Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 MEI 1994. - Koninklijk besluit over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-02-1995 en tekstbijwerking tot 07-05-2019)
Titre
26 MAI 1994. - Arrêté royal relatif à la perception et à la bonification du précompte mobilier conformément au chapitre Ier de la loi du 6 août 1993 relative aux opérations sur certaines valeurs mobilières (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-02-1995 et mise à jour au 07-05-2019)
Informations sur le document
Numac: 1994003344
Datum: 1994-05-26
Info du document
Numac: 1994003344
Date: 1994-05-26
Tekst (30)
Texte (30)
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wort verstaan onder de wet, de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par la loi, la loi du 6 août 1993 relative aux opérations sur certaines valeurs mobilières.
Art.2. De categorieën effecten die op rekening bij een in artikel 1, 1° van de wet bedoeld vereffeningsstelsel kunnen worden aangehouden, zijn [1 de hierna opgesomde vastrentende effecten, in de zin van artikel 2, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :]1
§ 1. 1° de effecten van de Belgische Staatsschuld;
2° de effecten van de schuld van de Belgische Gemeenschappen, Gewesten, provincies en gemeenten evenals van de Belgische openbare instellingen en instellingen van openbaar nut;
3° de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en de gedematerialiseerde depositobewijzen bedoeld in de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen, uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
4° de andere [1 ...]1 effecten uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 2. [1 De hierna vermelde effecten die uitgegeven zijn]1 in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) mits zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een rekening, bedoeld in artikel 1, 4° van de wet, en de inkomsten van bedoelde effecten uitsluitend in België betaalbaar worden gesteld : <KB 1996-05-07/46, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
1° de (niet onder § 1, 1° tot 3°) bedoelde gedematerialiseerde thesaurie bewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen; <KB 1996-12-11/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
2° de [1 de Europese Economische Ruimte]1 effecten uitgegeven door een schuldenaar, gevestigd in een Lidstaat van de Europese Gemeenschap, mits de effecten ofwel genoteerd zijn aan een effectenbeurs, ofwel uitgegeven zijn door bemiddeling van [1 één van de bemiddelaars gevestigd in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van artikel 2, 10° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;]1
3° de [1 ...]1 effecten, uitgegeven of gewaarborgd door instellingen of organen van [1 de Europese Economische Ruimte]1, de centrale, regionale of lokale overheden van vreemde Staten of de internationale instellingen waarvan België deel uitmaakt.
§ 3. 1° de niet onder § 2, 2° en 3° bedoelde [1 effecten]1 met inkomsten van buitenlandse oorsprong;
2° de in §§ 1 en 2 [1 bedoelde effecten]1, andere dan de effecten van de Belgische Staatsschuld, die één van de hierna vermelde kenmerken vertonen :
- de schuldbewijzen met een looptijd van meer dan 1 jaar, die in opeenvolgende tranches worden uitgegeven, indien het actuariële rendement van een tranche meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuariële rendement bij de oorspronkelijke uitgifte tot aan de vervaldag van terugbetaling;
- de schuldbewijzen die op verzoek van de belegger vervroegd terugbetaalbaar zijn indien, bij uitoefening van dat recht, het actuarieel rendement meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuarieel rendement bij uitgifte tot aan de eindvervaldag;
- de schuldbewijzen, bedoeld in artikel 9 met een looptijd van meer dan 5 jaar, tenzij de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde een afwijking verleent.
§ 4. [1 ...]1
§ 1. 1° de effecten van de Belgische Staatsschuld;
2° de effecten van de schuld van de Belgische Gemeenschappen, Gewesten, provincies en gemeenten evenals van de Belgische openbare instellingen en instellingen van openbaar nut;
3° de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en de gedematerialiseerde depositobewijzen bedoeld in de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen, uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
4° de andere [1 ...]1 effecten uitgegeven door belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting evenals deze door belastingplichtigen, onderworpen aan de belasting van niet-inwoners, mits de inkomsten uitsluitend worden toegerekend op de resultaten van een Belgische inrichting in de zin van artikel 229, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 2. [1 De hierna vermelde effecten die uitgegeven zijn]1 in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) mits zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een rekening, bedoeld in artikel 1, 4° van de wet, en de inkomsten van bedoelde effecten uitsluitend in België betaalbaar worden gesteld : <KB 1996-05-07/46, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
1° de (niet onder § 1, 1° tot 3°) bedoelde gedematerialiseerde thesaurie bewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen; <KB 1996-12-11/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
2° de [1 de Europese Economische Ruimte]1 effecten uitgegeven door een schuldenaar, gevestigd in een Lidstaat van de Europese Gemeenschap, mits de effecten ofwel genoteerd zijn aan een effectenbeurs, ofwel uitgegeven zijn door bemiddeling van [1 één van de bemiddelaars gevestigd in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van artikel 2, 10° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;]1
3° de [1 ...]1 effecten, uitgegeven of gewaarborgd door instellingen of organen van [1 de Europese Economische Ruimte]1, de centrale, regionale of lokale overheden van vreemde Staten of de internationale instellingen waarvan België deel uitmaakt.
§ 3. 1° de niet onder § 2, 2° en 3° bedoelde [1 effecten]1 met inkomsten van buitenlandse oorsprong;
2° de in §§ 1 en 2 [1 bedoelde effecten]1, andere dan de effecten van de Belgische Staatsschuld, die één van de hierna vermelde kenmerken vertonen :
- de schuldbewijzen met een looptijd van meer dan 1 jaar, die in opeenvolgende tranches worden uitgegeven, indien het actuariële rendement van een tranche meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuariële rendement bij de oorspronkelijke uitgifte tot aan de vervaldag van terugbetaling;
- de schuldbewijzen die op verzoek van de belegger vervroegd terugbetaalbaar zijn indien, bij uitoefening van dat recht, het actuarieel rendement meer dan 0,75 punten hoger is dan het actuarieel rendement bij uitgifte tot aan de eindvervaldag;
- de schuldbewijzen, bedoeld in artikel 9 met een looptijd van meer dan 5 jaar, tenzij de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde een afwijking verleent.
§ 4. [1 ...]1
Modifications
Art.2. Les catégories de valeurs mobilières qui peuvent être détenues auprès d'un système de liquidation visé à l'article 1er, 1° de la loi, sont [1 les titres à revenus fixes, au sens de l'article 2, § 1er, 8°, du Code des impôts sur les revenus 1992, énumérés ci-après :]1
§ 1. 1° les titres de la dette de l'Etat belge;
2° les titres de la dette des Communautés, Régions, provinces et communes belges ainsi que ceux des organismes publics et organismes d'intérêt public belges;
3° les billets de trésorerie dématérialisés et les certificats de dépôt dématérialisés visés par la loi du 22 juillet 1991 relative aux billets de trésorerie et aux certificats de dépôt, émis par des contribuables soumis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ainsi que ceux émis par des contribuables soumis à l'impôt des non-résidents, pour autant que les revenus soient imputés exclusivement sur les résultats d'un établissement belge au sens de l'article 229, § 1er du Code des impôts sur les revenus 1992;
4° les autres titres [1 ...]1 émis par des contribuables soumis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ainsi que ceux émis par des contribuables soumis à l'impôt des non-résidents, pour autant que les revenus soient imputés exclusivement sur les résultats d'un établissement belge au sens de l'article 229, § 1er du Code des impôts sur les revenus 1992.
§ 2. [1 Les titres mentionnés ci-après, émis]1 sous la forme de titres dématérialisés (ou de titres collectifs au porteur de droit belge ou étranger), à condition que ceux-ci soient exclusivement représentés par des inscriptions en compte, visées à l'article 1er, 4° de la loi et que les revenus de ces titres soient exclusivement payables en Belgique : <AR 1996-05-07/46, art. 1, 004; En vigueur : 14-05-1996>
1° les billets de trésorerie dématérialisés et les certificats de dépôt dématérialisés (non visés au § 1er, 1° à 3°); <AR 1996-12-11/30, art. 3, 005; En vigueur : 14-12-1996>
2° les titres [1 ...]1 émis par un débiteur, établi dans un Etat membre de [1 l'Espace économique européen]1, à condition que les titres soient ou bien cotés à une bourse de valeurs mobilières, ou bien émis par l'entremise d'[1 un des intermédiaires établis dans un Etat membre de l'Espace économique européen au sens de l'article 2, 10° de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;]1
3° les titres [1 l'Espace économique européen]1 émis ou garantis par les institutions ou organes de la Communauté européenne, les pouvoirs publics centraux, régionaux ou locaux d'Etats étrangers, ou les organismes internationaux auxquels la Belgique est partie.
§ 3. 1° les [1 titres]1 d'origine étrangère non visés au § 2, 2° et 3°;
2° les [1 titres visés]1 aux §§ 1er et 2, autres que les titres de la dette de l'Etat belge, qui présentent l'une des caractéristiques suivantes :
- les titres d'emprunt d'une durée de plus d'un an, émis en tranches successives, lorsque le rendement actuariel d'une tranche dépasse de plus de 0,75 point le rendement actuariel lors de l'émission originale jusqu'à l'échéance de remboursement;
- les titres d'emprunt remboursables anticipativement à la demande de l'investisseur si, en cas d'exercice de ce droit, le rendement actuariel dépasse de plus de 0,75 point le rendement actuariel à l'émission jusqu'à l'échéance finale;
- les titres d'emprunt, visés à l'article 9 d'une durée de plus de 5 ans, sauf lorsque le Ministre des Finances ou son délégué accorde une dérogation.
§ 4. [1 ...]1
§ 1. 1° les titres de la dette de l'Etat belge;
2° les titres de la dette des Communautés, Régions, provinces et communes belges ainsi que ceux des organismes publics et organismes d'intérêt public belges;
3° les billets de trésorerie dématérialisés et les certificats de dépôt dématérialisés visés par la loi du 22 juillet 1991 relative aux billets de trésorerie et aux certificats de dépôt, émis par des contribuables soumis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ainsi que ceux émis par des contribuables soumis à l'impôt des non-résidents, pour autant que les revenus soient imputés exclusivement sur les résultats d'un établissement belge au sens de l'article 229, § 1er du Code des impôts sur les revenus 1992;
4° les autres titres [1 ...]1 émis par des contribuables soumis à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ainsi que ceux émis par des contribuables soumis à l'impôt des non-résidents, pour autant que les revenus soient imputés exclusivement sur les résultats d'un établissement belge au sens de l'article 229, § 1er du Code des impôts sur les revenus 1992.
§ 2. [1 Les titres mentionnés ci-après, émis]1 sous la forme de titres dématérialisés (ou de titres collectifs au porteur de droit belge ou étranger), à condition que ceux-ci soient exclusivement représentés par des inscriptions en compte, visées à l'article 1er, 4° de la loi et que les revenus de ces titres soient exclusivement payables en Belgique : <AR 1996-05-07/46, art. 1, 004; En vigueur : 14-05-1996>
1° les billets de trésorerie dématérialisés et les certificats de dépôt dématérialisés (non visés au § 1er, 1° à 3°); <AR 1996-12-11/30, art. 3, 005; En vigueur : 14-12-1996>
2° les titres [1 ...]1 émis par un débiteur, établi dans un Etat membre de [1 l'Espace économique européen]1, à condition que les titres soient ou bien cotés à une bourse de valeurs mobilières, ou bien émis par l'entremise d'[1 un des intermédiaires établis dans un Etat membre de l'Espace économique européen au sens de l'article 2, 10° de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;]1
3° les titres [1 l'Espace économique européen]1 émis ou garantis par les institutions ou organes de la Communauté européenne, les pouvoirs publics centraux, régionaux ou locaux d'Etats étrangers, ou les organismes internationaux auxquels la Belgique est partie.
§ 3. 1° les [1 titres]1 d'origine étrangère non visés au § 2, 2° et 3°;
2° les [1 titres visés]1 aux §§ 1er et 2, autres que les titres de la dette de l'Etat belge, qui présentent l'une des caractéristiques suivantes :
- les titres d'emprunt d'une durée de plus d'un an, émis en tranches successives, lorsque le rendement actuariel d'une tranche dépasse de plus de 0,75 point le rendement actuariel lors de l'émission originale jusqu'à l'échéance de remboursement;
- les titres d'emprunt remboursables anticipativement à la demande de l'investisseur si, en cas d'exercice de ce droit, le rendement actuariel dépasse de plus de 0,75 point le rendement actuariel à l'émission jusqu'à l'échéance finale;
- les titres d'emprunt, visés à l'article 9 d'une durée de plus de 5 ans, sauf lorsque le Ministre des Finances ou son délégué accorde une dérogation.
§ 4. [1 ...]1
Modifications
Art.3. Overeenkomstig artikel 16, 1° van de wet, wordt voor de toepassing van de wet afgezien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van ([1 in artikel 2, §§ 1, 2 en 3, 1° bedoelde effecten]1) en op de inkomsten bekomen naar aanleiding van transacties ermede. <KB 1995-01-23/33, art. 2, 1°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
[1 ...]1
Voor de (in artikel 2, § 3, 2° bedoelde effecten [1 ...]1) wordt, voor de toepassing van de wet, enkel afgezien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van de effecten en op de inkomsten bekomen naar aanleiding van transacties ermede mits de bedoelde effecten uitgegeven worden in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) en zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een in artikel 1, 5° van de wet bedoelde rekening en zonder toepassing van de bepalingen van artikel 3, eerste lid, 2° en artikel 5 van de wet. <KB 1995-01-23/33, art. 2, 3°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995> <KB 1996-05-07/46, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
[1 ...]1
Voor de (in artikel 2, § 3, 2° bedoelde effecten [1 ...]1) wordt, voor de toepassing van de wet, enkel afgezien van de inning van de roerende voorheffing op de inkomsten van de effecten en op de inkomsten bekomen naar aanleiding van transacties ermede mits de bedoelde effecten uitgegeven worden in de vorm van gedematerialiseerde effecten (of van verzameleffecten aan toonder naar Belgisch of buitenlands recht) en zij uitsluitend vertegenwoordigd worden door boekingen op een in artikel 1, 5° van de wet bedoelde rekening en zonder toepassing van de bepalingen van artikel 3, eerste lid, 2° en artikel 5 van de wet. <KB 1995-01-23/33, art. 2, 3°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995> <KB 1996-05-07/46, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
Modifications
Art.3. Conformément à l'article 16, 1° de la loi, il est renoncé pour l'application de la loi à la perception du précompte mobilier sur les revenus des titres ([1 visés à l'article 2, §§ 1er, 2 et 3, 1°]1) et sur les revenus obtenus à l'occasion des transactions qui s'y rapportent. <AR 1995-01-23/33, art. 2, 1°, 002; En vigueur : 07-02-1995>
[1 ...]1
Pour les titres (visés à l'article 2, § 3, 2° [1 ...]1) il est, pour l'application de la loi, seulement renoncé à la perception du précompte mobilier sur les revenus des titres et sur les revenus obtenus à l'occasion des transactions qui s'y rapportent à condition que les titres visés soient émis sous la forme de titres dématérialisés (ou de titres collectifs au porteur de droit belge ou étranger) et que ceux-ci soient exclusivement représentés par des inscriptions en compte, visées à l'article 1er, 5° de la loi et sans application des dispositions de l'article 3, alinéa 1er, 2° et article 5 de la loi. <AR 1995-01-23/33, art. 2, 3°, 002; En vigueur : 07-02-1995> <AR 1996-05-07/46, art. 2, 004; En vigueur : 14-05-1996>
[1 ...]1
Pour les titres (visés à l'article 2, § 3, 2° [1 ...]1) il est, pour l'application de la loi, seulement renoncé à la perception du précompte mobilier sur les revenus des titres et sur les revenus obtenus à l'occasion des transactions qui s'y rapportent à condition que les titres visés soient émis sous la forme de titres dématérialisés (ou de titres collectifs au porteur de droit belge ou étranger) et que ceux-ci soient exclusivement représentés par des inscriptions en compte, visées à l'article 1er, 5° de la loi et sans application des dispositions de l'article 3, alinéa 1er, 2° et article 5 de la loi. <AR 1995-01-23/33, art. 2, 3°, 002; En vigueur : 07-02-1995> <AR 1996-05-07/46, art. 2, 004; En vigueur : 14-05-1996>
Modifications
Art. 3bis. <INGEVOEGD bij KB 1995-01-23/33, art. 3; Inwerkingtreding : 07-02-1995> Bij toepassing van artikel 16, 6°, van de wet en in geval van toepassing van artikel 6bis, mogen de in België gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden slechts effecten (...) boeken op rekeningen bedoeld in artikel 1, 6°, van de wet, mits deze effecten worden aangehouden in een vereffeningsstelsel door bemiddeling van [1 een centrale effectenbewaarinstelling zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012]1 en op voorwaarde dat : <KB 1996-05-07/46, art. 3, 1°, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
1° (...), deze instellingen die rekeningen bijhouden het totale bedrag mededelen aan de beheerder van de inkomsten die op de vervaldag toegekend of betaalbaar gesteld zijn aan de titularissen van dergelijke rekeningen en zij op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing verschuldigd op deze inkomsten storten; <KB 1996-05-07/46, art. 3, 2°, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
2° indien het effecten betreft, bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, deze instellingen die rekeningen bijhouden dagelijks aan de beheerder de transacties mededelen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet, en op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing storten verschuldigd overeenkomstig artikel 4, 1°, van de wet.
1° (...), deze instellingen die rekeningen bijhouden het totale bedrag mededelen aan de beheerder van de inkomsten die op de vervaldag toegekend of betaalbaar gesteld zijn aan de titularissen van dergelijke rekeningen en zij op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing verschuldigd op deze inkomsten storten; <KB 1996-05-07/46, art. 3, 2°, 004; Inwerkingtreding : 14-05-1996>
2° indien het effecten betreft, bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, deze instellingen die rekeningen bijhouden dagelijks aan de beheerder de transacties mededelen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, van de wet, en op dezelfde dag aan de beheerder de roerende voorheffing storten verschuldigd overeenkomstig artikel 4, 1°, van de wet.
Modifications
Art. 3bis. Par application de l'article 16, 6°, de la loi et en cas d'application de l'article 6bis, les teneurs de comptes établis en Belgique ne sont autorisés à inscrire des valeurs mobilières (...) sur des comptes visés à l'article 1, 6°, de la loi, lorsque ces valeurs sont détenues dans un système de liquidation par l'intermédiaire d'[1 un dépositaire central de titres tel que défini à l'article 2, paragraphe 1er, 1) du Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l'amélioration du règlement de titres dans l'Union européenne et les dépositaires centraux de titres, et modifiant les directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le règlement (UE) n° 236/2012]1, que pour autant que : <AR 1996-05-07/46, art. 3, 1°, 004; En vigueur : 14-05-1996>
1° (...), ces teneurs de comptes communiquent au gestionnaire le montant total des revenus attribués ou mis en paiement à l'échéance à des titulaires de tels comptes et versent le même jour à ce gestionnaire le précompte mobilier dû sur ces revenus; <AR 1996-05-07/46, art. 3, 2°, 004; En vigueur : 14-05-1996>
2° lorsqu'il s'agit de valeurs mobilières visées à l'article 2, §§ 1 et 2, ces teneurs de comptes communiquent journalièrement au gestionnaire les opérations visées à l'article 3, alinéa 1, 1°, de la loi, et versent le même jour à ce gestionnaire le précompte mobilier dû conformément à l'article 4, 1°, de la loi.
1° (...), ces teneurs de comptes communiquent au gestionnaire le montant total des revenus attribués ou mis en paiement à l'échéance à des titulaires de tels comptes et versent le même jour à ce gestionnaire le précompte mobilier dû sur ces revenus; <AR 1996-05-07/46, art. 3, 2°, 004; En vigueur : 14-05-1996>
2° lorsqu'il s'agit de valeurs mobilières visées à l'article 2, §§ 1 et 2, ces teneurs de comptes communiquent journalièrement au gestionnaire les opérations visées à l'article 3, alinéa 1, 1°, de la loi, et versent le même jour à ce gestionnaire le précompte mobilier dû conformément à l'article 4, 1°, de la loi.
Modifications
Art. 3quater. <INGEVOEGD bij KB 1996-05-07/46, art. 4; Inwerkingtreding : 14-05-1996> Bij toepassing van artikel 6bis, dient elke transactie, bedoed in artikel 3, lid 1, 2° van de wet, te worden verricht door bemiddeling van een in België gevestigde instelling die rekeningen bijhoudt, deze stort dezelfde dag, aan de beheerder, de roerende voorheffing verschuldig overeenkomstig artikel 5, 1° van de wet.
Art. 3quater. En cas d'application de l'article 6bis, toute opération visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi, doit être effectuée par l'intermédiaire d'un teneur de comptes établi en Belgique, lequel verse le même jour, au gestionnaire, le précompte mobilier dû conformément à l'article 5, 1° de la loi.
Art.4. De categorieën personen waarvoor overeenkomstig artikel 16, 1° van de wet wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing zijn :
1° de binnenlandse vennootschappen, (bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; <KB 2007-12-20/37, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
2° onverminderd de toepassing van artikel 262, 1° en 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de instellingen, verenigingen of vennootschappen, bedoeld in artikel 2, § 3 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, andere dan deze bedoeld onder 1° en 3°;
3° de parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen bedoeld in artikel 105, 2° KB/WIB 92;
4° de spaarders niet-inwoners bedoeld in artikel 105, 5° van hetzelfde besluit;
5° de beleggingsfondsen bedoeld in artikel 115 van hetzelfde besluit;
6° de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de inkomstgevende kapitalen hebben aangewend voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België en onderworpen zijn aan de belasting van de niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek;
7° de Belgische Staat, voor zijn beleggingen die van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 265 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992;
8° de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat een beheersvennootschap beheert voor rekening van de deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming niet openbaar in België worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.
(9° de binnenlandse vennootschappen, die niet bedoeld worden in 1°, waarvan de activiteit uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verlenen van kredieten en leningen.) <KB 1995-01-23/33, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
10° (uitsluitend wat betreft de inkomsten op effecten uitgegeven door rechtspersonen die deel uitmaken van de sector overheid in de zin van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR), voor de toepassing van de Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, de rechtspersonen die deel uitmaken van de vermelde sector overheid;)
Binnen het vereffeningsstelsel houden de bovenvermelde categorieën van instellingen en personen hun eigen effecten uitsluitend aan op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet, ongeacht of de rekeningen in België of in het buitenland worden aangehouden.
1° de binnenlandse vennootschappen, (bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; <KB 2007-12-20/37, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 01-11-2007>
2° onverminderd de toepassing van artikel 262, 1° en 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de instellingen, verenigingen of vennootschappen, bedoeld in artikel 2, § 3 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, andere dan deze bedoeld onder 1° en 3°;
3° de parastatale instellingen voor sociale zekerheid of ermede gelijkgestelde instellingen bedoeld in artikel 105, 2° KB/WIB 92;
4° de spaarders niet-inwoners bedoeld in artikel 105, 5° van hetzelfde besluit;
5° de beleggingsfondsen bedoeld in artikel 115 van hetzelfde besluit;
6° de belastingplichtigen bedoeld in artikel 227, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die de inkomstgevende kapitalen hebben aangewend voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid in België en onderworpen zijn aan de belasting van de niet-inwoners overeenkomstig artikel 233 van hetzelfde Wetboek;
7° de Belgische Staat, voor zijn beleggingen die van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 265 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992;
8° de instellingen voor collectieve belegging naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat een beheersvennootschap beheert voor rekening van de deelnemers, wanneer hun rechten van deelneming niet openbaar in België worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld.
(9° de binnenlandse vennootschappen, die niet bedoeld worden in 1°, waarvan de activiteit uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat in het verlenen van kredieten en leningen.) <KB 1995-01-23/33, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
10° (uitsluitend wat betreft de inkomsten op effecten uitgegeven door rechtspersonen die deel uitmaken van de sector overheid in de zin van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR), voor de toepassing van de Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, de rechtspersonen die deel uitmaken van de vermelde sector overheid;)
Binnen het vereffeningsstelsel houden de bovenvermelde categorieën van instellingen en personen hun eigen effecten uitsluitend aan op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet, ongeacht of de rekeningen in België of in het buitenland worden aangehouden.
Art.4. Les catégories de personnes pour lesquelles, conformément à l'article 16, 1° de la loi, il est renoncé à la perception du précompte mobilier sont :
1° les sociétés résidentes, (visé à l'article 2, § 1, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992; <AR 2007-12-20/37, art. 20, 010; En vigueur : 01-11-2007>
2° sans préjudice de l'application de l'article 262, 1° et 5° du Code des impôts sur les revenus 1992, les institutions, associations ou sociétés, visées à l'article 2, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des sociétés d'assurances, autres que celles visées au 1° et 3°;
3° les organismes paraétatiques de sécurité sociale ou organismes y assimilés visés à l'article 105, 2° de l'AR/CIR 92;
4° les épargnants non-résidents visés à l'article 105, 5° du même arrêté;
5° les fonds de placement visés à l'article 115 du même arrêté;
6° les contribuables visés à l'article 227, 2° du Code des impôts sur les revenus 1992, qui sont assujettis à l'impôt des non-résidents conformément à l'article 233 du même Code, et qui ont affecté les capitaux productifs des revenus à l'exercice de leur activité professionnelle en Belgique;
7° l'Etat belge, pour ses placements exempts du précompte mobilier, conformément à l'article 265 du Code des impôts sur les revenus 1992;
8° les organismes de placement collectif de droit étranger qui sont un patrimoine indivis géré par une société de gestion pour compte des participants, lorsque leurs parts ne font pas l'objet d'une émission publique en Belgique et ne sont pas commercialisées en Belgique.
(9° les sociétés résidentes non visées au 1° dont l'activité exclusive ou principale consiste en l'octroi de crédits et prêts.) <AR 1995-01-23/33, art. 4, 002; En vigueur : 07-02-1995>
10° (uniquement en ce qui concerne les revenus des titres émis par les personnes morales qui font partie du secteur des administrations publiques au sens du système européen de comptes nationaux et régionaux (SEC) pour l'application du Règlement (CE) n° 3605/93 du Conseil, du 22 novembre 1993, relatif à l'application du protocole sur la procédure concernant les déficits excessifs annexé au Traité instituant la Communauté européenne, les personnes morales qui font partie du secteur des administrations publiques mentionné ci-dessus;)
Dans le système de liquidation les organismes et personnes précités détiennent leurs titres propres uniquement sur les comptes exonérés, visés à l'article 1er, 5° de la loi, que les comptes soient détenus en Belgique ou à l'étranger.
1° les sociétés résidentes, (visé à l'article 2, § 1, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992; <AR 2007-12-20/37, art. 20, 010; En vigueur : 01-11-2007>
2° sans préjudice de l'application de l'article 262, 1° et 5° du Code des impôts sur les revenus 1992, les institutions, associations ou sociétés, visées à l'article 2, § 3 de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des sociétés d'assurances, autres que celles visées au 1° et 3°;
3° les organismes paraétatiques de sécurité sociale ou organismes y assimilés visés à l'article 105, 2° de l'AR/CIR 92;
4° les épargnants non-résidents visés à l'article 105, 5° du même arrêté;
5° les fonds de placement visés à l'article 115 du même arrêté;
6° les contribuables visés à l'article 227, 2° du Code des impôts sur les revenus 1992, qui sont assujettis à l'impôt des non-résidents conformément à l'article 233 du même Code, et qui ont affecté les capitaux productifs des revenus à l'exercice de leur activité professionnelle en Belgique;
7° l'Etat belge, pour ses placements exempts du précompte mobilier, conformément à l'article 265 du Code des impôts sur les revenus 1992;
8° les organismes de placement collectif de droit étranger qui sont un patrimoine indivis géré par une société de gestion pour compte des participants, lorsque leurs parts ne font pas l'objet d'une émission publique en Belgique et ne sont pas commercialisées en Belgique.
(9° les sociétés résidentes non visées au 1° dont l'activité exclusive ou principale consiste en l'octroi de crédits et prêts.) <AR 1995-01-23/33, art. 4, 002; En vigueur : 07-02-1995>
10° (uniquement en ce qui concerne les revenus des titres émis par les personnes morales qui font partie du secteur des administrations publiques au sens du système européen de comptes nationaux et régionaux (SEC) pour l'application du Règlement (CE) n° 3605/93 du Conseil, du 22 novembre 1993, relatif à l'application du protocole sur la procédure concernant les déficits excessifs annexé au Traité instituant la Communauté européenne, les personnes morales qui font partie du secteur des administrations publiques mentionné ci-dessus;)
Dans le système de liquidation les organismes et personnes précités détiennent leurs titres propres uniquement sur les comptes exonérés, visés à l'article 1er, 5° de la loi, que les comptes soient détenus en Belgique ou à l'étranger.
Art.5. Bij de opening van een vrijgestelde rekening dient de houder aan de instelling die de rekeningen bijhoudt een attest af te leveren dat toelaat de houder of de verkrijgers van de inkomsten te identificeren, overeenkomstig de door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde vastgestelde wijze en vast te stellen dat deze behoren tot één der in artikel 4 opgesomde categorieën van personen die aanspraak kunnen maken op vrijstelling van de roerende voorheffing.
Dit attest moet door de instelling die de rekeningen bijhoudt worden bewaard en ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen]1 worden gehouden. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden maken die attesten over hetzij aan de beheerder, hetzij aan hun Belgische deelnemer, die het attest ter beschikking houden van de voormelde Administratie.
De houder van een vrijgestelde rekening deelt onmiddellijk elke wijziging van de op het attest vermelde gegevens mede aan de instelling die de rekeningen bijhoudt. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden delen die wijzigingen onmiddellijk mede aan de beheerder of aan de Belgische deelnemer, naargelang het geval.
Instellingen die de rekeningen bijhouden mogen geen dergelijke rekening openen indien zij niet in het bezit zijn van bovenvermeld attest.
Dit attest moet door de instelling die de rekeningen bijhoudt worden bewaard en ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen]1 worden gehouden. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden maken die attesten over hetzij aan de beheerder, hetzij aan hun Belgische deelnemer, die het attest ter beschikking houden van de voormelde Administratie.
De houder van een vrijgestelde rekening deelt onmiddellijk elke wijziging van de op het attest vermelde gegevens mede aan de instelling die de rekeningen bijhoudt. De in het buitenland gevestigde instellingen die rekeningen bijhouden delen die wijzigingen onmiddellijk mede aan de beheerder of aan de Belgische deelnemer, naargelang het geval.
Instellingen die de rekeningen bijhouden mogen geen dergelijke rekening openen indien zij niet in het bezit zijn van bovenvermeld attest.
Modifications
Art.5. Lors de l'ouverture d'un compte exonéré, le titulaire doit délivrer à l'établissement teneur de comptes une attestation qui permet l'identification du titulaire ou des bénéficiaires des revenus, selon le mode déterminé par le Ministre des Finances ou son délégué, et permet de constater que ceux-ci appartiennent à l'une des catégories de personnes visées à l'article 4 qui peuvent prétendre à l'exonération de précompte mobilier.
Cette attestation est conservée par le teneur de comptes et est tenue à la disposition de l'[1 administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des impôts sur les revenus]1. Les teneurs de comptes établis à l'étranger remettent ces attestations, soit au gestionnaire, soit à leur participant belge, lesquels tiennent ces attestations à la disposition de l'Administration susmentionnée.
Le titulaire d'un compte exonété informe immédiatement l'établissement teneur de comptes de toute modification aux données reprises à l'attestation. Les teneurs de comptes établis à l'étranger communiquent immédiatement ces modifications au gestionnaire ou au participant belge, selon le cas.
Il est interdit aux teneurs de comptes d'ouvrir un tel compte sans être en possession de l'attestation susmentionnée.
Cette attestation est conservée par le teneur de comptes et est tenue à la disposition de l'[1 administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des impôts sur les revenus]1. Les teneurs de comptes établis à l'étranger remettent ces attestations, soit au gestionnaire, soit à leur participant belge, lesquels tiennent ces attestations à la disposition de l'Administration susmentionnée.
Le titulaire d'un compte exonété informe immédiatement l'établissement teneur de comptes de toute modification aux données reprises à l'attestation. Les teneurs de comptes établis à l'étranger communiquent immédiatement ces modifications au gestionnaire ou au participant belge, selon le cas.
Il est interdit aux teneurs de comptes d'ouvrir un tel compte sans être en possession de l'attestation susmentionnée.
Modifications
Art.6. (§ 1.) De instellingen die de rekeningen bijhouden sturen, ten laatste op 15 januari van ieder jaar, naar de beheerder een nominatieve opgave van alle personen en instellingen die tijdens het voorbije kalenderjaar houders waren van één of verscheidene vrijgestelde rekeningen.
De beheerder houdt deze opgaven ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastinge]1. <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
(§ 2. De rekeninghouders sturen, ten laatste op 15 januari van ieder jaar, naar de beheerder een nominatieve opgave van alle in artikel 4, eerste lid, 3° en 10°, bedoelde personen die, op 31 december van het voorgaande jaar, houders zijn van een effectenrekening bij een vereffeningsstelsel alsmede, voor ieder van hen, van het nominaal bedrag van de in het voormelde artikel 4, 10°, bedoelde roerende waarden die zij op die rekening aanhouden.) <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
De beheerder houdt deze opgaven ter beschikking van de [1 administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastinge]1. <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
(§ 2. De rekeninghouders sturen, ten laatste op 15 januari van ieder jaar, naar de beheerder een nominatieve opgave van alle in artikel 4, eerste lid, 3° en 10°, bedoelde personen die, op 31 december van het voorgaande jaar, houders zijn van een effectenrekening bij een vereffeningsstelsel alsmede, voor ieder van hen, van het nominaal bedrag van de in het voormelde artikel 4, 10°, bedoelde roerende waarden die zij op die rekening aanhouden.) <KB 1996-12-11/30, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 14-12-1996>
Modifications
Art.6. (§ 1.) Les teneurs de comptes font parvenir, au plus tard le 15 janvier de chaque année, au gestionnaire, un relevé nominatif de toutes les personnes et établissements qui ont été titulaires d'un ou de plusieurs comptes exonérés durant l'année civile précédente. <AR 1996-12-11/30, art. 5, 005; En vigueur : 14-12-1996>
Le gestionnaire tient ces relevés à la disposition de l'[1 administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des impôts sur les revenus]1.
(§ 2. Les teneurs de comptes font parvenir, au plus tard le 15 janvier de chaque année, au gestionnaire, un relevé nominatif de toutes les personnes visées à l'article 4, alinéa 1er, 3° et 10° qui, au 31 décembre de l'année qui précède, sont titulaires d'un compte-titre auprès d'un système de liquidation ainsi que pour chacune d'elles, le montant nominal des valeurs mobilières visées audit article 4, 10°, que lesdites personnes détiennent sur ce compte.) <AR 1996-12-11-/30, art. 5, 005; En vigueur : 14-12-1996>
Le gestionnaire tient ces relevés à la disposition de l'[1 administration en charge de l'établissement ou de la perception et du recouvrement des impôts sur les revenus]1.
(§ 2. Les teneurs de comptes font parvenir, au plus tard le 15 janvier de chaque année, au gestionnaire, un relevé nominatif de toutes les personnes visées à l'article 4, alinéa 1er, 3° et 10° qui, au 31 décembre de l'année qui précède, sont titulaires d'un compte-titre auprès d'un système de liquidation ainsi que pour chacune d'elles, le montant nominal des valeurs mobilières visées audit article 4, 10°, que lesdites personnes détiennent sur ce compte.) <AR 1996-12-11-/30, art. 5, 005; En vigueur : 14-12-1996>
Modifications
Art. 6bis. [1 De artikelen 5 en 6 zijn niet van toepassing op de centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012, die handelen in de hoedanigheid van deelnemer aan een vereffeningsstelsel evenals hun in het buitenland gevestigde onderdeelnemers, op voorwaarde dat deze instellingen uitsluitend rekeningen bijhouden bedoeld in artikel 1, 5° van de wet en zij in staat zijn de titularis van de rekening te identificeren.
De toepassing van het eerste lid is onderworpen aan de voorwaarde dat in de contracten die werden gesloten door de deelnemers die handelen als centrale effectenbewaarinstellingen en door de in het eerste lid bedoelde onderdeelnemers de verbintenis is opgenomen dat al hun klanten, titularis van een rekening, opgenomen zijn in het toepassingsgebied van artikel 4.]1
De toepassing van het eerste lid is onderworpen aan de voorwaarde dat in de contracten die werden gesloten door de deelnemers die handelen als centrale effectenbewaarinstellingen en door de in het eerste lid bedoelde onderdeelnemers de verbintenis is opgenomen dat al hun klanten, titularis van een rekening, opgenomen zijn in het toepassingsgebied van artikel 4.]1
Modifications
Art. 6bis. [1 Les articles 5 et 6 ne sont pas applicables aux dépositaires centraux de titres tels que définis à l'article 2, paragraphe 1er, 1) du Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l'amélioration du règlement de titres dans l'Union européenne et les dépositaires centraux de titres, et modifiant les directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le règlement (UE) n° 236/2012, qui agissent en tant que participant à un système de liquidation ainsi qu'à leurs sous-participants établis à l'étranger, à condition que ces établissements tiennent uniquement des comptes visés à l'article 1er, 5° de la loi et qu'ils soient en mesure d'identifier le titulaire du compte.
L'application de l'alinéa 1er est subordonnée à la condition que les règlements contractuels conclus par les participants qui agissent en qualité de dépositaires centraux de titres et les sous-participants visés à l'alinéa 1er contiennent l'engagement que tous leurs clients, titulaires de compte, sont repris dans le champ d'application de l'article 4.]1
L'application de l'alinéa 1er est subordonnée à la condition que les règlements contractuels conclus par les participants qui agissent en qualité de dépositaires centraux de titres et les sous-participants visés à l'alinéa 1er contiennent l'engagement que tous leurs clients, titulaires de compte, sont repris dans le champ d'application de l'article 4.]1
Modifications
Art.7. Bij toepassing van artikel 16, 3° van de wet mogen de deelnemers, per waarde en per dag de gegevens, bedoeld in artikel 3 van de wet, op geglobaliseerde wijze mededelen aan de beheerder.
Art.7. Par application de l'article 16, 3° de la loi, les participants peuvent, par valeur et par jour, communiquer globalement au gestionnaire les données visées à l'article 3 de la loi.
Art.8. <KB 1998-09-06/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998> Met uitzondering van de effecten, toegelaten in een stelsel vóór 1 januari 1999, moet de berekeningswijze van de inkomsten bij de toekenning of de betaalbaarstelling ervan, dezelfde zijn als deze voor de gelopen inkomsten.
Het bedrag van de op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, wordt berekend overeenkomstig de op één van de hierna volgende berekeningsmethoden, van kracht zijnde op de valutadag :
1° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest te vergoeden" : overeenkomstig de regels van toepassing op die markt, zelfs indien de transacties werden afgesloten buiten de beurs of buiten de gereglementeerde markt;
2° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest inbegrepen" : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties;
3° inzake nog niet aan een beurs genoteerde lineaire obligaties : overeenkomstig de regels van het uitgiftebesluit voor het berekenen van de door de inschrijver verschuldigde opgelopen interesten;
4° inzake schatkistcertificaten met een looptijd van maximum één jaar : overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35313).
waarin :
r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
i overeenstemt met de gewogen gemiddelde jaarlijkse rentevoet in percent van de eerste toewijzing van de betrokken schatkistcertificaten; de emittenten delen dit rendement mee aan de beheerders en aan de beleggers;
n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken schatkistcertificaten;
n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
5° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met een looptijd van maximum één jaar en die op discontobasis worden uitgegeven : overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35314).
waarin :
r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
i overeenstemt met het gewogen gemiddeld jaarlijks rendement in percent van de effecten op de eerste dag van de uitgifte van de betrokken bewijzen; de emittenten delen dit rendement mede aan de beheerders en aan de beleggers;
n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken bewijzen;
n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
6° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met periodieke interestbetalingen :
(a) met een looptijd van maximum één jaar of met een vlottende rentevoet :
- vanaf de inbegrepen aanvangsdatum, van de lopende renteperiode tot de niet inbegrepen valutadag van de transactie;
- op basis van het aantal verlopen kalenderdagen en van een jaar waarvan het aantal dagen overeenstemt met de gebruiken van de betrokken munt;
(b) met een looptijd van meer dan één jaar met vaste rentevoet : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties.
7° inzake obligaties en enigerlei andere schuldbewijzen die niet zijn genoteerd aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt en niet bedoeld worden in bovenvermelde paragrafen; overeenkomstig de berekeningsregels omschreven in één van de bovenvermelde paragrafen, die het meest nauwkeurig het lineair rendement weergeeft.
Voor de toepassing van lid 1 wordt de uitgifte van effecten in tranches die worden gelijkgesteld aangezien als één effectentransactie.
Onder "gereglementeerde markt" voor de toepassing van lid 1 wordt verstaan de markt zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 13 van de richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten.
Op de vervaldag van de in lid 1, 4° en 5° bedoelde effecten en deze waarvan de verlopen inkomsten berekend worden overeenkomstig deze formule, worden de inkomsten berekend overeenkomstig de aldaar vermelde formule, waarbij de valutadag van de transactie de vervaldag van het effect is en n2 vervangen wordt door n1.
De terugbetalingspremie van de in lid 1, 1° tot en met 3°, 6° en 7° bedoelde effecten wordt als een inkomen beschouwd in de zin van dit besluit.
Het bedrag van de op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, wordt berekend overeenkomstig de op één van de hierna volgende berekeningsmethoden, van kracht zijnde op de valutadag :
1° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest te vergoeden" : overeenkomstig de regels van toepassing op die markt, zelfs indien de transacties werden afgesloten buiten de beurs of buiten de gereglementeerde markt;
2° inzake obligaties die aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt worden genoteerd "interest inbegrepen" : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties;
3° inzake nog niet aan een beurs genoteerde lineaire obligaties : overeenkomstig de regels van het uitgiftebesluit voor het berekenen van de door de inschrijver verschuldigde opgelopen interesten;
4° inzake schatkistcertificaten met een looptijd van maximum één jaar : overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35313).
waarin :
r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
i overeenstemt met de gewogen gemiddelde jaarlijkse rentevoet in percent van de eerste toewijzing van de betrokken schatkistcertificaten; de emittenten delen dit rendement mee aan de beheerders en aan de beleggers;
n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken schatkistcertificaten;
n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
5° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met een looptijd van maximum één jaar en die op discontobasis worden uitgegeven : overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35314).
waarin :
r staat voor de op de valutadag van de transactie gelopen inkomsten;
Y gelijk is aan het op de effectenrekening geboekte nominaal bedrag van de verhandelde bewijzen;
i overeenstemt met het gewogen gemiddeld jaarlijks rendement in percent van de effecten op de eerste dag van de uitgifte van de betrokken bewijzen; de emittenten delen dit rendement mede aan de beheerders en aan de beleggers;
n1 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de vervaldag (niet inbegrepen) van de betrokken bewijzen;
n2 staat voor het aantal kalenderdagen tussen de valutadag van de eerste toewijzing (inbegrepen) en de valutadag van de transactie (niet inbegrepen).
n3 staat voor het aantal dagen die een jaar uitmaken, overeenkomstig de gebruiken van de betrokken munt;
6° inzake thesauriebewijzen en depositobewijzen met periodieke interestbetalingen :
(a) met een looptijd van maximum één jaar of met een vlottende rentevoet :
- vanaf de inbegrepen aanvangsdatum, van de lopende renteperiode tot de niet inbegrepen valutadag van de transactie;
- op basis van het aantal verlopen kalenderdagen en van een jaar waarvan het aantal dagen overeenstemt met de gebruiken van de betrokken munt;
(b) met een looptijd van meer dan één jaar met vaste rentevoet : overeenkomstig de beursregels toepasselijk voor de lineaire obligaties.
7° inzake obligaties en enigerlei andere schuldbewijzen die niet zijn genoteerd aan een effectenbeurs of op een andere gereglementeerde markt en niet bedoeld worden in bovenvermelde paragrafen; overeenkomstig de berekeningsregels omschreven in één van de bovenvermelde paragrafen, die het meest nauwkeurig het lineair rendement weergeeft.
Voor de toepassing van lid 1 wordt de uitgifte van effecten in tranches die worden gelijkgesteld aangezien als één effectentransactie.
Onder "gereglementeerde markt" voor de toepassing van lid 1 wordt verstaan de markt zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 13 van de richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten.
Op de vervaldag van de in lid 1, 4° en 5° bedoelde effecten en deze waarvan de verlopen inkomsten berekend worden overeenkomstig deze formule, worden de inkomsten berekend overeenkomstig de aldaar vermelde formule, waarbij de valutadag van de transactie de vervaldag van het effect is en n2 vervangen wordt door n1.
De terugbetalingspremie van de in lid 1, 1° tot en met 3°, 6° en 7° bedoelde effecten wordt als een inkomen beschouwd in de zin van dit besluit.
Art.8. <AR 1998-09-06/35, art. 2, 006; En vigueur : 27-10-1998> A l'exception des valeurs admises dans un système avant le premier janvier 1999, la méthode de calcul des revenus lors de leur attribution ou de leur mise en paiement doit être identique à celle des revenus courus.
Le montant des revenus courus à la date de valeur d'une transaction sur valeurs mobilières, sur lequel est dû le précompte mobilier ou sur lequel est payée la bonification égale au précompte mobilier, est calculé conformément à une des méthodes de calcul suivantes, en vigueur à la date de valeur :
1° en matière d'obligations cotées "intérêts à bonifier" à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé : conformément aux règles d'application sur ce marché, même si les transactions ont été exécutées en dehors de la bourse ou du marché réglementé;
2° en matière d'obligations cotées "intérêts compris" à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé : conformément aux règles boursières applicables aux obligations linéaires;
3° en matière d'obligations linéaires non encore cotées en bourse: conformément aux règles de l'arrêté d'émission concernant le calcul des intérêts courus dus par le souscripteur;
4° en matière de certificats de trésorerie d'une durée d'un an maximum: conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35313).
dans laquelle :
r représente les revenus courus à la date de valeur de la transaction;
Y est égal au montant nominal des certificats de trésorerie négociés, inscrit sur le compte titres;
i correspond au taux d'intérêt annuel moyen pondéré en pourcent de la première adjudication des certificats concernés; les émetteurs communiquent ce rendement aux gestionnaires et aux investisseurs;
n1 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première adjudication (comprise) et la date d'échéance (non comprise) des certificats de trésorerie en question;
n2 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première adjudication (comprise) et la date de valeur de la transaction (non comprise).
n3 représente le nombre de jours constitutifs d'une année, selon les usages de la monnaie concernée;
5° en matière de billets de trésorerie et de certificats de dépôt d'une durée d'un an maximum et émis sur base d'escompte: conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35314).
dans laquelle :
r représente les revenus courus à la date de valeur de la transaction;
Y est égal au montant dû par l'émetteur à la date d'échéance des billets ou certificats;
i correspond au rendement annuel moyen pondéré en pourcent des titres le premier jour d'émission des billets ou certificats concernés; les émetteurs communiquent ce rendement aux gestionnaires et aux investisseurs;
n1 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première émission (comprise) et le jour d'échéance (non compris) des billets ou certificats concernés;
n2 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première émission (comprise) et la date de valeur de la transaction (non comprise).
n3 représente le nombre de jours constitutifs d'une année, selon les usages de la monnaie concernée;
6° en matière de billets de trésorerie et de certificats de dépôt avec paiements périodiques d'intérêt :
(a) avec une durée d'un an maximum ou un taux d'intérêt flottant :
- du premier jour, y compris, de la période d'intérêt en cours jusqu'à la date, non comprise, de valeur de la transaction;
- sur base du nombre de jours calendrier courus et d'une année dont le nombre de jours est conforme aux usages de la monnaie concernée;
(b) avec une durée de plus d'un an à taux fixe : conformément aux règles boursières applicables aux obligations linéaires.
7° en matière d'obligations et de tous autres titres d'emprunt non cotés à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé et non visés aux paragraphes ci-dessus; conformément aux règles de calcul définies dans celui des paragraphes ci-dessus, qui reflète de façon la plus exacte le rendement linéaire du titre visé.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'émission de titres par tranches qui sont assimilées est considérée comme une transaction sur valeurs mobilières.
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par "marché réglementé", le marché tel que défini par l'article 1er, point 13 de la directive 93/22/CEE du Conseil du 10 mai 1993 concernant les services d'investissement dans le domaine des valeurs mobilières.
A la date d'échéance des titres visés à l'alinéa 1, 4° et 5°, et ceux dont les revenus courus sont calculés selon cette formule, les revenus sont calculés conformément à la formule y indiquée, où la date de valeur de la transaction est la date d'échéance du titre et où n2 est remplacé par n1.
La prime de remboursement des titres visés à l'alinéa 1, 1° à 3°, 6° et 7° est considérée comme un revenu au sens du présent arrêté.
Le montant des revenus courus à la date de valeur d'une transaction sur valeurs mobilières, sur lequel est dû le précompte mobilier ou sur lequel est payée la bonification égale au précompte mobilier, est calculé conformément à une des méthodes de calcul suivantes, en vigueur à la date de valeur :
1° en matière d'obligations cotées "intérêts à bonifier" à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé : conformément aux règles d'application sur ce marché, même si les transactions ont été exécutées en dehors de la bourse ou du marché réglementé;
2° en matière d'obligations cotées "intérêts compris" à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé : conformément aux règles boursières applicables aux obligations linéaires;
3° en matière d'obligations linéaires non encore cotées en bourse: conformément aux règles de l'arrêté d'émission concernant le calcul des intérêts courus dus par le souscripteur;
4° en matière de certificats de trésorerie d'une durée d'un an maximum: conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35313).
dans laquelle :
r représente les revenus courus à la date de valeur de la transaction;
Y est égal au montant nominal des certificats de trésorerie négociés, inscrit sur le compte titres;
i correspond au taux d'intérêt annuel moyen pondéré en pourcent de la première adjudication des certificats concernés; les émetteurs communiquent ce rendement aux gestionnaires et aux investisseurs;
n1 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première adjudication (comprise) et la date d'échéance (non comprise) des certificats de trésorerie en question;
n2 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première adjudication (comprise) et la date de valeur de la transaction (non comprise).
n3 représente le nombre de jours constitutifs d'une année, selon les usages de la monnaie concernée;
5° en matière de billets de trésorerie et de certificats de dépôt d'une durée d'un an maximum et émis sur base d'escompte: conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35314).
dans laquelle :
r représente les revenus courus à la date de valeur de la transaction;
Y est égal au montant dû par l'émetteur à la date d'échéance des billets ou certificats;
i correspond au rendement annuel moyen pondéré en pourcent des titres le premier jour d'émission des billets ou certificats concernés; les émetteurs communiquent ce rendement aux gestionnaires et aux investisseurs;
n1 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première émission (comprise) et le jour d'échéance (non compris) des billets ou certificats concernés;
n2 représente le nombre de jours calendrier entre la date de valeur de la première émission (comprise) et la date de valeur de la transaction (non comprise).
n3 représente le nombre de jours constitutifs d'une année, selon les usages de la monnaie concernée;
6° en matière de billets de trésorerie et de certificats de dépôt avec paiements périodiques d'intérêt :
(a) avec une durée d'un an maximum ou un taux d'intérêt flottant :
- du premier jour, y compris, de la période d'intérêt en cours jusqu'à la date, non comprise, de valeur de la transaction;
- sur base du nombre de jours calendrier courus et d'une année dont le nombre de jours est conforme aux usages de la monnaie concernée;
(b) avec une durée de plus d'un an à taux fixe : conformément aux règles boursières applicables aux obligations linéaires.
7° en matière d'obligations et de tous autres titres d'emprunt non cotés à une bourse de valeurs mobilières ou à un autre marché réglementé et non visés aux paragraphes ci-dessus; conformément aux règles de calcul définies dans celui des paragraphes ci-dessus, qui reflète de façon la plus exacte le rendement linéaire du titre visé.
Pour l'application de l'alinéa 1er, l'émission de titres par tranches qui sont assimilées est considérée comme une transaction sur valeurs mobilières.
Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par "marché réglementé", le marché tel que défini par l'article 1er, point 13 de la directive 93/22/CEE du Conseil du 10 mai 1993 concernant les services d'investissement dans le domaine des valeurs mobilières.
A la date d'échéance des titres visés à l'alinéa 1, 4° et 5°, et ceux dont les revenus courus sont calculés selon cette formule, les revenus sont calculés conformément à la formule y indiquée, où la date de valeur de la transaction est la date d'échéance du titre et où n2 est remplacé par n1.
La prime de remboursement des titres visés à l'alinéa 1, 1° à 3°, 6° et 7° est considérée comme un revenu au sens du présent arrêté.
Art.9. <KB 1998-09-06/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998> In afwijking van artikel 8 wordt, met betrekking tot de schuldbewijzen uitgegeven met een looptijd van meer dan één jaar, waarvan het actuariële rendement berekend van de uitgifte tot aan de eindvervaldag meer dan 0,75 punten hoger is dan de nominale rentevoet op jaarbasis evenals de schuldbewijzen waarvan de interesten worden gekapitaliseerd, het bedrag van de op de valutadag gelopen inkomsten waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, actuarieel berekend.
Het actuariële rendement (i) bij uitgifte wordt berekend overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
waarbij :
E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k, per eenheid van nominaal kapitaal;
i staat voor het actuarieel jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
tk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van betaling van coupon nummer k;
tr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van de eindvervaldag;
P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
SIGMA staat voor het somteken.
De op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten worden actuarieel berekend overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
waarbij :
R staat voor de gelopen inkomsten;
Y staat voor het nominaal bedrag van de verhandelde effecten;
E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
i staat voor het actuariële jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
j staat voor het nummer van volgorde van de volgende coupon die vervalt;
Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k per eenheid van nominaal kapitaal;
sk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van betaling van coupon nummer k;
sr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van de eindvervaldag;
P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
SIGMA staat voor het somteken.
De inkomsten op de eindvervaldag van de in lid 1 bedoelde effecten worden berekend overeenkomstig de volgende formule :
R = (e + Cn + r). Y,
waarbij :
R staat voor de gelopen inkomsten;
e staat voor het verschil tussen het pari en de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
Cn staat voor het bedrag van de laatste coupon per eenheid van nominaal kapitaal;
r staat voor het verschil tussen de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal en het pari;
Y staat voor het nominaal bedrag van de terugbetaalde effecten;
In de zin van dit artikel dient onder "jaren" het aantal volledige jaren verstaan te worden tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, de eindvervaldag (niet inbegrepen).
Onder "fracties van jaren" dient een breuk verstaan te worden waarbij de teller het aantal kalenderdagen is tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de datum (D) die verkregen wordt door het bovenvermelde aantal volledige jaren af te trekken van de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, van de eindvervaldag (niet inbegrepen) en de noemer staat voor het aantal kalenderdagen tussen D (inbegrepen) en D min één jaar (niet inbegrepen) hetzij 365 of 366 dagen.
[1 Het forfaitaire bedrag van de interesten bedoeld in de artikelen 17 en 19 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inbegrepen in de faciale waarde van de lineaire obligatie uitgegeven door de Belgische Staat en belastbaar in hoofde van elke houder pro rata de periode van het aanhouden van de mantel, wordt bepaald door middel van het lineair geïnterpoleerde rendement van de effecten die recht geven op interestbetalingen op de dag waarop de verhandeling van de mantel en het recht op iedere interestbetaling als zelfstandige gedematerialiseerde effecten gemachtigd werd.
Indien het niet mogelijk is om een lineair geïnterpoleerd rendement te berekenen, gebeurt de berekening van het rendement door extrapolatie op basis van de voormelde effecten met de dichtstbijzijnde looptijd.
Dit rendement wordt afgerond tot op 5 basispunten voor rendementen eindigend op 3 tot en met 7 basispunten, en tot op 0 basispunten voor rendementen eindigend op 8,9,0,1 en 2 basispunten.]1
Het actuariële rendement (i) bij uitgifte wordt berekend overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
waarbij :
E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k, per eenheid van nominaal kapitaal;
i staat voor het actuarieel jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
tk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van betaling van coupon nummer k;
tr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van uitgifte en die van de eindvervaldag;
P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
SIGMA staat voor het somteken.
De op de valutadag van een effectentransactie gelopen inkomsten worden actuarieel berekend overeenkomstig de volgende formule :
(Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B. St. 27.10.1998, p. 35315).
waarbij :
R staat voor de gelopen inkomsten;
Y staat voor het nominaal bedrag van de verhandelde effecten;
E staat voor de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
i staat voor het actuariële jaarlijks rendement bij uitgifte percentsgewijs uitgedrukt;
n staat voor het aantal coupons (n = 0 indien het een zerobon betreft);
k staat voor het nummer van volgorde van de coupons (k = 0 indien n = 0);
j staat voor het nummer van volgorde van de volgende coupon die vervalt;
Ck staat voor het bedrag van de coupon nummer k per eenheid van nominaal kapitaal;
sk staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van betaling van coupon nummer k;
sr staat voor het tijdsinterval uitgedrukt in jaren en fracties van jaren tussen de valutadag van de transactie en die van de eindvervaldag;
P staat voor de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
SIGMA staat voor het somteken.
De inkomsten op de eindvervaldag van de in lid 1 bedoelde effecten worden berekend overeenkomstig de volgende formule :
R = (e + Cn + r). Y,
waarbij :
R staat voor de gelopen inkomsten;
e staat voor het verschil tussen het pari en de uitgifteprijs per eenheid van nominaal kapitaal;
Cn staat voor het bedrag van de laatste coupon per eenheid van nominaal kapitaal;
r staat voor het verschil tussen de terugbetalingsprijs per eenheid van nominaal kapitaal en het pari;
Y staat voor het nominaal bedrag van de terugbetaalde effecten;
In de zin van dit artikel dient onder "jaren" het aantal volledige jaren verstaan te worden tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, de eindvervaldag (niet inbegrepen).
Onder "fracties van jaren" dient een breuk verstaan te worden waarbij de teller het aantal kalenderdagen is tussen de valutadag van de transactie (inbegrepen) en de datum (D) die verkregen wordt door het bovenvermelde aantal volledige jaren af te trekken van de vervaldag van de betreffende coupon of, naargelang het geval, van de eindvervaldag (niet inbegrepen) en de noemer staat voor het aantal kalenderdagen tussen D (inbegrepen) en D min één jaar (niet inbegrepen) hetzij 365 of 366 dagen.
[1 Het forfaitaire bedrag van de interesten bedoeld in de artikelen 17 en 19 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inbegrepen in de faciale waarde van de lineaire obligatie uitgegeven door de Belgische Staat en belastbaar in hoofde van elke houder pro rata de periode van het aanhouden van de mantel, wordt bepaald door middel van het lineair geïnterpoleerde rendement van de effecten die recht geven op interestbetalingen op de dag waarop de verhandeling van de mantel en het recht op iedere interestbetaling als zelfstandige gedematerialiseerde effecten gemachtigd werd.
Indien het niet mogelijk is om een lineair geïnterpoleerd rendement te berekenen, gebeurt de berekening van het rendement door extrapolatie op basis van de voormelde effecten met de dichtstbijzijnde looptijd.
Dit rendement wordt afgerond tot op 5 basispunten voor rendementen eindigend op 3 tot en met 7 basispunten, en tot op 0 basispunten voor rendementen eindigend op 8,9,0,1 en 2 basispunten.]1
Modifications
Art.9. <AR 1998-09-06/35, art. 3, 006; En vigueur : 27-10-1998> En ce qui concerne les titres d'emprunt émis pour une durée supérieure à un an et dont le rendement actuariel calculé depuis l'émission jusqu'à l'échéance de remboursement, dépasse de plus de 0,75 point le taux d'intérêt nominal sur base annuelle et les titres d'emprunts dont les intérêts sont capitalisés, le montant des revenus courus à la date de valeur sur lequel le précompte mobilier est dû ou sur lequel la bonification égale au précompte mobilier est payé, est déterminé, par dérogation à l'article 8, sur une base actuarielle.
Le rendement actuariel (i) lors de l'émission est calculé conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35315).
où :
E représente le prix d'émission par unité de capital nominal;
n représente le nombre de coupons (n = 0 s'il s'agit d'un zéro-bond);
k représente le numéro d'ordre des coupons (k = 0 si n = 0);
Ck représente le montant du coupon numéro k, par unité de capital nominal;
i représente le taux de rendement actuariel annuel lors de l'émission exprimé en pourcent;
tk représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur d'émission et la date de paiement du coupon numéro k;
tr représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur d'émission et la date du remboursement final;
P représente le prix de remboursement par unité de capital nominal;
SIGMA représente le signe de sommation.
Les revenus courus à la date de valeur de la transaction sur titres sont calculés sur une base actuarielle conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35315).
où :
R représente les revenus courus;
Y représente le montant nominal des valeurs négociées;
E représente le prix d'émission par unité de capital nominal;
i représente le rendement actuariel annuel lors de l'émission, exprimé en pourcent;
n représente le nombre de coupons (n = 0 s'il s'agit d'un zéro-bond);
k représente le numéro d'ordre des coupons (k = 0 si n = 0);
j représente le numéro d'ordre du prochain coupon venant à échéance;
Ck représente le montant du coupon numéro k, par unité de capital nominal;
sk représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur de la transaction et celle du paiement du coupon numéro k;
sr représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur de la transaction et celle du remboursement final;
P représente le prix de remboursement par unité de capital nominal;
SIGMA représente le signe de sommation.
Les revenus à l'échéance finale des titres visés à l'alinéa 1er sont calculés conformément à la formule suivante :
R = (e + Cn + r). Y,
où :
R représente les revenus courus;
e représente la différence entre le pair et le prix d'émission par unité de capital nominal;
Cn représente le montant du dernier coupon par unité de capital nominal;
r représente la différence entre le prix de remboursement par unité de capital nominal et le pair;
Y représente le montant nominal des valeurs remboursées;
Au sens du présent article, il y a lieu d'entendre par "années" le nombre d'années entières entre le jour de valeur de la transaction (compris) et le jour d'échéance du coupon considéré ou, suivant le cas, du jour d'échéance finale (non compris).
Il y a lieu d'entendre par "fractions d'années" une fraction où le numérateur représente le nombre de jours calendrier entre le jour de valeur de la transaction (compris) et la date (D) obtenue en ôtant le nombre susdit d'années entières du jour d'échéance du coupon considéré ou, suivant le cas, du jour d'échéance finale (non compris) et le dénominateur représente le nombre de jours calendrier entre D (compris) et D moins un an (non compris) à savoir 365 ou 366 jours.
[1 Le montant forfaitaire des intérêts visés aux articles 17 et 19 du Code des impôts sur les revenus 1992, compris dans la valeur faciale de l'obligation linéaire émise par l'Etat belge et imposables dans le chef de chaque détenteur au prorata de la période de détention du manteau, est déterminé au moyen du rendement interpolé linéairement des titres qui donnent droit aux paiements d'intérêts au jour où la négociation du manteau et du droit sur chaque paiement d'intérêt en tant que titres indépendants dématérialisés fut approuvée.
S'il n'est pas possible de calculer un rendement interpolé linéairement, le calcul du rendement se fait par extrapolation sur base des titres précités avec les maturités les plus proches.
Ce rendement est arrondi à 5 points de base pour les rendements finissant par 3 jusque et y compris 7 points de base, et à 0 point de base pour les rendements finissant par 8,9,0,1 et 2 points de base.]1
Le rendement actuariel (i) lors de l'émission est calculé conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35315).
où :
E représente le prix d'émission par unité de capital nominal;
n représente le nombre de coupons (n = 0 s'il s'agit d'un zéro-bond);
k représente le numéro d'ordre des coupons (k = 0 si n = 0);
Ck représente le montant du coupon numéro k, par unité de capital nominal;
i représente le taux de rendement actuariel annuel lors de l'émission exprimé en pourcent;
tk représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur d'émission et la date de paiement du coupon numéro k;
tr représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur d'émission et la date du remboursement final;
P représente le prix de remboursement par unité de capital nominal;
SIGMA représente le signe de sommation.
Les revenus courus à la date de valeur de la transaction sur titres sont calculés sur une base actuarielle conformément à la formule suivante :
(Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 27-10-1998, p. 35315).
où :
R représente les revenus courus;
Y représente le montant nominal des valeurs négociées;
E représente le prix d'émission par unité de capital nominal;
i représente le rendement actuariel annuel lors de l'émission, exprimé en pourcent;
n représente le nombre de coupons (n = 0 s'il s'agit d'un zéro-bond);
k représente le numéro d'ordre des coupons (k = 0 si n = 0);
j représente le numéro d'ordre du prochain coupon venant à échéance;
Ck représente le montant du coupon numéro k, par unité de capital nominal;
sk représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur de la transaction et celle du paiement du coupon numéro k;
sr représente l'intervalle de temps exprimé en années et fractions d'années entre la date de valeur de la transaction et celle du remboursement final;
P représente le prix de remboursement par unité de capital nominal;
SIGMA représente le signe de sommation.
Les revenus à l'échéance finale des titres visés à l'alinéa 1er sont calculés conformément à la formule suivante :
R = (e + Cn + r). Y,
où :
R représente les revenus courus;
e représente la différence entre le pair et le prix d'émission par unité de capital nominal;
Cn représente le montant du dernier coupon par unité de capital nominal;
r représente la différence entre le prix de remboursement par unité de capital nominal et le pair;
Y représente le montant nominal des valeurs remboursées;
Au sens du présent article, il y a lieu d'entendre par "années" le nombre d'années entières entre le jour de valeur de la transaction (compris) et le jour d'échéance du coupon considéré ou, suivant le cas, du jour d'échéance finale (non compris).
Il y a lieu d'entendre par "fractions d'années" une fraction où le numérateur représente le nombre de jours calendrier entre le jour de valeur de la transaction (compris) et la date (D) obtenue en ôtant le nombre susdit d'années entières du jour d'échéance du coupon considéré ou, suivant le cas, du jour d'échéance finale (non compris) et le dénominateur représente le nombre de jours calendrier entre D (compris) et D moins un an (non compris) à savoir 365 ou 366 jours.
[1 Le montant forfaitaire des intérêts visés aux articles 17 et 19 du Code des impôts sur les revenus 1992, compris dans la valeur faciale de l'obligation linéaire émise par l'Etat belge et imposables dans le chef de chaque détenteur au prorata de la période de détention du manteau, est déterminé au moyen du rendement interpolé linéairement des titres qui donnent droit aux paiements d'intérêts au jour où la négociation du manteau et du droit sur chaque paiement d'intérêt en tant que titres indépendants dématérialisés fut approuvée.
S'il n'est pas possible de calculer un rendement interpolé linéairement, le calcul du rendement se fait par extrapolation sur base des titres précités avec les maturités les plus proches.
Ce rendement est arrondi à 5 points de base pour les rendements finissant par 3 jusque et y compris 7 points de base, et à 0 point de base pour les rendements finissant par 8,9,0,1 et 2 points de base.]1
Modifications
Art. 9/1. [1 In afwijking van de artikelen 8 en 9, en wat de effecten betreft waarvan de inkomsten niet bepaalbaar zijn op het ogenblik van de uitgifte of in het begin van de intrestperiode, wordt het bedrag van de gelopen rente op de valutadag van de transactie met vastrentende effecten, waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, bepaald aan de hand van de formule van berekening van de interesten die is vastgesteld bij de uitgifte, rekening gehouden met de op de valutadag van de transactie vastgestelde waarde van de in deze formule bepaalde parameters, mits de beheerder van het systeem deze formule op operationeel gebied goedkeurt.]1
Art. 9/1. [1 Par dérogation aux articles 8 et 9, en ce qui concerne les titres dont les revenus ne sont pas déterminables au moment de l'émission ou au début de la période de production des intérêts, le montant des intérêts courus à la date-valeur de la transaction sur titres à revenus fixes, sur lequel est dû le précompte mobilier ou sur lequel est payée la bonification égale au précompte mobilier, est déterminé au moyen de la formule de calcul des intérêts qui est arrêtée lors de l'émission, en tenant compte de la valeur des paramètres de cette formule observée à la date-valeur de la transaction, sous réserve d'approbation de cette formule sur un plan opérationnel par le gestionnaire du système.]1
Modifications
Art.10. De Minister van Financiën of zijn afgevaardigde bepaalt naar analogie met in de artikelen [2 8, 9 en 9/1]2 vastgestelde regels, de berekeningswijze van de inkomsten van de effecten, waarvan de kenmerken niet beantwoorden aan deze van de in artikel [2 8, 9 en 9/1]2 geviseerde gevallen.
Het Secretariaat voor Roerende Waarden geeft een ISIN-code aan elke waarde die wordt bijgehouden bij een vereffeningsstelsel en maakt de berekeningswijze van de roerende inkomsten bekend aan de beheerders.
[1 De door de Belgische Staat uitgegeven lineaire obligaties die zijn aangeduid in uitvoering van artikel 11, tweede lid, van de wet en hun rendementen berekend in uitvoering van artikel 9, zevende, achtste en negende lid, zijn in bijlage I gevoegd.]1
Het Secretariaat voor Roerende Waarden geeft een ISIN-code aan elke waarde die wordt bijgehouden bij een vereffeningsstelsel en maakt de berekeningswijze van de roerende inkomsten bekend aan de beheerders.
[1 De door de Belgische Staat uitgegeven lineaire obligaties die zijn aangeduid in uitvoering van artikel 11, tweede lid, van de wet en hun rendementen berekend in uitvoering van artikel 9, zevende, achtste en negende lid, zijn in bijlage I gevoegd.]1
Art.10. Le Ministre des Finances ou son délégué fixe, par analogie aux règles décrites aux articles [2 8, 9 et 9/1]2, le mode de calcul des revenus des titres dont les caractéristiques ne correspondent pas à celles des cas visés aux articles [2 8, 9 et 9/1]2.
Le Secrétariat des Valeurs Mobilières accorde un code-ISIN à chaque valeur détenue auprès du système de liquidation et fait connaître le mode de calcul des revenus mobiliers aux gestionnaires.
[1 Les obligations linéaires émises par l'Etat belge désignées en exécution de l'article 11, alinéa 2, de la loi et leurs rendements, calculés en exécution de l'article 9, alinéas 7, 8 et 9, sont joints en annexe Ire.]1
Le Secrétariat des Valeurs Mobilières accorde un code-ISIN à chaque valeur détenue auprès du système de liquidation et fait connaître le mode de calcul des revenus mobiliers aux gestionnaires.
[1 Les obligations linéaires émises par l'Etat belge désignées en exécution de l'article 11, alinéa 2, de la loi et leurs rendements, calculés en exécution de l'article 9, alinéas 7, 8 et 9, sont joints en annexe Ire.]1
Art.11. <KB 1998-11-26/39, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Wanneer het bedrag van de inkomsten is bepaald in een munt van een land dat de euro niet heeft aangenomen overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, wordt het in euro omgezet op grond van de indicatieve wisselkoers van deze munt die gepubliceerd wordt door de Europese Centrale Bank of de Nationale Bank van België, op [1 de bankwerkdag]1 voorafgaand aan, naargelang het geval, de valutadag of de vervaldag, overeenkomstig artikel 212, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten.
[1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bankwerkdag verstaan een werkdag van het effectenvereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België.]1
[1 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bankwerkdag verstaan een werkdag van het effectenvereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België.]1
Modifications
Art.11. <AR 1998-11-26/39, art. 10, 007; En vigueur : 01-01-1999> Lorsque le montant des revenus est libellé dans une monnaie dont le pays n'a pas adopté l'euro conformément au Traité instituant l'Union européenne, il est converti en euro sur la base du cours indicatif de cette monnaie publié, par la Banque centrale européenne ou la Banque nationale de Belgique, [1 le jour ouvrable bancaire]1 précédant, selon le cas, le jour de valeur ou le jour d'échéance, conformément à l'article 212, § 2, de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers.
[1 Pour l'application du présent article, on entend par jour ouvrable bancaire une journée de fonctionnement du système de liquidation de titres de la Banque Nationale de Belgique.]1
[1 Pour l'application du présent article, on entend par jour ouvrable bancaire une journée de fonctionnement du système de liquidation de titres de la Banque Nationale de Belgique.]1
Modifications
Art.12. De volgende transacties mogen niet worden verricht met effecten die op een niet-vrijgestelde rekening zijn geboekt :
1° de uitlening van effecten;
2° de cessie-retrocessie;
3° de effectenswap;
4° de effectenruil;
[1 5° de terugtrekking van effecten, tenzij deze terugtrekking aanleiding geeft tot een beweging van deze niet-vrijgestelde rekening, als gevolg van een overschrijving naar een vrijgestelde rekening.]1
1° de uitlening van effecten;
2° de cessie-retrocessie;
3° de effectenswap;
4° de effectenruil;
[1 5° de terugtrekking van effecten, tenzij deze terugtrekking aanleiding geeft tot een beweging van deze niet-vrijgestelde rekening, als gevolg van een overschrijving naar een vrijgestelde rekening.]1
Modifications
Art.12. Les transactions suivantes ne peuvent pas être effectuées au moyen de valeurs mobilières inscrites sur un compte non exonété :
1° l'emprunt de valeurs mobilières;
2° la cession-rétrocession;
3° le swap de valeurs mobilières;
4° l'échange de valeurs mobilières;
[1 5° le retrait de valeurs mobilières, sauf si ce retrait donne lieu à un mouvement de ce compte non exonéré, par suite d'un virement à destination d'un compte exonéré.]1
1° l'emprunt de valeurs mobilières;
2° la cession-rétrocession;
3° le swap de valeurs mobilières;
4° l'échange de valeurs mobilières;
[1 5° le retrait de valeurs mobilières, sauf si ce retrait donne lieu à un mouvement de ce compte non exonéré, par suite d'un virement à destination d'un compte exonéré.]1
Modifications
Art.13. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet is de roerende voorheffing niet verschuldigd indien het deposito op een vrijgestelde rekening :
1° (een nominatieve obligatie, kasbon of andere soortelijke effecten betreft, of het gevolg is van een conversie van voornoemde effecten in een obligatie aan toonder of een gedematerialiseerde obligatie, indien de in het register van de nominatieve obligaties ingeschreven houder op het ogenblik van het deposito voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken effecten volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten;) <KB 2007-04-26/88, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 09-07-2007>
2° obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten aan toonder betreft die sedert de uitgifte of de laatste intrestenvervaldag tot op de dag van de boeking op de vrijgestelde rekening, in openbewaring waren bij een kredietinstelling of een beursvennootschap en de bewaargever voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken schuldbewijzen volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten.
De emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of de beursvennootschap bij wie de effecten in openbewaring waren, geven aan de beheerder van het vereffeningsstelsel een attest af waaruit blijkt dat aan al de voorwaarden van vrijstelling van de roerende voorheffing was voldaan.
1° (een nominatieve obligatie, kasbon of andere soortelijke effecten betreft, of het gevolg is van een conversie van voornoemde effecten in een obligatie aan toonder of een gedematerialiseerde obligatie, indien de in het register van de nominatieve obligaties ingeschreven houder op het ogenblik van het deposito voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken effecten volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten;) <KB 2007-04-26/88, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 09-07-2007>
2° obligaties, kasbons of andere soortgelijke effecten aan toonder betreft die sedert de uitgifte of de laatste intrestenvervaldag tot op de dag van de boeking op de vrijgestelde rekening, in openbewaring waren bij een kredietinstelling of een beursvennootschap en de bewaargever voldeed aan alle voorwaarden om voor de betrokken schuldbewijzen volledige vrijstelling van roerende voorheffing te genieten.
De emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of de beursvennootschap bij wie de effecten in openbewaring waren, geven aan de beheerder van het vereffeningsstelsel een attest af waaruit blijkt dat aan al de voorwaarden van vrijstelling van de roerende voorheffing was voldaan.
Art.13. Par application de l'article 16, 8° de la loi, le précompte mobilier n'est pas dû si le dépôt sur un compte exonété :
1° (concerne une obligation nominative, un bon de caisse nominatif ou d'autres titres analogues nominatifs, ou résulte de la conversion des titres précités en une obligation au porteur ou une obligation dématérialisée quand le détenteur inscrit dans le registre des obligations nominatives répondait au moment du dépôt à toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération totale du précompte mobilier pour les titres concernés;) <AR 2007-04-26/88, art. 21, 009; En vigueur : 09-07-2007>
2° concerne des obligations, bons de caisse ou d'autres titres analogues au porteur qui étaient déposés à découvert auprès d'un établissement de crédit ou d'une société de bourse depuis l'émission ou la dernière échéance d'intérêts jusqu'au jour de l'inscription à un compte exonéré, et dont le déposant à découvert répondait à toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération totale du précompte mobilier pour les titres d'emprunt concernés.
L'émetteur qui tient le registre des obligations nominatives ou l'établissement de crédit ou la société de bourse auprès de qui les titres étaient en dépôt à découvert, remettent au gestionnaire du système de liquidation une attestation confirmant que toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération du précompte mobilier étaient remplies.
1° (concerne une obligation nominative, un bon de caisse nominatif ou d'autres titres analogues nominatifs, ou résulte de la conversion des titres précités en une obligation au porteur ou une obligation dématérialisée quand le détenteur inscrit dans le registre des obligations nominatives répondait au moment du dépôt à toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération totale du précompte mobilier pour les titres concernés;) <AR 2007-04-26/88, art. 21, 009; En vigueur : 09-07-2007>
2° concerne des obligations, bons de caisse ou d'autres titres analogues au porteur qui étaient déposés à découvert auprès d'un établissement de crédit ou d'une société de bourse depuis l'émission ou la dernière échéance d'intérêts jusqu'au jour de l'inscription à un compte exonéré, et dont le déposant à découvert répondait à toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération totale du précompte mobilier pour les titres d'emprunt concernés.
L'émetteur qui tient le registre des obligations nominatives ou l'établissement de crédit ou la société de bourse auprès de qui les titres étaient en dépôt à découvert, remettent au gestionnaire du système de liquidation une attestation confirmant que toutes les conditions pour bénéficier de l'exonération du précompte mobilier étaient remplies.
Art.14. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet is geen vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing op de gelopen inkomsten verschuldigd in het geval van de terugtrekking van de effecten, bedoeld in artikel 5, 2° van de wet, indien op de vervaldag van het inkomen de in artikel 8 van de wet bedoelde schuldenaar in gebreke blijft.
Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet kan de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde de onmiddellijke betaling van de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing, bedoeld in artikel 4, 2° van de wet doen uitstellen tot op het ogenblik van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten in de hierna vermelde gevallen :
- faillissement van de emittent;
- aanvraag van [1 gerechtelijke reorganisatie, door een minnelijk akkoord, door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag]1;
- aanvraag van uitstel van betaling;
- in vereffeningstelling;
- de wijziging van de economische of financiële toestand van de emittent, die van aard is de solvabiliteit in gevaar te kunnen brengen, zoals maatregelen van beslag (bewarend of uitvoerend), vervolging, wanprestatie, en op algemene wijze, elke andere gebeurtenis die van aard is het vertrouwen in de emittent in gevaar te brengen,
zonder dat dergelijk uitstel een recht op enigerlei schadevergoeding kan meebrengen.
De emittent wordt door de beheerder op de hoogte gesteld van de beslissing tot uitstel.
Het staat de partijen bij een transactie vrij om in het geval van de toepassing van onderhavig artikel onderling een vergoeding te voorzien met betrekking tot de bedoelde niet ontvangen vergoeding. Bij het ontbreken van dergelijke regeling tussen de partijen kan het reglement van het vereffeningsstelsel een vergoedingsregeling vaststellen.
Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet kan de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde de onmiddellijke betaling van de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing, bedoeld in artikel 4, 2° van de wet doen uitstellen tot op het ogenblik van de effectieve toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten in de hierna vermelde gevallen :
- faillissement van de emittent;
- aanvraag van [1 gerechtelijke reorganisatie, door een minnelijk akkoord, door een collectief akkoord of door overdracht onder gerechtelijk gezag]1;
- aanvraag van uitstel van betaling;
- in vereffeningstelling;
- de wijziging van de economische of financiële toestand van de emittent, die van aard is de solvabiliteit in gevaar te kunnen brengen, zoals maatregelen van beslag (bewarend of uitvoerend), vervolging, wanprestatie, en op algemene wijze, elke andere gebeurtenis die van aard is het vertrouwen in de emittent in gevaar te brengen,
zonder dat dergelijk uitstel een recht op enigerlei schadevergoeding kan meebrengen.
De emittent wordt door de beheerder op de hoogte gesteld van de beslissing tot uitstel.
Het staat de partijen bij een transactie vrij om in het geval van de toepassing van onderhavig artikel onderling een vergoeding te voorzien met betrekking tot de bedoelde niet ontvangen vergoeding. Bij het ontbreken van dergelijke regeling tussen de partijen kan het reglement van het vereffeningsstelsel een vergoedingsregeling vaststellen.
Modifications
Art.14. Par application de l'article 16, 8° de la loi, aucune bonification, égale au précompte mobilier sur les revenus courus n'est due dans le cas du retrait des titres, visé à l'article 5, 2° de la loi, lorsque le débiteur visé à l'article 8 de la loi reste en défaut à l'échéance du revenu.
Par application de l'article 16, 8° de la loi, le Ministre des Finances ou son délégué peut faire reporter le paiement immédiat de la bonification, égale au précompte mobilier, visée à l'article 4, 2° de la loi jusqu'au moment de l'attribution ou de la mise en paiement des revenus dans les cas suivants :
- faillite de l'émetteur;
- demande de [1 réorganisation judiciaire par accord amiable, par accord collectif ou par transfert sous autorité de justice]1;
- demande de sursis de paiement;
- liquidation;
- changement de la situation économique ou financière de l'émetteur susceptible de mettre sa solvabilité en danger, comme des mesures de saisie (conservatoire ou exécutoire), poursuite, inexécution d'obligations, et, de manière générale, tout événement de nature à ébranler la confiance dans l'émetteur,
sans qu'un tel report puisse créer un droit quelconque à dédommagement.
L'émetteur est informé de la décision du report par le gestionnaire.
Lorsque le présent article est d'application, les parties à une transaction sont libres de prévoir une indemnisation pour la bonification non recue. Le règlement du système de liquidation peut prévoir une indemnisation, à défaut de convention entre les parties.
Par application de l'article 16, 8° de la loi, le Ministre des Finances ou son délégué peut faire reporter le paiement immédiat de la bonification, égale au précompte mobilier, visée à l'article 4, 2° de la loi jusqu'au moment de l'attribution ou de la mise en paiement des revenus dans les cas suivants :
- faillite de l'émetteur;
- demande de [1 réorganisation judiciaire par accord amiable, par accord collectif ou par transfert sous autorité de justice]1;
- demande de sursis de paiement;
- liquidation;
- changement de la situation économique ou financière de l'émetteur susceptible de mettre sa solvabilité en danger, comme des mesures de saisie (conservatoire ou exécutoire), poursuite, inexécution d'obligations, et, de manière générale, tout événement de nature à ébranler la confiance dans l'émetteur,
sans qu'un tel report puisse créer un droit quelconque à dédommagement.
L'émetteur est informé de la décision du report par le gestionnaire.
Lorsque le présent article est d'application, les parties à une transaction sont libres de prévoir une indemnisation pour la bonification non recue. Le règlement du système de liquidation peut prévoir une indemnisation, à défaut de convention entre les parties.
Modifications
Art.16. § 1. Ter gelegenheid van de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten :
1° levert de beheerder aan de schuldenaar van de inkomsten of, indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, aan de eerste in België gevestigde tussenpersoon, een attest af waarin hij het bedrag van de inkomsten bevestigt dat hem moet betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
2° levert de Rijkskassier aan de beheerder(s) een attest af waarin hij het bedrag van de roerende voorheffing vermeldt dat geïnd is door de beheerder(s) ten voordele van de Schatkist overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 1°, 5, 1° en 8 lid 2 van de wet evenals de bedragen die vergoed werden ten laste van laatstgenoemde overeenkomstig de artikelen 4, eerste lid, 2° en 5, 2° van de wet;
3° de instellingen die rekeningen bijhouden leveren aan de beheerder(s) een nominatieve opgave af van de personen of instellingen, die vergoeding krijgen, bedoeld in artikel 5, 2° van de wet evenals, voor elk van hen en per waarde het (de) vergoede bedrag(en).
(4° ingeval van toepassing van artikel 6bis, verstrekken [1 de centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012]1, aan de beheerder(s) een nominatieve opgave van hun onderdeelnemers gevestigd in België, aan wie inkomsten werden betaald, evenals voor elk van hen het totale bedrag van de inkomsten dat hen werd toegekend.) <KB 1995-01-23/33, art. 8 ,1°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
§ 2. De schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste in België gevestigde tussenpersoon :
1° stort aan de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van het KB/WIB 92 de roerende voorheffing verschuldigd op de inkomsten die hij toekent of betaalbaar stelt, onder aftrek van de inkomsten die mogen betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
2° voegt, ter staving van de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit, een copie bij van de attesten afgeleverd door de beheerder(s) overeenkomstig § 1, 1°.
§ 3. Voor de inkomsten die hij betaalt, is de beheerder gehouden binnen de 15 dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling ervan, de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit neer te leggen bij de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van hetzelfde besluit.
De beheerder voegt ter staving van de aangifte van de in lid 1 bedoelde inkomsten :
1° het attest afgeleverd door de Rijkskassier evenals de opgaven afgeleverd door de instellingen die rekeningen bijhouden (overeenkomstig § 1, 2° tot 4°); <KB 1995-01-23/33, art. 8, 2°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
2° een opgave die vermeldt :
a) de identiteit van de schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, van de eerste tussenpersoon gevestigd in België;
b) het totale bedrag van de bruto ontvangen inkomsten;
c) de identiteit van de instellingen die rekeningen bijhouden aan wie inkomsten zijn toegekend of betaalbaar evenals voor elk van hen :
- het volledige bedrag van de bruto betaalde inkomsten;
- het bedrag van de bruto inkomsten betaald voor eigen rekening;
- het totale bedrag van de inkomsten voor rekening van derden met vrijstelling van roerende voorheffing;
- het totale bedrag vergoed tengevolge van het terugtrekken van de effecten van vrijgestelde rekeningen;
- het bedrag van de roerende voorheffing geïnd naar aanleiding van de neerleggingen van effecten op vrijgestelde rekeningen;
- het bedrag van de niet verschuldigde roerende voorheffing tengevolge van de neerleggingen van effecten op de vrijgestelde rekeningen overeenkomstig artikel 13;
3° een copie van de attesten afgeleverd overeenkomstig artikel 13, lid 2 door de emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of beursvennootschap bij wie de effecten in bewaring waren gegeven.
1° levert de beheerder aan de schuldenaar van de inkomsten of, indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, aan de eerste in België gevestigde tussenpersoon, een attest af waarin hij het bedrag van de inkomsten bevestigt dat hem moet betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
2° levert de Rijkskassier aan de beheerder(s) een attest af waarin hij het bedrag van de roerende voorheffing vermeldt dat geïnd is door de beheerder(s) ten voordele van de Schatkist overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 1°, 5, 1° en 8 lid 2 van de wet evenals de bedragen die vergoed werden ten laste van laatstgenoemde overeenkomstig de artikelen 4, eerste lid, 2° en 5, 2° van de wet;
3° de instellingen die rekeningen bijhouden leveren aan de beheerder(s) een nominatieve opgave af van de personen of instellingen, die vergoeding krijgen, bedoeld in artikel 5, 2° van de wet evenals, voor elk van hen en per waarde het (de) vergoede bedrag(en).
(4° ingeval van toepassing van artikel 6bis, verstrekken [1 de centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, 1) van de Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012]1, aan de beheerder(s) een nominatieve opgave van hun onderdeelnemers gevestigd in België, aan wie inkomsten werden betaald, evenals voor elk van hen het totale bedrag van de inkomsten dat hen werd toegekend.) <KB 1995-01-23/33, art. 8 ,1°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
§ 2. De schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, de eerste in België gevestigde tussenpersoon :
1° stort aan de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van het KB/WIB 92 de roerende voorheffing verschuldigd op de inkomsten die hij toekent of betaalbaar stelt, onder aftrek van de inkomsten die mogen betaald worden zonder inning van de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 8, lid 1 van de wet;
2° voegt, ter staving van de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit, een copie bij van de attesten afgeleverd door de beheerder(s) overeenkomstig § 1, 1°.
§ 3. Voor de inkomsten die hij betaalt, is de beheerder gehouden binnen de 15 dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling ervan, de aangifte van de inkomsten bedoeld in artikel 85 van hetzelfde besluit neer te leggen bij de ontvanger der directe belastingen bedoeld in artikel 84 van hetzelfde besluit.
De beheerder voegt ter staving van de aangifte van de in lid 1 bedoelde inkomsten :
1° het attest afgeleverd door de Rijkskassier evenals de opgaven afgeleverd door de instellingen die rekeningen bijhouden (overeenkomstig § 1, 2° tot 4°); <KB 1995-01-23/33, art. 8, 2°, 002; Inwerkingtreding : 07-02-1995>
2° een opgave die vermeldt :
a) de identiteit van de schuldenaar van de inkomsten of indien het gaat om inkomsten van buitenlandse oorsprong, van de eerste tussenpersoon gevestigd in België;
b) het totale bedrag van de bruto ontvangen inkomsten;
c) de identiteit van de instellingen die rekeningen bijhouden aan wie inkomsten zijn toegekend of betaalbaar evenals voor elk van hen :
- het volledige bedrag van de bruto betaalde inkomsten;
- het bedrag van de bruto inkomsten betaald voor eigen rekening;
- het totale bedrag van de inkomsten voor rekening van derden met vrijstelling van roerende voorheffing;
- het totale bedrag vergoed tengevolge van het terugtrekken van de effecten van vrijgestelde rekeningen;
- het bedrag van de roerende voorheffing geïnd naar aanleiding van de neerleggingen van effecten op vrijgestelde rekeningen;
- het bedrag van de niet verschuldigde roerende voorheffing tengevolge van de neerleggingen van effecten op de vrijgestelde rekeningen overeenkomstig artikel 13;
3° een copie van de attesten afgeleverd overeenkomstig artikel 13, lid 2 door de emittent die het register van de nominatieve obligaties bijhoudt of de kredietinstelling of beursvennootschap bij wie de effecten in bewaring waren gegeven.
Modifications
Art.16. § 1. Lors de l'attribution ou de la mise en paiement des revenus :
1° le gestionnaire délivre au débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, au premier intermédiaire établi en Belgique, une attestation par laquelle il certifie le montant des revenus qui lui sont payables sans retenue de précompte mobilier conformément à l'article 8, alinéa 1er, de la loi;
2° le service du Caissier de l'Etat délivre au(x) gestionnaire(s) une attestation par laquelle il certifie le montant du précompte mobilier percu par ce(s) gestionnaire(s) au profit du Trésor conformément aux articles 4, alinéa 1er, 1°, 5, 1° et 8 alinéa 2 de la loi, ainsi que les montants bonifiés à charge de ce dernier conformément aux articles 4, alinéa 1er, 2° et 5, 2° de la loi;
3° les teneurs de comptes délivrent au(x) gestionnaire(s) un relevé nominatif de toutes les personnes ou établissements, qui bénéficient de bonifications visées à l'article 5, 2°, de la loi ainsi que pour chacun d'eux et par valeur le(s) montant(s) bonifié(s).
(4° en cas d'application de l'article 6bis, [1 les dépositaires centraux de titres tels que définis à l'article 2, paragraphe 1er, 1) du Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l'amélioration du règlement de titres dans l'Union européenne et les dépositaires centraux de titres, et modifiant les directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le règlement (UE) n° 236/2012]1 délivrent au(x) gestionnaire(s) un relevé nominatif de leurs sous-participants établis en Belgique à qui des revenus ont été versés ainsi que pour chacun d'eux, le montant total des revenus qui leur a été octroyé.) <AR 1995-01-23/33, art. 8, 1°, 002; En vigueur : 07-02-1995>
§ 2. Le débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, le premier intermédiaire établi en Belgique :
1° verse au receveur des contributions directes visé à l'article 84 de l'AR/CIR 92, le précompte mobilier dû sur les revenus qu'il attribue ou met en paiement, déduction faite des revenus payables sans retenue de précompte mobilier conformément à l'article 8, alinéa 1er, de la loi;
2° joint, à l'appui de la déclaration de revenus visée à l'article 85 du même arrêté, une copie des attestations délivrées par le(s) gestionnaire(s) conformément au § 1er, 1°.
§ 3. Pour les revenus qu'il paie, le gestionnaire est tenu, dans les 15 jours de l'attribution ou de la mise en paiement de ceux-ci, de souscrire la déclaration de revenus visée à l'article 85 du même arrêté auprès du receveur des contributions directes visé à l'article 84 du même arrêté.
Le gestionnaire joint, à l'appui de la déclaration de revenus visée à l'alinéa 1er :
1° l'attestation délivrée par le service du Caissier de l'Etat et les relevés délivrés par les teneurs de compte (conformément au § 1er, 2° à 4°(; <AR 1995-01-23/33, art. 8, 2°, 002; En vigueur : 07-02-1995>
2° un relevé mentionnant :
a) l'identité du débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, du premier intermédiaire établi en Belgique;
b) le montant total des revenus bruts percus;
c) l'identité des teneurs de comptes à qui des revenus sont attribués ou mis en paiement ainsi que pour chacun d'eux :
- le montant total des revenus bruts payés;
- le montant des revenus bruts payés pour compte propre;
- le montant total des revenus payés pour compte de tiers en exonération de précompte mobilier;
- le montant total bonifié à la suite du retrait de titres de comptes exonérés;
- le montant du précompte mobilier percu à la suite des dépôts de titres sur des comptes exonérés;
- le montant du précompte mobilier non dû à la suite des dépôts de titres sur des comptes exonérés, conformément à l'article 13;
3° une copie des attestations délivrées conformément à l'article 13, alinéa 2 par l'émetteur qui tient le registre des obligations nominatives ou par l'établissement de crédit ou la société de bourse auprès de qui les titres étaient déposés à découvert.
1° le gestionnaire délivre au débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, au premier intermédiaire établi en Belgique, une attestation par laquelle il certifie le montant des revenus qui lui sont payables sans retenue de précompte mobilier conformément à l'article 8, alinéa 1er, de la loi;
2° le service du Caissier de l'Etat délivre au(x) gestionnaire(s) une attestation par laquelle il certifie le montant du précompte mobilier percu par ce(s) gestionnaire(s) au profit du Trésor conformément aux articles 4, alinéa 1er, 1°, 5, 1° et 8 alinéa 2 de la loi, ainsi que les montants bonifiés à charge de ce dernier conformément aux articles 4, alinéa 1er, 2° et 5, 2° de la loi;
3° les teneurs de comptes délivrent au(x) gestionnaire(s) un relevé nominatif de toutes les personnes ou établissements, qui bénéficient de bonifications visées à l'article 5, 2°, de la loi ainsi que pour chacun d'eux et par valeur le(s) montant(s) bonifié(s).
(4° en cas d'application de l'article 6bis, [1 les dépositaires centraux de titres tels que définis à l'article 2, paragraphe 1er, 1) du Règlement (UE) n° 909/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 concernant l'amélioration du règlement de titres dans l'Union européenne et les dépositaires centraux de titres, et modifiant les directives 98/26/CE et 2014/65/UE ainsi que le règlement (UE) n° 236/2012]1 délivrent au(x) gestionnaire(s) un relevé nominatif de leurs sous-participants établis en Belgique à qui des revenus ont été versés ainsi que pour chacun d'eux, le montant total des revenus qui leur a été octroyé.) <AR 1995-01-23/33, art. 8, 1°, 002; En vigueur : 07-02-1995>
§ 2. Le débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, le premier intermédiaire établi en Belgique :
1° verse au receveur des contributions directes visé à l'article 84 de l'AR/CIR 92, le précompte mobilier dû sur les revenus qu'il attribue ou met en paiement, déduction faite des revenus payables sans retenue de précompte mobilier conformément à l'article 8, alinéa 1er, de la loi;
2° joint, à l'appui de la déclaration de revenus visée à l'article 85 du même arrêté, une copie des attestations délivrées par le(s) gestionnaire(s) conformément au § 1er, 1°.
§ 3. Pour les revenus qu'il paie, le gestionnaire est tenu, dans les 15 jours de l'attribution ou de la mise en paiement de ceux-ci, de souscrire la déclaration de revenus visée à l'article 85 du même arrêté auprès du receveur des contributions directes visé à l'article 84 du même arrêté.
Le gestionnaire joint, à l'appui de la déclaration de revenus visée à l'alinéa 1er :
1° l'attestation délivrée par le service du Caissier de l'Etat et les relevés délivrés par les teneurs de compte (conformément au § 1er, 2° à 4°(; <AR 1995-01-23/33, art. 8, 2°, 002; En vigueur : 07-02-1995>
2° un relevé mentionnant :
a) l'identité du débiteur des revenus ou, lorsqu'il s'agit de revenus d'origine étrangère, du premier intermédiaire établi en Belgique;
b) le montant total des revenus bruts percus;
c) l'identité des teneurs de comptes à qui des revenus sont attribués ou mis en paiement ainsi que pour chacun d'eux :
- le montant total des revenus bruts payés;
- le montant des revenus bruts payés pour compte propre;
- le montant total des revenus payés pour compte de tiers en exonération de précompte mobilier;
- le montant total bonifié à la suite du retrait de titres de comptes exonérés;
- le montant du précompte mobilier percu à la suite des dépôts de titres sur des comptes exonérés;
- le montant du précompte mobilier non dû à la suite des dépôts de titres sur des comptes exonérés, conformément à l'article 13;
3° une copie des attestations délivrées conformément à l'article 13, alinéa 2 par l'émetteur qui tient le registre des obligations nominatives ou par l'établissement de crédit ou la société de bourse auprès de qui les titres étaient déposés à découvert.
Modifications
Art.17. De Nationale Bank van België en de in België gevestigde kredietinstellingen die het door hen beheerde vereffeningsstelsel willen laten erkennen overeenkomstig artikel 15 van de wet dienen daartoe een aanvraag in bij [1 de Algemene Administratie van de Thesaurie]1.
Bij de aanvraag om een erkenning wordt een dossier gevoegd dat inzonderheid de volgende stukken bevat :
1° de identificatie van de instelling, van haar leidinggevende personen en van de aangestelden die belast zijn met de leiding van het beheer van het vereffeningsstelsel;
2° de functioneringsregels van het vereffeningsstelsel.
De Minister van Financiën kan de personen die de aanvraag hebben ingediend verzoeken om mededeling van alle andere informatie die hij noodzakelijk acht om de aanvraag te kunnen beoordelen in het licht van de voorschriften van de wet en van dit besluit.
De erkenning door de Koning wordt verleend en gehandhaafd op voorwaarde dat de beheerder de voorwaarden vervult en de verplichtingen naleeft die zijn voorgeschreven door de wet, dit besluit en de tot uitvoering van dit besluit vastgestelde regels.
De weigering om een erkenning te verlenen wordt door de Minister van Financiën gemotiveerd en bij een ter post aangetekende brief of een brief tegen ontvangstbewijs medegedeeld aan de aanvrager.
Bij de aanvraag om een erkenning wordt een dossier gevoegd dat inzonderheid de volgende stukken bevat :
1° de identificatie van de instelling, van haar leidinggevende personen en van de aangestelden die belast zijn met de leiding van het beheer van het vereffeningsstelsel;
2° de functioneringsregels van het vereffeningsstelsel.
De Minister van Financiën kan de personen die de aanvraag hebben ingediend verzoeken om mededeling van alle andere informatie die hij noodzakelijk acht om de aanvraag te kunnen beoordelen in het licht van de voorschriften van de wet en van dit besluit.
De erkenning door de Koning wordt verleend en gehandhaafd op voorwaarde dat de beheerder de voorwaarden vervult en de verplichtingen naleeft die zijn voorgeschreven door de wet, dit besluit en de tot uitvoering van dit besluit vastgestelde regels.
De weigering om een erkenning te verlenen wordt door de Minister van Financiën gemotiveerd en bij een ter post aangetekende brief of een brief tegen ontvangstbewijs medegedeeld aan de aanvrager.
Modifications
Art.17. La Banque Nationale de Belgique et les établissements de crédit établis en Belgique qui sollicitent un agrément pour le système de liquidation qu'ils gèrent, conformément à l'article 15 de la loi, introduisent une demande à cette fin auprès de [1 l'Administration générale de la trésorerie]1.
A la demande d'agrément est joint un dossier contenant notamment :
1° l'identification de l'établissement, de ses dirigeants et des préposés qui sont chargés de la gestion du système de liquidation;
2° les règles de fonctionnement du système de liquidation.
Le Ministre des Finances peut se faire communiquer par les personnes qui ont introduit la demande, toute autre information qu'il juge nécessaire pour pouvoir apprécier cette demande au regard des dispositions de la loi et du présent arrêté.
L'agrément par le Roi est octroyé et maintenu à la condition que le gestionnaire remplisse les conditions et respecte les obligations prévues par la loi, le présent arrêté et les règles prises en vue de l'exécution de celui-ci.
Le refus d'agrément est motivé et notifié par le Ministre des Finances au demandeur, par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception.
A la demande d'agrément est joint un dossier contenant notamment :
1° l'identification de l'établissement, de ses dirigeants et des préposés qui sont chargés de la gestion du système de liquidation;
2° les règles de fonctionnement du système de liquidation.
Le Ministre des Finances peut se faire communiquer par les personnes qui ont introduit la demande, toute autre information qu'il juge nécessaire pour pouvoir apprécier cette demande au regard des dispositions de la loi et du présent arrêté.
L'agrément par le Roi est octroyé et maintenu à la condition que le gestionnaire remplisse les conditions et respecte les obligations prévues par la loi, le présent arrêté et les règles prises en vue de l'exécution de celui-ci.
Le refus d'agrément est motivé et notifié par le Ministre des Finances au demandeur, par lettre recommandée à la poste ou contre accusé de réception.
Modifications
Art.18. De inschrijvingen op naam bij de dienst van de grootboeken van de Staatsschuld mogen door deze dienst enkel worden aangehouden bij het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België op vrijgestelde of niet-vrijgestelde rekeningen, die beheerst worden door onderhavig besluit.
De dienst van de grootboeken treedt op als deelnemer voor de neerlegging of terugtrekking van effecten en voor het uitvoeren van de overboekingen binnen het vereffeningsstelsel. Voor deze toepassing wordt het geheel van de inschrijvingen op naam van eenzelfde titularis binnen een grootboek beschouwd als een rekening binnen het stelsel.
De dienst van de grootboeken treedt op als deelnemer voor de neerlegging of terugtrekking van effecten en voor het uitvoeren van de overboekingen binnen het vereffeningsstelsel. Voor deze toepassing wordt het geheel van de inschrijvingen op naam van eenzelfde titularis binnen een grootboek beschouwd als een rekening binnen het stelsel.
Art.18. Les inscriptions nominatives auprès du service des grands-livres de la dette de l'Etat ne peuvent être détenues par ce service qu'auprès du système de liquidation de la Banque Nationale de Belgique, sur des comptes exonérés ou non exonérés, régis par le présent arrêté.
Le service des grands-livres agit comme participant pour opérer les mouvements de titres auprès du système de liquidation. Pour cette application l'ensemble des inscriptions nominatives d'un même titulaire à l'intérieur d'un grand-livre est considéré comme un compte auprès dudit système.
Le service des grands-livres agit comme participant pour opérer les mouvements de titres auprès du système de liquidation. Pour cette application l'ensemble des inscriptions nominatives d'un même titulaire à l'intérieur d'un grand-livre est considéré comme un compte auprès dudit système.
Art.19. 1° Het Koninklijk besluit van 25 januari 1991 betreffende de vrijstelling van de roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van gedematerialiseerde effecten van de Staatsschuld, van transacties in die effecten en van effecten van leningen van de Belgische Staat, genaamd " lineaire obligaties " wordt afgeschaft naargelang de gedematerialiseerde effecten van de Staatsschuld worden toegelaten in het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België, bedoeld in artikel 15 van de wet.
De datum van die toelating wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet worden de inschrijvingen op naam in een grootboek van lineaire obligaties op naam van in artikel 4, eerste lid, 2° bedoelde personen, geboekt op een niet-vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 6° van de wet, indien de titularis de toepassing heeft verkregen van de bepalingen van artikel 3, lid 3 of 5 van het afgeschafte Koninklijk besluit van 25 januari 1991 en daarnaast er sedertdien geen intresten vervallen zijn voor de bedoelde inschrijvingen.
Bij de eerstvolgende intrestenvervaldag worden de bedoelde inschrijvingen omgezet in vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet.
2° Het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 betreffende de vrijstelling van de roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen en van transacties in die effecten is niet van toepassing op de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen die geboekt zijn in een in artikel 15 van de wet bedoeld vereffeningsstelsel.
3° Artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt afgeschaft voor elke lening op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de dienst van de grootboeken aan haar vereffeningsstelsel.
De datum van die toelating wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet worden de inschrijvingen op naam in een grootboek van lineaire obligaties op naam van in artikel 4, eerste lid, 2° bedoelde personen, geboekt op een niet-vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 6° van de wet, indien de titularis de toepassing heeft verkregen van de bepalingen van artikel 3, lid 3 of 5 van het afgeschafte Koninklijk besluit van 25 januari 1991 en daarnaast er sedertdien geen intresten vervallen zijn voor de bedoelde inschrijvingen.
Bij de eerstvolgende intrestenvervaldag worden de bedoelde inschrijvingen omgezet in vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet.
2° Het koninklijk besluit van 14 oktober 1991 betreffende de vrijstelling van de roerende voorheffing met betrekking tot inkomsten van gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen en van transacties in die effecten is niet van toepassing op de gedematerialiseerde thesauriebewijzen en gedematerialiseerde depositobewijzen die geboekt zijn in een in artikel 15 van de wet bedoeld vereffeningsstelsel.
3° Artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt afgeschaft voor elke lening op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de dienst van de grootboeken aan haar vereffeningsstelsel.
Art.19. 1° L'arrêté royal du 25 janvier 1991 concernant l'exonération de précompte mobilier en ce qui concerne les revenus de titres dématérialisés de la dette de l'Etat, de transactions sur ces titres et de titres d'emprunt de l'Etat belge, dénommés " obligations linéaires " est abrogé au fur et à mesure de l'admission des titres dématérialisés de la dette de l'Etat dans le système de liquidation de la Banque Nationale de Belgique, visé à l'article 15 de la loi.
La date de cette admission est publiée au Moniteur belge.
Par application de l'article 16, 8° de la loi les inscriptions nominatives inscrites dans un grand-livre d'obligations linéaires au nom de personnes visées à l'article 4, alinéa 1er 2°, sont inscrites dans des comptes non exonérés visés à l'article 1, 6° de la loi, si le titulaire a bénéficié de l'application des dispositions de l'article 3, alinéa 3 ou 5 de l'arrêté royal abrogé du 25 janvier 1991 et qu'en outre, des intérêts ne sont pas encore échus depuis lors sur les inscriptions considérées.
A la première échéance d'intérêt suivante, lesdites inscriptions sont converties en comptes exonérés visés à l'article 1, 5°, de la loi.
2° L'arrêté royal du 14 octobre 1991 concernant l'exonération de précompte mobilier en ce qui concerne les revenus de billets de trésorerie dématérialisés et de certificats de dépôt dématérialisés et des transactions sur ces titres n'est pas applicable aux billets de trésorerie dématérialisés et aux certificats de dépôt dématérialisés inscrits dans un système de liquidation, visé à l'article 15 de la loi.
3° L'article 119, § 2 de l'AR/CIR 92 est abrogé pour chaque emprunt à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation du service des grands-livres à son système de liquidation.
La date de cette admission est publiée au Moniteur belge.
Par application de l'article 16, 8° de la loi les inscriptions nominatives inscrites dans un grand-livre d'obligations linéaires au nom de personnes visées à l'article 4, alinéa 1er 2°, sont inscrites dans des comptes non exonérés visés à l'article 1, 6° de la loi, si le titulaire a bénéficié de l'application des dispositions de l'article 3, alinéa 3 ou 5 de l'arrêté royal abrogé du 25 janvier 1991 et qu'en outre, des intérêts ne sont pas encore échus depuis lors sur les inscriptions considérées.
A la première échéance d'intérêt suivante, lesdites inscriptions sont converties en comptes exonérés visés à l'article 1, 5°, de la loi.
2° L'arrêté royal du 14 octobre 1991 concernant l'exonération de précompte mobilier en ce qui concerne les revenus de billets de trésorerie dématérialisés et de certificats de dépôt dématérialisés et des transactions sur ces titres n'est pas applicable aux billets de trésorerie dématérialisés et aux certificats de dépôt dématérialisés inscrits dans un système de liquidation, visé à l'article 15 de la loi.
3° L'article 119, § 2 de l'AR/CIR 92 est abrogé pour chaque emprunt à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation du service des grands-livres à son système de liquidation.
Art.20. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet en niettegenstaande artikel 4, lid 2, worden de inschrijvingen op naam in de grootboeken van de Staatsschuld waarvan de eerstvolgende te vervallen interesten een afhouding van roerende voorheffing moeten ondergaan, de dag waarop de dienst van de grootboeken als deelnemer optreedt van haar vereffeningsstelsel, aangehouden op een niet-vrijgestelde rekening, bedoeld in artikel 1, 6° van de wet, indien de titularissen personen zijn, bedoeld in artikel 4, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 8°.
Deze inschrijvingen worden geboekt op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de bedoelde dienst aan haar vereffeningsstelsel.
Dezelfde inschrijvingen, waarvan personen bedoeld in artikel 4, 4° de houder zijn, worden niettegenstaande artikel 18, buiten het vereffeningsstelsel gehouden tot de eerstvolgende intrestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van dezelfde dienst aan haar vereffeningsstelsel.
Deze inschrijvingen worden geboekt op vrijgestelde rekeningen, bedoeld in artikel 1, 5° van de wet op de eerstvolgende interestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van de bedoelde dienst aan haar vereffeningsstelsel.
Dezelfde inschrijvingen, waarvan personen bedoeld in artikel 4, 4° de houder zijn, worden niettegenstaande artikel 18, buiten het vereffeningsstelsel gehouden tot de eerstvolgende intrestenvervaldag die samenvalt met of volgt op de eerste dag van de deelneming van dezelfde dienst aan haar vereffeningsstelsel.
Art.20. Par application de l'article 16, 8° de la loi et nonobstant l'article 4, alinéa 2, les inscriptions nominatives aux grands-livres de la dette de l'Etat dont les premiers revenus à échoir doivent subir une retenue de précompte mobilier, sont le jour où le service des grands-livres agit comme participant à son système de liquidation, détenus en compte non exonéré, visé à l'article 1er, 6° de la loi, si les titulaires sont des personnes visées à l'article 4, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° ou 8°.
Ces inscriptions sont inscrites en compte exonéré, visé à l'article 1er, 5° de la loi, à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation dudit service à son système de liquidation.
Les mêmes inscriptions dont sont titulaires des personnes visées à l'article 4, 4° sont, nonobstant l'article 18, tenues en dehors du système de liquidation jusqu'à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation du même service au système de liquidation.
Ces inscriptions sont inscrites en compte exonéré, visé à l'article 1er, 5° de la loi, à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation dudit service à son système de liquidation.
Les mêmes inscriptions dont sont titulaires des personnes visées à l'article 4, 4° sont, nonobstant l'article 18, tenues en dehors du système de liquidation jusqu'à la première échéance d'intérêt qui coïncide ou succède au premier jour de la participation du même service au système de liquidation.
Art.21. Bij toepassing van artikel 16, 8° van de wet mogen de titularissen van inschrijvingen op naam bedoeld in artikel 19, 1°, lid 3 en artikel 20, leden 1 en 3, deze onmiddellijk laten boeken op een vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 5° van de wet mits betaling van een vergoeding gelijk aan de roerende voorheffing op de gelopen interesten tot de dag van aanvraag van omzetting naar een dergelijke rekening overeenkomstig artikel 5, 1° van de wet.
Voor de toepassing van artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt de neerlegging op een vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 5° van de wet door personen bedoeld in artikel 4, 4° gelijkgesteld met een verkoop.
Voor de toepassing van artikel 119, § 2 van het KB/WIB 92 wordt de neerlegging op een vrijgestelde rekening bedoeld in artikel 1, 5° van de wet door personen bedoeld in artikel 4, 4° gelijkgesteld met een verkoop.
Art.21. Par application de l'article 16, 8° de la loi, les titulaires d'une inscription nominative visés aux article 19, 1°, alinéa 3 et article 20, alinéas 1 et 3, peuvent immédiatement les faire inscrire sur un compte exonéré visé à l'article 1er, 5° de la loi moyennant le paiement d'un montant correspondant au précompte mobilier sur les revenus courus jusqu'au jour de la demande de conversion à un tel compte conformément à l'article 5, 1° de la loi.
Pour l'application de l'article 119, § 2 de l'AR/CIR 92 le dépôt sur un compte exonéré visé à l'article 1er, 5° de la loi par des personnes visées à l'article 4, 4° est assimilé à une vente.
Pour l'application de l'article 119, § 2 de l'AR/CIR 92 le dépôt sur un compte exonéré visé à l'article 1er, 5° de la loi par des personnes visées à l'article 4, 4° est assimilé à une vente.
Art.22. De artikelen 8, 9, 10, 32 en 39 van het Koninklijk besluit van 27 maart 1992 betreffende de uitgifte van de lineaire obligaties, gecoördineerd bij het Koninklijk besluit van 9 november 1992 worden afgeschaft naargelang de lineaire obligaties worden opgenomen in het vereffeningsstelsel van de Nationale Bank van België, bedoeld in artikel 15 van de wet.
Art.22. Les articles 8, 9, 10, 32 et 39 de l'arrêté royal du 27 mars 1992 relatif à l'émission des obligations linéaires, coordonné par l'arrêté royal du 9 novembre 1992 sont abrogés au fur et à mesure de l'admission des obligations linéaires dans le système de liquidation de la Banque Nationale de Belgique, visé à l'article 15 de la loi.
Art.23. Hoofdstuk I van de wet en onderhavig besluit treden in werking naargelang de opneming van de bedoelde effecten in een vereffeningsstelsel, bedoeld in artikel 1, 1° van de wet (met uitsluiting van artikel 17 van de wet dat op 13 juni 1994 in werking treedt). <KB 1998-09-06/35, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 27-10-1998>
Art.23. Le chapitre Ier de la loi et le présent arrêté entrent en vigueur au fur et à mesure de l'admission des titres concernés dans un système de liquidation, visé à l'article 1, 1° de la loi (à l'exclusion de l'article 17 de la loi qui entre en vigueur le 13 juin 1994). <AR 1998-09-06/35, art. 4, 006; En vigueur : 27-10-1998>
Art.24. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.24. Notre Ministre des Finances est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE
ANNEXE
Art. N. [1 - Forfaitair rendement van de mantels van bepaalde lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat
Art. N. [1 Rendement forfaitaire des manteaux de certaines obligations linéaires émises parl'Etat belge
| Mantels | Eindvervaldag | Datum van machtiging | Berekend rendement | Toe te passen rendement |
| BE0008180326 | 28/09/2014 | 28/01/2004 | 4,42 | 4,40 |
| BE0008190424 | 28/03/2035 | 19/05/2004 | 5,35 | 5,35 |
| BE0008200520 | 28/03/2010 | 19/01/2005 | 3,01 | 3,00 |
| BE0008210628 | 28/09/2015 | 16/03/2005 | 3,89 | 3,90 |
| BE0008220726 | 28/09/2016 | 24/01/2006 | 3,49 | 3,50 |
| BE0008230824 | 28/03/2022 | 24/05/2006 | 4,18 | 4,20 |
| BE0008240922 | 28/03/2017 | 23/01/2007 | 4,07 | 4,05 |
| BE0008250053 | 28/03/2013 | 02/05/2007 | 4,19 | 4,20 |
| BE0008260151 | 28/03/2018 | 29/01/2008 | 4,29 | 4,30 |
| BE0008270259 | 28/03/2011 | 28/02/2008 | 3,50 | 3,50 |
| BE0008280357 | 28/03/2014 | 24/04/2008 | 4,24 | 4,25 |
| BE0008290455 | 28/03/2019 | 21/01/2009 | 4,37 | 4,35 |
| BE0008300551 | 28/03/2015 | 24/03/2009 | 3,62 | 3,60 |
BE000818032628/09/201428/01/20044,424,40
BE000819042428/03/203519/05/20045,355,35
BE000820052028/03/201019/01/20053,013,00
BE000821062828/09/201516/03/20053,893,90
BE000822072628/09/201624/01/20063,493,50
BE000823082428/03/202224/05/20064,184,20
BE000824092228/03/201723/01/20074,074,05
BE000825005328/03/201302/05/20074,194,20
BE000826015128/03/201829/01/20084,294,30
BE000827025928/03/201128/02/20083,503,50
BE000828035728/03/201424/04/20084,244,25
BE000829045528/03/201921/01/20094,374,35
BE000830055128/03/201524/03/20093,623,60
| Manteaux | Date d'échéance | Date d'autorisation | Rendement calculé | Rendement à appliquer |
| BE0008180326 | 28/09/2014 | 28/01/2004 | 4,42 | 4,40 |
| BE0008190424 | 28/03/2035 | 19/05/2004 | 5,35 | 5,35 |
| BE0008200520 | 28/03/2010 | 19/01/2005 | 3,01 | 3,00 |
| BE0008210628 | 28/09/2015 | 16/03/2005 | 3,89 | 3,90 |
| BE0008220726 | 28/09/2016 | 24/01/2006 | 3,49 | 3,50 |
| BE0008230824 | 28/03/2022 | 24/05/2006 | 4,18 | 4,20 |
| BE0008240922 | 28/03/2017 | 23/01/2007 | 4,07 | 4,05 |
| BE0008250053 | 28/03/2013 | 02/05/2007 | 4,19 | 4,20 |
| BE0008260151 | 28/03/2018 | 29/01/2008 | 4,29 | 4,30 |
| BE0008270259 | 28/03/2011 | 28/02/2008 | 3,50 | 3,50 |
| BE0008280357 | 28/03/2014 | 24/04/2008 | 4,24 | 4,25 |
| BE0008290455 | 28/03/2019 | 21/01/2009 | 4,37 | 4,35 |
| BE0008300551 | 28/03/2015 | 24/03/2009 | 3,62 | 3,60 |
BE000819042428/03/203519/05/20045,355,35
BE000820052028/03/201019/01/20053,013,00
BE000821062828/09/201516/03/20053,893,90
BE000822072628/09/201624/01/20063,493,50
BE000823082428/03/202224/05/20064,184,20
BE000824092228/03/201723/01/20074,074,05
BE000825005328/03/201302/05/20074,194,20
BE000826015128/03/201829/01/20084,294,30
BE000827025928/03/201128/02/20083,503,50
BE000828035728/03/201424/04/20084,244,25
BE000829045528/03/201921/01/20094,374,35
BE000830055128/03/201524/03/20093,623,60