Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
6 JUNI 1994. - Decreet tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs. (Vertaling) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-1995 en tekstbijwerking tot 04-12-2025)
Titre
6 JUIN 1994. - [Décret fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement officiel subventionné]<DCFR2012-07-12/31, art. 31, 026; En vigueur : 01-09-2012> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-06-1995 et mise à jour au 04-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 1994029323
Datum: 1994-06-06
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994029323
Date: 1994-06-06
Moniteur: Voir
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - [1 Plichten]1 Afdeling 1. [1 - Plichten van de inrchtende mac... Afdeling 2. [1 Plichten van het personeelslid]1 Afdeling 3. [1 - Onverenigbaarheden]1 HOOFDSTUK III. - Werving. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling en tijdeli... Afdeling 2bis. - Toekenning van de arbeidsplaat... Afdeling 3. - Definitieve benoeming en affectatie. Afdeling 4. - Overneming van een onderwijsinric... Afdeling 5. Personeelsleden die het slachtoffe... Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen. Onderafdeling 2. - Recht op een nieuwe aanstel... Onderafdeling 3. - Recht op een nieuwe aanstel... Onderafdeling 4. - Gelegenheidsaffectatiewijzi... Onderafdeling 5. [1 - Gerechtelijke bijstand en... HOOFDSTUK IV. - Selectieambten. Afdeling 1. [1 Afdeling I: Algemene bepalingen ]1 Afdeling 2. [1 Toegangsvoorwaarden tot selectie... Afdeling 3. [1 Specifieke bepalingen betreffend... Afdeling 4. [1 Bijzondere bepalingen met betrek... HOOFDSTUK V. [1 - De toegang tot het bevorderin... Hoofdstuk Vbis. [1 - De oproep tot kandidaten, ... Afdeling I. [1 - De oproep tot kandidaten]1 Afdeling Ibis. [1 De selectiecommissie]1 Afdeling Iter. [1 - Het opdrachtenblad]1 Afdeling II. - De opleidingsevaluatie. Afdeling 3. - Het einde van de uitoefening van ... Afdeling 4. [1 Over de aanstellingsbrief, de ev... HOOFDSTUK VI. - De dienststanden. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Dienstactiviteit. Afdeling 3. - Non-activiteit. Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling. HOOFDSTUK VII. - Ambtsneerlegging. HOOFDSTUK VIII. - (Preventieve schorsing : admi... Afdeling 1. Algemene bepalingen. Afdeling 2. Preventieve schorsing van vastbeno... Afdeling 3. Preventieve schorsing van tijdelij... HOOFDSTUK IX. - Tuchtregeling. HOOFDSTUK X. - Raden van beroep. HOOFDSTUK XI. - (Terbeschikkingstelling wegens ... HOOFDSTUK XII. - De paritaire commissies. Afdeling 1. - Algemeenheden. Afdeling 2. - Centrale paritaire commissies. Afdeling 3. - Plaatselijke paritaire commissies. Afdeling 4. - Toezicht over de uitvoering van d... HOOFDSTUK XIII. - Niet-tegenwerpbaarheid van me... HOOFDSTUK XIV. - Wijzigings-, opheffings-, over...
Table des matières
CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - [1 Devoirs]1 Section 1re. [1 - Devoirs du pouvoir organisate... Section 2. [1 - Devoirs du membre du personnel]1 Section 3. [1 - Incompatibilités]1 CHAPITRE III. - Recrutement. Section 1. - Dispositions générales. Section 2. - Désignation à titre temporaire et ... Section 2bis. - De l'attribution des emplois su... Section 3. - Nomination définitive et affectation. Section 4. - Reprise d'un établissement d'ensei... Section 5. - Des membres du personnel victimes... Sous-section première. - Dispositions générales. Sous-section 2. - Du droit à une nouvelle dési... Sous-section 3. - Du droit à une nouvelle dési... Sous-section 4. - Du changement d'affectation ... Sous-section 5. [1 - De l'assistance en justice... CHAPITRE IV. - Fonctions de sélection. Section 1. [1 Dispositions générales ]1 Section 2. [1 Conditions d'accès aux fonctions ... .Section 3. [1 ]Dispositions particulières à la... Section 4. [1 Dispositions particulières à la f... CHAPITRE V. [1 - De l'accès à la fonction de pr... CHAPITRE Vbis. [1 - De l'appel à candidatures, ... Section Ire. [1 - De l'appel à candidatures]1 Section 1bis. [1 De la commission de sélection]1 Section Iter. [1 - De la lettre de mission]1 Section 2. - De l'évaluation formative. Section 3. - De la fin de l'exercice de certain... Section 4. [1 De la lettre de mission, de l'éva... CHAPITRE VI. - Positions administratives. Section 1. - Dispositions générales. Section 2. - Activité de service. Section 3. - Non-activité. Section 4. - Mise en disponibilité. CHAPITRE VII. - Cessation définitive des foncti... CHAPITRE VIII. - (De la suspension préventive :... Section 1. &lt; Créée par DCFR 2003-07-17/44, a... Section 2. - De la suspension préventive des m... Section 3. - De la suspension préventive des m... CHAPITRE IX. - Régime disciplinaire. CHAPITRE X. - Des chambres de recours. CHAPITRE XI. - (De la mise en disponibilité par... CHAPITRE XII. - Des commissions paritaires. Section 1. - Généralités. Section 2. - Des commissions paritaires centrales. Section 3. - Des commissions paritaires locales. Section 4. - Contrôle et sanction des décisions... CHAPITRE XIII. - Inopposabilité des clauses con... CHAPITRE XIV. - Dispositions modificatives, abr...
Tekst (222)
Texte (222)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit decreet is van toepassing op :
  1° de gesubsidieerde leden van de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het sociaal, paramedisch en psychologisch [1 en administratief personeel]1 van de officiële gesubsidieerde inrichtingen van het kleuter-, lager-, (gespecialiseerd) secundair, kunstonderwijs en van de tehuizen voor kinderen van wie de ouders geen vaste woonplaats hebben, die hun ambt uitoefenen in het onderwijs met volledig leerplan, met inbegrip van het onderwijs met beperkt uurrooster of van het onderwijs voor sociale promotie, (of van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan), met uitsluiting van de leden van dit personeel die geen weddetoelage genieten ten laste van de Franse Gemeenschap, (behalve voor wat vermeld wordt in de artikelen (...) 24bis en 30, § 2);
  2° de gesubsidieerde leden van de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel [1 en administratief personeel]1 van de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor hoger onderwijs van het korte type (en van het lange type) voor sociale promotie, met uitzondering van de leden van dit personeel die geen weddetoelage genieten ten laste van de Franse Gemeenschap, (behalve voor wat vermeld wordt in de artikelen 24, § 3, lid 1; 24bis en 30, § 2);
  3° de inrichtende machten van deze onderwijsinrichtingen.
  Op de leermeesters en leraars godsdienst is dit decreet niet van toepassing.
  (Dit decreet in niet van toepassing op de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de vrije gesubsidieerde hogere kuntscholen.)
  (4° aan de niet-statutaire personeelsleden zoals bepaald in artikel 4, 6° voor wat betreft de artikels 20, 24, 27ter en 34.)
  
Article 1. Le présent décret s'applique :
  1° aux membres subventionnés des catégories du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel social, paramédical et psychologique [1 et du personnel administratif]1 des établissements officiels subventionnés d'enseignement maternel, primaire, (spécialisé), secondaire, artistique et des homes pour enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe, qui exercent leur fonction dans l'enseignement de plein exercice, y compris l'enseignement à horaire réduit ou dans l'enseignement de promotion sociale, (ou dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit), à l'exclusion des membres de ces personnels qui ne bénéficient pas d'une subvention-traitement à charge de la Communauté française, (sauf pour ce qui est mentionné aux articles (...) 24bis et 30, § 2;
  2° aux membres subventionnés des catégories du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation [1 et du personnel administratif]1 des établissements officiels subventionnés d'enseignement supérieur de type court (et de type long) de promotion sociale, à l'exclusion des membres de ces personnels qui ne bénéficient pas d'une subvention-traitement à charge de la Communauté française, (sauf pour ce qui est mentionné aux articles 24, § 3, alinéa 1er; 24bis et 30, § 2;
  3° aux pouvoirs organisateurs de ces établissements d'enseignement.
  Les maîtres et professeurs de religion ne sont pas régis par le présent décret.
  (Le présent décret n'est pas applicable à la catégorie du personnel directeur et enseignant des Ecoles supérieures des Arts officielles subventionnées.)
  (4° aux membres du personnel non statutaire tels que définis à l'article 4, 6° pour ce qui concerne les dispositions des articles 20, 24, 27ter et 34.)
  
Art. 2. Voor de toepassing van dit decreet, zijn de bekwaamheidsbewijzen bepaald ter uitvoering van artikel 12 bis, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van de onderwijswetgeving, van artikel 15, 5°, van de wet van 14 mei 1955 op het kunstonderwijs en van artikel 22 bis van de wet van 11 juli 1973 tot wijziging van de voormelde wet van 29 mei 1959, en van de artikelen 10 en 17, § 4, van de wet van 17 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, alsook van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, diploma's, getuigschriften, brevetten, attesten, jaren nuttige ervaring of een wetenschappelijke, artistieke of beroepsbekendheid.
  [1 Voor de toepassing van dit decreet, in het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie, worden de bekwaamheidsbewijzen bepaald overeenkomstig hoofdstuk 4 van titel 1 van het decreet van 11 april 2014 [2 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, behalve wat betreft het administratief personeel waarvan de bekwaamheidsbewijzen bepaald worden door de artikelen 18 en 336 van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap]2.]1
  
Art. 2. Pour l'application du présent décret, les titres de capacité qui sont déterminés en exécution de l'article 12bis, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, de l'article 15, 5°, de la loi sur l'enseignement artistique du 14 mai 1955 et l'article 22bis de la loi du 11 juillet 1973 modifiant celle du 29 mai 1959 précitée, et des articles 10 et 17, § 4, de la loi du 17 juillet 1970 relative à la structure générale de l'enseignement supérieur, ainsi que du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française, peuvent être des diplômes, des certificats, des brevets, des attestations, des années d'expérience utile ou une notoriété professionnelle, scientifique ou artistique.
  [1 Pour l'application du présent décret, dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, les titres de capacité sont définis conformément au chapitre 4 du titre 1er du décret du 11 avril 2014 [2 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française, sauf en ce qui concerne le personnel administratif dont les titres de capacité sont fixés par les articles 18 et 336 du décret du 12 mai 2004 fixant le statut des membres du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement organisé par la Communauté française]2.]1
  
Art. 3. (Behalve voor het bepaalde van [1 artikel 100bis]1, van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap [2 en wat betreft hetgeen bepaald wordt bij hoofdstuk 4 van titel 1 van het decreet van 11 april 2014]2, omvat de nuttige ervaring) de diensten in het onderwijs of in een andere dienst van de privé- of overheidssector. De uitoefening van een bedrijvigheid als zelfstandige wordt eveneens in aanmerking genomen.
  De Regering beslist of de nuttige ervaring heeft bijgedragen tot de vereiste opleiding voor het te begeven ambt.
  De nuttige ervaring wordt bewezen volgens de regels vastgesteld door het ministerieel besluit van 12 april 1969, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 houdende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs.
  
Art. 3. (Sauf pour ce qui est fixé [1 à l'article 100bis]1 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française [2 et pour ce qui est fixé par le chapitre 4 du titre 1er du décret du 11 avril 2014]2, l'expérience utile) est constituée par les services accomplis soit dans l'enseignement, soit dans un autre service des secteurs privé ou public. L'exercice d'une activité indépendante est prise en compte au même titre.
  Le Gouvernement décide si l'expérience utile a contribué à assurer la formation requise pour la fonction à conférer.
  L'expérience utile est prouvée suivant les règles fixées par l'arrêté ministériel du 12 avril 1969 pris en exécution de l'article 3 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat.
  
Art. 4. Voor de toepassing van dit decreet :
  1° verstaat men onder " openstaande betrekking " : de betrekking, opgericht door de inrichtende macht, die niet toegewezen is aan een vastbenoemd personeelslid, zoals bedoeld in dit decreet, dat in aanmerking komt voor de toelagen van de Gemeenschap en voor wie een weddetoelage aangevraagd is;
  2° worden de door de in artikel 1 bedoelde personeelsleden uitgeoefende ambten ingedeeld bij de wervings-, selectie- of bevorderingsambten, bepaald voor dezelfde cateogrieën van het onderwijspersoneels van de Gemeenschap, behalve de selectieambten van de leerkrachten middelbaar en middelbaar technisch normaalonderwijs, die ingedeeld worden bij de wervingsambten.
  [1 In afwijking van het eerste lid, wordt het ambt van opvoeder-huismeester gerangschikt als selectieambt van de categorie van het opvoedend hulppersoneel.]1
  (Nochtans, voor de toepassing van dit decreet, zijn de ambten uitgeoefend in het onderwijs voor sociale promotie verschillend van deze uitgeoefend in het onderwijs met volledig leerplan)
  (In verband met het hoger onderwijs van het korte type en voor zover specifieke vereiste bekwaamheidsbewijzen niet nader bepaald werden bij toepassing van de wet d.d. 7 juli 1970 betreffende de structuur van het hoger onderwijs, wordt de houder van een van de door deze wet vereiste bekwaamheidsbewijzen geacht het vereiste bekwaamheidsbewijs te bezitten voor het specifiek vak dat hij ten minste 240 dagen heeft onderwezen, gespreid over ten minste twee schooljaren.)
  3° worden " hoofdambt " en " bijbetrekking " bepaald onder verwijzing naar het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs (,) (het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 oktober 1993 houdende bezoldigingsregeling van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van het gemeenschapsonderwijs voor sociale promotie) (en naar artikel 71 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap );
  [3 In afwijking van het eerste lid, voor het administratief personeel, stemt het begrip van hoofdfunctie overeen met de grens van de volledige prestaties zoals bepaald in artikel 3, d), van het koninklijk besluit van 1 december 1970 houdende bezoldigingsregeling van het administratief personeel, het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs]3
  4° verstaat men onder " aanvullende regels van de bevoegde paritaire commissie " de regels die worden vastgesteld ter aanvulling van dit decreet door de in artikel 85 bedoelde paritaire commissies;
  5° worden de termijnen als volgt berekend :
  a) de dag die het vertrekpunt ervan vormt, wordt niet meegerekend;
  b) de vervaldag wordt in de termijn meegerekend;
  c) wanneer deze dag een zaterdag, een zondag, of een wettelijke feestdag of een feestdag van of in de Franse Gemeenschap is, wordt de vervaldag tot de eerstvolgende werkdag uitgesteld.
  (6° onder " niet-statutaire personeelsleden " worden verstaan de personen bedoeld door de overeenkomsten in toepassing [4 van artikelen 16 tot 20 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 juni 2021 betreffende het standvastig maken van de in het kader van de regeling voor de steun ter bevordering van de tewerkstelling gecreëerde jobs en de creatie van jobs die beantwoorden aan prioritaire maatschappelijke behoeften]4 en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 november 2002 betreffende het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, evenals de personen die een ambt vervullen ten laste van de inrichtende macht, op voorwaarde dat deze personen een ambt uitoefenen dat gelijk is aan een ambt dat gesubsidieerd kan worden en met uitzondering van de kinderverzorgers bedoeld in de eerste titel van het decreet van ... tot vaststelling van de rechten en plichten van kinderverzorgers en houdende diverse bepalingen betreffende de valorisatie van de gepresteerde dagen door het niet-statutair personeel van de Franse Gemeenschap.)
  7° [2 in het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie, wordt onder "nieuwaanwerving" verstaan de aanwerving zoals bepaald bij artikel 25 van het decreet van 11 april 2014;]2
  8° [2 in het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie, wordt onder "pedagogisch bekwaamheidsbewijs" verstaan het bekwaamheidsbewijs zoals bepaald bij de artikelen 17 en 18 van het decreet van 11 april 2014.]2
  
Art. 4. Pour l'application du présent décret :
  1° on entend par " emploi vacant ", l'emploi créé par le pouvoir organisateur, qui n'est pas attribué à un membre du personnel nommé à titre définitif au sens du présent décret, qui est admissible au régime des subventions de la Communauté et pour lequel une demande de subvention-traitement a été introduite;
  2° les fonctions exercées par les membres du personnel visés à l'article 1er sont classées en fonctions de recrutement, en fonctions de sélection ou en fonctions de promotion telles que fixées et classées pour les mêmes catégories de personnel de l'enseignement de la Communauté, à l'exception des fonctions de sélection du personnel enseignant dans l'enseignement normal moyen et dans l'enseignement normal technique moyen, qui sont classées en fonctions de recrutement;
  [1 Par dérogation au 1er alinéa, la fonction d'éducateur-économe est classée en fonction de sélection de la catégorie du personnel auxiliaire d'éducation.]1
  (Toutefois, pour l'application du présent décret, les fonctions exercées dans l'enseignement de promotion sociale sont distinctes des fonctions exercées dans l'enseignement de plein exercice.)
  (En ce qui concerne l'enseignement supérieur de type court et aussi longtemps qu'une spécificité de titres requis n'aura pas été définie en application de la loi du 7 juillet 1970 relative à la structure générale de l'enseignement supérieur, le porteur d'un des titres de capacité exigé par cette loi est présumé posséder le titre requis pour la spécificité qu'il a enseignée pendant 240 jours [2 au moins]2, répartis sur deux années scolaires au moins.)
  3° les notions de " fonction principale " et de " fonction accessoire " sont définies par référence à l'arrêté royal du 15 avril 1958 fixant le statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique (,) (à l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 25 octobre 1993 portant statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement de promotion sociale de la Communauté française) (et à l'article 71 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française);
  [4 Par dérogation au 1er alinéa, pour le personnel administratif, la notion de fonction principale correspond à la limite des prestations complètes telles que définies à l'article 3, d), de l'arrêté royal du 1er décembre 1970 fixant le statut pécuniaire du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat]4
  4° on entend par règles complémentaires de la commission paritaire compétente, les règles qui sont fixées en complément au présent décret par les commissions paritaires visées à l'article 85;
  5° les délais se calculent comme suit :
  a) le jour qui en constitue le point de départ n'est pas compris;
  b) le jour de l'échéance est compté dans le délai;
  c) toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche, un jour férié légal ou les jours de fête de ou dans la Communauté française, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
  (6° on entend par "membres du personnel non statutaire" les personnes visées par les conventions prises en application [5 des articles 16 à 20 décret de la Région wallonne du 10 juin 2021 relatif à la pérennisation des emplois créés dans le cadre du dispositif des aides à la promotion de l'emploi (APE) et à la création d'emplois répondant à des besoins sociétaux prioritaire]5 et par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 28 novembre 2002 relatif au régime des contractuels subventionnés, ainsi que les personnes qui occupent une fonction à charge du pouvoir organisateur, à condition que ces personnes occupent une fonction identique à une fonction qui peut être admise au subventionnement et à l'exception des puériculteurs visés par le titre premier du décret du 12 mai 2004 fixant les droits et obligations des puériculteurs et portant diverses dispositions relatives à la valorisation des jours prestés par le personnel non statutaire de la Communauté française.)
  7° [3 dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, on entend par " primo-recrutement ", le recrutement tel qu'il est défini à l'article 25 du décret du 11 avril 2014;]3
  8° [3 dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, on entend par " titre pédagogique ", le titre tel qu'il est défini aux articles 17 et 18 du décret du 11 avril 2014;]3
  
HOOFDSTUK II. - [1 Plichten]1
CHAPITRE II. - [1 Devoirs]1
Afdeling 1. [1 - Plichten van de inrchtende macht]1
Section 1re. [1 - Devoirs du pouvoir organisateur ]1
Art. 4bis. [1 De inrichtende macht :
   1° stelt het personeelslid te werk in de voorwaarden en op het ogenblik waarover ze overeengekomen waren en op de werkplek alsook op alle plaatsen die ermee gelijkgesteld kunnen worden voor elke activiteit in verband met het pedagogische project van de inrichting, inzonderheid door instrumenten en stoffen ter beschikking te stellen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van de werkzaamheid;
   2° voorwaarden die de veiligheid en de gezondheid van de werknemer waarborgen, en zorgt voor de eerste hulp aan het personeelslid als er een ongeval gebeurt;
   3° staat in voor de betaling van de bezoldiging volgens de voorwaarden, tijd en op de plaats die overeengekomen werden;
   4° besteedt de nodige aandacht en zorg aan de personeelsleden, inzonderheid de beginnende personeelsleden;
   5° zorgt, als een goed huisvader, voor het onderhoud van de werkinstrumenten die tot de personeelsleden behoren en waarvan hij de aanwezigheid op de werkplek heeft toegelaten. Deze instrumenten blijven de eigendom van de personeelsleden;
   6° behandelt het personeelslid met waardigheid en hoffelijkheid en gaat na of dit wel degelijk gebeurt en zorgt ervoor dat er geen vorm van ongewenst gedrag plaatsvindt of toegelaten wordt.]1

  
Art. 4bis. [1 Le pouvoir organisateur :
   1° fait travailler le membre du personnel dans les conditions et au temps convenus et sur le lieu de travail ainsi que sur tous les lieux qui peuvent y être assimilés pour toute activité en lien avec le projet pédagogique de l'établissement, notamment en mettant à sa disposition des instruments et des matières nécessaires à l'accomplissement du travail;
   2° conditions qui garantissent la sécurité et la santé du travailleur, et assure les premiers secours au membre du personnel en cas d'accident;
   3° assure le payement de la rémunération aux conditions, au temps et au lieu convenus;
   4° consacre l'attention et les soins nécessaires à l'accueil des membres du personnel, et en particulier des membres du personnel débutants;
   5° veille, en bon père de famille, à la conservation des instruments de travail appartenant aux membres du personnel et dont il a autorisé l'entrée sur le lieu de travail. Ces instruments restent la propriété des membres du personnel;
   6° traite et s'assure que le membre du personnel est traité avec dignité et courtoisie et qu'aucune forme de harcèlement n'est admise ou tolérée à son égard.]1

  
Art. 4ter. [1 De inrichtende macht reikt het personeelslid alle sociale documenten uit, inzonderheid wanneer de aanstelling eindigt.]1
  
Art. 4ter. [1 Le pouvoir organisateur délivre au membre du personnel tous les documents sociaux, notamment lorsque la désignation prend fin.]1
  
Art. 4ter/1. [1 - Onverminderd naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen en afhankelijk van de realiteit van de inrichtende machten, hebben de personeelsleden recht op deconnectie.
  De voorwaarden voor dit recht en de invoering van mechanismen voor de regulering van het gebruik van digitale hulpmiddelen, met het oog op de eerbiediging van de rusttijden en het evenwicht tussen privé- en beroepsleven, worden door de Regering vastgesteld op voorstel van de bevoegde centrale paritaire comités.
  De in het vorige lid bedoelde voorwaarden en mechanismen moeten ten minste voorzien in:
  - de praktische voorwaarden voor de toepassing van het recht van het personeelslid om buiten zijn werktijd niet bereikbaar te zijn;
  - instructies voor het gebruik van digitale hulpmiddelen die ervoor zorgen dat de rusttijden, het verlof en het privé- en gezinsleven van het personeelslid gewaarborgd zijn;
  - opleidingen en bewustmakingsacties voor personeelsleden over het rationeel gebruik van digitale hulpmiddelen en de risico's die gepaard gaan met overmatige connectie.]1

  
Art. 4ter/1. [1 - Sans préjudice des éventuels cas d'urgence dûment justifiés, et en fonction de la réalité des pouvoirs organisateurs, les membres du personnel bénéficient d'un droit à la déconnexion.
  Les modalités de ce droit et la mise en place de dispositifs de régulation de l'utilisation des outils numériques, en vue d'assurer le respect des temps de repos ainsi que de l'équilibre entre la vie privée et la vie professionnelle, sont fixées par le Gouvernement sur proposition des Commissions paritaires centrales compétentes.
  Les modalités et dispositifs visés à l'alinéa précédent doivent, au minimum, prévoir :
  - les modalités pratiques pour l'application du droit du membre du personnel de ne pas être joignable en dehors de ses horaires de travail ;
  - les consignes relatives à un usage des outils numériques qui assurent que les périodes de repos, les congés, la vie privée et familiale du membre du personnel soient garantis ;
  - des formations et des actions de sensibilisation aux membres du personnel quant à l'utilisation raisonnée des outils numériques et les risques liés à une connexion excessive.]1

  
Afdeling 2. [1 Plichten van het personeelslid]1
Section 2. [1 - Devoirs du membre du personnel]1
Art. 5. Dit hoofdstuk is van toepassing op de tijdelijk aangestelde en vastbenoemde personeelsleden.
Art. 5. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel désignés à titre temporaire et nommés à titre définitif.
Art. 6. De personeelsleden moeten in alle omstandigheden bestendig zorg dragen voor de belangen van het onderwijs van de inrichtgende macht waar zij hun ambt uitoefenen.
  [1 Ze moeten de loyaliteitsplicht nakomen, waarbij de beginselen bedoeld in artikel 8, derde lid, moeten worden nageleefd.]1
  
Art. 6. Les membres du personnel doivent, en toutes circonstances, avoir le souci constant des intérêts de l'enseignement du pouvoir organisateur où ils exercent leurs fonctions.
  [1 Ils sont tenus à un devoir de loyauté, impliquant le respect des principes visés à l'article 8, alinéa 3.]1
  
Art. 7. Bij de uitoefening van hun ambt vervullen de personeelsleden persoonlijk en nauwgezet de verplichtingen die hun door de wetten, besluiten en reglementen, door de aanvullende regels van de paritaire commissies en door de aanstellingsakte worden opgelegd.
Art. 7. Dans l'exercice de leur fonction, les membres du personnel accomplissent personnellement et consciencieusement les obligations qui leur sont imposées par les lois, décrets, arrêtés et règlements, par les règles complémentaires des commissions paritaires et par l'acte de désignation.
Art. 8. De personeelsleden zijn ertoe gehouden zich volkomen korrekt te gedragen in dienstverband alsmede in hun betrekkingen met de ouders van leerlingen en met alle personen buiten de dienst.
  Zij moeten alles vermijden wat de eer of waardigheid van hun ambt in het gedrang kan brengen.
  [1 Zowel bij de uitoefening van hun ambt als buiten deze, moeten ze zich onthouden van elke daad of verklaring die duidelijk in strijd is met één van de belangrijkste beginselen van het democratische stelsel, alsook van elke daad of verklaring die het vertrouwen van het publiek in het door de Franse Gemeenschap verstrekte onderwijs ernstig zou kunnen aantasten.
   De belangrijkste beginselen van het democratische stelsel worden vermeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, Titel II van de Grondwet, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden, alle regelingen tegen discriminatie, waaronder het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 december 2008 betreffende de bestrijding van sommige vormen van discriminatie alsook de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd.]1

  [2 De personeelsleden onthouden zich van elke vorm van fysiek of psychisch geweld tegen leerlingen.]2
  
Art. 8. Les membres du personnel sont tenus à la correction la plus stricte tant dans leurs rapports de service que dans leurs relations avec les parents des élèves et toute autre personne étrangère au service.
  Ils doivent éviter tout ce qui pourrait compromettre l'honneur ou la dignité de leur fonction.
  [1 Tant dans l'exercice de leurs fonctions qu'en dehors de celles-ci, ils s'abstiennent de tout comportement ou propos qui entre en contradiction manifeste avec l'un des principes essentiels du régime démocratique, ainsi que de tout comportement ou propos qui pourrait porter gravement atteinte à la confiance du public dans l'enseignement dispensé en Communauté française.
   Les principes essentiels du régime démocratique sont énoncés dans la Convention européenne de sauvegarde des droits de homme et des libertés fondamentales, la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne, la Convention relative aux droits de l'enfant, le Titre II de la Constitution, la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie, l'ensemble des législations anti-discriminations parmi lesquelles le décret de la Communauté française du 12 décembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discriminations ainsi que la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national socialiste allemand pendant la seconde guerre mondiale.]1

  [2 Les membres du personnel s'abstiennent de toute forme de violence physique ou psychique à l'égard des élèves. ]2
  
Art. 9. Zij mogen de leerlingen of studenten niet aan politieke, godsdienstige of filosofische propaganda of aan handelsreklame blootstellen.
Art. 9. Ils ne peuvent exposer les élèves ou étudiants à des actes de propagande politique, religieuse ou philosophique, ou de publicité commerciale.
Art. 10. De personeelsleden moeten, binnen de perken vastgesteld door de regeling, de aanvullende regels van de bevoegde paritaire commissie en hun aanstellingsakte, de prestaties verstrekken die nodig zijn voor de goede gang van de inrichtingen waar zij hun ambt uitoefenen.
  Zij mogen de uitoefening van hun ambt niet zonder voorafgaande machtiging van de inrichtende macht of van de vertegenwoordiger ervan onderbreken.
Art. 10. Les membres du personnel doivent fournir, dans les limites fixées par la réglementation, par les règles complémentaires de la commission paritaire compétente et par leur acte de désignation, les prestations nécessaires à la bonne marche des établissements où ils exercent leurs fonctions.
  Ils ne peuvent suspendre l'exercice de leurs fonctions sans autorisation préalable du pouvoir organisateur ou de son représentant.
Art. 10bis. [1 De personeelsleden moeten, binnen de perken bepaald in de reglementering, de aanvullende regels van het bevoegde paritair comité en hun akte van aanwijzing, deel nemen aan het opmaken van de sturingsplannen en aan de uitvoering van de doelstellingenovereenkomsten of de ontwikkeling van aanpassingsstelsels en de uitvoering van de samenwerkingsprotocollen bedoeld in de artikelen 67 en 68 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.]1
  
Art. 10BIS. [1 Les membres du personnel doivent participer, dans les limites fixées par la réglementation, par les règles complémentaires de la commission paritaire compétente et par leur acte de désignation, à l'élaboration des plans de pilotage et à la mise en oeuvre des contrats d'objectifs ou à l'élaboration des dispositifs d'ajustement et à la mise en oeuvre des protocoles de collaboration visés par les articles 67 et 68 du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre.]1
  
Art. 11. De personeelsleden mogen de feiten waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun ambt en die een geheim karakter hebben, niet onthullen.
Art. 11. Les membres du personnel ne peuvent révéler les faits dont ils auraient eu connaissance en raison de leurs fonctions et qui auraient un caractère secret.
Art. 12. De personeelsleden mogen noch rechtstreeks noch door een tussenpersoon, zelfs buiten hun functie maar op grond hiervan, giften, geschenken, gunsten of welke voordeel ook vragen, eisen of verkrijgen.
Art. 12. Les membres du personnel ne peuvent solliciter, exiger ou recevoir directement ou par personne interposée, même en dehors de leurs fonctions, mais à raison de celles-ci, des dons, cadeaux, gratifications ou avantages quelconques.
Art. 13. Zij mogen geen werkzaamheid uitoefenen die in strijd is met de Grondwet en de wetten van het Belgisch volk of die de vernietiging van 's lands onafhankelijkheid nastreeft of de landsverdediging of de uitvoering van de verbintenissen van België ter bevordering van zijn veiligheid, in het gedrang brengt. Zij mogen geen lid worden van, noch hun medewerking verlenen aan een beweging, een vereniging of een verbond met een gelijkaardig doel.
Art. 13. Ils ne peuvent se livrer à aucune activité qui est en opposition avec la Constitution, les lois du peuple belge qui poursuit la destruction de l'indépendance du pays ou qui met en danger la défense nationale ou l'exécution des engagements de la Belgique en vue d'assurer sa sécurité. Ils ne peuvent adhérer ni prêter leur concours à un mouvement, groupement, organisation ou association ayant une activité de même nature.
Art. 14. De personeelsleden moeten de in de aanstellingsakte omschreven verplichtingen in acht nemen, die voortvloeien uit de specifieke aard van het opvoedkundig project van de inrichtende macht waar zij hun ambt uitoefenen.
Art. 14. Les membres du personnel doivent respecter les obligations, fixées par écrit dans l'acte de désignation, qui découlent du caractère spécifique du projet éducatif du pouvoir organisateur auprès duquel ils exercent leurs fonctions.
Afdeling 3. [1 - Onverenigbaarheden]1
Section 3. [1 - Incompatibilités]1
Art. 15. Is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van een inrichting van het officieel gesubsidieerd onderwijs elke bezigheid die van die aard is dat ze schadelijk kan zijn voor de uitoefening van de plichten die voortvloeien uit de specifieke aard van het opvoedkundig project van deze inrichtende macht of die in strijd is met de waardigheid van het ambt.
  De in lid 1 bedoelde onverenigbaarheden worden in elke aanstellings- of benoemingsakte vermeld.
Art. 15. Est incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement de l'enseignement officiel subventionné, toute occupation qui serait de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs qui découlent du caractère spécifique du projet éducatif de ce pouvoir organisateur ou qui serait contraire à la dignité de la fonction.
  Les incompatibilités visées à l'alinéa 1er sont indiquées dans tout acte de désignation ou de nomination.
Art. 16. Bij betwisting omtrent het bestaan van een in artikel 15 vermelde onverenigbaarheid mag de inrichtende macht of het personeelslid het advies van de plaatselijke paritaire commissie inwinnen.
  Binnen de dertig dagen wordt een advies uitgebracht.
Art. 16. En cas de contestation sur l'existence d'une incompatibilité mentionnée à l'article 15, le pouvoir organisateur ou le membre du personnel peuvent demander l'avis de la commission paritaire locale.
  L'avis est donné dans les trente jours.
Art. 17. De bij artikel 75 ingestelde raad van beroep onderzoekt het beroep inzake onverenigbaarheid.
  Wanneer het aan de paritaire commissie gevraagde advies is ingewonnen of bij het verstrijken van de in artikel 16, lid 2 bedoelde termijn van 30 dagen, maakt het personeelslid of de inrichtende macht het dossier aanhangig bij de raad van beroep die een advies uitbrengt.
  De eindbeslissing van de inrichtende macht stemt met het in lid 2 bedoelde advies overeen.
Art. 17. La Chambre de recours instituée par l'article 75 connaît des recours introduits en matière d'incompatibilités.
  Lorsque l'avis demandé à la commission paritaire a été obtenu, ou à l'expiration du délai de 30 jours visé à l'article 16, alinéa 2, le membre du personnel ou le pouvoir organisateur saisit la Chambre de recours qui se prononce par voie d'avis.
  La décision finale du pouvoir organisateur se conforme à l'avis visé à l'alinéa 2.
HOOFDSTUK III. - Werving.
CHAPITRE III. - Recrutement.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 18. De wervingsambten mogen door de tijdelijk aangestelde of vastbenoemde personeelsleden worden uitgeoefend.
Art. 18. Les fonctions de recrutement peuvent être exercées par les membres du personnel désignés à titre temporaire ou nommés à titre définitif.
Art. 19. Bij zijn eerste aanstelling in het onderwijs legt het personeelslid de eed af overeenkomstig de door de Regering vastgestelde regels ter uitvoering van artikel 28, 5° van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
Art. 19. Lors de sa première désignation dans l'enseignement, le membre du personnel prête serment suivant les règles fixées par le Gouvernement en exécution de l'article 28, 5°, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.
Afdeling 2. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijk personeel.
Section 2. - Désignation à titre temporaire et personnel temporaire.
Art. 20. § 1. [1 ...]1
  § 2. De inrichtende macht mag pas een personeelslid tijdelijk aanstellen wanneer ze de reglementering inzake de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de reaffectatie in acht genomen heeft.
  § 3. [2 In het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie, bij nieuwaanwerving, gaat de inrichtende macht over tot de tijdelijke aanstelling met inachtneming van de regels vastgesteld in hoofdstuk 4 van titel 1 van het decreet van 11 april 2014.]2
  
Art. 20. § 1. [1 ...]1
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à la désignation d'un membre du personnel temporaire qu'après avoir respecté la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation.
  § 3. [2 Dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, au primo-recrutement, le pouvoir organisateur procède à la désignation à titre temporaire dans le respect des règles fixées au chapitre 4 du titre 1er du décret du 11 avril 2014.]2
  
Art. 21. Elke aanstelling in een wervingsambt gebeurt schriftelijk en vemeldt ten minste :
  1° de identiteit van de inrichtende macht;
  2° de identiteit van het personeelslid;
  3° het uit te oefenen ambt, alsmede de aard en de omvang van de opdracht;
  4° of de betrekking al dan niet vacant is en, in dit laatste geval, de naam van de titularis van de betrekking en eventueel die van zijn tijdelijke vervanger;
  5° in voorkomend geval de in de artikel 7 en 14 bedoelde aanvullende verplichtingen, alsmede de in artikel 15 bedoelde onverenigbaarheden;
  6° de datum van indiensttreding;
  7° de datum waarop de aanstelling een einde neemt. Deze datum stemt uiterlijk met het einde van het lopende schooljaar overeen.
  Op het ogenblik van de aanstelling geeft de inrichtende macht aan de tijdelijke een geschreven akte af waarop de in lid 1 bepaalde vermeldingen voorkomen. Bij gebrek aan een geschreven stuk wordt het personeelslid geacht, in het ambt, de opdracht en de betrekking die hij werkelijk bekleedt aangesteld te zijn.
Art. 21. Chaque désignation dans une fonction de recrutement est faite par écrit et mentionne au moins :
  1° l'identité du pouvoir organisateur;
  2° l'identité du membre du personnel;
  3° la fonction à exercer ainsi que les caractéristiques et le volume de la charge;
  4° si l'emploi est vacant ou non et, dans ce dernier cas, le nom du titulaire de l'emploi et, le cas échéant, celui de son remplaçant temporaire;
  5° le cas échéant, les obligations complémentaires visées aux articles 7 et 14 ainsi que les incompatibilités visées à l'article 15;
  6° la date d'entrée en service;
  7° la date à laquelle la désignation prend fin. Cette date correspond, au plus tard, à la fin de l'année scolaire en cours.
  Au moment de la désignation, le pouvoir organisateur délivre au temporaire un acte écrit reprenant les mentions prévues à l'alinéa 1er. En l'absence d'écrit, le membre du personnel est réputé être désigné dans la fonction, la charge est l'emploi qu'il occupe effectivement.
Art. 22. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt neemt van ambtswege een einde voor de gehele opdracht of voor een deel ervan :
  1° op het ogenblik dat de titularis van de betrekking of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, terugkeert;
  2° op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk personeelslid volledig of gedeeltelijk aan een ander personeelslid wordt toegekend, hetzij :
  a) door toepassing van de regeling betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en de reaffectatie;
  b) bij toepassing van artikel 29, § 1;
  c) bij toepassing van artikel 29, § 2;
  (cbis ) bij toepassing van artikel 29bis, § 1;
  cter) bij toepassing van artikel 29bis, § 2;)
  d) door een vaste benoeming;
  e) door toewijzing van een definitief vacant geworden betrekking aan een prioritair tijdelijke;
  3° vanaf de datum van ontvangst van de brief waarbij de Franse Gemeenschap die de weddetoelge toekent, meedeelt dat het uitgeoefende ambt niet meer volledig of gedeeltelijk gesubsidieerd mag worden;
  4° op de in de aanstellingsakte vermelde termijn en uiterlijk op het einde van het schooljaar tijdens welk de aanstelling gebeurde [1 en voor het administratief personeel, de dag vóór het nieuwe schooljaar volgend op dat tijdens welk de aanstelling gebeurde;]1;
  5° vanaf de ontvangst van het advies van de sociaal-medische rijksdienst waarbij het tijdelijk personeelslid definitief ongeschikt wordt bevonden.
  De tijdelijke aanstelling in een wervingsambt neemt ook een einde, voor een gedeeltelijke of een volledige opdracht, door opzegging overeenkomstig de artikelen 25, 26 en 27 of in gemeen overleg, of met toepassing van artikel 25, § 2.
  
Art. 22. Une désignation à titre temporaire dans une fonction de recrutement prend fin d'office pour l'ensemble ou pour une partie de la charge :
  1° au moment du retour du titulaire de l'emploi ou du membre du personnel qui le remplace temporairement;
  2° au moment où l'emploi du membre du personnel temporaire est attribué totalement ou partiellement à un autre membre du personnel, soit :
  a) par application de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation;
  b) par application de l'article 29, § 1er;
  c) par application de l'article 29, § 2;
  (cbis) par application de l'article 29bis, § 1er;
  cter) par application de l'article 29bis, § 2;)
  d) par nomination définitive;
  e) par attribution de l'emploi devenu définitivement vacant à un temporaire prioritaire;
  3° à partir de la date de réception de la dépêche par laquelle la Communauté française qui octroie la subvention-traitement communique que la fonction exercée ne peut plus être subventionnée entièrement ou partiellement;
  4° au terme indiqué dans l'acte de désignation et, au plus tard, à la fin de l'année scolaire au cours de laquelle la désignation a été faite [1 et pour le personnel administratif, à la veille de la nouvelle année scolaire qui suit celle au cours de laquelle la désignation a eu lieu;]1;
  5° à partir de la réception de l'avis de l'Office médico-social de l'Etat déclarant le membre du personnel temporaire définitivement inapte.
  Une désignation à titre temporaire dans une fonction de recrutement prend également fin pour l'ensemble ou pour une partie de la charge, soit moyennant préavis donné conformément aux articles 25, 26 et 27, soit de commun accord, soit en application de l'article 25, § 2.
  
Art. 23. Na afloop van elke bezigheidsperiode overhandigt de inrichtende macht het personeelslid een attest waarbij de bewezen diensten per uitgeoefend ambt, met begin- en einddatum vermeld worden, alsook de aard van het ambt en de tewerkstellingsgraad van de betrekking.
Art. 23. A l'issue de toute période d'activité, le pouvoir organisateur remet au membre du personnel temporaire une attestation mentionnant les services accomplis par fonction exercée, avec dates de début et de fin, ainsi que la nature de la fonction et le taux d'occupation de l'emploi.
Art. 24. § 1. Voor elke aanstelling als tijdelijk personeelslid in een ambt waarvoor hij het in artikel 2 bepaalde bekwaamheidsbewijs bezit, is elk personeelslid prioritair in een inrichtende macht en komt het voor in een rangschikking binnen deze inrichtende macht als het 360 dagen werkelijk bewezen diensten in een ambt van de betrokken categorie als hoofdambt bij deze inrichtende macht kon doen gelden; deze diensten moeten gespreid zijn over minstens twee schooljaren en tijdens de laatste vijf schooljaren verstrekt zijn.
  (De diensten geleverd bij de inrichtende macht door de niet-statutaire personeelsleden worden gelijkgesteld met de diensten bedoeld in lid 1 onder dezelfde voorwaarden, maar met een reductiecoëfficiënt vermeld in artikel 34, § 2 voor hetgeen de eerste 1200 dagen betreft.)
  (In afwijking van lid 1 :
  - mag het personeelslid in het kleuter- en lager onderwijs zich slechts beroepen op 360 dagen verworven in een ambt van dezelfde categorie om prioritair te worden in dat ambt of elk ander ambt waarvoor hij het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit;
  - komen in aanmerking in de rangschikking van de prioritaire personeelsleden in het secundair onderwijs :
  1° elk personeelslid dat 360 dienstdagen telt in een ambt van de betrokken categorie en het bekwaamheidsbewijs bezit dat voor het gesolliciteerde ambt vereist is;
  2° elk personeelslid dat onder de vereiste 360 dagen ten minste 180 dienstdagen telt in het ambt waarnaar hij solliciteert [1 en waarvoor hij een voldoend bewijs [4 of een ander bekwaamheidsbewijs dat ook voldoet aan de voorwaarden van artikel 36, § 3, van het decreet van 11 april 2014]4 bezit. Voor de onderwijzende ambten moet het personeelslid houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;]1
  [1 - in het secundair onderwijs voor sociale promotie, wordt opgenomen in de rangschikking van de prioritaire personeelsleden, elk personeelslid dat, in de 360 vereiste dagen, 240 dienstdagen telt in het betrokken ambt en dat over [4 het vereist, voldoend bekwaamheidsbewijs of een ander bekwaamheidsbewijs dat ook voldoet aan de voorwaarden van artikel 36, lid 3, van het decreet van 11 april 2014]4 beschikt. Voor de onderwijzende ambten moet het personeelslid houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs;]1
  (- in [1 het hoger onderwijs voor sociale promotie]1, wordt opgenomen in de rangschikking van de prioritairen, elk personeelslid dat, in de 360 vereiste dagen, 240 dienstdagen telt in het betrokken ambt.)
  De aanstellingen gebeuren met inachtneming van de rangschikking.
  Deze wordt, overeenkomstig artikel 34, op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit berekend.)
  De aanstellingen gebeuren met inachtneming van de rangschikking, opgemaakt op grond van het aantal dagen dienstanciënniteit, berekend overeenkomstig artikel 34.
  § 2. (Behalve in het voorschools en lager onderwijs komt elk vastbenoemd personeelslid dat toegang wenst te hebben tot een ander ambt van dezelfde categorie, [1 waarvoor het een voldoend bekwaamheidsbewijs [4 "of een ander bekwaamheidsbewijs dat ook voldoet aan de voorwaarden van artikel 36, § 3 van het decreet van 11 april 2014]4 bezit]1 en waarin het ten minste 180 dagen ambtanciënniteit telt, op eigen aanvraag in de rangschikking van de prioritaire personeelsleden voor.)
  [1 ...]1
  [1 In het secundair onderwijs, voor de onderwijzende ambten, moet het personeelslid houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.
   In het secundair onderwijs voor sociale promotie, moet het personeelslid bedoeld bij het eerste lid in dat onderwijs vastbenoemd zijn en voor de onderwijzende ambten, houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.]1

  [3 § 2bis. Zodra de in § 1 bedoelde lijst van prioritaire kandidaten is uitgeput, en overeenkomstig de door de plaatselijke paritaire comités vastgestelde procedures, is de inrichtende macht verplicht een betrekking in hetzelfde ambt aan te bieden aan een tijdelijke personeelslid dat zijn opdracht binnen het gesubsidieerde officiële onderwijsstelsel geheel of gedeeltelijk heeft verloren, mits hij houder is van het in artikel 2 bedoelde bekwaamheidsbewijs en binnen het gesubsidieerde officiële onderwijsstelsel een anciënniteit heeft verworven die vergelijkbaar is met die van de in § 1 bedoelde prioritaire kandidaten.
   Voor de toepassing van lid 1 moet het personeelslid binnen de inrichtende macht die hem/haar de betrekking toewijst, over een anciënniteit beschikken van 90 dagen over ten minste twee schooljaren in de afgelopen vijf jaar.]3

  § 3. Na uitputting van de lijst van de in § 1 bedoelde prioritaire kandidaten [3 en tijdelijke niet-prioritaire personen bedoeld in § 2bis]3 en volgens de door de plaatselijke paritaire commissies vastgelegde voorwaarden is de inrichtende macht ertoe gehouden de in een niet-gesubsidieerde betrekking geworven personeelsleden elke gesubsidieerde betrekking van hetzelfde ambt aan te bieden, mits zij houder zijn van het in artikel 2 bedoelde bekwaamheidsbewijs en bij de uitoefening van een niet-gesubsidieerde betrekking een anciënniteit verworven hebben die kan worden vergeleken met die van de in § 1 bedoelde prioritaire personeelsleden.
  [1 In het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie moet, voor de onderwijzende ambten, het personeelslid houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.]1
  Na voltooiing van de in lid 1 bepaalde procedures kiest de inrichtende macht onder de kandidaten wanneer verschillende niet-prioritaire kandidaten naar hetzelfde ambt dingen.
  § 4. Na uitputting van de eventuele beroepsprocedures worden de diensten waaraan een einde wordt gemaakt door afdanking niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in § 1 bedoelde 360 dagen dienst bij de inrichtende macht die een einde heeft gemaakt aan het ambt, behalve indien deze inrichtende macht het afgedankte personeelslid weer in dienst neemt.
  § 5. De [3 in §§ 1, 2bis en 3]3, lid 1 bedoelde voorrang geldt voor ale betrekkingen die vacant zijn, alsmede voor betrekkingen die niet vacant zijn maar waarvan de titularis of het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt, voor een ononderbroken aanvangsperiode van ten minste vijftien weken moet worden vervangen.
  § 6. De [3 in §§ 1, leden 1, 2bis en 3]3, lid 1 bedoelde kandidaten die van hun voorrangsrecht gebruik wensen te maken, moeten op straffe van verlies van dit recht voor het betrokken schooljaar, hun kandidatuur per aangetekende brief [5 of langs elektronische weg volgens de in de plaatselijke paritaire commissie vastgestelde procedures]5 indienen vóór 31 mei bij de inrichtende macht waar zij voorrang hebben verworven. Die brief vermeldt het ambt waarop de kandidatuur betrekking heeft.
  § 7. De handeling waarbij de kandidaat zijn voorrang doet gelden, geldt voor het volgende schooljaar. De kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem overeenkomstig de voorrangsregels aangeboden wordt, kan zijn voorrang voor deze betrekking niet meer doen gelden tijdens het lopende schooljaar, behalve indien hij door de lokale paritaire commissies aanvaarde motieven kan doen gelden.
  § 8. De [3 in §§ 1 en 2bis]3 bedoelde anciënniteit wordt op de laatste dag van het school- of academiejaar volgens de in artikel 34 vastgestelde regels berekend.
  § 9. Op gewoon verzoek van de kandidaten en tegen terugbetaling van de verzendingskosten deelt het bevoegde bestuur van het departement de lijst mee van de gesubsideerde scholen of inrichtingen, met vermelding van de inrichtende macht die ze per provincie en per niveau en onderwijsvorm organiseert.
  (Lid 2 opgeheven)
  
Art. 24. § 1er. Pour toute désignation en qualité de membre du personnel temporaire, dans une fonction pour laquelle il possède le titre de capacité prévu à l'article 2, est prioritaire dans un pouvoir organisateur et entre dans un classement au sein de ce pouvoir organisateur, le membre du personnel qui peut faire valoir 360 jours de service effectivement accomplis dans une fonction de la catégorie en cause en fonction principale auprès de ce pouvoir organisateur et répartis sur deux années scolaires au moins et acquis au cours des cinq dernières années scolaires.
  (Les services rendus auprès du pouvoir organisateur par les membres du personnel non statutaire sont assimilés aux services visés à l'alinéa 1er aux mêmes conditions, mais selon un coefficient réducteur précisé à l'article 34, § 2 en ce qui concerne les 1200 premiers jours.)
  (Par dérogation à l'alinéa premier,
  - dans l'enseignement préscolaire et primaire, le membre du personnel ne peut se prévaloir des 360 jours acquis dans une fonction de la même catégorie que pour devenir prioritaire dans cette fonction ou toute autre fonction pour laquelle il possède le titre requis,
  - dans l'enseignement secondaire, entrent dans le classement des prioritaires :
  1° tout membre du personnel qui compte 360 jours de service dans une fonction de la catégorie en cause et qui possède le titre requis pour la fonction qu'il postule ;
  2° tout membre du personnel qui compte, parmi les 360 jours exigés, 180 jours au moins de service dans la fonction qu'il postule [1 et pour laquelle il possède un titre suffisant [4 ou un autre titre remplissant en outre les conditions fixées par l'article 36, § 3 du décret du 11 avril 2014]4. Pour les fonctions enseignantes, le membre du personnel doit être porteur d'un titre pédagogique;]1
  [1 - dans l'enseignement secondaire de promotion sociale, entrent dans le classement des prioritaires, tout membre du personnel qui compte, parmi les 360 jours exigés, 240 jours de service dans la fonction visée et qui possède [4 soit le titre requis, soit le titre suffisant, soit un autre titre remplissant en outre les conditions fixées par l'article 36, § 3 du décret du 11 avril 2014]4. Pour les fonctions enseignantes, le membre du personnel doit être porteur d'un titre pédagogique;]1
  (- dans l'enseignement [1 supérieur]1 de promotion sociale, entre dans le classement des prioritaires, tout membre du personnel qui compte, parmi les 360 jours exigés, 240 jours de service dans la fonction visée.)
  Les désignations se font dans le respect du classement.
  Celui-ci est établi sur la base du nombre de jours d'ancienneté de service calculé conformément à l'article 34.)
  Les désignations se font dans le respect du classement. Celui-ci est établi sur base du nombre de jours d'ancienneté de service calculé conformément à l'article 34.
  § 2. (Sauf dans l'enseignement préscolaire et primaire, tout membre du personnel nommé à titre définitif qui souhaite accéder à une autre fonction de la même catégorie et pour laquelle il possède un [1 titre suffisant]1 [4 ou un autre titre remplissant en outre les conditions fixées par l'article 36, § 3 du décret du 11 avril 2014,]4 et dans laquelle il a au moins 180 jours d'ancienneté de fonction, figurera, à sa demande, dans le classement des prioritaires.)
  [1 ...]1
  [1 Dans l'enseignement secondaire, pour les fonctions enseignantes, le membre du personnel doit être porteur d'un titre pédagogique.
   Dans l'enseignement secondaire de promotion sociale, le membre du personnel visé à l'alinéa 1er doit être nommé à titre définitif dans cet enseignement et pour les fonctions enseignantes, être porteur d'un titre pédagogique.]1

  [3 § 2bis. Après épuisement de la liste des candidats prioritaires visés au § 1er, et suivant les modalités fixées par les commissions paritaires locales, le pouvoir organisateur est tenu d'offrir un emploi dans la même fonction, au prorata du nombre de périodes perdues, à un membre du personnel temporaire qui a perdu totalement ou en partie la charge qu'il prestait au sein de l'enseignement officiel subventionné, et pour autant qu'il soit porteurs du titre de capacité visé à l'article 2 et qu'il ait acquis au sein de l'enseignement officiel subventionné une ancienneté comparable aux prioritaires visés au § 1er.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, le membre du personnel doit compter, au sein du Pouvoir organisateur qui lui attribue l'emploi, 90 jours d'ancienneté de service sur deux années scolaires au moins au cours des 5 dernières années.]3

  § 3. Après épuisement de la liste des candidats prioritaires visés au § 1er [3 et temporaires non prioritaires visés au § 2bis]3, et suivant des modalités fixées par les commissions paritaires locales, le pouvoir organisateur est tenu d'offrir aux membres du personnel engagés dans un emploi non-subventionné, tout emploi subventionné de la même fonction, pour autant qu'ils soient porteurs du titre de capacité visé à l'article 2 et qu'ils aient acquis dans l'exercice d'un emploi non-subventionné une ancienneté comparable aux prioritaires visés au § 1er.
  [1 Dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, pour les fonctions enseignantes, le membre du personnel doit être porteur d'un titre pédagogique.]1
  Après achèvement des procédures prévues à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur choisit parmi les candidats quand plusieurs candidats dans le groupe non prioritaire se présentent pour la même fonction.
  § 4. Après épuisement des éventuelles procédures de recours, les services auxquels il est mis fin par un licenciement ne sont pas pris en considération pour le calcul des 360 jours de service visés au § 1er auprès du pouvoir organisateur qui a mis fin aux fonctions, sauf si celui-ci réengage le membre du personnel licencié.
  § 5. La priorité visée [3 aux §§ 1er, 2bis et 3]3, alinéa 1er est valable pour tous les emplois qui sont vacants ainsi que pour des emplois qui ne sont pas vacants et dont le titulaire ou le membre du personnel qui le remplace temporairement, doit être remplacé pour une période initiale ininterrompue d'au moins quinze semaines.
  § 6. Les candidats visés [3 aux §§ 1er, alinéa 1er, 2bis et 3]3, alinéa 1er qui souhaitent faire usage de leur droit de priorité, doivent, à peine de forclusion pour l'année scolaire concernée, introduire leur candidature par lettre recommandée [5 ou par voie électronique selon les modalités fixées au sein de la commission paritaire locale]5, avant le 31 mai, auprès du pouvoir organisateur auprès duquel ils ont acquis une priorité. Cette lettre mentionne la fonction à laquelle se rapporte la candidature.
  § 7. L'acte par lequel le candidat fait valoir sa priorité est valable pour l'année scolaire suivante. Le candidat qui n'accepte pas l'emploi qui lui est offert conformément aux règles de priorité perd sa priorité pour un emploi de la même fonction pendant l'année scolaire en cours, sauf s'il peut faire valoir des motifs admis par les commissions paritaires locales.
  § 8. L'ancienneté visée [3 aux §§ 1er et 2bis]3 est calculée au dernier jour de l'année scolaire ou académique selon les modalités prévues à l'article 34.
  § 9. Sur simple demande des candidats, et contre remboursement des frais d'envoi, l'administration compétente du département procure la liste des écoles ou établissements subventionnés avec mention du pouvoir organisateur qui les organise, par province et par niveau et forme d'enseignement.
  (Alinéa 2 abrogé)
  
Art. 24bis. <INGEVOEGD bij DFG 2003-05-08/49, art. 95; Inwerkingtreding : 01-09-2002> Overeenkomstig artikel 1, 1° en 2°, wordt het personeelslid in moederschapsrust, met ziekteverlof of in arbeidsonbekwaamheid wegens arbeidsongeluk aangesteld als prioritaire tijdelijke bij toepassing van artikel 24.
  [1 Het aantal dagen bedoeld in artikel 19 van het decreet 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit of in artikel 9 van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, wordt toegekend aan het personeelslid vanaf het moment waarop het voor het eerst zijn ambt bekleedt na zijn aanstelling en wordt berekend vanaf dat moment.]1
  De afwezigheden wegens ziekte van een personeelslid aangesteld overeenkomstig lid 1, worden aangerekend op het aantal dagen die hij kan genieten bij toepassing van artikel 20 van hetzelfde decreet.
  [1 In afwijking van het derde lid worden voor het administratief personeel de afwezigheden wegens ziekte van een personeelslid aangesteld overeenkomstig het eerste lid in mindering gebracht op het aantal dagen waarop hij recht heeft met toepassing van artikel 9 van voornoemd koninklijk besluit van 8 december 1967]1
  
Art. 24bis. Conformément à l'article 1er, 1° et 2°, le membre du personnel en congé de maternité, malade ou en incapacité de travail causée par un accident du travail est désigné en qualité de temporaire prioritaire en application de l'article 24.
  [1 Le nombre de jours visé à l'article 19 du décret du 5 juillet 2000 fixant le régime des congés et de disponibilité pour maladie ou infirmité ou à l'article 9 de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat est accordé au membre du personnel à partir de la première prise de fonction qui suit sa désignation et est calculé à compter de cette prise de fonction effective.]1
  Les absences pour maladie d'un membre du personnel désigné conformément à l'alinéa 1er sont imputées au nombre de jours dont il peut bénéficier en application de l'article 20 du même décret.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 3, pour le personnel administratif, les absences pour maladie d'un membre du personnel désigné conformément à l'alinéa 1er sont imputées au nombre de jours dont il peut bénéficier en application de l'article 9 de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 susmentionné.]1
  
Art. 25. § 1. De inrichtende macht kan het tijdelijk aangestelde personeelslid onder de volgende voorwaarden ontslaan :
  1° het niet-prioritair personeelslid kan ontslagen worden met een opzeggingstermijn van veertien dagen.
  Deze afdanking wordt gemotiveerd, op straffe van nietigheid.
  (Voor de kennisgeving van elke ontslagverlening, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht gehoord te worden. De oproeping om gehoord te worden alsook de redenen waarom de inrichtende macht het personeelslid wenst te ontslaan, moeten hem ten minste vijf werkdagen voor het verhoor worden medegedeeld, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel door middel van een ter hand gesteld schrijven met ontvangstbewijs. Gedurende het verhoor kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid niet voor het verhoor verschijnt of er niet bij wordt vertegenwoordigd.)
  Het tijdelijk personeelslid dat zijn opzegging heeft gekregen, mag binnen de tien dagen na de betekening ervan tegen de beslissing tot afdanking beroep aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.
  Deze (instantie) verstrekt advies aan de inrichtende macht binnen een maximale termijn van 45 dagen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag van de inrichtende macht.
  De beslissing wordt genomen door de inrichtende macht binnen de dertig dagen na de ontvangst van het advies van de raad van beroep.
  (Het beroep heeft geen schortende werking.)
  2° (Indien hij prioritair tijdelijke is volgens artikel 24, § 1, wordt dezelfde procedure toegepast als bepaald in 1° maar het advies van de raad van beroep verbindt de inrichtende macht.)
  (In het kader van een beroep ingediend tegen een beslissing om ontslag moeten alle elementen in acht genomen worden door de Raad van beroep, met inbegrip, in voorkomend geval, van het inspectieverslag over de professionele en pedagogische bekwaamheden dat tot de procedure voor ontslag heeft geleid. De geldigheidsduur van dat verslag wordt beperkt tot een termijn van twaalf maanden die begint op de datum van de vaststelling ervan. Wanneer de procedure voor ontslag op basis van dat verslag ingesteld wordt binnen die termijn, blijft het verslag evenwel geldig tot op de datum waarop de definitieve beslissing om ontslag aan het personeelslid wordt meegedeeld.)
  § 2. De inrichtende macht kan zonder opzegging elk tijdelijk aangeworven personeelslid zonder opzegging wegens zware tekortkoming afdanken.
  Wordt beschouwd als zware tekortkoming elke tekortkoming die elke beroepssamenwerking tussen het personeelslid en de inrichtende macht onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.
  Vanaf het ogenblik dat de inrichtende macht kennis heeft van elementen die een zware tekortkoming kunnen uitmaken roept ze het personeelslid bij aangetekend schrijven op voor een verhoor dat ten vroegste (vijf werkdagen) en uiterlijk (tien werkdagen) na het opsturen van de oproepingsbrief moet plaatshebben.
  Indien de inrichtende macht na het verhoor van oordeel is dat voldoende elementen van zware tekortkoming voorhanden zijn, kan ze binnen drie dagen na het verhoor de afdanking uitspreken.
  De afdanking gaat gepaard met het bewijs van de werkelijkheid van de aangevoerde feiten.
  Ze wordt aan de andere partij betekend hetzij door een exploot van een gerechtsdeurwaarder hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft op de derde dag die op de datum van verzending volgt.
  Tijdens het verhoor kan het prsoneelslid bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advokaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden in actieve dienst of op rust gesteld of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbond.
Art. 25. § 1. Le pouvoir organisateur peut licencier un membre du personnel désigné à titre temporaire aux conditions suivantes :
  1° Le membre du personnel non prioritaire peut être licencié moyennant préavis d'une durée de quinze jours.
  Ce licenciement est motivé, sous peine de nullité.
  (Préalablement à la notification de tout licenciement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur. La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de licencier le membre du personnel doivent lui être notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.)
  Le membre du personnel temporaire mis en préavis, peut dans les dix jours de la notification du préavis, introduire un recours contre la décision de licenciement auprès de la Chambre de recours compétente.
  Cette (instance) transmet un avis au pouvoir organisateur dans un délai maximum de 45 jours à partir de la date de réception du recours.
  La décision est prise par le pouvoir organisateur dans les trente jours de la réception de l'avis de la Chambre de recours.
  (Le recours n'est pas suspensif.)
  2° (S'il est temporaire prioritaire au sens de l'article 24, § 1er, la même procédure que celle prévue au 1° est appliquée, mais l'avis de la Chambre de recours lie le pouvoir organisateur.)
  (Dans le cadre d'un recours introduit à l'encontre d'une décision de licenciement, tous les éléments doivent être pris en considération par la Chambre de recours, en ce compris, le cas échéant, le rapport d'inspection portant sur les compétences professionnelles et pédagogiques ayant conduit à la procédure de licenciement. La durée de validité de ce rapport est limitée à un délai de douze mois prenant cours à la date de son établissement. Toutefois, lorsque la procédure de licenciement est entamée sur la base de celui-ci, dans ce délai, le rapport demeure valable jusqu'à la date à laquelle la décision définitive de licenciement est notifiée au membre du personnel.)
  § 2. Le pouvoir organisateur peut licencier tout membre du personnel engagé à titre temporaire sans préavis, pour faute grave.
  Est considéré comme constituant une faute grave, tout manquement qui rend immédiatement est définitivement impossible toute collaboration professionnelle entre le membre du personnel et son pouvoir organisateur.
  Dès le moment où il a connaissance d'éléments susceptibles de constituer une faute grave, le pouvoir organisateur convoque par lettre recommandée à la poste, le membre du personnel à une audition qui doit avoir lieu au plus tôt (cinq jours ouvrables) et au plus tard (dix jours ouvrables) après l'envoi de la convocation.
  Si après l'audition, le pouvoir organisateur estime qu'il y a suffisamment d'éléments constitutifs d'une faute grave, il peut procéder dans les trois jours qui suivent l'audition au licenciement.
  Le licenciement est accompagné de la preuve de la réalité des faits reprochés.
  Il est notifié au membre du personnel, soit par exploit d'huissier, soit par lettre recommandée à l poste, laquelle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
  Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi (parmi) les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
Art. 26. Het tijdelijk aangesteld personeelslid mag ontslag nemen. Indien dat ontslag niet aanvaard wordt door de inrichtende macht, dan wordt het genomen met een opzegging van acht dagen.
Art. 26. Le membre du personnel désigné à titre temporaire peut démissionner. Si cette démission n'est pas acceptée par le pouvoir organisateur, elle est donnée moyennant un préavis de huit jours.
Art. 27. De beslissing tot afdanking wordt door de inrichtende macht aan het personeelslid betekend. Bij vrijwillige stopzetting deelt de tijdelijke aan de inrichtende macht dat hij beslist ontslag te nemen.
  Zonder kennisgeving worden dergelijke beslissingen als nietig beschouwd.
  Deze kennisgeving gebeurt door het overhandigen van een geschrift, door een ter post aangetekende brief of nog door een exploot van een gerechtsdeurwaarder.
  De handtekening aangebracht door degene aan wie het geschreven document werd overhandigd bewijst enkel dat hij de ontvangst van dit document bevestigt.
  De kennisgeving door verzending van een ter post aangetekende brief heeft uitwerking op de derde dag na de datum van verzending.
  Het geschrift vermeldt de aanvangsdatum van de opzegging die niet vroeger mag beginnen dan de datum van de overhandiging, en de duur ervan, indien het om een aanvaard ontslag gaat, vermeldt het de datum vanaf welke het uitwerking heeft.
Art. 27. La décision de licencier est notifiée par le pouvoir organisateur au membre du personnel. Dans le cas d'une cessation volontaire des fonctions, le temporaire notifie au pouvoir organisateur sa décision de démissionner.
  A défaut de notification, de telles décisions sont considérés comme non avenues.
  Cette notification est faite par la remise en main propre d'un document écrit, ou par l'envoi d'une lettre recommandée à la poste, ou encore par exploit d'huissier.
  La signature apposée par celui auquel le document écrit a été remis en main propre atteste seulement qu'il accuse réception de ce document.
  Si la notification est faite par l'envoi d'une lettre recommandée à la poste, elle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant celui où elle a été expédiée.
  L'écrit indique la date du début du préavis, qui ne peut être antérieure à la date de remise en main propre du document, et la durée de celui-ci; s'il s'agit d'une démission acceptée, il indique la date à partir de laquelle elle produit ses effets.
Art. 27bis. <INGEVOEGD bij DFG 1995-04-10/24, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1995> Voor de toepassing (van deze afdeling) dient onder inrichtende macht te worden verstaan :
  - in het door de steden en de gemeenten ingericht onderwijs, het college van burgemeester en schepenen;
  - in het door de provincies ingericht onderwijs, de bestendige deputatie van [2 het Provinciecollege]2;
  - in de onderwijsinrichtingen die onder de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn ressorteren, de Raad van die instellingen;
  - in de onderwijsinrichtingen die ressorteren onder de "Office de la Naissance et de l'Enfance", de raad van bestuur van deze instelling;
  - in de onderwijsinrichtingen die onder intercommunale verenigingen ressorteren, de raad van bestuur van die inrichtingen.
  [2 - in onderwijsinstellingen die onder de bevoegdheid van de inrichtende machten vallen die zijn opgericht krachtens het decreet van 17 november 2016 waarbij de Franse Gemeenschap wordt gemachtigd om zich te associëren met derden binnen een publiekrechtelijke rechtspersoon en door de oprichting, de samenstelling, de bevoegdheid, de werking en de controle, de raad van bestuur van deze inrichtingen vast te leggen.]2
  Elke aanstelling die door het college van burgemeester en schepenen wordt gedaan, wordt echter in een termijn van [1 negentig dagen]1 de gemeenteraad ter bekrachtiging voorgelegd.
  
Art. 27bis. Pour l'application (de la présente section), il y a lieu d'entendre par pouvoir organisateur :
  - dans l'enseignement organisé par les villes et les communes, le collège des bourgmestre et échevins ;
  - dans l'enseignement organisé par les provinces, [2 le collège provincial]2 ;
  - dans les établissements d'enseignement relevant des Centres publics d'aide sociale, le Conseil de ces institutions ;
  - dans les établissements d'enseignement relevant de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, le conseil d'administration de cette institution ;
  - dans les établissements d'enseignement relevant des associations intercommunales, le conseil d'administration de ces institutions;
  [2 - dans les établissements d'enseignement relevant de pouvoirs organisateurs créés en application du décret du 17 novembre 2016 autorisant la Communauté française à s'associer à des tierces parties au sein d'une personne morale de droit public et en fixant la création, la composition, la compétence, le fonctionnement et le contrôle, le conseil d'administration de ces établissements.]2
  Toutefois, toute désignation effectuée par le collège des bourgmestre et échevins est soumise à la ratification du conseil communal dans un délai de [1 nonante jours]1.
  
Afdeling 2bis. - Toekenning van de arbeidsplaatsen gesubsidieerd door het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Section 2bis. - De l'attribution des emplois subsidiés par la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale.
Art. 27ter. <INGEVOEGD bij DFG 2004-05-12/66, art. 52, Inwerkingtreding : 01-09-2004> § 1. Als een inrichtende macht in aanmerking komt voor de toekenning van een arbeidsplaats gesubsidieerd door het Waalse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, biedt hij deze aan overeenkomstig de prioriteitsregels vermeld in artikel 24, § 1.
  Na uitputting van de lijst met prioritaire kandidaten bedoeld in lid 1, doet de inrichtende macht beroep op het personeelslid dat reeds is aangenomen in een soortgelijke betrekking en van hetzelfde ambt waarvoor hij over het vereiste bekwaamheidsbewijs of het [1 voldoend bekwaamheidsbewijs]1 beschikt en meer dan 600 dagen anciënniteit heeft over 3 jaar. [1 Voor de onderwijzende ambten, moet het personeelslid houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.]1
  Als meerdere personeelsleden beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid, geeft de inrichtende macht de betrekking aan het personeelslid dat over de grootste anciënniteit in het ambt beschikt.
  § 2. De kandidaten bedoeld in § 1, die wensen gebruik te maken van hun prioriteitsrecht, moeten, op straffe van vervallenverklaring, hun kandidatuur indienen per aangetekend [2 of langs elektronische weg volgens de in de plaatselijke paritaire commissie vastgestelde procedures]2 schrijven voor 31 mei bij de inrichtende macht waar zij een prioriteit gekregen hebben. Dit schrijven vermeldt het ambt waarvoor de kandidatuur wordt ingediend.
  § 3. De handeling waardoor de kandidaat zijn prioriteit laat gelden is geldig voor het volgende schooljaar. De kandidaat die de betrekking niet aanvaardt die hem aangeboden is overeenkomstig de prioriteitsregels, verliest zijn prioriteit voor een betrekking van hetzelfde ambt gedurende het lopende schooljaar.
  
Art. 27ter. § 1er. Lorsqu'un pouvoir organisateur bénéficie de l'octroi d'un poste subsidié par la Région wallonne ou la Région de Bruxelles-Capitale, il l'offre conformément aux règles de priorité énoncées à l'article 24, § 1er.
  Après épuisement de la liste des candidats prioritaires visés à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur fait appel au membre du personnel qui a déjà été engagé dans un emploi de même nature et de la même fonction pour laquelle il est porteur du titre requis ou du [1 titre suffisant]1 qui compte plus 600 jours d'ancienneté sur 3 ans. [1 Pour les fonctions enseignantes, le membre du personnel doit être porteur d'un titre pédagogique.]1
  Lorsque plusieurs membres du personnel répondent aux conditions visées à l'alinéa précédent, le pouvoir organisateur offre l'emploi au membre du personnel qui compte la plus grande ancienneté dans la fonction.
  § 2. Les candidats visés au § 1er qui souhaitent faire usage de leur droit de priorité, doivent, à peine de forclusion pour l'année scolaire concernée, introduire leur candidature par lettre recommandée [2 ou par voie électronique selon les modalités fixées au sein de la commission paritaire locale]2, avant le 31 mai, auprès du pouvoir organisateur auprès duquel ils ont acquis une priorité. Cette lettre mentionne la fonction à laquelle se rapporte la candidature.
  § 3. L'acte par lequel le candidat fait valoir sa priorité est valable pour l'année scolaire suivante. Le candidat qui n'accepte pas l'emploi qui lui est offert conformément aux règles de priorité perd sa priorité pour un emploi de la même fonction pendant l'année scolaire en cours.
  
Afdeling 3. - Definitieve benoeming en affectatie.
Section 3. - Nomination définitive et affectation.
Art. 28. (Onverminderd, voor het onderwijs voor sociale promotie, artikel 2 van het decreet van 10 april 1995 houdende dringende maatregelen inzake het onderwijs voor sociale promotie en artikel 111bis van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie.) De inrichtende macht kan definitief benoemen in een openstaande betrekking van een wervingsambt, behalve :
  1° indien ze door de van kracht zijnde bepalingen op de terbeschikkingstelling en de reaffectatie wegens ontstentenis van betrekking verplicht is, in deze betrekking een ter beschikking gesteld personeelslid aan te werven.
  (Elke reaffectatie van een ter beschikking gesteld personeelslid bij een andere inrichtende macht wordt elk jaar verlengd zolang de betrokkene geen 600 dagen anciënniteit in dienst van de inrichtende macht bij welke hij weer aangesteld werd, heeft verworven. Deze 600 dagen moeten over ten minste drie schooljaren gespreid zijn. Ze worden overeenkomstig artikel 34 berekend.
  Er wordt echter een einde aan deze reaffectatie gemaakt :
  - ingeval de titularis van de betrekking terugkomt, indien de reaffectatie tijdelijk is;
  - indien de inrichtende macht ertoe verplicht is intussen een lid van haar personeel weer aan te stellen;
  (- indien de betrekking wordt toegewezen aan een personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad was, wordt de prioritaire affectatie verlengd in toepassing van artikel 36quinquies, § 4, lid 2.)
  - indien de inrichtende macht die ter beschikking heeft gesteld, over een openstaande betrekking beschikt van hetzelfde ambt en een einde aan deze terbeschikkingstelling moet maken;
  - indien het personeelslid verzuimt zich kandidaat te stellen voor de benoeming zodra hij de in dit decreet bepaalde voorwaarden vervult (met uitzondering van deze die bedoeld is in artikel 30, 8°). De anciënniteit waarop het personeelslid zich daarbij kan beroepen is de anciënniteit verworven in dienst van de inrichtende macht waarbij hij weer aangesteld is;
  - indien het personeelslid de in de artikelen 6 en 15 opgenomen verplichtingen niet onderschrijft of in acht neemt.
  Er mag ook een einde aan deze reaffectatie gemaakt worden :
  - in gemeen overleg [1 mits goedkeuring door de bevoegde Centrale Commissie voor het beheer van de betrekkingen]1
  - wegens zware tekortkoming
  - na beslissing van de bevoegde reaffectatiecommissie waarbij de zaak door de inrichtende macht of het personeelslid aanhangig is gemaakt.)
  2° indien een personeelslid in deze betrekking werd aangeworven ingevolge een mutatie of een wijziging van affectatie overeenkomstig de in artikel 29 bepaalde voorwaarden.
  (3° indien zij de betrekking reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld bij artikel 29bis.)
  
Art. 28. (Sans préjudice, pour l'enseignement de promotion sociale, de l'article 2 du décret du 10 avril 1995 fixant des mesures urgentes en matière d'enseignement de promotion sociale et de l'article 111bis du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale.) Le pouvoir organisateur procède à une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement sauf :
  1° s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité;
  (Par ailleurs, toute réaffectation d'un membre du personnel mis en disponibilité auprès d'un autre pouvoir organisateur est reconduite chaque année aussi longtemps que l'intéressé n'a pas acquis 600 jours d'ancienneté au service du pouvoir organisateur auprès duquel il a été réaffecté. Ces 600 jours doivent être répartis sur trois années scolaires au moins. Ils sont calculés conformément à l'article 34.
  Toutefois, il est mis fin à cette réaffectation :
  - en cas de retour du titulaire de l'emploi, si la réaffectation est temporaire ;
  - si le pouvoir organisateur est tenu de réaffecter entre-temps un membre de son personnel ;
  (- si l'emploi est confié au membre du personnel victime d'un acte de violence dont l'affectation prioritaire est reconduite en application de l'article 36quinquies, § 4, alinéa 2)
  - si le pouvoir organisateur qui a mis en disponibilité dispose d'un emploi vacant de la même fonction et doit mettre fin à cette disponibilité ;
  - si le membre du personnel néglige de faire acte de candidature à la nomination dès qu'il remplit les conditions prévues au présent décret (à l'exception de celle visée à l'article 30, 8°). L'ancienneté dont peut se prévaloir le membre du personnel à cette occasion est l'ancienneté acquise au service du pouvoir organisateur auprès duquel il a été réaffecté ;
  - si le membre du personnel ne souscrit ni ne respecte les obligations reprises aux articles 6 et 15 du présent décret.
  Il peut également être mis fin à cette réaffectation :
  - de commun accord [1 moyennant l'approbation de la Commission centrale de gestion des emplois compétente]1;
  - en cas de faute grave ;
  - sur décision de la commission de réaffectation compétente saisie par le pouvoir organisateur ou le membre du personnel.)
  2° s'il a déjà attribué l'emploi par voie de mutation ou de changement d'affectation conformément aux dispositions prévues à l'article 29.
  (3° s'il a déjà attribué l'emploi conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis.)
  
Art. 29. De inrichtende macht die een vacante betrekking moet begeven, kan de mutatie aanvaarden van een personeelslid van een andere inrichtende macht indien geen enkel lid van haar personeel prioritair is.
  De betrokkene moet die mutatie aanvragen en de instemming van zijn inrichtende macht bekomen.
  Niemand mag in een betrekking van een wervingsambt gemuteerd worden indien hij niet definitief benoemd is in het wervingsambt waartoe de vacante betrekking behoort.
  De inrichtende macht is verplicht het personeelslid definitief te benoemen op het ogenblik van de mutatie, ongeacht de datum ervan.
  Het gemuteerde personeelslid moet ontslag nemen in de inrichtende macht die het verlaat, voor de opdracht die hij er uitoefent en waarvoor hij de mutatie heeft aangevraagd.
  De overgang van de ene inrichting naar de andere moet zonder onderbreking gebeuren.
  De modaliteiten ervan moeten vastgesteld worden door de plaatselijke paritaire commissie in de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt.
  § 2. De inrichtende macht kan een van haar personeelsleden ook een gewijzigde affectatie toekennen.
  Die wijziging kan alleen gebeuren als het personeelslid definitief aangeworven is in de inrichtende macht in het ambt waartoe de vacante betrekking behoort.
  De overgang van een inrichting naar de andere moet zonder onderbreking gebeuren.
  De modaliteiten ervan moeten vastgesteld worden door de plaatselijke paritaire commissies.
Art. 29. § 1. Le pouvoir organisateur qui a un emploi vacant à conférer peut accepter la mutation d'un membre du personnel d'un autre pouvoir organisateur, si aucun des membres de son personnel n'est prioritaire.
  Le membre du personnel concerné doit en faire la demande et obtenir l'accord de son pouvoir organisateur.
  Nul ne peut muté dans un emploi d'une fonction de recrutement s'il n'est nommé à titre définitif dans la fonction de recrutement à laquelle appartient l'emploi vacant.
  Le pouvoir organisateur doit nommer à titre définitif le membre du personnel au moment où s'opère la mutation, quelle qu'en soit la date.
  Le membre du personnel muté doit démissionne dans le pouvoir organisateur qu'il quitte pour la charge qu'il y exerce et pour laquelle il a demandé la mutation.
  Le passage d'un pouvoir organisateur à un autre doit s'effectuer sans interruption.
  Les modalités des mutations sont, pour le surplus, fixées par la commission paritaire locale constituée au sein du pouvoir organisateur qui accueille l'agent.
  § 2. Le pouvoir organisateur peut également accorder un changement d'affectation à l'un des membres de son personnel.
  Ce changement d'affectation ne peut se faire que si le membre du personnel est nommé à titre définitif au sein du pouvoir organisateur dans la fonction à laquelle appartient l'emploi vacant.
  Le passage d'un établissement à un autre doit se faire sans interruption.
  Les modalités des changements d'affectation sont, pour le surplus, fixées par les commissions paritaires locales.
Art. 29bis. [1 § 1. Een personeelslid dat in een [2 selectie- of bevorderingsambt]2 in vast verband wordt benoemd bij een inrichtende macht kan, als hij dit aanvraagt en mits toestemming van de inrichtende macht, in vast verband benoemd worden in een definitief vacante betrekking binnen dezelfde inrichtende macht of binnen een andere inrichtende macht waarbij het al een benoeming genoten heeft :
   a. van een wervingsambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend;
   b. van een selectieambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend of waartoe een wervingsambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend, toegang verschaft;
   c. van een ambt van werkplaatsleider indien het dat ambt vroeger in vast verband heeft uitgeoefend of van een wervingsambt indien het dat ambt vroeger in vast verband heeft uitgeoefend dat toegang verschaft.
   De benoeming in vast verband bedoeld in het vorige lid gebeurt binnen een inrichtende macht waarbij het personeelslid al een benoeming in vast verband in een wervings-, selectie of bevorderingsambt genoten heeft.
   De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden. Het personeelslid moet op voorhand uit zijn oorspronkelijke ambt aftreden.
   De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf worden overigens door de plaatselijke paritaire commissies vastgesteld.
   § 2. Een personeelslid dat in een [2 selectie- of bevorderingsambt]2 in vast verband wordt benoemd bij een inrichtende macht kan, als hij dit aanvraagt en mits de toestemming van de inrichtende macht, in vast verband benoemd wordt binnen een andere inrichtende macht in een definitief vacante betrekking :
   a. van een wervingsambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend;
   b. van een selectieambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend of waartoe een wervingsambt dat het vroeger in vast verband heeft uitgeoefend, toegang verschaft;
   c. van een ambt van werkplaatsleider indien het dat ambt vroeger in vast verband heeft uitgeoefend of van een wervingsambt indien het dat ambt vroeg in vast verband heeft uitgeoefend dat toegang verschaft.
   De benoeming in vast verband bedoeld in het vorige lid gebeurt binnen een andere inrichtende macht dan deze bedoeld in § 1, indien geen enkel lid van deze laatste prioritair is.
   De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden. Het personeelslid moet op voorhand van zijn oorspronkelijke ambt aftreden.
   De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf worden overigens door de plaatselijke paritaire commissie vastgesteld die ingesteld wordt binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt.
   § 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2, en onverminderd artikel 28, 1°, kan de benoeming in vast verband ongeacht de datum plaatsvinden. Deze werving kan plaatsvinden voor zover het personeelslid alle voorwaarden voorzien naargelang het geval vervuld zijn :
   a. in artikel 30, met uitzondering van 8°, 9° wat betreft de ambtsanciënniteit en 10° en 11° ;
   b. in artikel 40, eerste lid, met uitzondering van 4 ° ;
   c. in artikel 49, eerste lid, met uitzondering van 4° ;
   Voor de toepassing van de punten b) en c) van het vorige lid wordt de vereiste voor een succesvolle opleiding voor een bepaald ambt ambtshalve geacht als vervuld te zijn als het personeelslid in vast verband titularis was van dit ambt voorafgaand aan de uitoefening van zijn of haar huidige ambt.
   Het personeelslid dat het bevorderingsambt van werkplaatsleider uitoefent, kan slechts in aanmerking komen voor deze bepaling als het personeelslid zijn ambten in de betrekking die het gedurende 3 jaar bekleedt, uitgeoefend heeft.]1

  
Art. 29bis. [1 § 1er. Un membre du personnel nommé à titre définitif dans une [2 fonction de sélection ou de promotion]2 auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur, être nommé à titre définitif, dans un emploi définitivement vacant, au sein du même pouvoir organisateur ou au sein d'un autre pouvoir organisateur auprès duquel il a déjà bénéficié d'une nomination :
   a) d'une fonction de recrutement qu'il a auparavant exercée à titre définitif;
   b) d'une fonction de sélection qu'il a auparavant exercée à titre définitif ou à laquelle donne accès une fonction de recrutement qu'il a auparavant exercée à titre définitif;
   c) d'une fonction de chef de travaux d'atelier s'il l'a auparavant exercée à titre définitif ou s'il a auparavant exercé à titre définitif une fonction de recrutement donnant accès à cette fonction.
   La nomination à titre définitif visée par l'alinéa précédent a lieu au sein d'un pouvoir organisateur auprès duquel il a déjà bénéficié d'une nomination à titre définitif dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion.
   Le passage d'un emploi à l'autre conformément au présent paragraphe doit se faire sans interruption. Le membre du personnel doit préalablement démissionner de sa fonction d'origine.
   Les modalités de la nomination en vertu du présent paragraphe, sont, pour le surplus, fixées par les commissions paritaires locales.
   § 2. Un membre du personnel nommé à titre définitif dans une [2 fonction de sélection ou de promotion]2 auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur, être nommé à titre définitif, au sein d'un autre pouvoir organisateur, dans un emploi définitivement vacant:
   a) d'une fonction de recrutement qu'il a auparavant exercée à titre définitif;
   b) d'une fonction de sélection qu'il a auparavant exercée à titre définitif ou à laquelle donne accès une fonction de recrutement qu'il a auparavant exercée à titre définitif;
   c) d'une fonction de chef de travaux d'atelier s'il l'a auparavant exercée à titre définitif ou s'il a auparavant exercé à titre définitif une fonction de recrutement donnant accès à cette fonction.
   La nomination à titre définitif visée par l'alinéa précédent a lieu auprès d'un pouvoir organisateur autre que ceux visés au § 1er, si aucun des membres de ce dernier n'est prioritaire.
   Le passage d'un emploi à l'autre conformément au présent paragraphe doit se faire sans interruption. Le membre du personnel doit préalablement démissionner de sa fonction d'origine.
   Les modalités de la nomination en vertu du présent paragraphe sont, pour le surplus, fixées par la commission paritaire locale constituée au sein du pouvoir organisateur qui accueille l'agent.
   § 3. Pour l'application des §§ 1er et 2, et sans préjudice de l'article 28, 1°, la nomination à titre définitif peut avoir lieu quelle que soit la date. Elle ne peut être accordée que pour autant que le membre du personnel remplisse toutes les conditions prévues, selon le cas :
   a) à l'article 30, à l'exception du 8°, du 9° en ce qui concerne l'ancienneté de fonction et des 10° et 11° ;
   b) à l'article 40, alinéa 1er, à l'exception du 4 ° ;
   c) à l'article 49, alinéa 1er, à l'exception du 4° ;
   Pour l'application des points b) et c) de l'alinéa 1er, l'exigence d'avoir réussi la formation relative à une fonction déterminée est d'office réputée remplie si le membre du personnel a été titulaire à titre définitif de cette fonction avant l'exercice de sa fonction actuelle.
   Le membre du personnel exerçant la fonction de promotion de chef de travaux d'atelier ne peut bénéficier de la présente disposition qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe pendant 3 ans.]1

  
Art. 29ter. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 68; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling in vast verband benoemd is.
  Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid, dat gedurende ten minste tien jaar in vast verband het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet een degressief weddeschaalstelsel, en krijgt vanaf het derde jaar de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 29bis benoemd is, vastgesteld als volgt :
  a) In de loop van het eerste jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;
  b) In de loop van het tweede jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.
Art. 29ter. Le membre du personnel visé à l'article 29bis se voit attribuer l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif conformément à cette disposition.
  Toutefois, le membre du personnel visé à l'article 29bis, qui a exercé à titre définitif pendant au moins dix ans la fonction de sélection ou de promotion qu'il quitte, bénéficie d'un mécanisme dégressif d'échelles de traitement pour rejoindre à partir de la 3e année l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif conformément à l'article 29bis, fixé comme suit :
  a) Au cours de la première année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 66 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté;
  b) Au cours de la deuxième année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 33 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté.
Art. 30. (§ 1.) Onverminderd de voorwaarden tot benoeming, van toepassing in het hoger onderwijs van het korte type mag niemand definitief worden benoemd indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende bepalingen voldoet :
  1° [3 ...]3
  2° van onberispelijk gedrag zijn,
  3° de burgerlijke en politie rechten gemeten,
  4° aan de dienstplichtwetten voldoen,
  5° houder zijn van een bij artikel 2 bepaald bekwaamheidsbewijs dat hem zonder duurbeperking toegang verleent tot de uitoefening van het ambt in vast verband;
  6° de lichamelijke geschiktheid bezitten die door de Regering vastgesteld werd voor de personeelsleden in het Gemeenschapsonderwijs,
  7° aan de wets- en reglementsbepalingen in verband met de taalwetten voldoen,
  8° als prioritair gerangschikt zijn op de wijze bedoeld in artikel 24, § 1, lid 1,
  9° [5 600 dagen dienstanciënniteit tellen [7 in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en 360 dagen bij de inrichtende macht, inclusief 240 dagen in het bedoelde ambt]7, met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 33, lid 2; de 600 dagen anciënniteit verworven [7 binnen het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap]7 moeten worden gespreid over ten minste drie schooljaren;]5
  (10° opgeheven door
  10° (vorig 11°) zich volgens de door de oproep tot de kandidaten vastgestelde vorm en termijn kandidaat gesteld hebben,
  11° (vorig 12°) na de sub 9° bedoelde periode een gunstig verslag gekregen hebben van een inrichtingshoofd of van een pedagogisch afgevaardigde van de inrichtende macht,
  12° [1 ...]1
  (13° in het hoger onderwijs voor sociale promotie, titularis zijn van het Getuigschrift Pedagogische Bekwaamheid voor het Hoger Onderwijs (CAPAES) [8 met uitzondering van de categorieën van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel]8.)
  [4 Voor de toepassing van het punt 5°, in het basis- en secundair onderwijs, met inbegrip van het secundair onderwijs voor sociale promotie, moet de kandidaat voor een vaste benoeming houder zijn [6 van het vereiste of voldoende bekwaamheidsbewijs of van een ander bekwaamheidsbewijs dat ook voldoet aan de voorwaarden van artikel 36, § 3, van het decreet van 11 april 2014]6. Voor de onderwijzende ambten, met uitsluiting van de ambten leermeester en leraar godsdienst, moet de kandidaat houder zijn van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.]4
  [1 ...]1
  De kandidaat voor een vaste benoeming wordt geacht te voldoen aan de vereiste sub (11°) zolang het inrichtingshoofd of de pedagogische afgevaardigde over hem geen ongunstig verslag heeft uitgebracht.
  [2 Het inrichtingshoofd of een pedagogisch afgevaardigde van de inrichtende macht stelt, uiterlijk op 31 oktober, een dienstverslag op, overeenkomstig de door de centrale paritaire commissie nader te bepalen regels, dat de betrokkene voor visum wordt voorgelegd.
   Indien het personeelslid acht dat de inhoud van het verslag niet gegrond is, vermeldt het dit door het verslag te viseren en, binnen de tien werkdagen volgend op de ontvangst van dat verslag, heeft het het recht een beroep voor de raad van beroep bedoeld in artikel 75 in te dienen. Het personeelslid dat zijn beroepsrecht gebruikt deelt er onmiddellijk een afschrift van aan zijn inrichtende macht mee.]2

  (In voorkomend geval wordt het inspectieverslag over de professionele en pedagogische bekwaamheden die tot de opstelling van een negatief verslag van het inrichtingshoofd of van de pedagogische afgevaardigde van de inrichtende macht geleid hebben, in aanmerking genomen door de [2 raad van beroep]2.)
  [2 De raad van beroep geeft de inrichtende macht zijn advies binnen een termijn van 45 dagen vanaf de datum van ontvangst van het beroep.
   De inrichtende macht neemt haar beslissing binnen een termijn van 30 dagen vanaf de ontvangst van het advies bedoeld in het vorige lid en deelt haar beslissing mee aan de raad van beroep en aan het personeelslid. In voorkomend geval, vermeldt de inrichtende macht de redenen waarom het advies van de raad van beroep niet werd gevolgd.
   Als ze zich niet binnen de vereiste termijn uitspreekt, wordt de beslissing geacht in overeenstemming met het advies te zijn.]2

  (In afwijking van het eerste lid, 13°, worden geacht te voldoen aan de bedoelde voorwaarde de leraren die op 31 augustus 2006 een ambt uitoefenen in het hoger onderwijs voor sociale promotie als zij van een van de volgende pedagogische bekwaamheidsbewijzen titularis zijn : het diploma leraar voorschools onderwijs, het diploma leraar lager onderwijs, de aggregatie lager secundair onderwijs, de aggregatie hoger secundair onderwijs, de aggregatie hoger onderwijs, het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid, het getuigschrift middelbaar technisch normaal onderwijs of het diploma van pedagogische bekwaamheid.)
  (Het in een betrekking vast benoemd personeelslid moet ze als hoofdambt bekleden.)
  (§ 2. Overeenkomstig artikel 1, 1° en 2°, is paragraaf 1 ook van toepassing op de personeelsleden in moederschapsrust, met ziekteverlof of in arbeidsongeschiktheid wegens arbeidsongeval.)
  
Art. 30. (§ 1.) Sous réserve des conditions de nomination en application dans l'enseignement supérieur de type court, nul ne peut être nommé à titre définitif s'il ne remplit pas, au moment de la nomination définitive, les conditions suivantes :
  1° [3 ...]3
  2° être de conduite irréprochable;
  3° jouir des droits civils et politiques;
  4° satisfaire aux lois sur la milice;
  5° être porteur d'un titre de capacité prévu à l'article 2 et qui lui donne, sans limitation de durée, accès à l'exercice de la fonction à titre définitif;
  6° posséder les aptitudes physiques fixées par le Gouvernement pour la nomination à titre définitif des membres du personnel dans l'enseignement de la Communauté;
  7° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
  8° être classé comme prioritaire suivant les modalités fixées à l'article 24, § 1er, alinéa 1er;
  9° [5 compter 600 jours d'ancienneté de service [7 dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française et 360 jours dans le pouvoir organisateur dont 240 jours dans la fonction considérée]7, à l'exception des membres du personnel visés à l'article 33, alinéa 2; les 600 jours d'ancienneté acquis [7 au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française]7 doivent être répartis sur trois années scolaires au moins;]5
  (10° abrogé par )
  10° (anciennement 11°) avoir introduit sa candidature dans la forme et le délai fixés par l'appel aux candidats;
  11° (anciennement 12°) faire l'objet, à l'issue de la période mentionnée au 9°, d'un rapport de service favorable de la part du chef d'établissement ou d'un délégué pédagogique du pouvoir organisateur;
  12° [1 ...]1
  (13° dans l'enseignement supérieur de promotion sociale, être porteur du Certificat d'aptitude pédagogique approprié à l'enseignement supérieur (CAPAES)[8 à l'exception des catégories du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel administratif]8.)
  [4 Pour l'application du 5°, dans l'enseignement fondamental et secondaire, y compris secondaire de promotion sociale, le candidat à la nomination à titre définitif doit être porteur [6 soit du titre requis, soit du titre suffisant, soit d'un autre titre remplissant en outre les conditions fixées par l'article 36, § 3 du décret du 11 avril 2014]6. Pour les fonctions enseignantes, le candidat doit être porteur d'un titre pédagogique.]4
  [1 ...]1
  Le candidat à une nomination définitive est réputé satisfaire à la condition énoncée à l'(alinéa 1er, 11°), aussi longtemps qu'un rapport défavorable n'est pas rédigé à son sujet par le chef d'établissement ou par le délégué pédagogique du pouvoir organisateur.
  [2 Le chef d'établissement ou un délégué pédagogique du pouvoir organisateur établit, au plus tard le 31 octobre, un rapport de service, conforme aux modalités fixées par la Commission paritaire centrale et soumis au visa de l'intéressé.
   Si le membre du personnel estime que le contenu du rapport n'est pas fondé, il en fait mention en le visant et, dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de ce rapport, il a le droit d'introduire un recours devant la Chambre de recours visée à l'article 75. Le membre du personnel qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur.]2

  (Le cas échéant, le rapport d'inspection portant sur les compétences professionnelles et pédagogiques ayant conduit à l'établissement d'un rapport défavorable par le chef d'établissement ou le délégué pédagogique du pouvoir organisateur est pris en considération par la [2 Chambre de recours]2.)
  [2 La Chambre de recours donne son avis au pouvoir organisateur dans un délai de 45 jours à partir de la date de réception du recours.
   Le pouvoir organisateur prend sa décision dans un délai de 30 jours à partir de la réception de l'avis visé à l'alinéa précédent et notifie sa décision à la Chambre de recours et au membre du personnel. Le cas échéant, le pouvoir organisateur indique les raisons pour lesquelles l'avis de la Chambre de recours n'a pas été suivi.
   S'il omet de se prononcer dans le délai requis, la décision est réputée conforme à l'avis.]2

  (Par dérogation à l'alinéa 1er, 13°, les professeurs en fonction dans l'enseignement supérieur de promotion sociale au 31 août 2006, sont réputés satisfaire à la condition visée s'ils sont porteurs d'un des titres pédagogiques suivants : le diplôme d'instituteur(trice) préscolaire, le diplôme d'instituteur(trice) primaire, l'agrégation de l'enseignement secondaire inférieur, l'agrégation de l'enseignement secondaire supérieur, l'agrégation de l'enseignement supérieur, le certificat d'aptitude pédagogique, le certificat d'aptitudes pédagogiques, le certificat de cours normaux techniques moyens ou le diplôme d'aptitudes pédagogiques.)
  (Le membre du personnel nommé à titre définitif dans un emploi doit l'occuper en fonction principale.)
  (§ 2. Conformément à l'article 1er, 1° et 2°, le paragraphe 1er est également applicable aux membres du personnel en congé de maternité, en congé de maladie ou en incapacité de travail causée par un accident du travail.)
  
Art. 30bis. <INGEVOEGD bij DFG 1995-04-10/24, art. 6; Inwerkingtreding : 01-01-1995> In afwijking van de bepalingen van artikel 30, lid 1°, 8° en 9°, en enkel voor het schooljaar 1995-1996 worden geacht te hebben voldaan aan de benoemingsvoorwaarden op 1 oktober 1995 in het basisonderwijs en op 1 november 1995 in de andere onderwijsniveaus de personeelsleden die op het einde van het school- of academiejaar 1994-1995 een anciënniteit hebben verkregen van 600 dagen waarvan 240 in het beschouwde jaar bij de inrichtende macht. Deze anciënniteit moet over minstens drie schooljaren gespreid zijn.
Art. 30bis. Par dérogation aux dispositions de l'article 30, alinéa 1er, 8° et 9°, et pour la seule année scolaire 1995-1996, sont présumés satisfaire aux conditions de nomination au 1er octobre 1995 dans l'enseignement fondamental et au 1er novembre 1995 dans les autres niveaux d'enseignement, les membres du personnel qui ont acquis, à la fin de l'année scolaire ou académique 1994-1995, une ancienneté de 600 jours dont 240 dans la fonction considérée auprès du pouvoir organisateur. Cette ancienneté doit être répartie sur trois années scolaires au moins.
Art. 31. Elke schooljaar doet de inrichtende macht in de maand mei een beroep op de kandidaten voor een definitieve benoeming.
  De te begeven vacante betrekkingen worden vastgesteld op grond van de toestand op (15 april) die aan de oproep tot de kandidaten voorafgaat, voor zover deze betrekkingen nog op de 1e oktober daaropvolgend vacant blijven.
  (In afwijking van lid 2, in het onderwijs voor sociale promotie, worden in vast verband toegekend op de eerste dag van de maand die volgt op de eerste dag van inrichting van genoemde betrekking, de vakant verklaarde betrekkingen voorgedragen door de Inrichtende macht, na raadpleging van de plaatselijke paritaire commissie bedoeld bij artikel 85, mits inachtneming van de bepalingen bedoeld bij artikel 2 van het decreet van 10 april 1995 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs voor sociale promotie en bij artikel 111bis van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, en voor zover de vakant gebleven betrekking ingericht wordt tijdens het schooljaar gedurende hetwelk de benoeming plaats vindt)
  [1 In het onderwijs voor sociale promotie wordt jaarlijks in het plaatselijk paritair comité een presentatie georganiseerd van het benoemingspercentage binnen de inrichtende macht op basis van de volgende gegevens die vooraf door de inrichtende macht zullen zijn meegedeeld:
   - algemeen aanstellingspercentage binnen de inrichtende macht en per inrichting;
   - benoemingspercentage in de organieke periodes en per inrichting;
   - aantal experts binnen de inrichtende macht en per inrichting;
   - aantal terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking en in gedeeltelijk opdrachtverlies binnen de inrichtende macht en per inrichting.]1

  (In het basisonderwijs moeten de betrekkingen van kleuteronderwijzer(es) en van onderwijzer(es) een halve opdracht of een volledige opdracht behelzen.)
  (Het advies met de rangschikking van de tijdelijken, het te begeven ambt, de omvang van de prestaties van de aangeboden betrekkingen, de van de kandidaten vereiste voorwaarden, alsmede de vorm en de termijn waarin de kandidaturen moeten worden ingediend, wordt meegedeeld aan alle tijdelijke personeelsleden van de inrichtende macht die in de rangschikking van de prioritairen, bedoeld in de artikelen 24, § 1, en 30, voorkomen.)
  (De (op 15 april) openstaande betrekkingen worden in elk ambt geglobaliseerd voor de inrichtingen van eenzelfde inrichtende macht gelegen op het gebied van dezelfde gemeente, ten belope van het maximumaantal betrekkingen die het voorwerp waren van een oproep tot de kandidaten voor de benoeming, in de maand mei die voorafgaat.)
  (Lid 7 opgeheven)
  In het kleuter- en lager onderwijs gebeuren de vaste benoemingen in vacante betrekkingen echter elk jaar (uiterlijk tijdens de 2e vergadering) van de inrichtende macht na ontvangst van de ministeriële dienstbrief tot vaststelling van het aantal gesubsidieerde betrekkingen voor het lopende schooljaar.
  (De benoemingen in vast verband hebben uiterlijk 1 april uitwerking, uitsluitend in de betrekkingen bedoeld in lid 2 die op 1 oktober van het lopende schooljaar nog vacant waren.)
  De verplichting om te benoemen geldt voor de inrichtende macht enkel als het personeelslid zich kandidaat gesteld heeft en aan de bij dit decreet gestelde voorwaarden voldoet.
  De volgorde van de vaste benoemingen wordt bepaald door de anciënniteit van de kandidaten berekend overeenkomstig artikel 34.
  (De inrichtende macht deelt jaarlijks de lijst van de vacante betrekkingen mee aan de betrokken personeelsleden, op de wijze bepaald door de plaatselijke paritaire commissies.)
  
Art. 31. Chaque année scolaire, dans le courant du mois de mai, le pouvoir organisateur fait un appel aux candidats à la nomination définitive.
  Sont à conférer à titre définitif les emplois vacants (au 15 avril) qui précède l'appel aux candidats, pourvu que ces emplois demeurent vacants le 1er octobre suivant.
  (Par dérogation à l'alinéa 2, dans l'enseignement de promotion sociale, sont à conférer à titre définitif, à la date du premier du mois qui suit le premier jour d'organisation dudit emploi, les emplois vacants proposes par le Pouvoir organisateur, après consultation de la commission paritaire locale visée à l'article 85, dans le respect des dispositions prévues à l'article 2 du décret du 10 avril 1995 fixant les mesures urgentes en matière d'enseignement de promotion sociale et à l'article 111bis du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale et pour autant que l'emploi resté vacant soit organisé pendant l'année scolaire où se produit la nomination.)
  [1 Dans l'enseignement de promotion sociale, une présentation du taux de nomination au sein du pouvoir organisateur est organisée annuellement au sein de la commission paritaire locale sur la base des données suivantes qui auront été préalablement communiquées par le pouvoir organisateur:
   - taux de nomination global au sein du pouvoir organisateur et par établissement;
   - taux de nomination dans les périodes organiques et par établissement;
   - taux d'experts au sein du pouvoir organisateur et par établissement;
   - taux des mises en disponibilité par défaut d'emploi et en perte partielle de charge au sein du pouvoir organisateur et par établissement.]1

  (Dans l'enseignement fondamental, les emplois d'instituteur(trice) maternel(le) et d'instituteur(trice) primaire doivent comporter une demi-charge ou une charge complète.)
  (L'avis qui indique le classement des temporaires, la fonction à conférer, le volume des prestations des emplois offerts, les conditions requises dans le chef des candidats ainsi que la forme et le délai dans lesquels les candidatures doivent être introduites, est communiqué à tous les membres temporaires du pouvoir organisateur qui figurent au classement des prioritaires au sens des articles 24, § 1er, et 30.)
  (Les emplois vacants (au 15 avril) sont globalisés dans chaque fonction pour l'ensemble des établissements d'un même pouvoir organisateur situés sur le territoire de la même commune. Sont conférés à titre définitif ceux qui demeurent vacants dans chacune des fonctions au 1er octobre suivant dans l'ensemble des établissements d'un même pouvoir organisateur situés sur le territoire de la même commune, à concurrence du nombre maximum d'emplois qui ont fait l'objet d'un appel aux candidats à la nomination au mois de mai précédent.)
  (Alinéa 7 abrogé)
  Toutefois dans l'enseignement préscolaire et primaire, les nominations définitives dans les emplois vacants sont effectuées chaque année, (...), (au plus tard lors de la seconde réunion) du pouvoir organisateur qui suit la réception de la dépêche ministérielle fixant le nombre d'emploi subventionnés pour l'année scolaire en cours.
  (Les nominations définitives opèrent leurs effets au plus tard le 1er avril, uniquement dans les emplois visés à l'alinéa 2 qui étaient encore vacants au 1er octobre de l'année scolaire en cours.)
  L'obligation de nommer ne s'impose au pouvoir organisateur que si le membre du personnel a fait acte de candidature et remplit les conditions prévues au présent décret.
  L'ordre dans lequel le pouvoir organisateur procède aux nominations à titre définitif est déterminé par l'ancienneté des candidats calculée conformément à l'article 34.
  (Le pouvoir organisateur communique annuellement la liste des emplois vacants aux membres du personnel concernés suivant les modalités fixées par les Commissions paritaires locales.)
  
Art. 32. De benoeming in vast verband, de mutatie en de wijziging van affectatie worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad, een cyslus of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels in een proces van geleidelijke sluiting verkeert of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting waarvan de periode van betoelaging beperkt wordt door een beslissing van de Regering.
Art. 32. La nomination définitive, la mutation et le changement d'affectation ne sont pas permis dans un emploi d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré, d'un cycle ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation est en voie de fermeture progressive ou qui ne peut être subventionné que pour une période limitée en vertu d'une décision du Gouvernement.
Art. 33. De persoon die zich kandidaat stelt voor een benoeming in vast verband in verschillende betrekkingen, moet voor elke betrekking een afzonderlijke kandidatuur indienen.
  (In het onderwijs met volledig leerplan en in het secundair onderwijs met beperkt leerplan dient het in een ambt vastbenoemd personeelslid dat een vaste aanwijzing vraagt binnen dezelfde Inrichtende macht voor een vacante betrekking van hetzelfde ambt of van een ander ambt uit dezelfde categorie, waarvoor hij over de vereiste titel [1 ...]1 beschikt, te antwoorden op de oproeping tot vaste benoeming in dit ambt.
  [1 In het secundair en hoger onderwijs voor sociale promotie]1 dient het in een ambt vastbenoemd personeelslid dat een vaste aanwijzing vraagt binnen dezelfde Inrichtende macht voor een vacante betrekking van hetzelfde ambt of van een ander ambt uit dezelfde categorie, [1 waarvoor hij over het vereist bekwaamheidsbewijs zoals bepaald bij het decreet van 11 april 2014, respectief voor elk van deze onderwijsniveaus, bedoeld bij artikel 101, beschikt]1, te antwoorden op de oproeping tot vaste benoeming in dit ambt.
  In het [2 secundair]2 kunstonderwijs met beperkt leerplan dient het in een ambt vastbenoemd personeelslid dat een vaste aanwijzing vraagt binnen dezelfde Inrichtende macht voor een vacante betrekking van hetzelfde ambt of van een ander ambt uit dezelfde categorie, waarvoor hij over de vereiste titel [1 zoals bepaald bij het voornoemde decreet van 2 juni 1998]1 beschikt, te antwoorden op de oproeping tot vaste benoeming in dit ambt.
  Voor de toepassing van de leden 2, 3 en 4 wordt de betrekking in vast verband toegekend aan het personeelslid dat de hoogste anciënniteit telt, waarbij de anciënniteit berekend wordt overeenkomstig artikel 34.)
  (Het 2e lid geldt niet voor het basisonderwijs.)
  
Art. 33. La personne qui pose sa candidature à la nomination définitive dans différents emplois introduit une candidature séparée pour chaque emploi.
  (Dans l'enseignement de plein exercice et dans l'enseignement secondaire à horaire réduit, le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction qui demande une affectation définitive au sein du même Pouvoir organisateur dans un emploi vacant de la même fonction ou d'une autre fonction de la même catégorie pour laquelle il possède le titre requis [1 ...]1, doit répondre à l'appel à la nomination définitive dans cette fonction.
  Dans l'enseignement [1 secondaire et supérieur]1 de promotion sociale, le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction qui demande une affectation définitive au sein du même Pouvoir organisateur dans un emploi vacant de la même fonction ou d'une autre fonction de la même catégorie pour laquelle il possède [1 , respectivement pour chacun de ces niveaux d'enseignement,]1 le titre requis [1 tel que fixé par le décret du 11 avril 2014 ou tel que]1 visé à l'article 101, doit répondre à l'appel à la nomination définitive dans cette fonction.
  Dans l'enseignement [2 secondaire]2 artistique à horaire réduit, le membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction qui demande une affectation définitive au sein du même Pouvoir organisateur dans un emploi vacant de la même fonction ou d'une autre fonction de la même catégorie pour laquelle il possède le titre requis [1 tel que fixé par le décret du 2 juin 1998 précité]1, doit répondre à l'appel à la nomination définitive dans cette fonction.
  Pour l'application des alinéas 2, 3 et 4 l'emploi est attribué à titre définitif au membre du personnel qui compte l'ancienneté la plus élevée, calculée conformément à l'article 34.)
  (L'alinéa 2 n'est pas applicable à l'enseignement préscolaire et primaire.)
  
Art. 34. (§ 1.) Voor de berekening van de anciënniteit, bedoeld in deze afdeling, worden enkel in aanmerking genomen de op het einde van het lopende school- of academiejaar gesubsidieerde diensten, bij de inrichtende macht verstrekt in een hoofdambt, (in een zelfde categorie) voor zover de kandidaat het bekwaamheidsbewijs voor dit ambt bezit zoals bepaald in artikel 2.
  (Het aantal dagen verworven in de hoedanigheid van tijdelijke in een ambt met volledige prestaties omvat alle dagen van het begin tot het einde van de periode van ononderbroken werkzaamheid.
  In afwijking van lid 1 omvat deze werkzaamheidsperiode ook het ontspanningsverlof, winter- en lentevakantie, het kraamverlof, het onthaalverlof met het oog op de adoptie en de pleegvoogdij, en de uitzonderlijke verloven resp. bepaald in de artikelen 5 en 5bis van het koninklijk besluit d.d. 15 januari 1974 genomen bij toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit d.d. 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het personeel van het Rijksonderwijs en van de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 14 januari 1979 betreffende het omstandigheidsverlof toegekend aan sommige tijdelijke personeelsleden van rijksonderwijsinrichtingen [2 alsook, voor het administratief personeel, in de artikelen 4 en 4bis van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs]2.)
  Bij verandering van ambt worden de dagen gepresteerd als vastbenoemde in een ambt met volledige prestaties geteld van het begin tot het einde van een ononderbroken periode van actieve dienst, met inbegrip van de kerst- en paasvakantie, het bevallings-, opvang- en omstandigheidsverlof, zoals bedoeld in vorig lid.
  De diensten bewezen in een ambt met onvolledige prestaties, en die ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten bewezen in een ambt met volledige prestaties.
  Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat niet de helft van het aantal vereist voor het ambt met volledige prestaties omvat, wordt gehalveerd.
  (In het onderwijs voor sociale promotie, in afwijking van de leden 2, 5 en 6, voor zover de verrichte diensten minstens 40 lestijden per jaar tellen, is het aantal dagen verworven als tijdelijke in een ambt :
  1° 300 dagen indien de verrichte diensten minstens 50 % van het aantal lestijden per jaar noodzakelijk om een volledige opdracht in dit ambt te hebben, vertegenwoordigen;
  2° 150 dagen indien de verrichte diensten minder dan 50 % van het aantal lestijden per jaar noodzakelijk om een volledige opdracht in dit ambt te hebben, vertegenwoordigen.)
  Het aantal dagen verworven in twee of meer ambten met volledige of onvolledige prestaties, tegelijkertijd uitgeoefend, kan het aantal dagen verworven in een ambt met volledige prestaties, gedurende dezelfde periode, nooit overschrijden.
  De diensten gepresteerd door het personeelslid belopen nooit meer dan 300 dagen per schooljaar, zijnde één jaar anciënniteit.
  (§ 2. De diensten verleend door een niet-statutair personeelslid worden gelijkgesteld aan de diensten bedoeld in dit artikel, op voorwaarde dat het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit [1 of, behoudens in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, het voldoend bekwaamheidsbewijs]1.
  Op de eerste 1200 dagen wordt een reductiecoëfficiënt toegepast van 0,3.
  [3 Vanaf het school- of academiejaar 2024-2025 wordt deze reductiecoëfficiënt van 0,3 enkel toegepast op prestaties die worden verricht door personeelsleden die een betrekking bekleden ten laste van de inrichtende macht.]3
  Het aantal dagen verworven als niet-statutair personeelslid in een ambt met volledige prestaties wordt gevormd door de som van alle dagen gerekend vanaf het begin tot het einde van de periode van ononderbroken arbeid. De vakantiedagen van toepassing op het niet-statutair personeel die gelijk zijn aan de vakantiedagen opgenoemd in § 1, lid 3, worden bij deze arbeidsperiode opgeteld.
  De diensten vervuld in een ambt met onvolledige prestaties met ten minste de helft van het aantal uren vereist voor een ambt met volledige prestaties, worden op dezelfde wijze in aanmerking genomen als de diensten vervuld in een ambt met volledige prestaties.
  Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledige prestaties dat minder dan de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor het ambt met volledige prestaties, wordt met de helft verminderd.)
  
Art. 34. (§ 1.) Pour le calcul de l'ancienneté visée à la présente section, sont seuls pris en considération les services accomplis et subventionnés à la fin de l'année scolaire ou académique en cours auprès du pouvoir organisateur, en fonction principale, (au sein d'une même catégorie) et pour autant que le candidat porte le titre de capacité pour cette fonction, tel que prévu à l'article 2.
  (Le nombre de jours acquis en qualité de temporaire dans une fonction à prestations complètes est formé de tous les jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue.
  Par dérogation à l'alinéa 1er sont englobés dans cette période d'activité, les congés de détente ainsi que les vacances d'hiver et de printemps et les congés de maternité, d'accueil en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse, et les congés exceptionnels prévus respectivement aux articles 5 et 5bis de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement de l'Etat aux articles 2 et 3 de l'arrêté royal du 14 janvier 1979 relatif aux congés de circonstances accordés à certains membres du personnel temporaire des établissements d'enseignement de l'Etat [2 ainsi que, pour le personnel administratif, aux articles 4 et 4bis de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat. ]2.)
  En cas de changement de fonction, les jours acquis en qualité de définitif dans une fonction à prestations complètes se comptent du début à la fin d'une période ininterrompue d'activité de service, vacances d'hiver et de printemps, congés de maternité, d'accueil et de circonstance compris, comme indiqué à l'alinéa précédent.
  Les services accomplis dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services accomplis dans une fonction à prestations complètes.
  Le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitié du nombre requis pour la fonction à prestations complètes, est réduit de moitié.
  (Dans l'enseignement de promotion sociale, par dérogation aux alinéas 2, 5 et 6, pour autant que les services accomplis comportent au moins 40 périodes par année, le nombre de jours acquis en qualité de temporaire dans une fonction est de :
  1° 300 jours si les services accomplis représentent au moins 50 % du nombre de périodes par année nécessaire pour former une charge complète dans cette fonction;
  2° 150 jours si les services accomplis représentent moins de 50 % du nombre de périodes par année nécessaire pour former une charge complète dans cette fonction.)
  Le nombre de jours acquis dans deux ou plusieurs fonctions à prestations complètes ou incomplètes, exercées simultanément, ne peut jamais dépasser le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations complètes exercée pendant la même période.
  La durée des services que compte le membre du personnel ne peut jamais dépasser 300 jours par année scolaire, 300 jours constituant une année d'ancienneté.
  (§ 2. Les services rendus par un membre du personnel non statutaire sont assimilés aux services visés au présent article, à condition que ce membre du personnel soit porteur du titre requis ou du [1 ou, sauf dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, du titre suffisant]1.
  En ce qui concerne les 1200 premiers jours, il leur est appliqué un coefficient réducteur de 0,3.
  [3 A partir de l'année scolaire ou académique 2024-2025, ce coefficient réducteur de 0,3 n'est appliqué qu'aux prestations effectuées par les membres du personnel qui occupent une fonction à charge du pouvoir organisateur.]3
  Le nombre de jours acquis en qualité de membre du personnel non statutaire dans une fonction à prestations complètes est formé de tous les jours comptés du début à la fin de la période d'activité continue. Les congés s'appliquant aux membres du personnel non statutaire qui trouvent leur équivalent dans les congés énumérés au § 1er, alinéa 3, sont englobés dans cette période d'activité.
  Les services accomplis dans une fonction à prestations incomplètes comportant au moins la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes sont pris en considération au même titre que les services accomplis dans une fonction à prestations complètes.
  Le nombre de jours acquis dans une fonction à prestations incomplètes qui ne comporte pas la moitié du nombre d'heures requis pour la fonction à prestations complètes, est réduit de moitié.)
  
Art. 35. [1 § 1. Bij ontslag verliest een personeelslid aangesteld in tijdelijk verband de bij de betrokken inrichtende macht verworven prioriteit. Deze wordt hem opnieuw verleend als die inrichtende macht hem weer aanwerft.
   Bij vrijwillig ontslag verliest het personeelslid aangesteld in tijdelijk verband de bij de betrokken inrichtende macht verworven prioriteit. Deze wordt hem nochtans opnieuw verleend als, na zijn ontslag te hebben ingediend, die inrichtende macht hem weer aanwerft.
   § 2. Bij vrijwillig ontslag verliest het personeelslid benoemd in vast verband de bij de betrokken inrichtende macht verworven prioriteit. Deze wordt hem nochtans opnieuw verleend als, na zijn ontslag te hebben ingediend, die inrichtende macht hem weer aanwerft.]1

  
Art. 35. [1 § 1er. En cas de licenciement, un membre du personnel désigné à titre temporaire perd la priorité acquise auprès du pouvoir organisateur concerné. Il la recouvre néanmoins s'il est engagé à nouveau par ce pouvoir organisateur.
   En cas de démission volontaire, un membre du personnel désigné à titre temporaire perd la priorité acquise auprès du pouvoir organisateur concerné. Il la recouvre néanmoins si, après avoir démissionné, il est engagé à nouveau par ce pouvoir organisateur.
   § 2. En cas de démission volontaire, un membre du personnel nommé à titre définitif perd la priorité acquise auprès du pouvoir concerné. Il la recouvre néanmoins si, après avoir démissionné, il est engagé à nouveau par ce pouvoir organisateur.]1

  
Afdeling 4. - Overneming van een onderwijsinrichting van een andere inrichtende macht.
Section 4. - Reprise d'un établissement d'enseignement d'un autre pouvoir organisateur.
Art. 36. § 1. Wanneer een inrichtende macht van het officieel gesubsidieerd onderwijs een gedeelte van een officiële inrichting, georganiseerd door de Franse Gemeenschap of een andere overheid overneemt, dan gelden onderstaande bepalingen :
  1° De personeelsleden, vast benoemd in een wervings- en selectieambt en in dienst bij de overneming krijgen van ambtswege de hoedanigheid van vast personeelslid in de overeenstemmende functie bij de overnemende inrichtende macht.
  2° De personeelsleden die bij de overneming een bevorderingsambt vast uitoefenen, worden benoemd in een wervingsambt dat toegang geeft tot bedoeld bevorderingsambt.
  3° De werkelijke diensten, vóór de overneming verstrekt door de in 1° en 2° vermelde personeelsleden worden gelijkgesteld met werkelijke diensten als personeelslid van de overnemende inrichtende macht.
  De overnemingsovereenkomst tussen de betrokken inrichtende machten kan aanvullende regels vaststellen en in voorkomend geval voorwaarden stellen voor de overneming betreffende de tijdelijke aangestelde personeelsleden (, inzonderheid de voorwaarden die in acht genomen dienen te worden door deze personeelsleden om een voorrang tot aanwijzing te laten gelden. De overeenkomst mag ook de voorwaarden bepalen die in acht dienen te worden genomen door de tijdelijke personeelsleden die, bij de overneming, op basis van de statutaire bepalingen die toen op hen van toepassing waren, hun rechten hadden kunnen laten gelden op een vaste benoeming, voor een vaste benoeming in de bezette vacantverklaarde betrekking op het ogenblik van de overneming en die daarna ook vacant blijft). Die regels zullen uitgewerkt worden in de plaatselijke paritaire commissie ressorterend onder de overnemende inrichtende macht.
  § 2. De voorwaarden voor de overneming, door een inrichtende macht van het officieel gesubsidieerd onderwijs, van een (gedeelte van een) inrichting voor vrij gesubsidieerd onderwijs zullen vastgesteld worden bij een overeenkomst tussen de betrokken inrichtende machten. Voormelde regels zullen uitgewerkt worden in de plaatselijke paritaire commissie van de overnemende inrichtende macht.
Art. 36. § 1. En cas de reprise par un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné d'un établissement ou d'une partie d'établissement d'enseignement officiel organisé par la Communauté française ou par un autre pouvoir public, les dispositions suivantes sont d'application :
  1° Les membres du personnel nommés à titre définitif dans une fonction de recrutement et de sélection et en fonction au moment de la reprise acquièrent d'office la qualité de membre du personnel définitif dans les fonctions correspondantes au sein du pouvoir organisateur qui reprend.
  2° Les membres du personnel qui, au moment de la reprise, exercent à titre définitif une fonction de promotion sont nommés à une des fonctions de recrutement donnant accès à cette fonction de promotion.
  3° Les services effectifs rendus avant la reprise par les membres du personnel visés au 1° et 2° sont assimilés à des services effectifs rendus en qualité de membre du personnel du pouvoir organisateur qui reprend.
  La convention de reprise à conclure entre les pouvoirs organisateurs concernés peut fixer des règles complémentaires aux dispositions énoncées ci-dessus et préciser, s'il échet, des conditions de reprise pour les membres du personnel désignés à titre temporaire (, notamment les conditions dans lesquelles ces membres du personnel peuvent faire valoir une priorité à la désignation. La convention peut également déterminer les conditions auxquelles les membres du personnel temporaire qui, au moment de la reprise, auraient pu prétendre, sur la base des dispositions statutaires qui leur étaient applicables à cette date, à une nomination à titre définitif, peuvent être nommés à titre définitif dans l'emploi vacant occupé au moment de la reprise et qui demeure vacant après celle-ci). Ces règles complémentaires seront préparées au sein de la commission paritaire locale relevant du pouvoir organisateur qui reprend.
  § 2. Les conditions de reprise par un pouvoir organisateur de l'enseignement officiel subventionné d'un établissement ou d'une partie d'établissement d'enseignement libre subventionné seront fixées aux termes d'une convention à conclure entre les pouvoirs organisateurs concernés. Les règles précitées seront préparées au sein de la commission paritaire locale du pouvoir organisateur qui reprend.
Afdeling 5. Personeelsleden die het slachtoffer van een gewelddaad waren [1 van pesterijen]1.
Section 5. - Des membres du personnel victimes d'acte de violence [1 ou de harcèlement]1.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section première. - Dispositions générales.
Art. 36bis. [2 § 1. Voor de toepassing van afdeling 5 wordt verstaan onder :
   1° "gewelddaad" : iedere fysieke en/of psychologische aantasting gepleegd met kwaadwillig opzet, elke agressie [4 die verband houden met een van de vormen van discriminatie bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie]4 tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van zijn goederen door ofwel een leerling, ofwel een derde op aansporing van of met medeplichtigheid van deze laatste, ofwel door een familielid van de leerling of iedere persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienstuitoefening van het personeelslid of hiermee in rechtstreeks verband staand, ofwel door eender welke andere persoon die niet behoort tot het personeel van de instelling voor zover door het slachtoffer wordt aangetoond dat de gewelddaad in rechtstreeks verband staat met de dienstuitoefening;
   2° "pesterijen" : pesterijen en ongewenst seksueel gedrag in de zin van artikel 32ter, eerste lid, 2° en 3° van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   3° "personeelslid dat het slachtoffer van een gewelddaad is geweest" : het vastbenoemde of tijdelijk aangestelde personeelslid, dat door de Regeringsdienst bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval dat het resultaat is van de daad bepaald in 1° ;
   4° "personeelslid dat het slachtoffer van pesterijen is geweest" : het vastbenoemde of tijdelijk personeelslid dat het slachtoffer van pesterijen is geweest, zoals bepaald in 2°;
  [4 5° "overmacht": een toestand buiten de wil van het slachtoffer die, zonder dat hij daaraan redelijkerwijs iets kon doen, verhinderde dat hij het verzoek binnen de in dit hoofdstuk bedoelde termijn indiende, of eerder na het verstrijken van die termijn.]4
   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° wordt voorrang bedoeld in § 2 slechts verleend aan het personeelslid op voorwaarde dat het een klacht bij de rechterlijke overheden ingediend heeft.
   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2° wordt voorrang bedoeld in § 2 slechts verleend aan het personeelslid op voorwaarden dat pesterijen erkend werden door een rechterlijke beslissing of door een verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
   Wanneer de gewelddaad of pesterijen gepleegd werden buiten de instelling, zal de aanvraag om voorrang slechts in aanmerking worden genomen als de dader van de gewelddaad of pesterijen kan worden geïdentificeerd of, bij gebreke hieraan, als het verband tussen de gewelddaad en de onderwijsactiviteit bewezen kan worden.
   § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 genieten een voorrang bepaald overeenkomstig onderafdeling 2 voor wat betreft het niet-prioritair tijdelijk personeelslid, onderafdeling 3 voor wat betreft het prioritair tijdelijk personeelslid en onderafdeling 4 voor het vastbenoemde personeelslid.
   Als het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst niet tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden en behoudens behoorlijk gerechtvaardigde overmacht, dient het een verzoek voor voorrang in bij de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, [3 ...]3 met bewijs van ontvangst binnen een termijn van [4 drie maanden]4 na de dag waarop de feiten zich hebben voorgedaan voor geweldtoestand of erkenning van pesterijen in toestand van pesterijen voor pesterijen bij de algemene directie van het verplicht onderwijs of de algemene directie van het niet-verplicht onderwijs, naargelang het geval. Binnen diezelfde termijn stuurt hij eveneens [3 ...]3 met bewijs van ontvangst een afschrift van dit verzoek aan zijn inrichtende macht. De algemene directie van het leerplichtonderwijs of de algemene directie van het niet-verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na of de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
   In geval het personeelslid door de administratieve gezondheidsdienst tijdelijk arbeidsongeschikt werd bevonden [4 binnen twintig werkdagen na het plaatsvinden van de gewelddaad of de indiening van een klacht wegens pesterijen bij de gerechtelijke autoriteiten of de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk]4, dient het binnen een termijn [4 van drie maanden na het plaatsvinden van de gewelddaad of de erkenning van de situatie waarin sprake is van intimidatie]4, het verzoek bedoeld in voorgaand lid in bij, naar het geval, de algemene directie van het leerplichtonderwijs of de algemene directie van het niet-verplicht onderwijs, naargelang het geval, [4 ...]4. Binnen diezelfde termijn stuurt het eveneens bij een aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst een afschrift van dit verzoek aan zijn inrichtende macht. [4 Deze periode van drie maanden wordt opgeschort zolang het personeelslid erkend is als tijdelijk arbeidsongeschikt.]4 De algemene directie van het leerplichtonderwijs of de algemene directie van het niet-verplicht onderwijs, naar het geval, gaan na of de toepassingsvoorwaarden van onderhavig decreet zijn nageleefd, zich daarbij steunend op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
   Bij een gewelddaad wordt een afschrift van de klacht bedoeld in § 1, tweede lid, bij de aanvraag gevoegd, alsook een afschrift van de erkenning van het arbeidsongeval door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten voordele van het personeel uit de openbare sector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.
   Bij pesterijen wordt bij de aanvraag een afschrift gevoegd van de rechterlijke beslissing of van het verslag van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk waarbij pesterijen en ongewenst seksueel gedrag bewezen worden.]2

  § 3. Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, brengt binnen [4 twintig werkdagen]4 na ontvangt van het verzoek bedoeld in § 2 advies uit aan de in functie zijnde minister. Een kopie van dit advies wordt aan de inrichtende macht alsook aan het betrokken personeelslid bezorgd.
  De in functie zijnde minister neemt binnen [4 tien werkdagen]4 de beslissing dat van het stelsel kan worden genoten. Deze beslissing wordt onmiddellijk aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid meegedeeld.
  
Art. 36bis. [2 § 1er. Pour l'application de la section 5, il faut entendre par :
   1° " acte de violence " : toute atteinte physique et/ou psychologique commise avec une intention malveillante, toute agression [4 liée à une des formes de discrimination visées par la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination]4 contre un membre du personnel ainsi que toute détérioration aux biens de celui-ci commise soit par un élève, soit par un tiers sur instigation ou avec la complicité de celui-ci, soit par un membre de la famille de l'élève ou toute personne habitant sous le même toit, dans le cadre du service du membre du personnel ou en relation directe avec celui-ci, soit par tout autre personne n'appartenant pas au personnel de l'établissement, pour autant qu'il soit démontré par la victime que l'acte de violence est en relation directe avec le service;
   2° " harcèlement " : le harcèlement moral ou sexuel au sens de l'article 32ter, alinéa 1er, 2° et 3° de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail;
   3° " membre du personnel victime d'un acte de violence " : le membre du personnel définitif ou temporaire reconnu par le service du Gouvernement visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail victime d'un accident de travail résultant de l'acte défini au 1° ;
   4° " membre du personnel victime de harcèlement " : le membre du personnel définitif ou temporaire victime de harcèlement tel que défini au 2°.
  [4 5° " force majeure ": une situation indépendante de la volonté de la victime qui, sans qu'elle puisse raisonnablement y remédier, l'a empêchée d'introduire sa demande endéans le délai visé au présent chapitre, ou plus tôt après échéance de celui-ci.]4
   Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, la priorité visée au paragraphe 2 n'est accordée au membre du personnel que pour autant qu'il ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
   Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2°, la priorité visée au paragraphe 2 n'est accordée au membre du personnel que pour autant que le harcèlement ait été reconnu par une décision de justice ou par un rapport du service externe de prévention et de protection au travail visé à l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
   Lorsque l'acte de violence ou le harcèlement a été commis à l'extérieur de l'établissement, la demande de priorité n'est prise en compte que pour autant que l'auteur de l'acte de violence ou du harcèlement ait pu être identifié ou, à défaut, que le lien entre l'acte de violence et l'activité d'enseignement ait pu être établi.
   § 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er bénéficient d'une priorité définie conformément à la sous-section 2 pour ce qui concerne le membre du personnel temporaire non prioritaire, à la sous-section 3 pour ce qui concerne le membre du personnel temporaire prioritaire et à la sous-section 4 pour le membre du personnel nommé à titre définitif.
   Si le membre du personnel n'a pas été mis en incapacité temporaire par le service de santé administratif et sauf cas de force majeure dûment justifié, il introduit sa demande de priorité [3 ...]3 auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, dans un délai de [4 trois mois]4 à partir de la survenance des faits pour la situation de violence ou de la reconnaissance du harcèlement pour la situation de harcèlement pour le harcèlement auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas. Dans le même délai, il envoie également [3 ...]3 copie de cette demande à son pouvoir organisateur. La Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, vérifie que les conditions d'application du présent décret sont remplies, en s'entourant de tout complément d'information qu'elle juge utile.
   Dans le cas où le membre du personnel a été mis en incapacité temporaire par le service de santé administratif [4 dans les vingt jours ouvrables suivant la survenance de l'acte de violence ou le dépôt d'une plainte en harcèlement auprès des autorités judiciaires ou du service externe de prévention et de protection au travail]4, il introduit la demande visée à l'alinéa précédent dans un délai [4 de trois mois suivant la survenance de l'acte de violence ou la reconnaissance de la situation de harcèlement]4 à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas [4 ...]4. Dans le même délai, il envoie également par recommandé avec accusé de réception copie de cette demande à son pouvoir organisateur. [4 Ce délai de trois mois est suspendu aussi longtemps que le membre du personnel est reconnu en incapacité de travail temporaire.]4 La Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, vérifie que les conditions d'application du présent décret sont remplies en s'entourant de tout complément d'information qu'elle juge utile.
   En cas d'acte de violence, une copie de la plainte visée au § 1er, alinéa 2, est annexée à la demande, de même qu'une copie de la reconnaissance de l'accident de travail par le service du Gouvernement visé à l'article 6 de l'arrêté royal du 24 janvier 1969 relatif à la réparation, en faveur des membres du personnel du secteur public, des dommages résultant des accidents du travail et des accidents survenus sur le chemin du travail.
   En cas de harcèlement, est annexé à la demande, une copie de la décision de justice ou du rapport du service externe de prévention et de protection au travail visé à l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail attestant du harcèlement moral ou sexuel.]2

  § 3. Dans les [4 vingt jours ouvrables]4 qui suivent la réception de la demande visée au § 2, la direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, rendent un avis au ministre fonctionnel. Une copie de cet avis est communiquée au pouvoir organisateur ainsi qu'au membre du personnel concerné.
  La décision d'octroi du dispositif visé au présent chapitre est prise par le ministre fonctionnel ou son délégué dans les [4 dix jours ouvrables]4. Elle est notifiée immédiatement au pouvoir organisateur et au membre du personnel concerné.
  
Onderafdeling 2. - Recht op een nieuwe aanstelling van niet-prioritaire tijdelijke personeelsleden
Sous-section 2. - Du droit à une nouvelle désignation des membres du personnel temporaires non prioritaires
Art. 36ter. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 10; Inwerkingtreding : 01-09-2003> § 1. Het niet-prioritaire tijdelijke personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad [2 of van pesterijen]2, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één, om een aanstelling in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken.
  Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van [1 dertig dagen]1 na het indienen van het verzoek is verstreken.
  De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het slachtoffer van een gewelddaad [2 of van pesterijen]2 worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling.
  § 2. De inrichtende macht stelt het personeelslid bedoeld in § 1 aan
  a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt die niet door een ander personeelslid wordt bekleed met inachtneming van de statutaire bepalingen
  of
  b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat bereid is om met het personeelslid, slachtoffer van een gewelddaad, van post te ruilen [2 of van pesterijen]2.
  Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 3. Als aan het niet gerangschikt personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de in functie zijnde minister het personeelslid aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door een niet gerangschikt, tijdelijk aangesteld personeelslid aan wie hij oplegt om met het slachtoffer van een gewelddaad van post te ruilen.
  Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 4. Als het personeelslid niet in een andere betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld overeenkomstig § 2 en § 3 en het door een andere inrichtende macht in een betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld, worden de diensten die hij voor deze nieuwe inrichtende macht presteert, in aanmerking genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, ten belope van het aantal dagen die in het kader van de oorspronkelijke aanstelling nog dienden te worden gepresteerd.
  § 5. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid bedoeld in onderhavig artikel dat ten gevolge van de gewelddaad [2 of van de erkenning van pesterijen]2 arbeidsonbekwaam werd bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling.
  § 6. [2 Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid in de omstandigheden verkeerde om de voorrang bedoeld in onderhavig artikel te genieten, kan het tijdelijk personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de instelling waar het personeelslid het slachtoffer van de gewelddaad of pesterijen is geweest, behoudens wanneer het daar om verzoekt en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de instelling waar hij slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen is geweest, verder uit te oefenen.]2
  
Art. 36ter. § 1er. Le membre du personnel temporaire non prioritaire victime d'un acte de violence [2 ou de harcèlement]2 peut solliciter, dans les conditions visées à la sous-section première, une nouvelle désignation dans un autre établissement relevant du même pouvoir organisateur.
  La demande de nouvelle désignation ne sera prise en considération que si la désignation initiale n'arrive pas à échéance avant l'écoulement d'un délai [1 de trente jours]1 à dater de l'introduction de la demande.
  La nouvelle désignation visée au présent article ne peut être d'une durée inférieure à la durée restant à courir dans le cadre de la désignation initiale, sauf accord du membre du personnel concerné. Toutefois, une désignation d'une durée inférieure à celle restant à courir dans le cadre de sa désignation initiale peut être imposée à la victime d'un acte de violence [2 ou de harcèlement]2 à condition que cet emploi soit disponible pour une durée de quinze semaines au moins et que le membre du personnel qui fait l'objet d'une telle désignation ne perde aucun droit pour la période qui représente la différence entre cette désignation et la durée de la désignation initiale.
  § 2. Le pouvoir organisateur désigne le membre du personnel visé au § 1er :
  a) dans tout emploi de la même fonction qui n'est pas occupé par un autre membre du personnel dans le respect des dispositions statutaires;
  ou
  b) dans tout emploi de la même fonction occupé par un membre du personnel qui accepte de faire une permutation avec le membre du personnel victime d'un acte de violence [2 ou de harcèlement]2.
  Le littera b) du présent paragraphe ne vaut que pour les désignations qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 3. A défaut d'avoir pu offrir au membre du personnel temporaire non prioritaire visé à la présente sous-section une nouvelle désignation conformément au § 2, le pouvoir organisateur le désigne dans tout emploi de la même fonction déjà occupé par un membre du personnel temporaire non prioritaire à qui il impose de permuter.
  L'alinéa précédent ne vaut que pour les désignations qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 4. S'il n'a pas pu faire l'objet d'une désignation dans un autre emploi de la même fonction conformément aux §§ 2 et 3, et qu'il est désigné par un autre pouvoir organisateur dans un emploi de la même fonction, les services qu'il preste dans ce nouveau pouvoir organisateur sont également pris en compte dans le calcul de l'ancienneté de fonction auprès du pouvoir organisateur d'origine, à concurrence du nombre de jours qu'il restait à prester dans le cadre de la désignation initiale.
  § 5. Durant la période de congé rémunéré dont bénéficie le membre du personnel visé par le présent article en incapacité de travail consécutive à l'acte de violence [2 ou à la reconnaissance du harcèlement]2, celui-ci est réputé rendre des services effectifs. Sa prise en compte dans l'ancienneté de service est toutefois limitée à la durée de la désignation initiale.
  § 6. [2 L'année scolaire qui suit celle au cours de laquelle il était dans les conditions pour bénéficier de la priorité prévue au présent article, le membre du personnel temporaire ne peut être à nouveau désigné dans l'établissement dans lequel il a été victime de l'acte de violence ou du harcèlement, sauf s'il en fait la demande et à condition qu'il ait été reconnu incapable de poursuivre sa (ses) fonction( s) dans l'établissement dans lequel il a été victime d'un acte de violence ou de harcèlement par le service externe de prévention et de protection au travail visé à l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.]2
  
Onderafdeling 3. - Recht op een nieuwe aanstelling van prioritaire tijdelijke personeelsleden
Sous-section 3. - Du droit à une nouvelle désignation des membres du personnel temporaires prioritaires
Art. 36quater. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 10; Inwerkingtreding : 01-09-2003> § 1. Het prioritaire tijdelijke personeelslid, [2 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]2, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één, om een aanstelling in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken.
  Het verzoek om een nieuwe aanstelling wordt alleen in overweging genomen als de oorspronkelijke aanstelling geen einde neemt voor een termijn van [1 dertig dagen]1 na het indienen van het verzoek is verstreken.
  De duur van de nieuwe aanstelling bedoeld in onderhavig artikel mag niet korter zijn dan de resterende duur van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling, behoudens wanneer het betrokken personeelslid ermee instemt. Een aanstelling met een kortere duur dan die van de oorspronkelijke, nog lopende aanstelling kan niettemin aan het [2 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]2 worden opgelegd op voorwaarde dat deze betrekking beschikbaar is voor een termijn van ten minste vijftien weken en dat het personeelslid aan wie deze aanstelling wordt opgelegd, geen enkel recht verliest voor de periode die het verschil uitmaakt tussen deze aanstelling en de duur van de oorspronkelijke aanstelling.
  § 2. De inrichtende macht stelt het personeelslid bedoeld in § 1 aan
  a) in iedere beschikbare betrekking van hetzelfde ambt die niet door een ander personeelslid wordt bekleed met inachtneming van de statutaire bepalingen
  of
  b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat bereid is om met het personeelslid, [2 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]2, van post te ruilen.
  Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 3. Als aan het prioritaire tijdelijke personeelslid bedoeld in onderhavige onderafdeling geen nieuwe aanstelling kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, stelt de inrichtende macht het aan in een betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door
  1° een niet-prioritair tijdelijk personeelslid aan wie zij oplegt om van post te ruilen;
  2° bij ontstentenis, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van rangschikking, aan wie zij oplegt om van post te ruilen.
  Voorgaand lid geldt niet voor de aanstellingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 4. Als het personeelslid niet in een andere betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld overeenkomstig § 2 en § 3 en het door een andere inrichtende macht in een betrekking van hetzelfde ambt is aangesteld, worden de diensten die hij voor deze nieuwe inrichtende macht presteert, in aanmerking genomen bij de berekening van de dienstanciënniteit bij de oorspronkelijke inrichtende macht, ten belope van het aantal dagen die in het kader van de oorspronkelijke aanstelling nog dienden te worden gepresteerd.
  § 5. Tijdens de periode van bezoldigd verlof waarvan het personeelslid bedoeld in onderhavig artikel dat [3 ten gevolge van de gewelddaad of van pesterijen]3 arbeidsonbekwaam werd bevonden, geniet, wordt dit personeelslid geacht om effectief in dienst te zijn. Met betrekking tot de dienstanciënniteit wordt deze evenwel beperkt tot de duur van de oorspronkelijke aanstelling.
  § 6. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid in de omstandigheden verkeerde om van de voorrang bedoeld in onderhavig artikel te genieten, kan het prioritair tijdelijk personeelslid niet opnieuw worden aangesteld in de inrichting waar het het [4 slachtoffer van de gewelddaad of van pesterijen]4 was, behoudens wanneer het daar om verzoekt en op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het [2 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]2 was, verder uit te oefenen.
  
Art. 36quater. § 1er. Le membre du personnel temporaire prioritaire [2 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]2 peut solliciter, dans les conditions visées à la sous-section première, une nouvelle désignation dans un autre établissement relevant du même pouvoir organisateur.
  La demande de nouvelle désignation ne sera prise en considération que si la désignation initiale n'arrive pas à échéance avant l'écoulement d'un délai [1 de trente jours]1 à dater de l'introduction de la demande.
  La nouvelle désignation visée au présent article ne peut être d'une durée inférieure à la durée restant à courir dans le cadre de la désignation initiale, sauf accord du membre du personnel concerne. Toutefois, une désignation d'une durée inférieure à celle restant à courir dans le cadre de sa désignation initiale peut être imposée à la [2 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]2 à condition que cet emploi soit disponible pour une durée de quinze semaines au moins et que le membre du personnel qui fait l'objet d'une telle désignation ne perde aucun droit pour la période qui représente la différence entre cette désignation et la durée de la désignation initiale.
  § 2. Le pouvoir organisateur désigne le membre du personnel visé au § 1er
  a) dans tout emploi de la même fonction qui n'est pas occupé par un autre membre du personnel dans le respect des dispositions statutaires;
  ou
  b) dans tout emploi de la même fonction occupé par un membre du personnel qui accepte faire une permutation avec le membre du personnel[2 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]2.
  Le littera b) du présent paragraphe ne vaut que pour les désignations qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 3. A défaut d'avoir pu offrir au membre du personnel temporaire prioritaire visé à la présente sous-section une nouvelle désignation conformément au § 2, le pouvoir organisateur le désigne dans tout emploi de la même fonction déjà occupé par
  1° un membre du personnel temporaire non prioritaire à qui il impose de permuter;
  2° à défaut, par un membre du personnel temporaire prioritaire, dans l'ordre inverse du classement, à qui il impose de permuter.
  L'alinéa précédent ne vaut que pour les désignations qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 4. S'il n'a pas pu faire l'objet d'une désignation dans un autre emploi de la même fonction conformément aux §§ 2 et 3, et qu'il est désigné par un autre pouvoir organisateur dans un emploi de la même fonction, les services qu'il preste dans ce nouveau pouvoir organisateur sont également pris en compte dans le calcul de l'ancienneté de fonction auprès du pouvoir organisateur d'origine, à concurrence du nombre de jours qu'il restait à prester dans le cadre de la désignation initiale.
  § 5. Durant la période de congé rémunéré dont bénéficie le membre du personnel visé par le présent article en incapacité de travail [3 consécutive à l'acte de violence ou au harcèlement]3, celui-ci est réputé rendre des services effectifs. Sa prise en compte dans l'ancienneté de service est toutefois limitée à la durée de la désignation initiale.
  § 6. L'année scolaire qui suit celle au cours de laquelle il était dans les conditions pour bénéficier de la priorité prévue au présent article, le membre du personnel temporaire prioritaire ne peut être à nouveau désigné dans l'établissement dans lequel il a été [4 victime de l'acte de violence ou de harcèlement]4, sauf s'il en fait la demande et à condition qu'il ait été reconnu incapable de poursuivre sa (ses) fonction(s) dans l'établissement dans lequel il a été [2 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]2 par le service externe de prévention et de protection au travail visé à l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
  
Onderafdeling 4. - Gelegenheidsaffectatiewijziging, mutatie en aanstelling in een andere inrichtende macht van vastbenoemde personeelsleden
Sous-section 4. - Du changement d'affectation de circonstance, de la mutation et de la désignation dans un autre pouvoir organisateur des membres du personnel nommés à titre définitif
Art. 36quinquies. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 10; Inwerkingtreding : 01-09-2003> § 1. Het vastbenoemde personeelslid, [1 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]1, kan onder de voorwaarden bedoeld in onderafdeling één om een gelegenheidsaffectatiewijziging in een andere instelling van dezelfde inrichtende macht verzoeken.
  § 2. De inrichtende macht kent een gelegenheidsaffectatiewijziging toe aan het personeelslid bedoeld in § 1
  a) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, die niet door een ander personeelslid wordt bekleed;
  of
  b) in iedere betrekking van hetzelfde ambt, bekleed door een personeelslid dat aanvaardt om met het betrokken personeelslid van post te ruilen.
  Littera b) van onderhavige paragraaf geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 3. Als aan het vastbenoemde personeelslid bedoeld in onderhavige onderafdeling geen gelegenheidsaffectatiewijziging kan worden aangeboden overeenkomstig § 2, kent de inrichtende macht deze gelegenheidsaffectatiewijziging toe in iedere betrekking van hetzelfde ambt die reeds wordt bekleed door
  1° een niet-prioritair tijdelijk personeelslid aan wie zij oplegt om van post te ruilen;
  2° bij ontstentenis, een prioritair tijdelijk personeelslid, in de omgekeerde volgorde van de rangschikking, aan wie zij oplegt om van post te ruilen.
  Voorgaand lid geldt niet voor de gelegenheidsaffectatiewijzigingen die voor 15 mei van het lopende schooljaar plaatsvinden.
  § 4. Het personeelslid, [1 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]1, kan (een) andere inrichtende macht(en) verzoeken om in een definitief vacante betrekking van hetzelfde ambt te worden gemuteerd in toepassing van artikel 29, § 1.
  Het personeelslid, [1 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]1, kan (een) andere inrichtende macht(en) verzoeken om in een betrekking van hetzelfde ambt te worden gemuteerd. Als het door deze inrichtende macht wordt aangesteld, krijgt het in dit geval verlof om tijdelijk een ander ambt uit te oefenen in het onderwijs overeenkomstig artikel 14, § 1, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, technisch, artistiek en normaalonderwijs van de Staat, van de internaten die afhangen van deze inrichtingen en van de leden van het personeel van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen [2 of, voor het administratief personeel, in artikel 23, § 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen met toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs.]2.
  De verlenging van deze prioritaire affectatie geschiedt op dezelfde manier totdat het personeelslid voldoet aan de voorwaarden voor een aanstelling in vast verband. Als, op dat moment, het personeelslid zich niet kandidaat stelt voor een aanwerving in vast verband, is de inrichtende macht ontheven van de verplichting om te verlengen.
  § 5. Tijdens het schooljaar volgend op het jaar tijdens hetwelk het personeelslid [1 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]1 was, kent de inrichtende macht aan het personeelslid een affectatiewijziging toe die voorrang heeft op alle andere affectatiewijzigingen, op iedere aanstelling en op iedere vaste benoeming van een ander personeelslid, in iedere vacante betrekking van hetzelfde ambt op voorwaarde dat het door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, bedoeld in het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, onbekwaam werd bevonden om zijn ambt in de inrichting waar het het [1 slachtoffer van een gewelddaad of pesterijen]1 was, verder uit te oefenen.
  
Art. 36quinquies. § 1er. Le membre du personnel nommé à titre définitif [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1 peut solliciter, dans les conditions visées à la sous-section première, un changement d'affectation de circonstance dans un autre établissement relevant du même pouvoir organisateur.
  § 2. Le pouvoir organisateur accorde le changement d'affectation de circonstance au membre du personnel visé au § 1er
  a) dans tout emploi de la même fonction qui n'est pas occupé par un autre membre du personnel;
  ou
  b) dans tout emploi de la même fonction occupé par un membre du personnel qui accepte faire une permutation avec le membre du personnel [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1.
  Le littera b) du présent paragraphe ne vaut que pour les changements d'affectation de circonstance qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 3. A défaut d'avoir pu offrir au membre du personnel définitif visé à la présente sous-section un changement d'affectation de circonstance conformément au § 2, le pouvoir organisateur lui accorde ce changement d'affectation de circonstance dans tout emploi de la même fonction déjà occupé par
  1° un membre du personnel temporaire non prioritaire à qui il impose de permuter;
  2° à défaut, par un membre du personnel temporaire prioritaire, dans l'ordre inverse du classement, à qui il impose de permuter.
  L'alinéa précédent ne vaut que pour les changements d'affectation de circonstance qui interviennent avant le 15 mai de l'année scolaire en cours.
  § 4. Le membre du personnel [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1 peut demander à un(d')autre(s) pouvoir(s) organisateur(s) à être muté dans un emploi définitivement vacant de la même fonction en application de l'article 29, § 1er.
  Le membre du personnel [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1 peut demander à un(d')autre(s) pouvoir(s) organisateur(s) à être désigné dans un emploi de la même fonction. S'il est désigné par ce pouvoir organisateur, il bénéficie dans ce cas d'un congé pour exercer provisoirement une autre fonction dans l'enseignement conformément à l'article 14, § 1er, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, (spécialisé), moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendants de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements [2 ou, pour le personnel administratif, à l'article 23, § 1er, 2° et 3°, de l'arrêté royal du 8 décembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28 février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat.]2.
  La reconduction de cette affectation prioritaire se fait de la même manière jusqu'à ce que le membre du personnel remplisse les conditions de nomination définitive. Si, à ce moment, le membre du personnel ne pose pas sa candidature à la nomination définitive, le pouvoir organisateur est délié de l'obligation de reconduction.
  § 5. L'année scolaire qui suit celle où le membre du personnel a été [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1, le pouvoir organisateur lui accorde un changement d'affectation par priorité à tout autre changement d'affectation, à toute désignation et à toute nomination définitive d'un autre membre du personnel, dans tout emploi vacant de la même fonction à condition qu'il ait été reconnu incapable de poursuivre sa (ses) fonction( s) dans l'établissement dans lequel il a été [1 victime d'un acte de violence ou de harcèlement]1 par le service externe de prévention et de protection au travail visé à l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
  
Onderafdeling 5. [1 - Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand]1
Sous-section 5. [1 - De l'assistance en justice et de l'assistance psychologique]1
Art. 36sexies. [1 § 1. In dit decreet wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald [2 in artikel 36bis, § 1, eerste lid, 3°]2.
   § 2. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.]1

  
Art. 36sexies. [1 § 1er. Dans la présente section, on entend par " victime " le " membre du personnel victime d'un acte de violence " tel que défini [2 à l'article 36bis, § 1er, alinéa 1er, 3°]2.
   § 2. L'assistance en justice et l'assistance psychologique ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé une plainte auprès des autorités judiciaires.]1

  
Art. 36septies. [1 § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten.
  § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging.
  § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad.
  § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 1 en 2, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.
  § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.
  In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 37 nonies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.
  Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).]1

  
Art. 36septies. [1 § 1er. La victime peut bénéficier d'une assistance en justice visée au § 2 et/ou de l'assistance psychologique visée au § 3.
  § 2. L'assistance en justice consiste en la prise en charge totale ou partielle des honoraires et des frais d'avocat et de procédure.
  § 3. L'assistance psychologique consiste en la prise en charge de maximum douze séances de consultation auprès d'un psychologue et/ou d'un psychiatre dans le but de fournir une aide immédiate à la victime d'un acte de violence.
  § 4. L'assistance en justice et l'assistance psychologique telles que définies aux paragraphes 1er et 2 ne sont octroyées que pour autant que la victime ait déposé plainte auprès des autorités judiciaires.
  § 5. La victime recourt au prestataire de l'assistance de son choix.
  Le cas échéant, le Service concerné visé à l'article 37nonies lui communique, à sa demande et à titre indicatif, une liste de prestataires à contacter en cas d'agression.
  La victime communique au Service concerné le nom du/des prestataire(s) de son choix qui prend/prennent en charge son dossier.]1

  
Art. 36octies. [1 § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 3, in [2 ...]2, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.
  Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend.
  § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan zijn inrichtingshoofd.
  § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad.
  § 4. De inrichtende macht waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.
  Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.]1

  
Art. 36octies. [1 § 1er. Sauf cas de force majeure dûment justifiée, la victime introduit la demande d'assistance en justice visée à l'article 37sexies, § 2, et/ou psychologique visée à l'article 37sexies, § 3, [2 ...]2 dans le mois qui suit la survenance des faits.
  Lorsque la victime exerce ses fonctions dans l'Enseignement obligatoire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement obligatoire. Celle-ci vérifie si les conditions de la présente section sont remplies.
  Lorsque la victime exerce sa fonction au sein d'un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, la demande visée à l'alinéa 1er est introduite auprès de la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire.
  § 2. Dans le même délai, la victime envoie également par lettre recommandée avec accusé de réception, copie de la demande à son pouvoir organisateur.
  § 3. La demande indique, dans la mesure du possible, les causes, les circonstances et les conséquences probables de l'acte de violence.
  § 4. Le pouvoir organisateur dont relève la victime, fait parvenir son avis à la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, dans les trois jours ouvrables de la réception de la copie de la demande visée au § 1er.
  Il remet à la victime une copie de son avis.]1

  
Art. 36nonies. [1 § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 37 septies bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval.
  § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.
  Het beroep wordt[2 ...]2 ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.]1

  
Art. 36nonies. [1 § 1er. La décision d'octroi d'assistance est prise dans les 15 jours ouvrables qui suivent la réception de la demande visée à l'article 37septies, par la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire selon le cas.
  § 2. En cas de refus, le membre du personnel ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, peut introduire, via la Direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la Direction générale de l'Enseignement non obligatoire, un recours auprès du Ministre fonctionnel.
  Le recours est introduit [2 ...]2 dans les quinze jours ouvrables qui suivent la notification du refus d'octroi d'assistance.]1

  
Art. 36decies. [1 § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun.
  § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.]1

  
Art. 36decies. [1 § 1er. La gestion de l'assistance en justice et psychologique relève du Service général d'Appui de la Direction générale de l'Audit, de la Coordination et de l'Appui.
  § 2. Dans la présente section, par Service concerné, il faut entendre le Service visé au paragraphe 1er.]1

  
Art. 36undecies. [1 § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro.
  § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in.
  § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming.
  § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld.
  § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat :
  1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;
  2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;
  3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt.
  De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.
  Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.]1

  
Art. 36undecies. [1 § 1er. La prise en charge des honoraires et des frais d'avocat, de procédure et de consultation psychologique et/ou psychiatrique ne peut pas excéder, par sinistre, 3.718,40 euros.
  § 2. A titre exceptionnel, sur demande dûment motivée, la prise en charge peut excéder le seuil prévu au paragraphe 1er. La victime ou, en cas de force majeure dûment justifié, son représentant, introduit cette demande dûment motivée auprès du Service concerné.
  § 3. Les frais remboursés ou pris en charge, totalement ou partiellement, soit en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire, soit en vertu d'un contrat d'assurance souscrit par la victime ou par tout tiers, ne donnent pas lieu à une intervention.
  § 4. La victime communique au Service concerné les pièces justifiant les dépenses. A cet effet, sont communiqués, notamment, les citations, assignations et généralement tous les actes judiciaires dans les 10 jours ouvrables de leur remise ou signification.
  § 5. Le Service concerné apprécie les états de frais et d'honoraires visés aux paragraphes 1 et 2. Ce Service peut refuser ou interrompre son intervention lorsqu'il juge :
  1° que la thèse de la victime n'est pas défendable;
  2° que la proposition transactionnelle faite par le tiers est équitable et sérieuse;
  3° qu'un recours contre une décision judiciaire intervenue ne présente pas de chance sérieuse de succès.
  Toutefois, les frais ou honoraires pour lesquels le Service concerné a refusé ou interrompu son intervention en application de l'alinéa précédent sont pris en charge conformément au présent titre lorsque la victime obtient gain de cause par une décision définitive non susceptible de recours ordinaire ou extraordinaire.
  La décision du Service concerné de refuser ou d'interrompre son intervention est susceptible de recours auprès du Ministre ayant la Fonction publique dans ses attributions dans un délai de vingt jours ouvrables à dater de la réception de ladite décision.]1

  
Art. 36duodecies. [1 De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend. ]1
  
Art. 36duodecies. [1 Les crédits nécessaires à couvrir les dépenses générées par les assistances en justice et psychologiques sont inscrits au budget de la Communauté française dans le cadre des crédits octroyés au service concerné. ]1
  
HOOFDSTUK IV. - Selectieambten.
CHAPITRE IV. - Fonctions de sélection.
Afdeling 1. [1 Afdeling I: Algemene bepalingen ]1
Section 1. [1 Dispositions générales ]1
Art. 37. De inrichtende macht kan in vast verband in een vacante betrekking van een selectieambt benoemen, behalve :
  1° indien ze door de van kracht zijnde bepalingen over de reaffectatie of wedertewerkstelling, voor deze betrekking verplicht is een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid aan te werven, of
  2° indien ze deze betrekking reeds toegewezen heeft ingevolge een wijziging van affectatie, overeenkomstig de bij artikel 38 bepaalde voorwaaden.
  (3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis.)
Art. 37. Un pouvoir organisateur procède à une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de sélection sauf :
  1° s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité;
  2° s'il a déjà attribué l'emploi par changement d'affectation conformément aux dispositions prévues à l'article 38.
  (3° s'il a déjà attribué l'emploi par application des dispositions prévues à l'article 29bis.)
Art. 38. De inrichtende macht die een vacante betrekking moet begeven, kan aan een personeelslid een gewijzigde affectatie toekennen als hij titularis van een selectieambt is. Die wijziging kan enkel gebeuren overeenkomstig artikel 29, § 2.
Art. 38. Le pouvoir organisateur qui a un emploi vacant à conférer peut accorder un changement d'affectation à l'un de ses membres du personnel titulaire de la fonction de sélection à laquelle appartient l'emploi vacant. Le changement d'affectation ne peut s'opérer que dans les conditions fixées à l'article 29, § 2.
Art. 39. De benoeming en de gewijzigde affectatie worden niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad, [1 een cyclus, een andere onderafdeling of een secundaire onderwijsinrichting waarvan het centrum voor gevorderde technologieën afhangt]1 die bij toepassing van de rationalisatieregels geleidelijk wordt gesloten, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting waarvan de periode van betoelaging beperkt wordt.
  
Art. 39. Les nominations ou changements d'affectation ne sont pas permis dans un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré, [1 d'un cycle, d'une autre subdivision ou d'un établissement secondaire dont dépend le centre de technologies avancées qui ]1, en application des règles de rationalisation, est en voie de fermeture progressive ou qui ne peut être subventionné que pour une période limitée.
  
Afdeling 2. [1 Toegangsvoorwaarden tot selectieambten, met uitzondering van het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën [2 en het ambt van territoriale poolcoördinator]2.]1
Section 2. [1 Conditions d'accès aux fonctions de sélection à l'exception de la fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées [2 et de la fonction de coordonnateur de pôle territoria]2.]1
Art. 39bis. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 71; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. [1 De inrichtende macht die een personeelslid in een selectieambt in tijdelijk verband voor meer dan 15 weken moet aanstellen]1 :
  1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen selectieambt;
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de [1 aanstelling in tijdelijk verband]1.
  § 2. [1 De inrichtende macht, na toepassing van § 1 :
   1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt, rekening houdend met de specifieke behoeften verbonden aan zijn opvoedend en pedagogische project, alsook de kenmerken die eigen zijn aan de school waarin de betrekking toe te kennen is.
   Boven de gedrags- en technische competenties naar keuze van de inrichtende macht, neemt het profiel van het ambt in elk geval de volgende gedragscompetenties op :
   a) de informatie analyseren ;
   b) problemen oplossen ;
   c) in teamverband werken ;
   d) zich aanpassen ;
   e) betrouwbaar zijn ;
   f) luisterbereid zijn en gevoel voor communicatie hebben.
   Het omvat ook de belangrijkste selectiecriteria van de kandidaten en de weging toegekend aan elk onder hen. Het bevat ook de bijkomende voorwaarden voor de aanstelling, die ofwel verplicht zijn of die een troef zijn voor de toe te kennen betrekking ;
   2° lanceert een oproep tot kandidaten volgens de vormen bedoeld in artikel 52quinquies/1.]1

  [1 § 3. De inrichtende macht gaat over tot de aanstelling na de selectieprocedure beschreven in artikel 52quinquies/3 te hebben gevolgd.]1
  
Art. 39bis. § 1er.[1 Le pouvoir organisateur qui doit désigner à titre temporaire pour plus de 15 semaines un membre du personnel dans une fonction de sélection]1 :
  1° consulte la commission paritaire locale sur le profil de la fonction de sélection à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de la [1 désignation à titre temporaire]1.
  § 2. [1 Le pouvoir organisateur, après application du § 1er :
   1° arrête le profil de la fonction de sélection à pourvoir en tenant compte des besoins spécifiques liés à son projet éducatif et pédagogique ainsi que des caractéristiques propres de l'école dans laquelle le poste est à pourvoir.
   Au-delà de compétences comportementales et techniques au choix du pouvoir organisateur, le profil de fonction reprend en tout cas les compétences comportementales suivantes :
   a) analyser l'information;
   b) résoudre des problèmes;
   c) travailler en équipe;
   d) s'adapter;
   e) faire preuve de fiabilité;
   f) avoir le sens de l'écoute et de la communication.
   Il reprend aussi les critères principaux de sélection des candidats et la pondération attribuée à chacun d'eux. Il peut comprendre des conditions de désignation complémentaires, soit obligatoires, soit constituant un atout pour le poste à pourvoir;
   2° lance un appel à candidatures selon les formes visées à l'article 52quinquies/1.]1

  [1 § 3. Le pouvoir organisateur procède à la désignation après avoir suivi la procédure de sélection décrite à l'article 52quinquies/3.]1
  
Art. 40. Niemand kan benoemd worden in een selectieambt indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan volgende voorwaarden voldoet :
  [3 1° een dienstanciënniteit van zes jaar hebben verworven binnen het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerd onderwijs, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34;
   2° deze betrekking gedurende 600 dagen hebben uitgeoefend, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 ;
   3° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd wordt door een getuigschrift dat bewijst dat hij erin geslaagd is ;
   4° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 39bis.]3

  [3 ...]3
  [3 ...]3
  [1 Voor de selectieambten van het opvoedend hulppersoneel, kan een personeelslid dat door de inrichtende macht krachtens artikel 44, § 5, werd aangeworven, eveneens in dat ambt in vast verband worden geworven, indien het voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° [2 ...]2
   2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
   3° houder zijn van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 44, [3 ...]3;
   4° voldoen aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;
   5° van onberispelijk gedrag zijn;
   6° voldoen aan de dienstplichtwetten;
   7° binnen de inrichtende macht, 600 dagen dienstanciënniteit tellen, verdeeld over ten minste drie schooljaren, waaronder 300 dagen in het ambt bij de inrichtende macht, verdeeld over ten minste twee schooljaren.
   Kunnen in aanmerking worden genomen binnen de 600 dagen dienstanciënniteit, de diensten gepresteerd in de categorie van het administratief personeel.
   8° [3 ...]3
   9° Op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 39bis hebben geantwoord;
   10° een specifieke opleiding hebben gevolgd die door een getuigschrift [3 van geslaagde vorming]3 wordt bekrachtigd;
   11° geen ongunstig definitief verslag hebben gekregen dat vóór 1 mei door de inrichtende macht of haar afgevaardigde werd opgemaakt, overeenkomstig artikel 30, § 1, derde lid van dit decreet.
   Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een selectieambt van het opvoedend hulppersoneel krachtens [3 artikel 42]3, houder van een bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 44, [3 ...]3, voor het betrokken ambt, kan het voordeel van het [3 tweede lid]3 van dit artikel genieten, indien het daardoor sneller tot de benoeming in vast verband toegang kan krijgen.]1

  
Art. 40. Nul ne peut être nommé à une fonction de sélection s'il ne répond, au moment de la nomination, aux conditions suivantes :
  [3 1° avoir acquis une ancienneté de service de six ans au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, calculée selon les modalités fixées à l'article 34
   2° avoir exercé cet emploi durant 600 jours, calculés selon les modalités définies à l'article 34;
   3° avoir suivi au préalable une formation spécifique, sanctionnée par une attestation de réussite;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 39bis.]3

  [3 ...]3
  [3 ...]3
  [1 Pour les fonctions de sélection du personnel auxiliaire d'éducation, un membre du personnel recruté par le pouvoir organisateur en vertu de l'article 44, § 5, peut également être nommé à titre définitif dans ladite fonction s'il répond aux conditions suivantes :
   1° [2 ...]2
   2° Jouir des droits civils et politiques;
   3° Etre porteur d'un titre de capacité visé à l'article 44, [3 ...]3;
   4° Satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   5° Etre de conduite irréprochable;
   6° Satisfaire aux lois sur la milice;
   7° Compter, au sein du pouvoir organisateur, 600 jours d'ancienneté de service répartis sur trois années scolaires au moins, dont 300 jours dans la fonction auprès du pouvoir organisateur répartis sur deux années scolaires au moins.
   Peuvent être pris en considération dans les 600 jours d'ancienneté de service les services prestés dans la catégorie du personnel administratif.
   8° [3 ...]3
   9° Avoir répondu à l'appel aux candidats visé à l'article 39bis;
   10° Avoir suivi une formation spécifique sanctionnée par un certificat [3 de réussite]3;
   11° Ne pas avoir fait l'objet d'un rapport défavorable définitif établi avant le 1er mai par le pouvoir organisateur ou son délégué, conformément à l'article 30, § 1er, alinéa 3, du présent décret.
   Le membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de sélection du personnel auxiliaire d'éducation en vertu [3 de l'article 42]3, détenteur d'un titre de capacité visé à l'article 44, [3 ...]3, pour la fonction considérée peut bénéficier de l'[3 alinéa 2]3 du présent article si celui-ci lui permet d'accéder plus rapidement à la nomination à titre définitif.]1

  
Art. 41. De benoeming in een selectieambt kan slechts gebeuren indien de betrekking als hoofdambt bekleed wordt.
Art. 41. Nul ne peut être nommé dans une fonction de sélection si l'emploi de cette fonction n'est pas occupé en fonction principale.
Art. 42. [1 § 1. Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toegewezen worden voor zover de volgende voorwaarden bij de aanstelling vervuld zijn :
   1. een dienstanciënniteit van drie jaar hebben verworven binnen het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde of georganiseerde onderwijs, in één van de ambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 ;
   2. titularis zijn, vóór deze aanstelling van één of meer ambten die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt, overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in een inrichtende macht van het onderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap ;
   3. houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig het bovenvermelde artikel 101 ;
   4. aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 39bis hebben beantwoord.
   Tijdens deze période blijft het personeelslid, in voorkomend geval, titularis van de betrekking waarin hij in vast verband benoemd of aangeworven is.
   Het vastbenoemd personeelslid in een selectieambt dat solliciteert naar een andere betrekking van hetzelfde ambt wordt geacht de toegangsvoorwaarden in tijdelijk verband opgesomd in 1° tot 3° van het eerste lid voor het betrokken ambt te vervullen. Voor zijn benoeming in vast verband zal het ook geacht de voorwaarden 1° en 3° van artikel 40, eerste lid, te vervullen.
   § 2. In afwijking van de voorwaarden bepaald in § 1, voor de ambten van adjunct-directeur, adjunct-directeur van het lager secundair onderwijs [2 , adjunct-directeur van een kleuterschool, adjunct-directeur van een lagere school of van een basisschool]2 of van adjunct-directeur van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, kan de inrichtende macht tijdelijk de uitoefening van het betrokken ambt toewijzen aan een kandidaat die de volgende voorwaarden vervult :
   1. houder zijn van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2 ten minste ; in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan kunnen de personeelsleden die de vakken onderrichten waarvoor er geen opleiding bestaat die aanleiding geeft tot de uitreiking van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de eerste graad, de uitoefening van het ambt van adjunct-directeur toegewezen krijgen voor zover ze houder zijn van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in de artikelen 105 tot 108, punt a) of b), van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap ;
   2. houder zijn van één van de pedagogische bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 100 van het betrokken decreet van 2 februari 2007 ;
   3. een dienstanciënniteit van 3 jaar hebben in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs ;
   4. aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 39bis hebben beantwoord.
   Vervult de voorwaarden 1° en 2° de kandidaat die een diploma heeft die tegelijkertijd samengesteld is uit een pedagogisch bekwaamheidsbewijs en uit een bekwaamheidsbewijs van minstens het hoger niveau van de eerste graad.
   § 3. [3 Een inrichtende macht die verklaart dat zij een oproep tot het indienen van kandidaturen heeft gepubliceerd en na deze eerste oproep geen geldige kandidatuur heeft ontvangen, kan een tweede oproep tot het indienen van kandidaturen publiceren om de volgende personen aan te werven:
   - een adjunct-directeur die niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in 3° van § 2;
   - een opvoeder-huismeester of een directiesecretaris die niet voldoet aan de in § 1 bedoelde voorwaarde 1°, voor zover een eerste oproep is gedaan aan de kandidaten die voldoen aan de in § 1, eerste lid, bedoelde voorwaarden en aan de kandidaten die voldoen aan de in artikel 44, eerste lid, bedoelde voorwaarden.]3

   Indien de persoon aangeworven in één van de ambten bedoeld in § 2, eerste lid, geen ambt uitoefent in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs bij haar indiensttreding, zal ze slechts aangeworven zijn als ze de volgende voorwaarden vervult :
   1. burgerlijke en politieke rechten genieten ;
   2. voldaan hebben aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling ;
   3. van onberispelijk gedrag zijn ;
   4. voldaan hebben aan de dienstplichtwetten.]1

  
Art. 42. [1 § 1er. Une fonction de sélection peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions suivantes, au moment de la désignation :
   1° avoir acquis une ancienneté de service de trois ans au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, dans une des fonctions de la catégorie en cause, calculée selon les modalités fixées à l'article 34;
   2° être titulaire, avant cette désignation d'une ou de plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer, conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs, dans un pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné ou organisé par la Communauté française;
   3° être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 précité;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 39bis.
   Pendant cette période le membre du personnel reste, le cas échéant, titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé ou engagé à titre définitif.
   Le membre du personnel définitif dans une fonction de sélection qui postule dans un autre emploi de la même fonction est réputé remplir les conditions d'accès à titre temporaire, énumérées aux 1° à 3° de l'alinéa 1er pour ladite fonction. Pour sa nomination à titre définitif, il sera également réputé remplir les conditions 1° et 3° de l'article 40, alinéa 1er.
   § 2. Par dérogation aux conditions fixées au § 1er, pour les fonctions de directeur adjoint, de directeur adjoint de l'enseignement secondaire inférieur [2 , directeur adjoint d'une école maternelle, directeur adjoint d'une école primaire ou fondamentale]2 ou de directeur adjoint de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le pouvoir organisateur peut confier temporairement l'exercice de ladite fonction à un candidat remplissant les conditions suivantes :
   1° être porteur d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins; dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, les membres du personnel enseignant des disciplines pour lesquelles n'existe pas de formation délivrant un titre de niveau supérieur du 1er degré, peuvent se voir confier l'exercice de la fonction de directeur adjoint pour autant qu'ils soient porteurs d'un des titres visés aux articles 105 à 108, point a) ou b), du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française;
   2° être porteur d'un des titres pédagogiques listés à l'article 100 du décret du 2 février 2007 précité;
   3° avoir une ancienneté de service de 3 ans dans l'enseignement organisé ou organisé par la Communauté française;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 39bis.
   Remplit les conditions 1° et 2°, le candidat qui possède un diplôme constitutif à la fois d'un titre pédagogique et d'un titre du niveau supérieur du 1er degré au moins.
   § 3. [3 Un pouvoir organisateur qui atteste avoir lancé un appel à candidatures et n'avoir pas reçu de candidature valable après ce premier appel, peut lancer un second appel à candidatures pour recruter :
   - un directeur adjoint ne remplissant pas la condition visée au 3° du § 2 ;
   - un éducateur-économe ou un secrétaire de direction ne remplissant pas la condition 1° visée au § 1er, à condition d'avoir lancé un premier appel aux candidats remplissant les conditions visées au § 1er, alinéa 1er, et aux candidats remplissant les conditions visées à l'article 44, alinéa 1er.]3

   Si la personne désignée dans l'une des fonctions visées au paragraphe 2, alinéa 1er, n'exerce pas de fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française au moment de son entrée en fonction, elle ne sera désignée que si elle rencontre également les conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques;
   2° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   3° être de conduite irréprochable;
   4° satisfaire aux lois sur la milice.]1

  
Art. 42bis. [1 [2 In afwijking van artikel 42, § 1, eerste lid, 1° en 4°, zijn de voorwaarden van anciënniteit en de oproeping van kandidaten niet vereist voor elke aanstelling van vijftien weken of minder. In afwijking van artikel 42, § 2, eerste lid, 3° en 4°, zijn de voorwaarden van de oproeping van kandidaten en anciënniteit niet vereist voor elke aanstelling van vijftien weken of minder. Bovendien mogen de in artikel 27bis bedoelde autoriteiten deze aanstellingen van vijftien weken of minder verrichten.]2
   Deze aanstelling voor hoogstens 15 weken kan hernieuwd worden voor zover de totale duur van de aanstelling 12 maanden niet overschrijdt.
   Indien de afwezigheid van de titularis van het ambt langer duurt, lanceert de inrichtende macht een oproep tot kandidaten uiterlijk de laatste dag van de periode van aanstelling bedoeld in het vorige lid.
   In afwijking van het tweede lid wordt de aanstelling bedoeld in het eerste lid verlengd tijdens de periode tussen de oproep tot kandidaten en de aanstelling van een kandidaat.
   De inrichtende macht stelt een kandidaat aan binnen de drie maanden na de oproep tot kandidaten. Bij gebreke daaraan, na deze drie maanden, wordt de betrekking niet meer gesubsidieerd.]1

  
Art. 42bis. [1 [2 Par dérogation à l'article 42, § 1er, alinéa 1er, 1° et 4°, les conditions d'ancienneté et de l'appel à candidatures ne sont pas exigées pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines. Par dérogation à l'article 42, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, les conditions de l'appel à candidatures et de l'ancienneté ne sont pas exigées pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines. Par ailleurs, les autorités visées à l'article 27bis sont habilitées à effectuer ces désignations d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines.]2
   Cette désignation pour 15 semaines maximum peut être renouvelée pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période de désignation visée à l'alinéa précédent.
   Par dérogation à l'alinéa 2, la désignation visée à l'alinéa 1er est prolongée pendant la période entre l'appel à candidatures et la désignation d'un candidat.
   Le pouvoir organisateur désigne un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné.]1

  
Art. 43. [1 § 1. Wanneer de betrekking definitief vacant is, wordt het tijdelijk personeelslid in vast verband benoemd in het selectieambt na een termijn van twee jaar voor zover het de voorwaarden van artikel 40, eerste of derde lid vervult, of zodra het deze voorwaarden vervult.
   Wanneer, na de termijn van 2 jaar, de betrekking tijdelijk vacant is, wordt het personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 40, eerste of derde lid, in vast verband benoemd zodra de betrekking vacant wordt.
   § 2. Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van artikel 42 kan, in voorkomend geval, ontslagen worden uit het betrokken ambt door de inrichtende macht overeenkomstig artikel 44bis.]1

  
Art. 43. [1 § 1er. Lorsque l'emploi est définitivement vacant, le membre du personnel temporaire est nommé à titre définitif dans la fonction de sélection au terme d'un délai de deux ans s'il remplit les conditions de l'article 40, alinéa 1er ou alinéa 3, ou dès qu'il remplit ces dernières.
   Lorsqu'au terme de ce délai de 2 ans, l'emploi est temporairement vacant, le membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 40, alinéa 1er ou alinéa 3, est nommé à titre définitif dès que l'emploi devient vacant.
   § 2. Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application de l'article 42 peut, le cas échéant, être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément à l'article 44bis.]1

  
Art. 44. [1 Voor de categorie van het opvoedend hulppersoneel kan de inrichtende macht, in het kader van de toepassing van de artikelen van dit hoofdstuk, de kandidatuur in concurrentie stellen van de personeelsleden die aan de voorwaarden van artikel 42, § 1 beantwoorden met deze van de personen die de volgende voorwaarden vervullen :
   1. burgerlijke en politieke rechten genieten ;
   2. houder zijn van één va de volgende bekwaamheidsbewijzen :
   a. voor het ambt van opvoeder-huismeester : een bekwaamheidsbewijs van minstens het hoger niveau van de eerste graad met de volgende studierichtingen : economie, handel, boekhoudkunde of beheer ;
   b. voor het ambt van directiesecretaris : een bekwaamheidsbewijs van minstens het hoger niveau van de eerste graad met de volgende studierichtingen : secretariaat, recht of bestuur. De Regering stelt de lijst van de bekwaamheidsbewijzen vast die in dat kader in aanmerking worden genomen.
   3. voldaan hebben aan de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling ;
   4. van onberispelijk gedrag zijn ;
   5. voldaan hebben aan de dienstplichtwetten ;
   6. aan de oproep tot kandidaten hebben beantwoord. ".
   De persoon die krachtens het eerste lid wordt aangeworven, wordt tijdelijk aangesteld in het ambt van opvoeder-huismeester of van directiesecretaris respectievelijk bij de inrichtende macht, totdat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 40, tweede lid, of, in voorkomend geval, van artikel 40, eerste lid, en als de inrichtende macht hem intussen niet uit dat ambt heeft ontslagen.]1

  
Art. 44. [1 Pour la catégorie du personnel auxiliaire d'éducation, le pouvoir organisateur peut, dans le cadre de l'application des articles du présent chapitre, mettre en concurrence la candidature des membres du personnel répondant aux conditions de l'article 42, § 1er, avec celle de personnes répondant aux conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques;
   2° être porteur d'un des titres de capacité suivants :
   a) pour la fonction d'éducateur-économe : un titre du niveau supérieur du premier degré au moins à orientation économique, commerciale, comptable ou en gestion;
   b) pour la fonction de secrétaire de direction : un titre du niveau supérieur du premier degré au moins à orientation secrétariat, en droit ou en administration. Le Gouvernement arrête la liste des titres de capacité admis dans ce cadre.
   3° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   4° être de conduite irréprochable;
   5° satisfaire aux lois sur la milice;
   6° avoir répondu à l'appel à candidatures.
   La personne recrutée en vertu de l'alinéa 1er est désignée à titre temporaire dans la fonction d'éducateur-économe ou de secrétaire de direction respectivement auprès du pouvoir organisateur, jusqu'à ce qu'elle remplisse les conditions de l'article 40, alinéa 2, ou le cas échéant de l'article 40, alinéa 1er, et si entre-temps, le pouvoir organisateur ne l'a pas déchargée de cette fonction.]1

  
Art. 44bis. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 73; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het selectieambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen.
  § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking.
  § 3. Een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking loopt ten einde :
  a) in onderlinge overeenstemming;
  b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of voor wat betreft het personeelslid van het onderwijs met volledig leerplan ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis;
  c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid.
  Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking.
  § 4. Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen kan de inrichtende macht ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een selectieambt.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
Art. 44bis. § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de sélection est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7°.
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de sélection s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 3. Une désignation temporaire dans un emploi de sélection prend fin :
  a) d'un commun accord;
  b) par décision du pouvoir organisateur suite à la procédure visée au § 4 du présent article ou pour ce qui concerne le membre du personnel de l'enseignement de plein exercice suite à l'application des dispositions du chapitre Vbis.
  c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
  Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de sélection.
  § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur soit sur proposition du directeur, soit d'initiative peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de sélection.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Art. 44ter. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 73; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Elk personeelslid mag krachtens artikel 40 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval re-integreert het personeelslid [1 , in voorkomend geval,]1 definitief zijn ambt van afkomst.
  [1 De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt en affectatie uitstellen met 15 weken na de aanvraag van het personeelslid.
   Indien, boven de periode bedoeld in het vorige lid, de betrekking niet voorzien kon worden, kan de herstelling nog met hoogstens 15 weken verlengd worden, in gezamenlijk overleg tussen de inrichtende macht en het personeelslid.]1

  
Art. 44ter. Tout membre du personnel peut renoncer à sa nomination en vertu de l'article 40 dans les six cents jours qui suivent sa première entrée en fonction dans une fonction de sélection. Dans ce cas, il réintègre [1 , le cas échéant,]1 à titre définitif sa fonction d'origine.
  [1 Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de sélection ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction et son affectation d'origine de 15 semaines à dater de la demande du membre du personnel.
   Si, au-delà de la période visée à l'alinéa précédent, le poste n'a pas pu être pourvu, la réintégration peut encore être reportée de maximum 15 semaines de commun accord entre le pouvoir organisateur et le membre du personnel.]1

  
Art. 44quater. [1 Wanneer een personeelslid definitief houder is van een onvolledige last binnen een selectieambt kan de inrichtende macht die een vacante definitieve betrekking heeft in afwijking van artikel 39bis van dit decreet en op zijn aanvraag de last van zijn personeelslid aanvullen en op zijn aanvraag, door een uitbreiding van zijn definitieve aanwerving in hetzelfde ambt.]1
  
Art. 44quater. [1 Quand un membre du personnel est titulaire à titre définitif d'une charge incomplète dans une fonction de sélection, le pouvoir organisateur qui a un emploi définitivement vacant à conférer peut, par dérogation à l'article 39bis du présent décret, compléter la charge de son membre du personnel à sa demande, par une extension de son engagement à titre définitif dans la même fonction.]1
  
Afdeling 3. [1 Specifieke bepalingen betreffende het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën. ]1
.Section 3. [1 ]Dispositions particulières à la fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées.]1
Art. 44quinquies. [1 § 1. Voorafgaande aan de aankondiging van de vacature van een betrekking in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën, vaardigt de Regering de algemene vaardigheden van het profiel voor het openstaande selectieambt uit.
   § 2. Als er bij een inrichtende macht een definitief openstaande betrekking van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën moet worden ingevuld:
   1° Bepaalt de inrichtende macht de technische en specifieke vaardigheden vereist in het profiel voor het openstaande selectieambt.
   In dat kader raadpleegt hij het Begeleidingscomité van het centrum voor gevorderde technologieën waarin de betrekking moet worden ingevuld en, naargelang het geval, de plaatselijke overleginstantie of, bij ontstentenis daarvan, de vakbondsafvaardiging van de inrichting waaronder de betrekking ressorteert.
   De inrichtende macht mag aanvullende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor een benoeming in vast verband bedoeld in artikel 44sexies, § 1 of § 2.
   2° Lanceert de inrichtende macht een oproep tot kandidatuurstelling volgens de vormen bepaald door de Regering en op voorstel van het Centraal paritair comité;
   3° Onderzoekt de inrichtende macht de kandidaturen die beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 44quinquies, § 3 of § 4, rekening houdend met de criteria bepaald in het functieprofiel opgesteld in toepassing van huidig artikel.
   Bij gelijke vaardigheden, krijgt het personeelslid dat de voorwaarden van artikel 44quinquies, § 3, vervult, bij de aanstelling in tijdelijk verband voorrang op het personeelslid dat de voorwaarden van artikel 44quinquies, § 4, vervult.
   4° Na onderzoek van de kandidaturen overeenkomstig punt 3°, kiest de inrichtende macht vrij haar kandidaat en stelt ze na afloop van deze procedure de aldus geselecteerde kandidaat aan in tijdelijk verband.
   § 3. Niemand mag in tijdelijk verband worden aangesteld in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën als hij op het ogenblik van de aanstelling in tijdelijk verband de volgende voorwaarden niet vervult:
   1° beschikken over 6 jaar dienstanciënniteit in het georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel bedoeld in bijlage I van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs en berekend volgens de modaliteiten bepaald in artikel 34;
   2° vast benoemd zijn in één van die wervings-, selectie- of bevorderingsambten;
   3° titularis zijn, in vast verband, van één of meerdere ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;
   4° in het georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs in vast verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;
   5° beantwoorden aan de criteria van het functieprofiel bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 1° ;
   6° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidatuurstelling bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 2°.
   § 4. Kan eveneens aanspraak maken op een aanstelling in tijdelijk verband in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën, het personeelslid dat op het ogenblik van de aanstelling in tijdelijk verband de volgende voorwaarden vervult:
   1° beschikken over zijn burgerrechten en politieke rechten;
   2° houder zijn van één van de volgende bekwaamheidsbewijzen:
   - getuigschrift van het zesde jaar van het secundair beroepsonderwijs, aangevuld met 9 jaar nuttige beroepservaring, aangerekend volgens de procedure voorzien in artikelen 23 en 24 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, in het activiteitendomein van het centrum voor gevorderde technologieën waarop de oproep tot kandidatuurstelling bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 2°, betrekking heeft;
   - getuigschrift van hoger secundair onderwijs, aangevuld met 6 jaar nuttige beroepservaring, aangerekend volgens de procedure voorzien in artikelen 23 en 24 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, in het activiteitendomein van het centrum voor gevorderde technologieën waarop de oproep tot kandidatuurstelling bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 2°, betrekking heeft;
   - getuigschrift van de eerste graad van het hoger onderwijs, zoals bepaald in artikel 69, § 1, of artikel 70, § 1; van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies aangevuld met 3 jaar nuttige beroepservaring, aangerekend volgens de procedure voorzien in artikelen 23 en 24 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs, in het activiteitendomein van het centrum voor gevorderde technologieën waarop de oproep tot kandidatuurstelling bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 2°, betrekking heeft;
   3° in regel zijn met de wets- en reglementsbepalingen betreffende de taalregeling;
   4° van onberispelijk gedrag zijn;
   5° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;
   6° beantwoorden aan de criteria van het functieprofiel bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 1° ;
   7° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidatuurstelling bedoeld in artikel 44quinquies, § 2, 2°. ]1

  
Art. 44quinquies. [1 § 1er. Préalablement à toute déclaration de vacance d'emploi dans une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées, le Gouvernement arrête les compétences génériques du profil de la fonction de sélection à pourvoir.
   § 2. Lorsqu'au sein d'un Pouvoir Organisateur, un emploi définitivement vacant de coordonnateur de centre de technologies avancées est à pourvoir :
   1° le Pouvoir Organisateur détermine les compétences techniques et spécifiques du profil de la fonction de sélection à pourvoir.
   Dans ce cadre, il consulte le Comité d'accompagnement du centre de technologies avancées dans lequel l'emploi est à pourvoir et selon le cas, l'instance de concertation locale ou, à défaut, la délégation syndicale de l'établissement dont relève l'emploi.
   Le Pouvoir Organisateur peut ajouter des critères complémentaires aux conditions de nomination à titre définitif visées à l'article 44sexies, § 1er ou § 2.
   2° le Pouvoir Organisateur lance un appel aux candidats selon les formes déterminées par le Gouvernement et sur proposition de la Commission paritaire centrale ;
   3° le Pouvoir Organisateur, compte tenu des critères fixés dans le profil de la fonction déterminé conformément au présent article, examine les candidatures répondant aux conditions de l'article 44quinquies, § 3 ou § 4.
   A compétences égales, le membre du personnel remplissant les conditions de l'article 44quinquies, § 3 bénéficie d'une priorité à la désignation à titre temporaire par rapport au membre du personnel remplissant les conditions de l'article 44quinquies, § 4.
   4° Après examen des candidatures conformément au 3°, le Pouvoir Organisateur choisit librement son candidat et désigne à titre temporaire le candidat ainsi sélectionné à l'issue de cette procédure.
   § 3. Nul ne peut être désigné à titre temporaire dans une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées s'il ne répond, au moment de la désignation à titre temporaire, aux conditions suivantes :
   1° avoir acquis une ancienneté de service de six années au sein de l'enseignement organisé ou subventionné, dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie du personnel directeur et enseignant visées à l'annexe I du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs, et calculée selon les modalités fixées à l'article 34 ;
   2° être nommé à titre définitif dans l'une de ces fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion;
   3° être titulaire, à titre définitif d'une ou plusieurs fonction(s) comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé ou subventionné ;
   4° exercer à titre définitif au sein de l'enseignement organisé ou subventionné une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs ;
   5° répondre aux critères du profil de fonction visé à l'article 44quinquies, § 2, 1° ;
   6° avoir répondu à l'appel aux candidats visé à l'article 44quinquies, § 2, 2°.
   § 4. Peut également prétendre à une désignation à titre temporaire dans une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées le membre du personnel remplissant, au moment de la désignation à titre temporaire, les conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques ;
   2° être porteur d'un des titres de capacité suivants :
   - le certificat d'étude de 6ème année secondaire professionnelle, complété par une expérience professionnelle utile de 9 années, valorisée selon la procédure prévue aux articles 23 et 24 du Décret du 11 avril 2014 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française, dans le domaine d'activité du centre de technologies avancées concerné par l'appel à candidatures visé à l'article 44quinquies, § 2, 2° ;
   - le certificat d'étude secondaire supérieur complété par une expérience professionnelle utile de 6 années, valorisée selon la procédure prévue aux articles 23 et 24 du Décret du 11 avril 2014 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française, dans le domaine d'activité du centre de technologies avancées concerné par l'appel à candidatures visé à l'article 44quinquies, § 2, 2° ;
   - un titre supérieur du premier cycle tel que défini à l'article 69, 1er ou à l'article 70, § 1er du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études, complété par une expérience professionnelle utile de 3 années, valorisée selon la procédure prévue aux articles 23 et 24 du Décret du 11 avril 2014 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française, dans le domaine d'activité du centre de technologies avancées concerné par l'appel à candidatures visé à l'article 44quinquies, § 2, 2° ;
   3° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique ;
   4° être de conduite irréprochable ;
   5° satisfaire aux lois sur la milice ;
   6° répondre aux critères du profil de fonction visé à l'article 44quinquies, § 2, 1° ;
   7° avoir répondu à l'appel aux candidats visé à l'article 44quinquies, § 2, 2°. ]1

  
Art. 44sexies. [1 § 1. Het personeelslid aangesteld in tijdelijk verband als coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën in overeenkomst met artikel 44quinquies, wordt voor dat ambt in vast verband benoemd zodra hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in huidig artikel.
   § 2. Niemand mag in vast verband worden benoemd in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën als hij op het ogenblik van de vaste benoeming, naast de voorwaarden vermeld in artikel 44quinquies, § 3, de volgende voorwaarden niet vervult:
   1° gedurende een ononderbroken periode van 600 dagen in tijdelijk verband aangesteld zijn ten gevolge van de aanwerving uitgevoerd in toepassing van artikel 44quinquies, § 2, 4° ;
   2° in de loop van de drie maanden voorafgaand aan het einde van die periode een evaluatie hebben ondergaan met vermelding "positief" door de inrichtende macht van de secundaire onderwijsinrichting waarvan het centrum voor gevorderde technologieën waaronder het personeelslid ressorteert, afhangt."
   § 3. Een door de inrichtende macht aangeworven personeelslid overeenkomstig artikel 44quinquies, § 4, kan eveneens in vast verband in het selectieambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën worden benoemd als hij op het ogenblik van de benoeming in vast verband de volgende voorwaarden vervult:
   1° gedurende een ononderbroken periode van 600 dagen in tijdelijk verband aangesteld zijn ten gevolge van de aanwerving uitgevoerd in toepassing van artikel 44quinquies, § 2, 4° ;
   2° in de loop van de drie maanden voorafgaand aan het einde van die periode een evaluatie hebben ondergaan met vermelding "positief" door de inrichtende macht van de secundaire onderwijsinrichting waarvan het centrum voor gevorderde technologieën afhangt."
   3° beschikken over 600 dagen dienstanciënniteit in het gesubsidieerd onderwijs, gespreid over minstens drie schooljaren, waarvan 300 dagen in het ambt bij de inrichtende macht, gespreid over minstens twee schooljaren;
   4° de betrekking uitoefenen als hoofdambt
   § 4. In het geval van een ongunstige evaluatie na afloop van de periode vermeld in § 2, 2° en § 3, 2°, wordt er ambtshalve een einde gesteld aan het ambt van het personeelslid.
   Bij ontstentenis van een evaluatie binnen die termijn, wordt deze gunstig geacht.
   § 5. De coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën die de vermelding "ongunstig" toegekend krijgt, kan binnen de tien dagen na de kennisgeving van die vermelding bij aangetekend schrijven een bezwaarschrift daartegen indienen bij de raad van beroep ingesteld door hoofdstuk X van huidig decreet.
   De procedure- en werkingsregels voorzien in die bepalingen zijn van toepassing op het beroep georganiseerd in toepassing van de huidige paragraaf.
   Het centraal paritair comité stelt het model van het evaluatieverslag vast en bepaalt de modaliteiten volgens dewelke de evaluatie plaatsvindt.
   Het personeelslid dat beroep aantekent tegen een ongunstige evaluatievermelding, bezorgt onmiddellijk een kopie van zijn bezwaarschrift aan de inrichtende macht van de secundaire onderwijsinrichting waartoe het centrum voor gevorderde technologieën waaronder hij ressorteert afhangt.
   De raad van beroep bedoeld in het eerste lid brengt zijn advies uit aan de inrichtende macht van de secundaire onderwijsinrichting waarvan het centrum voor gevorderde technologieën waaronder het personeelslid ressorteert afhangt binnen een termijn van maximum 45 kalenderdagen na ontvangst van het bezwaarschrift. Dezelfde inrichtende macht beslist en kent de coördinator de evaluatievermelding toe binnen een termijn van maximum één maand na de ontvangst van het advies. ]1

  
Art. 44sexies. [1 § 1er. Le membre du personnel désigné à titre temporaire comme coordonnateur de centre de technologies avancées dans le respect de l'article 44quinquies est nommé à titre définitif dans cette fonction dès qu'il répond aux conditions fixées au présent article.
   § 2. Nul ne peut être nommé à titre définitif dans une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées s'il ne répond, au moment de la nomination à titre définitif, outre aux conditions reprises à l'article 44quinquies, § 3, aux conditions suivantes :
   1° avoir été désigné à titre temporaire pendant une période ininterrompue de 600 jours suite à l'engagement effectué conformément à l'article 44quinquies, § 2, 4° ;
   2° avoir fait l'objet, dans les trois mois qui précèdent l'issue de cette période, d'une évaluation ayant conduit à l'attribution de la mention " favorable " par le Pouvoir Organisateur de l'établissement secondaire dont dépend le centre de technologies avancées dont le membre du personnel relève.
   § 3. Pour la fonction de sélection de coordonnateur de centre de technologies avancées, un membre du personnel recruté par le Pouvoir Organisateur en vertu de l'article 44quinquies, § 4, peut également être nommé à titre définitif dans cette même fonction s'il répond, au moment de la nomination à titre définitif, aux autres conditions suivantes :
   1° avoir été désigné à titre temporaire pendant une période ininterrompue de 600 jours suite à l'engagement effectué conformément à l'article 44quinquies, § 2, 4° ;
   2° avoir fait l'objet, dans les trois mois qui précèdent l'issue de cette période, d'une évaluation ayant conduit à l'attribution de la mention " favorable " par le Pouvoir Organisateur de l'établissement secondaire dont dépend le centre de technologies avancées. "
   3° compter, dans l'enseignement subventionné, 600 jours d'ancienneté de service répartis sur trois années scolaires au moins, dont 300 jours dans la fonction auprès du Pouvoir Organisateur répartis sur deux années scolaires au moins ;
   4° occuper l'emploi en fonction principale
   § 4. En cas d'évaluation défavorable à l'issue de la période mentionnée au § 2, 2° et au § 3, 2°, il est mis fin d'office aux fonctions du membre du personnel.
   A défaut d'évaluation réalisée dans ce délai, celle-ci est présumée favorable.
   § 5. Le coordonnateur de centre de technologies avancées qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par recommandé un recours écrit contre cette mention dans les dix jours de sa notification auprès de la chambre de recours créée par le chapitre X du présent décret.
   Les règles de procédure et de fonctionnement prévues par ces dispositions s'appliquent au recours organisé en vertu du présent paragraphe.
   La Commission paritaire centrale fixe le modèle de rapport d'évaluation et détermine les modalités selon lesquelles l'évaluation se déroule.
   Le membre du personnel qui introduit un recours contre une mention d'évaluation défavorable notifie immédiatement au Pouvoir Organisateur de l'établissement secondaire dont dépend le centre de technologies avancées dont il relève une copie de son recours.
   La Chambre de recours visée à l'alinéa 1er remet son avis au Pouvoir Organisateur de l'établissement secondaire dont dépend le centre de technologies avancées dont relève le membre du personnel dans un délai maximum de 45 jours calendrier à partir de la date de réception du recours. Le même Pouvoir Organisateur prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au coordonnateur dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis. ]1

  
Art. 44septies. [1 De benoeming in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën kan slechts gebeuren indien het ambt als hoofdambt wordt bekleed.]1
  
Art. 44septies. [1 Nul ne peut être nommé à une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées si l'emploi de cette fonction n'est pas occupé en fonction principale. ]1
  
Art. 44octies. [1 § 1. Het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën kan tijdelijk worden toevertrouwd aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 44quinquies, § 3, 1° tot 6°, of § 4, 1° tot 7°, vervult:
   1° bij afwezigheid van de titularis van het ambt gedurende meer dan vijftien weken;
   2° of in het geval bedoeld in artikel 39.
   Gedurende die periode blijft het personeelslid bedoeld in artikel 44sexies, § 1, titularis van het ambt waarin het desgevallend door de oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband werd benoemd.
   § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, 1°, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 44quinquies, § 3, 6°, of § 4, 7°, niet vereist voor aanwervingen met een duurtijd van vijftien weken of minder. ]1

  
Art. 44octies. [1 § 1er. La fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant les conditions prévues à l'article 44quinquies, § 3, 1° à 6° ou § 4, 1° à 7° :
   1° en cas d'absence du titulaire de la fonction pour une durée de plus de quinze semaines ;
   2° ou dans le cas visé à l'article 39.
   Pendant cette période, le membre du personnel visé à l'article 44sexies, § 1er reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé définitivement le cas échéant auprès de son Pouvoir Organisateur d'origine.
   § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 1°, pour tout engagement d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines, la condition visée à l'article 44quinquies, § 3, 6° ou § 4, 7° n'est pas exigée. ]1

  
Art. 44novies. [1 § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën wordt schriftelijk vastgesteld en de vermeldingen bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, worden daarin opgenomen.
   § 2. De inrichtende macht kan niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een betrekking van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën als de bepalingen in verband met reaffectatie haar ertoe verplichten die betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking werd gesteld bij ontstentenis van betrekking.
   § 3. Een tijdelijke aanstelling in een betrekking van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën wordt beëindigd:
   a) in gezamenlijk overleg;
   b) door een beslissing van de inrichtende macht volgens de procedure bedoeld in § 4 van het huidige artikel;
   c) of door toepassing van artikel 22, eerste lid.
   Het einde van het schooljaar heft echter geen invloed op de tijdelijke aanstelling in een ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën.
   § 4. Mits een opzegtermijn van vijftien dagen, kan de inrichtende macht een einde stellen aan de aanstelling van een personeelslid aangesteld in tijdelijk verband in het ambt van coördinator van een centrum voor gevorderde technologieën.
   Voorafgaande aan de kennisgeving van elke beslissing tot beëindiging van een aanstelling, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht gehoord te worden.
   De oproeping voor de hoorzitting, alsook de redenen waarom de Regering van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, worden hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting bekendgemaakt, ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zetelen.
   Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt.
   De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet op de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.]1

  
Art. 44novies. [1 § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de centre de technologies avancées est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7°.
   § 2. Le Pouvoir Organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de centre de technologies avancées s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
   § 3. Une désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de centre de technologies avancées prend fin :
   a) d'un commun accord;
   b) par décision du Pouvoir Organisateur suite à la procédure visée au § 4 du présent article
   c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
   Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans cet emploi de sélection.
   § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le Pouvoir Organisateur peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de coordonnateur de centre de technologies avancées.
   Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le Pouvoir Organisateur.
   La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le Pouvoir Organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail.
   L'audition fait l'objet d'un procès-verbal.
   La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.]1

  
Afdeling 4. [1 Bijzondere bepalingen met betrekking tot het ambt van territoriale poolcoördinator]1
Section 4. [1 Dispositions particulières à la fonction de coordonnateur de pôle territorial]1
Art. 44decies/1. [1 Een persoon kan slechts tijdelijk in het ambt van territoriale poolcoördinator worden aangesteld indien hij op het tijdstip van de tijdelijke aanstelling aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1° vast benoemd zijn of vast aangeworven zijn in een ambt van aanwerving, selectie of bevordering in de categorie van directeurs en onderwijzend personeel, paramedisch personeel, sociaal personeel, psychologisch personeel en hulpopvoedingsonderwijspersoneel binnen het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs, op het niveau van het basis- of secundair onderwijs, gewoon of gespecialiseerd;
   2° in het bezit zijn van ten minste een bachelorsdiploma;
   3° voldoen aan de criteria van het ambtsprofiel bedoeld in artikel 44decies/4, § 2;
   4° drie jaar anciënniteit in het gespecialiseerd onderwijs genieten;
   5° een specifieke opleiding hebben gevolgd, afgesloten met een getuigschrift, of zich ertoe verbinden een dergelijke opleiding te volgen, zodat deze binnen twee jaar na de aanvaarding van het ambt beschikbaar is;
   6° hebben gereageerd op de in artikel 44decies/4 bedoelde oproep tot het indienen van kandidaturen.
   Indien er geen kandidaat is die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, kan de inrichtende macht een kandidaat aanstellen die voldoet aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, maar die een personeelslid is dat tijdelijk is aangesteld of aangesteld in een ambt vermeld in het eerste lid, 1°, of een personeelslid van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra en/of die niet voldoet aan de voorwaarde vermeld in 4°.]1

  
Art. 44decies/1. [1 Nul ne peut être désigné à titre temporaire dans la fonction de coordonnateur de pôle territorial s'il ne répond au moment de la désignation à titre temporaire aux conditions suivantes :
   1° être nommé ou engagé à titre définitif dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie du personnel directeur et enseignant, du personnel paramédical, du personnel social, du personnel psychologique et du personnel auxiliaire d'éducation au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, de niveau fondamental ou secondaire, ordinaire ou spécialisé ;
   2° être porteur d'un titre de niveau bachelier au moins ;
   3° répondre aux critères du profil de fonction visé à l'article 44decies/4, § 2 ;
   4° compter trois années d'ancienneté dans l'enseignement spécialisé ;
   5° avoir suivi une formation spécifique sanctionné par un certificat de réussite ou s'engager à suivre cette formation permettant d'en disposer dans les deux années de la prise de fonction ;
   6° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 44decies/4.
   A défaut de candidat répondant aux conditions visées à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur peut engager un candidat répondant à toutes les conditions de l'alinéa 1er mais revêtant la qualité de membre du personnel engagé ou désigné à titre temporaire dans une fonction visée à l'alinéa 1er, 1°, ou de membre du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux et/ou ne remplissant pas la condition visée au 4°.]1

  
Art. 44decies/2. [1 De inrichtende macht benoemt de poolcoördinator op permanente basis in het vacante ambt dat hij bekleedt na het verstrijken van een periode van twee jaar, die overeenkomstig artikel 52septdecies, § 2, tweede lid, met zes maanden kan worden verlengd nadat zijn tweede of, in voorkomend geval, derde evaluatie is afgerond, indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1° houder zijn van het specifiek opleidingsgetuigschrift bedoeld in artikel 44decies/1;
   2° geen "ongunstig" evaluatieverslag hebben.
   Voor de berekening van de periode van twee jaar, eventueel verlengd met zes maanden, wordt enkel rekening gehouden met de werkelijke diensttijd vervuld na de aanstelling, met inbegrip van de jaarlijkse vakantie, het verlof voorzien in de artikelen 5, 5bis [2 , 6]2 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen in toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, alsmede het verlof met het oog op adoptie en onofficiële voogdij, alsmede het moederschapsverlof bedoeld in hoofdstuk IIbis, respectievelijk hoofdstuk XIII, van hetzelfde koninklijk besluit van 15 januari 1974.]1

  
Art. 44decies/2. [1 Le pouvoir organisateur nomme le coordonnateur de pôle à titre définitif dans l'emploi vacant qu'il occupe après l'expiration d'un délai de deux ans, éventuellement prolongé de six mois en application de l'article 52septdecies, § 2, alinéa 2, après que sa seconde ou, le cas échéant, troisième évaluation ait été clôturée, s'il remplit les conditions suivantes :
   1° être titulaire du certificat de la formation spécifique visé à l'article 44decies/1 ;
   2° ne pas avoir un rapport d'évaluation " défavorable ".
   Pour le calcul de la durée de deux ans, éventuellement prolongée de six mois, sont seuls pris en considération les services effectifs accomplis après la désignation, en ce compris les vacances annuelles, les congés prévus aux articles 5, 5bis [2 , 6]2 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, ainsi que les congés en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse et les congés de maternité prévus respectivement, au chapitre IIbis et au chapitre XIII du même arrêté royal du 15 janvier 1974.]1

  
Art. 44decies/3. [1 Niemand kan tot territoriale poolcoördinator worden benoemd als dat ambt niet zijn voornaamste ambt is.]1
  
Art. 44decies/3. [1 Nul ne peut être nommé dans une fonction de coordonnateur de pôle territorial si l'emploi de cette fonction n'est pas occupé en fonction principale.]1
  
Art. 44decies/4. [1 § 1. De inrichtende macht die een personeelslid moet aanstellen in het ambt van territoriale poolcoördinator op een tijdelijke basis voor meer dan 15 weken:
   1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie van de hoofdschool over het profiel van het te vervullen selectieambt;
   2° ontvangt van de leden van het multidisciplinaire team van de territoriale pool alle informatie die zij nuttig achten om hem met het oog op de tijdelijke aanwijzing te verstrekken.
   § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1:
   1° beslist over het profiel van het in te vullen ambt van poolcoördinator, rekening houdend met de specifieke behoeften verbonden aan de pool alsook met de specifieke kenmerken van de hoofdschool waar het ambt wordt uitgeoefend. Naast de door de inrichtende macht gekozen gedrags- en technische vaardigheden omvat het ambtsprofiel in elk geval de volgende gedragsvaardigheden:
   a) de informatie analyseren;
   b) problemen oplossen;
   c) als een team werken;
   d) zich aanpassen;
   e) betrouwbaarheid aantonen;
   f) beschikken over goede luister- en communicatievaardigheden.
   Het bevat ook de belangrijkste criteria voor de selectie van kandidaten en het gewicht dat aan elk criterium wordt toegekend. Het kan bijkomende benoemingsvereisten bevatten, die ofwel verplicht zijn, ofwel een pluspunt voor het te vervullen ambt;
   2° moet een oproep tot kandidatuurstelling doen in de door de Regering bepaalde vorm op voorstel van de bevoegde centrale paritaire commissie.
   De inrichtende macht verricht de aanstelling na de selectieprocedure als bedoeld in artikel 52quinquies/3 te hebben gevolgd.]1

  
Art. 44decies/4. [1 § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit désigner à titre temporaire pour plus de 15 semaines un membre du personnel dans la fonction de coordonnateur de pôle territorial :
   1° consulte la commission paritaire locale de l'école siège sur le profil de la fonction de sélection à pourvoir ;
   2° reçoit des membres du personnel de l'équipe pluridisciplinaire du pôle territorial toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de la désignation à titre temporaire.
   § 2. Le pouvoir organisateur, après application du § 1er :
   1° arrête le profil de la fonction de sélection de coordonnateur de pôle à pourvoir en tenant compte des besoins spécifiques liés pôle ainsi que des caractéristiques propres de l'école siège dans laquelle le poste est à pourvoir. Au-delà de compétences comportementales et techniques au choix du pouvoir organisateur, le profil de fonction reprend en tout cas les compétences comportementales suivantes :
   a) analyser l'information ;
   b) résoudre des problèmes ;
   c) travailler en équipe ;
   d) s'adapter ;
   e) faire preuve de fiabilité ;
   f) avoir le sens de l'écoute et de la communication.
   Il reprend aussi les critères principaux de sélection des candidats et la pondération attribuée à chacun d'eux. Il peut comprendre des conditions de désignation complémentaires, soit obligatoires, soit constituant un atout pour le poste à pourvoir ;
   2° lance un appel à candidatures selon les formes fixées par le gouvernement sur proposition de la Commission paritaire centrale compétente.
   § 3. Le pouvoir organisateur procède à la désignation après avoir suivi la procédure de sélection décrite à l'article 52quinquies/3.]1

  
Art. 44decies/5. [1 § 1. Bij tijdelijke afwezigheid van de ambtsdrager of voor de duur van een sollicitatieoproep kan de inrichtende macht voor een periode van 15 weken of minder een personeelslid aanstellen dat voldoet aan de in artikel 44decies/1 genoemde voorwaarden. In afwijking van artikel 44decies/1, is de voorwaarde van een oproep tot het indienen van aanvragen niet vereist.
   Voorts zijn de in artikel 27 bis bedoelde overheden bevoegd om dergelijke aanstellingen te doen voor een periode van vijftien weken of minder.
   Deze aanstelling voor ten hoogste 15 weken kan worden verlengd, mits de totale duur van de aanstelling niet meer dan 12 maanden bedraagt.
   Bij langdurige afwezigheid van de ambtsdrager doet de inrichtende macht uiterlijk op de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde aanwijzingsperiode een oproep tot kandidaatstelling uitgaan.
   In afwijking van lid 3 wordt de in lid 1 bedoelde aanwijzing verlengd voor de periode tussen de oproep tot kandidaatstelling en de aanwijzing van een kandidaat.
   De inrichtende macht wijst binnen drie maanden na de oproep tot kandidaatstelling een kandidaat aan. Zo niet, dan zal de betrekking na drie maanden niet langer worden gesubsidieerd.
   § 2. Elke tijdelijke aanstelling in het ambt van territoriale poolcoördinator gebeurt schriftelijk, met uitzondering van 7° § 2.
   § 3. De inrichtende macht kan niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een ambt van territoriale poolcoördinator als zij zich op grond van de bepalingen inzake herschikking genoodzaakt ziet dat ambt toe te kennen aan een personeelslid dat bij gebrek aan werkgelegenheid is ontslagen.
   § 4. Een tijdelijke aanstelling in een selectieambt eindigt:
   a) in onderlinge overeenstemming;
   b) bij besluit van de inrichtende macht, overeenkomstig de procedure bedoeld in § 5 van dit artikel;
   c) of door toepassing van artikel 22, lid 1.
   Het einde van het schooljaar heeft echter geen gevolgen voor de tijdelijke aanstelling in een ambt van territoriale poolcoördinator.
   § 5. De inrichtende macht kan, op voorstel van de directeur of op eigen initiatief, met inachtneming van een opzeggingstermijn van vijftien dagen een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk als territoriale poolcoördinator is aangesteld.
   Alvorens kennis te geven van een beslissing tot beëindiging van de aanstelling, moet het personeelslid door de tot aanstelling bevoegde inrichtende macht zijn gehoord.
   De uitnodiging voor de hoorzitting en de redenen waarom de inrichtende macht voornemens is de aanstelling van het personeelslid te beëindigen, worden hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting meegedeeld, hetzij bij aangetekende brief, hetzij door middel van een brief met ontvangstbevestiging die persoonlijk wordt afgegeven. Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit het personeel in actieve dienst of gepensioneerd personeel van het officieel gesubsidieerd onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakbondsorganisatie die personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad. De hoorzitting wordt in notulen vastgelegd. De procedure wordt geldig voortgezet indien het naar behoren opgeroepen personeelslid de hoorzitting niet bijwoont of zich niet bij de hoorzitting laat vertegenwoordigen.]1

  
Art. 44decies/5. [1 § 1er. Lorsque le titulaire de la fonction est temporairement absent ou durant le temps nécessaire à une procédure d'appel à candidatures, le pouvoir organisateur peut désigner un membre du personnel remplissant les conditions visées à l'article 44decies/1 pour une durée égale ou inférieure à 15 semaines. Par dérogation à l'article 44decies/1, la condition de l'appel à candidatures n'est pas exigée.
   Par ailleurs, les autorités visées à l'article 27bis sont habilitées à effectuer ces désignations d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines.
   Cette désignation pour 15 semaines maximum peut être renouvelée pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période de désignation visée à l'alinéa précédent.
   Par dérogation à l'alinéa 3, la désignation visée à l'alinéa 1er est prolongée pendant la période entre l'appel à candidatures et la désignation d'un candidat.
   Le pouvoir organisateur désigne un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné.
   § 2. Toute désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de pôle territorial est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7° § 2.
   § 3. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de pôle territorial s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
   § 4. Une désignation temporaire dans un emploi de sélection prend fin :
   a) d'un commun accord ;
   b) par décision du pouvoir organisateur suite à la procédure visée au § 5 du présent article ;
   c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
   Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de coordonnateur de pôle territorial.
   § 5. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur soit sur proposition du directeur, soit d'initiative peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de coordonnateur de pôle territorial.
   Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
   La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.]1

  
HOOFDSTUK V. [1 - De toegang tot het bevorderingsambt van werkplaatsleider]1
CHAPITRE V. [1 - De l'accès à la fonction de promotion de chef de travaux d'atelier]1
Art. 45. De inrichtende macht kan in een vacante betrekking van een bevorderingsambt in vast verband benoemen, behalve :
  1° indien ze door de van toepassing zijnde bepalingen op de reaffectatie en de ontstentenis van betrekking verplicht is voor deze betrekking een personeelslid aan te werven dat ter beschikking werd gesteld, of
  2° indien ze deze betrekking reeds toegewezen heeft door wijziging van affectatie, overeenkomstig de in artikel 46 bepaalde voorwaarden.
  (3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis.)
Art. 45. Un pouvoir organisateur procède à une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de promotion sauf :
  1° s'il est tenu, en vertu de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité;
  2° s'il a déjà attribué l'emploi par changement d'affectation conformément aux dispositions prévues à l'article 46.
  (3° s'il a déjà attribué l'emploi par application des dispositions prévues à l'article 29bis.)
Art. 46. De inrichtende macht die een vacante betrekking moet begeven, kan een wijziging van affectatie aan een van haar personeelsleden toestaan als hij titularis is van het bevorderingsambt waartoe de vacante betrekking behoort. De wijziging moet gebeuren onder de voorwaarden bepaald bij artikel 29, § 2.
  (In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een verandering van affectatie aanvragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt.)
Art. 46. Le pouvoir organisateur qui a un emploi vacant à conférer peut accorder un changement d'affectation à l'un des membres de son personnel titulaire de la fonction de promotion à laquelle appartient l'emploi vacant. Le changement d'affectation ne peut s'opérer que dans les conditions fixées à l'article 29, § 2.
  (Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel titulaire d'une fonction de promotion ne peut demander de changement d'affectation qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.)
Art. 47. De benoeming in vast verband en de wijzigig van affectatie zijn niet toegelaten in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, een afdeling, een vestiging, een graad, een cyclus of een andere onderverdeling die bij toepassing van de rationalisatieregels geleidelijk wordt gesloten, of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting waarvoor de periode van betoelaging beperkt wordt.
Art. 47. Les nominations ou changements d'affectation ne sont pas permis dans un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré, d'un cycle ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en fermeture progressive ou qui ne peut être subventionne que pour une période limitée.
Art. 48. De benoeming tot een bevorderingsambt kan slechts gebeuren indien de betrekking als hoofdambt wordt bekleed.
Art. 48. La nomination à une fonction de promotion ne peut intervenir que si l'emploi est occupé en fonction principale.
Art. 48bis. § 1. [1 De inrichtende macht die een personeelslid in een bevorderingsambt van werkplaatsleider in tijdelijk verband voor meer dan 15 weken moet aanstellen]1 :
  1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de [1 tijdelijke aanstellingen]1.
  § 2. [1 De inrichtende macht, na toepassing van § 1 :
   1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt, rekening houdend met de specifieke behoeften verbonden aan zijn opvoedings- en pedagogische project, alsook de kenmerken die eigen zijn aan de school waarin de betrekking toe te kennen is.
   Boven de gedrags- en technische competenties naar keuze van de inrichtende macht, neemt het profiel van het ambt in elk geval de volgende gedragscompetenties op :
   a) de informatie analyseren ;
   b) problemen oplossen ;
   c) in teamverband werken ;
   d) zich aanpassen ;
   e) betrouwbaar zijn ;
   f) luisterbereid zijn en gevoel voor communicatie hebben.
   Het omvat ook de belangrijkst selectiecriteria van de kandidaten en de weging toegekend aan elk onder hen. Het bevat ook de bijkomende voorwaarden voor de aanstelling, die ofwel verplicht zijn of die een troef zijn voor de toe te kennen betrekking ;
   2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen bedoeld in artikel 52quinquies/1.]1

  [1 § 3. De inrichtende macht gaat over tot de aanstelling na de selectieprocedure beschreven in artikel 52quinquies/3 te hebben gevolgd.]1
  
Art. 48bis. § 1er. [1 Le pouvoir organisateur qui doit désigner à titre temporaire pour plus de 15 semaines un membre du personnel dans la fonction de promotion de chef de travaux d'atelier]1 :
  1° consulte la commission paritaire locale sur le profil de la fonction de promotion à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de la [1 désignation à titre temporaire]1.
  § 2. [1 Le pouvoir organisateur, après application du § 1er :
   1° arrête le profil de la fonction de promotion de chef de travaux d'atelier à pourvoir en tenant compte des besoins spécifiques liés à son projet éducatif et pédagogique ainsi que des caractéristiques propres de l'école dans laquelle le poste est à pourvoir.
   Au-delà de compétences comportementales et techniques au choix du pouvoir organisateur, le profil de fonction reprend en tout cas les compétences comportementales suivantes :
   a) analyser l'information;
   b) résoudre des problèmes;
   c) travailler en équipe;
   d) s'adapter;
   e) faire preuve de fiabilité;
   f) avoir le sens de l'écoute et de la communication.
   Il reprend aussi les critères principaux de sélection des candidats et la pondération attribuée à chacun d'eux. Il peut comprendre des conditions de désignation complémentaires, soit obligatoires, soit constituant un atout pour le poste à pourvoir.
   2° lance un appel à candidatures selon les formes visées à l'article 52quinquies/1.]1

  [1 § 3. Le pouvoir organisateur procède à la désignation après avoir suivi la procédure de sélection décrite à l'article 52quinquies/3.]1
  
Art. 49. Niemand kan benoemd worden in een bevorderingsambt indien hij op het ogenblik van de benoeming niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
  [1 1° een dienstanciënniteit van zes jaar hebben verworven binnen het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerd onderwijs, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34;
   2° deze betrekking gedurende 600 dagen hebben uitgeoefend, berekend sinds de indiensttreding volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 ;
   3° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd wordt door een getuigschrift dat bewijst dat hij erin geslaagd is ;
   4° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 48bis.]1

  5° [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art. 49. Nul ne peut être nommé à une fonction de promotion s'il ne répond au moment de la nomination aux conditions suivantes :
  [1 1° avoir acquis une ancienneté de service de six ans au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, calculée conformément à l'article 34;
   2° avoir exercé cet emploi durant 600 jours, calculés depuis l'entrée en fonction selon les modalités définies à l'article 34;
   3° avoir suivi au préalable une formation spécifique, sanctionnée par une attestation de réussite;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 48bis]1

  5° [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art. 50. [1 § 1. Een bevorderingsambt van werkplaatsleider kan tijdelijk aan een personeelslid toegewezen worden voor zover de volgende voorwaarden bij de aanstelling vervuld zijn :
   1. een dienstanciënniteit van drie jaar hebben verworven binnen het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde of georganiseerde onderwijs, in één van de ambten van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 ;
   2. titularis zijn, vóór deze aanstelling van één of meer ambten die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, in een inrichtende macht van het onderwijs gesubsidieerd of georganiseerd door de Franse Gemeenschap ;
   3. houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig het bovenvermelde artikel 102 ;
   4. aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 48bis hebben beantwoord.
   Tijdens deze periode blijft het personeelslid, in voorkomend geval, titularis van de betrekking waarin hij in vast verband benoemd of aangeworven is.
   Het vastbenoemd personeelslid in een bevorderingsambt van werkplaatsleider dat solliciteert naar een andere betrekking van hetzelfde ambt wordt geacht de toegangsvoorwaarden in tijdelijk verband opgesomd in 1° tot 3° van het eerste lid voor het betrokken ambt te vervullen. Voor zijn benoeming in vast verband wordt het ook geacht de voorwaarden 1° en 3° van artikel 49 te vervullen.
   Het personeelslid zal slechts voor een verandering van betrekking bedoeld in het vorige lid in aanmerking kunnen komen nadat het zijn ambten heeft uitgeoefend in de betrekking die het tijdens een periode van 3 jaar bekleedt.
   § 2. [2 In afwijking van § 1, eerste lid, 1° en 4°, zijn voor elke aanstelling met een duur gelijk aan of korter dan vijftien weken, de voorwaarden van anciënniteit en de oproep tot kandidaten niet vereist. Bovendien zijn de overheden bedoeld in artikel 27 bis bevoegd om deze aanstellingen te verrichten voor een duur gelijk aan of korter dan vijftien weken.]2
   Deze aanstelling voor hoogstens 15 weken kan hernieuwd worden voor zover de totale duur van de aanstelling 12 maanden niet overschrijdt.
   Indien de afwezigheid van de titularis van het ambt langer duurt, lanceert de inrichtende macht een oproep tot kandidaten uiterlijk de laatste dag van de periode van aanstelling bedoeld in het vorige lid.
   In afwijking van het tweede lid wordt de aanstelling bedoeld in het eerste lid verlengd tijdens de periode tussen de oproep tot kandidaten en de aanstelling van een kandidaat.
   De inrichtende macht stelt een kandidaat aan binnen de drie maanden na de oproep tot kandidaten. Bij gebreke daarvan, na deze drie maanden, wordt de betrekking niet meer gesubsidieerd.]1

  
Art. 50. [1 § 1er. Une fonction de promotion de chef de travaux d'atelier peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions suivantes, au moment de la désignation :
   1° avoir acquis une ancienneté de service de trois ans au sein de l'enseignement subventionné ou organisé par la Communauté française, dans une des fonctions de la catégorie du personnel directeur et enseignant, calculée selon les modalités fixées à l'article 34;
   2° être titulaire, avant cette désignation d'une ou de plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer, conformément à l'article 102 du décret du 2 février précité, dans un pouvoir organisateur de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
   3° être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 précité;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 48bis.
   Pendant cette période le membre du personnel reste, le cas échéant, titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé ou engagé à titre définitif.
   Le membre du personnel définitif dans une fonction de promotion de chef de travaux d'atelier qui postule dans un autre emploi de la même fonction est réputé remplir les conditions d'accès à titre temporaire, énumérées aux 1° à 3° de l'alinéa 1er pour ladite fonction. Pour sa nomination à titre définitif, il sera également réputé remplir les conditions 1° et 3° de l'article 49.
   Le membre du personnel ne pourra bénéficier du changement d'emploi visé à l'alinéa précédent qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de 3 ans.
   § 2. [2 Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 1° et 4°, pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines, les conditions d'ancienneté et de l'appel à candidatures ne sont pas exigées. Par ailleurs, les autorités visées à l'article 27bis sont habilitées à effectuer ces désignations d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines.]2
   Cette désignation pour 15 semaines maximum peut être renouvelée pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période de désignation visée à l'alinéa précédent.
   Par dérogation à l'alinéa 2, la désignation visée à l'alinéa 1er est prolongée pendant la période entre l'appel à candidatures et la désignation d'un candidat.
   Il désigne un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné.]1

  
Art. 51. [1 § 1. Wanneer de betrekking definitief vacant is, wordt het tijdelijk personeelslid in vast verband benoemd in het bevorderingsambt van werkplaatsleider na een termijn van twee jaar voor zover het de voorwaarden van artikel 49 vervult, of zodra het deze voorwaarden vervult.
   Wanneer, na de termijn van 2 jaar, de betrekking tijdelijk vacant is, wordt het personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 49 vervult in vast verband benoemd zodra de betrekking vacant wordt.
   § 2. Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt van werkplaatsleider toegewezen kreeg met toepassing van artikel 50 kan, in voorkomend geval, ontslagen worden uit het betrokken ambt door de inrichtende macht overeenkomstig artikel 52bis.]1

  
Art. 51. [1 § 1er. Lorsque l'emploi est définitivement vacant, le membre du personnel temporaire est nommé à titre définitif dans la fonction de promotion de chef de travaux d'atelier au terme d'un délai de deux ans s'il remplit les conditions de l'article 49 ou dès qu'il remplit ces dernières.
   Lorsqu'au terme de ce délai de 2 ans, l'emploi est temporairement vacant, le membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 49 est nommé à titre définitif dès que l'emploi devient vacant.
   § 2. Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion de chef de travaux d'atelier en application de l'article 50 peut, le cas échéant, être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément à l'article 52bis.]1

  
Art. 52bis. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 77; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen.
  § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een betrekking van bevordering als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking.
  § 3. Een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde :
  a) in onderlinge overeenstemming;
  b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;
  c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid.
  Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking.
  § 4. Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een bevorderingsambt.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
Art. 52bis. § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de promotion est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7°.
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de promotion s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 3. Une désignation temporaire dans un emploi de promotion prend fin :
  a) d'un commun accord;
  b) par décision du pouvoir organisateur suite à la procédure visée au § 4 du présent article ou à la suite de l'application des dispositions du chapitre Vbis ;
  c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
  Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de promotion.
  § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de promotion.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Art. 52ter. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 77; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Elk personeelslid mag krachtens artikel 49 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het bevorderingsambt. In dit geval re-integreert het personeelslid [1 , in voorkomend geval,]1 definitief zijn ambt van afkomst.
  [1 De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt en affectatie uitstellen met 15 weken na de aanvraag van het personeelslid
   Indien, boven de periode bedoeld in het vorige lid, de betrekking niet voorzien kon worden, kan de herstelling nog met hoogstens 15 weken verlengd worden, in gezamenlijk overleg tussen de inrichtende macht en het personeelslid.]1

  
Art. 52ter. Tout membre du personnel peut renoncer à sa nomination en vertu de l'article 49 dans les six cents jours qui suivent sa première entrée en fonction de promotion. Dans ce cas, il réintègre [1 , le cas échéant,]1 à titre définitif sa fonction d'origine.
  [1 Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de promotion ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction et son affectation d'origine de 15 semaines à dater de la demande du membre du personnel.
   Si, au-delà de la période visée à l'alinéa précédent, le poste n'a pas pu être pourvu, la réintégration peut encore être reportée de maximum 15 semaines de commun accord entre le pouvoir organisateur et le membre du personnel.]1

  
Art. 52quater. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 77; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De artikelen 49 tot 52ter zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
Art. 52quater. Les articles 49 à 52ter ne s'appliquent pas aux fonctions de promotion de directeur d'école maternelle, directeur d'école primaire, directeur d'école fondamentale, directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, régies par le décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
Hoofdstuk Vbis. [1 - De oproep tot kandidaten, de selectiecommissie, het opdrachtenblad, de evaluatie en het einde van de uitoefening van sommige bevorderings- en selectieambten]1
CHAPITRE Vbis. [1 - De l'appel à candidatures, de la commission de sélection, de la lettre de mission, de l'évaluation et de la fin de l'exercice de certaines fonctions de promotion et de sélection]1
Art. 52quinquies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt, zoals bedoeld in de artikelen [1 4 § 1, 3° en [3 5, § 1, 1° tot 3°, 5° en 8°]3 [2 , 5, § 2, 1° en 2° en 5, § 3, 1° en 2°]2]1 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan, en op artikel 50 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
  Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  [1 Met uitzondering van de afdeling Iter betreffende het opdrachtenblad, is dit hoofdstuk ook van toepassing op de personeelsleden die een selectieambt van het opvoedend hulppersoneel uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 7, b), 9. en 10. en in artikel 7bis, 2°, a) en b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen.]1
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder " directeur " het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  
Art. 52quinquies. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel titulaires d'une fonction de promotion ou de sélection telle que visée aux articles [1 4 § 1er, 3° et [3 5, § 1er, 1° à 3°, 5° et 8°]3 [2 , 5 § 2, 1° et 2° et 5 § 3, 1° et 2°]2]1 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection dans l'enseignement de plein exercice, et à l'article 50 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
  [1 Il]1 s'applique également aux membres du personnel titulaires d'une fonction de sélection telle que visée à l'article 6ter, 6°, b, de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialise, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  [1 A l'exception de la section Iter relative à la lettre de mission, ce chapitre est également applicable aux membres du personnel exerçant une fonction de sélection du personnel auxiliaire d'éducation, telle que visée à l'article 7, b), 9. et 10. et à l'article 7bis, 2°, a) et b) de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1
  § 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " directeur " le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale, de directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, telles qu'énumérées aux articles 3 et 4, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection ou de la fonction de promotion de directeur d'établissement de promotion sociale telle que prévue à l'article 6ter, 6°, a de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  
Afdeling I. [1 - De oproep tot kandidaten]1
Section Ire. [1 - De l'appel à candidatures]1
Art. 52quinquies/1. [1 Het model van oproepen tot kandidaten bedoeld in de artikelen 39bis en 48bis wordt door de Regering vastgesteld, op gezamenlijk voorstel van de Vaste Commissie voor de bevordering en selectie van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, van de Centrale paritaire commissie van het gesubsidieerd officieel onderwijs, van de Centrale paritaire commissie van het niet-confessioneel vrij onderwijs en van de Centrale paritaire commissie van het confessioneel vrij onderwijs.
   De Regering kan het model op eigen initiatief bepalen in het geval dat de Commissies bedoeld in het vorige lid haar geen gezamenlijk voorstel binnen een termijn van 30 dagen hebben bezorgd na de aanneming van dit decreet.]1

  
Art. 52quinquies/1. [1 Le modèle des appels à candidats visé aux articles 39bis et 48bis est fixé par le Gouvernement, sur proposition conjointe de la Commission permanente de la promotion et de la sélection de l'enseignement organisé par la Communauté française, de la Commission paritaire centrale de l'enseignement officiel subventionné, de la Commission paritaire centrale de l'enseignement libre non confessionnel et de la Commission Paritaire Centrale de l'enseignement libre confessionnel.
   Le Gouvernement peut fixer le modèle d'initiative au cas où les Commissions visées à l'alinéa précédent ne lui ont pas adressé de proposition conjointe dans un délai de 30 jours après l'adoption du présent décret.]1

  
Art. 52quinquies/2. [1 De inrichtende macht die een oproep tot kandidaten lanceert, bepaalt de uitbreiding van de geadresseerden waarop de oproep gericht is ofwel aan de enige personeelsleden die hum ambten binnen de inrichtende macht uitoefenen, ofwel aan elke persoon die aan de voorwaarden voor de toegang tot het ambt beantwoorden.]1
  [2 In afwijking van lid 1 wordt in de oproep tot het indienen van sollicitaties voor het ambt van territoriale poolcoördinator altijd vermeld dat het openstaat voor eenieder die voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het ambt.]2
  
Art. 52quinquies/2. [1 Le pouvoir organisateur qui lance un appel à candidatures précise l'extension des destinataires auxquels l'appel s'adresse soit, aux seuls membres du personnel exerçant leurs fonctions au sein du pouvoir organisateur soit, à toute personne répondant aux conditions d'accès à la fonction.]1
  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'appel à candidatures pour l'emploi de coordonnateur de pôle territorial précise toujours qu'il s'adresse à toute personne répondant aux conditions d'accès à la fonction.]2
  
Afdeling Ibis. [1 De selectiecommissie]1
Section 1bis. [1 De la commission de sélection]1
Art. 52quinquies/3. [1 § 1. De inrichtende macht stelt een selectiecommissie aan, Ze bestaat uit de directeur van de betrokken inrichting en uit de leden of afgevaardigden van de inrichtende macht waaraan deze één of meer leden kan toewijzen die extern zijn aan de inrichtende macht en die over een deskundigheid inzake personeelsbeleid en personeelsselectie beschikken.
  [3 Eén vertegenwoordiger per inrichtende macht van de partnerscholen van de pool is ook lid van de selectiecommissie die is samengesteld voor de selectie van een poolcoördinator.]3
   [2 ...]2
   § 2. De selectie van kandidaten rust op het ambtsprofiel ontwikkeld door de inrichtende macht en gevoegd bij de oproep tot kandidaten en, in het bijzonder, op de evaluatie van de technische en gedragscompetenties van de kandidaten, samen met de indicatoren van de beheersing, en hun boekhouding met het opvoedend en pedagogisch project van de inrichtende macht.
   De selectiecommissie kan de kandidaturen op basis van het dossier onderzoeken en selecteren en slechts de kandidaten horen die na deze selectie geselecteerd worden.
   § 3. Na de verhoringen stelt de selectiecommissie een verslag op dat de kandidaten rangschikt en dat alle nuttige informatie geeft om de rangschikking te motiveren.
   Dit verslag wordt aan de inrichtende macht bezorgd die op deze basis de beslissing neemt om aan te stellen.
   § 4. Op zijn aanvraag zal elke kandidaat een mededeling krijgen over de wijze waarop de overeenstemming geëvalueerd wordt van zijn gedrags- en technische competenties met de selectiecriteria die door het ambtsprofiel bepaald en gewogen worden.]1

  
Art. 52quinquies/3. [1 § 1er. Le pouvoir organisateur met en place une commission de sélection. Elle est composée du directeur de l'établissement concerné et de membres ou de délégués du pouvoir organisateur auxquels celui-ci peut adjoindre un ou plusieurs membres extérieurs au pouvoir organisateur, disposant d'une expérience en ressources humaines et en matière de sélection du personnel.
  [3 Un représentant par pouvoir organisateur des écoles partenaires du pôle est également membres de la commission de sélection composée pour la sélection d'un coordonnateur de pôle.]3
   [2 ...]2
   § 2. La sélection des candidats se fonde sur le profil de fonction élaboré par le pouvoir organisateur et annexé à l'appel à candidatures et, plus particulièrement, sur l'évaluation des compétences techniques et comportementales des candidats, assorties d'indicateurs de maîtrise, et leur compatibilité avec le projet éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur.
   La commission de sélection peut opérer un tri des candidatures sur dossier et n'entendre que les candidats retenus suite à cette sélection.
   § 3. Au terme des auditions, la commission de sélection établit un rapport classant les candidats et fournissant toutes informations utiles pour motiver le classement.
   Ce rapport est adressé au pouvoir organisateur qui, sur cette base, prend la décision de désignation.
   § 4. A sa demande, tout candidat recevra communication de la façon dont a été évaluée la correspondance de ses compétences comportementales et techniques avec les critères de sélection définis et pondérés par le profil de fonction.]1

  
Afdeling Iter. [1 - Het opdrachtenblad]1
Section Iter. [1 - De la lettre de mission]1
Art. 52sexies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht.
  Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  [1 Vóór het opstel van het opdrachtenblad raadpleegt de inrichtende macht het plaatselijk orgaan van sociaal overleg.]1
  
Art. 52sexies. Dès l'entrée en fonction du membre du personnel visé à l'article 52quinquies du présent décret, le directeur lui confie une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur.
  Celle-ci spécifie les missions du membre du personnel visé à l'article 52quinquies et les priorités qui lui sont assignées, en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel il est affecté et en fonction des objectifs contenus dans la lettre de mission que le directeur a lui-même reçue, conformément au chapitre III du titre II du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  [1 Préalablement à la rédaction de la lettre de mission, le pouvoir organisateur consulte l'organe local de concertation sociale.]1
  
Art. 52septies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan ten vroegste na twee jaar door de directeur.
  In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór zijn geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies.
  Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring aan de inrichtende macht voorgelegd.
Art. 52septies. § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par le directeur, en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement de l'établissement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et le membre du personnel visé à l'article 52quinquies.
  La lettre de mission modifiée est soumise à l'approbation du pouvoir organisateur.
Art. 52octies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> § 1. In afwijking van artikel 52sexies, § 1, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toevertrouwen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinqies van dit decreet.
  De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan [2 het personeelslid]2 toe [1 dat in vast verband wordt benoemd en het personeelslid]1 dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt.
  § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen.
  
Art. 52octies. § 1er. Par dérogation à l'article 52sexies, § 1er, alinéa 1er, le directeur, si besoin est et moyennant approbation préalable du pouvoir organisateur, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies du présent décret.
  Le directeur confie d'office une lettre de mission, approuvée préalablement par le pouvoir organisateur, au membre du personnel [1 nommé à titre définitif et [2 au membre du personnel]2]1 désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du membre du personnel visé à l'article 52quinquies faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  
Art. 52octies/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 52septies wijzigt de directeur, na voorafgaande raadpleging van het plaatselijk orgaan voor sociaal overleg, met voorafgaande instemming van de inrichtende macht, ambtshalve de inhoud van het opdrachtenblad van de werkplaatsleider die een gedeeltelijke terbeschikkingstelling om persoonlijke redenen geniet, voorafgaand aan het rustpensioen of de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan na het bereiken van de leeftijd van 58 jaar.
   In het gewijzigde opdrachtenblad worden de opdrachten vermeld die hij voorheen vervulde en die hij zal delegeren.
   Het bepaalt de organisatie van zijn prestaties en de nadere regels voor het overleg met de deeltijdse werkplaatsleider die hem moet bijstaan.
   § 2 Na voorafgaande raadpleging met het plaatselijk sociaal overlegorgaan en met voorafgaande instemming van de inrichtende macht, vertrouwt de directeur een opdrachtblad aan de deeltijdse werkplaatsleider bedoeld in het vorige lid toe.
   § 3 Na voorafgaande raadpleging van het plaatselijk sociaal overlegorgaan, met voorafgaande instemming van de inrichtende macht, vertrouwt de directeur die na de leeftijd van 58 jaar een gedeeltelijke terbeschikkingstelling om persoonlijke redenen krijgt vóór het rustpensioen of een gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan, een opdrachtenblad toe aan de deeltijdse adjunct-directeur die wordt opgeroepen om hem bij te staan.
   § 4 Hij kan tevens, indien nodig, bepaalde wijzigingen aanbrengen in het opdrachtenblad van andere adjunct-directeuren en werkplaatsleiders, overeenkomstig de bepalingen genomen ter uitvoering van de voorgaande leden.]1

  
Art. 52octies/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 52septies, après consultation préalable de l'organe local de concertation sociale, avec l'accord préalable du pouvoir organisateur, le directeur modifie d'office le contenu de la lettre de mission du chef de travaux d'atelier qui bénéficie d'une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ou d'une interruption partielle de la carrière professionnelle après 58 ans.
   La lettre de mission modifiée précise les missions qu'il exerçait antérieurement et qu'il déléguera.
   Elle définit l'organisation de ses prestations et les modalités de concertation avec le chef d'atelier à temps partiel appelé à le seconder.
   § 2. Après consultation préalable de l'organe local de concertation sociale et avec l'accord préalable du pouvoir organisateur, le directeur confie une lettre de mission au chef d'atelier à temps partiel visé au paragraphe précédent.
   § 3. Après consultation préalable de l'organe local de concertation sociale, avec l'accord préalable du pouvoir organisateur, le directeur qui bénéficie d'une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ou d'une interruption partielle de la carrière professionnelle après 58 ans confie une lettre de mission au directeur adjoint à temps partiel appelé à le seconder.
   § 4. Il peut aussi, le cas échéant, apporter certaines modifications aux lettres de missions d'autres directeurs adjoints et chefs d'atelier en cohérence avec les dispositions prises en vertu des paragraphes précédents.]1

  
Afdeling II. - De opleidingsevaluatie.
Section 2. - De l'évaluation formative.
Art. 52novies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.
  Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming "personeelslid " bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.
Art. 52novies. Cette section s'applique au membre du personnel nommé à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel désigne à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " membre du personnel " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
Art. 52decies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk gebeurt door de inrichtende macht en de directeur.
  Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.
  Nochtans mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar.
Art. 52decies. Tous les cinq ans à dater de sa nomination à titre définitif ou de sa désignation à titre temporaire, chaque membre du personnel fait l'objet d'une évaluation effectuée conjointement par le pouvoir organisateur et le directeur.
  Si ces derniers le jugent utile, ils peuvent procéder, plus tôt, à une évaluation du membre du personnel.
  Toutefois, le membre du personnel ne peut faire l'objet de plus de deux évaluations par période de dix ans.
Art. 52undecies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in [1 afdeling Iter]1 van dit hoofdstuk en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 40, 6° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 49, 5° van dit decreet voor de bevorderingsambten.
  Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
  
Art. 52undecies. L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à la [1 section Iter]1 du présent chapitre et sur la mise en pratique des compétences acquises dans le cadre des formations visées par l'article 40, 6° du présent décret en ce qui concerne les fonctions de sélection et à l'article 49, 5° du présent décret pour les fonctions de promotion.
  Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le membre du personnel et des moyens qui sont mis à sa disposition.
  
Art. 52duodecies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden.
Art. 52duodecies. En fonction de cette évaluation, le pouvoir organisateur et le directeur conviennent avec le membre du personnel des améliorations à apporter.
Afdeling 3. - Het einde van de uitoefening van sommige [1 uitgeoefende bevorderingsambten en selectieambten]1.
Section 3. - De la fin de l'exercice de certaines fonctions de promotion et de sélection [1 exercées]1 à titre temporaire.
Art. 52terdecies. <INGEVOEGD bij DFG 2007-02-02/52, art. 78; Inwerkingtreding : 01-09-2007> Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat tijdelijk werd aangesteld.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur overweegt een voorstel ervan te maken aan de inrichtende macht, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs, die uitwerking heeft met ingang van de datum opgenomen op dit ontvangbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
Art. 52terdecies. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur peut, soit sur proposition du directeur, soit d'initiative, mettre fin à la désignation d'un membre du personnel visé à l'article 52quinquies désigné à titre temporaire.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel ou en raison desquels le directeur envisage d'en faire la proposition au pouvoir organisateur lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
Afdeling 4. [1 Over de aanstellingsbrief, de evaluatie en het einde van de uitoefening van het ambt van territoriale poolcoördinator dat tijdelijk wordt uitgeoefend]1
Section 4. [1 De la lettre de mission, de l'évaluation et de la fin de l'exercice de la fonction de coordonnateur de pôle territorial exercée à titre temporaire]1
Art. 52quaterdecies. [1 De artikelen 52sexies tot en met 52terdecies zijn niet van toepassing op de territoriale poolcoördinatoren.]1
  
Art. 52quaterdecies. [1 Les articles 52sexies à 52terdecies ne s'appliquent pas aux coordonnateurs de pôles territoriaux.]1
  
Art. 52quinquiesdecies. [1 Zodra de tijdelijk aangestelde poolcoördinator zijn ambt bekleedt, belast de directeur van de hoofdschool hem met een opdrachtenblad dat vooraf is goedgekeurd door de inrichtende macht van de hoofdschool. In dat blad worden de opdrachten van de poolcoördinator en de aan hem toegewezen prioriteiten gespecificeerd in overeenstemming met de behoeften van de samenwerkende scholen in de pool.
   Alvorens het opdrachtenblad op te stellen, raadpleegt de inrichtende macht van de hoofdschool het plaatselijk orgaan voor sociaal overleg.
   Het opdrachtenblad heeft een looptijd van zes jaar. De inhoud van het opdrachtenblad kan vóór het verstrijken ervan door de directeur worden gewijzigd in het licht van de ontwikkeling van de behoeften en de werking van de pool of in onderlinge overeenstemming tussen de poolcoördinator en de directeur.
   Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring aan de inrichtende macht voorgelegd.]1

  
Art. 52quinquiesdecies. [1 Dès l'entrée en fonction du coordonnateur de pôle désigné à titre temporaire, le directeur de l'école siège lui confie une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur de l'école siège. Y sont spécifiées les missions du coordonnateur du pôle et les priorités qui lui sont assignées en fonction des besoins des écoles coopérantes du pôle.
   Préalablement à la rédaction de la lettre de mission, le pouvoir organisateur de l'école siège consulte l'organe local de concertation sociale.
   La lettre de mission a une durée de six ans. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance par le directeur en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement du pôle ou d'un commun accord entre le coordonnateur du pôle et le directeur.
   La lettre de mission modifiée est soumise à l'approbation du pouvoir organisateur.]1

  
Art. 52sexiesdecies. [1 § 1. In afwijking van artikel 52quinquiesdecies, lid 1, kan de directeur van de hoofdschool, indien nodig en na voorafgaande goedkeuring door de inrichtende macht, een opdrachtenblad toekennen aan het personeelslid dat tijdelijk voor een periode van minder dan één jaar als territoriale poolcoördinator is aangesteld.
   De directeur van de hoofdschool vertrouwt het personeelslid dat in vast verband is aangesteld en het personeelslid dat in tijdelijke dienst als territoriale poolcoördinator is aangesteld voor een periode van één jaar of langer, of van wie de aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd, van rechtswege een door de inrichtende macht vooraf goedgekeurd opdrachtblad toe.
   Het in dit artikel bedoelde opdrachtenblad kan bestaan uit een bevestiging van het opdrachtenblad van de territoriale poolcoördinator die wordt vervangen, of uit een nieuw document.]1

  
Art. 52sexiesdecies. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 52quinquesdecies, alinéa 1er, le directeur de l'école siège, si besoin est et moyennant approbation préalable du pouvoir organisateur, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire comme coordonnateur de pôle territorial pour une durée inférieure à un an.
   Le directeur de l'école siège confie d'office une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur au membre du personnel nommé à titre définitif et le membre du personnel désigné à titre temporaire comme coordonnateur de pôle territorial pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
   § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du coordonnateur de pôle territorial faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.]1

  
Art. 52septiesdecies. [1 § 1. De op tijdelijke basis aangestelde poolcoördinator wordt ten minste tweemaal door de inrichtende macht van de betrokken school geëvalueerd voordat hij op permanente basis wordt aangesteld. De eerste evaluatie vindt plaats tussen de 9e effectieve maand en het einde van de 12e effectieve maand van het eerste jaar van de aanstelling van de poolcoördinator. Met de tweede evaluatie wordt begonnen tussen de 9e effectieve maand en het einde van de 12e effectieve maand van het tweede jaar. Valt deze periode in een schoolvakantieperiode, dan wordt zij verschoven naar de eerste dag na deze vakantieperiode.
   De evaluatie wordt gebaseerd op het opdrachtenblad en, indien van toepassing, op de succesvolle voltooiing van de in artikel 44decies/1 bedoelde specifieke opleiding indien de poolcoördinator voor zijn benoeming geen dergelijke opleiding heeft gehad. Er wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de poolcoördinator moet opereren en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
   De regering stelt op voorstel van de bevoegde centrale paritaire commissie het model-evaluatieverslag en de procedures daarvoor vast.
   De melding aan het eind van de evaluatie kan "gunstig", "met voorbehoud" of "ongunstig" zijn.
   Het met redenen omklede evaluatieverslag van de pooldirecteur waarin een van de in lid 4 bedoelde meldingen wordt voorgesteld, wordt voorgelegd aan de poolcoördinator, die over tien dagen beschikt om een klacht in te dienen bij de inrichtende macht. Binnen 15 dagen na ontvangst van de klacht stelt de inrichtende macht de poolcoördinator in kennis van haar beslissing.
   In geval van een "ongunstige" evaluatie heeft de poolcoördinator twintig dagen om tegen zijn evaluatie in beroep te gaan bij de bevoegde raad van beroep.
   De raad van beroep brengt binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van het beroep advies uit aan de inrichtende macht.
   De inrichtende macht kent binnen een maand na ontvangst van het advies van de raad van beroep het eindcijfer toe aan de poolcoördinator. Indien ze geen beslissing treft binnen de voorgeschreven termijn, wordt de beslissing geacht in overeenstemming te zijn met het advies.
   Indien zij niet binnen de in het eerste lid genoemde termijnen in gang worden gezet, worden de evaluaties van de poolcoördinator geacht "gunstig" te zijn.
   § 2. Indien de eerste volgens de procedure van paragraaf 1 definitief toegekende evaluatie "met voorbehoud" is, kan de tweede evaluatie alleen "gunstig" of "ongunstig" zijn.
   Indien de tweede en laatste evaluatie "met voorbehoud" is, wordt de tijdelijke aanwijzing van ambtswege met zes maanden verlengd. De poolcoördinator wordt een derde keer beoordeeld. De derde evaluatie wordt aangevat zes maanden nadat de tweede evaluatie definitief is toegekend en de vermelding wordt binnen de maand na deze periode toegekend. Het kan alleen "gunstig" of "ongunstig" zijn.
   Indien de eerste, tweede of, in voorkomend geval, derde evaluatie die uiteindelijk wordt toegekend "ongunstig" is, wordt de aanstelling van de poolcoördinator van ambtswege beëindigd.]1

  
Art. 52septiesdecies. [1 § 1er. Le coordonnateur du pôle désigné à titre temporaire est évalué par le pouvoir organisateur de l'école siège à au moins deux reprises avant de pouvoir être nommé à titre définitif. La première évaluation est initiée entre le 9e mois effectif et la fin du 12e mois effectif de la première année de la prise de fonction du coordonnateur de pôle. La seconde évaluation est initiée entre le 9e mois effectif et la fin du 12e mois effectif de la deuxième année. Si ce délai prend cours durant une période de vacances scolaires, sa prise de cours est reportée au premier jour qui suit cette période de vacances.
   L'évaluation se fonde sur la lettre de mission et, le cas échéant, sur le bon suivi de la formation spécifique visé à l'article 44decies/1 si le coordonnateur du pôle n'en disposait pas avant sa désignation. Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le coordonnateur du pôle et des moyens qui sont mis à sa disposition.
   Le gouvernement fixe le modèle de rapport d'évaluation et ses modalités sur proposition de la Commission paritaire centrale compétente.
   La mention attribuée au terme de l'évaluation peut être " favorable ", " réservé " ou " défavorable ".
   Le rapport d'évaluation motivé du directeur de pôle proposant l'une des mentions visées à l'alinéa 4 est soumis au coordonnateur du pôle qui dispose d'un délai de dix jours pour introduire une réclamation auprès du pouvoir organisateur. Dans les quinze jours de la réception de la réclamation le pouvoir organisateur notifie sa décision au coordonnateur de pôle.
   En cas de mention " défavorable ", le coordonnateur de pôle dispose d'un délai de vingt jours pour adresser un recours à l'encontre de son évaluation devant la Chambre de recours compétente.
   La Chambre de recours donne son avis au pouvoir organisateur dans un délai de 45 jours à partir de la date de réception du recours.
   Le pouvoir organisateur attribue la mention définitive au coordonnateur de pôle dans le mois de la réception de l'avis de la Chambre de recours. Si il omet de se prononcer dans le délai requis, la décision est réputée conforme à l'avis.
   A défaut d'avoir été initiées dans les délais mentionnés à l'alinéa 1er, les évaluations du coordonnateur du pôle sont réputées " favorables ".
   § 2. Si la première évaluation définitivement attribuée en application de la procédure prévue au paragraphe 1er, est " réservée ", la seconde évaluation ne peut être que " favorable " ou " défavorable ".
   Si la seconde évaluation définitivement attribuée est " réservée ", la désignation temporaire est prolongée d'office de six mois. Le coordonnateur de pôle est évalué une troisième fois. La troisième évaluation est initiée six mois après que la seconde évaluation ait été définitivement attribuée et la mention est attribuée endéans le mois qui suit ce délai. Elle ne peut être que " favorable " ou " défavorable ".
   Si la première, la seconde ou, le cas échéant, la troisième évaluation définitivement attribuée est " défavorable ", il est mis fin d'office à la désignation du coordonnateur de pôle.]1

  
Art. 52octiesdecies. [1 In het ambt van territoriale poolcoördinator kan niemand worden benoemd die dat ambt niet als hoofdambt uitoefent.]1
  
Art. 52octiesdecies. [1 Nul ne peut être nommé à une fonction de coordonnateur de pôle territorial si l'emploi de cette fonction n'est pas occupé en fonction principale.]1
  
HOOFDSTUK VI. - De dienststanden.
CHAPITRE VI. - Positions administratives.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 53. Het personeelslid bevindt zich in een van de volgende dienststanden :
  1° dienstactiviteit;
  2° non-activiteit;
  3° terbeschikkingstelling.
Art. 53. Les positions administratives dans lesquelles peuvent se trouver les membres du personnel sont :
  1° l'activité de service;
  2° la non-activité;
  3° la disponibilité;
Afdeling 2. - Dienstactiviteit.
Section 2. - Activité de service.
Art. 54. Het personeelslid wordt steeds geacht in actieve dienst te zijn, behoudens formele bepaling die hem in een andere dienststand plaatst.
Art. 54. Un membre du personnel est toujours censé être en activité de service sauf disposition formelle le plaçant dans une autre position administrative.
Art. 55. Het personeelslid in actieve dienst heeft recht op een weddetoelage en op de verhoging van wedde en kan van de inrichtende macht verlof bekomen onder dezelfde voorwaarden als in het Gemeenschapsonderwijs.
  [1 Heeft recht op de weddesubsidie die het had kunnen ontvangen als het gewoon zijn dagelijkse taak had kunnen verwezenlijken, het personeelslid dat in staat is om te werken op het ogenblik dat het zich naar zijn werk wou begeven als :
   1° het tijdens zijn verplaatsing naar de werkplek enkel met vertraging of niet ter bestemming kan komen in zover deze vertraging of afwezigheid te wijten is aan een oorzaal die op de weg naar het werk gebeurde onder buiten zijn wil om staande omstandigheden;
   2° het, om een oorzaak buiten zijn wil om, zijn werk ofwel niet kan beginnen, terwijl het zich normaal heeft begeven naar zijn werkplek, ofwel niet kan voortzetten.]1

  Het kan van de inrichtende macht verlof bekomen onder dezelfde voorwaarden als in het Gemeenschapsonderwijs.
  Elk verlof waarvoor een beslissing van het bevoegde lid van de Regering of van zijn afgevaardigde nodig is om de wedde te kunnen ggenieten in het Gemeenschapsonderwijs, moet door de inrichtende macht die overheid ter goedkeuring worden voorgelegd.
  
Art. 55. Le membre du personnel en activité de service a droit à une subvention-traitement et à l'avancement de traitement dans les mêmes conditions que dans l'enseignement de la Communauté.
  [1 A droit à la subvention-traitement qui lui serait revenue s'il avait pu accomplir normalement sa tâche journalière, le membre du personnel apte à travailler au moment de se rendre au travail :
   1° qui, se rendant normalement à son travail, ne parvient qu'avec retard ou n'arrive pas au lieu de travail pourvu que ce retard ou cette absence soit dû à une cause survenue sur le chemin du travail et indépendante de sa volonté;
   2° qui ne peut, pour une cause indépendante de sa volonté, soit entamer le travail, alors qu'il s'était rendu normalement sur les lieux de travail, soit poursuivre le travail auquel il était occupé.]1

  Le membre du personnel peut obtenir un congé du pouvoir organisateur, dans les mêmes conditions que dans l'enseignement de la Communauté française.
  Tout congé pour lequel une décision du membre du Gouvernement compétent, ou de son délégué, est nécessaire pour pouvoir bénéficier du traitement dans l'enseignement de la Communauté, est soumis par le pouvoir organisateur à l'approbation de la même autorité.
  
Afdeling 3. - Non-activiteit.
Section 3. - Non-activité.
Art. 56. Een personeelslid bevindt zich in de stand non-activiteit onder dezelfde voorwaarden als in het Gemeenschapsonderwijs.
Art. 56. Un membre du personnel est dans la position de non-activité dans les mêmes conditions que dans l'enseignement de la Communauté.
Afdeling 4. - Terbeschikkingstelling.
Section 4. - Mise en disponibilité.
Art. 57. Een personeelslid kan door zijn inrichtende macht ter beschikking gesteld worden onder dezelfde voorwaarden als inhet Gemeenschapsonderwijs, met uitzondering van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst, geregeld in hoofdstuk XI.
  Elke terbeschikkingstelling waarvoor een beslissing van de bevoegde minister of van diens afgevaardigde nodig is voor de toekenning van de wachtwedde in het Gemeenschapsonderwijs, moet door de inrichtende macht ter goedkeuring aan dezelfde overheid worden voorgelegd.
Art. 57. Un membre du personnel peut être mis en disponibilité par son pouvoir organisateur dans les mêmes conditions que dans l'enseignement de la Communauté, à l'exception de la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service qui fait l'objet du chapitre XI.
  Toute mise en disponibilité pour laquelle une décision du ministre compétent ou de son délégué est nécessaire en vue de l'octroi du traitement d'attente dans l'enseignement de la Communauté est soumise par le pouvoir organisateur à l'approbation de la même autorité.
HOOFDSTUK VII. - Ambtsneerlegging.
CHAPITRE VII. - Cessation définitive des fonctions.
Art. 58. De tijdelijke of in vast verband benoemde personeelsleden worden zonder opzegging van ambtswege uit hun ambt ontzet wanneer zij :
  1° [1 ...]1
  2° na een veroorloofde afwezigheid, zonder geldige reden nalaten hun dienst te hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan 10 dagen afwezig blijven;
  3° zonder geldige reden hun bezigheid verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien dagen afwezig blijven;
  4° in de gevallen verkeren waar de toepassing van de burgerlijke en strafwetten de uitoefening van hun ambt belet;
  5° na afloop van de procedure weigeren, een bezigheid te staken die onverenigbaar is met de hoedanigheid van personeelslid van een officiële gesubsidieerde onderwijsinrichting;
  6° in een toestand verkeren van bestendige arbeidsongeschiktheid, erkend overeenkomstig de wet of het reglement, die hen belet hun ambt op degelijke wijze uit te oefenen;
  7° zonder geldige reden weigeren, nadat zij weder in dienst werden geroepen, de door de inrichtende macht toegewezen betrekking te bekleden;
  8° niet regelmatig aangesteld of vast benoemd zijn, in welke gevallen zij de rechten behouden, verworven in hun vroegere regelmatige stand;
  9° vast benoemd worden in een ander ambt, naar rata van de uren waarvoor zij die nieuwe benoeming krijgen, tot beloop van een volledige betrekking.
  [2 10° in geval van een ongunstig evaluatieverslag als bedoeld in artikel 52sexdecies, § 2, derde lid.]2
  
Art. 58. Les membres du personnel désignés à titre temporaire et les membres du personnel nommés à titre définitif sont demis de leurs fonctions d'office et sans préavis :
  1° [1 ...]1
  2° si, après une absence autorisée, ils négligent, sans motif valable, de reprendre leur service et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
  3° s'ils abandonnent leur emploi sans motif valable et restent absents pendant une période ininterrompue de plus de dix jours;
  4° s'ils se trouvent dans la situation où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
  5° s'ils refusent, après épuisement de la procédure, de mettre fin à une occupation incompatible avec la qualité de membre du personnel d'un établissement d'enseignement officiel subventionné;
  6° s'il est constaté qu'une incapacité permanente de travail reconnue conformément à la loi ou au règlement les met hors d'état de remplir convenablement leurs fonctions;
  7° si, rappelés en activités de service, ils refusent, sans motif valable, d'occuper l'emploi attribué par le pouvoir organisateur;
  8° s'ils n'ont pas été désignés ou nommés à titre définitif de façon régulière; dans ces deux cas, les membres du personnel gardent les droits acquis liés à leur situation régulière précédente;
  9° en cas de nomination à titre définitif dans une autre fonction au prorata des heures qui font l'objet de cette nouvelle nomination, à concurrence d'une fonction complète.
  [2 10° dans l'hypothèse d'un rapport d'évaluation défavorable tel que visé à l'article 52sexdecies, § 2, alinéa 3.]2
  
Art. 59. Voor de in vast verband benoemde personeelsleden neemt de uitoefening van hun ambt ook een einde :
  1° door vrijwillig ontslag [2 , onverminderd artikel 35, § 2, indien hij opnieuw aangeworven zou zijn door de inrichtende macht die hem vóór zijn ontslag aanwierf]2;
  2° door oppensioenstelling wegens leeftijdsgrens of wegens arbeidsongeschiktheid;
  3° door [1 ontslag bij tuchtmaatregel]1 of afdanking.
  Bij vrijwillig ontslag mag het personeelslid zijn dienst verlaten wanneer hij daartoe gemachtigd is of na een opzeggingstermijn van veertien dagen.
  Wanneer de definitieve ambtsneerlegging de toepassing met zich brengt van artikel 10 van de wet d.d. 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, stort de Franse Gemeenschap aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de in dat artikel bepaalde bijdragen.
  
Art. 59. Pour les membres du personnel nommés à titre définitif, entraînent également la cessation définitive des fonctions :
  1° la démission volontaire [2 , sans préjudice de l'article 35, § 2, dans l'hypothèse où il serait engagé à nouveau par le pouvoir organisateur qui l'employait avant sa démission " après les termes " la démission volontaire "]2;
  2° la mise à la retraite pour limite d'âge ou pour inaptitude physique;
  3° les peines disciplinaires de [1 démission disciplinaire]1 et de révocation.
  En cas de démission volontaire, le membre du personnel ne peut abandonner son service qu'à condition d'y avoir été autorisé ou après un préavis de quinze jours.
  Lorsque la cessation définitive des fonctions entraîne l'application de l'article 10 de la loi du 20 juillet 1991 portant dispositions sociales et diverses, la Communauté française verse à l'Office national de sécurité sociale les cotisations prévues dans cette disposition.
  
HOOFDSTUK VIII. - (Preventieve schorsing : administratieve maatregel.)
CHAPITRE VIII. - (De la suspension préventive : Mesure administrative.)
Afdeling 1. Algemene bepalingen.
Section 1. &lt; Créée par DCFR 2003-07-17/44, art. 8; En vigueur : 01-09-2003&gt; - Dispositions générales.
Art. 59bis. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet verstaan worden onder inrichtende macht :
  1° in het onderwijs georganiseerd door de steden en gemeenten, het college van burgemeester en schepenen;
  2° in het onderwijs georganiseerd door de provincies, de Provincieraad of [1 het Provinciecollege]1;
  3° in de onderwijsinrichtingen die ressorteren onder de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, de Raad van deze inrichtingen;
  4° in de onderwijsinrichtingen die ressorteren onder de "Office de la Naissance et de l'Enfance", de raad van bestuur van die instelling;
  5° in de onderwijsinrichtingen die ressorteren onder de intercommunale verenigingen, de raad van bestuur van deze instellingen.
  
Art. 59bis. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par pouvoir organisateur :
  1° dans l'enseignement organisé par les villes et les communes, le collège des bourgmestre et échevins;
  2° dans l'enseignement organisé par les provinces, le Conseil provincial ou [1 le collège provincial]1;
  3° dans les établissements d'enseignement relevant des Centres publics d'aide sociale, le Conseil de ces institutions;
  4° dans les établissements d'enseignement relevant de l'Office pour la Naissance de l'enfant, le conseil d'administration de cette institution;
  5° dans les établissements d'enseignement relevant des associations intercommunales, le conseil d'administration de ces institutions.
  
Afdeling 2. Preventieve schorsing van vastbenoemde personeelsleden.
Section 2. - De la suspension préventive des membres du personnel nommés à titre définitif.
Art. 60. § 1. Als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing ingezet worden tegen een vastbenoemd personeelslid :
  1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;
  2° zodra de inrichtende macht een tuchtprocedure tegen hem inzet;
  3° zodra de inrichtende macht hem bij een ter post aangetekende brief kennis geeft van de vaststelling van een onverenigbaarheid;
  [2 4° indien toepassing wordt gedaan van artikel 67, lid 17, of artikel 68, lid 14, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.]2
  § 2. De bij dit hoofdstuk geregelde preventieve schorsing is een louter administratieve maatregel, geen straf.
  Ze wordt door de inrichtende macht uitgesproken en met redenen omkleed. Ze verwijdert het personeelslid uit zijn ambt.
  Tijdens de duur van de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand "dienstactiviteit".
  § 3. Vóór elke preventieve schorsingsmaatregel, moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht [2 door de inrichtende macht]2 te worden gehoord.
  Het personeelslid wordt in kennis gesteld van de oproeping voor het verhoor alsook van de redenen die de preventieve schorsing verantwoorden ten minste drie werkdagen vóór het verhoor, ofwel bij ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst met uitwerking drie werkdagen na de verzendingsdatum ofwel door de afgifte van hand tot hand met bewijs van ontvangst met uitwerking op de datum die op dit ontvangstbewijs vermeld staat.
  Tijdens het verhoor, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat of door een raadsman gekozen onder de fungerende of gepensioneerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs of door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie krachtens het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  Binnen de drie werkdagen die volgen op de dag waarop het verhoor voorzien is en zelfs indien het personeelslid of zijn afgevaardigde (niet op de hoorzitting verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen), geeft de inrichtende macht aan de ambtenaar bij een ter post aangetekend schrijven kennis van haar beslissing.
  (Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig lid 2 voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.
  In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de beslissing binnen drie werkdagen na de datum waarop de hoorzitting was voorzien, bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht van het personeelslid.)
  Indien deze beslissing concludeert tot de preventieve schorsing van het personeelslid, heeft zij uitwerking de derde werkdag die volgt op de datum waarop zij werd verzonden.
  § 4. In afwijking van lid 1 van § 3, kan het personeelslid uit zijn ambt onverwijld verwijderd worden wanneer het een ernstige tekortkoming heeft begaan waarbij het op heterdaad betrapt is of als de hem ten laste gelegde feiten zo ernstig zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het lid niet langer op school aanwezig is.
  Binnen de tien werkdagen die volgen op de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke verwijdering werd genomen, moet de inrichtende macht de procedure voor preventieve schorsing inzetten overeenkomstig de bepalingen van dit artikel. Bij gemis houdt de maatregel tot onmiddellijke verwijdering op het einde van voornoemde termijn op en kan het personeelslid slechts opnieuw uit de inrichting voor dezelfde ernstige tekortkoming of voor dezelfde feiten worden verwijderd mits naleving van de procedure voor preventieve schorsing, zoals inzonderheid in § 3 van dit artikel bepaald.
  Het personeelslid dat onverwijld wordt verwijderd, behoudt de administratieve stand "dienstactiviteit".
  § 5. In het kader van een tuchtprocedure of van de vaststelling van een onverenigbaarheid, mag de preventieve schorsing niet langer dan een jaar duren en in het kader van een tuchtprocedure verstrijkt ze in elk geval :
  1° vijfenveertig kalenderdagen na de datum bepaald voor het bij [1 artikel 65, § 2bis,]1 bedoelde verhoor indien de inrichtende macht binnen deze termijn het personeelslid geen kennis heeft gegeven van de bij artikel 65, § 2 bedoelde beslissing;
  2° de derde werkdag die volgt op de kennisgeving aan het personeelslid van de bij artikel 65, § 2 bedoelde beslissing, indien deze beslissing de terechtwijzing, de blaam of de inhouding van wedde is;
  3° de dag waarop de beslissing houdende de tuchtstraf uitwerking heeft.
  In het kader van strafrechtelijke vervolgingen, is de duur van de preventieve schorsing niet beperkt tot een jaar.
  Wanneer een tuchtprocedure is ingezet of doorgezet na een gerechtelijke beslissing tot definitieve strafrechtelijke veroordeling, begint de in lid 1 bedoelde termijn van een jaar slechts te lopen vanaf de uitspraak van deze definitieve veroordeling.
  [2 In het kader van een procedure als bedoeld in § 1er, 4°, kan de preventieve schorsing worden genomen voor een of meer perioden met een maximum van 12 maanden.]2
  § 6. [2 In het kader van een tuchtprocedure en een procedure bedoeld bij paragraaf 1, 4°, moet de inrichtende macht de preventieve schorsing om de drie maanden vanaf de datum met ingang waarvan ze uitwerking heeft, schriftelijk bevestigen.]2.
  Deze bevestiging wordt aan betrokkene bij ter post aangetekend schrijven medegedeeld.
  [2 Bij gemis van bevestiging van de preventieve schorsing binnen de vereiste termijnen, kan het betrokken personeelslid zijn ambt weer opnemen na mededeling ervan, bij aangetekend schrijven, aan de inrichtende macht en met betrekking tot § 1, 4°, de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst en de zonedirecteur, ten minste tien werkdagen voordat het zijn ambt weer opneemt]2.
  Na ontvangst van die mededeling kan de inrichtende macht de handhaving van de preventieve schorsing bevestigen volgens de in lid 2 beschreven procedure.
  
Art. 60. § 1er. Lorsque l'intérêt du service ou de l'enseignement le requiert, une procédure de suspension préventive peut être entamée à l'égard d'un membre du personnel nommé à titre définitif :
  1° s'il fait l'objet de poursuites pénales;
  2° dès qu'une procédure disciplinaire est engagée contre lui par le pouvoir organisateur;
  3° dès que le pouvoir organisateur lui notifie, par lettre recommandée à la poste, la constatation d'une incompatibilité.
  [2 4° s'il est fait application de l'article 67, § 17, ou de l'article 68, § 14, du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre. ]2
  § 2. La suspension préventive organisée par le présent chapitre est une mesure purement administrative n'ayant pas le caractère d'une sanction.
  Elle est prononcée par le pouvoir organisateur et est motivée. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel de ses fonctions.
  Pendant la durée de la suspension préventive, le membre du personnel reste dans la position administrative de l'activité de service.
  § 3. Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur [2 par le pouvoir organisateur]2.
  La convocation à l'audition ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel trois jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
  Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat ou par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné en service ou à la retraite, ou par un délégué d'une organisation syndicale représentative en vertu de l'arrêté royal du 28 septembre 1984, portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats relevant de ces autorités.
  Dans les trois jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition et même si le membre du personnel ou son représentant (ne se sont pas présentés à l'audition sans pouvoir faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition), le pouvoir organisateur communique à l'agent sa décision par lettre recommandée à la poste.
  (Si le membre du personnel ou son représentant peuvent faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition, le membre du personnel est convoqué à une nouvelle audition conformément à l'alinéa 2.
  Dans ce cas, et même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition, la décision est communiquée au membre du personnel par lettre recommandée à la poste dans les trois jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition.)
  Si cette décision conclut à la suspension préventive du membre du personnel, elle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
  § 4. Par dérogation à l'alinéa 1er du § 3, le membre du personnel peut être écarté de ses fonctions sur-le-champ en cas de faute grave pour laquelle il y a flagrant délit ou lorsque les griefs qui lui sont reprochés revêtent un caractère de gravité tel qu'il est souhaitable, dans l'intérêt de l'enseignement, que le membre du personnel ne soit plus présent à l'école.
  Dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour où la mesure d'écartement immédiat a été prise, le pouvoir organisateur est tenu d'engager la procédure de suspension préventive conformément aux dispositions du présent article. A défaut, la mesure d'écartement immédiat prendra fin au terme du délai précité et le membre du personnel ne pourra à nouveau être écarté de l'établissement pour la même faute grave ou les mêmes griefs que moyennant le respect de la procédure de suspension préventive telle que prévue notamment au § 3 du présent article.
  Le membre du personnel écarté sur-le-champ reste dans la position administrative de l'activité de service.
  § 5. Dans le cadre d'une procédure disciplinaire ou dans le cadre de la constatation d'une incompatibilité, la durée de la suspension préventive ne peut dépasser un an et, dans le cadre d'une procédure disciplinaire, expire en tout cas :
  1° quarante-cinq jours calendrier après la date prévue pour l'audition visée à l'[1 article 65, § 2bis,]1 si dans ce délai, le pouvoir organisateur n'a pas notifié au membre du personnel la décision visée à l'article 65, § 2;
  2° le troisième jour ouvrable qui suit la notification au membre du personnel de la décision visée à l'article 65, § 2, si cette décision est le rappel à l'ordre, le blâme ou la retenue sur traitement;
  3° le jour où la décision portant sanction disciplinaire sort ses effets.
  Dans le cadre de poursuites pénales, la durée de la suspension préventive n'est pas limitée à un an.
  Lorsqu'une procédure disciplinaire est engagée ou poursuivie après une décision judiciaire de condamnation pénale définitive, le délai d'un an visé à l'alinéa 1er ne commence à courir qu'à dater du prononcé de cette condamnation définitive.
  [2 Dans le cadre d'une procédure visée au § 1er, 4°, la suspension préventive peut être prise pour une ou plusieurs périodes avec un maximum de 12 mois. ]2
  § 6. Dans le cadre d'une procédure disciplinaire [2 et d'une procédure visée au § 1er, 4° ]2, la suspension préventive doit faire l'objet d'une confirmation écrite par le pouvoir organisateur tous les [1 nonante jours]1 à dater de sa prise d'effet.
  Cette confirmation est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste.
  A défaut de confirmation de la suspension préventive dans les délais requis, le membre du personnel concerné peut réintégrer ses fonctions après en avoir informé le pouvoir organisateur [2 et en ce qui concerne le § 1er, 4°, le délégué au contrat d'objectifs et le directeur de zone]2, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
  Après réception de cette notification le pouvoir organisateur peut confirmer le maintien en suspension préventive selon la procédure décrite à l'alinéa 2.
  
Art. 60bis. § 1. In afwijking van § 1 van artikel 60, wordt het lid van ambtswege preventief geschorst wanneer het verdacht of beklaagd wordt van feiten en/of daden die strafbaar zijn krachtens een van de hierna vernoemde artikelen vermeld in de Titels VII of VIII van het Boek II van het Strafwetboek :
  - 364, 365, 368, 369, 370, 372, 379, 380bis, §§ 4 en 5, 380quinquies, § 1, 382bis, 383bis, 386, 396, 401bis;
  - 373, 375, 376, 377, 378bis, 393, 394, 397, voor zover het slachtoffer van de misdaad of het misdrijf een minderjarige is of een meerderjarige leerling van de schoolinrichting of het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent;
  - 380bis, § 1, 1°, voor zover de meerderjarige die erin bedoeld is een leerling is van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent;
  - 380bis, § 1, 4°, voor zover de meerderjarige die werd uitgebuit op het vlak van ontucht of prostitutie een leerling is van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet, waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent;
  - 380bis, § 2, voor zover het een poging betreft om de in § 1, 1° en 4° bedoelde misdrijven te plegen, alleen binnen de hierboven voor deze bepalingen nader omschreven perken;
  - 380bis, § 3, voor zover het de in § 1, 1° en 4° bedoelde misdrijven betreft, alleen binnen de hierboven voor deze bepalingen nader omschreven perken;
  - 380quater, voor zover de persoon die tot ontucht wordt aangezet een minderjarige is of een meerderjarige leerling van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet, waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent;
  - 380quinquies, § 2 en § 3, voor zover een minderjarige of een minderjarige of een meerderjarige leerling van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet, waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent, betrokken is bij de dienstaanbiedingen die erin bedoeld zijn;
  - 385, voor zover het zedenmisdrijf gepleegd werd in aanwezigheid van een minderjarige of van een meerderjarige leerling van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet, waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent;
  - 398, 399, 400, 401, voor zover het een minderjarige betreft of een meerderjarige leerling van de schoolinrichting of van het tehuis bedoeld bij artikel 1, 1° van dit decreet, waar het personeelslid een volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent, die geslagen werd of verwondingen heeft opgelopen.
  Vanaf de dag waarop de inrichtende macht er kennis van heeft gekregen dat het personeelslid wordt verdacht of beklaagd, moet zij tegen hem de in § 4 van artikel 60 bedoelde verwijderingsmaatregel treffen.
  Binnen de tien werkdagen die volgen op de verwijderingsmaatregel moet de procedure voor preventieve schorsing ingezet worden inzonderheid met naleving van de §§ 3 en 4, lid 2, van hetzelfde artikel.
  § 2. Indien de inrichtende macht zich niet schikt naar de bepalingen van § 1, stuurt de Regering haar een ingebrekestelling met het verzoek binnen een termijn van dertig kalenderdagen te rekenen vanaf deze ingebrekestelling het bewijs voor te leggen dat de in § 1 bepaalde maatregelen werden genomen. De Regering kan bij besluit deze bevoegdheid delegeren aan de minister die functioneel bevoegd is.
  Indien bij het verstrijken van deze termijn van dertig kalenderdagen de inrichtende macht het bewijs niet heeft geleverd dat zij de in § 1 bepaalde maatregelen heeft genomen, ontvangt zij voor een hierna bepaalde duur geen werkingstoelagen meer voor de inrichting(en) waar het betrokken personeelslid zijn volledig of gedeeltelijk ambt uitoefent.
  De in het vorige lid bedoelde periode begint te lopen vanaf het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen en duurt tot de dag waarop de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd de in § 1 bepaalde maatregelen te hebben getroffen.
  § 3. De maatregel tot preventieve schorsing van ambtswege bedoeld bij § 1, lid 1 wordt behouden tegen het personeelslid :
  1° dat niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, op basis van een van de bij § 1, lid 1 bedoelde artikelen van het Strafwetboek waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden;
  2° tegen wie een tuchtprocedure is ingezet of doorgezet ten gevolge van een definitieve strafrechtelijke veroordeling uitgesproken op basis van een van de artikelen van het Strafwetboek bedoeld bij § 1, lid 1.
  Daarentegen heeft de maatregel tot preventieve schorsing van ambtswege geen uitwerking meer indien het personeelslid in eerste instantie vrijgesproken wordt en waartegen gewoon beroep wordt aangetekend.
  In dit geval kan de inrichtende macht evenwel beslissen de preventieve schorsing van het betrokken personeelslid te handhaven in toepassing van artikel 60.
Art. 60bis. § 1er. Par dérogation au § 1er de l'article 60, le membre du personnel est d'office suspendu préventivement lorsqu'il est inculpé ou prévenu pour des faits et/ou agissements punissables en vertu d'un des articles mentionnés ci-après qui figurent au : Titres VII ou VIII du Livre II du Code pénal :
  - 364, 365,368, 369, 370, 372, 379, 380bis, §§ 4 et 5, 380quinquies, § 1er, 382bis, 383bis, 386, 396, 401bis;
  - 373, 375,376, 377, 378bis, 393, 394, 397 pour autant que la victime du crime ou du délit soit un mineur d'âge ou un élève majeur de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions;
  - 380bis, § 1er, 1°, pour autant que la personne majeure qui y est visée soit un élève de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions;
  - 380bis, § 1er, 4°, pour autant que la personne majeure dont la débauche ou la prostitution a été exploitée est un élève de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions;
  - 380bis, § 2, pour autant qu'il s'agisse de la tentative de commettre les infractions visées au § 1er, 1° et 4°, et seulement dans les limites précisées ci-avant pour ces dispositions;
  - 380bis, § 3, pour autant qu'il s'agisse des infractions visées au § 1er, 1° et 4°, et seulement dans les limites précisées ci-avant pour ces dispositions;
  - 380quater, pour autant que la personne provoquée à la débauche soit une personne mineur d'âge ou un élève majeur de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions;
  - 380quinquies, § 2 et § 3, pour autant qu'une personne mineur d'âge ou qu'un élève majeur de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions soir en cause dans les offres de service qui y sont visées;
  - 385 pour autant que l'outrage soit commis en présence d'un mineur d'âge ou d'un élève majeur de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions;
  - 398, 399, 400, 401 pour autant que les coups ou blessures soient portés à un élève mineur ou majeur de l'établissement scolaire ou du home visé à l'article 1er, 1°, du présent décret où le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions.
  Dès le jour où le pouvoir organisateur a connaissance de l'inculpation ou de la prévention du membre du personnel, il doit prendre à son égard la mesure d'écartement visée au § 4 de l'article 60.
  Dans les dix jours ouvrables qui suivent la mesure d'écartement, la procédure de suspension préventive doit être engagée dans le respect notamment des §§ 3 et 4, alinéa 2, du même article.
  § 2. Si le pouvoir organisateur ne se conforme pas aux dispositions du § 1er, le Gouvernement lui adresse une mise en demeure par laquelle il l'invite, dans un délai de trente jours calendrier à dater de cette mise en demeure, à apporter la preuve que les mesures prévues au § 1er ont été prises. Le Gouvernement peut, par arrêté, déléguer cette compétence au ministre fonctionnellement compétent.
  Si, à l'échéance de ce délai de trente jours calendrier, le pouvoir organisateur n'a pas apporté la preuve de ce qu'il a pris les mesures prévues au § 1er, il perd, pour une durée déterminée ci-après, le bénéfice des subventions de fonctionnement pour l'établissement ou les établissements où le membre du personnel concerne exerce tout ou partie de ses fonctions.
  La période visée à l'alinéa précédent débute à l'échéance du délai de trente jours calendrier et court jusqu'au jour où le pouvoir organisateur a apporté la preuve qu'il a pris les mesures prévues au § 1er.
  § 3. La mesure de suspension préventive d'office visée au § 1er, alinéa 1er, est maintenue à l'égard du membre du personnel qui fait l'objet :
  1° d'une condamnation pénale non définitive prononcée sur base d'un des articles du Code pénal visés au § 1er, alinéa 1er, et contre laquelle le membre du personnel a fait usage de ses droits de recours ordinaires;
  2° d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie à la suite d'une condamnation pénale définitive prononcée sur base d'un des articles du Code pénal visés au § 1er, alinéa 1er.
  Par contre, la mesure de suspension préventive d'office cesse ses effets si le membre du personnel fait l'objet d'un jugement d'acquittement rendu en première instance et qui fait l'objet d'un recours ordinaire.
  Toutefois, dans ce cas, le pouvoir organisateur peut décider de maintenir la suspension préventive du membre du personnel concerné en application de l'article 60.
Art. 61. Ieder preventief geschorst personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.
  In afwijking van lid 1, wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid :
  1° dat in het kader van strafrechtelijke vervolgingen verdacht of beklaagd wordt;
  2° dat niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden;
  3° tegen wie een tuchtprocedure is ingezet of doorgezet ten gevolge van een definitieve strafrechtelijke veroordeling;
  4° tegen wie een tuchtprocedure is ingezet ten gevolge van een ernstige tekortkoming waarbij het ofwel op heterdaad betrapt werd of waarvoor bewijskrachtige aanwijzingen bestaan en waarover de inrichtende macht moet oordelen;
  5° tegen wie een tuchtstraf bepaald in artikel 64, 4°, [1 5°,]1 6°, 7° en 8° werd uitgesproken en waartegen het personeelslid beroep heeft aangetekend, overeenkomstig artikel 65, § 2, op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.
  Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop de betrokkene recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.
  Voor de toepassing van lid 2, 1° en 2°, heeft die weddevermindering uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet-definitieve veroordeling.
  Voor de toepassing van lid 2, 3°, wordt deze weddevermindering die krachtens lid 2, 1° of 2° reeds werd toegepast, behouden tot na de definitieve veroordeling indien de inrichtende macht aan het personeelslid te kennen geeft dat zij de bedoeling heeft de tuchtprocedure door te zetten of in te zetten.
  Voor de toepassing van lid 2, 4° heeft de weddevermindering uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op de mededeling door de inrichtende macht aan het personeelslid van de toepassing van dit lid 2, 4°.
  Voor de toepassing van lid 2, 5° heeft die weddevermindering uitwerking de dag waarop het personeelslid beroep heeft aangetekend.
  
Art. 61. Tout membre du personnel suspendu préventivement maintient son droit au traitement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le traitement de tout membre du personnel suspendu préventivement, qui fait l'objet :
  1° d'une inculpation ou d'une prévention dans le cadre de poursuites pénales;
  2° d'une condamnation pénale non définitive contre laquelle le membre du personnel a fait usage de ses droits de recours ordinaires;
  3° d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie à la suite d'une condamnation pénale définitive;
  4° d'une procédure disciplinaire en raison d'une faute grave pour laquelle il y a soit flagrant délit, soit des indices probants et dont l'appréciation appartient au pouvoir organisateur;
  5° d'une décision de peine disciplinaire prévue à l'article 64, 4°, [1 5°,]1 6°, 7° et 8°, et contre laquelle le membre du personnel a introduit un recours, conformément à l'article 65, § 2, est fixé à la moitié de son traitement d'activité.
  Cette réduction du traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auquel le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 1° et 2°, cette réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit le jour de l'inculpation ou de la prévention ou du prononcé de la condamnation non définitive.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 3°, cette réduction de traitement déjà opérée en vertu de l'alinéa 2, 1° ou 2°, est maintenue au-delà de la condamnation définitive si le pouvoir organisateur notifie au membre du personnel son intention de poursuivre ou d'engager la procédure disciplinaire.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 4°, la réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit la notification au pouvoir organisateur au membre du personnel de l'application de cet alinéa 2, 4°.
  Pour l'application de l'alinéa 2, 5°, cette réduction de traitement prend effet le jour où le membre du personnel a introduit son recours. ".
  
Art. 62. Op het einde van de tucht- of strafrechtelijke procedure, wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer :
  1° op het einde van de tuchtvordering, de inrichtende macht een van de bij artikel 64, 4°, [1 5°,]1 6°, 7° en 8° bepaalde sancties aan het personeelslid oplegt;
  2° artikel 58, 1°, b wordt toegepast;
  3° [1 ongeacht het al dan niet inzetten van de tuchtprocedure, wordt tegen het personeelslid een definitieve veroordeling tot straf uitgesproken of krijgt het personeelslid het voordeel van een schorsing van de uitspraak, of ze wordt bevolen door een vonnisgerecht of door een onderzoeksgerecht, voor ten minste één van de feiten die de strafrechtelijke procedure hebben gerechtvaardigd.]1
  Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend aan de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.
  Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing ontvangen heeft.
  Indien de wedde van het personeelslid werd verminderd in toepassing van artikel 61, lid 2, 4° of 5° en er op het einde van de strafprocedure een schorsingssanctie bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor een duur die korter is dan de duur van de maatregel inzake weddevermindering, wordt deze maatregel ingetrokken voor de periode die de duur van de schorsing bij tuchtmaatregel overschrijdt en ontvangt het personeelslid in dat geval het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat ten onrechte tijdens die periode werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend aan de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.
  Lid 4 wordt niet toegepast in het kader van een tuchtprocedure ingezet of doorgezet na een definitieve strafrechtelijke veroordeling.
  
Art. 62. A l'issue de la procédure disciplinaire ou de la procédure pénale, la mesure de réduction de traitement est rapportée, sauf si :
  1° au terme de l'action disciplinaire, le pouvoir organisateur inflige au membre du personnel une des sanctions prévues à l'article 64, 4°, [1 5°,]1 6°, 7° et 8°;
  2° il est fait application de l'article 58, 1°, b, 4°;
  3° [1 indépendamment de la poursuite ou non de la procédure disciplinaire, le membre du personnel fait l'objet d'une condamnation pénale définitive ou bénéficie d'une suspension du prononcé, et ce qu'elle soit ordonnée par une juridiction de jugement ou par une juridiction d'instruction, pour au moins un des faits qui ont justifié la procédure pénale.]1
  Lorsque la mesure de réduction de traitement est rapportée en application de l'alinéa 1er, le membre du personnel reçoit le complément de sa subvention-traitement initialement retenue augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
  Les sommes perçues par le membre du personnel durant la suspension préventive lui restent acquises.
  Si le traitement du membre du personnel a été réduit en application de l'article 61, alinéa 2, 4° ou 5°, et qu'au terme de la procédure disciplinaire, une sanction de suspension par mesure disciplinaire est prononcée pour une durée inférieure à la durée de la mesure de réduction de traitement, cette dernière est rapportée pour la période excédant la durée de la suspension par mesure disciplinaire et le membre du personnel perçoit dans ce cas le complément de sa subvention-traitement indûment retenue durant cette période, augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
  L'alinéa 4 ne s'applique pas dans le cadre d'une procédure disciplinaire engagée ou poursuivie après une condamnation pénale définitive.
  
Art. 63. De preventieve schorsing wordt ter kennis van de Regering gebracht met het oog op de onmiddellijke uitvoering van deze maatregel.
Art. 63. La suspension préventive est portée à la connaissance du Gouvernement afin que l'exécution immédiate de cette mesure soit assurée.
Afdeling 3. Preventieve schorsing van tijdelijk aangesteld personeel.
Section 3. - De la suspension préventive des membres du personnel désignés à titre temporaire.
Art. 63bis. § 1. De preventieve schorsing, geregeld in onderhavige afdeling, is een louter administratieve maatregel, geen straf.
  De preventieve schorsing wordt uitgesproken door de inrichtende macht en met redenen omkleed. Ze is bedoeld om het tijdelijk aangesteld personeelslid van zijn ambt uit te sluiten.
  Tijdens de preventieve schorsing behoudt het personeelslid de administratieve stand van dienstactiviteit.
Art. 63bis. La suspension préventive organisée par la présente section est une mesure purement administrative, n'ayant pas le caractère d'une sanction.
  Elle est prononcée par le pouvoir organisateur et est motivée. Elle a pour effet d'écarter le membre du personnel temporaire de ses fonctions.
  Pendant la durée de la suspension préventive, le membre du personnel temporaire reste dans la position administrative de l'activité de service.
Art. 63ter. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2003> § 1. Als het belang van de dienst of van het onderwijs dat vereist, kan een procedure voor preventieve schorsing worden ingesteld tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid of een personeelslid in de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke :
  1° indien het strafrechtelijk wordt vervolgd;
  2° zodra de inrichtende macht hem, bij een ter post aangetekend schrijven, de vaststelling van onverenigbaarheid ter kennis brengt overeenkomstig artikel 15 tot 17;
  [1 3° gelijktijdig met het inzetten van een procedure voor afdanking van het tijdelijk personeelslid of gelijktijdig met een procedure om een einde te maken aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat een selectieambt of een bevorderingsabt uitoefent.]1
  [2 4° indien toepassing wordt gedaan van artikel 67, lid 17, of artikel 68, lid 14, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. ]2
  § 2. Voor een maatregel tot preventieve schorsing wordt genomen, moet het personeelslid worden uitgenodigd om door de inrichtende macht [2 en door de zonedirecteur en de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst van de bedoelde inrichting, wat betreft paragraaf 2, 4° ]2 te worden gehoord.
  De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen ter rechtvaardiging van de preventieve schorsing worden ten minste drie werkdagen voor de hoorzitting ter kennis gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat drie dagen na de verzenddatum, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst waardoor de preventieve schorsing ingaat op de datum, vermeld op het bewijs van ontvangst.
  Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie.
  De inrichtende macht deelt haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, mee aan het personeelslid bij een ter post aangetekend schrijven, en dit zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen zonder omstandigheden van overmacht te kunnen inroepen ten einde hun afwezigheid tijdens de hoorzitting te rechtvaardigen.
  Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, roept de inrichtende macht het personeelslid overeenkomstig lid 2 op voor een nieuwe hoorzitting.
  In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, deelt de inrichtende macht haar beslissing binnen drie werkdagen na de datum, voorzien voor de hoorzitting, bij een ter post aangetekend schrijven aan het personeelslid mee.
  Wanneer de beslissing tot de preventieve schorsing van het personeelslid leidt, gaat deze in op de derde werkdag na de verzenddatum.
  § 3. In afwijking van § 2, lid 1, kan het personeelslid op staande voet uit zijn ambt worden ontheven in geval van op heterdaad vastgestelde zware fout of wanneer de grieven die het worden verweten van een zodanig ernstige aard zijn dat het in het belang van het onderwijs wenselijk is dat het personeelslid niet meer in de school aanwezig is.
  De inrichtende macht is gehouden om de procedure voor preventieve schorsing binnen tien werkdagen na de dag waarop de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting werd genomen, in te stellen overeenkomstig de bepalingen van onderhavig artikel. Bij ontstentenis wordt de maatregel tot onmiddellijke uitsluiting na de voorgeschreven termijn opgeheven en kan het personeelslid niet opnieuw wegens dezelfde zware fout of dezelfde grieven worden uitgesloten tenzij de procedure voor preventieve schorsing, zoals met name voorzien in § 2 van onderhavig artikel, wordt gevolgd.
  Het personeelslid dat op staande voet werd uitgesloten, behoudt de administratieve stand van dienstactiviteit.
  § 4. De duur van de preventieve schorsing mag in het kader van de vaststelling van onverenigbaarheid niet langer zijn dan zes maanden; in het kader van strafrechtelijke vervolgingen is de duur van de preventieve schorsing niet tot zes maanden beperkt.
  [2 § 5. In het kader van een procedure als bedoeld in § 1, 4°, kan de preventieve schorsing worden genomen voor een of meer perioden met een maximum van 12 maanden.
   Ze moet door de inrichtende machten schriftelijk worden bevestigd om de drie maanden na de datum van inwerkingtreding.
   Van deze bevestiging wordt bij ter post aangetekende brief aan de betrokkene kennisgegeven.
   Bij ontstentenis van bevestiging van de preventieve schorsing binnen de vereiste termijn, kan het betrokken personeelslid zijn opdrachten opnieuw uitvoeren nadat hij de inrichtende machten, de afgevaardigde voor de doelstellingenovereenkomst en de zonedirecteur, per aangetekende brief, ten minste tien dagen heeft geïnformeerd vóór de daadwerkelijke hervatting.
   Na ontvangst van deze kennisgeving kan de inrichtende macht het behoud in preventieve schorsing bevestigen overeenkomstig de procedure beschreven in lid 3.]2

  
Art. 63ter. § 1er. Lorsque l'intérêt du service ou de l'enseignement le requiert, une procédure de suspension préventive peut être entamée à l'égard d'un membre du personnel désigné à titre temporaire ou en qualité de temporaire prioritaire :
  1° s'il fait l'objet de poursuites pénales;
  2° dès que le pouvoir organisateur lui notifie, par lettre recommandée à la poste, la constatation d'une incompatibilité conformément aux articles 15 à 17;
  [1 3° concomitamment à la mise en oeuvre d'une procédure de licenciement dudit membre du personnel temporaire ou concomitamment à une procédure de fin de désignation à titre temporaire d'un membre du personnel exerçant une fonction de sélection ou de promotion.]1
  [2 4° s'il est fait application de l'article 67, § 17, ou de l'article 68, § 14, du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre.]2
  § 2. Avant toute mesure de suspension préventive, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur [2 par le pouvoir organisateur ]2.
  La convocation à l'audition ainsi que les motifs justifiant la suspension préventive sont notifiés au membre du personnel trois jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception portant ses effets trois jours ouvrables après la date de son expédition, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception.
  Au cours de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné, en activité de service ou à la retraite, ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée.
  Dans les trois jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par lettre recommandée à la poste, et ce même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition sans pouvoir faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition.
  Si le membre du personnel ou son représentant peuvent faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition, le pouvoir organisateur convoque le membre du personnel à une nouvelle audition notifiée conformément à l'alinéa 2.
  Dans ce cas, et même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition, le pouvoir organisateur communique sa décision au membre du personnel par lettre recommandée à la poste dans les trois jours ouvrables qui suivent celui prévu pour l'audition.
  Si la décision conclut à la suspension préventive du membre du personnel, elle produit ses effets le troisième jour ouvrable suivant la date de son expédition.
  § 3. Par dérogation à l'alinéa 1er du § 2, le membre du personnel peut être écarte de ses fonctions sur-le-champ en cas de faute grave pour laquelle il y a flagrant délit ou lorsque les griefs qui lui sont reprochés revêtent un caractère de gravite tel qu'il est souhaitable, dans l'intérêt du service, que le membre du personnel ne soit plus présent à l'école.
  Dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour où la mesure d'écartement immédiat a été prise, le pouvoir organisateur est tenu d'engager la procédure de suspension préventive conformément aux dispositions du présent article. A défaut, la mesure d'écartement immédiat prendra fin au terme du délai précité et le membre du personnel ne pourra à nouveau être écarté de l'établissement pour la même faute grave ou les mêmes griefs que moyennant le respect de la procédure de suspension préventive telle que prévue notamment au § 2 du présent article.
  Le membre du personnel écarté sur-le-champ reste dans la position administrative de l'activité de service.
  § 4. La durée de la suspension préventive ne peut dépasser six mois dans le cadre de la constatation d'une incompatibilité; dans le cadre de poursuites pénales, la durée de la suspension préventive n'est pas limitée à six mois.
  [2 § 5. Dans le cadre d'une procédure visée au § 1er, 4°, la suspension préventive peut être prise pour une ou plusieurs périodes avec un maximum de 12 mois.
   Elle doit faire l'objet d'une confirmation écrite par le pouvoir organisateur tous les trois mois à dater de la prise d'effet.
   Cette confirmation est notifiée à l'intéressé par lettre recommandée à la poste.
   A défaut de confirmation de la suspension préventive dans les délais requis, le membre du personnel concerné peut réintégrer ses fonctions après en avoir informé le pouvoir organisateur, le délégué au contrat d'objectifs et le directeur de zone, par lettre recommandée, au moins dix jours ouvrables avant la reprise effective du travail.
   Après réception de cette notification, le pouvoir organisateur peut confirmer le maintien en suspension préventive selon la procédure décrite à l'alinéa 3.]2

  
Art. 63quater. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2003> Ieder preventief geschorst tijdelijk aangesteld personeelslid behoudt het recht op zijn wedde.
  In afwijking van lid 1 wordt de wedde van ieder preventief geschorst personeelslid, dat :
  1° in het kader van strafrechtelijke vervolgingen wordt verdacht of beklaagd;
  2° niet definitief strafrechtelijk werd veroordeeld, waartegen het personeelslid zijn gewone rechten op beroep heeft laten gelden, op de helft van zijn activiteitswedde vastgesteld.
  Deze weddevermindering mag niet tot gevolg hebben dat de wedde minder zou bedragen dan het bedrag van de werkloosheidsuitkeringen waarop het personeelslid recht zou hebben volgens de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.
  Deze weddevermindering gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de dag waarop het personeelslid verdacht of beklaagd wordt of op de dag na de uitspraak van de niet definitieve veroordeling.
Art. 63quater. Tout membre du personnel temporaire suspendu préventivement maintient son droit au traitement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le traitement de tout membre du personnel suspendu préventivement, qui fait l'objet :
  1° d'une inculpation ou d'une prévention dans le cadre de poursuites pénales;
  2° d'une condamnation pénale non définitive contre laquelle le membre du personnel a fait usage de ses droits de recours ordinaires, est fixé à la moitié de son traitement d'activité.
  Cette réduction du traitement ne peut avoir pour effet de ramener le traitement à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auquel le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
  Cette réduction de traitement prend effet le premier jour du mois qui suit le jour de l'inculpation ou de la prévention ou du prononcé de la condamnation non définitive.
Art. 63quinquies. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2003> § 1. Op het einde van de strafrechtelijke procedure wordt de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken, uitgezonderd wanneer :
  1° artikel 58, 1°, b), of 4° wordt toegepast;
  2° [1 tegen het personeelslid een definitieve veroordeling tot straf wordt uitgesproken of het personeelslid het voordeel van een schorsing van de uitspraak krijgt, of ze wordt bevolen door een vonnisgerecht of door een onderzoeksgerecht, voor ten minste één van de feiten die de strafrechtelijke procedure hebben gerechtvaardigd.]1
  Als de maatregel inzake weddevermindering ingetrokken wordt in toepassing van lid 1, ontvangt het personeelslid het aanvullende deel van zijn weddetoelage dat in het begin werd ingehouden, vermeerderd met de achterstallige intresten, berekend tegen de wettelijke rentevoet, die verschuldigd zijn sedert de dag waarop de vermindering werd toegepast.
  Het personeelslid behoudt de bedragen die het tijdens de preventieve schorsing heeft ontvangen.
  
Art. 63quinquies. § 1er. A l'issue de la procédure pénale, la mesure de réduction de traitement est rapportée sauf si :
  1° il est fait application de l'article 58, 1°, b), ou 4°;
  2° [1 le membre du personnel fait l'objet d'une condamnation pénale définitive ou bénéficie d'une suspension du prononcé, et ce qu'elle soit ordonnée par une juridiction de jugement ou par une juridiction d'instruction, pour au moins un des faits qui ont justifié la procédure pénale.]1
  Lorsque la mesure de réduction de traitement est rapportée en application de l'alinéa 1er, le membre du personnel reçoit le complément de sa subvention-traitement initialement retenu augmenté des intérêts de retard calculés au taux légal et dus depuis le jour où la réduction a été opérée.
  Les sommes perçues par le membre du personnel durant la suspension préventive lui restent acquises.
  
Art. 63sexies. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2003> De preventieve schorsing wordt ter kennis gebracht van de Regering opdat de onmiddellijke uitvoering ervan zou verzekerd zijn.
Art. 63sexies. La suspension préventive est portée à la connaissance du Gouvernement afin que l'exécution immédiate de cette mesure soit assurée.
Art. 63septies. <INGEVOEGD bij DFG 2003-07-17/44, art. 8; Inwerkingtreding : 01-09-2003> De procedure voor preventieve schorsing alsook de maatregelen, genomen tegen een tijdelijk aangesteld personeelslid in toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling, nemen van rechtswege een einde op de dag waarop de aanstelling een einde neemt en uiterlijk [1 op de laatste dag]1 van het lopende schooljaar.
  Als het personeelslid bedoeld in onderhavige afdeling de hoedanigheid van vastbenoemde verwerft, zijn de bepalingen van afdeling twee van onderhavig hoofdstuk op hem van toepassing.
  
Art. 63septies. La procédure de suspension préventive ainsi que les mesures prises par le pouvoir organisateur à l'égard d'un membre du personnel désigné à titre temporaire en application des dispositions de la présente section prennent fin de plein droit à la date à laquelle la désignation prend fin et, au plus tard,[1 le dernier jour]1 de l'année scolaire en cours.
  Si le membre du personnel visé par la présente section acquiert la qualité de définitif, les dispositions de la section 2 du présent chapitre sont applicables.
  
HOOFDSTUK IX. - Tuchtregeling.
CHAPITRE IX. - Régime disciplinaire.
Art. 64. § 1. De in vast verband benoemde personeelsleden kunnen een van de volgende tuchtstraffen oplopen, in stijgende volgorde :
  1° terechtwijzing;
  2° blaam;
  3° inhouding op de wedde;
  4° schorsing bij tuchtmaatregel;
  5° terugzetting in rang;
  6° terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel;
  7° [1 het ontslag bij tuchtmaatregel;]1
  8° afdanking.
  
Art. 64. La hiérarchie des peines disciplinaires qui peuvent être infligées aux membres du personnel nommés à titre définitif est la suivante :
  1° le rappel à l'ordre;
  2° le blâme;
  3° la retenue sur traitement;
  4° la suspension par mesure disciplinaire;
  5° la rétrogradation;
  6° la mise en disponibilité par mesure disciplinaire;
  7° [1 la démission disciplinaire;]1
  8° la révocation.
  
Art. 65. (§ 1. De tuchtstraffen worden uitgesproken door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is of door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid dat in vast verband benoemd werd door een andere inrichtende macht, het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent met toepassing van de verordeningbepalingen betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en betreffende de reaffectatie.
  De procedure kan eveneens gezamenlijk worden ingesteld door de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid in vast verband benoemd is en door de inrichtende macht(en) van de inrichting(en) waarin het personeelslid het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent met toepassing van de verordeningsbepalingen betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en betreffende de reaffectatie.
  Met het oog op de gezamenlijke uitoefening van de tuchtprocedure bepaald in het vorige lid, brengt de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid het geheel of een deel van zijn ambt uitoefent met toepassing van de verordeningsbepalingen betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en betreffende de reaffectatie, de inrichtende macht van de inrichting waarin het personeelslid benoemd is, schriftelijk op de hoogte van haar voornemen een tuchtprocedure ten aanzien van het betrokken personeelslid in te stellen.
  De tuchtstraf heeft alleen uitwerking ten aanzien van de inrichtende macht(en) die een sanctie heeft(hebben) uitgesproken.)
  (§ 2.) (Behoudens de nadere bepalingen van dit artikel, is de in paragraaf 1 bedoelde inrichtende macht de tot benoemen bevoegde overheid.)
  In de gemeentelijke inrichtingen kan het schepencollege volgende straffen uitspreken : terechtwijzing, blaam, inhouding op de wedde, schorsing bij tuchtmaatregel voor ten hoogste [2 dertig dagen]2.
  In de provinciale inrichtingen heeft [3 het Provinciecollege]3 dezelfde bevoegdheid.
  [1 § 2bis. Voorafgaand aan de kennisgeving van de beslissing om een tuchtstraf uit te spreken, moet het personeelslid uitgenodigd zijn gehoord te worden door de inrichtende macht. De oproeping voor de hoorzitting alsmede de motieven waarvoor de inrichtende macht een tuchtmaatregel wil uitspreken tegen het personeelslid moeten hem minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ofwel bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, ofwel door overhandiging van een brief met ontvangstbewijs worden meegedeeld. Bij de hoorzitting kan het personeelslid bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden in dienstactiviteit of in ruste gesteld van het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een erkende vakvereniging.
   De procedure verloopt geldig wanneer het opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.]1

  (§ 3.) De beslissing een tuchtstraf uit te spreken wordt meegedeeld aan het personeelslid, dat binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van die meedeling beroep kan instellen tegen het voorstel tot tuchtstraf voor de in artikel 75 bedoelde bevoegde raad van beroep. (Het personeelslid dat van zijn recht op beroep gebruik maakt, geeft er onmiddellijk kennis van aan zijn inrichtende macht.)
  Het beroep schort de procedure op.
  Behalve bij gerechtelijke vervolging brengt de raad van beroep een gemotiveerd advies uit.
  § 4. De overheid die bevoegd is om de straf uit te spreken, treft de definitieve beslissing [2 binnen dertig dagen na]2 ontvangst van het advies.
  De beslissing neemt het gemotiveerd advies van de raad over. Ze wordt eveneens gemotiveerd als ze afwijkt van het advies of van de motivering ervan.
  De overheid deelt haar beslissing mee aan de raad van beroep en aan de verzoeker.
  Als ze zich niet tijdig uitspreekt, is de beslissing geacht met het advies overeen te stemmen.
  (§ 5. Indien het personeelslid geen beroep heeft ingesteld voor de raad van beroep binnen de in paragraaf 3 bepaalde termijn, heeft de tuchtstraf waarvan aan het personeelslid met toepassing van dezelfde paragraaf 3 kennis werd gegeven, uitwerking op de derde werkdag die volgt op het einde van voormelde termijn.
  De in paragraaf 3, lid 1 bedoelde kennisgeving vermeldt de datum waarop de tuchtstraf uitwerking heeft met toepassing van lid 1 van deze paragraaf.)
  (§ 6. In het kader van een beroep ingediend tegen een voorstel van tuchtstraf, moeten alle elementen in overweging en aanmerking genomen worden door de Raad van beroep, met inbegrip, in voorkomend geval, van het inspectieverslag betreffende de professionele en pedagogische bekwaamheden dat tot de tuchtmaatregel heeft geleid. De geldigheidsduur van dat verslag is beperkt tot een periode van twaalf maanden die begint op de datum waarop het opgesteld is. Wanneer de tuchtstraf evenwel begint op basis van dat verslag binnen die termijn, blijft het verslag geldig tot de datum waarop de beslissing om tuchtstraf aan het personeelslid wordt bekendgemaakt.)
  
Art. 65. (§ 1. Les peines disciplinaires sont prononcées par le pouvoir organisateur de l'établissement dans lequel le membre du personnel est nommé à titre définitif ou par le pouvoir organisateur de l'établissement dans lequel le membre du personnel, nommé à titre définitif par un autre pouvoir organisateur, exerce tout ou partie de ses fonctions en application des dispositions réglementaires relatives à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation.
  La procédure peut également être engagée de façon conjointe par le pouvoir organisateur de l'établissement dans lequel le membre du personnel est nommé à titre définitif et par le ou les pouvoirs organisateurs du ou des établissements dans lequel ou lesquels le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions en application des dispositions réglementaires relatives à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation.
  Afin de permettre l'exercice conjoint de la procédure disciplinaire tel que précisé à l'alinéa précédent, le pouvoir organisateur de l'établissement dans lequel le membre du personnel exerce tout ou partie de ses fonctions en application des dispositions réglementaires relatives à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation, avertit par écrit le pouvoir organisateur de l'établissement dans lequel le membre du personnel est nommé, de son intention de diligenter une procédure disciplinaire à l'encontre du membre du personnel concerné.
  La peine disciplinaire ne sort ses effets qu'à l'égard du ou des pouvoirs organisateurs qui a ou ont prononcé une sanction.)
  (§ 2.) (Sauf les précisions apportées par le présent article, le pouvoir organisateur visé au paragraphe 1er est l'autorité qui exerce le pouvoir de nomination.)
  Dans les établissements relevant de l'enseignement communal, le collège des bourgmestre et échevins a le pouvoir de prononcer les peines suivantes : le rappel à l'ordre, le blâme, la retenue sur traitement et la suspension par mesure disciplinaire pour une durée qui ne pourra excéder [2 trente jours]2.
  Dans les établissements relevant de l'enseignement provincial, [3 le collège provincial]3 a le pouvoir de prononcer les mêmes peines.
  [1 § 2bis. Préalablement à la notification de la décision d'infliger une peine disciplinaire, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur. La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage d'infliger une peine disciplinaire au membre du personnel doivent lui être notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée.
   La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.]1

  (§ 3.) La décision d'infliger une peine disciplinaire est notifiée au membre du personnel qui peut, dans un délai de 20 jours à compter de la notification, exercer un recours auprès de la chambre de recours compétente, visée à l'article 75. (Le membre du personnel qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur.)
  Le recours suspend la procédure.
  Sauf dans les cas de poursuites pénales, la chambre de recours donne un avis motivé dans les nonante jours qui suivent la réception du recours introduit par le membre du personnel.
  § 4. La décision définitive est prise par l'autorité habilitée à prononcer la peine dans [2 les trente jours qui suivent]2 la réception de l'avis.
  Elle reproduit l'avis motivé de la chambre de recours. Elle est, elle-même, motivée si elle s'écarte soit de l'avis, soit de la motivation de celui-ci.
  L'autorité notifie sa décision à la chambre de recours et au requérant.
  Si elle omet de se prononcer dans le délai requis, la décision est réputée conforme à l'avis.
  (§ 5. Si le membre du personnel n'a pas introduit de recours devant la chambre de recours dans le délai prescrit au paragraphe 3, la sanction disciplinaire notifiée au membre du personnel en application de ce même paragraphe 3, sort ses effets le troisième jour ouvrable qui suit l'échéance du délai précité.
  La notification vises au paragraphe 3, alinéa 1er, mentionne la date à laquelle la sanction disciplinaire prend effet en cas d'application de l'alinéa 1er du présent paragraphe.)
  (§ 6. Dans le cadre d'un recours introduit à l'encontre d'une décision de peine disciplinaire, tous les éléments doivent être pris en considération par la Chambre de recours, en ce compris, le cas échéant, le rapport d'inspection portant sur les compétences professionnelles et pédagogiques ayant conduit à la procédure disciplinaire. La durée de validité de ce rapport est limitée à un délai de douze mois prenant cours à la date de son établissement. Toutefois, lorsque la procédure disciplinaire est entamée sur la base de celui-ci, dans ce délai, le rapport demeure valable jusqu'à la date à laquelle la décision définitive de peine disciplinaire est notifiée au membre du personnel.)
  
Art. 66. De inhouding op de wedde wordt toegepast gedurende ten minste [1 dertig dagen]1 en ten hoogste [1 negentig dagen]1 en mag niet meer dan één vijfde van het brutobedrag van de laatste activiteitswedde of wachtwedde bedragen.
  
Art. 66. La retenue sur traitement est appliquée pendant [1 trente jours]1 au minimum et [1 nonante jours]1 au maximum. Elle ne peut excéder le cinquième du traitement brut d'activité ou d'attente.
  
Art. 67. De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar.
  Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de helft van het brutobedrag van zijn laatste activiteitswedde of wachtwedde.
Art. 67. La suspension par mesure disciplinaire est prononcée pour un an au maximum.
  L'intéressé est écarté de ses fonctions et bénéficie de la moitié de son traitement brut d'activité ou d'attente.
Art. 68. De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar en niet meer dan 5 jaar duren.
  Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en geniet de eerste 2 jaren een wachtwedde gelijk aan de helft van zijn activiteitswedde. Zonder laatstgenoemd bedrag te kunnen te boven gaan wordt de wachtwedde nadien vastgesteld op het bedrag van het pensioen dat de betrokkene zou bekomen als hij voortijdig op rust gesteld werd.
  Na de helft van de duur van zijn straf kan het personeelslid vragen, opnieuw in het onderwijs te worden opgenomen.
Art. 68. La durée de mise en disponibilité par mesure disciplinaire en peut être inférieure à un an, ni dépasser cinq ans.
  Le membre du personnel est écarté de ses fonctions et bénéficie pendant les deux premières années d'un traitement d'attente égal à la moitié du traitement d'activité. Sans jamais pouvoir dépasser ce montant, le traitement d'attente est ensuite, fixé au taux de la pension que l'intéressé obtiendrait s'il était admis prématurément à la retraite.
  Après avoir subi la moitié de sa peine, le membre du personnel peut demander sa réintégration dans l'enseignement.
Art. 69. De inhouding op de wachtwedde of de toekenning van een wachtwedde mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid minder zou bedragen dan de werkloosheidsuitkering waarop het recht zou hebben in de regeling voor maatschappelijke zekerheid van de werknemers.
Art. 69. La retenue sur traitement d'attente ou l'attribution d'un traitement d'attente ne peut avoir pour conséquence que le traitement du membre du personnel soit ramené à un montant inférieur au montant des allocations de chômage auxquelles le membre du personnel aurait droit s'il bénéficiait du régime de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 71. Geen enkele straf kan uitwerking hebben tijdens de periode die het uitspreken ervan voorafgaat.
Art. 71. Aucune peine ne peut produire d'effet pour la période qui précède son prononcé.
Art. 72. Behalve bij preventieve schorsing heeft een tuchtvordering t.a.v. een personeelslid de verwijdering uit zijn ambt pas tot gevolg vanaf de mededeling van de beslissing in tuchtzaken, (de definitieve beslissing in tuchtzaken, bedoeld in artikel 65, paragraaf 4, of de derde werkdag bedoeld in paragraaf 5 van hetzelfde artikel).
Art. 72. Hormis le cas de la suspension préventive, l'action disciplinaire engagée à l'égard d'un membre du personnel n'entraîne l'éloignement de l'intéressé de ses fonctions qu'à partir de la notification de la décision disciplinaire, (définitive visée à l'article 65, paragraphe 4, ou le troisième jour ouvrable visé au paragraphe 5 du même article).
Art. 73. De strafvordering betreffende de feiten die het voorwerp zijn van een tuchtvordering schorst de procedure en de uitspraak in tuchtzaken op, behalve als de betrokkene op heterdaad betrapt is of als de vastgestelde feiten, in verband met de beroepswerkzaamheid, erkend werden door het personeelslid.
  Ongeacht de uitkomst van de strafvordering oordeelt de bestuursoverheid over de toepassing van tuchtstraffen.
  De overheid die in tuchtzaken bevoegd is, moet evenwel haar beoordeling laten afhangen van de materiële feiten, vastgesteld in de strafrechtelijke beslissing.
Art. 73. L'action pénale relative aux faits qui font l'objet d'une procédure disciplinaire est suspensive de la procédure et du prononcé disciplinaires, sauf dans le cas de flagrant délit ou si les faits établis, liés à l'activité professionnelle, sont reconnus par le membre du personnel.
  Quel que soit le résultat de l'action pénale, l'autorité administrative reste juge de l'application des peines disciplinaires.
  Toutefois, l'autorité disciplinaire est, dans cette appréciation, liée par la matérialité des faits définitivement établie par la décision pénale.
Art. 74. De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van ambtswege na :
  1 jaar voor de terechtwijzing en de blaam;
  3 jaar voor de inhouding op de wedde;
  5 jaar voor de schorsing bij tuchtmaatregel [1 en de degradatie]1;
  7 jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel.
  Die termijnen gaan in op de datum van de beslissing in tuchtzaken of bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 65, § 3.
  Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf heeft de doorhaling tot gevolg dat er geen rekening mag worden gehouden met de doorgehaalde tuchtstraf, o.m. voor het recht op een selectie- of bevorderingsambt.
  De doorgehaalde tuchtstraf wordt in het dossier van het personeelslid geschrapt.
  
Art. 74. La peine disciplinaire est effacée d'office au terme d'un délai :
  1° d'un an pour le rappel à l'ordre et le blâme;
  2° de trois ans pour la retenue sur traitement;
  3° de cinq ans pour la suspension disciplinaire [1 et la rétrogradation]1;
  4° de sept ans pour la mise en disponibilité par mesure disciplinaire.
  Le délai visé à l'alinéa 1er commence à courir selon le cas, au prononcé de la sanction disciplinaire ou à l'expiration du délai visé à l'article 65, § 3.
  Sans préjudice de l'exécution de la peine disciplinaire, l'effacement a pour conséquence que la peine ne peut plus avoir d'effet, notamment sur les droits à une fonction de sélection ou de promotion.
  La peine disciplinaire est effacée dans le dossier du membre du personnel.
  
HOOFDSTUK X. - Raden van beroep.
CHAPITRE X. - Des chambres de recours.
Art. 75. Na raadpleging van de representatieve groeperingen van inrichtende machten en van de representatieve groeperingen van het personeel van het officieel gesubsidieerd onderwijs, zoals bedoeld in voormelde wet van 19 december 1974 en in voormeld besluit van 28 september 1984, richt de Regering raden van beroep op, bevoegd voor een of meer onderwijsniveaus.
  Het besluit van de Regering tot instelling van de raden van beroep vermeldt de benaming, bevoegdheid en samenstelling van die raden.
  Elke raad van beroep maakt zijn huishoudelijk reglement op, onder voorbehoud van goedkeuring door de Regering.
Art. 75. Des chambres de recours, dont la compétence s'étend à un ou plusieurs niveaux d'enseignement, sont instituées par le Gouvernement après consultation des groupements les plus représentatifs des pouvoirs organisateurs et des groupements du personnel de l'enseignement officiel subventionné, au sens de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des gents relevant de ces autorités et de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi précitée.
  L'arrêté du Gouvernement instituant les chambres de recours en détermine la dénomination, la compétence et la composition.
  Chaque chambre de recours élabore son règlement d'ordre intérieur sous réserve d'approbation du Gouvernement.
Art. 76. De raden van beroep omvatten :
  1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs;
  2° (een voorzitter gekozen onder de magistraten in actieve dienst of onder de op rust gestelde magistraten (of onder de ambtenaren-generaal van de Algemene Directie voor het Personeel van het Gesubsidieerd Onderwijs. Is de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter bedoeld in lid 3 van dit artikel een ambtenaar-generaal, dan is de vergoeding van (50 euro) bedoeld in artikel 6 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 mei 1995 betreffende de raden van beroep in het gesubsidieerd officieel onderwijs niet verschuldigd).)
  3° een secretaris en 2 adjunct-secretarissen.
  Het aantal leden van elke raad van beroep en de duur van hun mandaat worden door de Regering bepaald; elke raad omvat ten minste 4 werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en 4 werkende leden die de personeelsleden vertegenwoordigen.
  Er zijn 2 plaatsvervangers voor elk werkend lid.
  De werkende leden en de plaatsvervangers worden door de Regering benoemd op de voordracht van de in artikel 76 bedoelde groeperingen. Bij gebrek aan overeenstemming in die groeperingen kan de Regering beslissen.
Art. 76. Les chambres de recours sont composées :
  1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné;
  2° (d'un président choisi parmi les magistrats en activité ou admis à la retraite (ou choisi parmi les fonctionnaires généraux de la Direction générale des Personnels de l'Enseignement subventionné. Si le président ou le président suppléant visé à l'alinéa 3 du présent article est un fonctionnaire général, l'indemnité de (50 euros) prévue à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 19 mai 1995 instituant les chambres de recours dans l'enseignement officiel subventionné n'est pas due).)
  3° d'un secrétaire et de deux secrétaire adjoints.
  Le Gouvernement fixe le nombre de membres de chaque chambre de recours ainsi que la durée de leur mandat, chaque chambre comprenant au moins quatre membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et quatre membres effectifs représentants les membres du personnel.
  Pour chaque membre effectif, il y a deux membres suppléants.
  Les membres effectifs et suppléants sont nommés par le Gouvernement sur proposition des groupements visés à l'article 76. A défaut d'accord au sein de ceux-ci, le Gouvernement procède directement aux nominations.
Art. 77. Zodra een zaak ingeleid is, deelt de voorzitter aan het personeelslid en aan de inrichtende macht de lijst mee van de werkende leden en plaatsvervangers. Binnen de 10 dagen na ontvangst van die lijst kan zowel het personeelslid als de inrichtende macht de wraking van ten hoogste 3 leden vragen. Zij kunnen evenwel niet terzelfdertijd een werkend lid en zijn 2 plaatsvervangers wraken.
  De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de werkende leden en de plaatsvervangers kunnen geen zitting hebben in een zaak die betrekking heeft op hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant tot en met de 4e graad.
  Wanneer een lid weet dat er aanleiding toe bestaat, hem te wraken, moet hij van deelneming afzien.
  Een lid kan om ontlasting verzoeken als het van oordeel is dat het ter zake morele belangen heeft of als het meent dat zijn onpartijdigheid in twijfel getrokken kan worden.
Art. 77. Dès qu'une affaire est introduite, le président communique au membre du personnel et au pouvoir organisateur la liste des membres effectifs et suppléants. Dans les dix jours qui suivent la réception de cette liste, le membre du personnel et le pouvoir organisateur peuvent récuser trois membres au maximum. Toutefois, ils ne peuvent récuser en même temps un membre effectif et ses deux suppléants.
  Les président, présidents suppléants, les membres effectifs et les membres suppléants ne peuvent siéger dans une affaire concernant leur conjoint ou un parent ou un allié, jusqu'au quatrième degré inclusivement.
  Tout membre qui sait cause de récusation en sa personne est tenu de s'abstenir.
  Un membre peut également demander à être déchargé s'il estime avoir un intérêt moral en la cause ou s'il croit que l'on puisse douter de son impartialité.
Art. 78. De partijen worden door de voorzitter ontboden binnen de 20 dagen na ontvangst van het beroep en worden door de raad gehoord.
  Het personeelslid kan bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat, een raadsman gekozen onder de fungerende of gepensioneerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, of door een representatieve vakvereniging bedoeld in voormelde wet van 19 december 1974 en voormeld koninklijk besluit van 28 september 1984.
  De inrichtende macht kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een vertegenwoordiger van een representatieve organisatie van inrichtende machten, door een advocaat, door een raadsman gekozen onder de vertegenwoordigers van de inrichtende machten of door een afgevaardigde van een vereniging die de belangen van deze inrichtende machten behartigt.
  (Bij afwezigheid van een van de regelmatig ontboden partijen of van haar raadsman) spreekt de raad van beroep zich geldig uit op een 2e vergadering. Tussen beide vergaderingen moeten ten minste 5 dagen verlopen.
  De raad van beroep kan een aanvullend onderzoek gelasten en getuigen horen voordat hij zich uitspreekt.
Art. 78. Les parties sont convoquées par le président dans les vingt jours qui suivent la réception du recours et sont entendues par la chambre de recours.
  Le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative, au sens de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi précitée.
  Le pouvoir organisateur peut se faire assister ou représenter par un représentant d'une organisation représentative de pouvoirs organisateurs, par un avocat, par un défenseur choisi parmi les représentants des pouvoirs organisateurs de l'enseignement officiel subventionné ou par un délégué d'une association qui défend les intérêts des pouvoirs organisateurs.
  (En cas d'absence de l'une des parties régulièrement convoquées ou de son défenseur), la chambre de recours statue valablement lors de sa deuxième séance. Les deux séances ne peuvent être espacés de moins de cinq jours.
  Avant de délibérer, la chambre de recours peut ordonner une enquête complémentaire et entendre des témoins.
Art. 79. De raad van beroep kan zich maar uitspreken als ten minste 2 leden, die de inrichtende machten vertegenwoordigen en 2 leden die de personeelsleden vertegenwoordigen, aanwezig zijn.
  De leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en de leden die het personeel vertegenwoordigen moeten in gelijk aantal zijn om te kunnen stemmen. Desnoods wordt de pariteit hersteld door de uitloting van een of meer leden.
  Als het in vorig lid bedoelde quorum niet bereikt wordt, belegt de voorzitter een nieuwe vergadering binnen de 2 weken. Op die vergadering kan beslist worden, ongeacht het aantal aanwezigen.
  Het advies wordt verstrekt na geheime stemming, bij meerderheid van de stemmen. In geval van staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
  Het advies van de raad wordt meegedeeld aan de partijen, [1 ...]1, binnen de 5 dagen na de vergadering waarop het verstrekt werd. Het is met redenen omkleed.
  
Art. 79. La chambre de recours ne peut se prononcer que si au moins deux membres représentant les pouvoirs organisateurs et deux membres représentant les membres du personnel sont présents.
  Les membres représentant les pouvoirs organisateurs et les membres représentant les membres du personnel doivent être en nombre égal pour prendre part au vote. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs membres après tirage au sort.
  Si le quorum visé à l'alinéa 1er n'est pas atteint, le président convoque une nouvelle réunion dans les quinze jours. Au cours de cette réunion, une décision pourra être prise quel que soit le nombre des membres présents.
  L'avis est donné à la majorité. Le vote est secret. En cas de parité, le président décide.
  L'avis motivé de la chambre de recours est signifié aux parties [1 ...]1 à la poste dans les cinq jours qui suivent la réunion au cours de laquelle il a été donné.
  
Art. 79bis. <INGEVOEGD bij DFG 1998-07-17/34, art. 19; Inwerkingtreding : 01-09-1998> De raad van beroep kan slechts bijeenkomen van 15 juli tot en met 15 augustus, behalve in geval van hoogdringendheid, unaniem erkend door alle aanwezige leden met inbegrip van de voorzitter.
  [1 De termijnen zoals bedoeld in artikel 25, § 1, 1° ; 30, § 1, lid 7; 65, § 3, lid 3 en 83, § 1, lid 3, toegekend aan de Kamer van Beroep om haar met redenen omkleed advies te geven, worden gedurende deze periode opgeschort.]1
  
Art. 79bis. La chambre de recours ne peut se réunir du 15 juillet au 15 août inclus, sauf urgence unanimement reconnue par l'ensemble des membres présents y compris le président.
  [1 Les délais visés aux articles 25, § 1er, 1° ; 30 § 1er, alinéa 7; 65, § 3, alinéa 3 et 83, § 1, alinéa 3, attribués à la Chambre de recours pour rendre son avis motivé, sont suspendus durant cette période.]1
  
Art. 80. De werkingskosten van de raad van beroep komen ten laste van de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitters aanspraak hebben.
Art. 80. Les frais de fonctionnement de la chambre de recours sont à charge de la Communauté française. Le Gouvernement détermine les indemnités auxquelles le président et les présidents suppléants ont droit.
HOOFDSTUK XI. - (Terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs.)
CHAPITRE XI. - (De la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.)
Art. 81. Het vastbenoemd personeelslid kan ter beschikking worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs door de inrichtende macht ingevolge een voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, geformuleerd overeenkomstig de modaliteiten, vastgelegd door de Regering. De duur van de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs mag een termijn van zes maanden, in een of meerdere periodes, op de volledige loopbaan van het personeelslid niet overschrijden.
  Van de beperking bedoeld in lid 1 kan echter worden afgeweken ten einde de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, in de loop van het schooljaar uitgesproken tegen een personeelslid, tot het einde van het lopende schooljaar te verlengen.
  Het verzoek tot afwijking wordt ter goedkeuring door de inrichtende macht aan de Regering voorgelegd.
  Tijdens de terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ontvangt het personeelslid een wachtwedde die gelijk is aan 75 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Een inrichtende macht kan een personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs wanneer de feiten waarvoor deze maatregel is voorzien, het onderwerp kunnen uitmaken van een tuchtstraf of een procedure ter vaststelling van onverenigbaarheid of wanneer het personeelslid om deze feiten strafrechtelijk wordt vervolgd.
Art. 81. Le membre du personnel nommé à titre définitif peut être mis en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement par son pouvoir organisateur suite à une proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement formulée selon des modalités définies par le Gouvernement. La durée de la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement ne peut dépasser, en une ou plusieurs périodes, six mois sur l'ensemble de la carrière du membre du personnel.
  Toutefois, il peut être dérogé à la limitation visée à l'alinéa 1er afin que la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement prononcée au cours d'une année scolaire à l'égard d'un membre du personnel soit prolongée jusqu'au terme de l'année scolaire en cours.
  La demande de dérogation est soumise, pour accord, au Gouvernement par le pouvoir organisateur.
  Durant la mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement, le membre du personnel perçoit un traitement d'attente égal à 75 % de son dernier traitement d'activité.
  Un pouvoir organisateur ne peut placer un membre de son personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement si les faits pour lesquels il envisage cette mesure peuvent faire l'objet d'une sanction disciplinaire ou d'une procédure de constatation d'incompatibilité ou si le membre du personnel fait l'objet, pour ces faits, de poursuites pénales.
Art. 82. Voorafgaand aan het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moet het personeelslid uitgenodigd worden om door de inrichtende macht te worden gehoord.
  De oproeping tot de hoorzitting alsook de redenen waarom de inrichtende macht overweegt om het personeelslid ter beschikking te stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs, moeten minstens vijf werkdagen voor de hoorzitting ter kennis worden gebracht van het personeelslid, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst, hetzij bij onderhandse overhandiging van een brief met bewijs van ontvangst.
  Tijdens de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger, gekozen onder de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, hetzij in actieve dienst hetzij gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het wettig opgeroepen personeelslid niet op de hoorzitting verschijnt of er niet vertegenwoordigd is.
  Wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger echter omstandigheden van overmacht kan doen gelden ten einde hun afwezigheid op de hoorzitting te rechtvaardigen, wordt het personeelslid overeenkomstig voorgaande leden voor een nieuwe hoorzitting opgeroepen.
  In dit geval, en zelfs wanneer het personeelslid of zijn vertegenwoordiger niet op de hoorzitting is verschenen, wordt de procedure geldig voortgezet.
Art. 82. Préalablement à toute proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement, le membre du personnel doit avoir été invite à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de placer le membre du personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement doivent lui être notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
  Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné, en activité de service ou pensionné, ou par un représentant d'une organisation syndicale agréée. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  Toutefois, si le membre du personnel ou son représentant peuvent faire valoir des circonstances de force majeure de nature à justifier leur absence à l'audition, le membre du personnel est convoqué à une nouvelle audition notifiée conformément aux alinéas précédents.
  Dans ce cas, et même si le membre du personnel ou son représentant ne se sont pas présentés à l'audition, la procédure se poursuit valablement.
Art. 83. § 1. De inrichtende macht brengt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs ter kennis van het personeelslid die binnen tien dagen na de kennisgeving van dit voorstel beroep kan aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.
  Het personeelslid dat beroep aantekent, stelt de inrichtende macht daarvan onmiddellijk in kennis door voorlegging van een kopie.
  De raad van beroep spreekt zich uit binnen een termijn van maximum [1 dertig dagen]1 na ontvangst van het beroep.
  De raad van beroep bezorgt een met redenen omkleed advies aan, naar het geval, het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs.
  Het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs, naar het geval, bezorgen binnen een termijn van maximum [1 veertien dagen]1 na ontvangst van het advies van de raad van beroep een advies aan de in functie zijnde minister. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
  Een kopie van het advies bedoeld in voorgaande paragrafen wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.
  De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum [1 dertig dagen]1. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.
  Ingeval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.
  Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.
  § 2. Wanneer het personeelslid binnen de in § 1 voorgeschreven termijn geen beroep bij de raad van beroep heeft aangetekend, wordt het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en in het belang van het onderwijs na het verstrijken van de vermelde termijn, naar het geval, aan het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs doorgegeven.
  Het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs tegen hetwelk geen beroep werd aangetekend, kan door de inrichtende macht op haar risico worden uitgevoerd.
  Naar het geval, brengt het directoraat-generaal van het verplicht onderwijs of het directoraat-generaal van het niet verplicht onderwijs een advies uit binnen een termijn van maximum [1 dertig dagen]1 na ontvangst van het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs. Met het oog hierop beroepen zij zich op alle bijkomende informatie die zij nuttig achten.
  Een kopie van het advies bedoeld in voorgaand lid wordt overgemaakt aan de inrichtende macht en aan het betrokken personeelslid.
  De in functie zijnde minister staat het voorstel tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs toe of wijst het af binnen een termijn van maximum [1 dertig dagen]1. Deze beslissing wordt uiterlijk bij het verstrijken van de beslissingstermijn kenbaar gemaakt en gaat in op de derde werkdag na kennisgeving ervan aan het betrokken personeelslid.
  In geval het voorstel wordt afgewezen, kan de inrichtende macht het personeelslid niet ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.
  Ingeval het voorstel wordt toegestaan, kan de inrichtende macht het personeelslid ter beschikking stellen wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of in het belang van het onderwijs.
  
Art. 83. § 1er. Le pouvoir organisateur notifie la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement au membre du personnel qui peut, dans les dix jours de cette notification, introduire un recours auprès de la chambre de recours compétente.
   Le membre du personnel qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur.
   La chambre de recours se prononce dans un délai [1 de trente jours]1 maximum à dater de la réception du recours.
   La chambre de recours remet son avis motivé à la direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas.
   La direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, rendent un avis au ministre fonctionnel dans un délai de [1 quatorze jours]1 maximum à partir de la réception de l'avis de la chambre de recours. A cet effet, elles s'entourent de tout complément d'information quelles jugent utile.
   Une copie de l'avis visé au paragraphe précédent est communiquée au pouvoir organisateur et au membre du personnel concerné.
   Le ministre fonctionnel autorise ou refuse la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement dans un délai de [1 quatorze jours]1 maximum. Cette décision est notifiée au plus tard à l'échéance du délai pour rendre la décision et sort ses effets le troisième jour ouvrable après sa notification au membre du personnel concerné.
   Dans le cas d'un refus, le pouvoir organisateur ne peut mettre le membre du personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
   Dans le cas d'une autorisation, le pouvoir organisateur peut mettre le membre du personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
   § 2. Si le membre du personnel n'a pas introduit de recours devant la chambre de recours dans le délai prescrit au § 1er, la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement est transmise, à l'issue dudit délai, à la direction générale de l'Enseignement obligatoire ou à la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas.
   La proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement contre laquelle un recours n'a pas été exercé peut être exécutée par le pouvoir organisateur à ses risques et périls.
   La direction générale de l'Enseignement obligatoire ou la direction générale de l'Enseignement non obligatoire, selon le cas, rendent un avis dans un délai de [1 quatorze jours]1 maximum à compter de la réception de la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement. A cet effet, elles s'entourent de tout complément d'information qu'elles jugent utile.
   Une copie de l'avis visé à l'alinéa précédent est communiquée au pouvoir organisateur et au membre du personnel concerné.
   Le ministre fonctionnel autorise ou refuse la proposition de mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement dans un délai de [1 quatorze jours]1 maximum. Cette décision est notifiée au plus tard à l'échéance du délai pour rendre la décision et sort ses effets le troisième jour ouvrable après sa notification au membre du personnel concerné.
   Dans le cas d'un refus, le pouvoir organisateur ne peut mettre le membre du personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
   Dans le cas d'une autorisation, le pouvoir organisateur peut mettre le membre du personnel en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service et dans l'intérêt de l'enseignement.
  
Art. 84. (Opgeheven)
Art. 84. (Abrogé)
HOOFDSTUK XII. - De paritaire commissies.
CHAPITRE XII. - Des commissions paritaires.
Afdeling 1. - Algemeenheden.
Section 1. - Généralités.
Art. 85. Na raadpleging van de meest representatieve groeperingen van inrichtende machten en van de groeperingen van het personeel van het officieel gesubsidieerd onderwijs, bedoeld bij de wet van 19 december 1974, tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, en het koninklijk besluit d.d. 28 september 1984 ter uitvoering van bovenvermelde wet, stelt de Regering :
  1° een centrale paritaire commissie in, bevoegd voor alle onderwijsniveaus;
  2° paritaire commissies in, bevoegd voor een of meer onderwijsniveaus;
  3° plaatselijke paritaire commissies in, bevoegd voor een of meer onderwijsniveaus.
  Het besluit van de Regering tot instelling van een paritaire commissie vermeldt de benaming, de bevoegdheid en de samenstelling ervan.
Art. 85. Après consultation des groupements les plus représentatifs des pouvoirs organisateurs et des groupements du personnel de l'enseignement officiel subventionné, au sens de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités et de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi précitée, le Gouvernement institue :
  1° une commission paritaire centrale dont la compétence s'étend à tous les niveaux d'enseignement;
  2° des commissions paritaires dont la compétence s'étend à un ou plusieurs niveaux d'enseignement;
  3° des commissions paritaires locales dont la compétence s'étend à un ou plusieurs niveaux d'enseignement.
  L'arrêté du Gouvernement instituant une commission paritaire en précise la dénomination, la compétence et la composition.
Art. 86. De beslissingen van de in artikel 85, lid 1, 1° en 2° bedoelde paritaire commissies kunnen op hun verzoek, bij besluit van de Regering bindend verklaard worden.
  Indien de Regering van oordeel is dat ze er geen gevolg kan aan geven, deelt ze de commissie de redenen mede.
Art. 86. Les décisions des commissions paritaires visées à l'article 85, alinéa 1er, 1° et 2° peuvent, à leur demande, être rendues obligatoires, par arrêté du Gouvernement.
  Si le Gouvernement estime ne pas pouvoir donner suite à cette demande, il en fait connaître les motifs à la commission intéressée.
Art. 87. De door de centrale paritaire commissie genomen aanvullende regels mogen niet afwijken van de regels van dit decreet.
  De aanvullende regels genomen door de paritaire commissies bedoeld in artikel 85, lid 1, 2° en 3°, mogen niet afwijken van de regels van dit decreet of van de aanvullende regels vastgesteld door de centrale paritaire commissie die bij besluit van de Regering bindend verklaard werden.
  Overigens mogen de door de plaatselijke paritaire commissies genomen aanvullende regels niet afwijken van de aanvullende regels die werden vastgesteld door de paritaire commissies bedoeld in artikel 85, lid 1, 2o, en bij besluit van de Regering bindend werden verklaard, en mogen alleen bindend worden verklaard als zij door een beslissing van de gemeenteraad of [1 van het Provinciecollege]1, naar gelang van het geval, werden goedgekeurd.
  
Art. 87. Les règles complémentaires prises par la commission paritaire centrale ne peuvent s'écarter des règles du présent décret.
  Les règles complémentaires prises par les commissions paritaires visées à l'article 85, alinéa 1er, 2° et 3°, ne peuvent s'écarter des règles du présent décret ni des règles complémentaires fixées par la commission paritaire centrale et rendues obligatoires par arrêté du Gouvernement.
  Par ailleurs, les règles complémentaires prises par les commissions paritaires locales ne peuvent s'écarter des règles complémentaires fixées par les commissions paritaires visées à l'article 85, alinéa 1er, 2°, rendues obligatoires par arrêté du Gouvernement, et ne peuvent être rendues obligatoires que si elles sont approuvées par délibération du conseil communal ou [1 du collège provincial]1, selon le cas.
  
Afdeling 2. - Centrale paritaire commissies.
Section 2. - Des commissions paritaires centrales.
Art. 88. Het algemeen reglement van de paritaire commissies wordt door de Regering opgemaakt.
  Elke commissie stelt haar huishoudelijk reglement op, onder voorbehoud van goedkeuring door de Regering van de Gemeenschap.
Art. 88. Le règlement général des commissions paritaires est établi par le Gouvernement.
  Chaque commission élabore son règlement d'ordre intérieur particulier, sous réserve d'approbation du Gouvernement de la Communauté.
Art. 89. De paritaire commissies worden samengesteld uit :
  1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden;
  2° een voorzitter en een ondervoorzitter;
  3° referendarissen, wier opdracht het is de commissie raadgevingen te geven;
  4° een secretaris en een adjunct-secretaris.
  Het aantal leden van elke paritaire commissie en de duur van hun mandaat worden door de Regering vastgesteld.
  De voorzitter, de ondervoorzitter, de referendarissen, de secretaris, de adjunct-secretaris zijn niet stemgerechtigd.
  Elke commissie omvat ten minste zes werkende leden die de inrichtende machten vertegenwoordigen en zes werkende leden die het personeel vertegenwoordigen.
  De vertegenwoordigers van de inrichtende machten en van de personeelsleden mogen bijgestaan worden door technische adviseurs wier maximumaantal door het in artikel 88 bedoelde huishoudelijk reglement vastgesteld wordt.
Art. 89. Les commissions paritaires sont composées :
  1° d'un nombre égal de représentants des pouvoirs organisateurs et des membres du personnel;
  2° d'un président et d'un vice-président;
  3° de référendaires, dont la mission est de conseiller la commission;
  4° d'un secrétaire et d'un secrétaire adjoint.
  Le nombre de membres de chaque commission paritaire, ainsi que la durée de leur mandat est fixé par le Gouvernement.
  Le président, le vice-président, les référendaires, le secrétaire et le secrétaire adjoint n'ont pas voix délibérative.
  Chaque commission comprend au moins six membres effectifs représentant les pouvoirs organisateurs et six membres effectifs représentant le personnel.
  Les représentants des pouvoirs organisateurs des membres du personnel peuvent se faire assister de conseillers techniques dont le nombre maximum sera déterminé par le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 88.
Art. 90. De werkende leden en plaatsvervangers van de paritaire commissies worden door de Regering benoemd op voordracht van de in artikel 85 bedoelde groeperingen. Bij gebrek aan akkoord tussen deze groeperingen bepaalt de Regering van de Gemeenschap het aantal mandaten dat aan ieder wordt toegewezen.
  De voorzitter en de ondervoorzitter worden door de Regering gekozen onder de personen die onafhankelijk staan t.o.v. de belangen waarvan de commissie kennis kan krijgen.
  De referendarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen worden door de Regering benoemd. Het uitoefenen van de ambten van voorzitter en ondervoorzitter is onverenigbaar met het uitoefenen van een parlementair mandaat.
Art. 90. Les membres effectifs et suppléants des commissions paritaires sont nommés par le Gouvernement sur proposition des groupements visés à l'article 85. A défaut d'accord entre ces groupements, le Gouvernement de la Communauté détermine le nombre de mandats attribués à chacun d'eux.
  Le président et vice-président sont choisis par le Gouvernement parmi les personnes indépendantes des intérêts dont la commission peut avoir à connaître.
  Les référendaires, secrétaires et secrétaires-adjoints sont nommés par le Gouvernement. L'exercice des fonctions de président et de vice-président est incompatible avec l'exercice d'un mandat parlementaire.
Art. 91. De paritaire commissies hebben voornamelijk als opdracht, elk in haar werkingssfeer :
  1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;
  2° elk geschil dat kan rijzen of zou gerezen zijn tussen de inrichtende machten en de personeelsleden die onder de toepassing van dit decreet vallen, te voorkomen of bij te leggen;
  3° voor het personeel van het officieel gesubsidieerd onderwijs regels op te stellen ter aanvulling van de statuutsbepalingen van dit decreet en van de uitvoeringsbesluiten ervan;
  4° adviezen uit te brengen over alle vragen betreffende de organisatie, de verdediging en de bevordering van het officieel onderwijs.
Art. 91. Les commissions paritaires ont principalement pour mission, chacune dans leur champ de compétence :
  1° de délibérer sur les conditions générales de travail;
  2° de prévenir ou de concilier tout différend qui menacerait de s'élever ou se serait élevé entre les pouvoirs organisateurs et les membres du personnel relevant du présent décret;
  3° d'établir pour le personnel de l'enseignement officiel subventionné des règles complémentaires aux dispositions statutaires du présent décret et de ses arrêtés d'exécution;
  4° de donner des avis sur toutes questions relatives à l'organisation, la défense et le promotion de l'enseignement officiel.
Art. 92. De beslissingen van de paritaire commissies worden genomen met eenparigheid van stemmen in elke groep moet de meerderheid van de leden aanwezig zijn.
  Indien de eenparigheid niet kan worden bereikt of indien geen meerderheid in elke groep aanwezig is wordt een nieuwe vergadering van de commissie binnen de veertien dagen belegd.
  In dat geval worden beslissingen geldig genomen op voorwaarde dat ze twee derde van de uitgebrachte stemmen van de aanwezige leden in elke groep bekomen.
  Voor de toepassing van de leden 1 tot 3 worden niet meegeteld :
  1° de blancostemmen,
  2° de onthoudingen.
Art. 92. Les décisions des commissions paritaires sont prises à l'unanimité, la majorité des membres se trouvant réunie dans chaque groupe.
  Toutefois, si l'unanimité ne peut être atteinte ou si la majorité n'est pas présente au sein de chaque groupe, une nouvelle réunion de la commission se tient dans les quinze jours.
  Dans ce cas, les décisions seront prises valablement à condition qu'elles recueillent les deux tiers des suffrages exprimés parmi les membres présents au sein de chaque groupe.
  Pour l'application des alinéas 1er à 3, ne sont pas considérés comme des suffrages :
  1° les votes blancs;
  2° les abstentions.
Afdeling 3. - Plaatselijke paritaire commissies.
Section 3. - Des commissions paritaires locales.
Art. 93. Het algemeen reglement van de plaatselijke paritaire commissies wordt door een besluit van de Regering vastgesteld.
  Elke commissie maakt haar huishoudelijk reglemet op.
Art. 93. Le règlement général des commissions paritaires locales est établi par un arrêté du Gouvernement.
  Chaque commission élabore son règlement d'ordre intérieur.
Art. 94. De plaatselijke paritaire commissies omvatten :
  1° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van de personeelsleden;
  2° een voorzitter en een ondervoorzitter;
  3° een secretaris en een adjunct-secretaris.
  De samenstelling en de werkingswijze van die commissies worden door de Regering vastgesteld.
  In het provinciaal onderwijs worden deze commissies voorgezeten door de afgevaardigde [1 van het Provinciecollege]1 van de provincieraad, in het gemeentelijk onderwijs door de burgemeester of zijn afgevaardige. [1 Met betrekking tot de inrichtende machten die zijn opgericht krachtens het decreet van 17 november 2016 waarbij de Franse Gemeenschap wordt gemachtigd om zich te associëren met derden binnen een publiekrechtelijke rechtspersoon en door de oprichting, de samenstelling, de bevoegdheid, de werking en de controle vast te leggen, wordt ze uitgeoefend door de voorzitter van de inrichtende macht of zijn afgevaardigde. ]1
  De ondervoorzitter wordt onder de vertegenwoordigers van de personeelsleden gekozen.
  
Art. 94. Les commissions paritaires locales comprennent :
  1° un nombre égal de représentants du pouvoir organisateur et des membres du personnel;
  2° un président et un vice-président;
  3° un secrétaire et un secrétaire adjoint.
  La composition et le mode de fonctionnement de ces commissions sont fixés par le Gouvernement.
  Dans l'enseignement provincial, la présidence de ces commissions est exercée par le délégué [1 du collège provincial]1 du conseil provincial. Dans l'enseignement communal, elle est exercée par le bourgmestre ou son délégué. [1 En ce qui concerne les pouvoirs organisateurs créés en application du décret du 17 novembre 2016 autorisant la Communauté française à s'associer à des tierces parties au sein d'une personne morale de droit public et en fixant la création, la composition, la compétence, le fonctionnement et le contrôle, elle est exercée par le président du pouvoir organisateur ou son délégué.]1
  Le vice-président est choisi parmi les représentants des membres du personnel.
  
Art. 95. De plaatselijke paritaire commissies hebben voornamelijk als opdracht, elk in haar werkingssfeer :
  1° over de algemene arbeidsvoorwaarden te beraadslagen;
  2° elk geschil dat kan rijzen of zou gerezen zijn tussen de inrichtende macht en de leden van haar personeel die onder de toepassing van dit decreet ressorteren, te voorkomen of bij te leggen;
  3° voor het personeel van het officieel gesubsidieerd onderwijs regels op te maken ter aanvulling van de statuutsbepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan en van de aanvullende regels vastgesteld door de door de Regering verplicht gemaakte communautaire paritaire commissies;
  4° adviezen uit te brengen over alle vragen betreffende de organisatie, de verdediging en de bevordering van het officieel onderwijs;
  5° [1 ...]1
  (6° na te gaan dat de artikelen 36ter, § 2 en § 3, 36quater, § 2 en § 3 en 36quinquies, § 2 en § b 3 door de inrichtende macht worden nageleefd.)
  
Art. 95. Les commissions paritaires locales ont principalement pour mission, chacune dans leur champ de compétence :
  1° de délibérer sur les conditions générales de travail;
  2° de prévenir ou de concilier tout différend qui menacerait de s'élever ou se serait élevé entre le pouvoir organisateur et les membres de son personnel relevant du présent décret;
  3° d'établir pour le personnel de l'enseignement officiel subventionné des règles complémentaires aux dispositions statutaires du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, et aux règles complémentaires fixées par les commissions paritaires communautaires rendues obligatoires par le Gouvernement;
  4° de donner des avis sur toutes questions relatives à l'organisation, la défense et la promotion de l'enseignement officiel;
  5° [1 ...]1
  (6° de contrôler le respect par le pouvoir organisateur des articles 36ter, §§ 2 et 3, 36quater, §§ 2 et 3, et 36quinquies, §§ 2 et 3.)
  
Art. 96. De beslissingen van de plaatselijke paritaire commissies worden genomen bij eenparigheid van de aanwezige leden; in elke groep moet de meerderheid van de leden aanwezig zijn.
  Als er geen eenparigheid is of als de meerderheid van de leden niet aanwezig zijn, komt de commissie binnen de twee weken opnieuw bijeen.
  De beslissingen worden dan geldig genomen mits ze goedgekeurd worden door twee derde van de aanwezige leden in elke groep.
  Voor de toepassing van de leden 1 tot 3 komen niet in aanmerking :
  1° blancostemmen;
  2° onthoudingen.
Art. 96. Les décisions des commissions paritaires locales sont prises à l'unanimité, la majorité des membres se trouvant réunie au sein de chaque groupe.
  Toutefois, si l'unanimité ne peut être atteinte ou si la majorité des membres n'est pas présente dans chaque groupe, une nouvelle réunion de la commission se tient dans les quinze jours.
  Dans ce cas, les décisions seront prises valablement à la condition qu'elles recueillent deux tiers des suffrages exprimés parmi les membres présents au sein de chaque groupe.
  Pour l'application des alinéas 1er à 3, ne sont pas considérés comme des suffrages :
  1° les votes blancs;
  2° les abstentions.
Afdeling 4. - Toezicht over de uitvoering van de bindend verklaarde beslissingen - Strafmaatregelen.
Section 4. - Contrôle et sanction des décisions rendues obligatoires.
Art. 97. § 1. De uitvoering van de overeenkomstig artikel 86 bindend verklaarde beslissingen wordt, onverminderd de plichten van de officiers van gerechtelijke politie, gecontroleerd door personeelsleden die de Regering aanwijst.
  § 2. Bij overtreding maken de in § 1 bedoelde personeelsleden processen-verbaal op die zij aan de bevoegde Procureur des Konings overzenden en waarvan een afschrift binnen de acht dagen aan de overtreder gezonden wordt [1 ...]1, dat alles op straffe van nietigheid.
  § 3. De in § 1 bedoelde personeelsleden hebben vrije toegang tot de lokalen waar de personeelsleden hun opdracht vervullen.
  De inrichtingshoofden en de leden van het administratief personeel moeten hun de inlichtingen bezorgen die voor hun opdracht vereist zijn.
  § 4. Elke overtreding van de beslissingen, bindend verklaard overeenkomstig artikel 8, wordt bestraft met een boete van (2,50 tot 2.500 EUR) De boete wordt zo dikwijls opgelopen als er personen tewerkgesteld werden in overtreding van die beslissingen, zonder dat de totale boete meer dan (5.000 EUR) mag bedragen.
  De in vorig lid bedoelde straffen gelden voor elk personeelslid dat dezelfde bepalingen overtreedt.
  § 5. De inrichtende machten, de inrichtingshoofden, de leden van het onderwijzend en administratief personeel die het krachtens dit decreet inesteld toezicht belemmeren, lopen een boete van 26 tot 100 fr. op, onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van de straffen opgelegd bij de artikelen 269-274 van het Strafwetboek.
  § 6. Wordt gestraft met een boete van (2,50 tot 2.500 EUR) al wie tijdens een onderzoek van de controledienst onjuiste verklaringen aflegt om bedoelde dienst te misleiden.
  § 7. De inrichtende machten zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten opgelegd ten laste van hun inrichtingshoofden.
  
Art. 97. § 1. L'exécution des décisions, rendues obligatoires conformément à l'article 86 est surveillée, sans préjudice des devoirs qui incombent aux officiers de police judiciaire, par des agents désignés par le Gouvernement.
  § 2. En cas d'infraction, les agents mentionnés au § 1er dressent des procès-verbaux qu'ils transmettent au procureur du Roi compétent et une copie en est adressée, [1 ...]1 à la poste dans les huit jours, au contrevenant, le tout à peine de nullité.
  § 3. Les agents mentionnés au § 1er ont la libre entrée des locaux où les membres du personnel exercent leur mission.
  Les chefs d'établissement, ainsi que les membres du personnel administratif sont tenus de leur fournir les renseignements dont ils ont besoin pour s'acquitter de leur mission.
  § 4. Toute infraction aux décisions, rendues obligatoires, conformément à l'article 86, est punie d'une amende de (2,50 à 2.500 EUR). L'amende est encourue autant de fois qu'il y a de personnes employées en contravention des dites décisions, sans que le total des amendes puisse dépasser (5.000 EUR).
  Ces peines prévues à l'alinéa précédent sont applicables à tout membre du personnel qui contrevient aux mêmes dispositions.
  § 5. Les pouvoirs organisateurs et les chefs d'établissement, ainsi que le personnel enseignant et administratif qui ont mis obstacle à la surveillance organisée en vertu du présent décret, sont punis d'une amende de 26 à 100 francs, sans préjudices, s'il y a lieu, de l'application des peines édictées par les articles 269 à 274 du Code pénal.
  § 6. Est puni d'une amende de (2,50 à 2.500 EUR), quiconque a, dans le but d'induire en erreur, fait des déclarations inexactes au cours des enquêtes effectuées par le service de contrôle.
  § 7. Les pouvoirs organisateurs sont civilement responsables du paiement des amendes prononcées à charge de leurs chefs d'établissement.
  
HOOFDSTUK XIII. - Niet-tegenwerpbaarheid van met het statuut strijdige bepalingen.
CHAPITRE XIII. - Inopposabilité des clauses contraires au statut.
Art. 98. Elke bepaling van een aanstellingsakte of arbeidsreglement, strijdig met bindende wetsbepalingen, o.m. die van de artikelen 12bis, § 1, en 35 van de wet van 29 mei 1959, tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, met dit decreet of met de aanvullende regels vastgesteld door de bevoegde paritaire commissies, is niet-tegenwerpbaar.
Art. 98. Toute disposition figurant dans un acte de désignation ou dans un règlement de travail, contraire aux dispositions légales impératives, notamment des articles 12bis, § 1er, et 45 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de législation de l'enseignement, au présent décret ou aux règles complémentaires fixées par les commissions paritaires compétentes, est inopposable.
HOOFDSTUK XIV. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE XIV. - Dispositions modificatives, abrogatoires, transitoires et finales.
Art. 99. Op het aan dit decreet onderworpen personeel zijn :
  1° de artikelen 150 tot 152 van de nieuwe gemeentewet, gewijzigd bij de wet van 24 mei 1991;
  2° (De artikelen 30, § 1, 74, 75 en 76 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957.)
Art. 99. Cessent de s'appliquer au personnel soumis au présent décret :
  1° les articles 150 à 152 de la nouvelle loi communale, modifié par la loi du 24 mai 1991;
  2° (Les articles 30, § 1er, 74, 75 et 76 des lois sur l'enseignement primaire, coordonnées le 20 août 1957.)
Art. 100. § 1. De vóór de inwerkingtreding van dit decreet vastbenoemde en met hen gelijkgestelde gesubsidieerd personeelsleden worden beschouwd als in vast verband benoemd, zoals bedoeld in dit decreet (, in de toewijzingen uitgeoefend op 31 december 1994).
  § 2. De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een vacante betrekking in een wervingsambt bekleden, kunnen in vast verband benoemd worden op de 1e dag van de 3e maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, mits zij op de benoemingsdatum voldoen aan artikel 30, behalve 8° en 10°, en gedurende 2 jaren een gesubsidieerde betrekking bekleed hebben.
  De (in lid 1 bedoelde) benoeming geldt slechts voor de vacante betrekking die, op grond van de vigerende reglementering, niet meer kan begeven worden door reaffectatie van een personeelslid, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking.
  De in deze § 2 bedoelde personeelsleden die het voordeel van lid 1 niet genoten, valoriseren hun anciënniteit bij de inrichtende macht volgens de berekening in artikel 34 mits zij overeenkomstig artikel 24, § 1 bij de inrichtende macht prioritair zijn.
  (De inrichtende machten mogen niettemin benoemingen doen met uitwerking op 1 januari 1995, uiterlijk tot 30 juni van het schooljaar 1994-1995.
  (lid niet vertaald))
  § 3. De personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een (...) betrekking in een selectieambt bekleden kunnen in vast verband benoemd worden in dat ambt mits zij voldoen aan de vereisten van artikel 40, lid 1, 1° en de lichamelijke geschiktheid bezitten vereist bij artikel 30, 1e lid, 6°.
  De (in lid 1 bedoelde) personeelsleden kunnen slechts benoemd worden in een betrekking die krachtens de reglementering niet meer toegankelijk is door reaffectatie of wedertewerkstelling van een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid.
  In afwijking van artikel 42, § 1, 3°, kunnen de in dit lid bedoelde personeelsleden in afwachting van die benoeming het ambt dat hen tijdelijk toegewezen werd blijven uitoefenen.
  § 4. De gesubsidieerde personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit decreet tijdelijk een (...) betrekking in een bevorderingsambt bekleden, kunnen in dat ambt vast benoemd worden zodra zij voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 49, en voldoen aan de vereisten van art. 30, lid 1, 6°, qua lichamelijke geschiktheid.
  De (in lid 1 bedoelde) benoeming geldt slechts voor de vacante betrekking die, op grond van de vigerende reglementering, niet meer kan begeven worden door reaffectatie van een personeelslid, ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking in het gesubsidieerd onderwijs.
  In afwijking van artikel 50, § 1, 3° kunnen de in lid 1 bedoelde personeelsleden in afwachting van die benoeming, het ambt dat hun tijdelijk toegewezen werd blijven uitoefenen.
  § 5. De plaatselijke paritaire commissies bepalen de voorwaarden voor inaanmerkingneming van de diensten verstrekt vóór de inwerkingtreding van dit decreet als gesubsidieerde contractueel, tewerkgestelde werkloze, bijzonder tijdelijk kader, stagiair nationale opvoeding of gemeenschapsonderwijs.
  § 6. De gesubsidieerde personeelsleden benoemd als stagiair in het onderwijs voor sociaal-culturele promotie (en in het kunstonderwijs) vóór de inwerkingtreding van dit statuut worden geacht vast benoemd te zijn op de 1e dag van de maand na de inwerkingtreding van dit decreet.
  § 7. In afwijking van artikel 29, § 1, behouden de personeelsleden die op 1 januari 1995 een wervingsambt in vast verband uitoefenen in twee inrichtende machten ontstaan door de splitsing van de provincie Brabant, gedurende 3 opeenvolgende schooljaren, vanaf 1994-1995, de mogelijkheid om op hun verzoek een prioritaire wijziging van affectatie te bekomen in een van die 2 inrichtende machten.
  Die wijziging wordt hun toegestaan in elke vacante betrekking van hetzelfde ambt, beschikbaar nadat de inrichtende macht die ze ontvangt, voldaan heeft aan haar verplichtingen inzake reaffectatie van haar personeelsleden.
Art. 100. § 1. Les membres du personnel subventionnés, nommés à titre définitif et y assimilés avant l'entrée en vigueur du présent décret, sont censés être nommés à titre définitif au sens du présent décret (, dans les attributions exercées au 31 décembre 1994).
  § 2. Les membres du personnel subventionnés qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi dans une fonction de recrutement, peuvent être nommés à titre définitif au plus tard le 1er jour du troisième mois qui suit la date de publication au Moniteur belge, à condition qu'à la date de la nomination, ils satisfassent aux conditions de l'article 30, à l'exception des 8° et 11°, et qu'en outre, ils aient occupé pendant deux ans un emploi subventionné.
  La nomination (visée à l'alinéa 1) ne peut être accordée que dans un emploi vacant qui, sur la base de la réglementation en vigueur, n'est plus accessible par réaffectation d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  Les membres du personnel visés au présent paragraphe qui n'ont pas bénéficié de la disposition de l'alinéa 1er valorisent l'ancienneté acquise au service du pouvoir organisateur selon le mode de calcul prévu à l'article 34, pour autant qu'ils soient prioritaires auprès du pouvoir organisateur conformément à l'article 24, § 1er.
  (Les pouvoirs organisateurs peuvent néanmoins procéder à des nominations avec effet au 1er janvier 1995 au plus tard jusqu'au 30 juin de l'année scolaire 1994-1995.
  Par ailleurs, dans l'enseignement de promotion sociale, ces nominations peuvent être effectuées entre le 1er janvier et le 30 juin pour autant que les unités de formation aient été prévues avant le 1er janvier 1995.)
  § 3. Les membres du personnel qui, avant l'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi (...) dans une fonction de sélection, peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont à la condition de l'article 40, alinéa 1er, 1°, et possèdent l'aptitude physique requise par l'article 30, alinéa 1er, 6°.
  La nomination (visée à l'alinéa 1) ne peut être accordée que dans l'emploi qui, sur base de la réglementation en vigueur, n'est plus accessible par réaffectation ou par remise au travail d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  Par dérogation à l'article 42, § 1er, 3°, et en attendant cette nomination, les membres du personnel visés à l'alinéa 1er peuvent continuer à exercer la fonction dont ils ont été chargés temporairement.
  § 4. Les membres du personnel subventionnés qui, avant l'entrée en vigueur du présent décret, occupent temporairement un emploi (...) dans une fonction de promotion, peuvent être nommés à titre définitif dans cette fonction dès qu'ils satisfont à la condition de l'article 49, alinéa 1er, 1°, et remplissent la condition d'aptitude physique fixée à l'article 30, alinéa 1er, 6°.
  La nomination (visée à l'alinéa 1) ne peut être accordée que dans l'emploi qui, sur base de la réglementation en vigueur, n'est plus accessible par réaffectation ou par remise au travail d'un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement subventionné.
  Par dérogation à l'article 50, § 1er, 3°, et en attendant cette nomination, ces membres du personnel peuvent continuer à exercer la fonction dont ils ont été chargés temporairement.
  § 5. Les commissions paritaires locales déterminent les conditions de validation des services accomplis avant l'entrée en vigueur du présent décret en tant qu'agent contractuel subventionné, chômeur mis au travail, cadre spécial temporaire, stagiaire de l'éducation nationale ou communautaire.
  § 6. Les membres du personnel subventionné nommés à titre de stagiaires dans l'enseignement de promotion socio-culturelle (et dans l'enseignement artistique) avant l'entrée en vigueur du présent statut sont censés être nommés à titre définitif le premier jour du mois qui suit l'entrée en vigueur du présent décret.
  § 7. Par dérogation aux dispositions de l'article 29, § 1er, les membres du personnel qui, au 1er janvier 1995, exercent à titre définitif une fonction de recrutement dans deux pouvoirs organisateurs issus de la scission de la province de Brabant, conservent pendant trois années scolaires consécutives à compter de l'année scolaire 1994-1995, la possibilité d'obtenir à leur demande un changement d'affectation prioritaire dans l'un des deux pouvoirs organisateurs précités.
  Ce changement d'affectation leur est accordé dans tout emploi vacant de la même fonction qui reste disponible après que le pouvoir organisateur qui accueille ait satisfait à ses obligations en matière de réaffectation vis-à-vis des membres de son personnel.
Art. 101. In afwachting van de uitvoering van artikel 12bis, § 2, van de wet d.d. 29 mei 1959 worden de vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd als bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 2 [1 , eerste lid]1.
  
Art. 101. En attendant l'exécution de l'article 12bis, § 2, de la loi du 29 mai 1959, les titres de capacité requis et jugés suffisants sont considérés comme titres de capacité visés à l'article 2 [1 , alinéa 1er]1.
  
Art. 101bis. <INGEVOEGD bij DFG 1995-04-10/24, art. 16, § 2; Inwerkingtreding : 01-01-1995> De terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de verklaring van gedeeltelijk verlies van opdracht, de reaffectatie van de ter beschikking gestelde personeelsleden en de toekenning van een wachtweddetoelage worden door de Regering geregeld.
Art. 101bis. La mise en disponibilité par défaut d'emploi, la déclaration en perte partielle de charge, la réaffectation des membres du personnel mis en disponibilité et l'octroi d'une subvention-traitement d'attente sont réglés par le Gouvernement.
Art. 101ter. (ingevoegd bij ) Bij wijze van overgangsmaatregel, behouden de personeelsleden die de hoedanigheid van prioritaire tijdelijke hadden verworven in een ambt van het onderwijs voor sociale promotie voor het schooljaar 1997-1998 deze hoedanigheid als prioritaire tijdelijke voor het schooljaar 1998-1999, voor zover ze zich kandidaat stellen voor het bedoeld ambt volgens de voor het schooljaar 1998-1999 bepaalde voorwaarden.
Art. 101ter. (inséré par ) A titre transitoire, les membres du personnel qui avaient acquis la qualité de temporaire prioritaire dans une fonction de l'enseignement de promotion sociale pour l'année scolaire 1997-1998 gardent cette qualité de temporaire prioritaire pour l'année scolaire 1998-1999, pour autant qu'ils fassent acte de candidature dans la fonction visée selon les conditions fixées pour l'année scolaire 1998-1999.
Art. 101quater. <INGEVOEGD bij DFG 1998-07-17/34, art. 22; Inwerkingtreding : 01-09-1998> § 1. De inrichtende macht verliest het voordeel van de weddetoelage voor ieder personeelslid waarvan hij niet de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of het gedeeltelijk verlies aan opdracht doorgeeft.
  In het geval van gedeeltelijk verlies van de opdracht is het verlies van de weddetoelage beperkt tot het aantal verloren lestijden.
  § 2. De inrichtende macht die het nalaat de (Commissies voor personeelsbeheer) in te lichten over de betrekking die bezet wordt door een tijdelijk personeelslid en die in aanmerking zou kunnen komen voor reaffectatie en voor voorlopige terugroeping in actieve dienst, verliest het voordeel van weddetoelage die werd toegekend voor dat personeelslid.
  § 3. De inrichtende macht die zonder geldige reden heeft geweigerd gevolg te geven aan een reaffectatie of een voorlopige terugroeping in actieve dienst zoals beslist door het orgaan voor reaffectatie dat in het leven is geroepen door de Regering, of die niet aan zijn verplichtingen voldoet op het gebied van verlening van reaffectaties en voorlopige terugroepiningen in actieve dienst, verliest het voordeel van de weddetoelage die is toegekend aan het tijdelijke personeelslid die de betrekking die was toegewezen aan die reaffectatie of aan die voorlopige terugroeping in actieve dienst, bezet.
  § 4. De Regering richt een ingebrekestelling aan de inrichtende macht waarin zij deze verzoekt om, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de ingebrekestelling, het bewijs te leveren dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop § 1, 2 en/of 3 van toepassing is. De Regering kan, bij besluit, deze bevoegdheid overdragen aan de daartoe bevoegde minister.
  Indien, na het verstrijken van deze termijn van dertig dagen, de inrichtende macht geen bewijs heeft geleverd dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop 1, 2 en/of 3 van toepassing is, verliest deze, zoals aangegeven in die paragrafen, het voordeel van de weddetoelage voor een periode die begint op de vervaldag van bovengenoemde termijn van dertig dagen en die loopt tot op de dag dat de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd dat deze zich niet meer in de situatie bevindt waarop § 1, 2 en/of 3 van toepassing is.
  Een kopie van de ingebrekestelling zoals bedoeld in het eerste lid, wordt naar het betrokken personeelslid gestuurd.
  § 5. Het personeelslid dat zich niet aanbood bij de inrichtende macht waarbij hij werd gereaffecteerd of voorlopig in actieve dienst werd teruggeroepen, verliest het voordeel van iedere weddetoelage of wachtweddetoelage vanaf de dag waarop hij zich had moeten aanbieden bij deze inrichtende macht. De betaling van de weddetoelage of de wachtweddetoelage zal worden hervat vanaf de dag dat de (Centrale Commissie voor personeelsbeheer) het personeelslid dat bij haar beroep heeft aangetekend, in het gelijk stelt.
Art. 101quater. § 1. Le pouvoir organisateur perd le bénéfice de la subvention-traitement pour tout membre du personnel dont il ne notifierait pas la mise en disponibilité par défaut d'emploi ou la perte partielle de charge.
  Dans le cas de la perte partielle de charge, la perte de la subvention-traitement est limitée au nombre de périodes perdues.
  § 2. Le pouvoir organisateur qui omet de signaler aux (Commissions de gestion des emplois) l'emploi occupé par un membre du personnel temporaire et qui est susceptible d'être annoncé à la réaffectation et au rappel provisoire à l'activité perd le bénéfice de la subvention-traitement accordée à ce membre du personnel.
  § 3. Le pouvoir organisateur qui a refusé, sans motif valable, de donner suite à une réaffectation ou à un rappel provisoire à l'activité décidé par l'organe de réaffectation créé par le Gouvernement ou qui ne satisfait pas à ses obligations en matière de reconduction des réaffectations et des rappels provisoires à l'activité perd le bénéfice de la subvention-traitement accordée au membre du personnel temporaire qui occupe l'emploi attribué à cette réaffectation ou à ce rappel provisoire à l'activité.
  § 4. Le Gouvernement adresse au pouvoir organisateur une mise en demeure par laquelle il l'invite, dans un délai de trente jours à dater de cette mise en demeure, à apporter la preuve qu'il ne se trouve plus dans un cas d'application des paragraphes 1 à 3. Le Gouvernement peut, par arrêté, déléguer cette compétence au ministre fonctionnellement compétent.
  Si, à l'échéance de ce délai de trente jours, le pouvoir organisateur n'a pas apporté la preuve de ce qu'il ne se trouve plus dans un des cas d'application des paragraphes 1 à 3, il perd, comme indiqué à ces paragraphes, le bénéfice de la subvention-traitement pour une période qui débute à échéance du délai de trente jours précité et qui court jusqu'au jour où le pouvoir organisateur a apporté la preuve qu'il ne se trouve plus dans un cas d'application des paragraphes 1 à 3.
  Une copie de la mise en demeure visée à l'alinéa 1 est notifiée au membre du personnel concerné.
  § 5. Le membre du personnel qui ne s'est pas présenté au pouvoir organisateur auprès duquel il a été réaffecté ou rappelé provisoirement à l'activité, perd le droit à toute subvention-traitement ou subvention-traitement d'attente à dater du jour où il aurait dû se présenter auprès de ce pouvoir organisateur. Le paiement de la subvention-traitement d'attente ou de la subvention-traitement sera rétabli à dater du jour où la (Commissions de gestion des emplois) aura donné gain de cause au membre du personnel qui aurait introduit un recours auprès d'elle.
Art. 102. Dit decreet treedt op 1 januari 1995 in werking.
Art. 102. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 1995.