- het juiste woord vragen;
- gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
* E 18 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
5 Schrijven: Frans (F)
De leerlingen kunnen
F 21 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
F 22 inlichtingen verstrekken op eenvoudige invulformulieren.
F 23 korte mededelingen opstellen met behulp van een voorbeeld.
F 24 een eenvoudige korte tekst neerschrijven over een bestudeerd onderwerp met behulp van sleutelwoorden.
F 25 strategieën aanwenden die het schrijven vergemakkelijken:
- gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
- een eenvoudig woordenboek of woordenlijst doeltreffend gebruiken om het juiste woord te vinden.
De leerlingen
* F 26 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige schrijfbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
6 Schrijven: Engels (E)
De leerlingen kunnen
E 19 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
E 20 schriftelijke oefeningen maken waarbij gegevens moeten worden gewijzigd of aangevuld.
E 21 inlichtingen verstrekken op eenvoudige invulformulieren.
E 22 een korte mededeling opstellen met behulp van een voorbeeld.
E 23 strategieën aanwenden die het schrijven vergemakkelijken:
- gebruik maken van een model of van een in de klas behandelde tekst;
- een eenvoudig woordenboek of woordenlijst doeltreffend gebruiken om het juiste woord te vinden.
De leerlingen
* E 24 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige schrijfbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
Art. 5N1. LANGUES ETRANGERES MODERNES :
FRANCAIS.
ANGLAIS (5).
1 Ecouter
Les élèves peuvent
1 comprendre la signification d'indications, d'instructions et d'avertissements qui sont prononcés clairement et formulés dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
2 sélectionner des informations identifiables et pertinentes dans des messages fonctionnels qui sont formulés dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
3 comprendre l'essentiel de textes narratifs courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et transmise dans un débit raisonnable.
4 comprendre suffisamment leur partenaire pendant une conversation simple afin de pouvoir lui répondre.
5 appliquer des stratégies au cours d'une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- demander de répéter;
- demander de parler plus lentement;
- demander de décrire;
- demander d'épeler;
- demander d'écrire quelque chose.
Les élèves
* 6 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écouter afin de fonctionner dans des situations de communication simples et de se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
2 Lire
Les élèves peuvent
7 comprendre la signification d'indications, d'inscriptions et d'avertissements qui sont écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
8 rechercher des informations pertinentes et reconnaissables dans des textes fonctionnels qui sont écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
9 comprendre les choses principales de textes courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
10 comprendre la cohérence de textes courts, écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
11 appliquer des stratégies qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- reconnaître des termes clairs;
- interpréter d'après le contexte;
- consulter un dictionnaire ou un lexique simple.
Les élèves
* 12 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à lire et à se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
3 Parler : Francais (F)
Les élèves peuvent
F 13 formuler des questions simples et y répondre sur la base de sujets traités.
F 14 répéter à l'aide de mots-clés et de façon concise des textes et des dialogues courts et simples qu'ils ont étudiés.
F 15 formuler des questions simples et y répondre à l'aide de documents simples.
F 16 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
F 17 participer à une conversation simple dans des situations qui sont intéressantes et à leur portée.
F 18 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés qui sont fréquemment répétés au cours de conversations simples, en tenant compte des règles élémentaires de la politesse.
F 19 utiliser des stratégies au cours d'une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif : - dire la même chose d'une autre facon;
- donner ou demander une description simple;
- demander le terme exact;
- utiliser le langage corporel.
Les élèves
*F 20 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à parler et à montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
4 Parler : Anglais (A)
Les élèves peuvent
A 13 participer à des conversations menées par le professeur.
A 14 poser des questions simples et donner une réponse concise à des questions concernant le matériel textuel lu et écouté en classe.
A 15 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
A 16 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés qui sont fréquemment répétés au cours de conversations simples, en tenant compte des règles élémentaires de la politesse.
A 17 appliquer des stratégies pendant une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- dire la même chose d'une autre facon;
- donner ou demander une description simple;
- demander le terme exact;
- utiliser le langage corporel.
Les élèves
* A 18 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à parler et à montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
5 Ecrire : Francais (F)
Les élèves peuvent
F 21 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à une orthographe correcte.
F 22 transmettre des informations sur des formulaires simples.
F 23 rédiger des communications courtes à l'aide d'un exemple.
F 24 rédiger un texte court et simple sur un thème étudié à l'aide de mots-clés.
F 25 appliquer des stratégies qui leur permettent d'écrire plus facilement :
- utiliser un modèle ou un texte étudié en classe;
- utiliser efficacement un dictionnaire ou un lexique simple afin de trouver le terme exact;
Les élèves
* F 26 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écrire et à avoir l'audace d'écrire pour fonctionner dans des situations de communication simples.
6 Ecrire : Anglais (A)
Les élèves peuvent
A 19 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à une orthographe correcte.
A 20 faire des exercices écrits dans lesquels des données doivent être modifiées ou complétées.
A 21 remplir des formulaires simples.
A 22 rédiger une brève annonce à l'aide d'un exemple.
A 23 appliquer des stratégies qui leur permettent d'écrire plus facilement :
- utiliser un modèle ou un texte étudié en classe;
- consulter efficacement un dictionnaire ou un lexique simple afin de trouver le terme exact;
Les élèves
* A 24 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écrire et à montrer l'audace d'écrire pour fonctionner dans des situations de communication simples.
FRANCAIS.
ANGLAIS (5).
1 Ecouter
Les élèves peuvent
1 comprendre la signification d'indications, d'instructions et d'avertissements qui sont prononcés clairement et formulés dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
2 sélectionner des informations identifiables et pertinentes dans des messages fonctionnels qui sont formulés dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
3 comprendre l'essentiel de textes narratifs courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et transmise dans un débit raisonnable.
4 comprendre suffisamment leur partenaire pendant une conversation simple afin de pouvoir lui répondre.
5 appliquer des stratégies au cours d'une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- demander de répéter;
- demander de parler plus lentement;
- demander de décrire;
- demander d'épeler;
- demander d'écrire quelque chose.
Les élèves
* 6 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écouter afin de fonctionner dans des situations de communication simples et de se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
2 Lire
Les élèves peuvent
7 comprendre la signification d'indications, d'inscriptions et d'avertissements qui sont écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
8 rechercher des informations pertinentes et reconnaissables dans des textes fonctionnels qui sont écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
9 comprendre les choses principales de textes courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
10 comprendre la cohérence de textes courts, écrits dans un langage simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
11 appliquer des stratégies qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- reconnaître des termes clairs;
- interpréter d'après le contexte;
- consulter un dictionnaire ou un lexique simple.
Les élèves
* 12 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à lire et à se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
3 Parler : Francais (F)
Les élèves peuvent
F 13 formuler des questions simples et y répondre sur la base de sujets traités.
F 14 répéter à l'aide de mots-clés et de façon concise des textes et des dialogues courts et simples qu'ils ont étudiés.
F 15 formuler des questions simples et y répondre à l'aide de documents simples.
F 16 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
F 17 participer à une conversation simple dans des situations qui sont intéressantes et à leur portée.
F 18 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés qui sont fréquemment répétés au cours de conversations simples, en tenant compte des règles élémentaires de la politesse.
F 19 utiliser des stratégies au cours d'une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif : - dire la même chose d'une autre facon;
- donner ou demander une description simple;
- demander le terme exact;
- utiliser le langage corporel.
Les élèves
*F 20 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à parler et à montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
4 Parler : Anglais (A)
Les élèves peuvent
A 13 participer à des conversations menées par le professeur.
A 14 poser des questions simples et donner une réponse concise à des questions concernant le matériel textuel lu et écouté en classe.
A 15 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
A 16 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés qui sont fréquemment répétés au cours de conversations simples, en tenant compte des règles élémentaires de la politesse.
A 17 appliquer des stratégies pendant une conversation simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif :
- dire la même chose d'une autre facon;
- donner ou demander une description simple;
- demander le terme exact;
- utiliser le langage corporel.
Les élèves
* A 18 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à parler et à montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
5 Ecrire : Francais (F)
Les élèves peuvent
F 21 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à une orthographe correcte.
F 22 transmettre des informations sur des formulaires simples.
F 23 rédiger des communications courtes à l'aide d'un exemple.
F 24 rédiger un texte court et simple sur un thème étudié à l'aide de mots-clés.
F 25 appliquer des stratégies qui leur permettent d'écrire plus facilement :
- utiliser un modèle ou un texte étudié en classe;
- utiliser efficacement un dictionnaire ou un lexique simple afin de trouver le terme exact;
Les élèves
* F 26 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écrire et à avoir l'audace d'écrire pour fonctionner dans des situations de communication simples.
6 Ecrire : Anglais (A)
Les élèves peuvent
A 19 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à une orthographe correcte.
A 20 faire des exercices écrits dans lesquels des données doivent être modifiées ou complétées.
A 21 remplir des formulaires simples.
A 22 rédiger une brève annonce à l'aide d'un exemple.
A 23 appliquer des stratégies qui leur permettent d'écrire plus facilement :
- utiliser un modèle ou un texte étudié en classe;
- consulter efficacement un dictionnaire ou un lexique simple afin de trouver le terme exact;
Les élèves
* A 24 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écrire et à montrer l'audace d'écrire pour fonctionner dans des situations de communication simples.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 6N1. ARTISTIEKE OPVOEDING OF PLASTISCHE OPVOEDING EN/OF MUZIKALE OPVOEDING (6)
1 Muzikale opvoeding
1.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht luisteren en hun waarneming toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 in gegeven muziekwerken de basiscomponenten ritme, melodie, muzikale vorm en klankkleur waarnemen en herkennen.
3 in gegeven muziekwerken stemsoorten en instrumenten onderscheiden en vergelijken.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
5 verschillende muziekgenres herkennen.
1.2 Musiceren
Zingen
De leerlingen kunnen
6 een gevarieerd liedrepertoire van een tiental liederen in groepsverband onder leiding uitvoeren.
Spelen
De leerlingen kunnen
7 enkele muziekinstrumenten speels onderzoeken.
8 een gevarieerd aanbod van eenvoudige muziekwerken in groepsverband uitvoeren.
9 onder leiding een eenvoudig, door henzelf bedacht muzikaal gegeven vocaal, instrumentaal of met beweging improviseren en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke ervaringen met de eigenheid van de muzikale taal verwoorden uit:
- diverse muziekgenres;
- verschillende culturen.
11 verwoorden dat hun muzikale beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 enkele muziekstromingen geografisch situeren.
13 voorbeelden geven van functies van muziek in de maatschappij.
14 over het actuele muziekgebeuren vertellen.
1.3 Attitudes
De leerlingen
* 15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
* 16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
* 17 leren bij het collectief musiceren hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
* 18 leren zich expressief uiten.
2 Plastische Opvoeding
2.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht kijken en hun kijkervaring toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 de functies van aangeboden beeldtaal waarnemen en vergelijken.
3 verschillende beeldaspecten identificeren.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
2.2 Vormgeven
Lijn
De leerlingen kunnen
5 onder begeleiding verschillende methoden en technieken functioneel gebruiken.
6 hun gedachten en ideeën door middel van een schets vastleggen.
Kleur
De leerlingen kunnen
7 onder begeleiding kleuren op expressieve, impressieve en symbolische wijze toepassen.
Vorm
De leerlingen kunnen
8 onder begeleiding vormsoorten, vormrelaties, vormvariaties, vormconcepten en vormfuncties zowel twee- als driedimensioneel toepassen in hun eigen beeldend werk.
Vormgeven
De leerlingen kunnen
9 onder begeleiding tot een expressieve weergave komen waarbij de beeldaspecten, de techniek en de materialen op een verantwoorde wijze in hun persoonlijk werk worden geïntegreerd en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
2.3 Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke mening geven over diverse beeldende creaties uit verschillende culturen en belangstelling opbrengen voor beeldende creaties, zowel traditionele als nieuwe, met inbegrip van deze buiten hun eigen culturele leefwereld.
11 verwoorden dat hun visuele beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 de grote diversiteit van beeldcreaties aanwijzen en de doelgerichtheid en eventuele consumptiegerichtheid ervan verwoorden.
13 vertellen over het actuele gebeuren in de beeldende kunst in de ruime zin.
14 hun eigen beeldend werk naar inhoud en vorm toelichten.
2.4 Attitudes
De leerlingen
* 15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
* 16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
* 17 leren bij het groepswerk hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
* 18 leren zich expressief uiten.
1 Muzikale opvoeding
1.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht luisteren en hun waarneming toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 in gegeven muziekwerken de basiscomponenten ritme, melodie, muzikale vorm en klankkleur waarnemen en herkennen.
3 in gegeven muziekwerken stemsoorten en instrumenten onderscheiden en vergelijken.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
5 verschillende muziekgenres herkennen.
1.2 Musiceren
Zingen
De leerlingen kunnen
6 een gevarieerd liedrepertoire van een tiental liederen in groepsverband onder leiding uitvoeren.
Spelen
De leerlingen kunnen
7 enkele muziekinstrumenten speels onderzoeken.
8 een gevarieerd aanbod van eenvoudige muziekwerken in groepsverband uitvoeren.
9 onder leiding een eenvoudig, door henzelf bedacht muzikaal gegeven vocaal, instrumentaal of met beweging improviseren en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke ervaringen met de eigenheid van de muzikale taal verwoorden uit:
- diverse muziekgenres;
- verschillende culturen.
11 verwoorden dat hun muzikale beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 enkele muziekstromingen geografisch situeren.
13 voorbeelden geven van functies van muziek in de maatschappij.
14 over het actuele muziekgebeuren vertellen.
1.3 Attitudes
De leerlingen
* 15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
* 16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
* 17 leren bij het collectief musiceren hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
* 18 leren zich expressief uiten.
2 Plastische Opvoeding
2.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht kijken en hun kijkervaring toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 de functies van aangeboden beeldtaal waarnemen en vergelijken.
3 verschillende beeldaspecten identificeren.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
2.2 Vormgeven
Lijn
De leerlingen kunnen
5 onder begeleiding verschillende methoden en technieken functioneel gebruiken.
6 hun gedachten en ideeën door middel van een schets vastleggen.
Kleur
De leerlingen kunnen
7 onder begeleiding kleuren op expressieve, impressieve en symbolische wijze toepassen.
Vorm
De leerlingen kunnen
8 onder begeleiding vormsoorten, vormrelaties, vormvariaties, vormconcepten en vormfuncties zowel twee- als driedimensioneel toepassen in hun eigen beeldend werk.
Vormgeven
De leerlingen kunnen
9 onder begeleiding tot een expressieve weergave komen waarbij de beeldaspecten, de techniek en de materialen op een verantwoorde wijze in hun persoonlijk werk worden geïntegreerd en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
2.3 Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke mening geven over diverse beeldende creaties uit verschillende culturen en belangstelling opbrengen voor beeldende creaties, zowel traditionele als nieuwe, met inbegrip van deze buiten hun eigen culturele leefwereld.
11 verwoorden dat hun visuele beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 de grote diversiteit van beeldcreaties aanwijzen en de doelgerichtheid en eventuele consumptiegerichtheid ervan verwoorden.
13 vertellen over het actuele gebeuren in de beeldende kunst in de ruime zin.
14 hun eigen beeldend werk naar inhoud en vorm toelichten.
2.4 Attitudes
De leerlingen
* 15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
* 16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
* 17 leren bij het groepswerk hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
* 18 leren zich expressief uiten.
Art. 6N1. EDUCATION ARTISTIQUE OU EDUCATION PLASTIQUE ET/OU EDUCATION MUSICALE (6).
1 Education musicale
1.1 Percevoir
Les élèves peuvent
1 écouter de façon orientée et comparer leur perception aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 percevoir et reconnaître, dans des oeuvres musicales, les composants de base comme le rythme, la mélodie, la forme musicale et le timbre.
3 différencier et comparer les types de voix et les instruments dans des oeuvres musicales données.
4 percevoir et comprendre une simple interaction entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
5 reconnaître différents genres musicaux.
1.2 Faire de la musique
Chanter
Les élèves peuvent
6 exécuter en groupe et avec accompagnement un répertoire varié d'une dizaine de chansons.
Jouer
Les élèves peuvent
7 étudier quelques instruments de musique en jouant.
8 exécuter en groupe un ensemble varié d'oeuvres musicales simples.
9 improviser, avec accompagnement, un morceau musical de leur propre composition à l'aide de la voix, d'un instrument ou de gestes et recherchent l'originalité et l'authenticité.
Exprimer
Les élèves peuvent
10 exprimer leurs propres expériences avec les caractéristiques de la langue musicale :
- de divers genres musicaux
- de diverses cultures.
11 expliquer que leur expérience musicale est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 situer du point de vue géographique quelques courants musicaux.
13 donner des exemples des fonctions de la musique dans la société.
14 parler de l'actualité musicale.
1.3 Attitudes
Les élèves
* 15 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques émises sur leurs propres expressions créatives.
* 16 sont disposés à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
* 17 font preuve de solidarité lorsqu'ils font de la musique en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
* 18 apprennent à s'exprimer.
2 Education plastique
2.1 Observer
Les élèves peuvent
1 regarder de façon orientée et comparer leur expérience visuelle aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 observer et comparer les fonctions du langage visuel.
3 identifier différents aspects de l'image.
4 observer et comprendre une simple interaction entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
2.2 Créer des formes
Ligne
Les élèves peuvent
5 utiliser avec accompagnement différentes méthodes et techniques de façon fonctionnelle.
6 consigner leurs pensées et leurs idées au moyen d'un croquis.
Couleur
Les élèves peuvent
7 utiliser avec accompagnement les couleurs de façon expressive, impressive et symbolique.
Forme
Les élèves peuvent
8 appliquer avec accompagnement des types, des relations, des variations, des concepts et des fonctions formels aussi bien en deux qu'en trois dimensions et ce, dans leurs propres oeuvres plastiques.
Créer des formes
Les élèves peuvent
9 effectuer, avec accompagnement, une reproduction expressive dans laquelle les aspects artistiques, la technique et les matériaux sont intégrés de manière réfléchie dans leur travail personnel et recherchent l'originalité et l'authenticité.
2.3 Exprimer
Les élèves peuvent
10 donner leur avis personnel sur diverses créations plastiques provenant de différentes cultures et s'intéresser à des créations plastiques, tant traditionnelles que nouvelles, y compris celles provenant d'un autre environnement culturel.
11 expliquer que leur expérience visuelle est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 indiquer la grande diversité des créations plastiques et expliquer leur justification et leur exploitation éventuelle en tant que produits de consommation.
13 parler de l'actualité en arts plastiques au sens large.
14 donner des explications sur leur propre oeuvre quant au contenu et à la forme.
2.4 Attitudes
Les élèves
* 15 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et à celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques concernant leurs expressions créatives.
* 16 apprennent à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
* 17 font preuve de solidarité lorsqu'ils travaillent en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
* 18 apprennent à s'exprimer.
1 Education musicale
1.1 Percevoir
Les élèves peuvent
1 écouter de façon orientée et comparer leur perception aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 percevoir et reconnaître, dans des oeuvres musicales, les composants de base comme le rythme, la mélodie, la forme musicale et le timbre.
3 différencier et comparer les types de voix et les instruments dans des oeuvres musicales données.
4 percevoir et comprendre une simple interaction entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
5 reconnaître différents genres musicaux.
1.2 Faire de la musique
Chanter
Les élèves peuvent
6 exécuter en groupe et avec accompagnement un répertoire varié d'une dizaine de chansons.
Jouer
Les élèves peuvent
7 étudier quelques instruments de musique en jouant.
8 exécuter en groupe un ensemble varié d'oeuvres musicales simples.
9 improviser, avec accompagnement, un morceau musical de leur propre composition à l'aide de la voix, d'un instrument ou de gestes et recherchent l'originalité et l'authenticité.
Exprimer
Les élèves peuvent
10 exprimer leurs propres expériences avec les caractéristiques de la langue musicale :
- de divers genres musicaux
- de diverses cultures.
11 expliquer que leur expérience musicale est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 situer du point de vue géographique quelques courants musicaux.
13 donner des exemples des fonctions de la musique dans la société.
14 parler de l'actualité musicale.
1.3 Attitudes
Les élèves
* 15 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques émises sur leurs propres expressions créatives.
* 16 sont disposés à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
* 17 font preuve de solidarité lorsqu'ils font de la musique en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
* 18 apprennent à s'exprimer.
2 Education plastique
2.1 Observer
Les élèves peuvent
1 regarder de façon orientée et comparer leur expérience visuelle aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 observer et comparer les fonctions du langage visuel.
3 identifier différents aspects de l'image.
4 observer et comprendre une simple interaction entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
2.2 Créer des formes
Ligne
Les élèves peuvent
5 utiliser avec accompagnement différentes méthodes et techniques de façon fonctionnelle.
6 consigner leurs pensées et leurs idées au moyen d'un croquis.
Couleur
Les élèves peuvent
7 utiliser avec accompagnement les couleurs de façon expressive, impressive et symbolique.
Forme
Les élèves peuvent
8 appliquer avec accompagnement des types, des relations, des variations, des concepts et des fonctions formels aussi bien en deux qu'en trois dimensions et ce, dans leurs propres oeuvres plastiques.
Créer des formes
Les élèves peuvent
9 effectuer, avec accompagnement, une reproduction expressive dans laquelle les aspects artistiques, la technique et les matériaux sont intégrés de manière réfléchie dans leur travail personnel et recherchent l'originalité et l'authenticité.
2.3 Exprimer
Les élèves peuvent
10 donner leur avis personnel sur diverses créations plastiques provenant de différentes cultures et s'intéresser à des créations plastiques, tant traditionnelles que nouvelles, y compris celles provenant d'un autre environnement culturel.
11 expliquer que leur expérience visuelle est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 indiquer la grande diversité des créations plastiques et expliquer leur justification et leur exploitation éventuelle en tant que produits de consommation.
13 parler de l'actualité en arts plastiques au sens large.
14 donner des explications sur leur propre oeuvre quant au contenu et à la forme.
2.4 Attitudes
Les élèves
* 15 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et à celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques concernant leurs expressions créatives.
* 16 apprennent à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
* 17 font preuve de solidarité lorsqu'ils travaillent en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
* 18 apprennent à s'exprimer.
Art. 7N1. NEDERLANDS (7)
1 Luisteren
1 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten (verwerkingsniveau: structureren):
- een uiteenzetting door de leraar over een leerstofonderdeel in de klas;
- een dialoog, polyloog met medeleerlingen met betrekking tot het school- en klasgebeuren;.
- een jeugdprogramma op radio en TV;
- instructies in verband met het uitvoeren van handelingen voor onbekende leeftijdgenoten;
- een telefoongesprek met een onbekende volwassene.
2 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten (verwerkingsniveau:
beoordelen):
- uitspraken in een discussie;
- oproepen en uitnodigingen tot een activiteit;
- mondeling aangeboden ontspannende teksten;
- reclameboodschappen in de media.
3 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.1 opgesomd zijn.
* 4 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties een bereidheid om:
- te luisteren;
- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;
- een ander te laten uitspreken;
- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;
- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.
2 Spreken
5 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
- vragen en antwoorden met betrekking tot leerstofonderdelen in de klas;
- instructies aan bekende leeftijdgenoten;
- uitnodigingen aan een bekende volwassene tot deelname aan een activiteit;
- (telefoon)gesprekken: een onbekende volwassene inlichtingen geven of erom vragen;
- mededelingen: de informatie die ze met betrekking tot een bepaald onderwerp, thema of opdracht hebben verzameld aan de leraar en klasgenoten aanbieden;
- mededelingen: gevoelens, gewaarwordingen, verwachtingen in verband met het klasgebeuren tegenover een bekende volwassene verwoorden.
6 De leerlingen kunnen aan een gedachtenwisseling in de klas deelnemen, daarin een standpunt onder woorden brengen en toelichten (verwerkingsniveau: beoordelen).
7 Bij de planning, uitvoering, en beoordeling van hun spreektaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.2 opgesomd zijn.
* 8 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties (zie eindtermen 5 en 6) een bereidheid om:
- te spreken;
- algemeen Nederlands te spreken;
- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen communicatiegedrag.
3 Lezen
9 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: structureren):
- schema's en tabellen;
- de ondertiteling bij informatieve en ontspannende televisieprogramma's;
- studieteksten;
- fictionele teksten.
10 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: beoordelen):
- brieven;
- schriftelijke oproepen of uitnodigingen tot actie;
- instructies;
- reclameteksten en advertenties;
- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen.
11 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.3 opgesomd zijn.
* 12 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste situaties een bereidheid om:
- te lezen;
- te reflecteren over de inhoud van een tekst;
- bij het lezen de middelen toe te passen die in 20.3 opgesomd zijn;
- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen;
- zich in te leven in fictionele tekstsoorten;
- hun persoonlijke waardering en voorkeur voor bepaalde teksten uit te spreken.
4 Schrijven
13 De leerlingen kunnen in een voorgestructureerd kader notities maken.
14 De leerlingen kunnen voor hun leeftijd bestemde formulieren invullen.
15 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
- een oproep, een uitnodiging aan bekende leeftijdgenoten;
- een instructie aan bekende leeftijdgenoten;
- een stuk met informatie over henzelf voor al of niet nader bekenden;
- een informatief stuk voor bekende leeftijdgenoten;
- antwoorden op vragen van bekende volwassenen over op school verwerkte inhouden;
- een verslag aan bekende volwassenen over een gegeven schoolse opdracht.
16 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.4 opgesomd zijn. Bij het schrijven houdt dat ook verzorging in van de geschreven tekst op het gebied van handschrift, spelling, indeling en lay-out.
* 17 De leerlingen ontwikkelen binnen de gepaste situaties (zie eindterm 15) een bereidheid om:
- te schrijven;
- te reflecteren over hun eigen schrijven;
- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.
5 Taalbeschouwing
18 Met het oog op een efficiënte communicatie kennen de leerlingen de essentiële elementen van de communicatiesituatie (zender, ontvanger, boodschap, kanaal).
19 Met het oog op een efficiënte communicatie hebben de leerlingen weet van het bestaan van:
- standaardtalen en van regionale, sociale en situationele taalvarianten;
- normen, vooroordelen en rolgedrag.
20 De leerlingen hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
1 Luisteren
1 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten (verwerkingsniveau: structureren):
- een uiteenzetting door de leraar over een leerstofonderdeel in de klas;
- een dialoog, polyloog met medeleerlingen met betrekking tot het school- en klasgebeuren;.
- een jeugdprogramma op radio en TV;
- instructies in verband met het uitvoeren van handelingen voor onbekende leeftijdgenoten;
- een telefoongesprek met een onbekende volwassene.
2 De leerlingen kunnen luisteren naar de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten (verwerkingsniveau:
beoordelen):
- uitspraken in een discussie;
- oproepen en uitnodigingen tot een activiteit;
- mondeling aangeboden ontspannende teksten;
- reclameboodschappen in de media.
3 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun luistertaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.1 opgesomd zijn.
* 4 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties een bereidheid om:
- te luisteren;
- een onbevooroordeelde luisterhouding aan te nemen;
- een ander te laten uitspreken;
- te reflecteren over hun eigen luisterhouding;
- het beluisterde te toetsen aan eigen kennis en inzichten.
2 Spreken
5 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
- vragen en antwoorden met betrekking tot leerstofonderdelen in de klas;
- instructies aan bekende leeftijdgenoten;
- uitnodigingen aan een bekende volwassene tot deelname aan een activiteit;
- (telefoon)gesprekken: een onbekende volwassene inlichtingen geven of erom vragen;
- mededelingen: de informatie die ze met betrekking tot een bepaald onderwerp, thema of opdracht hebben verzameld aan de leraar en klasgenoten aanbieden;
- mededelingen: gevoelens, gewaarwordingen, verwachtingen in verband met het klasgebeuren tegenover een bekende volwassene verwoorden.
6 De leerlingen kunnen aan een gedachtenwisseling in de klas deelnemen, daarin een standpunt onder woorden brengen en toelichten (verwerkingsniveau: beoordelen).
7 Bij de planning, uitvoering, en beoordeling van hun spreektaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.2 opgesomd zijn.
* 8 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste communicatiesituaties (zie eindtermen 5 en 6) een bereidheid om:
- te spreken;
- algemeen Nederlands te spreken;
- een kritische houding aan te nemen tegenover hun eigen communicatiegedrag.
3 Lezen
9 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: structureren):
- schema's en tabellen;
- de ondertiteling bij informatieve en ontspannende televisieprogramma's;
- studieteksten;
- fictionele teksten.
10 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten voor leeftijdgenoten lezen (verwerkingsniveau: beoordelen):
- brieven;
- schriftelijke oproepen of uitnodigingen tot actie;
- instructies;
- reclameteksten en advertenties;
- informatieve teksten, inclusief informatiebronnen.
11 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun leestaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.3 opgesomd zijn.
* 12 De leerlingen ontwikkelen binnen gepaste situaties een bereidheid om:
- te lezen;
- te reflecteren over de inhoud van een tekst;
- bij het lezen de middelen toe te passen die in 20.3 opgesomd zijn;
- de verkregen informatie aan eigen kennis en inzicht te toetsen;
- zich in te leven in fictionele tekstsoorten;
- hun persoonlijke waardering en voorkeur voor bepaalde teksten uit te spreken.
4 Schrijven
13 De leerlingen kunnen in een voorgestructureerd kader notities maken.
14 De leerlingen kunnen voor hun leeftijd bestemde formulieren invullen.
15 De leerlingen kunnen de volgende tekstsoorten produceren (verwerkingsniveau: structureren):
- een oproep, een uitnodiging aan bekende leeftijdgenoten;
- een instructie aan bekende leeftijdgenoten;
- een stuk met informatie over henzelf voor al of niet nader bekenden;
- een informatief stuk voor bekende leeftijdgenoten;
- antwoorden op vragen van bekende volwassenen over op school verwerkte inhouden;
- een verslag aan bekende volwassenen over een gegeven schoolse opdracht.
16 Bij de planning, uitvoering en beoordeling van hun schrijftaken kunnen de leerlingen de middelen gebruiken die in 20.4 opgesomd zijn. Bij het schrijven houdt dat ook verzorging in van de geschreven tekst op het gebied van handschrift, spelling, indeling en lay-out.
* 17 De leerlingen ontwikkelen binnen de gepaste situaties (zie eindterm 15) een bereidheid om:
- te schrijven;
- te reflecteren over hun eigen schrijven;
- taal, indeling, spelling, handschrift en lay-out te verzorgen.
5 Taalbeschouwing
18 Met het oog op een efficiënte communicatie kennen de leerlingen de essentiële elementen van de communicatiesituatie (zender, ontvanger, boodschap, kanaal).
19 Met het oog op een efficiënte communicatie hebben de leerlingen weet van het bestaan van:
- standaardtalen en van regionale, sociale en situationele taalvarianten;
- normen, vooroordelen en rolgedrag.
20 De leerlingen hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
Art. 7N1. NEERLANDAIS (7).
1 Ecouter
1 Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants (niveau de traitement : structurer):
- un exposé donné en classe par le professeur sur une matière donnée;
- un dialogue, un polylogue avec des condisciples concernant les événements scolaires et en classe;
- un programme pour jeunes à la radio ou à la télé;
- des instructions en rapport avec l'exécution de tâches pour des enfants du même âge qu'ils ne connaissent pas;
- une conversation téléphonique avec un adulte inconnu.
2 Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants destinés à des compagnons d'âge (niveau de traitement : juger) :
- des propos dans une discussion;
- des appels et des invitations à une activité;
- des textes récréatifs lus à voix haute;
- des messages publicitaires dans les médias.
3 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs tâches d'écoute, les élèves peuvent appliquer les moyens énumérés au point 20.1.
* 4 Dans des situations de communication appropriées, les élèves apprennent à être disposés à :
- écouter;
- adopter une attitude d'écoute sans préjugé;
- laisser un autre élève s'exprimer;
- réfléchir sur leur propre attitude d'écoute;
- comparer ce qu'ils écoutent à leurs propres connaissances et vues.
2 Parler
5 Les élèves peuvent produire les types de texte suivants (niveau de traitement : structurer) :
- questions et réponses concernant des matières données en classe;
- instructions aux compagnons d'âge connus;
- inviter un adulte connu à participer à une activité;
- conversations (téléphoniques) : donner ou demander des renseignements à un adulte inconnu;
- communications : fournir au professeur et aux condisciples les informations rassemblées sur un certain sujet, un certain thème ou une certaine tâche;
- communications : expliquer à un adulte connu des sentiments, des impressions, des attentes à propos des activités en classe.
6 Les élèves peuvent participer à un débat en classe, exprimer un point de vue et le préciser (niveau de traitement : juger).
7 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs tâches de conversation, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.2
* 8 Dans des situations de communication appropriées, les élèves apprennent (voir les objectifs finaux 5 et 6) à être disposés à :
- parler;
- parler le néerlandais standard;
- adopter une attitude critique par rapport à leur propre comportement communicationnel.
3 Lire
9 Les élèves peuvent lire les types de texte suivants pour des compagnons de même âge (niveau de traitement : structurer) :
- schémas et tableaux;
- le sous-titrage qui défile pendant des programmes récréatifs et informatifs à la télévision;
- des textes d'étude;
- des textes de fiction.
10 Les élèves peuvent lire les types de texte suivants pour des compagnons de même âge (niveau de traitement : juger) :
- lettres;
- appels ou invitations à l'action écrits;
- instructions;
- textes publicitaires et annonces;
- textes informatifs, y compris sources d'information.
11 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs exercices de lecture, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.3.
* 12 Dans des situations appropriées, les élèves apprennent à être disposés à :
- lire;
- réfléchir sur le contenu du texte;
- appliquer les moyens énumérés au point 20.3 pendant la lecture;
- comparer les informations obtenues à leurs propres connaissances et vues.
- s'investir dans des textes de fiction;
-exprimer leur appréciation et leur préférence pour certains textes.
4 Ecrire
13 Les élèves peuvent prendre des notes dans un cadre préparé à l'avance.
14 Les élèves peuvent remplir des formulaires destinés aux jeunes de leur âge.
15 Les élèves peuvent produire les types de texte suivants : (niveau de traitement : structurer) :
- un appel, une invitation destinée à des compagnons de même âge connus;
- une instruction à des compagnons de même âge connus;
- une information sur eux-mêmes destinée à des personnes connues ou inconnues;
- une information destinée à des compagnons de même âge connus;
- répondre aux questions posées par des adultes connus portant sur des contenus traités à l'école;
- faire un rapport à des adultes connus sur une tâche scolaire donnée.
16 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs exercices d'écriture, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.4. Lorsqu'ils écrivent un texte, ils soignent la calligraphie, l'orthographe, la structuration et la mise en page du texte écrit.
* 17 Dans des situations appropriées (voir objectif final 15), les élèves apprennent à être disposés à :
- écrire;
- réfléchir sur leur propre écrit;
- soigner la langue, la structuration, l'orthographe, la calligraphie et la mise en page.
5 Réflexions sur la langue
18 En vue d'une communication efficace, les élèves connaissent les principaux éléments de la situation communicationnelle (émetteur, récepteur, message, voie de communication).
19 En vue d'une communication efficace, les élèves connaissent :
- les langues standard, les variations linguistiques régionales, sociales et situationnelles;
- les normes, les préjugés et les comportements stéréotypés.
20 Les élèves connaissent les stratégies suivantes promouvant la communication, ce qui signifie qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
1 Ecouter
1 Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants (niveau de traitement : structurer):
- un exposé donné en classe par le professeur sur une matière donnée;
- un dialogue, un polylogue avec des condisciples concernant les événements scolaires et en classe;
- un programme pour jeunes à la radio ou à la télé;
- des instructions en rapport avec l'exécution de tâches pour des enfants du même âge qu'ils ne connaissent pas;
- une conversation téléphonique avec un adulte inconnu.
2 Les élèves peuvent écouter les types de texte suivants destinés à des compagnons d'âge (niveau de traitement : juger) :
- des propos dans une discussion;
- des appels et des invitations à une activité;
- des textes récréatifs lus à voix haute;
- des messages publicitaires dans les médias.
3 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs tâches d'écoute, les élèves peuvent appliquer les moyens énumérés au point 20.1.
* 4 Dans des situations de communication appropriées, les élèves apprennent à être disposés à :
- écouter;
- adopter une attitude d'écoute sans préjugé;
- laisser un autre élève s'exprimer;
- réfléchir sur leur propre attitude d'écoute;
- comparer ce qu'ils écoutent à leurs propres connaissances et vues.
2 Parler
5 Les élèves peuvent produire les types de texte suivants (niveau de traitement : structurer) :
- questions et réponses concernant des matières données en classe;
- instructions aux compagnons d'âge connus;
- inviter un adulte connu à participer à une activité;
- conversations (téléphoniques) : donner ou demander des renseignements à un adulte inconnu;
- communications : fournir au professeur et aux condisciples les informations rassemblées sur un certain sujet, un certain thème ou une certaine tâche;
- communications : expliquer à un adulte connu des sentiments, des impressions, des attentes à propos des activités en classe.
6 Les élèves peuvent participer à un débat en classe, exprimer un point de vue et le préciser (niveau de traitement : juger).
7 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs tâches de conversation, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.2
* 8 Dans des situations de communication appropriées, les élèves apprennent (voir les objectifs finaux 5 et 6) à être disposés à :
- parler;
- parler le néerlandais standard;
- adopter une attitude critique par rapport à leur propre comportement communicationnel.
3 Lire
9 Les élèves peuvent lire les types de texte suivants pour des compagnons de même âge (niveau de traitement : structurer) :
- schémas et tableaux;
- le sous-titrage qui défile pendant des programmes récréatifs et informatifs à la télévision;
- des textes d'étude;
- des textes de fiction.
10 Les élèves peuvent lire les types de texte suivants pour des compagnons de même âge (niveau de traitement : juger) :
- lettres;
- appels ou invitations à l'action écrits;
- instructions;
- textes publicitaires et annonces;
- textes informatifs, y compris sources d'information.
11 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs exercices de lecture, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.3.
* 12 Dans des situations appropriées, les élèves apprennent à être disposés à :
- lire;
- réfléchir sur le contenu du texte;
- appliquer les moyens énumérés au point 20.3 pendant la lecture;
- comparer les informations obtenues à leurs propres connaissances et vues.
- s'investir dans des textes de fiction;
-exprimer leur appréciation et leur préférence pour certains textes.
4 Ecrire
13 Les élèves peuvent prendre des notes dans un cadre préparé à l'avance.
14 Les élèves peuvent remplir des formulaires destinés aux jeunes de leur âge.
15 Les élèves peuvent produire les types de texte suivants : (niveau de traitement : structurer) :
- un appel, une invitation destinée à des compagnons de même âge connus;
- une instruction à des compagnons de même âge connus;
- une information sur eux-mêmes destinée à des personnes connues ou inconnues;
- une information destinée à des compagnons de même âge connus;
- répondre aux questions posées par des adultes connus portant sur des contenus traités à l'école;
- faire un rapport à des adultes connus sur une tâche scolaire donnée.
16 Lors du planning, de l'exécution et du jugement de leurs exercices d'écriture, les élèves peuvent utiliser les moyens énumérés au point 20.4. Lorsqu'ils écrivent un texte, ils soignent la calligraphie, l'orthographe, la structuration et la mise en page du texte écrit.
* 17 Dans des situations appropriées (voir objectif final 15), les élèves apprennent à être disposés à :
- écrire;
- réfléchir sur leur propre écrit;
- soigner la langue, la structuration, l'orthographe, la calligraphie et la mise en page.
5 Réflexions sur la langue
18 En vue d'une communication efficace, les élèves connaissent les principaux éléments de la situation communicationnelle (émetteur, récepteur, message, voie de communication).
19 En vue d'une communication efficace, les élèves connaissent :
- les langues standard, les variations linguistiques régionales, sociales et situationnelles;
- les normes, les préjugés et les comportements stéréotypés.
20 Les élèves connaissent les stratégies suivantes promouvant la communication, ce qui signifie qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
20.1 luisteren : luisterdoel bepalen;
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
aandacht concentreren;
belangrijke informatie noteren;
vragen stellen bij onduidelijkheid;
20.2 spreken : spreekdoel bepalen;
informatie verzamelen;
spreekplannetje opstellen;
bedoeling duidelijk formuleren;
20.3 lezen : leesdoel bepalen;
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
aandacht concentreren;
gericht informatie zoeken;
onduidelijke passages herlezen;
niet bekende woorden: context bevragen c.q. woordenboek
raadplegen;
20.4 schrijven : schrijfdoel bepalen;
informatie verzamelen;
schrijfplan opstellen;
woordenboek gebruiken;
eigen tekst reviseren.
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
aandacht concentreren;
belangrijke informatie noteren;
vragen stellen bij onduidelijkheid;
20.2 spreken : spreekdoel bepalen;
informatie verzamelen;
spreekplannetje opstellen;
bedoeling duidelijk formuleren;
20.3 lezen : leesdoel bepalen;
aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
aandacht concentreren;
gericht informatie zoeken;
onduidelijke passages herlezen;
niet bekende woorden: context bevragen c.q. woordenboek
raadplegen;
20.4 schrijven : schrijfdoel bepalen;
informatie verzamelen;
schrijfplan opstellen;
woordenboek gebruiken;
eigen tekst reviseren.
20.1 ecouter :determiner l'objectif de l'ecoute;
utiliser des indications dans la situation communicationnelle;
concentrer l'attention;
noter les informations importantes;
poser des questions en cas de manque de clarte;
20.2 parler : determiner l'objectif du discours;
rassembler les informations;
elaborer un plan de conversation;
formuler l'objectif avec precision;
20.3 lire : determiner l'objectif de la lecture;
utiliser des indications dans la situation communicationnelle;
concentrer l'attention;
chercher des informations de façon orientee;
relire les passages qui manquent de clarte;
termes inconnus : interroger le contexte, au besoin consulter un
dictionnaire;
20.4 ecrire : determiner l'objectif de l'ecriture;
rassembler les informations;
rediger un plan d'ecriture;
utiliser un dictionnaire;
reviser son propre texte.
utiliser des indications dans la situation communicationnelle;
concentrer l'attention;
noter les informations importantes;
poser des questions en cas de manque de clarte;
20.2 parler : determiner l'objectif du discours;
rassembler les informations;
elaborer un plan de conversation;
formuler l'objectif avec precision;
20.3 lire : determiner l'objectif de la lecture;
utiliser des indications dans la situation communicationnelle;
concentrer l'attention;
chercher des informations de façon orientee;
relire les passages qui manquent de clarte;
termes inconnus : interroger le contexte, au besoin consulter un
dictionnaire;
20.4 ecrire : determiner l'objectif de l'ecriture;
rassembler les informations;
rediger un plan d'ecriture;
utiliser un dictionnaire;
reviser son propre texte.
21 Met betrekking tot tekstsoorten hebben de leerlingen de kennis verworven die nodig is om de opgenoemde taaltaken bij luisteren, spreken, lezen en schrijven, uit te voeren.
22 Binnen concrete taalgebruiksituaties herkennen de leerlingen de volgende taalverschijnselen:
- verbindings- en verwijswoorden;
- enkelvoudige en samengestelde zinnen;
- samenstelling en afleiding (vormingsproces).
22 Binnen concrete taalgebruiksituaties herkennen de leerlingen de volgende taalverschijnselen:
- verbindings- en verwijswoorden;
- enkelvoudige en samengestelde zinnen;
- samenstelling en afleiding (vormingsproces).
21 En ce qui concerne les types de texte, les élèves ont acquis les connaissances nécessaires pour exécuter les tâches linguistiques énumérées lorsqu'ils écoutent, parlent, lisent et écrivent.
22 Dans des situations concrètes d'utilisation de la langue, les élèves reconnaissent les phénomènes linguistiques suivants:
- mots de liaison et de référence;
- phrases simples et composées;
- composition et dérivation (processus de formation).
22 Dans des situations concrètes d'utilisation de la langue, les élèves reconnaissent les phénomènes linguistiques suivants:
- mots de liaison et de référence;
- phrases simples et composées;
- composition et dérivation (processus de formation).
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 8N1. TECHNOLOGISCHE OPVOEDING (8)
1 Kennismaken met techniek en erover reflecteren
De leerlingen
1 situeren enkele grote stappen van de technische ontwikkeling van werktuigen, materialen, technische systemen en het gebruik ervan in tijd en ruimte.
2 sommen enkele gevolgen op van de technische evolutie en van nieuwe technologieën op de leefomstandigheden en de leefwereld van de mens, ook in andere cultuurgebieden.
3 illustreren met voorbeelden enkele manieren van opwekking, omvorming en gebruik van energie.
4 leggen met een eenvoudig voorbeeld uit dat vaak nuttige energie verloren gaat.
5 geven voorbeelden van milieu-effecten van recycleren, hergebruiken en wegwerpen.
6 illustreren het belang van technische tekeningen en andere technische gegevensoverdragers.
7 kennen in een concrete toepassing de gebruikte materialen.
8 maken kennis met de activiteiten van technische beroepsbeoefenaars, zowel mannen als vrouwen.
2 Planmatig werken en attitudes aannemen
De leerlingen
9 nemen veiligheidsregels in acht bij het gebruik van materialen, gereedschappen en toestellen.
10 evalueren eigen werk in elke fase van het technologisch proces.
11 raadplegen een handleiding, plan of schema.
De leerlingen
* 12 leren systematisch te werk gaan bij het uitvoeren van een technische opdracht.
* 13 leren zorgzaam en economisch omgaan met gereedschappen, toestellen, materialen en werkstukken.
* 14 leren het belang erkennen van de technische beroepen en van technische vaardigheden in de huidige samenleving, zowel voor mannen als voor vrouwen.
* 15 leren milieubewust omgaan met produkten en materialen.
3 Enkele technische begrippen verwerven
De leerlingen
16 duiden de onderdelen aan van een technisch systeem met behulp van een eenvoudig schema (stuklijst en/of symbolen).
17 onderscheiden een aantal bewegings- en krachtoverbrengingen.
18 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden de eenheden van spanning, stroomsterkte en vermogen gebruiken.
19 sommen waarneembare eigenschappen van serie- en parallelschakeling op.
20 leggen met een voorbeeld het verschil uit tussen gelijk- en wisselspanning.
21 beschrijven op een eenvoudige wijze hoe overbelasting en elektrokutie worden voorkomen.
22 beschrijven het werkingsprincipe van een toestel met eenvoudige automatische regeling.
23 vergelijken functie en kenmerken van een relais met een schakelaar.
24 zetten tiendelige getallen (van 0 tot 15) om in binaire en hexadecimale getallen, en omgekeerd.
25 demonstreren het principe van een telfunctie op een didactische eenheid.
26 illustreren met een voorbeeld de werking en de functie van verwerkings- of beslissingseenheden (logische poorten) en demonstreren dat op een didactische eenheid.
27 demonstreren het principe van een geheugenfunctie op een didactische eenheid.
28 herkennen de basisbegrippen "invoer", "verwerking" en "uitvoer" bij gegevensverwerkende systemen.
29 herkennen in concrete situaties de meest gebruikte technische tekensymbolen en genormaliseerde afspraken.
4 Enkele technische basisvaardigheden beheersen
De leerlingen
30 bepalen grootheden met correct gekozen eenvoudige meetinstrumenten.
31 gebruiken voor een eenvoudig praktisch werkstuk het gepaste gereedschap.
32 brengen een eenvoudige tekening over op materiaal.
33 passen de fasen van het technologisch proces toe bij eenvoudige technische opdrachten.
34 monteren en demonteren een eenvoudig samengesteld voorwerp met behulp van een schema.
35 maken eenvoudige elektrische verbindingen aan de hand van een schema.
36 gebruiken eenvoudige detectieapparatuur om vermoedelijke oorzaken van niet-functioneren van een eenvoudige elektrische kringloop op te sporen.
37 passen probleemoplossende technieken toe.
38 gebruiken de juiste tekenbenodigdheden rekening houdende met de opdracht.
39 schetsen een eenvoudig technisch voorwerp.
40 verduidelijken een eigen idee met een schets.
41 lezen de afmetingen van een voorwerp op een tekening af.
1 Kennismaken met techniek en erover reflecteren
De leerlingen
1 situeren enkele grote stappen van de technische ontwikkeling van werktuigen, materialen, technische systemen en het gebruik ervan in tijd en ruimte.
2 sommen enkele gevolgen op van de technische evolutie en van nieuwe technologieën op de leefomstandigheden en de leefwereld van de mens, ook in andere cultuurgebieden.
3 illustreren met voorbeelden enkele manieren van opwekking, omvorming en gebruik van energie.
4 leggen met een eenvoudig voorbeeld uit dat vaak nuttige energie verloren gaat.
5 geven voorbeelden van milieu-effecten van recycleren, hergebruiken en wegwerpen.
6 illustreren het belang van technische tekeningen en andere technische gegevensoverdragers.
7 kennen in een concrete toepassing de gebruikte materialen.
8 maken kennis met de activiteiten van technische beroepsbeoefenaars, zowel mannen als vrouwen.
2 Planmatig werken en attitudes aannemen
De leerlingen
9 nemen veiligheidsregels in acht bij het gebruik van materialen, gereedschappen en toestellen.
10 evalueren eigen werk in elke fase van het technologisch proces.
11 raadplegen een handleiding, plan of schema.
De leerlingen
* 12 leren systematisch te werk gaan bij het uitvoeren van een technische opdracht.
* 13 leren zorgzaam en economisch omgaan met gereedschappen, toestellen, materialen en werkstukken.
* 14 leren het belang erkennen van de technische beroepen en van technische vaardigheden in de huidige samenleving, zowel voor mannen als voor vrouwen.
* 15 leren milieubewust omgaan met produkten en materialen.
3 Enkele technische begrippen verwerven
De leerlingen
16 duiden de onderdelen aan van een technisch systeem met behulp van een eenvoudig schema (stuklijst en/of symbolen).
17 onderscheiden een aantal bewegings- en krachtoverbrengingen.
18 kunnen aan de hand van eenvoudige voorbeelden de eenheden van spanning, stroomsterkte en vermogen gebruiken.
19 sommen waarneembare eigenschappen van serie- en parallelschakeling op.
20 leggen met een voorbeeld het verschil uit tussen gelijk- en wisselspanning.
21 beschrijven op een eenvoudige wijze hoe overbelasting en elektrokutie worden voorkomen.
22 beschrijven het werkingsprincipe van een toestel met eenvoudige automatische regeling.
23 vergelijken functie en kenmerken van een relais met een schakelaar.
24 zetten tiendelige getallen (van 0 tot 15) om in binaire en hexadecimale getallen, en omgekeerd.
25 demonstreren het principe van een telfunctie op een didactische eenheid.
26 illustreren met een voorbeeld de werking en de functie van verwerkings- of beslissingseenheden (logische poorten) en demonstreren dat op een didactische eenheid.
27 demonstreren het principe van een geheugenfunctie op een didactische eenheid.
28 herkennen de basisbegrippen "invoer", "verwerking" en "uitvoer" bij gegevensverwerkende systemen.
29 herkennen in concrete situaties de meest gebruikte technische tekensymbolen en genormaliseerde afspraken.
4 Enkele technische basisvaardigheden beheersen
De leerlingen
30 bepalen grootheden met correct gekozen eenvoudige meetinstrumenten.
31 gebruiken voor een eenvoudig praktisch werkstuk het gepaste gereedschap.
32 brengen een eenvoudige tekening over op materiaal.
33 passen de fasen van het technologisch proces toe bij eenvoudige technische opdrachten.
34 monteren en demonteren een eenvoudig samengesteld voorwerp met behulp van een schema.
35 maken eenvoudige elektrische verbindingen aan de hand van een schema.
36 gebruiken eenvoudige detectieapparatuur om vermoedelijke oorzaken van niet-functioneren van een eenvoudige elektrische kringloop op te sporen.
37 passen probleemoplossende technieken toe.
38 gebruiken de juiste tekenbenodigdheden rekening houdende met de opdracht.
39 schetsen een eenvoudig technisch voorwerp.
40 verduidelijken een eigen idee met een schets.
41 lezen de afmetingen van een voorwerp op een tekening af.
Art. 8N1. EDUCATION TECHNOLOGIQUE (8).
1 Se familiariser avec la technique et y réfléchir
Les élèves
1 situent dans le temps et l'espace quelques grandes étapes du développement technique d'outils, de matériaux, de systèmes techniques et de leur utilisation.
2 énumèrent quelques-unes des conséquences de l'évolution technique et de nouvelles technologies sur les conditions de vie et l'environnement de l'homme, et ce même dans d'autres régions culturelles.
3 illustrent à l'aide d'exemples quelques manières de produire, de transformer et d'utiliser l'énergie.
4 expliquent par un exemple simple qu'une part d'énergie utile est souvent perdue.
5 donnent des exemples des effets du recyclage, du réemploi et des déchets sur l'environnement.
6 illustrent l'importance de dessins techniques et autres transmetteurs de données techniques.
7 connaissent les matériaux utilisés pour une application concrète.
8 se familiarisent avec les activités de professionnels techniques, tant des hommes que des femmes.
2 Travailler avec méthode et adopter des attitudes
Les élèves
9 respectent les consignes de sécurité lorsqu'ils utilisent des matériaux, des outils et des appareils.
10 évaluent leur propre travail dans chaque phase du processus technologique.
11 consultent un mode d'emploi, un plan ou un schéma.
Les élèves
* 12 apprennent à procéder de façon systématique lorsqu'ils exécutent une tâche technique.
* 13 apprennent à manier avec soin et à utiliser de façon économique l'outillage, les appareils, les matériaux et les pièces à usiner.
* 14 apprennent à reconnaître l'importance des métiers techniques et des aptitudes techniques dans la société actuelle, tant pour les hommes que pour les femmes.
* 15 apprennent à être respectueux de l'environnement lorsqu'ils utilisent des produits et du matériel.
3 Acquérir quelques concepts techniques
Les élèves
16 désignent les éléments d'un système technique à l'aide d'un schéma simple (liste des pièces et/ou symboles).
17 discernent un nombre de transmissions de mouvement et de force.
18 peuvent utiliser les unités de tension, d'intensité de courant et de puissance à l'aide d'exemples simples.
19 résument les caractéristiques observables d'un couplage en série et d'un couplage en parallèle.
20 expliquent la différence entre une tension en courant continu et une tension en courant alternatif à l'aide d'un exemple.
21 décrivent d'une façon simple comment éviter une surcharge et une électrocution.
22 décrivent le principe de fonctionnement d'un appareil à réglage automatique simple.
23 comparent la fonction et les caractéristiques d'un relais à celles d'un interrupteur.
24 convertissent des nombres décimaux (de 0 à 15) en nombres binaires et hexadécimaux, et vice-versa.
25 démontrent le principe d'une fonction de calcul sur une unité didactique.
26 illustrent par un exemple le fonctionnement et la fonction d'unités de traitement ou de décision (portes logiques) et le démontrent sur une entité didactique.
27 décrivent le principe de la fonction mémoire et le démontrent sur une unité didactique.
28 reconnaissent les concepts de base "entrée", "traitement" et "sortie" des systèmes informatiques.
29 reconnaissent dans des situations concrètes les symboles graphiques techniques les plus utilisés et les conventions normalisées.
4 Maîtriser quelques aptitudes techniques de base
Les élèves
30 déterminent les grandeurs avec des instruments de mesure simples correctement choisis.
31 utilisent l'outil approprié pour effectuer un travail pratique simple.
32 apposent un croquis simple sur des matériaux.
33 appliquent les phases du processus technologique lorsqu'ils effectuent des tâches techniques simples.
34 montent et démontent un objet composé simplement de différentes pièces à l'aide d'un schéma.
35 établissent des liaisons électriques simples à l'aide d'un schéma.
36 utilisent un appareillage de détection simple pour vérifier les causes présumées du non-fonctionnement d'un circuit électrique simple.
37 appliquent des techniques qui permettent de résoudre les problèmes.
38 utilisent les ustensiles de dessin appropriés en fonction de la tâche à effectuer.
39 schématisent un objet technique simple.
40 expliquent une idée qui leur est propre à l'aide d'un croquis.
41 lisent les dimensions d'un objet sur un dessin.
1 Se familiariser avec la technique et y réfléchir
Les élèves
1 situent dans le temps et l'espace quelques grandes étapes du développement technique d'outils, de matériaux, de systèmes techniques et de leur utilisation.
2 énumèrent quelques-unes des conséquences de l'évolution technique et de nouvelles technologies sur les conditions de vie et l'environnement de l'homme, et ce même dans d'autres régions culturelles.
3 illustrent à l'aide d'exemples quelques manières de produire, de transformer et d'utiliser l'énergie.
4 expliquent par un exemple simple qu'une part d'énergie utile est souvent perdue.
5 donnent des exemples des effets du recyclage, du réemploi et des déchets sur l'environnement.
6 illustrent l'importance de dessins techniques et autres transmetteurs de données techniques.
7 connaissent les matériaux utilisés pour une application concrète.
8 se familiarisent avec les activités de professionnels techniques, tant des hommes que des femmes.
2 Travailler avec méthode et adopter des attitudes
Les élèves
9 respectent les consignes de sécurité lorsqu'ils utilisent des matériaux, des outils et des appareils.
10 évaluent leur propre travail dans chaque phase du processus technologique.
11 consultent un mode d'emploi, un plan ou un schéma.
Les élèves
* 12 apprennent à procéder de façon systématique lorsqu'ils exécutent une tâche technique.
* 13 apprennent à manier avec soin et à utiliser de façon économique l'outillage, les appareils, les matériaux et les pièces à usiner.
* 14 apprennent à reconnaître l'importance des métiers techniques et des aptitudes techniques dans la société actuelle, tant pour les hommes que pour les femmes.
* 15 apprennent à être respectueux de l'environnement lorsqu'ils utilisent des produits et du matériel.
3 Acquérir quelques concepts techniques
Les élèves
16 désignent les éléments d'un système technique à l'aide d'un schéma simple (liste des pièces et/ou symboles).
17 discernent un nombre de transmissions de mouvement et de force.
18 peuvent utiliser les unités de tension, d'intensité de courant et de puissance à l'aide d'exemples simples.
19 résument les caractéristiques observables d'un couplage en série et d'un couplage en parallèle.
20 expliquent la différence entre une tension en courant continu et une tension en courant alternatif à l'aide d'un exemple.
21 décrivent d'une façon simple comment éviter une surcharge et une électrocution.
22 décrivent le principe de fonctionnement d'un appareil à réglage automatique simple.
23 comparent la fonction et les caractéristiques d'un relais à celles d'un interrupteur.
24 convertissent des nombres décimaux (de 0 à 15) en nombres binaires et hexadécimaux, et vice-versa.
25 démontrent le principe d'une fonction de calcul sur une unité didactique.
26 illustrent par un exemple le fonctionnement et la fonction d'unités de traitement ou de décision (portes logiques) et le démontrent sur une entité didactique.
27 décrivent le principe de la fonction mémoire et le démontrent sur une unité didactique.
28 reconnaissent les concepts de base "entrée", "traitement" et "sortie" des systèmes informatiques.
29 reconnaissent dans des situations concrètes les symboles graphiques techniques les plus utilisés et les conventions normalisées.
4 Maîtriser quelques aptitudes techniques de base
Les élèves
30 déterminent les grandeurs avec des instruments de mesure simples correctement choisis.
31 utilisent l'outil approprié pour effectuer un travail pratique simple.
32 apposent un croquis simple sur des matériaux.
33 appliquent les phases du processus technologique lorsqu'ils effectuent des tâches techniques simples.
34 montent et démontent un objet composé simplement de différentes pièces à l'aide d'un schéma.
35 établissent des liaisons électriques simples à l'aide d'un schéma.
36 utilisent un appareillage de détection simple pour vérifier les causes présumées du non-fonctionnement d'un circuit électrique simple.
37 appliquent des techniques qui permettent de résoudre les problèmes.
38 utilisent les ustensiles de dessin appropriés en fonction de la tâche à effectuer.
39 schématisent un objet technique simple.
40 expliquent une idée qui leur est propre à l'aide d'un croquis.
41 lisent les dimensions d'un objet sur un dessin.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 9N1. WISKUNDE (9)
1 Inhoudelijke eindtermen
1.1 Getallenleer
1.1.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
1 kunnen natuurlijke, gehele en rationale getallen associëren met realistische en betekenisvolle contexten.
2 kennen de tekenregels bij gehele en rationale getallen.
3 weten dat de eigenschappen van de bewerkingen in de verzameling van de natuurlijke getallen geldig blijven en kunnen worden uitgebreid in de verzamelingen van de gehele en rationale getallen.
4 onderscheiden en begrijpen de verschillende notaties van rationale getallen (breuk- en decimale notatie).
5 hanteren de gepaste terminologie in verband met bewerkingen: optelling, som, termen van een som, aftrekking, verschil, vermenigvuldiging, produkt, factoren van een produkt, deling, quotiënt, deeltal, deler, rest, percent, kwadraat, vierkantswortel, macht, grondtal, exponent, tegengestelde, omgekeerde, absolute waarde, gemiddelde.
1.1.2 Procedures
De leerlingen
6 passen afspraken in verband met de volgorde van bewerkingen toe.
7 voeren de hoofdbewerkingen (optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deling) correct uit in de verzamelingen van de natuurlijke, de gehele en de rationale getallen.
8 rekenen handig door gebruik te maken van eigenschappen en rekenregels van bewerkingen.
9 gebruiken doelgericht een rekentoestel.
10 ordenen getallen en gebruiken de gepaste symbolen (§, <, °, >, =,/ ).
11 berekenen machten met grondtal 10 en 2 met gehele exponent. Zij passen hierop rekenregels van machten toe.
12 kunnen:
- de uitkomst van een bewerking schatten;
- een resultaat oordeelkundig afronden.
13 gebruiken procentberekeningen in zinvolle contexten.
1.1.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
14 interpreteren een rationaal getal als een getal dat de plaats van een punt op een getallenas bepaalt.
15 kunnen het verband uitleggen tussen optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
16 herkennen het recht evenredig en omgekeerd evenredig zijn van twee grootheden in tabellen en in het dagelijkse leven.
17 kunnen vanuit tabellen met cijfergegevens het rekenkundig gemiddelde en de mediaan (voor niet-gegroepeerde gegevens) berekenen en hieruit relevante informatie afleiden.
1.2 Algebra
1.2.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
18 gebruiken letters als middel om te veralgemenen en als onbekenden.
1.2.2 Procedures
De leerlingen
19 kunnen twee- en drietermen optellen en vermenigvuldigen en het resultaat vereenvoudigen.
20 kennen de formules voor de volgende merkwaardige produkten: (a+b)5 en (a+b)(a-b); ze kunnen ze verantwoorden en in beide richtingen toepassen.
21 kunnen vergelijkingen van de eerste graad met één onbekende oplossen.
22 kunnen eenvoudige vraagstukken die te herleiden zijn tot een vergelijking van de eerste graad met één onbekende oplossen.
1.2.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
23 ontdekken regelmaat in eenvoudige patronen en schema's en kunnen ze beschrijven met formules.
24 kunnen vanuit tabellen recht evenredige verbanden met formules uitdrukken.
25 kunnen functioneel gebruik maken van eenvoudige schema's, figuren, tabellen en diagrammen.
1.3 Meetkunde
1.3.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
26 kennen en gebruiken de meetkundige begrippen diagonaal, bissectrice, hoogtelijn, middelloodlijn, straal, middellijn, overstaande hoeken, nevenhoeken, aanliggende hoeken, middelpuntshoeken.
27 herkennen evenwijdige stand, loodrechte stand en symmetrie in vlakke figuren en ze herkennen gelijkvormigheid en congruentie tussen vlakke figuren.
28 herkennen figuren in het vlak, die bekomen zijn door een verschuiving, een spiegeling of een draaiing.
29 weten dat in een tweedimensionale voorstelling van een driedimensionale situatie, informatie verloren gaat.
30 herkennen kubus, balk, recht prisma, cilinder, piramide, kegel en bol aan de hand van een schets, tekening en dergelijke.
31 kennen meetkundige eigenschappen zoals: de hoekensom in driehoeken en vierhoeken, eigenschappen van gelijkzijdige en gelijkbenige driehoeken, eigenschappen van zijden, hoeken en diagonalen in vierhoeken.
1.3.2 Procedures
De leerlingen
32 kiezen geschikte eenheden en instrumenten om afstanden en hoeken te meten of te construeren met de gewenste nauwkeurigheid.
33 gebruiken het begrip schaal om afstanden in meetkundige figuren te berekenen.
34 berekenen de omtrek en oppervlakte van driehoek, vierhoek en cirkel en de oppervlakte en het volume van kubus, balk en cilinder.
35 kunnen:
- het beeld bepalen van een eenvoudige vlakke meetkundige figuur door een verschuiving, spiegeling, draaiing;
- symmetrieassen van vlakke figuren bepalen;
- loodlijnen, middelloodlijnen en bissectrices construeren.
36 kunnen zich vanuit diverse vlakke weergaven een beeld vormen van een eenvoudige ruimtelijke figuur met behulp van allerlei concreet materiaal.
1.3.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
37 beschrijven en classificeren de soorten driehoeken en de soorten vierhoeken aan de hand van eigenschappen.
38 bepalen punten in het vlak door middel van coördinaten.
39 stellen recht evenredige verbanden tussen grootheden grafisch voor.
40 begrijpen een gegeven eenvoudige redenering of argumentatie in verband met eigenschappen van meetkundige figuren.
2 Vaardigheden
De leerlingen
41 begrijpen en gebruiken wiskundige taal in eenvoudige situaties.
42 passen communicatieve vaardigheden toe in eenvoudige wiskundige situaties.
43 passen probleemoplossende vaardigheden toe, zoals:
- het herformuleren van een opgave;
- het maken van een goede schets of een aangepast schema;
- het invoeren van notaties, het kiezen van onbekenden;
- het analyseren van eenvoudige voorbeelden.
3 Attitudes
De leerlingen
* 44 ontwikkelen bij het aanpakken van problemen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen.
* 45 ontwikkelen zelfregulatie: oriëntatie, planning, bewaking, zelftoetsing en reflectie.
* 46 ontwikkelen een kritische houding tegenover het gebruik van allerlei cijfermateriaal, tabellen, berekeningen en grafische voorstellingen.
* 47 leren beseffen dat in de wiskunde niet enkel het eindresultaat belangrijk is maar ook de manier waarmee het antwoord bekomen wordt.
1 Inhoudelijke eindtermen
1.1 Getallenleer
1.1.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
1 kunnen natuurlijke, gehele en rationale getallen associëren met realistische en betekenisvolle contexten.
2 kennen de tekenregels bij gehele en rationale getallen.
3 weten dat de eigenschappen van de bewerkingen in de verzameling van de natuurlijke getallen geldig blijven en kunnen worden uitgebreid in de verzamelingen van de gehele en rationale getallen.
4 onderscheiden en begrijpen de verschillende notaties van rationale getallen (breuk- en decimale notatie).
5 hanteren de gepaste terminologie in verband met bewerkingen: optelling, som, termen van een som, aftrekking, verschil, vermenigvuldiging, produkt, factoren van een produkt, deling, quotiënt, deeltal, deler, rest, percent, kwadraat, vierkantswortel, macht, grondtal, exponent, tegengestelde, omgekeerde, absolute waarde, gemiddelde.
1.1.2 Procedures
De leerlingen
6 passen afspraken in verband met de volgorde van bewerkingen toe.
7 voeren de hoofdbewerkingen (optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deling) correct uit in de verzamelingen van de natuurlijke, de gehele en de rationale getallen.
8 rekenen handig door gebruik te maken van eigenschappen en rekenregels van bewerkingen.
9 gebruiken doelgericht een rekentoestel.
10 ordenen getallen en gebruiken de gepaste symbolen (§, <, °, >, =,/ ).
11 berekenen machten met grondtal 10 en 2 met gehele exponent. Zij passen hierop rekenregels van machten toe.
12 kunnen:
- de uitkomst van een bewerking schatten;
- een resultaat oordeelkundig afronden.
13 gebruiken procentberekeningen in zinvolle contexten.
1.1.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
14 interpreteren een rationaal getal als een getal dat de plaats van een punt op een getallenas bepaalt.
15 kunnen het verband uitleggen tussen optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
16 herkennen het recht evenredig en omgekeerd evenredig zijn van twee grootheden in tabellen en in het dagelijkse leven.
17 kunnen vanuit tabellen met cijfergegevens het rekenkundig gemiddelde en de mediaan (voor niet-gegroepeerde gegevens) berekenen en hieruit relevante informatie afleiden.
1.2 Algebra
1.2.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
18 gebruiken letters als middel om te veralgemenen en als onbekenden.
1.2.2 Procedures
De leerlingen
19 kunnen twee- en drietermen optellen en vermenigvuldigen en het resultaat vereenvoudigen.
20 kennen de formules voor de volgende merkwaardige produkten: (a+b)5 en (a+b)(a-b); ze kunnen ze verantwoorden en in beide richtingen toepassen.
21 kunnen vergelijkingen van de eerste graad met één onbekende oplossen.
22 kunnen eenvoudige vraagstukken die te herleiden zijn tot een vergelijking van de eerste graad met één onbekende oplossen.
1.2.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
23 ontdekken regelmaat in eenvoudige patronen en schema's en kunnen ze beschrijven met formules.
24 kunnen vanuit tabellen recht evenredige verbanden met formules uitdrukken.
25 kunnen functioneel gebruik maken van eenvoudige schema's, figuren, tabellen en diagrammen.
1.3 Meetkunde
1.3.1 Begripsvorming-Feitenkennis
De leerlingen
26 kennen en gebruiken de meetkundige begrippen diagonaal, bissectrice, hoogtelijn, middelloodlijn, straal, middellijn, overstaande hoeken, nevenhoeken, aanliggende hoeken, middelpuntshoeken.
27 herkennen evenwijdige stand, loodrechte stand en symmetrie in vlakke figuren en ze herkennen gelijkvormigheid en congruentie tussen vlakke figuren.
28 herkennen figuren in het vlak, die bekomen zijn door een verschuiving, een spiegeling of een draaiing.
29 weten dat in een tweedimensionale voorstelling van een driedimensionale situatie, informatie verloren gaat.
30 herkennen kubus, balk, recht prisma, cilinder, piramide, kegel en bol aan de hand van een schets, tekening en dergelijke.
31 kennen meetkundige eigenschappen zoals: de hoekensom in driehoeken en vierhoeken, eigenschappen van gelijkzijdige en gelijkbenige driehoeken, eigenschappen van zijden, hoeken en diagonalen in vierhoeken.
1.3.2 Procedures
De leerlingen
32 kiezen geschikte eenheden en instrumenten om afstanden en hoeken te meten of te construeren met de gewenste nauwkeurigheid.
33 gebruiken het begrip schaal om afstanden in meetkundige figuren te berekenen.
34 berekenen de omtrek en oppervlakte van driehoek, vierhoek en cirkel en de oppervlakte en het volume van kubus, balk en cilinder.
35 kunnen:
- het beeld bepalen van een eenvoudige vlakke meetkundige figuur door een verschuiving, spiegeling, draaiing;
- symmetrieassen van vlakke figuren bepalen;
- loodlijnen, middelloodlijnen en bissectrices construeren.
36 kunnen zich vanuit diverse vlakke weergaven een beeld vormen van een eenvoudige ruimtelijke figuur met behulp van allerlei concreet materiaal.
1.3.3 Samenhang tussen begrippen
De leerlingen
37 beschrijven en classificeren de soorten driehoeken en de soorten vierhoeken aan de hand van eigenschappen.
38 bepalen punten in het vlak door middel van coördinaten.
39 stellen recht evenredige verbanden tussen grootheden grafisch voor.
40 begrijpen een gegeven eenvoudige redenering of argumentatie in verband met eigenschappen van meetkundige figuren.
2 Vaardigheden
De leerlingen
41 begrijpen en gebruiken wiskundige taal in eenvoudige situaties.
42 passen communicatieve vaardigheden toe in eenvoudige wiskundige situaties.
43 passen probleemoplossende vaardigheden toe, zoals:
- het herformuleren van een opgave;
- het maken van een goede schets of een aangepast schema;
- het invoeren van notaties, het kiezen van onbekenden;
- het analyseren van eenvoudige voorbeelden.
3 Attitudes
De leerlingen
* 44 ontwikkelen bij het aanpakken van problemen zelfstandigheid en doorzettingsvermogen.
* 45 ontwikkelen zelfregulatie: oriëntatie, planning, bewaking, zelftoetsing en reflectie.
* 46 ontwikkelen een kritische houding tegenover het gebruik van allerlei cijfermateriaal, tabellen, berekeningen en grafische voorstellingen.
* 47 leren beseffen dat in de wiskunde niet enkel het eindresultaat belangrijk is maar ook de manier waarmee het antwoord bekomen wordt.
Art. 9N1. MATHEMATIQUES (9).
1 Objectifs finaux portant sur le contenu
1.1 Arithmologie
1.1.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
1 associent des nombres naturels, entiers et rationnels à des contextes réalistes et sensés.
2 connaissent les règles des signes pour les nombres entiers et rationnels.
3 savent que les particularités des opérations restent valables pour l'ensemble des nombres naturels et peuvent être élargies aux ensembles des nombres rationnels et entiers.
4 différencient et comprennent les différentes notations des nombres rationnels (notation de fraction et notation décimale).
5 utilisent la terminologie appropriée en rapport avec les opérations: addition, somme, termes d'une somme, soustraction, différence, multiplication, produit, facteurs d'un produit, division, quotient, dividende, diviseur, reste, pour cent, carré, racine carrée, puissance, base, exposant, opposé, inverse, valeur absolue, moyenne.
1.1.2 Procédures
Les élèves
6 appliquent les conventions en rapport avec l'ordre des opérations.
7 effectuent correctement les opérations principales (addition, soustraction, multiplication et division) pour les ensembles des nombres naturels, entiers et rationnels.
8 calculent efficacement en utilisant les particularités et les règles de calcul des opérations.
9 utilisent adéquatement une calculatrice.
10 classent des nombres et utilisent les symboles appropriées (inférieur ou égal, <, supérieur ou égal, >, =, différent).
11 calculent des puissances à base 10 et 2 avec un exposant entier. Ils appliquent à cet effet des règles de calcul des puissances.
12 peuvent:
- évaluer le résultat d'une opération;
- arrondir judicieusement un résultat.
13 utilisent des opérations de pourcentage dans des contextes sensés.
1.1.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
14 interprètent un nombre rationnel comme un nombre qui détermine la place d'un point sur un axe de nombres.
15 peuvent expliquer le rapport entre addition et soustraction, multiplication et division.
16 reconnaissent deux grandeurs proportionnelles et inversement proportionnelles dans des tableaux et dans la vie quotidienne.
17 peuvent calculer la moyenne et la médiane à partir de tableaux composés de données chiffrées (pour des données non-regroupées) et en tirer des informations pertinentes.
1.2. Algèbre
1.2.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
18 utilisent des lettres comme moyen de généraliser et comme inconnues.
1.2.2. Procédures
Les élèves
19 peuvent additionner deux et trois termes et les multiplier et en simplifier le résultat.
20 connaissent les formules pour les produits remarquables suivants: (a+b)2 et (a+b)(a-b); ils peuvent les expliquer et les appliquer dans les deux sens.
21 peuvent résoudre des équations du premier degré à une inconnue.
22 peuvent résoudre des problèmes simples qui peuvent être réduits à une équation du premier degré à une seule inconnue.
1.2.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
23 découvrent la régularité dans des modèles et des schémas simples et peuvent les décrire par des formules.
24 peuvent expliquer avec des formules des rapports proportionnels à partir de tableaux.
25 peuvent utiliser de manière fonctionnelle des schémas, figures, tableaux et diagrammes simples.
1.3 Géométrie
1.3.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
26 connaissent et utilisent les concepts de géométrie suivants: diagonale, bissectrice, hauteur, médiatrice, rayon, diamètre, angles opposées par le sommet, angles adjacents, angles contigus, angles au centre.
27 reconnaissent le parallélisme, la perpendicularité et la symétrie des figures planes ainsi que l'isomorphisme et la coïncidence entre figures planes.
28 reconnaissent des figures dans un plan, qui sont obtenues par translation, symétrie ou rotation.
29 savoir que des informations se perdent dans une représentation en deux dimensions d'une situation en trois dimensions.
30 reconnaissent le cube, le prisme, le prisme vertical, le cylindre, la pyramide, le cône et la sphère à l'aide d'un croquis, dessin ou semblable.
31 connaissent les particularités de la géométrie comme: la somme des angles dans les triangles et carrés, les particularités des triangles équilatéraux et isocèles, les particularités des côtés, angles et diagonales des carrés.
1.3.2 Procédures
Les élèves
32 choisissent des unités et des instruments appropriés pour mesurer ou construire des distances et des angles avec la précision souhaitée.
33 utilisent le concept d'échelle pour calculer les distances de figures géométriques.
34 calculent le périmètre et la superficie d'un triangle, d'un carre et d'un cercle ainsi que la superficie et le volume d'un cube, d'un prisme et d'un cylindre.
35 peuvent:
- déterminer l'image d'une simple figure géométrique plane par translation, symétrie ou rotation;
- déterminer les axes de symétrie de figures planes;
- construire des perpendiculaires, des médiatrices et des bissectrices;
36 peuvent se faire une image d'une figure spatiale simple à partir de différentes reproductions planes a l'aide de matériel concret.
1.3.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
37 décrivent et classent les types de triangles et les types de carrés à l'aide des particularités.
38 déterminent des points d'une grille au moyen de coordonnées.
39 présentent sur graphique des rapports proportionnels entre des grandeurs.
40 comprennent un raisonnement simple donné ou une argumentation en rapport avec les particularites des figures géométriques.
2 Aptitudes
Les élèves
41 comprennent et utilisent le langage mathématique dans des situations simples.
42 développent des aptitudes à communiquer dans des situations mathématiques simples.
43 développent des aptitudes à résoudre les problèmes, comme:
- reformuler un problème;
- faire un bon croquis ou un schéma approprié;
- inclure des notes, choisir des inconnues;
- analyser des exemples simples.
3 Attitudes
Les élèves
* 44 développent l'esprit d'indépendance et la persévérance lorsqu'ils s'attaquent à des problèmes.
* 45 développent une autorégulation : orientation, planning, contrôle, auto-contrôle et réflexion.
* 46 développent une attitude critique face à l'utilisation de divers matériaux chiffrés, de tableaux, d'opérations et de représentations graphiques.
* 52 apprennent à se rendre compte qu'en mathématique, ce n'est pas seulement le résultat qui est important mais aussi l'argumentation grâce à laquelle la réponse a été obtenue.
1 Objectifs finaux portant sur le contenu
1.1 Arithmologie
1.1.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
1 associent des nombres naturels, entiers et rationnels à des contextes réalistes et sensés.
2 connaissent les règles des signes pour les nombres entiers et rationnels.
3 savent que les particularités des opérations restent valables pour l'ensemble des nombres naturels et peuvent être élargies aux ensembles des nombres rationnels et entiers.
4 différencient et comprennent les différentes notations des nombres rationnels (notation de fraction et notation décimale).
5 utilisent la terminologie appropriée en rapport avec les opérations: addition, somme, termes d'une somme, soustraction, différence, multiplication, produit, facteurs d'un produit, division, quotient, dividende, diviseur, reste, pour cent, carré, racine carrée, puissance, base, exposant, opposé, inverse, valeur absolue, moyenne.
1.1.2 Procédures
Les élèves
6 appliquent les conventions en rapport avec l'ordre des opérations.
7 effectuent correctement les opérations principales (addition, soustraction, multiplication et division) pour les ensembles des nombres naturels, entiers et rationnels.
8 calculent efficacement en utilisant les particularités et les règles de calcul des opérations.
9 utilisent adéquatement une calculatrice.
10 classent des nombres et utilisent les symboles appropriées (inférieur ou égal, <, supérieur ou égal, >, =, différent).
11 calculent des puissances à base 10 et 2 avec un exposant entier. Ils appliquent à cet effet des règles de calcul des puissances.
12 peuvent:
- évaluer le résultat d'une opération;
- arrondir judicieusement un résultat.
13 utilisent des opérations de pourcentage dans des contextes sensés.
1.1.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
14 interprètent un nombre rationnel comme un nombre qui détermine la place d'un point sur un axe de nombres.
15 peuvent expliquer le rapport entre addition et soustraction, multiplication et division.
16 reconnaissent deux grandeurs proportionnelles et inversement proportionnelles dans des tableaux et dans la vie quotidienne.
17 peuvent calculer la moyenne et la médiane à partir de tableaux composés de données chiffrées (pour des données non-regroupées) et en tirer des informations pertinentes.
1.2. Algèbre
1.2.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
18 utilisent des lettres comme moyen de généraliser et comme inconnues.
1.2.2. Procédures
Les élèves
19 peuvent additionner deux et trois termes et les multiplier et en simplifier le résultat.
20 connaissent les formules pour les produits remarquables suivants: (a+b)2 et (a+b)(a-b); ils peuvent les expliquer et les appliquer dans les deux sens.
21 peuvent résoudre des équations du premier degré à une inconnue.
22 peuvent résoudre des problèmes simples qui peuvent être réduits à une équation du premier degré à une seule inconnue.
1.2.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
23 découvrent la régularité dans des modèles et des schémas simples et peuvent les décrire par des formules.
24 peuvent expliquer avec des formules des rapports proportionnels à partir de tableaux.
25 peuvent utiliser de manière fonctionnelle des schémas, figures, tableaux et diagrammes simples.
1.3 Géométrie
1.3.1 Conceptualisation - Connaissance des faits
Les élèves
26 connaissent et utilisent les concepts de géométrie suivants: diagonale, bissectrice, hauteur, médiatrice, rayon, diamètre, angles opposées par le sommet, angles adjacents, angles contigus, angles au centre.
27 reconnaissent le parallélisme, la perpendicularité et la symétrie des figures planes ainsi que l'isomorphisme et la coïncidence entre figures planes.
28 reconnaissent des figures dans un plan, qui sont obtenues par translation, symétrie ou rotation.
29 savoir que des informations se perdent dans une représentation en deux dimensions d'une situation en trois dimensions.
30 reconnaissent le cube, le prisme, le prisme vertical, le cylindre, la pyramide, le cône et la sphère à l'aide d'un croquis, dessin ou semblable.
31 connaissent les particularités de la géométrie comme: la somme des angles dans les triangles et carrés, les particularités des triangles équilatéraux et isocèles, les particularités des côtés, angles et diagonales des carrés.
1.3.2 Procédures
Les élèves
32 choisissent des unités et des instruments appropriés pour mesurer ou construire des distances et des angles avec la précision souhaitée.
33 utilisent le concept d'échelle pour calculer les distances de figures géométriques.
34 calculent le périmètre et la superficie d'un triangle, d'un carre et d'un cercle ainsi que la superficie et le volume d'un cube, d'un prisme et d'un cylindre.
35 peuvent:
- déterminer l'image d'une simple figure géométrique plane par translation, symétrie ou rotation;
- déterminer les axes de symétrie de figures planes;
- construire des perpendiculaires, des médiatrices et des bissectrices;
36 peuvent se faire une image d'une figure spatiale simple à partir de différentes reproductions planes a l'aide de matériel concret.
1.3.3 Corrélation entre concepts
Les élèves
37 décrivent et classent les types de triangles et les types de carrés à l'aide des particularités.
38 déterminent des points d'une grille au moyen de coordonnées.
39 présentent sur graphique des rapports proportionnels entre des grandeurs.
40 comprennent un raisonnement simple donné ou une argumentation en rapport avec les particularites des figures géométriques.
2 Aptitudes
Les élèves
41 comprennent et utilisent le langage mathématique dans des situations simples.
42 développent des aptitudes à communiquer dans des situations mathématiques simples.
43 développent des aptitudes à résoudre les problèmes, comme:
- reformuler un problème;
- faire un bon croquis ou un schéma approprié;
- inclure des notes, choisir des inconnues;
- analyser des exemples simples.
3 Attitudes
Les élèves
* 44 développent l'esprit d'indépendance et la persévérance lorsqu'ils s'attaquent à des problèmes.
* 45 développent une autorégulation : orientation, planning, contrôle, auto-contrôle et réflexion.
* 46 développent une attitude critique face à l'utilisation de divers matériaux chiffrés, de tableaux, d'opérations et de représentations graphiques.
* 52 apprennent à se rendre compte qu'en mathématique, ce n'est pas seulement le résultat qui est important mais aussi l'argumentation grâce à laquelle la réponse a été obtenue.
Art. 10N1. VAKOVERSCHRIJDENDE EINDTERMEN
LEREN LEREN
1 Het domein van de uitvoering
De leerlingen kunnen
1 losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van memotechnische middeltjes.
2 zich in samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen.
3 samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden.
4 bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities.
5 bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken:
- vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;
- in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen aanbrengen;
- een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie;
- verbanden leggen tussen elementen van de leerstof.
6 bij het oplossen van een probleem:
- het probleem herformuleren;
- onder begeleiding een oplossingsweg bedenken en verwoorden;
- de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten.
7 informatiebronnen adequaat raadplegen:
- inhoudstafel en register gebruiken;
- elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;
- een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.
2 Het domein van de regulering
De leerlingen kunnen
8 hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.
9 zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel, de aanwijzingen van de leraar of de lesdoelstellingen.
10 de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden.
3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen
De leerlingen
11 zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen.
12 zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken.
13 beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt.
4 Het domein van de studiekeuze
De leerlingen
14 hebben inzicht in de algemene structuur van het secundair onderwijs.
15 zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen.
16 kunnen eenvoudige strategieën aanwenden voor het maken van een studiekeuze.
17 tonen zich bereid om bij het kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen (leer)mogelijkheden.
LEREN LEREN
1 Het domein van de uitvoering
De leerlingen kunnen
1 losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van memotechnische middeltjes.
2 zich in samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen.
3 samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden.
4 bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities.
5 bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken:
- vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;
- in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen aanbrengen;
- een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie;
- verbanden leggen tussen elementen van de leerstof.
6 bij het oplossen van een probleem:
- het probleem herformuleren;
- onder begeleiding een oplossingsweg bedenken en verwoorden;
- de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten.
7 informatiebronnen adequaat raadplegen:
- inhoudstafel en register gebruiken;
- elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;
- een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.
2 Het domein van de regulering
De leerlingen kunnen
8 hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.
9 zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel, de aanwijzingen van de leraar of de lesdoelstellingen.
10 de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden.
3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen
De leerlingen
11 zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen.
12 zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken.
13 beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt.
4 Het domein van de studiekeuze
De leerlingen
14 hebben inzicht in de algemene structuur van het secundair onderwijs.
15 zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen.
16 kunnen eenvoudige strategieën aanwenden voor het maken van een studiekeuze.
17 tonen zich bereid om bij het kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen (leer)mogelijkheden.
Art. 10N1. OBJECTIFS FINAUX INTERDISCIPLINAIRES.
APPRENDRE A ETUDIER.
1 Domaine de la realisation
Les élèves peuvent
1 mettre de l'ordre dans de simples données et s'en imprégner, en utilisant de manière appropriée des moyens mnémotechniques.
2 s'orienter dans des informations cohérentes en utilisant des caractéristiques formelles : titres, sous-titres, dessins et repères dans le texte.
3 comprendre le contenu d'informations cohérentes et l'analyser en déduisant, si possible, la signification d'un mot, d'un concept ou d'une phrase à partir du contexte.
4 lors de l'assimilation d'une matière développée, aller rechercher les connaissances acquises au préalable nécessaires dans leurs manuels, cahiers d'exercices ou notes.
5 travailler de manière approfondie lors de l'apprentissage des informations cohérentes :
- poser des questions en rapport avec la matière et y répondre;
- indiquer des repères dans des textes courts bien structurés;
- compléter un schéma à l'aide d'informations proposées;
- établir des liens entre des éléments de la matière.
6 lors de la solution d'un problème :
- reformuler le problème;
- chercher et exprimer, avec accompagnement, un mode de solution éventuel;
- appliquer le mode de solution et en évaluer la correction.
7 consulter de façon appropriée des sources d'informations :
- utiliser la table des matières et l'index;
- utiliser des éléments de la presse audio-visuelle et écrite;
- consulter un centre de documentation ou une bibliothèque.
2 Domaine de la régularisation
Les élèves peuvent
8 planifier leur temps de travail et sélectionner et ranger le matériel nécessaire.
9 travailler de manière autonome, à l'aide d'un feuillet-réponse, d'une clé de correction, d'indications du professeur ou d'objectifs de la lecon.
10 comparer leur façon de travailler avec celle des autres, expliquer pourquoi quelque chose a mal tourné et comment certaines fautes peuvent être évitées à l'avenir.
3 Domaine des attitudes, comportements d'étude, conceptions et convictions
Les élèves
11 sont disposés à chercher eux-mêmes des solutions et osent signaler des problèmes liés à l'apprentissage et à l'étude et demander des explications ou de l'aide.
12 sont disposés à travailler de manière ordonnée, systématique et régulière.
13 se rendent compte qu'apprendre commence en classe et ne se fait pas uniquement à la maison.
4 Domaine du choix d'études
Les élèves
14 comprennent la structure générale de l'enseignement secondaire.
15 sont disposés à adopter une attitude désintéressée vis-à-vis les orientations et professions proposées.
16 peuvent adopter de simples stratégies lors du choix d'études.
17 se disposés, lorsqu'un choix d'études s'impose, à tenir compte des propres possibilités d'apprentissage.
APPRENDRE A ETUDIER.
1 Domaine de la realisation
Les élèves peuvent
1 mettre de l'ordre dans de simples données et s'en imprégner, en utilisant de manière appropriée des moyens mnémotechniques.
2 s'orienter dans des informations cohérentes en utilisant des caractéristiques formelles : titres, sous-titres, dessins et repères dans le texte.
3 comprendre le contenu d'informations cohérentes et l'analyser en déduisant, si possible, la signification d'un mot, d'un concept ou d'une phrase à partir du contexte.
4 lors de l'assimilation d'une matière développée, aller rechercher les connaissances acquises au préalable nécessaires dans leurs manuels, cahiers d'exercices ou notes.
5 travailler de manière approfondie lors de l'apprentissage des informations cohérentes :
- poser des questions en rapport avec la matière et y répondre;
- indiquer des repères dans des textes courts bien structurés;
- compléter un schéma à l'aide d'informations proposées;
- établir des liens entre des éléments de la matière.
6 lors de la solution d'un problème :
- reformuler le problème;
- chercher et exprimer, avec accompagnement, un mode de solution éventuel;
- appliquer le mode de solution et en évaluer la correction.
7 consulter de façon appropriée des sources d'informations :
- utiliser la table des matières et l'index;
- utiliser des éléments de la presse audio-visuelle et écrite;
- consulter un centre de documentation ou une bibliothèque.
2 Domaine de la régularisation
Les élèves peuvent
8 planifier leur temps de travail et sélectionner et ranger le matériel nécessaire.
9 travailler de manière autonome, à l'aide d'un feuillet-réponse, d'une clé de correction, d'indications du professeur ou d'objectifs de la lecon.
10 comparer leur façon de travailler avec celle des autres, expliquer pourquoi quelque chose a mal tourné et comment certaines fautes peuvent être évitées à l'avenir.
3 Domaine des attitudes, comportements d'étude, conceptions et convictions
Les élèves
11 sont disposés à chercher eux-mêmes des solutions et osent signaler des problèmes liés à l'apprentissage et à l'étude et demander des explications ou de l'aide.
12 sont disposés à travailler de manière ordonnée, systématique et régulière.
13 se rendent compte qu'apprendre commence en classe et ne se fait pas uniquement à la maison.
4 Domaine du choix d'études
Les élèves
14 comprennent la structure générale de l'enseignement secondaire.
15 sont disposés à adopter une attitude désintéressée vis-à-vis les orientations et professions proposées.
16 peuvent adopter de simples stratégies lors du choix d'études.
17 se disposés, lorsqu'un choix d'études s'impose, à tenir compte des propres possibilités d'apprentissage.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 11N1. SOCIALE VAARDIGHEDEN
1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen
De leerlingen kunnen
1 zich als persoon present stellen: uitkomen voor een eigen mening en deze beargumenteren, respect opeisen voor de eigen lichamelijke en seksuele ontwikkeling.
2 respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen.
3 zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten.
4 om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties.
5 in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren.
6 bij een opgegeven groepstaak of bij een groepsdiscussie leiding geven.
7 op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk.
8 opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep.
9 zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie.
10 ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie.
11 het verschil herkennen tussen verbaal en niet-verbaal gedrag bij zichzelf en bij anderen in concrete groepssituaties.
2 De beheersing van het communicatieve handelen of het omgaan met elkaar
De leerlingen
12 beheersen elementen van het communicatieve handelen:
- actief luisteren en weergeven wat een andere inbrengt;
- toegankelijk zijn en feed-back geven over eigen gevoel;
- verduidelijken waarom zij voor een bepaald gedrag gekozen hebben;
- assertief zijn en opkomen voor de rol die zij op zich nemen in een groepsopdracht;
- effectbesef hebben en over hun eigen gedrag reflecteren;
- anderen de kans geven om te reageren.
3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie
3.1 De dialoog
13 De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep.
3.2 De groepsdiscussie
14 De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen.
3.3 De taakgroep
15 De leerlingen kunnen onder begeleiding een taakgroep organiseren en bevorderen de onderlinge verstandhouding.
3.4 Maatschappelijke en culturele patronen
16 De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daartegenover verwoorden en bespreekbaar stellen.
1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen
De leerlingen kunnen
1 zich als persoon present stellen: uitkomen voor een eigen mening en deze beargumenteren, respect opeisen voor de eigen lichamelijke en seksuele ontwikkeling.
2 respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen.
3 zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten.
4 om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties.
5 in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren.
6 bij een opgegeven groepstaak of bij een groepsdiscussie leiding geven.
7 op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk.
8 opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep.
9 zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie.
10 ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie.
11 het verschil herkennen tussen verbaal en niet-verbaal gedrag bij zichzelf en bij anderen in concrete groepssituaties.
2 De beheersing van het communicatieve handelen of het omgaan met elkaar
De leerlingen
12 beheersen elementen van het communicatieve handelen:
- actief luisteren en weergeven wat een andere inbrengt;
- toegankelijk zijn en feed-back geven over eigen gevoel;
- verduidelijken waarom zij voor een bepaald gedrag gekozen hebben;
- assertief zijn en opkomen voor de rol die zij op zich nemen in een groepsopdracht;
- effectbesef hebben en over hun eigen gedrag reflecteren;
- anderen de kans geven om te reageren.
3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie
3.1 De dialoog
13 De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep.
3.2 De groepsdiscussie
14 De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen.
3.3 De taakgroep
15 De leerlingen kunnen onder begeleiding een taakgroep organiseren en bevorderen de onderlinge verstandhouding.
3.4 Maatschappelijke en culturele patronen
16 De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daartegenover verwoorden en bespreekbaar stellen.
Art. 11N1. APTITUDES SOCIALES.
1 Développer une gamme suffisamment étendue de modes de relation
Les élèves peuvent
1 affirmer leur présence : exprimer leur propre avis et avancer des arguments à ce propos, exiger du respect face à leur développement physique et sexuel.
2 faire preuve de respect et d'estime pour les autres : accepter et estimer le caractère propre de leurs condisciples.
3 se montrer serviables envers les autres : assister leurs condisciples dans les tâches et activités scolaires.
4 demander de l'aide et montrer leur gratitude dans des situations problématiques.
5 collaborer dans un groupe et exécuter une tâche qui leur est assignée.
6 assumer la direction d'un groupe lors d'un travail de groupe ou d'une discussion de groupe.
7 exprimer de manière appropriée leur critique vis-à-vis d'un autre lors d'un travail de groupe.
8 défendre les propres droits et les droits des autres membres du groupe.
9 se montrer discrets en société et face à une information confidentielle.
10 avouer qu'ils ont tort ou qu'ils n'ont pas réussi dans une discussion ou lors d'un jeu.
11 reconnaître la difference entre le comportement verbal et non verbal chez eux-mêmes et chez les autres dans des situations de groupe concrètes.
2 Maîtriser l'échange communicatif ou comment entretenir des rapports avec autrui
Les élèves
12 maîtrisent les éléments de l'échange communicatif :
- ils écoutent activement et reproduisent ce qu'apporte un autre;
- ils rendent leurs émotions accessibles et en assurent le feed-back;
- ils expliquent pourquoi ils ont opté pour un comportement donné;
- ils sont assertifs et défendent le rôle qu'ils assument dans une tâche confiée au groupe;
- ils sont conscients de l'impact et réfléchissent sur leur propre comportement;
- ils donnent aux autres la possibilité de réagir.
3. Participer à certaines formes de collaboration et d'organisation sociale
3.1 Le dialogue
13 Les élèves nouent des contacts avec d'autres membres du groupe et sont ouverts aux contacts avec d'autres en dehors du groupe.
3.2 Discussion de groupe
14 Les élèves peuvent donner, maintenir et ajuster leur opinion dans une discussion de groupe.
3.3 Le groupe chargé d'une tâche
15 Les élèves peuvent organiser avec accompagnement un groupe de travail et favorisent une bonne entente.
3.4 Modèles sociaux et culturels
16 Les élèves sont capables de reproduire sur la base d'informations offertes les habitudes de vie et de relations sociales propres à des familles ou des cultures, d'exprimer leur propre comportement envers ces habitudes et de permettre qu'on en discute.
1 Développer une gamme suffisamment étendue de modes de relation
Les élèves peuvent
1 affirmer leur présence : exprimer leur propre avis et avancer des arguments à ce propos, exiger du respect face à leur développement physique et sexuel.
2 faire preuve de respect et d'estime pour les autres : accepter et estimer le caractère propre de leurs condisciples.
3 se montrer serviables envers les autres : assister leurs condisciples dans les tâches et activités scolaires.
4 demander de l'aide et montrer leur gratitude dans des situations problématiques.
5 collaborer dans un groupe et exécuter une tâche qui leur est assignée.
6 assumer la direction d'un groupe lors d'un travail de groupe ou d'une discussion de groupe.
7 exprimer de manière appropriée leur critique vis-à-vis d'un autre lors d'un travail de groupe.
8 défendre les propres droits et les droits des autres membres du groupe.
9 se montrer discrets en société et face à une information confidentielle.
10 avouer qu'ils ont tort ou qu'ils n'ont pas réussi dans une discussion ou lors d'un jeu.
11 reconnaître la difference entre le comportement verbal et non verbal chez eux-mêmes et chez les autres dans des situations de groupe concrètes.
2 Maîtriser l'échange communicatif ou comment entretenir des rapports avec autrui
Les élèves
12 maîtrisent les éléments de l'échange communicatif :
- ils écoutent activement et reproduisent ce qu'apporte un autre;
- ils rendent leurs émotions accessibles et en assurent le feed-back;
- ils expliquent pourquoi ils ont opté pour un comportement donné;
- ils sont assertifs et défendent le rôle qu'ils assument dans une tâche confiée au groupe;
- ils sont conscients de l'impact et réfléchissent sur leur propre comportement;
- ils donnent aux autres la possibilité de réagir.
3. Participer à certaines formes de collaboration et d'organisation sociale
3.1 Le dialogue
13 Les élèves nouent des contacts avec d'autres membres du groupe et sont ouverts aux contacts avec d'autres en dehors du groupe.
3.2 Discussion de groupe
14 Les élèves peuvent donner, maintenir et ajuster leur opinion dans une discussion de groupe.
3.3 Le groupe chargé d'une tâche
15 Les élèves peuvent organiser avec accompagnement un groupe de travail et favorisent une bonne entente.
3.4 Modèles sociaux et culturels
16 Les élèves sont capables de reproduire sur la base d'informations offertes les habitudes de vie et de relations sociales propres à des familles ou des cultures, d'exprimer leur propre comportement envers ces habitudes et de permettre qu'on en discute.
Art. 12N1. OPVOEDEN TOT BURGERZIN
1 De klas en de school
De leerlingen
1 kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren.
2 kennen de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken.
3 kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sekse, huidskleur en etniciteit.
4 kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren.
5 zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school.
2 Gezinsvormen en eigen leefkring
De leerlingen
6 kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen beschrijven en er begrip voor opbrengen.
7 kunnen zich een beeld vormen van het gedrag van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring.
8 weten waar ze terecht kunnen bij problemen in hun eigen leefkring.
3 Media
De leerlingen
9 kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming.
10 kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.
4 Democratische vormen van bestuur
De leerlingen kunnen
11 de basiselementen (verkiezingen, groeperingen, overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen:
- op schoolniveau,
- op het politieke niveau.
12 met voorbeelden uitleggen hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt.
13 illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen.
1 De klas en de school
De leerlingen
1 kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren.
2 kennen de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken.
3 kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sekse, huidskleur en etniciteit.
4 kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren.
5 zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school.
2 Gezinsvormen en eigen leefkring
De leerlingen
6 kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen beschrijven en er begrip voor opbrengen.
7 kunnen zich een beeld vormen van het gedrag van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring.
8 weten waar ze terecht kunnen bij problemen in hun eigen leefkring.
3 Media
De leerlingen
9 kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming.
10 kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.
4 Democratische vormen van bestuur
De leerlingen kunnen
11 de basiselementen (verkiezingen, groeperingen, overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen:
- op schoolniveau,
- op het politieke niveau.
12 met voorbeelden uitleggen hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt.
13 illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen.
Art. 12N1. EDUCATION AU SENS CIVIQUE.
1 La classe et l'école
Les élèves
1 peuvent illustrer concrètement leurs droits et devoirs sur la base du règlement scolaire.
2 connaissent les fonctions et responsabilités de quiconque est en charge à l'école et peuvent faire usage des moyens qui sont mis à leur disposition pour faire connaître leurs questions, problèmes, idées ou opinions.
3 peuvent être tolérants face aux différences de sexe, de couleur de peau et d'ethnie.
4 peuvent imaginer des solutions à des conflits avec des compagnons du même âge et sont disposes à les appliquer.
5 sont disposés à participer à des actions de solidarité et autres en classe ou à l'école.
2. Formes de famille et milieu familial propre
Les élèves
6 peuvent décrire différentes formes et cultures de famille et comprendre les différences avec tolérance.
7 peuvent se faire une image du comportement des hommes et des femmes dans la société en général et dans la famille en particulier et la confronter avec leur propre milieu.
8 savent où ils peuvent s'adresser en cas de problème dans leur propre entourage.
3 Les médias
Les élèves
9 peuvent illustrer l'influence des médias sur leur façon de penser et d'agir et connaissent les possibilités d'utilisation des médias au profit de leur propre formation.
10 sont disposés à adopter une attitude critique à l'égard de toutes formes d'information dans les médias.
4 Formes démocratiques de gestion
Les élèves peuvent
11 expliquer d'une manière simple les éléments de base dans le fonctionnement de notre système démocratique (élections, groupements, concertation et compromis, majorité et opposition):
- au niveau scolaire,
- au niveau politique.
12 expliquer à l'aide d'exemples comment une autorité acquiert ses revenus et comment elle les utilise.
13 illustrer que toute politique doit tenir compte des idées, points de vue et intérêts de différentes personnes intéressées.
1 La classe et l'école
Les élèves
1 peuvent illustrer concrètement leurs droits et devoirs sur la base du règlement scolaire.
2 connaissent les fonctions et responsabilités de quiconque est en charge à l'école et peuvent faire usage des moyens qui sont mis à leur disposition pour faire connaître leurs questions, problèmes, idées ou opinions.
3 peuvent être tolérants face aux différences de sexe, de couleur de peau et d'ethnie.
4 peuvent imaginer des solutions à des conflits avec des compagnons du même âge et sont disposes à les appliquer.
5 sont disposés à participer à des actions de solidarité et autres en classe ou à l'école.
2. Formes de famille et milieu familial propre
Les élèves
6 peuvent décrire différentes formes et cultures de famille et comprendre les différences avec tolérance.
7 peuvent se faire une image du comportement des hommes et des femmes dans la société en général et dans la famille en particulier et la confronter avec leur propre milieu.
8 savent où ils peuvent s'adresser en cas de problème dans leur propre entourage.
3 Les médias
Les élèves
9 peuvent illustrer l'influence des médias sur leur façon de penser et d'agir et connaissent les possibilités d'utilisation des médias au profit de leur propre formation.
10 sont disposés à adopter une attitude critique à l'égard de toutes formes d'information dans les médias.
4 Formes démocratiques de gestion
Les élèves peuvent
11 expliquer d'une manière simple les éléments de base dans le fonctionnement de notre système démocratique (élections, groupements, concertation et compromis, majorité et opposition):
- au niveau scolaire,
- au niveau politique.
12 expliquer à l'aide d'exemples comment une autorité acquiert ses revenus et comment elle les utilise.
13 illustrer que toute politique doit tenir compte des idées, points de vue et intérêts de différentes personnes intéressées.
Art. 13N1. GEZONDHEIDSEDUCATIE
1 Hygiëne
De leerlingen
1 kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving.
2 Voeding
De leerlingen
2 kunnen aan de hand van een model een evenwichtige maaltijd samenstellen.
3 zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving.
3 Genotsmiddelen (tabak, alcohol, drugs) en geneesmiddelen
De leerlingen
4 weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft op de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.
5 kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik verantwoorden.
6 kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie.
4 Veiligheid en EHBO
De leerlingen
7 zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen.
8 kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen.
9 kennen het verkeersreglement en de veiligheidsvoorschriften voor voetgangers, (brom)fietsers, passagiers en kunnen ze toepassen.
10 kunnen op een efficiënte manier hulp inroepen in een noodsituatie en zelf eerste hulp bieden bij kleine wonden.
5 Stress en emoties
De leerlingen
11 kunnen onder begeleiding een negatieve stresssituatie bij zichzelf herkennen en hulp vragen.
12 leren omgaan met sociaal-emotionele en lichamelijke veranderingen in de puberteit.
6 Rust, beweging, houding
De leerlingen
13 kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding demonstreren en voorbeelden geven van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen.
14 zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie.
1 Hygiëne
De leerlingen
1 kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving.
2 Voeding
De leerlingen
2 kunnen aan de hand van een model een evenwichtige maaltijd samenstellen.
3 zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving.
3 Genotsmiddelen (tabak, alcohol, drugs) en geneesmiddelen
De leerlingen
4 weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft op de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.
5 kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik verantwoorden.
6 kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie.
4 Veiligheid en EHBO
De leerlingen
7 zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen.
8 kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen.
9 kennen het verkeersreglement en de veiligheidsvoorschriften voor voetgangers, (brom)fietsers, passagiers en kunnen ze toepassen.
10 kunnen op een efficiënte manier hulp inroepen in een noodsituatie en zelf eerste hulp bieden bij kleine wonden.
5 Stress en emoties
De leerlingen
11 kunnen onder begeleiding een negatieve stresssituatie bij zichzelf herkennen en hulp vragen.
12 leren omgaan met sociaal-emotionele en lichamelijke veranderingen in de puberteit.
6 Rust, beweging, houding
De leerlingen
13 kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding demonstreren en voorbeelden geven van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen.
14 zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie.
Art. 13N1. EDUCATION A LA SANTE.
1 Hygiène
Les élèves
1 peuvent démontrer l'importance de l'hygiène corporelle pour eux-mêmes et pour leur entourage.
2 Alimentation
Les élèves
2 peuvent, à l'aide d'un modèle, composer un repas équilibré.
3 comprennent dans quelle mesure le comportement alimentaire est influencé par la publicité et le milieu social.
3 Excitants (tabac, alcool, drogues) et médicaments
Les élèves
4 savent que l'utilisation et l'abus d'excitants et de médicaments ont des conséquences sur leur propre santé, sur celle des autres, sur les prestations sportives et scolaires et les relations sociales.
5 peuvent justifier leurs propres points de vue concernant l'utilisation du tabac, de l'alcool et de la drogue.
6 peuvent utiliser les médicaments de la bonne manière et se méfient de l'auto-médication.
4 Sécurité et secourisme
Les élèves
7 se réalisent que leur comportement influence leur propre sécurité et celle des autres.
8 peuvent identifier quelques situations de sécurité et d'insécurité dans leur propre environnement et peuvent donner des exemples de mesures préventives.
9 connaissent le code de la route et les consignes de sécurité pour les piétons, les cyclistes, les cyclomotoristes, les passagers et peuvent les appliquer.
10 peuvent demander de l'aide de manière efficace en cas d'urgence et donner les premiers soins en cas de blessures légères.
5 Stress et émotions
Les élèves
11 peuvent reconnaître, avec accompagnement, dans leur propre cas une situation de stress négative et demander de l'aide.
12 apprennent à faire face aux changements socio-émotionnels et physiques de la puberté.
6 Repos, mouvement et position
Les élèves
13 peuvent faire la démonstration d'une bonne position debout, assise et pour soulever et donner des exemples de plaintes qui peuvent survenir lors de positions et mouvements incorrects.
14 reconnaissent l'importance d'un horaire équilibré entre le temps consacré au travail (scolaire), au repos, à la detente et au mouvement et se réalisent de sa répercussion sur la condition physique.
1 Hygiène
Les élèves
1 peuvent démontrer l'importance de l'hygiène corporelle pour eux-mêmes et pour leur entourage.
2 Alimentation
Les élèves
2 peuvent, à l'aide d'un modèle, composer un repas équilibré.
3 comprennent dans quelle mesure le comportement alimentaire est influencé par la publicité et le milieu social.
3 Excitants (tabac, alcool, drogues) et médicaments
Les élèves
4 savent que l'utilisation et l'abus d'excitants et de médicaments ont des conséquences sur leur propre santé, sur celle des autres, sur les prestations sportives et scolaires et les relations sociales.
5 peuvent justifier leurs propres points de vue concernant l'utilisation du tabac, de l'alcool et de la drogue.
6 peuvent utiliser les médicaments de la bonne manière et se méfient de l'auto-médication.
4 Sécurité et secourisme
Les élèves
7 se réalisent que leur comportement influence leur propre sécurité et celle des autres.
8 peuvent identifier quelques situations de sécurité et d'insécurité dans leur propre environnement et peuvent donner des exemples de mesures préventives.
9 connaissent le code de la route et les consignes de sécurité pour les piétons, les cyclistes, les cyclomotoristes, les passagers et peuvent les appliquer.
10 peuvent demander de l'aide de manière efficace en cas d'urgence et donner les premiers soins en cas de blessures légères.
5 Stress et émotions
Les élèves
11 peuvent reconnaître, avec accompagnement, dans leur propre cas une situation de stress négative et demander de l'aide.
12 apprennent à faire face aux changements socio-émotionnels et physiques de la puberté.
6 Repos, mouvement et position
Les élèves
13 peuvent faire la démonstration d'une bonne position debout, assise et pour soulever et donner des exemples de plaintes qui peuvent survenir lors de positions et mouvements incorrects.
14 reconnaissent l'importance d'un horaire équilibré entre le temps consacré au travail (scolaire), au repos, à la detente et au mouvement et se réalisent de sa répercussion sur la condition physique.
Art. 14N1. MILIEU-EDUCATIE
1 Lucht, water en bodem
De leerlingen
1 kunnen voorbeelden geven van oorzaken van lucht-, water of bodemverontreiniging en de gevolgen aangeven voor mens, plant en dier in de eigen leefomgeving.
2 kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving de kwaliteit van lucht, water of bodem te behouden of te verbeteren.
3 gaan zorgzaam om met lucht, water en bodem in de eigen leefomgeving.
2 Levende wezens en milieu
De leerlingen
4 kunnen illustreren dat de verscheidenheid aan levende wezens samenhangt met en beïnvloed wordt door de landschapsstructuur en de menselijke benutting van het milieu.
5 illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende wijzen met planten en dieren omgaan.
6 gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.
3 Samenleving en ruimtegebruik
De leerlingen
7 kunnen enkele kenmerken van de relatie mens-milieu beschrijven in samenlevingsvormen in tijd en/of ruimte.
8 kunnen milieuproblemen en landschapsveranderingen in verband met het lokale ruimtegebruik kritisch onderzoeken.
9 zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het behoud van waardevolle landschappen.
4 Afval
De leerlingen kunnen
10 door een eenvoudig kwalitatief en kwantitatief onderzoek aantonen welke afvalstoffen in de eigen leefomgeving voortgebracht worden.
11 illustreren dat zij door het voorkomen van afval en door hergebruik kunnen bijdragen tot de beperking van de afvalproduktie en passen dit toe.
12 uitleggen wat er met niet-gerecycleerd afval uit hun eigen leefomgeving gebeurt.
1 Lucht, water en bodem
De leerlingen
1 kunnen voorbeelden geven van oorzaken van lucht-, water of bodemverontreiniging en de gevolgen aangeven voor mens, plant en dier in de eigen leefomgeving.
2 kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving de kwaliteit van lucht, water of bodem te behouden of te verbeteren.
3 gaan zorgzaam om met lucht, water en bodem in de eigen leefomgeving.
2 Levende wezens en milieu
De leerlingen
4 kunnen illustreren dat de verscheidenheid aan levende wezens samenhangt met en beïnvloed wordt door de landschapsstructuur en de menselijke benutting van het milieu.
5 illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende wijzen met planten en dieren omgaan.
6 gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.
3 Samenleving en ruimtegebruik
De leerlingen
7 kunnen enkele kenmerken van de relatie mens-milieu beschrijven in samenlevingsvormen in tijd en/of ruimte.
8 kunnen milieuproblemen en landschapsveranderingen in verband met het lokale ruimtegebruik kritisch onderzoeken.
9 zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het behoud van waardevolle landschappen.
4 Afval
De leerlingen kunnen
10 door een eenvoudig kwalitatief en kwantitatief onderzoek aantonen welke afvalstoffen in de eigen leefomgeving voortgebracht worden.
11 illustreren dat zij door het voorkomen van afval en door hergebruik kunnen bijdragen tot de beperking van de afvalproduktie en passen dit toe.
12 uitleggen wat er met niet-gerecycleerd afval uit hun eigen leefomgeving gebeurt.
Art. 14N1. EDUCATION A L'ENVIRONNEMENT.
1 L'air, l'eau et le sol
Les élèves
1 peuvent donner des exemples de causes de pollution de l'air, de l'eau et du sol et en indiquer les conséquences pour les hommes, les plantes et les animaux dans leur propre environnement.
2 peuvent formuler des propositions pour conserver ou ameliorer la qualité de l'air, de l'eau ou du sol dans le propre environnement.
3 montrent par leur comportement l'attention qu'ils portent à la qualité de l'air, de l'eau et du sol dans leur propre environnement.
2 Les êtres vivants et l'environnement
Les élèves
4 peuvent illustrer que la diversité en êtres vivants va de pair avec et est influencée par la structure du paysage et l'utilisation de l'environnement par l'homme.
5 illustrent comment les hommes de différentes cultures se comportent différemment envers les plantes et les animaux.
6 sont respectueux des plantes et des animaux.
3 Société et utilisation de l'espace
Les élèves
7 peuvent décrire quelques caractéristiques de la relation entre l'homme et l'environnement dans divers types de société a travers le temps et/ou l'espace.
8 peuvent examiner de manière critique les problèmes liés à l'environnement et les changements du paysage en rapport avec l'utilisation locale de l'espace.
9 sont prêts à prendre cause pour la protection de la nature et la préservation des paysages précieux.
4 Les déchets
Les élèves peuvent
10 démontrer à l'aide d'un examen qualitatif et quantitatif quels déchets sont produits dans leur propre environnement.
11 illustrer qu'ils peuvent apporter leur contribution à la limitation de la production de déchets par la prévention et le recyclage.
12 expliquer ce qu'il advient des déchets non recyclables provenant de leur environnement.
1 L'air, l'eau et le sol
Les élèves
1 peuvent donner des exemples de causes de pollution de l'air, de l'eau et du sol et en indiquer les conséquences pour les hommes, les plantes et les animaux dans leur propre environnement.
2 peuvent formuler des propositions pour conserver ou ameliorer la qualité de l'air, de l'eau ou du sol dans le propre environnement.
3 montrent par leur comportement l'attention qu'ils portent à la qualité de l'air, de l'eau et du sol dans leur propre environnement.
2 Les êtres vivants et l'environnement
Les élèves
4 peuvent illustrer que la diversité en êtres vivants va de pair avec et est influencée par la structure du paysage et l'utilisation de l'environnement par l'homme.
5 illustrent comment les hommes de différentes cultures se comportent différemment envers les plantes et les animaux.
6 sont respectueux des plantes et des animaux.
3 Société et utilisation de l'espace
Les élèves
7 peuvent décrire quelques caractéristiques de la relation entre l'homme et l'environnement dans divers types de société a travers le temps et/ou l'espace.
8 peuvent examiner de manière critique les problèmes liés à l'environnement et les changements du paysage en rapport avec l'utilisation locale de l'espace.
9 sont prêts à prendre cause pour la protection de la nature et la préservation des paysages précieux.
4 Les déchets
Les élèves peuvent
10 démontrer à l'aide d'un examen qualitatif et quantitatif quels déchets sont produits dans leur propre environnement.
11 illustrer qu'ils peuvent apporter leur contribution à la limitation de la production de déchets par la prévention et le recyclage.
12 expliquer ce qu'il advient des déchets non recyclables provenant de leur environnement.
Art. 14bisN 1. <INGEVOEGD bij BVR 2006-12-15/67, art. 1; Inwerkingtreding : 18-02-2007> Bijlage II. - INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE (ICT)
1 De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
2 De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
3 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
4 De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
5 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
7 De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
8 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
9 De leerlingen kunnen afhankelijk van het te bereiken doel adequaat kiezen uit verschillende ICT-toepassingen.
10 De leerlingen zijn bereid hun handelen bij te sturen na reflectie over hun eigen en elkaars ICT-gebruik.
1 De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
2 De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
3 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
4 De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
5 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
7 De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
8 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
9 De leerlingen kunnen afhankelijk van het te bereiken doel adequaat kiezen uit verschillende ICT-toepassingen.
10 De leerlingen zijn bereid hun handelen bij te sturen na reflectie over hun eigen en elkaars ICT-gebruik.
Art. 14bisN 1. Annexe II. TECHNOLOGIE D'INFORMATION ET DE COMMUNICATION (TIC).
1 Les élèves adoptent une attitude positive vis-à-vis des TIC et sont disposés à utiliser les TIC comme moyen d'aide à l'apprentissage.
2 Les éleves utilisent les TIC d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
3 Les élèves peuvent s'exercer de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
4 Les élèves peuvent apprendre de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
5 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour concrétiser leurs propres idées d'une manière créative.
6 Les élèves sont capables de rechercher, traiter et emmagasiner l'information numérique au moyen des TIC.
7 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour la présentation d'informations à autrui.
8 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour communiquer d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
9 Les élèves sont capables d'opérer un choix adéquat parmi les différentes applications TIC, dépendamment de l'objectif à atteindre.
10 Les élèves sont disposés à remanier leur comportement après réflexion sur leur emploi des TIC et sur celui des leurs camarades de classe.
1 Les élèves adoptent une attitude positive vis-à-vis des TIC et sont disposés à utiliser les TIC comme moyen d'aide à l'apprentissage.
2 Les éleves utilisent les TIC d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
3 Les élèves peuvent s'exercer de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
4 Les élèves peuvent apprendre de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
5 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour concrétiser leurs propres idées d'une manière créative.
6 Les élèves sont capables de rechercher, traiter et emmagasiner l'information numérique au moyen des TIC.
7 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour la présentation d'informations à autrui.
8 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour communiquer d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
9 Les élèves sont capables d'opérer un choix adéquat parmi les différentes applications TIC, dépendamment de l'objectif à atteindre.
10 Les élèves sont disposés à remanier leur comportement après réflexion sur leur emploi des TIC et sur celui des leurs camarades de classe.
Art. 15N1. ONTWIKKELINGSDOELEN
Vakgebonden ontwikkelingsdoelen
Nederlands
Wiskunde
Maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde
Natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk
Arti stieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding
Lichamelijke opvoeding
Technologische opvoeding
Frans
Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen
Leren leren
Sociale vaardigheden
Opvoeden tot burgerzin
Gezondheidseducatie
Milieu-educatie
(Informatie- en communicatietechnologie)
Vakgebonden ontwikkelingsdoelen
Nederlands
Wiskunde
Maatschappelijke vorming of geschiedenis en aardrijkskunde
Natuurwetenschappen of fysica en/of biologie en/of wetenschappelijk werk
Arti stieke opvoeding of plastische opvoeding en/of muzikale opvoeding
Lichamelijke opvoeding
Technologische opvoeding
Frans
Vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen
Leren leren
Sociale vaardigheden
Opvoeden tot burgerzin
Gezondheidseducatie
Milieu-educatie
(Informatie- en communicatietechnologie)
Art. 15N1. OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT.
Objectifs de développement liés aux différentes branches
Néerlandais
Mathématiques
Formation sociale ou histoire et géographie
Sciences naturelles ou physique et/ou biologie et/ou travaux scientifiques
Formation artistique ou plastique et/ou musicale
Education physique
Education technologique
Francais
Objectifs de développement interdisciplinaires
Apprendre à étudier
Aptitudes sociales
Education au sens civique
Education à la santé
Education à l'environnement
(Technologie d'information et de communication)
Objectifs de développement liés aux différentes branches
Néerlandais
Mathématiques
Formation sociale ou histoire et géographie
Sciences naturelles ou physique et/ou biologie et/ou travaux scientifiques
Formation artistique ou plastique et/ou musicale
Education physique
Education technologique
Francais
Objectifs de développement interdisciplinaires
Apprendre à étudier
Aptitudes sociales
Education au sens civique
Education à la santé
Education à l'environnement
(Technologie d'information et de communication)
Art. 16N1. VAKGEBONDEN ONTWIKKELINGSDOELEN
NEDERLANDS
1 Algemeen
De leerlingen
1 gebruiken Nederlands als communicatiemedium.
2 Visualiteit
De leerlingen kunnen
2 woorden en teksten correct van het bord overnemen.
3 Auditiviteit
De leerlingen
3 horen het verschil tussen een korte en een lange klank.
4 kunnen selectief luisteren naar kernwoorden en kernklanken in een eenvoudige tekst.
4 Schrijfmotoriek
De leerlingen hebben
5 een goede schrijfhouding.
6 een duidelijk en goed leesbaar handschrift.
5 Decoderen
De leerlingen
7 herkennen in woordvormen de samenstellende delen.
8 lezen foutloos en zonder herhalingen frequent voorkomende woorden.
9 schrijven foutloos frequent voorkomende onveranderlijke woorden.
6 Woordenschat
De leerlingen
10 breiden hun actieve en passieve basiswoordenschat uit.
7 Technisch lezen
De leerlingen
11 kunnen foutloos en zonder herhalingen eenvoudige studieteksten met minder frequente woorden in zinnen, met een gemiddelde zinslengte van 12 woorden luidop lezen.
12 lezen en begrijpen zelfstandig eenvoudige studieteksten en gebruikshandleidingen, met zinnen met een gemiddelde zinslengte van 15 woorden.
8 Luisteren
De leerlingen
13 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals in informatieve radio- en TV-uitzendingen, instructies van leraren of medeleerlingen, telefoongesprek, mededelingen, informatieve teksten en dramatische vormen (verwerkingsniveau: beschrijven).
14 kunnen beoordelend luisteren naar interactie met leeftijdgenoten zoals, een discussie, een gesprek, een oproep en een dramatisering (verwerkingsniveau: beoordelen).
15 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- luisterdoel bepalen;
- aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
- zich concentreren;
- belangrijke informatie noteren;
- vragen stellen bij onduidelijkheid.
16 leren in het kader van de in 13, 14 en 15 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- reflecteren over het taalgebruik met betrekking tot de bedoeling van de spreker;
- reflecteren over de tekstsoort;
- reflecteren over het eigen luistergedrag;
- luisterconventies naleven.
9 Spreken
De leerlingen
17 kunnen het gepaste taalregister hanteren:
- in verschillende situaties zoals tegenover leerlingen, gekende volwassenen, in telefoongesprekken en in dramatische vormen;
- op onderscheiden verwerkingsniveaus:
. beschrijvend zoals informatie verschaffen en vragen, verslag uitbrengen en informatie uitwisselen;
. beoordelend zoals kritisch reageren en passend argumenteren.
18 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- spreekdoel bepalen;
- informatie verzamelen;
- spreekplannetje opstellen;
- bedoeling duidelijk formuleren.
19 verwerven expressievaardigheid. Ze kunnen:
- zich in een herkenbare situatie inleven en zich soepel en natuurlijk uitdrukken en bewegen;
- door middel van mimiek en gebaren bepaalde gevoelens uitdrukken;
- de klas bekijken en toespreken in eigen woorden.
20 ontwikkelen in het kader van de in 17, 18 en 19 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- spreekdurf, dit wil zeggen een positieve bereidheid om het woord te nemen;
- bereidheid om te reflecteren op het eigen spreekgedrag;
- een positieve houding ten overstaan van na te leven gespreksconventies;
- respect voor de gesprekspartner;
- voldoende weerbaarheid om voor de eigen mening op te komen.
10 Lezen
De leerlingen
21 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals instructies, schema's, informatieve en fictionele teksten en gedichten (verwerkingsniveau: beschrijven).
22 kunnen de informatie op een overzichtelijke wijze ordenen in voor hen bestemde en gestructureerde tekstsoorten zoals school- en studieteksten, instructies bij schoolopdrachten (verwerkingsniveau: structureren).
23 kunnen de informatie beoordelen die voorkomt in verschillende voor hen bestemde brieven, jeugdkranten, tijdschriften, encyclopedieën en themaboeken voor jongeren, oproepen en reclameteksten (verwerkingsniveau: beoordelen).
24 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- leesdoel bepalen;
- aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
- zich concentreren;
- gericht informatie zoeken;
- onduidelijke passage herlezen.
25 leren in het kader van de in 21, 22, 23 en 24 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- reflecteren over de bedoeling waarmee de schrijver zich tot zijn lezerspubliek richt zoals informatie geven, instructies geven, uitnodigen tot;
- reflecteren over het eigen leesgedrag;
- leesplezier verwerven zoals voor jeugdliteratuur, historische verhalen, hobby-lectuur, stripverhalen.
11 Schrijven
De leerlingen
26 kunnen overzichten, aantekeningen, mededelingen op- en overschrijven (verwerkingsniveau: kopiëren).
27 kunnen een oproep, een uitnodiging, een instructie richten aan leeftijdgenoten (verwerkingsniveau: beschrijven).
28 kunnen hun boodschap op een overzichtelijke wijze neerschrijven in verschillende tekstsoorten zoals een persoonlijke brief, een verslag, een formulier en een antwoord op vragen (verwerkingsniveau: structureren).
29 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- schrijfdoel bepalen;
- informatie verzamelen;
- schrijfplan opstellen;
- woordenboek gebruiken;
- eigen tekst herwerken.
30 kunnen voor het realiseren van de in 26, 27, 28 en 29 opgesomde ontwikkelingsdoelen bovendien:
- hun teksten verzorgen rekening houdend met handschrift en lay-out;
- spellingafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van:
.woorden met vast woordbeeld :
- klankzuivere woorden;
- hoogfrequente niet klankzuivere woorden;
.woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden) :
- werkwoorden;
- klinker in open / gesloten lettergreep;
- verdubbeling medeklinker;
- niet klankzuivere eindletter;
. hoofdletters;. interpunctietekens (. , vraagteken uitroepingteken :);
31 leren met het oog op het realiseren van de in 26, 27, 28, 29 en 30 vermelde ontwikkelingsdoelen reflecteren over:
- het taalgebruik in formele en informele geschreven teksten;
- de stappen in het schrijfproces;
- het gebruik van hulpmiddelen;
- het schrijfdoel.
NEDERLANDS
1 Algemeen
De leerlingen
1 gebruiken Nederlands als communicatiemedium.
2 Visualiteit
De leerlingen kunnen
2 woorden en teksten correct van het bord overnemen.
3 Auditiviteit
De leerlingen
3 horen het verschil tussen een korte en een lange klank.
4 kunnen selectief luisteren naar kernwoorden en kernklanken in een eenvoudige tekst.
4 Schrijfmotoriek
De leerlingen hebben
5 een goede schrijfhouding.
6 een duidelijk en goed leesbaar handschrift.
5 Decoderen
De leerlingen
7 herkennen in woordvormen de samenstellende delen.
8 lezen foutloos en zonder herhalingen frequent voorkomende woorden.
9 schrijven foutloos frequent voorkomende onveranderlijke woorden.
6 Woordenschat
De leerlingen
10 breiden hun actieve en passieve basiswoordenschat uit.
7 Technisch lezen
De leerlingen
11 kunnen foutloos en zonder herhalingen eenvoudige studieteksten met minder frequente woorden in zinnen, met een gemiddelde zinslengte van 12 woorden luidop lezen.
12 lezen en begrijpen zelfstandig eenvoudige studieteksten en gebruikshandleidingen, met zinnen met een gemiddelde zinslengte van 15 woorden.
8 Luisteren
De leerlingen
13 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals in informatieve radio- en TV-uitzendingen, instructies van leraren of medeleerlingen, telefoongesprek, mededelingen, informatieve teksten en dramatische vormen (verwerkingsniveau: beschrijven).
14 kunnen beoordelend luisteren naar interactie met leeftijdgenoten zoals, een discussie, een gesprek, een oproep en een dramatisering (verwerkingsniveau: beoordelen).
15 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- luisterdoel bepalen;
- aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
- zich concentreren;
- belangrijke informatie noteren;
- vragen stellen bij onduidelijkheid.
16 leren in het kader van de in 13, 14 en 15 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- reflecteren over het taalgebruik met betrekking tot de bedoeling van de spreker;
- reflecteren over de tekstsoort;
- reflecteren over het eigen luistergedrag;
- luisterconventies naleven.
9 Spreken
De leerlingen
17 kunnen het gepaste taalregister hanteren:
- in verschillende situaties zoals tegenover leerlingen, gekende volwassenen, in telefoongesprekken en in dramatische vormen;
- op onderscheiden verwerkingsniveaus:
. beschrijvend zoals informatie verschaffen en vragen, verslag uitbrengen en informatie uitwisselen;
. beoordelend zoals kritisch reageren en passend argumenteren.
18 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- spreekdoel bepalen;
- informatie verzamelen;
- spreekplannetje opstellen;
- bedoeling duidelijk formuleren.
19 verwerven expressievaardigheid. Ze kunnen:
- zich in een herkenbare situatie inleven en zich soepel en natuurlijk uitdrukken en bewegen;
- door middel van mimiek en gebaren bepaalde gevoelens uitdrukken;
- de klas bekijken en toespreken in eigen woorden.
20 ontwikkelen in het kader van de in 17, 18 en 19 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- spreekdurf, dit wil zeggen een positieve bereidheid om het woord te nemen;
- bereidheid om te reflecteren op het eigen spreekgedrag;
- een positieve houding ten overstaan van na te leven gespreksconventies;
- respect voor de gesprekspartner;
- voldoende weerbaarheid om voor de eigen mening op te komen.
10 Lezen
De leerlingen
21 kunnen de informatie achterhalen in voor hen bestemde tekstsoorten zoals instructies, schema's, informatieve en fictionele teksten en gedichten (verwerkingsniveau: beschrijven).
22 kunnen de informatie op een overzichtelijke wijze ordenen in voor hen bestemde en gestructureerde tekstsoorten zoals school- en studieteksten, instructies bij schoolopdrachten (verwerkingsniveau: structureren).
23 kunnen de informatie beoordelen die voorkomt in verschillende voor hen bestemde brieven, jeugdkranten, tijdschriften, encyclopedieën en themaboeken voor jongeren, oproepen en reclameteksten (verwerkingsniveau: beoordelen).
24 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- leesdoel bepalen;
- aanwijzingen binnen de communicatiesituatie gebruiken;
- zich concentreren;
- gericht informatie zoeken;
- onduidelijke passage herlezen.
25 leren in het kader van de in 21, 22, 23 en 24 opgesomde ontwikkelingsdoelen:
- reflecteren over de bedoeling waarmee de schrijver zich tot zijn lezerspubliek richt zoals informatie geven, instructies geven, uitnodigen tot;
- reflecteren over het eigen leesgedrag;
- leesplezier verwerven zoals voor jeugdliteratuur, historische verhalen, hobby-lectuur, stripverhalen.
11 Schrijven
De leerlingen
26 kunnen overzichten, aantekeningen, mededelingen op- en overschrijven (verwerkingsniveau: kopiëren).
27 kunnen een oproep, een uitnodiging, een instructie richten aan leeftijdgenoten (verwerkingsniveau: beschrijven).
28 kunnen hun boodschap op een overzichtelijke wijze neerschrijven in verschillende tekstsoorten zoals een persoonlijke brief, een verslag, een formulier en een antwoord op vragen (verwerkingsniveau: structureren).
29 hebben weet van volgende communicatiebevorderende middelen, wat betekent dat ze die op hun niveau kunnen toepassen:
- schrijfdoel bepalen;
- informatie verzamelen;
- schrijfplan opstellen;
- woordenboek gebruiken;
- eigen tekst herwerken.
30 kunnen voor het realiseren van de in 26, 27, 28 en 29 opgesomde ontwikkelingsdoelen bovendien:
- hun teksten verzorgen rekening houdend met handschrift en lay-out;
- spellingafspraken en -regels toepassen in verband met het schrijven van:
.woorden met vast woordbeeld :
- klankzuivere woorden;
- hoogfrequente niet klankzuivere woorden;
.woorden met veranderlijk woordbeeld (regelwoorden) :
- werkwoorden;
- klinker in open / gesloten lettergreep;
- verdubbeling medeklinker;
- niet klankzuivere eindletter;
. hoofdletters;. interpunctietekens (. , vraagteken uitroepingteken :);
31 leren met het oog op het realiseren van de in 26, 27, 28, 29 en 30 vermelde ontwikkelingsdoelen reflecteren over:
- het taalgebruik in formele en informele geschreven teksten;
- de stappen in het schrijfproces;
- het gebruik van hulpmiddelen;
- het schrijfdoel.
Art. 16N1. OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT LIES AUX DIFFERENTES BRANCHES.
NEERLANDAIS.
1 Généralités
Les élèves
1 utilisent le néerlandais comme moyen de communication.
2 Compréhension visuelle
Les élèves peuvent
2 copier correctement des mots et des textes du tableau.
3 Compréhension auditive
Les élèves
3 entendent la différence entre un son long et un son court.
4 peuvent ecouter des mots-clés et des sons-clés provenant d'un texte simple en opérant une sélection.
4 Motricité de l'écriture
Les élèves ont
5 une bonne position pour écrire.
6 une écriture claire et bien lisible.
5 Décoder
Les élèves
7 reconnaissent les composantes de différentes formes de mots.
8 lisent des mots courants sans faire de fautes et sans répétitions.
9 écrivent des mots invariables courants sans faire de fautes.
6 Vocabulaire
Les élèves
10 elargissent leur vocabulaire de base actif et passif.
7 Lire de manière technique
Les élèves
11 peuvent lire à haute voix sans faire de fautes et sans répétitions des textes d'étude simples comprenant des mots moins courants dans des phrases d'une longueur moyenne de 12 mots.
12 lisent et comprennent seuls des textes d'étude et des notices explicatives comprenant des phrases d'une longueur moyenne de 15 mots.
8 Ecouter
Les élèves
13 peuvent recueillir l'information dans les types de textes qui leur sont destinés comme des émissions radio et de télé informatives, des instructions des enseignants ou des condisciples, une conversation téléphonique, des communiqués, des textes informatifs et des formes dramatiques (niveau de traitement = décrire).
14 peuvent juger l'information qui apparaît dans des interactions avec des compagnons du même âge lors d'une discussion, d'une conversation, d'un appel et d'une dramatisation (niveau de traitement = juger).
15 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de l'écoute;
- utiliser les indications recueillies dans la situation communicative;
- se concentrer;
- noter les informations importantes;
- poser des questions en cas de manque de clarté.
16 dans le cadre des objectifs de développement énumérés aux numeros 13, 14 et 15, apprendre à :
- réfléchir à l'usage de la langue par rapport à l'objectif de celui qui parle;
- réfléchir au type de texte;
- réfléchir à leur propre comportement d'écoute;
- respecter les conventions d'écoute.
9 Parler
Les élèves
17 peuvent utiliser le registre linguistique approprié :
- dans différentes situations comme avec des elèves, des adultes connus, dans des conversations téléphoniques et dans des formes dramatiques;
- à des niveaux de traitement différents :
* décrire : transmettre et demander des informations, faire un rapport et échanger des informations;
* juger : réagir de maniere critique et avancer des arguments valables.
18 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif du discours;
- récolter des informations;
- rediger un plan de discours;
- formuler clairement son objectif.
19 acquièrent une aptitude d'expression. Ils peuvent
- vivre une situation identifiable et s'exprimer et se déplacer souplement et naturellement;
- exprimer certains sentiments à l'aide de mimique et de gestes;
- considérer la classe avec attention et discourir en leurs propres termes.
20 développent, dans le cadre des objectifs de développement repris aux numéros 17, 18 et 19 :
- une audace de parler, c'est-à-dire qu'ils sont positivement disposés à prendre la parole;
- une disposition à réfléchir à leur propre comportement de langage;
- une attitude positive à l'égard de conventions que l'on doit respecter lors de conversations;
- du respect envers l'interlocuteur;
- suffisamment de résistance morale pour défendre leur propre opinion.
10 Lire
Les élèves
21 peuvent découvrir l'information dans des types de textes qui leur sont destinés comme des instructions, des schémas, des textes d'information et de fiction et des poèmes (niveau de traitement = décrire).
22 peuvent ordonner de façon précise les informations dans des types de textes structurés qui leur sont destinés, comme des textes scolaires et d'étude, des instructions données pour l'accomplissement des tâches scolaires (niveau de traitement = structurer).
23 peuvent juger l'information qui apparaît dans diverses lettres, dans des journaux, des revues, des encyclopédies et des livres thématiques pour jeunes, dans des appels et des textes de publicité qui leur sont destinés (niveau de traitement = juger).
24 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de la lecture;
- utiliser les indications recueillies dans la situation communicative;
- se concentrer;
- chercher des informations valables;
- relire les passages qui manquent de clarté.
25 dans le cadre des objectifs de développement repris aux numéros 21, 22, 23 et 24, apprendre à :
- réfléchir à l'intention avec laquelle l'écrivain s'adresse au public de lecteurs comme donner des informations, donner des instructions, inviter à l'action;
- réfléchir à leur propre comportement de lecture;
- éprouver du plaisir à lire des livres pour jeunes, des récits historiques, des livres sur les hobbys, les bandes dessinées.
11 Ecrire
Les élèves
26 peuvent écrire et recopier des comptes rendus, des notes, des communications (niveau de traitement = copier)
27 peuvent adresser un appel, une invitation, une instruction à des compagnons du même âge (niveau de traitement : décrire)
28 peuvent écrire leur message de manière précise dans différents types de textes comme une lettre personnelle, un rapport, un formulaire ou une réponse à des questions (niveau de traitement = structurer).
29 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de l'écriture;
- récolter des informations;
- rédiger un programme d'écriture;
- utiliser un dictionnaire;
- remanier son propre texte.
30 peuvent, en outre, pour la réalisation des objectifs de développement repris aux numéros 26, 27, 28 et 29 :
- soigner leurs textes en tenant compte de la calligraphie et de la mise en page;
- appliquer les conventions et les règles d'orthographe en rapport avec l'écriture de :
* mots à orthographe constante :
. mots aux sons purs;
. mots aux sons impurs très fréquents;
* mots ayant une orthographe variable (répondant aux règles) :
. verbes;
. voyelle dans une syllabe ouverte/fermée;
. redoublement de la consonne;
. lettre finale au son impur;
* majuscules
* signes de ponctuation (. , point d'interrogation, d'exclamation, :).
31 en vue de la réalisation des objectifs de développement repris aux numéros 26, 27, 28, 29 et 30, apprennent à réfléchir:
- au langage utilisé dans des textes écrits formels et informels;
- aux étapes dans le processus d'écriture;
- à l'utilisation de moyens;
- à l'objectif de l'écriture.
NEERLANDAIS.
1 Généralités
Les élèves
1 utilisent le néerlandais comme moyen de communication.
2 Compréhension visuelle
Les élèves peuvent
2 copier correctement des mots et des textes du tableau.
3 Compréhension auditive
Les élèves
3 entendent la différence entre un son long et un son court.
4 peuvent ecouter des mots-clés et des sons-clés provenant d'un texte simple en opérant une sélection.
4 Motricité de l'écriture
Les élèves ont
5 une bonne position pour écrire.
6 une écriture claire et bien lisible.
5 Décoder
Les élèves
7 reconnaissent les composantes de différentes formes de mots.
8 lisent des mots courants sans faire de fautes et sans répétitions.
9 écrivent des mots invariables courants sans faire de fautes.
6 Vocabulaire
Les élèves
10 elargissent leur vocabulaire de base actif et passif.
7 Lire de manière technique
Les élèves
11 peuvent lire à haute voix sans faire de fautes et sans répétitions des textes d'étude simples comprenant des mots moins courants dans des phrases d'une longueur moyenne de 12 mots.
12 lisent et comprennent seuls des textes d'étude et des notices explicatives comprenant des phrases d'une longueur moyenne de 15 mots.
8 Ecouter
Les élèves
13 peuvent recueillir l'information dans les types de textes qui leur sont destinés comme des émissions radio et de télé informatives, des instructions des enseignants ou des condisciples, une conversation téléphonique, des communiqués, des textes informatifs et des formes dramatiques (niveau de traitement = décrire).
14 peuvent juger l'information qui apparaît dans des interactions avec des compagnons du même âge lors d'une discussion, d'une conversation, d'un appel et d'une dramatisation (niveau de traitement = juger).
15 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de l'écoute;
- utiliser les indications recueillies dans la situation communicative;
- se concentrer;
- noter les informations importantes;
- poser des questions en cas de manque de clarté.
16 dans le cadre des objectifs de développement énumérés aux numeros 13, 14 et 15, apprendre à :
- réfléchir à l'usage de la langue par rapport à l'objectif de celui qui parle;
- réfléchir au type de texte;
- réfléchir à leur propre comportement d'écoute;
- respecter les conventions d'écoute.
9 Parler
Les élèves
17 peuvent utiliser le registre linguistique approprié :
- dans différentes situations comme avec des elèves, des adultes connus, dans des conversations téléphoniques et dans des formes dramatiques;
- à des niveaux de traitement différents :
* décrire : transmettre et demander des informations, faire un rapport et échanger des informations;
* juger : réagir de maniere critique et avancer des arguments valables.
18 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif du discours;
- récolter des informations;
- rediger un plan de discours;
- formuler clairement son objectif.
19 acquièrent une aptitude d'expression. Ils peuvent
- vivre une situation identifiable et s'exprimer et se déplacer souplement et naturellement;
- exprimer certains sentiments à l'aide de mimique et de gestes;
- considérer la classe avec attention et discourir en leurs propres termes.
20 développent, dans le cadre des objectifs de développement repris aux numéros 17, 18 et 19 :
- une audace de parler, c'est-à-dire qu'ils sont positivement disposés à prendre la parole;
- une disposition à réfléchir à leur propre comportement de langage;
- une attitude positive à l'égard de conventions que l'on doit respecter lors de conversations;
- du respect envers l'interlocuteur;
- suffisamment de résistance morale pour défendre leur propre opinion.
10 Lire
Les élèves
21 peuvent découvrir l'information dans des types de textes qui leur sont destinés comme des instructions, des schémas, des textes d'information et de fiction et des poèmes (niveau de traitement = décrire).
22 peuvent ordonner de façon précise les informations dans des types de textes structurés qui leur sont destinés, comme des textes scolaires et d'étude, des instructions données pour l'accomplissement des tâches scolaires (niveau de traitement = structurer).
23 peuvent juger l'information qui apparaît dans diverses lettres, dans des journaux, des revues, des encyclopédies et des livres thématiques pour jeunes, dans des appels et des textes de publicité qui leur sont destinés (niveau de traitement = juger).
24 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de la lecture;
- utiliser les indications recueillies dans la situation communicative;
- se concentrer;
- chercher des informations valables;
- relire les passages qui manquent de clarté.
25 dans le cadre des objectifs de développement repris aux numéros 21, 22, 23 et 24, apprendre à :
- réfléchir à l'intention avec laquelle l'écrivain s'adresse au public de lecteurs comme donner des informations, donner des instructions, inviter à l'action;
- réfléchir à leur propre comportement de lecture;
- éprouver du plaisir à lire des livres pour jeunes, des récits historiques, des livres sur les hobbys, les bandes dessinées.
11 Ecrire
Les élèves
26 peuvent écrire et recopier des comptes rendus, des notes, des communications (niveau de traitement = copier)
27 peuvent adresser un appel, une invitation, une instruction à des compagnons du même âge (niveau de traitement : décrire)
28 peuvent écrire leur message de manière précise dans différents types de textes comme une lettre personnelle, un rapport, un formulaire ou une réponse à des questions (niveau de traitement = structurer).
29 connaissent les incitants à la communication cités ci-après, ce qui implique qu'ils peuvent les appliquer à leur niveau :
- déterminer l'objectif de l'écriture;
- récolter des informations;
- rédiger un programme d'écriture;
- utiliser un dictionnaire;
- remanier son propre texte.
30 peuvent, en outre, pour la réalisation des objectifs de développement repris aux numéros 26, 27, 28 et 29 :
- soigner leurs textes en tenant compte de la calligraphie et de la mise en page;
- appliquer les conventions et les règles d'orthographe en rapport avec l'écriture de :
* mots à orthographe constante :
. mots aux sons purs;
. mots aux sons impurs très fréquents;
* mots ayant une orthographe variable (répondant aux règles) :
. verbes;
. voyelle dans une syllabe ouverte/fermée;
. redoublement de la consonne;
. lettre finale au son impur;
* majuscules
* signes de ponctuation (. , point d'interrogation, d'exclamation, :).
31 en vue de la réalisation des objectifs de développement repris aux numéros 26, 27, 28, 29 et 30, apprennent à réfléchir:
- au langage utilisé dans des textes écrits formels et informels;
- aux étapes dans le processus d'écriture;
- à l'utilisation de moyens;
- à l'objectif de l'écriture.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 17N1. WISKUNDE 1 Visualiteit
De leerlingen kunnen
1 tekeningen correct van het bord overnemen.
2 figuren herkennen, aanvullen, samenstellen en ordenen.
2 Percepto-motoriek
De leerlingen kunnen
3 een tweedimensionale tekening verkleind, vergroot tekenen met behulp van een raster.
4 een tweedimensionale tekening spiegelen om een verticale en een horizontale as met behulp van een raster.
5 een ontwikkeling maken van een driedimensionale lichaam.
3 Getalinzicht
De leerlingen hebben
6 inzicht in de relatie tussen breuk, decimaal getal en percent.
4 Hoofdbewerkingen
De leerlingen kunnen
7 hoofdbewerkingen met natuurlijke getallen maken, met inbegrip van de nulmoeilijkheid.
8 breuken optellen en aftrekken waarbij het resultaat een breuk is met een noemer kleiner dan of gelijk aan 16.
9 hoofdbewerkingen met een decimaal getal en een natuurlijk getal maken.
5 Wiskunde in praktische situaties
De leerlingen kunnen
10 de hoofdbewerkingen in verschillende situaties toepassen.
11 grootheden en resultaten van bewerkingen schatten en zinvol afronden.
12 een rekenopgave oplossen en controleren.
13 met verhoudingen en percenten in praktische situaties werken.
6 Zakrekenmachine
De leerlingen kunnen
14 met een zakrekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
15 de te bekomen uitkomsten vooraf schatten en achteraf controleren.
16 met een zakrekenmachine een percent nemen van een getal.
17 doelgericht een zakrekenmachine gebruiken.
7 Grootheden en eenheden
De leerlingen
18 kunnen twee of meer gelijksoortige objecten vergelijken en ordenen zonder gebruik te maken van een maateenheid.
19 kennen de begrippen omtrek, oppervlakte, volume, inhoud, massa, tijd, temperatuur en hoekgrootte.
20 kennen de belangrijkste eenheden en kunnen de symbolen daarvan juist gebruiken.
21 zien het verband tussen de verandering in de eenheid en de verandering bij het maatgetal bij herleidingen.
22 kunnen eenvoudige vraagstukken in verband met omtrek, oppervlakte, inhoud, massa, tijd, temperatuur en hoekgrootte oplossen.
23 kunnen bij een meetopdracht op een verantwoorde manier een keuze maken tussen instrumenten.
24 kunnen grootheden meten en berekenen.
8 Lijnen
De leerlingen
25 kennen verschillende soorten lijnen en kunnen ze tekenen.
26 kunnen een lijnstuk tekenen.
27 kunnen de lengte nauwkeurig meten.
28 herkennen de onderlinge stand van rechten en kunnen rechten tekenen waarvan de onderlinge stand beschreven is.
9 Hoeken
De leerlingen kunnen
29 de elementen van een hoek aanduiden en benoemen.
30 de hoeken aanduiden en rubriceren (nulhoek, scherpe hoek, rechte hoek, stompe hoek, gestrekte hoek, volle hoek).
31 hoeken meten en tekenen.
10 Vlakke figuren
De leerlingen kunnen
32 figuren indelen in vlakke figuren en ruimtelijke figuren.
33 vlakke figuren indelen in veelhoeken en figuren die geen veelhoeken zijn.
34 veelhoeken classificeren volgens het aantal hoeken en zijden.
35 driehoeken classificeren met als criteria het aantal gelijke zijden of hoeken.
36 driehoeken tekenen, waarvan een aantal voorwaarden in verband met gelijkheid van zijden of hoeken gegeven zijn.
37 vierhoeken classificeren met als criteria het aantal gelijke zijden, aantal paren evenwijdige zijden, aantal gelijke hoeken, eigenschappen van de diagonalen.
38 vierhoeken tekenen, waarvan een aantal voorwaarden in verband met gelijkheid van zijden of hoeken gegeven zijn.
39 de omtrek en oppervlakte van een driehoek, vierkant en een rechthoek berekenen.
40 een cirkel tekenen.
41 met gegeven formule de omtrek en oppervlakte van een cirkel berekenen.
11 Ruimtelijke figuren
De leerlingen
42 herkennen een kubus en een balk.
43 herkennen een piramide, cilinder, kegel en bol.
44 kunnen met gegeven formule de inhoud van een kubus en een balk berekenen.
12 Informatieverwerking
De leerlingen
45 kunnen informatie halen uit grafieken, tabellen, diagrammen, kaarten en schaalmodellen.
46 kunnen met plattegronden en plan werken.
47 hebben inzicht in het schaalbegrip.
48 kunnen een rekenkundig gemiddelde berekenen.
49 kunnen met tekeningen en modellen op schaal werken.
13 Geld
De leerlingen kunnen
50 in reële situaties rekenen met geld.
De leerlingen kunnen
1 tekeningen correct van het bord overnemen.
2 figuren herkennen, aanvullen, samenstellen en ordenen.
2 Percepto-motoriek
De leerlingen kunnen
3 een tweedimensionale tekening verkleind, vergroot tekenen met behulp van een raster.
4 een tweedimensionale tekening spiegelen om een verticale en een horizontale as met behulp van een raster.
5 een ontwikkeling maken van een driedimensionale lichaam.
3 Getalinzicht
De leerlingen hebben
6 inzicht in de relatie tussen breuk, decimaal getal en percent.
4 Hoofdbewerkingen
De leerlingen kunnen
7 hoofdbewerkingen met natuurlijke getallen maken, met inbegrip van de nulmoeilijkheid.
8 breuken optellen en aftrekken waarbij het resultaat een breuk is met een noemer kleiner dan of gelijk aan 16.
9 hoofdbewerkingen met een decimaal getal en een natuurlijk getal maken.
5 Wiskunde in praktische situaties
De leerlingen kunnen
10 de hoofdbewerkingen in verschillende situaties toepassen.
11 grootheden en resultaten van bewerkingen schatten en zinvol afronden.
12 een rekenopgave oplossen en controleren.
13 met verhoudingen en percenten in praktische situaties werken.
6 Zakrekenmachine
De leerlingen kunnen
14 met een zakrekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
15 de te bekomen uitkomsten vooraf schatten en achteraf controleren.
16 met een zakrekenmachine een percent nemen van een getal.
17 doelgericht een zakrekenmachine gebruiken.
7 Grootheden en eenheden
De leerlingen
18 kunnen twee of meer gelijksoortige objecten vergelijken en ordenen zonder gebruik te maken van een maateenheid.
19 kennen de begrippen omtrek, oppervlakte, volume, inhoud, massa, tijd, temperatuur en hoekgrootte.
20 kennen de belangrijkste eenheden en kunnen de symbolen daarvan juist gebruiken.
21 zien het verband tussen de verandering in de eenheid en de verandering bij het maatgetal bij herleidingen.
22 kunnen eenvoudige vraagstukken in verband met omtrek, oppervlakte, inhoud, massa, tijd, temperatuur en hoekgrootte oplossen.
23 kunnen bij een meetopdracht op een verantwoorde manier een keuze maken tussen instrumenten.
24 kunnen grootheden meten en berekenen.
8 Lijnen
De leerlingen
25 kennen verschillende soorten lijnen en kunnen ze tekenen.
26 kunnen een lijnstuk tekenen.
27 kunnen de lengte nauwkeurig meten.
28 herkennen de onderlinge stand van rechten en kunnen rechten tekenen waarvan de onderlinge stand beschreven is.
9 Hoeken
De leerlingen kunnen
29 de elementen van een hoek aanduiden en benoemen.
30 de hoeken aanduiden en rubriceren (nulhoek, scherpe hoek, rechte hoek, stompe hoek, gestrekte hoek, volle hoek).
31 hoeken meten en tekenen.
10 Vlakke figuren
De leerlingen kunnen
32 figuren indelen in vlakke figuren en ruimtelijke figuren.
33 vlakke figuren indelen in veelhoeken en figuren die geen veelhoeken zijn.
34 veelhoeken classificeren volgens het aantal hoeken en zijden.
35 driehoeken classificeren met als criteria het aantal gelijke zijden of hoeken.
36 driehoeken tekenen, waarvan een aantal voorwaarden in verband met gelijkheid van zijden of hoeken gegeven zijn.
37 vierhoeken classificeren met als criteria het aantal gelijke zijden, aantal paren evenwijdige zijden, aantal gelijke hoeken, eigenschappen van de diagonalen.
38 vierhoeken tekenen, waarvan een aantal voorwaarden in verband met gelijkheid van zijden of hoeken gegeven zijn.
39 de omtrek en oppervlakte van een driehoek, vierkant en een rechthoek berekenen.
40 een cirkel tekenen.
41 met gegeven formule de omtrek en oppervlakte van een cirkel berekenen.
11 Ruimtelijke figuren
De leerlingen
42 herkennen een kubus en een balk.
43 herkennen een piramide, cilinder, kegel en bol.
44 kunnen met gegeven formule de inhoud van een kubus en een balk berekenen.
12 Informatieverwerking
De leerlingen
45 kunnen informatie halen uit grafieken, tabellen, diagrammen, kaarten en schaalmodellen.
46 kunnen met plattegronden en plan werken.
47 hebben inzicht in het schaalbegrip.
48 kunnen een rekenkundig gemiddelde berekenen.
49 kunnen met tekeningen en modellen op schaal werken.
13 Geld
De leerlingen kunnen
50 in reële situaties rekenen met geld.
Art. 17N1. MATHEMATIQUES. 1 Concept visuel
Les élèves peuvent
1 recopier correctement des dessins du tableau.
2 reconnaître, compléter, composer et classer des figures.
2 Motricité de la perception
Les élèves peuvent
3 dessiner une figure à deux dimensions réduite, agrandie à l'aide de papier quadrillé.
4 retourner une figure à deux dimensions sur un axe vertical et un axe horizontal à l'aide de papier quadrillé.
5 reproduire un corps solide.
3 Compréhension des chiffres
Les élèves
6 comprennent la relation entre fraction, nombre décimal et pour cent.
4 Opérations principales
Les élèves peuvent
7 faire des opérations principales avec des nombres naturels, y compris la difficulté du nombre zéro.
8 additionner et soustraire des fractions avec comme résultat une fraction dont le dénominateur est inférieur ou égal à 16.
9 faire des opérations principales avec un nombre décimal et un nombre naturel.
5 Calculer dans des situations pratiques
Les élèves peuvent
10 appliquer les opérations principales dans différentes situations.
11 évaluer les grandeurs et les résultats d'opérations et les arrondir rationnellement.
12 résoudre et contrôler un problème d'arithmétique.
13 travailler avec des proportions et des pourcentages dans des situations pratiques.
6 Calculatrice de poche
Les élèves peuvent
14 additionner, soustraire, multiplier et diviser à l'aide d'une calculatrice de poche.
15 évaluer à l'avance le résultat à obtenir et le contrôler par après.
16 prendre un pourcentage d'un nombre à l'aide d'une calculatrice de poche.
17 utiliser une calculatrice de poche de manière fonctionnelle.
7 Grandeurs et unités
Les éleves
18 peuvent comparer et classer deux ou plusieurs objets analogues sans utiliser d'unité de mesure.
19 connaissent les concepts de périmètre, surface, volume, contenu, masse, temps, température et amplitude d'angle.
20 connaissent les principales unités et peuvent en utiliser correctement les symboles.
21 comprennent le lien entre le changement d'unité et le changement du nombre de mesure lors de conversions.
22 peuvent résoudre des énoncés simples en rapport avec le périmètre, la surface, le contenu, la masse, le temps, la température et l'amplitude d'angle.
23 peuvent choisir correctement l'instrument de mesure pour effectuer un calcul.
24 peuvent mesurer et calculer des grandeurs.
8 Lignes
Les élèves
25 connaissent différentes sortes de lignes et peuvent les dessiner.
26 peuvent dessiner un segment de ligne.
27 peuvent mesurer la longueur avec précision.
28 reconnaissent le parallélisme de droites et peuvent tracer des droites dont le parallélisme est décrit.
9 Angles
Les élèves peuvent
29 désigner et nommer les éléments d'un angle.
30 désigner et classer les angles (angle nul, angle aigu, angle droit, angle obtus, angle plat, angle plein).
31 mesurer et dessiner des angles.
10 Figures planes
Les élèves peuvent
32 classer des figures en figures planes et en figures spatiales.
33 classer des figures planes en polygones et en figures non polygones.
34 classifier des polygones en fonction du nombre d'angles et de côtés.
35 classifier des triangles avec pour critère le nombre de cotés ou d'angles égaux.
36 dessiner des triangles en respectant un certain nombre de conditions données en rapport avec l'égalité des côtés ou des angles.
37 classifier des quadrilatères avec pour critère le nombre de cotés égaux, le nombre de paires de côtés parallèles, le nombre d'angles égaux, les propriétés des diagonales.
38 dessiner des quadrilatères dont un certain nombre de conditions est donné en rapport avec l'égalité des côtés ou des angles.
39 calculer le périmètre et la superficie d'un triangle, d'un carré et d'un rectangle.
40 tracer un cercle.
41 calculer le périmètre et la superficie d'un cercle avec formule donnée.
11 Figures spatiales
Les élèves
42 reconnaissent un cube et un prisme.
43 reconnaissent une pyramide, un cylindre, un cône et une sphère.
44 peuvent calculer le volume d'un cube et d'un prisme avec formule donnée.
12 Traitement de l'information
Les élèves
45 peuvent retirer des informations de graphiques, de tableaux, de diagrammes, de cartes et de modèles réduits.
46 peuvent travailler avec des plans et des cartes.
47 comprennent le concept d'échelle.
48 peuvent calculer une moyenne arithmétique.
49 peuvent travailler avec des dessins à l'échelle et des modèles réduits.
13 L'argent
Les éleves peuvent
50 compter en argent dans des situations réelles.
Les élèves peuvent
1 recopier correctement des dessins du tableau.
2 reconnaître, compléter, composer et classer des figures.
2 Motricité de la perception
Les élèves peuvent
3 dessiner une figure à deux dimensions réduite, agrandie à l'aide de papier quadrillé.
4 retourner une figure à deux dimensions sur un axe vertical et un axe horizontal à l'aide de papier quadrillé.
5 reproduire un corps solide.
3 Compréhension des chiffres
Les élèves
6 comprennent la relation entre fraction, nombre décimal et pour cent.
4 Opérations principales
Les élèves peuvent
7 faire des opérations principales avec des nombres naturels, y compris la difficulté du nombre zéro.
8 additionner et soustraire des fractions avec comme résultat une fraction dont le dénominateur est inférieur ou égal à 16.
9 faire des opérations principales avec un nombre décimal et un nombre naturel.
5 Calculer dans des situations pratiques
Les élèves peuvent
10 appliquer les opérations principales dans différentes situations.
11 évaluer les grandeurs et les résultats d'opérations et les arrondir rationnellement.
12 résoudre et contrôler un problème d'arithmétique.
13 travailler avec des proportions et des pourcentages dans des situations pratiques.
6 Calculatrice de poche
Les élèves peuvent
14 additionner, soustraire, multiplier et diviser à l'aide d'une calculatrice de poche.
15 évaluer à l'avance le résultat à obtenir et le contrôler par après.
16 prendre un pourcentage d'un nombre à l'aide d'une calculatrice de poche.
17 utiliser une calculatrice de poche de manière fonctionnelle.
7 Grandeurs et unités
Les éleves
18 peuvent comparer et classer deux ou plusieurs objets analogues sans utiliser d'unité de mesure.
19 connaissent les concepts de périmètre, surface, volume, contenu, masse, temps, température et amplitude d'angle.
20 connaissent les principales unités et peuvent en utiliser correctement les symboles.
21 comprennent le lien entre le changement d'unité et le changement du nombre de mesure lors de conversions.
22 peuvent résoudre des énoncés simples en rapport avec le périmètre, la surface, le contenu, la masse, le temps, la température et l'amplitude d'angle.
23 peuvent choisir correctement l'instrument de mesure pour effectuer un calcul.
24 peuvent mesurer et calculer des grandeurs.
8 Lignes
Les élèves
25 connaissent différentes sortes de lignes et peuvent les dessiner.
26 peuvent dessiner un segment de ligne.
27 peuvent mesurer la longueur avec précision.
28 reconnaissent le parallélisme de droites et peuvent tracer des droites dont le parallélisme est décrit.
9 Angles
Les élèves peuvent
29 désigner et nommer les éléments d'un angle.
30 désigner et classer les angles (angle nul, angle aigu, angle droit, angle obtus, angle plat, angle plein).
31 mesurer et dessiner des angles.
10 Figures planes
Les élèves peuvent
32 classer des figures en figures planes et en figures spatiales.
33 classer des figures planes en polygones et en figures non polygones.
34 classifier des polygones en fonction du nombre d'angles et de côtés.
35 classifier des triangles avec pour critère le nombre de cotés ou d'angles égaux.
36 dessiner des triangles en respectant un certain nombre de conditions données en rapport avec l'égalité des côtés ou des angles.
37 classifier des quadrilatères avec pour critère le nombre de cotés égaux, le nombre de paires de côtés parallèles, le nombre d'angles égaux, les propriétés des diagonales.
38 dessiner des quadrilatères dont un certain nombre de conditions est donné en rapport avec l'égalité des côtés ou des angles.
39 calculer le périmètre et la superficie d'un triangle, d'un carré et d'un rectangle.
40 tracer un cercle.
41 calculer le périmètre et la superficie d'un cercle avec formule donnée.
11 Figures spatiales
Les élèves
42 reconnaissent un cube et un prisme.
43 reconnaissent une pyramide, un cylindre, un cône et une sphère.
44 peuvent calculer le volume d'un cube et d'un prisme avec formule donnée.
12 Traitement de l'information
Les élèves
45 peuvent retirer des informations de graphiques, de tableaux, de diagrammes, de cartes et de modèles réduits.
46 peuvent travailler avec des plans et des cartes.
47 comprennent le concept d'échelle.
48 peuvent calculer une moyenne arithmétique.
49 peuvent travailler avec des dessins à l'échelle et des modèles réduits.
13 L'argent
Les éleves peuvent
50 compter en argent dans des situations réelles.
Art. 18N1. MAATSCHAPPELIJKE VORMING OF GESCHIEDENIS EN AARDRIJKSKUNDE (10)
1 Dimensie maatschappij
De leerlingen
1 kennen hun rechten en plichten in de school- en leefomgeving.
2 leren hun eigen leefomgeving onbevooroordeeld observeren.
3 leren respectvol omgaan met verschillende groepen in onze multiculturele samenleving.
4 leren opkomen voor de eerbiediging van de rechten van de mens en het kind en de sociale rechtvaardigheid.
5 leren kritisch zijn tegenover zichzelf, de medeleerlingen en het maatschappelijk gebeuren.
6 leren besef hebben van verschillende rolverwachtingen jongens - meisjes en zich daar weerbaar tegenover op te stellen.
7 leren rekening houden met andere opvattingen en hoeden zich voor vooroordelen.
2 Dimensie tijd
De leerlingen
8 kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
9 kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
10 kunnen een kalender hanteren om gebeurtenissen uit hun eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
11 kunnen de begrippen tijdstip, tijdsduur, vroeger, nu, later, dag, week, maand, jaar, generatie en eeuw in verband met tijd hanteren.
12 kunnen belangrijke figuren of gebeurtenissen, die in de lessen aan bod komen, op een tijdsband situeren.
13 kunnen eenvoudige bronnen en levende getuigen raadplegen.
14 illustreren verschillen in tijdsbesteding tussen vroeger en nu, hier en elders.
15 kunnen aan de hand van eenvoudig bronnenmateriaal het dagelijks leven van mensen in een andere tijd vergelijken met hun eigen leven.
16 ontwikkelen kritische zin bij het omgaan met historische informatie.
3 Dimensie ruimte
De leerlingen kunnen
17 de begrippen wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, regio, land, continent en zee in verband met ruimte hanteren.
18 aan de hand van concrete inrichtingselementen een landelijk, stedelijk, toeristisch en industrieel landschap van elkaar onderscheiden.
19 op een kaart van Vlaanderen of België en op een kaart van andere bestudeerde gebieden, belangrijke plaatsen situeren.
20 zich aan de hand van een plattegrond of een kaart oriënteren.
21 informatie halen uit wegwijzers, pictogrammen en informatieborden.
4 Thema "de school en haar omgeving"
De leerlingen
22 herkennen door gericht waarnemen of na onderzoek een aantal landschappen in de eigen omgeving.
23 kunnen de verschillende nationaliteiten binnen de school of leefomgeving bepalen, in grafiek zetten en op de wereldkaart plaatsen.
24 kunnen het stratenplan van de gemeente gebruiken.
25 kunnen de gemeente situeren in een ruimere omgeving.
26 kunnen de gevaarlijkste punten in de buurt van de school aanduiden en weten hoe ze hun gedrag moeten aanpassen aan die gevaarsituaties.
5 Thema "de woning"
De leerlingen kunnen
27 verschillende woonvormen in tijd en ruimte situeren.
28 het wonen in functie van het klimaat, het bouwmateriaal, het landschap, de samenlevingsvorm, de levensstijl en de beroepsactiviteit verklaren.
6 Thema "de stad in verleden en heden"
De leerlingen
29 kunnen factoren opnoemen die het ontstaan van een stad verklaren.
30 herkennen en verklaren in een stad sporen uit het verleden.
31 hebben inzicht in de functies van een stad en kunnen de voor- en de nadelen van het stadsleven verduidelijken.
7 Thema "de vrijetijdsbesteding"
De leerlingen
32 kennen verschillende vormen van vrijetijdsbesteding aansluitend bij hun eigen leefwereld.
33 kennen de infrastructuur en mogelijkheden in verband met vrijetijdsbesteding in hun woonomgeving.
34 kunnen met geld omgaan.
8 Thema "actualiteit"
De leerlingen kunnen
35 informatie verzamelen over een actuele gebeurtenis.
36 een actuele gebeurtenis situeren in tijd en ruimte.
37 hun eigen mening over een actuele gebeurtenis verduidelijken.
1 Dimensie maatschappij
De leerlingen
1 kennen hun rechten en plichten in de school- en leefomgeving.
2 leren hun eigen leefomgeving onbevooroordeeld observeren.
3 leren respectvol omgaan met verschillende groepen in onze multiculturele samenleving.
4 leren opkomen voor de eerbiediging van de rechten van de mens en het kind en de sociale rechtvaardigheid.
5 leren kritisch zijn tegenover zichzelf, de medeleerlingen en het maatschappelijk gebeuren.
6 leren besef hebben van verschillende rolverwachtingen jongens - meisjes en zich daar weerbaar tegenover op te stellen.
7 leren rekening houden met andere opvattingen en hoeden zich voor vooroordelen.
2 Dimensie tijd
De leerlingen
8 kunnen in een kleine groep voor een welomschreven opdracht een taakverdeling en planning in de tijd opmaken.
9 kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren.
10 kunnen een kalender hanteren om gebeurtenissen uit hun eigen leven in de tijd te situeren en om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen.
11 kunnen de begrippen tijdstip, tijdsduur, vroeger, nu, later, dag, week, maand, jaar, generatie en eeuw in verband met tijd hanteren.
12 kunnen belangrijke figuren of gebeurtenissen, die in de lessen aan bod komen, op een tijdsband situeren.
13 kunnen eenvoudige bronnen en levende getuigen raadplegen.
14 illustreren verschillen in tijdsbesteding tussen vroeger en nu, hier en elders.
15 kunnen aan de hand van eenvoudig bronnenmateriaal het dagelijks leven van mensen in een andere tijd vergelijken met hun eigen leven.
16 ontwikkelen kritische zin bij het omgaan met historische informatie.
3 Dimensie ruimte
De leerlingen kunnen
17 de begrippen wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, regio, land, continent en zee in verband met ruimte hanteren.
18 aan de hand van concrete inrichtingselementen een landelijk, stedelijk, toeristisch en industrieel landschap van elkaar onderscheiden.
19 op een kaart van Vlaanderen of België en op een kaart van andere bestudeerde gebieden, belangrijke plaatsen situeren.
20 zich aan de hand van een plattegrond of een kaart oriënteren.
21 informatie halen uit wegwijzers, pictogrammen en informatieborden.
4 Thema "de school en haar omgeving"
De leerlingen
22 herkennen door gericht waarnemen of na onderzoek een aantal landschappen in de eigen omgeving.
23 kunnen de verschillende nationaliteiten binnen de school of leefomgeving bepalen, in grafiek zetten en op de wereldkaart plaatsen.
24 kunnen het stratenplan van de gemeente gebruiken.
25 kunnen de gemeente situeren in een ruimere omgeving.
26 kunnen de gevaarlijkste punten in de buurt van de school aanduiden en weten hoe ze hun gedrag moeten aanpassen aan die gevaarsituaties.
5 Thema "de woning"
De leerlingen kunnen
27 verschillende woonvormen in tijd en ruimte situeren.
28 het wonen in functie van het klimaat, het bouwmateriaal, het landschap, de samenlevingsvorm, de levensstijl en de beroepsactiviteit verklaren.
6 Thema "de stad in verleden en heden"
De leerlingen
29 kunnen factoren opnoemen die het ontstaan van een stad verklaren.
30 herkennen en verklaren in een stad sporen uit het verleden.
31 hebben inzicht in de functies van een stad en kunnen de voor- en de nadelen van het stadsleven verduidelijken.
7 Thema "de vrijetijdsbesteding"
De leerlingen
32 kennen verschillende vormen van vrijetijdsbesteding aansluitend bij hun eigen leefwereld.
33 kennen de infrastructuur en mogelijkheden in verband met vrijetijdsbesteding in hun woonomgeving.
34 kunnen met geld omgaan.
8 Thema "actualiteit"
De leerlingen kunnen
35 informatie verzamelen over een actuele gebeurtenis.
36 een actuele gebeurtenis situeren in tijd en ruimte.
37 hun eigen mening over een actuele gebeurtenis verduidelijken.
Art. 18N1. FORMATION SOCIALE OU HISTOIRE ET GEOGRAPHIE (10).
1 Dimension sociale
Les élèves
1 connaissent leurs droits et devoirs à l'école et dans leur entourage.
2 peuvent observer leur propre entourage sans préjugés.
3 apprennent à faire preuve de respect envers les différents groupes de notre société multiculturelle.
4 apprennent a défendre le respect des droits de l'homme et de l'enfant ainsi que la justice sociale.
5 apprennent à être critiques envers eux-mêmes, leurs condisciples et les événements à caractere social.
6 apprennent à être conscients du rôle attendu des garcons et des filles et sont capables de se dresser contre cet ordre des choses.
7 apprennent à tenir compte d'autres avis et font attention aux préjugés.
2 Dimension temporelle
Les élèves
8 peuvent préparer en groupe restreint et pour une tâche bien définie une répartition des taches et un programme dans le temps.
9 peuvent interpréter correctement des indications de temps sur des invitations ainsi que des horaires d'ouverture et de fermeture.
10 peuvent utiliser un calendrier afin de situer dans le temps des événements de leur propre vie et de déterminer correctement le temps écoulé entre ces événements.
11 peuvent utiliser les concepts suivants en rapport avec le temps: moment, durée, jadis, maintenant, plus tard, jour, semaine, mois, année, genération et siècle.
12 peuvent situer sur une ligne du temps des figures ou des événements importants qui sont étudiés pendant les cours.
13 peuvent consulter des sources simples et des témoins vivants.
14 illustrent des différences dans l'emploi du temps entre avant et maintenant, ici et ailleurs.
15 peuvent, à l'aide de sources simples, comparer la vie quotidienne de personnes vivant à une autre époque avec leur propre vie.
16 développent un esprit critique en traitant des informations historiques.
3 Dimension spatiale
Les élèves peuvent
17 utiliser les concepts suivants en rapport avec l'espace: quartier, hameau, village, ancienne commune, commune fusionnée, ville, province, région, pays, continent et mer.
18 distinguer, à l'aide d'éléments d'aménagement concrets, un paysage rural, urbain, touristique et industriel.
19 situer des endroits importants sur une carte de Flandre et de Belgique, ainsi que sur une carte d'autres régions étudiées.
20 s'orienter à l'aide d'un plan ou d'une carte.
21 retirer des informations de flèches d'indication, de pictogrammes et de panneaux d'information.
4 Le thème "L'école et son environnement"
Les élèves
22 reconnaissent un certain nombre de paysages dans leur propre environnement en les observant de manière ponctuelle ou après examen.
23 peuvent determiner les différentes nationalités représentées à l'école ou dans leur environnement, les mettre sur graphique et les indiquer sur la carte universelle.
24 peuvent utiliser le plan des rues de la commune.
25 peuvent situer la commune dans un environnement plus large.
26 peuvent indiquer les endroits les plus dangereux à proximité de l'école et savent comment adapter leur comportement à ces situations de danger.
5 Le thème "L'habitation"
Les élèves peuvent
27 situer différentes formes d'habitation dans le temps et dans l'espace.
28 expliquer l'habitation en fonction du climat, des matériaux de construction, du paysage, du type de société, du style de vie et de l'activité professionnelle.
6 Le thème "La ville dans le passe et dans le présent"
Les élèves
29 peuvent citer des facteurs qui expliquent la naissance d'une ville.
30 reconnaissent et expliquent les traces du passé dans une ville.
31 comprennent les fonctions d'une ville et peuvent préciser les avantages et les inconvénients de la vie urbaine.
7 Le thème "Loisirs"
Les élèves
32 connaissent differentes formes de loisirs présents dans leur propre milieu.
33 connaissent l'infrastructure et les possibilités en rapport avec les loisirs dans leur entourage.
34 connaissent la valeur de l'argent.
8 Le thème "Actualité"
Les élèves peuvent
35 rassembler des informations sur un evénement actuel.
36 situer un événement actuel dans le temps et l'espace.
37 préciser leur propre opinion sur un évenement actuel.
1 Dimension sociale
Les élèves
1 connaissent leurs droits et devoirs à l'école et dans leur entourage.
2 peuvent observer leur propre entourage sans préjugés.
3 apprennent à faire preuve de respect envers les différents groupes de notre société multiculturelle.
4 apprennent a défendre le respect des droits de l'homme et de l'enfant ainsi que la justice sociale.
5 apprennent à être critiques envers eux-mêmes, leurs condisciples et les événements à caractere social.
6 apprennent à être conscients du rôle attendu des garcons et des filles et sont capables de se dresser contre cet ordre des choses.
7 apprennent à tenir compte d'autres avis et font attention aux préjugés.
2 Dimension temporelle
Les élèves
8 peuvent préparer en groupe restreint et pour une tâche bien définie une répartition des taches et un programme dans le temps.
9 peuvent interpréter correctement des indications de temps sur des invitations ainsi que des horaires d'ouverture et de fermeture.
10 peuvent utiliser un calendrier afin de situer dans le temps des événements de leur propre vie et de déterminer correctement le temps écoulé entre ces événements.
11 peuvent utiliser les concepts suivants en rapport avec le temps: moment, durée, jadis, maintenant, plus tard, jour, semaine, mois, année, genération et siècle.
12 peuvent situer sur une ligne du temps des figures ou des événements importants qui sont étudiés pendant les cours.
13 peuvent consulter des sources simples et des témoins vivants.
14 illustrent des différences dans l'emploi du temps entre avant et maintenant, ici et ailleurs.
15 peuvent, à l'aide de sources simples, comparer la vie quotidienne de personnes vivant à une autre époque avec leur propre vie.
16 développent un esprit critique en traitant des informations historiques.
3 Dimension spatiale
Les élèves peuvent
17 utiliser les concepts suivants en rapport avec l'espace: quartier, hameau, village, ancienne commune, commune fusionnée, ville, province, région, pays, continent et mer.
18 distinguer, à l'aide d'éléments d'aménagement concrets, un paysage rural, urbain, touristique et industriel.
19 situer des endroits importants sur une carte de Flandre et de Belgique, ainsi que sur une carte d'autres régions étudiées.
20 s'orienter à l'aide d'un plan ou d'une carte.
21 retirer des informations de flèches d'indication, de pictogrammes et de panneaux d'information.
4 Le thème "L'école et son environnement"
Les élèves
22 reconnaissent un certain nombre de paysages dans leur propre environnement en les observant de manière ponctuelle ou après examen.
23 peuvent determiner les différentes nationalités représentées à l'école ou dans leur environnement, les mettre sur graphique et les indiquer sur la carte universelle.
24 peuvent utiliser le plan des rues de la commune.
25 peuvent situer la commune dans un environnement plus large.
26 peuvent indiquer les endroits les plus dangereux à proximité de l'école et savent comment adapter leur comportement à ces situations de danger.
5 Le thème "L'habitation"
Les élèves peuvent
27 situer différentes formes d'habitation dans le temps et dans l'espace.
28 expliquer l'habitation en fonction du climat, des matériaux de construction, du paysage, du type de société, du style de vie et de l'activité professionnelle.
6 Le thème "La ville dans le passe et dans le présent"
Les élèves
29 peuvent citer des facteurs qui expliquent la naissance d'une ville.
30 reconnaissent et expliquent les traces du passé dans une ville.
31 comprennent les fonctions d'une ville et peuvent préciser les avantages et les inconvénients de la vie urbaine.
7 Le thème "Loisirs"
Les élèves
32 connaissent differentes formes de loisirs présents dans leur propre milieu.
33 connaissent l'infrastructure et les possibilités en rapport avec les loisirs dans leur entourage.
34 connaissent la valeur de l'argent.
8 Le thème "Actualité"
Les élèves peuvent
35 rassembler des informations sur un evénement actuel.
36 situer un événement actuel dans le temps et l'espace.
37 préciser leur propre opinion sur un évenement actuel.
Art. 19N1. NATUURWETENSCHAPPEN OF FYSICA EN/OF BIOLOGIE EN/OF WETENSCHAPPELIJK WERK (11)
1 Algemeen
De leerlingen kunnen
1 gericht waarnemen met al hun zintuigen.
2 de correcte vakterminologie gebruiken voor het benoemen van begrippen.
3 verbanden leggen tussen twee waargenomen verschijnselen.
4 een natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen, via een eenvoudig proefje toetsen aan een hypothese.
5 metingen uitvoeren met een afgesproken nauwkeurigheid.
6 bij het uitvoeren van proeven adequate instrumenten kiezen en hanteren.
2 Levende natuur
De leerlingen kunnen
7 in een beperkte verzameling van mensen, dieren en planten gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen.
8 enkele veel voorkomende planten en dieren uit hun eigen omgeving aan de hand van eenvoudige hulpmiddelen, herkennen en benoemen.
9 bij organismen uit de eigen omgeving kenmerken aangeven waaruit blijkt dat deze aangepast zijn aan hun omgeving.
10 voorbeelden geven van voedselrelaties uit de eigen omgeving
11 met voorbeelden aangeven dat de mens het biologisch evenwicht kan beïnvloeden.
12 belangrijke organen van de mens (voor voeding, ademhaling, transport, uitscheiding, voortplanting) lokaliseren, benoemen en op een eenvoudige manier uitleggen welk verband er bestaat tussen de bouw en de functie ervan.
13 het belang van de stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het lichaam.
14 aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het spierstelsel illustreren.
15 de bouw en de werking van de huid beschrijven rekening houdende met een goede hygiëne van de huid.
16 beschrijven hoe de voortplanting bij mensen verloopt.
17 de veranderingen tijdens de puberteit op lichamelijk en sociaal-emotioneel vlak, zowel bij jongens als meisjes, beschrijven.
18 middelen aangeven om zwangerschap te regelen en seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen.
19 voorbeelden geven van toepassingen van hun biologische kennis in het dagelijks leven.
3 Niet-levende natuur
De leerlingen
20 kennen de aggregatietoestanden en kunnen de relatie leggen tussen de temperatuurverandering en de verandering van aggregatietoestand.
21 kunnen vaststellen dat de oplosbaarheid afhankelijk is van de temperatuur, de hoeveelheid oplosmiddel en de aard van de stof.
22 kunnen voorbeelden uit het dagelijkse leven geven van communicerende vaten.
23 kunnen met voorbeelden uit het dagelijks leven het verschil uitleggen tussen zinken, zweven en drijven.
24 kunnen een thermometer juist gebruiken en aflezen, en een temperatuurcurve lezen.
25 kunnen de invloed van temperatuurverandering op het uitzetten en krimpen van stoffen aan de hand van een voorbeeld illustreren.
26 kunnen enkele praktische voorbeelden geven van warmtetransport en warmte-isolatie.
1 Algemeen
De leerlingen kunnen
1 gericht waarnemen met al hun zintuigen.
2 de correcte vakterminologie gebruiken voor het benoemen van begrippen.
3 verbanden leggen tussen twee waargenomen verschijnselen.
4 een natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen, via een eenvoudig proefje toetsen aan een hypothese.
5 metingen uitvoeren met een afgesproken nauwkeurigheid.
6 bij het uitvoeren van proeven adequate instrumenten kiezen en hanteren.
2 Levende natuur
De leerlingen kunnen
7 in een beperkte verzameling van mensen, dieren en planten gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen.
8 enkele veel voorkomende planten en dieren uit hun eigen omgeving aan de hand van eenvoudige hulpmiddelen, herkennen en benoemen.
9 bij organismen uit de eigen omgeving kenmerken aangeven waaruit blijkt dat deze aangepast zijn aan hun omgeving.
10 voorbeelden geven van voedselrelaties uit de eigen omgeving
11 met voorbeelden aangeven dat de mens het biologisch evenwicht kan beïnvloeden.
12 belangrijke organen van de mens (voor voeding, ademhaling, transport, uitscheiding, voortplanting) lokaliseren, benoemen en op een eenvoudige manier uitleggen welk verband er bestaat tussen de bouw en de functie ervan.
13 het belang van de stofwisseling beschrijven voor de instandhouding van het lichaam.
14 aan de hand van voorbeelden het effect van bepaalde houdingen en bewegingen op de goede ontwikkeling van het geraamte en het spierstelsel illustreren.
15 de bouw en de werking van de huid beschrijven rekening houdende met een goede hygiëne van de huid.
16 beschrijven hoe de voortplanting bij mensen verloopt.
17 de veranderingen tijdens de puberteit op lichamelijk en sociaal-emotioneel vlak, zowel bij jongens als meisjes, beschrijven.
18 middelen aangeven om zwangerschap te regelen en seksueel overdraagbare aandoeningen te voorkomen.
19 voorbeelden geven van toepassingen van hun biologische kennis in het dagelijks leven.
3 Niet-levende natuur
De leerlingen
20 kennen de aggregatietoestanden en kunnen de relatie leggen tussen de temperatuurverandering en de verandering van aggregatietoestand.
21 kunnen vaststellen dat de oplosbaarheid afhankelijk is van de temperatuur, de hoeveelheid oplosmiddel en de aard van de stof.
22 kunnen voorbeelden uit het dagelijkse leven geven van communicerende vaten.
23 kunnen met voorbeelden uit het dagelijks leven het verschil uitleggen tussen zinken, zweven en drijven.
24 kunnen een thermometer juist gebruiken en aflezen, en een temperatuurcurve lezen.
25 kunnen de invloed van temperatuurverandering op het uitzetten en krimpen van stoffen aan de hand van een voorbeeld illustreren.
26 kunnen enkele praktische voorbeelden geven van warmtetransport en warmte-isolatie.
Art. 19N1. SCIENCES NATURELLES OU PHYSIQUE ET/OU BIOLOGIE ET/OU TRAVAUX SCIENTIFIQUES (11).
1 Généralités
les élèves peuvent
1 observer de manière ponctuelle avec tous leurs sens.
2 utiliser la terminologie technique correcte pour nommer des concepts.
3 établir des rapports entre deux phénomènes observés.
4 confronter un phénomène naturel qu'ils observent à une hypothèse, par un test simple.
5 prendre des mesures avec une précision convenue.
6 choisir et utiliser les instruments appropriés pour exécuter des tests.
2 La nature vivante
Les élèves peuvent
7 découvrir des similitudes et des differences dans un ensemble restreint de personnes, d'animaux et de plantes et les classifier à leur manière sur la base d'au moins un critère.
8 reconnaître et nommer quelques plantes et animaux courants de leur propre environnement à l'aide de moyens simples.
9 citer des caractéristiques d'organismes de leur propre environnement démontrant que ces organismes sont adaptés à leur environnement.
10 donner des exemples de relations alimentaires existant dans leur propre environnement.
11 démontrer par des exemples que l'homme peut influencer l'equilibre biologique.
12 localiser et nommer les organes importants de l'homme (pour l'alimentation, la respiration, le transit, l'excrétion, la reproduction) et expliquer de manière simple quel est le lien entre la structure et la fonction de ces organes.
13 décrire l'importance du métabolisme pour la préservation du corps humain.
14 illustrer à l'aide d'exemples l'effet de certaines positions et certains mouvements sur le bon développement du squelette et du système musculaire.
15 décrire la structure et le fonctionnement de la peau en fonction d'une bonne hygiène de la peau.
16 décrire la reproduction chez l'homme.
17 décrire les changements qui surviennent pendant la puberté sur le plan physique et socio-émotionnel, aussi bien chez les filles que chez les garcons.
18 indiquer quels sont les moyens d'éviter la grossesse et les maladies sexuellement transmissibles.
19 donner des exemples d'applications de leurs connaissances biologiques dans la vie quotidienne.
3 La nature non vivante
Les élèves
20 connaissent les états physiques et peuvent établir la relation entre le changement de température et le changement d'état physique.
21 peuvent établir que la solubilité dépend de la température, de la quantité de matière soluble et de la nature de la matière.
22 peuvent donner des exemples de vases communicants dans la vie quotidienne.
23 peuvent expliquer, a l'aide d'exemples de la vie quotidienne, la différence entre couler, être en suspension et flotter.
24 peuvent utiliser et lire correctement les températures sur un thermomètre et lire une courbe de température.
25 peuvent illustrer a l'aide d'un exemple l'influence des changements de température sur la dilatation et le retrait de matières.
26 peuvent donner quelques exemples pratiques de la conductivité et de l'isolation thermiques.
1 Généralités
les élèves peuvent
1 observer de manière ponctuelle avec tous leurs sens.
2 utiliser la terminologie technique correcte pour nommer des concepts.
3 établir des rapports entre deux phénomènes observés.
4 confronter un phénomène naturel qu'ils observent à une hypothèse, par un test simple.
5 prendre des mesures avec une précision convenue.
6 choisir et utiliser les instruments appropriés pour exécuter des tests.
2 La nature vivante
Les élèves peuvent
7 découvrir des similitudes et des differences dans un ensemble restreint de personnes, d'animaux et de plantes et les classifier à leur manière sur la base d'au moins un critère.
8 reconnaître et nommer quelques plantes et animaux courants de leur propre environnement à l'aide de moyens simples.
9 citer des caractéristiques d'organismes de leur propre environnement démontrant que ces organismes sont adaptés à leur environnement.
10 donner des exemples de relations alimentaires existant dans leur propre environnement.
11 démontrer par des exemples que l'homme peut influencer l'equilibre biologique.
12 localiser et nommer les organes importants de l'homme (pour l'alimentation, la respiration, le transit, l'excrétion, la reproduction) et expliquer de manière simple quel est le lien entre la structure et la fonction de ces organes.
13 décrire l'importance du métabolisme pour la préservation du corps humain.
14 illustrer à l'aide d'exemples l'effet de certaines positions et certains mouvements sur le bon développement du squelette et du système musculaire.
15 décrire la structure et le fonctionnement de la peau en fonction d'une bonne hygiène de la peau.
16 décrire la reproduction chez l'homme.
17 décrire les changements qui surviennent pendant la puberté sur le plan physique et socio-émotionnel, aussi bien chez les filles que chez les garcons.
18 indiquer quels sont les moyens d'éviter la grossesse et les maladies sexuellement transmissibles.
19 donner des exemples d'applications de leurs connaissances biologiques dans la vie quotidienne.
3 La nature non vivante
Les élèves
20 connaissent les états physiques et peuvent établir la relation entre le changement de température et le changement d'état physique.
21 peuvent établir que la solubilité dépend de la température, de la quantité de matière soluble et de la nature de la matière.
22 peuvent donner des exemples de vases communicants dans la vie quotidienne.
23 peuvent expliquer, a l'aide d'exemples de la vie quotidienne, la différence entre couler, être en suspension et flotter.
24 peuvent utiliser et lire correctement les températures sur un thermomètre et lire une courbe de température.
25 peuvent illustrer a l'aide d'un exemple l'influence des changements de température sur la dilatation et le retrait de matières.
26 peuvent donner quelques exemples pratiques de la conductivité et de l'isolation thermiques.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 20N1. ARTISTIEKE OPVOEDING OF PLASTISCHE OPVOEDING EN/OF MUZIKALE OPVOEDING (12)
1 Muzikale opvoeding
1.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht luisteren en hun waarneming toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 in gegeven muziekwerken de basiscomponenten ritme, melodie, muzikale vorm en klankkleur waarnemen en herkennen.
3 in gegeven muziekwerken stemsoorten en instrumenten onderscheiden en vergelijken.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
5 verschillende muziekgenres herkennen.
1.2 Musiceren
Zingen
De leerlingen kunnen
6 een gevarieerd liedrepertoire van een tiental liederen in groepsverband onder leiding uitvoeren.
Spelen
De leerlingen kunnen
7 enkele muziekinstrumenten speels onderzoeken.
8 een gevarieerd aanbod van eenvoudige muziekwerken in groepsverband uitvoeren.
9 onder leiding een eenvoudig, door henzelf bedacht muzikaal gegeven vocaal, instrumentaal of met beweging improviseren en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke ervaringen met de eigenheid van de muzikale taal verwoorden uit:
- diverse muziekgenres;
- verschillende culturen.
11 verwoorden dat hun muzikale beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 enkele muziekstromingen geografisch situeren.
13 voorbeelden geven van functies van muziek in de maatschappij.
14 over het actuele muziekgebeuren vertellen.
1.3 Attitudes
De leerlingen
15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
17 leren bij het collectief musiceren hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
18 leren zich expressief uiten.
2 Plastische Opvoeding
2.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht kijken en hun kijkervaring toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 de functies van aangeboden beeldtaal waarnemen en vergelijken.
3 verschillende beeldaspecten identificeren.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
2.2 Vormgeven
Lijn
De leerlingen kunnen
5 onder begeleiding verschillende methoden en technieken functioneel gebruiken.
6 hun gedachten en ideeën door middel van een schets vastleggen.
Kleur
De leerlingen kunnen
7 onder begeleiding kleuren op expressieve, impressieve en symbolische wijze toepassen.
Vorm
De leerlingen kunnen
8 onder begeleiding vormsoorten, vormrelaties, vormvariaties, vormconcepten en vormfuncties zowel twee als driedimensioneel toepassen in hun eigen beeldend werk.
Vormgeven
De leerlingen kunnen
9 onder begeleiding tot een expressieve weergave komen waarbij de beeldaspecten, de techniek en de materialen op een verantwoorde wijze in hun persoonlijk werk worden geïntegreerd en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
2.3 Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke mening geven over diverse beeldende creaties uit verschillende culturen en belangstelling opbrengen voor beeldende creaties, zowel traditionele als nieuwe, met inbegrip van deze buiten hun eigen culturele leefwereld.
11 verwoorden dat hun visuele beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 vertellen over het actuele gebeuren in de beeldende kunst in de ruime zin.
13 hun eigen beeldend werk naar inhoud en vorm toelichten.
2.4 Attitudes
De leerlingen
14 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
15 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
16 leren bij het groepswerk hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
17 leren zich expressief uiten.
1 Muzikale opvoeding
1.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht luisteren en hun waarneming toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 in gegeven muziekwerken de basiscomponenten ritme, melodie, muzikale vorm en klankkleur waarnemen en herkennen.
3 in gegeven muziekwerken stemsoorten en instrumenten onderscheiden en vergelijken.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
5 verschillende muziekgenres herkennen.
1.2 Musiceren
Zingen
De leerlingen kunnen
6 een gevarieerd liedrepertoire van een tiental liederen in groepsverband onder leiding uitvoeren.
Spelen
De leerlingen kunnen
7 enkele muziekinstrumenten speels onderzoeken.
8 een gevarieerd aanbod van eenvoudige muziekwerken in groepsverband uitvoeren.
9 onder leiding een eenvoudig, door henzelf bedacht muzikaal gegeven vocaal, instrumentaal of met beweging improviseren en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke ervaringen met de eigenheid van de muzikale taal verwoorden uit:
- diverse muziekgenres;
- verschillende culturen.
11 verwoorden dat hun muzikale beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 enkele muziekstromingen geografisch situeren.
13 voorbeelden geven van functies van muziek in de maatschappij.
14 over het actuele muziekgebeuren vertellen.
1.3 Attitudes
De leerlingen
15 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
16 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
17 leren bij het collectief musiceren hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
18 leren zich expressief uiten.
2 Plastische Opvoeding
2.1 Waarnemen
De leerlingen kunnen
1 gericht kijken en hun kijkervaring toetsen aan reeds verworven kennis, vroegere ervaringen of eigen fantasie.
2 de functies van aangeboden beeldtaal waarnemen en vergelijken.
3 verschillende beeldaspecten identificeren.
4 een eenvoudige interactie tussen beeld en geluid in de media en mediakunst waarnemen en begrijpen.
2.2 Vormgeven
Lijn
De leerlingen kunnen
5 onder begeleiding verschillende methoden en technieken functioneel gebruiken.
6 hun gedachten en ideeën door middel van een schets vastleggen.
Kleur
De leerlingen kunnen
7 onder begeleiding kleuren op expressieve, impressieve en symbolische wijze toepassen.
Vorm
De leerlingen kunnen
8 onder begeleiding vormsoorten, vormrelaties, vormvariaties, vormconcepten en vormfuncties zowel twee als driedimensioneel toepassen in hun eigen beeldend werk.
Vormgeven
De leerlingen kunnen
9 onder begeleiding tot een expressieve weergave komen waarbij de beeldaspecten, de techniek en de materialen op een verantwoorde wijze in hun persoonlijk werk worden geïntegreerd en streven hierbij naar originaliteit en authenticiteit.
2.3 Verwoorden
De leerlingen kunnen
10 hun persoonlijke mening geven over diverse beeldende creaties uit verschillende culturen en belangstelling opbrengen voor beeldende creaties, zowel traditionele als nieuwe, met inbegrip van deze buiten hun eigen culturele leefwereld.
11 verwoorden dat hun visuele beleving beïnvloed wordt door stemming, voorkeur of vooroordeel.
12 vertellen over het actuele gebeuren in de beeldende kunst in de ruime zin.
13 hun eigen beeldend werk naar inhoud en vorm toelichten.
2.4 Attitudes
De leerlingen
14 leren zich kritisch opstellen ten opzichte van eigen werk en dat van anderen en om kritische bedenkingen ten aanzien van hun creatieve uitingen te aanvaarden en te verwerken.
15 leren diverse culturele informatiebronnen uit hun omgeving te raadplegen.
16 leren bij het groepswerk hun solidariteit tonen om de eigen inbreng af te stemmen op de kwaliteit van het geheel.
17 leren zich expressief uiten.
Art. 20N1. EDUCATION ARTISTIQUE OU EDUCATION PLASTIQUE ET/OU EDUCATION MUSICALE (12).
1 Education musicale
1.1 Percevoir
Les élèves peuvent
1 écouter de façon orientée et comparer leur perception aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 percevoir et reconnaître les composants de base d'oeuvres musicales données comme le rythme, la mélodie, la forme musicale et le timbre.
3 différencier et comparer les types de voix et les instruments d'oeuvres musicales données.
4 percevoir et comprendre une interaction simple entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
5 reconnaître différents genres musicaux.
1.2 Faire de la musique
Chanter
Les élèves peuvent
6 exécuter en groupe et avec accompagnement un répertoire varié d'une dizaine de chansons.
Jouer
Les élèves peuvent
7 étudier les instruments de musique en jouant.
8 exécuter en groupe un ensemble varié d'oeuvres musicales simples.
9 improviser, avec accompagnement, un morceau musical de leur propre composition à l'aide de la voix, d'un instrument ou de gestes, tout en recherchant l'originalité et l'authenticité.
Exprimer
Les élèves peuvent
10 exprimer leurs propres expériences avec les caractéristiques de la langue musicale :
- de divers genres musicaux;
- de diverses cultures.
11 expliquer que leur expérience musicale est influencée par l'humeur, la préférence et les prejuges.
12 situer du point de vue géographique quelques courants musicaux.
13 donner des exemples de fonctions que remplit la musique dans la société.
14 parler de l'actualité musicale.
1.3 Attitudes
Les élèves
15 apprennent à se montrer critiques par rapport à leur propre travail et à celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques émises sur leurs propres expressions créatives.
16 apprennent a consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
17 apprennent à faire preuve de solidarité lorsqu'ils font de la musique en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
18 apprennent à s'exprimer.
2 Education plastique
2.1 Observer
Les élèves peuvent
1 regarder de façon orientée et comparer leur expérience visuelle aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 observer et comparer les fonctions du langage visuel.
3 identifier différents aspects de l'image.
4 observer et comprendre une interaction simple entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
2.2 Créer des formes
Ligne
Les élèves peuvent
5 utiliser avec accompagnement différentes méthodes et techniques d'une manière fonctionnelle.
6 consigner leurs pensées et leurs idées au moyen d'un croquis.
Couleur
Les élèves peuvent
7 utiliser avec accompagnement les couleurs de façon expressive, impressive et symbolique.
Forme
Les élèves peuvent
8 appliquer avec accompagnement des types, des relations, des variations, des concepts et des fonctions formels aussi bien en deux qu'en trois dimensions dans leurs propres oeuvres plastiques.
Créer des formes
Les élèves peuvent
9 effectuer avec accompagnement une reproduction expressive dans laquelle les aspects de l'image, la technique et les matériaux sont intégrés de manière réfléchie dans leur travail personnel, tout en recherchant l'originalité et l'authenticité.
2.3 Exprimer
Les élèves peuvent
10 donner leur avis personnel sur diverses créations en arts plastiques provenant de différentes cultures et montrer de l'intérêt pour les créations en arts plastiques, tant traditionnelles que nouvelles, y compris celles provenant d'une autre culture.
11 expliquer que leur expérience visuelle est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 parler de l'actualité en arts plastiques au sens large.
13 donner des explications sur leur propre oeuvre quant au contenu et à la forme.
2.4 Attitudes
Les élèves
14 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et le travail des autres et à accepter et à assimiler les critiques concernant leurs expressions créatives.
15 apprennent à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur entourage.
16 apprennent a faire preuve de solidarité lorsqu'ils travaillent en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
17 apprennent à s'exprimer.
1 Education musicale
1.1 Percevoir
Les élèves peuvent
1 écouter de façon orientée et comparer leur perception aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 percevoir et reconnaître les composants de base d'oeuvres musicales données comme le rythme, la mélodie, la forme musicale et le timbre.
3 différencier et comparer les types de voix et les instruments d'oeuvres musicales données.
4 percevoir et comprendre une interaction simple entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
5 reconnaître différents genres musicaux.
1.2 Faire de la musique
Chanter
Les élèves peuvent
6 exécuter en groupe et avec accompagnement un répertoire varié d'une dizaine de chansons.
Jouer
Les élèves peuvent
7 étudier les instruments de musique en jouant.
8 exécuter en groupe un ensemble varié d'oeuvres musicales simples.
9 improviser, avec accompagnement, un morceau musical de leur propre composition à l'aide de la voix, d'un instrument ou de gestes, tout en recherchant l'originalité et l'authenticité.
Exprimer
Les élèves peuvent
10 exprimer leurs propres expériences avec les caractéristiques de la langue musicale :
- de divers genres musicaux;
- de diverses cultures.
11 expliquer que leur expérience musicale est influencée par l'humeur, la préférence et les prejuges.
12 situer du point de vue géographique quelques courants musicaux.
13 donner des exemples de fonctions que remplit la musique dans la société.
14 parler de l'actualité musicale.
1.3 Attitudes
Les élèves
15 apprennent à se montrer critiques par rapport à leur propre travail et à celui des autres et à accepter et à assimiler les critiques émises sur leurs propres expressions créatives.
16 apprennent a consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur environnement.
17 apprennent à faire preuve de solidarité lorsqu'ils font de la musique en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
18 apprennent à s'exprimer.
2 Education plastique
2.1 Observer
Les élèves peuvent
1 regarder de façon orientée et comparer leur expérience visuelle aux connaissances déjà acquises, aux expériences précédentes ou à leur propre imagination.
2 observer et comparer les fonctions du langage visuel.
3 identifier différents aspects de l'image.
4 observer et comprendre une interaction simple entre image et son dans les médias et dans l'art médiatique.
2.2 Créer des formes
Ligne
Les élèves peuvent
5 utiliser avec accompagnement différentes méthodes et techniques d'une manière fonctionnelle.
6 consigner leurs pensées et leurs idées au moyen d'un croquis.
Couleur
Les élèves peuvent
7 utiliser avec accompagnement les couleurs de façon expressive, impressive et symbolique.
Forme
Les élèves peuvent
8 appliquer avec accompagnement des types, des relations, des variations, des concepts et des fonctions formels aussi bien en deux qu'en trois dimensions dans leurs propres oeuvres plastiques.
Créer des formes
Les élèves peuvent
9 effectuer avec accompagnement une reproduction expressive dans laquelle les aspects de l'image, la technique et les matériaux sont intégrés de manière réfléchie dans leur travail personnel, tout en recherchant l'originalité et l'authenticité.
2.3 Exprimer
Les élèves peuvent
10 donner leur avis personnel sur diverses créations en arts plastiques provenant de différentes cultures et montrer de l'intérêt pour les créations en arts plastiques, tant traditionnelles que nouvelles, y compris celles provenant d'une autre culture.
11 expliquer que leur expérience visuelle est influencée par l'humeur, la préférence et les préjugés.
12 parler de l'actualité en arts plastiques au sens large.
13 donner des explications sur leur propre oeuvre quant au contenu et à la forme.
2.4 Attitudes
Les élèves
14 apprennent à adopter une attitude critique envers leur propre travail et le travail des autres et à accepter et à assimiler les critiques concernant leurs expressions créatives.
15 apprennent à consulter diverses sources d'information culturelle provenant de leur entourage.
16 apprennent a faire preuve de solidarité lorsqu'ils travaillent en groupe en adaptant leur contribution à la qualité de l'ensemble.
17 apprennent à s'exprimer.
Art. 21N1. LICHAMELIJKE OPVOEDING
1 Motorische competenties
1.1 Verantwoord en veilig bewegen
De leerlingen
1 kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen.
2 kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven.
3 gebruiken aangepaste uitrusting en kledij bij het uitvoeren van bewegingsactiviteiten.
1.2 Zelfstandig werken
De leerlingen kunnen
4 in eenvoudige bewegingssituaties zelfstandig en onder begeleiding oefenen in kleine groepen, het gepaste materiaal opstellen en wegbergen.
1.3 Reflecteren over bewegen
De leerlingen kunnen
5 bij een sprong de volgende fasen onderscheiden: aanloop, afstoot, zweeffase en landing.
6 oorzaken van lukken en mislukken van een sprong aangeven.
1.4 Gymnastiek
De leerlingen kunnen
7 evenwicht behouden en herstellen.
8 in omgekeerde houding hangen en steunen.
9 vrije sprongen en steunsprongen uitvoeren.
10 hangen, steunen, zwaaien aan toestellen en beheerst landen.
11 een draaibeweging om de breedteas uitvoeren.
12 klimmen.
13 gekende oefeningen in een eenvoudige gymnastische combinatie uitvoeren.
1.5 Atletiek
De leerlingen kunnen
14 een duurloop en een sprint uitvoeren.
15 verspringen en hoogspringen en op een veilige manier landen.
16 werpen en stoten.
1.6 Dans en expressie
De leerlingen kunnen
17 eenvoudige bewegingen uitvoeren op een maatstructuur.
18 verschillende basisbewegingen uit één dansvorm uitvoeren: volksdans of sociale dans of jazzdans.
1.7 Spel en sportspel
De leerlingen
19 kunnen deelnemen aan een vorm van doelspel en een vorm van terugslagspel.
20 spelen volgens afgesproken en aangepaste regels.
21 kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties.
22 leren omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen en fair-play.
1.8 Verdedigingssporten
De leerlingen
23 kunnen deelnemen aan een eenvoudige vorm van verdedigingssport met het oog op:
- veilig vallen;
- evenwicht bewaren, verstoren en herstellen;
- lichamelijk contact durven nemen binnen de grenzen van de gestelde opdracht.
1.9 Bewegen in verschillende milieus
De leerlingen
24 nemen deel aan bewegingsactiviteiten in de natuur.
25 kunnen één zwemslag doeltreffend uitvoeren.
26 beheersen voorbereidende vormen van reddend zwemmen.
2 Gezonde en veilige levensstijl
De leerlingen
27 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
28 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
29 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
30 leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
3 Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren
De leerlingen
31 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
32 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
33 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
34 leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
35 leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.
1 Motorische competenties
1.1 Verantwoord en veilig bewegen
De leerlingen
1 kunnen de belangrijkste basisregels van houdings- en rugscholing in bewegingssituaties toepassen.
2 kunnen onder begeleiding veiligheidsvoorschriften, afspraken en regels naleven.
3 gebruiken aangepaste uitrusting en kledij bij het uitvoeren van bewegingsactiviteiten.
1.2 Zelfstandig werken
De leerlingen kunnen
4 in eenvoudige bewegingssituaties zelfstandig en onder begeleiding oefenen in kleine groepen, het gepaste materiaal opstellen en wegbergen.
1.3 Reflecteren over bewegen
De leerlingen kunnen
5 bij een sprong de volgende fasen onderscheiden: aanloop, afstoot, zweeffase en landing.
6 oorzaken van lukken en mislukken van een sprong aangeven.
1.4 Gymnastiek
De leerlingen kunnen
7 evenwicht behouden en herstellen.
8 in omgekeerde houding hangen en steunen.
9 vrije sprongen en steunsprongen uitvoeren.
10 hangen, steunen, zwaaien aan toestellen en beheerst landen.
11 een draaibeweging om de breedteas uitvoeren.
12 klimmen.
13 gekende oefeningen in een eenvoudige gymnastische combinatie uitvoeren.
1.5 Atletiek
De leerlingen kunnen
14 een duurloop en een sprint uitvoeren.
15 verspringen en hoogspringen en op een veilige manier landen.
16 werpen en stoten.
1.6 Dans en expressie
De leerlingen kunnen
17 eenvoudige bewegingen uitvoeren op een maatstructuur.
18 verschillende basisbewegingen uit één dansvorm uitvoeren: volksdans of sociale dans of jazzdans.
1.7 Spel en sportspel
De leerlingen
19 kunnen deelnemen aan een vorm van doelspel en een vorm van terugslagspel.
20 spelen volgens afgesproken en aangepaste regels.
21 kunnen verschillende rollen vervullen binnen spelsituaties.
22 leren omgaan met elementen als spanning, verliezen, winnen en fair-play.
1.8 Verdedigingssporten
De leerlingen
23 kunnen deelnemen aan een eenvoudige vorm van verdedigingssport met het oog op:
- veilig vallen;
- evenwicht bewaren, verstoren en herstellen;
- lichamelijk contact durven nemen binnen de grenzen van de gestelde opdracht.
1.9 Bewegen in verschillende milieus
De leerlingen
24 nemen deel aan bewegingsactiviteiten in de natuur.
25 kunnen één zwemslag doeltreffend uitvoeren.
26 beheersen voorbereidende vormen van reddend zwemmen.
2 Gezonde en veilige levensstijl
De leerlingen
27 ontwikkelen fitheid gebaseerd op uithouding, kracht, lenigheid en snelheid in verschillende bewegingssituaties.
28 kennen het belang van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten en passen dit toe.
29 passen vóór en na bewegingsactiviteiten hygiënische regels toe.
30 leren positief staan tegenover regelmatig oefenen en hun prestaties vergelijken met de voorgaande.
3 Ontwikkeling van het zelfconcept en het sociaal functioneren
De leerlingen
31 kunnen in groepsactiviteiten verschillende taken uitvoeren en afspraken nakomen.
32 tonen in alle omstandigheden respect voor materiaal.
33 betrekken alle leerlingen zonder onderscheid van geslacht, etnische origine of motorische aanleg in spel en andere groepsactiviteiten.
34 leren hun eigen bewegingsuitvoeringen en hun mogelijkheden en beperkingen juist inschatten.
35 leren inzet en volharding tonen en hun eigen grenzen verleggen.
Art. 21N1. EDUCATION PHYSIQUE.
1 Compétences de motricité
1.1 Se mouvoir de façon justifiée et en sécurité
Les élèves
1 peuvent appliquer les principes fondamentaux pour la rééducation de la posture et du dos dans des situations mouvantes.
2 peuvent respecter, avec accompagnement, des mesures de sécurite, des conventions et des règlements.
3 utilisent un équipement et des vêtements appropriés lorsqu'ils effectuent des activités mouvantes.
1.2 Travailler de façon autonome
Les élèves peuvent
4 en petits groupes, s'exercer de façon autonome et sous assistance lors de situations mouvantes simples ainsi que placer et ranger le matériel approprié.
1.3 Réflexions sur la motricité
Les éleves peuvent
5 différencier les phases suivantes lors d'un saut: prendre son élan, décoller du sol, planer et atterrir.
6 donner les causes de la réussite ou de l'échec d'un saut.
1.4 Gymnastique
Les élèves peuvent
7 maintenir et retrouver leur équilibre.
8 se pendre à l'envers et se trouver en appui à l'envers.
9 effectuer des sauts libres et des sauts d'appui.
10 se pendre, se mettre en appui, se balancer à des agrès et se poser de manière contrôlée.
11 exécuter a un appareil des mouvements tournants autour de l'axe de largeur.
12 grimper.
13 effectuer des exercices connus dans une combinaison gymnastique simple.
1.5 Athlétisme
Les élèves peuvent
14 effectuer une course d'endurance et un sprint.
15 effectuer des sauts en longueur et en hauteur et se poser en toute sécurité.
16 effectuer des lancers.
1.6 Danse et expression
Les élèves
17 peuvent effectuer des mouvements simples sur une structure de mesure.
18 peuvent effectuer plusieurs mouvements de base d'une seule forme de danse: danse populaire ou danse sociale ou jazz.
1.7 Jeux et sports
Les élèves
19 peuvent participer à une forme de jeu de but et à une forme de jeu de renvoi.
20 jouent en respectant des règles établies et adaptées.
21 peuvent remplir plusieurs rôles dans des situations de jeu.
22 peuvent assimiler des éléments comme le stress, l'échec, la victoire et le fair-play.
1.8 Sports d'auto-défense
Les élèves
23 peuvent participer à des formes simples de sports d'auto-défense en vue de pouvoir :
- tomber en toute sécurité;
- maintenir, rompre et rétablir l'équilibre;
- établir des contacts physiques dans les limites de la tâche demandée.
1.9 Se mouvoir dans différents milieux
Les elèves
24 participent à des activités mouvantes dans la nature.
25 peuvent effectuer un style de natation de manière efficace.
26 maîtrisent des formes préparatoires de la nage du sauveteur.
2 Style de vie sain et sûr
Les éleves
27 développent une bonne forme basée sur l'endurance, la force, la souplesse et la rapidité dans différentes situations mouvantes.
28 connaissent l'importance de l'échauffement avant et du repos après les activités physiques et appliquent ces principes.
29 appliquent des règles d'hygiène avant et après les activités mouvantes.
30 sont favorables a un entraînement régulier et sont disposés à comparer leurs prestations actuelles à des prestations antérieures.
3 Développement du concept de soi-même et du fonctionnement social
Les élèves
31 peuvent effectuer différentes tâches et respecter les conventions lors d'activités de groupe.
32 font preuve de respect envers le matériel en toute circonstance.
33 impliquent tous les élèves sans distinction de sexe, d'origine ethnique ou de disposition motrice dans le jeu et autres activités de groupe.
34 peuvent évaluer de façon correcte leurs propres prestations mouvantes, leurs possibilités et restrictions.
35 apprennent à se montrer appliqués et persévérants et à déplacer leurs limites.
1 Compétences de motricité
1.1 Se mouvoir de façon justifiée et en sécurité
Les élèves
1 peuvent appliquer les principes fondamentaux pour la rééducation de la posture et du dos dans des situations mouvantes.
2 peuvent respecter, avec accompagnement, des mesures de sécurite, des conventions et des règlements.
3 utilisent un équipement et des vêtements appropriés lorsqu'ils effectuent des activités mouvantes.
1.2 Travailler de façon autonome
Les élèves peuvent
4 en petits groupes, s'exercer de façon autonome et sous assistance lors de situations mouvantes simples ainsi que placer et ranger le matériel approprié.
1.3 Réflexions sur la motricité
Les éleves peuvent
5 différencier les phases suivantes lors d'un saut: prendre son élan, décoller du sol, planer et atterrir.
6 donner les causes de la réussite ou de l'échec d'un saut.
1.4 Gymnastique
Les élèves peuvent
7 maintenir et retrouver leur équilibre.
8 se pendre à l'envers et se trouver en appui à l'envers.
9 effectuer des sauts libres et des sauts d'appui.
10 se pendre, se mettre en appui, se balancer à des agrès et se poser de manière contrôlée.
11 exécuter a un appareil des mouvements tournants autour de l'axe de largeur.
12 grimper.
13 effectuer des exercices connus dans une combinaison gymnastique simple.
1.5 Athlétisme
Les élèves peuvent
14 effectuer une course d'endurance et un sprint.
15 effectuer des sauts en longueur et en hauteur et se poser en toute sécurité.
16 effectuer des lancers.
1.6 Danse et expression
Les élèves
17 peuvent effectuer des mouvements simples sur une structure de mesure.
18 peuvent effectuer plusieurs mouvements de base d'une seule forme de danse: danse populaire ou danse sociale ou jazz.
1.7 Jeux et sports
Les élèves
19 peuvent participer à une forme de jeu de but et à une forme de jeu de renvoi.
20 jouent en respectant des règles établies et adaptées.
21 peuvent remplir plusieurs rôles dans des situations de jeu.
22 peuvent assimiler des éléments comme le stress, l'échec, la victoire et le fair-play.
1.8 Sports d'auto-défense
Les élèves
23 peuvent participer à des formes simples de sports d'auto-défense en vue de pouvoir :
- tomber en toute sécurité;
- maintenir, rompre et rétablir l'équilibre;
- établir des contacts physiques dans les limites de la tâche demandée.
1.9 Se mouvoir dans différents milieux
Les elèves
24 participent à des activités mouvantes dans la nature.
25 peuvent effectuer un style de natation de manière efficace.
26 maîtrisent des formes préparatoires de la nage du sauveteur.
2 Style de vie sain et sûr
Les éleves
27 développent une bonne forme basée sur l'endurance, la force, la souplesse et la rapidité dans différentes situations mouvantes.
28 connaissent l'importance de l'échauffement avant et du repos après les activités physiques et appliquent ces principes.
29 appliquent des règles d'hygiène avant et après les activités mouvantes.
30 sont favorables a un entraînement régulier et sont disposés à comparer leurs prestations actuelles à des prestations antérieures.
3 Développement du concept de soi-même et du fonctionnement social
Les élèves
31 peuvent effectuer différentes tâches et respecter les conventions lors d'activités de groupe.
32 font preuve de respect envers le matériel en toute circonstance.
33 impliquent tous les élèves sans distinction de sexe, d'origine ethnique ou de disposition motrice dans le jeu et autres activités de groupe.
34 peuvent évaluer de façon correcte leurs propres prestations mouvantes, leurs possibilités et restrictions.
35 apprennent à se montrer appliqués et persévérants et à déplacer leurs limites.
Art. 22N1. TECHNOLOGISCHE OPVOEDING
1 Ontwikkelingsdoelen voor alle verkenningsgebieden
De leerlingen
1 kunnen de nodige inzichten verwerven, algoritmen (een logisch stappenplan) lezen en handelingen uitvoeren die noodzakelijk zijn in de voorbereidingsfase van de toepassing.
2 kunnen symbolen lezen, die rechtstreeks in verband staan met het gekozen verkenningsgebied.
3 kunnen eenvoudige tekeningen lezen.
4 meten binnen een voor de toepassing noodzakelijke tolerantie.
5 verwerken de grondstoffen juist en bewerken de materialen op een aangepaste wijze. Zij kennen de herkenningspunten, de benamingen en de voornaamste eigenschappen ervan.
6 kunnen bij de opgelegde oefeningen juist, veilig en volgens gepaste regels omgaan met gereedschappen, toestellen of apparaten. Zij kennen ook de juiste benaming, enkele mogelijkheden en beperkingen ervan.
7 kunnen onder begeleiding een opdracht voltooien en de kwaliteit controleren en evalueren.
8 kunnen fouten of gebreken die ze gemaakt hebben herkennen, opzoeken en zo mogelijk herstellen.
9 kunnen de stappen in de aangeleerde werkvolgorde toelichten.
10 monteren (demonteren) of construeren of voegen de verschillende delen samen, herkennen de samenhang, benoemen de delen en voeren het geheel precies uit.
11 kunnen duidelijk maken waar de aangeleerde technieken verder kunnen worden toegepast, welke verdere opleidingsmogelijkheden kunnen worden gevolgd en in welke beroepen de aangeleerde vaardigheden van belang zijn.
12 handelen volgens veiligheids-, hygiënische en milieubewuste normen.
2 Ontwikkelingsdoelen per verkenningsgebied
De ontwikkelingsdoelen per verkenningsgebied worden niet uitgeschreven in een lijst doelstellingen, maar wel in tabelvorm. Op die wijze wordt tegemoet gekomen aan de samenhang en het transferkarakter van de vooropgestelde ontwikkelingsdoelen.
De volgende elf verkenningsgebieden komen aan bod: eenvoudig computergebruik, verzorging, voeding, bouw, elektriciteit, hout, metaal, kunststoffen, schilder- en grafische technieken, textiel, tuinbouw. Eenvoudig computergebruik is bedoeld voor alle leerlingen. Uit de overige tien verkenningsgebieden worden minstens vijf verkenningsgebieden gekozen, waarvan minstens één uit verzorging of voeding en minstens één uit bouw, elektriciteit, hout of metaal.
Eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 08-08-1996, p. 21146-21147).
1 Ontwikkelingsdoelen voor alle verkenningsgebieden
De leerlingen
1 kunnen de nodige inzichten verwerven, algoritmen (een logisch stappenplan) lezen en handelingen uitvoeren die noodzakelijk zijn in de voorbereidingsfase van de toepassing.
2 kunnen symbolen lezen, die rechtstreeks in verband staan met het gekozen verkenningsgebied.
3 kunnen eenvoudige tekeningen lezen.
4 meten binnen een voor de toepassing noodzakelijke tolerantie.
5 verwerken de grondstoffen juist en bewerken de materialen op een aangepaste wijze. Zij kennen de herkenningspunten, de benamingen en de voornaamste eigenschappen ervan.
6 kunnen bij de opgelegde oefeningen juist, veilig en volgens gepaste regels omgaan met gereedschappen, toestellen of apparaten. Zij kennen ook de juiste benaming, enkele mogelijkheden en beperkingen ervan.
7 kunnen onder begeleiding een opdracht voltooien en de kwaliteit controleren en evalueren.
8 kunnen fouten of gebreken die ze gemaakt hebben herkennen, opzoeken en zo mogelijk herstellen.
9 kunnen de stappen in de aangeleerde werkvolgorde toelichten.
10 monteren (demonteren) of construeren of voegen de verschillende delen samen, herkennen de samenhang, benoemen de delen en voeren het geheel precies uit.
11 kunnen duidelijk maken waar de aangeleerde technieken verder kunnen worden toegepast, welke verdere opleidingsmogelijkheden kunnen worden gevolgd en in welke beroepen de aangeleerde vaardigheden van belang zijn.
12 handelen volgens veiligheids-, hygiënische en milieubewuste normen.
2 Ontwikkelingsdoelen per verkenningsgebied
De ontwikkelingsdoelen per verkenningsgebied worden niet uitgeschreven in een lijst doelstellingen, maar wel in tabelvorm. Op die wijze wordt tegemoet gekomen aan de samenhang en het transferkarakter van de vooropgestelde ontwikkelingsdoelen.
De volgende elf verkenningsgebieden komen aan bod: eenvoudig computergebruik, verzorging, voeding, bouw, elektriciteit, hout, metaal, kunststoffen, schilder- en grafische technieken, textiel, tuinbouw. Eenvoudig computergebruik is bedoeld voor alle leerlingen. Uit de overige tien verkenningsgebieden worden minstens vijf verkenningsgebieden gekozen, waarvan minstens één uit verzorging of voeding en minstens één uit bouw, elektriciteit, hout of metaal.
Eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs (Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 08-08-1996, p. 21146-21147).
Art. 22N1. EDUCATION TECHNOLOGIQUE.
1 Objectifs de développement pour tous les domaines d'observation
Les élèves
1 peuvent acquérir la compréhension nécessaire, lire des algorithmes (un plan d'étapes logique) et exécuter des actions nécessaires à la phase de préparation de l'application.
2 peuvent lire des symboles qui sont en rapport direct avec le domaine d'observation choisi.
3 peuvent lire des dessins simples.
4 mesurent en tenant compte de la tolérance nécessaire à l'application.
5 transforment correctement les matières premières et traitent les matériaux de manière appropriée. Ils en connaissent les éléments distinctifs reconnaissables, les dénominations et les propriétés principales.
6 peuvent utiliser correctement, en toute sécurité et selon des règles appropriées les outillages, engins et appareils lors des exercices imposés. Ils en connaissent également la dénomination correcte, quelques-unes des possibilites et des restrictions.
7 peuvent achever une tâche avec accompagnement ainsi qu'en contrôler et évaluer la qualite.
8 peuvent reconnaître, rechercher et réparer si possible des fautes ou des manquements qu'ils ont commis.
9 peuvent énumérer les différentes étapes de l'ordre de travail appris.
10 montent (démontent) ou construisent ou assemblent les différentes parties, reconnaissent le lien, nomment les parties et accomplissent l'ensemble avec précision.
11 peuvent exprimer dans quels domaines ils peuvent appliquer les techniques apprises, quelles autres possibilités de formation peuvent être suivies et dans quels métiers les aptitudes apprises sont importantes.
12 agissent en observant les normes de securité, d'hygiène et de respect de l'environnement.
2 Objectifs de développement par domaine d'observation
Les objectifs de développement par domaine d'observation ne sont pas repris dans une liste d'objectifs, mais sous forme de tableaux. De cette manière, il est tenu compte de la corrélation et du caractère de transfert des objectifs de développement présupposés.
Les onze domaines d'observation suivants sont représentés: l'utilisation simple de l'ordinateur, les soins, l'alimentation, la construction, l'électricité, le bois, le métal, les matières plastiques, les techniques de la peinture et du graphisme, le textile, l'horticulture. L'utilisation simple de l'ordinateur est destinée à tous les élèves. Au moins cinq domaines d'exploration sont choisis parmi les dix restants, dont au moins un a trait aux soins ou à l'alimentation et au moins un à la construction, l'électricité, le bois ou le métal.
(Tableau non repris pour des raisons techniques, voir M. B. 08-08-1996, p. 21175-21176).
1 Objectifs de développement pour tous les domaines d'observation
Les élèves
1 peuvent acquérir la compréhension nécessaire, lire des algorithmes (un plan d'étapes logique) et exécuter des actions nécessaires à la phase de préparation de l'application.
2 peuvent lire des symboles qui sont en rapport direct avec le domaine d'observation choisi.
3 peuvent lire des dessins simples.
4 mesurent en tenant compte de la tolérance nécessaire à l'application.
5 transforment correctement les matières premières et traitent les matériaux de manière appropriée. Ils en connaissent les éléments distinctifs reconnaissables, les dénominations et les propriétés principales.
6 peuvent utiliser correctement, en toute sécurité et selon des règles appropriées les outillages, engins et appareils lors des exercices imposés. Ils en connaissent également la dénomination correcte, quelques-unes des possibilites et des restrictions.
7 peuvent achever une tâche avec accompagnement ainsi qu'en contrôler et évaluer la qualite.
8 peuvent reconnaître, rechercher et réparer si possible des fautes ou des manquements qu'ils ont commis.
9 peuvent énumérer les différentes étapes de l'ordre de travail appris.
10 montent (démontent) ou construisent ou assemblent les différentes parties, reconnaissent le lien, nomment les parties et accomplissent l'ensemble avec précision.
11 peuvent exprimer dans quels domaines ils peuvent appliquer les techniques apprises, quelles autres possibilités de formation peuvent être suivies et dans quels métiers les aptitudes apprises sont importantes.
12 agissent en observant les normes de securité, d'hygiène et de respect de l'environnement.
2 Objectifs de développement par domaine d'observation
Les objectifs de développement par domaine d'observation ne sont pas repris dans une liste d'objectifs, mais sous forme de tableaux. De cette manière, il est tenu compte de la corrélation et du caractère de transfert des objectifs de développement présupposés.
Les onze domaines d'observation suivants sont représentés: l'utilisation simple de l'ordinateur, les soins, l'alimentation, la construction, l'électricité, le bois, le métal, les matières plastiques, les techniques de la peinture et du graphisme, le textile, l'horticulture. L'utilisation simple de l'ordinateur est destinée à tous les élèves. Au moins cinq domaines d'exploration sont choisis parmi les dix restants, dont au moins un a trait aux soins ou à l'alimentation et au moins un à la construction, l'électricité, le bois ou le métal.
(Tableau non repris pour des raisons techniques, voir M. B. 08-08-1996, p. 21175-21176).
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 23N1. FRANS (13)
1 Luisteren
De leerlingen kunnen
1 de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken aanwijzingen, instructies en waarschuwingen die verwoord zijn in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
2 relevante en herkenbare informatie selecteren uit functionele boodschappen, die verwoord zijn in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
3 de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet verwoord wordt in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
4 in een zeer eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende begrijpen om doeltreffend te kunnen reageren.
5 in een zeer eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- verzoeken om te herhalen;
- verzoeken om langzamer te spreken;
- vragen om iets op te schrijven.
De leerlingen
6 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige luisterbereidheid opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren en zich te concentreren op wat ze willen vernemen.
2 Lezen
De leerlingen kunnen
7 de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en waarschuwingen, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
8 relevante en herkenbare informatie opzoeken in functionele teksten, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
9 de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet wordt verwoord in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
10 de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
11 strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- herkennen van doorzichtige woorden;
- afleiden uit de context;
- raadplegen van een eenvoudig woordenboek of woordenlijst.
De leerlingen
12 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige leesbereidheid opbrengen en zich concentreren op wat ze willen vernemen.
3 Spreken
De leerlingen kunnen
13 zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op basis van behandelde onderwerpen.
14 zeer eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
15 zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de hand van zeer eenvoudige documenten.
16 op een zeer eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
17 op gepaste wijze een aantal zeer eenvoudige taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen.
18 in een zeer eenvoudig gesprek compenserende strategieën aanwenden, zoals het gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
19 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
4 Schrijven
De leerlingen kunnen
20 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
21 inlichtingen verstrekken op zeer eenvoudige invulformulieren.
1 Luisteren
De leerlingen kunnen
1 de betekenis begrijpen van duidelijk uitgesproken aanwijzingen, instructies en waarschuwingen die verwoord zijn in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
2 relevante en herkenbare informatie selecteren uit functionele boodschappen, die verwoord zijn in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
3 de hoofdzaak begrijpen uit mondeling aangeboden korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet verwoord wordt in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat en die aangeboden zijn in een traag spreektempo.
4 in een zeer eenvoudig gesprek hun gesprekspartner voldoende begrijpen om doeltreffend te kunnen reageren.
5 in een zeer eenvoudig gesprek strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- verzoeken om te herhalen;
- verzoeken om langzamer te spreken;
- vragen om iets op te schrijven.
De leerlingen
6 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige luisterbereidheid opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren en zich te concentreren op wat ze willen vernemen.
2 Lezen
De leerlingen kunnen
7 de betekenis begrijpen van aanwijzingen, opschriften en waarschuwingen, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
8 relevante en herkenbare informatie opzoeken in functionele teksten, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
9 de hoofdzaken begrijpen van korte teksten waarin de informatie duidelijk en expliciet wordt verwoord in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
10 de samenhang begrijpen in korte teksten, gesteld in een zeer eenvoudige taal qua structuur en woordenschat.
11 strategieën aanwenden die het bereiken van hun doel vergemakkelijken:
- herkennen van doorzichtige woorden;
- afleiden uit de context;
- raadplegen van een eenvoudig woordenboek of woordenlijst.
De leerlingen
12 leren, door het verwerven van een zekere graad van zelfredzaamheid, de nodige leesbereidheid opbrengen en zich concentreren op wat ze willen vernemen.
3 Spreken
De leerlingen kunnen
13 zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden op basis van behandelde onderwerpen.
14 zeer eenvoudige en korte bestudeerde teksten en dialogen bondig navertellen met behulp van sleutelwoorden.
15 zeer eenvoudige vragen formuleren en beantwoorden aan de hand van zeer eenvoudige documenten.
16 op een zeer eenvoudige wijze vragen beantwoorden en informatie verstrekken omtrent henzelf, hun omgeving en leefwereld.
17 op gepaste wijze een aantal zeer eenvoudige taaluitingen aanwenden die tijdens eenvoudige gesprekken veelvuldig voorkomen.
18 in een zeer eenvoudig gesprek compenserende strategieën aanwenden, zoals het gebruik maken van lichaamstaal.
De leerlingen
19 leren, door het verwerven van een aanzienlijke graad van zelfredzaamheid, de nodige spreekbereidheid en -durf opbrengen om in eenvoudige communicatieve situaties te functioneren.
4 Schrijven
De leerlingen kunnen
20 woorden, zinnen en korte teksten kopiëren met aandacht voor correcte spelling.
21 inlichtingen verstrekken op zeer eenvoudige invulformulieren.
Art. 23N1. FRANCAIS (13).
1 Ecouter
Les élèves peuvent
1 comprendre la signification d'indications, d'instructions et d'avertissements qui sont exprimés de façon précise dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
2 sélectionner des informations pertinentes et reconnaissables dans des messages fonctionnels qui sont exprimés dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit lent.
3 comprendre l'essentiel de textes narratifs courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui est transmise dans un débit lent.
4 comprendre suffisamment leur partenaire pendant une conversation simple afin de pouvoir lui répondre de façon appropriée.
5 utiliser des stratégies au cours d'une conversation très simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif:
- demander de répéter;
- demander de parler plus lentement;
- demander de noter quelque chose.
- demander d'écrire quelque chose.
Les élèves
6 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écouter afin de fonctionner dans des situations de communication simples et de se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
2 Lire
Les élèves peuvent
7 comprendre la signification d'indications, d'inscriptions et d'avertissements qui sont écrits dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
8 rechercher des informations pertinentes et reconnaissables dans des textes fonctionnels qui sont écrits dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
9 comprendre l'essentiel de textes courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
10 comprendre la cohérence de textes courts, écrits dans une langue très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
11 utiliser des stratégies qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif:
- reconnaître des termes clairs;
- interpréter les faits d'après le contexte;
- consulter un dictionnaire ou un lexique simple.
Les élèves
12 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à lire et à se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
3 Parler
Les élèves peuvent
13 formuler des questions très simples et y répondre sur la base de sujets traités.
14 raconter de façon concise des textes et des dialogues courts et très simples qu'ils ont étudiés à l'aide de mots-clés.
15 formuler des questions très simples et y répondre à l'aide de documents très simples.
16 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
17 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés très simples qui sont régulièrement répétés au cours de conversations simples.
18 lors d'une conversation très simple, utiliser des stratégies compensatoires, comme l'utilisation du langage corporel.
Les élèves
19 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à être suffisamment disposés à parler et montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
4 Ecrire
Les élèves peuvent
20 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à un orthographe correcte.
21 transmettre des informations sur des formulaires très simples.
1 Ecouter
Les élèves peuvent
1 comprendre la signification d'indications, d'instructions et d'avertissements qui sont exprimés de façon précise dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit raisonnable.
2 sélectionner des informations pertinentes et reconnaissables dans des messages fonctionnels qui sont exprimés dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui sont transmis dans un débit lent.
3 comprendre l'essentiel de textes narratifs courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire et qui est transmise dans un débit lent.
4 comprendre suffisamment leur partenaire pendant une conversation simple afin de pouvoir lui répondre de façon appropriée.
5 utiliser des stratégies au cours d'une conversation très simple qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif:
- demander de répéter;
- demander de parler plus lentement;
- demander de noter quelque chose.
- demander d'écrire quelque chose.
Les élèves
6 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à écouter afin de fonctionner dans des situations de communication simples et de se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
2 Lire
Les élèves peuvent
7 comprendre la signification d'indications, d'inscriptions et d'avertissements qui sont écrits dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
8 rechercher des informations pertinentes et reconnaissables dans des textes fonctionnels qui sont écrits dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
9 comprendre l'essentiel de textes courts dans lesquels l'information est exprimée de façon précise et explicite dans un langage très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
10 comprendre la cohérence de textes courts, écrits dans une langue très simple du point de vue de la structure et du vocabulaire.
11 utiliser des stratégies qui leur permettent d'atteindre plus facilement leur objectif:
- reconnaître des termes clairs;
- interpréter les faits d'après le contexte;
- consulter un dictionnaire ou un lexique simple.
Les élèves
12 apprennent, par l'acquisition d'un certain degré d'autonomie, à faire preuve du nécessaire empressement à lire et à se concentrer sur ce qu'ils veulent apprendre.
3 Parler
Les élèves peuvent
13 formuler des questions très simples et y répondre sur la base de sujets traités.
14 raconter de façon concise des textes et des dialogues courts et très simples qu'ils ont étudiés à l'aide de mots-clés.
15 formuler des questions très simples et y répondre à l'aide de documents très simples.
16 répondre simplement à des questions et transmettre des informations sur eux-mêmes, leur entourage et leur environnement.
17 utiliser de façon appropriée un certain nombre d'énoncés très simples qui sont régulièrement répétés au cours de conversations simples.
18 lors d'une conversation très simple, utiliser des stratégies compensatoires, comme l'utilisation du langage corporel.
Les élèves
19 apprennent, par l'acquisition d'un haut degré d'autonomie, à être suffisamment disposés à parler et montrer suffisamment d'audace de parler pour fonctionner dans des situations de communication simples.
4 Ecrire
Les élèves peuvent
20 copier des mots, des phrases et des textes courts en faisant attention à un orthographe correcte.
21 transmettre des informations sur des formulaires très simples.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 24N1. VAKOVERSCHRIJDENDE ONTWIKKELINGSDOELEN
LEREN LEREN
1 Het domein van de uitvoering
De leerlingen kunnen
1 losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van memotechnische middeltjes.
2 zich in goed gestructureerde samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen.
3 goed gestructureerde samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden.
4 bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities.
5 bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken:
- vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;
- in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen aanbrengen;
- een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie.
6 bij het oplossen van een probleem, onder begeleiding:
- het probleem herformuleren;
- een oplossingsweg bedenken en verwoorden;
- de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten.
7 informatiebronnen onder begeleiding raadplegen:
- inhoudstafel en register gebruiken;
- elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;
- een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.
2 Het domein van de regulering
De leerlingen kunnen
8 hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.
9 zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel of de aanwijzingen van de leraar.
10 onder begeleiding de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden.
3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen
De leerlingen
11 zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen.
12 zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken.
13 beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt.
4 Het domein van de studiekeuze
De leerlingen
14 hebben inzicht in de algemene structuur van het secundair onderwijs.
15 zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen.
16 kunnen eenvoudige strategieën aanwenden voor het maken van een studiekeuze.
17 tonen zich bereid om bij het kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen (leer)mogelijkheden.
LEREN LEREN
1 Het domein van de uitvoering
De leerlingen kunnen
1 losse gegevens ordenen en inprenten door gepast gebruik te maken van memotechnische middeltjes.
2 zich in goed gestructureerde samenhangende informatie oriënteren door het aanwenden van vormkenmerken: titels, subtitels, afbeeldingen en tekstmarkeringen.
3 goed gestructureerde samenhangende informatie inhoudelijk begrijpen en analyseren door de betekenis van woorden, begrippen en zinnen, waar mogelijk, uit de context af te leiden.
4 bij het instuderen van een behandelde leerinhoud de noodzakelijke voorkennis opnieuw opzoeken in leerboek, werkboek of notities.
5 bij het leren van samenhangende informatie verdiepend werken:
- vragen stellen bij de leerstof en deze vragen beantwoorden;
- in korte, goed gestructureerde teksten tekstmarkeringen aanbrengen;
- een schema vervolledigen aan de hand van geboden informatie.
6 bij het oplossen van een probleem, onder begeleiding:
- het probleem herformuleren;
- een oplossingsweg bedenken en verwoorden;
- de gevonden oplossingsweg toepassen en op correctheid inschatten.
7 informatiebronnen onder begeleiding raadplegen:
- inhoudstafel en register gebruiken;
- elementen uit audiovisuele en geschreven media gebruiken;
- een documentatiecentrum of een bibliotheek raadplegen.
2 Het domein van de regulering
De leerlingen kunnen
8 hun werktijd plannen en het nodige materiaal selecteren en ordenen.
9 zichzelf sturen met behulp van een antwoordblad, een correctiesleutel of de aanwijzingen van de leraar.
10 onder begeleiding de eigen werkwijze vergelijken met die van anderen, aangeven waarom iets fout gegaan is en hoe fouten vermeden kunnen worden.
3 Het domein van de attitudes, leerhoudingen, opvattingen en overtuigingen
De leerlingen
11 zijn bereid zelf naar oplossingen te zoeken en durven leer- en studieproblemen signaleren en uitleg of hulp vragen.
12 zijn bereid ordelijk, systematisch en regelmatig te werken.
13 beseffen dat leren reeds in de klas begint en niet alleen thuis gebeurt.
4 Het domein van de studiekeuze
De leerlingen
14 hebben inzicht in de algemene structuur van het secundair onderwijs.
15 zijn bereid een onbevooroordeelde houding aan te nemen tegenover studierichtingen en beroepen.
16 kunnen eenvoudige strategieën aanwenden voor het maken van een studiekeuze.
17 tonen zich bereid om bij het kiezen van een studierichting rekening te houden met hun eigen (leer)mogelijkheden.
Art. 24N1. OBJECTIFS DE DEVELOPPEMENT INTERDISCIPLINAIRES.
APPRENDRE A ETUDIER.
1 Domaine de la réalisation
Les élèves peuvent
1 mettre de l'ordre dans des données séparées et les mémoriser en utilisant des moyens mnémotechniques de manière appropriée.
2 s'orienter dans des informations cohérentes bien structurées en utilisant une structure formelle: titres, sous-titres, images et repères dans le texte.
3 comprendre et analyser le contenu des informations cohérentes bien structurées en déduisant si possible la signification des mots, des concepts et des phrases à partir du contexte.
4 lors de l'assimilation de la matière traitée, rechercher les connaissances préalables nécessaires dans un manuel, un cahier d'exercices ou des notes.
5 travailler de manière approfondie, en mémorisant des informations cohérentes :
- poser des questions relative à la matière et y répondre;
- indiquer des repères dans des textes courts bien structurés;
- completer un schéma à l'aide d'informations proposées.
6 lorsqu'ils doivent résoudre un problème, avec accompagnement :
- reformuler le problème;
- choisir et formuler un mode de résolution du problème;
- appliquer le mode de solution choisi et évaluer si la solution est correcte.
7 avec accompagnement, utiliser des sources d'information :
- utiliser la table des matières et l'index;
- utiliser des éléments des médias audio-visuels et écrits;
- consulter un centre de documentation ou une bibliothèque.
2 Le domaine de la régularisation
Les élèves peuvent
8 organiser leur temps de travail et sélectionner et ranger le matériel dont ils ont besoin.
9 s'organiser à l'aide d'un feuillet-réponse, d'une clé de correction ou des indications du professeur.
10 avec accompagnement, comparer leur façon de travailler avec celle des autres et expliquer pourquoi quelque chose a mal tourné lors d'une tâche et dire comment certaines fautes peuvent être évitées à l'avenir.
3 Le domaine des attitudes, comportements d'études, conceptions et convictions
Les élèves
11 sont disposés à trouver des solutions eux-mêmes et osent signaler des problèmes liés à l'apprentissage et l'étude et demander des explications ou de l'aide.
12 sont disposés à travailler d'une manière ordonnée, systématique et régulière.
13 se rendent compte qu'apprendre commence déjà dans la classe et ne se limite pas seulement au travail à la maison.
4 Le domaine du choix d'études
Les élèves
14 connaissent la structure générale de l'enseignement secondaire.
15 sont disposés à adopter une attitude sans préjugés vis-à-vis des orientations d'études et des professions.
16 peuvent appliquer des stratégies simples pour faire un choix d'études.
17 se montrent disposés à tenir compte de leurs propres capacités (d'apprentissage) lors du choix d'une orientation d'études.
APPRENDRE A ETUDIER.
1 Domaine de la réalisation
Les élèves peuvent
1 mettre de l'ordre dans des données séparées et les mémoriser en utilisant des moyens mnémotechniques de manière appropriée.
2 s'orienter dans des informations cohérentes bien structurées en utilisant une structure formelle: titres, sous-titres, images et repères dans le texte.
3 comprendre et analyser le contenu des informations cohérentes bien structurées en déduisant si possible la signification des mots, des concepts et des phrases à partir du contexte.
4 lors de l'assimilation de la matière traitée, rechercher les connaissances préalables nécessaires dans un manuel, un cahier d'exercices ou des notes.
5 travailler de manière approfondie, en mémorisant des informations cohérentes :
- poser des questions relative à la matière et y répondre;
- indiquer des repères dans des textes courts bien structurés;
- completer un schéma à l'aide d'informations proposées.
6 lorsqu'ils doivent résoudre un problème, avec accompagnement :
- reformuler le problème;
- choisir et formuler un mode de résolution du problème;
- appliquer le mode de solution choisi et évaluer si la solution est correcte.
7 avec accompagnement, utiliser des sources d'information :
- utiliser la table des matières et l'index;
- utiliser des éléments des médias audio-visuels et écrits;
- consulter un centre de documentation ou une bibliothèque.
2 Le domaine de la régularisation
Les élèves peuvent
8 organiser leur temps de travail et sélectionner et ranger le matériel dont ils ont besoin.
9 s'organiser à l'aide d'un feuillet-réponse, d'une clé de correction ou des indications du professeur.
10 avec accompagnement, comparer leur façon de travailler avec celle des autres et expliquer pourquoi quelque chose a mal tourné lors d'une tâche et dire comment certaines fautes peuvent être évitées à l'avenir.
3 Le domaine des attitudes, comportements d'études, conceptions et convictions
Les élèves
11 sont disposés à trouver des solutions eux-mêmes et osent signaler des problèmes liés à l'apprentissage et l'étude et demander des explications ou de l'aide.
12 sont disposés à travailler d'une manière ordonnée, systématique et régulière.
13 se rendent compte qu'apprendre commence déjà dans la classe et ne se limite pas seulement au travail à la maison.
4 Le domaine du choix d'études
Les élèves
14 connaissent la structure générale de l'enseignement secondaire.
15 sont disposés à adopter une attitude sans préjugés vis-à-vis des orientations d'études et des professions.
16 peuvent appliquer des stratégies simples pour faire un choix d'études.
17 se montrent disposés à tenir compte de leurs propres capacités (d'apprentissage) lors du choix d'une orientation d'études.
Gewijzigd door :
Modifié par :
Art. 25N1. SOCIALE VAARDIGHEDEN
1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen
De leerlingen kunnen
1 zich als persoon present stellen: uitkomen voor een eigen mening en respect opeisen voor de eigen lichamelijke en seksuele ontwikkeling.
2 respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen.
3 zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten.
4 om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties.
5 in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren.
6 bij een opgegeven groepstaak verantwoordelijkheid dragen.
7 op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk.
8 opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep.
9 zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie.
10 ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie.
11 het verschil herkennen tussen verbaal en niet-verbaal gedrag bij zichzelf en bij anderen in concrete groepssituaties.
2 De beheersing van het communicatieve handelen of het omgaan met elkaar
De leerlingen
12 beheersen elementen van het communicatieve handelen:
- actief luisteren en weergeven wat een andere inbrengt;
- toegankelijk zijn en feed-back geven over eigen gevoel;
- verduidelijken waarom zij voor een bepaald gedrag gekozen hebben;
- assertief zijn en opkomen voor de rol die zij op zich nemen in een groepsopdracht;
- effectbesef hebben over hun eigen gedrag;
- anderen de kans geven om te reageren.
3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie
3.1 De dialoog
13 De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep.
3.2 De groepsdiscussie
14 De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen.
3.3 De taakgroep
15 De leerlingen kunnen in een taakgroep aan een goede onderlinge verstandhouding meewerken.
3.4 Maatschappelijke en culturele patronen
16 De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daartegenover verwoorden en bespreekbaar stellen.
1 De ontwikkeling van een voldoende ruim gamma van relatiewijzen
De leerlingen kunnen
1 zich als persoon present stellen: uitkomen voor een eigen mening en respect opeisen voor de eigen lichamelijke en seksuele ontwikkeling.
2 respect en waardering voor anderen opbrengen: de eigenheid van medeleerlingen accepteren en waarderen.
3 zich dienstvaardig tegenover anderen opstellen: het bijstaan van medeleerlingen bij schooltaken en schoolactiviteiten.
4 om hulp vragen en dankbaarheid tonen in probleemsituaties.
5 in groepsverband meewerken en een toegewezen opdracht uitvoeren.
6 bij een opgegeven groepstaak verantwoordelijkheid dragen.
7 op gepaste wijze kritiek uiten tegenover een ander tijdens een groepswerk.
8 opkomen voor de eigen rechten en voor de rechten van anderen uit de groep.
9 zich discreet opstellen in een gezelschap en ten aanzien van vertrouwelijke informatie.
10 ongelijk of onmacht toegeven in een discussie of in een spelsituatie.
11 het verschil herkennen tussen verbaal en niet-verbaal gedrag bij zichzelf en bij anderen in concrete groepssituaties.
2 De beheersing van het communicatieve handelen of het omgaan met elkaar
De leerlingen
12 beheersen elementen van het communicatieve handelen:
- actief luisteren en weergeven wat een andere inbrengt;
- toegankelijk zijn en feed-back geven over eigen gevoel;
- verduidelijken waarom zij voor een bepaald gedrag gekozen hebben;
- assertief zijn en opkomen voor de rol die zij op zich nemen in een groepsopdracht;
- effectbesef hebben over hun eigen gedrag;
- anderen de kans geven om te reageren.
3 De deelname aan vormen van samenwerking en sociale organisatie
3.1 De dialoog
13 De leerlingen leggen contact met anderen binnen de groep en staan open voor contact met anderen buiten de groep.
3.2 De groepsdiscussie
14 De leerlingen kunnen in een groepsdiscussie hun mening weergeven, handhaven en bijsturen.
3.3 De taakgroep
15 De leerlingen kunnen in een taakgroep aan een goede onderlinge verstandhouding meewerken.
3.4 Maatschappelijke en culturele patronen
16 De leerlingen kunnen uit aangeboden informatie, leef- en omgangsgewoonten binnen gezinnen of culturen weergeven en hun eigen gedrag daartegenover verwoorden en bespreekbaar stellen.
Art. 25N1. APTITUDES SOCIALES.
1 Développer une gamme suffisamment étendue de modes de relation
Les élèves peuvent
1 affirmer leur presence : exprimer leur propre avis et exiger du respect face à leur développement physique et sexuel.
2 faire preuve de respect et d'estime envers les autres: ils acceptent et estiment le caractère propre des condisciples.
3 rendre service à autrui: ils assistent les condisciples dans les tâches et activités scolaires.
4 demander de l'aide et montrer leur gratitude dans des situations problématiques.
5 collaborer à un travail de groupe et exécuter la tâche assignée.
6 assumer la responsabilité lors d'un travail de groupe donné.
7 exprimer de manière appropriée leur critique sur les autres pendant un travail de groupe.
8 défendre leurs propres droits et les droits des autres membres du groupe.
9 se montrer discrets en sociéte et vis-à-vis d'une information confidentielle.
10 avouer leur tort ou impuissance dans une discussion ou lors d'un jeu.
11 reconnaître la difference entre le comportement verbal et non verbal de soi-même et des autres dans des situations de groupe concrètes.
2 Maîtriser l'échange communicatif ou les rapports avec autrui
Les élèves
12 maîtrisent les éléments de l'échange communicatif:
- ils écoutent activement et restituent les paroles d'un condisciple;
- ils rendent leurs émotions accessibles et en assurent le feed-back;
- ils donnent les raisons pour lesquelles ils ont choisi un certain comportement;
- ils sont assertifs et défendent le rôle qu'ils assument dans un groupe chargé d'une tâche;
- ils sont conscients de l'impact de leurs paroles et réfléchissent à leur propre comportement;
- ils donnent aux autres l'occasion de réagir.
3 Participer à certaines formes de collaboration et d'organisation sociale
3.1 Le dialogue
13 Les élèves nouent des contacts avec d'autres membres du groupe et sont ouverts aux contacts avec d'autres en dehors du groupe.
3.2 Discussion de groupe
14 Les élèves peuvent exprimer, maintenir et ajuster leur propre opinion lors d'une discussion de groupe.
3.3 Le groupe chargé d'une tâche
15 Les élèves peuvent organiser, avec accompagnement, un groupe de travail et favorisent une bonne entente.
3.4 Modèles sociaux et culturels
16 Les élèves sont capables de restituer, sur la base d'informations données, les habitudes de vie et de relations sociales propres à des familles ou des cultures, d'exprimer rendre leur propre comportement vis-à-vis de ces habitudes et de permettre qu'on en discute.
1 Développer une gamme suffisamment étendue de modes de relation
Les élèves peuvent
1 affirmer leur presence : exprimer leur propre avis et exiger du respect face à leur développement physique et sexuel.
2 faire preuve de respect et d'estime envers les autres: ils acceptent et estiment le caractère propre des condisciples.
3 rendre service à autrui: ils assistent les condisciples dans les tâches et activités scolaires.
4 demander de l'aide et montrer leur gratitude dans des situations problématiques.
5 collaborer à un travail de groupe et exécuter la tâche assignée.
6 assumer la responsabilité lors d'un travail de groupe donné.
7 exprimer de manière appropriée leur critique sur les autres pendant un travail de groupe.
8 défendre leurs propres droits et les droits des autres membres du groupe.
9 se montrer discrets en sociéte et vis-à-vis d'une information confidentielle.
10 avouer leur tort ou impuissance dans une discussion ou lors d'un jeu.
11 reconnaître la difference entre le comportement verbal et non verbal de soi-même et des autres dans des situations de groupe concrètes.
2 Maîtriser l'échange communicatif ou les rapports avec autrui
Les élèves
12 maîtrisent les éléments de l'échange communicatif:
- ils écoutent activement et restituent les paroles d'un condisciple;
- ils rendent leurs émotions accessibles et en assurent le feed-back;
- ils donnent les raisons pour lesquelles ils ont choisi un certain comportement;
- ils sont assertifs et défendent le rôle qu'ils assument dans un groupe chargé d'une tâche;
- ils sont conscients de l'impact de leurs paroles et réfléchissent à leur propre comportement;
- ils donnent aux autres l'occasion de réagir.
3 Participer à certaines formes de collaboration et d'organisation sociale
3.1 Le dialogue
13 Les élèves nouent des contacts avec d'autres membres du groupe et sont ouverts aux contacts avec d'autres en dehors du groupe.
3.2 Discussion de groupe
14 Les élèves peuvent exprimer, maintenir et ajuster leur propre opinion lors d'une discussion de groupe.
3.3 Le groupe chargé d'une tâche
15 Les élèves peuvent organiser, avec accompagnement, un groupe de travail et favorisent une bonne entente.
3.4 Modèles sociaux et culturels
16 Les élèves sont capables de restituer, sur la base d'informations données, les habitudes de vie et de relations sociales propres à des familles ou des cultures, d'exprimer rendre leur propre comportement vis-à-vis de ces habitudes et de permettre qu'on en discute.
Art. 26N1. OPVOEDEN TOT BURGERZIN
1 De klas en de school
De leerlingen
1 kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren.
2 kennen de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken.
3 kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren.
4 zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school.
5 kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sekse, huidskleur en etniciteit.
2 Gezinsvormen en eigen leefkring
De leerlingen
6 kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen beschrijven en er begrip voor opbrengen.
7 weten waar ze terecht kunnen bij problemen in hun eigen leefkring.
8 kunnen zich een beeld vormen van het gedrag van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring.
3 Media
De leerlingen
9 kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming.
10 kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.
4 Democratische vormen van bestuur
De leerlingen kunnen
11 de basiselementen (verkiezingen, groeperingen, overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen:
- op schoolniveau,
- op politiek niveau.
12 met voorbeelden uitleggen hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt.
13 illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen.
1 De klas en de school
De leerlingen
1 kunnen aan de hand van het schoolreglement hun rechten en plichten concreet illustreren.
2 kennen de functies en verantwoordelijkheden van al wie bij de school betrokken is en kunnen gebruik maken van de middelen die er bestaan om hun vragen, problemen, ideeën of meningen kenbaar te maken.
3 kunnen voor conflicten in de omgang met leeftijdgenoten oplossingen bedenken en zijn bereid om ze uit te voeren.
4 zijn bereid zich in te zetten voor solidariteits- en andere acties in de klas of op school.
5 kunnen op een verdraagzame manier omgaan met verschillen in sekse, huidskleur en etniciteit.
2 Gezinsvormen en eigen leefkring
De leerlingen
6 kunnen verschillende gezinsvormen en gezinsculturen beschrijven en er begrip voor opbrengen.
7 weten waar ze terecht kunnen bij problemen in hun eigen leefkring.
8 kunnen zich een beeld vormen van het gedrag van mannen en vrouwen in de maatschappij in het algemeen en het gezin in het bijzonder en dit toetsen in de eigen leefkring.
3 Media
De leerlingen
9 kunnen de invloed van de media op hun eigen denken en handelen illustreren en kennen de mogelijkheden van het gebruik ervan ten voordele van de eigen vorming.
10 kunnen een kritische houding aannemen ten aanzien van allerlei vormen van berichtgeving.
4 Democratische vormen van bestuur
De leerlingen kunnen
11 de basiselementen (verkiezingen, groeperingen, overleg en compromissen, meerderheid en oppositie) van het functioneren van ons democratisch bestel op een eenvoudige wijze uitleggen:
- op schoolniveau,
- op politiek niveau.
12 met voorbeelden uitleggen hoe een overheid haar inkomsten verwerft en hoe zij die inkomsten aanwendt.
13 illustreren dat elk beleid rekening moet houden met ideeën, standpunten en belangen van diverse betrokkenen.
Art. 26N1. EDUCATION AU SENS CIVIQUE.
1 La classe et l'école
Les élèves
1 peuvent illustrer concrètement leurs droits et devoirs sur la base du règlement scolaire.
2 connaissent les fonctions et responsabilités de quiconque est en charge à l'école et peuvent faire usage des moyens qui sont mis à leur disposition pour faire connaître leurs questions, problèmes, idées ou opinions.
3 peuvent imaginer des solutions à des conflits avec des compagnons de même âge et sont disposés à les appliquer.
4 sont disposés à participer à des actions de solidarité et autres en classe ou à l'école.
5 peuvent être tolérants face aux différences de sexe, de couleur de peau ou d'ethnie.
2. Formes de famille et milieu familial propre
Les élèves
6 peuvent decrire différentes formes et cultures de famille et comprendre les différences avec tolérance.
7 savent où ils peuvent s'adresser en cas de problème dans leur propre entourage.
8 peuvent se faire une image du comportement des hommes et des femmes dans la société en général et dans la famille en particulier et confronter cette image avec leur propre milieu.
3 Les médias
Les élèves
9 peuvent illustrer l'influence des médias sur leur façon de penser et d'agir et connaissent les possibilités d'utilisation des médias au profit de leur propre formation.
10 sont disposés à adopter une attitude critique à l'égard de toutes formes d'information dans les médias.
4 Formes démocratiques de gestion
Les élèves peuvent
11 expliquer d'une manière simple les éléments de base (élections, groupements, concertation et conclusion de compromis, majorité et opposition) du fonctionnement de notre système démocratique:
- au niveau scolaire,
- au niveau politique.
12 expliquer à l'aide d'exemples comment une autorité acquiert ses revenus et comment elle les utilise.
13 illustrer que toute politique doit tenir compte des idées, points de vue et interêts de différentes personnes intéressées.
1 La classe et l'école
Les élèves
1 peuvent illustrer concrètement leurs droits et devoirs sur la base du règlement scolaire.
2 connaissent les fonctions et responsabilités de quiconque est en charge à l'école et peuvent faire usage des moyens qui sont mis à leur disposition pour faire connaître leurs questions, problèmes, idées ou opinions.
3 peuvent imaginer des solutions à des conflits avec des compagnons de même âge et sont disposés à les appliquer.
4 sont disposés à participer à des actions de solidarité et autres en classe ou à l'école.
5 peuvent être tolérants face aux différences de sexe, de couleur de peau ou d'ethnie.
2. Formes de famille et milieu familial propre
Les élèves
6 peuvent decrire différentes formes et cultures de famille et comprendre les différences avec tolérance.
7 savent où ils peuvent s'adresser en cas de problème dans leur propre entourage.
8 peuvent se faire une image du comportement des hommes et des femmes dans la société en général et dans la famille en particulier et confronter cette image avec leur propre milieu.
3 Les médias
Les élèves
9 peuvent illustrer l'influence des médias sur leur façon de penser et d'agir et connaissent les possibilités d'utilisation des médias au profit de leur propre formation.
10 sont disposés à adopter une attitude critique à l'égard de toutes formes d'information dans les médias.
4 Formes démocratiques de gestion
Les élèves peuvent
11 expliquer d'une manière simple les éléments de base (élections, groupements, concertation et conclusion de compromis, majorité et opposition) du fonctionnement de notre système démocratique:
- au niveau scolaire,
- au niveau politique.
12 expliquer à l'aide d'exemples comment une autorité acquiert ses revenus et comment elle les utilise.
13 illustrer que toute politique doit tenir compte des idées, points de vue et interêts de différentes personnes intéressées.
Art. 27N1. GEZONDHEIDSEDUCATIE
1 Hygiëne
De leerlingen
1 kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving.
2 Voeding
De leerlingen
2 kunnen aan de hand van een model een evenwichtige maaltijd samenstellen.
3 zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving.
4 weten dat goede voedingsgewoonten de gezondheid bevorderen.
3 Genotmiddelen (tabak, alcohol, drugs) en geneesmiddelen
De leerlingen
5 weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft voor de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.
6 kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie.
7 kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik formuleren.
4 Veiligheid en EHBO
De leerlingen
8 zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen.
9 kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen.
10 kennen het verkeersreglement en de veiligheidsvoorschriften voor voetgangers, (brom)fietsers, passagiers en kunnen ze toepassen.
11 kunnen op een efficiënte manier hulp inroepen in een noodsituatie en zelf eerste hulp bieden bij kleine wonden.
5 Stress en emoties
De leerlingen
12 weten dat gevoelens in bepaalde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het gebruiken van genotsen/of geneesmiddelen.
13 leren omgaan met sociaal-emotionele en lichamelijke veranderingen in de puberteit.
6 Rust, beweging, houding
De leerlingen
14 kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding aannemen en geven enkele voorbeelden van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen.
15 zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie.
1 Hygiëne
De leerlingen
1 kunnen het belang aantonen van lichaamshygiëne voor zichzelf en voor hun omgeving.
2 Voeding
De leerlingen
2 kunnen aan de hand van een model een evenwichtige maaltijd samenstellen.
3 zien in hoe het voedingsgedrag beïnvloed wordt door reclame en sociale omgeving.
4 weten dat goede voedingsgewoonten de gezondheid bevorderen.
3 Genotmiddelen (tabak, alcohol, drugs) en geneesmiddelen
De leerlingen
5 weten dat het gebruik en misbruik van genots- en geneesmiddelen gevolgen heeft voor de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, de sport- en leerprestaties en de sociale relaties.
6 kunnen geneesmiddelen op de juiste wijze gebruiken en hoeden zich voor zelfmedicatie.
7 kunnen eigen standpunten tegenover roken, alcohol- en druggebruik formuleren.
4 Veiligheid en EHBO
De leerlingen
8 zien in dat hun gedrag invloed heeft op de eigen veiligheid en die van anderen.
9 kunnen enkele veilige en onveilige situaties in hun eigen leefomgeving identificeren en kunnen voorbeelden geven van preventieve maatregelen.
10 kennen het verkeersreglement en de veiligheidsvoorschriften voor voetgangers, (brom)fietsers, passagiers en kunnen ze toepassen.
11 kunnen op een efficiënte manier hulp inroepen in een noodsituatie en zelf eerste hulp bieden bij kleine wonden.
5 Stress en emoties
De leerlingen
12 weten dat gevoelens in bepaalde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot het gebruiken van genotsen/of geneesmiddelen.
13 leren omgaan met sociaal-emotionele en lichamelijke veranderingen in de puberteit.
6 Rust, beweging, houding
De leerlingen
14 kunnen een goede sta-, zit-, en tilhouding aannemen en geven enkele voorbeelden van mogelijke klachten die optreden bij verkeerde houdingen en bewegingen.
15 zien het belang in van een evenwichtige tijdsbesteding van (school-)werk, rust, ontspanning, beweging en de invloed ervan op de lichaamsconditie.
Art. 27N1. EDUCATION A LA SANTE.
1 Hygiène
Les élèves
1 peuvent démontrer l'importance de l'hygiène corporelle pour eux-mêmes et pour leur entourage.
2. Alimentation
Les éleves
2 peuvent, à l'aide d'un modèle, composer un repas équilibré.
3 comprennent dans quelle mesure le comportement alimentaire du consommateur est influencé par la publicité et le milieu social.
4 sont conscients du fait que de bonnes habitudes alimentaires sont favorables à la santé.
3. Excitants (tabac, alcool, drogues) et médicaments
Les élèves
5 connaissent les conséquences de l'utilisation et de l'abus d'excitants et de médicaments sur leur propre santé, sur celle des autres, sur les prestations sportives et les performances scolaires et les relations sociales.
6 peuvent utiliser les médicaments de la bonne manière et comprennent que l'auto-médication présente des risques.
7 peuvent justifier leurs propres points de vue concernant l'utilisation du tabac, de l'alcool et de la drogue.
4. Sécurité et secourisme
Les élèves
8 comprennent que leur comportement influence leur propre sécurité et celle des autres.
9 peuvent identifier quelques situations de sécurité et d'insécurité dans leur propre environnement et peuvent donner des exemples de mesures préventives.
10 connaissent le code de la route et les consignes de sécurité pour les piétons, les cyclistes, les cyclomotoristes, les passagers et peuvent les appliquer.
11 peuvent demander de l'aide de manière efficace en cas d'urgence et donner les premiers soins en cas de blessures légères.
5 Stress et émotions
Les élèves
12 savent que les sentiments peuvent mener, dans certaines situations, à l'utilisation d'excitants et de médicaments.
13 apprennent a faire face aux changements socio-émotionnels et physiques de la puberté.
6 Repos, mouvement et position
Les élèves
14 peuvent faire la démonstration d'une bonne position debout, assise et pour soulever et donner quelques exemples de plaintes qui peuvent survenir lors de positions et mouvements incorrects.
15 sont conscients de l'importance d'un horaire équilibré entre le temps consacré au travail (scolaire), au repos, à la détente et au mouvement et se réalisent de sa répercussion sur la condition physique.
1 Hygiène
Les élèves
1 peuvent démontrer l'importance de l'hygiène corporelle pour eux-mêmes et pour leur entourage.
2. Alimentation
Les éleves
2 peuvent, à l'aide d'un modèle, composer un repas équilibré.
3 comprennent dans quelle mesure le comportement alimentaire du consommateur est influencé par la publicité et le milieu social.
4 sont conscients du fait que de bonnes habitudes alimentaires sont favorables à la santé.
3. Excitants (tabac, alcool, drogues) et médicaments
Les élèves
5 connaissent les conséquences de l'utilisation et de l'abus d'excitants et de médicaments sur leur propre santé, sur celle des autres, sur les prestations sportives et les performances scolaires et les relations sociales.
6 peuvent utiliser les médicaments de la bonne manière et comprennent que l'auto-médication présente des risques.
7 peuvent justifier leurs propres points de vue concernant l'utilisation du tabac, de l'alcool et de la drogue.
4. Sécurité et secourisme
Les élèves
8 comprennent que leur comportement influence leur propre sécurité et celle des autres.
9 peuvent identifier quelques situations de sécurité et d'insécurité dans leur propre environnement et peuvent donner des exemples de mesures préventives.
10 connaissent le code de la route et les consignes de sécurité pour les piétons, les cyclistes, les cyclomotoristes, les passagers et peuvent les appliquer.
11 peuvent demander de l'aide de manière efficace en cas d'urgence et donner les premiers soins en cas de blessures légères.
5 Stress et émotions
Les élèves
12 savent que les sentiments peuvent mener, dans certaines situations, à l'utilisation d'excitants et de médicaments.
13 apprennent a faire face aux changements socio-émotionnels et physiques de la puberté.
6 Repos, mouvement et position
Les élèves
14 peuvent faire la démonstration d'une bonne position debout, assise et pour soulever et donner quelques exemples de plaintes qui peuvent survenir lors de positions et mouvements incorrects.
15 sont conscients de l'importance d'un horaire équilibré entre le temps consacré au travail (scolaire), au repos, à la détente et au mouvement et se réalisent de sa répercussion sur la condition physique.
Art. 28N1. MILIEU-EDUCATIE
1 Lucht en water
De leerlingen
1 kunnen voorbeelden van lucht- of waterverontreiniging in de eigen leefomgeving aanwijzen.
2 kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving de kwaliteit van lucht of water te behouden of te verbeteren.
3 gaan zorgzaam om met lucht en water in de eigen leefomgeving.
2 Levende wezens en milieu
De leerlingen
4 kunnen meewerken aan activiteiten die bijdragen tot het behoud of de verbetering van de natuurlijke verscheidenheid aan levende wezens in de eigen leefomgeving.
5 illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende wijzen met planten en dieren omgaan.
6 gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.
3 Samenleving en ruimtegebruik
De leerlingen
7 kunnen in de eigen leefomgeving aanwijzen op welke manier ruimtegebruik een invloed heeft op het milieu.
8 zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het behoud van waardevolle landschappen.
4 Afval
De leerlingen kunnen
9 aard en hoeveelheid van afvalstoffen in de eigen leefomgeving beschrijven.
10 voorbeelden geven van de manier waarop de eigen leefomgeving door voorkomen van afval en door hergebruik kan bijdragen tot beperking van de afvalproduktie en passen dit toe.
11 uitleggen op welke manier het afval in de eigen gemeente wordt verwerkt.
1 Lucht en water
De leerlingen
1 kunnen voorbeelden van lucht- of waterverontreiniging in de eigen leefomgeving aanwijzen.
2 kunnen voorstellen formuleren om in de eigen leefomgeving de kwaliteit van lucht of water te behouden of te verbeteren.
3 gaan zorgzaam om met lucht en water in de eigen leefomgeving.
2 Levende wezens en milieu
De leerlingen
4 kunnen meewerken aan activiteiten die bijdragen tot het behoud of de verbetering van de natuurlijke verscheidenheid aan levende wezens in de eigen leefomgeving.
5 illustreren hoe mensen uit verschillende culturen op verschillende wijzen met planten en dieren omgaan.
6 gaan respectvol en zorgzaam om met planten en dieren.
3 Samenleving en ruimtegebruik
De leerlingen
7 kunnen in de eigen leefomgeving aanwijzen op welke manier ruimtegebruik een invloed heeft op het milieu.
8 zijn bereid om mee te ijveren voor natuurbescherming en het behoud van waardevolle landschappen.
4 Afval
De leerlingen kunnen
9 aard en hoeveelheid van afvalstoffen in de eigen leefomgeving beschrijven.
10 voorbeelden geven van de manier waarop de eigen leefomgeving door voorkomen van afval en door hergebruik kan bijdragen tot beperking van de afvalproduktie en passen dit toe.
11 uitleggen op welke manier het afval in de eigen gemeente wordt verwerkt.
Art. 28N1. EDUCATION A L'ENVIRONNEMENT.
1 L'air et l'eau
Les élèves
1 peuvent donner des exemples de pollution de l'air et de l'eau dans leur environnement.
2 peuvent formuler des propositions pour conserver ou améliorer la qualité de l'air ou de l'eau dans leur environnement.
3 montrent par leur comportement l'attention qu'ils portent à la qualité de l'air et de l'eau dans leur propre environnement.
2 Les êtres vivants et l'environnement
Les élèves
4 peuvent participer à des activités qui contribuent à conserver ou à améliorer la diversité naturelle d'êtres vivants dans leur environnement.
5 peuvent illustrer les différentes façons dont les hommes de differentes cultures traitent les plantes et les animaux.
6 sont respectueux et soigneux des plantes et des animaux.
3 Société et utilisation de l'espace
Les élèves
7 peuvent indiquer dans leur environnement de quelle manière l'utilisation de l'espace influence le milieu.
8 sont disposés a prendre cause pour la protection de la nature et la préservation des paysages précieux.
4 Les déchets
Les élèves peuvent
9 décrire la nature et la quantité des déchets dans leur propre environnement.
10 donner des exemples de la manière selon laquelle leur propre environnement peut contribuer à limiter la production de déchets par la prévention et le recyclage et appliquent ces mesures.
11 expliquer de quelle manière les déchets sont traités dans leur propre commune.
1 L'air et l'eau
Les élèves
1 peuvent donner des exemples de pollution de l'air et de l'eau dans leur environnement.
2 peuvent formuler des propositions pour conserver ou améliorer la qualité de l'air ou de l'eau dans leur environnement.
3 montrent par leur comportement l'attention qu'ils portent à la qualité de l'air et de l'eau dans leur propre environnement.
2 Les êtres vivants et l'environnement
Les élèves
4 peuvent participer à des activités qui contribuent à conserver ou à améliorer la diversité naturelle d'êtres vivants dans leur environnement.
5 peuvent illustrer les différentes façons dont les hommes de differentes cultures traitent les plantes et les animaux.
6 sont respectueux et soigneux des plantes et des animaux.
3 Société et utilisation de l'espace
Les élèves
7 peuvent indiquer dans leur environnement de quelle manière l'utilisation de l'espace influence le milieu.
8 sont disposés a prendre cause pour la protection de la nature et la préservation des paysages précieux.
4 Les déchets
Les élèves peuvent
9 décrire la nature et la quantité des déchets dans leur propre environnement.
10 donner des exemples de la manière selon laquelle leur propre environnement peut contribuer à limiter la production de déchets par la prévention et le recyclage et appliquent ces mesures.
11 expliquer de quelle manière les déchets sont traités dans leur propre commune.
Art. 29N1. Bijlage II. - INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE (ICT)
1 De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
2 De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
3 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
4 De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
5 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
7 De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
8 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
9 De leerlingen kunnen afhankelijk van het te bereiken doel adequaat kiezen uit verschillende ICT-toepassingen.
10 De leerlingen zijn bereid hun handelen bij te sturen na reflectie over hun eigen en elkaars ICT-gebruik.
(1) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.
(2) De eindtermen moeten gerealiseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtingende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken;
Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(3) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(4) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(5) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(6) De eindtermen moeten gerliseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(7) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(8) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(9) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(10) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(11) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(12) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(13) Onderwijsdecreet-II stelt Frans niet verplicht in de B-stroom. Het behoort met andere woorden tot de vrijheid van de inrichtende macht Frans al dan niet aan te bieden.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1996 tot bepaling van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs.
Brussel, 20 juni 1996.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
1 De leerlingen hebben een positieve houding tegenover ICT en zijn bereid ICT te gebruiken om hen te ondersteunen bij het leren.
2 De leerlingen gebruiken ICT op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier.
3 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
4 De leerlingen kunnen zelfstandig leren in een door ICT ondersteunde leeromgeving.
5 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om eigen ideeën creatief vorm te geven.
6 De leerlingen kunnen met behulp van ICT digitale informatie opzoeken, verwerken en bewaren.
7 De leerlingen kunnen ICT gebruiken bij het voorstellen van informatie aan anderen.
8 De leerlingen kunnen ICT gebruiken om op een veilige, verantwoorde en doelmatige manier te communiceren.
9 De leerlingen kunnen afhankelijk van het te bereiken doel adequaat kiezen uit verschillende ICT-toepassingen.
10 De leerlingen zijn bereid hun handelen bij te sturen na reflectie over hun eigen en elkaars ICT-gebruik.
(1) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * aangeduid in de kantlijn.
(2) De eindtermen moeten gerealiseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtingende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken;
Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(3) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(4) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(5) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(6) De eindtermen moeten gerliseerd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(7) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(8) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(9) Met het oog op de controle door de inspectie werden de attitudes met een * in de kantlijn aangeduid.
(10) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(11) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(12) De ontwikkelingsdoelen moeten nagestreefd worden, ongeacht de keuze die de inrichtende machten op basis van Onderwijsdecreet-II maken.
(13) Onderwijsdecreet-II stelt Frans niet verplicht in de B-stroom. Het behoort met andere woorden tot de vrijheid van de inrichtende macht Frans al dan niet aan te bieden.
Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 1996 tot bepaling van de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen van de eerste graad van het gewoon secundair onderwijs.
Brussel, 20 juni 1996.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE
Art. 29N1. Annexe II. TECHNOLOGIE D'INFORMATION ET DE COMMUNICATION (TIC).
1 Les élèves adoptent une attitude positive vis-à-vis des TIC et sont disposés à utiliser les TIC comme moyen d'aide à l'apprentissage.
2 Les élèves utilisent les TIC d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
3 Les élèves peuvent s'exercer de façon autonome dans un environnement d'éducation appuye par les TIC.
4 Les élèves peuvent apprendre de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
5 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour concrétiser leurs propres idées d'une manière créative.
6 Les élèves sont capables de rechercher, traiter et emmagasiner l'information numérique au moyen des TIC.
7 Les éleves peuvent utiliser les TIC pour la présentation d'informations à autrui.
8 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour communiquer d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
9 Les élèves sont capables d'opérer un choix adéquat parmi les différentes applications TIC, dépendamment de l'objectif à atteindre.
10 Les élèves sont disposés à remanier leur comportement après réflexion sur leur emploi des TIC et sur celui des leurs camarades de classe.
(1) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(2) Les objectifs finaux doivent être atteints, quel que soit le choix des pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(3) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(4) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(5) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(6) Les objectifs finaux doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(7) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(8) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(9) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(10) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du décret sur l'enseignement II.
(11) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
(12) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
(13) Le Décret relatif à l'Enseignement-II n'oblige pas les éleves du type B à suivre le cours de francais. En d'autres termes, les pouvoirs organisateurs sont libres de proposer ce cours de français ou non.
1 Les élèves adoptent une attitude positive vis-à-vis des TIC et sont disposés à utiliser les TIC comme moyen d'aide à l'apprentissage.
2 Les élèves utilisent les TIC d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
3 Les élèves peuvent s'exercer de façon autonome dans un environnement d'éducation appuye par les TIC.
4 Les élèves peuvent apprendre de façon autonome dans un environnement d'éducation appuyé par les TIC.
5 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour concrétiser leurs propres idées d'une manière créative.
6 Les élèves sont capables de rechercher, traiter et emmagasiner l'information numérique au moyen des TIC.
7 Les éleves peuvent utiliser les TIC pour la présentation d'informations à autrui.
8 Les élèves peuvent utiliser les TIC pour communiquer d'une manière justifiée, efficace et en toute sécurité.
9 Les élèves sont capables d'opérer un choix adéquat parmi les différentes applications TIC, dépendamment de l'objectif à atteindre.
10 Les élèves sont disposés à remanier leur comportement après réflexion sur leur emploi des TIC et sur celui des leurs camarades de classe.
(1) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(2) Les objectifs finaux doivent être atteints, quel que soit le choix des pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(3) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(4) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(5) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(6) Les objectifs finaux doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(7) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(8) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(9) En vue du contrôle par l'inspection, les attitudes sont indiquées par un * dans la marge.
(10) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du décret sur l'enseignement II.
(11) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
(12) Les objectifs de développement doivent être atteints, quel que soit le choix effectué par les pouvoirs organisateurs sur la base du Décret sur l'Enseignement II.
(13) Le Décret relatif à l'Enseignement-II n'oblige pas les éleves du type B à suivre le cours de francais. En d'autres termes, les pouvoirs organisateurs sont libres de proposer ce cours de français ou non.