Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
3 MEI 1991. - [Koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen.] <opschrift gewijzigd bij AR 1998-03-04/33, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 30-04-1996> (NOTA : opgeheven met uitzondering van bepaalde artikelen, die aangeduid worden door verwijzing aan andere teksten <KB 2003-03-28/39, art. 27; Inwerkingtreding : 01-05-2003>) (NOTA : opgeheven voor de Duitstalige gemeenschap bij BDG2018-11-29/14, art. 46,23°, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2019)(NOTA : opgeheven voor Gemeenschappelike Gemeenschapscommissie bij BESL2023-05-25/06, art. 16,1°; 009; Inwerkingtreding : 26-06-2023)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-11-1993 en tekstbijwerking tot 16-06-2023)
Titre
3 MAI 1991. - [Arrêté royal portant exécution des articles 47, 56septies, et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales]. <intitulé modifié par AR 1998-03-04/33, art. 1, 003; En vigueur : 30-04-1996> (NOTE : abrogé à l'exception de certains articles indiqués par référence <AR 2003-03-28/39, art. 27; En vigueur : 01-05-2003>) (NOTE : abrogé pour la Communauté germanophone par ACG2018-11-29/14, art. 46,23°, 008; En vigueur : 01-01-2019)(NOTE : abrogé pour la Commission Communautaire Commune par ARR2023-05-25/06, art. 16,1°, 009; En vigueur : 26-06-2023)(NOTE: Consultation des versions antérieures à partir du 03-07-1991 et mise à jour au 26-02-2010)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-11-1993 et mise à jour au 16-06-2023)
Informations sur le document
Numac: 1991022247
Datum: 1991-05-03
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1991022247
Date: 1991-05-03
Moniteur: Voir
Tekst (28)
Texte (28)
Artikel 1. (Zie NOTA'S onder opschrift) Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder :
  1° " samengeordende wetten " : de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
  2° " Minister " : de Minister die de sociale voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft;
  3° " Ministerie " : het Ministerie van Sociale Voorzorg;
  4° " Dienst " : De Algemene Directie van de gezinsbijslag en van de uitkeringen aan gehandicapten;
  5° " instellingen " : de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, de kinderbijslagfondsen erkend of opgericht krachtens de samengeordende wetten, het Rijk, de Gemeenschappen en de Gewesten evenals de instellingen van openbaar nut, die wettelijk gehouden zijn zelf kinderbijslag uit te betalen voor hun personeel.
Article 1. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  1° " lois coordonnées " : les lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés;
  2° " Ministre " : le Ministre qui a la prévoyance sociale dans ses attributions;
  3° " Ministère " : le Ministère de la Prévoyance sociale;
  4° " Service " : la Direction générale des prestations familiales et des allocations aux handicapés;
  5° " organismes " : l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, les caisses d'allocations familiales agréées ou créées en vertu des lois coordonnées, l'Etat, les Communautés et les Régions ainsi que les organismes d'intérêt public qui sont tenus légalement d'accorder eux-mêmes les allocations familiales à leur personnel.
Art. 2. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten wordt vastgesteld :
  1° aan de hand van de " Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit ", goedgekeurd bij Regentsbesluit van 12 februari 1946 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 maart 1975, 2 juli 1975 en 6 januari 1976;
  2° en/of aan de hand van de lijst van aandoeningen, gevoegd bij dit besluit.
  De onder 2° bedoelde lijst bevat een limitatieve opsomming van aandoeningen. De Koning kan ze aanvullen.
  § 2. Onverminderd de algemene en bijzondere bepalingen over de aanwending van de schaal bedoeld in § 1, 1° zijn de volgende regels van toepassing voor de uitvoering van § 1 :
  1° de bepalingen in de schaal inzake het uitsluiten van een aandoening of het verminderen van het ongeschiktheidspercentage, dat voortvloeit uit een vroeger verworven of aangeboren staat, zijn niet van toepassing;
  2° in geval van meervoudige ongeschiktheid wordt het globale ongeschiktheidspercentage berekend op de volgende wijze : in het geval waarbij geen enkele van de gedeeltelijke aandoeningen een totale ongeschiktheid met zich brengt, wordt het ongeschiktheidspercentage volledig toegekend voor de zwaarste aandoening en, voor elk van de bijkomende aandoeningen wordt het proportioneel berekend volgens de overblijvende geschiktheid. De verscheidene aandoeningen worden daartoe gerangschikt in dalende orde van het werkelijk ongeschiktheidspercentage. Deze berekeningswijze wordt slechts toegepast wanneer de gedeeltelijke aandoeningen verschillende ledematen of functies aantasten.
  3° een rationele ramingswijze wordt aangewend zo meervoudige aandoeningen een lidmaat of een functie aantasten en dat door de berekening van meervoudige ongeschiktheden beschreven onder 2° het percentage dat alzo wordt bekomen voor dit lidmaat of deze functie het verlies overschrijdt dat gelijk is aan het percentage van de totaliteit van het lidmaat of van de aangetaste functie; het bedoelde percentage kan datgene, bepaald voor het totaal anatomisch of functioneel verlies van het desbetreffende lidmaat of de fysiologische functie, niet overschrijden.
  § 3. Naast de regels uiteengezet in § 2 zijn de gebruiksvoorwaarden vermeld in de in § 1 bedoelde lijst van aandoeningen van toepassing, althans indien van die lijst wordt gebruik gemaakt.
  (§ 4. Onverminderd § 5 is de schaal, bedoeld in artikel 2, § 1, 1° bindend of indicatief naargelang zij een vast percentage aanduidt dan wel ruimte laat bij de evaluatie. Nochtans blijft zij in dit laatste geval bindend voor de minimale en maximale percentages.
  Zo de lijst van aandoeningen bedoeld in § 1, 2° refereert aan een artikel van de schaal zijn de regels vervat in het eerste lid van toepassing.) <KB 1999-04-29/45, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  (§ 5. Bij het ongeschiktheidspercentage berekend overeenkomstig de §§ 1 tot 4 mogen in bepaalde gevallen de volgende percentagevermeerderingen rekenkundig worden opgeteld.
  Er wordt een percentagevermeerdering toegekend van 20 pct. voor de aandoeningen die aan al de vijf hiernavolgende voorwaarden voldoen en een percentagevermeerdering van 15 pct. voor de aandoeningen die aan vier van de vijf hiernavolgende voorwaarden voldoen :
  a) de aandoeningen moeten, ondanks de beschikbare therapie, gepaard gaan met ernstige klinische verschijnselen;
  b) de therapie dient, wanneer degelijk en volledig toegepast, complex en zwaar belastend te zijn voor het kind en zijn omgeving;
  c) de algemene toestand dient gekenmerkt te zijn door een wankele stabiliteit bedreigd door tussentijdse complicaties;
  d) ondanks een blijvende, nauwgezette, regelmatig bijgestuurde en intensieve therapie zal er een progressieve chronische aantasting van verschillende orgaansystemen optreden.
  e) de levensverwachting wordt beïnvloed.) <KB 1999-04-29/45, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 2. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. L'incapacité physique ou mentale de l'enfant visée aux articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées est établie :
  1° selon le " Barême officiel belge des invalidités " approuvé par l'arrêté du Régent du 12 février 1946 et modifié par les arrêtés royaux des 20 mars 1975, 2 juillet 1975 et 6 janvier 1976;
  2° et/ou la liste des pathologies annexée au présent arrêté.
  La liste des pathologies visée au 2° contient une énumération limitative. Le Roi peut la compléter.
  § 2. Sans préjudice des dispositions d'ordre général et particulières d'utilisation du barême visé au § 1er, 1°, les règles suivantes sont d'application pour l'exécution du § 1er :
  1° les stipulations dans le barême visant l'exclusion d'une pathologie ou la réduction du pourcentage d'incapacité consécutives à un état antérieur acquis ou congénital, ne sont pas applicables;
  2° en cas d'incapacités multiples, le pourcentage global d'incapacité est calculé de la manière suivante : dans le cas où aucune des pathologies partielles n'entraîne une incapacité totale, le pourcentage d'incapacité est attribué entièrement pour la pathologie la plus grave et, pour chacune des pathologies supplémentaires, il est calculé proportionnellement à la validité restante. A cet effet, les diverses pathologies seront rangées dans l'ordre décroissant de leur pourcentage réel d'incapacité. Ce mode de calcul n'est applicable que lorsque les pathologies partielles affectent des membres ou des fonctions différentes.
  3° un mode d'estimation rationnelle est utilisé dans le cas où des lésions multiples atteignent un membre ou une fonction et que, par le calcul des incapacités multiples décrit au 2°, le pourcentage, ainsi obtenu pour ce membre ou cette fonction, dépasse la perte équivalente du pourcentage de la totalité du membre ou de la fonction lésée; ce pourcentage prévu pour la perte anatomique ou fonctionnelle totale du membre ou de l'appareil physiologique en cause ne peut être dépassé.
  § 3. Outre les règles énoncées au § 2, les conditions d'utilisation mentionnées dans la liste des pathologies visée au § 1er sont d'application, du moins s'il est fait usage de cette liste.
  (§ 4. Sans préjudice du § 5, le barème, visé à l'article 2, § 1er, 1° est impératif ou indicatif suivant qu'il indique un pourcentage fixe ou qu'il laisse une marge dans l'évaluation. Toutefois dans ce dernier cas, il reste impératif pour les pourcentages minima et les pourcentages maxima.
  Lorsque la liste des pathologies visée au § 1er, 2°, fait référence à un article du barème, les règles énoncées à l'alinéa 1er sont d'application.) <AR 1999-04-29/45, art. 1, 004; En vigueur : 01-07-1999>
  (§ 5. L'incapacité calculée conformément aux §§ 1er à 4, peut être augmentée, dans certains cas, des pourcentages suivants.
  Une augmentation de pourcentage de 20 pct. est accordée aux pathologies qui remplissent toutes les cinq conditions suivantes et une augmentation de pourcentage de 15 pct. est accordée aux pathologies qui remplissent quatre des cinq conditions suivantes :
  a) les pathologies doivent, malgré les traitements disponibles, être associées à une symptomatologie de gravité sévère;
  b) les traitements, correctement et complètement appliqués, doivent être très contraignants et complexes pour l'enfant et son entourage;
  c) l'état général doit être caractérisé par une stabilité sans cesse menacée par des complications récurrentes;
  d) malgré un traitement permanent, précis et régulièrement adapté, une atteinte chronique des différents organes se développera progressivement;
  e) l'espérance de vie est influencée.) <AR 1999-04-29/45, art. 1, 004; En vigueur : 01-07-1999>
Art. 3. (Zie NOTA'S onder opschrift) De graad van zelfredzaamheid van het kind bedoeld in artikel 47 van de samengeordende wetten wordt gemeten aan de hand van de bij dit besluit gevoegde handleiding, waarin rekening wordt gehouden met de volgende functionele categorieën :
  1° het gedrag
  2° de communicatie
  3° de lichaamsverzorging
  4° de verplaatsing
  5° de lichaamsbeheersing in bepaalde situaties en de handigheid
  6° de aanpassing aan de omgeving.
  § 2. Voor het gebruik van de voormelde handleiding wordt aan elk van de in § 1 genoemde functionele categorieën een cijfer toegekend volgens onderstaande schaal :
  - 0 punten : voldoende zelfredzaamheid
  - 1 punt : aanwezigheid van een moeilijkheid
  - 2 punten : niet voortdurende hulp van een derde persoon
  - 3 punten : voortdurende hulp van een derde persoon
  Van de in § 1 opgesomde functionele categorieën worden enkel de drie functionele categorieën, die de hoogste punten hebben bekomen, behouden voor de totalisatie van de punten die in aanmerking moeten worden genomen voor het bepalen van het bedrag van de in artikel 47 van de samengeordende wetten bedoelde bijkomende kinderbijslag.
Art. 3. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Le degré d'autonomie de l'enfant visé à l'article 47 des lois coordonnées, est mesuré à l'aide du guide annexé au présent arrêté et aux termes desquels il est tenu compte des catégories fonctionnelles suivantes :
  1° le comportement
  2° la communication
  3° les soins corporels
  4° le déplacement
  5° l'utilisation du corps dans certaines situations et l'adresse
  6° l'adaptation au milieu.
  § 2. Pour l'utilisation du guide précité, il est octroyé, à chacune des catégories fonctionnelles mentionnées au § 1er, un nombre de points selon les éléments suivants :
  - 0 point : autonomie suffisante
  - 1 point : présence d'une difficulté
  - 2 points : aide d'une tierce personne de manière discontinue
  - 3 points : aide d'une tierce personne de manière continue.
  Parmi les catégories fonctionnelles énumérées au § 1er, seules les trois catégories fonctionnelles qui ont obtenu les points les plus élevés, sont retenues pour la totalisation des points à prendre en considération pour la détermination du montant du supplément d'allocations familiales visé à l'article 47 des lois coordonnées.
Art. 4. (Zie NOTA'S onder opschrift) Het kind getroffen door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct., dat beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 12, geeft recht op een bijkomende kinderbijslag vastgesteld op :
  - (307,81 EUR) indien het 0, 1, 2 of 3 punten met betrekking tot de zelfredzaamheid bekomt; <KB 2001-12-11/45, art. 49, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - (336,94 EUR) indien het 4, 5 of 6 punten met betrekking tot de zelfredzaamheid bekomt; <KB 2001-12-11/45, art. 49, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  - (360,19 EUR) indien het 7, 8 of 9 punten met betrekking tot de zelfredzaamheid bekomt. <KB 2001-12-11/45, art. 49, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 4. (Voir NOTES sous l'intitulé) L'enfant atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins et qui répond aux conditions visées à l'article 12, bénéficie d'un supplément d'allocations familiales fixé à :
  - (307,81 EUR) s'il obtient 0, 1, 2 ou 3 points d'autonomie; <AR 2001-12-11/45, art. 49, 006; En vigueur : 01-01-2002>
  - (336,94 EUR) s'il obtient 4, 5 ou 6 points d'autonomie; <AR 2001-12-11/45, art. 49, 006; En vigueur : 01-01-2002>
  - (360,19 EUR) s'il obtient 7, 8 ou 9 points d'autonomie. <AR 2001-12-11/45, art. 49, 006; En vigueur : 01-01-2002>
Art. 5. (Zie NOTA'S onder opschrift) De aanvragen om gezinsbijslag bepaald bij de artikelen 47, 56septies, (...) en 63 van de samengeordende wetten worden ingediend bij de bevoegde instelling, samen met een formulier waarvan het model is gevoegd bij dit besluit. <KB 1998-03-04/33, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 30-04-1996>
  Deze instelling zendt de conform het eerste lid ingediende aanvraag naar de Dienst van het Ministerie, na te hebben vastgesteld dat alle toekenningsvoorwaarden, met uitzondering van deze betreffende de handicap, vervuld zijn.
Art. 5. (Voir NOTES sous l'intitulé) Les demandes de prestations familiales prévues aux articles 47, 56septies, (...) et 63 des lois coordonnées, sont introduites auprès de l'organisme compétent, accompagnées d'une formule dont le modèle est annexé au présent arrêté. <AR 1998-03-04/33, art. 2, 003; En vigueur : 30-04-1996>
  Cet organisme envoie la demande introduite conformément à l'alinéa 1er, au Service du Ministère, après avoir vérifié que toutes les conditions d'octroi, à l'exception de celles relatives au handicap, sont remplies.
Art. 6. (Zie NOTA'S onder opschrift) De lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 (van de samengeordende wetten, de zelfredzaamheid bedoeld in artikel 47 van de samengeordende wetten), worden vastgesteld hetzij door een geneesheer van de Medische Dienst van de Algemene Directie van de gezinsbijslag en de uitkeringen aan gehandicapten van het Ministerie, hetzij door een geneesheer van de Dienst voor Geneeskundige Controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hetzij door een geneesheer daartoe aangeduid door de Minister. <KB 1998-03-04/33, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 30-04-1996>
  De in het eerste lid bedoelde vaststelling van de ongeschiktheid en de zelfredzaamheid kan na 31 maart 1993 niet meer worden gedaan door een geneesheer van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Art. 6. (Voir NOTES sous l'intitulé) L'incapacité physique ou mentale de l'enfant visée aux articles 47, 56septies et 63 (des lois coordonnées et l'autonomie visée à l'article 47 des lois coordonnées) sont constatées, soit par un médecin du Service médical de la Direction générale des prestations familiales et des allocations aux handicapés du Ministère, soit par un médecin du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, soit par un médecin désigné à cet effet par le Ministre. <AR 1998-03-04/33, art. 3, 003; En vigueur : 30-04-1996>
  Après le 31 mars 1993, la constatation de l'incapacité et de l'autonomie visée à l'alinéa 1er ne peut plus être faite par un médecin du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Art. 7. (Zie NOTA'S onder opschrift) De ongeschiktheid en de zelfredzaamheid bedoeld in artikel 6 worden vastgesteld op basis van het medisch onderzoek van de gehandicapte persoon, behalve zo deze persoon overleden is tussen de datum van aanvraag bedoeld in artikel 5 en deze van het medisch onderzoek. In dit laatste geval wordt het medisch onderzoek gedaan op basis van documenten.
  Indien de gehandicapte persoon zich niet kan verplaatsen naar het kantoor van de geneesheer wordt het onderzoek in de verblijfplaats van de betrokkene verricht, althans indien de verblijfplaats zich in België bevindt. De ongeschiktheid om zich te verplaatsen wordt gestaafd door een medisch getuigschrift dat binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de oproeping samen met deze laatste aan de geneesheer wordt toegezonden. Zo deze termijn niet wordt in acht genomen, wordt de aanvraag teruggestuurd door de Dienst naar de bevoegde instelling, zonder dat een medisch onderzoek werd verricht.
  Indien de gehandicapte persoon zich niet kan verplaatsen op de bij de oproeping vastgestelde dag voor het onderzoek, verwittigt hij de geneesheer die hem een nieuwe oproeping toezendt.
  Het resultaat van het medisch onderzoek wordt medegedeeld aan de Dienst binnen de negentig dagen volgend op de ontvangst van de bij artikel 5 bedoelde aanvraag door de bevoegde geneesheer.
Art. 7. (Voir NOTES sous l'intitulé) L'incapacité et l'autonomie visées à l'article 6 sont évaluées sur base de l'examen médical de la personne handicapée, sauf lorsque celle-ci est décédée entre la date de la demande visée à l'article 5 et celle de l'examen médical. Dans ce dernier cas, l'examen médical est fait sur base de documents.
  Si la personne handicapée ne peut pas se déplacer vers le cabinet du médecin, l'examen est effectué au lieu de résidence de l'intéressé, du moins si ce lieu se situe en Belgique. L'incapacité de se déplacer est justifiée par un certificat médical qui est envoyé, accompagné de la convocation, au médecin dans les quinze jours, à compter de la date d'expédition de celle-ci. Si ce délai n'est pas respecté, la demande est renvoyée par le Service à l'organisme compétent sans qu'il ait été procédé à un examen médical.
  Si la personne handicapée ne peut se déplacer le jour de l'examen fixé par la convocation, elle prévient le médecin qui lui envoie une nouvelle convocation.
  Le résultat de l'examen médical est communiqué au Service endéans les nonante jours de la réception de la demande visée à l'article 5, par le médecin compétent.
Art. 8. (Zie NOTA'S onder opschrift) De Medische Dienst van het Ministerie is belast met de evaluatie en het toezicht op de activiteiten van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering voor wat betreft de medische onderzoeken verricht in het raam van de samengeordende wetten.
Art. 8. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le Service médical du Ministère est chargé de l'évaluation et de la surveillance des activités du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en ce qui concerne les examens médicaux effectués dans le cadre des lois coordonnées.
Art. 9. (Zie NOTA'S onder opschrift) Onverminderd artikel 96 van de wet van 29 december 1990, kunnen de gerechtigden op kinderbijslag krachtens de artikelen 47, 56septies, (...) en 63 een herzieningsaanvraag indienen. <KB 1998-03-04/33, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 30-04-1996>
  Voor de toepassing van artikel 47 van de samengeordende wetten brengt een aanvraag tot herziening een nieuwe evaluatie van het lichamelijke of geestelijke ongeschiktheidspercentage en van de graad van zelfredzaamheid met zich mee.
  De aanvraag tot herziening wordt door de betrokkenen ingediend bij de bevoegde instelling door middel van het in bijlage 3 van dit besluit opgenomen formulier, waarbij een medisch getuigschrift is gevoegd dat ten vroegste dertig dagen vóór de indiening van deze aanvraag is opgesteld en dat de aard van de verandering van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of van de zelfredzaamheid van de gehandicapte persoon vermeldt.
  De herziening kan ook worden verricht op verzoek van de bevoegde instelling of van een geneesheer bedoeld bij artikel 6. De herzieningsaanvraag wordt ingediend bij de Dienst van het Ministerie.
Art. 9. (Voir NOTES sous l'intitulé) Sans préjudice de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990, les bénéficiaires d'allocations familiales en vertu des articles 47, 56septies, (...) et 63 peuvent introduire une demande en révision. <AR 1998-03-04/33, art. 2, 003; En vigueur : 30-04-1996>
  Pour l'application de l'article 47 des lois coordonnées, une demande en révision implique une réévaluation du pourcentage d'incapacité physique ou mentale et du degré d'autonomie.
  La demande en révision est introduite par les intéressés auprès de l'organisme compétent au moyen de la formule faisant l'objet de l'annexe 3 du présent arrêté, accompagnée d'un certificat médical établi trente jours au plus, avant l'introduction de cette demande et mentionnant la nature du changement de l'incapacité physique ou mentale ou de l'autonomie de la personne handicapée.
  La révision peut aussi être effectuée à la demande de l'organisme compétent ou d'un médecin visé à l'article 6. La demande de révision est introduite auprès du Service du Ministère.
Art. 10. (Zie NOTA'S onder opschrift) Een ambtshalve herziening vindt plaats in geval van een medische beslissing voor een bepaalde duur.
  De procedure van ambtshalve herziening wordt door de bevoegde instelling ingeleid ten laatste negentig dagen vóór de einddatum van de geldigheid van de medische beslissing.
  De beslissing die voortvloeit uit de ambtshalve herziening heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de einddatum van geldigheid valt.
Art. 10. (Voir NOTES sous l'intitulé) Une révision d'office a lieu en cas de décision médicale pour une durée déterminée.
  La procédure de révision d'office est entamée par l'organisme compétent, nonante jours au plus tard avant la date limite de validité de la décision médicale.
  La décision consécutive à la révision d'office sort ses effets le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la date limite de validité survient.
Art. 11. (Zie NOTA'S onder opschrift) Onverminderd artikel 9, vierde lid, worden de aanvragen tot herziening bedoeld bij de artikelen 9 en 10 onderzocht overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.
Art. 11. (Voir NOTES sous l'intitulé) Sans préjudice de l'article 9, alinéa 4, les demandes en révision visées aux articles 9 et 10, sont instruites conformément aux dispositions de l'article 5.
Art. 12. (Zie NOTA'S onder opschrift) [1 Onverminderd het tweede lid heeft een rechtgevend kind dat getroffen is door een in artikel 2 bedoelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van minstens 66 pct recht op de bijkomende bijslag van artikel 47 van de samengeordende wetten, zo het voldoet aan onderstaande vereisten :]1 :
  1° [1 het kind moet voldoen aan de toekenningsvoorwaarden die bepaald zijn bij of krachtens artikel 63 van de samengeordende wetten;]1
  2° de in artikel 2 vermelde lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben alvorens het kind wegens het bereiken van de bij of krachtens de samengeordende wetten bepaalde leeftijdsgrens niet langer gerechtigd was op kinderbijslag;
  3° het kind mag geen activiteit uitoefenen die aanleiding geeft tot verzekeringsplicht ingevolge één van de regelingen van sociale zekerheid, behoudens wanneer deze activiteit wordt uitgeoefend :
  a) [1 hetzij in het raam van een arbeidsovereenkomst gesloten met een door de hiertoe bevoegde overheden erkende beschutte werkplaats, sociale werkplaats of bedrijf voor aangepast werk;]1
  b) hetzij in uitvoering van een leerovereenkomst of leerverbintenis zoals bedoeld in artikel 62, § 2, van de samengeordende wetten die geen aanleiding geeft tot de toekenning van een loon dat meer bedraagt dan het bedrag vastgesteld in uitvoering van dit artikel 62, § 2.
  4° het kind mag geen sociale uitkering genieten bij toepassing van een Belgische of buitenlandse regeling betreffende arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid, die haar oorsprong vindt in de uitoefening van een aktiviteit, behalve deze bedoeld onder 3°.
  [1 Indien het kind bedoeld in het eerste lid voldoet aan de toekenningsvoorwaarden die bepaald zijn bij of krachtens artikel 62 van de samengeordende wetten, dient het niet te voldoen aan de vereisten bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°.]1
  
Art. 12. (Voir NOTES sous l'intitulé) [1 Sans préjudice de l'alinéa 2, l'enfant bénéficiaire atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins visée à l'article 2, a droit au supplément d'allocations familiales fixé à l'article 47 des lois coordonnées s'il satisfait aux conditions suivantes :]1
  1° [1 l'enfant remplit les conditions d'octroi prévues par ou en vertu de l'article 63 des lois coordonnées;]1
  2° l'incapacité physique ou mentale dont question à l'article 2 doit avoir débuté avant que l'enfant ait cessé d'être bénéficiaire d'allocations familiales parce qu'il a atteint la limite d'âge fixée par ou en vertu des lois coordonnées;
  3° l'enfant ne peut exercer une activité donnant lieu à assujettissement à un régime de sécurité sociale, sauf lorsque cette activité s'exerce :
  a) [1 soit dans le cadre d'un contrat de travail conclu avec un atelier protégé, un atelier social ou une entreprise de travail adapté agréés par les autorités compétentes en la matière;]1
  b) soit en exécution d'un contrat d'apprentissage ou d'un engagement d'apprentissage visés à l'article 62, § 2, des lois coordonnées, ne donnant pas lieu à l'octroi d'une rémunération qui dépasse le montant fixé en exécution dudit article 62, § 2.
  4° l'enfant ne peut bénéficier d'une prestation sociale en application d'un régime belge ou étranger en matière d'incapacité de travail ou de chômage involontaire, qui trouve son origine dans l'exercice d'une activité, à l'exception de celles visées au 3°.
  [1 Si l'enfant visé à l'alinéa 1er remplit les conditions d'octroi prévues par ou en vertu de l'article 62 des lois coordonnées, il ne doit pas satisfaire aux conditions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°.]1
  
Art. 13. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Het kind dat is getroffen door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. beoogd in artikel 2, heeft recht op de kinderbijslag bepaald bij artikel 56septies volgens de voorwaarden bepaald in dit artikel.
  § 2. Het kind mag nog niet rechtgevend zijn krachtens de samengeordende wetten of krachtens de kinderbijslagregeling voor zelfstandigen.
  § 3. De in § 1 bedoelde lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben vooraleer het kind opgehouden heeft te voldoen aan een van de volgende vereisten :
  a) voldoen aan de toekenningsvoorwaarden bepaald bij artikel 62 van de samengeordende wetten; de leeftijdsgrens wordt nochtans niet in aanmerking genomen wat betreft de voorwaarden bepaald bij (artikel 62, § 2), van dezelfde wetten; <KB 1998-03-04/33, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 30-04-1996>
  b) tewerkgesteld zijn door een beschutte werkplaats, als dusdanig opgericht door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen of door de gemeenschapsinstelling die bevoegd is inzake de sociale reclassering van de minder-validen of in deze hoedanigheid erkend in uitvoering van artikel 48 of 144 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen.
  § 4. Het kind moet deel uitmaken van het gezin van een natuurlijke persoon. Nochtans behoudt het kind het recht op gezinsbijslag verworven bij toepassing van artikel 56septies van de samengeordende wetten wanneer het geplaatst is in een instelling overeenkomstig artikel 70 van dezelfde wetten;
  § 5. De kinderbijslag wordt verleend tot dat het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt. De kinderbijslag wordt echter verleend tot de leeftijd van 25 jaar zo het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt vóór 1 juli 1987 en zo het geen tegemoetkoming aan gehandicapten geniet;
  § 6. Het kind is gerechtigd op kinderbijslag :
  a) tegen de bij artikel 40 van de samengeordende wetten bepaalde bedragen;
  b) tegen de bij artikel 40 van de samengeordende wetten bepaalde bedragen, verhoogd met de bij artikel 50ter van dezelfde wetten bepaalde bijslagen, indien de bij § 4 bedoelde persoon ten minste 66 pct. arbeidsongeschikt is sedert ten minste zes maanden;
  c) tegen de bij artikel 50bis van de samengeordende wetten bepaalde bedragen indien het kind een wees van vader of moeder is en onverminderd artikel 56bis, § 2, van dezelfde wetten.
  Ter bepaling van de rang van het kind wordt rekening gehouden met de andere op kinderbijslag rechtgevende kinderen in het gezin, tenzij deze kinderen als wees gerechtigd zijn op verhoogde kinderbijslag.
  Indien de gezinsbijslag krachtens een ander stelsel dan die bedoeld bij § 2 ten voordele van het kind verschuldigd is, is het in aanmerking te nemen aantal rechtgevende kinderen dit hetwelk bepaald is door het stelsel waarvan het gezin geniet. Dit aantal wordt vastgesteld op de datum waarop het kind rechtgevend wordt en op de 1e juli van elk jaar. Het blijft geldig tot de 30e juni van het volgend jaar.
  § 7. Indien de gezinsbijslag krachtens een ander stelsel dan die bedoeld bij § 2 ten behoeve van het gehandicapte kind wordt toegekend, wordt het bedrag van de verschuldigde gezinsbijslag krachtens dit artikel verminderd met het bedrag van de prestaties die zouden kunnen worden toegekend voor de maand in de loop waarvan het kind rechtgevende wordt of voor de maand juli van elk jaar krachtens het stelsel waarvan het bij dit artikel bedoelde kind geniet. Dit forfaitair vastgesteld af te trekken bedrag blijft geldig tot 30 juni van het volgend jaar. Evenwel ondergaat het de invloed van de schommelingen van de consumptieprijzen, volgens de van toepassing zijnde regels in het stelsel van de kinderbijslag voor werknemers.
Art. 13. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. L'enfant atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins visée à l'article 2, a droit aux allocations familiales prévues par l'article 56septies aux conditions déterminées par le présent article.
  § 2. L'enfant ne peut être déjà bénéficiaire d'allocations familiales en vertu des lois coordonnées ou en vertu du régime des allocations familiales pour travailleurs indépendants.
  § 3. L'incapacité physique ou mentale visée au § 1er doit avoir débuté avant que l'enfant ait cessé de remplir l'une des conditions suivantes :
  a) satisfaire aux conditions d'octroi prévues par l'article 62 des lois coordonnées; toutefois la limite d'âge n'est pas prise en considération en ce qui concerne les conditions prévues par (l'article 62, § 2) des mêmes lois; <AR 1998-03-04/33, art. 4, 003; En vigueur : 30-04-1996>
  b) être occupé par un atelier protégé, créé comme tel par le Fonds national de reclassement social des handicapés ou par l'institution communautaire compétente en matière de reclassement social des handicapés, ou agréée en cette qualité en exécution des articles 48 ou 144 de l'arrêté royal du 5 juillet 1963 concernant le reclassement social des handicapés.
  § 4. L'enfant doit faire partie du ménage d'une personne physique. Toutefois, l'enfant maintient le droit aux prestations familiales acquis en application de l'article 56septies des lois coordonnées lorsqu'il est placé dans une institution au sens de l'article 70 des mêmes lois;
  § 5. Les allocations familiales sont accordées jusqu'à la date à laquelle l'enfant atteint l'âge de 21 ans. Toutefois, les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 25 ans, à condition qu'il ait atteint l'âge de 21 ans avant le 1er juillet 1987 et qu'il ne bénéficie pas d'une allocation aux handicapés;
  § 6. L'enfant a droit aux allocations familiales :
  a) aux taux prévus par l'article 40 des lois coordonnées;
  b) aux taux prévus par l'article 40 des lois coordonnées, majorés des suppléments prévus à l'article 50ter des mêmes lois si la personne visée au § 4 est à 66 p.c. au moins incapable de travailler depuis six mois aux moins;
  c) aux taux prévus par l'article 50bis des lois coordonnées, si l'enfant est un orphelin de père ou de mère et sans préjudice de l'article 56bis, § 2, des mêmes lois.
  Pour la détermination du rang de l'enfant, il est tenu compte des autres enfants bénéficiaires d'allocations familiales dans le ménage, sauf si ces enfants ont droit comme orphelin à des allocations familiales majorées.
  Toutefois, si les prestations familiales sont dues en faveur de l'enfant en vertu d'un régime autre que ceux visés au § 2, le nombre d'enfants bénéficiaires à prendre en considération est celui qui est fixé par le régime dont bénéficie le ménage. Ce nombre est déterminé à la date où l'enfant devient bénéficiaire et au 1er juillet de chaque année. Il reste valable jusqu'au 30 juin de l'année suivante.
  § 7. Lorsque les prestations familiales sont accordées en faveur de l'enfant handicapé en vertu d'un régime autre que ceux visés au § 2, le montant des prestations familiales dues en vertu du présent article, est diminué du montant des prestations qui pourraient être accordées pour le mois au cours duquel l'enfant devient bénéficiaire ou pour le mois de juillet de chaque année, en vertu du régime dont bénéficie l'enfant visé au présent article. Ce montant à déduire, établi forfaitairement, reste valable jusqu'au 30 juin de l'année suivante. Toutefois, il subit l'influence des fluctuations des prix à la consommation selon les règles applicables dans le régime des allocations familiales pour travailleurs salariés.
Art. 14. (Zie NOTA'S onder opschrift) Voor de toepassing van artikel 63 van de samengeordende wetten, moet het gehandicapte kind getroffen zijn door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct., vastgesteld overeenkomstig artikel 2; deze ongeschiktheid moet een aanvang genomen hebben vooraleer het kind wegens het bereiken van de bij artikel 62 van dezelfde wetten bepaalde leeftijdsgrens heeft opgehouden rechtgevend te zijn op kinderbijslag.
Art. 14. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour l'application de l'article 63 des lois coordonnées, l'enfant handicapé doit être atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins constatée conformément à l'article 2; cette incapacité doit avoir débuté avant que l'enfant n'ait cessé d'être bénéficiaire d'allocations familiales parce qu'il a atteint la limite d'âge mentionnée à l'article 62 des mêmes lois.
Art. 15. (Zie NOTA'S onder opschrift) De voorzitter of de leden van de Commissie belast met de vaststelling van de weigering van behandeling, bedoeld bij artikel 47, § 2, van de samengeordende wetten, benoemd ter vervanging van een overleden of ontslagen voorzitter of lid, voltooit het mandaat van deze die hij vervangt.
  De ambtenaar die de Minister vertegenwoordigt woont de vergaderingen bij met raadgevende stem.
  De secretarissen worden aangeduid door de Minister onder de ambtenaren van het Ministerie.
  De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op dat ze ter goedkeuring aan de Minister voorlegt.
  De Commissie vergadert telkens de Minister haar hierom verzoekt.
  De Commissie deelt, binnen dertig dagen haar bevindingen mee over elk dossier dat haar door de Minister wordt voorgelegd.
  De beslissingen worden genomen bij meerderheid van stemmen der aanwezige leden. Bij staking van stemmen is deze van de voorzitter doorslaggevend.
Art. 15. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le président ou les membres de la Commission chargée de constater le refus de traitement visée à l'article 47, § 2, des lois coordonnées, nommés en remplacement d'un président ou d'un membre décédé ou démissionnaire, achèvent le mandat de celui qu'ils remplacent.
  Le fonctionnaire représentant le Ministre assiste aux réunions avec voix consultative.
  Les secrétaires sont désignés par le Ministre parmi les fonctionnaires du Ministère.
  La Commission établit son règlement d'ordre intérieur qu'elle soumet à l'approbation du Ministre.
  La Commission se réunit chaque fois que le Ministre le demande.
  La Commission communique, dans les trente jours, ses observations sur chaque dossier que lui soumet le Ministre.
  Les décisions sont prises à la majorité des voix des membres présents. En cas de parité des voix, celle du président est prépondérante.
Art. 15bis. (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij AR 1993-09-22/39, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 28-11-1993>
  De voorzitter, de leden en de secretaris van de Commissie alsook de ambtenaar die de Minister vertegenwoordigt bij deze Commissie hebben recht op een zitpenning.
  Het bedrag van de zitpenning van de voorzitter is vastgesteld op (25,00 EUR) per zitting. <KB 2001-07-13/54, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag van de zitpenning van de leden, de secretaris en de ambtenaar die de Minister vertegenwoordigt is vastgesteld op (12,50 EUR) per zitting. <KB 2001-07-13/54, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  De voorzitter en de leden bekomen in voorkomend geval verblijfsvergoedingen en de terugbetaling van de reiskosten. Het bedrag ervan is gelijk aan het bedrag vastgesteld overeenkomstig de reglementering toepasselijk op de ambtenaren van rang 13 van de ministeries.
  De uitgaven teweeggebracht door de werking van de Commissie zijn ten laste van de administratieve begroting van het Ministerie van Sociale Voorzorg.
Art. 15bis. (Voir NOTES sous l'intitulé)
  Le président, les membres et le secrétaire de la Commission ainsi que le fonctionnaire représentant le Ministre auprès de cette Commission ont droit à un jeton de présence.
  Le montant du jeton de présence du président est fixé à (25,00 EUR) par séance. <AR 2001-07-13/54, art. 2, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  Le montant du jeton de présence des membres, du secrétaire et du fonctionnaire représentant le Ministre est fixé à (12,50 EUR) par séance. <AR 2001-07-13/54, art. 2, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  Le président et les membres obtiennent, le cas échéant, des indemnités de séjour et le remboursement des frais de déplacement. Le montant de ceux-ci est égal au montant fixé conformément à la réglementation applicable aux fonctionnaires de rang 13 des ministères.
  Les dépenses occasionnées par le fonctionnement de la Commission sont à charge du budget administratif du Ministère de la Prévoyance sociale.
Art. 16. (Zie NOTA'S onder opschrift)
Art. 16. (Voir NOTES sous l'intitulé)
Art. 17. (Zie NOTA'S onder opschrift)
  Gewijzigd bij:
  <KB 1998-03-04/33, art. 5, Inwerkingtreding : 30-04-1996>
Art. 17. (Voir NOTES sous l'intitulé)
  Modifié par:
  <AR 1998-03-04/33, art. 5, En vigueur : 30-04-1996>
Art. 18. (Zie NOTA'S onder opschrift)
Art. 18. (Voir NOTES sous l'intitulé)
Art. 19. (Zie NOTA'S onder opschrift) herziening of een ambtshalve herziening een nieuwe beslissing te hunnen opzichte genomen wordt.
Art. 19. (Voir NOTES sous l'intitulé)
Art. 20. (Zie NOTA'S onder opschrift) Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991, met uitzondering van artikel 13, § 4 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 1990.
Art. 20. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le présent arrêté produit ses effets le 1er avril 1991, à l'exception de l'article 13, § 4, qui produit ses effets le 1er avril 1990.
Art. 21. (Zie NOTA'S onder opschrift) Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 21. (Voir NOTES sous l'intitulé) Notre Ministre des Affaires sociales est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bijlage 1.
Annexe 1.
Art. N1. (Zie NOTA'S onder opschrift) Lijst van de aandoeningen bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, om te worden gebruikt bij de evaluatie van de ongeschiktheid bedoeld in de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten.
Art. N1. (Voir NOTES sous l'intitulé) Liste des pathologies visée à l'article 2, § 1er, 2°, à utiliser pour l'évaluation de l'incapacité visée aux articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées.
Bijlage 2.
Annexe 2.
Art. N2. (Zie NOTA'S onder opschrift) Handleiding voor de raming van de graad van zelfredzaamheid van het kind.
  Gewijzigd door :
  <KB 2007-04-27/A9, art. 6 en 7; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Art. N2. (Voir NOTES sous l'intitulé) Guide pour l'évaluation du degré d'autonomie de l'enfant.
  Modifié par
  <AR 2007-04-27/A9, art. 6 et 7; En vigueur : 01-09-2007>
Bijlage 3.
Annexe 3.
Art. N3. (Zie NOTA'S onder opschrift) Medisch verslag dat moet worden gevoegd bij de aanvraag tot medische vaststelling.
  Gewijzigd bij:
  <KB 1998-03-04/33, art. 6, Inwerkingtreding : 29-04-1998>
Art. N3. (Voir NOTES sous l'intitulé) Rapport médical à joindre à la demande de constatation médicale.
  Modifié par:
  <AR 1998-03-04/33, art. 6, En vigueur : 29-04-1998>