Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 FEBRUARI 1994. - Wet houdende regeling van een procedure voor de bemiddeling in strafzaken.
Titre
10 FEVRIER 1994. - Loi organisant une procédure de médiation pénale.
Informations sur le document
Numac: 1994009323
Datum: 1994-02-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994009323
Date: 1994-02-10
Moniteur: Voir
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel 1. Artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984, wordt gewijzigd als volgt :
  A. Paragraaf 1, eerste lid,-Wordt vervangen als volgt :
  " De procureur des Konings kan, indien hij meent voor een misdrijf dat hetzij met geldboete, hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar, hetzij met die beide straffen, strafbaar is, enkel geldboete of enkel geldboete met verbeurdverklaring te moeten vorderen, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en de Registratie en Domeinen. "
  B. Paragraaf 1, tweede lid, tweede volzin, wordt vervangen als volgt :
  " Die termijn is ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden; deze laatste termijn kan op zes maanden worden gebracht voor een wanbedrijf, wanneer bijzondere omstandigheden het wettigen. "
  C. In hetzelfde artikel wordt een § 4 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 4. De eventueel aan een ander veroorzaakte schade dient geheel vergoed te zijn vooraleer de schikking kan worden voorgesteld. De schikking kan evenwel ook worden voorgesteld op voorwaarde dat de dader in een geschrift zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het schadeverwekkende feit heeft erkend en hij het bewijs heeft geleverd van de vergoeding van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan. In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde rechtbank. In dat geval is het aanvaarden van de minnelijke schikking door de dader een onweerlegbaar vermoeden van fout. "
  D. Paragraaf 1, laatste lid, van hetzelfde artikel wordt § 5. "
Article 1. L'article 216bis du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 28 juin 1984, est modifié comme suit :
  A. Le paragraphe 1er, premier alinéa, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Lorsque le procureur du Roi estime, pour une infraction punissable, soit d'une amende, soit d'une peine d'emprisonnement dont le maximum ne dépasse pas cinq ans, soit de l'une et l'autre de ces peines, ne devoir requérir qu'une amende ou une amende et la confiscation, il peut inviter l'auteur de l'infraction à verser une somme à l'Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines. "
  B. La deuxième phrase du deuxième alinéa du paragraphe 1er est remplacée par la disposition suivante :
  " Ce délai est de quinze jours au moins et de trois mois au plus; ce dernier délai peut être porté à six mois en cas de délit, lorsque des circonstances particulières le justifient ".
  C. Dans le même article est inséré un § 4 rédigé comme suit :
  " § 4. Le dommage éventuellement cause à autrui doit être entièrement réparé avant que la transaction puisse être proposée. Toutefois, elle pourra aussi être proposée si l'auteur a reconnu par écrit, sa responsabilité civile pour le fait générateur du dommage, et produit la preuve de l'indemnisation de la fraction non contestée du dommage et des modalités de règlements de celui-ci. En tout Etat de cause, la victime pourra faire valoir ses droits devant le tribunal compétent. Dans ce cas, l'acceptation de la transaction par l'auteur constitue une présomption irréfragable de sa faute. "
  D. Le huitième alinéa du paragraphe 1er, du même article devient le § 5.
Art. 2. § 1. In boek II, titel I, van het Wetboek van Strafvordering wordt het opschrift van hoofdstuk III, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984, vervangen als volgt : " Hoofdstuk III. Bepalingen betreffende het verval van de strafvordering voor sommige misdrijven onder bepaalde voorwaarden. "
  § 2. In boek II, titel I, hoofdstuk III van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en gewijzigd bij de wet van 22 december 1989 wordt een artikel 216ter ingevoegd, luidende :
  " Artikel 216ter. § 1. De procureur des Konings kan, onverminderd de bevoegdheid hem toegekend door artikel 216bis, de dader van een misdrijf oproepen en, voor zover het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, hem verzoeken de door het misdrijf veroorzaakte schade te vergoeden of te herstellen en hem het bewijs hiervan voor te leggen. In voorkomend geval roept hij ook het slachtoffer op en bemiddelt hij over de schadevergoeding en de regeling ervan.
  Wanneer de dader van het misdrijf zich voor het misdrijf op een ziekteverschijnsel beroept of op een drank- of drugsverslaving, kan de procureur des Konings hem verzoeken een geneeskundige behandeling of iedere andere passende therapie te volgen en hem hiervan op geregelde tijdstippen het bewijs te leveren gedurende een termijn die zes maanden niet mag overschrijden.
  Hij kan ook nadat hij een maatschappelijk onderzoek heeft laten verrichten de dader verzoeken in te stemmen met de uitvoering van een dienstverlening of met het volgen van een bepaalde vorming van ten hoogste 120 uren binnen een termijn die hij bepaalt. Deze termijn is ten minste een maand en ten hoogste zes maanden.
  De tenuitvoerlegging van de dienstverlening geschiedt volgens de regels bepaald in de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie en volgens de besluiten tot uitvoering van die wet.
  § 2. Wanneer het misdrijf kosten van analyse of van deskundig onderzoek heeft veroorzaakt kunnen de maatregelen bedoeld in § 1 slechts worden voorgesteld mits de dader zich ook heeft verbonden deze kosten te zullen betalen binnen de termijn bepaald door de procureur des Konings.
  § 3. Wanneer bijzondere verbeurdverklaring kan worden toegepast, verzoekt de procureur des Konings de dader van het misdrijf binnen een bepaalde termijn afstand te doen van de in beslag genomen voorwerpen die zijn eigendom zijn; indien bedoelde voorwerpen niet in beslag zijn genomen, kan de procureur des Konings de dader verzoeken deze af te geven op een bepaalde plaats.
  § 4. De strafvordering vervalt wanneer de dader voldaan heeft aan alle door hem aanvaarde voorwaarden.
  Het verval van de strafvordering doet geen afbreuk aan de rechten van gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer of van slachtoffers die niet betrokken werden in de procedure zoals voorzien in § 1 : tegenover hen wordt de fout van de dader als onweerlegbaar vermoed.
  § 5. De paragrafen 2 en 3 van artikel 216bis zijn van toepassing.
  § 6. Naar aanleiding van zijn oproeping door de procureur des Konings voor de toepassing van het huidige artikel, kan de dader zich laten bijstaan door een advocaat; hij kan zich niet laten vertegenwoordigen. "
  Het slachtoffer kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat. "
Art. 2. § 1er. Dans le livre II, titre Ier, du Code d'instruction criminelle, l'intitulé du chapitre III inséré par la loi du 28 juin 1984 est remplacé par l'intitulé suivant : " Chapitre III. Dispositions relatives à l'extinction de l'action publique pour certaines infractions, moyennant la réalisation de certaines conditions. "
  § 2. Dans le livre II, titre Ier, chapitre III, du même Code, inséré par la loi du 28 juin 1984 et modifié par la loi du 22 décembre 1989, il est inséré un article 216ter rédigé comme suit :
  " Article 216ter. § 1er. Le procureur du Roi peut, sans préjudice des pouvoirs que lui attribue l'article 216bis, convoquer l'auteur d'une infraction et, pour autant que le fait ne paraisse pas être de nature à devoir être puni d'un emprisonnement correctionnel principal de plus de deux ans ou d'une peine plus lourde, l'inviter à indemniser ou réparer le dommage causé par l'infraction et à lui en fournir la preuve. Le cas échéant, le procureur du Roi convoque également la victime et organise une Médiation sur l'indemnisation ainsi que sur ses modalités.
  Lorsque l'auteur de l'infraction invoque comme cause de l'infraction la circonstance d'une maladie ou d'une assuétude à l'alcool ou aux stupéfiants, le procureur du Roi peut l'inviter à suivre un traitement médical ou tout autre thérapie adéquate, et à en fournir périodiquement la preuve durant un délai qui ne peut excéder six mois.
  Il peut également, après avoir fait procéder à une enquête sociale, inviter l'auteur de l'infraction à exécuter un travail d'intérêt général, ou à suivre une formation déterminée d'une durée de 120 heures au plus dans le délai qu'il fixe. Ce délai est d'au moins un mois et de six mois au plus.
  L'exécution de ce travail d'intérêt général se fait conformément aux règles fixées par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation et les arrêtés d'exécution de cette loi.
  § 2. Lorsque l'infraction a donné lieu à des frais d'analyse ou d'expertise, les mesures visées au § 1er ne peuvent être proposées que si l'auteur s'engage à payer les frais dans le délai fixé par le procureur du Roi.
  § 3. Lorsqu'une confiscation spéciale peut être appliquée, le procureur du Roi invite l'auteur de l'infraction à abandonner dans un délai déterminé, les objets saisis qui lui appartiennent; si ceux-ci n'ont pas été saisis, le procureur du Roi peut inviter l'auteur à les remettre à un endroit déterminé.
  § 4. Lorsque l'auteur de l'infraction a satisfait à toutes les conditions, acceptées par lui, l'action publique est éteinte.
  L'extinction de l'action publique ne porte pas préjudice aux droits des personnes subrogées dans les droits de la victime, ou des victimes qui n'ont pas été associées à la procédure prévue au § 1er : à leur égard, la faute de l'auteur de l'infraction est présumée irréfragablement.
  § 5. Les paragraphes 2 et 3 de l'article 216bis, sont d'application.
  § 6. L'auteur de l'infraction, convoqué par le procureur du Roi en exécution du présent article, peut se faire assister par un avocat; il ne peut pas se faire représenter. "
  La victime peut se faire assister ou représenter par un avocat. "
Art. 3. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 04-11-1994 door KB van 24-10-1994)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekend gemaakt.
  Gegeven te Brussel, 10 februari 1994.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  M. WATHELET
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. WATHELET
Art. 3. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  (NOTE : entrée en vigueur fixée au 04-11-1994, par AR du 24-10-1994)
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 10 février 1994.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Justice,
  M. WATHELET
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  M. WATHELET