Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
13 JULI 1994. - Sectoraal akkoord van 12 juli 1994. - Veiligheidspersoneel. - Omzendbrief B.A. - 94/09.
Titre
13 JUILLET 1994. - Accord sectoriel du 12 juillet 1994. - Personnel de sécurité. - Circulaire B.A.-94/09 (TRADUCTION).
Tekst (5)
Texte (1)
Artikel M. In het Belgisch Staatsblad van 12 juli 1994 verschenen volgende vier koninklijke besluiten van 20 juni 1994:
  - Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de bezoldiging van het personeel van de openbare brandweerdiensten en het personeel van de gemeentepolitie.
  - Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van nacht-, zaterdag- en zondagtoelagen voor het personeel van openbare brandweerdiensten en de gemeentepolitie.
  - Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de toekenning van een diplomatoelage aan sommige personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie.
  - Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene bepalingen betreffende de geldelijke valorisatie van vroegere diensten die in de overheidssector door personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentepolitie werden verricht.
  Deze koninklijke besluiten betreffen, aldus het ter zake door de representatieve vakorganisaties en de federale minister van Binnenlandse Zaken, gesloten protocol, de uitvoering van de algemene baremaherziening voor het veiligheidspersoneel. De toepassing ervan geldt bijgevolg als de voltooiing van de sociale programmatie 1991-1994 (intersectoraal akkoord 59/1) en is derhalve niet strijdig met de wet van 30 maart 1994 die o.m. een loonmatiging tot einde 1995 oplegt.
  De onderhandelingen over deze koninklijke besluiten die uitsluitend algemene bepalingen vastleggen werden door de federale minister van Binnenlandse Zaken gevoerd in het federale comité C. In de respectievelijke onderafdelingen in de Gewesten werden de algemene bepalingen verder geconcretiseerd ten einde in de gemeenten, binnen de grenzen van de koninklijke besluiten, een uniforme regeling uit te werken.
  Hierover werd op 10 juni 1994 een protocol afgesloten.
  Het protocol betreffende het veiligheidspersoneel sluit aan op dat van 18 juni 1993 betreffende de overige categorieën van het gemeentepersoneel.
  Het akkoord van 18 juni 1993 bepaalt dat de erin uitgewerkte weddeschalen, gekoppeld aan de onderhandelde beleidsmaatregelen inzake het administratief en geldelijk statuut van het personeel, een uniforme toepassing krijgen op het personeel van de provincies en van de lokale besturen.
  Wat het veiligheidspersoneel betreft (politie en brandweer) nam de onderafdeling van het Comité C er in dit akkoord van 18 juni 1993 akte van dat de federale overheid ten gevolge van de Sint-Michielsakkoorden bevoegd blijft om bij toepassing van artikel 189 van de Nieuwe Gemeentewet de algemene bepalingen en de grenzen vast te stellen inzake de bezoldigingsregeling en het statuut van het politie- en brandweerpersoneel.
  In die omstandigheden benadrukte de onderafdeling van Comité C de noodzaak aan samenhang in het globale personeelsbeleid van de lokale en provinciale besturen.
  Zij verzocht de federale minister van Binnenlandse Zaken dat bij de besprekingen inzake de weddeschalen en het statuut van het veiligheidspersoneel (politie en brandweer) maximaal rekening zou worden gehouden met de gemeenschappelijke krachtlijnen van het personeelsbeleid, met inbegrip van de functionele loopbanen, zoals omschreven in het akkoord van 18 juni 1993, evenwel aangepast aan de eigenheid en de structuur van het veiligheidspersoneel.
  Rekening houdend met dit akkoord en met het door de onderafdeling ingenomen standpunt heeft de federale overheid thans bij het vaststellen via de bovenvermelde koninklijke besluiten van de grenzen van de bezoldigingregeling voor het veiligheidspersoneel minima en maxima bepaald per graad of per groep van graden. Binnen die grenzen kunnen de overheden weddeschalen vaststellen.
  Dit systeem biedt, aldus de federale overheid, de mogelijkheid rekening te houden met de regelingen uitgewerkt voor de andere categorieën van het personeel van de lokale overheden; regelingen die van Gewest tot Gewest verschillen.
  De mogelijkheid wordt zodoende geboden om voor het politie- en brandweerpersoneel een zo analoog mogelijk niveau en uitbouw van de weddeschalen vast te stellen als voor de andere categorieën van het personeel, binnen de grenzen van de vastgestelde minima en maxima.
  Uitvoering gevend aan deze bepalingen werd in het protocol van 12 juli 1994 binnen de grenzen bepaald door de federale overheid, een maximale overeenstemming nagestreefd tussen het veiligheidspersoneel en het overige personeel van de gemeenten. In uitvoering van het akkoord van 18 juni 1993 wordt zodoende een maximale samenhang in het globale personeelsbeleid van de gemeenten behouden.
  In de vermelde Vlaamse onderafdeling van Comité C werd net zoals voor het andere personeel onderhandeld over vier documenten:
  Gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale besturen m.b.t. het veiligheidspersoneel, een technische nota, de weddeschalen en een inschakelingstabel.
  De inhoud van deze documenten komt t.a.v. het veiligheidspersoneel in belangrijke mate overeen met hetgeen in het protocol van 18 juni 1993 werd gesteld. Voor een goed begrip wordt hierna toelichting gegeven bij de koninklijke besluiten en bij de documenten waarover in de Vlaamse onderafdeling werd onderhandeld.
  Voor een vlotte afhandeling van de administratieve dossiers bij de uitoefening van het administratief toezicht verzoek ik de gemeenten met deze toelichtingen en aanbevelingen rekening te houden.
Article M. (Pour cette circulaire, voir version néerlandaise).
Art. M1. I. Koninklijke besluiten i.v.m. het geldelijk statuut van het politiepersoneel en de leden van de openbare brand weerkorpsen.
  De twee belangrijkste koninklijke besluiten zijn deze over de algemene bepalingen i.v.m. de bezoldiging en over de vergoeding voor nacht-, zaterdagen zondagprestaties.
  Artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 juni 1994 over de bezoldiging (weddeschalen) bepaalt het volgende: " Dit besluit treedt in werking op het ogenblik van de toepassing van de algemene weddeschaalherziening op de andere categorieën van het personeel van dezelfde overheid en ten vroegste op 1 januari 1994 ".
  Dit betekent dat voor het personeel dat valt onder de toepassing van artikel 145 van de Nieuwe Gemeentewet en voor het veiligheidspersoneel (politie en brandweer) de ingangsdatum van de toepassing van de nieuwe weddeschalen, gekoppeld aan de invoering van een nieuw statuut voor beide personeelscategorieën dezelfde zal zijn.
  Er dient bijgevolg absolute voorrang gegeven te worden aan de invoering van de nieuwe weddeschalen. Dit geldt niet in de minst ten gevolge van de budgettaire weerslag van de algemene weddeschaalherziening.
  Het protocol van 12 juli 1994 bepaalt inderdaad uitdrukkelijk dat een absolute voorkeur gaat naar een gelijktijdige toepassing (inschakeling) van de nieuwe weddeschalen op alle categorieën van het personeel, zowel het veiligheidspersoneel als het personeel van de lokale besturen waarop het akkoord van 18 juni 1993 van toepassing is.
  De gemeenschappelijke toepassing van de nieuwe weddeschalen heeft voorrang op elke andere maatregel die in uitvoering van het intersectoraal akkoord 1991-1994 (protocol 59/1) kan worden toegepast, indien deze een aanvullend voordeel inhoudt dat niet gemeenschappelijk aan alle categorieën van het personeel van de lokale besturen kan worden toegekend.
  Wat het koninklijk besluit inzake de vergoedingen betreft wens ik de aandacht erop te vestigen dat de enige diepgaande wijziging die aan het vergoedingenstelsel wordt aangebracht de uitbreiding is van de vergoeding voor zondagprestaties tot de zaterdagprestaties.
  De besturen kunnen alle bestaande vergoedingenreglementen voor het personeel van politie en brandweer globaal opnieuw bekijken en een totaal nieuwe regeling uitvaardigen.
  Ik wijs erop dat het koninklijk besluit het de gemeenten aldus mogelijk maakt een nieuw vergoedingsstelsel in te stellen.
  De gemeenten kunnen vrij de vergoedingenpercentages vaststellen binnen de eigen budgettaire mogelijkheden, rekening houdende met de maximum percentages van de toelagen die in het koninklijk besluit zijn aangegeven. Elk nieuw vergoedingenreglement dient vooraf met de vakorganisaties te worden onderhandeld.
  In dit verband wens ik de besturen er nu reeds op te wijzen dat zij er bij het vaststellen van de vergoedingspercentages rekening mee dienen te houden dat het redelijkheids- en gelijkheidsbeginsel aanleiding kan geven om, na het verstrijken van de wettelijk vastgestelde periode van de loonmatiging, dezelfde voordelen toe te kennen aan andere personeelscategorieën die prestaties verrichten in gelijkaardige omstandigheden.
  Ook de weerslag van de toekenning van gelijkaardige vergoedingen aan het OCMW.-personeel op de gemeentelijke toelage zal nauwkeuring moeten worden onderzocht.
  Tevens acht ik het aangewezen dat bij de vaststelling van deze vergoedingspercentages de besturen rekening zouden houden met de aanzienlijke herwaardering van de weddeschalen van zowel het veiligheidspersoneel als het verplegend en verzorgend personeel die naar aanleiding van de algemene weddeschaalherziening werden gerealiseerd.
  In die omstandigheden is het noodzakelijk dat de gemeenteraden bij het treffen van hun besluiten over het vaststellen van deze percentages een sluitende financiële verantwoording in hun motivering opnemen.
  Voor de gemeenten die een intergemeentelijke politiesamenwerking met naburige gemeenten hebben opgezet, beveel ik sterk aan dat in alle gemeenten die aan de samenwerking deelnemen, een identieke vergoedingenregeling zou worden toegepast.
  Tevens acht ik het nuttig erop te wijzen dat uit de tekst van het protocol afgesloten in het federaal Comité C het bestaan van de vergoeding voor de wachtdiensten aan huis voor de officieren (POL 44 van 22 februari 1993) wordt bevestigd en dus deel uitmaakt van de algemene baremaherziening.
  Verder wens ik nog aan te geven dat het koninklijk besluit op de diplomabijslag in Vlaanderen zonder uitwerking is omdat deze vergoeding in de nieuwe weddeschalen verrekend werd en dat het koninklijk besluit op de geldelijke valorisatie van vroegere diensten die in de overheidssector door personeelsleden van de openbare brandweerdiensten en van de gemeentelijke politie werden verricht enkel een technische herformulering is van het bestaande koninklijk besluit van 3 december 1975 tot vaststelling van de grens van de algemene bepalingen betreffende de geldelijke valorisatie van vroegere diensten die in de overheidssector door sommige leden van het provincie- en gemeentepersoneel werden verricht.
-
Art. M2. II. Het sectoraal akkoord van 12 juli 1994.
-
Art. 1M 2. A. Inhoud van het akkoord.
  I. Algemene herziening van de weddeschalen van het personeel van de politie en de openbare brandweerdiensten en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale besturen veiligheidspersoneel.
  Het sectoraal akkoord omvat een globale gemeenschappelijke regeling voor het politie- en brandweerpersoneel van de lokale besturen, weergegeven in de volgende documenten:
  1° Een nota inzake gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale besturen m.b.t. het veiligheidspersoneel.
  2 ° Een stel nieuwe weddeschalen gemeenschappelijk voor de lokale besturen politie en brandweer uitgewerkt volgens het stelsel van de functionele loopbanen.
  3 ° Een technische nota inzake de toepassing van de weddeschalen en het eraan gekoppelde verloop van de functionele loopbanen.
  4 ° Een inschakelingstabel met betrekking tot de overgang naar de nieuwe weddeschalen.
  II. Aanvullend voorschot van 1 % op de vroegere weddeschalen.
  Onder punt 11 van het protocol wordt gesteld dat ten einde aan elk individueel personeelslid bovenop de reeds toegekende voorschotten in elk geval een minimale weddeverhoging te waarborgen, aan de bevoegde overheden wordt aanbevolen om voorafgaand aan de invoering van de nieuwe weddeschalen en het daarmee samenhangend statuut de vroegere weddeschalen forfaitair te verhogen met 1 %.
  Tot die verhoging kan niet worden beslist zonder gelijktijdige beslissing over de nieuwe schalen en het aangepast statuut.
  Uit deze tekst blijkt dat dezelfde regeling als deze vervat in de omzendbrief van 14 juli 1993 van toepassing is.
  In dit verband verwijs ik ook naar mijn toelichting van 8 juni 1994 van dit onderdeel van het akkoord.
  III. Toepassingsmodaliteiten.
  Deze modaliteiten komen hierop neer dat de besturen prioriteit dienen te geven aan de algemene baremaherziening vooraleer maatregelen te nemen die betrekking hebben op het toekennen van bepaalde nieuwe vergoedingen.
  Deze problematiek werd reeds bij de bespreking van de koninklijke besluiten uitvoerig toegelicht.
-
Art. 2M 2. B. Commentaar.
  I. Gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale besturen - veiligheidspersoneel.
  Net zoals in het gelijknamige document voor de andere personeelscategorieën werden in dit document uitvoerig de begeleidende kwalitatieve maatregelen beschreven die samen met de algemene baremaherziening worden ingevoerd.
  Dit document moet daar waar nodig samen gelezen worden met de technische nota en de inschakelingstabel.
  De punten waar enige commentaar en/of verduidelijking onontbeerlijk is, worden hierna op dezelfde wijze behandeld als in de omzendbrief van 14 juli 1993, nr. B.A. 93/07.
  De nummering is deze van de krachtlijnennota.
  3.1. Personeelsformatie en behoeftenplan.
  1° Opbouw van de formatie.
  Het spreekt vanzelf dat de formaties van politie en brandweer nog hiërarchischer zullen opgebouwd zijn dan deze van de overige categorieën van het personeel, omdat in de bestaande en ongewijzigd gebleven graden de hiërarchische ondergeschiktheid vervat ligt.
  Om deze reden is een onmiddellijke hervaststelling van de formatie zowel voor de politie als voor de brandweer niet verplicht bij de invoering van het nieuwe statuut, zoals dit wel uitdrukkelijk bepaald is voor de andere personeelscategorieën.
  Een ernstig personeelsbehoeftenonderzoek zoals beschreven in de omzendbrief van 14 juli 1993 zal wel moeten gebeuren bij de eerstvolgende wijziging van de bestaande personeelsformaties van politie en brandweer.
  Het spreekt vanzelf dat bij dit onderzoek rekening zal gehouden worden met de eventuele onderrichtingen van de federale minister van Binnenlandse Zaken.
  2° Financiële weerslag.
  Hier gelden dezelfde regels als deze vervat in de omzendbrief van 14 juli 1993, nr. B.A. 93/07.
  3° Functiebeschrijvingen.
  Deze functiebeschrijvingen zullen voor het politiepersoneel rekening houden met de wettelijk en reglementair bepaalde bevoegdheden van sommige leden van het politiepersoneel.
  Voor de brandweer worden daar waar nodig de onderrichtingen van de federale minister van Binnenlandse Zaken gevolgd.
  Aangezien een hervaststelling van de personeelsformatie niet verplicht wordt bij de invoering van het nieuwe stelsel, zullen de functiebeschrijvingen opgemaakt worden op basis van de huidige formatie.
  3.6 Functionele loopbaan.
  In tegenstelling tot de regeling uitgewerkt voor de andere personeelscategorieën gaat de invoering van de functionele loopbaan niet met een vermindering van het aantal graden gepaard.
  Ik kan wel mededelen dat de federale minister van Binnenlandse Zaken voor de politie de afschaffing van één van de inspecteursgraden in het vooruitzicht heeft gesteld en dat bij de politieofficieren het aantal weddeschalen afhankelijk van de klasse van de gemeente zoveel mogelijk werd beperkt.
  Wegens de soms geringe loonspanning tussen opeenvolgende hiërarchische graden werd in vele gevallen de functionele loopbaan tot twee weddeschalen beperkt.
  Bij de brandweer werden ook de graden van het middenkader zoveel als mogelijk gegroepeerd.
  De basisprincipes van de functionele loopbaan voor politie en brandweer zijn dezelfde als voor het andere personeel met dien verstande dat het uitvaardigen van algemene bepalingen inzake de vorming en het bepalen van de inhoud ervan tot de bevoegdheid van de Koning behoren. Het is aan de gemeenteraad om binnen de grenzen van deze algemene bepalingen de vorming vast te leggen.
  Verder wens ik de gemeentebesturen erop te wijzen dat de invoering van functionele loopbanen de unieke mogelijkheid biedt om een totaal vernieuwd personeelsbeleid te voeren.
  3.12 Vorming.
  Zoals reeds onder de rubriek functionele loopbaan gesteld, is enkel de federale overheid (de Koning) bevoegd om zowel voor de politie als voor de brandweer vormingsvereisten vast te stellen. De Gewesten worden door de federale minister van Binnenlandse Zaken bij deze vaststelling betrokken.
  Ingevolge deze bevoegdheidsregeling is het thans niet mogelijk bijzondere overgangsbepalingen inzake de vorming vast te stellen.
  3.13 Vormingsrecht en vormingsplicht.
  De besturen zullen zowel wat de politie als brandweer betreft een regeling uitwerken die de voorrang van sommige personeelsleden regelt om een bepaalde vorming te bezorgen (bv. het brevet van inspecteur t.o.v. de verplichte vorming voor de toekenning van de weddeschaal van PB3).
  3.14 Evaluatie.
  Ook bij de politie en brandweer zal de evaluatie een cruciale rol gaan spelen in het doorlopen van de functionele loopbanen.
  Op basis van de onder 3.6 vermelde functiebeschrijvingen zullen de evolutiecriteria vastgelegd worden.
  3.19 Inschakelingsmodaliteiten.
  Hier wordt verwezen naar de toelichtingen vermeld in de omzendbrief van 14 juli 1993.
  Wat betreft punt b) 3° wens ik nog de aandacht erop te vestigen dat wat het weddesupplement voor de adjunct-politiecommissaris betreft deze personeelsleden dit complement voor de vergelijking van hun wedde niet meer in aanmerking kunnen nemen indien zij bij een gewijzigd vergoedingstelsel voor de prestatievergoeding kiezen. (Koninklijk besluit van 20 juni 1994.)
  3.20 Inwerkingtreding nieuwe weddeschalen en statutaire bepalingen.
  Hier gelden dezelfde principes als voor de andere categorieën van het personeel met dien verstande dat wegens de specifieke indeling van de graden van de politie en brandweer de toepassing van een invoeringsdatum per niveau mij niet haalbaar lijkt.
  Het spreekt vanzelf dat alle invoeringsdata voor alle personeelscategorieën dezelfde zullen zijn.
  Voor een goed begrip stip ik nog aan dat voor alle rubrieken van de krachtlijnennota die niet van enige commentaar werden voorzien, kan verwezen worden naar de tekst van de omzendbrief van 14 juli 1993.
  II. Weddeschalen.
  Betreffende de weddeschalen dient vooraf een technische opmerking te worden gemaakt. De minima van de weddeschalen B4 (hoofdpolitieassistent) en PB5 (aanvangsschaal hoofdinspecteur) liggen lager dan het minimum vermeld in het koninklijk besluit van 20 juni 1994.
  Om het parallellisme met het andere personeel te handhaven werd dit minimum niet opgetrokken. Het betreft immers twee weddeschalen van bevorderingsgraden waarvan het minimum niet wordt toegepast, zodat geen enkel personeelslid hierdoor kan worden benadeeld.
  Alle weddeschalen werden vastgesteld volgens basisindex 138,01 en bevatten alle voorschotten die voorheen werden toegekend of konden worden toegekend met inbegrip van de bijkomende 1 % op 1 januari 1994.
  Ter informatie kan aan de besturen worden meegedeeld dat de budgettaire meerkost bij een eerste inschakeling procentueel vergelijkbaar is met de meerkost voor het gewone personeel.
  Het is duidelijk dat een wijziging van het vergoedingenstelsel de meerkost aanzienlijk zal beïnvloeden. De besturen worden verzocht hiermede rekening te houden. (cfr. Rubriek I).
  III. Technische nota.
  De aandacht wordt erop gevestigd dat de anciënniteitsregeling om de functionele loopbanen te doorlopen verschilt van deze van het andere personeel omdat bij politie en brandweer geen onmiddellijke en noemenswaardige vermindering van het aantal graden wordt doorgevoerd.
  Deze anciënniteitsregeling is gebaseerd op het groeperen van een aantal graden die hiërarisch te begeven zijn (bv. agent en inspecteursgraden).
  De diensttijd die gelijk loopt met de opleiding (politiegraden van aspirant) wordt niet in aanmerking genomen voor de schoolanciënniteit omdat slechts een beperkt aantal taken mogen uitgeoefend worden door deze personeelsleden.
  Het is ook hier aangewezen net zoals voor het andere personeel de loopbanen in het administratief statuut op te nemen.
  Verder wordt bijzondere aandacht gevraagd voor de bijzondere bepalingen inzake bevordering voor de graden van adjunct-commissaris, adjunct-commissaris-inspecteur en adjunct-commissaris-hoofdinspecteur die door de gemeenteraden kunnen worden vastgesteld.
  Deze bepalingen gelden enkel en alleen ingeval van bevordering en ingeval de nieuwe weddeschaal gelijk of ongunstiger is dan de schaal in de vorige graad.
  De regeling voor de dienstjaren gepresteerd in de graden van inspecteur, hoofdinspecteur en hoofdinspecteur 1e klasse is evenwel bij alle bevorderingen van toepassing.
  IV. Inschakelingstabel.
  De toelichtingen voor de andere categorieën van het gemeentepersoneel zijn hiervan even belangrijk.
  Het is dus enkel en alleen deze tabel die in aanmerking komt voor de eventuele perekwatie van de pensioenen.
  c. Begeleiding en administratief toezicht.
  Hier gelden dezelfde bepalingen als vervat in de omzendbrief van 14 juli 1993 met dien verstande dat de personeelsformaties niet onmiddellijk dienen te worden herzien.
  Het spreekt vanzelf dat de combinatie van wettelijke en reglementaire bepalingen met de inhoud van dit akkoord lang niet zoveel ruimte voor aanvulling laat als dit voor het andere personeel het geval was.
  Ik verzoek u, mijnheer de Gouverneur, de besturen van onderhavige omzendbrief en de bijhorende documenten in kennis te stellen en te zorgen voor een spoedige publikatie ervan in het provincieblad.
  Volledigheidshalve zend ik aan alle besturen rechtstreeks een afschrift van onderhavige onderrichtingen toe ten einde hen in de gelegenheid te stellen reeds met de voorbereiding van de noodzakelijk te nemen maatregelen te kunnen starten.
  De Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden,
  Th. Kelchtermans.
-