Artikel 1. De Duitstalige Gemeenschap organiseert, subsidieert of erkent een onderwijs met beperkt leerplan in het gewoon secundair onderwijs.
Door het onderwijs met beperkt leerplan krijgt de leerling de mogelijkheid om een opleiding te verkrijgen die aan zijn persoonlijke capaciteiten en behoeften aangepast is en zijn sociale en professionele integratie bevordert.
Een leerling die het onderwijs met beperkt leerplan bezoekt, voldoet aan de deeltijdse leerplicht.
Dit onderwijs omvat algemene vakken en beroepscursussen.
Het onderwijs met beperkt leerplan wordt aangevuld met een praktische opleiding.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
18 JANUARI 1995. - Besluit van de Regering betreffende de organisatie van een experimenteel onderwijs met beperkt leerplan in het secundair onderwijs gedurende het schooljaar 1994-1995 (VERTALING).
Titre
18 JANVIER 1995. - Arrêté du Gouvernement portant organisation d'un enseignement expérimental à horaire réduit dans l'enseignement secondaire ordinaire pendant l'année scolaire 1994-1995 (TRADUCTION).
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK I. - Doel en structuur.
CHAPITRE I. - But.
Article 1. La Communauté germanophone organise, subventionne ou reconnaît un enseignement à horaire réduit dans l'enseignement secondaire ordinaire.
L'enseignement à horaire réduit permet à l'élève de suivre une formation qui soit adaptée à ses capacités et besoins individuels et favorise son intégration sociale et professionnelle.
S'il suit un enseignement à horaire réduit, l'élève satisfait à l'obligation scolaire à temps partiel.
Cet enseignement comporte à la fois des cours généraux et professionnels.
L'enseignement à horaire réduit est complété par une formation pratique.
L'enseignement à horaire réduit permet à l'élève de suivre une formation qui soit adaptée à ses capacités et besoins individuels et favorise son intégration sociale et professionnelle.
S'il suit un enseignement à horaire réduit, l'élève satisfait à l'obligation scolaire à temps partiel.
Cet enseignement comporte à la fois des cours généraux et professionnels.
L'enseignement à horaire réduit est complété par une formation pratique.
HOOFDSTUK II. - Organisatie.
CHAPITRE II. - Organisation.
Art. 2. Het onderwijs met beperkt leerplan wordt jaarlijks tijdens 600 lestijden van 50 minuten, verdeeld over ten minste 20 weken, in een centrum voor onderwijs met beperkt leerplan verstrekt, hierna "centrum" genoemd.
Het onderwijs met beperkt leerplan kan per discipline of interdisciplinair in het kader van onderwijseenheden georganiseerd worden.
Het onderwijs met beperkt leerplan kan per discipline of interdisciplinair in het kader van onderwijseenheden georganiseerd worden.
Art. 2. L'enseignement à horaire réduit est dispensé annuellement pendant 600 périodes d'une durée de 50 minutes, réparties sur au moins 20 semaines, dans un centre d'enseignement à horaire réduit, dénommé ci-après "centre".
L'enseignement à horaire réduit peut être organisé par discipline ou de façon interdisciplinaire dans le cadre d'unités de cours.
L'enseignement à horaire réduit peut être organisé par discipline ou de façon interdisciplinaire dans le cadre d'unités de cours.
Art. 3. De personen die aan éen van beide volgende voorwaarden voldoen, hebben als regelmatige leerling toegang tot het onderwijs met beperkt leerplan :
1. aan de deeltijdse leerplicht onderworpen zijn en ten laatste op 15 november 1994 in het onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven zijn;
2. jonger dan 26 zijn, aan de leerplicht voldaan hebben, ten laatste op 15 november 1994 in het onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven zijn en een van volgende verdragen hebben gesloten :
a) een overeenkomst tewerkstelling-opleiding in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren;
b) een overeenkomst voor opleiding in een bedrijf in het kader van het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 10 september 1993 houdende oprichting en regeling van een stelsel voor opleiding in een bedrijf met het oog op de voorbereiding van de inschakeling van de minder-validen in het arbeidsproces;
c) een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst;
d) een verdrag overeenstemmend met de arbeidswetgeving, in het kader van een door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap goedgekeurde alternerende opleiding, op voorwaarde dat het verdrag een rechtstreekse betrekking heeft tot het onderwijs met beperkt leerplan.
1. aan de deeltijdse leerplicht onderworpen zijn en ten laatste op 15 november 1994 in het onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven zijn;
2. jonger dan 26 zijn, aan de leerplicht voldaan hebben, ten laatste op 15 november 1994 in het onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven zijn en een van volgende verdragen hebben gesloten :
a) een overeenkomst tewerkstelling-opleiding in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren;
b) een overeenkomst voor opleiding in een bedrijf in het kader van het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 10 september 1993 houdende oprichting en regeling van een stelsel voor opleiding in een bedrijf met het oog op de voorbereiding van de inschakeling van de minder-validen in het arbeidsproces;
c) een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst;
d) een verdrag overeenstemmend met de arbeidswetgeving, in het kader van een door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap goedgekeurde alternerende opleiding, op voorwaarde dat het verdrag een rechtstreekse betrekking heeft tot het onderwijs met beperkt leerplan.
Art. 3. Les personnes qui remplissent l'une des deux conditions suivantes ont accès à l'enseignement à horaire réduit en tant qu'élève régulier :
1. être soumis à l'obligation scolaire à temps partiel et être inscrit dans l'enseignement à horaire réduit pour le 15 novembre 1994 au plus tard;
2. avoir moins de 26 ans, avoir satisfait à l'obligation scolaire, être inscrit dans l'enseignement à horaire réduit pour le 15 novembre 1994 au plus tard et avoir conclu l'un des quatre contrats suivants:
a) une convention emploi-formation dans le cadre de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes;
b) un contrat de formation en entreprise dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone du 10 septembre 1993 instaurant et réglant un système de formation en entreprise en vue de préparer l'intégration professionnelle de personnes handicapées;
c) un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
d) un contrat, conforme à la législation sur le travail, dans le cadre d'une formation alternée approuvée par le Gouvernement de la Communauté germanophone, à condition que le contrat ait un lien direct avec l'enseignement à horaire réduit.
1. être soumis à l'obligation scolaire à temps partiel et être inscrit dans l'enseignement à horaire réduit pour le 15 novembre 1994 au plus tard;
2. avoir moins de 26 ans, avoir satisfait à l'obligation scolaire, être inscrit dans l'enseignement à horaire réduit pour le 15 novembre 1994 au plus tard et avoir conclu l'un des quatre contrats suivants:
a) une convention emploi-formation dans le cadre de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes;
b) un contrat de formation en entreprise dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone du 10 septembre 1993 instaurant et réglant un système de formation en entreprise en vue de préparer l'intégration professionnelle de personnes handicapées;
c) un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
d) un contrat, conforme à la législation sur le travail, dans le cadre d'une formation alternée approuvée par le Gouvernement de la Communauté germanophone, à condition que le contrat ait un lien direct avec l'enseignement à horaire réduit.
Art. 4. Op gemotiveerd verzoek van de directeur van het centrum kan de Minister of zijn gemachtigde in uitzonderlijke omstandigheden en naargelang het geval een afwijking verlenen van de inschrijvingstermijn bepaald in artikel 3.
Art. 4. A la demande motivée du directeur du centre d'enseignement à horaire réduit, le Ministre compétent peut, en raison de circonstances exceptionnelles et au cas par cas, déroger au délai d'inscription prévu à l'article 3.
Art. 5. Een centrum mag slechts ingericht worden in een secundaire school waar vanaf het tweede niveau slechts een technisch en/of beroepsonderwijs wordt georganiseerd.
Het onderwijs met beperkt leerplan mag in een centrum slechts georganiseerd worden, indien ten minste 5 van de leerlingen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de leerlingen die een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst hebben gesloten, op 15 november 1994 in het centrum ingeschreven zijn.
Het onderwijs met beperkt leerplan mag in een centrum slechts georganiseerd worden, indien ten minste 5 van de leerlingen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de leerlingen die een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst hebben gesloten, op 15 november 1994 in het centrum ingeschreven zijn.
Art. 5. Un centre ne peut être créé que dans une école secondaire où dès le 2ème niveau n'est organisé qu' un enseignement technique et/ou professionnel.
L'enseignement à horaire réduit ne peut être organisé dans un centre que si, a l'exception des élèves qui ont conclu un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, au moins 5 des élèves visés à l'article 3 sont inscrits dans le centre au 15 novembre 1994.
L'enseignement à horaire réduit ne peut être organisé dans un centre que si, a l'exception des élèves qui ont conclu un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, au moins 5 des élèves visés à l'article 3 sont inscrits dans le centre au 15 novembre 1994.
Art. 6. § 1. Voor de leerlingen bedoeld in artikel 3, met uitzondering van de leerlingen die een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst hebben gesloten, voor zover § 2 van dit artikel op deze leerlingen niet toepasselijk is wegens het aantal van de ingeschreven leerlingen, wordt het volgende aantal lestijden/leerkracht toegekend aan het centrum waarin ze ingeschreven zijn :
1. tot 9 leerlingen : 22 lestijden;
2. van 10 tot 14 leerlingen : 8 bijkomende lestijden
3. van 15 tot 20 leerlingen : 10 bijkomende lestijden;
4. vanaf 21 leerlingen : 2,8 bijkomende lestijden per leerling.
Met het oog op de pedagogische coördinatie wordt het volgende aantal lestijden/leerkracht toegekend :
1. tot 9 leerlingen : 2 lestijden;
2. voor elke nieuwe begonnen groep van 5 leerlingen : 2 bijkomende lestijden.
§ 2. Voor de leerlingen bedoeld in artikel 3 die een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst hebben gesloten, wordt het volgende aantal lestijden/leerkracht toegekend aan het centrum waarin zij ingeschreven zijn :
1. in het eerste opleidingsjaar : 15 lestijden, op voorwaarde dat ten minste 4 leerlingen in dezelfde studierichting ingeschreven zijn;
2. voor elke andere studierichting van het eerste opleidingsjaar : 8 bijkomende lestijden, op voorwaarde dat ten minste 4 leerlingen in de bedoelde studierichting ingeschreven zijn;
3. voor alle andere opleidingsjaren : 8 bijkomende lestijden voor elke studierichting.
Met het oog op de pedagogische coördinatie worden twee lestijden/leerkracht toegekend voor elke begonnen groep van 5 leerlingen.
In alle studierichtingen gelden volgende splitsingsnormen :
1. cursussen beroepspraktijk : 11 leerlingen;
2. cursussen in de vaktheorie : 16 leerlingen.
§ 3. Voor de socio-pedagogische begeleiding van de leerlingen wordt het volgende aantal uren aan elk centrum toegekend :
1. tot de 20e regelmatige leerling : een halve betrekking, d.w.z. 19 uren;
2. voor elke andere begonnen groep van 20 regelmatige leerlingen : een bijkomende halve betrekking.
§ 4. De lestijden/leerkracht en de uren voor de sociopedagogische begeleiding worden berekend op de eerste schooldag volgend op 15 november 1994.
§ 5. De regelmatige leerlingen die op 15 november 1994 in het centrum voor onderwijs met beperkt leerplan zijn ingeschreven, worden met een coëfficiënt van 0,5 in aanmerking genomen om de betrekkingen als inrichtingshoofd, onderwijzend hulppersoneel en administratief personeel van de secundaire school te berekenen waarin het centrum voor onderwijs met beperkt leerplan zijn zetel heeft.
De lestijden georganiseerd in het professionele gedeelte van het onderwijs met beperkt leerplan worden in aanmerking genomen voor de berekening van de betrekkingen als werkmeester.
1. tot 9 leerlingen : 22 lestijden;
2. van 10 tot 14 leerlingen : 8 bijkomende lestijden
3. van 15 tot 20 leerlingen : 10 bijkomende lestijden;
4. vanaf 21 leerlingen : 2,8 bijkomende lestijden per leerling.
Met het oog op de pedagogische coördinatie wordt het volgende aantal lestijden/leerkracht toegekend :
1. tot 9 leerlingen : 2 lestijden;
2. voor elke nieuwe begonnen groep van 5 leerlingen : 2 bijkomende lestijden.
§ 2. Voor de leerlingen bedoeld in artikel 3 die een industriële leerovereenkomst in het kader van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst hebben gesloten, wordt het volgende aantal lestijden/leerkracht toegekend aan het centrum waarin zij ingeschreven zijn :
1. in het eerste opleidingsjaar : 15 lestijden, op voorwaarde dat ten minste 4 leerlingen in dezelfde studierichting ingeschreven zijn;
2. voor elke andere studierichting van het eerste opleidingsjaar : 8 bijkomende lestijden, op voorwaarde dat ten minste 4 leerlingen in de bedoelde studierichting ingeschreven zijn;
3. voor alle andere opleidingsjaren : 8 bijkomende lestijden voor elke studierichting.
Met het oog op de pedagogische coördinatie worden twee lestijden/leerkracht toegekend voor elke begonnen groep van 5 leerlingen.
In alle studierichtingen gelden volgende splitsingsnormen :
1. cursussen beroepspraktijk : 11 leerlingen;
2. cursussen in de vaktheorie : 16 leerlingen.
§ 3. Voor de socio-pedagogische begeleiding van de leerlingen wordt het volgende aantal uren aan elk centrum toegekend :
1. tot de 20e regelmatige leerling : een halve betrekking, d.w.z. 19 uren;
2. voor elke andere begonnen groep van 20 regelmatige leerlingen : een bijkomende halve betrekking.
§ 4. De lestijden/leerkracht en de uren voor de sociopedagogische begeleiding worden berekend op de eerste schooldag volgend op 15 november 1994.
§ 5. De regelmatige leerlingen die op 15 november 1994 in het centrum voor onderwijs met beperkt leerplan zijn ingeschreven, worden met een coëfficiënt van 0,5 in aanmerking genomen om de betrekkingen als inrichtingshoofd, onderwijzend hulppersoneel en administratief personeel van de secundaire school te berekenen waarin het centrum voor onderwijs met beperkt leerplan zijn zetel heeft.
De lestijden georganiseerd in het professionele gedeelte van het onderwijs met beperkt leerplan worden in aanmerking genomen voor de berekening van de betrekkingen als werkmeester.
Art. 6. § 1. Pour les élèves visés à l'article 3, à l'exception de ceux qui ont conclu un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, dans la mesure ou le § 2 de cet article ne leur est pas applicable en raison du nombre d'inscrits, le nombre suivant de périodes/professeur est attribué au centre dans lequel ils sont inscrits :
1. jusqu'à 9 élèves : 22 périodes;
2. de 10 à 14 élèves : 8 périodes supplémentaires;
3. de 15 à 20 élèves : 10 périodes supplémentaires;
4. à partir de 21 élèves : 2,8 périodes supplémentaires par élève.
Le nombre suivant de périodes/professeur est attribué pour la coordination pédagogique :
1. jusqu'à 9 élèves : 2 périodes;
2. pour tout nouveau groupe entamé de 5 élèves : 2 périodes supplémentaires.
§ 2. Pour les élèves visés a l'article 3 qui ont conclu un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, le nombre suivant de périodes/professeur est attribué au centre dans lequel ils sont inscrits :
1. en première année de formation : 15 périodes, à condition qu'au moins 4 élèves soient inscrits dans la même orientation;
2. pour toute autre orientation de la première année de formation : 8 périodes supplémentaires, à condition qu'au moins 4 élèves soient inscrits dans ladite orientation;
3. pour toutes les autres années de formation : 8 périodes supplémentaires pour chaque orientation.
Deux périodes/professeur sont attribuées pour la coordination pédagogique pour tout groupe entamé de 5 élèves.
Les normes de dédoublement suivantes sont valables pour toutes les orientations :
1. cours de pratique professionnelle : 11 élèves;
2. cours techniques théoriques : 16 élèves.
§ 3. Pour l'encadrement socio-pédagogique des élèves, le nombre d'heures suivant est attribué à chaque centre :
1. jusqu'à 20 élèves réguliers : un demi-emploi, soit 19 heures;
2. pour tout autre groupe entamé de 20 élèves réguliers : un demi-emploi supplémentaire.
§ 4. Le calcul des périodes/professeur et des heures d'encadrement socio-pédagogique est effectué le jour scolaire suivant le 15 novembre 1994.
§ 5. Les élèves réguliers inscrits au 15 novembre 1994 dans le centre d'enseignement à horaire réduit sont pris en considération avec un coefficient de 0,5 pour le calcul des emplois de chef d'établissement et du personnel auxiliaire d'éducation et administratif de l'école secondaire dans laquelle le centre d'enseignement à horaire réduit a son siège.
Les périodes organisées dans la partie professionnelle de l'enseignement à horaire réduit sont prises en considération pour le calcul des emplois de chef d'atelier.
1. jusqu'à 9 élèves : 22 périodes;
2. de 10 à 14 élèves : 8 périodes supplémentaires;
3. de 15 à 20 élèves : 10 périodes supplémentaires;
4. à partir de 21 élèves : 2,8 périodes supplémentaires par élève.
Le nombre suivant de périodes/professeur est attribué pour la coordination pédagogique :
1. jusqu'à 9 élèves : 2 périodes;
2. pour tout nouveau groupe entamé de 5 élèves : 2 périodes supplémentaires.
§ 2. Pour les élèves visés a l'article 3 qui ont conclu un contrat d'apprentissage industriel dans le cadre de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, le nombre suivant de périodes/professeur est attribué au centre dans lequel ils sont inscrits :
1. en première année de formation : 15 périodes, à condition qu'au moins 4 élèves soient inscrits dans la même orientation;
2. pour toute autre orientation de la première année de formation : 8 périodes supplémentaires, à condition qu'au moins 4 élèves soient inscrits dans ladite orientation;
3. pour toutes les autres années de formation : 8 périodes supplémentaires pour chaque orientation.
Deux périodes/professeur sont attribuées pour la coordination pédagogique pour tout groupe entamé de 5 élèves.
Les normes de dédoublement suivantes sont valables pour toutes les orientations :
1. cours de pratique professionnelle : 11 élèves;
2. cours techniques théoriques : 16 élèves.
§ 3. Pour l'encadrement socio-pédagogique des élèves, le nombre d'heures suivant est attribué à chaque centre :
1. jusqu'à 20 élèves réguliers : un demi-emploi, soit 19 heures;
2. pour tout autre groupe entamé de 20 élèves réguliers : un demi-emploi supplémentaire.
§ 4. Le calcul des périodes/professeur et des heures d'encadrement socio-pédagogique est effectué le jour scolaire suivant le 15 novembre 1994.
§ 5. Les élèves réguliers inscrits au 15 novembre 1994 dans le centre d'enseignement à horaire réduit sont pris en considération avec un coefficient de 0,5 pour le calcul des emplois de chef d'établissement et du personnel auxiliaire d'éducation et administratif de l'école secondaire dans laquelle le centre d'enseignement à horaire réduit a son siège.
Les périodes organisées dans la partie professionnelle de l'enseignement à horaire réduit sont prises en considération pour le calcul des emplois de chef d'atelier.
Art. 7. Voor het professionele gedeelte van het onderwijs kunnen de centra een beroep doen op de volgende inrichtingen :
1. aan alle secundaire scholen en aan alle instituten voor sociale promotie, met welke inrichtende macht dan ook;
2. aan alle inrichtingen buiten schoolverband voor opleiding en voortgezette opleiding.
1. aan alle secundaire scholen en aan alle instituten voor sociale promotie, met welke inrichtende macht dan ook;
2. aan alle inrichtingen buiten schoolverband voor opleiding en voortgezette opleiding.
Art. 7. Pour la partie professionnelle de l'enseignement, les centres peuvent recourir aux établissements suivants :
1. à toutes les écoles secondaires et à tous les instituts de formation scolaire continue, indépendamment du pouvoir organisateur;
2. à tous les établissements extrascolaires de formation et de formation continue.
1. à toutes les écoles secondaires et à tous les instituts de formation scolaire continue, indépendamment du pouvoir organisateur;
2. à tous les établissements extrascolaires de formation et de formation continue.
Art. 8. De leider van de secundaire school bedoeld in artikel 5 leidt het centrum.
In elk centrum voor onderwijs met beperkt leerplan moet een bestuurscomité hebben, zoals bepaald in de artikels 15, 27 of 42 van de wetten op het technisch onderwijs, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 30 april 1957.
Een volledige leraaruurrooster in het onderwijs met beperkt leerplan omvat hetzelfde aantal lestijden per week als hetgeen vereist voor de betrekking van leraar algemene vakken of leraar technische en beroepscursussen met een voltijdse betrekking in het lager of hoger secundair onderwijs met volledig leerplan.
De administratieve en geldelijke stand van de leerkrachten van het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op de leerkrachten die een ambt uitoefenen in het gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan.
De personeelsleden belast met de socio-pedagogische begeleiding worden als maatschappelijk werker, studiemeester-opvoeder, leraar van het lager secundair onderwijs of als onderwijzer aangesteld en betaald. Zij zijn onderworpen aan de vakantie- en verlofregeling vastgelegd in het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijkspsycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten.
In elk centrum voor onderwijs met beperkt leerplan moet een bestuurscomité hebben, zoals bepaald in de artikels 15, 27 of 42 van de wetten op het technisch onderwijs, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 30 april 1957.
Een volledige leraaruurrooster in het onderwijs met beperkt leerplan omvat hetzelfde aantal lestijden per week als hetgeen vereist voor de betrekking van leraar algemene vakken of leraar technische en beroepscursussen met een voltijdse betrekking in het lager of hoger secundair onderwijs met volledig leerplan.
De administratieve en geldelijke stand van de leerkrachten van het experimenteel secundair onderwijs met beperkt leerplan wordt geregeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op de leerkrachten die een ambt uitoefenen in het gewoon secundair onderwijs met volledig leerplan.
De personeelsleden belast met de socio-pedagogische begeleiding worden als maatschappelijk werker, studiemeester-opvoeder, leraar van het lager secundair onderwijs of als onderwijzer aangesteld en betaald. Zij zijn onderworpen aan de vakantie- en verlofregeling vastgelegd in het koninklijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijkspsycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten.
Art. 8. Le chef de l'école secondaire visée à l'article 5 dirige le centre.
Un comité de gestion, tel que prévu aux articles 15, 27 ou 42 des lois sur l'enseignement technique coordonnées par l'arrêté royal du 30 avril 1957, doit exister dans tout centre d'enseignement à horaire réduit.
Un horaire complet de professeur dans l'enseignement à horaire réduit compte le même nombre de périodes que celui exigé pour la fonction de professeur de cours généraux ou de cours techniques et professionnels ayant un horaire complet dans l'enseignement secondaire inférieur ou supérieur de plein exercice.
La position administrative et pécuniaire des enseignants du centre d'enseignement à horaire réduit est réglée d'après les dispositions applicables aux professeurs qui exercent une fonction dans l'enseignement secondaire ordinaire de plein exercice.
Les membres du personnel chargés de l'encadrement sociopédagogique doivent être désignés et rémunérés en qualité de travailleur social, de surveillant-éducateur, de professeur de l'enseignement secondaire inférieur ou d'un instituteur primaire. Ils sont soumis au régime de vacances et de congés fixés par l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux vacances et aux congés des membres stagiaires ou nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection.
Un comité de gestion, tel que prévu aux articles 15, 27 ou 42 des lois sur l'enseignement technique coordonnées par l'arrêté royal du 30 avril 1957, doit exister dans tout centre d'enseignement à horaire réduit.
Un horaire complet de professeur dans l'enseignement à horaire réduit compte le même nombre de périodes que celui exigé pour la fonction de professeur de cours généraux ou de cours techniques et professionnels ayant un horaire complet dans l'enseignement secondaire inférieur ou supérieur de plein exercice.
La position administrative et pécuniaire des enseignants du centre d'enseignement à horaire réduit est réglée d'après les dispositions applicables aux professeurs qui exercent une fonction dans l'enseignement secondaire ordinaire de plein exercice.
Les membres du personnel chargés de l'encadrement sociopédagogique doivent être désignés et rémunérés en qualité de travailleur social, de surveillant-éducateur, de professeur de l'enseignement secondaire inférieur ou d'un instituteur primaire. Ils sont soumis au régime de vacances et de congés fixés par l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux vacances et aux congés des membres stagiaires ou nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection.
Art. 9. Naargelang de inrichtende macht worden dotaties of werkingstoelagen voor het onderwijs met beperkt leerplan toegekend.
Voor elke regelmatige leerling die ten laatste op 15 november 1994 is ingeschreven, wordt een werkingstoelage ten belope van het bedrag toegekend dat in 7° van de bijlage bij het decreet van 18 april 1994 decreet tot vaststelling van het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs vastgelegd is.
Indien verschillende onderwijsinrichtingen voor de opleiding van een leerling zorgen, worden de werkingstoelagen evenredig onder de betrokken inrichtingen verdeeld naargelang het aantal van de door de leerling in de verschillende inrichtingen werkelijk bezochte lestijden.
Voor elke leerling die tussen 30 september 1994 en 16 november 1994 als regelmatige leerling in een centrum voor onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven wordt, stort de school die door de leerling verlaten werd, het bedrag bedoeld in lid 2 aan het centrum, indien deze school voor hetzelfde schooljaar een werkingstoelage voor de betrokken leerling verkrijgt.
Voor elke regelmatige leerling die ten laatste op 15 november 1994 is ingeschreven, wordt een werkingstoelage ten belope van het bedrag toegekend dat in 7° van de bijlage bij het decreet van 18 april 1994 decreet tot vaststelling van het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs vastgelegd is.
Indien verschillende onderwijsinrichtingen voor de opleiding van een leerling zorgen, worden de werkingstoelagen evenredig onder de betrokken inrichtingen verdeeld naargelang het aantal van de door de leerling in de verschillende inrichtingen werkelijk bezochte lestijden.
Voor elke leerling die tussen 30 september 1994 en 16 november 1994 als regelmatige leerling in een centrum voor onderwijs met beperkt leerplan ingeschreven wordt, stort de school die door de leerling verlaten werd, het bedrag bedoeld in lid 2 aan het centrum, indien deze school voor hetzelfde schooljaar een werkingstoelage voor de betrokken leerling verkrijgt.
Art. 9. Suivant le pouvoir organisateur, des dotations ou subventions de fonctionnement sont octroyées pour l'enseignement à horaire réduit.
Pour tout élève régulier inscrit au 15 novembre 1994, une subvention de fonctionnement est octroyée à concurrence du montant indiqué au 7 de l'annexe du décret du 18 avril 1994 fixant le montant des subventions de fonctionnement pour l'enseignement subventionné.
Si plusieurs établissements d'enseignement assurent la formation d'un élève, les subventions de fonctionnement sont réparties entre les établissements concernés proportionnellement au nombre de périodes effectivement suivies par l'élève dans les différents établissements.
Pour tout élève inscrit après le 30 septembre 1994 mais avant le 16 novembre 1994 comme élève régulier dans un centre d'enseignement à horaire réduit, l'école que quitte l'élève concerné verse au centre le montant visé au 2e alinéa si cette école, pour la même année scolaire, bénéficie d'une subvention de fonctionnement pour l'élève en question.
Pour tout élève régulier inscrit au 15 novembre 1994, une subvention de fonctionnement est octroyée à concurrence du montant indiqué au 7 de l'annexe du décret du 18 avril 1994 fixant le montant des subventions de fonctionnement pour l'enseignement subventionné.
Si plusieurs établissements d'enseignement assurent la formation d'un élève, les subventions de fonctionnement sont réparties entre les établissements concernés proportionnellement au nombre de périodes effectivement suivies par l'élève dans les différents établissements.
Pour tout élève inscrit après le 30 septembre 1994 mais avant le 16 novembre 1994 comme élève régulier dans un centre d'enseignement à horaire réduit, l'école que quitte l'élève concerné verse au centre le montant visé au 2e alinéa si cette école, pour la même année scolaire, bénéficie d'une subvention de fonctionnement pour l'élève en question.
HOOFDSTUK III. - Toelatingsvoorwaarden en studiegetuigschriften.
CHAPITRE III. - Conditions d'admission et certificats d'études.
Art. 10. Tot het hoger onderwijs met beperkt leerplan worden de leerlingen toegelaten die overeenkomstig artikel 3 tot het onderwijs met beperkt leerplan zijn toegelaten en houder zijn van éen van de volgende studiegetuigschriften :
1. het getuigschrift van lager secundair onderwijs;
2. het kwalificatiegetuigschrift van het vierde jaar van het secundair onderwijs;
3. het kwalificatiegetuigschrift van het vijfde jaar van het buitengewoon onderwijs.
Tot het lager onderwijs met beperkt leerplan worden de leerlingen toegelaten die overeenkomstig dit besluit tot het onderwijs met beperkt leerplan zijn toegelaten en die niet houder zijn van eén van bovengenoemde eind- of bekwaamheidsgetuigschriften.
1. het getuigschrift van lager secundair onderwijs;
2. het kwalificatiegetuigschrift van het vierde jaar van het secundair onderwijs;
3. het kwalificatiegetuigschrift van het vijfde jaar van het buitengewoon onderwijs.
Tot het lager onderwijs met beperkt leerplan worden de leerlingen toegelaten die overeenkomstig dit besluit tot het onderwijs met beperkt leerplan zijn toegelaten en die niet houder zijn van eén van bovengenoemde eind- of bekwaamheidsgetuigschriften.
Art. 10. Sont admis dans le cycle supérieur de l'enseignement à horaire réduit les élèves qui sont admis dans l'enseignement à horaire réduit conformément à l'article 3 et qui sont titulaires d'un des certificats suivants :
1. le certificat de l'enseignement secondaire inférieur;
2. le certificat de qualification de quatrième année de l'enseignement secondaire;
3. le certificat de qualification de cinquième année de l'enseignement spécial.
Sont admis dans le cycle inférieur de l'enseignement à horaire réduit les élèves qui sont admis dans l'enseignement à horaire réduit conformément au présent arrêté et qui n'ont pas obtenu les certificats de fin d'études ou de qualification susmentionnés.
1. le certificat de l'enseignement secondaire inférieur;
2. le certificat de qualification de quatrième année de l'enseignement secondaire;
3. le certificat de qualification de cinquième année de l'enseignement spécial.
Sont admis dans le cycle inférieur de l'enseignement à horaire réduit les élèves qui sont admis dans l'enseignement à horaire réduit conformément au présent arrêté et qui n'ont pas obtenu les certificats de fin d'études ou de qualification susmentionnés.
Art. 11. Niemand mag zich in een opleiding inschrijven die met een studiegetuigschrift bekrachtigd wordt dat de betrokken persoon in dezelfde of in een dienovereenkomstige studierichting al heeft verkregen.
Art. 11. Nul ne peut s'inscrire dans une formation qui se termine par un certificat d'études que la personne en question a déjà obtenu dans la même orientation ou dans une orientation correspondante.
Art. 12. § 1. In het onderwijs met beperkt leerplan ontvangt de leerling op het einde van ieder schooljaar of bij het verlaten van het centrum in de loop van het schooljaar een attest dat de begin- en einddatum van dit onderwijs evenals de verworven bekwaamheden vermeldt.
§ 2. Op het einde van het schooljaar kan het bewijs van basisonderwijs op beslissing van de klasraad aan de regelmatige leerlingen verleend worden.
Op het einde van het schooljaar kan een oriënteringsattest A of B van het tweede jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de klasraad, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het bewijs van basisonderwijs.
Op het einde van het schooljaar kan een oriënteringsattest A of B van het derde jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de klasraad, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het oriënteringsattest A of B van het tweede jaar van het beroepsonderwijs en tijdens ten minste twee jaar in het onderwijs met beperkt leerplan regelmatig ingeschreven zijn geweest.
Op het einde van het schooljaar kan het bekwaamheidsbewijs van het vierde jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de examencommissie, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het oriënteringsattest A of B van het derde jaar van het beroepsonderwijs en tijdens ten minste twee jaar in het onderwijs met beperkt leerplan regelmatig ingeschreven zijn geweest.
Op beslissing van de examencommissie kan het bekwaamheidsgetuigschrift van het zesde jaar van het beroepsonderwijs aan de regelmatige leerlingen van het hogere cyclus toegekend worden.
Slechts de leerlingen die regelmatig en op een actieve wijze het onderwijs met beperkt leerplan hebben bezocht, mogen de bovengenoemde getuigschriften en oriënteringsattesten verkrijgen.
§ 2. Op het einde van het schooljaar kan het bewijs van basisonderwijs op beslissing van de klasraad aan de regelmatige leerlingen verleend worden.
Op het einde van het schooljaar kan een oriënteringsattest A of B van het tweede jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de klasraad, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het bewijs van basisonderwijs.
Op het einde van het schooljaar kan een oriënteringsattest A of B van het derde jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de klasraad, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het oriënteringsattest A of B van het tweede jaar van het beroepsonderwijs en tijdens ten minste twee jaar in het onderwijs met beperkt leerplan regelmatig ingeschreven zijn geweest.
Op het einde van het schooljaar kan het bekwaamheidsbewijs van het vierde jaar van het beroepsonderwijs, op beslissing van de examencommissie, aan de regelmatige leerlingen verleend worden die houder zijn van het oriënteringsattest A of B van het derde jaar van het beroepsonderwijs en tijdens ten minste twee jaar in het onderwijs met beperkt leerplan regelmatig ingeschreven zijn geweest.
Op beslissing van de examencommissie kan het bekwaamheidsgetuigschrift van het zesde jaar van het beroepsonderwijs aan de regelmatige leerlingen van het hogere cyclus toegekend worden.
Slechts de leerlingen die regelmatig en op een actieve wijze het onderwijs met beperkt leerplan hebben bezocht, mogen de bovengenoemde getuigschriften en oriënteringsattesten verkrijgen.
Art. 12. § 1. Dans l'enseignement à horaire réduit, l'élève reçoit au terme de chaque année scolaire ou lorsqu'il quitte le centre en cours d'année scolaire une attestation mentionnant les dates de début et de fin de fréquentation de cet enseignement ainsi que les capacités acquises.
§ 2. A la fin de l'année scolaire, un certificat d'études de base peut être délivré aux élèves réguliers sur décision du conseil de classe.
A la fin de l'année scolaire, une attestation d'orientation A ou B de deuxième année de l'enseignement professionnel peut être délivrée sur décision du conseil de classe aux élèves réguliers déjà titulaires d'un certificat d'études de base.
Une attestation d'orientation A ou B de troisième année de l'enseignement professionnel peut être délivrée sur décision du conseil de classe aux élèves titulaires d'une attestation d'orientation A ou B de deuxième année de l'enseignement professionnel qui ont été régulièrement inscrits dans l'enseignement à horaire réduit pendant au moins deux ans.
Le certificat de qualification de quatrième année de l'enseignement professionnel peut être délivré sur décision du jury aux élèves titulaires d'une attestation d'orientation A ou B de troisième année de l'enseignement professionnel qui ont été régulièrement inscrits dans l'enseignement à horaire réduit pendant au moins deux ans.
Le certificat de qualification de sixième année de l'enseignement professionnel peut être délivré sur décision du jury aux élèves réguliers du cycle supérieur.
Seuls les élèves qui ont participé régulièrement et activement à l'enseignement à horaire réduit peuvent acquérir les certificats et attestations d'orientation susvisés.
§ 2. A la fin de l'année scolaire, un certificat d'études de base peut être délivré aux élèves réguliers sur décision du conseil de classe.
A la fin de l'année scolaire, une attestation d'orientation A ou B de deuxième année de l'enseignement professionnel peut être délivrée sur décision du conseil de classe aux élèves réguliers déjà titulaires d'un certificat d'études de base.
Une attestation d'orientation A ou B de troisième année de l'enseignement professionnel peut être délivrée sur décision du conseil de classe aux élèves titulaires d'une attestation d'orientation A ou B de deuxième année de l'enseignement professionnel qui ont été régulièrement inscrits dans l'enseignement à horaire réduit pendant au moins deux ans.
Le certificat de qualification de quatrième année de l'enseignement professionnel peut être délivré sur décision du jury aux élèves titulaires d'une attestation d'orientation A ou B de troisième année de l'enseignement professionnel qui ont été régulièrement inscrits dans l'enseignement à horaire réduit pendant au moins deux ans.
Le certificat de qualification de sixième année de l'enseignement professionnel peut être délivré sur décision du jury aux élèves réguliers du cycle supérieur.
Seuls les élèves qui ont participé régulièrement et activement à l'enseignement à horaire réduit peuvent acquérir les certificats et attestations d'orientation susvisés.
Art. 13. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap legt de modellen vast voor de in artikel 12 bedoelde kwalificatiegetuigschriften en oriënteringsattesten.
Art. 13. Le Gouvernement de la Communauté germanophone détermine les modèles des certificats de qualification et attestations visés à l'article 12.
Art. 14. De kwalificatieproef in een studierichting die niet georganiseerd wordt in het onderwijs met volledig leerplan, moet goedgekeurd worden door de Regering van de Duitstalige Gemeenschap. Te dien einde geven de scholen bij het Ministerie het programma van de opleiding en van de bekwaamheidsproeven af binnen de termijnen geldig voor de secundaire scholen met volledig leerplan.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de organisatie van deze bekwaamheidsproeven.
De toegang tot de bovengenoemde bekwaamheidsproeven is evenwel niet mogelijk voor de studierichtingen "gezins- en sanitaire hulp" en "kinderverzorging".
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de organisatie van deze bekwaamheidsproeven.
De toegang tot de bovengenoemde bekwaamheidsproeven is evenwel niet mogelijk voor de studierichtingen "gezins- en sanitaire hulp" en "kinderverzorging".
Art. 14. L'examen de qualification dans une orientation d'études qui n'a pas de correspondant dans l'enseignement secondaire de plein exercice doit être approuvé par le Gouvernement de la Communauté germanophone. A cette fin, les écoles introduisent le programme de la formation et des examens de qualification auprès du Ministère dans les délais prévus pour les écoles de l'enseignement secondaire de plein exercice.
Le Gouvernement détermine les dispositions relatives à l'organisation de ces examens de qualification.
L'accès aux examens de qualification précités n'est toutefois pas possible dans les orientations "Aide familiale et sanitaire" et "puériculture"
Le Gouvernement détermine les dispositions relatives à l'organisation de ces examens de qualification.
L'accès aux examens de qualification précités n'est toutefois pas possible dans les orientations "Aide familiale et sanitaire" et "puériculture"
Art. 15. De proeven afgelegd met het oog op het verkrijgen van het bekwaamheidsgetuigschrift worden door een examencommissie georganiseerd.
Deze examencommissie bestaat uit de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde, uit leden van het onderwijzend personeel van het centrum en uit niet tot het centrum behorende personen, wier aantal dat van de leden van het onderwijzend personeel niet mag overschrijden.
De niet tot het centrum behorende leden van de examencommissie worden door de directeur van het centrum gekozen op grond van hun deskundigheid in de kwalificatie die moet worden beoordeeld.
Het voorzitterschap van de examencommissie wordt waargenomen door de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde.
Deze examencommissie bestaat uit de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde, uit leden van het onderwijzend personeel van het centrum en uit niet tot het centrum behorende personen, wier aantal dat van de leden van het onderwijzend personeel niet mag overschrijden.
De niet tot het centrum behorende leden van de examencommissie worden door de directeur van het centrum gekozen op grond van hun deskundigheid in de kwalificatie die moet worden beoordeeld.
Het voorzitterschap van de examencommissie wordt waargenomen door de directeur van het centrum of zijn afgevaardigde.
Art. 15. L'examen présenté en vue de l'obtention du certificat de qualification est organisé par un jury.
Ce jury est composé du directeur du centre ou de son délégué, de membres du personnel enseignant du centre et de personnes n'appartenant pas au centre, dont le nombre ne peut dépasser celui des membres du corps enseignant du centre présents dans le jury.
Les membres du jury n'appartenant pas au centre sont choisis par le directeur du centre ou par son délégué sur la base de leurs compétences dans la qualification qui doit être appréciée.
Le directeur du centre ou son délégué assume la présidence du jury.
Ce jury est composé du directeur du centre ou de son délégué, de membres du personnel enseignant du centre et de personnes n'appartenant pas au centre, dont le nombre ne peut dépasser celui des membres du corps enseignant du centre présents dans le jury.
Les membres du jury n'appartenant pas au centre sont choisis par le directeur du centre ou par son délégué sur la base de leurs compétences dans la qualification qui doit être appréciée.
Le directeur du centre ou son délégué assume la présidence du jury.
HOOFDSTUK IV. - Psycho-medisch-sociale centra.
CHAPITRE IV. - Centres psycho-médico-sociaux.
Art. 16. In afwijking van de artikelen 15 en 16 van het koninklijk besluit van 24 augustus 1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra worden de in lid 2 bepaalde begeleidingsbetrekkingen georganiseerd.
Tot 30 regelmatige leerlingen heeft ieder PMS.-centrum dat de leerlingen van een bepaald centrum voor onderwijs met beperkt leerplan begeleidt, recht op een halve betrekking maatschappelijk werker of assistent in de psychologie. Voor elke andere begonnen groep van dertig regelmatig ingeschreven leerlingen verkrijgt het betrokken PMS.-centrum bovendien een halve betrekking psycholoog, maatschappelijk werker of assistent in de psychologie.
De berekening gebeurt op de eerste schooldag volgend op 15 november 1994.
Het technisch personeel dat in een PMS.-centrum de in lid 2 bedoelde jongeren begeleidt, bestaat bij voorrang uit personeelsleden die wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking ter beschikking zijn gesteld en niet gereaffecteerd of opnieuw aangesteld zijn.
Die personeelsleden moeten houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen vereist voor het technisch personeel van de PMS.-centra.
Tot 30 regelmatige leerlingen heeft ieder PMS.-centrum dat de leerlingen van een bepaald centrum voor onderwijs met beperkt leerplan begeleidt, recht op een halve betrekking maatschappelijk werker of assistent in de psychologie. Voor elke andere begonnen groep van dertig regelmatig ingeschreven leerlingen verkrijgt het betrokken PMS.-centrum bovendien een halve betrekking psycholoog, maatschappelijk werker of assistent in de psychologie.
De berekening gebeurt op de eerste schooldag volgend op 15 november 1994.
Het technisch personeel dat in een PMS.-centrum de in lid 2 bedoelde jongeren begeleidt, bestaat bij voorrang uit personeelsleden die wegens volledige of gedeeltelijke ontstentenis van betrekking ter beschikking zijn gesteld en niet gereaffecteerd of opnieuw aangesteld zijn.
Die personeelsleden moeten houder zijn van de bekwaamheidsbewijzen vereist voor het technisch personeel van de PMS.-centra.
Art. 16. Par dérogation aux articles 15 et 16 de l'arrêté royal du 24 août 1981 modifiant l'arrête royal du 13 août 1962 organique des centres psycho-médico-sociaux, les emplois d'encadrement prévus à l'alinéa 2 sont organisés.
Jusqu'à 30 élèves réguliers, chaque centre PMS.
qui encadre les élèves d'un centre d'enseignement à horaire réduit à droit à un demi-emploi de travailleur social ou d'assistant en psychologie. Pour tout groupe entamé de 30 élèves régulièrement inscrits, ce centre reçoit en plus un demi-emploi de psychologue, de travailleur social ou d'assistant en psychologie.
Le calcul est effectué le jour scolaire suivant le 15 novembre 1994.
Dans un centre psycho-médico-social, le personnel technique assurant l'encadrement des jeunes visés à l'alinéa 2 est composé prioritairement de membres du personnel mis en disponibilité par défaut total ou partiel d'emploi et non réaffectés ou non rappelés en activité de service.
Ces membres du personnel doivent être porteurs des titres exigés pour le personnel technique des centres psycho-médico-sociaux.
Jusqu'à 30 élèves réguliers, chaque centre PMS.
qui encadre les élèves d'un centre d'enseignement à horaire réduit à droit à un demi-emploi de travailleur social ou d'assistant en psychologie. Pour tout groupe entamé de 30 élèves régulièrement inscrits, ce centre reçoit en plus un demi-emploi de psychologue, de travailleur social ou d'assistant en psychologie.
Le calcul est effectué le jour scolaire suivant le 15 novembre 1994.
Dans un centre psycho-médico-social, le personnel technique assurant l'encadrement des jeunes visés à l'alinéa 2 est composé prioritairement de membres du personnel mis en disponibilité par défaut total ou partiel d'emploi et non réaffectés ou non rappelés en activité de service.
Ces membres du personnel doivent être porteurs des titres exigés pour le personnel technique des centres psycho-médico-sociaux.
HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions finales.
Art. 17. Dit besluit treedt in werking op 29 augustus 1994 en heeft uitwerking tot op 30 juni 1995.
Art. 17. Le présent arrêté entre en vigueur le 29 août 1994 et vaut jusqu'au 30 juin 1995.
Art. 18. De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur, Jeugd en Wetenschappelijk Onderzoek is belast met de uitvoering van dit besluit.
Eupen, 18 januari 1995.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Financiën, Volksgezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport, Toerisme, Internationale Betrekkingen en Monumenten en Landschappen,
J. MARAITE
De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur, Jeugd en Wetenschappelijk Onderzoek,
B. GENTGES
Eupen, 18 januari 1995.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President, Minister van Financiën, Volksgezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport, Toerisme, Internationale Betrekkingen en Monumenten en Landschappen,
J. MARAITE
De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur, Jeugd en Wetenschappelijk Onderzoek,
B. GENTGES
Art. 18. Le Ministre de l'Enseignement et de la Formation, de la Culture, de la Jeunesse et de la Recherche scientifique est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Eupen, le 18 janvier 1995.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre des Finances, de la Santé publique, de la Famille et des Personnes âgées, du Sport, du Tourisme, des Relations internationales et des Monuments et Sites,
J. MARAITE
Le Ministre de l'Enseignement et de la Formation, de la Culture, de la Jeunesse et de la Recherche scientifique,
B. GENTGES
Eupen, le 18 janvier 1995.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone :
Le Ministre-Président, Ministre des Finances, de la Santé publique, de la Famille et des Personnes âgées, du Sport, du Tourisme, des Relations internationales et des Monuments et Sites,
J. MARAITE
Le Ministre de l'Enseignement et de la Formation, de la Culture, de la Jeunesse et de la Recherche scientifique,
B. GENTGES