Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
20 AUGUSTUS 1986. - Koninklijk besluit betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
Titre
20 AOUT 1986. - Arrêté royal relatif à l'octroi d'allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle.
Informations sur le document
Numac: 1986012566
Datum: 1986-08-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1986012566
Date: 1986-08-20
Moniteur: Voir
Tekst (20)
Texte (20)
Afdeling I_ Toepassingsgebied.
Section I. _ Champ d'application.
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op alle werknemers voor wie de toekenning van de aanvullende vergoeding wordt geregeld door collectieve arbeidsovereenkomsten of door beslissingen bedoeld in artikel 2, en waarvan het brugpensioen een aanvang neemt na 31 augustus 1986. Nochtans blijven de werknemers voor wie de kennisgeving van het ontslag vóór 1 juni 1986 plaatsvond, alsmede de werknemers waarvan het brugpensioen een aanvang neemt vóór 1 januari 1987, voorzover ze, tussen 1 januari 1986 en 31 december 1986 de minimum leeftijd, voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomsten of beslissingen bedoeld in artikel 2, bereiken, naargelang van het geval onderworpen aan de bepalingen ofwel van het koninklijk besluit van 1 februari 1984 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen van bejaarde werknemers, ofwel van het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 houdende een nieuwe reglementering van toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
Onderhavig besluit is bovendien van toepassing op alle werknemers voor wie de toekenning van de aanvullende vergoeding geregeld wordt door collectieve arbeidsovereenkomsten of door beslissingen bedoeld in artikel 2, neergelegd ter griffie van de dienst van de collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, na de inwerkingtreding van onderhavig besluit.
De overeenkomsten of beslissingen bedoeld in het tweede lid moeten van bepaalde duur zijn en mogen geen bepaling van stilzwijgende verlenging bevatten. De duur ervan mag de (drie jaar) niet overschrijden.
Wanneer de aanvullende vergoeding toegekend wordt in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst of een beslissing bedoeld in het tweede lid die niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in het derde lid, zijn noch de bepalingen van onderhavig besluit, noch die van het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 houdende een nieuwe reglementering van toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, noch die van het koninklijk besluit van 1 februari 1984 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen van bejaarde werknemers, van toepassing op de betrokken werknemers.
(Vanaf 1 januari 1991 zijn de bepalingen van dit besluit en van de bovenvermelde besluiten van 1 februari 1984 en 30 augustus 1985 bovendien evenmin van toepassing voor de werknemers waarvan het recht op de aanvullende vergoeding na 31 december 1990 ingaat op grond van collectieve arbeidsovereenkomsten of beslissingen wanneer die overeenkomsten of beslissingen ofwel gesloten zijn voor onbepaalde duur of voor een bepaalde duur van meer dan drie jaar, ofwel een bepaling van stilzwijgende verlenging bevatten, behalve wanneer het gaat om collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad.)
(Voor de toepassing van het vorige lid wordt geen rekening gehouden met de verlenging van de opzeggingstermijn doorgevoerd in toepassing van de artikelen 38, § 2, en 38bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De datum van 1 januari 1991 is niet van toepassing in de volgende gevallen :
1° Wanneer de opzeggingstermijn betekend aan de werknemer of de periode gedekt door de verbrekingsvergoeding een einde neemt uiterlijk op 31 december 1990.
2° Wanneer de werkgever uiterlijk op 30 juni 1989 een opzeg heeft betekend waarvan de duurtijd is bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 82, § 2 of § 3, tweede lid van de voornoemde wet van 3 juli 1978 of wanneer de werkgever het contract verbreekt uiterlijk op 30 juni 1989 door het betalen van een verbrekingsvergoeding die een periode dekt, bepaald in toepassing van artikel 82, § 2 of § 3, tweede lid van voornoemde wet van 3 juli 1978 voor zover de werknemer uiterlijk op 31 december 1990 de leeftijdsvoorwaarde vervult vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is.)
Article 1. Le présent arrêté est applicable à tous les travailleurs pour lesquels l'octroi de l'indemnité complémentaire est régi par des conventions collectives de travail ou par des décisions visées à l'article 2, et dont la prépension prend cours après le 31 août 1986. Toutefois les travailleurs pour lesquels la notification du congé a eu lieu avant le 1er juin 1986, ainsi que les travailleurs dont la prépension prend cours avant le 1er janvier 1987, pour autant qu'ils atteignent entre le 1er janvier 1986 et le 31 décembre 1986, l'âge minimum prévu dans les conventions collectives de travail ou les décisions visées à l'article 2, restent, selon le cas, soumis aux dispositions soit de l'arrêté royal du 1er février 1984 relatif au droit aux allocations de chômage des travailleurs âgés licenciés, soit de l'arrêté royal du 30 août 1985 portant nouvelle réglementation de l'octroi des allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle.
En outre, le présent arrêté est applicable à tous les travailleurs pour lesquels l'octroi de l'indemnité complémentaire est régi par des conventions collectives de travail ou des décisions visées à l'article 2, déposées au greffe du service des relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail après l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Les conventions ou décisions visées à l'alinéa 2 doivent être à durée déterminée et ne peuvent contenir aucune clause de tacite reconduction. Leur durée ne peut excéder (trois années).
Lorsque l'indemnité complémentaire est octroyée en application d'une convention collective de travail ou d'une décision visée à l'alinéa 2 qui ne répond pas aux conditions fixées à l'alinéa 3, ni les dispositions du présent arrêté, ni celles de l'arrêté royal du 30 août 1985 portant nouvelle réglementation de l'octroi des allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle, ni celles de l'arrêté royal du 1er février 1984 relatif au droit aux allocations de chômage des travailleurs âgés licenciés ne sont applicables aux travailleurs concernés.
(De plus, à partir du 1er janvier 1991 les dispositions du présent arrêté et des arrêtés des 1er février 1984 et 30 août 1985 précités, ne sont plus applicables aux travailleurs dont le droit à l'indemnité complémentaire prend cours après le 31 décembre 1990 en application de conventions collectives de travail ou de décisions conclues pour une durée indéterminée ou pour une durée supérieure à trois ans, ou contenant une clause de tacite reconduction, sauf lorsqu'il s'agit de conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du Travail.)
(Pour l'application de l'alinéa précédent il n'est pas tenu compte de la prolongation du délai de préavis opérée en vertu des articles 38, § 2, et 38bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
La date du 1er janvier 1991 ne s'applique pas dans les cas suivants :
1° Lorsque le préavis notifié au travailleur ou la période couverte par l'indemnité de rupture vient à échéance au plus tard le 31 décembre 1990.
2° Pour autant que le travailleur remplisse, au plus tard le 31 décembre 1990, la condition d'âge fixée par la convention collective de travail applicable, lorsque l'employeur a notifié, au plus tard le 30 juin 1989, un préavis dont la durée est déterminée conformément aux dispositions de l'article 82, § 2 ou § 3, alinéa 2 de la loi du 3 juillet 1978 précitée ou lorsque l'employeur rompt le contrat au plus tard le 30 juin 1989 en payant une indemnité de rupture couvrant une période déterminée en application de l'article 82, § 2 ou § 3, alinéa 2 de la loi du 3 juillet 1978 précitée.)
Afdeling II. _ Algemene regelen.
Section II. _ Règles générales.
Art. 2. § 1. (De ontslagen werknemers van 58 jaar en ouder, ononderbroken verbonden door een arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever sedert meer dan vijf jaar, die een aanvullende vergoeding genieten, blijven onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in titel III van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid met uitzondering van de artikelen 131 tot 143, 153, §§ 1 tot 3bis en 171nonies, § 5.
Voor de toepassing van onderhavig besluit dient onder aanvullende vergoeding te worden verstaan, de vergoedingen bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 17 en nr. 44 gesloten op 19 december 1974 en 21 maart 1989 in de Nationale Arbeidsraad, en respektievelijk algemeen verbindend verklaard bij de koninklijke besluiten van 16 januari 1975 en 11 mei 1989, alsmede de vergoeding ofwel bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, in een paritair orgaan, of die van toepassing is op een onderneming, ofwel, voor de instellingen beoogd door artikel 7, § 3, 2°, de vergoeding bedoeld in een collectief akkoord goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De collectieve arbeidsovereenkomsten of de collectieve akkoorden bedoeld in het tweede lid worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij voordelen bepalen die, op het ogenblik dat voor de bejaarde werknemer het recht op de aanvullende vergoeding ingaat, op zijn minst gelijkwaardig zijn aan die bepaald in de voormelde collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 17 en nr. 44 van 19 december 1974 en 21 maart 1989.)
Art. 2. § 1er. (Les travailleurs licenciés de 58 ans et plus liés par un contrat de travail de façon ininterrompue avec le même employeur depuis plus de cinq ans, qui bénéficient d'une indemnité complémentaire, restent soumis aux conditions fixées par le titre III de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage à l'exception des articles 131 à 143, 153, §§ 1er à 3bis et 171nonies, § 5;
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par indemnité complémentaire, l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 17 et n° 44 conclues respectivement le 19 décembre 1974 et le 21 mars 1989 au sein du Conseil National du Travail, et respectivement rendues obligatoires par les arrêtés royaux des 16 janvier 1975 et 11 mai 1989, ainsi que l'indemnité visée soit dans une convention collective de travail, conclue conformément aux dispositions de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, au sein d'une commission paritaire, ou s'appliquant à une entreprise, soit, pour les organismes mentionnés à l'article 7, § 3, 2°, l'indemnité qui est visée dans un accord collectif approuvé par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
Les conventions collectives de travail ou les accords collectifs visés à l'alinéa 2 ne sont pris en considération que pour autant qu'ils déterminent des avantages qui, au moment où le droit à l'indemnité complémentaire en faveur du travailleur âgé prend cours, sont au moins équivalents aux avantages prévus dans les conventions collectives de travail n° 17 du 19 décembre 1974 et n° 44 du 21 mars 1989 précitées.)
§ 2. Le nombre d'années de service visé au § 1er, alinéa 1er, doit être acquis au moment où le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de congé prend cours.
§ 3. La condition d'ancienneté fixée au § 1er, alinéa 1er, ne s'applique pas aux travailleurs qui peuvent justifier d'avoir été liés pendant au moins 10 ans par un contrat de travail avec des employeurs ressortissant à la même commission paritaire durant la période de 15 années précédant la prise de cours du délai de préavis ou de la période couverte par l'indemnité de congé, ni aux travailleurs qui peuvent justifier de 20 ans de travail salarié ou de journées assimilées calculées conformément à l'article 160, § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité.
§ 4. (L'âge minimum de 58 ans fixé au § 1er, alinéa 1er, peut être ramené à 55 ans, si cette limite d'âge était prévue dans une convention collective de travail ou une décision visée au § 1er, alinéa 2, déposée au plus tard le 31 mai 1986 au greffe du service des relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail et encore en vigueur au 1er septembre 1986.L'âge minimum de 58 ans fixé au § 1er, alinéa 1er, peut être ramené à 57 ans, si cette limite d'âge était prévue dans une convention collective de travail ou une décision visée au § 1er, alinéa 2, déposée au plus tard le 31 août 1987 au greffe du service des relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail.
En outre, la limite d'âge visée à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2, doit être restée depuis lors applicable sans interruption et les conventions collectives de travail et les décisions visées à l'article 1er, alinéa 2, qui prévoient la limite d'âge, doivent être déposées au plus tard trois mois après la date de leur entrée en vigueur.
Les facultés précitées de ramener la limite d'âge ne sont plus applicables aux travailleurs dont le droit à l'indemnité complémentaire prend cours après le (31 décembre 1990).)
(La date du 31 décembre 1990 ne s'applique pas aux travailleurs qui, au plus tard le 31 décembre 1990 remplissent la condition d'âge fixée par la convention collective de travail qui leur est applicable à condition que le préavis ou l'indemnité de rupture calculé conformément à l'article 82, § 2 ou § 3, alinéa 2 de la loi du 3 juillet 1978 susvisée aie été notifié endéans les 3 mois du dépôt de la convention collective de travail visée au présent article et au plus tard le 30 juin 1989.)
§ 5. (abrogé)
(§ 5). (Le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de congé des travailleurs licenciés visés au § 1er doit prendre fin durant la période au cours de laquelle la convention collective de travail, prévoyant l'indemnité complémentaire, est applicable.)
(L'alinéa précédent ne s'applique pas aux travailleurs visés aux articles 1er, alinéa 7 et 2, § 4, alinéa 5.)
(Pour les travailleurs dont l'indemnité complémentaire est octroyée en application d'une convention collective de travail ou d'une décision déposée avant le 1er septembre 1987, il suffit que la fin effective du contrat de travail se situe durant la période au cours de laquelle cette convention collective de travail ou décision est applicable, et au plus tard le 31 décembre 1988.Pour l'application de ce paragraphe, il n'est pas tenu compte de la prolongation du délai de préavis opérée en application des articles 38, § 2, et 38bis de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail.)
Art. 3. § 1. Wanneer de werkgever van een ontslagen werknemer, bedoeld in artikel 2, zich er toe verbonden heeft hem te vervangen door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze waarvan de arbeidsregeling per arbeidscyclus gemiddeld ten minste eenzelfde aantal arbeidsuren omvat als de arbeidsregeling van de bruggepensioneerde die hij vervangt, wordt het percentage dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van de werkloosheidsuitkering vastgesteld op 60 percent. Dit percentage blijft behouden gedurende de volledige duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding wordt gedekt.
De werkgever wordt eveneens geacht de verbintenis tot vervanging van de bruggepensioneerde nageleefd te hebben, wanneer hij zich verbindt hem te vervangen door twee volledig uitkeringsgerechtigde werklozen, waarvan de totale duur van de arbeidsuren gemiddeld gepresteerd tijdens de arbeidscyclus ten minste gelijk is aan die van de arbeidsregeling van de bruggepensioneerde. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de arbeidsuren die de betrokkenen reeds presteerden in de onderneming vooraleer zij als vervangers werden aangeworven.
Voor de toepassing van onderhavige paragraaf, wordt de werknemer die geniet of die genoten heeft van een aanvullende vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1, niet als een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze beschouwd.
Voor de toepassing van onderhavige paragraaf worden met volledig uitkeringsgerechtigde werklozen gelijkgesteld :
1. De jonge werknemers die alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden vervullen om gerechtigd te worden op werkloosheids- of wachtuitkeringen bepaald in de artikelen 124 of 124bis van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, behalve die van de wachtperiode bedoeld in artikel 124, eerste lid, 3° van hetzelfde besluit, inzoverre zij hiervan het bewijs leveren.
2. De onvrijwillig deeltijdse werknemers zoals bepaald in artikel 171octies, § 1, eerste lid, 1°, b, c, en d en § 2 van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963.
3. De werkzoekenden ingeschreven bij één van de subregionale tewerkstellingsdiensten van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling, die op datum van de indienstneming sedert ten minste zes maanden ononderbroken het bestaansminimum genieten bepaald bij de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.
4. De werkzoekenden, ingeschreven bij één van de subregionale tewerkstellingsdiensten van de bevoegde gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling, die wensen terug te keren op de arbeidsmarkt na hun beroepsactiviteit als loontrekkende te hebben onderbroken om zich te wijden aan :
1° ofwel de opvoeding van hun kinderen, de kinderen van hun echtgenoot of deze van de persoon met wie ze samenwonen;
2° ofwel de verzorging van hun vader en/of moeder, deze van hun echtgenoot of van de persoon met wie ze samenwonen.
Om tot deze categorie te behoren moet de werkzoekende een beroepsactiviteit hebben uitgeoefend die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van persoonlijke en patronale sociale zekerheidsbijdragen die minstens overeenstemmen met een voltijdse activiteit gedurende twee jaar in de loop van de vijf jaar die zijn inschrijving als werkzoekende voorafgaan.
Wanneer de onderbreking van de beroepsactiviteit gewijd is aan de opvoeding van de kinderen, wordt de referteperiode van vijf jaar verlengd met vijf jaar per kind.
De periodes van loopbaanonderbreking in toepassing van de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 worden niet beschouwd als onderbreking van de beroepsactiviteit voor de toepassing van dit punt 4.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid bepaalt de bewijsstukken welke de in dit punt 4 bedoelde werkzoekenden moeten voorleggen ten einde in aanmerking te komen voor de gelijkstelling met volledig uitkeringsgerechtigde werklozen in toepassing van dit besluit.
5. Een minder-valide werknemer tewerkgesteld in een beschuttende werkplaats.
§ 2. De volledig uitkeringsgerechtigde werkloze plaatsvervanger en de gelijkgestelde bedoelde in § 1, mag in de betrokken onderneming niet in dienst zijn geweest in de loop van de zes maanden die zijn indienstneming voorafgaan, behalve indien hij tijdens de periode was tewerkgesteld :
1° als vervanger, in het kader van de reglementering betreffende de beroepsloopbaanonderbreking;
2° als stagiair, in toepassing van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces;
3° als leerling, in toepassing van een leerovereenkomst gesloten door bemiddeling van een leersecretariaat opgericht bij het koninklijk besluit van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand of in toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
4° als stagiair in beroepsopleiding in een onderneming, in toepassing van titel II, hoofdstuk III, afdeling V, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963;
5° als vervanger van een bejaarde ontslagen werknemer, in toepassing van onderhavig besluit;
6° als vervanger van een werknemer in toepassing van artikel 11ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
7° als jongere in het kader van een overeenkomst alternerend leren en werken in het kader van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986.
8° als onvrijwillige deeltijdse werknemer zoals bepaald in artikel 171octies, § 1, eerste lid, 1°, b, c en d, en § 2 van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963.
§ 3. De werknemer die het genot vraagt van de bepalingen van onderhavig besluit, moet aan het bevoegd gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een door zijn werkgever opgestelde verklaring voorleggen, waarbij deze zich er toe verbindt om hem te vervangen door één of meerdere volledig uitkeringsgerechtigde werklozen in de zin van § 1.
Deze verklaring wordt opgesteld bij middel van een document waarvan het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het model en de inhoud bepaalt, mits goedkeuring door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De werkgever wordt geacht de verplichting tot vervanging nagekomen te hebben, indien de indienstneming van de vervanger of vervangers, gebeurt tijdens de periode die zich uitstrekt vanaf de eerste dag van de vierde maand die de maand voorafgaat waarin het brugpensioen van de vervangen werknemer een aanvang neemt, tot de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand gedurende dewelke het brugpensioen een aanvang neemt.
De werkgever heeft de verplichting de in dienst genomen werkloze in dienst te houden gedurende de eerste zesendertig maanden die volgen op zijn indienstneming of hem te vervangen door één, of, in voorkomend geval, meerdere volledig uitkeringsgerechtigde werklozen die niet in de onderneming gewerkt hebben, gedurende de zes maanden die hun indiensttreding voorafgaan, behalve wanneer de gedurende deze periode uitgeoefende arbeid verricht werd in een van de functies bedoeld in § 2.
De vervanging of opeenvolgende vervangingen dienen te gebeuren binnen een termijn die niet meer mag bedragen dan vijftien dagen.
Binnen dezelfde termijn moet de werkgever het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte brengen van de identiteit van de vervanger(s).
§ 4. Voor de toepassing van onderhavig artikel worden de personen bedoeld in § 2, die door een werkgever worden aangeworven zonder voorafgaandelijk werkloosheidsuitkeringen te hebben aangevraagd, gelijkgesteld met de volledig uitkeringsgerechtigde werklozen bedoeld in § 1, eerste lid.
Zij moeten echter voorafgaandelijk het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vragen vast te stellen dat zij alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden zouden vervuld hebben om op werkloosheidsuitkeringen aanspraak te kunnen maken als een werknemer in een voltijdse arbeidsregeling op de dag van hun aanwerving, indien ze een aanvraag om uitkeringen zouden ingediend hebben.edige duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding wordt gedekt.
Volgens de voorwaarden bepaald door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid worden de personen die het voordeel genieten van het bestaansminimum bepaald in de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, gelijkgesteld met volledige werklozen die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week.
De werkgever wordt eveneens geacht de verbintenis tot vervanging van de bruggepensioneerde nageleefd te hebben, wanneer hij zich verbindt hem te vervangen door twee volledige werklozen die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, waarvan de totale duur van de arbeidsuren gemiddeld gepresteerd tijdens de arbeidscyclus ten minste gelijk is aan die van de arbeidsregeling van de bruggepensioneerde. In dit geval, mag in afwijking van § 2, één van de twee vervangers die deeltijds tewerkgesteld worden, een werknemer zijn die reeds deeltijds tewerkgesteld is in de onderneming, op voorwaarde dat hij vergoed wordt in toepassing van artikel 171 octies, § 1, eerste lid, 1°, b, van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963.
(Voor de toepassing van onderhavige paragraaf, wordt de werknemer die geniet of die genoten heeft van een aanvullende vergoeding bedoeld in artikel 2, § 1, niet als een volledige werkloze beschouwd die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week.)
§ 2. De volledig werkloze plaatsvervanger bedoeld in § 1, mag in de betrokken onderneming niet hebben gewerkt in de loop van de zes maanden die zijn indienstneming vooraf gaan, behalve indien hij tijdens die periode was tewerkgesteld :
1° als vervanger, in het kader van de reglementering betreffende de beroepsloopbaanonderbreking;
2° als stagiair, in toepassing van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces;
3° als leerling, in toepassing van een leerovereenkomst gesloten door bemiddeling van een leersecretariaat opgericht bij het koninklijk besluit van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand, of in toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
4° als stagiair in beroepsopleiding in een onderneming, in toepassing van titel II, hoofdstuk III, afdeling V, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963;
5° als vervanger van een bejaarde ontslagen werknemer, in toepassing van onderhavig besluit;
6° als vervanger van een werknemer in toepassing van artikel 11 ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
§ 3. De werknemer die het genot vraagt van de bepalingen van onderhavig besluit, moet aan het bevoegd gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een door zijn werkgever opgestelde verklaring voorleggen, waarbij deze zich er toe verbindt om hem te vervangen door één of meerdere volledige werklozen in de zin van § 1.
Deze verklaring wordt opgesteld bij middel van een document waarvan het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het model en de inhoud bepaalt, mits goedkeuring door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De werkgever wordt geacht de verplichting tot vervanging nagekomen te hebben, indien de indienstneming van de vervanger of vervangers, gebeurt tijdens de periode die zich uitstrekt vanaf de eerste dag van de zesde maand die de maand voorafgaat waarin het brugpensioen van de vervangen werknemer een aanvang neemt, tot de eerste dag van de maand die volgt op de maand gedurende dewelke het brugpensioen een aanvang neemt.
De werkgever heeft de verplichting de in dienst genomen werkloze in dienst te houden gedurende de eerste zesendertig maanden die volgen op zijn indienstneming of hem te vervangen door één, of, in voorkomend geval, meerdere volledige werklozen die uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, en die niet in de onderneming gewerkt hebben gedurende de zes maanden die hun indiensttreding voorafgaan, behalve wanneer de gedurende deze periode uitgeoefende arbeid verricht werd in een van de functies bedoeld in § 2.
De vervanging of opeenvolgende vervangingen dienen te gebeuren binnen een termijn die niet meer mag bedragen dan tien werkdagen.
(§ 4. Voor de toepassing van onderhavig artikel worden de personen bedoeld in § 2, die door een werkgever worden aangeworven zonder voorafgaandelijk werkloosheidsuitkeringen te hebben aangevraagd, gelijkgesteld met de volledig werklozen bedoeld in § 1, eerste lid. Zij moeten echter voorafgaandelijk het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor de Arbeidsvoorziening vragen vast te stellen dat zij alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden zouden vervuld hebben om op werkloosheidsuitkeringen aanspraak te kunnen maken als een werknemer in een voltijdse arbeidsregeling op de dag van hun aanwerving, indien ze een aanvraag om uitkeringen zouden ingediend hebben.)
Art. 3. § 1. Lorsque l'employeur d'un travailleur licencié, visé à l'article 2, s'est engagé à le remplacer par un chômeur complet indemnisé dont le régime de travail comprend en moyenne au moins le même nombre d'heures de travail par cycle de travail que le régime de travail du prépensionné qu'il remplace, le pourcentage à prendre en considération pour le calcul du taux de l'allocation de chômage est fixé à 60 pour cent. Ce pourcentage est maintenu pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
L'employeur est également censé avoir respecté l'engagement de remplacement du prépensionné, lorsqu'il s'engage à le remplacer par deux chômeurs complets indemnisés dont la durée totale des heures de travail effectuées en moyenne par cycle de travail est au moins égale à celle du régime de travail du prépensionné. A cet égard, les heures de travail déjà effectuées par les intéressés dans l'entreprise avant qu'ils aient été embauchés comme remplaçants ne sont pas prises en considération.
Pour l'application du présent paragraphe, le travailleur bénéficiant ou ayant bénéficié d'une indemnité complémentaire visée à l'article 2, § 1er n'est pas considéré comme un chômeur complet indemnisé.
Pour l'application du présent paragraphe, sont assimilés à des chômeurs complets bénéficiant d'allocations :
1. Les jeunes travailleurs qui remplissent toutes les conditions d'admissibilité et d'octroi pour pouvoir prétendre aux allocations de chômage ou d'attente, visées à l'article 124 ou 124bis de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage, à l'exception de la condition relative à la période d'attente prévue à l'article 124, alinéa 1er, 3°, du même arrêté, pour autant qu'ils en fournissent la preuve.
2. Les travailleurs occupés involontairement à temps partiel, comme prévu à l'article 171octies, § 1er, alinéa 1er, 1°, b, c, et d, et § 2 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité;
3. Les demandeurs d'emploi, qui se sont inscrits auprès de l'un des services subrégionaux de l'emploi des services régionaux compétents pour le placement et qui, à la date de leur engagement, bénéficient d'une manière ininterrompue, depuis au moins six mois, du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 introduisant le droit à un minimum de moyens d'existence.
4. Les demandeurs d'emploi qui se sont inscrits auprès de l'un des services subrégionaux de l'emploi des services régionaux compétents pour le placement, dans le but de retourner sur le marché de l'emploi, après avoir interrompu leurs activités professionnelles de salariés :
1° soit pour se consacrer à l'éducation de leurs enfants, des enfants de leur conjoint ou des enfants de la personne cohabitant avec eux;
2° soit pour s'occuper de leur père et/ou mère, du père et/ou de la mère de leur conjoint ou de la personne avec qui ils cohabitent.
Pour faire partie de cette catégorie, le demandeur d'emploi doit avoir exercé une activité professionnelle ayant donné lieu au paiement de cotisations de sécurité sociale personnelles et patronales correspondant au moins à une activité exercée à temps plein pendant deux années au cours des cinq années qui précèdent sont inscription comme demandeur d'emploi.
Lorsque l'interruption de l'activité professionnelle est consacrée à l'éducation des enfants, la période de référence de cinq ans est prorogée de cinq ans par enfant.
Les périodes d'interruption de carrière prises en application des dispositions du chapitre IV, section 5 de la loi du redressement du 22 janvier 1985, ne sont pas considérées pour l'application de ce point 4, comme une interruption de l'activité professionnelle.
Le Ministre de l'Emploi et du Travail détermine les documents à fournir par les demandeurs d'emploi visés au présent point 4 pour être assimilés aux chômeurs complets indemnisés pour l'application du présent arrêté.
5. Les travailleurs handicapés occupés dans un atelier protégé.
§ 2. Le chômeur complet indemnisé remplaçant et assimilé visé au § 1er ne peut avoir été au service de l'entreprise concernée au cours des six mois qui précèdent son engagement, sauf lorsque, au cours de cette période, il était occupé :
1° en tant que remplaçant dans le cadre de la réglementation relative à l'interruption de la carrière professionnelle;
2° en tant que stagiaire, en application de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes;
3° en tant qu'apprenti, en exécution d'un contrat d'apprentissage conclu par l'intermédiaire d'un secrétariat d'apprentissage organisé par l'arrêté royal du 4 octobre 1976 relatif à la formation permanente dans les classes moyennes ou en application de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage des professions exercées par des travailleurs salariés;
4° en tant que stagiaire en formation professionnelle, dans une entreprise, en application du titre II, chapitre III, section V, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité;
5° en tant que remplaçant d'un travailleur âgé licencié, en application du présent arrêté;
6° en tant que remplaçant d'un travailleur, en application de l'article 11ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
7° en tant que jeune, dans le cadre d'un contrat de formation et d'emploi en alternance, comme prévu par l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986.
8° en tant que travailleur occupé involontairement à temps partiel, comme prévu par l'article 171octies, § 1er, alinéa 1er, 1°, b, c et d, et § 2 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité.
§ 3. Le travailleur qui demande le bénéfice des dispositions du présent arrêté doit produire, auprès du bureau régional compétent de l'Office national de l'Emploi, une déclaration établie par son employeur par laquelle celui-ci s'engage à le remplacer par un ou plusieurs chômeurs complets indemnisés au sens du § 1er.
Cette déclaration est établie au moyen d'un document dont le comité de gestion de l'Office national de l'Emploi détermine le modèle et le contenu, moyennant l'approbation du Ministre de l'Emploi et du Travail.
L'employeur est censé avoir respecté l'obligation de remplacement si l'engagement du ou des remplacants s'effectue au cours de la période qui s'étend du premier jour du quatrième mois précédant celui de la prise de cours de la prépension du travailleur remplacé au premier jour du troisième mois suivant celui au cours duquel la prépension prend cours.
Pendant les trente-six premiers mois qui suivent l'entrée en fonction du chômeur indemnisé engagé, l'employeur a l'obligation de le maintenir à son service ou de le remplacer par un, ou le cas échéant plusieurs chômeurs complets indemnisés, n'ayant pas travaillé dans l'entreprise au cours des six mois qui précèdent leur engagement, sauf si le travail effectué au cours de ce délai a été accompli dans une des fonctions visées au § 2.
Le remplacement ou les remplacements successifs doivent intervenir dans un délai ne pouvant pas excéder quinze jours.
Endéans le même délai, l'employeur doit communiquer au bureau régional du chômage de l'Office national de l'Emploi l'identité du ou des remplaçants.
§ 4. Pour l'application du présent article, sont assimilées aux chômeurs complets indemnisés visés au § 1er, alinéa 1er, les personnes visées au § 2 qui, sans demander au préalable des allocations de chômage, sont engagées par un employeur.
Elles doivent cependant, au préalable, demander au bureau subrégional de chômage de l'Office national de l'Emploi de constater qu'au jour de leur engagement elles auraient rempli toutes les conditions d'admissibilité et d'octroi pour pouvoir prétendre aux allocations de chômage comme travailleurs dans un régime de travail à temps plein, si elles avaient introduit une demande d'allocations.
Art. 4. (Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie worden de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alsmede de eerst-aanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerst-aanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerst-aanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de vervanging van de werknemer bedoeld in artikel 3. Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.)
Binnen de perken van hun bevoegdheid oefenen eveneens toezicht uit :
1° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan,
2° de syndicale afvaardiging, of bij gebrek daaraan,
3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, of bij gebrek daaraan,
4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties.
Art. 4. (Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, sont désignés comme fonctionnaires chargés de surveiller le remplacement du travailleur visé à l'article 3, les contrôleurs en chef, les contrôleurs et les contrôleurs-adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs-adjoints principaux, les inspecteurs-adjoint de 2e classe et les inspecteurs-adjoints de 1ère classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi. Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail.)
Exercent également cette surveillance dans les limites de leur compétence :
1° le conseil d'entreprise ou, à son défaut,
2° la délégation syndicale ou, à son défaut,
3° le comité de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail ou, à son défaut,
4° les représentants des organisations représentatives des travailleurs.
Art. 5. De werkgever die de bepalingen van artikel 3 inzake de vervanging van een werknemer niet naleeft of waarvan de aangestelden of lasthebbers die bepalingen niet nageleefd hebben, kan een administratieve geldboete van 75 000 frank oplopen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten (en haar uitvoeringsbesluiten).
Het bedrag van de administratieve boete wordt vermenigvuldigd met het aantal werknemers ontslagen zonder naleving van de bepalingen van artikel 3, zonder dat het bedrag evenwel 750 000 frank mag overschrijden.
Bovendien kan de inspecteur, eisen dat de bedoelde werkgever aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een forfaitaire compensatoire vergoeding stort waarvan het bedrag gelijk is aan 131 frank per dag.
Het bedrag van de in het vorig lid bedoelde compensatoire vergoeding is gekoppeld aan de spilindex 114,20. Dit bedrag wordt verhoogd of verminderd overeenkomstig artikel 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De verhoging of de vermindering wordt toegepast vanaf de dag bepaald in artikel 6, 3°, van voornoemde wet van 2 augustus 1971.
Wanneer het overeenkomstig de voorgaande bepalingen berekende bedrag van de forfaitaire compensatoire vergoeding een frankgedeelte bevat, wordt het tot de hogere of lagere frank afgerond naargelang het al dan niet 50 centimes bereikt.
De forfaitaire compensatoire vergoeding bepaald in het derde lid is verschuldigd per werknemer en per maand gedurende de ganse periode van de werkloosheid gedekt door de aanvullende vergoeding.
Art. 5. L'employeur qui ne respecte pas les dispositions de l'article 3 en matière de remplacement du travailleur, ou dont les préposés ou mandataires n'ont pas respecté ces dispositions, peut encourir une amende administrative de 75 000 francs, suivant les dispositions de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales (et ses arrêtés d'exécution).
Le montant de l'amende administrative est multiplié par le nombre des travailleurs licenciés sans que les dispositions de l'article 3 aient été respectées, sans que son montant puisse toutefois excéder 750 000 francs.
En outre, l'inspecteur peut exiger que l'employeur concerné verse une indemnité compensatoire forfaitaire d'un montant égal à 131 francs par jour à l'Office national de l'Emploi.
Le montant de l'indemnité compensatoire forfaitaire visée à l'alinéa précédent est lié à l'indice-pivot 114,20. Ce montant est augmenté ou diminué conformément à l'article 4 de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation, des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
L'augmentation ou la diminution est applicable à partir du jour fixé par l'article 6, 3°, de la loi précitée du 2 août 1971.
Quand le montant de l'indemnité compensatoire forfaitaire, calculé conformément aux dispositions qui précèdent, comporte une fraction de franc, il est arrondi au franc supérieur ou inférieur selon que la fraction de franc atteint ou n'atteint pas 50 centimes.
L'indemnité compensatoire forfaitaire fixée à l'alinéa 3 est due par travailleur et par mois pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
Art. 6. § 1. De gewestelijke werkloosheidsinspecteur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in wiens ambtsgebied de onderneming gelegen is, treft alle uitvoeringsmaatregelen en alle beslissingen betreffende de vergoeding bedoeld in artikel 5 van onderhavig besluit.
§ 2. De ambtenaar van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bedoeld in § 1, die, nadat de werkgever de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voren te brengen, beslist een forfaitaire compensatoire vergoeding te eisen in toepassing van artikel 5 van onderhavig besluit, dient zijn beslissing aan de werkgever bekend te maken met een ter post aangetekend schrijven, dat geacht wordt ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.
Dit aangetekend schrijven dient de met redenen omklede beslissing te bevatten en dient het bedrag van de vergoeding te vermelden.
§ 3. De in § 1 bedoelde forfaitaire compensatoire vergoeding dient betaald te worden binnen een termijn van één maand die een aanvang neemt de dag van de ontvangst van het in § 2 bedoeld aangetekend schrijven. Zij wordt voldaan door storting of overschrijving op de postrekening van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bij middel van de formulieren gevoegd bij de beslissing waarin het bedrag van de vergoeding is vastgesteld.
Bij niet-betaling van de forfaitaire compensatoire vergoeding binnen de in het eerste lid bedoelde termijn beschikt de gewestelijke werkloosheidsinspecteur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, vanaf het ogenblik dat die termijn verstreken is, over een termijn van twee maanden, voor het instellen bij de arbeidsrechtbank van een rechtsvordering tot betaling van de forfaitaire compensatoire vergoeding.
De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid die van deel IV, boeken II en III, zijn van toepassing.
§ 4. Het beroep tegen de beslissing van de gewestelijke werkloosheidsinspecteur moet, op straffe van verval, binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing, aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
Art. 6. § 1er. L'inspecteur régional du chômage de l'Office national de l'Emploi dans le ressort duquel est établie l'entreprise, prend toutes mesures d'exécution et toutes décisions relatives à l'indemnité visée à l'article 5 du présent arrêté.
§ 2. Le fonctionnaire de l'Office national de l'Emploi visé au § 1er, qui, après avoir mis l'employeur en mesure de présenter ses moyens de défense, décide d'exiger une indemnité compensatoire forfaitaire en application de l'article 5 du présent arrêté, doit notifier sa décision à l'employeur par lettre recommandée à la poste, laquelle est censée être reçue le troisième jour ouvrable qui suit le jour de son dépôt à la poste.
Cette lettre recommandée doit comporter la décision motivée et mentionner le montant de l'indemnité.
§ 3. L'indemnité compensatoire forfaitaire visée au § 1er doit être acquittée dans le délai d'un mois à compter du jour de la réception de la lettre recommandée visée au § 2. Elle est acquittée par versement ou virement au compte de chèques postaux de l'Office national de l'Emploi, au moyen des formules jointes à la décision fixant le montant de l'indemnité.
En cas de non paiement de l'indemnité compensatoire forfaitaire dans le délai fixé à l'alinéa 1er, l'inspecteur régional du chômage de l'Office national de l'Emploi dispose d'un délai, de deux mois, à dater de l'expiration de ce délai pour intenter une action en paiement de l'indemnité compensatoire forfaitaire auprès du tribunal du travail.
Les dispositions du Code Judiciaire, notamment la quatrième partie, livres II et III, sont d'application.
§ 4. Le recours contre la décision de l'inspecteur régional du chômage doit, à peine de déchéance, être soumis au tribunal du travail compétent, dans le mois de la notification de la décision.
Afdeling III. _ (Afwijkende bepalingen toepasselijk op de werknemers van ondernemingen in moeilijkheden of ondernemingen in herstructurering.)
Section III. _ (Dispositions dérogatoires applicables aux travailleurs des entreprises en difficulté ou des entreprises en restructuration.)
Art. 7. § 1. Voor de toepassing van deze afdeling moet onder onderneming in moeilijkheden worden verstaan, de onderneming of instelling die voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
1° de onderneming die in de jaarrekeningen van de twee boekjaren die de datum van de aanvraag tot erkenning voorafgaan vóór belastingen, een verlies uit de gewone bedrijfsuitoefening boekt, wanneer voor het laatste boekjaar dit verlies het bedrag van de afschrijvingen en de waardevermindering op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa overschrijdt. Om van deze bepaling te kunnen genieten dient de onderneming de jaarrekeningen voor te leggen van de vijf boekjaren die de datum van de aanvraag tot erkenning voorafgaan.
Indien de onderneming deel uitmaakt van de juridische, economische of financiële entiteit die een geconsolideerde jaarrekening opmaakt, wordt enkel rekening gehouden met de jaarrekening van deze entiteit voor bovengenoemde boekjaren.
2° de onderneming die ten gevolge van verlies, een netto-actief vertoont dat tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal is gedaald en voor dewelke de buitengewone algemene vergadering, met toepassing van artikel 103 van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, is bijeengekomen en heeft besloten tot de voortzetting van de activiteit in de loop van de 12 maanden die aan de aanvraag tot erkenning voorafgaan.
§ 2. Voor de toepassing van deze afdeling moet onder onderneming in herstrukturering worden verstaan de onderneming die voldoet aan één van de volgende voorwaarden :
1° de onderneming die, overeenkomstig de procedures bepaald bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers met betrekking tot het collectief ontslag en bij het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, overgaat tot een collectief ontslag.
Deze bepaling is maar van toepassing op de ondernemingen voor zover ze binnen de 6 maanden na de aanvraag tot erkenning daadwerkelijk is overgegaan tot de uitvoering van dit collectief ontslag. Voor de ondernemingen die meer dan 300 werknemers tewerkstellen dient het collectief ontslag op ten minste 10 pct. van het aantal tewerkgestelde werknemers betrekking te hebben;
2° de onderneming die 20 werknemers of minder tewerkstelt in geval van ontslag :
a) van ten minste zes werknemers indien zij tussen twaalf en twintig werknemers tewerkstelt;
b) van ten minste de helft van de werknemers indien zij minder dan twaalf werknemers tewerkstelt.
Om van deze bepaling te genieten moet de onderneming de procedure bedoeld in artikel 6 van voormelde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975 naleven.
Voor de toepassing van deze bepaling moet het aantal tewerkgestelde werknemers worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit van 24 mei 1976.
Bovendien moet de onderneming binnen de 6 maanden na de aanvraag tot erkenning daadwerkelijk zijn overgegaan tot de uitvoering van dit collectief ontslag;
3° de onderneming die, in toepassing van de bepalingen van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, tijdens het jaar dat de aanvraag tot erkenning voorafgaat, een aantal werkloosheidsdagen heeft gekend ten minste gelijk aan 20 pct. van het totaal aantal dagen aangegeven voor de werklieden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
De toepassing van deze bepaling is beperkt tot de ondernemingen waar ten minste 50 pct. van de werknemers met aan arbeidsovereenkomst voor werklieden worden tewerkgesteld.
§ 3. Worden gelijkgesteld met ondernemingen in moeilijkheden of in herstrukturering de ondernemingen die voldoen aan één van de volgende voorwaarden :
1° tot 31 december 1990 de ondernemingen behorende tot één van de volgende sektoren : steenkoolmijnen, scheepsbouw en scheepsherstellingen, glasverpakkingsnijverheid, textielnijverheid en de staalnijverheid met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes;
2° de instellingen die buiten het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités vallen en waarvoor een door de Ministerraad of door een Executieve goedgekeurd saneringsplan bestaat.
§ 4. Ten einde een erkenning te bekomen als onderneming in moeilijkheden of in herstrukturering moet de werkgever een behoorlijk gemotiveerde aanvraag indienen bij de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
Deze aanvraag moet vergezeld zijn van :
- de nodige documenten die aantonen dat de onderneming voldoet aan één van de voorwaarden bedoeld in artikel 7, § 1 of § 2 of § 3;
- een collectieve arbeidsovereenkomst of, voor de instellingen bedoeld in § 3, 2° een collectief akkoord houdende de invoering van een regime brugpensioen;
- een herstruktureringsplan dat voor advies wordt voorgelegd aan :
1° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan;
2° de syndicale afvaardiging, of bij gebrek daaraan;
3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiïng van de werkplaatsen, of bij gebrek daaraan;
4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties.
§ 5. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid kan voor een periode van maximaal twee jaar, de ondernemingen en instellingen die de erkenning bedoeld in artikel 7, § 4 hebben bekomen, de toelating geven de bepalingen vermeld in de artikelen 8, 9 of 10 geheel of gedeeltelijk toe te passen.
Vooraf kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid het advies inwinnen van een daartoe bij de dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid op te richten commissie. Hij bepaalt de samenstelling van deze commissie.
§ 6. Bij niet naleving van de bepalingen vermeld in § 2, 1° en 2° van dit artikel zijn de sancties voorzien in de artikelen 5 en 6 van dit besluit van toepassing.
Art. 7. § 1. Pour l'application de la présente section, on entend par entreprise en difficulté, l'entreprise ou l'organisme remplissant l'une des conditions suivantes :
1° l'entreprise qui enregistre dans les comptes annuels des deux exercices précédant la date de la demande de reconnaissance une perte courante avant impôts, lorsque, pour le dernier exercice, cette perte excède le montant des amortissements et réductions de valeur sur frais d'établissement, sur immobilisations incorporelles et corporelles. Pour pouvoir bénéficier de cette disposition, l'entreprise doit présenter les comptes annuels des cinq exercices précédant la date de la demande de reconnaissance.
Si l'entreprise fait partie de l'entité juridique, économique ou financière qui établit un compte annuel consolidé, seul le compte annuel de cette entité pour les exercices précités est pris en considération.
2° l'entreprise qui, par suite de pertes, présente un actif net réduit à un montant inférieur à la moitié du capital social et pour laquelle l'assemblée générale extraordinaire s'est réunie en application de l'article 103 des lois sur les sociétés commerciales coordonnées le 30 novembre 1935, et a décidé la poursuite des activités, au cours des douze mois précédant la demande de reconnaissance.
§ 2. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par entreprise en restructuration, l'entreprise remplissant l'une des conditions suivantes :
1° l'entreprise qui, conformément aux procédures prévues par la convention collective de travail n° 24 du 2 octobre 1975 concernant la procédure d'information et de consultation des représentants des travailleurs en matière de licenciements collectifs et par l'arrêté royal du 24 mai 1976 sur les licenciements collectifs procède à un licenciement collectif.
La présente disposition ne s'applique que pour autant que l'entreprise ait procédé effectivement à l'exécution de ce licenciement collectif au plus tard dans les 6 mois qui suivent la demande de reconnaissance. Pour les entreprises occupant plus de 300 travailleurs, le licenciement doit concerner au moins 10 p.c. du nombre de travailleurs occupés;
2° l'entreprise occupant 20 travailleurs ou moins en cas de licenciement :
a) d'au moins six travailleurs si elle occupe entre douze et vingt travailleurs;
b) d'au moins la moitié des travailleurs si elle occupe moins de douze travailleurs.
Pour pouvoir bénéficier de cette disposition, l'entreprise doit respecter la procédure prévue à l'article 6 de la convention collective de travail n° 24 précitée du 2 octobre 1975.
Pour l'application de cette disposition, le nombre de travailleurs occupés doit être déterminé conformément aux dispositions de l'arrêté royal précité du 24 mai 1976.
De plus, l'entreprise doit avoir procédé effectivement à l'exécution de ce licenciement collectif au plus tard dans les 6 mois qui suivent la demande de reconnaissance;
3° l'entreprise qui, en application des dispositions de l'article 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, a connu pour l'année qui précède la demande de reconnaissance, un nombre de journées de chômage au moins égal à 20 p.c. du nombre total des journées de chômage déclarées pour les ouvriers à l'Office national de Sécurité sociale;
L'application de cette disposition est toutefois limitée aux entreprises occupant au moins 50 p.c. des travailleurs sous contrat de travail d'ouvrier;
§ 3. Sont assimilées aux entreprises en difficulté ou en restructuration, les entreprises remplissant une des conditions suivantes :
1° jusqu'au 31 décembre 1990, les entreprises qui appartiennent aux secteurs suivants : les charbonnages, la construction et la réparation navale, l'industrie du verre creux d'emballage, l'industrie textile et la sidérurgie, y compris les transports de minerais et de cokes;
2° les organismes, auxquels ne s'applique pas la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, pour lesquels il existe un plan d'assainissement approuvé par le Conseil des Ministres ou par un Exécutif.
§ 4. Afin d'obtenir la reconnaissance comme entreprise en difficulté ou en restructuration, l'employeur doit introduire une demande dûment motivée auprès du Ministre de l'Emploi et du Travail.
Cette demande doit être accompagnée :
- des documents nécessaires établissant que l'entreprise remplit l'une des conditions visées à l'article 7, § 1er, ou § 2 ou § 3;
- d'une convention collective de travail ou, pour les organismes visés au § 3, 2° d'un accord collectif prévoyant l'instauration d'un régime de prépension;
- d'un plan de restructuration qui a été soumis pour avis :
1° au conseil d'entreprise ou, à son défaut;
2° à la délégation syndicale ou, à son défaut;
3° au comité de sécurité d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail ou, à son défaut;
4° aux représentants des organisations représentatives des travailleurs.
§ 5. Le Ministre de l'Emploi et du Travail peut, pour une période de deux ans au maximum, autoriser les entreprises et les organismes qui ont obtenu la reconnaissance visée au § 4, à appliquer complètement ou partiellement les dispositions prévues aux articles 8, 9 ou 10.
Le Ministre de l'Emploi et du Travail peut recueillir préalablement l'avis d'une commission à instituer à cet effet auprès du Service des Relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail. Il détermine la composition de cette commission.
§ 6. En cas de non-respect des dispositions prévues au § 2, 1° et 2°, du présent article, les sanctions prévues aux articles 5 et 6 du présent arrêté sont applicables.
Art. 8. Voor de werknemers die behoren tot één van de ondernemingen of instellingen bedoeld in artikel 7 wordt het percentage dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de werkloosheidsuitkering op 60 pct. vastgesteld, voor zover de opzeggingstermijn, of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode, verstrijkt gedurende de periode tijdens dewelke zowel de collectieve arbeidsovereenkomst of het collectief akkoord die in een aanvullende vergoeding voorziet, als de toelating bedoeld in artikel 7, § 5 van toepassing zijn. Dit percentage wordt behouden tijdens de ganse duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding gedekt wordt.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt geen rekening gehouden met de verlenging van de opzeggingstermijn doorgevoerd in toepassing van de artikelen 38, § 2, en 38bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 8. Pour les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à l'un des organismes visés à l'article 7, le pourcentage entrant en ligne de compte pour le calcul du montant de l'allocation de chômage est fixé à 60 p.c. pour autant que le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de congé expire durant la période au cours de laquelle à la fois la convention collective de travail ou l'accord collectif prévoyant l'indemnité complémentaire et l'autorisation visée à l'article 7, § 5 sont applicables. Ce pourcentage est maintenu pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
Pour l'application des alinéas précédents, il n'est pas tenu compte de la prolongation du délai de préavis opérée en application des articles 38, § 2 et 38bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 9. Voor de werknemers die tot één van de ondernemingen of één van de instellingen bedoeld in artikel 7 behoren, kan de minimumleeftijd vastgelegd in artikel 2, eerste lid, verlaagd worden, zonder evenwel lager te mogen zijn dan 50 jaar, op voorwaarde dat deze afwijking op de leeftijd voorzien wordt :
1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
2° bij een gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord gesloten met het oog op de toepassing van onderhavig besluit en door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid goedgekeurd.
Art. 9. Pour les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à l'un des organismes visés à l'article 7, l'âge minimum, fixé à l'article 2, alinéa 1er, peut être abaissé sans jamais pouvoir être inférieur à 50 ans, à condition que cette dérogation à l'âge soit prévue :
1° par une convention collective de travail rendue obligatoire par arrêté royal;
2° à défaut, par une convention collective de travail ou un accord collectif, conclus en vue de l'application du présent arrêté, et approuvés par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
Art. 10. Voor de werknemers die behoren tot één van de ondernemingen of één van de instellingen bedoeld in artikel 7, kan in afwijking van artikel 126 van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963, en dus met behoud van hun recht op werkloosheidsuitkeringen, worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn of van de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode :
1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
2° (bij gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst of collectief akkoord gesloten met het oog op de toepassing van dit besluit en door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid goedgekeurd.)
Wanneer de opzeggingstermijn of het door de opzeggingsvergoeding gedekte tijdvak worden ingekort, dienen volgende regelen te worden nageleefd :
1° de werkgever stelt de bediende in kennis van het ontslag waarbij een opzeggingstermijn in acht wordt genomen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de opzeggingstermijn of de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode wordt ingekort bij een schriftelijke overeenkomst die tussen de werkgever en de bediende na de kennisgeving van het ontslag, en ten vroegste op het tijdstip van de kennisgeving van de opzeggingstermijn, wordt gesloten;
3° die termijn of dat tijdvak mag niet korter zijn dan de termijn bepaald door artikel 83 van voormelde wet van 3 juli 1978;
4° de toepassing van de onder 1°, 2° en 3° bepaalde regelen moet gebeuren in het kader van de overlegprocedure bepaald bij artikel 10, eerste en tweede lid, van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974.
Art. 10. Pour les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à un des organismes visés à l'article 7, une réduction du délai de préavis ou de la période couverte par l'indemnité de préavis peut être prévue, par dérogation à l'article 126 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité et, partant, avec maintien de leur droit aux allocations de chômage :
1° par une convention collective de travail rendue obligatoire par arrêté royal;
2° (à défaut, par une convention collective de travail ou un accord collectif, conclus en vue de l'application du présent arrêté, et approuvés par le Ministre de l'Emploi et du Travail.)
En cas de réduction du délai de préavis ou de la période couverte par l'indemnité de préavis, il y a lieu de respecter les règles suivantes :
1° l'employeur notifie le congé à l'employé moyennant un délai de préavis fixé conformément aux dispositions de l'article 82 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de préavis sont réduits par convention écrite conclue entre l'employeur et l'employé, après la notification du congé, et au plus tôt au moment de la notification du délai de préavis;
3° ce délai ou cette période ne peuvent être inférieurs au délai fixé par l'article 83 de la loi du 3 juillet 1978 précitée;
4° l'application des règles fixées aux 1°, 2° et 3° doit s'inscrire dans le cadre de la procédure de concertation prévue à l'article 10, alinéas 1er et 2, de la convention collective de travail n° 17 du 19 décembre 1974 précitée.
Afdeling IV. _ Gemeenschappelijke bepalingen en slotbepalingen.
Section IV. _ Dispositions communes et finales.
Art. 11. De vergoeding bedoeld in artikel 2 wordt, voor de toepassing van artikel 126 van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963, niet als loon beschouwd.
Art. 11. L'indemnité visée à l'article 2 n'est pas considérée comme rémunération pour l'application de l'article 126 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité.
Art. 12. § 1. Voor de toepassing van artikel 126, eerste lid, 2°, b, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963, mogen de bejaarde ontslagen werknemers voor eigen rekening en zonder winstoogmerk elke vorm van activiteit zonder loon uitoefenen betreffende het eigen bezit, met inbegrip van ondermeer onderhouds- en aanpassingswerken en werken tot waardevermeerdering van dat bezit, zelfs wanneer die activiteit ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. De artikelen 126, vierde lid, en 128 van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963, zijn niet van toepassing op de activiteit zonder loon uitgeoefend door de in het eerste lid bedoelde werknemers, inzoverre die activiteit beantwoordt aan de voorwaarden bepaald door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
§ 2. (De personen die een brugpensioen genieten bedoeld in artikel 87ter, § 2, 1° of 2°, van het Wetboek van inkomstenbelasting, mogen echter alle beroepsactiviteiten uitoefenen bepaald in artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Nochtans mogen deze beroepsactiviteiten zowel als loontrekkende of als zelfstandige, niet uitgeoefend worden bij de laatste werkgever ongeacht of de werknemers door hem of door een derde tewerkgesteld worden, behalve om, volgens de voorwaarden vastgesteld door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, de leiding van tewerkgestelde jongeren op zich te nemen.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid kan evenwel aanvullende of afwijkende modaliteiten en voorwaarden vaststellen voor de toepassing van artikel 64 van het voormelde koninklijk besluit van de 21 december 1967 op de personen bedoeld in het eerste lid.) <KB 1987-08-07/30, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1987>
Art. 12. § 1er. Pour l'application de l'article 126, alinéa 1er, 2°, b, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité, les travailleurs âgés licenciés peuvent effectuer, pour leur propre compte et sans but lucratif, toute forme d'activité non rémunérée relative à leurs biens propres, en ce compris notamment les travaux d'entretien, d'aménagement et de plus-values apportés à ces biens, même lorsque cette activité peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services.
Les articles 126, alinéa 4, et 128 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité ne s'appliquent pas à l'activité non rémunérée exercée par les travailleurs visés à l'alinéa 1er, pour autant que cette activité réponde aux conditions déterminées par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
§ 2. (Les personnes bénéficiant d'une prépension visée à l'article 87ter, § 2, 1° ou 2°, du Code de l'impôt sur les revenus, peuvent cependant exercer toute activité professionnelle déterminée à l'article 64 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés. Toutefois, cette activité professionnelle ne peut être effectuée auprès du dernier employeur, que les travailleurs soient occupés par celui-ci ou par un tiers, en tant que salariés ou en tant qu'indépendants, si ce n'est pour assurer, aux conditions fixées par le Ministre de l'Emploi et du Travail, l'encadrement des jeunes mis au travail.
Le Ministre de l'Emploi et du Travail peut toutefois déterminer des modalités et des conditions, complémentaires ou dérogatoires, pour l'application de l'article 64 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 précité aux personnes visées à l'alinéa 1er.)
Art. 13. De ontslagen bejaarde werknemer, die wegens arbeidsongeschiktheid een vergoeding kan genieten krachtens een regeling inzake ziekte- of invaliditeitsverzekering en die daarvan geen afstand doet, kan gedurende de door die vergoeding gedekte periode, het voordeel van de bepalingen van onderhavig besluit niet genieten.
Onder vergoeding dient te worden verstaan de vergoedingen verschuldigd :
1° krachtens een Belgische regeling inzake ziekte- of invaliditeitsverzekering;
2° krachtens een buitenlandse regeling inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering wegens een arbeidsongeschiktheid die niet het gevolg is van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte, wanneer de werknemer door de inspecteur van het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening als arbeidsongeschikt beschouwd wordt in de zin van de Belgische wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, na advies van de geneesheer aangewezen voor dat bureau.
Wanneer deze werknemer echter als arbeidsgeschikt beschouwd wordt, blijft artikel 141, vierde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963 van toepassing.
Art. 13. Le travailleur âge qui, pour raison d'inaptitude au travail peut bénéficier d'une indemnité en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité, et qui n'y renonce pas, ne peut, pendant la période couverte par cette indemnité, bénéficier des dispositions du présent arrêté.
Par indemnité, il y a lieu d'entendre les indemnités dues :
1° en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité belge;
2° en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité étranger en raison d'une incapacité de travail ne résultant pas d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle, lorsque le travailleur est considéré comme inapte au travail au sens de la législation belge en matière d'assurance obligatoire contre la maladie-invalidité, par l'inspecteur du bureau régional de l'Office national de l'Emploi, après avis du médecin affecté à ce bureau.
Lorsque ce travailleur est toutefois considéré comme apte au travail, l'article 141, alinéa 4, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité reste d'application.
Art. 13bis. (De bepalingen van artikel 1, vijfde lid,) en artikel 2, § 4, vierde lid, en § 5, zijn niet van toepassing op de werknemers waarvan het recht op de aanvullende vergoeding ingaat na 31 augustus 1987, waarvoor de kennisgeving van de opzegging bedoeld in artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten geschied is vóór 1 september 1987 en op voorwaarde dat de datum van de kennisgeving bewezen wordt. De bruggepensioneerde levert dit bewijs :
- hetzij door het gerechtsdeurwaardersexploot of door de aangetekende brief bedoeld in voormeld artikel 37;
- hetzij wanneer de kennisgeving geschied is bij afgifte van een gewoon geschrift, door vóór 15 december 1987 het origineel van dit geschrift of een door het gemeentebestuur voor eensluidend verklaard afschrift ervan, bij ter post aangetekende brief, te bezorgen aan het gewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening dat bevoegd is voor de verblijfplaats van de bruggepensioneerde.
De aangetekende brief wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte ervan ter post.
Art. 13bis. (Les dispositions de l'article 1er, alinéa 5,) et de l'article 2, § 4, et § 5, ne sont pas d'application aux travailleurs dont le droit à l'indemnité complémentaire prend cours après le 31 août 1987, pour lesquels la notification du congé visée à l'article 37 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail a été faite avant le 1er septembre 1987 et à condition que la date de notification soit prouvée. Le travailleur prépensionné apporte cette preuve :
- soit par l'exploit d'huissier ou par la lettre recommandée visée à l'article 37 précité;
- soit lorsque la notification a été faite par la remise d'un simple écrit, par l'expédition, avant le 15 décembre 1987, par lettre recommandée à la poste adressée au bureau régional du chômage de l'Office national de l'emploi compétent pour le lieu de résidence du prépensionné, de l'original ou d'une copie de l'écrit précité, certifiée conforme par l'administration communale.
La lettre recommandée est censée être reçue le troisième jour ouvrable qui suit son dépôt à la poste.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 september 1986.
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 1986.
Art. 15. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 15. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail est chargé de l'exécution du présent arrêté.