Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
24 APRIL 1995. - Koninklijk besluit houdende regeling van het dragen van het uniform door de gemeentepolitie. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-06-1995 en tekstbijwerking tot 24-09-2002.)
Titre
24 AVRIL 1995. - Arrêté royal réglementant le port de l'uniforme de la police communale. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-06-1995 et mise à jour au 24-09-2002.)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - De hulpagent van politie.
HOOFDSTUK III. - De aspirant-politieagent, aspi...
HOOFDSTUK IV. - De politieambtenaar ( met uitzo...
HOOFDSTUK V- De specifieke tenues.
1. Het ordehandhavingstenue.
2. Het tenue voor de verkeersopdrachten.
3. Het tenue van de hondenbegeleider.
4. Het ruitertenue.
5. Het oefentenue.
6. Het motorrijderstenue.
HOOFDSTUK VI. - De gradenkentekens, de graden e...
HOOFDSTUK VII. - Omstandigheden waarin de versc...
HOOFDSTUK VIII. - De uitrustingen en de vervang...
HOOFDSTUK IX. - Overgangs-, opheffing- en slotb...
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - L'agent auxiliaire de police.
CHAPITRE III. - L'aspirant agent de police, l'a...
CHAPITRE IV. - Le fonctionnaire de police (horm...
CHAPITRE V. - Les tenues spécifiques.
1. La tenue de maintien de l'ordre :
2. La tenue de régulation de la circulation.
3. La tenue de maître-chien.
4. La tenue de cavalier.
5. La tenue d'exercice.
6. La tenue de motocycliste.
CHAPITRE VI. - Les insignes de grade, les grade...
CHAPITRE VII. - Les circonstances de port des d...
CHAPITRE VIII. Les équipements et leurs modalit...
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires, abrog...
ANNEXES.
Tekst (69)
Texte (69)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit moet onder uniform worden verstaan een welbepaald tenue dat toelaat om de drager ervan als lid van de gemeentepolitie te identificeren.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par uniforme : une tenue déterminée, destinée à identifier son porteur en tant que membre de la police communale.
Art. 2. Tijdens de diensturen dragen de leden van de gemeentepolitie een uniform.
Wegens de specifieke aard van sommige functies of opdrachten kan de korpschef afwijken van de verplichting voor de leden van de gemeentepolitie om tijdens de diensturen een uniform te dragen. Hij kan eveneens toestaan dat het uniform buiten de diensturen gedragen wordt.
Wegens de specifieke aard van sommige functies of opdrachten kan de korpschef afwijken van de verplichting voor de leden van de gemeentepolitie om tijdens de diensturen een uniform te dragen. Hij kan eveneens toestaan dat het uniform buiten de diensturen gedragen wordt.
Art. 2. Les membres de la police communale portent pendant les heures de service un uniforme.
En raison de la nature spécifique de certaines fonctions ou missions, le chef de corps peut déroger à l'obligation pour les membres de la police communale de porter un uniforme pendant les heures de service. Il peut également autoriser le port de l'uniforme en dehors des heures de service.
En raison de la nature spécifique de certaines fonctions ou missions, le chef de corps peut déroger à l'obligation pour les membres de la police communale de porter un uniforme pendant les heures de service. Il peut également autoriser le port de l'uniforme en dehors des heures de service.
Art. 3. Het uniform omvat verschillende tenues. De beschrijvingen van deze tenues en de beschrijvingen van de onderscheidingstekens van de graden en van de bijzondere kentekens die er kunnen op aangebracht worden, zijn opgenomen in de hoofdstukken II tot en met VI van dit besluit en in de respectievelijke bijlagen.
Art. 3. L'uniforme comprend différentes tenues.
Les descriptions de ces tenues ainsi que des signes distinctifs des grades et des insignes particuliers qui peuvent y être apposés sont reprises aux chapitres II à VI du présent arrêté et aux annexes y relatives.
Les descriptions de ces tenues ainsi que des signes distinctifs des grades et des insignes particuliers qui peuvent y être apposés sont reprises aux chapitres II à VI du présent arrêté et aux annexes y relatives.
Art. 4. De korpschef bepaalt en preciseert binnen de perken van de bepalingen van dit besluit welk tenue in welke omstandigheden moet gedragen worden en ziet erop toe dat de leden van zijn politiekorps die gezamenlijk een opdracht vervullen, bij elke gelegenheid een gelijkaardig uniform dragen.
Een beschrijving van de omstandigheden waarin de verschillende tenues kunnen worden gedragen, is opgenomen in hoofdstuk II van dit besluit.
Een beschrijving van de omstandigheden waarin de verschillende tenues kunnen worden gedragen, is opgenomen in hoofdstuk II van dit besluit.
Art. 4. Le chef de corps détermine et précise dans les limites des dispositions du présent arrêté la tenue à porter selon les circonstances et veille à ce que les membres de son corps de police appelés à intervenir ensemble portent en toute occasion un uniforme semblable.
Une description des circonstances de port des différentes tenues est déterminée au chapitre VII du présent arrêté.
Une description des circonstances de port des différentes tenues est déterminée au chapitre VII du présent arrêté.
Art. 5. Bij zijn indiensttreding ontvangt het lid van de gemeentepolitie een eerste uitrusting.
Op het ogenblik van zijn benoeming zal deze eerste uitrusting aangevuld worden door een tweede uitrusting.
De beschrijving van de eerste en de tweede uitrusting is opgenomen in hoofdstuk VIII van dit besluit en in de respectievelijke bijlagen.
Op het ogenblik van zijn benoeming zal deze eerste uitrusting aangevuld worden door een tweede uitrusting.
De beschrijving van de eerste en de tweede uitrusting is opgenomen in hoofdstuk VIII van dit besluit en in de respectievelijke bijlagen.
Art. 5. Dès son entrée en service, le membre de la police communale se voit attribuer un premier équipement.
Ce premier équipement sera complété lors de la nomination par un second équipement.
La description du premier et du deuxième équipement fait l'objet des dispositions du chapitre VIII du présent arrêté et des annexes y relatives.
Ce premier équipement sera complété lors de la nomination par un second équipement.
La description du premier et du deuxième équipement fait l'objet des dispositions du chapitre VIII du présent arrêté et des annexes y relatives.
Art. 6. De onderscheidende kleur van de gemeentepolitie ten opzichte van de andere politiediensten is het koningsblauw (RAL 5017).
Het onderscheidingsteken van de gemeentepolitie van het stedelijke type bestaat uit een paalsgewijs geplaatst zwaard met de punt naar boven, getopt met de koninklijke kroon, vergezeld links van een eike- en rechts van een lauriertakje met vruchten achter het handvat van het zwaard, kruiselings gepaard.
Het onderscheidingsteken van de gemeentepolitie van het landelijke type bestaat uit een paalsgewijze geplaatste eikel met de punt van de vrucht naar boven, getopt met de koninklijke kroon, links en rechts vergezeld van een eiketakje met vruchten waarin de uiteinden gekruist zijn.
Het onderscheidingsteken van de gemeentepolitie van het stedelijke type bestaat uit een paalsgewijs geplaatst zwaard met de punt naar boven, getopt met de koninklijke kroon, vergezeld links van een eike- en rechts van een lauriertakje met vruchten achter het handvat van het zwaard, kruiselings gepaard.
Het onderscheidingsteken van de gemeentepolitie van het landelijke type bestaat uit een paalsgewijze geplaatste eikel met de punt van de vrucht naar boven, getopt met de koninklijke kroon, links en rechts vergezeld van een eiketakje met vruchten waarin de uiteinden gekruist zijn.
Art. 6. La couleur distinctive de la police communale par rapport aux autres services de police est le bleu roi (RAL 5017).
L'insigne distinctif de la police communale urbaine est constitué par un glaive posé en pal, la pointe vers le chef, sommé de la couronne royale, accompagné à gauche d'un rameau de chêne et à droite d'un rameau de laurier tous deux fruités entrecroisés derrière la poignée du glaive.
L'insigne distinctif de la police communale rurale est constitué d'un gland posé en pal, la pointe du fruit vers le chef, sommé de la couronne royale, accompagné à gauche et à droite d'un rameau de chêne fruité les bouts passés en sautoir.
L'insigne distinctif de la police communale urbaine est constitué par un glaive posé en pal, la pointe vers le chef, sommé de la couronne royale, accompagné à gauche d'un rameau de chêne et à droite d'un rameau de laurier tous deux fruités entrecroisés derrière la poignée du glaive.
L'insigne distinctif de la police communale rurale est constitué d'un gland posé en pal, la pointe du fruit vers le chef, sommé de la couronne royale, accompagné à gauche et à droite d'un rameau de chêne fruité les bouts passés en sautoir.
HOOFDSTUK II. - De hulpagent van politie.
CHAPITRE II. - L'agent auxiliaire de police.
Art. 7. Het uniform van de hulpagent van politie omvat de volgende vijf tenues :
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° liet stadstenue;
4° het ceremonieel tenue;
5° het tenue voor de verkeersopdrachten.
De beschrijving van de eerste 4 tenues is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.
De beschrijving van het tenue voor de verkeersopdrachten is opgenomen in hoofdstuk V van dit besluit en in de respectievelijke bijlage.
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° liet stadstenue;
4° het ceremonieel tenue;
5° het tenue voor de verkeersopdrachten.
De beschrijving van de eerste 4 tenues is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.
De beschrijving van het tenue voor de verkeersopdrachten is opgenomen in hoofdstuk V van dit besluit en in de respectievelijke bijlage.
Art. 7. L'uniforme de l'agent auxiliaire de police comprend les cinq tenues suivantes :
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue de ville ;
4° la tenue de cérémonie ;
5° la tenue de régulation de la circulation.
La description des 4 premières tenues figure à l'annexe 1 du présent arrêté.
La description de la tenue de régulation de la circulation fait l'objet du chapitre V et de l'annexe y relative.
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue de ville ;
4° la tenue de cérémonie ;
5° la tenue de régulation de la circulation.
La description des 4 premières tenues figure à l'annexe 1 du présent arrêté.
La description de la tenue de régulation de la circulation fait l'objet du chapitre V et de l'annexe y relative.
Art. 8. De onderscheidende kleur van het uniform van de hulpagent van politie is het saffierblauw (RAL 5003)
Art. 8. La couleur distinctive de l'uniforme des agents auxiliaires de police est la couleur bleu saphir (RAL 5003).
Art. 9 De hulpagent van politie draagt geen wap
ns.
ns.
Art. 9. L'agent auxiliaire de police ne porte pas d'armes.
HOOFDSTUK III. - De aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter.
CHAPITRE III. - L'aspirant agent de police, l'aspirant garde champêtre, l'agent de police stagiaire et le garde champêtre stagiaire.
Art. 10. Het uniform van de aspirant-politieagent, aspirant-veld - wachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter omvat de volgende drie tenues :
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° het oefentenue.
De beschrijving van de eerste twee tenues is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
De beschrijving van het derde tenue is opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° het oefentenue.
De beschrijving van de eerste twee tenues is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit.
De beschrijving van het derde tenue is opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.
Art. 10. L'uniforme de l'aspirant agent de police et de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire comprend les trois tenues suivantes :
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue d'exercice.
La description des 2 premières tenues figure à l'annexe 2 du présent arrêté.
La description de la troisième tenue figure à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue d'exercice.
La description des 2 premières tenues figure à l'annexe 2 du présent arrêté.
La description de la troisième tenue figure à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 11. De onderscheidende kleur van het uniform van de aspirant - politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stage doende veldwachter is het donkerblauw (RAL 5004).
Art. 11. La couleur distinctive de l'uniforme de l'aspirant agent de police, de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire est la couleur bleu foncé (RAL 5004).
HOOFDSTUK IV. - De politieambtenaar ( met uitzondering van aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter).
CHAPITRE IV. - Le fonctionnaire de police (hormis l'aspirant agent de police, l'aspirant garde champêtre, l'agent de police stagiaire et le garde champêtre stagiaire).
Art. 12. Het uniform van de politieambtenaar omvat de volgende tenues :
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° het stadstenue;
4° het ceremonieel tenue;
5° het avond- en galatenue (facultatief);
6° de specifieke tenues.
De beschrijving van de eerste 5 tenues is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.
De beschrijving van de specifieke tenues is opgenomen in hoofdstuk V van dit besluit en in de respectievelijke bijlagen.
1° het basistenue;
2° het gewoon tenue;
3° het stadstenue;
4° het ceremonieel tenue;
5° het avond- en galatenue (facultatief);
6° de specifieke tenues.
De beschrijving van de eerste 5 tenues is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit.
De beschrijving van de specifieke tenues is opgenomen in hoofdstuk V van dit besluit en in de respectievelijke bijlagen.
Art. 12. L'uniforme comprend les tenues suivantes :
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue de ville ;
4° la tenue de cérémonie ;
5° la tenue de soirée et de gala (facultatif) ;
6° les tenues spécifiques.
La description des 5 premières tenues figure à l'annexe 3 du présent arrêté.
La description des tenues spécifiques figure au chapitre V et à l'annexe y relative.
1° la tenue de base ;
2° la tenue ordinaire ;
3° la tenue de ville ;
4° la tenue de cérémonie ;
5° la tenue de soirée et de gala (facultatif) ;
6° les tenues spécifiques.
La description des 5 premières tenues figure à l'annexe 3 du présent arrêté.
La description des tenues spécifiques figure au chapitre V et à l'annexe y relative.
Art. 13. De onderscheidende kleur van het uniform van de politie ambtenaar in het donkerblauw (RAL 5004).
Art. 13. La couleur distinctive de l'uniforme du fonctionnaire de police est le bleu foncé (RAL 5004).
HOOFDSTUK V- De specifieke tenues.
CHAPITRE V. - Les tenues spécifiques.
1. Het ordehandhavingstenue.
1. La tenue de maintien de l'ordre :
Art. 14. Het ordehandhavingstenue bestaat uit volgende stukken : 1° een jas en een broek;
2° een helm en een pet;
3° accessoires.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
2° een helm en een pet;
3° accessoires.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 14. La tenue de maintien de l'ordre se compose des pièces suivantes :
1° une veste et un pantalon ;
2° un casque et une casquette ;
3° accessoires.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° une veste et un pantalon ;
2° un casque et une casquette ;
3° accessoires.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 15. Het ordehandhavingstenue is individueel voor de politie ambtenaar die belast wordt met ordehandhaving. Het tenue moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
Art. 15. La tenue de maintien de l'ordre est individuelle pour les fonctionnaires de la police communale chargés du maintien de l'ordre. Elle doit être mise à leur disposition par la commune.
2. Het tenue voor de verkeersopdrachten.
2. La tenue de régulation de la circulation.
Art. 16. Het tenue voor de verkeersopdrachten bestaat uit volgende stukken :
1° een mantel;
2° een mouwloos vest.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
1° een mantel;
2° een mouwloos vest.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 16. La tenue de régulation de la circulation se compose des pièces suivantes :
1° un manteau ;
2° un gilet.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° un manteau ;
2° un gilet.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 17. De mantel van het tenue voor de verkeersopdrachten is individueel voor de leden van de gemeentepolitie die belast zijn met de verkeersregeling. De mantel moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
Art. 17. Le manteau de la tenue de régulation de la circulation est individuel pour les membres de la police communale chargés de la régulation de la circulation. Ce manteau doit être mis à leur disposition par la commune.
3. Het tenue van de hondenbegeleider.
3. La tenue de maître-chien.
Art. 18. Het tenue van de hondenbegeleider bestaat uit volgende stukken :
1° een hemd;
2° een das;
3° een T-shirt;
4° een pull;
5° een broek;
6° hoge schoenen van het type "combat shoes";
7° een pet;
8° een parka.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
1° een hemd;
2° een das;
3° een T-shirt;
4° een pull;
5° een broek;
6° hoge schoenen van het type "combat shoes";
7° een pet;
8° een parka.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 18. La tenue de maître-chien se compose des pièces suivantes :
1° une chemise ;
2° une cravate ;
3° un T-shirt ;
4° un pull ;
5° un pantalon ;
6° des bottines du type "combat shoes" ;
7° une casquette ;
8° un parka.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° une chemise ;
2° une cravate ;
3° un T-shirt ;
4° un pull ;
5° un pantalon ;
6° des bottines du type "combat shoes" ;
7° une casquette ;
8° un parka.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 19. De broek van het tenue van de hondenbegeleider is individueel voor de politieambtenaar die de functie van hondenbegeleider uitoefent.
De broek moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
De broek moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
Art. 19. Le pantalon de la tenue de maître-chien est individuel pour le fonctionnaire de la police communale exerçant la fonction de maître-chien. Il doit être mis à sa disposition par la commune.
4. Het ruitertenue.
4. La tenue de cavalier.
Art. 20. Het ruitertenue bestaat uit de volgende stukken : 1° een ruiterbroek;
2° een ruiterjas;
3° een ruiterregenjas;
4° ruiterlaarzen;
5° een ruiterhelm;
6° een ruitervest;
7° een hemd;
8° een T-shirt;
9° een pull;
10° een pet.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
2° een ruiterjas;
3° een ruiterregenjas;
4° ruiterlaarzen;
5° een ruiterhelm;
6° een ruitervest;
7° een hemd;
8° een T-shirt;
9° een pull;
10° een pet.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 20. La tenue de cavalier se compose des pièces suivantes :
1° un pantalon cavalier ;
2° un gilet cavalier ;
3° un imperméable cavalier ;
4° des bottes cavalier ;
5° un casque cavalier ;
6° une veste cavalier ;
7° une chemise ;
8° un T-shirt ;
9° un pull ;
10° une casquette.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° un pantalon cavalier ;
2° un gilet cavalier ;
3° un imperméable cavalier ;
4° des bottes cavalier ;
5° un casque cavalier ;
6° une veste cavalier ;
7° une chemise ;
8° un T-shirt ;
9° un pull ;
10° une casquette.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 21. Het ruitertenue is individueel voor de politieambtenaar die de functie van ruiter uitoefent. Het tenue moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
Art. 21. La tenue de cavalier est individuelle pour le fonctionnaire de police exerçant la fonction de cavalier. Elle doit être mise à sa disposition par la commune.
5. Het oefentenue.
5. La tenue d'exercice.
Art. 22. Het oefentenue bestaat uit volgende stukken : 1° een overall;
2° een hemd;
3° een T-shirt;
4° een pull;
5° een parka;
6° hoge schoenen van het type "combat shoes";
7° een pet.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
2° een hemd;
3° een T-shirt;
4° een pull;
5° een parka;
6° hoge schoenen van het type "combat shoes";
7° een pet.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 22. La tenue d'exercice se compose des pièces suivantes :
1° une salopette ;
2° une chemise ;
3° un T-shirt ;
4° un pull ;
5° un parka ;
6° des bottines type "combat shoes" ;
7° une casquette.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° une salopette ;
2° une chemise ;
3° un T-shirt ;
4° un pull ;
5° un parka ;
6° des bottines type "combat shoes" ;
7° une casquette.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 23. Het oefentenue maakt deel uit van de eerste uitrusting van de aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent, stagedoende veldwachter en politieambtenaar.
Art. 23. La tenue d'exercice fait partie du premier équipement de l'aspirant agent de police, de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire et du fonctionnaire de police.
6. Het motorrijderstenue.
6. La tenue de motocycliste.
Art. 24. Het motorrijderstenue bestaat uit volgende stukken : 1° een lederen blouson;
2° een lederen broek;
3° laarzen;
4° handschoenen;
5° een helm;
6° een pet;
7° regenkledij;
8° een T-shirt.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
2° een lederen broek;
3° laarzen;
4° handschoenen;
5° een helm;
6° een pet;
7° regenkledij;
8° een T-shirt.
Dit tenue moet conform de in bijlage 4 bij dit besluit vastgestelde normen zijn.
Art. 24. La tenue de motocycliste se compose des pièces suivantes :
1° un blouson en cuir ;
2° un pantalon en cuir ;
3° des bottes ;
4° des gants ;
5° un casque ;
6° une casquette ;
7° une tenue de pluie ;
8° un T-shirt.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
1° un blouson en cuir ;
2° un pantalon en cuir ;
3° des bottes ;
4° des gants ;
5° un casque ;
6° une casquette ;
7° une tenue de pluie ;
8° un T-shirt.
Cette tenue doit être conforme aux normes fixées à l'annexe 4 du présent arrêté.
Art. 25. Het motorrijderstenue is individueel voor de politieambtenaar die de functie van motorrijder uitoefent. Het tenue moet door de gemeente ter beschikking gesteld worden.
Art. 25. La tenue de motocycliste est individuelle pour les fonctionnaires de la police communale exerçant la fonction d'agent motocycliste. Elle doit être mise à leur disposition par la commune.
HOOFDSTUK VI. - De gradenkentekens, de graden en de bijzondere kentekens.
CHAPITRE VI. - Les insignes de grade, les grades et les insignes particuliers.
Art. 26. De beschrijving van de gradenkentekens, van de bijzondere kentekens en de opsomming van de verschillende graden van de leden van de gemeentepolitie zijn weergegeven in bijlage 5 bij dit besluit.
Art. 26. La description des insignes de grade, des insignes particuliers et l'énumération des différents grades des membres de la police communale se trouvent à l'annexe 5 du présent arrêté.
HOOFDSTUK VII. - Omstandigheden waarin de verschillende tenues worden gedragen.
CHAPITRE VII. - Les circonstances de port des différentes tenues.
Art. 27. De verschillende tenues kunnen enkel in de volgende omstan - digheden worden gedragen :
1° Basistenue
Dit tenue wordt tijdens de diensturen zowel binnen als buiten gedragen.
2° Gewoon tenue
Dit tenue vult het basistenue aan.
3° Stadstenue
Dit tenue wordt gedragen bij elke andere representatie-opdracht dan een ceremonie of een gala of tijdens een eredienst of begrafenis.
In deze laatste twee gevallen zullen hierbij uitzonderlijk het wit hemd en de zwarte das worden gedragen.
4° Ceremonieel tenue
Dit tenue wordt gedragen ter gelegenheid van elke interne of externe ceremonie met een officieel karakter, met een uitzondering voor de leden van de ordedienst die tijdens dergelijke ceremonieën de ordehandhaving moeten verzekeren.
5° Galatenue
Dit tenue wordt uitsluitend gedragen bij gelegenheden met een officieel karakter waarbij avondkledij gewenst of vereist wordt.
6° Ordehandhavingstenue
Dit tenue wordt gedragen in omstandigheden waarbij de openbare orde dreigt verstoord te worden.
7° Tenue voor de verkeersopdrachten
Dit tenue wordt gedragen tijdens de opdrachten van verkeersregeling.
8° Tenue van de hondenbegeleider
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten met honden.
9° Ruitertenue
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten te paard.
10° Oefentenue
Dit tenue wordt gedragen door de leden van de gemeentepolitie in opleiding en/of bijscholing, wanneer er praktische oefeningen moeten worden uitgevoerd.
11° Motorrijderstenue
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten met de motorfiets.
1° Basistenue
Dit tenue wordt tijdens de diensturen zowel binnen als buiten gedragen.
2° Gewoon tenue
Dit tenue vult het basistenue aan.
3° Stadstenue
Dit tenue wordt gedragen bij elke andere representatie-opdracht dan een ceremonie of een gala of tijdens een eredienst of begrafenis.
In deze laatste twee gevallen zullen hierbij uitzonderlijk het wit hemd en de zwarte das worden gedragen.
4° Ceremonieel tenue
Dit tenue wordt gedragen ter gelegenheid van elke interne of externe ceremonie met een officieel karakter, met een uitzondering voor de leden van de ordedienst die tijdens dergelijke ceremonieën de ordehandhaving moeten verzekeren.
5° Galatenue
Dit tenue wordt uitsluitend gedragen bij gelegenheden met een officieel karakter waarbij avondkledij gewenst of vereist wordt.
6° Ordehandhavingstenue
Dit tenue wordt gedragen in omstandigheden waarbij de openbare orde dreigt verstoord te worden.
7° Tenue voor de verkeersopdrachten
Dit tenue wordt gedragen tijdens de opdrachten van verkeersregeling.
8° Tenue van de hondenbegeleider
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten met honden.
9° Ruitertenue
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten te paard.
10° Oefentenue
Dit tenue wordt gedragen door de leden van de gemeentepolitie in opleiding en/of bijscholing, wanneer er praktische oefeningen moeten worden uitgevoerd.
11° Motorrijderstenue
Dit tenue wordt gedragen tijdens patrouilles en/of opdrachten met de motorfiets.
Art. 27. Les circonstances de port des différentes tenues sont déterminées ci-après :
1° Tenue de base.
Cette tenue est portée à l'intérieur et à l'extérieur pendant les heures de service.
2° Tenue ordinaire.
Cette tenue complète le tenue de base.
3° Tenue de ville.
Tenue portée lors de toute mission de représentation autre que cérémonie ou gala ou lors de service d'honneur ou de funérailles.
Pour ces deux derniers cas, exceptionnellement, la chemise blanche et la cravate noire seront portées.
4° Tenue de cérémonie.
Tenue portée à l'occasion de toute cérémonie, interne ou externe, ayant un caractère officiel, à l'exception des membres du service de police qui assurent le service d'ordre pendant cette cérémonie.
5° Tenue de gala.
Cette tenue est portée uniquement lors de manifestation à caractère officiel lorsque la tenue de soirée est souhaitée ou exigée.
6° Tenue de maintien de l'ordre.
Cette tenue est portée dans les circonstances où l'ordre public risque d'être compromis.
7° Tenue de régulation de la circulation.
Cette tenue est portée au cours de missions de régulation de la circulation.
8° Tenue du maître-chien.
Cette tenue est portée au cours de patrouilles et/ou missions avec chiens.
9° Tenue de cavalier.
Cette tenue est portée au cours de patrouilles et/ou missions à cheval.
10° La tenue d'exercice.
Cette tenue est portée par les membres de la police communale en formation et/ou recyclage lorsque des exercices pratiques doivent être effectués.
11° Tenue des motocyclistes.
Cette tenue est portée par les membres de la police communale au cours de patrouilles et/ou missions à moto.
1° Tenue de base.
Cette tenue est portée à l'intérieur et à l'extérieur pendant les heures de service.
2° Tenue ordinaire.
Cette tenue complète le tenue de base.
3° Tenue de ville.
Tenue portée lors de toute mission de représentation autre que cérémonie ou gala ou lors de service d'honneur ou de funérailles.
Pour ces deux derniers cas, exceptionnellement, la chemise blanche et la cravate noire seront portées.
4° Tenue de cérémonie.
Tenue portée à l'occasion de toute cérémonie, interne ou externe, ayant un caractère officiel, à l'exception des membres du service de police qui assurent le service d'ordre pendant cette cérémonie.
5° Tenue de gala.
Cette tenue est portée uniquement lors de manifestation à caractère officiel lorsque la tenue de soirée est souhaitée ou exigée.
6° Tenue de maintien de l'ordre.
Cette tenue est portée dans les circonstances où l'ordre public risque d'être compromis.
7° Tenue de régulation de la circulation.
Cette tenue est portée au cours de missions de régulation de la circulation.
8° Tenue du maître-chien.
Cette tenue est portée au cours de patrouilles et/ou missions avec chiens.
9° Tenue de cavalier.
Cette tenue est portée au cours de patrouilles et/ou missions à cheval.
10° La tenue d'exercice.
Cette tenue est portée par les membres de la police communale en formation et/ou recyclage lorsque des exercices pratiques doivent être effectués.
11° Tenue des motocyclistes.
Cette tenue est portée par les membres de la police communale au cours de patrouilles et/ou missions à moto.
HOOFDSTUK VIII. - De uitrustingen en de vervangings- en onderhoudsmodaliteiten.
CHAPITRE VIII. Les équipements et leurs modalités de remplacement et d'entretien.
Art. 28. Een opsomming van de kledingsstukken die behoren tot de eerste uitrusting en die aan de kandidaat, die is toegelaten tot de opleidingen van hulpagent van politie, aspirant-politieagent, aspirant-veld wachter en aan de stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter, moeten verstrekt worden, is opgenomen in bijlage 6 bij dit besluit.
Art. 28. Une énumération des pièces faisant partie du premier équipement devant être fourni au candidat admis aux formations d'agent auxiliaire de police, d'aspirant agent de police, d'aspirant garde champêtre, et à l'agent de police stagiaire et garde champêtre stagiaire, est décrite à l'annexe 6 du présent arrêté.
Art. 29. Bij de benoeming tot hulpagent van politie wordt de eerste uitrusting, beschreven in artikel 28, aangevuld met een tweede uitrusting volgens de aanduidingen vermeld in bijlage 7 bij dit besluit.
De eerste en de tweede uitrusting vormen samen de volledige uitrusting waarover een hulpagent van politie moet kunnen beschikken.
De eerste en de tweede uitrusting vormen samen de volledige uitrusting waarover een hulpagent van politie moet kunnen beschikken.
Art. 29. A la nomination, le premier équipement de l'agent auxiliaire de police, visé à l'article 28, est complété par un second équipement selon les indications mentionnées à l'annexe 7 du présent arrêté.
Le premier et le deuxième équipement constituent ensemble l'équipement complet dont un agent auxiliaire de police doit pouvoir disposer.
Le premier et le deuxième équipement constituent ensemble l'équipement complet dont un agent auxiliaire de police doit pouvoir disposer.
Art. 30. Bij de benoeming wordt de eerste uitrusting van de politie ambtenaar, beschreven in artikel 28, aangevuld met een tweede uitrusting volgens de aanduidingen vermeld in bijlage 8 bij dit besluit.
De eerste en de tweede uitrusting vormen samen de volledige uitrusting waarover een politieambtenaar moet kunnen beschikken.
De eerste en de tweede uitrusting vormen samen de volledige uitrusting waarover een politieambtenaar moet kunnen beschikken.
Art. 30. A la nomination, le premier équipement du fonctionnaire de police, visé à l'article 28, est complété par un second équipement selon les indications mentionnées à l'annexe 8 du présent arrêté.
Le premier et le deuxième équipement constituent ensemble l'équipement complet dont un fonctionnaire de police doit pouvoir disposer.
Le premier et le deuxième équipement constituent ensemble l'équipement complet dont un fonctionnaire de police doit pouvoir disposer.
Art. 31. Ieder gemeentebestuur bepaalt de vervangingsperiodiciteit voor de verschillende uniformstukken, en waakt erover dat elk lid van de gemeentepolitie op elk ogenblik over een volledige en onberispelijke uitrusting kan beschikken. Niettemin mag voor de belangrijkste uniformstukken deze vervangingsperiodiciteit de termijnen van vervanging vermeld in bijlage 9 bij dit besluit, niet overschrijden.
Art. 31. Chaque administration communale détermine la périodicité de remplacement pour les différentes pièces d'uniforme et veille à ce que chaque membre de la police communale puisse disposer à tout moment d'un équipement complet et impeccable.
Toutefois la périodicité de remplacement prévue pour les principaux éléments d'uniforme ne peut dépasser les délais de remplacement visés à l'annexe 9 du présent arrêté.
Toutefois la périodicité de remplacement prévue pour les principaux éléments d'uniforme ne peut dépasser les délais de remplacement visés à l'annexe 9 du présent arrêté.
Art. 32. De beschadigde of verloren uniformstukken zullen evenwel onmiddellijk vervangen worden .
1° op kosten van het gemeentebestuur voor de gemeentepolitie van het stedelijke type of de provincie voor de gemeentepolitie van het landelijke type indien de beschadiging of het verlies het gevolg zijn van oorzaken onafhankelijk van de wil van het lid van de gemeentepolitie;
2° op kosten van het lid van de gemeentepolitie indien de beschadiging of het verlies te wijten zijn aan zijn nalatigheid.
1° op kosten van het gemeentebestuur voor de gemeentepolitie van het stedelijke type of de provincie voor de gemeentepolitie van het landelijke type indien de beschadiging of het verlies het gevolg zijn van oorzaken onafhankelijk van de wil van het lid van de gemeentepolitie;
2° op kosten van het lid van de gemeentepolitie indien de beschadiging of het verlies te wijten zijn aan zijn nalatigheid.
Art. 32. Les pièces détériorées ou perdues composant l'uniforme seront immédiatement remplacées :
1° aux frais de l'administration communale pour la police communale urbaine ou de la province pour la police communale rurale si la détérioration ou la perte résulte de causes indépendantes de la volonté du membre de la police communale ;
2° aux frais du membre de la police communale si la détérioration ou la perte résulte de sa négligence.
1° aux frais de l'administration communale pour la police communale urbaine ou de la province pour la police communale rurale si la détérioration ou la perte résulte de causes indépendantes de la volonté du membre de la police communale ;
2° aux frais du membre de la police communale si la détérioration ou la perte résulte de sa négligence.
Art. 33. In geval van bevordering en/of affectatiewijziging zullen de kosten voor aanpassing van het uniform integraal gedragen worden door het gemeentebestuur voor de gemeentepolitie van het stedelijke type of de provincie voor de gemeentepolitie van het landelijke type.
Art. 33. Les frais de modification des tenues lors de promotion et/ou de changement d'affectation, seront supportés totalement par l'administration communale pour la police communale urbaine ou la province pour la police communale rurale.
HOOFDSTUK IX. - Overgangs-, opheffing- en slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires, abrogatoires et finales.
Art. 34. Het huidig uniform geregeld door het koninklijk besluit van 29 november 1978 mag nog verder gedragen worden gedurende een periode van (vier jaar) na de datum van inwerkingtreding van dit besluit. <KB 1998-08-31/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 22-09-1998>
Het tenue voor de verkeersopdrachten moet uiterlijk 2 jaar na de inwer kingtreding van dit besluit beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Het ordehandhavingstenue dat aangekocht wordt na de inwerking treding van dit besluit moet beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Het huidig ordehandhavingstenue moet uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Het tenue voor de verkeersopdrachten moet uiterlijk 2 jaar na de inwer kingtreding van dit besluit beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Het ordehandhavingstenue dat aangekocht wordt na de inwerking treding van dit besluit moet beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Het huidig ordehandhavingstenue moet uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit beantwoorden aan de in dit besluit vastgestelde normen.
Art. 34. L'uniforme actuel régi par l'arrêté royal du 29 novembre 1978 peut encore être porté pendant une période de (quatre ans) à partir de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté. <AR 1998-08-31/30, art. 1, 002; En vigueur : 22-09-1998>
La tenue de régulation de la circulation doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté au plus tard 2 ans après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
La tenue de maintien de l'ordre acquise ultérieurement à l'entrée en vigueur du présent arrêté doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté.
La tenue de maintien de l'ordre actuelle doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté, au plus tard quatre ans après son entrée en vigueur.
La tenue de régulation de la circulation doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté au plus tard 2 ans après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
La tenue de maintien de l'ordre acquise ultérieurement à l'entrée en vigueur du présent arrêté doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté.
La tenue de maintien de l'ordre actuelle doit être conforme aux normes fixées au présent arrêté, au plus tard quatre ans après son entrée en vigueur.
Art. 35. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 3 december 1839 tot vaststelling van de kledij van de politiecommissarissen;
2° het koninklijk besluit van 7 februari 1859 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 december 1839 tot vaststelling van de kledij van de politiecommissarissen;
3° het koninklijk besluit van 29 november 1978 houdende regeling van het dragen van het uniform door de gemeentepolitie en de veldpolitie;
4° het koninklijk besluit van 21 februari 1990 tot regeling van de normen voor de uitrusting van de leden van de gemeentepolitie tijdens de handhaving van de openbare orde;
5° het koninklijk besluit van 21 februari 1990 tot regeling van de uitrustingsnormen van de motoragenten en de verkeersagenten van de gemeentepolitie;
6° het koninklijk besluit van 27 december 1990 houdende vaststelling van het uniform van de hulpagenten van politie.
1° het koninklijk besluit van 3 december 1839 tot vaststelling van de kledij van de politiecommissarissen;
2° het koninklijk besluit van 7 februari 1859 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 december 1839 tot vaststelling van de kledij van de politiecommissarissen;
3° het koninklijk besluit van 29 november 1978 houdende regeling van het dragen van het uniform door de gemeentepolitie en de veldpolitie;
4° het koninklijk besluit van 21 februari 1990 tot regeling van de normen voor de uitrusting van de leden van de gemeentepolitie tijdens de handhaving van de openbare orde;
5° het koninklijk besluit van 21 februari 1990 tot regeling van de uitrustingsnormen van de motoragenten en de verkeersagenten van de gemeentepolitie;
6° het koninklijk besluit van 27 december 1990 houdende vaststelling van het uniform van de hulpagenten van politie.
Art. 35. Sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 3 décembre 1839 déterminant le costume des commissaires de police ;
2° l'arrêté royal du 7 février 1859 modifiant l'arrêté royal du 3 décembre 1839 déterminant le costume des commissaires de police ;
3° l'arrêté royal du 29 novembre 1978 réglementant le port de l'uniforme de la police communale et de la police rurale ;
4° l'arrêté royal du 21 février 1990 réglant les normes d'équipement des membres de la police communale lors du maintien de l'ordre public ;
5° l'arrêté royal du 21 février 1990 réglant les normes d'équipement des agents motocyclistes et des agents chargés de la circulation de la police communale ;
6° l'arrêté royal du 27 décembre 1990 fixant l'uniforme des agents auxiliaires de police.
1° l'arrêté royal du 3 décembre 1839 déterminant le costume des commissaires de police ;
2° l'arrêté royal du 7 février 1859 modifiant l'arrêté royal du 3 décembre 1839 déterminant le costume des commissaires de police ;
3° l'arrêté royal du 29 novembre 1978 réglementant le port de l'uniforme de la police communale et de la police rurale ;
4° l'arrêté royal du 21 février 1990 réglant les normes d'équipement des membres de la police communale lors du maintien de l'ordre public ;
5° l'arrêté royal du 21 février 1990 réglant les normes d'équipement des agents motocyclistes et des agents chargés de la circulation de la police communale ;
6° l'arrêté royal du 27 décembre 1990 fixant l'uniforme des agents auxiliaires de police.
Art. 36. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 36. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 37. Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Gegeven te Brussel, 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Art. 37. Notre Ministre de l'Intérieur est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Donné à Bruxelles, le 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Het uniform van de hulpagent van de politie.
Het uniform van de hulpagent van politie draagt geen enkel onderscheidingsteken van graad.
Het onderscheidingskenteken van de gemeentepolitie van het stedelijk type is rechtstreeks aangebracht op de kraaghoeken (zie fig. 1a).
De hulpagent draagt de verschillende hierna vermelde tenues.
A. Voor mannelijke personeelsleden:
Het uniform van de hulpagent van politie draagt geen enkel onderscheidingsteken van graad.
Het onderscheidingskenteken van de gemeentepolitie van het stedelijk type is rechtstreeks aangebracht op de kraaghoeken (zie fig. 1a).
De hulpagent draagt de verschillende hierna vermelde tenues.
A. Voor mannelijke personeelsleden:
Art. N1. Annexe 1. L'uniforme de l'auxiliaire de police.
L'uniforme de l'agent auxiliaire ne porte aucun insigne de grade.
L'insigne distinctif de la police communale urbaine est apposé directement sur les coins de col (voir fig. 1a).
L'auxiliaire de police porte les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
L'uniforme de l'agent auxiliaire ne porte aucun insigne de grade.
L'insigne distinctif de la police communale urbaine est apposé directement sur les coins de col (voir fig. 1a).
L'auxiliaire de police porte les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
1. Basistenue :
Schoeisel : - Molieres : zwart, klassiek model;
- Laarsjes : zwart, klassiek model met platte hak;
- Laarzen : in zwart leder of zwart synthetisch
materiaal.
Het schoeisel moet uitgerust zijn met een antislip
- zool.
Sokken : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003).
Broek : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003).
Klassieke broek met 2 zijzakken en 1 achterzak met
knoop, zonder klep.
Riem met 6 passanten (1 aan elke kant van de
achternaad, 1 aan elke kant het lichaam en 1 aan
weerszijden van de broekssluiting).
Riem : Webbing-riem met regelbare gesp in zilverkleurig
metaal, voorzien van 4 "duty belts". In de gesp
zal het kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke type geslagen zijn (zie fig. 1a).
Koppel : In glad zwart leder "pleine fleur" 4 mm dik, 5,5 cm
hoog.
Alle accessoires die aan de koppel bevestigd worden
zullen in glad zwart leder zijn.
Gesp in verchroomd koper, "twee tongen".
Hemd (zie fig. 20a ) :Kleur : Briljantblauw (RAL 5007).
Twee borstzakken met klep overlangs de borst en
knopen in dezelfde kleur als de stof.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke type in het midden boven de
klep ter hoogte van de linkerzak 3,5 cm hoog en 3
cm breed (zie fig. 1a).
Enkelvoudige manchetten volgens kapucijner model
met dubbele knoopsgaten (voor eventuele
manchetknopen).
Klassieke kraag.
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een platte knoop.
Vastknopen : Engelse sluiting.
De zomerhemden hebben korte mouwen met een omslag
en een borststukje.
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Das : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003)
Kepie : Zie beschrijving in bijlage 5
Politiemuts : Voor stagedoende hulpagenten, zie beschrijving
bijlage 5.
Schoeisel : - Molieres : zwart, klassiek model;
- Laarsjes : zwart, klassiek model met platte hak;
- Laarzen : in zwart leder of zwart synthetisch
materiaal.
Het schoeisel moet uitgerust zijn met een antislip
- zool.
Sokken : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003).
Broek : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003).
Klassieke broek met 2 zijzakken en 1 achterzak met
knoop, zonder klep.
Riem met 6 passanten (1 aan elke kant van de
achternaad, 1 aan elke kant het lichaam en 1 aan
weerszijden van de broekssluiting).
Riem : Webbing-riem met regelbare gesp in zilverkleurig
metaal, voorzien van 4 "duty belts". In de gesp
zal het kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke type geslagen zijn (zie fig. 1a).
Koppel : In glad zwart leder "pleine fleur" 4 mm dik, 5,5 cm
hoog.
Alle accessoires die aan de koppel bevestigd worden
zullen in glad zwart leder zijn.
Gesp in verchroomd koper, "twee tongen".
Hemd (zie fig. 20a ) :Kleur : Briljantblauw (RAL 5007).
Twee borstzakken met klep overlangs de borst en
knopen in dezelfde kleur als de stof.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke type in het midden boven de
klep ter hoogte van de linkerzak 3,5 cm hoog en 3
cm breed (zie fig. 1a).
Enkelvoudige manchetten volgens kapucijner model
met dubbele knoopsgaten (voor eventuele
manchetknopen).
Klassieke kraag.
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een platte knoop.
Vastknopen : Engelse sluiting.
De zomerhemden hebben korte mouwen met een omslag
en een borststukje.
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Das : Kleur : Saffierblauw (RAL 5003)
Kepie : Zie beschrijving in bijlage 5
Politiemuts : Voor stagedoende hulpagenten, zie beschrijving
bijlage 5.
1. Tenue de base :
Chaussures : - Molière : noires, d'un type classique ;
- Bottillons : noirs, de type classique a talons plats ;
- Bottes : en cuir ou en matière synthétique noir.
Les chaussures doivent avoir des semelles
antidérapantes.
Chaussettes : De teinte bleu saphir (RAL 5003).
Pantalon : De teinte bleu saphir (RAL 5003).
Pantalon classique avec 2 poches de cote et 1 poche
arrière boutonnée sans rabat.
Ceinture avec 6 passants (1 de chaque cote de la
couronne arrière, 1 de chaque cote du corps et 1 de
part et d'autre de la fermeture du pantalon).
Ceinture : Ceinture Webbing avec boucle coulissante en métal
argente, munie de 4 duty belt.
La boucle sera frappée de l'insigne de la police
communale urbaine (voir fig. 1a).
Ceinturon : En cuir noir lisse, pleine fleur 4 mm d'épaisseur,
5 cm 1/2 de hauteur.
Tous les accessoires s'attachant au ceinturon seront en
cuir noir lisse.
Boucle en cuivre chrome, deux "ardillons".
Chemise
(voir
fig. 20a) : De teinte bleu brillant (RAL 5007).
Deux poches de poitrine, rabat continu barrant la
poitrine et boutons de la même teinte que le tissu.
Insigne de la police communale urbaine (voir fig. 1a)
brode blanc centre au-dessus du rabat a hauteur de la
poche gauche (3,5 cm de haut sur 3 cm de large).
Manchettes : modèle capucin simples avec doubles
boutonnières (pour éventuellement boutons de
manchettes).
Col classique.
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
fixées par un bouton plat.
Boutonnage : fermeture a l'anglaise.
Les chemises d'été possèdent des manches courtes a
revers et une modestie.
Pattes
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Cravate : Bleu saphir (RAL 5003).
Képi : Voir description a l'annexe 5.
Calot : Pour l'agent auxiliaire stagiaire : voir description a
l'annexe 5.
Chaussures : - Molière : noires, d'un type classique ;
- Bottillons : noirs, de type classique a talons plats ;
- Bottes : en cuir ou en matière synthétique noir.
Les chaussures doivent avoir des semelles
antidérapantes.
Chaussettes : De teinte bleu saphir (RAL 5003).
Pantalon : De teinte bleu saphir (RAL 5003).
Pantalon classique avec 2 poches de cote et 1 poche
arrière boutonnée sans rabat.
Ceinture avec 6 passants (1 de chaque cote de la
couronne arrière, 1 de chaque cote du corps et 1 de
part et d'autre de la fermeture du pantalon).
Ceinture : Ceinture Webbing avec boucle coulissante en métal
argente, munie de 4 duty belt.
La boucle sera frappée de l'insigne de la police
communale urbaine (voir fig. 1a).
Ceinturon : En cuir noir lisse, pleine fleur 4 mm d'épaisseur,
5 cm 1/2 de hauteur.
Tous les accessoires s'attachant au ceinturon seront en
cuir noir lisse.
Boucle en cuivre chrome, deux "ardillons".
Chemise
(voir
fig. 20a) : De teinte bleu brillant (RAL 5007).
Deux poches de poitrine, rabat continu barrant la
poitrine et boutons de la même teinte que le tissu.
Insigne de la police communale urbaine (voir fig. 1a)
brode blanc centre au-dessus du rabat a hauteur de la
poche gauche (3,5 cm de haut sur 3 cm de large).
Manchettes : modèle capucin simples avec doubles
boutonnières (pour éventuellement boutons de
manchettes).
Col classique.
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
fixées par un bouton plat.
Boutonnage : fermeture a l'anglaise.
Les chemises d'été possèdent des manches courtes a
revers et une modestie.
Pattes
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Cravate : Bleu saphir (RAL 5003).
Képi : Voir description a l'annexe 5.
Calot : Pour l'agent auxiliaire stagiaire : voir description a
l'annexe 5.
2. Gewoon tenue :
Pull : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Ronde hals, donkerblauwe band van 25 mm breed
(doorlopend over de borst en bovenkant van de
mouwen), wit geborduurd kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke type boven de
donkerblauwe band aan de linkerkant, +/- 5 cm hoog
op 4,5 cm breed (zie fig. 1a).
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een velcro.
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Kleur . saffierblauw (RAL 5003).
Borststuk met rolkraag in dezelfde stof als de
pull.
Parka (zie fig. 15b): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Hij is vervaardigd uit een stof die waterdicht en
zweetdoorlatend is, en aldus bescherming biedt
tegen de regen.
Een uitneembare fleece zorgt voor een bescherming
tegen de koude.
Om een volledige waterdichtheid van het kledingstuk
te garanderen zijn alle naden aan de binnenzijde
van een afdichtingsband voorzien.
De snit is van het klassieke type, met een licht
vernauwende en regelbare taille.
De jas sluit door middel van een rits die doorloopt
tot bovenaan de kraag.
Ze is over de ganse lengte bedekt met een dubbele
klep.
De jas heeft twee rechte borstzakken en onderaan
twee schuine steekzakken.
De schouders zijn bedekt met een plat stuk zonder
schoudernaad.
De afdichtingsbanden aangebracht op de naden moeten
bestand zijn tegen de rechtstreekse impact van een
waterstraal vanop meer dan 1,5 m.
Het uitzicht en de eigenschappen van de stof
evenals de eigenschappen van de naadafdichtingsband
moeten ook behouden blijven na veelvuldige
wasbeurten en doorbuigen (zie Din normen). Dit om
het aspect van het kledingstuk en zijn
oorspronkelijke eigenschappen te garanderen.
De parka is volledig gevoerd met een 100 %
polyesterweefsel dat water- en olieafstotend is.
De fleece is een eenzijdig polarfleece dat tegen
bacterien en microben is behandeld.
Gewicht : 220 g/m2.
Krimp : 3 tot 5 %.
Winddoorlaatbaarheid : 145 cm/cm2/sec.
De drukknopen zijn uit bronskleurig metaal en
waterdicht. Een volumevlies uit 100 % polyester
wordt in de kraag ingewerkt om de stijfheid van de
kraag te garanderen.
De buitenzijde van de parka is volledig uit het
basisweefsel vervaardigd.
Hij sluit door middel van een rits met dubbele
loper (die doorloopt tot bovenaan de kraag) en 6
drukknopen welke ingewerkt zijn in de dubbele
klep.
De klep is 7 cm breed.
De onderklep is 1 cm breder en vormt een gootje.
Hierdoor wordt insijpelen langs de sluiting
vermeden. De borstzakken sluiten met een rits van
15 cm. Ze zijn bedekt met een licht afgeschuinde
klep die op haar beurt sluit met twee drukknopen.
De schuine steekzakken hebben een rits van 20 cm
en zijn bedekt met een klep.
De mouwen zijn recht en uit een stuk.
De taillewijdte kan aan de binnenzijde bijgesteld
worden door middel van een elastisch touw en twee
koordstoppers.
Een plat stuk zonder naad bedekt de schouders.
Hierop zijn in het midden twee schouderstukken van
5 cm breed genaaid.
Ze sluiten door middel van twee drukknopen.
Elke naad is slechts een keer overstikt, behalve
de zijnaden. Deze zijn van het kapnaadtype (dubbel
geplooid en twee keer overstikt). Op alle naden is
een afdichtingsband aangebracht.
De voering heeft (links binnenin) een binnenzak die
afsluit met een rits. De boorden van de voering
zijn versterkt met de basisstof, hierop zijn de
drukknopen en de rits voor het bevestigen van de
fleece aangebracht. Op de fleece is eveneens (op
de linkerzijde) een binnenzak gestikt. Hij sluit
door middel van een rits. Gebreide boorden aan de
mouwen van de fleece dienen te vermijden dat wind
in de mouwen dringt. Zowel op de fleece als op de
voering van de parka is in de drie landstalen een
etiket gestikt met vermelding van de samenstelling
en de onderhoudsverplichtingen.
Kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
type 8 cm hoog, thermogekleefd op linkerzak (zie
fig. 2a).
Rechtopstaande kraag.
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5.
Regenjas: Kleur :saffierblauw (RAL 5003).
(zie fig. 19) Model stadsregenjas.
Enkelvoudige knoopssluiting onder klep.
Kraag "chevalier".
Watteau-plooi in de rug.
Rechte mouwen.
schuine zakken.
Schouderstukken : idem als voor de jekker.
Lichtjes getailleerd.
Sjaal : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
In fijne jersey. Maximum 1 m 50 lang op 20 cm
breed.
Handschoenen : Zwartlederen, al dan niet gevoerd en uit witte
nylon of witte katoen voor de verkeersopdrachten.
Pull : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Ronde hals, donkerblauwe band van 25 mm breed
(doorlopend over de borst en bovenkant van de
mouwen), wit geborduurd kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke type boven de
donkerblauwe band aan de linkerkant, +/- 5 cm hoog
op 4,5 cm breed (zie fig. 1a).
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een velcro.
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Kleur . saffierblauw (RAL 5003).
Borststuk met rolkraag in dezelfde stof als de
pull.
Parka (zie fig. 15b): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Hij is vervaardigd uit een stof die waterdicht en
zweetdoorlatend is, en aldus bescherming biedt
tegen de regen.
Een uitneembare fleece zorgt voor een bescherming
tegen de koude.
Om een volledige waterdichtheid van het kledingstuk
te garanderen zijn alle naden aan de binnenzijde
van een afdichtingsband voorzien.
De snit is van het klassieke type, met een licht
vernauwende en regelbare taille.
De jas sluit door middel van een rits die doorloopt
tot bovenaan de kraag.
Ze is over de ganse lengte bedekt met een dubbele
klep.
De jas heeft twee rechte borstzakken en onderaan
twee schuine steekzakken.
De schouders zijn bedekt met een plat stuk zonder
schoudernaad.
De afdichtingsbanden aangebracht op de naden moeten
bestand zijn tegen de rechtstreekse impact van een
waterstraal vanop meer dan 1,5 m.
Het uitzicht en de eigenschappen van de stof
evenals de eigenschappen van de naadafdichtingsband
moeten ook behouden blijven na veelvuldige
wasbeurten en doorbuigen (zie Din normen). Dit om
het aspect van het kledingstuk en zijn
oorspronkelijke eigenschappen te garanderen.
De parka is volledig gevoerd met een 100 %
polyesterweefsel dat water- en olieafstotend is.
De fleece is een eenzijdig polarfleece dat tegen
bacterien en microben is behandeld.
Gewicht : 220 g/m2.
Krimp : 3 tot 5 %.
Winddoorlaatbaarheid : 145 cm/cm2/sec.
De drukknopen zijn uit bronskleurig metaal en
waterdicht. Een volumevlies uit 100 % polyester
wordt in de kraag ingewerkt om de stijfheid van de
kraag te garanderen.
De buitenzijde van de parka is volledig uit het
basisweefsel vervaardigd.
Hij sluit door middel van een rits met dubbele
loper (die doorloopt tot bovenaan de kraag) en 6
drukknopen welke ingewerkt zijn in de dubbele
klep.
De klep is 7 cm breed.
De onderklep is 1 cm breder en vormt een gootje.
Hierdoor wordt insijpelen langs de sluiting
vermeden. De borstzakken sluiten met een rits van
15 cm. Ze zijn bedekt met een licht afgeschuinde
klep die op haar beurt sluit met twee drukknopen.
De schuine steekzakken hebben een rits van 20 cm
en zijn bedekt met een klep.
De mouwen zijn recht en uit een stuk.
De taillewijdte kan aan de binnenzijde bijgesteld
worden door middel van een elastisch touw en twee
koordstoppers.
Een plat stuk zonder naad bedekt de schouders.
Hierop zijn in het midden twee schouderstukken van
5 cm breed genaaid.
Ze sluiten door middel van twee drukknopen.
Elke naad is slechts een keer overstikt, behalve
de zijnaden. Deze zijn van het kapnaadtype (dubbel
geplooid en twee keer overstikt). Op alle naden is
een afdichtingsband aangebracht.
De voering heeft (links binnenin) een binnenzak die
afsluit met een rits. De boorden van de voering
zijn versterkt met de basisstof, hierop zijn de
drukknopen en de rits voor het bevestigen van de
fleece aangebracht. Op de fleece is eveneens (op
de linkerzijde) een binnenzak gestikt. Hij sluit
door middel van een rits. Gebreide boorden aan de
mouwen van de fleece dienen te vermijden dat wind
in de mouwen dringt. Zowel op de fleece als op de
voering van de parka is in de drie landstalen een
etiket gestikt met vermelding van de samenstelling
en de onderhoudsverplichtingen.
Kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
type 8 cm hoog, thermogekleefd op linkerzak (zie
fig. 2a).
Rechtopstaande kraag.
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5.
Regenjas: Kleur :saffierblauw (RAL 5003).
(zie fig. 19) Model stadsregenjas.
Enkelvoudige knoopssluiting onder klep.
Kraag "chevalier".
Watteau-plooi in de rug.
Rechte mouwen.
schuine zakken.
Schouderstukken : idem als voor de jekker.
Lichtjes getailleerd.
Sjaal : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
In fijne jersey. Maximum 1 m 50 lang op 20 cm
breed.
Handschoenen : Zwartlederen, al dan niet gevoerd en uit witte
nylon of witte katoen voor de verkeersopdrachten.
2. Tenue ordinaire :
Pull : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Ras du cou ; bande bleu fonce de 25 mm de large
(barrant la poitrine et le haut des manches) insigne de
la police communale urbaine brode en blanc au-dessus
de la bande bleu fonce, a gauche plus ou moins 5 cm de
haut sur 4,5 cm de large (voir fig. 1a).
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
attachées par un velcro.
Pattes
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Plastron col roule de la même matière que le pull.
Parka (voir
fig. 15b) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Il est confectionne dans un tissu imperméable et
respirant, pour assurer une protection contre la pluie.
Il est pourvu d'un fleece amovible pour assurer une
protection contre le froid.
Chaque couture est contrecollée par une bande
d'étanchéité afin de garantir l'imperméabilité complète
du vêtement.
Sa coupe est de type classique, légèrement cintrée,
avec serrage à la taille.
Il se ferme à l'aide d'une fermeture éclair recouverte
d'une double patte jusqu'au bord supérieur du col.
Il possède 2 poches poitrine droites et en bas deux
poches obliques.
Le tissu couvrant les épaules est en un seul morceau.
Les bandes d'étanchéité contrecollées sur les coutures
doivent supporter une hauteur de colonne d'eau
supérieure à 1,5 m.
L'aspect et les propriétés du tissu ainsi que des bandes
d'étanchéité résistent à de nombreux lavages et de
multiples flexions (cf. normes Din) afin de garantir au
vêtement sa présentation et ses caractéristiques
originales.
Le parka est double dans son entièreté par un tissu
100 % polyester traite hydro- et oléofuge.
Le fleece est du type fourrure polaire mono-face
traitée anti-bactérien et anti-microbien.
Poids : 220 gr/m2.
Stabilité dimensionnelle : 3 a 5 %.
Perméabilité à l'air : 145 cm/cm2/sec.
Les boutons pressions sont en métal bronze et du type
étanche.
Une membrane, de volume 100% polyester, est
incorporée dans le col afin de lui assurer un bon
maintien.
L'extérieur du parka est entièrement réalisé dans le
tissu de base.
Il se ferme a l'aide de la fermeture éclair double curseur
(montant jusqu'au bord supérieur du col) et de 6
boutons pressions incorpores dans la double patte.
La largeur de la patte est de 7 cm.
La sous-patte est un cm plus large afin d'éviter
l'infiltration de l'eau au niveau de la fermeture et de
former ainsi une gouttière d'évacuation.
Les poches poitrine sont pourvues d'une fermeture
éclair de 15 cm et sont recouvertes d'un rabat
légèrement oblique muni de 2 boutons pressions.
Les poches inférieures ont une fermeture éclair de 20
cm cache sous la patte.
Les manches sont en une seule pièce et du type droit.
Le cintrage est assure par un cordon élastique avec un
système de réglage intérieur muni de boutons d'arrêt.
La partie supérieure couvrant les épaules est d'une seule
pièce au milieu de laquelle 2 épaulettes de 5 cm de
largeur sont cousues.
Elles se ferment par 2 boutons pressions.
Chaque couture est surpiquée une seule fois, excepte
les latérales, qui elles sont du type couture anglaise
(double pliage/double piqure).
Elles sont pourvues d'une bande d'étanchéité.
La doublure est pourvue d'une poche portefeuille (cote
intérieur gauche) munie d'une fermeture éclair.
Les bords de la doublure sont renforces par le tissu de
base sur lequel se trouvent les boutons pressions et la
fermeture éclair fixant le fleece.
Le fleece est pourvu d'une poche portefeuille surpiquée
(cote intérieur gauche) munie d'une fermeture éclair.
Le fleece possède 2 coupe vents du type poignet tricot.
Une notice d'entretien et de composition, dans les trois
langues nationales, est cousue sur le fleece et la
doublure du parka.
L'insigne de la police communale urbaine de 8 cm de
haut est thermocollé sur la poche gauche (voir fig. 2a).
Col montant.
Passants
d'épaule pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Imperméable
(voir fig. 19): Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Modèle : imperméable de ville.
Boutonnage : simple sous patte légèrement cintre.
Col chevalier.
Pli Watteau au dos.
Manches droites.
Poches obliques.
Pattes d'épaules : comme pour la vareuse.
Légèrement cintre.
Echarpe : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
En jersey fines mailles maximum 1 m 50 de long sur 20
cm de large.
Gants : Noirs en peau, fourres ou non et en nylon ou coton
blanc pour les missions relatives a la circulation.
Pull : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Ras du cou ; bande bleu fonce de 25 mm de large
(barrant la poitrine et le haut des manches) insigne de
la police communale urbaine brode en blanc au-dessus
de la bande bleu fonce, a gauche plus ou moins 5 cm de
haut sur 4,5 cm de large (voir fig. 1a).
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
attachées par un velcro.
Pattes
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Plastron col roule de la même matière que le pull.
Parka (voir
fig. 15b) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Il est confectionne dans un tissu imperméable et
respirant, pour assurer une protection contre la pluie.
Il est pourvu d'un fleece amovible pour assurer une
protection contre le froid.
Chaque couture est contrecollée par une bande
d'étanchéité afin de garantir l'imperméabilité complète
du vêtement.
Sa coupe est de type classique, légèrement cintrée,
avec serrage à la taille.
Il se ferme à l'aide d'une fermeture éclair recouverte
d'une double patte jusqu'au bord supérieur du col.
Il possède 2 poches poitrine droites et en bas deux
poches obliques.
Le tissu couvrant les épaules est en un seul morceau.
Les bandes d'étanchéité contrecollées sur les coutures
doivent supporter une hauteur de colonne d'eau
supérieure à 1,5 m.
L'aspect et les propriétés du tissu ainsi que des bandes
d'étanchéité résistent à de nombreux lavages et de
multiples flexions (cf. normes Din) afin de garantir au
vêtement sa présentation et ses caractéristiques
originales.
Le parka est double dans son entièreté par un tissu
100 % polyester traite hydro- et oléofuge.
Le fleece est du type fourrure polaire mono-face
traitée anti-bactérien et anti-microbien.
Poids : 220 gr/m2.
Stabilité dimensionnelle : 3 a 5 %.
Perméabilité à l'air : 145 cm/cm2/sec.
Les boutons pressions sont en métal bronze et du type
étanche.
Une membrane, de volume 100% polyester, est
incorporée dans le col afin de lui assurer un bon
maintien.
L'extérieur du parka est entièrement réalisé dans le
tissu de base.
Il se ferme a l'aide de la fermeture éclair double curseur
(montant jusqu'au bord supérieur du col) et de 6
boutons pressions incorpores dans la double patte.
La largeur de la patte est de 7 cm.
La sous-patte est un cm plus large afin d'éviter
l'infiltration de l'eau au niveau de la fermeture et de
former ainsi une gouttière d'évacuation.
Les poches poitrine sont pourvues d'une fermeture
éclair de 15 cm et sont recouvertes d'un rabat
légèrement oblique muni de 2 boutons pressions.
Les poches inférieures ont une fermeture éclair de 20
cm cache sous la patte.
Les manches sont en une seule pièce et du type droit.
Le cintrage est assure par un cordon élastique avec un
système de réglage intérieur muni de boutons d'arrêt.
La partie supérieure couvrant les épaules est d'une seule
pièce au milieu de laquelle 2 épaulettes de 5 cm de
largeur sont cousues.
Elles se ferment par 2 boutons pressions.
Chaque couture est surpiquée une seule fois, excepte
les latérales, qui elles sont du type couture anglaise
(double pliage/double piqure).
Elles sont pourvues d'une bande d'étanchéité.
La doublure est pourvue d'une poche portefeuille (cote
intérieur gauche) munie d'une fermeture éclair.
Les bords de la doublure sont renforces par le tissu de
base sur lequel se trouvent les boutons pressions et la
fermeture éclair fixant le fleece.
Le fleece est pourvu d'une poche portefeuille surpiquée
(cote intérieur gauche) munie d'une fermeture éclair.
Le fleece possède 2 coupe vents du type poignet tricot.
Une notice d'entretien et de composition, dans les trois
langues nationales, est cousue sur le fleece et la
doublure du parka.
L'insigne de la police communale urbaine de 8 cm de
haut est thermocollé sur la poche gauche (voir fig. 2a).
Col montant.
Passants
d'épaule pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Imperméable
(voir fig. 19): Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Modèle : imperméable de ville.
Boutonnage : simple sous patte légèrement cintre.
Col chevalier.
Pli Watteau au dos.
Manches droites.
Poches obliques.
Pattes d'épaules : comme pour la vareuse.
Légèrement cintre.
Echarpe : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
En jersey fines mailles maximum 1 m 50 de long sur 20
cm de large.
Gants : Noirs en peau, fourres ou non et en nylon ou coton
blanc pour les missions relatives a la circulation.
3. Stadstenue :
Jekker (zie fig. 14): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De jekker is voorzien van kraag en kraagomslag met
schildplaatjes (ecussons).
Lang model, getailleerd, reikt tot 1 cm beneden de
dijplooien.
De jekker heeft twee borstzakken en twee opgenaaide
zijzakken. Hij sluit met vijf halfbolle zogenaamde
1/2 bengelknopen, doorsnede 21 mm), welke vertikaal
op een rij staan.
Kraag en kraagomslag : de kraag bestaat uit twee
stukken : de bovenkraag en de onderkraag. De
onderkraag is 3 a 3,5 cm hoog, volgens de hoogte
van de hals : het ligstuk is 4 a 4,5 cm hoog. De
bovenkraag bedekt de onderkraag.
Rug : De rug bestaat uit twee delen, samengevoegd
door een middennaad, die tot 1 cm beneden het
middel, zijnde de benedenboord van de koppel
reikt; die naad loopt uit op een split tot onderaan
de jas, met dien verstande dat het linkergedeelte
over het rechtergedeelte loopt, en dit gedeelte zo
4 cm naar binnen loopt.
Voorpand : Op het rechtervoorpand (voor de vrouwen
: het linkervoorpand) komen de vijf knopen; in het
andere de vijf knoopsgaten, het eerste aan de punt
van de kraagomslag, derwijze dat deze punt in de
richting van de oksels op een denkbeeldige
horizontale lijn ligt; het vijfde knoopsgat ligt
vlak beneden de middellijn.
Deze zijde is uitgesneden opdat de knopen langs de
middellijn van het lichaam zouden staan.
Zakken : ieder voorpand is voorzien van een
borstzak en een zijzak.
De borstzak, jagersmodel : wordt op 1 cm beneden de
klep aangebracht en is 14 cm hoog. Aan de bovenrand
is hij 12 cm breed, aan de benedenrand 14 cm.
Benedenrand met afgeronde zijhoeken. Een
"bengelknoop" van 18 mm, die overeenstemt met het
in de zakklep aangebrachte knoopsgat, wordt
ingenaaid.
De zakklep is 14 cm breed en wordt ietwat hoger dan
het eerste knoopsgat van de jekker, met een
omgekeerde naad, aangenaaid.
De klep wordt in accoladevorm uitgevoerd met
knoopsgat op 1 cm boven het middelpunt.
De zijzak : bestaat uit een stuk. Heeft 21 cm
basis, 19 cm bovenrand en 26 cm hoogte; deze
afmetingen kunnen verschillen volgens de taille.
De benedenrand van de zak ligt op 3 cm boven de
benedenrand van de jekker en wordt afgerond naar
de zijranden toe. De zijzak begint op 4 cm onder
de klep en heeft een "bengelknoop" van 18 mm. De
zak sluit met een klep vlak onder het middel.
Deze klep is 9 cm hoog, 20 cm breed aan de
bovenrand en 23 cm aan de benedenrand, en is
gesneden in de vorm van een accolade.
Op 2 cm boven die rand, in de middellijn van die
zak, komt een verticaal knoopsgat.
Schouderstukken : de schouderstukken zijn van
dezelfde stof als de jekker.
Ze hebben de vorm van een verlengd trapezium, de
kleine zijde loopt uit op een punt vlak aan de
benedenboord van de kraag.
Breedte : 55 mm, basis 40 mm ter hoogte van de
knoop.
Een opvijsbare knoop van 16 mm is op 2 cm van de
punt in de lengteas aangebracht.
De schouderstukken zijn afneembaar, stijf en van
stevige kwaliteit.
Knopen : de jekker heeft elf knopen van verchroomd
metaal gemerkt met de "Belgische Leeuw" : vijf
"bengelknopen" van 21 mm voor het dichtmaken van
de jekker, vier van 18 mm voor het dichtmaken van
de zakken, twee platte knopen van 16 mm voor het
bevestigen van de schouderpassanten.
Mantel (zie fig. 19): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Enkelvoudige knoopssluiting onder de klep.
Schouderstukken : idem als voor de jekker.
Kraag model "chevalier".
Watteau-plooi achteraan.
Rechte mouwen eindigend op 3 kleine saffierblauwe
knoopjes.
Schuine zakken.
Lichtjes getailleerd.
Broek : voorzien voor het basistenue.
Kepie : voorzien voor het basistenue.
Regenjas : voorzien voor het gewone tenue.
Jekker (zie fig. 14): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De jekker is voorzien van kraag en kraagomslag met
schildplaatjes (ecussons).
Lang model, getailleerd, reikt tot 1 cm beneden de
dijplooien.
De jekker heeft twee borstzakken en twee opgenaaide
zijzakken. Hij sluit met vijf halfbolle zogenaamde
1/2 bengelknopen, doorsnede 21 mm), welke vertikaal
op een rij staan.
Kraag en kraagomslag : de kraag bestaat uit twee
stukken : de bovenkraag en de onderkraag. De
onderkraag is 3 a 3,5 cm hoog, volgens de hoogte
van de hals : het ligstuk is 4 a 4,5 cm hoog. De
bovenkraag bedekt de onderkraag.
Rug : De rug bestaat uit twee delen, samengevoegd
door een middennaad, die tot 1 cm beneden het
middel, zijnde de benedenboord van de koppel
reikt; die naad loopt uit op een split tot onderaan
de jas, met dien verstande dat het linkergedeelte
over het rechtergedeelte loopt, en dit gedeelte zo
4 cm naar binnen loopt.
Voorpand : Op het rechtervoorpand (voor de vrouwen
: het linkervoorpand) komen de vijf knopen; in het
andere de vijf knoopsgaten, het eerste aan de punt
van de kraagomslag, derwijze dat deze punt in de
richting van de oksels op een denkbeeldige
horizontale lijn ligt; het vijfde knoopsgat ligt
vlak beneden de middellijn.
Deze zijde is uitgesneden opdat de knopen langs de
middellijn van het lichaam zouden staan.
Zakken : ieder voorpand is voorzien van een
borstzak en een zijzak.
De borstzak, jagersmodel : wordt op 1 cm beneden de
klep aangebracht en is 14 cm hoog. Aan de bovenrand
is hij 12 cm breed, aan de benedenrand 14 cm.
Benedenrand met afgeronde zijhoeken. Een
"bengelknoop" van 18 mm, die overeenstemt met het
in de zakklep aangebrachte knoopsgat, wordt
ingenaaid.
De zakklep is 14 cm breed en wordt ietwat hoger dan
het eerste knoopsgat van de jekker, met een
omgekeerde naad, aangenaaid.
De klep wordt in accoladevorm uitgevoerd met
knoopsgat op 1 cm boven het middelpunt.
De zijzak : bestaat uit een stuk. Heeft 21 cm
basis, 19 cm bovenrand en 26 cm hoogte; deze
afmetingen kunnen verschillen volgens de taille.
De benedenrand van de zak ligt op 3 cm boven de
benedenrand van de jekker en wordt afgerond naar
de zijranden toe. De zijzak begint op 4 cm onder
de klep en heeft een "bengelknoop" van 18 mm. De
zak sluit met een klep vlak onder het middel.
Deze klep is 9 cm hoog, 20 cm breed aan de
bovenrand en 23 cm aan de benedenrand, en is
gesneden in de vorm van een accolade.
Op 2 cm boven die rand, in de middellijn van die
zak, komt een verticaal knoopsgat.
Schouderstukken : de schouderstukken zijn van
dezelfde stof als de jekker.
Ze hebben de vorm van een verlengd trapezium, de
kleine zijde loopt uit op een punt vlak aan de
benedenboord van de kraag.
Breedte : 55 mm, basis 40 mm ter hoogte van de
knoop.
Een opvijsbare knoop van 16 mm is op 2 cm van de
punt in de lengteas aangebracht.
De schouderstukken zijn afneembaar, stijf en van
stevige kwaliteit.
Knopen : de jekker heeft elf knopen van verchroomd
metaal gemerkt met de "Belgische Leeuw" : vijf
"bengelknopen" van 21 mm voor het dichtmaken van
de jekker, vier van 18 mm voor het dichtmaken van
de zakken, twee platte knopen van 16 mm voor het
bevestigen van de schouderpassanten.
Mantel (zie fig. 19): Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
Enkelvoudige knoopssluiting onder de klep.
Schouderstukken : idem als voor de jekker.
Kraag model "chevalier".
Watteau-plooi achteraan.
Rechte mouwen eindigend op 3 kleine saffierblauwe
knoopjes.
Schuine zakken.
Lichtjes getailleerd.
Broek : voorzien voor het basistenue.
Kepie : voorzien voor het basistenue.
Regenjas : voorzien voor het gewone tenue.
3. Tenue de ville :
Vareuse (voir
fig. 14) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
La vareuse est a col et a revers avec écussons.
Elle est du modèle long cintrée a la taille, s'arrêtant a
1 cm sous les plis fessiers.
La vareuse a deux poches de poitrine et deux poches de
hanche appliquées.
Elle se ferme au moyen de cinq boutons demi-ronds dits
"1/2 grelot" (diamètre 21 mm) disposes verticalement
sur une seule rangée.
Col et revers : le col se compose de deux pièces : le
dessus et le dessous. Il a un pied d'une hauteur de 3 a
3,5 cm, suivant la hauteur du cou et un tombant de 4 a
4,5 cm de haut. Le dessus recouvre le dessous.
Dos : le dos se compose de deux pièces réunies par une
couture centrale jusqu'à 1 cm sous la ligne de la taille,
soit le bord inférieur du ceinturon ; dans le
prolongement de cette couture est pratiquée une fente
allant jusqu'au bas du vêtement ; la pièce gauche du dos
couvrant alors la pièce droite, laquelle déborde vers
l'intérieur de 4 cm.
Devant : sur le devant droit (pour les femmes : le
devant gauche) se cousent les cinq boutons ; sur l'autre
devant sont pratiquées cinq boutonnières, la première a
la pointe inférieure du revers, cette pointe étant située
sur une ligne idéale horizontale partant de la naissance
des sous-bras, la cinquième juste sous la ligne de la
taille.
Ce cote est recoupe pour que les boutons soient places
le long de la ligne médiane du corps.
Poches : chaque devant est pourvu d'une poche de
poitrine et d'une poche de hanche.
La poche de poitrine, modèle chasseur, est appliquée a
1 cm en-dessous de la patte. Elle a 14 cm de hauteur.
Au bord supérieur elle a 12 cm de largeur et au bord
inférieur 14 cm. Le bord inférieur est arrondi vers les
bords de cote. Un bouton "grelot" de 18 mm
correspondant a la boutonnière percée dans la patte de
la poche y est cousu. La patte de la poche a 14 cm de
largeur et est cousue légèrement plus haut que la
première boutonnière de la vareuse par une couture
retournée. La patte est coupée en forme d'accolade et
comporte une boutonnière à 1 cm au-dessus de la
pointe centrale.
La poche de hanche est constituée d'une pièce. Elle a 21
cm de base, 19 cm au cote supérieur et 26 cm de
hauteur, dimensions types variant suivant la taille.
La base de la poche s'arrêtera a 3 cm du bord inférieur
de la vareuse et est arrondie vers les bords de cote. La
poche de hanche est appliquée a 4 cm en-dessous de la
patte, elle porte un bouton "grelot" de 18 mm.
Une patte, appliquée juste sous la ligne de la taille,
ferme la poche. Elle a 9 cm de haut, 20 cm de large a la
partie supérieure et 23 cm a la partie inférieure,
laquelle est coupée en forme d'accolade. A 2 cm au-dessus
de ce bord, dans la ligne médiane de la poche, est percée,
verticalement la boutonnière.
Epaulette : l'épaulette est de même tissu que la vareuse.
L'épaulette a la forme d'un trapèze allonge, le petit cote
se termine par une pointe qui affleure le bord inférieur
du tombant du col.
Largeur : 55 mm a la base, 40 mm a hauteur du bouton.
Un bouton a vis de 16 mm est place a 2 cm de la pointe,
dans le sens de la longueur.
l'épaulette est amovible et de consistance rigide.
Boutons : les boutons en métal chrome, frappes du
"Lion Belge" sont au nombre de onze : cinq boutons
"grelots" de 21 mm fermant la vareuse, quatre de 18
mm fermant les poches, deux boutons plats de 16 mm
attachant les pattes d'épaules.
Manteau (voir
fig. 19) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Boutonnage : simple sous patte.
Epaulettes : comme pour la vareuse.
Col chevalier.
Pli Watteau au dos.
Manches droites terminées par 3 petits boutons de teinte
bleu saphir.
Poches obliques.
Légèrement cintre.
Pantalon : Celui prévu pour la tenue de base.
Képi : Celui prévu pour la tenue de base.
Imperméable : Celui prévu pour la tenue ordinaire.
Vareuse (voir
fig. 14) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
La vareuse est a col et a revers avec écussons.
Elle est du modèle long cintrée a la taille, s'arrêtant a
1 cm sous les plis fessiers.
La vareuse a deux poches de poitrine et deux poches de
hanche appliquées.
Elle se ferme au moyen de cinq boutons demi-ronds dits
"1/2 grelot" (diamètre 21 mm) disposes verticalement
sur une seule rangée.
Col et revers : le col se compose de deux pièces : le
dessus et le dessous. Il a un pied d'une hauteur de 3 a
3,5 cm, suivant la hauteur du cou et un tombant de 4 a
4,5 cm de haut. Le dessus recouvre le dessous.
Dos : le dos se compose de deux pièces réunies par une
couture centrale jusqu'à 1 cm sous la ligne de la taille,
soit le bord inférieur du ceinturon ; dans le
prolongement de cette couture est pratiquée une fente
allant jusqu'au bas du vêtement ; la pièce gauche du dos
couvrant alors la pièce droite, laquelle déborde vers
l'intérieur de 4 cm.
Devant : sur le devant droit (pour les femmes : le
devant gauche) se cousent les cinq boutons ; sur l'autre
devant sont pratiquées cinq boutonnières, la première a
la pointe inférieure du revers, cette pointe étant située
sur une ligne idéale horizontale partant de la naissance
des sous-bras, la cinquième juste sous la ligne de la
taille.
Ce cote est recoupe pour que les boutons soient places
le long de la ligne médiane du corps.
Poches : chaque devant est pourvu d'une poche de
poitrine et d'une poche de hanche.
La poche de poitrine, modèle chasseur, est appliquée a
1 cm en-dessous de la patte. Elle a 14 cm de hauteur.
Au bord supérieur elle a 12 cm de largeur et au bord
inférieur 14 cm. Le bord inférieur est arrondi vers les
bords de cote. Un bouton "grelot" de 18 mm
correspondant a la boutonnière percée dans la patte de
la poche y est cousu. La patte de la poche a 14 cm de
largeur et est cousue légèrement plus haut que la
première boutonnière de la vareuse par une couture
retournée. La patte est coupée en forme d'accolade et
comporte une boutonnière à 1 cm au-dessus de la
pointe centrale.
La poche de hanche est constituée d'une pièce. Elle a 21
cm de base, 19 cm au cote supérieur et 26 cm de
hauteur, dimensions types variant suivant la taille.
La base de la poche s'arrêtera a 3 cm du bord inférieur
de la vareuse et est arrondie vers les bords de cote. La
poche de hanche est appliquée a 4 cm en-dessous de la
patte, elle porte un bouton "grelot" de 18 mm.
Une patte, appliquée juste sous la ligne de la taille,
ferme la poche. Elle a 9 cm de haut, 20 cm de large a la
partie supérieure et 23 cm a la partie inférieure,
laquelle est coupée en forme d'accolade. A 2 cm au-dessus
de ce bord, dans la ligne médiane de la poche, est percée,
verticalement la boutonnière.
Epaulette : l'épaulette est de même tissu que la vareuse.
L'épaulette a la forme d'un trapèze allonge, le petit cote
se termine par une pointe qui affleure le bord inférieur
du tombant du col.
Largeur : 55 mm a la base, 40 mm a hauteur du bouton.
Un bouton a vis de 16 mm est place a 2 cm de la pointe,
dans le sens de la longueur.
l'épaulette est amovible et de consistance rigide.
Boutons : les boutons en métal chrome, frappes du
"Lion Belge" sont au nombre de onze : cinq boutons
"grelots" de 21 mm fermant la vareuse, quatre de 18
mm fermant les poches, deux boutons plats de 16 mm
attachant les pattes d'épaules.
Manteau (voir
fig. 19) : Teinte : bleu saphir (RAL 5003).
Boutonnage : simple sous patte.
Epaulettes : comme pour la vareuse.
Col chevalier.
Pli Watteau au dos.
Manches droites terminées par 3 petits boutons de teinte
bleu saphir.
Poches obliques.
Légèrement cintre.
Pantalon : Celui prévu pour la tenue de base.
Képi : Celui prévu pour la tenue de base.
Imperméable : Celui prévu pour la tenue ordinaire.
4. Ceremonieel tenue :
Stadstenue + effen wit hemd met klassieke kraag.
Stadstenue + effen wit hemd met klassieke kraag.
4. Tenue de cérémonie :
Tenue de ville + une chemise blanche, unie, col
classique.
Tenue de ville + une chemise blanche, unie, col
classique.
B. Voor vrouwelijke personeelsleden :
B. Pour le personnel féminin :
1. Basistenue :
Schoenen : De schoenen zijn in glad zwart leder, model lage
pumps zonder gesp.
Er zijn 2 types : - hetzij met een hak van 35 mm;
- hetzij met een hak van 45 mm.
De hak is van dezelfde kleur als de schoen.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarsjes : In zwart leder.
De hak is van dezelfde kleur als het laarsje.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarzen : Klassiek model.
In zwart leder of zwart synthetisch materiaal.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
Kousen : Neutrale kleur (beige tinten).
Sokken : Kunnen enkel met de broek worden gedragen.
Broek : Zelfde broek als voor de mannelijke personeelsleden
maar met ritssluiting aan de zijkant.
Rok (zie fig. 16) : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De rok is recht en komt tot in de plooi van de
knie. Er is een regelbare riem met 4 passanten
die op de rug wordt onderbroken door een knoop.
Achteraan bevindt zich een ritssluiting en onderaan
een holle plooi (Watteau) (30 cm hoog).
Broekrok(zie fig. 17) Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De broekrok is recht en lichtjes wijder uitlopend.
Hij is volledig gevoerd.
Hij is voldoende lang om de knie volledig te
bedekken.
Hij bestaat uit : - twee voorpanden;
- twee achterpanden;
- een opgenaaide verlengde riem
met passanten;
Zijopening met ritssluiting, klep met knoop.
Dubbele "Watteau-plooi" op de achterzijde.
Hemd (zie fig. 20b) : Zelfde hemd als voor de mannelijke personeelsleden
maar met knoopssluiting aan de linkerzijde.
Overgooier Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
(facultatief) De overgooier is bedoeld voor de zwangere hulpagent
(zie fig. 18) : van politie.
Getailleerde, wijde uitlopende japon.
Boothals. Dubbele stiksteek.
Schouderstukken.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke type, linkerkant op het inzetstuk
(zie fig. 1a).
Dit kleed wordt over het hemd gedragen.
Schouderpassanten
voor de overgooier : Zie beschrijving in bijlage 5.
De andere kledingsstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
Schoenen : De schoenen zijn in glad zwart leder, model lage
pumps zonder gesp.
Er zijn 2 types : - hetzij met een hak van 35 mm;
- hetzij met een hak van 45 mm.
De hak is van dezelfde kleur als de schoen.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarsjes : In zwart leder.
De hak is van dezelfde kleur als het laarsje.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarzen : Klassiek model.
In zwart leder of zwart synthetisch materiaal.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
Kousen : Neutrale kleur (beige tinten).
Sokken : Kunnen enkel met de broek worden gedragen.
Broek : Zelfde broek als voor de mannelijke personeelsleden
maar met ritssluiting aan de zijkant.
Rok (zie fig. 16) : Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De rok is recht en komt tot in de plooi van de
knie. Er is een regelbare riem met 4 passanten
die op de rug wordt onderbroken door een knoop.
Achteraan bevindt zich een ritssluiting en onderaan
een holle plooi (Watteau) (30 cm hoog).
Broekrok(zie fig. 17) Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
De broekrok is recht en lichtjes wijder uitlopend.
Hij is volledig gevoerd.
Hij is voldoende lang om de knie volledig te
bedekken.
Hij bestaat uit : - twee voorpanden;
- twee achterpanden;
- een opgenaaide verlengde riem
met passanten;
Zijopening met ritssluiting, klep met knoop.
Dubbele "Watteau-plooi" op de achterzijde.
Hemd (zie fig. 20b) : Zelfde hemd als voor de mannelijke personeelsleden
maar met knoopssluiting aan de linkerzijde.
Overgooier Kleur : saffierblauw (RAL 5003).
(facultatief) De overgooier is bedoeld voor de zwangere hulpagent
(zie fig. 18) : van politie.
Getailleerde, wijde uitlopende japon.
Boothals. Dubbele stiksteek.
Schouderstukken.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke type, linkerkant op het inzetstuk
(zie fig. 1a).
Dit kleed wordt over het hemd gedragen.
Schouderpassanten
voor de overgooier : Zie beschrijving in bijlage 5.
De andere kledingsstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
1. Tenue de base :
Chaussures : Les chaussures seront en cuir noir lisse de forme
escarpin et sans boucle.
Elles sont de 2 types :
- soit avec talons de 35 mm ;
- soit avec talons de 45 mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottillons : Ils seront en cuir noir, le talon n'excédant pas 35
mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottes : De modèle classique.
En cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Le talon n'excédant pas 35 mm.
Bas : De teinte neutre (teinte beige).
Chaussettes : Sont destinées à être portées uniquement avec le
pantalon.
Pantalon : Même pantalon que pour le personnel masculin mais
avec fermeture éclair sur le cote.
Jupe (voir
fig. 16) : Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La jupe est de forme droite et arrive a la pliure des
genoux.
Elle comporte une ceinture ajustable munie de 4
passants et interrompue dans le dos par un bouton. Le
dos comporte une fermeture éclair et un pli creux
(Watteau) au bas (30 cm de hauteur).
Jupe culotte
(voir fig. 17) :Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La jupe culotte est de forme droite légèrement évasée.
Elle est entièrement doublée bassin et jambes.
Elles présente une longueur suffisante pour couvrir
entièrement le genou.
Elle se comporte de : - 2 devants ;
- 2 arrières ;
- une ceinture rapportée prolongée
comportant des passants.
Ouverture latérale a fermeture éclair, rabat avec bouton.
Double pli Watteau à l'arrière.
Chemise (voir
fig. 20b) : Même chemise que pour le personnel masculin mais
avec boutonnage a gauche.
Chasuble
(facultative)
voir fig. 18) :Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La chasuble est destinée à être portée par les auxiliaires
enceintes.
Robe princesse.
Décolleté bateau. Double piqure.
Epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine brode en blanc,
cote gauche sur l'empiècement (voir fig. 1a).
Cette robe se porte sur la chemise.
Passants
d'épaule : Voir description a l'annexe 5.
Les autres pièces de vêtement sont identiques a la tenue de base pour le
personnel masculin.
Chaussures : Les chaussures seront en cuir noir lisse de forme
escarpin et sans boucle.
Elles sont de 2 types :
- soit avec talons de 35 mm ;
- soit avec talons de 45 mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottillons : Ils seront en cuir noir, le talon n'excédant pas 35
mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottes : De modèle classique.
En cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Le talon n'excédant pas 35 mm.
Bas : De teinte neutre (teinte beige).
Chaussettes : Sont destinées à être portées uniquement avec le
pantalon.
Pantalon : Même pantalon que pour le personnel masculin mais
avec fermeture éclair sur le cote.
Jupe (voir
fig. 16) : Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La jupe est de forme droite et arrive a la pliure des
genoux.
Elle comporte une ceinture ajustable munie de 4
passants et interrompue dans le dos par un bouton. Le
dos comporte une fermeture éclair et un pli creux
(Watteau) au bas (30 cm de hauteur).
Jupe culotte
(voir fig. 17) :Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La jupe culotte est de forme droite légèrement évasée.
Elle est entièrement doublée bassin et jambes.
Elles présente une longueur suffisante pour couvrir
entièrement le genou.
Elle se comporte de : - 2 devants ;
- 2 arrières ;
- une ceinture rapportée prolongée
comportant des passants.
Ouverture latérale a fermeture éclair, rabat avec bouton.
Double pli Watteau à l'arrière.
Chemise (voir
fig. 20b) : Même chemise que pour le personnel masculin mais
avec boutonnage a gauche.
Chasuble
(facultative)
voir fig. 18) :Teinte bleu saphir (RAL 5003).
La chasuble est destinée à être portée par les auxiliaires
enceintes.
Robe princesse.
Décolleté bateau. Double piqure.
Epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine brode en blanc,
cote gauche sur l'empiècement (voir fig. 1a).
Cette robe se porte sur la chemise.
Passants
d'épaule : Voir description a l'annexe 5.
Les autres pièces de vêtement sont identiques a la tenue de base pour le
personnel masculin.
2. Gewoon tenue :
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden.
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden.
2. Tenue ordinaire :
Cette tenue est la même que celle du personnel masculin.
Cette tenue est la même que celle du personnel masculin.
3. Stadstenue :
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden, behalve dat de
vrouwelijke personeelsleden de rok zullen dragen.
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden, behalve dat de
vrouwelijke personeelsleden de rok zullen dragen.
3. Tenue de ville :
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel féminin portera la jupe.
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel féminin portera la jupe.
4. Ceremonieel tenue :
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden, behalve dat de
vrouwelijke personeelsleden de rok zullen dragen.
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden, behalve dat de
vrouwelijke personeelsleden de rok zullen dragen.
4. Tenue de cérémonie :
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel féminin portera la jupe.
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel féminin portera la jupe.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N2. Bijlage 2. Het uniform van de aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter.
Het uniform van de aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter draagt geen enkel onderscheidingsteken van graad.
De aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter draagt de verschillende hierna vermelde tenues.
A. Voor mannelijke personeelsleden :
Het uniform van de aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter draagt geen enkel onderscheidingsteken van graad.
De aspirant-politieagent, aspirant-veldwachter, stagedoende politieagent en stagedoende veldwachter draagt de verschillende hierna vermelde tenues.
A. Voor mannelijke personeelsleden :
Art. N2. Annexe 2. L'uniforme de l'aspirant agent, de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire.
L'uniforme de l'aspirant agent, l'aspirant garde champêtre et de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire ne porte aucun insigne de grade.
L'aspirant-agent, l'aspirant garde champêtre, l'agent de police stagiaire et le garde champêtre stagiaire portent les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
L'uniforme de l'aspirant agent, l'aspirant garde champêtre et de l'agent de police stagiaire et du garde champêtre stagiaire ne porte aucun insigne de grade.
L'aspirant-agent, l'aspirant garde champêtre, l'agent de police stagiaire et le garde champêtre stagiaire portent les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
1. Basistenue :
Schoeisel : - Molieres : zwart, klassiek model;
- Laarsjes : zwart, klassiek model met platte hak;
- Laarzen : in zwart leder of zwart synthetisch
materiaal.
Het schoeisel moet uitgerust zijn met een
antislip-zool.
Combat shoes : Schoenen met een hoge beenschacht.
Sokken : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Broek : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Klassieke broek met 2 zijzakken en 1 achterzak met
knoop, zonder klep.
Riem met 6 passanten (1 aan elke kant van de
achternaad, 1 aan elke kant van het lichaam en 1
aan weerszijden van de broekssluiting).
Riem : Webbing-riem met regelbare gesp in zilverkleurig
metaal, voorzien van 4 "duty belts". In de gesp
zal het kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type geslagen zijn
(zie fig. 1a -1b).
Koppel : In glad zwart leder "pleine fleur" 4 mm dik, 5 cm
1/2 hoog.
Alle accessoires die aan de koppel bevestigd worden
zullen in glad zwart leder zijn.
Gesp in verchroomd koper, "twee tongen".
Hemd (Zie fig. 20a) : Kleur : lichtblauw (PMS 278).
Twee borstzakken met klep overlangs de borst en
half bolvormige metalen knopen waarin het kenteken
van de gemeentepolitie van het stedelijke of
het landelijke type is geslagen (zie fig. 1a-1b).
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke of het landelijke type in het
midden boven de klep ter hoogte van de linkerzak
3,5 cm hoog en 3 cm breed (zie fig. 1a-1b).
Enkelvoudige manchetten volgens kapucijner model
met dubbele knoopsgaten (voor eventuele
manchetknopen).
Klassieke kraag.
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een platte knoop.
Vastknopen : Engelse sluiting.
De zomerhemden hebben korte mouwen met een omslag
en een borststukje.
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Politiemuts : Zie beschrijving in bijlage 5.
Pet : Het betreft hier een donkerblauwe pet (RAL
5004) met klep, Amerikaans model, uitgevoerd in
lichte stof, Nomex II of daarmee gelijkgesteld,
met soepele maar verstevigde klep. Op de voorkant
van de pet wordt het kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type in witte kleur thermogekleefd (zie
fig. 1a-1b). De achterkant van de pet heeft
een aanpasbaar sluitsysteem teneinde de pet aan de
hoofdomtrek van de drager te kunnen aanpassen.
Das : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Klassiek effen.
Schoeisel : - Molieres : zwart, klassiek model;
- Laarsjes : zwart, klassiek model met platte hak;
- Laarzen : in zwart leder of zwart synthetisch
materiaal.
Het schoeisel moet uitgerust zijn met een
antislip-zool.
Combat shoes : Schoenen met een hoge beenschacht.
Sokken : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Broek : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Klassieke broek met 2 zijzakken en 1 achterzak met
knoop, zonder klep.
Riem met 6 passanten (1 aan elke kant van de
achternaad, 1 aan elke kant van het lichaam en 1
aan weerszijden van de broekssluiting).
Riem : Webbing-riem met regelbare gesp in zilverkleurig
metaal, voorzien van 4 "duty belts". In de gesp
zal het kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type geslagen zijn
(zie fig. 1a -1b).
Koppel : In glad zwart leder "pleine fleur" 4 mm dik, 5 cm
1/2 hoog.
Alle accessoires die aan de koppel bevestigd worden
zullen in glad zwart leder zijn.
Gesp in verchroomd koper, "twee tongen".
Hemd (Zie fig. 20a) : Kleur : lichtblauw (PMS 278).
Twee borstzakken met klep overlangs de borst en
half bolvormige metalen knopen waarin het kenteken
van de gemeentepolitie van het stedelijke of
het landelijke type is geslagen (zie fig. 1a-1b).
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van
het stedelijke of het landelijke type in het
midden boven de klep ter hoogte van de linkerzak
3,5 cm hoog en 3 cm breed (zie fig. 1a-1b).
Enkelvoudige manchetten volgens kapucijner model
met dubbele knoopsgaten (voor eventuele
manchetknopen).
Klassieke kraag.
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een platte knoop.
Vastknopen : Engelse sluiting.
De zomerhemden hebben korte mouwen met een omslag
en een borststukje.
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Politiemuts : Zie beschrijving in bijlage 5.
Pet : Het betreft hier een donkerblauwe pet (RAL
5004) met klep, Amerikaans model, uitgevoerd in
lichte stof, Nomex II of daarmee gelijkgesteld,
met soepele maar verstevigde klep. Op de voorkant
van de pet wordt het kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type in witte kleur thermogekleefd (zie
fig. 1a-1b). De achterkant van de pet heeft
een aanpasbaar sluitsysteem teneinde de pet aan de
hoofdomtrek van de drager te kunnen aanpassen.
Das : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Klassiek effen.
1. Tenue de base :
Chaussures : - Molières : noires, d'un type classique ;
- Bottillons : noirs, de type classique a talons plats ;
- Bottes : en cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Combat shoes :Chaussures a hautes tiges.
Chaussettes : De teinte bleu fonce (RAL 5004).
Pantalon : Teinte bleu fonce (RAL 5004).
Pantalon classique avec 2 poches de cote et 1 poche
arrière boutonnée sans rabat.
Ceinture avec 6 passants (1 de chaque cote de la
couronne arrière, 1 de chaque cote du corps et 1 de
part et d'autre de la fermeture du pantalon).
Ceinture : Ceinture Webbing avec boucle coulissante en métal
argente, munie de 4 duty belt.
La boucle sera frappée de l'insigne de la police
communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
Ceinturon : En cuir noir lisse, pleine fleur 4 mm d'épaisseur,
5 cm 1/2 de hauteur.
Tous les accessoires s'attachant au ceinturon seront en
cuir noir lisse.
Boucle en cuivre chrome, deux "ardillons".
Chemise (voir
fig. 20a) : De teinte bleu clair (PMS 278).
Deux poches de poitrine, rabat continu barrant la
poitrine et boutons demi-grelots en métal a anneau,
frappe de l'insigne de la police communale urbaine ou
rurale (voir fig. 1a-1b).
Insigne de la police communale urbaine ou rurale (voir
fig. 1a-1b) brode blanc centre au-dessus du rabat a
hauteur de la poche gauche (3,5 cm de haut sur 3 cm
de large).
Manchettes : modèle capucin simples avec doubles
boutonnières (pour éventuellement boutons de
manchettes).
Col classique.
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
fixées par un bouton plat.
Boutonnage : fermeture a l'anglaise.
Les chemises d'été possèdent des manches courtes a
revers et une modestie.
Passants
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Calot : Voir description a l'annexe 5.
Casquette : Il s'agit d'une casquette bleu fonce (RAL 5004) avec
penne, modèle américain, fabriquée dans un tissu léger
NOMEX II ou équivalent. La penne est légèrement
renforcée de manière a ce qu'elle ait un certain
maintien sans toutefois être rigide.
L'insigne de la police communale de type urbain ou
rural est blanc et est thermocollé sur l'avant de la
casquette (voir fig. 1a-1b). L'arrière de la casquette est
muni d'un système de fermeture afin d'adapter la
casquette aux dimensions de la tête du porteur.
Cravate : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Unie, classique.
Chaussures : - Molières : noires, d'un type classique ;
- Bottillons : noirs, de type classique a talons plats ;
- Bottes : en cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Combat shoes :Chaussures a hautes tiges.
Chaussettes : De teinte bleu fonce (RAL 5004).
Pantalon : Teinte bleu fonce (RAL 5004).
Pantalon classique avec 2 poches de cote et 1 poche
arrière boutonnée sans rabat.
Ceinture avec 6 passants (1 de chaque cote de la
couronne arrière, 1 de chaque cote du corps et 1 de
part et d'autre de la fermeture du pantalon).
Ceinture : Ceinture Webbing avec boucle coulissante en métal
argente, munie de 4 duty belt.
La boucle sera frappée de l'insigne de la police
communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
Ceinturon : En cuir noir lisse, pleine fleur 4 mm d'épaisseur,
5 cm 1/2 de hauteur.
Tous les accessoires s'attachant au ceinturon seront en
cuir noir lisse.
Boucle en cuivre chrome, deux "ardillons".
Chemise (voir
fig. 20a) : De teinte bleu clair (PMS 278).
Deux poches de poitrine, rabat continu barrant la
poitrine et boutons demi-grelots en métal a anneau,
frappe de l'insigne de la police communale urbaine ou
rurale (voir fig. 1a-1b).
Insigne de la police communale urbaine ou rurale (voir
fig. 1a-1b) brode blanc centre au-dessus du rabat a
hauteur de la poche gauche (3,5 cm de haut sur 3 cm
de large).
Manchettes : modèle capucin simples avec doubles
boutonnières (pour éventuellement boutons de
manchettes).
Col classique.
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
fixées par un bouton plat.
Boutonnage : fermeture a l'anglaise.
Les chemises d'été possèdent des manches courtes a
revers et une modestie.
Passants
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Calot : Voir description a l'annexe 5.
Casquette : Il s'agit d'une casquette bleu fonce (RAL 5004) avec
penne, modèle américain, fabriquée dans un tissu léger
NOMEX II ou équivalent. La penne est légèrement
renforcée de manière a ce qu'elle ait un certain
maintien sans toutefois être rigide.
L'insigne de la police communale de type urbain ou
rural est blanc et est thermocollé sur l'avant de la
casquette (voir fig. 1a-1b). L'arrière de la casquette est
muni d'un système de fermeture afin d'adapter la
casquette aux dimensions de la tête du porteur.
Cravate : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Unie, classique.
2. Gewoon tenue :
Pull : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Ronde hals, koningsblauwe band van 25 mm breed
(doorlopend over de borst en de bovenkant van de
mouwen), wit geborduurd kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type boven de koningsblauwe band aan
de linkerkant, +/- 5 cm hoog op 4,5 cm breed (zie
fig. 1a-1b).
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een velcro.
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Borststuk met rolkraag in dezelfde stof als de
pull.
Parka (zie fig. 15b): Zie beschrijving in bijlage 1.
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
of het landelijke type, 8 cm hoog, thermogekleefd
op de linkerzak (zie fig. 2a-2b).
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5.
Handschoenen : Zwartlederen, al dan niet gevoerd.
Pull : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Ronde hals, koningsblauwe band van 25 mm breed
(doorlopend over de borst en de bovenkant van de
mouwen), wit geborduurd kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type boven de koningsblauwe band aan
de linkerkant, +/- 5 cm hoog op 4,5 cm breed (zie
fig. 1a-1b).
Rechthoekige schouderstukken eindigend in punt en
vastgemaakt met een velcro.
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Borststuk met rolkraag in dezelfde stof als de
pull.
Parka (zie fig. 15b): Zie beschrijving in bijlage 1.
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
of het landelijke type, 8 cm hoog, thermogekleefd
op de linkerzak (zie fig. 2a-2b).
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5.
Handschoenen : Zwartlederen, al dan niet gevoerd.
2. Tenue ordinaire :
Pull : Pull bleu fonce (RAL 5004).
Ras du cou, bande bleu roi de 25 mm de large (barrant
la poitrine et le haut des manches). Insigne de la police
communale urbaine ou rurale brode en blanc au-dessus
de la bande bleu roi, a gauche, plus ou moins 5 cm de
haut sur 4,5 cm de large (voir fig. 1a-1b).
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
attachées par un velcro.
Passants
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Plastron col roule de la même matière que le pull.
Parka (voir
fig. 15b) : Voir description a l'annexe 1.
Teinte bleu fonce, (RAL 5004).
Insigne de la police communale urbaine ou rurale de 8
cm de haut thermocollé sur la poche gauche (voir fig.
2a-2b).
Passants
d'épaules pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Gants : Noirs en peau, fourres ou non.
Pull : Pull bleu fonce (RAL 5004).
Ras du cou, bande bleu roi de 25 mm de large (barrant
la poitrine et le haut des manches). Insigne de la police
communale urbaine ou rurale brode en blanc au-dessus
de la bande bleu roi, a gauche, plus ou moins 5 cm de
haut sur 4,5 cm de large (voir fig. 1a-1b).
Epaulettes rectangulaires se terminant en pointe et
attachées par un velcro.
Passants
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Plastron col roule de la même matière que le pull.
Parka (voir
fig. 15b) : Voir description a l'annexe 1.
Teinte bleu fonce, (RAL 5004).
Insigne de la police communale urbaine ou rurale de 8
cm de haut thermocollé sur la poche gauche (voir fig.
2a-2b).
Passants
d'épaules pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Gants : Noirs en peau, fourres ou non.
3. Oefentenue :
Zie bijlage 4.
Zie bijlage 4.
3. Tenue d'exercice :
Cf. annexe 4.
Cf. annexe 4.
B. Voor vrouwelijke personeelsleden :
B. Pour le personnel féminin :
1. Basistenue :
Schoenen : De schoenen zijn in glad zwart leder,
model lage pumps zonder gesp.
Er zijn 2 types :- hetzij met een hak van 35 mm.
- hetzij met een hak van 45 mm.
De hak is van dezelfde kleur als de schoen.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarsjes : In zwart leder.
De hak is van dezelfde kleur als het laarsje.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarzen : Klassiek model.
In zwart leder of zwart synthetisch materiaal.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
Kousen : Neutrale kleur (beige tinten).
Sokken : Kunnen enkel met de broek worden gedragen.
Hemd (zie fig. 20b) : Zelfde hemd als voor de mannelijke personeelsleden
maar met knoopssluiting aan de linkerzijde.
Broek : Zelfde broek als voor de mannelijke personeelsleden
maar met de ritssluiting aan de zijkant.
Rok (zie fig. 16) : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
De rok is recht en komt tot in de plooi van de
knie. Er is een regelbare riem met 4 passanten die
op de rug wordt onderbroken door een knoop.
Achteraan bevindt zich een ritssluiting en
onderaan een holle plooi (Watteau) (30 cm hoogte).
Broekrok: Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(zie fig. 17) De broekrok is recht en lichtjes wijder uitlopend.
Hij is volledig gevoerd.
Hij is voldoende lang om de knie volledig te
bedekken.
Hij bestaat uit :- twee voorpanden;
- twee achterpanden;
- een opgenaaide verlengde riem
met passanten.
Zijopening met ritssluiting, klep met knoop.
Dubbele "Watteau-plooi" op de achterzijde.
Overgooier: Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(facultatief) De overgooier is bedoeld voor de zwangere vrouw.
(zie fig. 18) Getailleerde, wijde uitlopende japon.
Boothals. Dubbele stiksteek.
Schouderstukken.
Geborduurd kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het Landelijke type, op de linkerkant
op het inzetstuk (zie fig. 1a-1b).
Dit kleed wordt over het hemd gedragen.
Schouderpassanten
voor de overgooier : Zie beschrijving in bijlage 5.
De andere kledingsstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
Schoenen : De schoenen zijn in glad zwart leder,
model lage pumps zonder gesp.
Er zijn 2 types :- hetzij met een hak van 35 mm.
- hetzij met een hak van 45 mm.
De hak is van dezelfde kleur als de schoen.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarsjes : In zwart leder.
De hak is van dezelfde kleur als het laarsje.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
Laarzen : Klassiek model.
In zwart leder of zwart synthetisch materiaal.
De zolen moeten een antislip-laag hebben.
De hak is niet hoger dan 35 mm.
Kousen : Neutrale kleur (beige tinten).
Sokken : Kunnen enkel met de broek worden gedragen.
Hemd (zie fig. 20b) : Zelfde hemd als voor de mannelijke personeelsleden
maar met knoopssluiting aan de linkerzijde.
Broek : Zelfde broek als voor de mannelijke personeelsleden
maar met de ritssluiting aan de zijkant.
Rok (zie fig. 16) : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
De rok is recht en komt tot in de plooi van de
knie. Er is een regelbare riem met 4 passanten die
op de rug wordt onderbroken door een knoop.
Achteraan bevindt zich een ritssluiting en
onderaan een holle plooi (Watteau) (30 cm hoogte).
Broekrok: Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(zie fig. 17) De broekrok is recht en lichtjes wijder uitlopend.
Hij is volledig gevoerd.
Hij is voldoende lang om de knie volledig te
bedekken.
Hij bestaat uit :- twee voorpanden;
- twee achterpanden;
- een opgenaaide verlengde riem
met passanten.
Zijopening met ritssluiting, klep met knoop.
Dubbele "Watteau-plooi" op de achterzijde.
Overgooier: Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(facultatief) De overgooier is bedoeld voor de zwangere vrouw.
(zie fig. 18) Getailleerde, wijde uitlopende japon.
Boothals. Dubbele stiksteek.
Schouderstukken.
Geborduurd kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het Landelijke type, op de linkerkant
op het inzetstuk (zie fig. 1a-1b).
Dit kleed wordt over het hemd gedragen.
Schouderpassanten
voor de overgooier : Zie beschrijving in bijlage 5.
De andere kledingsstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
1. Tenue de base :
Chaussures : Les chaussures seront en cuir noir lisse de forme
escarpins et sans boucle.
Elles sont de 2 types :
- soit avec talons de 35 mm ;
- soit avec talons de 45 mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottillons : Ils seront en cuir noir, le talon n'excédant pas 35
mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottes : De modèle classique.
En cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Le talon n'excédant pas 35 mm.
Bas : De teinte neutre (teinte beige).
Chaussettes : Sont destinées à être portées uniquement avec le
pantalon.
Chemise (voir
fig. 20b) : Même chemise que pour le personnel masculin mais
avec boutonnage a gauche.
Pantalon : Même pantalon que pour le personnel masculin mais
avec fermeture éclair sur le cote.
Jupe (voir
fig. 16) : Teinte bleu fonce (RAL 5004).
De forme droite et arrive a la pliure des genoux.
Elle comporte une ceinture ajustable munie de 4
passants et interrompue dans le dos par un bouton. Le
dos comporte une fermeture éclair et un pli creux
(Watteau) au bas (30 cm de hauteur).
Jupe culotte
(voir fig. 17) :Teinte bleu fonce (RAL 5004).
De forme droite légèrement évasée. Elle est entièrement
doublée bassin et jambes.
Elle présente une longueur suffisante pour couvrir
entièrement le genou.
Elle se comporte de : - 2 devants ;
- 2 arrières ;
- une ceinture rapportée prolongée
comportant des passants.
Ouverture latérale à fermeture éclair, rabat avec
bouton.
Double pli Watteau à l'arrière.
Chasuble
(facultative)
(voir fig. 18) :Teinte bleu fonce (RAL 5004).
La chasuble est destinée à être portée par des femmes
enceintes.
Robe princesse.
Décolleté bateau. Double piqure.
Epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale brode
en blanc, cote gauche sur l'empiècement (voir fig.
1a-1b).
Cette robe se porte sur la chemise.
Passants
d'épaule : Voir description a l'annexe 5.
Les autres pièces de vêtement sont identiques a la tenue
de base pour le personnel masculin.
Chaussures : Les chaussures seront en cuir noir lisse de forme
escarpins et sans boucle.
Elles sont de 2 types :
- soit avec talons de 35 mm ;
- soit avec talons de 45 mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottillons : Ils seront en cuir noir, le talon n'excédant pas 35
mm.
Le talon est teint dans la masse.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Bottes : De modèle classique.
En cuir ou en matière synthétique noir.
Les semelles doivent être antidérapantes.
Le talon n'excédant pas 35 mm.
Bas : De teinte neutre (teinte beige).
Chaussettes : Sont destinées à être portées uniquement avec le
pantalon.
Chemise (voir
fig. 20b) : Même chemise que pour le personnel masculin mais
avec boutonnage a gauche.
Pantalon : Même pantalon que pour le personnel masculin mais
avec fermeture éclair sur le cote.
Jupe (voir
fig. 16) : Teinte bleu fonce (RAL 5004).
De forme droite et arrive a la pliure des genoux.
Elle comporte une ceinture ajustable munie de 4
passants et interrompue dans le dos par un bouton. Le
dos comporte une fermeture éclair et un pli creux
(Watteau) au bas (30 cm de hauteur).
Jupe culotte
(voir fig. 17) :Teinte bleu fonce (RAL 5004).
De forme droite légèrement évasée. Elle est entièrement
doublée bassin et jambes.
Elle présente une longueur suffisante pour couvrir
entièrement le genou.
Elle se comporte de : - 2 devants ;
- 2 arrières ;
- une ceinture rapportée prolongée
comportant des passants.
Ouverture latérale à fermeture éclair, rabat avec
bouton.
Double pli Watteau à l'arrière.
Chasuble
(facultative)
(voir fig. 18) :Teinte bleu fonce (RAL 5004).
La chasuble est destinée à être portée par des femmes
enceintes.
Robe princesse.
Décolleté bateau. Double piqure.
Epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale brode
en blanc, cote gauche sur l'empiècement (voir fig.
1a-1b).
Cette robe se porte sur la chemise.
Passants
d'épaule : Voir description a l'annexe 5.
Les autres pièces de vêtement sont identiques a la tenue
de base pour le personnel masculin.
2. Gewoon tenue :
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden.
Idem als het tenue voor de mannelijke personeelsleden.
2. Tenue ordinaire :
Elles portent la même tenue que le personnel masculin.
Elles portent la même tenue que le personnel masculin.
3. Oefentenue :
Zie bijlage 4.
Zie bijlage 4.
3. Tenue d'exercice :
Cf. annexe 4.
Cf. annexe 4.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N3. Bijlage 3. Het uniform van de politieambtenaar. De politieambtenaar draagt de verschillende tenues hieronder vermeld :
A. Voor mannelijke personeelsleden :
A. Voor mannelijke personeelsleden :
Art. N3. Annexe 3. La tenue du fonctionnaire de police.
Le fonctionnaire de police porte les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
Le fonctionnaire de police porte les différentes tenues énumérées ci-après :
A. Pour le personnel masculin :
1. Basistenue :
Schoeisel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Sokken : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broek : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Riem : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Koppel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Hemd : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Das : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Manchetknopen
en dasspeld In zilverkleurig metaal met daarop het kenteken
(Facultatief) : van de gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type (zie fig. 1a-1b).
Kepie : Zie beschrijving in bijlage 5.
Pet : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Schoeisel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Sokken : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broek : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Riem : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Koppel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Hemd : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Schouderpassanten
voor het hemd : Zie beschrijving in bijlage 5.
Das : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Manchetknopen
en dasspeld In zilverkleurig metaal met daarop het kenteken
(Facultatief) : van de gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type (zie fig. 1a-1b).
Kepie : Zie beschrijving in bijlage 5.
Pet : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
1. Tenue de base :
Chaussures : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chaussettes : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Pantalon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Ceinture : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Ceinturon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chemise : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Cravate : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Boutons de
manchettes et Métalliques de couleur argentée avec insigne de
épingle de la police communale urbaine
cravate ou rurale (voir fig. 1a-1b).
(facultatif) :
Képi : Voir description a l'annexe 5.
Casquette : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chaussures : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chaussettes : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Pantalon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Ceinture : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Ceinturon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chemise : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
la chemise : Voir description a l'annexe 5.
Cravate : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Boutons de
manchettes et Métalliques de couleur argentée avec insigne de
épingle de la police communale urbaine
cravate ou rurale (voir fig. 1a-1b).
(facultatif) :
Képi : Voir description a l'annexe 5.
Casquette : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
2. Gewoon tenue :
Pull : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Parka : Idem tenue aspirant-politieagent (zie bijlage 2).
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5).
Regenjas : Zie beschrijving in bijlage 1.
(zie fig.19) Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Sjaal : Kleur . donkerblauw (RAL 5004).
In fijne jersey. Maximum 1,50 m lang op 20 cm breed
Handschoenen : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Pull : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Schouderpassanten
voor de pull : Zie beschrijving in bijlage 5.
Rolkraag : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Parka : Idem tenue aspirant-politieagent (zie bijlage 2).
Schouderpassanten
voor de parka : Zie beschrijving in bijlage 5).
Regenjas : Zie beschrijving in bijlage 1.
(zie fig.19) Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Sjaal : Kleur . donkerblauw (RAL 5004).
In fijne jersey. Maximum 1,50 m lang op 20 cm breed
Handschoenen : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
2. Tenue ordinaire :
Pull : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Parka : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Imperméable
(voir fig. 19) :Voir description annexe 1.
Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Echarpe : Bleu fonce (RAL 5004) en jersey fines mailles maximum
1 m 50 de long sur 20 cm de large.
Gants : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Pull : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
le pull : Voir description a l'annexe 5.
Col roule : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Parka : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Passants
d'épaules pour
le parka : Voir description a l'annexe 5.
Imperméable
(voir fig. 19) :Voir description annexe 1.
Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
Echarpe : Bleu fonce (RAL 5004) en jersey fines mailles maximum
1 m 50 de long sur 20 cm de large.
Gants : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
3. Stadstenue :
Jekker voor basis-, Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
midden- en De jekker is voorzien van kraag en kraagomslag met
officierenkader : schildplaatjes (ecussons).
Lang model, getailleerd, reikt tot 1 cm beneden
de bilplooien.
De jekker heeft twee borstzakken en twee
opgenaaide zijzakken.
Hij sluit met vijf halfbolle zogenaamde "1/2
bengelknopen " (doorsnee 21 mm), welke verticaal op
en rij staan.
Kraag en kraagomslag : de kraag bestaat uit twee
stukken : de bovenkraag en de onderkraag. De
onderkraag is 3 a 3,5 cm hoog, volgens de hoogte
van de hals; het ligstuk is 4 a 4,5 cm hoog.
De bovenkraag bedekt de onderkraag.
Rug : De rug bestaat uit twee delen, samengevoegd
door een middennaad, die tot 1 cm beneden het
middel, zijnde de benedenboord van de koppel
reikt; die naad loopt uit op een split tot
onderaan de jas, met dien verstande dat het
linkergedeelte over het rechtergedeelte loopt,
en dit gedeelte zo 4 cm naar binnen loopt.
Voorpand : Op het rechtervoorpand (voor de vrouwen:
het linkervoorpand) komen de vijf knopen; in het
andere de vijf knoopsgaten, het eerste aan de punt
van de kraagomslag, derwijze dat deze punt in de
richting van de oksels op een denkbeeldige
horizontale lijn ligt; het vijfde knoopsgat ligt
vlak beneden de middenlijn.
Deze zijde is uitgesneden opdat de knopen langs de
middellijn van het lichaam zouden staan.
Zakken : ieder voorpand is voorzien van een
borstzak en een zijzak.
De borstzak, jagersmodel : wordt op 1 cm beneden de
klep aangebracht en is 14 cm hoog. Aan de bovenrand
is hij 12 cm breed, aan de benedenrand
14 cm.
Benedenrand met afgeronde zijhoeken. Een
"bengelknoop" van 18 mm, die overeenstemt met het
in de zakklep aangebrachte knoopsgat, wordt
ingenaaid.
De zakklep is 14 cm breed en wordt ietwat hoger dan
het eerste knoopsgat van de jekker, met een
omgekeerde naad, aangenaaid. De klep wordt in
accoladevorm uitgevoerd met knoopsgat op 1 cm
boven het middelpunt.
De zijzak : bestaat uit een stuk. Heeft 21 cm
basis, 19 cm bovenrand en 26 cm hoogte; deze
afmetingen kunnen verschillen volgens de taille. De
benedenrand van de zak ligt op 3 cm boven de
benedenrand van de jekker en wordt afgerond naar
de zijranden toe. De zijzak begint op 4 cm onder de
klep en heeft een " bengelknoop " van 18 mm.
De zak sluit met een klep vlak onder het middel.
Deze klep is 9 cm hoog, 20 cm breed aan de
bovenrand en 23 cm aan de benedenrand, die
gesneden is in de vorm van een accolade. Op 2 cm
boven die rand, in de middellijn van die zak, komt
een verticaal knoopsgat.
Schouderstukken : de schouderstukken zijn van
dezelfde stof als de jekker. Ze hebben de vorm van
een verlengd trapezium, de kleine zijde loopt uit
op een punt vlak aan de benedenboord van de kraag.
Breedte : 55 mm, basis 40 mm ter hoogte van de
knoop.
Een opvijsbare knoop van 16 mm is op 2 cm van de
punt in de lengteas aangebracht.
De schouderstukken zijn afneembaar, stijf en van
stevige kwaliteit.
Schildplaatjes(ecussons) : de schildplaatjes zijn
in koningsblauwe kleur, ze zijn op de kraag langs
de naad aangebracht.
Zij vormen een punt waarvan de kleine binnenkant
parallel loopt met de kraagspleet.
Hoogte van de voet tot de punt is circa 6 cm.
Deze hoogte verschilt voor de schildplaatjes van
de officieren.
Mouwen : de mouwen zijn voorzien van puntvormige
opslagen voor de officieren, en van horizontale
opslagen voor de andere graden.
Breedte van de opslag : 8 cm.
Hoogte van de punt : 13 cm.
De oplegsels zijn met koningsblauw omboord.
Haken : in de middellijn zijn, ter ondersteuning
van de koppel drie haken in verchroomd metaal van
3 cm lang aangebracht, een aan de linkerkant en
twee aan de rechterkant (voor het pistool).
Knopen : de jekker heeft elf tot vijftien knopen
van verchroomd metaal gemerkt met de " Belgische
Leeuw " : vijf "bengelknopen" van 21 mm voor
het dichtmaken van de jekker, vier van 18 mm voor
het dichtmaken van de zakken, twee platte knopen
van 16 mm voor het bevestigen van de
schouderstukken.
Jekker voor het
officierenkader Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(facultatief) De jekker is recht, zonder haken en heeft vier
(zie fig. 21) : knopen. Hij wordt gedragen zonder koppel.
De mouw is voorzien van een opslag, versierd met
twee "bengelknopen" van 16 mm en twee
knoopsgaten op het achterdeel.
Broek : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Regenjas : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Kepie : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Mantel (zie fig. 19): Zie beschrijving in bijlage 1.
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Jekker voor basis-, Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
midden- en De jekker is voorzien van kraag en kraagomslag met
officierenkader : schildplaatjes (ecussons).
Lang model, getailleerd, reikt tot 1 cm beneden
de bilplooien.
De jekker heeft twee borstzakken en twee
opgenaaide zijzakken.
Hij sluit met vijf halfbolle zogenaamde "1/2
bengelknopen " (doorsnee 21 mm), welke verticaal op
en rij staan.
Kraag en kraagomslag : de kraag bestaat uit twee
stukken : de bovenkraag en de onderkraag. De
onderkraag is 3 a 3,5 cm hoog, volgens de hoogte
van de hals; het ligstuk is 4 a 4,5 cm hoog.
De bovenkraag bedekt de onderkraag.
Rug : De rug bestaat uit twee delen, samengevoegd
door een middennaad, die tot 1 cm beneden het
middel, zijnde de benedenboord van de koppel
reikt; die naad loopt uit op een split tot
onderaan de jas, met dien verstande dat het
linkergedeelte over het rechtergedeelte loopt,
en dit gedeelte zo 4 cm naar binnen loopt.
Voorpand : Op het rechtervoorpand (voor de vrouwen:
het linkervoorpand) komen de vijf knopen; in het
andere de vijf knoopsgaten, het eerste aan de punt
van de kraagomslag, derwijze dat deze punt in de
richting van de oksels op een denkbeeldige
horizontale lijn ligt; het vijfde knoopsgat ligt
vlak beneden de middenlijn.
Deze zijde is uitgesneden opdat de knopen langs de
middellijn van het lichaam zouden staan.
Zakken : ieder voorpand is voorzien van een
borstzak en een zijzak.
De borstzak, jagersmodel : wordt op 1 cm beneden de
klep aangebracht en is 14 cm hoog. Aan de bovenrand
is hij 12 cm breed, aan de benedenrand
14 cm.
Benedenrand met afgeronde zijhoeken. Een
"bengelknoop" van 18 mm, die overeenstemt met het
in de zakklep aangebrachte knoopsgat, wordt
ingenaaid.
De zakklep is 14 cm breed en wordt ietwat hoger dan
het eerste knoopsgat van de jekker, met een
omgekeerde naad, aangenaaid. De klep wordt in
accoladevorm uitgevoerd met knoopsgat op 1 cm
boven het middelpunt.
De zijzak : bestaat uit een stuk. Heeft 21 cm
basis, 19 cm bovenrand en 26 cm hoogte; deze
afmetingen kunnen verschillen volgens de taille. De
benedenrand van de zak ligt op 3 cm boven de
benedenrand van de jekker en wordt afgerond naar
de zijranden toe. De zijzak begint op 4 cm onder de
klep en heeft een " bengelknoop " van 18 mm.
De zak sluit met een klep vlak onder het middel.
Deze klep is 9 cm hoog, 20 cm breed aan de
bovenrand en 23 cm aan de benedenrand, die
gesneden is in de vorm van een accolade. Op 2 cm
boven die rand, in de middellijn van die zak, komt
een verticaal knoopsgat.
Schouderstukken : de schouderstukken zijn van
dezelfde stof als de jekker. Ze hebben de vorm van
een verlengd trapezium, de kleine zijde loopt uit
op een punt vlak aan de benedenboord van de kraag.
Breedte : 55 mm, basis 40 mm ter hoogte van de
knoop.
Een opvijsbare knoop van 16 mm is op 2 cm van de
punt in de lengteas aangebracht.
De schouderstukken zijn afneembaar, stijf en van
stevige kwaliteit.
Schildplaatjes(ecussons) : de schildplaatjes zijn
in koningsblauwe kleur, ze zijn op de kraag langs
de naad aangebracht.
Zij vormen een punt waarvan de kleine binnenkant
parallel loopt met de kraagspleet.
Hoogte van de voet tot de punt is circa 6 cm.
Deze hoogte verschilt voor de schildplaatjes van
de officieren.
Mouwen : de mouwen zijn voorzien van puntvormige
opslagen voor de officieren, en van horizontale
opslagen voor de andere graden.
Breedte van de opslag : 8 cm.
Hoogte van de punt : 13 cm.
De oplegsels zijn met koningsblauw omboord.
Haken : in de middellijn zijn, ter ondersteuning
van de koppel drie haken in verchroomd metaal van
3 cm lang aangebracht, een aan de linkerkant en
twee aan de rechterkant (voor het pistool).
Knopen : de jekker heeft elf tot vijftien knopen
van verchroomd metaal gemerkt met de " Belgische
Leeuw " : vijf "bengelknopen" van 21 mm voor
het dichtmaken van de jekker, vier van 18 mm voor
het dichtmaken van de zakken, twee platte knopen
van 16 mm voor het bevestigen van de
schouderstukken.
Jekker voor het
officierenkader Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
(facultatief) De jekker is recht, zonder haken en heeft vier
(zie fig. 21) : knopen. Hij wordt gedragen zonder koppel.
De mouw is voorzien van een opslag, versierd met
twee "bengelknopen" van 16 mm en twee
knoopsgaten op het achterdeel.
Broek : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Regenjas : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Kepie : Deze voorzien voor het gewone tenue.
Mantel (zie fig. 19): Zie beschrijving in bijlage 1.
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
3. Tenue de ville :
Vareuse pour le cadre de
base, moyen et officier :Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
La vareuse est a col et a revers avec écussons.
Elle est du modèle long cintrée à la taille, s'arrêtant a 1
cm sous les plis fessiers.
La vareuse a deux poches de poitrine et deux poches
de hanche appliquées.
Elle se ferme au moyen de cinq boutons demi-ronds dits
"1/2 grelot" (diamètre 21 mm) disposes verticalement
sur une seule rangée.
Col et revers : le col se compose de deux pièces, le
dessus et le dessous. Il a un pied d'une hauteur de 3 a
3,5 cm, suivant la hauteur du cou et un tombant de 4 a
4.5 cm de haut. Le dessus recouvre le dessous.
Dos : le dos se compose de deux pièces réunies par une
couture centrale jusqu'à 1 cm sous la ligne de la taille,
soit le bord inférieur du ceinturon ; dans le prolongement
de cette couture est pratiquée une fente allant jusqu'au
bas du vêtement ; la pièce gauche du dos recouvrant
alors la pièce droite, laquelle déborde vers l'intérieur de
4 cm.
Devant : sur le devant droit (pour les femmes : le devant
gauche) se cousent les cinq boutons ; sur l'autre devant
sont pratiquees cinq boutonnieres, la première a la pointe
inferieure du revers, cette pointe etant situee sur une
ligne ideale horizontale partant de la naissance des
sous-bras, la cinquieme juste sous la ligne de la taille.
Ce cote est recoupe pour que les boutons soient places
le long de la ligne mediane du corps.
Poches : chaque devant est pourvu d'une poche de
poitrine et d'une poche de hanche.
La poche de poitrine, modele chasseur, est appliquee a
1 cm en-dessous de la patte. Elle a 14 cm de hauteur.
Au bord supérieur elle a 12 cm de largeur et au bord
inferieur 14 cm. Le bord inferieur est arrondi vers les
bords de cote. Un bouton "grelot" de 18 mm
correspondant a la boutonniere percee dans la patte de
la poche y est cousu. La patte de la poche a 14 cm de
largeur et est cousue legerement plus haut que la
premiere boutonniere de la vareuse par une couture
retournee. La patte est coupee en forme d'accolade et
comporte une boutonniere a 1 cm au-dessus de la pointe
centrale.
La poche de hanche est constituee d'une piece. Elle
represente 21 cm de base, 19 cm au cote supérieur et 26
cm de hauteur, dimensions types variant suivant la taille.
La base de la poche s'arretera a 3 cm du bord inferieur
de la vareuse et est arrondie vers les bords de cote. La
poche de hanche est appliquee a 4 cm en-dessous de la
patte, elle porte un bouton "grelot" de 18 mm.
Une patte, appliquee juste sous la ligne de la taille,
ferme la poche. Elle a 9 cm de haut, 20 cm de large a la
partie superieure et 23 cm a la partie inferieure, laquelle
est coupee en forme d'accolade. A 2 cm au-dessus de ce
bord, dans la ligne mediane de la poche, est perce,
verticalement la boutonniere.
Epaulettes : l'epaulette est de même tissu que la vareuse.
L'epaulette a la forme d'un trapeze allonge, le petit cote
se termine par une pointe qui affleure le bord inferieur
du tombant du col.
Largeur : 55 mm a la base, 40 mm a hauteur du bouton.
Un bouton a vis de 16 mm est place a 2 cm de la pointe,
dans le sens de la longueur.
La patte d'epaule est amovible et de consistance rigide.
Ecussons : les ecussons sont de couleur bleu roi ; ils
sont appliques sur le col le long de la couture de
celui-ci.
Les ecussons se terminent en pointe, le petit cote
interieur de la pointe est parallele a la cassure du col.
La hauteur de l'ecusson, de la base a la pointe, est
d'environ 6 cm. Cette hauteur est variable pour les
ecussons des officiers.
Manches : les manches sont garnies de parements
cousus, coupes en pointe pour les officiers, horizontaux
pour les autres grades.
Largeur du parement : 8 cm.
Hauteur de la pointe : 13 cm.
Les parements sont passepoiles de bleu roi.
Crochets : trois crochets, en metal chrome, d'une
longueur de 3 cm sont places a la ligne de la taille pour
soutenir le ceinturon : un du cote gauche et deux du
cote droit (port du pistolet).
Boutons : les boutons, en metal chrome, frappes du
"Lion Belge" sont au nombre de onze ou quinze : cinq
boutons "grelots" de 21 mm fermant la vareuse, quatre
de 18 mm fermant les poches, deux boutons plats de 16
mm attachant les epaulettes.
Vareuse pour
le cadre
officier
(facultatif)
(voir fig. 21) :Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
La vareuse est de modele droit, sans crochets et
comporte 4 boutons.
Elle est portee sans ceinturon.
La manche porte un parement garni de deux boutons
"grelots" de 16 mm et de deux boutonnieres a sa partie
arriere.
Pantalon : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Impermeable : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Kepi : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Manteau (voir
fig. 19) : Voir description a l'annexe 1.
Teinte bleu fonce (RAL 5004).
Vareuse pour le cadre de
base, moyen et officier :Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
La vareuse est a col et a revers avec écussons.
Elle est du modèle long cintrée à la taille, s'arrêtant a 1
cm sous les plis fessiers.
La vareuse a deux poches de poitrine et deux poches
de hanche appliquées.
Elle se ferme au moyen de cinq boutons demi-ronds dits
"1/2 grelot" (diamètre 21 mm) disposes verticalement
sur une seule rangée.
Col et revers : le col se compose de deux pièces, le
dessus et le dessous. Il a un pied d'une hauteur de 3 a
3,5 cm, suivant la hauteur du cou et un tombant de 4 a
4.5 cm de haut. Le dessus recouvre le dessous.
Dos : le dos se compose de deux pièces réunies par une
couture centrale jusqu'à 1 cm sous la ligne de la taille,
soit le bord inférieur du ceinturon ; dans le prolongement
de cette couture est pratiquée une fente allant jusqu'au
bas du vêtement ; la pièce gauche du dos recouvrant
alors la pièce droite, laquelle déborde vers l'intérieur de
4 cm.
Devant : sur le devant droit (pour les femmes : le devant
gauche) se cousent les cinq boutons ; sur l'autre devant
sont pratiquees cinq boutonnieres, la première a la pointe
inferieure du revers, cette pointe etant situee sur une
ligne ideale horizontale partant de la naissance des
sous-bras, la cinquieme juste sous la ligne de la taille.
Ce cote est recoupe pour que les boutons soient places
le long de la ligne mediane du corps.
Poches : chaque devant est pourvu d'une poche de
poitrine et d'une poche de hanche.
La poche de poitrine, modele chasseur, est appliquee a
1 cm en-dessous de la patte. Elle a 14 cm de hauteur.
Au bord supérieur elle a 12 cm de largeur et au bord
inferieur 14 cm. Le bord inferieur est arrondi vers les
bords de cote. Un bouton "grelot" de 18 mm
correspondant a la boutonniere percee dans la patte de
la poche y est cousu. La patte de la poche a 14 cm de
largeur et est cousue legerement plus haut que la
premiere boutonniere de la vareuse par une couture
retournee. La patte est coupee en forme d'accolade et
comporte une boutonniere a 1 cm au-dessus de la pointe
centrale.
La poche de hanche est constituee d'une piece. Elle
represente 21 cm de base, 19 cm au cote supérieur et 26
cm de hauteur, dimensions types variant suivant la taille.
La base de la poche s'arretera a 3 cm du bord inferieur
de la vareuse et est arrondie vers les bords de cote. La
poche de hanche est appliquee a 4 cm en-dessous de la
patte, elle porte un bouton "grelot" de 18 mm.
Une patte, appliquee juste sous la ligne de la taille,
ferme la poche. Elle a 9 cm de haut, 20 cm de large a la
partie superieure et 23 cm a la partie inferieure, laquelle
est coupee en forme d'accolade. A 2 cm au-dessus de ce
bord, dans la ligne mediane de la poche, est perce,
verticalement la boutonniere.
Epaulettes : l'epaulette est de même tissu que la vareuse.
L'epaulette a la forme d'un trapeze allonge, le petit cote
se termine par une pointe qui affleure le bord inferieur
du tombant du col.
Largeur : 55 mm a la base, 40 mm a hauteur du bouton.
Un bouton a vis de 16 mm est place a 2 cm de la pointe,
dans le sens de la longueur.
La patte d'epaule est amovible et de consistance rigide.
Ecussons : les ecussons sont de couleur bleu roi ; ils
sont appliques sur le col le long de la couture de
celui-ci.
Les ecussons se terminent en pointe, le petit cote
interieur de la pointe est parallele a la cassure du col.
La hauteur de l'ecusson, de la base a la pointe, est
d'environ 6 cm. Cette hauteur est variable pour les
ecussons des officiers.
Manches : les manches sont garnies de parements
cousus, coupes en pointe pour les officiers, horizontaux
pour les autres grades.
Largeur du parement : 8 cm.
Hauteur de la pointe : 13 cm.
Les parements sont passepoiles de bleu roi.
Crochets : trois crochets, en metal chrome, d'une
longueur de 3 cm sont places a la ligne de la taille pour
soutenir le ceinturon : un du cote gauche et deux du
cote droit (port du pistolet).
Boutons : les boutons, en metal chrome, frappes du
"Lion Belge" sont au nombre de onze ou quinze : cinq
boutons "grelots" de 21 mm fermant la vareuse, quatre
de 18 mm fermant les poches, deux boutons plats de 16
mm attachant les epaulettes.
Vareuse pour
le cadre
officier
(facultatif)
(voir fig. 21) :Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
La vareuse est de modele droit, sans crochets et
comporte 4 boutons.
Elle est portee sans ceinturon.
La manche porte un parement garni de deux boutons
"grelots" de 16 mm et de deux boutonnieres a sa partie
arriere.
Pantalon : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Impermeable : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Kepi : Celui prevu pour la tenue ordinaire.
Manteau (voir
fig. 19) : Voir description a l'annexe 1.
Teinte bleu fonce (RAL 5004).
4. Ceremonieel tenue :
Stadstenue + schouderstukken gevlochten in dezelfde tint als het,
schoudersnoer, met koningsblauw plaatje met gradenkentekens (zie fig.
10-11-12).
Voor de korpschefs : schouderstukken gevlochten in dezelfde tint als
het schoudersnoer en eindigend op een klaverblad (zie fig. 22).
Hemd : Effen wit met klassieke kraag.
Handschoenen : In wit leder voor korpschefs en officieren.
In witte stof voor basis- en middenkader.
Koppel voor het
basiskader : Koppel in zwart leder(zie bijlage 1).
Koppel voor het
middenkader : Koppel van zwarte geguillocheerde zijde versierd
met een gesp in bronzen metaal met leeuwekop.
Koppel voor het
officierenkader : Koppel van zwarte geguillocheerde zijde, met
sabelriem uit dezelfde stof, versierd met een gesp
in zilverkleurig metaal met leeuwekop.
Stadstenue + schouderstukken gevlochten in dezelfde tint als het,
schoudersnoer, met koningsblauw plaatje met gradenkentekens (zie fig.
10-11-12).
Voor de korpschefs : schouderstukken gevlochten in dezelfde tint als
het schoudersnoer en eindigend op een klaverblad (zie fig. 22).
Hemd : Effen wit met klassieke kraag.
Handschoenen : In wit leder voor korpschefs en officieren.
In witte stof voor basis- en middenkader.
Koppel voor het
basiskader : Koppel in zwart leder(zie bijlage 1).
Koppel voor het
middenkader : Koppel van zwarte geguillocheerde zijde versierd
met een gesp in bronzen metaal met leeuwekop.
Koppel voor het
officierenkader : Koppel van zwarte geguillocheerde zijde, met
sabelriem uit dezelfde stof, versierd met een gesp
in zilverkleurig metaal met leeuwekop.
4. Tenue de ceremonie :
Tenue de ville + epaulettes torsadees de la même teinte
que la fourragere avec plaquette bleu roi + insignes de
grades (voir fig. 10-11-12).
Pour les chefs de corps : epaulettes torsadees de la
meme teinte que la fourragere terminees en trefle (voir
fig. 22).
Chemise : Blanche, unie, col classique.
Gants : En cuir blanc pour les chefs de corps et officiers.
En tissu blanc pour les cadres moyen et de base.
Ceinturon pour
le cadre
de base : Ceinturon en cuir noir (voir Annexe 1).
Ceinturon pour
le cadre
moyen : Ceinturon en soie noire guillochee, ornee d'une boucle
bronzee decoree d'une tete de lion.
Ceinturon pour
le cadre
officier : Ceinturon en soie noire guillochee, avec beliere de
meme qualite, ornee d'une boucle argentee decoree
d'une tete de lion.
Tenue de ville + epaulettes torsadees de la même teinte
que la fourragere avec plaquette bleu roi + insignes de
grades (voir fig. 10-11-12).
Pour les chefs de corps : epaulettes torsadees de la
meme teinte que la fourragere terminees en trefle (voir
fig. 22).
Chemise : Blanche, unie, col classique.
Gants : En cuir blanc pour les chefs de corps et officiers.
En tissu blanc pour les cadres moyen et de base.
Ceinturon pour
le cadre
de base : Ceinturon en cuir noir (voir Annexe 1).
Ceinturon pour
le cadre
moyen : Ceinturon en soie noire guillochee, ornee d'une boucle
bronzee decoree d'une tete de lion.
Ceinturon pour
le cadre
officier : Ceinturon en soie noire guillochee, avec beliere de
meme qualite, ornee d'une boucle argentee decoree
d'une tete de lion.
5. Avond- en galatenue (zie fig. 13a) :
Dit tenue is facultatief.
Spencer : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Omslag in natuurzijde en in nachtblauw.
Geborduurde zilverkleurige gradenkentekens op de
schouderstukken.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type op de linkerkant van de borst (zie
fig. 1a-1b).
Zilverkleurige knopen op de mouwen + sluiting.
Hemd : Effen wit, kraag " coins casses ".
Riem : Koningsblauw, zilverkleurige knopen.
Das : Zwart vlinderdasje.
Broek : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Met "sous-pied" met galon in koningsblauw van 4 cm
breed in wolvilt.
Geen achterzak.
Schoeisel : Zwarte al dan niet gelakte laarsjes.
Handschoenen : Wit in zijde.
Overkleding : Neutraal donkerblauw.
Dit tenue is facultatief.
Spencer : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Omslag in natuurzijde en in nachtblauw.
Geborduurde zilverkleurige gradenkentekens op de
schouderstukken.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type op de linkerkant van de borst (zie
fig. 1a-1b).
Zilverkleurige knopen op de mouwen + sluiting.
Hemd : Effen wit, kraag " coins casses ".
Riem : Koningsblauw, zilverkleurige knopen.
Das : Zwart vlinderdasje.
Broek : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Met "sous-pied" met galon in koningsblauw van 4 cm
breed in wolvilt.
Geen achterzak.
Schoeisel : Zwarte al dan niet gelakte laarsjes.
Handschoenen : Wit in zijde.
Overkleding : Neutraal donkerblauw.
5. Tenue de soiree ou de gala (voir fig. 13a) :
Cette tenue est facultative.
Spencer : Bleu fonce (RAL 5004).
Revers en soie naturelle bleu nuit.
Insignes des grades brodes argentes sur les epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
argente brode cote gauche sur la poitrine (voir fig.
1a-1b).
Boutons argentes sur les manches + fermeture.
Chemise : Blanche unie. Col coins casses.
Ceinture : Bleu roi, boutons argentes.
Cravate : Noeud papillon noir.
Pantalon : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
A sous-pied avec lisere bleu roi de 4 cm de large en
feutrine.
Pas de poche revolver.
Chaussures : Bottillons vernis ou non, noirs.
Gants : En soie blanche.
Survetement : Neutre, bleu fonce.
Cette tenue est facultative.
Spencer : Bleu fonce (RAL 5004).
Revers en soie naturelle bleu nuit.
Insignes des grades brodes argentes sur les epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
argente brode cote gauche sur la poitrine (voir fig.
1a-1b).
Boutons argentes sur les manches + fermeture.
Chemise : Blanche unie. Col coins casses.
Ceinture : Bleu roi, boutons argentes.
Cravate : Noeud papillon noir.
Pantalon : Teinte : bleu fonce (RAL 5004).
A sous-pied avec lisere bleu roi de 4 cm de large en
feutrine.
Pas de poche revolver.
Chaussures : Bottillons vernis ou non, noirs.
Gants : En soie blanche.
Survetement : Neutre, bleu fonce.
B. Voor de vrouwelijke personeelsleden :
B. Pour le personnel féminin :
1. Basistenue :
Schoeisel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Kousen : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Sokken : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broek : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Rok : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broekrok : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Hemd : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Overgooier : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
De andere kledingstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
Schoeisel : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Kousen : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Sokken : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broek : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Rok : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Broekrok : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Hemd : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
Overgooier : Idem tenue aspirant-politieagent (zie Bijlage 2).
De andere kledingstukken zijn identiek aan deze van het basistenue voor
de mannelijke personeelsleden.
1. Tenue de base :
Chaussures : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Bas : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chaussettes : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Pantalon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Jupe : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Jupe culotte :Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chemise : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chasuble : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Les autres pieces de vetement sont identiques a la
tenue de base pour le personnel masculin.
Chaussures : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Bas : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chaussettes : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Pantalon : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Jupe : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Jupe culotte :Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chemise : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Chasuble : Idem tenue de l'aspirant agent de police (cf. Annexe 2).
Les autres pieces de vetement sont identiques a la
tenue de base pour le personnel masculin.
2. Gewoon tenue :
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden.
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden.
2. Tenue ordinaire :
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin.
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin.
3. Stadstenue :
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden behalve dat
de vrouwelijke personeelsleden de rok dragen.
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden behalve dat
de vrouwelijke personeelsleden de rok dragen.
3. Tenue de ville :
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel feminin portera la jupe.
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel feminin portera la jupe.
4. Ceremonieel tenue :
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden behalve dat
de vrouwelijke personeelsleden de rok dragen.
Ze dragen hetzelfde tenue als de mannelijke personeelsleden behalve dat
de vrouwelijke personeelsleden de rok dragen.
4. Tenue de ceremonie :
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel feminin portera la jupe.
Cette tenue est la même que celle du personnel
masculin sauf que le personnel feminin portera la jupe.
5. Avond- en galatenue (zie fig. 13b) :
Dit tenue is facultatief.
Spencer : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Omslag in natuurzijde en in nachtblauw.
Geborduurde zilverkleurige gradenkentekens op
schouderstukken.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type op de linkerkant van de borst
(zie fig. 1a-1b).
Split onderaan de mouw.
Bloes : Wit met lavalliere.
Riem : Koningsblauw, zilverkleurige knopen.
Lange rok : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Recht, met split aan de linkerkant, tot aan de knie
Handtas : Lederen enveloptas in donkerblauw.
Handschoenen : Wit in zijde
Schoenen : Donkerblauwe pumps.
Overkleding : Neutraal donkerblauw.
Dit tenue is facultatief.
Spencer : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Omslag in natuurzijde en in nachtblauw.
Geborduurde zilverkleurige gradenkentekens op
schouderstukken.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de
gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type op de linkerkant van de borst
(zie fig. 1a-1b).
Split onderaan de mouw.
Bloes : Wit met lavalliere.
Riem : Koningsblauw, zilverkleurige knopen.
Lange rok : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Recht, met split aan de linkerkant, tot aan de knie
Handtas : Lederen enveloptas in donkerblauw.
Handschoenen : Wit in zijde
Schoenen : Donkerblauwe pumps.
Overkleding : Neutraal donkerblauw.
5. Tenue de soiree ou de gala (voir fig. 13b) :
Cette tenue est facultative.
Spencer : Bleu fonce (RAL 5004).
Revers en soie naturelle bleu nuit.
Insignes des grades brodes argentes sur les epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
argente brode cote gauche sur la poitrine (voir fig.
1a-1b).
Fente au bas des manches.
Chemisier : Blanc avec lavalliere.
Ceinture : Bleu roi, boutons argentes.
Jupe longue : Bleu fonce (RAL 5004).
Droite, avec fente du cote gauche jusqu'a hauteur du
genou.
Sac : Pochette en cuir bleu fonce.
Gants : En soie blanche.
Chaussures : Escarpins bleu fonce.
Survetement : Neutre, bleu fonce.
Cette tenue est facultative.
Spencer : Bleu fonce (RAL 5004).
Revers en soie naturelle bleu nuit.
Insignes des grades brodes argentes sur les epaulettes.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
argente brode cote gauche sur la poitrine (voir fig.
1a-1b).
Fente au bas des manches.
Chemisier : Blanc avec lavalliere.
Ceinture : Bleu roi, boutons argentes.
Jupe longue : Bleu fonce (RAL 5004).
Droite, avec fente du cote gauche jusqu'a hauteur du
genou.
Sac : Pochette en cuir bleu fonce.
Gants : En soie blanche.
Chaussures : Escarpins bleu fonce.
Survetement : Neutre, bleu fonce.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N4. Bijlage 4. Beschrijving van de specifieke tenues.
Art. N4. Annexe 4. Description des tenues spécifiques.
Art. 1N4. I. Technische beschrijving van het ordehandhavingstenue (zie fig. 25a tot 25h)
1. Voorwerp
Deze beschrijving legt de eigenschappen waaraan het ordehandhavingstenue moet voldoen, vast.
2. Definitie
Het ordehandhavingstenue is een beschermingskledij bestaande uit een jas, een broek en verschillende accessoires (witte helm, donkerblauwe pet, wapenstok, schild, schoenen met hoge beenschacht en handschoenen). Het beoogt de veiligheid van de politieambtenaar in de omstandigheden die men gewoonlijk ontmoet bij de ordehandhaving.
Het tenue moet ook betrekkelijk efficiënt blijven in sommige uitzonderlijke gevallen. Deze uitzonderlijke gevallen kunnen bijvoorbeeld zijn, een ontploffing, een geworpen molotov-cocktail, het werpen van een bijtend produkt of olie.
In dergelijke gevallen zal de door het ordehandhavingstenue verschafte bescherming niet altijd voldoende zijn om elke verwonding aan de politieambtenaar te voorkomen; niettemin zal deze uitrusting een belangrijke factor betekenen voor het beperken van verwondingen en de gevolgen ervan.
Opmerking. Onverminderd het voorgeschreven onderhoud, is het noodzakelijk het tenue dat werd blootgesteld aan uitzonderlijke omstandigheden, eventueel samen met de fabrikant te onderzoeken. Er moet nooit geaarzeld worden om een beschadigd kledingstuk te vervangen.
3. Bijzondere vereisten
De jas en de broek worden vervaardigd in een stof die soepel, licht en ruim is, en die behandeld werd om de weerstand te verbeteren tegen vuur, hitte, zuren en die water- en olieafstotende eigenschappen heeft.
De jas en de broek moeten zweetdoorlatend zijn.
Deze hoedanigheden zijn minimumvereisten.
4. Gebruikte materialen
a) buitenste laag
- stof in hittebestendige vezel van aramide, mita-aramide, para-aramide of polyamide imide (Nomex III of daarmee gelijkgesteld) met een gewicht van ong. 205 gr/m? (tolerantie ong. 8 gr).
b) tussenlaag (vereiste minimumvoorwaarden)
- microdoorlatend membraan dat waterondoorlatend is maar damp doorlaat waardoor een warmteregeling van de lichaamstranspiratie mogelijk is;
- de membraan moet zorgen voor winddichtheid zodat het thermisch comfort binnenin bewaard blijft;
- de membraan mag geen vuur vatten en moet ervoor zorgen dat het vuur slechts met vertraging de voering van het kledingstuk bereikt;
- het gewicht van de membraan moet 60 gr bedragen (ong. 10 gr) - de waterdichtheid moet kunnen weerstaan aan een waterkolom van meer dan 20 m ( DIN 53886).
De weerstand aan de waterdampdoorlatendheid volgens de norm DIN 54101 - model HOHENSTEIN Ret 30 x 10-? m? mbar/Watt;
- alle naden moeten dichtgemaakt worden door het gebruik van een thermoklevende strook;
- deze tussenlaag moet weerstaan aan een minimum van 15 wasbeurten bij 40°;
c) binnenste laag (voering)
- stof in hittebestendige vezel van aramide, mita-aramide, para-aramide of polyamide imide (Nomex III of daarmee gelijkgesteld) met een gewicht van ong. 205 gr/m?(tolerantie ong. 8 gr);
d) Naaigaren
- 100 % aramide, dikte N70;
e) Drukknopen voor sluiting van de jas
- type 6, waterdicht en in bronsmetaal;
f) Drukknopen voor kleppen en zakken
- type 4, in bronsmetaal;
g)Versterkings- en volumevezel
- niet geweven para-aramide van ong. 220 gr/m?;! h) Ritssluiting
- type 8 mm met dubbele loper.
5. Algemene beschrijving
De broek en de jas zijn vervaardigd uit drie lagen. De stoffen zitten volledig los ten opzichte van de tussenlaag. Deze verschillende lagen raken elkaar enkel aan de randen waar ze vastgenaaid zijn. Ze mogen op geen enkele andere plaats vastgenaaid zijn en dit om de waterdichtheid te waarborgen.
6. Kleur van de buitenste en de binnenste laag
De kleur van de broek en de jas is donkerblauw.
De kleurcoördinaten (CIE lab) moeten zo dicht mogelijk aansluiten hij die volgende gegevens :
L*=21,45;
a*=0,74;
h*= -5,36, gemeten met het HUNTERLAB LABSCAN 5000 toestel in de volgende omstandigheden:
Licht C;
2° - observator;
UV-included.
7. Kleurvastheid
§ 1. Vastheid bij kunstlicht.
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 105-B02-1984 "Kleurvastheid bij kunstlicht - Xenonbooglamp".
Minimumvereiste : blauw 3-4.
§ 2. Vastheid bij het wassen.
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 62-019 "Textielen - kleurvastheidsproeven Kleurvastheid bij het huishoudelijk of commercieel wassen met detergent".
minimumvereiste : blauw 4.
§ 3. Chemisch reinigen.
Wanneer de fabrikant het chemisch reinigen voorschrijft, wordt de methode uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 55-004 "Textielen - Vaststelling van de schommeling van de afmetingen bij het chemisch reinigen met perchloorethyleen - Machinemethode".
8. Bijzondere beschrijving
A. De jas
- de jas sluit asymmetrisch aan de hand van een ritssluiting en zes waterdichte drukknopen. De ritssluiting is ter hoogte van de borst niet aan het buitenweefsel vastgenaaid (linkerkant) over ongeveer 20 cm teneinde het dienstwapen dat aan een afzonderlijke holster is bevestigd, te kunnen grijpen;
- er zijn twee zakken aangebracht op de voorkant die sluiten met een klep met drukknopen;
- de mouw is van het "Kimono-raglan"-type zonder schoudernaad. Het uiteinde van de mouw is winddicht gemaakt.
De breedte van de mouw kan geregeld worden met een klepje met drukknopen;
- de rug is samengesteld uit twee delen met een lichte buiging ter hoogte van de schouderbladen. Onderaan zijn twee kleppen genaaid op de zijnaden teneinde de breedte van het onderste gedeelte te kunnen regelen met drie drukknopen;
- ter hoogte van de borst werd aan de linkerzijde het kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type thermogekleefd (zie fig. 2a-2b). Eveneens aan de linkerzijde van de borst werd een velcro genaaid op de buitenste laag om de gradenkentekens te kunnen aanbrengen;
- boven de linkerzak is een versterking voorzien voor de bevestiging van de musketon waaraan de veiligheidshelm zal bevestigd worden;
- de kraag is van het type "officierskraag". De kraag wordt versterkt met ongeweven para-aramide vezel die binnenin is genaaid tussen de drie lagen.
Aan de binnenzijde van de kraag is eveneens een lus voorzien;
- aan de binnenzijde van de jas is er ter hoogte van de borst een zak voorzien aan iedere zijde. Ze sluiten met een centrale drukknop van het type 4;
- aan de binnenzijde van de jas is over de hele lengte van de schouders een zelfklevende strook genaaid aan de binnenstof voor de vasthechting van de schouderbeschermingen;
- de schouderbeschermingen kunnen bestaan uit uitneembare schouderstukken of iets anders (beschermingsschelp...).
Zij moeten bekleed zijn met de basisstof;
- alle uiteinden van zakken en kleppen zijn versterkt met een trens evenals de uiteinden van de ritssluiting die vastgenaaid is aan de linkerzijde.
B. De broek - de broek heeft een klassiek model met kleine bandplooien vooraan. De gulp sluit met een ritssluiting, een jeansknoop en een knoopsgat;
- in de riem van de broek is een elastiek genaaid tussen de zijnaden van de broek;
- voor het dragen van de riem zijn zeven passanten voorzien;
1. Voorwerp
Deze beschrijving legt de eigenschappen waaraan het ordehandhavingstenue moet voldoen, vast.
2. Definitie
Het ordehandhavingstenue is een beschermingskledij bestaande uit een jas, een broek en verschillende accessoires (witte helm, donkerblauwe pet, wapenstok, schild, schoenen met hoge beenschacht en handschoenen). Het beoogt de veiligheid van de politieambtenaar in de omstandigheden die men gewoonlijk ontmoet bij de ordehandhaving.
Het tenue moet ook betrekkelijk efficiënt blijven in sommige uitzonderlijke gevallen. Deze uitzonderlijke gevallen kunnen bijvoorbeeld zijn, een ontploffing, een geworpen molotov-cocktail, het werpen van een bijtend produkt of olie.
In dergelijke gevallen zal de door het ordehandhavingstenue verschafte bescherming niet altijd voldoende zijn om elke verwonding aan de politieambtenaar te voorkomen; niettemin zal deze uitrusting een belangrijke factor betekenen voor het beperken van verwondingen en de gevolgen ervan.
Opmerking. Onverminderd het voorgeschreven onderhoud, is het noodzakelijk het tenue dat werd blootgesteld aan uitzonderlijke omstandigheden, eventueel samen met de fabrikant te onderzoeken. Er moet nooit geaarzeld worden om een beschadigd kledingstuk te vervangen.
3. Bijzondere vereisten
De jas en de broek worden vervaardigd in een stof die soepel, licht en ruim is, en die behandeld werd om de weerstand te verbeteren tegen vuur, hitte, zuren en die water- en olieafstotende eigenschappen heeft.
De jas en de broek moeten zweetdoorlatend zijn.
Deze hoedanigheden zijn minimumvereisten.
4. Gebruikte materialen
a) buitenste laag
- stof in hittebestendige vezel van aramide, mita-aramide, para-aramide of polyamide imide (Nomex III of daarmee gelijkgesteld) met een gewicht van ong. 205 gr/m? (tolerantie ong. 8 gr).
b) tussenlaag (vereiste minimumvoorwaarden)
- microdoorlatend membraan dat waterondoorlatend is maar damp doorlaat waardoor een warmteregeling van de lichaamstranspiratie mogelijk is;
- de membraan moet zorgen voor winddichtheid zodat het thermisch comfort binnenin bewaard blijft;
- de membraan mag geen vuur vatten en moet ervoor zorgen dat het vuur slechts met vertraging de voering van het kledingstuk bereikt;
- het gewicht van de membraan moet 60 gr bedragen (ong. 10 gr) - de waterdichtheid moet kunnen weerstaan aan een waterkolom van meer dan 20 m ( DIN 53886).
De weerstand aan de waterdampdoorlatendheid volgens de norm DIN 54101 - model HOHENSTEIN Ret 30 x 10-? m? mbar/Watt;
- alle naden moeten dichtgemaakt worden door het gebruik van een thermoklevende strook;
- deze tussenlaag moet weerstaan aan een minimum van 15 wasbeurten bij 40°;
c) binnenste laag (voering)
- stof in hittebestendige vezel van aramide, mita-aramide, para-aramide of polyamide imide (Nomex III of daarmee gelijkgesteld) met een gewicht van ong. 205 gr/m?(tolerantie ong. 8 gr);
d) Naaigaren
- 100 % aramide, dikte N70;
e) Drukknopen voor sluiting van de jas
- type 6, waterdicht en in bronsmetaal;
f) Drukknopen voor kleppen en zakken
- type 4, in bronsmetaal;
g)Versterkings- en volumevezel
- niet geweven para-aramide van ong. 220 gr/m?;! h) Ritssluiting
- type 8 mm met dubbele loper.
5. Algemene beschrijving
De broek en de jas zijn vervaardigd uit drie lagen. De stoffen zitten volledig los ten opzichte van de tussenlaag. Deze verschillende lagen raken elkaar enkel aan de randen waar ze vastgenaaid zijn. Ze mogen op geen enkele andere plaats vastgenaaid zijn en dit om de waterdichtheid te waarborgen.
6. Kleur van de buitenste en de binnenste laag
De kleur van de broek en de jas is donkerblauw.
De kleurcoördinaten (CIE lab) moeten zo dicht mogelijk aansluiten hij die volgende gegevens :
L*=21,45;
a*=0,74;
h*= -5,36, gemeten met het HUNTERLAB LABSCAN 5000 toestel in de volgende omstandigheden:
Licht C;
2° - observator;
UV-included.
7. Kleurvastheid
§ 1. Vastheid bij kunstlicht.
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 105-B02-1984 "Kleurvastheid bij kunstlicht - Xenonbooglamp".
Minimumvereiste : blauw 3-4.
§ 2. Vastheid bij het wassen.
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 62-019 "Textielen - kleurvastheidsproeven Kleurvastheid bij het huishoudelijk of commercieel wassen met detergent".
minimumvereiste : blauw 4.
§ 3. Chemisch reinigen.
Wanneer de fabrikant het chemisch reinigen voorschrijft, wordt de methode uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 55-004 "Textielen - Vaststelling van de schommeling van de afmetingen bij het chemisch reinigen met perchloorethyleen - Machinemethode".
8. Bijzondere beschrijving
A. De jas
- de jas sluit asymmetrisch aan de hand van een ritssluiting en zes waterdichte drukknopen. De ritssluiting is ter hoogte van de borst niet aan het buitenweefsel vastgenaaid (linkerkant) over ongeveer 20 cm teneinde het dienstwapen dat aan een afzonderlijke holster is bevestigd, te kunnen grijpen;
- er zijn twee zakken aangebracht op de voorkant die sluiten met een klep met drukknopen;
- de mouw is van het "Kimono-raglan"-type zonder schoudernaad. Het uiteinde van de mouw is winddicht gemaakt.
De breedte van de mouw kan geregeld worden met een klepje met drukknopen;
- de rug is samengesteld uit twee delen met een lichte buiging ter hoogte van de schouderbladen. Onderaan zijn twee kleppen genaaid op de zijnaden teneinde de breedte van het onderste gedeelte te kunnen regelen met drie drukknopen;
- ter hoogte van de borst werd aan de linkerzijde het kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type thermogekleefd (zie fig. 2a-2b). Eveneens aan de linkerzijde van de borst werd een velcro genaaid op de buitenste laag om de gradenkentekens te kunnen aanbrengen;
- boven de linkerzak is een versterking voorzien voor de bevestiging van de musketon waaraan de veiligheidshelm zal bevestigd worden;
- de kraag is van het type "officierskraag". De kraag wordt versterkt met ongeweven para-aramide vezel die binnenin is genaaid tussen de drie lagen.
Aan de binnenzijde van de kraag is eveneens een lus voorzien;
- aan de binnenzijde van de jas is er ter hoogte van de borst een zak voorzien aan iedere zijde. Ze sluiten met een centrale drukknop van het type 4;
- aan de binnenzijde van de jas is over de hele lengte van de schouders een zelfklevende strook genaaid aan de binnenstof voor de vasthechting van de schouderbeschermingen;
- de schouderbeschermingen kunnen bestaan uit uitneembare schouderstukken of iets anders (beschermingsschelp...).
Zij moeten bekleed zijn met de basisstof;
- alle uiteinden van zakken en kleppen zijn versterkt met een trens evenals de uiteinden van de ritssluiting die vastgenaaid is aan de linkerzijde.
B. De broek - de broek heeft een klassiek model met kleine bandplooien vooraan. De gulp sluit met een ritssluiting, een jeansknoop en een knoopsgat;
- in de riem van de broek is een elastiek genaaid tussen de zijnaden van de broek;
- voor het dragen van de riem zijn zeven passanten voorzien;
Art. 1N4. I. Description de la tenue de maintien de l'ordre (voir fig. 25a à 25h).
1. Objet.
La présente description définit les caractéristiques auxquelles doit satisfaire la tenue de maintien de l'ordre.
2. Définition.
La tenue de maintien de l'ordre est une tenue protectrice composée d'une veste, d'un pantalon et divers accessoires (casque blanc, casquette bleu foncé, matraque, bouclier, chaussures hautes tiges et gants) ;
elle est étudiée en vue de la sécurité du fonctionnaire de police dans les circonstances habituellement rencontrées lors du maintien de l'ordre.
Elle doit aussi rester relativement efficace dans certaines circonstances exceptionnelles. Ces circonstances exceptionnelles sont, par exemple, une explosion, un jet de "cocktail molotov", une projection de liquide corrosif ou d'huile.
Dans de telles circonstances, la protection assurée par la tenue de maintien de l'ordre ne sera pas toujours suffisante pour éviter toute blessure au fonctionnaire de police ; néanmoins, cette tenue sera un facteur important de limitation des blessures et de leurs conséquences.
Remarque :
Sans préjudice des entretiens tels que prévus, lorsque la tenue de maintien de l'ordre a été soumise à des contraintes exceptionnelles, il est indispensable de l'examiner, éventuellement, avec la collaboration du fabricant.
Il ne faut jamais hésiter à remplacer une tenue de maintien de l'ordre endommagée.
3. Exigences particulières.
La veste et le pantalon doivent être réalisés en tissu, souple, léger, ample, traité pour améliorer la propriété de résistance à la flamme, à la chaleur, aux acides ainsi que les propriétés hydrophobes et oléophobes.
La veste et le pantalon doivent permettre l'évacuation de la transpiration.
Ces qualités sont des exigences minimales.
4. Matériaux utilisés.
a) couche extérieure :
- tissu en fibres thermostables d'aramide, mita-aramide, para-aramide ou polyamide imide (Nomex III ou équivalent) d'un poids de plus ou moins 205 gr/m2 (tolérance plus ou moins 8 gr) ;
b) couche intermédiaire (qualités minimales exigées) :
- membrane microporeuse imperméable à l'eau mais perméable à la vapeur assurant une thermorégulation de la transpiration du corps ;
- la membrane doit avoir un effet coupe-vent afin de préserver le confort thermique intérieur ;
- la membrane ne peut s'enflammer et doit assurer un retard dans la transmission du feu à la doublure du vêtement ;
- le poids de la membrane doit être de 60 gr (plus ou moins 10 gr) ;
- l'imperméabilité à l'eau doit être supérieure à + de 20 m de colonne d'eau (DIN 53886). La résistance à la perméabilité à la vapeur d'eau selon la norme DIN 54101 - modèle HOHENSTEIN : Ret 30 x 10 exposant -3 m2 mbar/Watt ;
- toutes les coutures doivent être rendues étanches par l'usage d'une bande thermocollante. Cette couche intermédiaire doit pouvoir résister à un minimum de 15 lavages à 40° ;
c) couche intérieure (doublure) :
- tissu en fibres thermostables d'aramide, mita-aramide, para-aramide ou polyamide imide (Nomex III ou équivalent) d'un poids de plus ou moins 205 gr/m2 (tolérance 8 gr) ;
d) fil à coudre :
- 100 % aramide, épaisseur N70 ;
e) boutons pressions pour la fermeture de la veste :
- type 6, étanches et en métal bronzé ;
f) boutons pressions pour pattes et poches :
- type 4, en métal bronzé ;
g) tissu de renforcement et de volume :
- para-aramide non tissé de plus ou moins 220g/m2 ;
h) fermeture éclair :
- type 8 mm avec double curseur.
5. Description générale.
Le pantalon et la veste sont confectionnés en trois couches.
Les tissus sont tout-à-fait flottants par rapport au tissu intermédiaire.
Ces différentes couches ne se touchent que sur les bords où elles sont cousues. Il ne peut y avoir aucun autre endroit où les trois couches sont cousues et ce, pour garantir l'imperméabilité.
6. Couleur du tissu extérieur et intérieur.
La couleur de la veste et du pantalon est le bleu foncé.
Les coordonnées de couleur (CIE-Lab) doivent être les plus proches possibles des données suivantes :
L* = 21,45 ;
a* = 0,74 ;
b* = 5,36,
mesurées avec l'appareil HUNTERLAB LABSCAN 5000 sous les conditions suivantes :
Lumière C ;
2° - observateur ;
UV- included.
7. Solidité des teintures.
§ 1er. Solidité à la lumière artificielle.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 105-B02-1984 "Solidité des teintures à la lumière artificielle - lampe à arc au Xénon".
Exigence minimum : bleu 3-4.
§ 2. Solidité au lavage.
L'essai est effectué conformément à la norme NBN G 62-019 "Textiles - essais de solidité des teintures - Solidité au lavage domestique ou commercial en présence de détergent".
Exigence minimum : bleu 4.
§ 3. Nettoyage à sec.
Lorsque le mode de nettoyage imposé par le fabricant est le nettoyage à sec, la méthode est effectuée conformément à la norme NBN G 55-004 "Textiles - Détermination de la variation des dimensions au nettoyage à sec dans le perchloréthylène - Méthode à la machine".
8. Description particulière.
A. La veste.
- La veste se ferme de façon asymétrique au moyen d'une fermeture éclair et de six boutons pression étanches.
La fermeture éclair n'est pas cousue au tissu extérieur à hauteur de la poitrine (côté gauche) sur plus ou moins 20 cm afin de pouvoir prendre l'arme de service suspendue par un holster indépendant.
- Il y a deux poches appliquées sur le devant qui se ferment par une patte avec des boutons-pression.
- La manche est du type "Raglan-Kimono" sans couture d'épaule. Au bout de la manche un coupe vent est prévu.
La largeur de la manche peut-être réglée par une patte de réajustement à boutons-pression.
- Le dos est constitué de 2 parties avec une légère courbure à hauteur des omoplates.
Dans le bas, deux pattes sont cousues sur les coutures latérales pour pouvoir régler, par 3 boutons-pression, la largeur de la partie inférieure.
- Du côté gauche, à hauteur de la poitrine, l'insigne de la police communale de type urbain ou rural est thermocollé (voir fig. 2a-2b). Egalement du côté gauche de la poitrine un velcro a été cousu sur le tissu extérieur pour pouvoir fixer les insignes de grade.
- Au-dessus de la poche gauche, un renforcement est prévu pour le maintien et l'accrochage du mousqueton auquel sera attaché le casque de protection.
- Le col est du type "col officier". Son renforcement se fait par de la fibre para-aramide non tissé cousu à l'intérieur entre les 3 couches. Le col est également pourvu, à l'intérieur, d'une lichette.
- A l'intérieur de la veste, à hauteur de la poitrine, il y a une poche de chaque côté. Elles sont fermées par un bouton-pression central du type 4.
- A l'intérieur de la veste, sur toute la longueur des épaules, une bande velcro est cousue au tissu intérieur pour la fixation des protections d'épaules.
- Les protections d'épaules peuvent être constituées par des épaulettes amovibles ou tout autre dispositif (coquille de protection ...). Elles doivent être recouvertes du tissu de base.
- Toutes les extrémités des poches et des pattes sont renforcées par un arrêt de même que les extrémités de la fermeture éclair qui est cousue sur la partie gauche.
B. Le pantalon.
- Le pantalon est d'un modèle classique avec de petites pinces devant. La braguette se ferme par une fermeture éclair, un bouton jeans et une boutonnière.
- La ceinture du pantalon comporte un élastique cousu entre les coutures latérales du pantalon.
- Pour le port de la ceinture, sept passants sont prévus.
1. Objet.
La présente description définit les caractéristiques auxquelles doit satisfaire la tenue de maintien de l'ordre.
2. Définition.
La tenue de maintien de l'ordre est une tenue protectrice composée d'une veste, d'un pantalon et divers accessoires (casque blanc, casquette bleu foncé, matraque, bouclier, chaussures hautes tiges et gants) ;
elle est étudiée en vue de la sécurité du fonctionnaire de police dans les circonstances habituellement rencontrées lors du maintien de l'ordre.
Elle doit aussi rester relativement efficace dans certaines circonstances exceptionnelles. Ces circonstances exceptionnelles sont, par exemple, une explosion, un jet de "cocktail molotov", une projection de liquide corrosif ou d'huile.
Dans de telles circonstances, la protection assurée par la tenue de maintien de l'ordre ne sera pas toujours suffisante pour éviter toute blessure au fonctionnaire de police ; néanmoins, cette tenue sera un facteur important de limitation des blessures et de leurs conséquences.
Remarque :
Sans préjudice des entretiens tels que prévus, lorsque la tenue de maintien de l'ordre a été soumise à des contraintes exceptionnelles, il est indispensable de l'examiner, éventuellement, avec la collaboration du fabricant.
Il ne faut jamais hésiter à remplacer une tenue de maintien de l'ordre endommagée.
3. Exigences particulières.
La veste et le pantalon doivent être réalisés en tissu, souple, léger, ample, traité pour améliorer la propriété de résistance à la flamme, à la chaleur, aux acides ainsi que les propriétés hydrophobes et oléophobes.
La veste et le pantalon doivent permettre l'évacuation de la transpiration.
Ces qualités sont des exigences minimales.
4. Matériaux utilisés.
a) couche extérieure :
- tissu en fibres thermostables d'aramide, mita-aramide, para-aramide ou polyamide imide (Nomex III ou équivalent) d'un poids de plus ou moins 205 gr/m2 (tolérance plus ou moins 8 gr) ;
b) couche intermédiaire (qualités minimales exigées) :
- membrane microporeuse imperméable à l'eau mais perméable à la vapeur assurant une thermorégulation de la transpiration du corps ;
- la membrane doit avoir un effet coupe-vent afin de préserver le confort thermique intérieur ;
- la membrane ne peut s'enflammer et doit assurer un retard dans la transmission du feu à la doublure du vêtement ;
- le poids de la membrane doit être de 60 gr (plus ou moins 10 gr) ;
- l'imperméabilité à l'eau doit être supérieure à + de 20 m de colonne d'eau (DIN 53886). La résistance à la perméabilité à la vapeur d'eau selon la norme DIN 54101 - modèle HOHENSTEIN : Ret 30 x 10 exposant -3 m2 mbar/Watt ;
- toutes les coutures doivent être rendues étanches par l'usage d'une bande thermocollante. Cette couche intermédiaire doit pouvoir résister à un minimum de 15 lavages à 40° ;
c) couche intérieure (doublure) :
- tissu en fibres thermostables d'aramide, mita-aramide, para-aramide ou polyamide imide (Nomex III ou équivalent) d'un poids de plus ou moins 205 gr/m2 (tolérance 8 gr) ;
d) fil à coudre :
- 100 % aramide, épaisseur N70 ;
e) boutons pressions pour la fermeture de la veste :
- type 6, étanches et en métal bronzé ;
f) boutons pressions pour pattes et poches :
- type 4, en métal bronzé ;
g) tissu de renforcement et de volume :
- para-aramide non tissé de plus ou moins 220g/m2 ;
h) fermeture éclair :
- type 8 mm avec double curseur.
5. Description générale.
Le pantalon et la veste sont confectionnés en trois couches.
Les tissus sont tout-à-fait flottants par rapport au tissu intermédiaire.
Ces différentes couches ne se touchent que sur les bords où elles sont cousues. Il ne peut y avoir aucun autre endroit où les trois couches sont cousues et ce, pour garantir l'imperméabilité.
6. Couleur du tissu extérieur et intérieur.
La couleur de la veste et du pantalon est le bleu foncé.
Les coordonnées de couleur (CIE-Lab) doivent être les plus proches possibles des données suivantes :
L* = 21,45 ;
a* = 0,74 ;
b* = 5,36,
mesurées avec l'appareil HUNTERLAB LABSCAN 5000 sous les conditions suivantes :
Lumière C ;
2° - observateur ;
UV- included.
7. Solidité des teintures.
§ 1er. Solidité à la lumière artificielle.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 105-B02-1984 "Solidité des teintures à la lumière artificielle - lampe à arc au Xénon".
Exigence minimum : bleu 3-4.
§ 2. Solidité au lavage.
L'essai est effectué conformément à la norme NBN G 62-019 "Textiles - essais de solidité des teintures - Solidité au lavage domestique ou commercial en présence de détergent".
Exigence minimum : bleu 4.
§ 3. Nettoyage à sec.
Lorsque le mode de nettoyage imposé par le fabricant est le nettoyage à sec, la méthode est effectuée conformément à la norme NBN G 55-004 "Textiles - Détermination de la variation des dimensions au nettoyage à sec dans le perchloréthylène - Méthode à la machine".
8. Description particulière.
A. La veste.
- La veste se ferme de façon asymétrique au moyen d'une fermeture éclair et de six boutons pression étanches.
La fermeture éclair n'est pas cousue au tissu extérieur à hauteur de la poitrine (côté gauche) sur plus ou moins 20 cm afin de pouvoir prendre l'arme de service suspendue par un holster indépendant.
- Il y a deux poches appliquées sur le devant qui se ferment par une patte avec des boutons-pression.
- La manche est du type "Raglan-Kimono" sans couture d'épaule. Au bout de la manche un coupe vent est prévu.
La largeur de la manche peut-être réglée par une patte de réajustement à boutons-pression.
- Le dos est constitué de 2 parties avec une légère courbure à hauteur des omoplates.
Dans le bas, deux pattes sont cousues sur les coutures latérales pour pouvoir régler, par 3 boutons-pression, la largeur de la partie inférieure.
- Du côté gauche, à hauteur de la poitrine, l'insigne de la police communale de type urbain ou rural est thermocollé (voir fig. 2a-2b). Egalement du côté gauche de la poitrine un velcro a été cousu sur le tissu extérieur pour pouvoir fixer les insignes de grade.
- Au-dessus de la poche gauche, un renforcement est prévu pour le maintien et l'accrochage du mousqueton auquel sera attaché le casque de protection.
- Le col est du type "col officier". Son renforcement se fait par de la fibre para-aramide non tissé cousu à l'intérieur entre les 3 couches. Le col est également pourvu, à l'intérieur, d'une lichette.
- A l'intérieur de la veste, à hauteur de la poitrine, il y a une poche de chaque côté. Elles sont fermées par un bouton-pression central du type 4.
- A l'intérieur de la veste, sur toute la longueur des épaules, une bande velcro est cousue au tissu intérieur pour la fixation des protections d'épaules.
- Les protections d'épaules peuvent être constituées par des épaulettes amovibles ou tout autre dispositif (coquille de protection ...). Elles doivent être recouvertes du tissu de base.
- Toutes les extrémités des poches et des pattes sont renforcées par un arrêt de même que les extrémités de la fermeture éclair qui est cousue sur la partie gauche.
B. Le pantalon.
- Le pantalon est d'un modèle classique avec de petites pinces devant. La braguette se ferme par une fermeture éclair, un bouton jeans et une boutonnière.
- La ceinture du pantalon comporte un élastique cousu entre les coutures latérales du pantalon.
- Pour le port de la ceinture, sept passants sont prévus.
- de zakken : - een schuine zak zonder klep langs elke kant.
- rechter achterkant, een opgenaaide zak met sluitingsklep
met twee drukknopen.
- langs elke zijkant, een opgenaaide pofzak met klep en
twee drukknopen;
- onderaan is de broek recht. Ze kan omgeslagen worden en
aan de hoge schoenen bevestigd met een elastiek;
- alle uiteinden van zakken en kleppen zijn versterkt met
een trens evenals de onderkant van de ritssluiting.
- rechter achterkant, een opgenaaide zak met sluitingsklep
met twee drukknopen.
- langs elke zijkant, een opgenaaide pofzak met klep en
twee drukknopen;
- onderaan is de broek recht. Ze kan omgeslagen worden en
aan de hoge schoenen bevestigd met een elastiek;
- alle uiteinden van zakken en kleppen zijn versterkt met
een trens evenals de onderkant van de ritssluiting.
- Les poches : - une poche oblique sans rabat de chaque cote ;
- cote arriere droit, une poche appliquee avec rabat de
fermeture avec deux boutons-pression ;
- de chaque cote lateral, une poche appliquee a soufflet
avec rabat et deux boutons-pression.
- Le bas du pantalon est droit. Il pourra être replie et
fixe aux chaussures hautes tiges par un elastique.
- Toutes les extremites des poches et rabats sont
renforcees par un arret ainsi que le dessous de la
fermeture.
- cote arriere droit, une poche appliquee avec rabat de
fermeture avec deux boutons-pression ;
- de chaque cote lateral, une poche appliquee a soufflet
avec rabat et deux boutons-pression.
- Le bas du pantalon est droit. Il pourra être replie et
fixe aux chaussures hautes tiges par un elastique.
- Toutes les extremites des poches et rabats sont
renforcees par un arret ainsi que le dessous de la
fermeture.
9. Informatie voor de gebruiker
Een etiket opgesteld in de administratieve taal van de gemeente is op duurzame wijze bevestigd aan de binnenkant van de jas. Naast naam en adres van fabrikant en leverancier vermeldt het nog de fabrikatiedatum en alle nuttige inlichtingen voor het onderhoud van de jas (in de vorm van conventionele symbolen).
Er zal eveneens een fiche bij het kledingstuk gevoegd worden waarop de onderhoudsvoorschriften gedetailleerd voorkomen evenals de instructies beschreven in § 7 van de norm ISO 6530.
10. Waterdichtheidstest
Indien de jas aan de beschrijving voldoet, worden de stof en het tussenmembraan gelijktijdig aan een test onderworpen.
De test wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 811 . "Stoffen. Vaststelling van de waterdichtheid - Test onder hydrostatische druk". De snelheid waarmee de waterdruk verhoogd wordt, bedraagt 10 +/-0,5 cm per minuut.
Minimumvereiste
In nieuwe staat moet de bereikte druk hoger zijn dan 10 m; na conditionering blijft hij hoger dan 8.
11. Bestendigheid tegen indringing van vloeibare chemische produkten (beperkte bescherming)
§ 1. Beschrijving van de test
De test wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 6530 "Kledingstukken die een beperkte bescherming bieden tegen gevaarlijke vloeibare chemicaliën - Penetratiebestendigheid Markering".
§ 2. Testprodukten :
- n-octaan;
- zoutzuur 37 %;
- natriumhydroxyde 10 N;
- olie ASTM n° 3;
- tutoglen;
- javelwater, commerciële versie.
12. Vaststelling van de breukkracht en van de verlenging van de breuk
§ 1. Beschrijving van de proef De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 5081 "Textielen - .stoffen - vaststelling van de breukkracht en van de verlenging van de breuk (Methode op band)".
§ 2. Type toestel : met constante verplaatsing snelheid van de trektang.
§ 3. Duur van de breukproef . 30s+/-5s N.B. Deze proef kan door de ontvanger steeds vereist worden op proefbuisjes die een andere conditionering hebben ondergaan voor zover hij over degelijke stalen kan beschikken.
Een etiket opgesteld in de administratieve taal van de gemeente is op duurzame wijze bevestigd aan de binnenkant van de jas. Naast naam en adres van fabrikant en leverancier vermeldt het nog de fabrikatiedatum en alle nuttige inlichtingen voor het onderhoud van de jas (in de vorm van conventionele symbolen).
Er zal eveneens een fiche bij het kledingstuk gevoegd worden waarop de onderhoudsvoorschriften gedetailleerd voorkomen evenals de instructies beschreven in § 7 van de norm ISO 6530.
10. Waterdichtheidstest
Indien de jas aan de beschrijving voldoet, worden de stof en het tussenmembraan gelijktijdig aan een test onderworpen.
De test wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 811 . "Stoffen. Vaststelling van de waterdichtheid - Test onder hydrostatische druk". De snelheid waarmee de waterdruk verhoogd wordt, bedraagt 10 +/-0,5 cm per minuut.
Minimumvereiste
In nieuwe staat moet de bereikte druk hoger zijn dan 10 m; na conditionering blijft hij hoger dan 8.
11. Bestendigheid tegen indringing van vloeibare chemische produkten (beperkte bescherming)
§ 1. Beschrijving van de test
De test wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 6530 "Kledingstukken die een beperkte bescherming bieden tegen gevaarlijke vloeibare chemicaliën - Penetratiebestendigheid Markering".
§ 2. Testprodukten :
- n-octaan;
- zoutzuur 37 %;
- natriumhydroxyde 10 N;
- olie ASTM n° 3;
- tutoglen;
- javelwater, commerciële versie.
12. Vaststelling van de breukkracht en van de verlenging van de breuk
§ 1. Beschrijving van de proef De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 5081 "Textielen - .stoffen - vaststelling van de breukkracht en van de verlenging van de breuk (Methode op band)".
§ 2. Type toestel : met constante verplaatsing snelheid van de trektang.
§ 3. Duur van de breukproef . 30s+/-5s N.B. Deze proef kan door de ontvanger steeds vereist worden op proefbuisjes die een andere conditionering hebben ondergaan voor zover hij over degelijke stalen kan beschikken.
9. L'information de l'utilisateur.
Une étiquette, rédigée dans la langue administrative de la commune, est apposée de façon durable à l'intérieur de la veste. Elle reprend, outre les noms et adresses du fabricant et du fournisseur, la date de fabrication et toutes les informations utiles pour l'entretien de la veste (sous la forme des symboles conventionnels). Le vêtement sera également accompagné d'une fiche reprenant les prescriptions d'entretien de façon détaillée ainsi que les instructions décrites au § 7 de la norme ISO 6530.
10. Essai d'imperméabilité.
Si la veste répond au descriptif, les tissus et la membrane intermédiaire sont soumis ensemble à l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 811 "Etoffes. - Détermination de la résistance à la pénétration de l'eau - Essai sous pression hydrostatique".
La vitesse d'accroissement de la pression d'eau est de 10 plus ou moins 0,5 cm par minute.
Exigence minimum.
A l'état neuf, la pression atteinte doit être supérieure à 10 m ; après conditionnement, elle reste supérieure à 8 m.
11. Résistance à la pénétration par les produits chimiques liquides (protection limitée).
§ 1er. Description de l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 6530 "Vêtements assurant une protection limitée contre les produits chimiques liquides dangereux - Résistance à la pénétration - Marquage".
§ 2. Produits d'essai :
- n-octane ;
- acide chlorhydrique 37 % ;
- soude caustique 10 N ;
- huile ASTM n° 3 ;
- tutogène ;
- eau de javel, version commerciale.
12. Détermination de la force de rupture et de l'allongement de rupture.
§ 1er. Description de l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 5081 "Textiles - tissus - détermination de la force de rupture et de l'allongement de rupture (Méthode sur bande)".
§ 2. Type d'appareil : à vitesse constante de déplacement de la pince de traction.
§ 3. Durée d'essai de rupture : 30 s plus ou moins 5 s.
N.B. :
Cet essai peut toujours être exigé par le réceptionnaire sur des éprouvettes ayant subi un autre conditionnement pour autant qu'il puisse disposer d'échantillons convenables.
Une étiquette, rédigée dans la langue administrative de la commune, est apposée de façon durable à l'intérieur de la veste. Elle reprend, outre les noms et adresses du fabricant et du fournisseur, la date de fabrication et toutes les informations utiles pour l'entretien de la veste (sous la forme des symboles conventionnels). Le vêtement sera également accompagné d'une fiche reprenant les prescriptions d'entretien de façon détaillée ainsi que les instructions décrites au § 7 de la norme ISO 6530.
10. Essai d'imperméabilité.
Si la veste répond au descriptif, les tissus et la membrane intermédiaire sont soumis ensemble à l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 811 "Etoffes. - Détermination de la résistance à la pénétration de l'eau - Essai sous pression hydrostatique".
La vitesse d'accroissement de la pression d'eau est de 10 plus ou moins 0,5 cm par minute.
Exigence minimum.
A l'état neuf, la pression atteinte doit être supérieure à 10 m ; après conditionnement, elle reste supérieure à 8 m.
11. Résistance à la pénétration par les produits chimiques liquides (protection limitée).
§ 1er. Description de l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 6530 "Vêtements assurant une protection limitée contre les produits chimiques liquides dangereux - Résistance à la pénétration - Marquage".
§ 2. Produits d'essai :
- n-octane ;
- acide chlorhydrique 37 % ;
- soude caustique 10 N ;
- huile ASTM n° 3 ;
- tutogène ;
- eau de javel, version commerciale.
12. Détermination de la force de rupture et de l'allongement de rupture.
§ 1er. Description de l'essai.
L'essai est effectué conformément à la norme ISO 5081 "Textiles - tissus - détermination de la force de rupture et de l'allongement de rupture (Méthode sur bande)".
§ 2. Type d'appareil : à vitesse constante de déplacement de la pince de traction.
§ 3. Durée d'essai de rupture : 30 s plus ou moins 5 s.
N.B. :
Cet essai peut toujours être exigé par le réceptionnaire sur des éprouvettes ayant subi un autre conditionnement pour autant qu'il puisse disposer d'échantillons convenables.
# 4 Minimumvereiste : - stof zonder naad - 1000N/5 cm;
- stof met naad - 400 N/5 cm.
- stof met naad - 400 N/5 cm.
# 4. Exigence minimum : - tissu sans couture - 1.000 N/5 cm ;
- tissu avec couture - 400 N/5 cm.
- tissu avec couture - 400 N/5 cm.
13. Weerstand aan het scheuren
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm NFG 07 - 145 "Proeven op stoffen - Vaststelling van de weerstand aan het scheuren op dynamometer - Scheur met nagel".
Minimumvereiste : gemiddelde waarde hoger dan 35 N.
14. Dimensionele stabiliteit
Het afnemen van de stalen, de markering en het meten gebeuren overeenkomstig de norm NBN G 55-005 "Textiel - Voorbereiding, markering en meting van de stalen van stoffen en kledingstukken bij de proeven die het verschil in afmeting vaststellen".
§ 1. Huishoudelijk wassen en drogen.
Het vaststellen van de verschillen in de afmetingen van de stof gebeurt overeenkomstig de norm NBN G 55-007 "Textiel - verschillen in de afmetingen bij huishoudelijk wassen en drogen".
Het wassen en drogen gebeuren overeenkomstig de norm NBN G 55-006 "Textiel - Methodes voor huishoudelijk wassen en drogen".
Het gekozen was- en droogprogramma sluit het meest aan bij het programma aanbevolen door de fabrikant.
§ 2. Industrieel wassen.
Wanneer deze wasmethode door de fabrikant is toegestaan, wordt de test uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 55-011 "Textiel -- verschillen in afmetingen bij industrieel wassen in de nabijheid van het kookpunt".
15. Kenmerken van het of de materialen die het buitenste beschermingsgedeelte van de jas uitmaken
Vuurbestendigheid
§ 1. De testen worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende normen :
- NBN G 55-014 "Textielen - Vaststelling van de graad van gemak om de stoffen in brand te steken" - NBN G 55-015 "Textielen - Vaststelling van de kenmerken van vlamspreiding van verticaal geplaatste textielen" § 2. De test moet gebeuren op :
- nieuwe stof;
- stof na 10 wasbeurten;
- stof na 20 wasbeurten.
§ 3. Minimumvereiste :
a) geen ontsteking binnen maximum 20 seconden volgens NBN G55-014;
b) indien er ontsteking is voor 20 seconden, wordt de stof getest volgens NBN G55-015 met een ontstekingstijd van 15 seconden. In dat geval mag er geen breuk zijn van de onderste reperagedraad.
N.B.: Alle proeven worden uitgevoerd volgens de twee richtingen van de brander bepaald in § 7.5.1 en 7.5.2 van de NBN G55-014.
16. Gedrag in aanwezigheid van een warmtestraling
§ l. De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 6942 of de norm BS 3 791 , deel D.
a) ISO 6942 "Beschermkledij tegen warmte en brand - Evalualiemethode van het thermisch gedrag van eenvoudige materialen die aan een uitstralingswarmtebron zijn blootgesteld".
De densiteitsniveaus van de invallende thermische flux bedragen 5, 10 en 20 kw/m?.! Het proefverslag zal, naast de aanduidingen vermeld door de norm ISO 6942, de volgende informatie vermelden :
- tijd (uitgedrukt in s) overeenstemmend met een temperatuursstijging van 25° C (voor elke waarde van thermische flux);
- temperatuurstijging (0° C) overeenstemmend met een blootstelling gedurende 10 s (voor elke waarde van thermische flux).
b) BS 3791, part D "Clothing for protection against intense heat for short periods". De tijden worden gemeten die nodig zijn om temperatuurstijgingen te bekomen van 25° C en 20° C onder de invloed van thermische flux van 10 kw/m?
en 20 kw/m?.! § 2. Vereisten.
Buitenstof met tussenmembraan en voering : voor een thermische flux van 20 kw/m? mag de tijd om een stijging van 25° C te bekomen, niet lager zijn dan 20 seconden.
17. Testen op het volledige tenue
Het gewicht van het tenue wordt op de gram na vastgesteld .
a) in een atmosfeer met een betrekkelijke vochtigheid van 65 % en een temperatuur van 20° C.
De preconditionering en de conditionering worden uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 30-001 "Textielen Genormaliseerde atmosferen en conditionering".
b) na 2 uur onder de douche met het pak op een pop en de kraagopening waterdicht gemaakt; na de test wordt ook gecontroleerd of er geen waterinfiltratie is op niveau van de naden en de openingen. Het gewicht mag met niet meer dan 2 5% gestegen zijn ten opzichte van a).
18. Uitvoering van de testen
Bij zijn offerte voegt de inschrijver de verslagen of proces-verbalen van de proeven die bij voorkeur worden uitgevoerd door laboratoria die onafhankelijk zijn van de fabrikant (behoudens schriftelijke garantie met conformiteitslabel) van de gebruikte materialen.
Indien deze verslagen niet in het Frans, het Nederlands of het Duits zijn opgemaakt, worden de resultaten en conclusies vertaald in de taal van het gewest.
Opmerkingen betreffende sommige proeven
a) De inschrijver wordt verzocht een zo volledig mogelijke lijst te verstrekken van de (al dan niet vloeibare) chemische produkten waarvan hij de invloed kent op de diverse materialen die gebruikt worden voor het vervaardigen van het tenue.
b) Indien voor de datum van indiening van de offertes, bepaalde proeven niet konden uitgevoerd worden, moet de inschrijver in zijn offerte preciseren dat hij aanvaardt om ze op eenvoudig verzoek van de administratie te laten uitvoeren;
daartoe stelt hij de naam (namen) voor van het laboratorium (laboratoria) dat (of die) deze testen kan (of kunnen) uitvoeren en de vermoedelijke uitvoeringstermijnen.
De inschrijver preciseert in zijn offerte de aard van de controletesten op de grondstoffen en de afgewerkte kledingstukken die hij voornemens is systematisch uit te voeren. Indien zijn offerte aanvaard wordt, verbindt hij er zich toe aan de administratie een kopie te verstrekken van de verschillende testen uitgevoerd in het raam van de hem toevertrouwde leveringen: te dien einde, zal hij een identificatieprocedure voorstellen van de gecontroleerde produkten.
Op grond van dit document zal de administratie de testen kunnen kiezen die ze wenst uit te voeren in de verschillende stadia van fabrikatie en levering.
19. In de offerte te verstrekken inlichtingen
Naast de resultaten van vorenvermelde proeven, zal de inschrijver volgende stukken bij zijn offerte voegen :
- een gedetailleerde beschrijving van alle voorgestelde materialen en accessoires;
- een technische documentatie over deze materialen en de erkenningen die ze eventueel zouden genieten bij andere administraties of instellingen;
- een beschrijving van verschillende fabricage- en assemblageprocédés;
- de ontwerpen voor gebruiksaanwijzingen, etiketten en andere informatie die aan de gebruiker zou verstrekt worden;
- een model van de kledij: dit zal hem na de gunning van de opdracht terugbezorgd worden.
De inschrijver aan wie een opdracht gegund werd door het Centraal Bureau voor benodigdheden, waarvan het contract geen twee jaar overschrijdt, voor hetzelfde type kleding als hier beschreven, wordt vrijgesteld van testen tot na afloop van zijn contract.
20. Bijzondere opmerking
Naast de kenmerken en testen vervat in deze beschrijving, dient, voor de conceptie en de verwezenlijking van de tenues een beroep te worden gedaan op de geldende reglementen en alle regelen van de kunst waaronder de Belgische normen, vooral deze welke gekenmerkt worden door de initialen NBN-G gevolgd van een nummer. De in deze beschrijving vermelde normen worden achteraan weergegeven.
Variantes en opties kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien ze nauwkeurig beschreven en verantwoord worden en een hogere bescherming bieden met inachtneming van de soepelheid waarin de oorspronkelijke keuze voorziet.
C Accessoires
l. De schoenen
Schoenen met hoge beenschacht van het type combat shoes of paralaarzen.
2. Speciale beschermingsstukken
Een beschermingsschelp voor mannen en voor vrouwen en scheenbeenbeschermers van het type ordehandhaving worden voorzien.
3. De handschoenen
a) De handschoenen moeten vervaardigd zijn uit zwart leder en moeten gevoerd zijn.
b) De rug van de handschoen moet versterkt zijn.
c) De handschoenen moeten een gedeelte van de voorarm bedekken.
4. De anti-traangasbril
De glazen zijn onbreekbaar en wasemvrij.
5. Het schild
a) Rechthoekig schild (hoogte 100 cm - breedte 60 cm) is vervaardigd uit doorschijnend synthetisch materiaal (polycarbonaat of overeenstemmend materiaal). Bij bepaalde opdrachten van openbare ordehandhaving kunnen ook ronde schilden gebruikt worden.
b) De sluiting van het schild moet voorzien zijn van een veiligheidssysteem zodat de arm van de agent niet klem kan komen te zitten : een systeem met twee handvatten waarvan één opengaat wanneer geprobeerd wordt het schild weg te trekken of te draaien.
c) Het schild moet voldoende weerstand bieden aan schokken, brandvrij zijn en bestand tegen scheikundige zuren.
d) De boord van het schild moet vloeistoffen naar de buitenzijde doen afvloeien.
e) De mogelijkheid moet worden voorzien om er een lange wapenstok aan vast te hechten.
6. Wapenstokken
De lange wapenstok voor opdrachten van openbare ordehandhaving is een zwarte stok met kunststofinlage, versterkt met glasvezel.
Deze wapenstok heeft een maximale lengte van 850 mm, een maximale diameter van 26 mm (behalve voor de versterkingsring : 36 mm) en een gewicht van 450 gr (tolerantie : 10 gr).
7. De pet
Zie beschrijving bijlage 2.
Normen vermeld in de technische beschrijving
DIN 54 101;
DIN 53 886;
ISO 6530;
NBN G 55-014;
NBN G 55-015;
ISO 6942;
BS 3791 D;
ISO 811;
ISO 5081;
NFG 07-145;
NBN G 55-005;
NBN G 55-006;
NBN G 55-007;
NBN G 55-011;
NBN G 55-004;
ISO 105 B02-1984;
NBN G 62-019;
NBN G 30-001.
21. Technische specificaties waaraan de veiligheidshelmen moeten voldoen.
1. Voorwerp van de opdracht
Het betreft een helm die het politiepersoneel moet beschermen bij ordediensten tijdens welke gewelddadige acties gevreesd moeten worden.
De helm moet een goede bescherming bieden tegen slagen, en gewelddadige contacten met harde voorwerpen.
Hij moet eveneens bestand zijn tegen brandende of bijtende vloeistoffen. Met de gelaatsbeschermer en nekbeschermer.
moet de helm niet alleen de schedel, maar ook de nek, het aangezicht en het bovendeel van de zijkanten van de hals beschermen.
Het is niet nodig dat hij een bescherming biedt tegen schoten met vuurwapens.
2. Beschrijving van de helm
a) De helm moet absoluut van het open type zijn. Een helm van het integraal type komt niet in aanmerking.
Hij moet echter de oren volledig bedekken.
b) Hij moet bovendien het dragen mogelijk maken van :
(1) een bril met correctie- of protectieglazen;
(2) een anti-traangasbril;
(3) een integraal gasmasker (met filter voor het gezicht of onder de kin);
c) Gedetailleerde beschrijving en weerstand.
(1) Het reglement E/ECE/TRANS/505/NR. 22. Rev 1/Add 21/Rev2 (en dat we gemakkelijkheidshalve Reg Nr. 22 zullen noemen in de rest van de tekst) vermeldt een reeks specificaties waaraan de beschermingshelmen voor de bestuurder en passagiers van motorfietsen en bromfietsen moeten voldoen met het oog op de homologatie.
De volgende punten van het reglement die aangepast worden aan het specifiek karakter van de helmen, worden opgelegd.
(a) Definities : conform de punten 2.1 tot 2.16 van het Reg Nr. 22 (zie niettemin pt. 2.a. hierboven : helm van het OPEN-type).
(b) Algemene specificaties : gebaseerd op rubriek nr. 6 van het Reg Nr. 22 met de uitzonderingen, bijvoegingen en wijzigingen die in de punten (I) tot (VII) hierna opgenomen zijn.
(I) De nekbeschermer (waarvan sprake in pt. 6.2 van het Reg Nr. 22) krijgt een speciale beschrijving (zie pt. 3.b.
hierna).
(II) In de beschermende voering moet een luidspreker kunnen aangebracht worden die de politie bij sommige exemplaren zal aanbrengen.
Deze uitholling moet tenminste 14 mm diep zijn en een diameter van 45 mm hebben. Dit voorschrift is een uitzondering op pt. 6.4.3. van het Reg Nr. 22.
De uitholling zal niettemin opgevuld worden met een gemakkelijk te verwijderen bescherming, vermits niet alle helmen later zullen worden uitgerust met audiotoebehoren.
(III) Het is primordiaal dat de auditieve mogelijkheden van de gebruiker zo weinig mogelijk hinder ondervinden. Er zullen twee metalen audio-openingen worden voorzien - een aan elke kant - zodat de drager de instructies kan horen, zelfs in een lawaaierige omgeving.
Er dient echter opgemerkt te worden dat alle openingen in de helmbol beschermd moeten zijn met een vloeistofwerende barrière van het type IP x 5 zodanig dat brandende of bijtende vloeistoffen slechts moeilijk naar binnen kunnen dringen.
(IV) Daarna zullen worden beoordeeld :
- de vuurbestendigheid zonder vervorming gedurende minstens 30 seconden van de verschillende delen (helmbol vizier - nekbeschermer);
- de globale waterdichtheid van de helm met raming van de risico's voor de drager;
- de eventuele beschadigingen aan de binnenzijde van de helm;
- de doeltreffendheid van de antivloeistof-barrière.
Dit voorschrift vult pt. 6.5. van het Reg Nr. 22 aan.
(V) De bevestigingspunten van het vizier mogen eventueel niet scherpe uitwendige uitsteeksels vertonen van meer dan 5 mm onverminderd de vereisten opgesomd in punten 3.c. (2) en (3) hierna. Dit vormt een uitzondering op pt. 6.6. van het Reg Nr. 22.
(VI) De kinriem moet minimum 20 mm breed zijn en meer dan 1 mm dik om een keelmicrofoon en beendermicrofoon te kunnen bevestigen. Het gebruikte materiaal mag geen scherpe randen hebben die de huid kunnen kwetsen, of irriteren. De vorm van de kinriem zal behouden blijven tijdens het gebruik.
Dat is een bijkomend voorschrift bij pt. 6.11.2 van het Reg Nr. 22;
Om het openen en sluiten met één hand mogelijk te maken, mag het bevestigingssysteem niet bestaan uit drukknopen.
Het moet zich aan de rechterkant van de helm bevinden, om een eventuele plaatsing van een keelmicrofoon op de linkerkant van de kinriem (zelfde kant als de luidspreker) niet te hinderen. Deze voorschriften zijn een aanvulling bij pt. 6.11.3. van het Reg Nr. 22.
(VII) De helmen moeten beantwoorden aan pt. 3. van de NBN S 03-101 norm. De gebruiksduur, rekening houdend met rubriek 3 van bedoelde norm bedraagt minimum 5 jaar. Dit is een aanvulling op pt. 6.12 van het Reg Nr. 22.
(2) Proeven
(a) De helm moet voldoen aan de proeven voorzien in pt. 7. van het Reg. Nr. 22.
(b) Deze proeven zullen worden uitgevoerd met helmen die uitgerust zijn met vizier en nekbeschermer.
(c) Een kopie van de processen-verbaal van de proefresultaten uitgevoerd door een erkende instelling (Pt. Nr. 8. van het Reg. Nr. 22) moet bij elke levering aan een politiekorps gevoegd worden.
d) Kleur, merking.
(1) De helmbol moet wit zijn. Deze kleur is van het type RAL 1013 . Deze kleur is geïntegreerd in de massa van de helmbol. De kleurtint moet gewaarborgd zijn tegen elke verandering tijdens de levensduur van de helm. In elk geval moet de buitenste laag van de helmschaal goed bestand zijn tegen krassen, vuur en bijtende stoffen. Het onderhoud moet gemakkelijk zijn.
(2) Het schildplaatje van de gemeentepolitie wordt aangebracht op de voorzijde van de helm (zie fig. 1a-1b).
Aan de binnenkant van de helm moet een etiket aangebracht worden dat tenminste de maat en het fabricagejaar moet vermelden. Deze gegevens moeten op zodanige wijze gedrukt zijn dat ze niet uitgewist kunnen worden. Het etiket moet op een duurzame manier vastgehecht zijn.
e) Maten.
De helmen moeten in minstens 4 maten beschikbaar zijn 1° 53/54 en 55 cm;
2° 56 en 57 cm;
3° 58 en 59 cm;
4° 60 en 61/62 cm.
D. Bijkomende uitrustinga) Vizier
(l) De helm moet uitgerust zijn met een panoramisch vizier dat naar achteren toe doorloopt, om het aangezicht beter te beschermen.
Het vizier moet gemaakt zijn uit een transparante stof zonder optische vervorming voor de drager.
(2) Dit vizier moet stevig vastgemaakt zijn aan beide zijden van de helm. Het kan niettemin met eenvoudig gereedschap verwijderd worden.
(3) De zijdelingse boorden van dat vizier moeten de boorden van de helmbol aan de buitenzijde over een kleine oppervlakte bedekken.
Als het vizier neergeklapt is, moet de waterdichtheid tussen de bovenste boord van het vizier en de helmbol verzekerd zijn, zodat er geen vloeistoffen kunnen binnensijpelen.
(4) Als het vizier neergeklapt is, moet het mogelijk zijn een anti-traangasbril te dragen.
(5) Het vizier moet in verschillende standen kunnen worden neergeklapt (minstens 1 tussenstand tussen de open en gesloten positie). Het moet stevig vastzitten in elke stand. Het moet mogelijk zijn te lopen met de helm op, in welke stand het vizier zich ook bevindt.
(6) Het vizier moet gemaakt zijn uit polycarbonaat of uit een gelijkaardig materiaal. De dikte van minimum 3 mm verzekert de stevigheid en de goede weerstand aan stompe voorwerpen of harde klappen. (gooien van stenen, knikkers, matrakslagen). Geen enkele vervorming mag zichtbaar zijn. In geval van vernieling mag hij in geen geval kwetsuren aan het gezicht veroorzaken.
(7) Het moet een goede weerstand bieden aan krassen, aan bijtende produkten en brandende vloeistoffen .
Een positief rapport volgend op de genomen proeven in overeenstemming met de Engelse norm BS 4110 is wenselijk.
(8) Het vizier mag NIET getint zijn.
(9) Het moet goed aan damp weerstaan. Onverminderd pt (7) hierboven moeten, indien nodig, verluchtingsgaten worden geboord en/of moet een anti-damplaag aan de binnenkant worden aangebracht.
(10) De leverancier moet een goede vuurbestendigheid waarborgen op basis van punt 6.6. van de NBN S 03-101 norm.
b) Nekbeschermer
(1) De helm moet uitgerust zijn met een nekbeschermer bestaande uit een materiaal dat de schokken opvangt, en dat de drager van de helm doeltreffend beschermt tegen :
(a) slagen die de drager van achteren toegediend krijgt;
(b) brandende of bijtende stoffen.
(2) Deze nekbeschermer moet de achterkant en de zijkanten van de hals tot onder de jaskraag beschermen.
(3) Deze nekbeschermer moet zodanig gemaakt zijn dat de bescherming doeltreffend blijft, welke ook de bewegingen of de positie van het hoofd zijn. Hij mag niet hinderlijk zijn voor de drager en moet alle hoofdbewegingen mogelijk maken.
(4) Het mag niet mogelijk zijn deze nekbeschermer los te trekken, zelfs indien er met geweld aan gerukt wordt.
Het moet niettemin wel mogelijk zijn hem met een rits van de helm los te maken.
c) Transporthaak
(1) De helm moet voorzien zijn van een transporthaak, die vastgemaakt is aan de achterzijde van de helm in de middenlijn).
(2) Deze haak moet vastgemaakt kunnen worden aan de sluithaak die vastzit op de ordehandhavingskledij.
(3) Het is noodzakelijk dat :
(a) de helm gemakkelijk vast- en losgehaakt kan worden;
(b) de haak en zijn bevestigingssysteem aan de helm gemakkelijk vervangen kunnen worden.
d) Verpakking
Elke helm moet geleverd worden met een beschermingshoes die hem helemaal omhult.
De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm NFG 07 - 145 "Proeven op stoffen - Vaststelling van de weerstand aan het scheuren op dynamometer - Scheur met nagel".
Minimumvereiste : gemiddelde waarde hoger dan 35 N.
14. Dimensionele stabiliteit
Het afnemen van de stalen, de markering en het meten gebeuren overeenkomstig de norm NBN G 55-005 "Textiel - Voorbereiding, markering en meting van de stalen van stoffen en kledingstukken bij de proeven die het verschil in afmeting vaststellen".
§ 1. Huishoudelijk wassen en drogen.
Het vaststellen van de verschillen in de afmetingen van de stof gebeurt overeenkomstig de norm NBN G 55-007 "Textiel - verschillen in de afmetingen bij huishoudelijk wassen en drogen".
Het wassen en drogen gebeuren overeenkomstig de norm NBN G 55-006 "Textiel - Methodes voor huishoudelijk wassen en drogen".
Het gekozen was- en droogprogramma sluit het meest aan bij het programma aanbevolen door de fabrikant.
§ 2. Industrieel wassen.
Wanneer deze wasmethode door de fabrikant is toegestaan, wordt de test uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 55-011 "Textiel -- verschillen in afmetingen bij industrieel wassen in de nabijheid van het kookpunt".
15. Kenmerken van het of de materialen die het buitenste beschermingsgedeelte van de jas uitmaken
Vuurbestendigheid
§ 1. De testen worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende normen :
- NBN G 55-014 "Textielen - Vaststelling van de graad van gemak om de stoffen in brand te steken" - NBN G 55-015 "Textielen - Vaststelling van de kenmerken van vlamspreiding van verticaal geplaatste textielen" § 2. De test moet gebeuren op :
- nieuwe stof;
- stof na 10 wasbeurten;
- stof na 20 wasbeurten.
§ 3. Minimumvereiste :
a) geen ontsteking binnen maximum 20 seconden volgens NBN G55-014;
b) indien er ontsteking is voor 20 seconden, wordt de stof getest volgens NBN G55-015 met een ontstekingstijd van 15 seconden. In dat geval mag er geen breuk zijn van de onderste reperagedraad.
N.B.: Alle proeven worden uitgevoerd volgens de twee richtingen van de brander bepaald in § 7.5.1 en 7.5.2 van de NBN G55-014.
16. Gedrag in aanwezigheid van een warmtestraling
§ l. De proef wordt uitgevoerd overeenkomstig de norm ISO 6942 of de norm BS 3 791 , deel D.
a) ISO 6942 "Beschermkledij tegen warmte en brand - Evalualiemethode van het thermisch gedrag van eenvoudige materialen die aan een uitstralingswarmtebron zijn blootgesteld".
De densiteitsniveaus van de invallende thermische flux bedragen 5, 10 en 20 kw/m?.! Het proefverslag zal, naast de aanduidingen vermeld door de norm ISO 6942, de volgende informatie vermelden :
- tijd (uitgedrukt in s) overeenstemmend met een temperatuursstijging van 25° C (voor elke waarde van thermische flux);
- temperatuurstijging (0° C) overeenstemmend met een blootstelling gedurende 10 s (voor elke waarde van thermische flux).
b) BS 3791, part D "Clothing for protection against intense heat for short periods". De tijden worden gemeten die nodig zijn om temperatuurstijgingen te bekomen van 25° C en 20° C onder de invloed van thermische flux van 10 kw/m?
en 20 kw/m?.! § 2. Vereisten.
Buitenstof met tussenmembraan en voering : voor een thermische flux van 20 kw/m? mag de tijd om een stijging van 25° C te bekomen, niet lager zijn dan 20 seconden.
17. Testen op het volledige tenue
Het gewicht van het tenue wordt op de gram na vastgesteld .
a) in een atmosfeer met een betrekkelijke vochtigheid van 65 % en een temperatuur van 20° C.
De preconditionering en de conditionering worden uitgevoerd overeenkomstig de norm NBN G 30-001 "Textielen Genormaliseerde atmosferen en conditionering".
b) na 2 uur onder de douche met het pak op een pop en de kraagopening waterdicht gemaakt; na de test wordt ook gecontroleerd of er geen waterinfiltratie is op niveau van de naden en de openingen. Het gewicht mag met niet meer dan 2 5% gestegen zijn ten opzichte van a).
18. Uitvoering van de testen
Bij zijn offerte voegt de inschrijver de verslagen of proces-verbalen van de proeven die bij voorkeur worden uitgevoerd door laboratoria die onafhankelijk zijn van de fabrikant (behoudens schriftelijke garantie met conformiteitslabel) van de gebruikte materialen.
Indien deze verslagen niet in het Frans, het Nederlands of het Duits zijn opgemaakt, worden de resultaten en conclusies vertaald in de taal van het gewest.
Opmerkingen betreffende sommige proeven
a) De inschrijver wordt verzocht een zo volledig mogelijke lijst te verstrekken van de (al dan niet vloeibare) chemische produkten waarvan hij de invloed kent op de diverse materialen die gebruikt worden voor het vervaardigen van het tenue.
b) Indien voor de datum van indiening van de offertes, bepaalde proeven niet konden uitgevoerd worden, moet de inschrijver in zijn offerte preciseren dat hij aanvaardt om ze op eenvoudig verzoek van de administratie te laten uitvoeren;
daartoe stelt hij de naam (namen) voor van het laboratorium (laboratoria) dat (of die) deze testen kan (of kunnen) uitvoeren en de vermoedelijke uitvoeringstermijnen.
De inschrijver preciseert in zijn offerte de aard van de controletesten op de grondstoffen en de afgewerkte kledingstukken die hij voornemens is systematisch uit te voeren. Indien zijn offerte aanvaard wordt, verbindt hij er zich toe aan de administratie een kopie te verstrekken van de verschillende testen uitgevoerd in het raam van de hem toevertrouwde leveringen: te dien einde, zal hij een identificatieprocedure voorstellen van de gecontroleerde produkten.
Op grond van dit document zal de administratie de testen kunnen kiezen die ze wenst uit te voeren in de verschillende stadia van fabrikatie en levering.
19. In de offerte te verstrekken inlichtingen
Naast de resultaten van vorenvermelde proeven, zal de inschrijver volgende stukken bij zijn offerte voegen :
- een gedetailleerde beschrijving van alle voorgestelde materialen en accessoires;
- een technische documentatie over deze materialen en de erkenningen die ze eventueel zouden genieten bij andere administraties of instellingen;
- een beschrijving van verschillende fabricage- en assemblageprocédés;
- de ontwerpen voor gebruiksaanwijzingen, etiketten en andere informatie die aan de gebruiker zou verstrekt worden;
- een model van de kledij: dit zal hem na de gunning van de opdracht terugbezorgd worden.
De inschrijver aan wie een opdracht gegund werd door het Centraal Bureau voor benodigdheden, waarvan het contract geen twee jaar overschrijdt, voor hetzelfde type kleding als hier beschreven, wordt vrijgesteld van testen tot na afloop van zijn contract.
20. Bijzondere opmerking
Naast de kenmerken en testen vervat in deze beschrijving, dient, voor de conceptie en de verwezenlijking van de tenues een beroep te worden gedaan op de geldende reglementen en alle regelen van de kunst waaronder de Belgische normen, vooral deze welke gekenmerkt worden door de initialen NBN-G gevolgd van een nummer. De in deze beschrijving vermelde normen worden achteraan weergegeven.
Variantes en opties kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien ze nauwkeurig beschreven en verantwoord worden en een hogere bescherming bieden met inachtneming van de soepelheid waarin de oorspronkelijke keuze voorziet.
C Accessoires
l. De schoenen
Schoenen met hoge beenschacht van het type combat shoes of paralaarzen.
2. Speciale beschermingsstukken
Een beschermingsschelp voor mannen en voor vrouwen en scheenbeenbeschermers van het type ordehandhaving worden voorzien.
3. De handschoenen
a) De handschoenen moeten vervaardigd zijn uit zwart leder en moeten gevoerd zijn.
b) De rug van de handschoen moet versterkt zijn.
c) De handschoenen moeten een gedeelte van de voorarm bedekken.
4. De anti-traangasbril
De glazen zijn onbreekbaar en wasemvrij.
5. Het schild
a) Rechthoekig schild (hoogte 100 cm - breedte 60 cm) is vervaardigd uit doorschijnend synthetisch materiaal (polycarbonaat of overeenstemmend materiaal). Bij bepaalde opdrachten van openbare ordehandhaving kunnen ook ronde schilden gebruikt worden.
b) De sluiting van het schild moet voorzien zijn van een veiligheidssysteem zodat de arm van de agent niet klem kan komen te zitten : een systeem met twee handvatten waarvan één opengaat wanneer geprobeerd wordt het schild weg te trekken of te draaien.
c) Het schild moet voldoende weerstand bieden aan schokken, brandvrij zijn en bestand tegen scheikundige zuren.
d) De boord van het schild moet vloeistoffen naar de buitenzijde doen afvloeien.
e) De mogelijkheid moet worden voorzien om er een lange wapenstok aan vast te hechten.
6. Wapenstokken
De lange wapenstok voor opdrachten van openbare ordehandhaving is een zwarte stok met kunststofinlage, versterkt met glasvezel.
Deze wapenstok heeft een maximale lengte van 850 mm, een maximale diameter van 26 mm (behalve voor de versterkingsring : 36 mm) en een gewicht van 450 gr (tolerantie : 10 gr).
7. De pet
Zie beschrijving bijlage 2.
Normen vermeld in de technische beschrijving
DIN 54 101;
DIN 53 886;
ISO 6530;
NBN G 55-014;
NBN G 55-015;
ISO 6942;
BS 3791 D;
ISO 811;
ISO 5081;
NFG 07-145;
NBN G 55-005;
NBN G 55-006;
NBN G 55-007;
NBN G 55-011;
NBN G 55-004;
ISO 105 B02-1984;
NBN G 62-019;
NBN G 30-001.
21. Technische specificaties waaraan de veiligheidshelmen moeten voldoen.
1. Voorwerp van de opdracht
Het betreft een helm die het politiepersoneel moet beschermen bij ordediensten tijdens welke gewelddadige acties gevreesd moeten worden.
De helm moet een goede bescherming bieden tegen slagen, en gewelddadige contacten met harde voorwerpen.
Hij moet eveneens bestand zijn tegen brandende of bijtende vloeistoffen. Met de gelaatsbeschermer en nekbeschermer.
moet de helm niet alleen de schedel, maar ook de nek, het aangezicht en het bovendeel van de zijkanten van de hals beschermen.
Het is niet nodig dat hij een bescherming biedt tegen schoten met vuurwapens.
2. Beschrijving van de helm
a) De helm moet absoluut van het open type zijn. Een helm van het integraal type komt niet in aanmerking.
Hij moet echter de oren volledig bedekken.
b) Hij moet bovendien het dragen mogelijk maken van :
(1) een bril met correctie- of protectieglazen;
(2) een anti-traangasbril;
(3) een integraal gasmasker (met filter voor het gezicht of onder de kin);
c) Gedetailleerde beschrijving en weerstand.
(1) Het reglement E/ECE/TRANS/505/NR. 22. Rev 1/Add 21/Rev2 (en dat we gemakkelijkheidshalve Reg Nr. 22 zullen noemen in de rest van de tekst) vermeldt een reeks specificaties waaraan de beschermingshelmen voor de bestuurder en passagiers van motorfietsen en bromfietsen moeten voldoen met het oog op de homologatie.
De volgende punten van het reglement die aangepast worden aan het specifiek karakter van de helmen, worden opgelegd.
(a) Definities : conform de punten 2.1 tot 2.16 van het Reg Nr. 22 (zie niettemin pt. 2.a. hierboven : helm van het OPEN-type).
(b) Algemene specificaties : gebaseerd op rubriek nr. 6 van het Reg Nr. 22 met de uitzonderingen, bijvoegingen en wijzigingen die in de punten (I) tot (VII) hierna opgenomen zijn.
(I) De nekbeschermer (waarvan sprake in pt. 6.2 van het Reg Nr. 22) krijgt een speciale beschrijving (zie pt. 3.b.
hierna).
(II) In de beschermende voering moet een luidspreker kunnen aangebracht worden die de politie bij sommige exemplaren zal aanbrengen.
Deze uitholling moet tenminste 14 mm diep zijn en een diameter van 45 mm hebben. Dit voorschrift is een uitzondering op pt. 6.4.3. van het Reg Nr. 22.
De uitholling zal niettemin opgevuld worden met een gemakkelijk te verwijderen bescherming, vermits niet alle helmen later zullen worden uitgerust met audiotoebehoren.
(III) Het is primordiaal dat de auditieve mogelijkheden van de gebruiker zo weinig mogelijk hinder ondervinden. Er zullen twee metalen audio-openingen worden voorzien - een aan elke kant - zodat de drager de instructies kan horen, zelfs in een lawaaierige omgeving.
Er dient echter opgemerkt te worden dat alle openingen in de helmbol beschermd moeten zijn met een vloeistofwerende barrière van het type IP x 5 zodanig dat brandende of bijtende vloeistoffen slechts moeilijk naar binnen kunnen dringen.
(IV) Daarna zullen worden beoordeeld :
- de vuurbestendigheid zonder vervorming gedurende minstens 30 seconden van de verschillende delen (helmbol vizier - nekbeschermer);
- de globale waterdichtheid van de helm met raming van de risico's voor de drager;
- de eventuele beschadigingen aan de binnenzijde van de helm;
- de doeltreffendheid van de antivloeistof-barrière.
Dit voorschrift vult pt. 6.5. van het Reg Nr. 22 aan.
(V) De bevestigingspunten van het vizier mogen eventueel niet scherpe uitwendige uitsteeksels vertonen van meer dan 5 mm onverminderd de vereisten opgesomd in punten 3.c. (2) en (3) hierna. Dit vormt een uitzondering op pt. 6.6. van het Reg Nr. 22.
(VI) De kinriem moet minimum 20 mm breed zijn en meer dan 1 mm dik om een keelmicrofoon en beendermicrofoon te kunnen bevestigen. Het gebruikte materiaal mag geen scherpe randen hebben die de huid kunnen kwetsen, of irriteren. De vorm van de kinriem zal behouden blijven tijdens het gebruik.
Dat is een bijkomend voorschrift bij pt. 6.11.2 van het Reg Nr. 22;
Om het openen en sluiten met één hand mogelijk te maken, mag het bevestigingssysteem niet bestaan uit drukknopen.
Het moet zich aan de rechterkant van de helm bevinden, om een eventuele plaatsing van een keelmicrofoon op de linkerkant van de kinriem (zelfde kant als de luidspreker) niet te hinderen. Deze voorschriften zijn een aanvulling bij pt. 6.11.3. van het Reg Nr. 22.
(VII) De helmen moeten beantwoorden aan pt. 3. van de NBN S 03-101 norm. De gebruiksduur, rekening houdend met rubriek 3 van bedoelde norm bedraagt minimum 5 jaar. Dit is een aanvulling op pt. 6.12 van het Reg Nr. 22.
(2) Proeven
(a) De helm moet voldoen aan de proeven voorzien in pt. 7. van het Reg. Nr. 22.
(b) Deze proeven zullen worden uitgevoerd met helmen die uitgerust zijn met vizier en nekbeschermer.
(c) Een kopie van de processen-verbaal van de proefresultaten uitgevoerd door een erkende instelling (Pt. Nr. 8. van het Reg. Nr. 22) moet bij elke levering aan een politiekorps gevoegd worden.
d) Kleur, merking.
(1) De helmbol moet wit zijn. Deze kleur is van het type RAL 1013 . Deze kleur is geïntegreerd in de massa van de helmbol. De kleurtint moet gewaarborgd zijn tegen elke verandering tijdens de levensduur van de helm. In elk geval moet de buitenste laag van de helmschaal goed bestand zijn tegen krassen, vuur en bijtende stoffen. Het onderhoud moet gemakkelijk zijn.
(2) Het schildplaatje van de gemeentepolitie wordt aangebracht op de voorzijde van de helm (zie fig. 1a-1b).
Aan de binnenkant van de helm moet een etiket aangebracht worden dat tenminste de maat en het fabricagejaar moet vermelden. Deze gegevens moeten op zodanige wijze gedrukt zijn dat ze niet uitgewist kunnen worden. Het etiket moet op een duurzame manier vastgehecht zijn.
e) Maten.
De helmen moeten in minstens 4 maten beschikbaar zijn 1° 53/54 en 55 cm;
2° 56 en 57 cm;
3° 58 en 59 cm;
4° 60 en 61/62 cm.
D. Bijkomende uitrustinga) Vizier
(l) De helm moet uitgerust zijn met een panoramisch vizier dat naar achteren toe doorloopt, om het aangezicht beter te beschermen.
Het vizier moet gemaakt zijn uit een transparante stof zonder optische vervorming voor de drager.
(2) Dit vizier moet stevig vastgemaakt zijn aan beide zijden van de helm. Het kan niettemin met eenvoudig gereedschap verwijderd worden.
(3) De zijdelingse boorden van dat vizier moeten de boorden van de helmbol aan de buitenzijde over een kleine oppervlakte bedekken.
Als het vizier neergeklapt is, moet de waterdichtheid tussen de bovenste boord van het vizier en de helmbol verzekerd zijn, zodat er geen vloeistoffen kunnen binnensijpelen.
(4) Als het vizier neergeklapt is, moet het mogelijk zijn een anti-traangasbril te dragen.
(5) Het vizier moet in verschillende standen kunnen worden neergeklapt (minstens 1 tussenstand tussen de open en gesloten positie). Het moet stevig vastzitten in elke stand. Het moet mogelijk zijn te lopen met de helm op, in welke stand het vizier zich ook bevindt.
(6) Het vizier moet gemaakt zijn uit polycarbonaat of uit een gelijkaardig materiaal. De dikte van minimum 3 mm verzekert de stevigheid en de goede weerstand aan stompe voorwerpen of harde klappen. (gooien van stenen, knikkers, matrakslagen). Geen enkele vervorming mag zichtbaar zijn. In geval van vernieling mag hij in geen geval kwetsuren aan het gezicht veroorzaken.
(7) Het moet een goede weerstand bieden aan krassen, aan bijtende produkten en brandende vloeistoffen .
Een positief rapport volgend op de genomen proeven in overeenstemming met de Engelse norm BS 4110 is wenselijk.
(8) Het vizier mag NIET getint zijn.
(9) Het moet goed aan damp weerstaan. Onverminderd pt (7) hierboven moeten, indien nodig, verluchtingsgaten worden geboord en/of moet een anti-damplaag aan de binnenkant worden aangebracht.
(10) De leverancier moet een goede vuurbestendigheid waarborgen op basis van punt 6.6. van de NBN S 03-101 norm.
b) Nekbeschermer
(1) De helm moet uitgerust zijn met een nekbeschermer bestaande uit een materiaal dat de schokken opvangt, en dat de drager van de helm doeltreffend beschermt tegen :
(a) slagen die de drager van achteren toegediend krijgt;
(b) brandende of bijtende stoffen.
(2) Deze nekbeschermer moet de achterkant en de zijkanten van de hals tot onder de jaskraag beschermen.
(3) Deze nekbeschermer moet zodanig gemaakt zijn dat de bescherming doeltreffend blijft, welke ook de bewegingen of de positie van het hoofd zijn. Hij mag niet hinderlijk zijn voor de drager en moet alle hoofdbewegingen mogelijk maken.
(4) Het mag niet mogelijk zijn deze nekbeschermer los te trekken, zelfs indien er met geweld aan gerukt wordt.
Het moet niettemin wel mogelijk zijn hem met een rits van de helm los te maken.
c) Transporthaak
(1) De helm moet voorzien zijn van een transporthaak, die vastgemaakt is aan de achterzijde van de helm in de middenlijn).
(2) Deze haak moet vastgemaakt kunnen worden aan de sluithaak die vastzit op de ordehandhavingskledij.
(3) Het is noodzakelijk dat :
(a) de helm gemakkelijk vast- en losgehaakt kan worden;
(b) de haak en zijn bevestigingssysteem aan de helm gemakkelijk vervangen kunnen worden.
d) Verpakking
Elke helm moet geleverd worden met een beschermingshoes die hem helemaal omhult.
13. Résistance au déchirement.
L'essai est effectué conformément à la norme NF G 07-145 "Essais de tissus - Détermination de la résistance au déchirement sur dynamomètre - Déchirure au clou".
Exigence minimum : valeur moyenne supérieure à 35 N.
14. Stabilité dimensionnelle.
Le prélèvement des éprouvettes, le marquage et le mesurage sont faits conformément à la norme NBN G 55-005 "Textiles - Préparation, marquage et mesurage des éprouvettes d'étoffes et des vêtements dans les essais de détermination des variations des dimensions".
§ 1er. Lavage et séchage domestiques.
La détermination de la variation des dimensions du tissu est effectuée conformément à la norme NBN G 55-007 "Textiles - variation des dimensions au lavage et au séchage domestiques".
Le lavage et le séchage sont effectués conformément à la norme NBN G 55-006 "Textiles - Méthodes de lavage et de séchage domestiques".
Le cycle de lavage et le mode de séchage choisis sont ceux se rapprochant le plus de ceux préconisés par le fabricant.
§ 2. Lavage industriel.
Lorsque ce mode de lavage est autorisé par le fabricant, l'essai est effectué conformément à la norme NBN G 55-011 "Textiles - Variations des dimensions au lavage industriel au voisinage de l'ébullition".
15. Caractéristiques du ou des matériaux constituant la partie protectrice extérieure de la veste.
Comportement à la flamme.
§ 1er. Les essais sont effectués conformément aux normes suivantes :
- NBN G 55-014 "Textiles - Détermination de la facilité d'allumage des produits textiles".
- NBN G 55-015 "Textiles - Détermination des caractéristiques de propagation de flamme des produits textiles montés en position verticale".
§ 2. L'essai est à faire sur :
- tissu à l'état neuf ;
- tissu après 10 lavages ;
- tissu après 20 lavages.
§ 3. Exigence minimum :
a) Pas d'allumage dans les 20 secondes au maximum pour l'essai selon NBN G 55-014.
b) S'il y a allumage avant 20 secondes, le tissu est soumis à l'essai selon NBN G 55-015 avec un temps d'allumage de 15 secondes. Dans ce cas, il ne peut y avoir rupture de fil de repère inférieur.
N.B. :
Tous les essais sont effectués selon les 2 orientations du brûleur prévues par les §§ 7.5.1. et 7.5.2. de la NBN G 55-014.
16. Comportement en présence d'un rayonnement calorifique.
§ 1er. L'essai est effectué conformément à la norme ISO 6942 ou à la norme BS 3791, part. D.
a) ISO 6942 "Vêtements de protection contre la chaleur et le feu - Méthode d'évaluation du comportement thermique de matériaux simples et d'assemblage de matériaux exposés à une source de chaleur radiante".
Les niveaux de densité du flux thermique incident sont de 5, 10 et 20 kw/m2.
Le procès-verbal d'essai contiendra, en plus des indications mentionnées par la norme ISO 6942, les informations suivantes :
- temps (exprimé en s) correspondant à une élévation de température de 25° C (pour chaque valeur de flux thermique) ;
- élévation de température (°C) correspondant à une exposition pendant 10 s (pour chaque valeur de flux thermique).
b) BS 3791, part D "Clothing for protection against intense heat for short periods".
On mesure les temps nécessaires pour obtenir des élévations de température de 25° C et 50° C sous l'action de flux thermiques de 10 Kw/m2 et 20 Kw/m2.
§ 2. Exigences.
Tissu extérieur avec la membrane intermédiaire et la doublure : pour un flux thermique de 20 Kw/m2, le temps pour atteindre une élévation de 25° C ne peut être inférieur à 20 secondes.
17. Essais sur la tenue complète.
Poids.
Le poids de la tenue est déterminé au gramme près :
a) dans une atmosphère possédant une humidité relative de 65 % et une température de 20° C.
Le préconditionnement et le conditionnement sont effectués conformément à la norme NBN G 30-001 "Textiles - Atmosphères normalisées et conditionnement".
b) après 2 heures sous la douche, la tenue étant placée sur un mannequin, l'ouverture du cou étant rendue étanche, après essai, on vérifie également qu'il n'y a pas pénétration d'eau au niveau des coutures et des ouvertures. Le poids ne peut pas avoir augmenté de plus de 25 % par rapport à a).
18. Exécution des essais.
Dans son offre, le soumissionnaire joint les rapports ou procès-verbaux d'essais effectués de préférence par des laboratoires indépendants du fabricant (sauf garantie écrite avec Label de conformité) des matériaux en oeuvre.
Si ces rapports ne sont pas établis en français, néerlandais ou en allemand, les résultats et conclusions sont traduits dans la langue de la région.
Remarques relatives à certains essais :
a) Le soumissionnaire est invité à fournir une liste aussi complète que possible des produits chimiques, (liquides ou non) dont il connaît l'influence sur les divers matériaux utilisés pour la fabrication de la tenue.
b) Si certains essais n'ont pas pu être effectués avant la date du dépôt des offres, le soumissionnaire doit préciser dans son offre qu'il accepte de les faire effectuer sur simple demande de l'administration ; il propose, à cette fin, le(s) noms(s) de laboratoire(s) susceptible(s) d'effectuer ces tests et les délais probables d'exécution.
Le soumissionnaire précise dans son offre la nature des essais de contrôle sur les matières premières et tenues terminées qu'il a prévu d'effectuer systématiquement. Si son offre est acceptée, il s'engage à fournir à l'administration une copie des différents essais effectués dans le cadre des fournitures qui lui seraient confiées ; à cette fin, il proposera une procédure d'identification des produits contrôles.
Sur base de ce document, l'administration pourra choisir les essais qu'elle désire effectuer aux différents stades de la fabrication et de la fourniture.
19. Renseignements à fournir dans l'offre.
Outre les résultats d'essais prévus ci-avant, le soumissionnaire joindra à son offre :
- une description détaillée de tous les matériaux et accessoires proposés ;
- une documentation technique sur ces matériaux et les agréments dont ils bénéficieraient éventuellement auprès d'autres administrations ou organismes ;
- une description des différents procédés de fabrication et d'assemblage ;
- les projets de mode d'emploi, étiquettes et autres informations qui seraient fournies aux utilisateurs ;
- un modèle de tenue, cette tenue lui sera restituée dès passation du marché.
Le soumissionnaire qui s'est vu attribuer un marché par l'Office Central des fournitures dont le contrat n'excède pas 2 ans, pour le même type de vêtement que décrit dans la présente notice, est dispensé des essais jusqu'au terme de son contrat.
20. Remarque particulière.
Outre les caractéristiques et essais contenus dans la présente notice, il doit être fait appel, pour la conception et la réalisation des tenues, aux règlements en vigueur et à toutes les règles de l'art dont les normes belges, principalement celles qui sont identifiées par les lettres initiales NBN G suivies d'un numéro. Les normes citées dans la présente notice sont reprises in fine de la présente.
Des variantes et options ne peuvent être prises en considération que si elles sont précisément décrites et justifiées et offrant une protection supérieure tout en gardant la souplesse prévue avec le choix initial.
C. accessoires.1. Les chaussures.
Bottines à hautes tiges du type combat shoes ou bottines para.
2. Les pièces spéciales de protection.
Des coquilles de protection pour homme et pour femme et des protèges-tibias du type maintien de l'ordre sont prévus.
3. Les gants.
a) Les gants doivent être en cuir noir et doivent être fourrés.
b) Le dos des gants est renforcé.
c) Une partie de l'avant-bras doit être couverte.
4. Les lunettes anti-lacrymogène.
Les verres sont en matière incassable et anti-buée.
5. Le bouclier.
a) Le bouclier rectangulaire (hauteur 100 cm - largeur 60 cm) est en matière synthétique transparente (polycarbonate ou matière semblable). Des boucliers ronds pourraient également être prévus dans la mesure où ils sont mieux adaptés à certaines missions de maintien de l'ordre.
b) La fermeture du bouclier doit être pourvue d'un système de sûreté de sorte que le bras du policier ne puisse être bloqué : un système de fixation à 2 poignées dont une s'ouvre quand on essaye de tirer ou de tourner le bouclier.
c) Le bouclier doit pouvoir offrir une résistance suffisante aux chocs, au feu et aux acides.
d) Le rebord du bouclier doit permettre de rejeter les liquides vers l'extérieur.
e) La possibilité pour fixer une matraque longue doit être prévue.
6. Matraque.
La matraque longue pour des missions de maintien de l'ordre est un bâton de couleur noir, avec une âme en matière plastique renforcée de fibre de verre. Cette matraque a une longueur maximale de 850 mm, un diamètre maximum de 26 mm (sauf pour le renfort : 36 mm) et un poids de 450 gr (tolérance : plus ou moins 10 gr).
7. La casquette.
Voir annexe 2.
Normes citées dans la notice technique :
DIN 54101 ;
DIN 53886 ;
ISO 6530 ;
NBN G 55-014 ;
NBN G 55-015 ;
ISO 6942 ;
BS 3791 part D ;
ISO 811 ;
ISO 5081 ;
NF G 07-145 ;
NBN G 55-005 ;
NBN G 55-006 ;
NBN G 55-007 ;
NBN G 55-011 ;
NBN G 55-004 ;
ISO 105 B02-1984 ;
NBN G 62-019 ;
NBN G 30-001.
21. Prescriptions techniques auxquelles doivent répondre les casques de protection.
1. Destination.
Il s'agit d'un casque destiné à protéger le personnel de la police lors de services d'ordre à l'occasion desquels des actions violentes sont à craindre.
Le casque doit offrir une bonne protection contre les coups, les contacts violents avec des objets durs. Il protège également contre les projections de matières enflammées ou corrosives. Nantis de ses équipements complémentaires, protège-face et bavolet de nuque, le casque protège non seulement le crâne mais également la nuque, la face et les faces latérales supérieures du cou.
Il n'est pas indispensable qu'il offre une protection contre les tirs avec une arme à feu.
2. Description du casque.
a) Le casque est impérativement de type ouvert, un casque de type intégral ne peut être accepté.
Les oreilles du porteur sont intégralement protégées.
b) Il doit en outre permettre le port :
(1) de lunettes à verres correcteurs ou de protection ;
(2) de lunettes anti-lacrymogène ;
(3) d'un masque à gaz intégral (à filtre facial ou sous le menton).
c) Description détaillée et résistance.
(1) Le règlement E/ECE/TRANS/505/N° 22, Rev 1/Add 21/Rev 2 (que par souci de simplification nous appellerons Reg n° 22 dans la suite du texte) énonce une série de spécifications auxquelles doivent répondre les casques de protection pour conducteur et passagers de motocycles et de cyclomoteurs presentés en vue de leur homologation.
Les points suivants, de ce règlement adaptés en fonction du caractère particulier des casques de protection sont imposés.
(a) Définitions : conformes aux points 2.1. à 2.16. du Reg n° 22 (voir néanmoins pt 2.a. ci-dessus : casques de type OUVERT).
(b) Spécifications générales : Celles de la rubrique N° 6 du Reg n° 22, avec les exceptions, ajouts et modifications repris aux points (I) à (VII) ci-dessous.
(I) Le bavolet de nuque (dont question au pt 6.2. du Reg n° 22) fait l'objet d'une description particulière (voir pt 3.b. ci-après).
(II) Le rembourrage protecteur doit permettre de recevoir le haut-parleur que la police installera dans un certain nombre d'exemplaires.
La profondeur de l'évidement sera de 14 mm au minimum et présentera un diamètre de 45 mm.
La présente prescription fait exception au pt 6.4.3. du Reg n° 22.
Cet évidement devra être néanmoins comblé par un rembourrage protecteur qui sera facilement amovible, car tous les casques ne sont pas destinés à être équipés ultérieurement d'accessoires audio.
(III) Il est primordial que les facultés auditives de l'utilisateur soient amoindries le moins possible. Deux ouvertures auditives métalliques - une de chaque coté - sont prévues pour permettre au porteur d'entendre les instructions dans des situations bruyantes.
Il est toutefois à noter que tous les orifices pratiqués dans la calotte doivent être protégés par une barrière anti-liquide de classe IP x 5 de sorte que des liquides enflammés ou corrosifs puissent difficilement s'y infiltrer.
(IV) Seront alors appréciées :
- la résistance au feu sans déformation pendant minimum 30 secondes des différents composants (calotte - visière - bavolet de nuque) ;
- l'étanchéité globale du casque avec estimation des risques pour le porteur ;
- les dégradations éventuelles à l'intérieur du casque ;
- l'efficacité de la barrière anti-liquide.
La présente prescription complète le pt 6.5. du Reg n° 22.
(V) Sur la calotte, les points d'ancrage du protège-face pourront éventuellement présenter des saillies externes non pointues de plus de 5 mm sans préjudice toutefois des exigences formulées aux points 3.c. (2) et (3) ci-après.
Ceci constitue une exception au pt 6.6. du Reg n° 22.
(VI) La jugulaire aura une largeur minimale de 20 mm et une épaisseur supérieure à 1 mm, afin de permettre l'accrochage d'un micro laryngophone et capteur osseux.
Le matériau utilisé n'aura pas de bords tranchants, susceptibles de blesser ou d'irriter la peau.
La forme de la jugulaire sera maintenue au cours de l'utilisation. Ceci constitue une prescription supplémentaire au pt 6.11.2. du Reg n° 22.
La commande d'ouverture et de fermeture du système de rétention ne sera pas constituée de boutons pression, afin de permettre l'ouverture mais également la fermeture facile et rapide d'une seule main.
Elle sera décentrée du côté droit du casque afin de ne pas gêner le placement éventuel d'un micro laryngophone sur la partie gauche de la jugulaire (même côté que le haut-parleur).
Ces prescriptions complètent le pt 6.11.3. du Reg n° 22.
(VII) Les casques doivent répondre au pt 3. de la norme NBN S 03-101.
La durée d'utilisation en tenant compte de la rubrique 3 de la norme susvisée est de minimum 5 ans.
Ceci constitue un complément au pt 6.12. du Reg n° 22.
(2) Essais.
(a) Le casque doit satisfaire aux essais prévus au pt 7.
du Reg n° 22.
(b) Ces essais doivent avoir lieu avec des casques équipés du protège-face et du bavolet de nuque.
(c) Une copie des procès-verbaux des résultats des essais effectués par un organisme reconnu (pt n° 8 du Reg n° 22) doit accompagner chaque fourniture à un corps de police.
d) Couleur, marquage.
(1) La calotte est de couleur blanche. La couleur est du type : RAL 1013.
Cette couleur est intégrée dans la masse de la calotte.
La teinte de la couleur doit être garantie contre tout changement pendant la durée de vie du casque. Dans tous les cas, l'enveloppe extérieure de la calotte offrira une bonne résistance aux griffes, au feu et à l'action des agents corrosifs.
L'entretien en sera facile.
(2) L'écusson de la police communale est apposé sur l'avant du casque (voir fig. 1a-1b).
Une étiquette doit être apposée à l'intérieur du casque avec mention au minimum, de la taille ainsi que de l'année de fabrication. Les mentions doivent être imprimées de telle sorte qu'elles ne puissent s'effacer.
L'étiquette doit être fixée de façon durable.
e) Tailles.
Les casques doivent être disponibles en différentes tailles et au minimum :
1° 53/54 et 55 cm ;
2° 56 et 57 cm ;
3° 58 et 59 cm ;
4° 60 et 61/62 cm.
D. Equipements complémentaires.a) Protège-face.
(1) Le casque est équipé d'un protège-face panoramique qui s'étend à l'arrière de la face afin de donner une plus grande protection à la figure.
Il est constitué d'une matière transparente qui ne présente aucune déformation optique pour le porteur.
(2) Ce protège-face est ancré solidement de part et d'autre du casque. Il est toutefois amovible à l'aide d'un outillage simple.
(3) Les bords latéraux de ce protège-face doivent recouvrir par l'extérieur, sur une faible surface, les bords de la calotte.
Lorsque le protège-face est rabattu, l'étanchéité doit être assurée entre son bord supérieur et la calotte, de sorte que des liquides ne puissent s'infiltrer.
(4) Lorsqu'il est rabattu, le protège-face doit permettre le port de lunettes anti-lacrymogène.
(5) Le protège-face doit être rabattable par crans. (au moins un cran intermédiaire entre la position fermée et ouverte).
Il sera scellé fermement dans chaque position. Il doit permettre la course à pied quelle que soit sa position.
(6) Le protège-face est en polycarbonate ou dans une matière équivalente.
Son épaisseur minimum de 3 mm doit lui assurer une bonne rigidité et une bonne résistance suite à la projection d'objets contondants ou suite à des coups frappants (jets de pavés, billes, coups de matraque).
Aucune déformation apparente ne doit être visible.
En cas de destruction, il ne peut être, en aucun cas, la cause de blessures provoquées a la face.
(7) Il doit offrir une bonne résistance aux griffes, à la projection de produits et liquides corrosifs et enflammés.
Un rapport positif consécutif à des essais effectués suivant la norme Britannique BS 4110 est souhaitable.
(8) Il ne sera PAS teinté.
(9) Sa résistance à la buée sera bonne. Sans préjudice du pt (7) ci-dessus, des évents de ventilation seront si nécessaire forés et/ou un revêtement anti-buée sera appliqué sur sa face interne.
(10) Le fournisseur doit garantir la protection de résistance au feu selon le point 6.6. de la norme NBN S 03-101.
b) Bavolet de nuque.
(1) Le casque doit être équipé d'un bavolet de nuque renfermant une matière absorbant les chocs. Ce bavolet est destiné à protéger efficacement le porteur du casque :
(a) de coups que le porteur reçoit par l'arrière ;
(b) de la projection de liquides inflammables ou corrosifs.
(2) Ce bavolet de nuque doit protéger l'arrière ainsi que les faces latérales arrière du cou jusqu'en dessous du col de la veste.
(3) Ce bavolet de nuque doit être conçu de telle sorte que la protection en soit efficace quels que soient les mouvements ou la position de la tête. Il ne peut représenter une gêne pour le porteur et devra permettre tous les mouvements de la tête.
(4) Il ne doit pas être possible d'arracher ce bavolet de nuque, même en cas de traction violente.
Néanmoins, il devra être possible de le désolidariser du casque à l'aide d'une tirette.
c) Anneau de transport.
(1) Le casque doit être muni d'un anneau de transport fixé sur la face arrière du casque (dans l'axe médian).
(2) Cet anneau doit permettre l'accrochage au mousqueton solidaire porte sur la tenue de protection.
(3) Il est nécessaire que :
(a) le casque puisse être accroché et décroché aisément.
(b) le remplacement de l'anneau ainsi que de son système de fixation au casque soient faciles.
d) Emballage.
Chaque casque doit être livré avec une housse de protection l'enveloppant complètement.
L'essai est effectué conformément à la norme NF G 07-145 "Essais de tissus - Détermination de la résistance au déchirement sur dynamomètre - Déchirure au clou".
Exigence minimum : valeur moyenne supérieure à 35 N.
14. Stabilité dimensionnelle.
Le prélèvement des éprouvettes, le marquage et le mesurage sont faits conformément à la norme NBN G 55-005 "Textiles - Préparation, marquage et mesurage des éprouvettes d'étoffes et des vêtements dans les essais de détermination des variations des dimensions".
§ 1er. Lavage et séchage domestiques.
La détermination de la variation des dimensions du tissu est effectuée conformément à la norme NBN G 55-007 "Textiles - variation des dimensions au lavage et au séchage domestiques".
Le lavage et le séchage sont effectués conformément à la norme NBN G 55-006 "Textiles - Méthodes de lavage et de séchage domestiques".
Le cycle de lavage et le mode de séchage choisis sont ceux se rapprochant le plus de ceux préconisés par le fabricant.
§ 2. Lavage industriel.
Lorsque ce mode de lavage est autorisé par le fabricant, l'essai est effectué conformément à la norme NBN G 55-011 "Textiles - Variations des dimensions au lavage industriel au voisinage de l'ébullition".
15. Caractéristiques du ou des matériaux constituant la partie protectrice extérieure de la veste.
Comportement à la flamme.
§ 1er. Les essais sont effectués conformément aux normes suivantes :
- NBN G 55-014 "Textiles - Détermination de la facilité d'allumage des produits textiles".
- NBN G 55-015 "Textiles - Détermination des caractéristiques de propagation de flamme des produits textiles montés en position verticale".
§ 2. L'essai est à faire sur :
- tissu à l'état neuf ;
- tissu après 10 lavages ;
- tissu après 20 lavages.
§ 3. Exigence minimum :
a) Pas d'allumage dans les 20 secondes au maximum pour l'essai selon NBN G 55-014.
b) S'il y a allumage avant 20 secondes, le tissu est soumis à l'essai selon NBN G 55-015 avec un temps d'allumage de 15 secondes. Dans ce cas, il ne peut y avoir rupture de fil de repère inférieur.
N.B. :
Tous les essais sont effectués selon les 2 orientations du brûleur prévues par les §§ 7.5.1. et 7.5.2. de la NBN G 55-014.
16. Comportement en présence d'un rayonnement calorifique.
§ 1er. L'essai est effectué conformément à la norme ISO 6942 ou à la norme BS 3791, part. D.
a) ISO 6942 "Vêtements de protection contre la chaleur et le feu - Méthode d'évaluation du comportement thermique de matériaux simples et d'assemblage de matériaux exposés à une source de chaleur radiante".
Les niveaux de densité du flux thermique incident sont de 5, 10 et 20 kw/m2.
Le procès-verbal d'essai contiendra, en plus des indications mentionnées par la norme ISO 6942, les informations suivantes :
- temps (exprimé en s) correspondant à une élévation de température de 25° C (pour chaque valeur de flux thermique) ;
- élévation de température (°C) correspondant à une exposition pendant 10 s (pour chaque valeur de flux thermique).
b) BS 3791, part D "Clothing for protection against intense heat for short periods".
On mesure les temps nécessaires pour obtenir des élévations de température de 25° C et 50° C sous l'action de flux thermiques de 10 Kw/m2 et 20 Kw/m2.
§ 2. Exigences.
Tissu extérieur avec la membrane intermédiaire et la doublure : pour un flux thermique de 20 Kw/m2, le temps pour atteindre une élévation de 25° C ne peut être inférieur à 20 secondes.
17. Essais sur la tenue complète.
Poids.
Le poids de la tenue est déterminé au gramme près :
a) dans une atmosphère possédant une humidité relative de 65 % et une température de 20° C.
Le préconditionnement et le conditionnement sont effectués conformément à la norme NBN G 30-001 "Textiles - Atmosphères normalisées et conditionnement".
b) après 2 heures sous la douche, la tenue étant placée sur un mannequin, l'ouverture du cou étant rendue étanche, après essai, on vérifie également qu'il n'y a pas pénétration d'eau au niveau des coutures et des ouvertures. Le poids ne peut pas avoir augmenté de plus de 25 % par rapport à a).
18. Exécution des essais.
Dans son offre, le soumissionnaire joint les rapports ou procès-verbaux d'essais effectués de préférence par des laboratoires indépendants du fabricant (sauf garantie écrite avec Label de conformité) des matériaux en oeuvre.
Si ces rapports ne sont pas établis en français, néerlandais ou en allemand, les résultats et conclusions sont traduits dans la langue de la région.
Remarques relatives à certains essais :
a) Le soumissionnaire est invité à fournir une liste aussi complète que possible des produits chimiques, (liquides ou non) dont il connaît l'influence sur les divers matériaux utilisés pour la fabrication de la tenue.
b) Si certains essais n'ont pas pu être effectués avant la date du dépôt des offres, le soumissionnaire doit préciser dans son offre qu'il accepte de les faire effectuer sur simple demande de l'administration ; il propose, à cette fin, le(s) noms(s) de laboratoire(s) susceptible(s) d'effectuer ces tests et les délais probables d'exécution.
Le soumissionnaire précise dans son offre la nature des essais de contrôle sur les matières premières et tenues terminées qu'il a prévu d'effectuer systématiquement. Si son offre est acceptée, il s'engage à fournir à l'administration une copie des différents essais effectués dans le cadre des fournitures qui lui seraient confiées ; à cette fin, il proposera une procédure d'identification des produits contrôles.
Sur base de ce document, l'administration pourra choisir les essais qu'elle désire effectuer aux différents stades de la fabrication et de la fourniture.
19. Renseignements à fournir dans l'offre.
Outre les résultats d'essais prévus ci-avant, le soumissionnaire joindra à son offre :
- une description détaillée de tous les matériaux et accessoires proposés ;
- une documentation technique sur ces matériaux et les agréments dont ils bénéficieraient éventuellement auprès d'autres administrations ou organismes ;
- une description des différents procédés de fabrication et d'assemblage ;
- les projets de mode d'emploi, étiquettes et autres informations qui seraient fournies aux utilisateurs ;
- un modèle de tenue, cette tenue lui sera restituée dès passation du marché.
Le soumissionnaire qui s'est vu attribuer un marché par l'Office Central des fournitures dont le contrat n'excède pas 2 ans, pour le même type de vêtement que décrit dans la présente notice, est dispensé des essais jusqu'au terme de son contrat.
20. Remarque particulière.
Outre les caractéristiques et essais contenus dans la présente notice, il doit être fait appel, pour la conception et la réalisation des tenues, aux règlements en vigueur et à toutes les règles de l'art dont les normes belges, principalement celles qui sont identifiées par les lettres initiales NBN G suivies d'un numéro. Les normes citées dans la présente notice sont reprises in fine de la présente.
Des variantes et options ne peuvent être prises en considération que si elles sont précisément décrites et justifiées et offrant une protection supérieure tout en gardant la souplesse prévue avec le choix initial.
C. accessoires.1. Les chaussures.
Bottines à hautes tiges du type combat shoes ou bottines para.
2. Les pièces spéciales de protection.
Des coquilles de protection pour homme et pour femme et des protèges-tibias du type maintien de l'ordre sont prévus.
3. Les gants.
a) Les gants doivent être en cuir noir et doivent être fourrés.
b) Le dos des gants est renforcé.
c) Une partie de l'avant-bras doit être couverte.
4. Les lunettes anti-lacrymogène.
Les verres sont en matière incassable et anti-buée.
5. Le bouclier.
a) Le bouclier rectangulaire (hauteur 100 cm - largeur 60 cm) est en matière synthétique transparente (polycarbonate ou matière semblable). Des boucliers ronds pourraient également être prévus dans la mesure où ils sont mieux adaptés à certaines missions de maintien de l'ordre.
b) La fermeture du bouclier doit être pourvue d'un système de sûreté de sorte que le bras du policier ne puisse être bloqué : un système de fixation à 2 poignées dont une s'ouvre quand on essaye de tirer ou de tourner le bouclier.
c) Le bouclier doit pouvoir offrir une résistance suffisante aux chocs, au feu et aux acides.
d) Le rebord du bouclier doit permettre de rejeter les liquides vers l'extérieur.
e) La possibilité pour fixer une matraque longue doit être prévue.
6. Matraque.
La matraque longue pour des missions de maintien de l'ordre est un bâton de couleur noir, avec une âme en matière plastique renforcée de fibre de verre. Cette matraque a une longueur maximale de 850 mm, un diamètre maximum de 26 mm (sauf pour le renfort : 36 mm) et un poids de 450 gr (tolérance : plus ou moins 10 gr).
7. La casquette.
Voir annexe 2.
Normes citées dans la notice technique :
DIN 54101 ;
DIN 53886 ;
ISO 6530 ;
NBN G 55-014 ;
NBN G 55-015 ;
ISO 6942 ;
BS 3791 part D ;
ISO 811 ;
ISO 5081 ;
NF G 07-145 ;
NBN G 55-005 ;
NBN G 55-006 ;
NBN G 55-007 ;
NBN G 55-011 ;
NBN G 55-004 ;
ISO 105 B02-1984 ;
NBN G 62-019 ;
NBN G 30-001.
21. Prescriptions techniques auxquelles doivent répondre les casques de protection.
1. Destination.
Il s'agit d'un casque destiné à protéger le personnel de la police lors de services d'ordre à l'occasion desquels des actions violentes sont à craindre.
Le casque doit offrir une bonne protection contre les coups, les contacts violents avec des objets durs. Il protège également contre les projections de matières enflammées ou corrosives. Nantis de ses équipements complémentaires, protège-face et bavolet de nuque, le casque protège non seulement le crâne mais également la nuque, la face et les faces latérales supérieures du cou.
Il n'est pas indispensable qu'il offre une protection contre les tirs avec une arme à feu.
2. Description du casque.
a) Le casque est impérativement de type ouvert, un casque de type intégral ne peut être accepté.
Les oreilles du porteur sont intégralement protégées.
b) Il doit en outre permettre le port :
(1) de lunettes à verres correcteurs ou de protection ;
(2) de lunettes anti-lacrymogène ;
(3) d'un masque à gaz intégral (à filtre facial ou sous le menton).
c) Description détaillée et résistance.
(1) Le règlement E/ECE/TRANS/505/N° 22, Rev 1/Add 21/Rev 2 (que par souci de simplification nous appellerons Reg n° 22 dans la suite du texte) énonce une série de spécifications auxquelles doivent répondre les casques de protection pour conducteur et passagers de motocycles et de cyclomoteurs presentés en vue de leur homologation.
Les points suivants, de ce règlement adaptés en fonction du caractère particulier des casques de protection sont imposés.
(a) Définitions : conformes aux points 2.1. à 2.16. du Reg n° 22 (voir néanmoins pt 2.a. ci-dessus : casques de type OUVERT).
(b) Spécifications générales : Celles de la rubrique N° 6 du Reg n° 22, avec les exceptions, ajouts et modifications repris aux points (I) à (VII) ci-dessous.
(I) Le bavolet de nuque (dont question au pt 6.2. du Reg n° 22) fait l'objet d'une description particulière (voir pt 3.b. ci-après).
(II) Le rembourrage protecteur doit permettre de recevoir le haut-parleur que la police installera dans un certain nombre d'exemplaires.
La profondeur de l'évidement sera de 14 mm au minimum et présentera un diamètre de 45 mm.
La présente prescription fait exception au pt 6.4.3. du Reg n° 22.
Cet évidement devra être néanmoins comblé par un rembourrage protecteur qui sera facilement amovible, car tous les casques ne sont pas destinés à être équipés ultérieurement d'accessoires audio.
(III) Il est primordial que les facultés auditives de l'utilisateur soient amoindries le moins possible. Deux ouvertures auditives métalliques - une de chaque coté - sont prévues pour permettre au porteur d'entendre les instructions dans des situations bruyantes.
Il est toutefois à noter que tous les orifices pratiqués dans la calotte doivent être protégés par une barrière anti-liquide de classe IP x 5 de sorte que des liquides enflammés ou corrosifs puissent difficilement s'y infiltrer.
(IV) Seront alors appréciées :
- la résistance au feu sans déformation pendant minimum 30 secondes des différents composants (calotte - visière - bavolet de nuque) ;
- l'étanchéité globale du casque avec estimation des risques pour le porteur ;
- les dégradations éventuelles à l'intérieur du casque ;
- l'efficacité de la barrière anti-liquide.
La présente prescription complète le pt 6.5. du Reg n° 22.
(V) Sur la calotte, les points d'ancrage du protège-face pourront éventuellement présenter des saillies externes non pointues de plus de 5 mm sans préjudice toutefois des exigences formulées aux points 3.c. (2) et (3) ci-après.
Ceci constitue une exception au pt 6.6. du Reg n° 22.
(VI) La jugulaire aura une largeur minimale de 20 mm et une épaisseur supérieure à 1 mm, afin de permettre l'accrochage d'un micro laryngophone et capteur osseux.
Le matériau utilisé n'aura pas de bords tranchants, susceptibles de blesser ou d'irriter la peau.
La forme de la jugulaire sera maintenue au cours de l'utilisation. Ceci constitue une prescription supplémentaire au pt 6.11.2. du Reg n° 22.
La commande d'ouverture et de fermeture du système de rétention ne sera pas constituée de boutons pression, afin de permettre l'ouverture mais également la fermeture facile et rapide d'une seule main.
Elle sera décentrée du côté droit du casque afin de ne pas gêner le placement éventuel d'un micro laryngophone sur la partie gauche de la jugulaire (même côté que le haut-parleur).
Ces prescriptions complètent le pt 6.11.3. du Reg n° 22.
(VII) Les casques doivent répondre au pt 3. de la norme NBN S 03-101.
La durée d'utilisation en tenant compte de la rubrique 3 de la norme susvisée est de minimum 5 ans.
Ceci constitue un complément au pt 6.12. du Reg n° 22.
(2) Essais.
(a) Le casque doit satisfaire aux essais prévus au pt 7.
du Reg n° 22.
(b) Ces essais doivent avoir lieu avec des casques équipés du protège-face et du bavolet de nuque.
(c) Une copie des procès-verbaux des résultats des essais effectués par un organisme reconnu (pt n° 8 du Reg n° 22) doit accompagner chaque fourniture à un corps de police.
d) Couleur, marquage.
(1) La calotte est de couleur blanche. La couleur est du type : RAL 1013.
Cette couleur est intégrée dans la masse de la calotte.
La teinte de la couleur doit être garantie contre tout changement pendant la durée de vie du casque. Dans tous les cas, l'enveloppe extérieure de la calotte offrira une bonne résistance aux griffes, au feu et à l'action des agents corrosifs.
L'entretien en sera facile.
(2) L'écusson de la police communale est apposé sur l'avant du casque (voir fig. 1a-1b).
Une étiquette doit être apposée à l'intérieur du casque avec mention au minimum, de la taille ainsi que de l'année de fabrication. Les mentions doivent être imprimées de telle sorte qu'elles ne puissent s'effacer.
L'étiquette doit être fixée de façon durable.
e) Tailles.
Les casques doivent être disponibles en différentes tailles et au minimum :
1° 53/54 et 55 cm ;
2° 56 et 57 cm ;
3° 58 et 59 cm ;
4° 60 et 61/62 cm.
D. Equipements complémentaires.a) Protège-face.
(1) Le casque est équipé d'un protège-face panoramique qui s'étend à l'arrière de la face afin de donner une plus grande protection à la figure.
Il est constitué d'une matière transparente qui ne présente aucune déformation optique pour le porteur.
(2) Ce protège-face est ancré solidement de part et d'autre du casque. Il est toutefois amovible à l'aide d'un outillage simple.
(3) Les bords latéraux de ce protège-face doivent recouvrir par l'extérieur, sur une faible surface, les bords de la calotte.
Lorsque le protège-face est rabattu, l'étanchéité doit être assurée entre son bord supérieur et la calotte, de sorte que des liquides ne puissent s'infiltrer.
(4) Lorsqu'il est rabattu, le protège-face doit permettre le port de lunettes anti-lacrymogène.
(5) Le protège-face doit être rabattable par crans. (au moins un cran intermédiaire entre la position fermée et ouverte).
Il sera scellé fermement dans chaque position. Il doit permettre la course à pied quelle que soit sa position.
(6) Le protège-face est en polycarbonate ou dans une matière équivalente.
Son épaisseur minimum de 3 mm doit lui assurer une bonne rigidité et une bonne résistance suite à la projection d'objets contondants ou suite à des coups frappants (jets de pavés, billes, coups de matraque).
Aucune déformation apparente ne doit être visible.
En cas de destruction, il ne peut être, en aucun cas, la cause de blessures provoquées a la face.
(7) Il doit offrir une bonne résistance aux griffes, à la projection de produits et liquides corrosifs et enflammés.
Un rapport positif consécutif à des essais effectués suivant la norme Britannique BS 4110 est souhaitable.
(8) Il ne sera PAS teinté.
(9) Sa résistance à la buée sera bonne. Sans préjudice du pt (7) ci-dessus, des évents de ventilation seront si nécessaire forés et/ou un revêtement anti-buée sera appliqué sur sa face interne.
(10) Le fournisseur doit garantir la protection de résistance au feu selon le point 6.6. de la norme NBN S 03-101.
b) Bavolet de nuque.
(1) Le casque doit être équipé d'un bavolet de nuque renfermant une matière absorbant les chocs. Ce bavolet est destiné à protéger efficacement le porteur du casque :
(a) de coups que le porteur reçoit par l'arrière ;
(b) de la projection de liquides inflammables ou corrosifs.
(2) Ce bavolet de nuque doit protéger l'arrière ainsi que les faces latérales arrière du cou jusqu'en dessous du col de la veste.
(3) Ce bavolet de nuque doit être conçu de telle sorte que la protection en soit efficace quels que soient les mouvements ou la position de la tête. Il ne peut représenter une gêne pour le porteur et devra permettre tous les mouvements de la tête.
(4) Il ne doit pas être possible d'arracher ce bavolet de nuque, même en cas de traction violente.
Néanmoins, il devra être possible de le désolidariser du casque à l'aide d'une tirette.
c) Anneau de transport.
(1) Le casque doit être muni d'un anneau de transport fixé sur la face arrière du casque (dans l'axe médian).
(2) Cet anneau doit permettre l'accrochage au mousqueton solidaire porte sur la tenue de protection.
(3) Il est nécessaire que :
(a) le casque puisse être accroché et décroché aisément.
(b) le remplacement de l'anneau ainsi que de son système de fixation au casque soient faciles.
d) Emballage.
Chaque casque doit être livré avec une housse de protection l'enveloppant complètement.
Art. 2N4. II. Technische beschrijving van het tenue voor de verkeersopdrachten (zie fig. 24)
1. Beschrijving van de mantel
a) Algemene beschrijving
De weerkaatsende mantel (oranje-weerkaatsend voor de politieambtenaar en geel-weerkaatsend voor de hulpagent van politie) is lichtjes getailleerd; hij heeft een gekruiste sluiting met drie verchroomde knopen; hij is gevoerd.
De kraag kan open of gesloten gedragen worden.
Elk voorpand heeft een lichtjes schuingeplaatste zak met een overslag aan de buitenzijde.
Het bovenste deel van het kledingstuk omvat een cape uit één stuk die de schouders en het bovenste deel van de borsten en rug bedekt.
Onder het inzetstuk van de rug zijn ventilatieopeningen met mazen.
Onder de armen is een ventilatiesysteem met een plooi aangebracht.
Op de schouders zijn geplastificeerde schouderpassanten bevestigd.
Zilvergrijze weerkaatsende banden die er 's nachts zilverwit uitzien, en waarvan de weerkaatsingscoëfficiënt R', gemeten onder elke waarnemingshoek (of divergentiehoek) en elke invalshoek, niet kleiner mag zijn dan de in de hierna volgende tabel vermelde waarden, en uitgedrukt in cd/Lux/m?, worden aangebracht op voor- en rugpand, de mouwen en de onderkant van de mantel. De totale oppervlakte van de weerkaatsende materialen mag minimaal niet minder dan 0,27 m?
bedragen.
1. Beschrijving van de mantel
a) Algemene beschrijving
De weerkaatsende mantel (oranje-weerkaatsend voor de politieambtenaar en geel-weerkaatsend voor de hulpagent van politie) is lichtjes getailleerd; hij heeft een gekruiste sluiting met drie verchroomde knopen; hij is gevoerd.
De kraag kan open of gesloten gedragen worden.
Elk voorpand heeft een lichtjes schuingeplaatste zak met een overslag aan de buitenzijde.
Het bovenste deel van het kledingstuk omvat een cape uit één stuk die de schouders en het bovenste deel van de borsten en rug bedekt.
Onder het inzetstuk van de rug zijn ventilatieopeningen met mazen.
Onder de armen is een ventilatiesysteem met een plooi aangebracht.
Op de schouders zijn geplastificeerde schouderpassanten bevestigd.
Zilvergrijze weerkaatsende banden die er 's nachts zilverwit uitzien, en waarvan de weerkaatsingscoëfficiënt R', gemeten onder elke waarnemingshoek (of divergentiehoek) en elke invalshoek, niet kleiner mag zijn dan de in de hierna volgende tabel vermelde waarden, en uitgedrukt in cd/Lux/m?, worden aangebracht op voor- en rugpand, de mouwen en de onderkant van de mantel. De totale oppervlakte van de weerkaatsende materialen mag minimaal niet minder dan 0,27 m?
bedragen.
Art. 2N4. II. Notice technique descriptive de la tenue de régulation de la circulation (voir fig. 24).
1. Description du manteau.
a) Description générale.
Le manteau est réfléchissant (orange réfléchissant pour les fonctionnaires de police et jaune réfléchissant pour l'agent auxiliaire de police) et est légèrement cintré ; il a une fermeture croisée au moyen de trois boutons chromés ; il est doublé.
Le col peut se porter ouvert ou fermé.
Chaque devant est garni d'une poche légèrement oblique avec rabat extérieur.
La partie supérieure du vêtement comporte une cape d'une seule pièce qui recouvre les épaules ainsi que le dessus de la poitrine et du dos.
Des ouvertures d'aération pourvues de filets sont prévues sous l'empiècement du dos. En-dessous des bras, un système d'aération à soufflet est prévu.
Des pattes porte-grades plastifiées garnissent les épaules.
Des bandes rétroréfléchissantes de teinte gris-argent, apparaissant blanc-argent en réflexion de nuit dont le coefficient de rétroreflexion R', mesuré sous chaque angle d'observation (ou de divergence) et chaque angle d'incidence ne peut être inférieur aux valeurs reprises dans le tableau ci-dessous et exprimé en cd/Lux/m2, sont placées sur la poitrine, le dos, les manches et le bas du manteau.
La surface totale minimale des matériaux rétroréfléchissants ne peut être inférieure à 0,27 m2.
1. Description du manteau.
a) Description générale.
Le manteau est réfléchissant (orange réfléchissant pour les fonctionnaires de police et jaune réfléchissant pour l'agent auxiliaire de police) et est légèrement cintré ; il a une fermeture croisée au moyen de trois boutons chromés ; il est doublé.
Le col peut se porter ouvert ou fermé.
Chaque devant est garni d'une poche légèrement oblique avec rabat extérieur.
La partie supérieure du vêtement comporte une cape d'une seule pièce qui recouvre les épaules ainsi que le dessus de la poitrine et du dos.
Des ouvertures d'aération pourvues de filets sont prévues sous l'empiècement du dos. En-dessous des bras, un système d'aération à soufflet est prévu.
Des pattes porte-grades plastifiées garnissent les épaules.
Des bandes rétroréfléchissantes de teinte gris-argent, apparaissant blanc-argent en réflexion de nuit dont le coefficient de rétroreflexion R', mesuré sous chaque angle d'observation (ou de divergence) et chaque angle d'incidence ne peut être inférieur aux valeurs reprises dans le tableau ci-dessous et exprimé en cd/Lux/m2, sont placées sur la poitrine, le dos, les manches et le bas du manteau.
La surface totale minimale des matériaux rétroréfléchissants ne peut être inférieure à 0,27 m2.
Invalshoek 5° 20° 30° 40°
Waarnemingshoek
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
Waarnemingshoek
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
Inc. angle 5° 20° 30° 40°
Obs. angle
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
Obs. angle
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
1° De kleur : oranje RAL 2005
geel RAL 1026.
2° De sluiting : - vooraan en gekruist 2 x 3 knopen;
- een rij van 3 knopen aan de rechterkant;
- aan de linkerkant vervolledigt een rij van 3
knopen het geheel.
Opmerking : alle naden van het kledingstuk zijn
overstikt.
3° Het rugpand : Lichtjes getailleerd rugpand zonder figuurnaden.
Er wordt een Watteau-plooi aangebracht waarvan de
hoogte varieert volgens de maat van de mantel.
De Watteau-plooi wordt met een inzetstuk
vervaardigd; de randen zijn doorstikt met een
bandsteek op twee mm van de rand.
4° De schouders : Het bovenste deel van de mantel is bedekt met een
plat stuk dat "cape" genoemd wordt.
Deze cape wordt uit een stuk vervaardigd, dat de
schouders en het bovendeel van borst en rug
bedekt. Ze moet ook de mouwinzet bedekken om die
beter te beschermen tegen waterindringing. Op de
schouders zijn schouderpassanten bevestigd .
5° De mouwen : - mogen de bewegingen die nodig zijn om het
verkeer te regelen, niet bemoeilijken.
- onder de arm moet met een plooiopening ventilatie
mogelijk zijn;
- er mogen geen mazen gebruikt worden.
6° De zakken : - op de twee voorpanden staan twee ingezette zakken
met klep;
- de zakken staan lichtjes schuin;
- de klep is vervaardigd uit dubbel gecoate stof.
7° De voering : - in synthetische polyester of daarmee
gelijkgesteld;
- aan de binnenkant moeten twee borstzakken
aangebracht zijn. Deze zakken moeten gesloten
worden d.m.v. een ritssluiting.
geel RAL 1026.
2° De sluiting : - vooraan en gekruist 2 x 3 knopen;
- een rij van 3 knopen aan de rechterkant;
- aan de linkerkant vervolledigt een rij van 3
knopen het geheel.
Opmerking : alle naden van het kledingstuk zijn
overstikt.
3° Het rugpand : Lichtjes getailleerd rugpand zonder figuurnaden.
Er wordt een Watteau-plooi aangebracht waarvan de
hoogte varieert volgens de maat van de mantel.
De Watteau-plooi wordt met een inzetstuk
vervaardigd; de randen zijn doorstikt met een
bandsteek op twee mm van de rand.
4° De schouders : Het bovenste deel van de mantel is bedekt met een
plat stuk dat "cape" genoemd wordt.
Deze cape wordt uit een stuk vervaardigd, dat de
schouders en het bovendeel van borst en rug
bedekt. Ze moet ook de mouwinzet bedekken om die
beter te beschermen tegen waterindringing. Op de
schouders zijn schouderpassanten bevestigd .
5° De mouwen : - mogen de bewegingen die nodig zijn om het
verkeer te regelen, niet bemoeilijken.
- onder de arm moet met een plooiopening ventilatie
mogelijk zijn;
- er mogen geen mazen gebruikt worden.
6° De zakken : - op de twee voorpanden staan twee ingezette zakken
met klep;
- de zakken staan lichtjes schuin;
- de klep is vervaardigd uit dubbel gecoate stof.
7° De voering : - in synthetische polyester of daarmee
gelijkgesteld;
- aan de binnenkant moeten twee borstzakken
aangebracht zijn. Deze zakken moeten gesloten
worden d.m.v. een ritssluiting.
1° La couleur : orange RAL 2005 ;
jaune RAL 1026.
2° La fermeture : - devant et croisee 2 x 3 boutons ;
- une rangee de 3 boutons du cote droit ;
- sur la partie gauche, une rangee de 3 boutons
completera l'ensemble.
Remarque : Toutes les coutures du vetement sont
surpiquees.
3° Le dos : Dos legerement cintre sans pinces.
Un pli "Watteau" sera realise; sa hauteur variera selon
la taille du manteau.
Le pli "Watteau" sera confectionne avec empiecement ;
les bords etant surpiques, piqure cordon, a 2 mm du
bord.
4° Les epaules : La partie superieure du manteau est recouverte d'une
piece plate appelee "cape".
Cette cape est confectionnee d'une seule piece
recouvrant les epaules ainsi que le dessus de la
poitrine et du dos. Elle doit également recouvrir
les coutures du raccord des manches afin de mieux
proteger contre les infiltrations d'eau.
Des pattes porte-grades garnissent les epaules.
5° Les manches : - ne peuvent pas gener les mouvements necessaires pour
regler la circulation ;
- une ouverture en soufflet doit être prevue sous le
bras afin de permettre l'aeration ;
- il n'est pas permis de faire usage d'un filet.
6° Les poches : - sur les deux pans de devant se trouvent deux poches
incorporees pourvues de pattes de poche ;
- les poches sont legerement obliques ;
- la patte de poche est realisee en double tissu enduit.
7° La doublure : - en matiere synthetique de polyester ou equivalent ;
- deux poches de poitrine doivent être prevues a
l'interieur de celle-ci. Ces poches doivent etre
fermees par une fermeture eclair.
b) "Cape".
1° Poitrine : Cote droit et cote gauche : 2 bandes
retroreflechissantes de 2 cm de large et espacees de 2
cm en partant a 2 cm du bord inferieur de la cape.
2° Dos :
- pour le fonctionnaire
de police : Sur le manteau des fonctionnaires de police, suivant la
region linguistique, l'inscription retroreflechissante
Police, Politie ou Polizei sur fond bleu roi se situe
entre deux bandes reflechissantes (40 mm de large) sur
toute la largeur de la cape.
La première bande se place a 20 mm du bas de la cape,
la mention Police, Politie ou Polizei (suivant la
region linguistique) se situe a 40 mm du bord superieur
de la 1ere bande. Au dessus de l'inscription a 40 mm du
bord supérieur se trouve également une 2e bande. Pour
les communes de la Region Bruxelles-Capitale et les
communes a facilites, les mentions Police/Politie ou
Politie/Police ou Police/Polizei doivent être utilisees,
ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en
matiere administrative coordonnees par l'arrete royal
du 18 juillet 1966.
Les mentions doivent avoir les dimensions suivantes :
- hauteur de lettre : 6 cm min. 8 cm max. ;
- largeur de lettre : 6,5 cm max. ;
- largeur de trait : 1,5 cm max. ;
- longueur maximum du mot : 33 cm. ;
- pour l'agent auxiliaire
de police : Aucune mention n'est indiquee entre les bandes
reflechissantes.
3° Bas du vetement :
Deux bandes de 40 mm de large du tissu retroreflechissant couvrent le bas
du vetement. La première bande est placee a 40 mm du bas du vetement,
la deuxième est placee a 40 mm de la premiere. Elles sont prises dans les
coutures verticales.
Ces deux bandes sont continues dans le pli "Watteau".
4° Repli du bas du manteau :
Le bas du manteau comporte un repli de 20 mm pique a plus ou moins 2 mm
et a plus ou moins 18 mm du bord inferieur.
5° Bas des manches :
Cinq bandes de tissu retroreflechissant de 40 mm de largeur et 200 mm de
hauteur sont placees verticalement sur le bas des manches. Elles sont
placees a 50 mm du bas des manches et a intervalles reguliers.
6° Boutons :
Les boutons sont en metal chrome.
Le placement des boutons doit se faire de maniere a ce
que le tissu exterieur et la doublure interieure ne
puissent se deformer et se dechirer a l'usage. Le trou
cause par le placement des boutons ne peut en aucun
cas porter prejudice a l'etancheite generale du vetement.
7° Ouvertures d'aeration :
Pas necessaire si une membrane de type GORE-TEX
est utilisee.
8° Dos :
Une aeration au moyen d'un systeme filet ou resille en
canevas d'une superficie minimale de 200 cm2 doit etre
prevue. Le choix est laisse libre entre 2 carres de 100
cm2 ou un triangle au centre du dos de 200 cm2.
En aucun cas, ces aerations ne peuvent être la cause
d'infiltration d'eau.
9° Sous les bras :
Une ouverture d'aeration de type soufflet doit etre
prevue. Tout autre systeme est a proscrire.
10° marquage :
Une ou deux etiquette(s) mentionnant :
1. nom ou sigle du fournisseur ;
2. année de fabrication ;
3. composition du tissu (tissu exterieur et doublure) ;
4. taille ;
5. mode d'entretien du vetement, repris par les symboles
imposes.
Cette ou ces etiquette(s) sera(ont) placee(s) a l'interieur
et en dessous du col.
Les inscriptions y figurant seront faites a l'encre
indelebile.
11° En option :
Le fleece : - un fleece matelasse, doit être prevu et attache au
manteau avec fermeture eclair ;
- un systeme de rabat doit proteger la fermeture eclair
fixee sur le manteau ;
- la couleur et le tissu exterieur du fleece doivent etre
identiques a la doublure du manteau ;
jaune RAL 1026.
2° La fermeture : - devant et croisee 2 x 3 boutons ;
- une rangee de 3 boutons du cote droit ;
- sur la partie gauche, une rangee de 3 boutons
completera l'ensemble.
Remarque : Toutes les coutures du vetement sont
surpiquees.
3° Le dos : Dos legerement cintre sans pinces.
Un pli "Watteau" sera realise; sa hauteur variera selon
la taille du manteau.
Le pli "Watteau" sera confectionne avec empiecement ;
les bords etant surpiques, piqure cordon, a 2 mm du
bord.
4° Les epaules : La partie superieure du manteau est recouverte d'une
piece plate appelee "cape".
Cette cape est confectionnee d'une seule piece
recouvrant les epaules ainsi que le dessus de la
poitrine et du dos. Elle doit également recouvrir
les coutures du raccord des manches afin de mieux
proteger contre les infiltrations d'eau.
Des pattes porte-grades garnissent les epaules.
5° Les manches : - ne peuvent pas gener les mouvements necessaires pour
regler la circulation ;
- une ouverture en soufflet doit être prevue sous le
bras afin de permettre l'aeration ;
- il n'est pas permis de faire usage d'un filet.
6° Les poches : - sur les deux pans de devant se trouvent deux poches
incorporees pourvues de pattes de poche ;
- les poches sont legerement obliques ;
- la patte de poche est realisee en double tissu enduit.
7° La doublure : - en matiere synthetique de polyester ou equivalent ;
- deux poches de poitrine doivent être prevues a
l'interieur de celle-ci. Ces poches doivent etre
fermees par une fermeture eclair.
b) "Cape".
1° Poitrine : Cote droit et cote gauche : 2 bandes
retroreflechissantes de 2 cm de large et espacees de 2
cm en partant a 2 cm du bord inferieur de la cape.
2° Dos :
- pour le fonctionnaire
de police : Sur le manteau des fonctionnaires de police, suivant la
region linguistique, l'inscription retroreflechissante
Police, Politie ou Polizei sur fond bleu roi se situe
entre deux bandes reflechissantes (40 mm de large) sur
toute la largeur de la cape.
La première bande se place a 20 mm du bas de la cape,
la mention Police, Politie ou Polizei (suivant la
region linguistique) se situe a 40 mm du bord superieur
de la 1ere bande. Au dessus de l'inscription a 40 mm du
bord supérieur se trouve également une 2e bande. Pour
les communes de la Region Bruxelles-Capitale et les
communes a facilites, les mentions Police/Politie ou
Politie/Police ou Police/Polizei doivent être utilisees,
ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en
matiere administrative coordonnees par l'arrete royal
du 18 juillet 1966.
Les mentions doivent avoir les dimensions suivantes :
- hauteur de lettre : 6 cm min. 8 cm max. ;
- largeur de lettre : 6,5 cm max. ;
- largeur de trait : 1,5 cm max. ;
- longueur maximum du mot : 33 cm. ;
- pour l'agent auxiliaire
de police : Aucune mention n'est indiquee entre les bandes
reflechissantes.
3° Bas du vetement :
Deux bandes de 40 mm de large du tissu retroreflechissant couvrent le bas
du vetement. La première bande est placee a 40 mm du bas du vetement,
la deuxième est placee a 40 mm de la premiere. Elles sont prises dans les
coutures verticales.
Ces deux bandes sont continues dans le pli "Watteau".
4° Repli du bas du manteau :
Le bas du manteau comporte un repli de 20 mm pique a plus ou moins 2 mm
et a plus ou moins 18 mm du bord inferieur.
5° Bas des manches :
Cinq bandes de tissu retroreflechissant de 40 mm de largeur et 200 mm de
hauteur sont placees verticalement sur le bas des manches. Elles sont
placees a 50 mm du bas des manches et a intervalles reguliers.
6° Boutons :
Les boutons sont en metal chrome.
Le placement des boutons doit se faire de maniere a ce
que le tissu exterieur et la doublure interieure ne
puissent se deformer et se dechirer a l'usage. Le trou
cause par le placement des boutons ne peut en aucun
cas porter prejudice a l'etancheite generale du vetement.
7° Ouvertures d'aeration :
Pas necessaire si une membrane de type GORE-TEX
est utilisee.
8° Dos :
Une aeration au moyen d'un systeme filet ou resille en
canevas d'une superficie minimale de 200 cm2 doit etre
prevue. Le choix est laisse libre entre 2 carres de 100
cm2 ou un triangle au centre du dos de 200 cm2.
En aucun cas, ces aerations ne peuvent être la cause
d'infiltration d'eau.
9° Sous les bras :
Une ouverture d'aeration de type soufflet doit etre
prevue. Tout autre systeme est a proscrire.
10° marquage :
Une ou deux etiquette(s) mentionnant :
1. nom ou sigle du fournisseur ;
2. année de fabrication ;
3. composition du tissu (tissu exterieur et doublure) ;
4. taille ;
5. mode d'entretien du vetement, repris par les symboles
imposes.
Cette ou ces etiquette(s) sera(ont) placee(s) a l'interieur
et en dessous du col.
Les inscriptions y figurant seront faites a l'encre
indelebile.
11° En option :
Le fleece : - un fleece matelasse, doit être prevu et attache au
manteau avec fermeture eclair ;
- un systeme de rabat doit proteger la fermeture eclair
fixee sur le manteau ;
- la couleur et le tissu exterieur du fleece doivent etre
identiques a la doublure du manteau ;
b) De "cape"
1° Borst :
rechter- en linkerkant :2 weerkaatsende banden met een breedte van 2 cm
worden met een tussenruimte van 2 cm aangebracht
op 2 cm van de rechterbenedenrand van de cape.
1° Borst :
rechter- en linkerkant :2 weerkaatsende banden met een breedte van 2 cm
worden met een tussenruimte van 2 cm aangebracht
op 2 cm van de rechterbenedenrand van de cape.
2 ouvertures seront effectuées au niveau des poches intérieures pour accéder aux poches du vêtement.
c) Spécifications techniques.
Tissu de base :
Deux possibilités de confection sont possibles :
1° - En coton de bonne qualité, tant en chaîne qu'en trame avec enduction polyuréthanne ou équivalent.
L'enduction ne peut en aucun cas être collante ou poisseuse.
- L'enduction doit en outre offrir une bonne résistance à l'essence perchloréthylène, huiles minérales et autres solvants.
- L'enduction doit être faite sur une seule face du tissu et doit offrir une bonne résistance au vieillissement, aux modifications pouvant survenir par suite de gel ou de chaleur radiante.
2° Tissu dont le poids doit permettre au vêtement d'avoir une bonne présentation et être agréable à porter.
- Une membrane microporeuse de type GORE-TEX sera intercalée entre le tissu externe et la doublure. Cette membrane intermédiaire sera flottante avec quelques points d'attaches aux 2 autres tissus. Toutes les coutures de la membrane seront rendues étanches par une bande thermocollante.
- La doublure sera réalisée dans un tissu polyester traité hydrophobe.
2. Description du gilet (voir fig. 23).
1. Le gilet doit être fabriqué en tissu aéré, bordé d'un liseré noir. Teinte : orange RAL 2005 (fonctionnaire de police) ou jaune RAL 1026 (auxiliaire de police).
2. Le gilet entoure complètement la poitrine et se ferme sur le devant par une fermeture éclair. L'encolure sera en forme de V.
3. Sa confection doit permettre la préhension facile de l'arme de service ; à cet effet, une découpe sera prévue de chaque côté du gilet.
4. Le gilet doit être pourvu dans le bas du vêtement de trois bandes rétroréfléchissantes de teinte gris-argent, apparaissant blanc-argent en réflexion de nuit dont le coefficient de rétroréflexion R', mesuré sous chaque angle d'observation (ou de divergence) et chaque angle d'incidence ne peut être inférieur aux valeurs reprises dans le tableau ci-dessous et exprimé en cd/Lux/m2.
Elles sont placées sur la poitrine, le dos et le bas du vêtement.
La surface totale minimum des matériaux rétroréfléchissants ne peut être inférieure à 0,15 m2.
c) Spécifications techniques.
Tissu de base :
Deux possibilités de confection sont possibles :
1° - En coton de bonne qualité, tant en chaîne qu'en trame avec enduction polyuréthanne ou équivalent.
L'enduction ne peut en aucun cas être collante ou poisseuse.
- L'enduction doit en outre offrir une bonne résistance à l'essence perchloréthylène, huiles minérales et autres solvants.
- L'enduction doit être faite sur une seule face du tissu et doit offrir une bonne résistance au vieillissement, aux modifications pouvant survenir par suite de gel ou de chaleur radiante.
2° Tissu dont le poids doit permettre au vêtement d'avoir une bonne présentation et être agréable à porter.
- Une membrane microporeuse de type GORE-TEX sera intercalée entre le tissu externe et la doublure. Cette membrane intermédiaire sera flottante avec quelques points d'attaches aux 2 autres tissus. Toutes les coutures de la membrane seront rendues étanches par une bande thermocollante.
- La doublure sera réalisée dans un tissu polyester traité hydrophobe.
2. Description du gilet (voir fig. 23).
1. Le gilet doit être fabriqué en tissu aéré, bordé d'un liseré noir. Teinte : orange RAL 2005 (fonctionnaire de police) ou jaune RAL 1026 (auxiliaire de police).
2. Le gilet entoure complètement la poitrine et se ferme sur le devant par une fermeture éclair. L'encolure sera en forme de V.
3. Sa confection doit permettre la préhension facile de l'arme de service ; à cet effet, une découpe sera prévue de chaque côté du gilet.
4. Le gilet doit être pourvu dans le bas du vêtement de trois bandes rétroréfléchissantes de teinte gris-argent, apparaissant blanc-argent en réflexion de nuit dont le coefficient de rétroréflexion R', mesuré sous chaque angle d'observation (ou de divergence) et chaque angle d'incidence ne peut être inférieur aux valeurs reprises dans le tableau ci-dessous et exprimé en cd/Lux/m2.
Elles sont placées sur la poitrine, le dos et le bas du vêtement.
La surface totale minimum des matériaux rétroréfléchissants ne peut être inférieure à 0,15 m2.
2° Rugpand :
- voor de politie- : Naargelang het taalgebied staat het reflecterende
ambtenaar opschrift Politie, Police of Polizei op
koningsblauwe achtergrond tussen twee weerkaatsende
banden (40 mm breed) over de hele breedte van de
cape.
De eerste band bevindt zich op 20 mm van de
onderkant van de cape, de vermelding Politie,
Police of Polizei staat naargelang het taalgebied
op 40 mm van de bovenkant van de 1ste band.
Boven het opschrift op 40 mm van de bovenrand wordt
nog een tweede band aangebracht.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de
vermeldingen
Politie, Police of Police
Police Politie Polizei
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoordineerd door het koninklijk besluit van 18
juli 1966.
De vermeldingen moeten de volgende afmetingen hebben:
- letterhoogte : min. 6 cm max. 8 cm;
- letterbreedte : max. 6,5 cm;
- streepbreedte : max. 1,5 cm;
- maximumbreedte van het woord : 33 cm;
- voor de hulpagent
van politie : Tussen beide handen worden geen vermeldingen
aangebracht.
- voor de politie- : Naargelang het taalgebied staat het reflecterende
ambtenaar opschrift Politie, Police of Polizei op
koningsblauwe achtergrond tussen twee weerkaatsende
banden (40 mm breed) over de hele breedte van de
cape.
De eerste band bevindt zich op 20 mm van de
onderkant van de cape, de vermelding Politie,
Police of Polizei staat naargelang het taalgebied
op 40 mm van de bovenkant van de 1ste band.
Boven het opschrift op 40 mm van de bovenrand wordt
nog een tweede band aangebracht.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de
vermeldingen
Politie, Police of Police
Police Politie Polizei
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het
gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoordineerd door het koninklijk besluit van 18
juli 1966.
De vermeldingen moeten de volgende afmetingen hebben:
- letterhoogte : min. 6 cm max. 8 cm;
- letterbreedte : max. 6,5 cm;
- streepbreedte : max. 1,5 cm;
- maximumbreedte van het woord : 33 cm;
- voor de hulpagent
van politie : Tussen beide handen worden geen vermeldingen
aangebracht.
Inc. angle 5° 20° 30° 40°
Obs. angle
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
Obs. angle
0° 12' 330 290 180 65
0° 20' 250 200 170 60
1° 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
3° Onderkant van het kledingstuk :
Twee banden met een breedte van 40 mm van weerkaatsende stof bedekken de
onderkant van het kledingstuk.
De eerste hand wordt bevestigd op 40 mm van de onderkant van het
kledingstuk, de tweede op 40 mm van de eerste.
Deze twee banden worden opgenomen in de verticale naden en worden niet
onderbroken in de "Watteau-plooi".
Twee banden met een breedte van 40 mm van weerkaatsende stof bedekken de
onderkant van het kledingstuk.
De eerste hand wordt bevestigd op 40 mm van de onderkant van het
kledingstuk, de tweede op 40 mm van de eerste.
Deze twee banden worden opgenomen in de verticale naden en worden niet
onderbroken in de "Watteau-plooi".
5. Les bandes rétroréflechissantes de 4 cm de large sont fixées à 4 cm du bord inférieur du gilet et en laissant 4 cm d'espace entre-elles.
6. Dans le dos du gilet du fonctionnaire de police, suivant la région linguistique, la mention Police, Politie ou Polizei sur fond bleu roi doit se situer à minimum 7 cm au dessus de la dernière bande rétroréfléchissante placée dans le haut du dos. Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
6. Dans le dos du gilet du fonctionnaire de police, suivant la région linguistique, la mention Police, Politie ou Polizei sur fond bleu roi doit se situer à minimum 7 cm au dessus de la dernière bande rétroréfléchissante placée dans le haut du dos. Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
4° Omslag van de onderkant van de mantel :
Aan de onderkant van de mantel is een omslag gemaakt van ten minste 20
mm die op +/-2 mm en op +/-18 mm van de onderste rand gestikt is.
Aan de onderkant van de mantel is een omslag gemaakt van ten minste 20
mm die op +/-2 mm en op +/-18 mm van de onderste rand gestikt is.
les mentions Police, Politie ou Police
Modifications
Politie, Police Polizei
5° Onderkant van de mouwen :
Vijf banden van weerkaatsend materiaal met een breedte van 40 mm en een
hoogte van 200 mm verticaal aangebracht op de onderkant van de mouwen. Ze
worden aangebracht op 50 mm van de onderkant en met regelmatige
tussenruimten.
Vijf banden van weerkaatsend materiaal met een breedte van 40 mm en een
hoogte van 200 mm verticaal aangebracht op de onderkant van de mouwen. Ze
worden aangebracht op 50 mm van de onderkant en met regelmatige
tussenruimten.
doivent être utilisées, ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966.
Les mentions doivent avoir les dimensions suivantes :
Les mentions doivent avoir les dimensions suivantes :
6° Knopen :
De knopen zijn van verchroomd metaal. De knopen moeten zo geplaatst
worden dat ze de buitenstof en de binnenvoering bij het gebruik niet
vervormen of scheuren. Het gat dat gemaakt wordt bij de plaatsing van de
knopen mag in geen geval de algemene waterdichtheid van het
kledingstuk schaden.
De knopen zijn van verchroomd metaal. De knopen moeten zo geplaatst
worden dat ze de buitenstof en de binnenvoering bij het gebruik niet
vervormen of scheuren. Het gat dat gemaakt wordt bij de plaatsing van de
knopen mag in geen geval de algemene waterdichtheid van het
kledingstuk schaden.
- hauteur de lettre : 6 cm min, 8 cm max ;
- largeur de lettre : 6,5 cm max. ;
- largeur de trait : 1,5 cm max. ;
- longueur maximum du mot : 33 cm.
- largeur de lettre : 6,5 cm max. ;
- largeur de trait : 1,5 cm max. ;
- longueur maximum du mot : 33 cm.
7° Ventilatieopeningen :
Niet nodig indien een membraan van het type GORE-TEX gebruikt wordt.
Niet nodig indien een membraan van het type GORE-TEX gebruikt wordt.
Sur le gilet de l'agent auxiliaires de police, aucune mention n'est indiquée.
7. Sur le devant, à hauteur de la poitrine, une bande rétroréfléchissante du même type que celles placées dans le bas, est fixée des deux côtés de l'encolure ; le bord inférieur de la bande se situant à maximum 23 cm de la couture des épaules.
3. Gants.
Gants blancs en tissu.
7. Sur le devant, à hauteur de la poitrine, une bande rétroréfléchissante du même type que celles placées dans le bas, est fixée des deux côtés de l'encolure ; le bord inférieur de la bande se situant à maximum 23 cm de la couture des épaules.
3. Gants.
Gants blancs en tissu.
8° Rugpand :
Er moet voorzien zijn in een ventilatiesysteem met mazen of canvasnet
met een minimale oppervlakte van 200 cm?. Er mag vrij gekozen worden
tussen 2 vierkanten van 100 cm? of een driehoek van 200 cm? in het midden
van het rugpand.
Deze ventilatieopeningen mogen in geen geval waterindringing mogelijk
maken.
Er moet voorzien zijn in een ventilatiesysteem met mazen of canvasnet
met een minimale oppervlakte van 200 cm?. Er mag vrij gekozen worden
tussen 2 vierkanten van 100 cm? of een driehoek van 200 cm? in het midden
van het rugpand.
Deze ventilatieopeningen mogen in geen geval waterindringing mogelijk
maken.
-
9° Onder de arm!
Er moet voorzien zijn in een ventilatieopening met een plooi. Elk ander
systeem moet verboden worden.
Er moet voorzien zijn in een ventilatieopening met een plooi. Elk ander
systeem moet verboden worden.
-
10° Merking :
Een of twee etiketten met de vermeldingen :
1. naam of logo van de leveranciers;
2. fabricatiejaar;
3. samenstelling van het weefsel (buitenweefsel en voering) ;
4. maat;
5. onderhoudsvoorschrift voor het kledingstuk, hernomen in de opgelegde
symbolen.
Dit of deze etiket(ten) wordt/worden aan de binnenkant en onder de kraag
geplaatst.
De vermeldingen moeten aangebracht zijn in onuitwisbare inkt.
11 Optie :
De fleece : - een gewatteerde fleece aan de mantel vastgehecht met een
rits;
- een klep moet de aan de mantel bevestigde rits beschermen;
- de kleur en het buitenweefsel van de fleece moeten
dezelfde zijn als de voering van de mantel;
- 2 openingen zijn voorzien ter hoogte van de binnenzakken
om toegang te hebben tot de zakken van het kledingstuk.
Een of twee etiketten met de vermeldingen :
1. naam of logo van de leveranciers;
2. fabricatiejaar;
3. samenstelling van het weefsel (buitenweefsel en voering) ;
4. maat;
5. onderhoudsvoorschrift voor het kledingstuk, hernomen in de opgelegde
symbolen.
Dit of deze etiket(ten) wordt/worden aan de binnenkant en onder de kraag
geplaatst.
De vermeldingen moeten aangebracht zijn in onuitwisbare inkt.
11 Optie :
De fleece : - een gewatteerde fleece aan de mantel vastgehecht met een
rits;
- een klep moet de aan de mantel bevestigde rits beschermen;
- de kleur en het buitenweefsel van de fleece moeten
dezelfde zijn als de voering van de mantel;
- 2 openingen zijn voorzien ter hoogte van de binnenzakken
om toegang te hebben tot de zakken van het kledingstuk.
-
c) Technische specificaties
Basisstof:
Er zijn twee confectiemogelijkheden :
1° - Katoen van goede kwaliteit zowel in schering als inslag met polyurethaancoating of daarmee gelijkgesteld.
De coating mag in geen geval plakkerig of kleverig zijn.
- Bovendien moet de coating goed bestand zijn tegen perchlorethyleenbenzine, minerale oliën en andere oplosmiddelen.
- Deze coating moet aangebracht zijn op slechts een zijde van het weefsel en goed bestand zijn tegen veroudering en tegen veranderingen die zich kunnen voordoen bij vrieskou of stralingswarmte.
2° - Weefsel met een gewicht dat het kledingstuk een goede aanblik geeft en het aangenaam om dragen maakt.
- Tussen het buitenweefsel en de voering wordt een micro-doorlatend membraan van het type GORE-TEX aangebracht. Dit membraan is slechts op enkele punten vastgehecht aan de twee andere weefsels. Alle naden worden met een band afgedicht om een perfecte waterdichtheid te waarborgen.
- De voering wordt vervaardigd in behandeld waterafstotend polyesterweefsel.
2. Beschrijving van het mouwloos vest (zie fig. 23)
1. Het vest moet vervaardigd worden in een verluchte stof, 100% polyester en afgezet, worden met een zwarte bies kleur : oranje RAL 2005 (politieambtenaar) of geel RAL 1026 (hulpagent van politie).
2. Het vest omringt de borst volledig en sluit vooraan met een ritssluiting. Het heeft een V-hals.
3. Het moet zodanig vervaardigd zijn dat het dienstwapen gemakkelijk kan gegrepen worden; daarvoor wordt er aan weerszijden van het vest in een insnijding voorzien.
4. Onderaan het vest moeten drie zilvergrijze weerkaatsende handen aangebracht worden die er 's nachts zilverwit uitzien, en waarvan de weerkaatsingscoëfficiënt R', gemeten onder elke waarnemingshoek (of divergentiehoek) en onder elke invalshoek, niet kleiner mag zijn dan de in de hierna volgende tabel vermelde waarden en uitgedrukt in cd/Lux/m?.! Zij worden aangebracht op voor- en rugpand en op de onderkant van het kledingstuk. De minimale totale oppervlakte van de weerkaatsende materialen mag niet minder dan 0,15 m?
bedragen.
Basisstof:
Er zijn twee confectiemogelijkheden :
1° - Katoen van goede kwaliteit zowel in schering als inslag met polyurethaancoating of daarmee gelijkgesteld.
De coating mag in geen geval plakkerig of kleverig zijn.
- Bovendien moet de coating goed bestand zijn tegen perchlorethyleenbenzine, minerale oliën en andere oplosmiddelen.
- Deze coating moet aangebracht zijn op slechts een zijde van het weefsel en goed bestand zijn tegen veroudering en tegen veranderingen die zich kunnen voordoen bij vrieskou of stralingswarmte.
2° - Weefsel met een gewicht dat het kledingstuk een goede aanblik geeft en het aangenaam om dragen maakt.
- Tussen het buitenweefsel en de voering wordt een micro-doorlatend membraan van het type GORE-TEX aangebracht. Dit membraan is slechts op enkele punten vastgehecht aan de twee andere weefsels. Alle naden worden met een band afgedicht om een perfecte waterdichtheid te waarborgen.
- De voering wordt vervaardigd in behandeld waterafstotend polyesterweefsel.
2. Beschrijving van het mouwloos vest (zie fig. 23)
1. Het vest moet vervaardigd worden in een verluchte stof, 100% polyester en afgezet, worden met een zwarte bies kleur : oranje RAL 2005 (politieambtenaar) of geel RAL 1026 (hulpagent van politie).
2. Het vest omringt de borst volledig en sluit vooraan met een ritssluiting. Het heeft een V-hals.
3. Het moet zodanig vervaardigd zijn dat het dienstwapen gemakkelijk kan gegrepen worden; daarvoor wordt er aan weerszijden van het vest in een insnijding voorzien.
4. Onderaan het vest moeten drie zilvergrijze weerkaatsende handen aangebracht worden die er 's nachts zilverwit uitzien, en waarvan de weerkaatsingscoëfficiënt R', gemeten onder elke waarnemingshoek (of divergentiehoek) en onder elke invalshoek, niet kleiner mag zijn dan de in de hierna volgende tabel vermelde waarden en uitgedrukt in cd/Lux/m?.! Zij worden aangebracht op voor- en rugpand en op de onderkant van het kledingstuk. De minimale totale oppervlakte van de weerkaatsende materialen mag niet minder dan 0,15 m?
bedragen.
-
Invalshoek 5 20 30 40
Waarnemingshoek
0 12' 330 290 180 65
0 20' 250 200 170 60
1 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
Waarnemingshoek
0 12' 330 290 180 65
0 20' 250 200 170 60
1 30' 4,5 4,0 3,5 2,5
-
5. De weerkaatsende banden met een breedte van 4 cm worden met een onderlinge tussenruimte van 4 cm aangebracht op 4 cm van de benedenrand van het vest.
6. Op de rug van het vest van de politieambtenaar moet naargelang het taalgebied de vermelding Politie, Police of Polizei op koningsblauwe achtergrond aangebracht worden op minimum 7 cm boven de laatste weerkaatsende band bovenaan de rug.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen
6. Op de rug van het vest van de politieambtenaar moet naargelang het taalgebied de vermelding Politie, Police of Polizei op koningsblauwe achtergrond aangebracht worden op minimum 7 cm boven de laatste weerkaatsende band bovenaan de rug.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen
-
Politie, Police of Police
Police Politie Polizei
Police Politie Polizei
-
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het gebruik van de titel in bestuurszaken, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 18 juli 1966.
De vermeldingen moeten de volgende afmetingen hebben :
De vermeldingen moeten de volgende afmetingen hebben :
-
- letterhoogte : min. 6 cm max. 8 cm;
- letterbreedte : max. 6,5 cm;
- streepbreedte : max. 1,5 cm;
- maximumbreedte van het woord : 33 cm.
- letterbreedte : max. 6,5 cm;
- streepbreedte : max. 1,5 cm;
- maximumbreedte van het woord : 33 cm.
-
Op de rug van het vest van de hulpagent van politie is niets vermeld.
7. Vooraan, ter hoogte van de borst, wordt aan weerszijden van de hals een weerkaatsende band aangebracht van hetzelfde type als de banden op de onderkant; de onderste rand van de band bevindt zich op maximaal 23 cm van de schoudernaad.
3. Handschoenen
Witte handschoenen in stof
7. Vooraan, ter hoogte van de borst, wordt aan weerszijden van de hals een weerkaatsende band aangebracht van hetzelfde type als de banden op de onderkant; de onderste rand van de band bevindt zich op maximaal 23 cm van de schoudernaad.
3. Handschoenen
Witte handschoenen in stof
-
Art. 3N4. III. Technische beschrijving van het tenue van de hondenbegeleider. 1. Het tenue van de hondenbegeleider
a) De broek
De donkerblauwe broek (RAL 5004) wordt vervaardigd uit het Nomex III-weefsel of daarmee gelijkgesteld. De plooi is ingestikt en de zijnaden platgestikt.
Zakken : zie ook ordehandhavingstenue
- een steekzak aan elke zijde;
- op de rechter-achterkant, een opgestikte zak met klep die sluit met drukknopen;
- op elke zijkant een opgestikte zak die sluit met klep met drukknopen.
Zijzakken : ieder voorstuk wordt voorzien van een zijzak, vervaardigd uit het basisweefsel. De uiteinden van de openingen worden versterkt met een trens.
Achterzak : Afmeting . 185 mm x 150 mm.
Is voorzien van een klep van 55 mm breed met op de hoeken een drukknoopsluiting.
Afwerking : de zakken en de kleppen worden enkel afgestikt.
De riem : breedte : 40 mm. Hij is vervaardigd uit dubbel basisweefsel en voorzien van 7 passanten. De passanten zijn getrenst en de doorgang bedraagt ongeveer 35 mm.
Sluiting : de broek wordt gesloten met een ritssluiting met een lengte van ongeveer 180 mm. De onderzijde wordt vastgelegd met een trens. Op de broeksband staat een jeansknoop met een knoopsgat.
Onderkant : wordt dubbel omgeslagen en op ongeveer 15 mm vastgestikt.
a) De broek
De donkerblauwe broek (RAL 5004) wordt vervaardigd uit het Nomex III-weefsel of daarmee gelijkgesteld. De plooi is ingestikt en de zijnaden platgestikt.
Zakken : zie ook ordehandhavingstenue
- een steekzak aan elke zijde;
- op de rechter-achterkant, een opgestikte zak met klep die sluit met drukknopen;
- op elke zijkant een opgestikte zak die sluit met klep met drukknopen.
Zijzakken : ieder voorstuk wordt voorzien van een zijzak, vervaardigd uit het basisweefsel. De uiteinden van de openingen worden versterkt met een trens.
Achterzak : Afmeting . 185 mm x 150 mm.
Is voorzien van een klep van 55 mm breed met op de hoeken een drukknoopsluiting.
Afwerking : de zakken en de kleppen worden enkel afgestikt.
De riem : breedte : 40 mm. Hij is vervaardigd uit dubbel basisweefsel en voorzien van 7 passanten. De passanten zijn getrenst en de doorgang bedraagt ongeveer 35 mm.
Sluiting : de broek wordt gesloten met een ritssluiting met een lengte van ongeveer 180 mm. De onderzijde wordt vastgelegd met een trens. Op de broeksband staat een jeansknoop met een knoopsgat.
Onderkant : wordt dubbel omgeslagen en op ongeveer 15 mm vastgestikt.
Art. 3N4. III. Notice technique descriptive de la tenue maître-chien.
1. La tenue maître-chien.
a) Le pantalon :
Le pantalon bleu foncé (RAL 5004) est confectionné en tissu NOMEX III ou équivalent. Le pli est piqué et les coutures latérales sont plates.
Les poches : voir aussi la tenue de maintien de l'ordre :
- une poche sans rabat de chaque côté ;
- du côté arrière droit, une poche cousue avec rabat à boutons-pression ;
- de chaque côté latéral une poche cousue à rabat avec boutons-pression.
Poches latérales : chaque partie avant est pourvue d'une poche latérale confectionnée en tissu de base. Les extrémités sont renforcées.
Poche arrière : Dimension : 185 mm . 150 mm.
Equipée d'un rabat d'une largeur de 55 mm et une fermeture pression aux pointes.
Finition : les poches et les rabats n'ont qu'un simple point de piqûre.
La ceinture : largeur : 40 mm. Elle est confectionnée d'un double tissu de base avec 7 passants. Les passants sont tressés et la largeur est de 35 mm environ.
Fermeture : le pantalon se ferme avec une fermeture éclair qui a une longueur d'environ 180 mm. La partie inférieure est renforcée. La taille porte un bouton jeans avec boutonnière.
Le bas : double rebord et piqué à environ 15 mm.
1. La tenue maître-chien.
a) Le pantalon :
Le pantalon bleu foncé (RAL 5004) est confectionné en tissu NOMEX III ou équivalent. Le pli est piqué et les coutures latérales sont plates.
Les poches : voir aussi la tenue de maintien de l'ordre :
- une poche sans rabat de chaque côté ;
- du côté arrière droit, une poche cousue avec rabat à boutons-pression ;
- de chaque côté latéral une poche cousue à rabat avec boutons-pression.
Poches latérales : chaque partie avant est pourvue d'une poche latérale confectionnée en tissu de base. Les extrémités sont renforcées.
Poche arrière : Dimension : 185 mm . 150 mm.
Equipée d'un rabat d'une largeur de 55 mm et une fermeture pression aux pointes.
Finition : les poches et les rabats n'ont qu'un simple point de piqûre.
La ceinture : largeur : 40 mm. Elle est confectionnée d'un double tissu de base avec 7 passants. Les passants sont tressés et la largeur est de 35 mm environ.
Fermeture : le pantalon se ferme avec une fermeture éclair qui a une longueur d'environ 180 mm. La partie inférieure est renforcée. La taille porte un bouton jeans avec boutonnière.
Le bas : double rebord et piqué à environ 15 mm.
Allerlei : 1° alle verzamelnaden worden gestikt met een safety - steek;
2° de drukknopen zijn uit gebronzeerd messing.
2° de drukknopen zijn uit gebronzeerd messing.
Divers : 1° toutes les coutures collectives sont piquees
d'un point safety ;
2° les boutons-pression sont bronzes cuivres.
d'un point safety ;
2° les boutons-pression sont bronzes cuivres.
b) De riem
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
c) Schoeisel
- Zwarte molières.
- Laarzen met hoge beenschacht van het type "Combat shoes".
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
d) Sokken
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
e) Pet
Voorzien in bijlage 2.
f) Hemd
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
g)Das
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
h) Pull
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
i) Parka
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
j) Koppel
Voorzien voor de politieambtenaar Zie bijlage 3.
k) T-shirt
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
c) Schoeisel
- Zwarte molières.
- Laarzen met hoge beenschacht van het type "Combat shoes".
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
d) Sokken
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
e) Pet
Voorzien in bijlage 2.
f) Hemd
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
g)Das
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
h) Pull
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
i) Parka
Voorzien voor de politieambtenaar. Zie bijlage 3.
j) Koppel
Voorzien voor de politieambtenaar Zie bijlage 3.
k) T-shirt
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
b) Ceinture :
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
c) Les chaussures :
- molières noires ;
- bottines lacées haute tige (type combat shoes).
Prevues pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
d) Chaussettes :
Prévues pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
e) Casquette :
Prévue en annexe 2.
f) Chemise :
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
g) Cravate :
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
h) Pull :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
i) Parka :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
j) Ceinturon :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
k) T-shirt :
Teinte : bleu foncé (RAL 5004).
Col ras du cou et manches courtes.
L'insigne de couleur blanche de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côté gauche, hauteur poitrine (voir fig. 1a-1b).
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
c) Les chaussures :
- molières noires ;
- bottines lacées haute tige (type combat shoes).
Prevues pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
d) Chaussettes :
Prévues pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
e) Casquette :
Prévue en annexe 2.
f) Chemise :
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
g) Cravate :
Prévue pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
h) Pull :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
i) Parka :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
j) Ceinturon :
Prévu pour le fonctionnaire de police. Voir annexe 3.
k) T-shirt :
Teinte : bleu foncé (RAL 5004).
Col ras du cou et manches courtes.
L'insigne de couleur blanche de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côté gauche, hauteur poitrine (voir fig. 1a-1b).
Art. 4N4. IV. Technische beschrijving van het ruitertenue
A. De ruiterbroek
Klassieke ruiterbroek in donkerblauwe stretch (RAL 5004).
B. Het ruitervest
De donkerblauwe (RAL 5004) ruitervest is van het type parka (zelfde model als de parka van het gewone uniform).
Het bovenste gedeelte dat schouders en armen bedekt is in oranje reflecterende kleur (RAL 2005) (op een hoogte van 20 cm voor de schouders en 10 cm voor de armen). Een zilvergrijze reflecterende band duidt de scheiding aan tussen het oranje en het donkerblauwe gedeelte. Een reflecterende vermelding (RAL 2005) "Politie, Police of Polizei" van 10 cm hoog is aangebracht op het bovenste gedeelte van het rugpand. Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen
A. De ruiterbroek
Klassieke ruiterbroek in donkerblauwe stretch (RAL 5004).
B. Het ruitervest
De donkerblauwe (RAL 5004) ruitervest is van het type parka (zelfde model als de parka van het gewone uniform).
Het bovenste gedeelte dat schouders en armen bedekt is in oranje reflecterende kleur (RAL 2005) (op een hoogte van 20 cm voor de schouders en 10 cm voor de armen). Een zilvergrijze reflecterende band duidt de scheiding aan tussen het oranje en het donkerblauwe gedeelte. Een reflecterende vermelding (RAL 2005) "Politie, Police of Polizei" van 10 cm hoog is aangebracht op het bovenste gedeelte van het rugpand. Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen
Art. 4N4. IV. Notice technique descriptive de la tenue de cavalier.
A. Le pantalon cavalier :
Il s'agit du pantalon cavalier classique en stretch bleu foncé (RAL 5004).
B. La veste cavalier :
La veste cavalier bleu foncé (RAL 5004) est de type parka (même modèle que le parka de la tenue ordinaire).
La partie supérieure couvrant les épaules et les bras est de couleur "orange réfléchissant" (RAL 2005) sur une hauteur de 20 cm pour les épaules et 10 cm pour les bras.
Une bande réfléchissante gris-argent marque la séparation entre la partie orange et la partie bleu foncé.
Une inscription réfléchissante (RAL 2005) "Police", "Politie", "Polizei" de 10 cm de haut est apposée sur la partie supérieure du dos.
Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
A. Le pantalon cavalier :
Il s'agit du pantalon cavalier classique en stretch bleu foncé (RAL 5004).
B. La veste cavalier :
La veste cavalier bleu foncé (RAL 5004) est de type parka (même modèle que le parka de la tenue ordinaire).
La partie supérieure couvrant les épaules et les bras est de couleur "orange réfléchissant" (RAL 2005) sur une hauteur de 20 cm pour les épaules et 10 cm pour les bras.
Une bande réfléchissante gris-argent marque la séparation entre la partie orange et la partie bleu foncé.
Une inscription réfléchissante (RAL 2005) "Police", "Politie", "Polizei" de 10 cm de haut est apposée sur la partie supérieure du dos.
Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
Politie, Police of Police
Police Politie Polizei
Police Politie Polizei
les mentions Police ou Politie ou Police
Modifications
Politie Police Polizei
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd door het koninklijk besluit van 18 juli 1966.
C Ruiterregenjas
Vervaardigd uit donkerblauw polyurethaan of daarmee gelijkgesteld (RAL 5004). Hij is vervaardigd in een waterdichte stof die aan de taille van de ruiter is vastgemaakt en die de rug en het achterdeel van het paard bedekt, evenals de benen van de ruiter en het voorste deel van het zadel. De onderkant is over de gehele omtrek afgeboord met een oranje reflecterende boord (RAL 2005) van 10 cm. Ter hoogte van de ruiterlaarzen zijn bevestgingspunten voorzien en aan de voorzijde bevindt zich een sluiting, zodat de beide panden kunnen gesloten worden.
D. De ruiterjas
a) Algemeen :
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Het betreft een mouwloos jasje dat kan gedragen worden onder de parka of onder het vest van het ordehandhavingstenue en dient om de ruiter te beschermen tegen vallen of slagen zonder de bewegingsvrijheid van de politieambtenaar in interventie te hinderen.
Het moet de bovenromp voldoende beschermen en in 't bijzonder schouders en sleutelbeen. Het ruggegraatgedeelte zal in zijn geheel moeten beschermd worden.
Het moet beschikbaar zijn in de gebruikelijke standaardmaten en de opbouw moet toelaten het aan te passen aan mannelijke of vrouwelijke gestalten. De hoogte (lengte) mag het zitten niet hinderen. Het moet stevig en onbeweeglijk kunnen worden aangebracht en degelijk aansluiten op het lichaam. De sluitingen moeten kunnen weerstaan aan een veelvuldig gebruik.
b) Beschrijving :
C Ruiterregenjas
Vervaardigd uit donkerblauw polyurethaan of daarmee gelijkgesteld (RAL 5004). Hij is vervaardigd in een waterdichte stof die aan de taille van de ruiter is vastgemaakt en die de rug en het achterdeel van het paard bedekt, evenals de benen van de ruiter en het voorste deel van het zadel. De onderkant is over de gehele omtrek afgeboord met een oranje reflecterende boord (RAL 2005) van 10 cm. Ter hoogte van de ruiterlaarzen zijn bevestgingspunten voorzien en aan de voorzijde bevindt zich een sluiting, zodat de beide panden kunnen gesloten worden.
D. De ruiterjas
a) Algemeen :
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Het betreft een mouwloos jasje dat kan gedragen worden onder de parka of onder het vest van het ordehandhavingstenue en dient om de ruiter te beschermen tegen vallen of slagen zonder de bewegingsvrijheid van de politieambtenaar in interventie te hinderen.
Het moet de bovenromp voldoende beschermen en in 't bijzonder schouders en sleutelbeen. Het ruggegraatgedeelte zal in zijn geheel moeten beschermd worden.
Het moet beschikbaar zijn in de gebruikelijke standaardmaten en de opbouw moet toelaten het aan te passen aan mannelijke of vrouwelijke gestalten. De hoogte (lengte) mag het zitten niet hinderen. Het moet stevig en onbeweeglijk kunnen worden aangebracht en degelijk aansluiten op het lichaam. De sluitingen moeten kunnen weerstaan aan een veelvuldig gebruik.
b) Beschrijving :
doivent être utilisées, ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966.
C. L'imperméable cavalier :
Il est en matiere polyuréthanne ou équivalente bleu foncé (RAL 5004).
Il s'agit d'une pièce en tissu imperméable qui est attachée à la taille du cavalier et qui recouvre le dos et la croupe du cheval ainsi que les jambes du cavalier et l'avant de la selle.
Le bord inférieur est, sur tout le pourtour, limité par une bande réfléchissante orange (RAL 2005) de 10 cm.
Des attaches sont prévues à hauteur des bottes des cavaliers et une fermeture est placée à l'avant de manière à former les deux pans.
D. Le gilet cavalier :
a) Généralités.
Il s'agit d'une veste sans manches bleu foncé (RAL 5004) devant être portée sous la veste cavalier, ou sous la veste de maintien de l'ordre sans limiter la mobilité du fonctionnaire de police en intervention et destinée à protéger le cavalier en cas de chutes ou de coups recus.
Elle doit protéger suffisamment le haut du tronc et en particulier les clavicules et les épaules. La colonne vertébrale doit être protégée dans sa totalité.
Elle doit être disponible dans les tailles standard usuelles et avoir une structure qui permet de l'adapter à toute morphologie masculine ou féminine.
La hauteur (longueur) ne peut pas gêner en position assise.
Elle doit pouvoir être attachée solidement et épouser convenablement le corps.
Les systèmes de fixation doivent pouvoir résister à une utilisation fréquente.
b) Description.
C. L'imperméable cavalier :
Il est en matiere polyuréthanne ou équivalente bleu foncé (RAL 5004).
Il s'agit d'une pièce en tissu imperméable qui est attachée à la taille du cavalier et qui recouvre le dos et la croupe du cheval ainsi que les jambes du cavalier et l'avant de la selle.
Le bord inférieur est, sur tout le pourtour, limité par une bande réfléchissante orange (RAL 2005) de 10 cm.
Des attaches sont prévues à hauteur des bottes des cavaliers et une fermeture est placée à l'avant de manière à former les deux pans.
D. Le gilet cavalier :
a) Généralités.
Il s'agit d'une veste sans manches bleu foncé (RAL 5004) devant être portée sous la veste cavalier, ou sous la veste de maintien de l'ordre sans limiter la mobilité du fonctionnaire de police en intervention et destinée à protéger le cavalier en cas de chutes ou de coups recus.
Elle doit protéger suffisamment le haut du tronc et en particulier les clavicules et les épaules. La colonne vertébrale doit être protégée dans sa totalité.
Elle doit être disponible dans les tailles standard usuelles et avoir une structure qui permet de l'adapter à toute morphologie masculine ou féminine.
La hauteur (longueur) ne peut pas gêner en position assise.
Elle doit pouvoir être attachée solidement et épouser convenablement le corps.
Les systèmes de fixation doivent pouvoir résister à une utilisation fréquente.
b) Description.
Jasdelen : - Een rugdeel, stevig vastgestikt aan twee voor-
panden.
- Twee voorpanden die gesloten worden met een
ritssluiting.
- Een stuk weefsel, vastgestikt aan de onderkant
van de achterzijde bestemd om tussen de benen
door, vastgemaakt te worden aan de voorzijden
met om het even welk sluitingssysteem. (velcro,
drukknopen, ...).
Beschermings- Zullen samengesteld zijn uit een soepele, schokab-
elementen : sorberende materie (synthetisch schuimrubber,
rubber, ...).
Zullen aangebracht worden volgens de schetsen in
bijlage(zie fig. 26) :
(1) Aanhangsel 1 :
De voorpanden, in horizontale banden van +/-7,5 cm,
aangebracht om het gedeelte tussen de schouders en
de laatste zwevende ribben te beschermen.
(2) Aanhangsel 2 :
De rug, in verticale en horizontale banden
aangebracht om het gedeelte tussen de schouders
en het staartbeen te beschermen. De ruggegraat zal
bovendien beschermd worden met een bijkomende
beschermplaat van ongeveer 10 cm breedte (buigzaam
plastiek of een andere materie die dezelfde
bescherming geeft).
Dikte van de (1) Achterzijde : +/-2 cm.(bijkomende beschermplaat
beschermings- inbegrepen).
elementen : (2) Andere delen . +/-1 cm.
Al deze beschermingselementen mogen in geen geval
de bewegingen van de gebruiker hinderen (plooien
van de benen, vooroverbuigen en draaien van de
romp, vasthouden van de teugels, gebruik van de
wapenstok).
Etikettering : In de halsboord een etiket met :
- naam of logo van de firma:
- maat;
- internationale onderhoudsvoorschriften;
- de samenstelling van de stof en van de
beschermingselementen.
Onderhoud : Het onderhoud zal zo eenvoudig mogelijk zijn en
weerstaan aan het herhaald reinigen zonder het
materiaal te beschadigen. De inschrijver zal
daartoe de nodige richtlijnen geven.
panden.
- Twee voorpanden die gesloten worden met een
ritssluiting.
- Een stuk weefsel, vastgestikt aan de onderkant
van de achterzijde bestemd om tussen de benen
door, vastgemaakt te worden aan de voorzijden
met om het even welk sluitingssysteem. (velcro,
drukknopen, ...).
Beschermings- Zullen samengesteld zijn uit een soepele, schokab-
elementen : sorberende materie (synthetisch schuimrubber,
rubber, ...).
Zullen aangebracht worden volgens de schetsen in
bijlage(zie fig. 26) :
(1) Aanhangsel 1 :
De voorpanden, in horizontale banden van +/-7,5 cm,
aangebracht om het gedeelte tussen de schouders en
de laatste zwevende ribben te beschermen.
(2) Aanhangsel 2 :
De rug, in verticale en horizontale banden
aangebracht om het gedeelte tussen de schouders
en het staartbeen te beschermen. De ruggegraat zal
bovendien beschermd worden met een bijkomende
beschermplaat van ongeveer 10 cm breedte (buigzaam
plastiek of een andere materie die dezelfde
bescherming geeft).
Dikte van de (1) Achterzijde : +/-2 cm.(bijkomende beschermplaat
beschermings- inbegrepen).
elementen : (2) Andere delen . +/-1 cm.
Al deze beschermingselementen mogen in geen geval
de bewegingen van de gebruiker hinderen (plooien
van de benen, vooroverbuigen en draaien van de
romp, vasthouden van de teugels, gebruik van de
wapenstok).
Etikettering : In de halsboord een etiket met :
- naam of logo van de firma:
- maat;
- internationale onderhoudsvoorschriften;
- de samenstelling van de stof en van de
beschermingselementen.
Onderhoud : Het onderhoud zal zo eenvoudig mogelijk zijn en
weerstaan aan het herhaald reinigen zonder het
materiaal te beschadigen. De inschrijver zal
daartoe de nodige richtlijnen geven.
Parties composant
la veste : - Un dos, cousu solidement aux deux devants.
- Deux devants se fermant au moyen d'une fermeture
eclair.
- Une piece de tissu cousue au bas de la partie dorsale,
destinee a être passee entre les jambes et a se fixer sur
les deux devants au moyen d'un systeme d'attache
quelconque (velcro, pressions, ...).
Elements de
protection : Seront constitues d'une matiere souple absorbant les
chocs (mousse synthetique. caoutchouc, ...).
Seront disposes suivant les croquis repris en appendices
(voir fig. 26) :
(1) Appendice 1 :
Les devants, en bandes horizontales, de plus ou moins
7,5 cm, articulees de façon a proteger la region
comprise entre les epaules et les dernieres cotes
flottantes.
(2) Appendice 2 :
Le dos, en bandes verticales et horizontales articulees de
facon a proteger la region comprise entre les epaules et
le coccyx. De plus, la colonne vertebrale sera protegee
par une plaque de protection supplementaire (plastique
flexible ou autre matiere offrant une protection similaire)
d'environ 10 cm de largeur.
Epaisseur des
elements de
protection : (1) Region colonne vertebrale : plus ou moins 2 cm
(plaque supplementaire compris).
(2) Autre region : plus ou moins 1 cm.
Tous ces elements de protection ne pourront limiter
outre mesure les mouvements de l'utilisateur (flexion
des jambes, extension ou rotation du tronc - tenue des
renes - manipulation de la matraque, ...).
Marquage : Dans le col ; une etiquette avec :
- le nom ou le sigle de la firme ;
- la taille :
- les symboles internationaux d'entretien ;
- la composition du tissu et des elements de protection.
Entretien : L'entretien doit être simple et pouvoir être frequent
sans alteration du materiel. Le fournisseur fournira
toutes les directives a cet effet.
la veste : - Un dos, cousu solidement aux deux devants.
- Deux devants se fermant au moyen d'une fermeture
eclair.
- Une piece de tissu cousue au bas de la partie dorsale,
destinee a être passee entre les jambes et a se fixer sur
les deux devants au moyen d'un systeme d'attache
quelconque (velcro, pressions, ...).
Elements de
protection : Seront constitues d'une matiere souple absorbant les
chocs (mousse synthetique. caoutchouc, ...).
Seront disposes suivant les croquis repris en appendices
(voir fig. 26) :
(1) Appendice 1 :
Les devants, en bandes horizontales, de plus ou moins
7,5 cm, articulees de façon a proteger la region
comprise entre les epaules et les dernieres cotes
flottantes.
(2) Appendice 2 :
Le dos, en bandes verticales et horizontales articulees de
facon a proteger la region comprise entre les epaules et
le coccyx. De plus, la colonne vertebrale sera protegee
par une plaque de protection supplementaire (plastique
flexible ou autre matiere offrant une protection similaire)
d'environ 10 cm de largeur.
Epaisseur des
elements de
protection : (1) Region colonne vertebrale : plus ou moins 2 cm
(plaque supplementaire compris).
(2) Autre region : plus ou moins 1 cm.
Tous ces elements de protection ne pourront limiter
outre mesure les mouvements de l'utilisateur (flexion
des jambes, extension ou rotation du tronc - tenue des
renes - manipulation de la matraque, ...).
Marquage : Dans le col ; une etiquette avec :
- le nom ou le sigle de la firme ;
- la taille :
- les symboles internationaux d'entretien ;
- la composition du tissu et des elements de protection.
Entretien : L'entretien doit être simple et pouvoir être frequent
sans alteration du materiel. Le fournisseur fournira
toutes les directives a cet effet.
E. De laarzen
Klassieke ruiterlaarzen in zwart leder.
F. De ruiterhelm
Het betreft een helm die de ruiters moet beschermen tijdens de uitvoering van hun opdrachten te paard (patrouille, oefeningen) met uitzondering van de ordediensten waarvoor een specifieke helm moet gebruikt worden.
De helm moet een goede bescherming bieden bij het vallen.
De helmbol moet wit zijn. Deze kleur is van het type RAL 1013. Deze kleur is geïntegreerd in de massa van de helmbol. De kleurtint moet gewaarborgd zijn tegen elke verandering tijdens de levensduur van de helm. In elk geval moet de buitenste laag van de helmschaal goed bestand zijn tegen krassen, vuur en bijtende stoffen.
Het onderhoud moet gemakkelijk zijn.
Het schildplaatje van de gemeentepolitie (zie fig. 1a-1b) wordt aangebracht op de voorzijde van de helm.
G. De pull
Deze van het gewoon tenue.
H Het hemd
Dit van het gewoon tenue.
I. Het T-shirt
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
J. De pet
De pet voorzien in bijlage 2.
Klassieke ruiterlaarzen in zwart leder.
F. De ruiterhelm
Het betreft een helm die de ruiters moet beschermen tijdens de uitvoering van hun opdrachten te paard (patrouille, oefeningen) met uitzondering van de ordediensten waarvoor een specifieke helm moet gebruikt worden.
De helm moet een goede bescherming bieden bij het vallen.
De helmbol moet wit zijn. Deze kleur is van het type RAL 1013. Deze kleur is geïntegreerd in de massa van de helmbol. De kleurtint moet gewaarborgd zijn tegen elke verandering tijdens de levensduur van de helm. In elk geval moet de buitenste laag van de helmschaal goed bestand zijn tegen krassen, vuur en bijtende stoffen.
Het onderhoud moet gemakkelijk zijn.
Het schildplaatje van de gemeentepolitie (zie fig. 1a-1b) wordt aangebracht op de voorzijde van de helm.
G. De pull
Deze van het gewoon tenue.
H Het hemd
Dit van het gewoon tenue.
I. Het T-shirt
Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
J. De pet
De pet voorzien in bijlage 2.
E. Les bottes :
Il s'agit des bottes cavalier classiques en cuir noir.
F. Le casque cavalier :
Il s'agit d'un casque destiné à protéger les cavaliers pendant l'exécution de leurs missions à cheval (patrouille, exercices) à l'exception de services d'ordre pour lesquels un casque specifique doit être utilisé.
Le casque doit offrir une bonne protection lors des chutes de cheval.
La calotte est de couleur blanche. La couleur est du type : RAL 1013.
Cette couleur est intégrée dans la masse de la calotte.
La teinte de la couleur doit être garantie contre tout changement pendant la durée de vie du casque.
Dans tous les cas, l'enveloppe extérieure de la calotte offrira une bonne résistance aux griffes, au feu et à l'action des agents corrosifs. L'entretien en sera facile.
L'écusson de la police communale est apposé sur l'avant du casque (voir fig. 1a-1b).
G. Le pull :
Celui de la tenue ordinaire.
H. La chemise :
Celle de la tenue ordinaire.
I. Le T-shirt :
- bleu foncé (RAL 5004) ;
- col ras du cou et manches courtes ;
- l'insigne en couleur blanc de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côte gauche, hauteur poitrine (voir fig. 1a-1b).
J. La casquette :
La casquette prévue en annexe 2.
Il s'agit des bottes cavalier classiques en cuir noir.
F. Le casque cavalier :
Il s'agit d'un casque destiné à protéger les cavaliers pendant l'exécution de leurs missions à cheval (patrouille, exercices) à l'exception de services d'ordre pour lesquels un casque specifique doit être utilisé.
Le casque doit offrir une bonne protection lors des chutes de cheval.
La calotte est de couleur blanche. La couleur est du type : RAL 1013.
Cette couleur est intégrée dans la masse de la calotte.
La teinte de la couleur doit être garantie contre tout changement pendant la durée de vie du casque.
Dans tous les cas, l'enveloppe extérieure de la calotte offrira une bonne résistance aux griffes, au feu et à l'action des agents corrosifs. L'entretien en sera facile.
L'écusson de la police communale est apposé sur l'avant du casque (voir fig. 1a-1b).
G. Le pull :
Celui de la tenue ordinaire.
H. La chemise :
Celle de la tenue ordinaire.
I. Le T-shirt :
- bleu foncé (RAL 5004) ;
- col ras du cou et manches courtes ;
- l'insigne en couleur blanc de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côte gauche, hauteur poitrine (voir fig. 1a-1b).
J. La casquette :
La casquette prévue en annexe 2.
Art. 5N4. V. Technische beschrijving van het oefentenue
Het oefentenue bestaat uit volgende elementen :
Het oefentenue bestaat uit volgende elementen :
Art. 5N4. V. Notice technique descriptive de la tenue d'exercice.
La tenue d'exercice se compose des éléments suivants :
La tenue d'exercice se compose des éléments suivants :
1° Schoeisel : Schoenen met hoge beenschacht van het type "combat
shoes".
2° Sokken : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
3° Overal Donkerblauw (RAL 5004)(polyester/katoen) met op de
(zie fig. 15) : rug de vermelding Politie, Police of Polizei in
witte letters op koningsblauwe fluorescerende
achtergrond.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de
vermeldingen
Politie, Police en Police
Police, Politie Polizei
overeenkomstig de wetten op het gebruik van de
talen in bestuurszaken, gecoordineerd door het
koninklijk besluit van 18 juli 1966, aangebracht
worden.
Het wit kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type (5 cm hoog op
4,5 cm breed) zal thermogekleefd worden op de
linker borstzak (zie fig. 2a-2b).
De schouderstukken en kleppen van borstzakken
sluiten met drukknopen.
In de taille zijn er 4 passanten van 9 cm waarin
de koppel kan gedragen worden.
2 zijzakken in de broek.
De sluiting gebeurt door middel van drukknopen of
een ritssluiting.
shoes".
2° Sokken : Kleur : donkerblauw (RAL 5004).
3° Overal Donkerblauw (RAL 5004)(polyester/katoen) met op de
(zie fig. 15) : rug de vermelding Politie, Police of Polizei in
witte letters op koningsblauwe fluorescerende
achtergrond.
Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de
vermeldingen
Politie, Police en Police
Police, Politie Polizei
overeenkomstig de wetten op het gebruik van de
talen in bestuurszaken, gecoordineerd door het
koninklijk besluit van 18 juli 1966, aangebracht
worden.
Het wit kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type (5 cm hoog op
4,5 cm breed) zal thermogekleefd worden op de
linker borstzak (zie fig. 2a-2b).
De schouderstukken en kleppen van borstzakken
sluiten met drukknopen.
In de taille zijn er 4 passanten van 9 cm waarin
de koppel kan gedragen worden.
2 zijzakken in de broek.
De sluiting gebeurt door middel van drukknopen of
een ritssluiting.
1° Chaussures : A haute tige du type "combat shoes".
2° Chaussettes : De teinte bleu fonce (RAL 5004).
3° Salopette (voir
fig. 15) : De teinte bleu fonce (RAL 5004)
(polyester/coton)avec la mention "Police, Politie,
Polizei" dans le dos, en lettres blanches sur fond
bleu roi fluorescent. Pour les communes de la Region
Bruxelles-Capitale et les communes a facilites,
les mentions Politie/Police, Police/Politie ou
Police/Polizei doivent être utilisees,
ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en
matiere administrative coordonnees par l'arrete royal
du 18/07/1966.
L'insigne de la police communale urbaine ou rurale
(5 cm de haut sur 4,5 cm de large) sera thermocolle en
blanc sur la poche de poitrine cote gauche (voir fig.
2a-2b). Les epaulettes et rabat de poches poitrine se
ferment avec des pressions. Dans la taille, 4 passants
de 9 cm permettant de porter le ceinturon. 2 poches
cotes dans le pantalon.
La fermeture se fait a l'aide de boutons-pression ou
d'une fermeture eclair.
4° T-shirt : De teinte bleu fonce (RAL 5004), col ras du cou et
manches courtes.
L'insigne en blanc de la police communale urbaine ou
rurale est brode, cote gauche, a hauteur de la poitrine
(voir fig. 1a-1b).
5° Chemise : Celle de la tenue ordinaire.
6° Pull : Celui de la tenue ordinaire.
7° Passants
d'epaules : Voir description a l'annexe 5.
8° Col roule : Celui de la tenue ordinaire.
9° Parka : Celui de la tenue ordinaire.
10° Gants : Ceux de la tenue ordinaire.
11° Calot : Ce couvre chef est reserve au personnel de police
en action.
12° Casquette : Voir description en annexe 2.
13° Training
(facultatif) : Sweat-shirt de couleur bleu fonce (RAL 5004), une
de bleu roi, de 25 mm de large barrant la poitrine et
le haut des manches, insigne de la police communale de
type urbain ou rural, brode en blanc au dessus de la
bande bleu roi, a gauche plus ou moins 5 cm de haut sur
4,5 cm de large (voir fig. 1a-1b).
Pantalon de couleur bleu fonce (RAL 5004).
La couleur du sweat-shirt pour l'agent auxiliaire de
police est le bleu saphir (RAL 5003).
La bande barrant la poitrine et le haut des manches est
de couleur bleu fonce (RAL 5004).
L'insigne de la police communale de type urbain est
brode en blanc au dessus de la bande bleu fonce a
gauche plus ou moins 5 cm de haut sur 4,5 cm de large
(voir fig. 1a).
Le pantalon est également de couleur bleu saphir (RAL
5003) pour l'agent auxiliaire de police.
2° Chaussettes : De teinte bleu fonce (RAL 5004).
3° Salopette (voir
fig. 15) : De teinte bleu fonce (RAL 5004)
(polyester/coton)avec la mention "Police, Politie,
Polizei" dans le dos, en lettres blanches sur fond
bleu roi fluorescent. Pour les communes de la Region
Bruxelles-Capitale et les communes a facilites,
les mentions Politie/Police, Police/Politie ou
Police/Polizei doivent être utilisees,
ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en
matiere administrative coordonnees par l'arrete royal
du 18/07/1966.
L'insigne de la police communale urbaine ou rurale
(5 cm de haut sur 4,5 cm de large) sera thermocolle en
blanc sur la poche de poitrine cote gauche (voir fig.
2a-2b). Les epaulettes et rabat de poches poitrine se
ferment avec des pressions. Dans la taille, 4 passants
de 9 cm permettant de porter le ceinturon. 2 poches
cotes dans le pantalon.
La fermeture se fait a l'aide de boutons-pression ou
d'une fermeture eclair.
4° T-shirt : De teinte bleu fonce (RAL 5004), col ras du cou et
manches courtes.
L'insigne en blanc de la police communale urbaine ou
rurale est brode, cote gauche, a hauteur de la poitrine
(voir fig. 1a-1b).
5° Chemise : Celle de la tenue ordinaire.
6° Pull : Celui de la tenue ordinaire.
7° Passants
d'epaules : Voir description a l'annexe 5.
8° Col roule : Celui de la tenue ordinaire.
9° Parka : Celui de la tenue ordinaire.
10° Gants : Ceux de la tenue ordinaire.
11° Calot : Ce couvre chef est reserve au personnel de police
en action.
12° Casquette : Voir description en annexe 2.
13° Training
(facultatif) : Sweat-shirt de couleur bleu fonce (RAL 5004), une
de bleu roi, de 25 mm de large barrant la poitrine et
le haut des manches, insigne de la police communale de
type urbain ou rural, brode en blanc au dessus de la
bande bleu roi, a gauche plus ou moins 5 cm de haut sur
4,5 cm de large (voir fig. 1a-1b).
Pantalon de couleur bleu fonce (RAL 5004).
La couleur du sweat-shirt pour l'agent auxiliaire de
police est le bleu saphir (RAL 5003).
La bande barrant la poitrine et le haut des manches est
de couleur bleu fonce (RAL 5004).
L'insigne de la police communale de type urbain est
brode en blanc au dessus de la bande bleu fonce a
gauche plus ou moins 5 cm de haut sur 4,5 cm de large
(voir fig. 1a).
Le pantalon est également de couleur bleu saphir (RAL
5003) pour l'agent auxiliaire de police.
4° T-shirt : Donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type wordt op de
linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig.
1a - 1b).
5° Hemd : Dat van het gewoon tenue.
6° Pull : Die van het gewoon tenue.
7° Schouderpassanten : Zie beschrijving in bijlage 5.
8° Rolkraag : Die van het gewoon tenue.
9° Parka : Die van het gewoon tenue.
10° Handschoenen : Die van het gewoon tenue.
11° Politiemuts : Dit hoofddeksel is voorbehouden aan het
politiepersoneel in opleiding.
12° Pet : Zie beschrijving in bijlage 2.
13° Training De sweat-shirt is van donkerblauwe kleur
(facultatief) : (RAL 5004), met een koningsblauwe band, van 25 mm
breed doorlopend over de borst en de
bovenkant van de mouwen, wit geborduurd kenteken
van de gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type aangebracht aan (de linkerkant
boven de band, 5 cm hoog en 4,5 cm breed (zie
fig. 1a-1b) De broek is van donkerblauwe kleur
(RAL 5004).
De kleur van de sweatshirt voor de hulpagent van
politie is saffierblauw (RAL 5003), met een
donkerblauwe band (RAL 5004) doorlopend over de
borst en de bovenkant van de mouwen, wit geborduurd
kenteken van de gemeentelijke politie van het
stedelijke type aangebracht aan de linkerkant
boven de band, +/-5 cm hoog en 4,5 cm breed
(zie fig. 1a).
De broek is van saffierblauwe kleur (RAL 5003)
voor de hulpagent van politie.
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het
stedelijke of het landelijke type wordt op de
linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig.
1a - 1b).
5° Hemd : Dat van het gewoon tenue.
6° Pull : Die van het gewoon tenue.
7° Schouderpassanten : Zie beschrijving in bijlage 5.
8° Rolkraag : Die van het gewoon tenue.
9° Parka : Die van het gewoon tenue.
10° Handschoenen : Die van het gewoon tenue.
11° Politiemuts : Dit hoofddeksel is voorbehouden aan het
politiepersoneel in opleiding.
12° Pet : Zie beschrijving in bijlage 2.
13° Training De sweat-shirt is van donkerblauwe kleur
(facultatief) : (RAL 5004), met een koningsblauwe band, van 25 mm
breed doorlopend over de borst en de
bovenkant van de mouwen, wit geborduurd kenteken
van de gemeentepolitie van het stedelijke of het
landelijke type aangebracht aan (de linkerkant
boven de band, 5 cm hoog en 4,5 cm breed (zie
fig. 1a-1b) De broek is van donkerblauwe kleur
(RAL 5004).
De kleur van de sweatshirt voor de hulpagent van
politie is saffierblauw (RAL 5003), met een
donkerblauwe band (RAL 5004) doorlopend over de
borst en de bovenkant van de mouwen, wit geborduurd
kenteken van de gemeentelijke politie van het
stedelijke type aangebracht aan de linkerkant
boven de band, +/-5 cm hoog en 4,5 cm breed
(zie fig. 1a).
De broek is van saffierblauwe kleur (RAL 5003)
voor de hulpagent van politie.
-
Art. 6N4. VI. Technische beschrijving van het motorrijderstenue
A. De zwarte lederen blouson
1. De lengte van de blouson wordt bepaald bij zithouding derwijze dat de blouson vooraan de dijen scheerlings raakt.
De blouson is verstevigd aan de rug, de schouders en de ellebogen.
2. Op de voorkant van de blouson is een horizontale band in dun leder aangebracht die de ritssluiting van de ingewerkte borstzak bedekt en dienst doet als windvanger. Behalve de ingewerkte borstzak is eveneens een binnenzak voorzien.
3. De kraag is rechtopstaand (officierenkraag) met aan de binnenzijde een lederen lapje dat de twee boorden samenhoudt.
4. De kraag heeft aan de voorzijde schildplaatjes in koningsblauw leder waarop het kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type is aangebracht (zie fig. 1a-1b).
5. Het gemeentekenteken is, uit veiligheidsoverwegingen, vervaardigd uit synthetisch materiaal of leder en wordt op de rechterkant van de borst gestikt.
6. Bijzondere beschrijvingen :
a) De sluiting : ritssluiting waarover een windvanger in leder is aangebracht die boven en onder gesloten wordt met klitteband.
b) De mouwen : de ellebogen zijn verstevigd met ingewerkt schuimrubber en stiksels. De pols wordt nauw afgesloten met een rits met windvanger in dun leder. De rits is aan de binnenzijde van de mouw aangebracht.
c) De schouders : de bescherming van schuimrubber is ingewerkt door middel van stiksels in een stuk wit leder dat loopt van de mouw tot aan de kraag.
d) De schouderstukken : in koningsblauw leder met wit leder afgeboord. De gradenkentekens worden hierop in wit leder genaaid. Een platte knoop van verchroomd metaal waarin de "Belgische leeuw" geslagen is-, is aangebracht op 2 cm van de punt van het schouderstuk.
e) De rug : is langer dan de voorkant. Hij eindigt in een verzwaarde niergordel die zoals de ellebogen en de schouders verstevigd is met ingewerkt schuimrubber en die wit van kleur is.
B. De zwarte lederen broek
1. Het betreft een broek met een verhoogde taille met lederen borststuk waaraan de gespen voor de verstelbare, lederen bretellen die eindigen op een elastisch stuk aan de rug, bevestigd zijn.
2. Bijzondere beschrijvingen :
a) De broekspijpen : omsluiten nauw de benen en glijden in de laarzen. Ter hoogte van de kuit wordt een rekbaar stuk ingebracht om het opzwellen van de benen te vermijden.
Onderaan de broekspijp is een elastische band aangebracht die het naar boven schuiven van de broekspijp bij het aantrekken van de laarzen verhindert. Onderaan op de buitenzijde van de broek is een ritssluiting voorzien. In de verlenging van deze ritssluiting is een lederen band van 3 cm breedte aangebracht in koningsblauw leder en die loopt over de volledige lengte van de pijpen.
b) De knie : het leder van het voorste kniestuk is, door een speciale wijze van stikken elastisch gemaakt.
c) De sluiting : aan de voorkant door een centraal geplaatste ritssluiting met mogelijke opening onder- en bovenaan.
d) De zakken : twee op normale hoogte geplaatste zakken afgesloten met een ritssluiting en afgeboord met koningsblauw leder.
e) De passanten : acht passanten aangebracht in de taille, om de koppel uit wit leder op zijn plaats te houden.
C. Mouwloos vest
Zie beschrijving van het mouwloos vest van het tenue voor de verkeersopdrachten.
D. De laarzen
De laarzen zijn van het vliegenierstype met :
1. een opening aan de buitenkant van het been door middel van een ritssluiting, van de knie naar de voet en bedekt met een klep die sluit met klitteband;
2. een antislip-zool;
3. een versterking aan de buitenkant van het binnengedeelte van de voet:
4. twee sluitgespen aan de zijkant, één bovenaan en één onderaan:
5. een reflecterende velcro van 2 cm achteraan over de volledige lengte van de laars.
Een supplementair veiligheidsstuk. een elastisch stuk dat samentrekt ter hoogte van de knie, is facultatief.
E. De handschoenen
1. De handschoenen moeten bescherming bieden tegen koude en tegen opspringende steentjes en soepel blijven.
2. Ze zijn van wit of zwart leder met witte reflecterende manchetten in vinyl, versterkt aan de geledingen.
F. De helm
1. De helm dient een maximum aan bescherming en comfort te bieden.
2. Het vizier, dat een goed zicht moet toelaten, moet kunnen opgeklapt worden zodat het volledig aangezicht vrijkomt zonder dat de helm daarvoor dient afgenomen te worden.
Het binnenwerk dient windgeruis en tocht tot een minimum te beperken.
4. De mogelijkheid moet bestaan om een radioverbinding in te bouwen.
5. De helm is van witte kleur (RAL 1013) met rondom de basis een blauwe reflecterende band van ongeveer 3 cm die vooraan op de plaats van het kenteken van de gemeentepolitie (zie fig. 1a- 1b) van het stedelijke of het landelijke type iets naar boven uitloopt.
G. De pet
Zie beschrijving van de pet in bijlage 2.
H Regenkledij
1. De regenkledij wordt gedragen boven het normale motortenue en bestaat uit een ééndelig pak in waterafstotende moeilijk ontvlambare en luchtdoorlatende stof. Alle naden dienen gelast te zijn.
2. De wapens worden zichtbaar gedragen aan een witte koppel.
3. Het pak wordt vooraan gesloten door middel van een rits die begint van aan de onderkant van elk van de broekspijpen en die loopt tot aan de hals.
4. Elk van beide ritsen worden over de gehele lengte bedekt door een sluiting bestaande uit een verticale klep (windvanger) die gesloten wordt door middel van een klitteband.
5. Vanaf de gulp tot aan de kraag kunnen beide kleppen gesloten worden door middel van een supplementaire ritssluiting.
6. Bijzondere beschrijvingen :
a) Het bovenstuk : is van oranje fluorescerende kleur tot aan de lenden. Een horizontale witte reflecterende band van ongeveer 3 cm breedte scheidt het bovenstuk van het pak van het broekgedeelte. Deze band loopt volledig rondom het pak.
b) De voorzijde : zoals hiervoor beschreven kan de voorkant gesloten worden door een ritssluiting.
Op de borst loopt een witte reflecterende horizontale band van ongeveer 3 cm breedte. Daaronder, op de rechterborstkant is een doorzichtige borstzak aangebracht van 10 tot 11 cm hoogte en 9 cm breedte, volledig vastgestikt en met een opening aan de binnenkant van het pak om er het gemeentekenteken te kunnen insteken.
c) De rugzijde : op de rugzijde is een overkapping (plat stuk) aangebracht ter hoogte van de schouders met een ingewerkt verluchtingsvenster onder de overkapping. Op de rugzijde, onder de benedenrand van de overkapping, is naargelang het taalgebied het woord Politie, Police of Polizei aangebracht in witte reflecterende letters. Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen:
A. De zwarte lederen blouson
1. De lengte van de blouson wordt bepaald bij zithouding derwijze dat de blouson vooraan de dijen scheerlings raakt.
De blouson is verstevigd aan de rug, de schouders en de ellebogen.
2. Op de voorkant van de blouson is een horizontale band in dun leder aangebracht die de ritssluiting van de ingewerkte borstzak bedekt en dienst doet als windvanger. Behalve de ingewerkte borstzak is eveneens een binnenzak voorzien.
3. De kraag is rechtopstaand (officierenkraag) met aan de binnenzijde een lederen lapje dat de twee boorden samenhoudt.
4. De kraag heeft aan de voorzijde schildplaatjes in koningsblauw leder waarop het kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type is aangebracht (zie fig. 1a-1b).
5. Het gemeentekenteken is, uit veiligheidsoverwegingen, vervaardigd uit synthetisch materiaal of leder en wordt op de rechterkant van de borst gestikt.
6. Bijzondere beschrijvingen :
a) De sluiting : ritssluiting waarover een windvanger in leder is aangebracht die boven en onder gesloten wordt met klitteband.
b) De mouwen : de ellebogen zijn verstevigd met ingewerkt schuimrubber en stiksels. De pols wordt nauw afgesloten met een rits met windvanger in dun leder. De rits is aan de binnenzijde van de mouw aangebracht.
c) De schouders : de bescherming van schuimrubber is ingewerkt door middel van stiksels in een stuk wit leder dat loopt van de mouw tot aan de kraag.
d) De schouderstukken : in koningsblauw leder met wit leder afgeboord. De gradenkentekens worden hierop in wit leder genaaid. Een platte knoop van verchroomd metaal waarin de "Belgische leeuw" geslagen is-, is aangebracht op 2 cm van de punt van het schouderstuk.
e) De rug : is langer dan de voorkant. Hij eindigt in een verzwaarde niergordel die zoals de ellebogen en de schouders verstevigd is met ingewerkt schuimrubber en die wit van kleur is.
B. De zwarte lederen broek
1. Het betreft een broek met een verhoogde taille met lederen borststuk waaraan de gespen voor de verstelbare, lederen bretellen die eindigen op een elastisch stuk aan de rug, bevestigd zijn.
2. Bijzondere beschrijvingen :
a) De broekspijpen : omsluiten nauw de benen en glijden in de laarzen. Ter hoogte van de kuit wordt een rekbaar stuk ingebracht om het opzwellen van de benen te vermijden.
Onderaan de broekspijp is een elastische band aangebracht die het naar boven schuiven van de broekspijp bij het aantrekken van de laarzen verhindert. Onderaan op de buitenzijde van de broek is een ritssluiting voorzien. In de verlenging van deze ritssluiting is een lederen band van 3 cm breedte aangebracht in koningsblauw leder en die loopt over de volledige lengte van de pijpen.
b) De knie : het leder van het voorste kniestuk is, door een speciale wijze van stikken elastisch gemaakt.
c) De sluiting : aan de voorkant door een centraal geplaatste ritssluiting met mogelijke opening onder- en bovenaan.
d) De zakken : twee op normale hoogte geplaatste zakken afgesloten met een ritssluiting en afgeboord met koningsblauw leder.
e) De passanten : acht passanten aangebracht in de taille, om de koppel uit wit leder op zijn plaats te houden.
C. Mouwloos vest
Zie beschrijving van het mouwloos vest van het tenue voor de verkeersopdrachten.
D. De laarzen
De laarzen zijn van het vliegenierstype met :
1. een opening aan de buitenkant van het been door middel van een ritssluiting, van de knie naar de voet en bedekt met een klep die sluit met klitteband;
2. een antislip-zool;
3. een versterking aan de buitenkant van het binnengedeelte van de voet:
4. twee sluitgespen aan de zijkant, één bovenaan en één onderaan:
5. een reflecterende velcro van 2 cm achteraan over de volledige lengte van de laars.
Een supplementair veiligheidsstuk. een elastisch stuk dat samentrekt ter hoogte van de knie, is facultatief.
E. De handschoenen
1. De handschoenen moeten bescherming bieden tegen koude en tegen opspringende steentjes en soepel blijven.
2. Ze zijn van wit of zwart leder met witte reflecterende manchetten in vinyl, versterkt aan de geledingen.
F. De helm
1. De helm dient een maximum aan bescherming en comfort te bieden.
2. Het vizier, dat een goed zicht moet toelaten, moet kunnen opgeklapt worden zodat het volledig aangezicht vrijkomt zonder dat de helm daarvoor dient afgenomen te worden.
Het binnenwerk dient windgeruis en tocht tot een minimum te beperken.
4. De mogelijkheid moet bestaan om een radioverbinding in te bouwen.
5. De helm is van witte kleur (RAL 1013) met rondom de basis een blauwe reflecterende band van ongeveer 3 cm die vooraan op de plaats van het kenteken van de gemeentepolitie (zie fig. 1a- 1b) van het stedelijke of het landelijke type iets naar boven uitloopt.
G. De pet
Zie beschrijving van de pet in bijlage 2.
H Regenkledij
1. De regenkledij wordt gedragen boven het normale motortenue en bestaat uit een ééndelig pak in waterafstotende moeilijk ontvlambare en luchtdoorlatende stof. Alle naden dienen gelast te zijn.
2. De wapens worden zichtbaar gedragen aan een witte koppel.
3. Het pak wordt vooraan gesloten door middel van een rits die begint van aan de onderkant van elk van de broekspijpen en die loopt tot aan de hals.
4. Elk van beide ritsen worden over de gehele lengte bedekt door een sluiting bestaande uit een verticale klep (windvanger) die gesloten wordt door middel van een klitteband.
5. Vanaf de gulp tot aan de kraag kunnen beide kleppen gesloten worden door middel van een supplementaire ritssluiting.
6. Bijzondere beschrijvingen :
a) Het bovenstuk : is van oranje fluorescerende kleur tot aan de lenden. Een horizontale witte reflecterende band van ongeveer 3 cm breedte scheidt het bovenstuk van het pak van het broekgedeelte. Deze band loopt volledig rondom het pak.
b) De voorzijde : zoals hiervoor beschreven kan de voorkant gesloten worden door een ritssluiting.
Op de borst loopt een witte reflecterende horizontale band van ongeveer 3 cm breedte. Daaronder, op de rechterborstkant is een doorzichtige borstzak aangebracht van 10 tot 11 cm hoogte en 9 cm breedte, volledig vastgestikt en met een opening aan de binnenkant van het pak om er het gemeentekenteken te kunnen insteken.
c) De rugzijde : op de rugzijde is een overkapping (plat stuk) aangebracht ter hoogte van de schouders met een ingewerkt verluchtingsvenster onder de overkapping. Op de rugzijde, onder de benedenrand van de overkapping, is naargelang het taalgebied het woord Politie, Police of Polizei aangebracht in witte reflecterende letters. Voor de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten met faciliteiten moeten de vermeldingen:
Art. 6N4. VI. Notice descriptive technique de la tenue de motocyclistes.
A. Le blouson en cuir noir :
1. La longueur du blouson noir est déterminée en position assise de manière à ce que le blouson arrive devant à ras des cuisses. Le blouson est renforcé par une protection dans le dos, aux épaules et aux coudes.
2. Une bande de fin cuir est appliquée horizontalement sur le devant du blouson. Elle recouvre la fermeture éclair de la poche de poitrine appliquée, et sert de coupe-vent. Outre cette poche de poitrine, une poche intérieure est également prévue.
3. Le col du blouson est droit (col officier) ; une languette de cuir fixée à l'intérieur du col doit permettre de fermer les deux bords.
4. Sur le devant du col se placent les écussons en cuir bleu roi sur lesquels se trouve l'insigne de la police communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
5. L'insigne distinctif de la commune est pour des raisons de sécurité en matière synthétique ou en cuir, il est piqué sur la poitrine, à droite.
6. Descriptions particulières :
a) La fermeture : éclair sur laquelle est appliquée une bande de cuir faisant office de coupe-vent se fermant au-dessus et dessous au moyen de bande auto-agrippante.
b) Les manches : les coudes sont renforcés par de la mousse incorporée et piquée. Le poignet est étroitement fermé au moyen d'une fermeture éclair, équipée d'une bande de fin cuir faisant office de coupe-vent. Cette fermeture eclair est cousue à l'intérieur de la manche.
c) Les épaules : la protection en mousse est travaillée au moyen de piqûres dans une pièce de couleur blanche qui va de la manche jusqu'au col.
d) Les épaulettes : en cuir bleu roi passepoilées de blanc. Les insignes de grade y sont cousus en cuir blanc.
Un bouton plat en métal chromé frappé du lion belge y est appliqué à 2 cm de la pointe du passant.
e) Le dos : plus long que le devant, il est achevé par une épaisse ceinture à hauteur des reins, qui comme pour les coudes et les épaules est renforcée par l'incorporation de mousse et est de couleur blanche.
B. Le pantalon en cuir :
1. Le modèle est un pantalon noir dont la taille est prolongée vers la poitrine par un corselet en cuir où sont appliquées des boucles pour des bretelles en cuir, reglables, qui rejoignent par une pièce élastique la pièce dorsale en cuir.
2. Descriptions particulières :
a) Les jambes du pantalon : elles serrent aux jambes et se glissent dans les bottes. A hauteur du mollet est appliquée une pièce extensible en vue d'éviter que les jambes ne gonflent trop.
Un ruban élastique est placé dans le bas du pantalon afin que celui-ci ne remonte pas en enfilant les bottes.
Le bas du pantalon est formé par une fermeture éclair sur le côté extérieur des jambes, dans le prolongement de celle-ci est appliquée une bande de cuir bleu roi de 3 cm de large et ce sur toute la hauteur du pantalon.
b) Le genou : élastification du cuir de la partie du genou en le piquant d'une façon particulière.
c) La fermeture : devant par une fermeture éclair placée au centre avec ouverture possible en haut et en bas.
d) Les poches : deux poches placées à hauteur normale, fermées par fermeture éclair et passepoilées de cuir bleu roi.
e) Les passants : huit passants appliqués dans la taille destinés à maintenir le ceinturon en cuir blanc.
C. Gilet :
Voir description du gilet de la tenue de régulation de circulation.
D. Les bottes :
Les bottes sont du modèle aviateur avec :
1. une ouverture par fermeture éclair sur le côté extérieur de la jambe, du genou au pied recouverte d'une partie en bande auto-agrippante ;
2. des semelles antidérapantes ;
3. un renforcement du côté extérieur de la partie intérieure du pied ;
4. deux boucles de fermeture sur le côté l'une au-dessus, l'autre en-dessous ;
5. une bande velcro réfléchissante de deux cm placée au milieu de la partie arrière de la botte allant du haut du talon jusqu'à l'extrémité de la botte.
Pour une sécurité accrue, une pièce élastique qui maintient le genou est facultative.
E. Les gants :
1. Les gants doivent protéger contre le froid et la projection de gravier, et rester souples.
2. Ils sont en cuir blanc ou noir avec des manchettes réfléchissantes en vinyle blanc renforcées aux jointure.
F. Le casque :
1. Le casque doit offrir le maximum de protection et de confort.
2. La visière doit permettre une bonne visibilité et pouvoir être enlevée ou deplacée de manière à découvrir le visage sans devoir enlever le casque.
3. Le revêtement intérieur doit réduire aux maximum les bruits du vent et le courant d'air.
4. Doit permettre d'incorporer une liaison radio.
5. Le casque doit être de couleur blanche (RAL 1013).
A sa base doit être appliquée une bande bleue réfléchissante d'environ 3 cm qui à l'avant doit remonter à l'endroit de l'emplacement de l'insigne distinctif de la police communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
G. La casquette :
Voir description de la casquette en annexe 2.
H. Tenue de pluie :
1. La tenue de pluie se porte au-dessus de la tenue normale du motocycliste et se compose d'une combinaison d'une pièce en étoffe hydrofuge, difficilement inflammable et permeable à l'air.
Toutes les coutures doivent être soudées.
2. Les armes sont portées de façon visible à un ceinturon blanc.
3. La combinaison se ferme à l'avant au moyen d'une fermeture éclair qui part du bas de chacune des jambes du pantalon et qui se prolonge jusqu'au cou.
4. Chacune des deux fermetures est recouverte sur toute sa longueur d'une fermeture composée d'une patte verticale (coupe-vent) qui se ferme au moyen d'une bande auto-agrippante.
5. De la braguette jusqu'au col, les deux pattes peuvent être fermées au moyen d'une fermeture éclair supplémentaire 6. Descriptions particulières :
a) La partie supérieure : est de couleur orange fluorescente jusqu'aux hanches. Une bande horizontale blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur sépare la partie supérieure de la tenue de la partie pantalon.
Cette bande entoure complètement la combinaison.
b) La partie avant : ainsi que décrit ci-dessus la partie avant peut être fermée par une fermeture éclair.
Sur la poitrine figure une bande horizontale blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur. En dessous du côté droit de la poitrine est appliquée une poche pectorale transparente de 10 à 11 cm de hauteur et de 9 cm de largeur, complètement piquée et munie d'une ouverture sur la face intérieure de la combinaison pour pouvoir y fixer l'insigne distinctif communal.
c) La partie dorsale : sur la partie dorsale est appliqué, à hauteur des epaules, un rabat (pièce plate) pourvu d'une fenêtre d'aération amenagée en dessous de ce rabat.
Sur la partie dorsale en dessous du bord inférieur du rabat est inscrit, suivant la région linguistique, le mot police, politie, polizei en lettres blanches réfléchissantes.
Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
A. Le blouson en cuir noir :
1. La longueur du blouson noir est déterminée en position assise de manière à ce que le blouson arrive devant à ras des cuisses. Le blouson est renforcé par une protection dans le dos, aux épaules et aux coudes.
2. Une bande de fin cuir est appliquée horizontalement sur le devant du blouson. Elle recouvre la fermeture éclair de la poche de poitrine appliquée, et sert de coupe-vent. Outre cette poche de poitrine, une poche intérieure est également prévue.
3. Le col du blouson est droit (col officier) ; une languette de cuir fixée à l'intérieur du col doit permettre de fermer les deux bords.
4. Sur le devant du col se placent les écussons en cuir bleu roi sur lesquels se trouve l'insigne de la police communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
5. L'insigne distinctif de la commune est pour des raisons de sécurité en matière synthétique ou en cuir, il est piqué sur la poitrine, à droite.
6. Descriptions particulières :
a) La fermeture : éclair sur laquelle est appliquée une bande de cuir faisant office de coupe-vent se fermant au-dessus et dessous au moyen de bande auto-agrippante.
b) Les manches : les coudes sont renforcés par de la mousse incorporée et piquée. Le poignet est étroitement fermé au moyen d'une fermeture éclair, équipée d'une bande de fin cuir faisant office de coupe-vent. Cette fermeture eclair est cousue à l'intérieur de la manche.
c) Les épaules : la protection en mousse est travaillée au moyen de piqûres dans une pièce de couleur blanche qui va de la manche jusqu'au col.
d) Les épaulettes : en cuir bleu roi passepoilées de blanc. Les insignes de grade y sont cousus en cuir blanc.
Un bouton plat en métal chromé frappé du lion belge y est appliqué à 2 cm de la pointe du passant.
e) Le dos : plus long que le devant, il est achevé par une épaisse ceinture à hauteur des reins, qui comme pour les coudes et les épaules est renforcée par l'incorporation de mousse et est de couleur blanche.
B. Le pantalon en cuir :
1. Le modèle est un pantalon noir dont la taille est prolongée vers la poitrine par un corselet en cuir où sont appliquées des boucles pour des bretelles en cuir, reglables, qui rejoignent par une pièce élastique la pièce dorsale en cuir.
2. Descriptions particulières :
a) Les jambes du pantalon : elles serrent aux jambes et se glissent dans les bottes. A hauteur du mollet est appliquée une pièce extensible en vue d'éviter que les jambes ne gonflent trop.
Un ruban élastique est placé dans le bas du pantalon afin que celui-ci ne remonte pas en enfilant les bottes.
Le bas du pantalon est formé par une fermeture éclair sur le côté extérieur des jambes, dans le prolongement de celle-ci est appliquée une bande de cuir bleu roi de 3 cm de large et ce sur toute la hauteur du pantalon.
b) Le genou : élastification du cuir de la partie du genou en le piquant d'une façon particulière.
c) La fermeture : devant par une fermeture éclair placée au centre avec ouverture possible en haut et en bas.
d) Les poches : deux poches placées à hauteur normale, fermées par fermeture éclair et passepoilées de cuir bleu roi.
e) Les passants : huit passants appliqués dans la taille destinés à maintenir le ceinturon en cuir blanc.
C. Gilet :
Voir description du gilet de la tenue de régulation de circulation.
D. Les bottes :
Les bottes sont du modèle aviateur avec :
1. une ouverture par fermeture éclair sur le côté extérieur de la jambe, du genou au pied recouverte d'une partie en bande auto-agrippante ;
2. des semelles antidérapantes ;
3. un renforcement du côté extérieur de la partie intérieure du pied ;
4. deux boucles de fermeture sur le côté l'une au-dessus, l'autre en-dessous ;
5. une bande velcro réfléchissante de deux cm placée au milieu de la partie arrière de la botte allant du haut du talon jusqu'à l'extrémité de la botte.
Pour une sécurité accrue, une pièce élastique qui maintient le genou est facultative.
E. Les gants :
1. Les gants doivent protéger contre le froid et la projection de gravier, et rester souples.
2. Ils sont en cuir blanc ou noir avec des manchettes réfléchissantes en vinyle blanc renforcées aux jointure.
F. Le casque :
1. Le casque doit offrir le maximum de protection et de confort.
2. La visière doit permettre une bonne visibilité et pouvoir être enlevée ou deplacée de manière à découvrir le visage sans devoir enlever le casque.
3. Le revêtement intérieur doit réduire aux maximum les bruits du vent et le courant d'air.
4. Doit permettre d'incorporer une liaison radio.
5. Le casque doit être de couleur blanche (RAL 1013).
A sa base doit être appliquée une bande bleue réfléchissante d'environ 3 cm qui à l'avant doit remonter à l'endroit de l'emplacement de l'insigne distinctif de la police communale urbaine ou rurale (voir fig. 1a-1b).
G. La casquette :
Voir description de la casquette en annexe 2.
H. Tenue de pluie :
1. La tenue de pluie se porte au-dessus de la tenue normale du motocycliste et se compose d'une combinaison d'une pièce en étoffe hydrofuge, difficilement inflammable et permeable à l'air.
Toutes les coutures doivent être soudées.
2. Les armes sont portées de façon visible à un ceinturon blanc.
3. La combinaison se ferme à l'avant au moyen d'une fermeture éclair qui part du bas de chacune des jambes du pantalon et qui se prolonge jusqu'au cou.
4. Chacune des deux fermetures est recouverte sur toute sa longueur d'une fermeture composée d'une patte verticale (coupe-vent) qui se ferme au moyen d'une bande auto-agrippante.
5. De la braguette jusqu'au col, les deux pattes peuvent être fermées au moyen d'une fermeture éclair supplémentaire 6. Descriptions particulières :
a) La partie supérieure : est de couleur orange fluorescente jusqu'aux hanches. Une bande horizontale blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur sépare la partie supérieure de la tenue de la partie pantalon.
Cette bande entoure complètement la combinaison.
b) La partie avant : ainsi que décrit ci-dessus la partie avant peut être fermée par une fermeture éclair.
Sur la poitrine figure une bande horizontale blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur. En dessous du côté droit de la poitrine est appliquée une poche pectorale transparente de 10 à 11 cm de hauteur et de 9 cm de largeur, complètement piquée et munie d'une ouverture sur la face intérieure de la combinaison pour pouvoir y fixer l'insigne distinctif communal.
c) La partie dorsale : sur la partie dorsale est appliqué, à hauteur des epaules, un rabat (pièce plate) pourvu d'une fenêtre d'aération amenagée en dessous de ce rabat.
Sur la partie dorsale en dessous du bord inférieur du rabat est inscrit, suivant la région linguistique, le mot police, politie, polizei en lettres blanches réfléchissantes.
Pour les communes de la Région Bruxelles-Capitale et les communes à facilités,
Politie, Police of Police
Police Politie Polizei
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd door het koninklijk besluit van 18 juli 1966.
Police Politie Polizei
gebruikt worden, overeenkomstig de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd door het koninklijk besluit van 18 juli 1966.
les mentions Police ou Politie ou Police
Modifications
Politie Police Polizei
d) De kraag : Rechtopstaand, officierskraag.
Zwart.
Binnenkant in ribfluweel.
Sluiting met klitteband.
Voorzien van een lusje om het pak te kunnen ophangen.
e) De mouwen : de binnenzijnaad van elke mouw is onderaan afgewerkt met een ritssluiting om de opening te kunnen vergroten. Onder deze rits bevindt zich een dubbele plooi in dezelfde materie als die van het pak.
Onderaan elke mouw is eveneens een klepje aangebracht waardoor men de mouw kan versmallen door middel van een klittebandsysteem.
Op de buitenzijnaad van elke mouw bevindt zich een reflecterende witte .streep van ongeveer 3 cm breedte.
f) De schouders : op de schouders. bevinden zich dubbele zwarte schouderstukken om schouderpassanten voorzien van de graden op vast te hechten.
g) De broek :
- Op de voorkant van beide broekspijpen, boven de knie is een zak aangebracht met een lengte van ongeveer 24 cm en een breedte van ongeveer 20 cm, gesloten door middel van een klep met klitteband.
- De onderkant van de broekspijpen kan versmald worden door middel van een klepje dat sluit met klitteband.
- Op de zijnaad van de broekspijpen bevindt zich een reflecterende strip van 3 cm breedte die loopt van onderaan de broekspijpen tot aan de horizontale reflecterende strip in de taille. Het broeksgedeelte van het pak is van zwarte kleur.
h) T-shirt
Donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Zwart.
Binnenkant in ribfluweel.
Sluiting met klitteband.
Voorzien van een lusje om het pak te kunnen ophangen.
e) De mouwen : de binnenzijnaad van elke mouw is onderaan afgewerkt met een ritssluiting om de opening te kunnen vergroten. Onder deze rits bevindt zich een dubbele plooi in dezelfde materie als die van het pak.
Onderaan elke mouw is eveneens een klepje aangebracht waardoor men de mouw kan versmallen door middel van een klittebandsysteem.
Op de buitenzijnaad van elke mouw bevindt zich een reflecterende witte .streep van ongeveer 3 cm breedte.
f) De schouders : op de schouders. bevinden zich dubbele zwarte schouderstukken om schouderpassanten voorzien van de graden op vast te hechten.
g) De broek :
- Op de voorkant van beide broekspijpen, boven de knie is een zak aangebracht met een lengte van ongeveer 24 cm en een breedte van ongeveer 20 cm, gesloten door middel van een klep met klitteband.
- De onderkant van de broekspijpen kan versmald worden door middel van een klepje dat sluit met klitteband.
- Op de zijnaad van de broekspijpen bevindt zich een reflecterende strip van 3 cm breedte die loopt van onderaan de broekspijpen tot aan de horizontale reflecterende strip in de taille. Het broeksgedeelte van het pak is van zwarte kleur.
h) T-shirt
Donkerblauw (RAL 5004).
Korte mouwen en ronde hals.
Wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke of het landelijke type wordt op de linkerzijde van de borst geborduurd (zie fig. 1a-1b).
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
doivent être utilisées, ceci conformément aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966.
-
d) Le col : droit, du type officier.
De couleur noire.
Face interieure en velours cotele.
Fermeture a bande auto-agrippante.
Muni d'une attache pour pouvoir suspendre la
combinaison.
De couleur noire.
Face interieure en velours cotele.
Fermeture a bande auto-agrippante.
Muni d'une attache pour pouvoir suspendre la
combinaison.
-
e) Les manches : la couture laterale intérieure de chaque manche comporte à son extrémité une fermeture éclair pour pouvoir agrandir l'ouverture. En-dessous de cette glissière figure un double pli dans la même matière que la combinaison.
Au bas de chaque manche est également appliquée une languette permettant de rétrécir la manche au moyen d'un système de bande auto-agrippante. Sur la couture latérale extérieure de chaque manche se trouve une bande blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur.
f) Les épaules : sur les épaules se trouvent des épaulettes doubles de couleur noire pour y fixer des passants indiquant les grades.
g) Le pantalon :
- Sur la face avant des deux jambes du pantalon, au-dessus du genou, est appliquée une poche d'environ 24 cm de hauteur et de 20 cm de largeur, fermée au moyen d'une patte à bande auto-agrippante.
- Les parties intérieures des jambes du pantalon peuvent être rétrécies au moyen d'une languette se fermant par une bande auto-agrippante.
- Sur la couture latérale des jambes du pantalon se trouve une bande réfléchissante de 3 cm allant du bas des jambes du pantalon à la bande horizontale réfléchissante à la taille. La partie pantalon de la combinaison est de couleur noire.
I. T-shirt :
Bleu foncé (RAL 5004), col ras du cou et manches courtes.
L'insigne de couleur blanche de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côté gauche, à hauteur de la poitrine (voir fig. 1a-1b).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Au bas de chaque manche est également appliquée une languette permettant de rétrécir la manche au moyen d'un système de bande auto-agrippante. Sur la couture latérale extérieure de chaque manche se trouve une bande blanche réfléchissante d'environ 3 cm de hauteur.
f) Les épaules : sur les épaules se trouvent des épaulettes doubles de couleur noire pour y fixer des passants indiquant les grades.
g) Le pantalon :
- Sur la face avant des deux jambes du pantalon, au-dessus du genou, est appliquée une poche d'environ 24 cm de hauteur et de 20 cm de largeur, fermée au moyen d'une patte à bande auto-agrippante.
- Les parties intérieures des jambes du pantalon peuvent être rétrécies au moyen d'une languette se fermant par une bande auto-agrippante.
- Sur la couture latérale des jambes du pantalon se trouve une bande réfléchissante de 3 cm allant du bas des jambes du pantalon à la bande horizontale réfléchissante à la taille. La partie pantalon de la combinaison est de couleur noire.
I. T-shirt :
Bleu foncé (RAL 5004), col ras du cou et manches courtes.
L'insigne de couleur blanche de la police communale urbaine ou rurale est brodé, côté gauche, à hauteur de la poitrine (voir fig. 1a-1b).
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N5. Bijlage 5. De graden, de gradenkentekens en de bijzondere kentekens (zie fig. 3 t.e.m. 12). De leden van de gemeentepolitie zijn titularis van een van de graden en dragen één van de hierna vermelde gradenkentekens en bijzondere kentekens.
Art. N5. Annexe 5. Les grades, les insignes de grade et insignes particuliers (voir fig. 3 à 12).
Les membres de la police communale sont titulaires d'un des grades et portent un des insignes de grade et des insignes particuliers énumérés ci-après :
Les membres de la police communale sont titulaires d'un des grades et portent un des insignes de grade et des insignes particuliers énumérés ci-après :
2 Bijzondere kentekens
a) brevet OGP zilverkleurige Belgische
leeuw (20 mm op 18 mm) op
koningsblauwe achtergrond,
aangebracht op de
rechtermouw van de jekker,
tot de graad van
hoofdinspecteur van politie
inbegrepen of tot aan de
graad van veldwachter
inbegrepen;
b) houder van het brevet van zilverkleurige Belgische
politieofficier leeuw (20 mm op 18 mm) met
kroon op koningsblauwe
achtergrond, aangebracht
op de rechtermouw van de
jekker tot de graad van
hoofdinspecteur eerste
klasse inbegrepen of tot
aan de graad van
aangestelde veldwachter
inbegrepen;
c) hoedanigheid van OGP amarant bandje op het
schouderstuk voor de
inspecteur van politie,
hoofdinspecteur van politie
en de aangestelde
veldwachter.
d) houder van een universitair diploma zilverkleurige
lictorenbundel op
koningsblauwe achtergrond
(35 mm op 10 mm),
aangebracht op de
rechtermouw van de jekker.
e) korpschef (stedelijke en landelijke een zilverkleurige ster
politie) (25 mm) boven de punt van de
bies van de opslag van de
beide mouwen op
koningsblauwe achtergrond;
f) op de jekker mogen militaire en burgerlijke eretekens worden gedragen;
g) een metalen kenteken op lederen ondergrond met erop het wapenschild
van de gemeente wordt op de rechterborstzak gedragen.
a) brevet OGP zilverkleurige Belgische
leeuw (20 mm op 18 mm) op
koningsblauwe achtergrond,
aangebracht op de
rechtermouw van de jekker,
tot de graad van
hoofdinspecteur van politie
inbegrepen of tot aan de
graad van veldwachter
inbegrepen;
b) houder van het brevet van zilverkleurige Belgische
politieofficier leeuw (20 mm op 18 mm) met
kroon op koningsblauwe
achtergrond, aangebracht
op de rechtermouw van de
jekker tot de graad van
hoofdinspecteur eerste
klasse inbegrepen of tot
aan de graad van
aangestelde veldwachter
inbegrepen;
c) hoedanigheid van OGP amarant bandje op het
schouderstuk voor de
inspecteur van politie,
hoofdinspecteur van politie
en de aangestelde
veldwachter.
d) houder van een universitair diploma zilverkleurige
lictorenbundel op
koningsblauwe achtergrond
(35 mm op 10 mm),
aangebracht op de
rechtermouw van de jekker.
e) korpschef (stedelijke en landelijke een zilverkleurige ster
politie) (25 mm) boven de punt van de
bies van de opslag van de
beide mouwen op
koningsblauwe achtergrond;
f) op de jekker mogen militaire en burgerlijke eretekens worden gedragen;
g) een metalen kenteken op lederen ondergrond met erop het wapenschild
van de gemeente wordt op de rechterborstzak gedragen.
2 Insignes particuliers :
a) brevet d'OPJ : un lion belge argente sur fond bleu
roi (20 mm sur 18 mm) est appose sur
la manche droite de la vareuse,
jusqu'au grade d'inspecteur principal
de police inclus, ou jusqu'au grade
de garde champetre inclus.
b) detenteur du brevet d'officier
de police : un lion belge argente surmonte d'une
couronne sur fond bleu roi (20 mm sur
18 mm) est appose sur la manche droite
de la vareuse, jusqu'au grade
d'inspecteur principal de premiere
classe inclus, ou jusqu'au grade de
garde champetre commissionne inclus.
c) qualite d'OPJ : une bande amarante est apposee sur
les epaulettes pour l'inspecteur de
police, l'inspecteur principal de
police et le garde champetre
commissionne.
d) detenteur d'un diplome
universitaire : un faisceau de licteur argente sur fond
bleu roi (35 mm sur 10 mm) est appose
sur la manche droite de la vareuse.
e) chef de corps (police
urbaine et rurale ): une etoile argentee (25 mm) au dessus
de la pointe du parement passepoile des
deux manches sur fond bleu roi.
f) les distinctions honorifiques civiles et militaires peuvent etre
portees sur la vareuse.
g) un insigne en metal sur fond de cuir representant les armoiries de la
commune se porte sur la poche droite.
a) brevet d'OPJ : un lion belge argente sur fond bleu
roi (20 mm sur 18 mm) est appose sur
la manche droite de la vareuse,
jusqu'au grade d'inspecteur principal
de police inclus, ou jusqu'au grade
de garde champetre inclus.
b) detenteur du brevet d'officier
de police : un lion belge argente surmonte d'une
couronne sur fond bleu roi (20 mm sur
18 mm) est appose sur la manche droite
de la vareuse, jusqu'au grade
d'inspecteur principal de premiere
classe inclus, ou jusqu'au grade de
garde champetre commissionne inclus.
c) qualite d'OPJ : une bande amarante est apposee sur
les epaulettes pour l'inspecteur de
police, l'inspecteur principal de
police et le garde champetre
commissionne.
d) detenteur d'un diplome
universitaire : un faisceau de licteur argente sur fond
bleu roi (35 mm sur 10 mm) est appose
sur la manche droite de la vareuse.
e) chef de corps (police
urbaine et rurale ): une etoile argentee (25 mm) au dessus
de la pointe du parement passepoile des
deux manches sur fond bleu roi.
f) les distinctions honorifiques civiles et militaires peuvent etre
portees sur la vareuse.
g) un insigne en metal sur fond de cuir representant les armoiries de la
commune se porte sur la poche droite.
5 Kepie
Hulpagent van politie saffierblauwe stof,
saffierblauwe klep en
stormband in stof, wit
geweven kenteken van de
stedelijke politie op
ovaalvormig saffierblauw
blazoen. Het vertikaal
gedeelte boven de klep is
wit.
Bijzonderheden voor de kepie van de politieambtenaren :
- voor het basiskader is het verticale gedeelte boven de klep van de
kepie over de hele omtrek bedekt met een koningsblauwe band van 8 mm;
- voor het middenkader is het verticale gedeelte boven de klep van de
kepie bedekt met een koningsblauwe band, van 16 mm, en aangebracht op
gelijke afstand van de boven- en onderrand;
- voor het officierenkader is het verticale gedeelte boven de klep van
de kepie volledig koningsblauw.
Beschermhoes : donkerblauw (RAL 5004), wit voor verkeersopdrachten
(RAL 1013) waterdicht.
Rozet : Harde steun voor het politiekenteken, in donkerblauwe stof
(RAL 5004) en ovaalvormig.
Maximumafmetingen : 6 cm breed en 8 cm hoog.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de gemeentepolitie
van het stedelijke of het landelijke type voor het
officierenkader met de binnenzijde van de kroon in rode kleur.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
of het landelijke type voor het midden- en basiskader.
Politieagent donkerblauwe stof, zwarte
klep en stormband in
wasdoek, wit geweven
kenteken van de stedelijke
politie op ovaalvormig
koningsblauw blazoen
Veldwachter donkerblauwe stof, zwarte
klep en stormband in
wasdoek, wit geweven
kenteken van de landelijke
politie op ovaalvormig
koningsblauw blazoen
Dit is eveneens van toepassing tot en met de graad van
politieagent-hoofdbrigadier.
Inspecteur van politie donkerblauwe stof, klep
in stof, zwarte en
zilverkleurige stormband,
wit koningsblauw
schouderstukken met zwart
en zilverkleurig
schoudersnoer
Dit is van toepassing tot en met de graad van hoofdinspecteur van
eerste klasse.
Adjunct-commissaris van politie zilverkleurige gevlochten
schouderstukken met
zilverkleurige kroon op
koningsblauwe achtergrond
en zilverkleurig
schoudersnoer
Dit is van toepassing tot en met de Graad van politiecommissaris, met
uitzondering van de korpschef.
Korpschef : zilverkleurige gevlochten
schouderstukken eindigend
op een klaverblad met
zilverkleurige kroon op
koningsblauwe achtergrond
en zilverkleurig
schoudersnoer
Hulpagent van politie saffierblauwe stof,
saffierblauwe klep en
stormband in stof, wit
geweven kenteken van de
stedelijke politie op
ovaalvormig saffierblauw
blazoen. Het vertikaal
gedeelte boven de klep is
wit.
Bijzonderheden voor de kepie van de politieambtenaren :
- voor het basiskader is het verticale gedeelte boven de klep van de
kepie over de hele omtrek bedekt met een koningsblauwe band van 8 mm;
- voor het middenkader is het verticale gedeelte boven de klep van de
kepie bedekt met een koningsblauwe band, van 16 mm, en aangebracht op
gelijke afstand van de boven- en onderrand;
- voor het officierenkader is het verticale gedeelte boven de klep van
de kepie volledig koningsblauw.
Beschermhoes : donkerblauw (RAL 5004), wit voor verkeersopdrachten
(RAL 1013) waterdicht.
Rozet : Harde steun voor het politiekenteken, in donkerblauwe stof
(RAL 5004) en ovaalvormig.
Maximumafmetingen : 6 cm breed en 8 cm hoog.
Geborduurd zilverkleurig kenteken van de gemeentepolitie
van het stedelijke of het landelijke type voor het
officierenkader met de binnenzijde van de kroon in rode kleur.
Geborduurd wit kenteken van de gemeentepolitie van het stedelijke
of het landelijke type voor het midden- en basiskader.
Politieagent donkerblauwe stof, zwarte
klep en stormband in
wasdoek, wit geweven
kenteken van de stedelijke
politie op ovaalvormig
koningsblauw blazoen
Veldwachter donkerblauwe stof, zwarte
klep en stormband in
wasdoek, wit geweven
kenteken van de landelijke
politie op ovaalvormig
koningsblauw blazoen
Dit is eveneens van toepassing tot en met de graad van
politieagent-hoofdbrigadier.
Inspecteur van politie donkerblauwe stof, klep
in stof, zwarte en
zilverkleurige stormband,
wit koningsblauw
schouderstukken met zwart
en zilverkleurig
schoudersnoer
Dit is van toepassing tot en met de graad van hoofdinspecteur van
eerste klasse.
Adjunct-commissaris van politie zilverkleurige gevlochten
schouderstukken met
zilverkleurige kroon op
koningsblauwe achtergrond
en zilverkleurig
schoudersnoer
Dit is van toepassing tot en met de Graad van politiecommissaris, met
uitzondering van de korpschef.
Korpschef : zilverkleurige gevlochten
schouderstukken eindigend
op een klaverblad met
zilverkleurige kroon op
koningsblauwe achtergrond
en zilverkleurig
schoudersnoer
5 Kepi :
Auxiliaire de police : tissu bleu saphir, penne et
jugulaire en tissu, bleu saphir,
insigne de police urbaine blanc tisse
sur blason de forme ovoide en tissu
bleu saphir. Le bandeau est blanc.
Specificite du kepi des fonctionnaires de police :
- Pour le cadre de base, le bandeau est recouvert sur
tout le pourtour d'une bande de 8 mm de couleur bleu
roi.
- Pour le cadre moyen, le bandeau est orne d'une bande
bleu roi de 16 mm et situee a egale distance des bords
inferieur et superieur.
- Pour le cadre officier, le bandeau est bleu roi.
Coiffe de protection : Bleu fonce impermeable (RAL
5004) et blanc impermeable (RAL 1013) pour les
missions de circulation.
Macaron : Support rigide de l'insigne de police en tissu bleu roi
de forme ovoide (RAL 5004). Dimensions maximales :
6 cm de large sur 8 cm de haut.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
brode argente pour cadre officiers avec interieur de la
couronne en rouge.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
brode blanc pour cadre moyen et pour cadre de base.
Agent de police : tissu bleu fonce, penne et jugulaire
noire en toile ciree, insigne de
police urbaine blanc tisse sur blason
de forme ovoide en tissu bleu roi.
Garde champetre : tissu bleu fonce, penne et jugulaire
noire en toile ciree, insigne de
police rurale blanc tisse sur blason
de forme ovoide en tissu bleu roi.
Ceci est également d'application jusqu'au grade
d'agent brigadier principal y compris.
Inspecteur de police : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire noire et argent, insigne de
la police urbaine blanc tisse sur
blason de forme ovoide en tissu bleu
roi.
Ceci est également d'application jusqu'au grade
d'inspecteur principal de première classe y compris.
Commissaire adjoint de police : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire argentee, insigne de la
police urbaine argente brode sur
blason de forme ovoide en tissu bleu
roi.
Commissaire adjoint inspecteur
de police : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus 1 galon argente
de 3 mm brode sur la visiere sur tout
le pourtour du bord inferieur ainsi
qu'un cordon argente de 3 mm autour du
bord inferieur.
Commissaire adjoint inspecteur
principale de police : le même que pour le commissaire adjoint
inspecteur de police mais le galon
argente est de 5 mm, brode sur la
visiere sur tout le pourtour du bord
inferieur.
Commissaire de police : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus une rangee de
feuilles de chene de teinte argentee
brodees sur la visiere et un cordon
argente de 4 mm sur tout le pourtour
du bord inferieur.
Commissaire de police en chef : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus une double
rangee de feuilles de chene de teinte
argentee brodees sur la visiere et un
cordon argente de 5 mm sur tout le
pourtour du bord inferieur.
Garde champetre unique : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire argent, insigne de la police
rurale argente brode sur blason de
forme ovoide en tissu bleu roi. Le
bandeau est bleu roi.
Garde champetre en chef : le même que pour le garde champetre
unique, mais en plus 1 galon argente de
3 mm brode sur tout le pourtour du bord
inferieur de la penne, ainsi qu'un
cordon argente de 3 mm autour du bord
inferieur.
Commissaire de brigade : le même que pour le garde champetre
unique, mais en plus une rangee de
feuilles de chene de teinte argentee
brodees sur la visiere et un cordon
argente de 4 mm sur tout le pourtour
inferieur de la penne.
Auxiliaire de police : tissu bleu saphir, penne et
jugulaire en tissu, bleu saphir,
insigne de police urbaine blanc tisse
sur blason de forme ovoide en tissu
bleu saphir. Le bandeau est blanc.
Specificite du kepi des fonctionnaires de police :
- Pour le cadre de base, le bandeau est recouvert sur
tout le pourtour d'une bande de 8 mm de couleur bleu
roi.
- Pour le cadre moyen, le bandeau est orne d'une bande
bleu roi de 16 mm et situee a egale distance des bords
inferieur et superieur.
- Pour le cadre officier, le bandeau est bleu roi.
Coiffe de protection : Bleu fonce impermeable (RAL
5004) et blanc impermeable (RAL 1013) pour les
missions de circulation.
Macaron : Support rigide de l'insigne de police en tissu bleu roi
de forme ovoide (RAL 5004). Dimensions maximales :
6 cm de large sur 8 cm de haut.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
brode argente pour cadre officiers avec interieur de la
couronne en rouge.
Insigne de la police communale urbaine ou rurale
brode blanc pour cadre moyen et pour cadre de base.
Agent de police : tissu bleu fonce, penne et jugulaire
noire en toile ciree, insigne de
police urbaine blanc tisse sur blason
de forme ovoide en tissu bleu roi.
Garde champetre : tissu bleu fonce, penne et jugulaire
noire en toile ciree, insigne de
police rurale blanc tisse sur blason
de forme ovoide en tissu bleu roi.
Ceci est également d'application jusqu'au grade
d'agent brigadier principal y compris.
Inspecteur de police : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire noire et argent, insigne de
la police urbaine blanc tisse sur
blason de forme ovoide en tissu bleu
roi.
Ceci est également d'application jusqu'au grade
d'inspecteur principal de première classe y compris.
Commissaire adjoint de police : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire argentee, insigne de la
police urbaine argente brode sur
blason de forme ovoide en tissu bleu
roi.
Commissaire adjoint inspecteur
de police : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus 1 galon argente
de 3 mm brode sur la visiere sur tout
le pourtour du bord inferieur ainsi
qu'un cordon argente de 3 mm autour du
bord inferieur.
Commissaire adjoint inspecteur
principale de police : le même que pour le commissaire adjoint
inspecteur de police mais le galon
argente est de 5 mm, brode sur la
visiere sur tout le pourtour du bord
inferieur.
Commissaire de police : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus une rangee de
feuilles de chene de teinte argentee
brodees sur la visiere et un cordon
argente de 4 mm sur tout le pourtour
du bord inferieur.
Commissaire de police en chef : le même que pour le commissaire adjoint
de police, mais en plus une double
rangee de feuilles de chene de teinte
argentee brodees sur la visiere et un
cordon argente de 5 mm sur tout le
pourtour du bord inferieur.
Garde champetre unique : tissu bleu fonce, penne en tissu,
jugulaire argent, insigne de la police
rurale argente brode sur blason de
forme ovoide en tissu bleu roi. Le
bandeau est bleu roi.
Garde champetre en chef : le même que pour le garde champetre
unique, mais en plus 1 galon argente de
3 mm brode sur tout le pourtour du bord
inferieur de la penne, ainsi qu'un
cordon argente de 3 mm autour du bord
inferieur.
Commissaire de brigade : le même que pour le garde champetre
unique, mais en plus une rangee de
feuilles de chene de teinte argentee
brodees sur la visiere et un cordon
argente de 4 mm sur tout le pourtour
inferieur de la penne.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
6° Calot :
Generalites : modele "bateau".
Auxiliaire de police en
formation : en tissu bleu saphir avec coiffe
blanche.
Auxiliaire de police en periode
de stage : en tissu bleu saphir avec coiffe
blanche.
Aspirant agent de police : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Agent de police stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Garde champetre stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Aspirant garde champetre : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Candidat Aspirant Officier : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Aspirant officier stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Generalites : modele "bateau".
Auxiliaire de police en
formation : en tissu bleu saphir avec coiffe
blanche.
Auxiliaire de police en periode
de stage : en tissu bleu saphir avec coiffe
blanche.
Aspirant agent de police : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Agent de police stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Garde champetre stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Aspirant garde champetre : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Candidat Aspirant Officier : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
Aspirant officier stagiaire : en tissu bleu fonce avec coiffe
blanche.
-
7° Tenue de ceremonie :
Remarque : pour le cadre de base et le cadre moyen
les insignes de grades sont apposes sur les epaulettes
torsadees.
Description de la fourragere : Portee a l'epaule
gauche, d'une seule piece et a l'extremite de l'epaulette,
elle est composee de deux cordonnets et d'un double
cordon tresse se terminant en trefle a l'arriere et par une
aiguillette a l'avant.
Agent de police : epaulettes torsadees noires avec
fourragere blanche.
Garde champetre : epaulettes torsadees noires avec
fourragere blanche.
Ceci est d'application jusqu'au grade d'agent brigadier
principal y compris.
Inspecteur de police : epaulettes torsadees noir et argent
avec fourragere noir et argent.
Ceci est d'application jusqu'au grade d'inspecteur
principal de première classe y compris.
Commissaire adjoint de
police : epaulettes torsadees argentees avec
couronne argentee sur fond bleu roi et
fourragere, de couleur argentee.
Ceci est d'application jusqu'au grade de commissaire
de police a l'exception du chef de corps.
Chef de corps : epaulettes torsadees argentees
terminees en trefle avec couronne
argentee sur fond bleu roi et
fourragere de couleur argentee.
Remarque : pour le cadre de base et le cadre moyen
les insignes de grades sont apposes sur les epaulettes
torsadees.
Description de la fourragere : Portee a l'epaule
gauche, d'une seule piece et a l'extremite de l'epaulette,
elle est composee de deux cordonnets et d'un double
cordon tresse se terminant en trefle a l'arriere et par une
aiguillette a l'avant.
Agent de police : epaulettes torsadees noires avec
fourragere blanche.
Garde champetre : epaulettes torsadees noires avec
fourragere blanche.
Ceci est d'application jusqu'au grade d'agent brigadier
principal y compris.
Inspecteur de police : epaulettes torsadees noir et argent
avec fourragere noir et argent.
Ceci est d'application jusqu'au grade d'inspecteur
principal de première classe y compris.
Commissaire adjoint de
police : epaulettes torsadees argentees avec
couronne argentee sur fond bleu roi et
fourragere, de couleur argentee.
Ceci est d'application jusqu'au grade de commissaire
de police a l'exception du chef de corps.
Chef de corps : epaulettes torsadees argentees
terminees en trefle avec couronne
argentee sur fond bleu roi et
fourragere de couleur argentee.
-
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N6. Bijlage 6. Eerste uitrusting Uitrusting van de aspirant-politieagent, de aspirant-veldwachter, de stagedoende politieagent, de stagedoende veldwachter en de hulpagent in opleiding.
Mannelijke personeelsleden
Mannelijke personeelsleden
Art. N6. Annexe 6. Premier équipement.
Equipement de l'aspirant agent de police, de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire, du garde champêtre stagiaire et de l'agent auxiliaire en formation.
Hommes :
Equipement de l'aspirant agent de police, de l'aspirant garde champêtre, de l'agent de police stagiaire, du garde champêtre stagiaire et de l'agent auxiliaire en formation.
Hommes :
2 paar molieres of laarsjes of laarzen (naar keuze) met antislip-zolen
1 paar combat shoes *
6 paar sokken
2 broeken
1 overal *
1 riem
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 das
2 paar geplastificeerde schouderpassanten (volgens de graad)
2 paar schouderpassanten in stof (volgens de graad)
1 politiemuts
1 pull
1 rolkraag
1 parka
1 paar zwarte handschoenen (al dan niet gevoerd)
1 fluitje met ketting
1 T-shirt *
1 koppelriem
1 paar witte handschoenen
* niet voor de hulpagenten in opleiding
1 paar combat shoes *
6 paar sokken
2 broeken
1 overal *
1 riem
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 das
2 paar geplastificeerde schouderpassanten (volgens de graad)
2 paar schouderpassanten in stof (volgens de graad)
1 politiemuts
1 pull
1 rolkraag
1 parka
1 paar zwarte handschoenen (al dan niet gevoerd)
1 fluitje met ketting
1 T-shirt *
1 koppelriem
1 paar witte handschoenen
* niet voor de hulpagenten in opleiding
2 paires de molieres ou bottillons ou de bottes (au
choix) avec semelles antiderapantes.
* 1 paire de combat shoes.
6 paires de chaussettes.
2 pantalons.
* 1 salopette.
1 ceinture.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules plastifies (selon le grade).
2 paires de passants d'epaules en tissu (selon le grade).
1 calot.
1 pull.
1 col roule.
1 parka.
1 paire de gants noirs (fourres ou non fourres).
1 sifflet et sa chaine.
* 1 T-shirt.
1 ceinturon.
1 paire de gants blancs.
* pas pour l'agent auxiliaire de police en formation.
choix) avec semelles antiderapantes.
* 1 paire de combat shoes.
6 paires de chaussettes.
2 pantalons.
* 1 salopette.
1 ceinture.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules plastifies (selon le grade).
2 paires de passants d'epaules en tissu (selon le grade).
1 calot.
1 pull.
1 col roule.
1 parka.
1 paire de gants noirs (fourres ou non fourres).
1 sifflet et sa chaine.
* 1 T-shirt.
1 ceinturon.
1 paire de gants blancs.
* pas pour l'agent auxiliaire de police en formation.
Vrouwelijke personeelsleden
Femmes :
2 paar pumps of laarsjes of laarzen (naar keuze) met antislip-zolen
1 paar combat shoes *
6 paar sokken of 6 paar kousen (naar keuze)
2 broeken of 2 rokken of 2 broekrokken (naar keuze)
1 overal *
1 riem
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 das
2 paar geplastificeerde schouderpassanten (volgens de graad)
2 paar schouderpassanten in stof (volgens de graad)
1 politiemuts
1 pull
1 rolkraag
1 parka
1 paar zwarte handschoenen (al dan niet gevoerd)
1 fluitje met ketting
1 T-shirt*
1 koppelriem
1 paar witte handschoenen
* niet voor de hulpagenten in opleiding
1 paar combat shoes *
6 paar sokken of 6 paar kousen (naar keuze)
2 broeken of 2 rokken of 2 broekrokken (naar keuze)
1 overal *
1 riem
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 das
2 paar geplastificeerde schouderpassanten (volgens de graad)
2 paar schouderpassanten in stof (volgens de graad)
1 politiemuts
1 pull
1 rolkraag
1 parka
1 paar zwarte handschoenen (al dan niet gevoerd)
1 fluitje met ketting
1 T-shirt*
1 koppelriem
1 paar witte handschoenen
* niet voor de hulpagenten in opleiding
2 paires d'escarpins ou bottillons ou de bottes (au
choix) avec semelles antiderapantes.
* 1 paire de combat shoes.
6 paires de chaussettes ou 6 paires de bas (au choix).
2 pantalons ou 2 jupes ou deux jupes culotte (au
choix).
* 1 salopette.
1 ceinture.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules plastifies (selon le grade).
2 paires de passants d'epaules en tissu (selon le grade).
1 calot.
1 pull.
1 col roule.
1 parka.
1 paire de gants noirs (fourres ou non fourres).
1 sifflet et sa chaine.
* 1 T-shirt.
1 ceinturon.
1 paire de gants blancs.
* pas pour l'agent auxiliaire de police en formation.
arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
choix) avec semelles antiderapantes.
* 1 paire de combat shoes.
6 paires de chaussettes ou 6 paires de bas (au choix).
2 pantalons ou 2 jupes ou deux jupes culotte (au
choix).
* 1 salopette.
1 ceinture.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules plastifies (selon le grade).
2 paires de passants d'epaules en tissu (selon le grade).
1 calot.
1 pull.
1 col roule.
1 parka.
1 paire de gants noirs (fourres ou non fourres).
1 sifflet et sa chaine.
* 1 T-shirt.
1 ceinturon.
1 paire de gants blancs.
* pas pour l'agent auxiliaire de police en formation.
arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Gezien om te worden bevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
-
Art. N7. Bijlage 7. Tweede uitrusting. Uitrusting van de hulpagent van politie
Mannelijke personeelsleden
Mannelijke personeelsleden
Art. N7. Annexe 7. Second équipement.
Equipement de l'auxiliaire de police.
Hommes :
Equipement de l'auxiliaire de police.
Hommes :
1 broek
1 wit hemd
1 das
1 kepie
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar witte handschoenen
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 wit hemd
1 das
1 kepie
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar witte handschoenen
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 pantalon.
1 chemise blanche.
1 cravate.
1 kepi.
1 impermeable ville ou 1 manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire de gants blancs.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 chemise blanche.
1 cravate.
1 kepi.
1 impermeable ville ou 1 manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire de gants blancs.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
Vrouwelijke personeelsleden
Femmes :
1 broek of rok of broekrok
1 wit hemd
1 das
1 kepie
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar witte handschoenen
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 wit hemd
1 das
1 kepie
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar witte handschoenen
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 pantalon ou 1 jupe ou 1 jupe culotte.
1 chemise blanche.
1 cravate.
1 kepi.
1 impermeable ville ou 1 manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire de gants blancs.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 chemise blanche.
1 cravate.
1 kepi.
1 impermeable ville ou 1 manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire de gants blancs.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
Gezien om te worden gevoegd hij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N8. Bijlage 8. Tweede uitrusting. Uitrusting van de politieambtenaar
Mannelijke personeelsleden
Mannelijke personeelsleden
Art. N8. Annexe 8. Second équipement.
Equipement du fonctionnaire de police.
Hommes :
Equipement du fonctionnaire de police.
Hommes :
1 broek
1 overal
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 wit hemd
1 das
2 paar schouderpassanten ( 1 in plastic en 1 in stof)
1 kepie
1 geplastificeerde beschermhoes
1 rolkraag
1 parka
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar gevlochten schouderstukken
1 schouderkoord
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 T-shirt
1 pet
1 paar handboeien
1 handboeienhouder uit zwart leder
1 overal
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 wit hemd
1 das
2 paar schouderpassanten ( 1 in plastic en 1 in stof)
1 kepie
1 geplastificeerde beschermhoes
1 rolkraag
1 parka
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar gevlochten schouderstukken
1 schouderkoord
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 T-shirt
1 pet
1 paar handboeien
1 handboeienhouder uit zwart leder
1 pantalon.
1 salopette.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 chemise blanche.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules (une en plastique et une
en tissu).
1 kepi.
1 coiffe de protection plastifiee.
1 col roule.
1 parka.
1 impermeable ville ou manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire d'epaulettes torsadees.
1 fourragere.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 T-shirt.
1 casquette.
1 paire de menottes.
1 porte menottes en cuir noir.
1 salopette.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 chemise blanche.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules (une en plastique et une
en tissu).
1 kepi.
1 coiffe de protection plastifiee.
1 col roule.
1 parka.
1 impermeable ville ou manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire d'epaulettes torsadees.
1 fourragere.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 T-shirt.
1 casquette.
1 paire de menottes.
1 porte menottes en cuir noir.
Vrouwelijke personeelsleden
Femmes :
1 broek of rok of broekrok
1 overal
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 wit hemd
1 das
2 paar schouderpassanten (1 in plastic en 1 in stof)
1 kepie
1 geplastificeerde beschermhoes
1 rolkraag
1 parka
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar gevlochten schouderstukken
1 schouderkoord
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 T-shirt
1 pet
1 paar handboeien
1 handboeienhouder uit zwart leder
1 overal
4 winterhemden
4 zomerhemden
1 wit hemd
1 das
2 paar schouderpassanten (1 in plastic en 1 in stof)
1 kepie
1 geplastificeerde beschermhoes
1 rolkraag
1 parka
1 stadsregenjas of mantel
1 sjaal
1 jekker
1 paar gevlochten schouderstukken
1 schouderkoord
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
1 T-shirt
1 pet
1 paar handboeien
1 handboeienhouder uit zwart leder
1 pantalon ou 1 jupe ou jupe culotte.
1 salopette.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 chemise blanche.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules (une en plastique et une
en tissu).
1 kepi.
1 coiffe de protection plastifiee.
1 col roule.
1 parka.
1 impermeable ville ou manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire d'epaulettes torsadees.
1 fourragere.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 T-shirt.
1 casquette.
1 paire de menottes.
1 porte menottes en cuir noir.
1 salopette.
4 chemises hiver.
4 chemises ete.
1 chemise blanche.
1 cravate.
2 paires de passants d'epaules (une en plastique et une
en tissu).
1 kepi.
1 coiffe de protection plastifiee.
1 col roule.
1 parka.
1 impermeable ville ou manteau.
1 echarpe.
1 vareuse.
1 paire d'epaulettes torsadees.
1 fourragere.
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
1 T-shirt.
1 casquette.
1 paire de menottes.
1 porte menottes en cuir noir.
Gezien om te worden gevoegd hij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N9. Bijlage 9. Vervangingstermijn van de voornaamste uniformstukken.
Art. N9. Annexe 9. Délai de remplacement des principales pièces d'uniforme.
Uniformstukken vervangingstermijnen
(uitgedrukt in jaren)
molieres, laarsjes, laarzen en pumps 1
Combat shoes 5
sokken 1/6
Kousen 1/12
Broek, rok of broekrok 1/2
Overal 5
Riem 5
Hemd winter 1/4
Hemd zomer 1/4
Das 1/2
Kepie 2
Pet 1
Pull 1
Parka 2
Jekker 4
Regenjas of mantel 4
Handschoenen - leder 2
- stof 1/2
Passanten - stof 1
- geplastificeerd 2
Sjaal 4
T-shirt 1/4
Koppel 5
Rolkraag 1
Fluitje en ketting 10
Gevlochten schouderstukken 5
Schoudersnoer 5
Beschermhoes ( geplastificeerd ) 1
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
(uitgedrukt in jaren)
molieres, laarsjes, laarzen en pumps 1
Combat shoes 5
sokken 1/6
Kousen 1/12
Broek, rok of broekrok 1/2
Overal 5
Riem 5
Hemd winter 1/4
Hemd zomer 1/4
Das 1/2
Kepie 2
Pet 1
Pull 1
Parka 2
Jekker 4
Regenjas of mantel 4
Handschoenen - leder 2
- stof 1/2
Passanten - stof 1
- geplastificeerd 2
Sjaal 4
T-shirt 1/4
Koppel 5
Rolkraag 1
Fluitje en ketting 10
Gevlochten schouderstukken 5
Schoudersnoer 5
Beschermhoes ( geplastificeerd ) 1
[...] <KB 2002-09-04/40, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
Pieces d'uniformes Delai de remplacement
(exprime en annees)
Molieres, bottillons, bottes, escarpins 1
Combat shoes 5
Chaussettes 1/6
Bas 1/12
Pantalon ou jupe ou jupe culotte 1/2
Salopette 5
Ceinture 5
Chemise hiver 1/4
Chemise ete 1/4
Cravate 1/2
Kepi 2
Casquette 1
Pull 1
Parka 2
Vareuse 4
Impermeable ou manteau 4
Gants - cuir 2
- tissu 1/2
Passants d'epaules a) en tissu 1
b) plastifies 2
Echarpe 4
T-shirt 1/4
Ceinturon 5
Col roule 1
Sifflet et chaine 10
Epaulettes torsadees 5
Fourragere 5
Coiffe de protection 1
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
(exprime en annees)
Molieres, bottillons, bottes, escarpins 1
Combat shoes 5
Chaussettes 1/6
Bas 1/12
Pantalon ou jupe ou jupe culotte 1/2
Salopette 5
Ceinture 5
Chemise hiver 1/4
Chemise ete 1/4
Cravate 1/2
Kepi 2
Casquette 1
Pull 1
Parka 2
Vareuse 4
Impermeable ou manteau 4
Gants - cuir 2
- tissu 1/2
Passants d'epaules a) en tissu 1
b) plastifies 2
Echarpe 4
T-shirt 1/4
Ceinturon 5
Col roule 1
Sifflet et chaine 10
Epaulettes torsadees 5
Fourragere 5
Coiffe de protection 1
[...] <AR 2002-09-04/40, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2002>
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 24 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
J. VANDE LANOTTE
Vu pour être annexe à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
Art. N10. Bijlage 10. Tekeningen en modellen. (Tekeningen en modellen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 02-06-1995, p. 15705 - 15741).
(Gewijzigd bij :)
<KB 2002-09-04/40, art. 5; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
(Gewijzigd bij :)
<KB 2002-09-04/40, art. 5; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
Art. N10. Dessins et modèles (Figures non reprises pour des raisons techniques. Voir M.B. 02-06-1995, p. 15705 - 15741).
(Modifié par :)
<AR 2002-09-04/40, art. 5; En vigueur : 01-06-2002>
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE
(Modifié par :)
<AR 2002-09-04/40, art. 5; En vigueur : 01-06-2002>
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 24 avril 1995.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Intérieur,
J. VANDE LANOTTE