Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
4 JULI 1996. - Koninklijk besluit betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-09-1996 en tekstbijwerking tot 15-12-2015)
Titre
4 JUILLET 1996. - Arrêté royal relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-09-1996 et mise à jour au 15-12-2015)
Informations sur le document
Numac: 1996022422
Datum: 1996-07-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1996022422
Date: 1996-07-04
Moniteur: Voir
Tekst (87)
Texte (87)
HOOFDSTUK I. - Definities en toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Définitions et champ d'application.
Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  [1 1° tot en met 27° opgeheven;]1
  (28° validering : informaticaverbinding ingesteld door de exploitant van het slachthuis of zijn aangestelde tussen het geïnformatiseerd register van het slachthuis en de Centrale Sanitel databank, met het oog op het aanvullen van het geïnformatiseerd register van het slachthuis met de gegevens verkregen bij de slachtingsaangifte en het controleren van de gegevens met betrekking tot de dieren en hun beslag van herkomst;) <KB 2004-07-31/37, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  (29° aangever : degene die een dier in het slachthuis wil slachten of doen slachten of bij afwezigheid de vervoerder die het dier in het slachthuis binnenbrengt.) <KB 2004-07-31/37, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  30° [1 ...]1;
  31° zoönoseverwekker : virus, bacterie, schimmel, parasiet of andere biologische entiteit waardoor een zoönose kan worden veroorzaakt.) <KB 2005-03-10/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2005>
  § 2. [1 ...]1.
  
Article 1. § 1. Pour l'application du présent arrêté on entend par :
  [1 1° à 27° abrogés.]1
  (28° validation : connexion informatique initiée par l'exploitant de l'abattoir ou son préposé entre le registre informatisé de l'abattoir et la base de données centrale Sanitel, en vue de compléter dans le registre informatisé de l'abattoir les données recueillies lors de la déclaration d'abattage et de vérifier les données relatives aux animaux et à leur troupeau de provenance;) <AR 2004-07-31/37, art. 1, 008; En vigueur : 01-12-2004>
  (29° déclarant : celui qui veut abattre ou faire abattre un animal à l'abattoir ou, en son absence, le transporteur qui introduit l'animal à l'abattoir.) <AR 2004-07-31/37, art. 1, 008; En vigueur : 01-12-2004>
  30° [1 ...]1;
  31° agent zoonotique : tout virus, toute bactérie, tout champignon, tout parasite ou toute autre entité biologique susceptible de provoquer une zoonose.) <AR 2005-03-10/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2005>
  § 2. [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions générales.
Art. 3. [1 § 1. Het vlees van gevogelte bestemd om door onderdompeling te worden gekoeld, voldoet aan de eisen die in bijlage II, hoofdstuk II, 6 en 7 worden gesteld.
   § 2. Bij het gebruik van het dompelkoelprocédé voor het koelen van karkassen van gevogelte na het slachten moeten de voorwaarden worden gerespecteerd die in bijlage III, hoofdstuk IV worden gesteld.]1

  
Art. 3. [1 Les viandes de volaille destinées à être soumises à un processus de refroidissement par immersion répondent aux exigences qui sont reprises à l'annexe II, chapitre II, 6° et 7°.
   § 2. Lors de l'utilisation du procédé de refroidissement par immersion pour les carcasses de volailles après abattage, les conditions reprises à l'annexe III, chapitre IV doivent être respectées.]1

  
HOOFDSTUK III. - De slachthuizen.
CHAPITRE III. - Les abattoirs.
Art. 9. <KB 2004-07-31/37, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. De slachtingsaangifte van een dier in een slachthuis moet gedaan worden door de aangever bij de exploitant van het slachthuis of zijn aangestelde. Hetzelfde geldt als het dier dood of gekeeld is.
  De exploitant van het slachthuis of zijn aangestelde moet aanwezig zijn bij het binnenbrengen van de dieren, teneinde de slachtingsaangifte in ontvangst te nemen. Dit moet voor de aflading gebeuren.
  § 2. Dieren mogen enkel het voorwerp uitmaken van een enkele en dezelfde slachtingsaangifte als alle inlichtingen bezorgd door de aangever zonder onderscheid op hen van toepassing zijn. In dit geval wordt het aantal betrokken dieren vermeld.
  § 3. Bij de slachtingsaangifte overhandigt de aangever aan de exploitant van het slachthuis of aan zijn aangestelde de documenten die het dier of de dieren moeten begeleiden en die meer bepaald voorgeschreven zijn bij of krachtens de wetten van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild, van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren of de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. De exploitant houdt deze documenten ter beschikking van de keurder.
Art. 9. <AR 2004-07-31/37, art. 2, 008; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. La déclaration d'abattage d'un animal dans un abattoir doit être faite par le déclarant auprès de l'exploitant de l'abattoir ou de son préposé. Il en est de même si l'animal est mort ou jugulé.
  L'exploitant de l'abattoir ou son préposé doit être présent au moment de l'introduction des animaux, afin de recevoir la déclaration d'abattage. Celle-ci doit avoir lieu avant le déchargement.
  § 2. Des animaux ne peuvent faire l'objet d'une seule et même déclaration d'abattage que si tous les renseignements fournis par le déclarant leur sont applicables indistinctement. Dans ce cas, le nombre d'animaux concernés est mentionné.
  § 3. Lors de la déclaration d'abattage, le déclarant remet à l'exploitant de l'abattoir ou à son préposé les documents qui doivent accompagner l'animal ou les animaux et qui sont prescrits notamment par ou en vertu des lois du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes, du 15 avril 1965 concernant l'expertise et le commerce du poisson, des volailles, des lapins et du gibier, du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime, du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux ou du 24 mars 1987 relative à la santé des animaux. L'exploitant tient ces documents à la disposition de l'expert.
Art. 10. <KB 2004-07-31/37, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004> Bij de slachtingsaangifte van een dier waarvan het vlees bestemd is voor de uitsluitende behoeften van de eigenaar en zijn huisgezin, wordt het registratienummer van de eigenaar van het dier, bedoeld in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren aan de exploitant van het slachthuis of aan zijn aangestelde medegedeeld.
Art. 10. <AR 2004-07-31/37, art. 3, 008; En vigueur : 01-12-2004> Lors de la déclaration de l'abattage d'un animal dont les viandes sont destinées aux besoins exclusifs du propriétaire et de son ménage, le numéro d'enregistrement du propriétaire de l'animal, visé à l'article 6, § 1er, de l'arrêté royal du 9 mars 1953 concernant le commerce des viandes de boucherie et réglementant l'expertise des animaux abattus à l'intérieur du pays, est communiqué à l'exploitant de l'abattoir ou son préposé.
Art. 11. <KB 2004-07-31/37, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004> § 1. De gegevens betreffende de verrichtingen die in het slachthuis plaatsvinden, worden, naargelang van het geval, door de exploitant van het slachthuis of zijn aangestelde of door de keurder via een specifieke software die door het Agentschap ter beschikking van de exploitant wordt gesteld, in een geïnformatiseerd register ingeschreven.
  De exploitant stelt de informatica- en communicatie-uitrusting op zijn kosten ter beschikking evenals het personeel dat nodig is om ermee te werken. De keurder moet hiertoe steeds toegang hebben.
  De Minister bepaalt de informatica- en communicatie-uitrusting die nodig is, evenals de andere doeleinden waarvoor ze kan worden gebruikt.
  § 2. Het in § 1 bedoelde register bevat ten minste de rubrieken binnengekomen dieren, veterinaire keuring, geslachte dieren en verzendingen. De Minister kan nog andere rubrieken bepalen.
  De Minister bepaalt welke gegevens onder elke rubriek moeten worden ingebracht. Hij stelt de bijkomende bepalingen vast met betrekking tot het bijhouden van het in § 1 bedoelde register.
  § 3. Bij de aangifte dienen de gegevens van de dieren die geslacht moeten worden, onmiddellijk door de exploitant of zijn aangestelde onder de rubriek binnengekomen dieren te worden ingeschreven.
  Elk dier dat onder de rubriek van binnengekomen dieren is ingeschreven moet in het slachthuis worden geslacht of gedood.
  De keurder kan echter de toelating geven dat levende dieren het slachthuis verlaten omwille van de dierengezondheid of de bescherming en het welzijn der dieren. In dit geval vermeldt hij dit onder de rubriek binnengekomen dieren.
  Indien een dier werd bedwelmd, gekeeld, verbloed en, desgevallend, van ingewanden ontdaan, buiten het slachthuis, kan het worden uitgeslacht, als de voor de post mortem keuring nodige gegevens zijn geleverd door middel van het vervoersdocument zoals bedoeld in het artikel 20 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren.
  § 4. Door middel van voormelde specifieke software bedoeld in § 1, voert de exploitant of zijn aangestelde de validering van de gegevens bedoeld in § 3 uit met name ten opzichte van de gegevens vervat in de Sanitel databank.
  De keurder houdt toezicht op de overeenstemming tussen de gegevens ingebracht door de exploitant of zijn aangestelde onder de rubriek van de binnengekomen dieren en deze die voortvloeien uit de validering.
  Hij mag het gezondheidsonderzoek voor het slachten alleen afsluiten als de exploitant of zijn aangestelde de validatie heeft uitgevoerd.
  Bij overmacht of om redenen die verband houden met de dierengezondheid of met de bescherming en het welzijn der dieren, mag de keurder evenwel toestaan dat voor de validatie wordt geslacht. Het vlees kan in dat geval pas na de validatie voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard.
  § 5. De keurder voert onder de rubriek van de veterinaire keuring de vaststellingen en beslissingen in met betrekking tot het gezondheidsonderzoek voor de slachting.
  § 6. Tenminste op het einde van elk ononderbroken slachtingsproces worden de gegevens ingevoerd onder de rubriek van de geslachte dieren door de exploitant of zijn aangestelde.
  § 7. De keurder voert onder de rubriek van de veterinaire keuring de vaststellingen en beslissingen in met betrekking tot het post mortem onderzoek van de geslachte dieren.
  § 8. De exploitant of zijn aangestelde voert onder de rubriek van de verzendingen de gegevens in met betrekking tot vlees en niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten die zijn verzonden vanuit het slachthuis.
Art. 11. <AR 2004-07-31/37, art. 4, 008; En vigueur : 01-12-2004> § 1er. Les données relatives aux opérations qui ont lieu dans l'a battoir sont enregistrées selon le cas, par l'exploitant de l'abattoir ou son préposé ou par l'expert, dans un registre informatisé, au moyen d'un logiciel spécifique mis à disposition de l'exploitant par l'Agence.
  L'exploitant met à disposition, à ses frais, les équipements informatiques et de communications ainsi que le personnel nécessaires à leurs utilisations. L'expert doit y avoir accès en permanence.
  Le Ministre détermine les équipements informatiques et de communications nécessaires, ainsi que les autres fins auxquelles ils peuvent être utilisés.
  § 2. Le registre visé au § 1er comprend au moins les rubriques des entrées, de l'expertise vétérinaire, des abattages et des expéditions. Le Ministre peut déterminer d'autres rubriques.
  Le Ministre détermine les informations qui doivent être introduites sous chacune des rubriques. Il peut fixer des modalités complémentaires pour la tenue du registre visé au § 1er.
  § 3. Lors de la déclaration, les données relatives aux animaux à abattre sont immédiatement inscrites par l'exploitant ou son préposé sous la rubrique des entrées.
  Tout animal inscrit sous la rubrique des animaux entrants doit être abattu ou mis à mort dans l'abattoir.
  Toutefois, l'expert peut autoriser que des animaux vivants quittent l'abattoir pour des motifs de santé animale ou de protection et de bien-être des animaux. Dans ce cas, il en fait mention sous la rubrique des entrées.
  Si un animal a été étourdi, jugulé, saigné et, le cas échéant, éviscéré, en dehors de l'abattoir, il peut être habillé si les données nécessaires à l'expertise post mortem ont été fournies au moyen du document de transport visé à l'article 20 de l'arrêté royal du 9 mars 1953 concernant le commerce des viandes de boucherie et réglementant l'expertise des animaux abattus à l'intérieur du pays.
  § 4. A l'aide du logiciel spécifique visé au § 1er, l'exploitant ou son préposé procède à la validation des données visées au § 3, notamment par rapport aux informations contenues dans la base de données Sanitel.
  L'expert vérifie la concordance entre les donnees introduites par l'exploitant ou son préposé sous la rubrique des entrées et celles résultant de la validation.
  Il ne peut conclure l'examen sanitaire avant l'abattage que si l'exploitant ou son préposé a effectué la validation.
  Toutefois, en cas de force majeure, ou pour des motifs de santé animale ou de protection et de bien-être des animaux, l'expert peut autoriser l'abattage avant la validation. Dans ce cas, les viandes ne peuvent être déclarées propres à la consommation humaine qu'après la validation.
  § 5. L'expert inscrit sous la rubrique de l'expertise vétérinaire les constatations et décisions relatives à l'examen sanitaire avant l'abattage.
  § 6. Au moins à la fin de chaque période ininterrompue d'activité d'abattages, l'exploitant ou son préposé inscrit dans la rubrique des abattages les données relatives aux abattages.
  § 7. L'expert inscrit sous la rubrique de l'expertise vétérinaire les constatations et décisions relatives à l'expertise post mortem des animaux abattus.
  § 8. L'exploitant ou son préposé inscrit sous la rubrique des expéditions les données relatives aux viandes et aux sous-produits animaux non destinés à la consommation humaine expédiés depuis l'abattoir.
Art. 11bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-07-31/37, art. 5; Inwerkingtreding : 01-12-2004> Na ontvangst van de slachtingsaangifte en het registreren daarvan onder de rubriek van de binnengekomen dieren van het geïnformatiseerd register van het slachthuis, overhandigt de exploitant van het slachthuis of zijn aangestelde aan de aangever een aangiftebewijs van zijn slachtingsaangifte, geproduceerd door het bovenvermeld register.
Art. 11bis. Après avoir reçu la déclaration de l'abattage et l'avoir enregistree sous la rubrique des entrées du registre informatisé de l'abattoir, l'exploitant de l'abattoir ou son préposé remet au déclarant un récépissé de sa déclaration d'abattage, généré par le registre précité.
Art. 12. § 1. Geen enkel dier mag voor het gezondheidsonderzoek voor de slachting worden aangeboden indien de aangifte en inschrijving in het register van de binnengekomen dieren niet zijn gebeurd.
  Uiterlijk 24 uur na aankomst van de dieren in het slachthuis dienen ze voor het gezondheidsonderzoek voor de slachting te worden aangeboden. Bovendien moeten de documenten (bedoeld in artikel 9, § 3) aan de keurder worden voorgelegd in de volgorde waarin de dieren voor dit onderzoek worden aangeboden. <KB 2004-07-31/37, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  § 2. Geen enkel levend dier mag worden geslacht dan nadat op het slachthuis een gezondheidsonderzoek voor de slachting is uitgevoerd door de keurder.
  Gedood vrij wild, aangevoerd in een inrichting, mag er slechts worden bewerkt dan nadat een visueel onderzoek ervan is uitgevoerd door de keurder.
  In afwijking op het eerste lid kan tot het uitvoeren der slachtverrichtingen worden overgegaan zonder dat een gezondheidsonderzoek voor de slachting is uitgevoerd op het slachthuis, indien het gaat om :
  1° de noodslachting van een slachtdier;
  2° gekweekt wild dat is gedood op de plaats van oorsprong, op voorwaarde dat het is vergezeld van een gezondheidsverklaring waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld;
  3° gevogelte voor de produktie van foie gras dat op het mestbedrijf is gedood, op voorwaarde dat het is vergezeld van een gezondheidsverklaring waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld.
  Evenwel mogen ook in de gevallen vermeld in het vorige lid, de slachtverrichtingen niet worden aangevat voor de inschrijving der dieren in het register. (...) <KB 2004-07-31/37, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
Art. 12. § 1. Aucun animal ne peut être présenté à l'examen sanitaire avant l'abattage si la déclaration et l'inscription dans le registre des entrées n'ont pas été effectuées.
  Dans un délai inférieur à 24 heures après leur arrivée, les animaux doivent être présentes à l'examen sanitaire avant l'abattage. En outre, les documents (visés à l'article 9, § 3) doivent être présentés a l'expert dans l'ordre de la présentation des animaux à cet examen. <AR 2004-07-31/37, art. 6, 008; En vigueur : 01-12-2004>
  § 2. Tout animal vivant ne peut être abattu qu'après d'un examen sanitaire avant l'abattage effectué par l'expert à l'abattoir.
  Le gibier sauvage mis à mort transporté vers un établissement ne peut y être traite qu'après leur examen visuel par l'expert.
  Par dérogation au premier alinéa, on peut procéder aux opérations d'abattage sans qu'un examen sanitaire avant l'abattage soit réalisé à l'abattoir, s'il s'agit de :
  1° l'abattage de nécessité d'animaux de boucherie;
  2° gibier d'élevage mis à mort au lieu d'origine, à condition qu'il soit accompagné d'une attestation sanitaire dont le modèle est fixé par le Ministre;
  3° volailles destinées à la production de foie gras mises à mort à la ferme d'engraissement, à condition qu'elles soient accompagnées d'une attestation sanitaire dont le modèle est fixé par le Ministre.
  Toutefois, dans les cas énumérés à l'alinéa précédent, les opérations d'abattage ne peuvent être entamées avant l'inscription des animaux dans le registre. (...) <AR 2004-07-31/37, art. 6, 008; En vigueur : 01-12-2004>
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
Art. 24. In de uitsnijderijen erkend overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen is het verboden vers vlees binnen te brengen of voorhanden te hebben dat een keurmerk of identificatiemerkteken draagt waaruit blijkt dat het uitsluitend verhandeld moet worden op het nationale grondgebied.
Art. 24. Dans les ateliers de découpe agréés conformément à l'article 4 de l'arrêté royal du 30 décembre 1992 relatif à l'agrément et aux conditions d'installation des abattoirs et d'autres établissements, il est interdit d'introduire ou de détenir des viandes fraîches revêtues d'une marque de salubrité ou d'identification qui fait apparaître qu'elles doivent être commercialisées exclusivement sur le territoire national.
Art. 25. De exploitant van een uitsnijderij met een geringe capaciteit dient zijn wekelijkse produktie te beperken tot 5 ton uitgebeend vlees van slachtdieren of het equivalent daarvan in vlees met been of tot 3 ton voor de andere vleessoorten.
Art. 25. L'exploitant d'un atelier de découpe de faible capacité doit limiter sa production hebdomadaire à 5 tonnes de viandes désossées d'animaux de boucherie ou a l'équivalent en viandes avec os ou à 3 tonnes pour les autres espèces de viandes.
HOOFDSTUK VI.
CHAPITRE VI.
HOOFDSTUK VII.
CHAPITRE VII.
HOOFDSTUK VIII.
CHAPITRE VIII.
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions d'abrogation et de modification.
Art. 37. In het koninklijk besluit van 9 maart 1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1960, 28 april 1965, 15 december 1965, 5 januari 1968, 5 april 1968, 30 augustus 1968, 9 juni 1970, 15 juni 1970, 1 augustus 1973, 17 juni 1976, 25 juni 1976, 23 maart 1977, 9 september 1981, 30 november 1982, 30 juli 1986, 26 april 1991, 14 november 1991, 11 mei 1992, 30 december 1992, 22 juni 1993, 14 september 1993 en bij de wet van 14 juli 1994, worden de artikelen 7, behoudens § 2, derde en vijfde lid, 7bis, 8, 12, 13, 14, 15, eerste lid, 16, 17, 18, derde tot zesde lid, 26, tweede tot vierde lid alsmede de eerste twee zinnen van het vijfde lid, 27, 36, derde lid en 37, tweede en derde lid opgeheven.
Art. 37. A l'arrêté royal du 9 mars 1953 concernant le commerce des viandes de boucherie et réglementant l'expertise des animaux abattus à l'intérieur du pays, modifié par les arrêtés royaux du 19 août 1960, 28 avril 1965, 15 décembre 1965, 5 janvier 1968, 5 avril 1968, 30 août 1968, 9 juin 1970, 15 juin 1970, 1er août 1973, 17 juin 1976, 25 juin 1976, 23 mars 1977, 9 septembre 1981, 30 novembre 1982, 30 juillet 1986, 26 avril 1991, 14 novembre 1991, 11 mai 1992, 30 décembre 1992, 22 juin 1993, 14 septembre 1993 et par la loi du 14 juillet 1994, les articles 7, à l'exception du § 2, troisième et cinquième alinéas, 7bis, 8, 12, 13, 14, 15, premier alinéa, 16, 17, 18, troisième jusqu'au sixième alinéa, 26, deuxième jusqu'au quatrième alinéa ainsi que les deux premières phrases du cinquième alinéa, 27, 36, troisième alinéa et 37, deuxième et troisième alinéas, sont abrogés.
Art. 38. Het koninklijk besluit van 12 december 1955 betreffende de exploitatie en de werking van de slachthuizen en van de private slachterijen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 mei 1990, wordt opgeheven.
Art. 38. L'arrêté royal du 12 décembre 1955 relatif à l'exploitation et au fonctionnement des abattoirs publics et des tueries particulières, modifié par l'arrêté royal du 25 mai 1990, est abrogé.
Art. 39. Het koninklijk besluit van 12 december 1955 betreffende de exploitatie en de werking van de door de regering erkende exportslachthuizen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 april 1965, 4 april 1968, 13 september 1971, 11 mei 1992 en bij de wet van 14 juli 1994, wordt opgeheven.
Art. 39. L'arrêté royal du 12 décembre 1955 relatif à l'exploitation et au fonctionnement des abattoirs d'exportation agréés par le gouvernement, modifié par les arrêtés royaux du 24 avril 1965, 4 avril 1968, 13 septembre 1971, 11 mai 1992 et par la loi du 14 juillet 1994, est abrogé.
Art. 40. Het koninklijk besluit van 12 maart 1965 betreffende de invoer van vlees, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 januari 1966, 1 april 1968, 26 september 1968, 14 oktober 1969, 11 juni 1970, 12 september 1971, 5 mei 1972, 12 juli 1972, 11 oktober 1974, 9 augustus 1976, 20 april 1977, 21 juni 1979, 9 december 1987, 14 november 1991, 16 januari 1992, 30 december 1992, 22 juni 1993 en bij de wet van 14 juli 1994, wordt opgeheven.
Art. 40. L'arrêté royal du 12 mars 1965 relatif à l'importation des viandes, modifié par les arrêtés royaux du 17 janvier 1967, 1er avril 1968, 26 septembre 1968, 14 octobre 1969, 11 juin 1970, 12 septembre 1971, 5 mai 1972, 12 juillet 1972, 11 octobre 1974, 9 août 1976, 20 avril 1977, 21 juin 1979, 9 décembre 1987, 14 novembre 1991, 16 janvier 1992, 30 décembre 1992, 22 juin 1993 et par la loi du 14 juillet 1994, est abrogé.
Art. 41. Het koninklijk besluit van 28 juni 1966 tot erkenning van de exportslachthuizen wordt opgeheven.
Art. 41. L'arrêté royal du 28 juin 1966 portant agréation des abattoirs d'exportation est abrogé.
Art. 42. Het koninklijk besluit van 1 december 1969 houdende reglementering betreffende het diepvriesvlees, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 november 1981 en 30 december 1992, wordt opgeheven.
Art. 42. L'arrêté royal du 1er décembre 1969 portant réglementation en matière de viandes surgelées, modifié par les arrêtés royaux du 9 novembre 1981 et 30 décembre 1992, est abrogé.
Art. 43. In het koninklijk besluit van 21 september 1970 betreffende de keuring van en de handel in vlees van gevogelte, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 oktober 1971, 28 oktober 1972, 7 augustus 1973, 11 oktober 1974, 20 maart 1978, 29 maart 1979, 4 september 1981, 4 november 1981, 6 december 1983, 1 maart 1985, 4 april 1986, 4 juli 1986, 9 december 1987, 25 september 1992, 30 december 1992, 30 december 1992, 25 februari 1994 en bij de wet van 14 juli 1994, worden de artikelen 2, eerste lid, 3, a, b, en c, 1°, 10, 13 tot 19bis, 24 tot 31, 37, 45 en 65, alsmede de bijlage opgeheven.
Art. 43. A l'arrêté royal du 21 septembre 1970 relatif à l'expertise et au commerce des viandes de volaille, modifié par les arrêtés royaux du 8 octobre 1971, 28 octobre 1972, 7 août 1973, 11 octobre 1974, 20 mars 1978, 29 mars 1979, 4 septembre 1981, 4 novembre 1981, 6 décembre 1983, 1er mars 1985, 4 avril 1986, 4 juillet 1986, 9 décembre 1987, 25 septembre 1992, 30 décembre 1992, 30 décembre 1992, 25 février 1994 et par la loi du 14 juillet 1994, les articles 2, premier alinéa, 3, a, b, et c, 1°, 10, 13 jusqu'à 19bis, 24 jusqu'à 31, 37, 45 et 65, ainsi que l'annexe, sont abrogés.
Art. 44. § 1. In het koninklijk besluit van 28 december 1970 betreffende de vleeswarenfabrieken en de uitvoer van hun produkten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 februari 1975, 7 januari 1977, 11 juli 1979, 6 mei 1982 en 30 december 1992, worden de artikelen 2 tot 10, 11, § 4, 12, 16, 18, 19, 21 en 22 opgeheven.
  § 2. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen."
  § 3. In artikel 11, § 1, van hetzelfde besluit wordt het woord "vleesbereidingen" vervangen door het woord "vleesprodukten".
  In hetzelfde lid worden tussen de woorden "de fabrikant" en "vermelden" de woorden "of van de herverpakker of van beide" ingevoegd.
  § 4. In artikel 11, § 2, van hetzelfde besluit worden de woorden "Het bereid of verduurzaamd vlees" vervangen door de woorden "Een vleesprodukt dat niet is verpakt".
  In hetzelfde lid worden tussen de woorden "het adres" en "vermeldt" de woorden "of het toelatingsnummer " ingevoegd.
  § 5. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van Hoofdstuk II vervangen door het volgende opschrift : "Uitvoer van vleesprodukten".
  § 6. Artikel 14 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 14. Onverminderd de toepassing van het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1994, en van het koninklijk besluit van 4 juli 1996, betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen, is de uitvoer van vleesprodukten naar Lid-Staten van de EG. slechts toegestaan indien is voldaan aan de vereisten van het artikel 3, 6 en 7, van het artikel 4, 3 en van de bijlage B, hoofdstuk V, punt 4 van de richtlijn 77/99/EEG van de Raad betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van vleesprodukten en bepaalde andere produkten van dierlijke oorsprong en aan de vereisten van de richtlijn 80/215/EEG van de Raad van 22 januari 1980 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten."
Art. 44. § 1. A l'arrêté royal du 28 décembre 1970 relatif aux ateliers de préparation des viandes ainsi qu'à l'exportation de leurs produits, modifié par les arrêtes royaux du 4 février 1975, 7 janvier 1977, 11 juillet 1979, 6 mai 1982 et 30 décembre 1992, les articles 2 jusqu'à 10, 11, § 4, 12, 16, 18, 19, 21 et 22, sont abrogés.
  § 2. L'article 1er du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1er. Pour l'application du présent arrêté les définitions de l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements, s'appliquent."
  § 3. A l'article 11, § 1er, du même arrêté, les mots "Les préparations de viandes" sont remplacés par les mots "Les produits à base de viande".
  Le même alinéa est complété par les mots "ou du reconditionneur ou des deux."
  § 4. A l'article 11, § 2, du même arrêté, les mots "Les viandes préparées ou conservées doivent" sont remplacés par les mots "Un produit à base de viande non emballé doit".
  Au même alinéa sont insérés entre le mot "l'adresse" et les mots "de l'atelier" les mots " ou le numéro d'agrément".
  § 5. Au même arrêté, l'intitulé du chapitre II est remplacé par l'intitulé suivant : "Exportation de produits à base de viande".
  § 6. L'article 14 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 14. Sans préjudice de l'application de l'arrêté royal du 30 décembre 1992 relatif à l'agrément et aux conditions d'installation des abattoirs et d'autres établissements, modifié par l'arrêté royal du 25 février 1994, et de l'arrêté royal du 4 juillet 1996 relatif aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements, l'exportation de produits à base de viande vers des Etats membres de la C.E. n'est autorisée qu'à condition que soient remplies les exigences de l'article 3, 6 et 7, de l'article 4, 3 et de l'annexe B, chapitre V, point 4 de la directive 77/99/CEE du Conseil relative à des problemes sanitaires en matière de production et de mise sur le marché de produits à base de viande et de certains autres produits d'origine animale et aux exigences de la directive 80/215/CEE du Conseil du 22 janvier 1980 relative à des problèmes de police sanitaire en matière d'échanges intracommunautaires de produits à base de viande."
Art. 45. Het koninklijk besluit van 27 oktober 1972 betreffende de vaststelling van de modaliteiten betreffende de slachtingsaangiften in de slachthuizen voor gevogelte, wordt opgeheven.
Art. 45. L'arrêté royal du 27 octobre 1972 fixant les modalités concernant les déclarations d'abattage dans les abattoirs de volailles, est abrogé.
Art. 46. Het koninklijk besluit van 18 juli 1980 betreffende de uitsnijderijen van vlees van gevogelte en hun produkten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 september 1981, 25 september 1992 en 30 december 1992, wordt opgeheven.
Art. 46. L'arrêté royal du 18 juillet 1980 relatif aux ateliers de découpage de viandes de volaille et à leurs produits, modifié par les arrêtés royaux des 4 septembre 1981, 25 septembre 1992 et 30 décembre 1992, est abrogé.
Art. 47. § 1. In het koninklijk besluit van 9 februari 1981 betreffende de uitsnijderijen alsook de uitvoer van uitgebeend en uitgesneden vers vlees, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 mei 1992, worden de artikelen 2 tot 12, 14 tot 16, 19, 20, 22 en 23 opgeheven.
   § 2. In hetzelfde besluit wordt het artikel 13 vervangen door de volgende bepaling :
   "Art. 13. De uitvoer van uitgebeend of uitgesneden vers vlees naar Lid-Staten van de EG. mag alleen geschieden wanneer het afkomstig is uit slachthuizen en het uitgesneden of uitgebeend is in inrichtingen die alle erkend zijn op grond van artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen.
Art. 47. § 1. Dans l'arrêté royal du 9 février 1981 relatif aux ateliers de découpe ainsi qu'à l'exportation des viandes fraîches, désossées et découpées, modifié par l'arrêté royal du 11 mai 1992, les articles 2 jusqu'à 12, 14 jusqu'à 16, 19, 20, 22 et 23 sont abrogés.
  § 2. Dans le même arrêté, l'article 13 est remplacé par la disposition suivante :
  "Art. 13. L'exportation de viandes fraîches découpées ou désossées ne peut être effectuée que si celles-ci proviennent d'abattoirs et que si elles ont été découpées ou désossées dans des établissements tous agréés en vertu de l'article 4 de l'arrêté royal du 30 décembre 1992 relatif à l'agrément et aux conditions d'installation des abattoirs et d'autres établissements."
Art. 48. Het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 betreffende de produktie van en de handel in gehakt vlees en vleesbereidingen wordt opgeheven.
Art. 48. L'arrêté royal du 19 août 1992 relatif à la production et au commerce de viandes hachees et de préparations de viandes est abrogé.
Art. 49. § 1. In het koninklijk besluit van 30 december 1992 betref- fende de produktie van en de handel in vleesprodukten en andere bijprodukten van dierlijke oorsprong, wordt het artikel 1, § 2, vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 2. De definities van het koninklijk besluit van 4 juli 1996 betreffende de algemene en bijzondere exploitatievoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen zijn van toepassing voor dit besluit."
  § 2. a) In hetzelfde besluit worden in het artikel 3 de woorden "De produktie, de verpakking, de opslag, het vervoer," vervangen door de woorden "Het merken van vleesprodukten en".
  b) In hetzelfde artikel worden de woorden "artikelen 3, 4, 6, 7, 8, 14 en 18, lid 1" vervangen door de woorden "artikelen 3, A, lid 7, 14 en 18, lid 1".
Art. 49. § 1. Dans l'arrête royal du 30 décembre 1992 relatif à la production et au commerce de produits à base de viande et des autres issues traitées d'origine animale, l'article 1er, § 2, est remplacé par la disposition suivante :
  "§ 2. Les définitions de l'arrêté royal du relatif 4 juillet 1996 aux conditions générales et spéciales d'exploitation des abattoirs et d'autres établissements sont applicables pour le présent arrêté."
  § 2. a) Dans l'article 3 du même arrêté les mots "La production, l'emballage, l'entreposage, le transport," sont remplacés par les mots " Le marquage de produits à base de viande et".
  b) Dans le même article les mots " articles 3, 4, 6, 7, 8, 14 et 18, alinéa 1er" sont remplacés par les mots "articles 3, A, alinéa 7, 14 et 18, alinéa 1er".
Art. 50. In het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de keuring van en de handel in vlees van konijnen, worden de artikelen 3, § 1, 4, 5, 9, 17 tot 22, 26 en de bijlagen I en II opgeheven.
Art. 50. Dans l'arrêté royal du 30 décembre 1992 relatif à l'expertise et au commerce des viandes de lapin, les articles 3, § 1er, 4, 5, 9, 17 jusqu'à 22, 26 et les annexes I et II sont abrogés.
Art. 51. In het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de keuring van en de handel in vlees van gekweekt wild, wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 5bis. § 1. Het hoofd van de keurkring kan in afzonderlijke gevallen toestaan dat gekweekt vederwild wordt gedood op de plaats van oorsprong, indien het niet levend naar een erkend slachthuis voor gevogelte en konijnen kan worden vervoerd zonder risico's in verband met het welzijn van de dieren, op voorwaarde dat het bedrijf beschikt over een verzamelcentrum voor dit wild waar het mogelijk is een gezondheidsonderzoek voor de slachting te verrichten.
  Daartoe dient de eigenaar van de dieren bij het hoofd van de keurkring een schriftelijk verzoek in, waarin hij melding maakt van de diersoort, het aantal, evenals de datum en het uur waarop hij deze dieren wenst te doden.
  § 2. Indien de eigenaar deze toelating bekomt, mag hij slechts overgaan tot het doden nadat door een keurder een gezondheidsonderzoek voor de slachting is verricht.
  De gedode dieren kunnen eventueel worden uitgebloed en ter plaatse op hygiënische wijze geplukt.
  Met het oog op het uitslachten moeten de gedode dieren onder bevredigende hygiënische omstandigheden worden vervoerd naar een slachthuis voor gevogelte en konijnen of naar een vrijwildverwerkingsinrichting of een uitsnijderij die daartoe zijn erkend. Bij dit vervoer dienen de dieren vergezeld te zijn van een verklaring door de keurder volgens het model in bijlage. Daarin mogen de woorden "en daarbij correct zijn uitgebloed" worden geschrapt.
  Wanneer het gekweekt vederwild dat is gedood op de plaats waar het werd gekweekt niet binnen een uur naar een van de hierboven bedoelde inrichtingen wordt gebracht, moet het worden gekoeld tot ten hoogste 4 °C en daarna vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0 °C en 4 °C en waarbij opeenhoping van de dieren moet worden voorkomen."
Art. 51. Dans l'arrêté royal du 30 décembre 1992 relatif à l'expertise et au commerce des viandes de gibier d'élevage, un article 5bis est inséré, rédigé comme suit :
  " Art. 5bis. § 1er. Le chef du cercle d'expertise peut autoriser, dans des cas spécifiques, la mise à mort du gibier d'élevage à plumes au lieu d'origine, si celui-ci ne peut être transporté vivant sans risques vers un abattoir de volailles et de lapins agréé, en vue d'assurer la protection du bien-être des animaux, à condition que l'exploitation dispose d'un centre de rassemblement de ce gibier où il est possible d'effectuer un examen sanitaire avant l'abattage.
  A cette fin, le propriétaire des animaux introduit une demande par ecrit auprès du chef du cercle d'expertise en mentionnant l'espèce animale, le nombre, ainsi que la date et l'heure auxquelles il souhaite effectuer la mise à mort de ces animaux.
  § 2. Si le propriétaire obtient cette autorisation, il ne peut procéder à la mise à mort qu'après l'exécution d'un examen sanitaire avant l'abattage par un expert.
  Les animaux mis à mort peuvent éventuellement être saignés et être plumés de façon hygiénique sur place.
  En vue de l'habillage, les animaux mis à mort doivent être transportés dans des conditions hygiéniques satisfaisantes vers un abattoir de volailles et de lapins ou vers un établissement de traitement de gibier sauvage ou vers un atelier de découpe agréés à cette fin. Lors de ce transport, les animaux doivent être accompagnes d'une attestation de l'expert, conforme au modèle en annexe. Dans cette attestation, les mots "et ayant subi une saignée correcte" peuvent être biffés.
  Dans la mesure où le gibier d'élevage à plumes, mis à mort au lieu d'origine, n'est pas amené dans un délai d'une heure dans un des établissements mentionnés ci-dessus, il doit être réfrigéré jusqu'à 4 °C au maximum et ensuite transporté dans un conteneur ou un moyen de transport dans lequel règne une température entre 0 °C et 4 °C et en évitant l'amoncellement des animaux."
Art. 52. In het koninklijk besluit van 9 november 1994 betreffende de keuring van en de handel in vlees van vrij wild wordt de bijlage, punt 1, tweede streepje aangevuld met de volgende zin : "Evenwel mag in de vrij-wildverwerkingsinrichting het verwijderen van de ingewanden worden uitgesteld voor een periode van ten hoogste twee weken na het doden, op voorwaarde dat dit klein vrij wild wordt bewaard bij een temperatuur die 4 °C niet overstijgt;".
Art. 52. A l'arrêté royal du 9 novembre 1994 relatif à l'expertise et au commerce des viandes de gibier sauvage, l'annexe, point 1, deuxième tiret est complétée par la phrase suivante : "Toutefois, dans l'établissement de traitement de gibier sauvage, l'éviscération peut être différée pour une période de deux semaines maximum après la mise à mort, à condition que ce petit gibier sauvage soit entreposé à une température qui ne dépasse pas 4 °C;".
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
CHAPITRE X. - Dispositions finales.
Art. 53. De overtredingen van dit besluit worden gestraft, met de straffen voorzien in :
  1° de artikelen 27 tot 32 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel indien de inbreuk werd vastgesteld in een inrichting die tot het toepassingsgebied van deze wet behoort, of indien ze rechtstreeks verband houdt met een handeling of tekortkoming bij de produktie, het bewerken, het verwerken, het onmiddellijk of eindverpakken of bij het opslaan van waren die tot het toepassingsgebied behoren van deze wet;
  2° de artikelen 9 tot 14 van de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild indien de inbreuk werd vastgesteld in een inrichting die tot het toepassingsgebied van deze wet behoort, of indien ze rechtstreeks verband houdt met een handeling of tekortkoming bij de produktie, het bewerken, het verwerken, het onmiddellijk of eindverpakken of bij het opslaan van waren die tot het toepassingsgebied behoren van deze wet.
Art. 53. Les infractions au présent arrêté sont punies des peines prévues aux :
  1° articles 27 à 32 de la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes si l'infraction est constatée dans un établissement appartenant au champ d'application de cette loi, ou si elle se rapporte directement à un acte ou un manquement lors de la production, la préparation, la transformation, le conditionnement ou l'emballage ou lors de l'entreposage de denrées appartenant au champ d'application de cette loi;
  2° les articles 9 à 14 de la loi du 15 avril 1965 concernant l'expertise et le commerce du poisson, des volailles, des lapins et du gibier si l'infraction est constatée dans un établissement appartenant au champ d'application de cette loi, ou si elle se rapporte directement à un acte ou un manquement lors de la production, la préparation, la transformation, le conditionnement ou l'emballage ou lors de l'entreposage de denrées appartenant au champ d'application de cette loi.
Art. 54. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 54. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Art. 55. Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 55. Notre Ministre de la Santé publique et des Pensions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N2. Bijlage II. - Bijzondere exploitatievoorwaarden.
Art. N2. Annexe II. Conditions spéciales d'exploitation.
Art. 2N2. HOOFDSTUK II. - In de slachthuizen voor gevogelte en konijnen.
   [2 Punt 1 tot en met Punt 5 opgeheven.]2
   6. Vlees van gevogelte bestemd om door onderdompeling te worden gekoeld overeenkomstig het hierna beschreven procédé, moet onmiddellijk na het verwijderen der ingewanden grondig worden gewassen in een sproeireiniger en onverwijld worden ondergedompeld. Het sproeireinigen moet gebeuren in een installatie waarbij de karkassen zowel inwendig als uitwendig doeltreffend worden gewassen. Voor karkassen met een gewicht :
   - van ten hoogste 2,5 kg moet per karkas ten minste 1,5 l water worden gebruikt;
   - tussen 2,5 en 5 kg moet per karkas ten minste 2,5 l water worden gebruikt;
   - van 5 kg en meer moet per karkas ten minste 3,5 l water worden gebruikt.
   7. Het dompelkoelprocédé dient aan volgende eisen te voldoen :
   a) de karkassen moeten door een of meer met water of met ijs en water gevulde bakken worden gevoerd, waarvan de inhoud voortdurend wordt ververst. Alleen een systeem waarbij de karkassen voortdurend tegen een waterstroom in, mechanisch worden voortgestuwd, mag worden toegepast;
   b) de temperatuur van het water in de bak of van de bakken, gemeten bij de ingang en de uitgang voor de karkassen, mag niet hoger zijn dan 16 °C, respectievelijk 4 °C;
   c) het moet zo worden toegepast dat het vlees zo snel mogelijk op een temperatuur van 4 °C wordt gebracht;
   d) het minimum waterdebiet tijdens het gehele koelprocédé moet :
   - 2,5 l per karkas bedragen bij karkassen van ten hoogste 2,5 kg;
   - 4 l per karkas bedragen bij karkassen tussen 2,5 en 5 kg;
   - 6 l per karkas bedragen bij karkassen van ten minste 5 kg.
   Indien er verschillende opeenvolgende bakken zijn, moeten de toevoer van vers water en de afvoer van gebruikt water in elke bak op zodanige wijze zijn geregeld dat zij geleidelijk afnemen in de richting waarin de karkassen zich bewegen, waarbij het verse water zo over de bakken wordt verdeeld dat het waterdebiet in de laatste bak niet minder bedraagt dan :
   - 1 l per karkas bij karkassen van ten hoogste 2,5 kg;
   - 1,5 l per karkas bij karkassen tussen 2,5 en 5 kg;
   - 2 l per karkas bij karkassen van ten minste 5 kg.
   Bij de berekening van deze hoeveelheden wordt geen rekening gehouden met het water dat is gebruikt wanneer de bakken voor het eerst worden gevuld;
   e) de karkassen mogen niet langer dan een half uur in het eerste gedeelte van de installatie of in de eerste bak verblijven en ook niet langer dan strict noodzakelijk is in de rest van de installatie of in de andere bakken.
   Alle voorzorgen moeten worden genomen opdat, met name indien het procédé wordt onderbroken, de in het eerste lid genoemde tijdsduur niet wordt overschreden;
   Na elke stilstand van de installatie mag deze slechts opnieuw in werking worden gesteld nadat de keurder heeft vastgesteld dat de karkassen nog steeds geschikt zijn voor de menselijke voeding.
   f) elk onderdeel van de installatie moet, telkens wanneer dat nodig is, aan het einde van de werkzaamheden en ten minste eenmaal per dag volledig worden leeggemaakt, gereinigd en ontsmet;
  
Art. 2N2. CHAPITRE II. - Dans les abattoirs de volailles et de lapins.
  [1 points 1 à 5 abrogés.]1
  6. Les viandes de volaille destinées à être soumises à un processus de refroidissement par immersion, selon le procédé défini ci-dessous, doivent, immédiatement après l'évisceration, faire l'objet d'un lavage à fond par aspersion et d'une immersion immédiate. L'aspersion doit être effectuée au moyen d'une installation assurant un lavage efficace des surfaces internes et externes des carcasses. Pour les carcasses dont le poids :
  - ne dépasse pas 2,5 kg, la quantité d'eau à utiliser doit être au moins de 1,5 litre par carcasse;
  - est compris entre 2,5 kg et 5 kg, la quantité d'eau à utiliser doit être au moins de 2,5 litres par carcasse;
  - est égal ou supérieur à 5 kg, la quantité d'eau à utiliser doit être au moins de 3,5 litres par carcasse.
  7. Le procédé de refroidissement par immersion doit répondre aux prescriptions suivantes :
  a) les carcasses passent à travers un ou plusieurs bacs d'eau ou de glace et d'eau, dont le contenu est constamment renouvelé. N'est admis à cet égard que le système dans lequel les carcasses sont constamment poussées par des moyens mécaniques à travers un flux d'eau avancant à contre-courant;
  b) la température de l'eau ou des bacs, mesuree aux lieux d'entrée et de sortie des carcasses, ne doit pas dépasser respectivement 16 °C et 4 °C;
  c) il doit être réalisé de façon telle que les viandes soient portées dans les délais les plus brefs à une température de 4 °C;
  d) le débit d'eau minimal pour l'ensemble du procedé de refroidissement doit être de :
  - 2,5 litres par carcasse de 2,5 kg ou moins;
  - 4 litres par carcasse d'un poids compris entre 2,5 kg et 5 kg;
  - 6 litres par carcasse de 5 kg ou plus.
  S'il y a plusieurs bacs, l'afflux d'eau fraîche et l'écoulement d'eau usée dans chaque bac doivent être réglés de telle façon qu'ils aillent en décroissant dans le sens du mouvement des carcasses, l'eau fraîche étant répartie entre les bacs de telle manière que le flux d'eau à travers le dernier bac ne soit pas inférieur à :
  - 1 litre par carcasse de 2,5 kg ou moins;
  - 1,5 litre par carcasse d'un poids compris entre 2,5 kg et 5 kg;
  - 2 litres par carcasse d'un poids de 5 kg ou plus.
  L'eau utilisée pour le premier remplissage des bacs ne doit pas entrer en ligne de compte pour le calcul de ces quantités;
  e) les carcasses ne doivent pas sejourner dans la première partie de l'appareil ou le premier bac pendant plus d'une demi-heure ni demeurer dans le reste de l'appareil ou dans le ou les autres bacs plus que le temps strictement nécessaire.
  Toutes les dispositions doivent être prises pour que, notamment en cas d'arrêt du travail, le temps de passage prévu au premier alinéa soit respecté.
  Après chaque arrêt de l'installation, celle-ci ne peut être remise en fonctionnement qu'après que l'expert ait constaté que les carcasses sont toujours propres à la consommation humaine;
  f) chaque appareil doit être entièrement vidé, nettoyé et desinfecté chaque fois que cela est nécessaire, à la fin de la période de travail et au moins une fois par jour.
  
Art. N3. Bijlage III. - De autocontrole.
Art. N3. Annexe III. - L'autocontrôle.
Art. 4N3. (oud Art. 2N3) HOOFDSTUK (IV). - Bijzondere voorwaarden bij het gebruik van het dompelkoelprocédé voor het koelen van karkassen van gevogelte na het slachten. <KB 2002-08-28/41, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-10-2002 en Inwerkingtreding : 08-06-2003, zie KB 2002-08-28/41, art. 4>
  1. Met geijkte controleapparatuur moet worden gezorgd voor een adequate en voortdurende controle op het meten en registreren van :
  - het waterverbruik tijdens het sproeireinigen voor de onderdompeling;
  - de temperatuur van het water in de bak of bakken bij de in- en uitgang voor de karkassen;
  - het waterverbruik tijdens de onderdompeling;
  - het aantal van de karkassen van elk van de in Bijlage II, Hoofdstuk II, 7, d) genoemde gewichtsklassen dat zich in de installatie bevindt;
  2. De juiste werking van de koelinstallatie en de invloed ervan op hygiënisch gebied moeten worden beoordeeld aan de hand van microbiologische methoden, waarbij de verontreiniging van de karkassen met bacteriën in het algemeen en met enterobacteriacea in het bijzonder, voor en na onderdompeling wordt vergeleken. Deze vergelijking vindt plaats bij de ingebruikneming van de installatie en wordt daarna op gezette tijdstippen herhaald, en in elk geval telkens wanneer in de installatie veranderingen zijn aangebracht. De verschillende onderdelen moeten zodanig zijn afgesteld dat vanuit hygiënisch oogpunt bevredigende resultaten worden bereikt.
Art. 4N3. (ancien Art. 2N3) CHAPITRE (IV). - Conditions spéciales lors de l'utilisation du procédé de refroidissement par immersion pour les carcasses de volailles après l'abattage. <AR 2002-08-28/41, art. 2, 007; En vigueur : 01-10-2002 et En vigueur : 08-06-2003, voir AR 2002-08-28/41, art. 4>
  1. Des appareils de contrôle étalonnés doivent permettre un contrôle adéquat et permanent de la mesure et de l'enregistrement :
  - de la consommation d'eau au cours de l'aspersion précédant l'immersion;
  - de la température de l'eau du bac ou des bacs aux endroits suivants : entrée et sortie des carcasses;
  - de la consommation d'eau au cours de l'immersion;
  - du nombre des carcasses de chaque tranche de poids visée à l'Annexe II, Chapitre II, 7, d);
  2. Le fonctionnement correct de l'installation de refroidissement et son influence hygiénique sont évalués par des méthodes microbiologoques scientifiques en comparant la contamination des carcasses en germes totaux et entérobactériacées avant et après l'immersion. Cette comparaison doit être effectuée à la première mise en activité de l'installation et ensuite de façon périodique et, en tout cas, chaque fois que l'installation a subi des transformations. Le fonctionnement des différents appareils doit être réglé de manière à assurer des résultats satisfaisants sur le plan de l'hygiène.