Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
31 AUGUSTUS 1995. - Paritair Subcomité voor de houthandel. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 31 augustus 1995. - Brugpensioen op 57 jaar (Overeenkomst geregistreerd op 20 december 1995 onder het nummer 40034/CO/125.03).
Titre
31 AOUT 1995. - Convention collective de travail du 31 août 1995 de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois. - Prépension à 57 ans (Convention enregistrée le 20 décembre 1995, sous le numéro 40034/CO/125.03).
Tekst (18)
Texte (18)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgever die onder het Paritair Subcomité voor de houthandel ressorteren alsook op hun werklieden.
Onder "werklieden", worden de werklieden en werksters bedoeld.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs qui ressortissent à la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois ainsi qu'à leurs ouvriers.
Par " ouvriers ", on entend les ouvriers et ouvrières.
HOOFDSTUK II. - Doeleinden.
CHAPITRE II. - Objectifs.
Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft tot doel :
- de verlenging van het stelsel brugpensioen op 57 jaar met compenserende aanwervingen teneinde de tewerkstelling van jongere werklieden aan te moedigen;
- de omschrijving van de oudere werklieden die kunnen genieten van dit brugpensioenstelsel;
- de omschrijving van de tussenkomst van het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel in de kostprijs van het brugpensioen.
Art. 2. La présente convention collective de travail a pour objectifs :
- prolonger le régime de la prépension à 57 ans avec embauche compensatoire afin de promouvoir l'emploi des jeunes;
- déterminer les ouvriers âgés qui peuvent bénéficier de ce régime de prépension;
- déterminer l'intervention du Fonds de sécurité d'existence du commerce du bois dans le coût de la prépension.
HOOFDSTUK III. - Toekenningsvoorwaarden van de bijkomende vergoeding brugpensioen.
CHAPITRE III. - Conditions d'octroi de l'indemnité complémentaire de prépension.
Art. 3. Om aanspraak te kunnen maken op de bijkomende vergoeding brugpensioen geregeld bij deze collectieve arbeidsovereenkomst, moet de afgedankte oudere werkman de volgende voorwaarden vervullen :
- tenminste 57 jaar oud zijn op de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst die hem met een werkgever bedoeld onder artikel 1 bindt;
- afgedankt zijn, behalve om dringende redenen, door een werkgever bedoeld onder artikel 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst;
- de werkloosheidsvergoedingen genieten;
- het wettelijk statuut van bruggepensioneerde genieten;
- iedere door de reglementering betreffende het brugpensioen niet toegelaten beroepsactiviteit hebben stopgezet;
- voor de oudere werklieden die geen zestig jaar zijn op de datum van de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst :
a) een tewerkstelling bewijzen van minstens tien jaren bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houthandel (125.01, 125.02 en 125.03);
b) minstens zeven sociale voordelen, toegekend door één van de fondsen voor bestaanszekerheid opgericht door één van de paritaire subcomités van het Paritair Comité voor de houtnijverheid, hebben ontvangen in de loop van de tien jaren die hun intrede in het brugpensioen voorafgaan.
Art. 3. Pour pouvoir prétendre à l'octroi de l'indemnité complémentaire de prépension régie par la présente convention collective de travail, l'ouvrier âgé licencié doit répondre aux conditions suivantes :
- être âgé d'au moins 57 ans au moment où le contrat de travail le liant à un employeur visé à l'article 1er prend fin;
- être licencié par un employeur visé à l'article 1er de la présente convention collective de travail, sauf pour motif grave;
- bénéficier des allocations de chômage;
- bénéficier du statut légal de prépensionné;
- avoir cessé toute activité professionnelle non autorisée par la réglementation relative à la prépension;
- pour les travailleurs âgés qui n'ont pas atteint l'âge de soixante ans au moment où leur contrat de travail prend fin :
a) prouver une occupation d'au moins dix ans auprès d'un ou de plusieurs employeurs ressortissant à une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l'industrie du bois (125.01, 125.02 et 125.03);
b) avoir reçu au moins sept avantages sociaux, octroyés par un des fonds de sécurité d'existence institué par une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l'industrie du bois, au cours des dix années précédant leur entrée en prépension.
HOOFDSTUK IV. - Bedrag van de bijkomende vergoeding brugpensioen.
CHAPITRE IV. - Montant de l'indemnité complémentaire de prépension.
Art. 4. De werkgever die een werkman afdankt die aan de criteria bepaald onder artikel 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst beantwoordt is er toe gehouden hem de bijkomende vergoeding brugpensioen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad te betalen. Deze bijkomende vergoeding mag niet lager zijn dan het bedrag bepaald door artikel 6 van deze collectieve arbeidsovereenkomst.
In de gevallen waarin het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel tussenkomt om het geheel of een gedeelte van de bijkomende vergoeding brugpensioen ten laste te nemen, betaalt de werkgever enkel het verschil tussen de bij toepassing van alinea 1 van dit artikel verschuldigde bedrag en de tussenkomst van het fonds voor bestaanszekerheid.
Art. 4. L'employeur qui licencie un travailleur répondant aux critères définis à l'article 3 de la présente convention collective de travail est tenu de lui payer l'indemnité complémentaire de prépension déterminée conformément aux dispositions de la convention collective de travail n° 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail. Cette indemnité complémentaire ne peut être inférieure au montant fixé à l'article 6 de la présente convention collective de travail.
Lorsque le Fonds de sécurité d'existence du commerce du bois intervient dans la prise en charge de tout ou partie de l'indemnité complémentaire de prépension, l'employeur paye uniquement la différence entre l'indemnité due en vertu de l'alinéa 1er du présent article et l'intervention du fonds de sécurité d'existence.
Art. 5. De bijkomende vergoeding brugpensioen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van deze collectieve arbeidsovereenkomst evolueert overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 gesloten op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad.
Art. 5. L'indemnité complémentaire de prépension déterminée conformément aux dispositions de l'article 4 de la présente convention collective de travail évolue conformément aux dispositions de l'article 8 de la convention collective de travail n° 17 conclue le 19 décembre 1974 au sein du Conseil national du travail.
HOOFDSTUK V. - Tussenkomst van het fonds voor bestaanszekerheid.
CHAPITRE V. - Intervention du fonds de sécurité d'existence.
Art. 6. Op voorwaarde dat de oudere werkman minstens tien jaar beroepsactiviteit in de sector in de hoedanigheid van loontrekkende bij één of meerdere werkgevers ressorterend onder één van de paritaire subcomités van het Paritair comité voor de houtnijverheid bewijst en hij minstens zeven sociale voordelen in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de intrede in het brugpensioen heeft ontvangen, komt het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel tussen in de betaling van de bijkomende vergoeding brugpensioen verschuldigd krachtens de artikelen 4 en 5 van deze collectieve arbeidsovereenkomst a rato van een maandelijks forfaitair bedrag vastgesteld op :
- tot 31 december 1995 : 3 500 F;
- vanaf 1 januari 1996 : 3 800 F.
Art. 6. Pour autant que l'ouvrier âgé justifie dix ans d'activité professionnelle en qualité de salarié chez un ou plusieurs employeurs ressortissant à une des sous-commissions paritaires de la Commission paritaire de l'industrie du bois et qu'il ait bénéficié au moins de sept avantages sociaux au cours des dix années précédant l'entrée en prépension, le Fonds de sécurité d'existence du commerce de bois intervient dans le payement de l'indemnité complémentaire de prépension due en application des articles 4 et 5 de la présente convention collective de travail à concurrence d'un montant forfaitaire mensuel fixé à :
- jusqu'au 31 décembre 1995 : 3 500 F;
- à partir du 1er janvier 1996 : 3 800 F.
Art. 7. Het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel neemt de hoofdelijke bijdrage voortvloeiend uit het brugpensioen en verschuldigd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening en aan de Rijksdienst voor pensioenen ten laste.
Art. 7. Le Fonds de sécurité d'existence du commerce de bois prend en charge les cotisations capitatives dues au profit de l'Office national de l'Emploi et de l'Office national des Pensions du fait de la prépension.
HOOFDSTUK VI. - Procedure en algemene bepalingen.
CHAPITRE VI. - Procédures et dispositions générales.
Art. 8. De aanvragen tot tussenkomst moeten aan het fonds voor bestaanszekerheid door toedoen van een vakbond of rechtstreeks door de werkman worden overgemaakt.
Ze moeten vergezeld zijn van alle bewijsstukken omtrent het recht op de bijkomende vergoeding brugpensioen.
Art. 8. Les demandes d'intervention doivent être adressées au fonds de sécurité d'existence à l'intervention d'une organisation syndicale ou directement par l'ouvrier.
Elles doivent être accompagnées des documents justificatifs du droit à l'indemnité complémentaire de prépension.
Art. 9. De bijzondere gevallen, die niet overeenkomstig de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst kunnen opgelost worden, worden door de meest gerede partij aan het beheerscomité van het fonds voor bestaanszekerheid voorgelegd.
Art. 9. Les cas particuliers qui ne peuvent être résolus conformément aux dispositions de la présente convention collective de travail sont soumis, par la partie la plus diligente, au Comité de gestion du fonds de sécurité d'existence.
Art. 10 De forfaitaire vergoeding die aan de arbeider door het fonds voor bestaanszekerheid wordt toegekend is onderworpen aan de afhouding wegens administratieve onkosten zoals bepaald door de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 augustus 1995 betreffende de bijkomende sociale voordelen toegekend door het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel.
Art. 10. L'indemnité forfaitaire octroyée à l'ouvrier par le fonds de sécurité d'existence est soumise à la retenue pour frais administratifs déterminée par la convention collective de travail du 31 août 1995 relative aux avantages sociaux complémentaires octroyés par le Fonds de sécurité d'existence du commerce du bois.
HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 11. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 1995 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 1996.
De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn eveneens van toepassing op de oudere afgedankte werklieden die van de bijkomende vergoeding brugpensioen genieten verschuldigd krachtens vorige collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het Paritair Subcomité voor de houthandel.
De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst blijven van kracht na 31 december 1996 ten aanzien van de werklieden die op die datum van deze overeenkomst genieten.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 juni 1997.
(Voor het KB, zie %%1997-06-10/55%%).
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Art. 11. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er juillet 1995 et cesse de produire ses effets le 31 décembre 1996.
Les dispositions de la présente convention collective de travail s'appliquent également aux ouvriers âgés licenciés qui bénéficient de l'indemnité complémentaire de prépension due en vertu d'une convention collective de travail antérieure conclue au sein de la Sous-commission paritaire pour le commerce du bois.
Les dispositions de la présente convention collective de travail continuent à sortir leurs effets après le 31 décembre 1996 en faveur des bénéficiaires de la présente convention.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 10 juin 1997.
(Pour l'AR, voir %%1997-06-10/55%%).
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET