Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
30 AUGUSTUS 1985. - Koninklijk besluit houdende een nieuwe reglementering van toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen.
Titre
30 AOUT 1985. - Arrêté royal portant nouvelle réglementation de l'octroi des allocations de chômage en cas de prépension conventionnelle.
Informations sur le document
Numac: 1985012885
Datum: 1985-08-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1985012885
Date: 1985-08-30
Moniteur: Voir
Tekst (18)
Texte (18)
Afdeling 1. _ Toepassingsgebied.
Section 1. _ Champ d'application.
Artikel 1. (Dit besluit is toepasselijk op :
1° alle werknemers voor wie de toekenning van de aanvullende vergoeding wordt geregeld door collectieve arbeidsovereenkomsten of door de beslissingen bedoeld in artikel 2, die gesloten zijn na 1 januari 1986.
2° alle werknemers voor wie de toekenning van de aanvullende vergoeding wordt geregeld door een collectieve arbeidsovereenkomst die gesloten werd vóór 1 januari 1986 doch die slechts na 1 juni 1986 werd neergelegd op het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.)
Deze overeenkomsten of beslissingen moeten van bepaalde duur en niet verlengbaar zijn. De duur ervan mag geen twee jaar overschrijden.
Wanneer de aanvullende vergoeding toegekend wordt in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst of een beslissing die niet beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, zijn noch de bepalingen van dit besluit, noch die van het koninklijk besluit van 1 februari 1984 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen van bejaarde werknemers van toepassing op de betrokken werknemers.
Article 1. (Le présent arrêté est applicable à :
1° tous les travailleurs pour lesquels l'octroi de l'indemnité complémentaire est régi par des conventions collectives de travail ou des décisions visées à l'article 2, qui sont conclues après le 1er janvier 1986.
2° tous les travailleurs pour lesquels l'octroi de l'indemnité complémentaire est régi par une convention collective de travail qui, conclue avant le 1er janvier 1986, a été seulement déposée après le 1er juin 1986 au Ministère de l'Emploi et du Travail.)
Ces conventions ou décisions doivent être á durée déterminée et non reconductibles. Leur durée ne peut excéder deux années.
Lorsque l'indemnité complémentaire est octroyée en application d'une convention collective du travail ou d'une décision qui ne répond pas aux conditions fixées à l'alinéa 2, ni les dispositions du présent arrêté, ni celles de l'arrêté royal du 1er février 1984 relatif au droit aux allocations de chômage des travailleurs âgés licenciés ne sont applicables aux travailleurs concernés.
Afdeling 2. _ Algemene regelen.
Section 2. _ Règles générales.
Art. 2. Ontslagen werknemers van 55 jaar en ouder die een aanvullende vergoeding ontvangen blijven onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in titel III van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, met uitzondering van de artikelen 131, 132, 133, 134, 135, 136, 137, 139, 140, 141, 142, 143, 153, §§ 1 tot 3bis, en 171 nonies, § 5.Voor de toepassing van dit besluit dient onder aanvullende vergoeding te worden verstaan, ofwel de vergoeding bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, gesloten in een paritair comité of van toepassing op een onderneming, ofwel, voor de ondernemingen en instellingen beoogd door artikel 6, tweede lid, de vergoeding bedoeld in een beslissing goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, voor zover die collectieve arbeidsovereenkomst of die beslissing dezelfde voordelen omvat als die van de op 19 december 1974 in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst tot uitvoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers, indien zij worden ontslagen.
Art. 2. Les travailleurs licenciés de 55 ans et plus qui bénéficient d'une indemnité complémentaire restent soumis aux conditions fixées par le titre III de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage, à l'exception des articles 131, 132, 133, 134, 135, 136, 137, 139, 140, 141, 142, 143, 153, §§ 1er à 3bis, et 171 nonies, § 5.Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par indemnité complémentaire, soit l'indemnité qui est visée dans une convention collective de travail conclue au sein d'une commission paritaire ou s'appliquant à une entreprise conformément aux dispositions de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, soit, pour les entreprises et organismes mentionnés à l'article 6, alinéa 2, l'indemnité qui est visée dans une décision approuvée par le Ministre de l'Emploi et du Travail, pour autant que cette convention collective de travail ou cette décision comporte les mêmes avantages que ceux de la convention collective de travail instituant un régime d'indemnité complémentaire pour certains travailleurs âgés, en cas de licenciement, conclue au sein du Conseil national du Travail le 19 décembre 1974.
Art. 3. § 1. Wanneer de werkgever van een ontslagen werknemer bedoeld in artikel 2 zich er toe verbonden heeft hem te vervangen door een volledige werkloze die volledige uitkeringen geniet voor alle dagen van de week en waarvan de arbeidsregeling per arbeidscyclus gemiddeld tenminste eenzelfde aantal arbeidsuren zal omvatten als de arbeidsregeling van de bruggepensioneerde, wordt het percentage dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van de werkloosheidsuitkering vastgesteld op 60 percent. Dit percentage blijft behouden gedurende de hele duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding wordt gedekt.
De werkgever wordt eveneens geacht de verbintenis tot vervanging van de bruggepensioneerde nageleefd te hebben wanneer hij zich verbindt hem te vervangen door twee volledige werklozen die volledige uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, waarvan de totale duur van de arbeidsuren die gemiddeld worden gepresteerd tijdens de arbeidscyclus ten minste gelijk zal zijn aan die van de arbeidsregeling van de bruggepensioneerde. In dit geval, mag echter, in afwijking van § 2, één van de twee vervangers die deeltijds tewerkgesteld zijn, een werknemer zijn die reeds deeltijds tewerkgesteld is in de onderneming, op voorwaarde dat hij vergoed wordt in toepassing van artikel 171 octies, § 1, eerste lid, 1°, b, van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963.Wanneer de werkgever zich niet verbonden heeft tot de vervanging bedoeld in de vorige leden, en wanneer bijgevolg het percentage van de dagelijkse werkloosheidsuitkering van de werknemer werd verminderd in toepassing van artikel 160, § 3, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963, geniet die werknemer, wanneer hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, opnieuw een bedrag van de dagelijkse werkloosheidsuitkeringen berekend aan 60 percent, met inachtneming van de hem vroeger toegekende code. Hij behoudt dit percentage gedurende de volledige duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding wordt gedekt.
§ 2. De plaatsvervanger bedoeld in § 1 mag in de betrokken onderneming niet hebben gewerkt in de loop van de zes maanden die zijn indienstneming vooraf gaan, behalve indien hij in dat tijdvak was tewerkgesteld:
1° als plaatsvervanger, in toepassing van de bepalingen genomen in uitvoering van de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
2° als stagiair, in toepassing van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces;
3° als leerling, in toepassing van een leerovereenkomst gesloten door bemiddeling van een leersecretariaat opgericht bij het koninklijk besluit van 4 oktober 1976 betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand, of in toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
4° als stagiair in beroepsopleiding in een onderneming, in toepassing van titel II, hoofdstuk III, afdeling V, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963;
5° als vervanger van een bejaarde ontslagen werknemer, in toepassing van dit besluit.
§ 3. De werknemer die het genot vraagt van de bepalingen van dit besluit, moet, aan het bevoegd bewestelijk werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een door zijn werkgever opgestelde verklaring voorleggen, waarbij deze zich er toe verbindt om hem te vervangen door één of meerdere volledige werklozen in de zin van § 1.Deze verklaring wordt opgesteld bij middel van een document waarvan het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening het model en de inhoud bepaalt, onder goedkeuring van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
De werkgever wordt geacht de verplichting tot vervanging nagekomen te hebben, indien de indienstneming van de vervanger of vervangers, gebeurt tijdens de periode die zich uitstrekt vanaf de eerste dag van de zesde maand die de maand voorafgaat waarin het brugpensioen van de vervangen werknemer een aanvang neemt, tot de eerste dag van de maand die volgt op de maand gedurende dewelke het brugpensioen een aanvang neemt.
De werkgever heeft de verplichting de in dienst genomen werkloze, in dienst te houden gedurende de twaalf eerste maanden die volgen op zijn indienstneming of hem te vervangen door één, of in voorkomend geval, meerdere volledige werklozen die volledige uitkeringen genieten voor alle dagen van de week, die niet in de onderneming gewerkt hebben gedurende de zes maanden die hun indiensttreding voorafgaan, behalve wanneer de gedurende deze periode verrichte arbeid verricht werd in een van de functies bedoeld in § 2. De vervanging of opeenvolgende vervangingen dienen te gebeuren binnen een termijn die niet meer mag bedragen dan tien werkdagen.
Art. 3. § 1er. Lorsque l'employeur d'un travailleur licencié visé à l'article 2 s'est engagé à le remplacer par un chômeur complet qui bénéficie d'allocations complètes pour toutes les journées de la semaine, et dont le régime de travail comprendra en moyenne au moins le même nombre d'heures de travail par cycle de travail que le régime de travail du prépensionné, le pourcentage à prendre en considération pour le calcul du taux de l'allocation de chômage est fixé à 60 pourcent. Ce pourcentage est maintenu pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
L'employeur est également censé avoir respecté l'engagement de remplacement du prépensionné lorsqu'il s'engage à le remplacer par deux chômeurs complets qui bénéficient d'allocations complètes pour toutes les journées de la semaine, dont la durée totale des heures de travail prestées en moyenne par cycle de travail sera au moins égale à celle du régime de travail du prépensionné. Toutefois, dans ce cas, l'un des deux remplaçants occupés à temps partiel peut, par dérogation au § 2, être un travailleur déjà occupé à temps partiel dans l'entreprise, à condition qu'il soit indemnisé en application de l'article 171 octies, § 1er, alinéa 1er, 1°, b, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité.
Lorsque l'employeur ne s'est pas engagé à effectuer le remplacement visé aux alinéas précédents et que, par conséquent, le pourcentage de l'allocation quotidienne de chômage du travailleur a été réduit en application de l'article 160, § 3, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité, ce travailleur bénéficie à nouveau, lorsqu'il atteint l'âge de 60 ans, d'un taux d'allocations quotidiennes de chômage calculé à 60 pour cent, compte tenu du code qui lui a été attribué. Il maintient ce pourcentage pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
§ 2. Le remplaçant visé au § 1er ne peut avoir travaillé dans l'entreprise concernée au cours des six mois qui précèdent son engagement, sauf lorsque, au cours de cette période, il était occupé:
1° en tant que remplaçant, en application des dispositions prises en exécution des articles 100 et 102 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales;
2° en tant que stagiaire, en application de l'arrêté royal n° 230 du 21 décembre 1983 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes;
3° en tant qu'apprenti, en exécution d'un contrat d'apprentissage conclu par l'intermédiaire d'un secrétariat d'apprentissage organisé par l'arrêté royal du 4 octobre 1976 relatif à la formation permanente dans les Classes moyennes, ou en application de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage des professions exercées par des travailleurs salariés;
4° en tant que stagiaire en formation professionnelle en entreprise, en application du titre II, chapitre III, section V, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité;5° en tant que remplacant d'un travailleur âgé licencié, en application du présent arrêté.
§ 3. Le travailleur qui demande le bénéfice des dispositions du présent arrêté doit produire, auprès du bureau régional compétent de l'Office national de l'Emploi, une déclaration établie par son employeur, et par laquelle celui-ci s'engage à le remplacer par un ou plusieurs chômeurs complets au sens du § 1er.
Cette déclaration est établie au moyen d'un document dont le comité de gestion de l'Office national de l'Emploi détermine le modèle et la teneur, avec l'approbation du Ministre de l'Emploi et du Travail.
L'employeur est censé avoir respecté l'obligation de remplacement si l'engagement du ou des remplaçants s'effectue au cours de la période qui s'étend du premier jour du sixième mois précédant celui de la prise de cours de la prépension du travailleur remplacé au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la prépension prend cours.
Pendant les douze premiers mois qui suivent l'entrée en fonction du chômeur indemnisé engagé, l'employeur a l'obligation de le maintenir à son service ou de le remplacer par un ou, le cas échéant, plusieurs autres chômeurs complets qui bénéficient d'allocations complètes pour toutes les journées de la semaine, n'ayant pas travaillé dans l'entreprise au cours des six mois qui précèdent leur engagement, sauf si le travail effectué au cours de ce délai a été accompli dans une des fonctions visées au § 2. Le remplacement ou les remplacements successifs doivent intervenir dans un délai ne pouvant pas excéder dix jours ouvrables.
Art. 4. Het toezicht op de vervanging van de werknemer voorzien in artikel 3, wordt uitgeoefend door ambtenaren en beamten aangewezen krachtens de artikelen 22 en 23 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Zij beschikken over de bevoegdheden bepaald in de artikelen 24, 25 en 26 van dezelfde wet.
Binnen de perken van hun bevoegdheid oefenen eveneens toezicht uit:
1° de ondernemingsraad of, bij gebrek daaraan,
2° de syndicale afvaardiging, of bij gebrek daaraan,
3° het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen, of bij gebrek daaraan,
4° de vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties.
Art. 4. La surveillance du remplacement du travailleur visé à l'article 3 est exercée par les fonctionnaires et agents désignés en vertu des articles 22 et 23 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier.
Ils disposent des pouvoirs prévus par les articles 24, 25 et 26 de la même loi.
Exercent également cette surveillance dans les limites de leur compétence:
1° le conseil d'entreprise ou, à son défaut,
2° la délégation syndicale ou, à son défaut,
3° le comité de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail ou, à son défaut,
4° les représentants des organisations représentatives des travailleurs.
Art. 5. De werkgever die de bepalingen van artikel 3 inzake de vervanging van een werknemer niet naleeft of waarvan de aangestelden of lasthebbers die bepalingen niet nageleefd hebben, kan een administratieve geldboete van 75 000 frank oplopen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten.
Het bedrag van de administratieve boete wordt vermenigvuldigd met het aantal werknemers ontslagen zonder naleving van de bepalingen van artikel 3, zonder dat het bedrag evenwel 750 000 frank mag overschrijden.
Art. 5. L'employeur qui ne respecte pas les dispositions de l'article 3 en matière de remplacement du travailleur, ou dont les préposés ou mandataires n'ont pas respecté ces dispositions, peut encourir une amende administrative de 75 000 francs, suivant les dispositions de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives en cas d'infraction à certaines lois sociales.
L'amende administrative est multipliée par le nombre des travailleurs licenciés sans que les dispositions de l'article 3 aient été respectées, sans que son montant puisse toutefois excéder 750 000 francs.
Afdeling 3. _ Bepalingen die van toepassing zijn op de ondernemingen in moeilijkheden of die uitzonderlijk ongunstige economische omstandigheden kennen.
Section 3. _ Dispositions applicables aux entreprises en difficulté ou connaissant des circonstances économiques exceptionnellement défavorables.
Art. 6. (Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder onderneming die in moeilijkheden of in uitzonderlijk ongunstige economische omstandigheden verkeert de onderneming verstaan die wordt bedoeld in het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot bepaling van de ondernemingen in moeilijkheden of die uitzonderlijk ongunstige economische omstandigheden kennen, bedoeld in artikel 39bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die, op verzoek van de werkgever, als dusdanig wordt erkend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;)
De bepalingen van deze afdeling zijn eveneens van toepassing op de ondernemingen die behoren tot de nationale sectoren bedoeld in artikel 6, § 1, VI, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, alsmede op de instellingen waarvoor een door de Ministerraad goedgekeurd saneringsplan bestaat.
Art. 6. (Pour l'application de la présente section, on entend par entreprise en difficulté ou qui connaît des circonstances économiques exceptionnellement défavorables l'entreprise qui est visée à l'arrêté royal du 29 août 1985, définissant les entreprises en difficulté ou connaissant des circonstances économiques exceptionnellement défavorables visées à l'article 39bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et qui, à la demande de l'employeur, a été reconnue comme telle par le Ministre de l'Emploi et du Travail;)
Les dispositions de la présente section sont également applicables aux entreprises qui appartiennent aux secteurs nationaux visés à l'article 6, § 1er, VI, alinéa 2, 1°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, ainsi qu'aux organismes pour lesquels il existe un plan d'assainissement approuvé par le Conseil des Ministres.
Art. 7. In afwijking van artikel 3, moeten de werknemers, die behoren tot een onderneming of een instelling bedoeld in artikel 6, niet worden vervangen.
Het percentage dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het bedrag van de werkloosheidsuitkering van de werknemers die behoren tot een van de ondernemingen of een van de instellingen bedoeld in artikel 6, wordt vastgesteld op 60 percent, dit percentage wordt behouden gedurende de volledige duur van de werkloosheid die door de aanvullende vergoeding wordt gedekt.
Art. 7. Par dérogation à l'article 3, les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à un des organismes visés à l'article 6 ne doivent pas être remplacés.
Le pourcentage entrant en ligne de compte pour le calcul du taux de l'allocation de chômage des travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à un des organismes visés à l'article 6 est fixé à 60 pour cent et est maintenu pendant toute la durée du chômage couverte par l'indemnité complémentaire.
Art. 8. Voor de werknemers die tot een van de ondernemingen of één van de instellingen bedoeld in artikel 6 behoren, wordt de minimumleeftijd van 55 jaar, vastgesteld in artikel 2, eerste lid, teruggebracht tot 50 jaar, op voorwaarde dat deze afwijking op de leeftijd voorzien wordt:
1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
2° bij gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst die, met het oog op de toepassing van dit besluit, door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid is goedgekeurd.
De verplichting om een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten is echter niet vereist met betrekking tot de werknemers die behoren tot een van de ondernemingen of instellingen bedoeld in artikel 6, tweede lid.
Art. 8. Pour les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à un des organismes visés à l'article 6, l'âge minimum de 55 ans, fixé à l'article 2, alinéa 1er, est ramené à 50 ans, à condition que cette dérogation à l'âge soit prévue:
1° par une convention collective de travail rendue obligatoire par un arrêté royal;
2° à défaut, par une convention collective de travail conclue en vue de l'application du présent arrêté, et approuvé par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
La conclusion d'une convention collective de travail n'est toutefois pas obligatoire à l'égard des travailleurs qui appartiennent à l'une des entreprises ou à l'un des organismes visés à l'article 6, alinéa 2.
Art. 9. Voor de werknemers die behoren tot een van de ondernemingen of tot een van de instellingen bedoeld in artikel 6, kan, met afwijking van artikel 126 van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963 en dus met behoud van hun aanspraak op werkloosheidsuitkering, worden voorzien in de inkorting van de opzeggingstermijn of van het tijdvak gedekt door de opzeggingsvergoeding:
1° door een bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst;
2° bij gebrek daaraan, door een collectieve arbeidsovereenkomst die, met het oog op de toepassing van dit besluit, door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid is goedgekeurd.
Wanneer de opzeggingstermijn of het door de opzeggingsvergoeding gedekte tijdvak worden ingekort, dienen volgende regelen te worden nageleefd:
1° de werkgever stelt de bediende in kennis van het ontslag waarbij een opzeggingstermijn in acht wordt genomen vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de opzeggingstermijn of het door de opzeggingsvergoeding gedekte tijdvak wordt ingekort bij een schriftelijke overeenkomst die tussen de werkgever en de bediende na de kennisgeving van het ontslag en ten vroegste op het tijdstip van de kennisgeving van de opzeggingstermijn wordt gesloten;
3° die termijn of dat tijdvak mag niet korter zijn dan de termijn bepaald door artikel 83 van voormelde wet van 3 juli 1978;4° de toepassing van de onder 1°, 2° en 3° bepaalde regelen moet gebeuren in het kader van de overlegprocedure vastgesteld door artikel 10, eerste en tweede lid, van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst van 19 december 1974.
Art. 9. Pour les travailleurs qui appartiennent à une des entreprises ou à un des organismes visés à l'article 6, une réduction du délai de préavis ou de la période couverte par l'indemnité de préavis peut, par dérogation à l'article 126 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité et, partant, avec maintien de leur droit aux allocations de chômage, être prévue:
1° par une convention collective de travail rendue obligatoire par arrêté royal;
2° à défaut, par une convention collective de travail conclue en vue de l'application du présent arrêté, et approuvée par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
En cas de réduction du délai de préavis ou de la période couverte par l'indemnité de préavis, il y a lieu de respecter les règles suivantes:
1° l'employeur notifie le congé à l'employé moyennant un délai de préavis fixé conformément aux dispositions de l'article 82 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° le délai de préavis ou la période couverte par l'indemnité de préavis sont réduits par convention écrite conclue entre l'employeur et l'employé après la notification du congé et au plus tôt au moment de la notification du délai de préavis;
3° ce délai ou cette période ne peuvent être inférieurs au délai fixé par l'article 83 de la loi du 3 juillet 1978 précitée;
4° l'application des règles fixées au 1°, 2° et 3° doit s'inscrire dans le cadre de la procédure de concertation prévue à l'article 10, alinéas 1er et 2, de la convention collective de travail du 19 décembre 1974 précitée.
Afdeling 4. _ Gemeenschappelijke bepalingen en slotbepalingen.
Section IV. _ Dispositions communes et finales.
Art. 10. De vergoeding bedoeld in artikel 2 wordt voor de toepassing van artikel 126 van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963 niet als loon beschouwd.
Art. 10. L'indemnité visée à l'article 2 n'est pas considérée comme rémunération pour l'application de l'article 126 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité.
Art. 11. Voor de toepassing van artikel 126, eerste lid, 2°, b, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, mogen de bejaarde ontslagen werknemers voor eigen rekening en zonder winstoogmerk, elke vorm van activiteit zonder loon uitoefenen betreffende het eigen bezit, met inbegrip van ondermeer onderhouds- en aanpassingswerken en werken tot waardevermeerdering van dat bezit, zelfs wanneer die activiteit ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten.
De artikelen 126, vierde lid, en 128 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, zijn niet van toepassing op de activiteit zonder loon uitgeoefend door de in het eerste lid bedoelde werknemers, inzoverre die activiteit beantwoordt aan de voorwaarden bepaald door de Minister.
Art. 11. Pour l'application de l'article 126, alinéa 1er, 2°, b, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage, les travailleurs âgés licenciés peuvent effectuer, pour leur propre compte et sans but lucratif, toute forme d'activité non rémunérée relative à leurs biens propres, en ce compris notamment les travaux d'entretien, d'aménagement et de plus-values apportés à ces biens, même lorsque cette activité peut être intégrée dans le courant des échanges économiques de biens et de services.
Les articles 126, alinéa 4, et 128 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage ne s'appliquent pas à l'activité non rémunérée exercée par les travailleurs visés à l'alinéa 1er, pour autant que cette activité réponde aux conditions déterminées par le Ministre.
Art. 12. De ontslagen bejaarde werknemer, die wegens ongeschiktheid, aanspraak kan maken op een vergoeding krachtens een regeling inzake ziekte- of invaliditeitsverzekering en die daarvan geen afstand doet, kan gedurende de door die vergoeding gedekte periode, het voordeel van de voorafgaande bepalingen niet genieten.
Onder vergoeding dient te worden verstaan de vergoedingen verschuldigd:
1° krachtens een belgische regeling inzake ziekte- of invaliditeitsverzekering;
2° krachtens een buitenlandse regeling inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering wegens een arbeidsongeschiktheid die niet het gevolg is van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte, wanneer de werknemer door de inspecteur van het gewestelijk bureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening als arbeidsongeschikt beschouwd wordt in de zin van de Belgische wetgeving inzake de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, na advies van de geneesheer aangewezen voor dat bureau. Wanneer die werknemer echter als arbeidsgeschikt beschouwd wordt, blijft artikel 141, vierde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 20 december 1963 van toepassing.
Art. 12. Le travailleur âgé licencié qui, pour raison d'inaptitude, peut prétendre à une indemnité, en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité, et qui n'y renonce pas, ne peut, pendant la période couverte par cette indemnité, bénéficier des dispositions qui précèdent.
Par indemnité, il y a lieu d'entendre les indemnités dues:
1° en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité belge;
2° en vertu d'un régime d'assurance maladie-invalidité étranger en raison d'une incapacité de travail ne résultant pas d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle, lorsque le travailleur est considéré comme inapte au travail au sens de la législation belge en matière d'assurance obligatoire contre la maladie-invalidité, par l'inspecteur du bureau régional de l'Office national de l'Emploi, après avis du médecin affecté à ce bureau. Lorsque ce travailleur est toutefois considéré comme apte au travail, l'article 141, alinéa 4, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité reste d'application.
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1986.
Art. 13. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 1986.
Art. 14. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail est chargé de l'exécution du présent arrêté.