Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
27 DECEMBER 1994. - Koninklijk besluit tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende [sociale en diverse bepalingen]. (KB 1997-06-25/33, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 03-07-1997) - (NOTA 1 : Opgeheven door KB 2001-12-19/39, art. 28, Inwerkingtreding : 01-01-2002. Dit koninklijk besluit blijft evenwel van toepassing op enkele indienstnemingen, zie art. 28 van het AR die opheft) - (NOTA 2 : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1994 en tekstbijwerking tot 29-01-2002)
Titre
27 DECEMBRE 1994. - Arrêté royal portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des [dispositions sociales et diverses]. (AR 1997-06-25/33, art. 1, 005; En vigueur : 03-07-1997) - (NOTE 1 : Abrogé par AR 2001-12-19/39, art. 28, En vigueur : 01-01-2002. Toutefois, cet arrêté royal reste d'application à certains engagements, voir art. 28 de l'AR abrogeant.) - (NOTE 2 : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1994 et mise à jour au 29-01-2002)
Informations sur le document
Numac: 1994012965
Datum: 1994-12-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994012965
Date: 1994-12-27
Moniteur: Voir
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. § 1. (De werkgever, bedoeld in Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, kan vrijgesteld worden van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid overeenkomstig artikel 3 van dit besluit, ten aanzien van de werknemer die op het tijdstip van de indienstneming behoort tot één van de volgende categorieën :
  1° de werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn;
  b) gedurende de twaalf of vierentwintig maanden, gerekend van datum tot datum, zonder onderbreking vergoede volledig werkloze zijn;) <KB 1995-03-30/36, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 11-04-1995>
  2° (de werkzoekenden die gedurende een ononderbroken periode van twaalf of vierentwintig maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, ingeschreven zijn als werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en die op het ogenblik van de indienstneming hetzij :
  a) het bestaansminimum genieten, bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
  b) financiële sociale bijstand genieten en :
  - ofwel ingeschreven zijn in het bevolkingsregister;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur;
  - ofwel beschikken over een verblijfsvergunning met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in zoverre de verlenging van de verblijfsvergunning onderworpen is aan de voorwaarde tewerkgesteld te zijn;
  - ofwel gerechtigd of toegelaten zijn, met toepassing van de artikelen 9 of 10 van voormelde wet van 15 december 1980, voor een bepaalde duur te verblijven in zoverre in de mogelijkheid van een verblijfsvergunning van onbepaalde duur uitdrukkelijk voorzien is.
  Worden gelijkgesteld met een periode van inschrijving als werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling :
  a) de periodes tijdens welke de werkzoekenden het bestaansminimum of financiële sociale bijstand, zoals bedoeld in het eerste lid, genoten;
  b) een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  c) een tewerkstelling in een doorstromingsprogramma met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  d) een tewerkstelling in een erkende arbeidspost met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
  e) een tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van Hoofdstuk VIII van Titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit.) <KB 2001-09-12/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 25-09-2001>
  3° (De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan een opleiding en/of een begeleiding van ten minste zes maanden hebben beëindigd in een onderneming voor het aanleren van een beroep, erkend en gesubsidieerd krachtens het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 16 september 1991 betreffende de erkenning en de subsidiëring van ondernemingen voor het aanleren van een beroep;
  b) geen diploma hebben van het hoger middelbaar onderwijs;
  c) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan niet meer dan 150 uren hebben gewerkt als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige. De activiteiten in het kader van de opleiding en/of begeleiding zoals bedoeld in a) worden niet meegerekend;
  4° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, deeltijds onderwijs hebben beëindigd in het kader van de deeltijdse leerplicht;
  b) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, niet meer dan 150 uren hebben gewerkt als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige. De activiteiten in het kader van de deeltijdse leerplicht worden niet meegerekend.
  Het verderzetten na het beëindigen van de deeltijdse leerplicht van een tewerkstelling die werd aangevat gedurende de deeltijdse leerplicht wordt gelijkgesteld met een indienstneming.
  5° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan een tewerkstelling van minstens zes maanden beëindigd hebben in het raam van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd voor deze jongeren;
  b) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan niet meer dan 150 uren hebben gewerkt als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige.
  De activiteiten in het kader van het voornoemde koninklijk besluit nr. 495 worden niet meegerekend.
  Het verderzetten van een tewerkstelling die werd aangevat in het kader van het voornoemd besluit nr. 495 wordt gelijkgesteld met een indienstneming;
  6° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, een opleiding of een tewerkstelling hebben beëindigd van minstens zes maanden in de projecten betreffende de partnershipovereenkomsten gesloten en gesubsidieerd krachtens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 27 juni 1991 houdende machtiging voor de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling tot het sluiten van partnershipovereenkomsten teneinde de kansen van bepaalde werkzoekenden om werk te vinden of terug werk te vinden, te vergroten in het kader van gecoördineerde beschikkingen voor socio-professionele inschakeling;
  b) geen diploma hebben van het hoger middelbaar onderwijs;
  c) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, niet meer dan 150 uren hebben gewerkt als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige. De activiteiten in het kader van de opleiding en/of tewerkstelling zoals bedoeld in a) worden niet meegerekend;) <KB 1995-03-30/36, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 11-04-1995>
  7° a) (op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven zijn als minder-valide bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap of het " Agence wallonne pour l'Intégration des personnes handicapées " of de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of de " Dienststelle der Deutssprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behindering sowie für die besondere soziale Fürsorge) <KB 1999-06-16/38, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 1999-04-01>
  b) tijdens de laatste zes maanden die de indienstneming voorafgaan, met meer dan 150 uren gewerkt hebben als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige;
  8° de werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, een tewerkstelling van minstens zes maanden hebben beëindigd in een inschakelingsbedrijf;
  Onder inschakelingsbedrijven worden verstaan de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, en die, als sociaal doel de socio-professionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van produktie van goederen of diensten.
  Onder bijzonder moeilijk te plaatsen werkzoekenden worden verstaan de werkzoekenden die op het ogenblik van hun indienstneming minstens twaalf maanden ingeschreven zijn als werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, die geen diploma van hoger secundair onderwijs hebben behaald en die gedurende de laatste twaalf maanden geen onderwijs met volledig leerplan genoten hebben, noch meer dan 150 uren hebben gewerkt als werknemer of één kwartaal als zelfstandige.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit;
  b) geen diploma hebben van hoger middelbaar onderwijs;
  c) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, geen onderwijs genoten hebben met volledig leerplan en niet meer dan 150 uren gewerkt hebben als werknemer of één kwartaal als zelfstandige.
  De tewerkstelling in het kader van een inschakelingsbedrijf zoals bedoeld in a) wordt niet meegerekend.
  9° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) op het ogenblik van de indienstneming de leeftijd van 30 jaar nog niet bereikt hebben;
  b) niet gerechtigd zijn op wachtuitkeringen omdat hij de in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering vereiste studies niet heeft beëindigd;
  c) gedurende de twaalf maanden, gerekend van datum tot datum, die de indienstneming voorafgaan, met uitzondering van de periodes bedoeld in d), ingeschreven geweest zijn als werkzoekende bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  d) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan niet meer dan 150 uren gewerkt hebben als loontrekkende of één kwartaal als zelfstandige;
  10° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de drie jaar die de indienstneming voorafgaan, werkloos geworden zijn in een tewerkstelling als loontrekkende met een ononderbroken duurtijd van minstens twaalf maanden en een arbeidsregeling die minder dan 18 uren per week bedraagt doch minstens één derde bedraagt van een voltijdse arbeidsregeling;
  b) gedurende de twaalf maanden, gerekend van datum tot datum, die de indienstneming voorafgaan, met uitzondering van de periodes bedoeld in c), ingeschreven geweest zijn als werkzoekende bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  c) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, niet meer dan 150 uren gewerkt hebben als werknemer of één kwartaal als zelfstandige.
  11° De werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) in de loop van de drie jaar die de indienstneming voorafgaan, als koopman failliet verklaard zijn of ingevolge faillissement van de vennootschap die hij bestuurde werkloos geworden zijn;
  b) gedurende de twaalf maanden, gerekend van datum tot datum, die de indienstneming voorafgaan, met uitzondering van de periodes bedoeld in c), ingeschreven geweest zijn als werkzoekende bij de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
  c) tijdens de laatste twaalf maanden die de indienstneming voorafgaan, niet meer dan 150 uren gewerkt hebben als werknemer of één kwartaal als zelfstandige.) <KB 1995-03-30/36, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  12° (de werkzoekenden die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigd volledig werkloze zijn;
  b) gedurende de 12 of 24 maanden, gerekend van datum tot datum, die aan de indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking vergoede volledig werkloze zijn;
  c) op het ogenblik van de indienstneming ouder zijn dan 45 jaar.) <KB 2000-07-18/30, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (13° de werkzoekenden die op het ogenblik van de indienstneming gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn;
  b) minder dan 25 jaar oud zijn;
  c) niet beschikken over een diploma, getuigschrift of attest van hoger middelbaar onderwijs;
  d) gedurende ten minste 9 maanden, gerekend van datum tot datum, zonder onderbreking vergoede volledig werkloze zijn.
  14° (de werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid.) <KB 2000-07-18/30, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  15° de personen die zich wensen terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) zij leveren het bewijs dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van 18 maanden, of ze tonen aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van hun arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
  b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens 24 maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
  c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende;
  d) (...) <KB 2000-07-18/30, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (16° de werkzoekenden die tewerkgesteld zijn in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's en die op het ogenblik van de indienstneming gelijktijdig de volgende voorwaarden vervullen :
  a) de leeftijd van 25 jaar nog niet bereikt hebben;
  b) niet beschikken over een diploma, getuigschrift of attest van hoger middelbaar onderwijs;
  c) ingeschreven zijn als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.) <KB 2000-07-18/30, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (Voor de toepassing van het eerste lid wordt de werkzoekende die aan de vermelde voorwaarden voldoet op het tijdstip van de aflevering van de banenkaart bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gelijkgesteld met de werkzoekende die deze voorwaarden vervult op het tijdstip van de indienstneming.) <KB 1995-03-30/36, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. (Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 1°, a, 12°, a en 13°, a) en 12°, a), wordt onder uitkeringsgerechtigde volledig werkloze verstaan : <KB 1998-08-10/31, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  1° de volledig werkloze die, op grond van artikel 100 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, werkloosheids- of wachtuitkeringen ontvangt als voltijdse werknemer;
  2° de volledig werkloze die, op grond van artikel 103 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 25 november 1991, werkloosheidsuitkeringen ontvangt als vrijwillig deeltijdse werknemer.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt de werkloze, die geen uitkeringen geniet ingevolge het feit dat hij vakantiegeld ontvangt, gelijkgesteld met de werkloze die uitkeringen geniet.
  § 3. (Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 1°, b, 12°, b en 13°, d), worden periodes, gedurende dewelke men uitkeringen in de zin van § 2 ontvangen heeft, beschouwd als periodes van vergoede volledige werkloosheid en worden volgende periodes daarmee gelijkgesteld : <KB 1998-08-10/31, art. 4, a), 006; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  1° de periodes, gelegen tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid, die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wets- of reglementsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
  2° de periodes van volledige werkloosheid, gedekt door vakantiegeld;
  3° de periodes van gevangenzetting tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid;
  4° de periodes van verblijf in het buitenland van een werknemer die samenwoont met een Belg, die werkzaam is in het kader van de stationering van de Belgische Strijdkrachten;
  5° de periodes van aanwezigheid onder de wapens, wegens oproeping of wederoproeping en van dienst als gewetensbezwaarde;
  6° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (...); <KB 2001-11-30/53, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2000>
  7° (de periodes van tewerkstelling als uitzendkracht, in geval van latere indienstneming door om het even welke gebruiker. Deze bepaling geldt slechts voor de periodes van tewerkstelling als uitzendkracht waarvoor de voordelen van dit besluit werden toegekend.) <KB 1995-03-30/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  8° de periodes van tewerkstelling in de projecten erkend en gesubsidieerd overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 houdende uitvoering van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen;
  9° de periodes van tewerkstelling in de projecten erkend en gesubsidieerd overeenkomstig artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
  10° de periodes van tewerkstelling in de tewerkstellingsprojecten erkend en gesubsidieerd overeenkomstig artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen;
  11° (de periodes van tewerkstelling in een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;) <KB 1997-06-25/33, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 03-07-1997>
  (12° de periodes van tewerkstelling in een erkende arbeidspost in toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;) <KB 1998-08-10/31, art. 4, b), 006; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  (13° (de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;) ) <KB 1998-08-10/31, art. 4, c), 006; Inwerkingtreding : 01-10-1998> <KB 1999-06-16/38, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 1999-04-01>
  14° (de periodes van tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit;) <KB 2001-11-30/51, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2000>
  (15° de andere niet-vergoede periodes, inzonderheid de periodes tijdens dewelke de werkzoekende verbonden is door een arbeidsovereenkomst, met een samengevoegde duur van ten hoogste vier maanden.) <KB 2001-11-30/51, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-2000>
  § 4. (Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 1°, b), 12°, b) en 13°, d) worden steeds als een onderbreking van de periodes van vergoede volledige werkloosheid beschouwd, de andere niet-vergoede periodes in de zin van § 3, 14°, waarvan de ononderbroken duur vier maanden overschrijdt, ongeacht of deze periode zich al dan niet volledig situeert in de periode bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, b), 12°, b) of 13°, d).) <KB 2000-07-18/30, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
Article 1. § 1er. (L'employeur visé au Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, peut bénéficier de l'exonération des cotisations patronales de sécurité sociale, conformément à l'article 3 du présent arrêté pour le travailleur qui, au moment de l'engagement, appartient à l'une des catégories suivantes :
  1° les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) être chômeur complet indemnisé au moment de l'engagement;
  b) avoir été chômeur complet indemnisé sans interruption pendant les douze ou vingt-quatre mois précédant l'engagement, calculés de date à date,) <AR 1995-03-30/36, art. 1, 002; En vigueur : 11-04-1995>
  2° (les demandeurs d'emploi qui sont inscrits sans interruption comme demandeurs d'emploi auprès d'un office régional de l'emploi pendant les douze ou vingt-quatre mois, calculés de date à date, précédant l'engagement, et qui, au moment de l'engagement, soit :
  a) bénéficient du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
  b) bénéficient de l'aide sociale financière et sont :
  - soit inscrits dans le registre de la population;
  - soit autorisés au séjour de durée illimitée;
  - soit autorisés au séjour en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi;
  - soit autorisés ou admis, en application des articles 9 ou 10 de la loi du 15 décembre 1980 précitée, au séjour de durée déterminée pour autant que la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée soit expressément prévue.
  Sont assimilées à une période d'inscription comme demandeur d'emploi auprès d'un office régional de l'emploi :
  a) les périodes pendant lesquelles les demandeurs d'emploi ont bénéficié du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'alinéa 1er;
  b) une occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
  c) une occupation dans un programme de transition professionnelle en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
  d) une occupation dans un poste de travail reconnu en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;
  e) une occupation dans les liens d'une convention de premier emploi en application du Chapitre VIII du Titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, d'un travailleur qui ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur.) <AR 2001-09-12/32, art. 1, 009; En vigueur : 25-09-2001>
  3° (Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, avoir terminé une formation et/ou un accompagnement d'au moins six mois dans une entreprise d'apprentissage professionnel agréée et subsidiée en vertu de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 16 septembre 1991 relatif à l'agrément et au subventionnement d'entreprises d'apprentissage professionnel;
  b) ne pas avoir un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
  c) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant. Les activités dans le cadre de la formation et/ou de l'accompagnement visés au point a) ne sont pas prises en considération;
  4° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, avoir terminé un enseignement à temps partiel dans le cadre de l'obligation scolaire à temps partiel, b) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant. Les activités dans le cadre de l'enseignement à temps partiel ne sont pas prises en considérations.
  La continuation d'une occupation qui a été commencée pendant la période de scolarité obligatoire à temps partiel après cette période est assimilée à un engagement.
  5° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, avoir terminé un emploi d'au moins six mois dans le cadre de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant diminution temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dans le chef de ces jeunes;
  b) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant.
  Les activités dans le cadre de l'arrêté royal n° 495 précité ne sont pas prises en considération.
  La continuation d'une occupation qui a été commencée dans le cadre de l'arrêté royal n° 495 précité est assimilée à un engagement;
  6° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, avoir terminé une formation ou une occupation d'au moins six mois dans les projets relatifs aux conventions de partenariat conclues et subsidiées en vertu de l'arrêté de l'Exécutif de la Région de Bruxelles-Capitale du 27 juin 1991 autorisant l'Office régional bruxellois de l'Emploi à conclure des conventions de partenariat en vue d'accroître les chances de certains demandeurs d'emploi de trouver ou de retrouver du travail dans le cadre de dispositifs coordonnés d'insertion socio-professionnelle;
  b) ne pas avoir un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;
  c) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant. Les activités dans le cadre de la formation et/ou d'une occupation visée au point a) ne sont pas prises en considération;) <AR 1995-03-30/36, art. 1, 002; En vigueur : 11-04-1995>
  7° a) (au moment de l'engagement être inscrits comme handicapé au " Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap " ou à l'Agence wallonne pour l'Intégration des personnes handicapées ou au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou au " Dienststelle der Deutssprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behindering sowie für die besondere soziale Fürsorge) <AR 1999-06-16/38, art. 1, 007; En vigueur : 1999-04-01>
  b) au cours des six derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant;
  8° les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, avoir terminé une occupation d'au moins six mois dans une entreprise d'insertion;
  On entend par entreprises d'insertion les entreprises et associations possédant la personnalité juridique, reconnues et subsidiées comme telles par l'autorité régionale ou communautaire, qui ont pour objet social l'insertion sociale et professionelle de demandeurs d'emploi particulièrement difficiles à placer, par le biais d'une activité productrice de biens ou de services.
  Par demandeurs d'emploi particulièrement difficiles à placer, il faut entendre les demandeurs d'emploi qui, au moment de leur engagement, étaient inscrits depuis au moins douze mois comme demandeurs d'emploi auprès d'un office régional de l'emploi, qui n'ont pas obtenu un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur et qui, au cours des douze derniers mois, n'ont pas bénéficié d'un enseignement de plein exercice ni travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant.
  Le Ministre de l'Emploi et du Travail reconnaît les entreprises d'insertion dans le cadre de cet arrêté;
  b) ne pas avoir un diplôme de l'enseignement secondaire supérieure;
  c) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir bénéficié d'un enseignement de plein exercice, et ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant. L'occupation dans le cadre d'une entreprise d'insertion visée au point a) n'est pas prise en considération.
  9° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) ne pas encore avoir atteint l'âge de 30 ans lors de l'engagement;
  b) ne pas avoir droit aux allocations d'attente parce qu'il n'a pas terminé les études requises à l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
  c) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, calculés de date à date, à l'exception des périodes visées sous d), avoir été inscrit en tant que demandeur d'emploi auprès du service régional de placement;
  d) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant;
  10° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des trois ans qui précèdent l'engagement, être devenu chômeur dans un emploi en tant que salarié d'une durée ininterrompue de douze mois au moins et soumis à un régime de travail qui compte moins de 18 heures par semaine mais correspond au moins à un tiers d'un régime de travail à temps plein;
  b) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, calculés de date à date, à l'exception des périodes visées sous c), avoir été inscrit en tant que demandeur d'emploi auprès du service régional de placement;
  c) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures comme salarié ou un trimestre comme indépendant;
  11° Les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) au cours des trois ans qui précèdent l'engagement, avoir été déclaré en faillite en tant que commerçant ou être devenu chômeur suite à la faillite de la société qu'il dirigeait;
  b) au cours des douze mois qui précèdent l'engagement, à compter de date à date, à l'exception des périodes visées sous c), avoir été inscrit en tant que demandeur d'emploi auprès du service régional de placement;
  c) au cours des douze derniers mois qui précèdent l'engagement, ne pas avoir travaillé plus de 150 heures en tant que travailleur ou un trimestre en tant qu'indépendant.) <AR 1995-03-30/36, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-1995>
  12° (les demandeurs d'emploi qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) être chômeur complet indemnisé au moment de l'engagement;
  b) avoir été chômeur complet indemnisé sans interruption pendant les 12 ou les 24 mois précédant l'engagement, calculés de date à date;
  c) avoir plus de 45 ans au moment de l'engagement.) <AR 2000-07-18/30, art. 1, 008; En vigueur : 01-07-2000>
  (13° Les demandeurs d'emploi qui au moment de l'engagement remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) être chômeur complet indemnisé;
  b) avoir moins de 25 ans;
  c) ne pas disposer d'un diplôme, d'un brevet ou d'une attestation de l'enseignement secondaire supérieur;
  d) avoir été chômeur complet indemnisé sans interruption pendant au moins 9 mois calculés de date à date.
  14° (les demandeurs d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou sur base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.) <AR 2000-07-18/30, art. 1, 008; En vigueur : 01-07-2000>
  15° Les personnes désirant se réinsérer sur le marché de l'emploi et qui remplissent simultanément les conditions suivantes :
  a) ils apportent la preuve qu'ils ont, à un certain moment au cours de leur carrière professionnelle, prestés 312 journées de travail ou de journées assimilées dans le sens de la réglementation chômage au cours d'une période de 18 mois, ou qu'ils ont bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur base de leurs prestations de travail, en dehors de la période visée sous b);
  b) au moment de l'engagement, ils n'ont pas pendant une période d'au moins 24 mois sans interruption bénéficié d'allocations de chômage ni effectué des prestations de travail comme salarié ou indépendant;
  c) au moment de l'engagement, ils sont inscrits comme demandeurs d'emploi;
  d) (...) <AR 2000-07-18/30, art. 1, 008; En vigueur : 01-07-2000>
  (16° les demandeurs d'emploi occupés dans un programme de transition professionnelle en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle et qui remplissent simultanément les conditions suivantes au moment de l'engagement :
  a) ne pas encore avoir atteint l'âge de 25 ans;
  b) ne pas disposer d'un diplôme, d'un brevet ou d'une attestation de l'enseignement secondaire supérieur;
  c) être inscrits comme demandeurs d'emploi auprès de l'office régional de l'emploi compétent.) <AR 2000-07-18/30, art. 1, 008; En vigueur : 01-07-2000>
  (Pour l'application du premier alinéa, le demandeur d'emploi qui remplit les conditions mentionnées au moment de la délivrance de la carte d'embauche visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, est assimilé au demandeur d'emploi qui remplit ces conditions au moment de l'engagement.) <AR 1995-03-30/36, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-1995>
  § 2. (Pour l'application du § 1er, alinéa 1er, 1°, a, 12°, a et 13° a), on entend par chômeur complet indemnisé; <AR 1998-08-10/31, art. 3, 006; En vigueur : 01-10-1998>
  1° le chômeur complet qui, en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, percoit des allocations de chômage ou d'attente en tant que travailleur à temps plein;
  2° le chômeur complet qui, en vertu de l'article 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné percoit des allocations de chômage en tant que travailleur à temps partiel volontaire.
  Pour l'application de l'alinéa précédent, le chômeur qui ne percoit pas d'allocations parce qu'il percoit un pécule de vacances est assimilé à un chômeur percevant des allocations.
  § 3. (Pour l'application du § 1er, alinéa 1er, 1°, b, 12°, b et 13°, d), les périodes au cours desquelles des allocations au sens du § 2 ont été percues, sont considérées comme des périodes de chômage complet indemnisé. Les périodes suivantes y sont en outre assimilées : <AR 1998-08-10/31, art. 4, a), 006; En vigueur : 01-10-1998>
  1° les périodes, au cours d'une période de chômage complet indemnisé, qui ont donné lieu au paiement d'une allocation par application des dispositions réglementaires ou légales en matière d'assurance obligatoire contre la maladie ou l'invalidité ou en matière d'assurance-maternité;
  2° les périodes de chômage complet couvertes par un pécule de vacances;
  3° les périodes d'emprisonnement au cours d'une période de chômage complet indemnisé;
  4° les périodes de résidence à l'étranger d'un travailleur cohabitant avec un(e) Belge occupé dans le cadre du stationnement des Forces belges;
  5° les périodes d'appel sous les drapeaux, de service accompli en qualité d'objecteur de conscience;
  6° les périodes du stage d'attente au sens de l'article 36, § 1er, premier alinéa, 4°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné, au cours desquelles le demandeur d'emploi n'est pas lié par un contrat de travail soumis à la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs (...); <AR 2001-11-30/53, art. 7, 008; En vigueur : 01-04-2000>
  7° (les périodes d'occupation en tant qu'intérimaire, en cas d'engagement ultérieur par n'importe quel utilisateur. Cette disposition ne s'applique que pour les périodes d'occupation en tant qu'intérimaire pour lesquels les avantages du présent arrêté ont été accordés.) <AR 1995-03-30/36, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-1995>
  8° les périodes d'occupation dans les projets agréés et subsidiés conformément à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant exécution de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux;
  9° les périodes d'occupation dans les projets agréés et subsidiés conformément à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant généralisation du régime des contractuels subventionnés;
  10° les périodes d'occupation dans les projets de mise au travail agréés et subsidiés conformément à l'article 6 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant généralisation du régime des contractuels subventionnés;
  11° (les périodes d'occupation dans un programme de transition professionnelle en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;) <AR 1997-06-25/33, art. 3, 005; En vigueur : 03-07-1997>
  (12° les périodes d'occupation dans un poste de travail reconnu en application de l'arrêté royal du 8 août 1997 d'exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, relatif à la réinsertion professionnelle des chômeurs de longue durée;) <AR 1998-08-10/31, art. 4, b), 006; En vigueur : 01-10-1998>
  (13° (les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;) ) <AR 1998-08-10/31, art. 4, c), 006; En vigueur : 01-10-1998> <AR 1999-06-16/38, art. 2, 007; En vigueur : 1999-04-01>
  14° (les périodes d'occupation dans les liens d'une convention de premier emploi en application du chapitre VIII du titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, d'un travailleur qui ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur;) <AR 2001-11-30/51, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-2000>
  (15° les autres périodes non indemnisées, notamment les périodes au cours desquelles le travailleur est lié par un contrat de travail, totalisant au maximum quatre mois.) <AR 2001-11-30/51, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-2000>
  § 4. (Pour l'application du § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 12°, b) et 13°, d) sont toujours considérées comme interruption de la période de chômage complet indemnisé, les autres périodes non indemnisées dans le sens du § 3, 14°, dont la durée ininterrompue dépasse quatre mois, indépendamment du fait que cette période se situe entièrement ou non dans la période visée au § 1er, alinéa 1er, 1°, b), 12°, b) ou 13°, d).) <AR 2000-07-18/30, art. 3, 008; En vigueur : 01-07-2000>
Art. 2. In afwijking van artikel 1 komen de volgende werknemers niet in aanmerking voor een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid :
  1° de werknemers die worden aangeworven vanaf het ogenblik dat zij zich in een statutaire toestand bevinden;
  2° de werknemers die worden aangeworven als leden van het academischen wetenschappelijk personeel door de instellingen van universitair onderwijs of als leden van het onderwijzend personeel in de andere onderwijsinstellingen;
  3° (de werknemers die worden aangeworven door :
  a) het Rijk, met daarinbegrepen de Rechterlijke Macht, de Raad van State, het leger en de rijkswacht, met uitzondering van de werknemers die worden aangeworven in een doorstromingsprogramma, in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
  b) de Gemeenschappen en de Gewesten met uitzondering van de onderwijsinstellingen voor de werknemers die niet bedoeld worden onder 1° en 2° en met uitzondering van de werknemers die worden aangeworven in een doorstromingsprogramma, in toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 9 juni 1997;
  c) de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie met uitzondering van de werknemers die worden aangeworven in een doorstromingsprogramma, in toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 9 juni 1997;
  d) de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen die onder het toezicht vallen van de onder a), b) en c) voornoemde instellingen, met uitzondering van : de openbare kredietinstellingen; de autonome overheidsbedrijven; de openbare maatschappijen voor personenvervoer; de openbare instellingen voor het personeel dat zij als uitzendkrachten aanwerven om het ter beschikking te stellen van gebruikers met het oog op het uitvoeren van een tijdelijke arbeid, overeenkomstig de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers; de onderwijsinstellingen voor de werknemers die niet bedoeld worden onder 1° en 2°; en de werknemers die worden aangeworven in een doorstromingsprogramma, in toepassing van het voornoemde koninklijk besluit van 9 juni 1997.) <KB 1997-06-25/33, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 03-07-1997>
  (4° de werknemers waarvan na klacht vastgesteld wordt, dat de aanwerving gebeurde ter vervanging en in eenzelfde functie van een werknemer ontslagen met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit koninklijk besluit te bekomen. Het toezicht gebeurt door de hierna vermelde Inspecties waarvan de bevoegdheden zijn bepaald bij de wet van 16 november 1972 betreffende de Arbeidsinspectie :
  1. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
  2. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg;
  3. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  4. de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerst-aanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1ste klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
  Het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beslist op basis van het rapport van deze Inspecties.) <KB 1995-03-30/36, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 11-04-1995>
Art. 2. Par dérogation à l'article 1er, les travailleurs suivants n'entrent pas en ligne de compte pour une exonération des cotisations patronales de sécurité sociale :
  1° les travailleurs qui sont engagés à partir du moment où ils se trouvent dans une situation statutaire;
  2° les travailleurs qui sont engagés en tant que membres du personnel académique et scientifique par les institutions d'enseignement universitaire ou en tant que membres du personnel enseignant dans les autres institutions d'enseignement;
  3° (les travailleurs qui sont engagés par :
  a) l'Etat, y compris le Pouvoir judiciaire, le Conseil d'Etat, l'armée et la gendarmerie à l'exception des travailleurs engagés dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal du 9 juin 1997 en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 3, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
  b) les Communautés et les Régions à l'exception des établissements d'enseignement pour les travailleurs qui ne sont pas visés sous 1° et 2° et à l'exception des travailleurs engagés dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal précité du 9 juin 1997;
  c) la Commission communautaire flamande, la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune à l'exception des travailleurs engagés dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal précité du 9 juin 1997;
  d) les organismes d'intérêt public et les institutions publiques qui tombent sous l'autorité des institutions précitées sous a), b) et c), à l'exception : des institutions publiques de crédit; des entreprises publiques autonomes; des sociétés publiques de transport de personnes; des institutions publiques pour le personnel qu'elles engagent en tant qu'intérimaires pour les mettre à la disposition d'utilisateurs en vue de l'exécution d'un travail temporaire, conformément à la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs; les établissements d'enseignement pour les travailleurs qui ne sont pas visés sous 1° et 2°; et les travailleurs engagés dans un programme de transition professionnelle, en application de l'arrêté royal précité du 9 juin 1997.) <AR 1997-06-25/33, art. 5, 005; En vigueur : 03-07-1997>
  (4° les travailleurs, dont il a été constaté après une plainte, que l'engagement a été fait en remplacement et dans une même fonction d'un travailleur licencié, avec comme but principal d'obtenir les avantages du présenté arrêté. La surveillance est effectuée par les inspections mentionnées ci-après dont les compétences sont fixées par la loi du 16 novembre 1972 sur l'inspection du travail :
  1. les inspecteurs et inspecteurs-adjoints de l'Administration de la réglementation et des relations du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
  2. les inspecteurs et inspecteurs-adjoints de l'Inspection sociale du Ministère de la Prévoyance sociale;
  3. les inspecteurs et inspecteurs-adjoints de l'Office national de sécurité sociale;
  4. les contrôleurs en chef, les contrôleurs et les contrôleurs-adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteursadjoints principaux, les inspecteurs-adjoints de 2e classe et les inspecteurs-adjoints de 1ère classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi.
  Le Comité de gestion de l'Office national de Sécurité sociale décide sur base du rapport de ces inspections.) <AR 1995-03-30/36, art. 3, 002; En vigueur : 11-04-1995>
Art. 3. De vrijstelling van de werkgeversbijdrage, bedoeld in Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen, ten voordele van de werkgever die een werknemer, bedoeld in artikel 1, in dienst neemt, bedraagt :
  1° (voor de werkzoekenden die gedurende de twaalf maanden, die aan de indienstneming voorafgaan, voldoen aan de voorwaarden inzake de vergoede werkloosheidsduur of inzake de inschrijvingsduur als werkzoekende indien zij het bestaansminimum of financiële sociale bijstand genieten, zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 2°, evenals voor de werkzoekenden bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 3° tot en met 11° en 13° tot en met 16° :
  - 75 % vanaf de indienstneming tot het einde van het vierde kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad;
  - 50 % gedurende het vijfde tot en met het achtste kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad.) <KB 2001-09-12/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 25-09-2001>
  2° (voor de werkzoekenden die gedurende de vierentwintig maanden, die aan de indienstneming voorafgaan, voldoen aan de voorwaarden inzake de vergoede werkloosheidsduur of inzake de inschrijvingsduur als werkzoekende indien zij het bestaansminimum of de financiële sociale bijstand genieten, zoals bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 2° :
  - 100 % vanaf de indienstneming tot het einde van het vierde kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad;
  - 75 % gedurende het vijfde tot en met het achtste kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad.) <KB 2001-09-12/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 25-09-2001>
  3° (Voor de werkzoekende bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 12° en die
  a) op het ogenblik van de indienstneming ten minste 12 maanden zonder onderbreking vergoede volledig werkloze is :
  - 75 % vanaf de indienstneming tot het einde van het vierde kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad;
  - 50 % vanaf het vijfde kwartaal tot en met het vierentwintigste kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad;
  b) op het ogenblik van de indienstneming ten minste 24 maanden zonder onderbreking vergoede volledig werkloze is :
  - 100 % vanaf de indienstneming tot het einde van het vierde kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad;
  - 75 % vanaf het vijfde kwartaal tot en met het vierentwintigste kwartaal volgend op dat waarin de indienstneming heeft plaatsgehad.) <KB 2000-07-18/30, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (Wanneer een werkgever een werkzoekende in dienst neemt die hij als gebruiker via een uitzendbureau tewerkgesteld heeft, is het percentage van de vrijstelling evenwel gelijk aan het percentage geldend voor de recentste tewerkstelling als uitzendkracht waarvoor de voordelen van dit besluit werden toegekend en is de aanvangsdatum van de periode van vrijstelling, deze die gold voor de voormelde tewerkstelling als uitzendkracht.) <KB 1995-03-30/36, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  Het vorige lid is slechts van toepassing als het toekennen van de voordelen, bedoeld in het eerste lid, mogelijk is door de toepassing van de gelijkstelling van een tewerkstelling via een uitzendbureau met een periode van vergoede volledige werkloosheid zoals bedoeld in artikel 1, § 3, eerste lid, 7°.
  Wanneer de werkgever de termijn, bedoeld in artikel 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen, niet respecteert, wordt, in afwijking van de vorige leden, de periode gedurende dewelke de werkgever van de vrijstelling kan genieten, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige terugzending van de banenkaart, bedoeld in artikel 1 van het bovenvermeld koninklijk besluit van 23 december 1994.
Art. 3. L'exonération de la cotisation patronale visée au Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales, pour l'employeur qui engage un travailleur visé à l'article 1er, s'élève à :
  1° (pour les demandeurs d'emploi qui remplissent, au cours des douze mois précédant l'engagement, les conditions en matière de durée de chômage indemnisé ou de durée d'inscription comme demandeurs d'emploi s'ils bénéficient du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, 2°, ainsi que pour les demandeurs d'emploi visés à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, 3° jusqu'au 11° et 13° jusqu'au 16°y compris :
  - 75 % à partir de l'engagement jusqu'à la fin du quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu;
  - 50 % au cours du cinquième au huitième trimestre y compris suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu.) <AR 2001-09-12/32, art. 2, 009; En vigueur : 25-09-2001>
  2° (pour les demandeurs d'emploi qui remplissent, au cours des vingt-quatre mois précédant l'engagement, les conditions en matière de durée de chômage indemnisé ou de durée d'inscription comme demandeurs d'emploi s'ils bénéficient du minimum de moyens d'existence ou de l'aide sociale financière, visés à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, 2° :
  - 100 % à partir de l'engagement jusqu'à la fin du quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu;
  - 75 % au cours du cinquième au huitième trimestre y compris suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu.) <AR 2001-09-12/32, art. 2, 009; En vigueur : 25-09-2001>
  3° (Pour le demandeur d'emploi visé à l'article 1er, § 1er, alinéa 1er, 12°, et qui
  a) a été chômeur complet indemnisé depuis au moins 12 mois au moment de l'engagement :
  - 75 % à partir de l'engagement jusqu'à la fin du quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu;
  - 50% à partir du cinquième trimestre jusqu'au vingt-quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu;
  b) a été chômeur complet indemnisé depuis au moins 24 mois au moment de l'engagement :
  - 100 % à partir de l'engagement jusqu'à la fin du quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu;
  - 75 % à partir du cinquième trimestre jusqu'au vingt-quatrième trimestre suivant celui au cours duquel l'engagement a eu lieu.) <AR 2000-07-18/30, art. 5, 008; En vigueur : 01-07-2000>
  (Lorsque l'employeur engage un demandeur d'emploi qu'il a occupé auparavant en tant qu'utilisateur via un bureau d'intérim, le pourcentage de l'exonération est égal au pourcentage valable pour l'occupation comme intérimaire la plus récente pour laquelle les avantages du présent arrêté ont été accordés et la date de début de la période de l'exonération est la date qui était valable pour l'occupation comme intérimaire précitée.) <AR 1995-03-30/36, art. 4, 002; En vigueur : 01-01-1995>
  L'alinéa précédent ne s'applique que si l'octroi des avantages visés à l'alinéa précédent est possible par application de l'assimilation d'un emploi via un bureau d'intérim à une période de chômage complet indemnisé, telle que visée à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, 7°.
  Lorsque l'employeur ne respecte pas le délai visé à l'article 2, alinéa 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 portant exécution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales, la période au cours de laquelle l'employeur peut bénéficier de l'exonération est diminuée, par dérogation aux alinéas précédents, d'une période débutant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre où se situe la date du dernier envoi de la carte d'embauche, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1994 susmentionné.
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van Hoofdstuk II van Titel IV van de bovenvermelde wet van 21 december 1994.
  (Deze bepalingen zijn van toepassing op indienstnemingen die plaatsvinden vanaf 1 januari 1995.) <KB 2001-09-12/32, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-12-2000>
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 décembre 1994 susmentionnée.
  (Ces dispositions s'appliquent aux engagements réalisés à partir du 1er janvier 1995.) <AR 2001-09-12/32, art. 3, 009; En vigueur : 01-12-2000>
Art. 5. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 27 december 1994.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
  Mevr. M. SMET
  De Minister van Sociale Zaken,
  Mevr. M. DE GALAN
Art. 5. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail et Notre Ministre des Affaires sociales, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 27 décembre 1994.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre de l'Emploi et du Travail,
  Mme M. SMET
  La Ministre des Affaires sociales,
  Mme M. DE GALAN