Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 OKTOBER 1983. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling en van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982, houdende de organisatie, voor de kleine en de middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling.
Titre
10 OCTOBRE 1983. - Arrêté royal pris en exécution de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi et de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 organisant, pour les petites et moyennes entreprises, un régime spécifique d'utilisation de la modération salariale pour l'emploi.
Informations sur le document
Numac: 1983022250
Datum: 1983-10-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1983022250
Date: 1983-10-10
Moniteur: Voir
Table des matières
Table des matières
Tekst (15)
Texte (15)
Artikel 1. De werkgevers op wie het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds met het oog op de aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, van toepassing is, moeten bij elke aangifte, bedoeld bij artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, een attest voegen, opgesteld in twee exemplaren overeenkomstig het als bijlage I bij dit besluit gevoegde model.
Article 1. Les employeurs auxquels est applicable l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi, doivent joindre à chaque déclaration visée à l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs salariés, une attestation, en double exemplaire, selon le modèle figurant à l'annexe I du présent arrêté.
Art. 2. § 1. Het bij artikel 1 bedoelde attest is onderworpen aan het voorafgaand advies van het orgaan bedoeld bij § 2 van dit artikel.
  Het door het bevoegde orgaan gegeven advies dient bij het attest te worden gevoegd.
  § 2. Indien bij een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten voor een bedrijfstak een specifiek orgaan is ingericht of aangeduid, moet het attest vooraf aan het advies van dit orgaan worden voorgelegd.
  In alle andere gevallen moet dit attest vooraf aan het advies van de ondernemingsraad, of bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan het advies van de syndicale delegatie worden voorgelegd.
  Bij ontstentenis van een ondernemingsraad of een syndicale delegatie, of enig ander controleorganisme voorzien bij de sectoriële collectieve overeenkomst, dient het attest van de werkgever geviseerd te worden :
  1° ingeval er een ondernemingsovereenkomst bestaat, door diegenen die bedoelde overeenkomst hebben ondertekend;
  2° ingeval er een sectoriële overeenkomst werd afgesloten, door de instantie die het bevoegd paritair comité desgevallend daartoe aanwijst.
  In geval van ondernemingen met meerdere zetels, zullen de partijen die de overeenkomst hebben getekend, hetzij zelf het attest viseren, hetzij daartoe het bevoegd controleorganisme aanwijzen.
Art. 2. § 1. L'attestation dont question à l'article 1er doit être soumise à l'avis préalable de l'organe visé au § 2 du présent article.
  L'avis émis par l'organe compétent doit être joint à cette attestation.
  § 2. Si un organe spécifique est créé ou désigné par une convention collective de travail conclue pour un secteur d'activité, l'attestation doit être soumise préalablement à l'avis de cet organe.
  Dans tous les autres cas, cette attestation doit être soumise préalablement à l'avis du conseil d'entreprise ou, à défaut d'un tel conseil, à l'avis de la délégation syndicale.
  A défaut d'un conseil d'entreprise ou d'une délégation syndicale ou de tout autre organisme de contrôle prévu par la convention sectorielle, l'attestation de l'employeur doit être visée :
  1° s'il s'agit d'une convention conclue au niveau de l'entreprise, par les signataires de la convention visée;
  2° s'il s'agit d'une convention sectorielle par l'instance qui est le cas échéant désignée à cet effet par le comité paritaire compétent.
  Pour les entreprises à sièges multiples, les parties signataires de la convention viseront elles-mêmes l'attestation ou désigneront à cet effet l'organe de contrôle compétent.
Art. 3. Indien het bij artikel 2, § 2, bedoelde orgaan een positief advies geeft, betreffende het bij artikel 1 bedoelde attest, dan wordt de collectieve arbeidsovereenkomst geacht toegepast te worden.
  Bij verdeeld advies of bij gebrek aan advies, zal de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid het attest overmaken aan de inspectie van de sociale wetten, welke zal onderzoeken of de collectieve arbeidsovereenkomst wordt toegepast.
Art. 3. La convention collective de travail est censée être appliquée si l'organe visé à l'article 2, § 2, émet un avis favorable au sujet de l'attestation visée à l'article 1er.
  En cas d'avis partagé ou à défaut d'un avis, l'Office national de la sécurité sociale transmettra l'attestation à l'inspection des lois sociales laquelle examinera si la convention collective de travail est appliquée.
Art. 4. (Voor de jaren 1983 en 1984 moet) de werkgever die hetzij geen collectieve arbeidsovereenkomst heeft gesloten zoals bedoeld bij artikel 7 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 181, hetzij geen attest binnenlevert, (...) trimestrieel aan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid een voorschot storten dat overeenstemt met het juiste bedrag van de opbrengst van de loonmatiging, binnen dezelfde termijnen als die welke gelden voor de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor elk kwartaal. <KB 1985-03-29/32, art. 1, 002>
  De werkgever, gebonden door een collectieve arbeidsovereenkomst zoals bedoeld bij de artikelen 6 en 7 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 181, die de verplichtingen van deze overeenkomst niet of slechts gedeeltelijk vervult moet jaarlijks aan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid een storting verrichten zoals voorzien bij artikel 12 van hetzelfde besluit.
  Wat het jaar 1983 betreft, dient deze storting te geschieden uiterlijk op 31 maart 1984, en wat het jaar 1984 betreft, dient deze storting te geschieden uiterlijk op 31 maart 1985.
Art. 4. (Pour l'année 1983 et 1984) l'employeur qui soit n'a pas conclu la convention collective de travail visée à l'article 7 de l'arrêté royal n° 181 précité soit n'introduit pas l'attestation, doit verser trimestriellement à l'Office national de la sécurité sociale une avance correspondant au montant exact du produit de la modération salariale, dans les mêmes délais que ceux applicables aux cotisations de sécurité sociale dues pour chaque trimestre. <AR 1985-03-29/32, art. 1, 002>
  L'employeur lié par une convention collective de travail telle que visée aux articles 6 et 7 de l'arrêté royal n° 181 précité, qui ne remplit que partiellement ou pas les obligations de cette convention doit effectuer annuellement à l'Office national de la sécurité sociale, un versement, tel que prévue à l'article 12 du même arrêté.
  Pour l'année 1983, ce versement doit se faire le 31 mars 1984 au plus tard et, pour l'année 1984, au plus tard le 31 mars 1985.
Art. 4bis. <KB 1985-03-29/32, art. 2, 002>
  § 1. De werkgevers die niet gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit nr. 181, hetzij het attest voorzien bij artikel 15bis van het koninklijk besluit nr. 181 niet binnenleveren, storten jaarlijks de volledige opbrengst van de loonmatiging aan het Tewerkstellingsfonds.
  Wat het jaar 1985 betreft, dient deze storting te geschieden uiterlijk op 31 maart 1986 en wat het jaar 1986 betreft uiterlijk op 31 maart 1987.
  Trimestrieel storten voormelde werkgevers een provisie van 2,5 pct. van de loonmassa voor het betrokken kwartaal aan het Tewerkstellingsfonds. Deze stortingen geschieden binnen de termijnen die gelden voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor elk kwartaal.
  Indien de volledige opbrengst van de loonmatiging voor 1985 lager is dan het totaal van de provisionele stortingen van 1985 is het verschil verrekenbaar met de provisionele storting van het eerste kwartaal 1986.
  § 2. De werkgevers bedoeld in artikel 5, eerste lid, 5° en 6° van het koninklijk besluit nr. 181 verrichten jaarlijks de stortingen voorzien bij artikel 12bis van het koninklijk besluit nr. 181.
  Wat het jaar 1985 betreft, dient deze storting te geschieden uiterlijk op 31 maart 1986 en wat het jaar 1986 betreft uiterlijk op 31 maart 1987.
  Deze werkgevers storten vanaf 1 januari 1986 trimestrieel een provisie die gelijk is aan 1,5 pct. van de loonmassa van het betrokken kwartaal. Deze stortingen geschieden binnen de termijnen die gelden voor de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor elk kwartaal.
Art. 4bis. <AR 1985-03-29/32, art. 2, 002>§ 1er. Les employeurs qui ne sont pas liés par une convention collective de travail visée à l'article 8bis de l'arrêté royal n° 181, ou qui n'introduisent pas l'attestation prévue par l'article 15bis de l'arrêté royal n° 181 versent chaque année le produit global de la modération salariale au Fonds pour l'Emploi.
  Pour l'année 1985, ce versement doit avoir lieu au plus tard le 31 mars 1986 et pour 1986 au plus tard le 31 mars 1987.
  Trimestriellement lesdits employeurs versent au Fonds pour l'Emploi une provision de 2,5 p.c. de la masse salariale du trimestre concerné. Ces versements doivent avoir lieu dans les délais fixés pour le paiement trimestriel des cotisations de sécurité sociale.
  Si le produit intégral de la modération salariale pour 1985 est inférieur au total des versements provisionnels pour 1985 la différence est compensée avec le versement provisionnel du premier trimestre de 1986.
  § 2. Les employeurs visés à l'article 5, alinéa 1er, 5° et 6° de l'arrêté royal n° 181 effectuent chaque année les versements prévus par l'article 12bis de l'arrêté royal n° 181.
  Pour l'année 1985, ce versement doit avoir lieu au plus tard le 31 mars 1986 et pour 1986 au plus tard le 31 mars 1987.
  Trimestriellement ces employeurs versent dès le 1er janvier 1986 une provision égale à 1,5 p.c. de la masse salariale du trimestre concerné. Ces versements doivent être effectués dans les délais fixés pour le paiement trimestriel des cotisations de sécurité sociale.
Art. 4ter. <KB 1985-03-29/32, art. 3, 002> Het percentage van de loonmatigingsopbrengst dat moet gestort worden door de werkgevers die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst, doch deze slechts ten dele naleven is gelijk aan de totale loonmatigingsopbrengst vermenigvuldigd met (x - y)/x waarbij x gelijk is aan het percentage compenserende aanwervingen die voorzien zijn in de collectieve arbeidsovereenkomst voor het bedoelde jaar of trimester en y gelijk is aan het percentage compenserende aanwervingen, die verricht zijn in het bedoelde jaar of trimester.
  Voor de toepassing van het voorgaande lid moet rekening worden gehouden met de regelen van artikel 10 van het voornoemde koninklijk besluit nr. 181.
Art. 4ter. <AR 1985-03-29/32, art. 3, 002> Le pourcentage du produit de la modération salariale qui doit être versé par les employeurs liés par une convention collective de travail, mais ne la respectant que partiellement, est égal au produit total de la modération salariale multiplié par (x - y)/x ou x est égal au pourcentage d'embauches compensatoires prévues dans la convention collective de travail pour l'année visée ou le trimestre visé et y au pourcentage d'embauches compensatoires réalisées pendant l'année concernée ou le trimestre visé.
  Pour l'application de l'alinéa précédent il sera tenu compte des règles mentionnées à l'article 10 de l'arrêté royal n° 181 précité.
Art. 5. De storting aan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid bedoeld in artikel 12 (en 12bis) van het voornoemde koninklijk besluit nr. 181, wordt berekend in functie van de werkelijke loonmatigingsopbrengst. <KB 1985-03-29/32, art. 4, 002>
  De loonmatigingsopbrengst verbonden aan (1983, 1984, 1985 en 1986) wordt berekend : <KB 1986-02-10/33, art. 1, 003>
  1° Voor de periode van 1 januari 1983 tot en met 31 december 1984, volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit nr. 18 van 18 maart 1982 houdende reglementering en organisatie van het effect van het matigingsbeleid in de ondernemingen.
  2° Daarbovenop, vanaf de datum voorzien in artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 180 van 30 december 1982 houdende bepaalde maatregelen inzake loonmatiging, door voor elke maand het verschil te maken tussen de uitbetaalde loonmassa, en de loonmassa die zou zijn uitbetaald indien de lonen niet op basis van het rekenkundig gemiddelde van de indexcijfers van de laatste vier maanden, maar op basis van de maandelijkse index der consumptieprijzen zouden zijn aangepast.
  De werkgever die niet gebonden is door een collectieve arbeidsovereenkomst, alsmede de werkgever die gebonden is door een collectieve arbeidsovereenkomst, maar deze niet toepast, moet het geheel van de loonmatigingsopbrengst storten aan de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid.(...) <KB 1986-02-10/33, art. 2, 003>(...) <KB 1985-03-29/32, art. 6, 002>
Art. 5. Le versement à l'Office national de la sécurité sociale, dont question à l'article 12 (et 12bis), de l'arrêté royal n° 181 précité, doit être calculé en fonction de la recette réelle de la modération salariale. <AR 1985-03-29/32, art. 4, 002>
  La modération salariale afférent à (1983, 1984, 1985 et 1986) doit être calculée : <AR 1986-02-10/33, art. 1, 003>
  1° Pour la période du 1er janvier 1983 au 31 décembre 1984, selon les modalités prévues à l'arrêté royal n° 18 du 18 mars 1982 portant réglementation et organisation du contrôle de l'usage de l'effet de la politique de modération dans les entreprises.
  2° En surplus, à partir de la date prévue à l'article 3, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 180 du 30 décembre 1982 portant certaines mesures en matière de modération des rémunérations, en faisant pour chaque mois la différence entre la masse salariale payée et la masse salariale qui aurait été payée si les salaires avaient été adaptés sur la base de l'indice mensuel des prix à la consommation et non sur la base de la moyenne arithmétique des indices des quatre derniers mois.
  L'employeur non lié par une convention collective de travail ainsi que celui lié par une convention collective de travail mais qui ne l'applique pas, doit verser la totalité du produit de la modération salariale à l'Office national de la Sécurité sociale.(...) <AR 1986-02-10/33, art. 2, 003>
  (...) <AR 1985-03-29/32, art. 6, 002>
Art. 6. <KB 1985-03-29/32, art. 7, 002> De werkgevers bedoeld in artikel 5, eerste lid, 4°, 5° en 6° van het koninklijk besluit nr. 181, vullen alnaargelang het geval tevens het in bijlage I, deel II en III bedoeld attest in. Het in bijlage I, deel III bedoelde attest wordt aan het voorafgaand advies onderworpen op dezelfde wijze zoals voorzien in de artikelen 2 en 3 van dit besluit.
  De werkgevers die vrijstelling van storting aan het Tewerkstellingsfonds vragen, vullen tevens het in bijlage I, deel IV bedoeld attest in.
Art. 6. <AR 1985-03-29/32, art. 7, 002> Les employeurs visés à l'article 5, alinéa 1er, 4°, 5° et 6° de l'arrêté royal n° 181 précité, remplissent en outre selon le cas l'attestation constituant l'annexe I, IIe et IIIe parties. L'attestation visée à l'annexe I, IIIe partie, sera soumise à l'avis préalable de la manière prévue aux articles 2 et 3 du présent arrêté.
  Les employeurs qui demandent d'être dispensés du versement au Fonds pour l'emploi remplissent en outre l'attestation constituant l'annexe I, IVe partie.
Art. 7. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, worden aangewezen als ambtenaren en beambten belast met het toezicht over de uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit nr. 181 en zijn uitvoeringsbesluiten :
  1° de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering;
  2° de mijningenieurs.
Art. 7. Sans préjudice des devoirs des officiers de la police judiciaire, sont désignés comme fonctionnaires et agents chargés de surveiller l'exécution de l'arrêté royal n° 181 et de ses arrêtés d'applications :
  1° les inspecteurs et les inspecteurs-adjoints de l'Administration de la Réglementation et des Relations du Travail;
  2° les ingénieurs des mines.
Art. 8. De werkgevers die minder dan 50 bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven werknemers tewerkstellen zoals bedoeld bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982 houdende de organisatie, voor de kleine en middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling, moeten bij de aangifte van de sociale zekerheidsbijdragen voor het 3e kwartaal van 1983 een formulier voegen, opgesteld overeenkomstig het als bijlage II bij dit besluit gevoegde model.
Art. 8. Les employeurs occupant moins de 50 travailleurs déclarés à l'Office national de la Sécurité sociale tels que visés à l'article 1er de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 organisant pour les petites et moyennes entreprises, un régime spécifique d'utilisation de la modération salariale pour l'emploi, doivent joindre à la déclaration des cotisations de sécurité sociale afférent au 3e trimestre 1983 un formulaire dressé selon le modèle figurant à l'annexe II du présent arrêté.
Art. 9. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1983.
Art. 9. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1983.
Art. 10. Onze Minister van Middenstand, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 10. Notre Ministre des Classes moyennes, Notre Ministre de l'Emploi et du Travail et Notre Ministre des Affaires sociales sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. Attest in verband met de MARIBEL-operatie en de loonmatiging.
  
  
Art. N1. Annexe I. Attestation relative à l'opération MARIBEL et à la modération salariale.
  
  
Art. N2. Bijlage II. Formulier ten behoeve van de K.M.O.'s. Loonmatiging
  I. Het koninklijk besluit nr. 181 voorziet in de oprichting van een tewerkstellingsfonds. Dit fonds wordt gestijfd door stortingen te verrichten door de werkgevers die in 1983 en 1984 niet komen tot arbeidsduurvermindering en daaraan gekoppelde indienstneming van nieuw personeel, omdat betrokken werkgevers :
  _ hetzij niet gebonden zijn door een C.A.O. ter zake (dit kan een C.A.O. zijn gesloten in een paritair comité of op het vlak van de onderneming);
  _ hetzij de C.A.O. die op hen van toepassing is niet naleven en dus de overeengekomen doelstellingen niet verwezenlijken.
  Wie niet gebonden is door een C.A.O. dient de totaliteit van de opbrengst die voortvloeit uit de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling van de jaren 1983 en 1984 aan het fonds te storten.
  De werkgevers die wel gebonden zijn door een C.A.O., doch de verplichtingen ervan niet of slechts ten dele hebben nageleefd, moeten een percentage van de opbrengst van de loonmatiging storten, proportioneel aan het percentage niet gerealiseerde bijkomende indienstnemingen.
  II. Bijzonder stelsel voor de kleine en middelgrote ondernemingen (koninklijk besluit nr. 185).
  Gelet op hun specifieke eigenschappen werd voor de K.M.O.'s, dit zijn ondernemingen die minder dan 50 bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid aangegeven werknemers tewerkstellen, in een bijzonder stelsel voorzien waarvoor zij kunnen kiezen.
  De berekening van het aantal werknemers moet gebeuren op basis van het totaal aantal arbeidsdagen van het vierde kwartaal van het jaar 1982, gedeeld door (75) voor de bedienden en (75 of 63) voor de arbeiders en gelijkgestelden naargelang de arbeid is gespreid over 6 of 5 dagen per week.
  1. Doelstelling : verhoging van de tewerkstelling voor het geheel van de K.M.O.'sVan de K.M.O.'s wordt als tegenprestatie van de loonmatiging een gezamenlijke inspanning voor de tewerkstelling verwacht zonder dat een verplichting tot werktijdverkorting wordt opgelegd.
  Globaal gezien, d.w.z. voor de gezamenlijke K.M.O.'s zal de tewerkstelling moeten stijgen met 2,5 pct. tijdens het jaar 1983 en op dit peil moeten gehandhaafd blijven tijdens het jaar 1984.
  2. Deze doelstelling is bereikt (1e hypothese).
  In dit geval dient er verder niets meer te gebeuren; de resultaten van de loonmatiging werden in bijkomende tewerkstelling omgezet.
  3. Deze doelstelling is niet of slechts ten dele bereikt (2e hypothese).
  In dit geval zullen de ondernemingen, die niet ten minste één bijkomende werkeenheid kunnen rechtvaardigen, een forfaitair bedrag per werknemer moeten betalen aan het fonds voor de tewerkstelling.
  Verduidelijkingen :
  Bijkomende werknemer : in feite zal moeten worden nagegaan of er een bijkomende werkeenheid kan worden vastgesteld tijdens het vierde kwartaal van de jaren 1983 en 1984 in vergelijking met het vierde kwartaal 1982. Dit moet gebeuren aan de hand van de aangifte aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid. Door bijkomende werkeenheid wordt verstaan een verhoging van (75) werkdagen voor de bedienden en (75 of 63) voor de arbeiders en gelijkgestelden naargelang de arbeid verdeeld is over 6 of 5 dagen per week.
  Forfaitair bedrag : het forfaitair bedrag per werknemer zal evenredig zijn met het verschil tussen de vooropgestelde globale bijkomende tewerkstelling en het uiteindelijk verkregen resultaat. Het bedrag zal later bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
  Dit bedrag zal in elk geval beperkt worden tot de reële opbrengst van de loonmatiging in de onderneming.
  Zijn evenwel vrijgesteld van deze storting :
  1. de ondernemingen die minder dan 10 werknemers aangegeven hebben in hun aangifte aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van het vierde kwartaal 1982. Ook hier moet de berekening van het aantal werknemers gebeuren door het totaal aantal arbeidsdagen te delen door (75) voor de bedienden en (75 of 63) voor de arbeiders en gelijkgestelden naargelang de arbeid verdeeld is over 6 of 5 dagen per week.
  2. De K.M.O.'s die op hun verzoek in moeilijkheden werden verklaard door de Minister van Middenstand en de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  Verduidelijking :
  Onder ondernemingen in moeilijkheden wordt verstaan :
  _ voor de loonmatiging in 1983, diegene waarvan de netto-resultaten voor de belastingen verhoogd met de afschrijvingen, negatief zijn voor het jaar 1982 en waarvan de resultaten van de dienstjaren 1981 en 1982 een verlies vertonen;
  _ voor de loonmatiging in 1984, diegene waarvan de netto-resultaten voor de belastingen verhoogd met de afschrijvingen, negatief zijn voor het jaar 1983 en waarvan de resultaten voor de dienstjaren 1982 en 1983 een verlies vertonen.
  III. De keuze voor de K.M.O.'s waarvan sprake onder II is echter niet absoluut :
  1. Er werd geen sectoriële C.A.O. gesloten maar wel een C.A.O. op het ondernemingsvlak : de werkgever past de C.A.O. van zijn onderneming toe en valt dus automatisch onder koninklijk besluit nr. 181 (cf. I).
  2. Noch in de sector noch op het vlak van de onderneming werd een C.A.O. gesloten : automatisch toepassing van koninklijk besluit nr. 185 (cf. II).
  3. In het bevoegd paritair comité werd een sectoriële C.A.O. gesloten : alleen in dit geval hebben de K.M.O.'s een keuze tussen de toepassing van de betrokken C.A.O. (en dus koninklijk besluit nr. 181) of de toepassing van koninklijk besluit nr. 185.
  IV. Aan de hand van de hierboven omschreven gegevens wordt u verzocht een antwoord te verstrekken op volgende vragen :
  
Art. N2. Annexe II. Formulaire à l'usage des P.M.E. Modération salariale.
  I. L'arrêté royal n° 181 prévoit la création d'un Fonds pour l'emploi. Ce fonds est alimenté par les versements à faire par les employeurs qui en 1983 et en 1984 ne réalisent pas la diminution de la durée du travail et les engagements de personnel nouveau parce que ces employeurs :
  _ ne sont pas liés par une C.C.T. en la matière (ce peut être une C.C.T. conclue en comité paritaire ou au sein de l'entreprise);
  _ ou qui ne respectent pas la C.C.T. qui leur est applicable et qui ne réalisent donc pas les objectifs convenus.
  Celui qui n'est pas lié par une C.C.T. doit verser au Fonds la totalité du produit résultant de la modération salariale complémentaire pour l'emploi des années 1983 et 1984.
  Les employeurs qui, eux, sont liés par une C.C.T. mais qui n'en ont remplis que partiellement ou pas les obligations doivent verser un pourcentage du produit de la modération salariale, proportionnel au pourcentage d'engagements compensatoires non réalisés.
  II. Régime spécial pour les petites et moyennes entreprises (arrêté royal n° 185).
  Un régime spécial, pour lequel elles peuvent opter, a été prévu pour les P.M.E., les entreprises donc qui occupent moins de 50 travailleurs déclarés à l'Office national de la sécurité sociale.
  Le calcul du nombre de travailleurs doit se faire sur base du nombre total de journées de travail au cours du quatrième trimestre de 1982, divisé par (75) pour les employés et (75 ou 63) pour les ouvriers et assimilés selon que le travail est étalé sur 6 ou 5 jours par semaine.
  1. But : augmentation de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises P.M.E.
  En contrepartie de la modération salariale on attend des P.M.E. un effort commun pour l'emploi sans imposer l'obligation d'une diminution de la durée du travail.
  Globalement, c'est-à-dire pour l'ensemble des P.M.E., l'emploi devra augmenter de 2,5 pct. en 1983 et il devra rester à ce niveau en 1984.
  2. Ce but est atteint (1ère hypothèse).
  Plus rien ne doit ce faire dans ce cas; les résultats de la modération salariale ont été convertis en emplois supplémentaires.
  3. Ce but est partiellement ou pas atteint (2ème hypothèse).
  Les entreprises qui ne peuvent justifier une unité de travail supplémentaire au moins, devront payer un montant forfaitaire au Fonds pour l'emploi,
  Explications :
  Travailleur supplémentaire : il faudra en fait voir si une unité de travail supplémentaire peut être constatée au cours du quatrième trimestre des années 1983 et 1984 par rapport au quatrième trimestre de 1982. Ceci doit se faire à l'aide de la déclaration à l'Office national de la sécurité sociale. On entend par unité de travail supplémentaire une augmentation de (75) journées de travail pour les employés et de (75 ou 63) journées pour les ouvriers et assimilés selon la répartition du travail sur 6 ou 5 jours par semaine.
  Montant forfaitaire : le montant forfaitaire par travailleur sera proportionnel à la différence entre l'emploi supplémentaire global fixé et le résultat obtenu en définitive. Le montant sera ultérieurement fixé par arrêté royal.
  Ce montant sera en tout cas limité au produit réel de la modération salariale dans l'entreprise.
  De ce versement seront dispensées :
  1. les entreprises qui déclarent moins de 10 travailleurs dans leur déclaration à l'Office national de la sécurité sociale afférente au quatrième trimestre de 1982. Le calcul du nombre de travailleurs doit, ici aussi, se faire en divisant le nombre total de journées de travail par (75) pour les employés et (75 ou 63) pour les ouvriers et assimilés selon la répartition du travail sur 6 ou 5 jours par semaine;
  2. les P.M.E. qui, à leur demande, ont été déclarées en difficulté par le Ministre des Classes moyennes et par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
  Explications :
  On entend par entreprises en difficulté :
  _ pour la modération salariale en 1983, celles dont les résultats nets pour les impôts, augmentés des amortissements, sont négatifs pour 1982 et dont les résultats des exercices 1981 et 1982 accusent une perte;
  _ pour la modération salariale en 1984, celles dont les résultats nets pour les impôts, augmentés des amortissements, sont négatifs pour 1983 et dont les résultats pour les exercices 1982 et 1983 accusent une perte.
  III. Pour les P.M.E., l'option dont question sous II, n'est toutefois pas absolue.
  1. Aucune C.C.T. sectorielle n'a été conclue, mais bien une C.C.T. au niveau de l'entreprise : l'employeur applique la C.C.T. de son entreprise et tombe donc automatiquement sous l'application de l'arrêté royal n° 181 (cfr. I).
  2. Aucune C.C.T. n'a été conclue, ni au niveau sectoriel ni à celui de l'entreprise : application automatique de l'arrêté royal n° 185 (cfr. II).
  3. Une C.C.T. sectorielle a été conclue au sein du comité paritaire compétent dans ce cas seulement, les P.M.E. ont le choix entre l'application de la C.C.T. concernée (et donc de l'arrêté royal n° 181) et l'application de l'arrêté royal n° 185.
  IV. Vous êtes priés de répondre aux questions ci-dessous sur base des données décrites ci-dessus :