Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
19 MEI 1994. - Wet betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van het Europees Parlement. (Nota : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-05-1994 en tekstbijwerking tot 11-04-2006) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-07-1994 en tekstbijwerking tot 24-09-2018)
Titre
19 MAI 1994. - Loi relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales engagées pour l'élection du Parlement européen. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-07-1994 et mise à jour au 24-09-2018)
Informations sur le document
Numac: 1994000273
Datum: 1994-05-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1994000273
Date: 1994-05-19
Moniteur: Voir
Tekst (23)
Texte (23)
Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet moet verstaan onder :
(1° de wet van 4 juli 1989 : de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven [2 voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers]2 , de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen;)
2° (oude 1°) politieke partij : de vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan door de Grondwet en de wet bepaalde verkiezingen deelneemt, die overeenkomstig de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europese Parlement, kandidaten voor het mandaat van vertegenwoordiger van het Europees Parlement voorstelt en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet, het decreet en de ordonnantie, de totstandkoming van de volkswil beoogt te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten of haar programma;
(3° componenten van een politieke partij : de componenten van een politieke partij als bedoeld in artikel 1, 1°, tweede lid, van de wet van 4 juli 1989;
4° politieke mandatarissen : de politieke mandatarissen als bedoeld in artikel 1, 3°bis, van de wet van 4 juli 1989;)
5° (oude 2°) (Controlecommissie : de Controlecommissie als bedoeld in artikel 1, 4°, eerste lid, van de wet van 4 juli 1989;
[2 6° een onderneming : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nestreeft, alsmede zijn verenigingen.]2
De Controlecommissie is verplicht om zich, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, te laten adviseren door het Rekenhof voor de controle van de verkiezingsuitgaven van de politieke partijen en de individuele kandidaten.
[1 De voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Controlecommissie gestelde termijnen worden gestuit tijdens de ontbinding van de [2 Kamer van volksvertegenwoordigers]2 . De nieuwe termijnen beginnen te lopen vanaf de installatie van de commissie, zoals bepaald in artikel 1, 4°, eerste lid, van de wet van 4 juli 1989.]1
De voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Controlecommissie gestelde termijnen worden geschorst [1 tijdens het in artikel 7bis bedoelde onderzoek door het Rekenhof en]1 tijdens de recesperiodes bepaald met toepassing van artikel 10, § 1, 3°, van de wet van 6 april 1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State.)
Article 1. Pour l'application de la présente loi, il y a lieu d'entendre par :
(1° la loi du 4 juillet 1989 : la loi relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales engagées pour [2 pour l'élection de la Chambre des représentants]2 , ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques;)
2° (ancien 1°) parti politique : l'association de personnes physiques, dotée ou non de la personnalité juridique, qui participe aux élections prévues par la Constitution et par la loi, qui, conformément à la loi du 23 mars 1989 relative aux élections du Parlement européen, présente des candidats au mandat de représentant du Parlement européen et qui, dans les limites de la Constitution, de la loi, du décret et de l'ordonnance, tente d'influencer l'expression de la volonté populaire de la manière définie dans ses statuts ou son programme;
(3° composantes d'un parti politique : les composantes d'un parti politique visées à l'article 1er, 1°, alinéa 2, de la loi du 4 juillet 1989;
4° mandataires politiques : les mandataires politiques visés à l'article 1er, 3°bis, de la loi du 4 juillet 1989;)
5° (ancien 2°) (la Commission de contrôle : la Commission de contrôle visée à l'article 1er, 4°, alinéa 1er, de la loi du 4 juillet 1989;
[2 6° une entreprise : toute personne physique ou personne morale poursuivant de manière durable un but économique, y compris ses associations.]2
La Commission de contrôle est tenue de se faire conseiller, aux conditions prévues par la présente loi, par la Cour des comptes pour le contrôle des dépenses électorales des partis politiques et des candidats individuels.
[1 Les délais applicables pour l'exercice des compétences de la Commission de contrôle sont interrompus lors de la dissolution [2 de la Chambre des représentants]2 . Les nouveaux délais commencent à courir dès l'installation de la commission, telle qu'elle est prévue à l'article 1er, 4°, alinéa 1er, de la loi du 4 juillet 1989.]1
Les délais prévus pour l'exercice des compétences de la Commission de contrôle sont suspendus [1 pendant l'examen par la Cour des comptes visé à l'article 7bis et]1 pendant les périodes de vacances fixées en application de l'article 10, § 1er, 3°, de la loi du 6 avril 1995 organisant la commission parlementaire de concertation prévue à l'article 82 de la Constitution et modifiant les lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.)
Art. 2. § 1. Het totaal van de uitgaven en de financiële verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van politieke partijen mag voor de sub artikel 1, 1°, vermelde verkiezingen niet meer dan ((1 000 000) EUR) bedragen.
(Niettegenstaande de voorgaande bepalingen, mogen politieke partijen wanneer verschillende verkiezingen op een zelfde dag plaatsvinden niet meer dan ((1 000 000) EUR) besteden voor alle verkiezingsuitgaven en financiële verbintenissen samen.
Vijfentwintig procent van dat bedrag kan evenwel de kandidaten zelf worden aangerekend. In dat geval kan elke kandidaat slechts een bedrag ten belope van ten hoogste tien procent van het in dit lid bepaalde percentage worden aangerekend.
De politieke partijen kunnen met één of meer kandidaten hun campagne voeren.) [1 In dat geval moeten de partijen kunnen aantonen dat de uitgaven die ze voor die kandidaat of kandidaten hebben verricht, op een coherente manier passen in de campagne van de partij.]1
§ 2. Het totaal van de uitgaven en de financiële verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van individuele kandidaten mag voor de (verkiezing van het Europees Parlement) niet meer bedragen dan :
1° voor elk van de eerstgeplaatste kandidaten naar gelang van het aantal mandaten, behaald door hun lijst [1 of lijsten]1 bij de laatste verkiezingen en voor één bijkomende, door de politieke partij aan te wijzen kandidaat [1 op de voorgedragen kandidatenlijst]1 : ((8 700 EUR) vermeerderd met (0,0175 euro)) per geldige stem die bij de laatste verkiezingen voor het Nederlandse, respectievelijk Franse dan wel Duitstalige kiescollege werd uitgebracht;
[1 voor één kandidaat op de lijst van een politieke partij die bij de laatste verkiezingen in het betrokken kiescollege geen enkel mandaat heeft behaald of er geen kandidatenlijst heeft voorgedragen : het sub 1° bepaalde bedrag.]1 (Deze kandidaat dient niet noodzakelijk de eerstgeplaatste van zijn lijst te zijn);
(3° voor elke andere [1 kandidaat-titularis]1 en de kandidaat-eerste-opvolger, voorzover hij de bepalingen van 1° niet geniet : 10.000 euro;)
(4° voor elke andere kandidaat-opvolger, voorzover hij de bepalingen van 1° niet geniet : 5.000 euro.)
§ 3. Wanneer verscheidene kandidaten van een zelfde lijst zich verenigen voor het voeren van hun verkiezingspropaganda, moeten zij vooraf schriftelijk vastleggen welk gedeelte van de uitgaven met hun respectief quotum zal worden verrekend.
(Tweede lid opgeheven)
§ 4. [2 ...]2
§ 5. De bedragen bepaald in de §§ 1 en 2 worden aangepast aan de schommelingen van de produktiekosten van de bij de verkiezingen gebruikte reclametechnieken. De formule daartoe, met als spilindex deze die van kracht is op 1 januari 1994, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
[1 Overgangsbepaling
Voor de vaststelling van het aantal eerstgeplaatste kandidaten bedoeld in § 2, 1°, ter gelegenheid van de verkiezing van het Europees Parlement op 7 juni 2009, wordt, wanneer een lijst bij de verkiezing van 13 juni 2004 samengesteld was uit kandidaten die gezamenlijk door twee of meer politieke partijen waren voorgedragen en deze partijen voor de verkiezing van 7 juni 2009 afzonderlijke lijsten voordragen, als uitgangspunt de partijaanhorigheid op 13 juni 2004 van de op die dag verkozen kandidaten voor het Europees Parlement genomen.]1

Art. 2. § 1er. Le total des dépenses et des engagements financiers afférents à la propagande électorale des partis politiques ne peut excéder ((1 000 000) EUR) pour les élections visées à l'article 1er, 1°.
(Nonobstant les dispositions, qui précèdent, lorsque plusieurs élections ont lieu le même jour, les partis politiques ne peuvent dépenser plus de ((1 000 000) EUR) pour l'ensemble de leurs dépenses électorales et engagements financiers.
Vingt-cinq pour cent de ce montant pourront cependant être imputés aux candidats. Dans ce cas, le montant imputé à chaque candidat ne pourra excéder dix pour cent du pourcentage prévu au présent alinéa.
Les partis politiques peuvent axer leur campagne électorale sur un ou plusieurs candidats. [1 Dans ce cas, les partis doivent pouvoir prouver que les dépenses qu'ils ont effectuées pour ce ou ces candidats s'inscrivent de manière cohérente dans la campagne du parti.]1)
§ 2. Le total des dépenses et des engagements financiers afférents à la propagande électorale des candidats déterminés ne peut excéder, en ce qui concerne (l'élection du Parlement européen) :
1° pour chacun des candidats placés en tête de liste à concurrence du nombre de mandats obtenus par [1 leur(s) liste(s)]1 lors des dernières élections et pour un candidat supplémentaire à désigner par le parti politique [1 sur la liste de candidats présentée]1 : ((8 700 EUR), majorés de (0,0175 euro)) par vote valable exprimé lors des élections précédentes en faveur, respectivement, du collège électoral français, néerlandais ou germanophone;
[1 Pour un seul candidat figurant sur la liste d'un parti politique qui, lors des dernières élections, n'a obtenu aucun mandat ou n'a pas présenté de liste de candidats dans le collège électoral concerné : le montant visé au 1°.]1 (Ce candidat ne doit pas nécessairement être celui qui figure en tête de sa liste);
(3° pour chaque autre [1 candidat titulaire]1 et pour le candidat premier suppléant, pour autant qu'il ne bénéficie pas des dispositions du 1° : 10.000 euros; ";)
(4° pour chaque autre candidat suppléant, pour autant qu'il ne bénéficie pas des dispositions du 1° : 5.000 euros.)
§ 3. Si plusieurs candidats d'une même liste s'associent pour leur propagande électorale, ils doivent déterminer préalablement et par écrit la part des dépenses qui sera imputée à leur quotum respectif.
(Alinéa 2 abrogé)
§ 4. [2 ...]2
§ 5. Les montants fixés aux §§ 1er et 2 sont adaptés aux variations des coûts de production des médias publicitaires utilisés lors des campagnes électorales selon une formule déterminée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres sur la base de l'indice-pivot applicable au 1er janvier 1994.
[1 Disposition transitoire
Pour déterminer le nombre des candidats placés en tête de liste visés au § 2, 1°, à l'occasion de l'élection du Parlement européen du 7 juin 2009, on prend comme critère, lorsqu'une liste à l'élection du 13 juin 2004 était composée de candidats présentés conjointement par deux ou plusieurs partis et que ces partis présentent des listes séparées à l'élection du 7 juin 2009, l'appartenance politique, au 13 juin 2004, des candidats à l'élection du Parlement européen qui sont élus à cette même date.]1

Art. 3. De minister van Binnenlandse Zaken maakt ten laatste zes maanden voor de verkiezingen de overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 2, 1°, berekende maximumbedragen bekend die door de individuele kandidaten mogen worden uitgegeven.
Art. 3. Le Ministre de l'Intérieur communique, au plus tard six mois avant les élections, les montants maximums calculés conformément aux dispositions de l'article 2, § 2, 1°, que les candidats déterminés peuvent dépenser.
Art. 4. § 1. Voor de toepassing van deze wet worden als uitgaven voor verkiezingspropaganda beschouwd, alle uitgaven en financiële verbintenissen voor mondelinge, schriftelijke, auditieve en visuele boodschappen die erop gericht zijn het resultaat van een politieke partij en haar kandidaten gunstig te beïnvloeden en dit verricht worden tijdens een periode van [1 vier]1 maanden voor de verkiezingen georganiseerd in toepassing van de wetgeving betreffende de verkiezing van het Europees Parlement.
(§ 2. Als uitgaven voor verkiezingspropaganda bedoeld in § 1, worden eveneens beschouwd, die welke verricht zijn door derden voor politieke partijen of kandidaten, tenzij deze laatsten :
- onmiddellijk na de kennisneming van de door de betrokken derde gevoerde campagne, hem bij een ter post aangetekend schrijven aanmanen deze campagne te staken;
- een afschrift van deze brief al dan niet met het schriftelijk akkoord van de derde tot staking, overzenden aan de voorzitters van de collegehoofdbureaus die met toepassing van artikel 94ter, § 1, eerste lid, van het Kieswetboek de verslagen opmaken over de uitgaven die de politieke partijen en de kandidaten voor verkiezingspropaganda hebben gedaan. Deze voorzitters voegen dit stuk of deze stukken bij de door de betrokken partijen of kandidaten ingediende aangiften van hun verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen.)
§ 3. (oude § 2) Als uitgaven voor verkiezingspropaganda worden niet beschouwd :
1° het verlenen van persoonlijke, niet daartoe bezoldigde diensten evenals het gebruik van een persoonlijk voertuig;
2° de publikatie in een dagblad of periodiek van redactionele artikels op voorwaarde dat die publikatie op dezelfde wijze en volgens dezelfde regels geschiedt als buiten de verkiezingsperiode, zonder betaling, beloning, of belofte van betaling of van beloning en dat het niet gaat om een dagblad of periodiek, speciaal uitgegeven ten behoeve van of met het oog op de verkiezingen en dat de verspreiding en de frequentie van de publikatie dezelfde zijn als buiten de verkiezingsperiode;
3° de uitzending over radio of televisie van programma's met berichten of commentaren, op voorwaarde dat die uitzendingen op dezelfde wijze en volgens dezelfde regels geschieden als buiten de verkiezingsperiode, zonder betaling, beloning, of belofte van betaling of van beloning;
4° de uitzending of reeks van uitzendingen over radio of televisie van verkiezingsprogramma's op voorwaarde dat vertegenwoordigers van de politieke partijen aan die uitzendingen kunnen deelnemen;
5° de uitzending over radio of televisie van verkiezingsprogramma's op voorwaarde dat het aantal en de duur ervan worden bepaald op grond van het aantal vertegenwoordigers van de politieke partijen in de wetgevende vergaderingen.
(6° de kostprijs van periodieke manifestaties, op voorwaarde dat :
- ze niet uitsluitend voor verkiezingsdoeleinden worden georganiseerd;
- het geregelde en telkens weerkerende manifestaties betreft die steeds op dezelfde wijze worden georganiseerd; de periodiciteit wordt beoordeeld hetzij aan de hand van een referentieperiode van twee jaar voorafgaand aan de in § 1, bedoelde periode, tijdens welke de bedoelde manifestatie jaarlijks éénmaal moet hebben plaatsgehad, hetzij aan de hand van een referentieperiode van vier jaar voorafgaand aan de in § 1, bedoelde periode, tijdens welke de bedoelde manifestatie tweejaarlijks ten minste eenmaal moet hebben plaatsgehad. Zo de uitgaven voor reclame en uitnodigingen in vergelijking met het gewone verloop van dergelijke manifestatie evenwel kennelijk uitzonderlijk zijn, dienen zij bij wijze van uitzondering wel als verkiezingsuitgave aangerekend te worden;
7° de kostprijs van voor verkiezingsdoeleinden georganiseerde, niet-periodieke manifestaties waarvoor een deelnameprijs wordt aangerekend, voor zover de uitgaven door de inkomsten, met uitzondering van deze uit sponsoring, worden gedekt en het geen uitgaven voor reclame en uitnodigingen betreft. Zo de inkomsten de uitgaven niet dekken, moet het verschil als een verkiezingsuitgave worden aangerekend;
8° de uitgaven die tijdens de verkiezingsperiode worden verricht in het kader van een normale partijwerking op nationaal of lokaal niveau, met name de organisatie van congressen en partijbijeenkomsten. Zo de uitgaven voor reclame en uitnodigingen in vergelijking met het gewone verloop van dergelijke manifestatie evenwel kennelijk uitzonderlijk zijn, dienen zij bij wijze van uitzondering wel als verkiezingsuitgave te worden aangerekend;
9° de uitgaven voor de aanmaak, de bijwerking en het beheer van internettoepassingen, op voorwaarde dat die op dezelfde wijze en volgens dezelfde regels geschieden als buiten de referentieperiode.)
§ 3. (...)
§ 4. De uitgaven en financiële verbintenissen voor goederen, leveringen en diensten die onder toepassing (van §§ 1 en 2) vallen, moeten tegen de geldende marktprijzen worden verrekend.
Art. 4. § 1er. Sont considérées comme dépenses de propagande électorale pour l'application de la présente loi, toutes les dépenses et tous les engagements financiers afférents à des messages verbaux, écrits, sonores et visuels, destinés à influencer favorablement le résultat d'un parti politique et de ses candidats et émis dans les [1 quatre]1 mois précédant les élections organisées en application de la législation relative à l'élection du Parlement européen.
(§ 2. Sont également considérées comme dépenses de propagande électorale visées au § 1er, les dépenses engagées par des tiers en faveur de partis politiques ou de candidats, à moins que ces derniers :
- ne mettent, dès qu'ils ont pris connaissance de la campagne menée par les tiers en question, ceux-ci en demeure, par lettre recommandée à la poste, de cesser cette campagne;
- ne transmettent une copie de ladite lettre, accompagnée ou non de l'accord écrit des tiers de cesser la campagne, aux présidents des bureaux principaux de collège, qui, en application de l'article 94ter, § 1er, alinéa 1er, du Code électoral, établissent un rapport sur les dépenses de propagande électorale engagées par les candidats et par les partis politiques. Ces présidents joignent ce ou ces documents aux déclarations de dépenses électorales et d'origine des fonds déposées par les partis ou les candidats concernés.)
§ 3. (ancien § 2) Ne sont pas considérées comme dépenses de propagande électorale :
1° la prestation de services personnels non rémunérés ainsi que l'utilisation d'un véhicule personnel;
2° la publication dans un quotidien ou un périodique d'articles de fond, à condition que cette publication s'effectue de la même manière et selon les mêmes règles qu'en dehors de la période électorale, sans paiement, rétribution, ni promesse de paiement ou de rétribution, qu'il ne s'agisse pas d'un quotidien ou d'un périodique créé pour ou en vue des élections et que la diffusion et la fréquence de la publication soient les mêmes qu'en dehors de la période électorale;
3° la diffusion à la radio ou à la télévision de programmes comportant des avis ou des commentaires, à condition que ces émissions s'effectuent de la même manière et selon les mêmes règles qu'en dehors de périodes électorales, sans paiement, rétribution, ni promesse de paiement ou de rétribution;
4° la diffusion à la radio ou à la télévision d'une émission électorale ou d'une série d'émissions électorales, à condition que des représentants des partis politiques puissent prendre part à ces émissions;
5° la diffusion à la radio ou à la télévision d'émissions électorales, à condition que leur nombre et leur durée soient déterminés en fonction du nombre de représentants des partis politiques au sein des assemblées législatives.
(6° le coût de manifestations périodiques, à condition que celles-ci :
- n'aient pas d'objectif purement électoral;
- aient un caractère régulier et récurrent, et présentent les mêmes caractéristiques en ce qui concerne l'organisation; la périodicité est appréciée soit sur la base d'une période de référence de deux ans précédant la période visée au § 1er, au cours de laquelle la manifestation concernée doit avoir eu lieu une fois par an, soit sur la base d'une période de référence de quatre ans précédant la période visée au § 1er, au cours de laquelle la manifestation concernée doit avoir eu lieu au moins une fois par période de deux ans. Si les dépenses engagées pour la publicité et les invitations sont toutefois manifestement exceptionnelles par rapport au déroulement habituel d'une telle manifestation, elles doivent, par exception, être imputées à titre de dépenses électorales;
7° le coût de manifestations non périodiques payantes, organisées à des fins électorales, dans la mesure où les dépenses sont couvertes par les recettes, à l'exception de celles provenant du sponsoring, et où il ne s'agit pas de dépenses engagées pour la publicité et les invitations. Si les dépenses ne sont pas couvertes par les recettes, la différence doit être imputée à titre de dépense électorale;
8° les dépenses engagées, au cours de la période électorale, dans le cadre du fonctionnement normal du parti au niveau national ou local, en particulier pour l'organisation de congrès et de réunions de parti. Toutefois, si les dépenses engagées pour la publicité et les invitations sont manifestement exceptionnelles par rapport au déroulement habituel de ce genre de manifestations, elles doivent, par exception, être imputées à titre de dépenses électorales;
9° les dépenses afférentes à la création, à l'adaptation et à la gestion d'applications de l'internet, à condition que celles-ci s'opèrent de la même façon et selon les mêmes règles qu'en dehors de la période de référence.)
§ 3. (...)
§ 4. Les dépenses et engagements financiers afférents à des biens, des fournitures et des services relevant de l'application (du §§ 1er et 2), doivent être imputés aux prix du marché.
Art. 4bis. In voorkomend geval nemen de kandidaten de sancties in acht die de Controlecommissie, een (Gemeenschaps- of Gewestparlement of een door dat Parlement) aangewezen orgaan heeft opgelegd krachtens [1 de artikelen 14/2 tot 14/4]1 van de wet van 4 juli 1989.
Art. 4bis. Le cas échéant, les candidats respectent les sanctions infligées en application [1 des articles 14/2 à 14/4]1 de la loi du 4 juillet 1989 par la Commission de contrôle, un (Parlement de communauté ou de région) ou un organe désigné par celui-ci.
Art. 5. § 1. Tijdens de [2 vier]2 maanden die aan de datum van de verkiezingen voorafgaan, mogen de politieke partijen en de kandidaten, evenals derden die propaganda wensen te maken voor politieke partijen of kandidaten :
1° (geen gebruik maken van commerciële reclameborden of affiches;)
(2° (oude 1°bis) geen gebruik maken van niet-commerciële reclameborden of affiches groter dan 4 m2;)
3° (oude 2°) (geen gadgets verkopen noch gadgets of geschenken uitdelen, ongeacht de wijze van verspreiding en onverminderd artikel 184 van het Kieswetboek, tenzij aan de kandidaten en de personen die met toepassing van artikel 4, § 3, 1°, onbezoldigd verkiezingspropaganda voeren ten voordele van politieke partijen en kandidaten. Onder gadget wordt verstaan elk voorwerp, uitgezonderd drukwerk op papier of op enige andere informatiedrager met een uitsluitend opiniërende of illustrerende politieke boodschap, dat als souvenir, accessoire, snuisterij of gebruiksvoorwerp wordt gebruikt, en waarvan diegene die het uitdeelt hoopt dat degene die het ontvangt het zal aanwenden voor het normale gebruik waarvoor het is bestemd en bij die gelegenheid telkens opnieuw de boodschap zal zien die op het voorwerp is aangebracht;)
(4° geen commerciële telefooncampagnes voeren;
[1 geen commerciële reclamespots op radio, televisie en in bioscopen verspreiden [2 ...]2. ]1)
[2 6° geen sponsoring ontvangen waarbij het bedrag of de waarde van de 6° [3 ...]3
§ 2. (Voor dezelfde periode bepaalt de gouverneur van de provincie of van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bij politiebesluit de nadere regels inzake het aanbrengen van verkiezingsaffiches en het organiseren van gemotoriseerde optochten.)
Art. 5. § 1er. Dans les [2 quatre]2 mois précédant la date des élections, les partis politiques et les candidats ainsi que les tiers qui souhaitent faire de la propagande pour des partis politiques ou des candidats :
1° (ne peuvent utiliser de panneaux ou affiches publicitaires commerciaux;)
(2° (ancien 1°bis) ne peuvent utiliser de panneaux ou affiches publicitaires non commerciaux d'une surface de plus de 4 m2;)
3° (ancien 2°) (ne peuvent pas vendre de gadgets ni distribuer de cadeaux ou de gadgets, quel que soit le mode de distribution et sans préjudice de l'article 184 du Code électoral, sauf aux candidats et aux personnes qui, en application de l'article 4, § 3, 1°, font de la propagande électorale non rémunérée en faveur de partis politiques et de candidats. Par gadgets, l'on entend tous les objets, à l'exception des imprimés sur papier ou sur tout autre support d'information véhiculant un message politique comportant uniquement des opinions ou des illustrations, qui sont utilisés comme souvenirs, accessoires, colifichets ou objets usuels et dont la personne qui les distribue espère que la personne qui les reçoit les affectera ultérieurement à l'usage auquel ils sont normalement destinés et qu'à cette occasion, l'utilisateur apercevra à chaque fois le message figurant sur l'objet;)
(4° ne peuvent pas organiser de campagne commerciale par téléphone;
[1 ne peuvent pas diffuser de spots publicitaires à caractère commercial à la radio, à la télévision et dans les salles de cinéma [2 ...]2 .]1)
[3 ...]3
§ 2. (Pour la même période, le gouverneur de province ou de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale fixe, par arrêté de police, les modalités de l'apposition d'affiches électorales et de l'organisation des caravanes motorisées.)
Art. 6. Bij het aanvragen van een lijstnummer dienen de politieke partijen een schriftelijke verklaring in waarin ze zich ertoe verbinden :
1° de wetsbepalingen inzake beperking en controle van de verkiezingsuitgaven in acht te nemen;
2° hun verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed, tegen ontvangstbewijs, binnen vijfenveertig dagen na de verkiezingen aan te geven bij de voorzitter van het kieskringhoofdbureau voor de verkiezing van de (Gemeenschapps- en Gewestparlementen), in wiens rechtsgebied de zetel van de partij gevestigd is, en, met het oog op de uitoefening van het inzagerecht, bedoeld in artikel 94ter, § 2, tweede lid, van het Kieswetboek, een afschrift ervan mee te delen aan de voorzitter van, naar gelang van het geval, het Nederlandse, het Franse of het Duitstalige kiescollege;
3° de stavingsstukken betreffende hun verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen gedurende [1 vijf]1 jaar na de datum van de verkiezingen te bewaren.
Voor zover in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen giften worden vermeld, verbinden zij er zich bovendien toe om de identiteit van de natuurlijke personen die, ter financiering van de verkiezingsuitgaven, giften van 125 euro en meer hebben gedaan, te registreren, vertrouwelijk te houden en, binnen vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen, aan te geven bij de Controlecommissie die toeziet op de naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel 11.
[1 Voor zover in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen sponsoring wordt vermeld, verbinden zij er zich bovendien toe om de identiteit van de ondernemingen, van de feitelijke verenigingen en van de rechtspersonen die, ter financiering van de verkiezingsuitgaven, sponsoring van 125 euro en meer hebben gedaan, te registreren, en, binnen vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen, aan te geven overeenkomstig de in het eerste lid, 2°, bedoelde procedure.]1
De schriftelijke verklaring, de aangiften van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen en het ontvangstbewijs worden gesteld op daartoe bestemde formulieren die door de Minister van Binnenlandse Zaken worden vastgesteld en tijdig in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. De formulieren houdende de aangiften van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen, alsook de [1 in het tweede en het derde lid]1 bedoelde registratieformulieren worden uiterlijk bij de aanvraag van het lijstnummer ter beschikking gesteld van de politieke partijen.
Deze formulieren worden door de aanvragers ondertekend, gedagtekend en, tegen ontvangstbewijs, ingediend.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels inzake de indiening van de aangiften van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen en de wijze van hun inventarisatie en beveiligde bewaring.
Art. 6. Lorsqu'ils font la demande d'un numéro de liste, les partis politiques déposent une déclaration écrite par laquelle ils s'engagent à :
1° respecter les dispositions légales relatives à la limitation et au contrôle des dépenses électorales;
2° déclarer, contre accusé de réception et dans les quarante-cinq jours qui suivent la date des élections, leurs dépenses électorales et l'origine des fonds qui y ont été affectés auprès du président du bureau principal de la circonscription électorale pour l'élection des (Parlements de communauté et de région), dans le ressort de laquelle le siège du parti est établi, et à transmettre, en vue de l'exercice du droit de consultation visé à l'article 94ter, § 2, alinéa 2, du Code électoral, une copie de cette déclaration, selon le cas, au président respectivement du collège électoral français, néerlandais ou germanophone;
3° conserver, pendant [1 cinq]1 ans à compter de la date des élections, les documents justificatifs relatifs aux dépenses électorales et à l'origine des fonds.
Pour autant que des dons soient mentionnés dans leur déclaration d'origine des fonds, ils s'engagent en outre à enregistrer l'identité des personnes physiques qui ont fait des dons de 125 euros et plus en vue du financement des dépenses électorales, à garantir la confidentialité de cette identité et à la communiquer dans les quarante-cinq jours qui suivent la date des élections à la Commission de contrôle chargée de veiller au respect de cette obligation conformément à l'article 11.
[1 Pour autant que le sponsoring soit mentionné dans leur déclaration de l'origine des fonds, ils s'engagent en outre à enregistrer l'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales qui, en vue du financement des dépenses électorales, ont fait un sponsoring de 125 euros et plus, et à les communiquer, dans les quarante-cinq jours qui suivent la date des élections, conformément à la procédure visée à l'alinéa 1er, 2°.]1
La déclaration écrite, la déclaration des dépenses électorales et la déclaration d'origine des fonds ainsi que l'accusé de réception sont établis sur des formulaires spéciaux établis par le Ministre de l'Intérieur et publiés en temps utile au Moniteur belge. Les formulaires portant la déclaration des dépenses électorales et la déclaration d'origine des fonds, ainsi que les formulaires d'enregistrement visés [1 aux alinéas 2 et 3]1 sont mis à la disposition des partis politiques au plus tard au moment où ceux-ci demandent un numéro de liste.
Ces formulaires sont signés, datés et déposés, contre accusé de réception, par les demandeurs.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités de dépôt de la déclaration des dépenses électorales et de la déclaration d'origine des fonds ainsi que la manière dont ces déclarations seront inventoriées et conservées.
Art. 7. De artikelen 94ter, 107, achtste lid, 116, § 6, 119ter en 125, vierde lid, van het Kieswetboek zijn van overeenkomstige toepassing. (NOTA van Justel : een model van verslag gepubliceerd op 12 juli 1994 met verwijzing naar het onderhavig artikel 7 werd opgeheven bij MB 1999-03-02/33, art. 2)
(Voor deze toepassing moet echter :
1° de verwijzing in artikel 94ter, § 1, derde lid, derde en vierde gedachtestreepje, naar respectievelijk artikel 6 en de artikelen 2 en 5, § 1, van de wet van 4 juli 1989 [1 ...]1 worden vervangen door een verwijzing naar respectievelijk artikel 6 en de artikelen 2 en 5, § 1, van deze wet;
2° de verwijzing in artikel 116, § 6, tweede lid, naar artikel 16bis van de wet van 4 juli 1989 worden eervangen door een verwijzing naar artikel 11 van deze wet.)
Art. 7. Les articles 94ter, 107, alinéa 8, 116, § 6, 119ter et 125, alinéa 4, du Code électoral sont applicables par analogie. (NOTE de Justel : un modèle de rapport publié le 12 juillet 1994 conformément au présent article 7 a été abrogé par AM 1999-03-02/33, art. 2)
(Toutefois, pour cette application, il y a lieu :
1° à l'article 94ter, § 1er, alinéa 3, troisième et quatrième tirets, de remplacer respectivement le renvoi à l'article 6 et aux articles 2 et 5, § 1er, de la loi du 4 juillet 1989 [1 ...]1 , par un renvoi à l'article 6 et aux articles 2 et 5, § 1er, de la présente loi;
2° à l'article 116, § 6, alinéa 2, de remplacer le renvoi à l'article 16bis de la loi du 4 juillet 1989 par un renvoi à l'article 11 de la présente loi.)
Art. 7bis. [2 De voorzitter van de Controlecommissie doet, bij aangetekend schrijven, een afschrift van de verslagen die hem overeenkomstig artikel 94ter, § 2, van het Kieswetboek zijn toegezonden, onverwijld toekomen aan het Rekenhof met de opdracht om, met toepassing van artikel 1, 5°, tweede lid, binnen een maand een advies uit te brengen over de juistheid en de volledigheid van deze verslagen.]2 . [1 Het onderzoek door het Rekenhof schorst de in artikel 8, § 1, bepaalde termijn.]1
Art. 7bis. [2 Le président de la Commission de contrôle communique sans délai à la Cour des Comptes, par pli recommandé, une copie des rapports qui lui ont été adressés conformément à l'article 94ter, § 2, du Code électoral en la chargeant de rendre, en application de l'article 1er, 5°, alinéa 2, dans un délai d'un mois, un avis concernant l'exactitude et l'exhaustivité de ces rapports.]2 . [1 L'examen par la Cour des comptes suspend le délai prévu à l'article 8, § 1er.]1
Art. 8. § 1. Onverminderd artikel 1, 5°, derde en vierde lid, doet de Controlecommissie, met inachtneming van de rechten van de verdediging en na kennisneming van het overeenkomstig artikel 7bis door het Rekenhof uitgebrachte advies, binnen honderd tachtig dagen na de dag van de verkiezingen, in openbare vergadering, uitspraak over de juistheid en de volledigheid van de verslagen, bedoeld in artikel 94ter van het Kieswetboek [1 , met dien verstande dat de commissie in ieder geval na haar installatie over negentig dagen beschikt.]1. [1 Met het oog op de vervulling van haar opdracht kan zij ]1, overeenkomstig de in haar reglement van orde vastgestelde procedure, alle inlichtingen en nadere aanvullingen opvragen die daartoe noodzakelijk zijn.
Zij ziet tevens toe op de naleving van de in artikel 4bis bepaalde verplichting.
§ 2. De in § 1, bedoelde beslissingen, met inbegrip van die genomen met toepassing van de artikelen 9 en 10, § 2, wegens de door haar vastgestelde schending van de artikelen 2, 4 en 5, § 1, en hun motivering worden opgenomen in een door de Controlecommissie goedgekeurd verslag.
Dit verslag bevat op zijn minst nog de volgende gegevens :
1° per politieke partij, het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven ten voordele van deze partij;
2° per kiesomschrijving, het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven ten voordele van elke lijst, het totaal van de uitgaven van alle kandidaten van deze lijst en van elke gekozene afzonderlijk.
Het advies van het Rekenhof wordt als bijlage bij het verslag gevoegd.
§ 3. [2 De voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers doet, bij aangetekend schrijven, een exemplaar van het verslag onverwijld toekomen aan, naargelang van het geval, de politieke partij of de persoon ten aanzien van wie de commissie de in § 2, eerste lid, bedoelde beslissing heeft genomen.
Hij bezorgt ook onverwijld een exemplaar van het verslag aan de diensten van het Belgisch Staatsblad, die dit binnen dertig dagen na ontvangst bekendmaken in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.]2

Art. 8. § 1er. Sans préjudice de l'article 1er, 5°, alinéas 3 et 4, la Commission de contrôle statue, dans les cent quatre-vingts jours après le jour des élections, en réunion publique, dans le respect des droits de la défense et après avoir pris connaissance de l'avis rendu par la Cour des comptes conformément à l'article 7bis, sur l'exactitude et l'exhaustivité des rapports visés à l'article 94ter du Code électoral [1 , étant entendu que la commission dispose en tout cas de nonante jours après son installation.]1. [1 En vue de l'accomplissement de sa mission, elle peut]1, conformément à la procédure prévue par son règlement d'ordre intérieur, demander toutes les informations complémentaires qui seraient nécessaires à sa tâche.
Elle veille également au respect de l'obligation visée à l'article 4bis.
§ 2. Les décisions visées au § 1er, y compris celles prises en application des articles 9 et 10, § 2, en raison de la violation des articles 2, 4 et 5, § 1er, constatée par elle, et leur motivation sont reprises dans un rapport approuvé par la Commission de contrôle.
Ce rapport contient au moins les données suivantes :
1° par parti politique, le montant total des dépenses électorales engagées pour ce parti;
2° par circonscription électorale, le montant total des dépenses électorales engagées pour chaque liste et le montant total des dépenses engagées pour tous les candidats de cette liste et pour chaque élu séparément.
L'avis de la Cour des comptes est annexé au rapport.
§ 3. [2 Le président de la Chambre de représentants communique sans délai un exemplaire du rapport, par pli recommandé, selon le cas, au parti politique ou à la personne à l'égard duquel la commission a pris la décision visée au § 2, alinéa 1er.
Il transmet également sans délai un exemplaire du rapport aux services du Moniteur belge, qui le publient dans les annexes du Moniteur belge dans les trente jours de sa réception.]2

Art. 9. [1 Bij schending van artikel 2, § 1,]1, verbeurt de betrokken politieke partij gedurende de daaropvolgende periode die de Controlecommissie bepaalt en die ten minste één en ten hoogste vier maanden duurt het recht op de in artikel 15 van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen bepaalde dotatie.
Art. 9. [1 En cas de violation de l'article 2, § 1er,]1 le parti politique concerné perd, pendant la période suivante, déterminée par la Commission de contrôle, et dont la durée ne peut être inférieure à un mois ni supérieure à quatre mois, le droit à la dotation prévue à l'article 15 de la loi du 4 juillet 1989 relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 9. [2 § 1. Ingeval een politieke partij nalaat aangifte te doen of laattijdig aangifte doet van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed, legt de Controlecommissie de betrokken politieke partij de hiernavolgende sancties op :
1° een administratieve boete van 1 .000 euro per dag vertraging, met een maximum van 30 .000 euro;
2° wanneer de aangifte na dertig dagen niet werd ontvangen : verbeurdverklaring van de in artikel 15 van de wet van 4 juli 1989 bedoelde dotatie tot de ontvangst van de aangifte.
§ 2. In geval van een onjuiste of onvolledige aangifte van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed vanwege een politieke partij, kan de Controlecommissie de betrokken politieke partij de hiernavolgende sancties opleggen :
1° een waarschuwing met de vraag om de gegevens te corrigeren of aan te vullen binnen vijftien dagen;
2° indien na het verloop van vijftien dagen na de ontvangst van de waarschuwing geen rechtzetting is ontvangen :
- een administratieve boete van 1 .000 euro per dag bijkomende vertraging, met een maximum van 30 .000 euro;
- wanneer de rechtzetting na dertig dagen bijkomende vertraging niet werd ontvangen : verbeurdverklaring van de in artikel 15 van de wet van 4 juli 1989 bedoelde dotatie tot de ontvangst van de rechtzetting.
§ 3. Bij overschrijding van het in artikel 2, § 1, vermelde toegestane maximumbedrag, legt de Controlecommissie de betrokken politieke partij een administratieve boete op die gelijk is aan de overschrijding, evenwel met een minimum van 25.000 euro en een maximum dat overeenstemt met vier keer de in artikel 15 van de wet van 4 juli 1989 bedoelde maandelijkse dotatie.
§ 4. Bij schending van artikel 2, § 1, derde of vierde lid, of enige onderafdeling van artikel 5, § 1, kan de Controlecommissie de betrokken politieke partij een van de hiernavolgende sancties opleggen :
- een waarschuwing;
- een administratieve boete van 1.000 euro tot 250.000 euro. In geval van herhaling wordt de administratieve boete verdubbeld.
§ 5. In het kader van dit artikel doet de Controlecommissie uitspraak met inachtneming van de rechten van de verdediging.]2

Art. 9. [2 § 1er. Si un parti politique omet de déposer une déclaration ou dépose tardivement une déclaration des dépenses électorales et de l'origine des fonds qui y ont été affectés, la Commission de contrôle inflige au parti politique concerné les sanctions suivantes :
1° une amende administrative de 1 .000 euros par jour de retard, avec un maximum de 30. 000 euros;
2° si la déclaration n'a pas été reçue après trente jours : saisie de la dotation visée à l'article 15 de la loi du 4 juillet 1989, jusqu'à la réception de la déclaration.
§ 2. Si la déclaration d'un parti politique de ses dépenses électorales et de l'origine des fonds qui y ont été affectés est erronée ou incomplète, la Commission de contrôle peut lui infliger les sanctions suivantes :
1° un avertissement assorti d'une demande de corriger ou de compléter les données dans les quinze jours;
2° si, à l'échéance des quinze jours suivant la réception de l'avertissement, aucun correctif n'a été reçu :
- une amende administrative de 1 .000 euros par jour de retard supplémentaire, avec un maximum de 30 .000 euros;
- au cas où le correctif n'aurait pas été reçu après trente jours de retard supplémentaires : saisie de la dotation visée à l'article 15 de la loi du 4 juillet 1989 jusqu'à la réception du correctif.
§ 3. En cas de dépassement du montant maximum autorisé visé à l'article 2, § 1er, la Commission de contrôle inflige au parti politique concerné une amende administrative égale au dépassement, toutefois avec un minimum de 25 .000 euros et un maximum correspondant à quatre fois la dotation mensuelle visée à l'article 15 de la loi du 4 juillet 1989.
§ 4. En cas de violation de l'article 2, § 1er, alinéa 3 ou 4, ou de toute subdivision de l'article 5, § 1er, la Commission de contrôle peut infliger au parti politique concerné une des sanctions suivantes :
- un avertissement;
- une amende administrative de 1 .000 euros à 250. 000 euros. En cas de récidive, l'amende administrative est doublée.
§ 5. Dans le cadre du présent article, la Commission de contrôle statue dans le respect des droits de la défense.]2

Art. 10. § 1. Met de straffen gesteld in artikel 181 van het Kieswetboek wordt gestraft :
1° een ieder die uitgaven doet of verbintenissen aangaat voor verkiezingspropaganda zonder daarvan aan de voorzitter van het betrokken collegehoofdbureau mededeling te doen;
2° een ieder die voor verkiezingspropaganda wetens en willens uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden waarin is voorzien bij artikel 2, § 2;
[2 eenieder die geen aangifte doet van zijn verkiezingsuitgaven en/of van de herkomst van de geldmiddelen binnen de termijn bepaald in artikel 116, § 6, van het Kieswetboek of die opzettelijk onvolledige of opzettelijke onjuiste aangifte doet;]2
4° een ieder die tijdens de [2 vier]2 maanden die aan de datum van de verkiezingen voorafgaan de bepalingen van artikel 5 niet naleeft.
§ 2. Elke overtreding omschreven in § 1 kan worden vervolgd, hetzij op initiatief van de procureur des Konings, hetzij op grond van [1 een aangifte gedaan]1 door de Controlecommissie [1 een klacht ingediend]1 of door een persoon die van enig belang doet blijken.
§ 3. [1 De termijn voor de uitoefening van het initiatiefrecht van de procureur des Konings, voor het doen van aangiften en voor de indiening van klachten met betrekking tot de in § 1 omschreven overtredingen, verstrijkt de tweehonderdste dag na de verkiezingen, met dien verstande dat de Controlecommissie in ieder geval na haar installatie over honderdentien dagen beschikt. Ten aanzien van de Controlecommissie wordt deze termijn gestuit of geschorst overeenkomstig artikel 1, 5°, derde en vierde lid]1
(Met betrekking tot de door de Controlecommissie gedane aangiften beschikt de procureur des Konings voor de uitoefening van de strafvordering in ieder geval over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de aangifte.)
Van de niet door de Controlecommissie ingediende klachten zendt de procureur des Konings, binnen acht dagen na ontvangst ervan, een afschrift aan de Controlecommissie. Binnen dezelfde termijn geeft de procureur des Konings de Controlecommissie kennis van zijn beslissing vervolging in te stellen met betrekking tot de in § 1 bedoelde feiten.
Binnen dertig dagen na ontvangst van het afschrift van de ingediende klachten of de beslissing tot vervolging brengt de Controlecommissie aan de procureur des Konings een met redenen omkleed advies uit over de klachten en vervolgingen waarvan ze, overeenkomstig het vorige lid, door de procureur des Konings in kennis gesteld.
De adviestermijn schorst de vervolgingen.
§ 4. Een ieder die een klacht heeft ingediend of een vordering heeft ingesteld die ongegrond blijken en waarvan vaststaat dat ze zijn ingediend of ingesteld met het oogmerk om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 frank tot 500 frank.
Art. 10. § 1er. Sera puni des peines prévues à l'article 181 du Code électoral :
1° quiconque aura fait des dépenses ou pris des engagements en matière de propagande électorale sans en aviser le président du bureau principal de collège concerné;
2° quiconque aura sciemment fait des dépenses ou pris des engagements en matière de propagande électorale dépassant les montants maximums prévus à l'article 2, § 2;
[2 quiconque aura omis de déclarer ses dépenses électorales et/ou l'origine des fonds dans le délai fixé à l'article 116, § 6, du Code électoral, ou aura fait une déclaration délibérément incomplète ou délibérément erronée;]2
4° quiconque n'aura pas, dans les [2 quatre]2 mois précédant la date des élections, respecté les dispositions prévues à l'article 5.
§ 2. Toute infraction prévue au § 1er est passible de poursuites soit à l'initiative du procureur du Roi, soit [1 sur dénonciation]1 de la Commission de contrôle ou [1 sur plainte]1 de toute autre personne justifiant d'un intérêt.
§ 3. [1 Le délai pour l'exercice du droit d'initiative du procureur du Roi, la formulation de dénonciations et l'introduction des plaintes en ce qui concerne les infractions visées au § 1er expire le deux centième jour suivant les élections, étant entendu que la Commission de contrôle dispose en tout cas d'un délai de cent dix jours après son installation. S'agissant de la Commission de contrôle, ce délai est interrompu ou suspendu conformément à l'article 1er, 5°, alinéas 3 et 4.]1
(En ce qui concerne les dénonciations faites par la Commission de contrôle, le procureur du Roi dispose en toute hypothèse, pour l'exercice de l'action publique, d'un délai de trente jours à compter de la réception de la dénonciation.)
Le procureur du Roi transmet à la Commission de contrôle une copie des plaintes qui n'émanent pas de cette dernière, dans les huit jours de leur réception. Le procureur du Roi avise la Commission de contrôle, dans le même délai, de sa décision d'engager des poursuites relatives aux faits visés au § 1er.
Dans les trente jours de la réception de la copie des plaintes introduites ou de la décision d'engager des poursuites, la Commission de contrôle rend au procureur du Roi un avis motivé sur les plaintes et poursuites dont elle a été informée par le procureur du Roi conformément à l'alinéa précédent.
Le délai d'avis suspend les poursuites.
§ 4. Toute personne ayant introduit une plainte ou intenté une action qui s'avère non fondée et pour laquelle l'intention de nuire est établie sera punie d'une amende de 50 francs à 500 francs.
Art. 11. Alleen natuurlijke personen kunnen giften doen aan politieke partijen (en hun componenten), lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen. Kandidaten en politieke mandatarissen kunnen evenwel ook giften ontvangen van de politieke partij of de lijst waarvoor zij kandideren of waarvoor zij een mandaat bekleden. (Zo ook mogen componenten giften ontvangen van hun politieke partij en omgekeerd). Onverminderd de voorgaande bepalingen zijn giften vanwege natuurlijke personen die feitelijk optreden als tussenpersonen van rechtspersonen of feitelijke verenigingen verboden.
((Onverminderd de in artikel 6, tweede lid, en artikel 116, § 6, tweede lid, van het Kieswetboek bedoelde registratieplicht wordt de identiteit van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer, onder welke vorm ook, doen aan politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen door de begunstigden jaarlijks geregistreerd.) Politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen mogen vanwege een zelfde natuurlijke persoon jaarlijks elk maximum (500 EUR), of de tegenwaarde daarvan, als gift ontvangen. De schenker mag jaarlijks in het totaal maximum (2 000 EUR), of de tegenwaarde daarvan, besteden aan giften ten voordele van politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen. (De bijdragen van politieke mandatarissen aan hun politieke partij of haar componenten worden niet als giften beschouwd.))
[1 Iedere gift van 125 euro en meer wordt elektronisch overgemaakt met een overschrijving, een lopende betalingsopdracht of een bank- of kredietkaart. Het totaalbedrag van de giften in contant geld van eenzelfde persoon mag op jaarbasis niet meer bedragen dan 125 euro.]1
De prestaties die rechtspersonen (, natuurlijke personen) of feitelijke verenigingen kosteloos of onder de reële prijs verlenen, worden, net als het ter beschikking stellen van kredietlijnen die niet moeten worden terugbetaald, met giften gelijkgesteld. Prestaties die door een politieke partij of een kandidaat klaarblijkelijk boven de marktprijs zijn aangerekend, worden eveneens als giften van rechtspersonen (, natuurlijke personen) of feitelijke verenigingen aangemerkt.
De politieke partij die in strijd met deze bepalingen een gift aanvaardt, verliest ten belope van het dubbel van het bedrag van de gift haar recht op de dotatie, die krachtens hoofdstuk III van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, aan de in artikel 22 van dezelfde wet bepaalde instelling zou worden toegekend tijdens de maanden volgend op de vaststelling van deze niet-naleving door de Controlecommissie.
Hij die in strijd met deze bepaling een gift doet aan een politieke partij, één van haar componenten - ongeacht zijn rechtsvorm - een lijst, een kandidaat of een politiek mandataris of hij die als kandidaat of als politiek mandataris een gift aanvaardt, wordt gestraft met een geldboete van 26 frank tot 100 000 frank. Hij die, zonder kandidaat of politiek mandataris te zijn, een dergelijke gift aanvaardt in naam of voor rekening van een politieke partij, een lijst, een kandidaat of een politiek mandataris, wordt met dezelfde sanctie bestraft.
Het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op deze misdrijven.
Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in dag- en weekbladen die zij heeft aangeduid.
Art. 11. Seules des personnes physiques peuvent faire des dons à des partis politiques (et à leurs composantes), à des listes, à des candidats et à des mandataires politiques. Les candidats et les mandataires politiques peuvent néanmoins recevoir des dons du parti politique ou de la liste au nom desquels ils sont candidats ou exercent un mandat. (De même, les composantes peuvent recevoir des dons de leur parti politique et inversement.) Sans préjudice des dispositions précédentes, sont interdits, les dons de personnes physiques agissant en réalité comme intermédiaires de personnes morales ou d'associations de fait.
((Sans préjudice de l'obligation d'enregistrement visée à l'article 6, alinéa 2, et à l'article 116, § 6, alinéa 2, du Code électoral, l'identité des personnes physiques qui font, sous quelque forme que ce soit, des dons de 125 euros et plus à des partis politiques et à leurs composantes, à des listes, à des candidats et à des mandataires politiques est enregistrée annuellement par les bénéficiaires.) Des partis politiques et leurs composantes, des listes, des candidats et des mandataires politiques peuvent chacun recevoir annuellement, à titre de dons d'une même personne physique, une somme ne dépassant pas (500 EUR), ou sa contre-valeur. Le donateur peut consacrer chaque année un montant total ne dépassant pas (2 000 EUR), ou la contre-valeur de ce montant, à des dons au profit de partis politiques et de leurs composantes, de listes, de candidats et de mandataires politiques. (Les versements que les mandataires politiques font à leur parti politique ou à ses composantes ne sont pas considérés comme des dons.))
[1 Chaque don de 125 euros et plus est transmis par voie électronique au moyen d'un virement, d'un ordre permanent ou d'une carte bancaire ou de crédit. Le montant total des dons au comptant par une seule et même personne ne peut dépasser 125 euros par année.]1
Les prestations gratuites ou effectuées pour un montant inférieur au coût réel par des personnes morales (, des personnes physiques) ou des associations de fait sont assimilées à des dons, de même que l'ouverture de lignes de crédit sans obligation de remboursement. Sont également considérés comme dons effectués par des personnes morales (, des personnes physiques) ou des associations de fait, les prestations facturées par un parti politique ou par un candidat pour un montant manifestement supérieur au coût du marché.
Le parti politique qui accepte un don en violation de la présente disposition perd, à concurrence du double du montant du don, son droit à la dotation qui, en vertu du chapitre III de la loi du 4 juillet 1989 relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques, serait allouée à l'institution visée à l'article 22 de la même loi pendant les mois suivant la constatation de cette infraction par la Commission de contrôle.
Celui qui, en violation de la présente disposition, aura fait un don à un parti politique, à l'une de ses composantes - quelle que soit sa forme juridique -, à une liste, à un candidat ou à un mandataire politique ou celui qui, en qualité de candidat ou de mandataire politique aura accepté un don sera puni d'une amende de 26 francs à 100 000 francs. Celui qui, sans être candidat ou mandataire politique, aura accepté un tel don au nom et pour compte d'un parti politique, d'une liste, d'un candidat ou d'un mandataire politique sera puni de la même peine.
Le Livre Premier du Code pénal, sans exception du Chapitre VII et de l'article 85, est applicable à ces infractions.
Si le tribunal l'ordonne, le jugement peut être publié intégralement ou par extrait dans les journaux et hebdomadaires qu'il désigne.
Art. 11/1. [1 Ondernemingen, feitelijke verenigingen en rechtspersonen kunnen bij wijze van sponsoring, namelijk in ruil voor publiciteit, gelden of producten beschikbaar stellen van politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen op voorwaarde dat dit volgens de geldende marktprijzen gebeurt. De identiteit van ondernemingen, van de feitelijke verenigingen en van de rechtspersonen die politieke partijen, hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen, onder welke vorm dan ook, sponsoren ten belope van 12 euro en meer, wordt jaarlijks geregistreerd, onverminderd de in artikel 6, derde lid, van deze wet en artikel 116, § 6, derde lid, van het Kieswetboek bedoelde registratieplicht. [2 Politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen mogen vanwege een zelfde onderneming, feitelijke vereniging of rechtspersoon jaarlijks elk maximaal 500 euro, of de tegenwaarde daarvan, als sponsoring ontvangen. De sponsor mag jaarlijks in het totaal maximaal 2.000 euro, of de tegenwaarde daarvan, besteden aan sponsoring ten voordele van politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen.]2
De politieke partij die in strijd met deze bepaling sponsoring aanvaardt, verliest ten belope van het dubbel van het bedrag van de sponsoring haar recht op de dotatie, die krachtens hoofdstuk III van de wet van 4 juli 1989 aan de in artikel 22 van dezelfde wet bepaalde instelling zou worden toegekend tijdens de maanden volgend op de vaststelling van deze niet-naleving door de Controlecommissie.
Hij die in strijd met deze bepaling sponsoring geeft aan een politieke partij, een van haar componenten - ongeacht zijn rechtsvorm - een lijst, een kandidaat of een politiek mandataris of hij die als kandidaat of als politiek mandataris sponsoring aanvaardt, wordt gestraft met een geldboete van 26 euro tot 100.000 euro. Hij die, zonder kandidaat of politiek mandataris te zijn, een dergelijke sponsoring aanvaardt in naam of voor rekening van een politieke partij, een lijst, een kandidaat of een politiek mandataris, wordt met dezelfde sanctie gestraft.
Het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van Hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op deze misdrijven.
Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij uittreksel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die zij heeft aangeduid.]1

Art.11/1.[1 Les entreprises, les associations de fait et les personnes morales peuvent, en guise de sponsoring, c'est-à-dire en contrepartie d'une publicité, mettre des fonds ou des produits à la disposition de partis politiques et de leurs composantes, de leurs listes, de leurs candidats et de leurs mandataires politiques, à condition de respecter les prix du marché. L'identité des entreprises, des associations de fait et des personnes morales qui ont fait un sponsoring de 125 euros et plus, sous quelque forme que ce soit, aux partis politiques, leurs composantes, listes, candidats et mandataires politiques, est enregistrée chaque année, sans préjudice de l'obligation d'enregistrement visée à l'article 6, alinéa 3, de la présente loi et à l'article 116, § 6, alinéa 3, du Code électoral. [2 Des partis politiques et leurs composantes, des listes, des candidats et des mandataires politiques peuvent, chacun, recevoir annuellement, à titre de sponsoring d'une même entreprise, association de fait ou personne morale, une somme ne dépassant pas 500 euros, ou sa contre-valeur. Le sponsor peut consacrer chaque année un montant total ne dépassant pas 2.000 euros, ou la contre-valeur de ce montant, à du sponsoring au profit de partis politiques et de leurs composantes, de listes, de candidats et de mandataires politiques.]2
Le parti politique qui accepte un sponsoring en violation de la présente disposition perd, à concurrence du double du montant du sponsoring, son droit à la dotation qui, en vertu du chapitre III de la loi du 4 juillet 1989 serait allouée à l'institution visée à l'article 22 de la même loi pendant les mois suivant la constatation de cette infraction par la Commission de contrôle.
Celui qui, en violation de la présente disposition, aura fait un sponsoring à un parti politique, à l'une de ses composantes - quelle que soit sa forme juridique -, à une liste, à un candidat ou à un mandataire politique ou celui qui, en qualité de candidat ou de mandataire politique aura accepté un sponsoring, sera puni d'une amende de 26 euros à 100.000 euros. Celui qui, sans être candidat ou mandataire politique, aura accepté un tel sponsoring au nom et pour compte d'un parti politique, d'une liste, d'un candidat ou d'un mandataire politique sera puni de la même sanction.
Le Livre Premier du Code pénal, en ce compris le Chapitre VII et l'article 85, est applicable à ces infractions.
Si le tribunal l'ordonne, le jugement peut être publié intégralement ou par extrait dans les journaux et hebdomadaires qu'il désigne.]1

Art. 11bis. De Koning bepaalt bij een in ministerraad overlegd besluit de wijze waarop de in de artikelen [1 6, 11 en 11/1]1 bedoelde registraties (, alsook die bedoeld in artikel 116, § 6, tweede lid, van het Kieswetboek,) worden opgesteld en neergelegd. De controle gebeurt door de Controlecommissie.
Art. 11bis. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités des enregistrements visés aux articles [1 6, 11 et 11/1]1 , ainsi que (de ceux visés à l'article 116, § 6, alinéa 2, du Code électoral, de même que les modalités du dépôt de ces enregistrements). Le contrôle est assuré par la Commission de contrôle.
Art.11ter. [1 Er kan bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld tegen elke beslissing tot sanctie die de Commissie neemt met toepassing van deze wet, overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.]1
Art.11ter. [1 Un recours en annulation devant le Conseil d'Etat peut être introduit contre toute décision de sanction de la Commission prise en application de la présente loi, conformément à l'article 14, § 1er, alinéa 2, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.]1
Overgangsbepalingen.
Dispositions transitoires.
Art. 12. (Opgeheven)
Art. 12. (Abrogé)
Art. 13. (Opgeheven)
Art. 13. (Abrogé)
Art. 14. (Opgeheven)
Art. 14. (Abrogé)
Art. 15. (Opgeheven)
Art. 15. (Abrogé)
Inwerkingtreding.
Entrée en vigueur.
Art. 16. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 16. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.