Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
27 SEPTEMBER 1995. - Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 27 september 1995. - Wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 mei 1991 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van bejaarde werknemers in geval van ontslag (Overeenkomst geregistreerd op 20 december 1995 onder het nummer 40054/CO/215).
Titre
27 SEPTEMBRE 1995. - Convention collective de travail du 27 septembre 1995 de la Commission paritaire pour employés de l'industrie de l'habillement et de la confection. - Modification de la convention collective de travail du 22 mai 1991 instituant un régime d'indemnité complémentaire en faveur des travailleurs âgés en cas de licenciement (Convention enregistrée le 20 décembre 1995, sous le numéro 40054/CO/215).
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf ressorteren.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux employé(e)s des entreprises ressortissant à la Commission paritaire pour les employés de l'industrie de l'habillement et de la confection.
Art. 2. In de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 mei 1991, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf, tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers in geval van ontslag, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 28 november 1991, wordt een artikel 7bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 7bis. § 1. In toepassing van artikel 10 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en in uitvoering van het interprofessioneel akkoord van 7 december 1994 kunnen de voordelen, voorzien bij artikel 4 van onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst, ook toegekend worden aan bedienden die, nadat de volledige procedure werd gevolgd die is beschreven in artikel 16 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, ongewild werkloos worden gesteld, de leeftijd van minstens 55 jaar en maximum 57 jaar bereikt hebben tussen 1 oktober 1995 en 31 december 1996 en van wie het ontslag werd betekend tussen 1 december 1994 en 31 december 1995.
  Wanneer is voldaan aan deze vier voorwaarden mag de opzegtermijn of de door de opzegvergoeding gedekte periode van de ontslagen bediende een einde nemen en kan de eerste dag die recht geeft op wettelijke werkloosheidsvergoedingen zich situeren buiten de geldigheidsduur van deze collectieve arbeidsovereenkomst, overeenkomstig artikel 3, § 4 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
  Om aanspraak te kunnen maken op de voordelen voorzien bij artikel 4 van deze collectieve arbeidsovereenkomst moeten deze bedienden, naast de stukken die aantonen dat is voldaan aan de voorgaande voorwaarden, tevens het bewijs kunnen voorleggen van een loopbaan van minstens 30 jaar tewerkstelling in ondernemingen ressorterend onder het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf of onder het Paritair Comité voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf. Daarenboven moeten zij 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen, berekend overeenkomstig de artikelen 114, § 4, tweede lid en 117, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 betreffende de werkloosheidsuitkeringen.
  § 2. In afwijking van artikel 17 van deze collectieve arbeidsovereenkomst vallen de betaling van de aanvullende vergoeding, evenals van de bijzondere werkgeversbijdrage, bepaald bij artikel 268 van de programmawet van 22 december 1989, de bijzondere werkgeversbijdrage bepaald bij artikel 141 van de programmawet van 29 december 1990, houdende sociale bepalingen en de bijzondere werkgeversbijdrage bepaald bij artikel 11 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen ter bevordering van de tewerkstelling, ten laste van de werkgever van de kandidaat-bruggepensioneerde.
  § 3. In uitzonderlijke gevallen kan de raad van bestuur van het "Sociaal Waarborgfonds voor bedienden van het kleding- en confectiebedrijf" beslissen tot overname van de financiële verplichtingen van de werkgever.
  Onder uitzonderlijke gevallen wordt verstaan :
  - een erkenning als onderneming in moeilijkheden door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, overeenkomstig artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen;
  - een tewerkstellingsprobleem met een structurele oorzaak van technologische aard waarbij de verantwoordelijkheid van de betrokken partijen niet in het geding is en waarbij kan worden aangetoond dat er op de arbeidsmarkt niet langer vraag is naar werknemers met de specifieke beroepskennis waarover de bediende, ingevolge zijn loopbaan in de sector kan beschikken. ".
Art. 2. Dans la convention collective de travail du 22 mai 1991, conclue au sein de la Commission paritaire pour les employés de l'industrie de l'habillement et de la confection, instituant un régime d'indemnité complémentaire en faveur des travailleurs âgés en cas de licenciement, rendue obligatoire par arrêté royal du 28 novembre 1991, un article 7bis est inséré, libellé comme suit :
  " Art. 7bis. § 1er. En application de l'article 10 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi et en exécution de l'accord interprofessionnel du 7 décembre 1994, les avantages visés à l'article 4 de la présente convention collective de travail peuvent également être octroyés aux employés qui, après le suivi complet de la procédure décrite sous l'article 16 de la présente convention collective de travail, sont mis involontairement au chômage, qui ont atteint au moins l'âge de 55 ans et au plus 57 ans pour les hommes entre le 1er octobre 1995 et le 31 décembre 1996 et dont le licenciement a été signifié entre le 1er décembre 1994 et le 31 décembre 1995.
  Lorsque ces quatre conditions sont remplies, le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de préavis de l'employé licencié peut prendre fin et le premier jour donnant droit aux allocations de chômage légales peut se situer en dehors de la durée de validité de la présente convention collective de travail, conformément à l'article 3, § 4 de l'arrêté royal du 7 décembre 1992, concernant l'octroi d'allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle.
  Pour pouvoir faire appel aux avantages prévus à l'article 4 de la présente convention collective de travail, ces employés doivent également pouvoir apporter la preuve non seulement que les conditions précédentes sont remplies mais également d'une carrière professionnelle d'au moins 30 années d'occupation dans des entreprises ressortissant de la Commission paritaire de l'industrie de l'habillement et de la confection ou de la Commission paritaire pour employés de l'industrie de l'habillement et de la confection. En outre, ils doivent pouvoir se prévaloir de 33 ans de passé professionnel en tant que salariés, calculés conformément aux articles 114, § 4, alinéa 2 et 117, alinéa 1er, 3° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 relatif aux allocations de chômage.
  § 2. Par dérogation de l'article 17 de la présente convention collective de travail, le paiement de l'indemnité complémentaire ainsi que des cotisations patronales spéciales, fixées par l'article 268 de la loi-programme du 22 décembre 1989, par l'article 141 de la loi-programme du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales et par l'article 11 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi, sont à charge de l'employeur du candidat prépensionné.
  § 3. Dans des cas exceptionnels, le Conseil d'administration du " Fonds social de garantie pour employés de l'industrie de l'habillement et de la confection " peut décider de reprendre les obligations financières de l'employeur.
  Par cas exceptionnels, on entend :
  - une reconnaissance en tant qu'entreprise en difficulté par le Ministre de l'Emploi et du Travail, conformément à l'article 9, § 1er de l'arrêté royal du 7 décembre 1992 relatif à l'octroi d'allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle;
  - un problème d'emploi pour une cause structurelle de caractère technologique, où la responsabilité des parties concernées n'est pas en cause et où il peut être démontré qu'il n'y a plus de demande sur le marché de l'emploi pour des travailleurs ayant des connaissances professionnelles spécifiques sont l'employé peut disposer, suite à sa carrière dans le secteur. ".
Art. 3. Artikel 17 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst van 22 mei 1991 wordt gewijzigd als volgt :
  " Art. 17. § 1. De betaling van de aanvullende vergoeding wordt maandelijks uitgevoerd door het "Sociaal Waarborgfonds voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf".
  Het "Sociaal Waarborgfonds voor de bedienden van het kleding- en confectiebedrijf" staat eveneens in voor de betaling van de bijzondere werkgeversbijdrage, bepaald bij artikel 268 van de programmawet van 22 december 1989 en voor de betaling van de bijzondere werkgeversbijdrage, bepaald bij artikel 141 van de programmawet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op brugpensioenen, overeenkomstig artikel 7bis van de collectieve arbeidsovereenkomst van 22 mei 1991, ingevoerd bij artikel 2 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, behoudens indien § 3 van dit artikel 7bis van toepassing is. ".
Art. 3. L'article 17 de la même convention collective de travail du 22 mai 1991 est modifié comme suit :
  " Art. 17. § 1er. Le paiement de l'indemnité complémentaire est effectué mensuellement par le " Fonds social de garantie pour les employés de l'industrie de l'habillement et de la confection ".
  Le " Fonds social de garantie pour les employés de l'industrie de l'habillement et de la confection " veille également au paiement de la cotisation spéciale à charge des employeurs, fixée par l'article 268 de la loi-programme du 22 décembre 1989 et au paiement de la cotisation patronale spéciale, fixée à l'article 141 de la loi-programme du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas applicables aux prépensions, conformément à l'article 7bis de la convention collective de travail du 22 mai 1991, introduit par l'article 2 de la présente convention collective de travail, excepté si le § 3 de cet article 7bis est applicable. ".
Art. 4. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 oktober 1995 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 1996.
  Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 20 mei 1997.
  (Voor het KB, zie %%1997-05-20/82%%).
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
  Mevr. M. SMET
Art. 4. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er octobre 1995 et cesse de produire ses effets le 31 décembre 1996.
  Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 20 mai 1997.
  (Pour l'AR, voir %%1997-05-20/82%%).
  La Ministre de l'Emploi et du Travail,
  Mme M. SMET