Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 SEPTEMBER 1995. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Titre
25 SEPTEMBRE 1995. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
Informations sur le document
Numac: 1995900845
Datum: 1995-09-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1995900845
Date: 1995-09-25
Moniteur: Voir
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. Artikel 44 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1985, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 44. Het hoofd van de dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen is van rechtswege lid van elk van de in artikel 39 bedoelde overlegcomités voor de vergaderingen over aangelegenheden die in particuliere bedrijven zijn opgedragen aan de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen.
  In elk speciaal overlegcomité zijn de betrokken hoofden van de diensten voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen van rechtswege lid van dat comité. ".
Article 1. L'article 44 de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, modifié par l'arrêté royal du 17 juillet 1985, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 44. Le chef du service de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail est membre de droit de chacun des comités de concertation visés à l'article 39, pour les réunions relatives aux attributions qui, dans les entreprises privées, sont confiées aux comités de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail.
  Dans chaque comité spécial de concertation, les chefs des services de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail concernés sont membres de droit de ce comité. ".
Art. 2. In titel VI van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk VII ingevoegd " Bepalingen betreffende de bescherming van sommige vakbondsafgevaardigden " waarin de artikelen 88 tot 90 worden opgenomen die opgeheven zijn door het koninklijk besluit van 18 november 1991 en hersteld worden in de volgende lezing :
  " Art. 88. § 1. Naar gelang het aantal personeelsleden die op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst genomen zijn in de gezamenlijke overheidsdiensten die onder een hoog overlegcomité ressorteren honderd of minder, meer dan honderd, meer dan vijfhonderd, meer dan duizend of meer dan tweeduizend bedraagt, kan een verantwoordelijke leider per representatieve vakorganisatie aan de voorzitter van het hoog overlegcomité waarin ze zitting heeft de naam van respectievelijk een, twee, drie, vier of vijf personeelsleden meedelen van de diensten die onder dat comité ressorteren.
  Wanneer er niet ten minste twintig personeelsleden zijn die met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen zijn in het geheel van de overheidsdiensten die onder een hoog overlegcomité ressorteren, is de bepaling van het eerste lid niet toepasselijk indien deze personeelsleden niet ten minste de helft van de totale personeelssterkte vertegenwoordigen.
  Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid is de personeelssterkte waarmee rekening moet worden gehouden die welke bestond op 30 juni van het jaar vóór dat waarin de in het eerste lid bedoelde mededeling is geschied.
  Een verantwoordelijke leider van een representatieve vakorganisatie kan op elk ogenblik aan de voorzitter van het hoog overlegcomité de naam meedelen van een ander personeelslid ter vervanging van een personeelslid waarvan de naam voordien werd meegedeeld.
  Enkel de personeelsleden die ononderbroken op grond van een arbeidsovereenkomst sedert ten minste twee jaar op de datum van de verzending van de in § 2 bedoelde brief tewerkgesteld zijn geweest in de overheidsdiensten waarop dit besluit van toepassing is, kunnen worden aangewezen.
  § 2. De naam en eventueel de graad van het aangewezen personeelslid worden meegedeeld bij een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst aan de overheidsdienst die het tewerkstelt.
  Een afschrift van de in het eerste lid bedoelde brief wordt verzonden door de betrokken overheidsdienst aan de voorzitter van het hoog overlegcomité waaronder deze overheidsdienst ressorteert.
  De bepalingen van artikel 89 zijn op het personeelslid, waarvan de naam aldus wordt meegedeeld, toepasselijk vanaf de dag van de ontvangst door de overheidsdienst van de in het eerste lid bedoelde brief.
  § 3. Elk jaar, vóór de eerste juli, delen de overheidsdiensten aan de voorzitter van het hoog overlegcomité waaronder ze ressorteren de cijfers mee betreffende de personeelssterkte bedoeld in § 1, derde lid.
  § 4. Elk jaar, vóór de eerste oktober, deelt de voorzitter van het hoog overlegcomité aan de vakorganisaties die in dit comité zitting hebben de in § 3 bedoelde cijfers mee alsook het aantal personeelsleden dat, rekening houdend met deze cijfers, kan aangewezen worden overeenkomstig § 1.
  In het geval dat het aantal voordien aangewezen personeelsleden hoger ligt dan het aantal personeelsleden dat kan worden aangewezen, wijzen de vakorganisaties de personeelsleden aan op wie de bepalingen van artikel 89 van toepassing blijven na 31 december van het lopende jaar. Bij gebreke van aanwijzing, worden de voordien aangewezen personeelsleden in de volgende orde gerangschikt om uit te maken op wie van hen de bepalingen van artikel 89 toepasselijk blijven na 31 december van het lopende jaar :
  1° het personeelslid met de grootste dienstanciënniteit;
  2° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste in leeftijd.
  De dienstanciënniteit wordt berekend volgens de bepalingen van de rechtspositieregeling die op het personeelslid van toepassing is. Bij gebreke van dergelijke bepalingen, omvat de dienstanciënniteit de tijd gedurende welke het in enige hoedanigheid en zonder vrijwillige onderbreking, deel heeft uitgemaakt van een der in § 1, vijfde lid, bedoelde overheidsdiensten.
  Art. 89. § 1. De overheid die het voornemen heeft een personeelslid dat overeenkomstig artikel 88 is aangewezen af te danken, en in zoverre de vakorganisatie die het heeft aangewezen nog representatief is, stelt bij een ter post aangetekende brief, het betrokken personeelslid, de vakorganisatie die het heeft aangewezen, alsook de voorzitter van het hoog overlegcomité waaronder de overheidsdienst die dit personeelslid tewerkstelt ressorteert, hiervan op de hoogte.
  De brief bevat de omstandige motivering die de overheid inroept om de afdanking te overwegen. De overheid voegt bij de aan het personeelslid gerichte brief een afschrift van de stukken die eventueel rechtstreeks of onrechtstreeks in de omstandige motivering worden aangehaald.
  § 2. De betrokken vakorganisatie beschikt over een termijn van tien dagen vanaf de dag van ontvangst van de brief van de overheid om aan de voorzitter van het hoog overlegcomité, bij een ter post aangetekende brief, een bijzondere vergadering van dit comité aan te vragen. De termijn gaat in de dag waarop de aangetekende brief door de post op het adres van de vakorganisatie is aangeboden.
  De voorzitter stelt de datum van deze bijzondere vergadering vast.
  § 3. Het hoog overlegcomité is samengesteld overeenkomstig de artikelen 41 en 42. De afvaardiging van de overheid en de afvaardigingen van de vakorganisaties mogen echter niet door technici bijgestaan worden.
  Het personeelslid van wie de afdanking overwogen wordt mag tijdens deze bijzondere vergadering geen zitting in het comité hebben.
  § 4. De secretaris van het hoog overlegcomité stuurt, bij een ter post aangetekende brief, de oproepingen aan de leden van de afvaardiging van de overheid evenals aan de vakorganisaties die in dat comité zitting hebben, ten minste tien dagen vóór de voor de bijzondere vergadering vastgelegde datum.
  Aan de oproeping wordt een afschrift toegevoegd van de brieven die aan de voorzitter van het comité gestuurd werden overeenkomstig de bepalingen van §§ 1 en 2.
  § 5. Noch de afwezigheid van één of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de overheid, noch die van één of meer afvaardigingen van regelmatig opgeroepen vakorganisaties tasten de geldigheid van de procedure aan.
  § 6. De voorzitter leidt de beraadslagingen en staat in voor de orde op de vergadering.
  Op het einde van de vergadering stelt de voorzitter het bestaan vast van een eensluidend advies of van uiteenlopende adviezen.
  § 7. De secretaris stelt de notulen van de vergadering op.
  Deze vermelden :1° het onderwerp van de vergadering;
  2° de naam van de leden van de afvaardiging van de overheid die aanwezig, afwezig met kennisgeving of afwezig zijn;
  3° de benaming van de vakorganisaties die aanwezig, afwezig met kennisgeving of afwezig zijn en de naam van de leden van de afvaardigingen van deze vakorganisaties die aanwezig of afwezig met kennisgeving zijn;
  4° het eensluidend advies of de verschillende adviezen van de leden van de aanwezige afvaardigingen.
  De notulen worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
  § 8. Binnen de tien dagen na de dag van de vergadering wordt een afschrift van de notulen bij een ter post aangetekende brief verstuurd naar de leden van de afvaardiging van de overheid, naar de vakorganisaties die in het comité zitting hebben en naar de overheid die overweegt het personeelslid af te danken.
  De leden van de afvaardiging van de overheid en de vakorganisaties beschikken na de verzending van de notulen over een termijn van vijf werkdagen om hun opmerkingen ter kennis te brengen van de voorzitter bij een ter post aangetekende brief. Die opmerkingen worden gevoegd bij de notulen. De notulen worden definitief na het verstrijken van die termijn.
  Onverminderd § 9 kan de overheid het ontslag slechts betekenen vanaf de dag na die van het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid.
  § 9. Behalve in geval van eenparig advies dat gunstig is voor de voorgenomen afdanking moet de overheid haar eventuele beslissing om af te danken motiveren. De motivering moet een antwoord bevatten op de in de notulen vermelde argumenten die tegen de voorgenomen afdanking ingaan. De motivering kan niet op andere feiten steunen dan die vermeld in de brief bedoeld in § 1.
  Deze motivering moet, uiterlijk de dag van de betekening van het door de overheid gegeven ontslag, bij een ter post aangetekende brief worden meegedeeld aan de vakorganisatie die het betrokken personeelslid heeft aangewezen, aan dat personeelslid, alsook aan de voorzitter van het hoog overlegcomité.
  Art. 90. De procedure ingesteld door artikel 89 is niet van toepassing :
  1° Wanneer het personeelslid, op grond van de bepalingen die in de betrokken overheidsdienst van kracht zijn, over een intern beroep beschikt waardoor de afdanking wordt opgeschort;
  2° In geval van afdanking om een dringende reden;
  3° Wanneer de overeenkomst beëindigd wordt door het verstrijken van de termijn of door het voltooien van het werk waarvoor de overeenkomst werd gesloten;
  4° Wanneer de vervangingsovereenkomst beëindigd wordt bij de terugkeer van de vervangen persoon;
  5° Wanneer de overheid en het personeelslid het eens zijn om aan de overeenkomst een einde te maken;
  6° Wanneer de overeenkomst wegens overmacht beëindigd wordt;
  7° Wanneer de overeenkomst verbroken wordt door de wil van het personeelslid. ".
Art. 2. Dans le titre VI du même arrêté, il est inséré un chapitre VII " Dispositions relatives à la protection de certains délégués syndicaux " comprenant les articles 88 à 90, abrogés par l'arrêté royal du 18 novembre 1991 et rétablis dans la rédaction suivante :
  " Art. 88. § 1er. Selon que le nombre de membres du personnel engagés sous contrat de travail dans l'ensemble des services publics relevant d'un comité supérieur de concertation s'élève à cent ou moins, plus de cent, plus de cinq cents, plus de mille ou plus de deux mille, un dirigeant responsable par organisation syndicale représentative peut communiquer au président du comité supérieur de concertation où elle siège le nom de respectivement un, deux, trois, quatre ou cinq membres du personnel des services publics relevant de ce comité.
  Lorsqu'il n'y a pas au moins vingt membres du personnel engagés sous contrat de travail dans l'ensemble des services publics relevant d'un comité supérieur de concertation, la disposition de l'alinéa 1er n'est pas applicable si ces membres du personnel ne représentent pas au moins la moitié de l'effectif total du personnel.
  Pour l'application des alinéas 1er et 2, les effectifs du personnel à prendre en compte sont ceux existant au 30 juin de l'année qui précède la communication visée à l'alinéa 1er.
  A tout moment, un dirigeant responsable d'une organisation syndicale représentative peut communiquer au président du comité supérieur de concertation le nom d'un autre membre du personnel en remplacement d'un membre du personnel dont le nom a été communiqué précédemment.
  Seuls peuvent être désignés les membres du personnel qui ont été occupés, sans interruption, sur la base d'un contrat de travail, dans des services publics auxquels le présent arrêté est applicable, depuis au moins deux ans à la date de l'envoi de la lettre visée au § 2.
  .
  § 2. Le nom et, éventuellement, le grade du membre du personnel désigné sont communiqués par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception au service public qui l'emploie.
  Une copie de la lettre visée à l'alinéa 1er est envoyée par le service public concerné au président du comité supérieur de concertation dont il relève.
  Les dispositions de l'article 89 s'appliquent au membre du personnel, dont le nom est ainsi communiqué, à partir du jour de la réception par le service public de la lettre visée à l'alinéa 1er.
  § 3. Chaque année, avant le 1er juillet, les services publics communiquent au président du comité supérieur de concertation dont ils relèvent les chiffres relatifs aux effectifs du personnel visés au § 1er, alinéa 3.
  § 4. Chaque année, avant le 1er octobre, le président du comité supérieur de concertation communique aux organisations syndicales qui siègent au sein de ce comité les chiffres visés au § 3 et le nombre de membres du personnel qui, compte tenu de ces chiffres, peuvent être désignés conformément au § 1er.
  Au cas où le nombre des membres du personnel désignés antérieurement est supérieur au nombre des membres du personnel qui peuvent être désignés, les organisations syndicales désignent les membres du personnel auxquels les dispositions de l'article 89 continuent à s'appliquer après le 31 décembre de l'année en cours. A défaut de désignation, les membres du personnel désignés antérieurement sont classés, selon l'ordre suivant, pour déterminer ceux auxquels les dispositions de l'article 89 continuent à s'appliquer après le 31 décembre de l'année en cours :
  1° le membre du personnel dont l'ancienneté de service est la plus grande;
  2° à égalité d'ancienneté de service, le membre du personnel le plus âgé;
  L'ancienneté de service est calculée selon les dispositions du statut applicable au membre du personnel. A défaut de telles dispositions, l'ancienneté de service comporte la période pendant laquelle il a, à quelque titre que ce soit et sans interruption volontaire, fait partie d'un des services publics visés au § 1er, alinéa 5.
  Art. 89. § 1er. L'autorité qui envisage de licencier un membre du personnel qui a été désigné conformément à l'article 88, et pour autant que l'organisation syndicale qui l'a désigné soit encore représentative, en informe, par lettre recommandée à la poste, le membre du personnel concerné, l'organisation syndicale qui l'a désigné et le président du comité supérieur de concertation dont relève le service public qui occupe ce membre du personnel.
  La lettre contient la motivation détaillée sur laquelle l'autorité se base pour envisager le licenciement. A la lettre adressée au membre du personnel concerné l'autorité joint une copie des pièces éventuelles qui sont évoquées directement ou indirectement dans la motivation détaillée.
  § 2. L'organisation syndicale concernée dispose d'un délai de dix jours, à compter du jour de la réception de la lettre de l'autorité, pour demander au président du comité supérieur de concertation, par lettre recommandée à la poste, une réunion spéciale de ce comité. Le délai commence à courir le jour où la lettre recommandée est présentée par la poste à l'adresse de l'organisation syndicale.
  Le président fixe la date de cette réunion spéciale.
  § 3. Le comité supérieur de concertation est composé conformément aux articles 41 et 42. Toutefois, la délégation de l'autorité et les délégations des organisations syndicales ne peuvent s'adjoindre des techniciens.
  Le membre du personnel, dont le licenciement est envisagé, ne peut siéger dans le comité lors de cette réunion spéciale.
  § 4. Le secrétaire du comité supérieur de concertation envoie, par lettre recommandée à la poste, les convocations aux membres de la délégation de l'autorité ainsi qu'aux organisations syndicales siégeant au sein de ce comité, au moins dix jours avant la date fixée pour la réunion spéciale.
  A la convocation est annexée une copie des lettres qui ont été envoyées au président du comité conformément aux dispositions des §§ 1er et 2.
  § 5. Ni l'absence d'un ou de plusieurs membres, régulièrement convoqués, de la délégation de l'autorité, ni celle d'une ou de plusieurs délégations d'organisations syndicales, régulièrement convoquées, ne vicient la validité de la procédure.
  § 6. Le président dirige les débats et assure l'ordre de la réunion.
  A la fin de la réunion, le président constate l'existence d'un avis unanime ou d'avis divergents.
  § 7. Le secrétaire rédige un procès-verbal de la réunion.
  Celui-ci mentionne :
  .
  1° l'objet de la réunion;
  2° le nom des membres de la délégation de l'autorité présents, excusés ou absents;
  3° la dénomination des organisations syndicales présentes, excusées ou absentes et le nom des membres des délégations de ces organisations syndicales, qui sont présents ou excusés;
  4° l'avis unanime ou les avis divergents des membres des délégations présentes.
  Le procès-verbal est signé par le président et le secrétaire.
  § 8. Dans les dix jours qui suivent le jour de la réunion, une copie du procès-verbal est envoyée, par lettre recommandée à la poste, aux membres de la délégation de l'autorité et aux organisations syndicales siégeant au sein du comité ainsi qu'à l'autorité qui envisage de licencier le membre du personnel.
  Les membres de la délégation de l'autorité et les organisations syndicales disposent d'un délai de cinq jours ouvrables, après l'envoi du procès-verbal, pour communiquer leurs observations au président par lettre recommandée à la poste. Les observations sont annexées au procès-verbal. Le procès-verbal devient définitif à l'expiration de ce délai.
  Sans préjudice du § 9, l'autorité ne peut notifier le congé qu'à partir du lendemain du jour de l'expiration du délai visé à l'alinéa 2.
  § 9. Sauf en cas d'avis unanime favorable au licenciement envisagé, l'autorité doit motiver sa décision éventuelle de licencier. La motivation doit contenir une réponse aux arguments mentionnés dans le procès-verbal qui vont à l'encontre du licenciement envisagé. La motivation ne peut se fonder sur d'autres faits que ceux mentionnés dans la lettre visée au § 1er.
  Cette motivation doit être communiquée, au plus tard le jour de la notification du congé donné par l'autorité, par lettre recommandée à la poste, à l'organisation syndicale qui a désigné le membre du personnel concerné, à ce membre du personnel, ainsi qu'au président du comité supérieur de concertation.
  Art. 90. La procédure établie par l'article 89 n'est pas applicable :
  1° Lorsque, sur la base des dispositions en vigueur dans le service public concerné, le membre du personnel dispose d'un recours interne qui suspend le licenciement;
  2° En cas de licenciement pour motif grave;
  3° Lorsque le contrat prend fin par l'expiration du terme ou par l'achèvement du travail en vue duquel le contrat a été conclu;
  4° Lorsque le contrat de remplacement prend fin au retour de la personne remplacée;
  5° En cas d'accord entre l'autorité et le membre du personnel pour mettre fin au contrat;
  6° Lorsque le contrat prend fin pour cause de force majeure;
  7° Lorsque le contrat est rompu par la volonté du membre du personnel. ".
Art. 3. Artikel 1 treedt in werking de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Artikel 2 treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin dit besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 3. L'article 1er entre en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
  L'article 2 entre en vigueur le premier jour du mois qui suit la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 4. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 25 september 1995.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  J.-L. DEHAENE
  De Minister van Ambtenarenzaken,
  A. FLAHAUT
Art. 4. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 25 septembre 1995.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Premier Ministre,
  J.-L. DEHAENE
  Le Ministre de la Fonction publique,
  A. FLAHAUT