Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
29 JUNI 1981. - Wet houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-04-1984 en tekstbijwerking tot 30-12-2025)
Titre
29 JUIN 1981. - Loi établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-04-1984 et mise à jour au 30-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 1981001048
Datum: 1981-06-29
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1981001048
Date: 1981-06-29
Moniteur: Voir
Tekst (69)
Texte (69)
HOOFDSTUK I. - Begripsbepalingen en toepassingsgebied.
CHAPITRE Ier. - Définitions et champ d'application.
Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
Werknemer: de persoon die met een werkgever door een arbeidsovereenkomst is verbonden;
Werkgever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die ingevolge een arbeidsovereenkomst één of meer werknemers in dienst heeft;
Sociaal verzekerde: de werknemer en ieder persoon die in de sociale-zekerheidswetten als gerechtigde op sociale prestaties of als met hem gelijkgestelde wordt beschouwd;
Rechthebbende: de persoon die, door zijn arbeidsprestaties of door zijn beschermde toestand, aan zichzelf of aan anderen recht verschaft op sociale prestaties;
Rechtverkrijgende: de persoon die recht heeft op sociale prestaties op grond van zijn verhouding tot een rechthebbende;
Gerechtigde: de rechthebbende en de rechtverkrijgende;
Uitkeringsgerechtigde: de persoon aan wie een sociale uitkering moet worden uitbetaald.
(§ 1bis. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten gelden de definities van de arbeidstijdgegevens zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.)
§ 2. Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld:
1° Met werknemers:
a) De leerlingen;
b) De personen tot wie de Koning de toepassing van deze wet uitbreidt;
2° Met werkgevers:
a) De personen die leerlingen tewerkstellen;
b) De personen die door de Koning als werkgevers worden aangewezen van de onder 1°, b, vermelde personen.
Article 1. § 1er. Pour l'application de la présente loi, il faut entendre par:
Travailleur: la personne engagée par un employeur dans les liens d'un contrat de travail;
Employeur: la personne physique ou morale qui, en vertu d'un contrat de travail, occupe un ou plusieurs travailleurs;
Assuré social: le travailleur et toute personne considérée par les lois de sécurité sociale comme bénéficiaire des prestations sociales ou comme assimilée à un tel bénéficiaire;
Attributaire: la personne qui, par ses prestations de travail ou par sa situation protégée, fait naître pour elle-même ou pour d'autres le droit aux prestations sociales;
Ayant droit: la personne qui a droit aux prestations sociales en vertu du lien avec un attributaire;
Bénéficiaire: l'attributaire et l'ayant droit;
Allocataire: la personne à qui une allocation sociale doit être versée.
(§ 1erbis. Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, les définitions des données relatives au temps de travail sont celles déterminées par l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.)
§ 2. Pour l'application de la présente loi, sont assimilés aux:
1° Travailleurs:
a) Les apprentis;
b) Les personnes auxquelles le Roi étend l'application de la présente loi;
2° Employeurs:
a) Les personnes occupant des apprentis;
b) Les personnes désignées par le Roi comme employeurs des personnes visées au 1° b.
Art. 2. § 1. Deze wet is van toepassing op de werknemers en werkgevers.
De Koning kan:
1° Onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon, arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die arbeid verrichten onder gelijkaardige voorwaarden; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd;
2° Voor zekere categorieën van werknemers en de personen bedoeld sub 1° die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot één of meer van de bij artikel 21 opgesomde regelingen beperken;
3° Voor deze categorieën van werknemers en de personen bedoeld sub 1° die Hij bepaalt, de bijzondere toepassingsmodaliteiten vastleggen, waarbij van zekere bepalingen van deze wet wordt afgeweken;
4° Onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige of gelegenheidsbetrekking is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling, van die werknemers;
5° Onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de geneesheren die in door Hem aan te wijzen instellingen werkzaam zijn.
§ 2. Wanneer de Koning gebruik maakt van de bevoegdheden welke Hem bij § 1, 1° en 2°, worden opgedragen, breidt Hij bij hetzelfde besluit het toepassingsgebied uit van de regelingen opgesomd in artikel 21 waarvan Hij het genot tot de nieuwe sociaal verzekerden wil uitbreiden.
§ 3. (De algemene regeling van de sociale zekerheid voor werknemers en de bijzondere regeling voor de mijnwerkers worden versmolten tot één stelsel. De Koning kan de nodige maatregelen treffen om dit stelsel ook te versmelten met de bijzondere regeling voor de zeevarenden tot één enkel stelsel voor het geheel van de werknemers. De bestaande openbare instelling van sociale zekerheid ten behoeve van zeevarenden kan worden behouden.)
(§ 3bis. Onverminderd § 3 wordt het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers, bedoeld in artikel 3, § 1, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de Mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, afgeschaft.
Zijn diensten, evenals zijn personeel, worden overgenomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering die het voortzetten zullen verzekeren respectievelijk van de opdrachten die tot op die datum door voornoemd Fonds werden vervuld betreffende de inning en de invordering van de bijdragen ingesteld in overeenstemming met de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden en de toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen waarin voornoemde besluitwet voorziet.
De passiva en activa, de rechten en verplichtingen van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers worden door het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering overgenomen.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de datum voor de overdracht van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde diensten en personeel.)
§ 4. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten en verordeningen inzake sociale zekerheid alsmede in artikel 13, tweede lid van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, is deze wet van toepassing op de werknemers die in België tewerkgesteld zijn in dienst van een in België gevestigde werkgever of verbonden zijn aan een in België gevestigde exploitatiezetel.
§ 5. De werkgevers noch de werknemers kunnen zich op de nietigheid van de arbeidsovereenkomst beroepen ten einde de toepassing van deze wet uit te sluiten.
[1 Instellingen van de Sociale Zekerheid en derden bij de arbeidsovereenkomst mogen zich niet beroepen op de nietigheid van de overeenkomst van een werknemer die zich prostitueert, teneinde de toepassing van deze wet uit te sluiten.]1
Art. 2. § 1er. La présente loi est applicable aux travailleurs et aux employeurs.
Le Roi peut:
1° Dans les conditions qu'il détermine, étendre l'application de la présente loi aux personnes qui, sans être liées par un contrat de travail, fournissent contre rémunération, des prestations sous l'autorité d'une autre personne ou qui exécutent un travail selon des modalités similaires: dans ce cas, le Roi désigne la personne qui est considérée comme employeur;
2° Limiter, pour certaines catégories de travailleurs et les personnes visées au 1° qu'Il détermine, l'application de la présente loi à un ou plusieurs des régimes énumérés à l'article 21;
3° Prévoir pour certaines catégories de travailleurs et les personnes visées au 1° qu'Il détermine, des modalités spéciales d'application dérogeant à certaines des dispositions de la présente loi;
4° Soustraire dans les conditions qu'Il détermine, à l'application de la présente loi, les catégories de travailleurs occupés à un travail qui constitue dans leur chef un emploi accessoire ou occasionnel, ainsi que les employeurs du chef de l'occupation des travailleurs;
5° Soustraire dans les conditions qu'Il détermine à l'application de la présente loi, les médecins occupés dans des institutions qu'Il désigne.
§ 2. Lorsque le Roi fait usage d'un des pouvoirs attribués par le § 1er, 1° et 2°, Il étend par le même arrêté, le champ d'application des régimes prévus à l'article 21, et dont Il entend faire bénéficier les nouveaux assurés sociaux.
§ 3. (Le régime général de la sécurité sociale des travailleurs et le régime particulier des ouvriers mineurs sont fusionnés de manière à former un régime unique. Le Roi peut prendre les mesures nécessaires pour fusionner ce régime avec le régime particulier des marins de la marine marchande de manière à former un régime unique commun à l'ensemble des travailleurs. L'établissement public de sécurité sociale pour les marins peut être maintenu.)
(§ 3bis. Sans préjudice du § 3, le Fonds national de retraite des ouvriers mineurs visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés est supprimé.
Ses services et son personnel sont absorbés par l'Office national de sécurité sociale et par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité qui continueront à assurer respectivement les missions remplies, jusqu'à cette date, par ledit Fonds en ce qui concerne la perception et le recouvrement des cotisations établies conformément à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et l'application des dispositions relatives aux pensions d'invalidité prévues par l'arrêté-loi précité.
Le passif et l'actif, les droits et obligations du Fonds national de retraite des ouvriers mineurs sont repris par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en conseil des ministres, les conditions et la date de transfert des services et du personnel visés par l'alinéa 2 du présent article.)
§ 4. Sans préjudice des conventions internationales et des règlements internationaux de sécurité sociale ainsi que de l'article 13, deuxième alinéa de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer, la présente loi s'applique aux travailleurs occupés en Belgique au service d'un employeur établi en Belgique ou attachés à un siège d'exploitation établi en Belgique.
§ 5. Ni les employeurs ni les travailleurs, ne peuvent, en vue d'écarter l'application de la présente loi, se prévaloir de la nullité du contrat de travail.
[1 Les institutions de sécurité sociale et les tiers au contrat de travail ne peuvent, en vue d'écarter l'application de la présente loi, se prévaloir de la nullité du contrat d'un travailleur qui se prostitue.]1
HOOFDSTUK II. - Beginselen.
CHAPITRE II. - Principes.
Art. 3. De sociale zekerheid der werknemers omvat het geheel van de sociale prestaties waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben het arbeidsinkomen van de werknemer te vervangen of aan te vullen ten einde hem te vrijwaren tegen de gevolgen van bepaalde arbeidsrisico's, tegenover bepaalde gezins- en levensomstandigheden en sociale risico's volgens de in artikel 21 opgesomde regelingen.
Art. 3. La sécurité sociale des travailleurs comprend l'ensemble des prestations sociales auxquelles ont droit les assurés sociaux et qui ont pour but de remplacer ou de compléter le revenu professionnel du travailleur afin de le préserver des conséquences de certains risques du travail, de certaines situations de famille et conditions de vie et des risques sociaux, selon les régimes prévus à l'article 21.
Art. 4. Onverminderd de geldende internationale overeenkomsten en binnen de grenzen van de geldende wetgeving hebben de sociaal verzekerden recht op de sociale zekerheid waarvan de beginselen zijn bepaald in de artikelen 5 tot 13.
Art. 4. Sans préjudice des conventions internationales applicables et dans les limites de la législation en vigueur, les assurés sociaux ont droit à la sécurité sociale dont les principes sont définis aux articles 5 à 13.
Art. 5. De sociaal verzekerden hebben recht op preventieve verzorging en op die welke voor de verbetering, het behoud of het herstel van hun gezondheid en die van hun gezin verantwoord is.
Art. 5. Les assurés sociaux ont droit aux soins préventifs ainsi qu'à ceux justifiés par l'amélioration, le maintien ou le rétablissement de leur santé et de celle de leur famille.
Art. 6. De sociaal verzekerden hebben recht op een gezinsbijslag voor kinderen te hunnen laste.
Art. 6. Les assurés sociaux ont droit à des prestations familiales pour les enfants à charge.
Art. 6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 7. De sociaal verzekerden die onvrijwillig volledig of (tijdelijk werkloos) zijn, hebben recht op een vervangingsinkomen.
Art. 7. Les assurés sociaux en chômage involontaire complet ou (temporaire) ont droit à un revenu de remplacement.
Art. 8. § 1. De sociaal verzekerden hebben in geval van arbeidsongeschiktheid recht op een vervangingsinkomen.
§ 2. Bijzondere regelen kunnen worden toegepast wanneer de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte.
Art. 8. § 1er. En cas d'incapacité de travail, les assurés sociaux ont droit à un revenu de remplacement.
§ 2. Des règles spéciales peuvent être appliquées lorsque l'incapacité de travail est due à un accident du travail ou à une maladie professionnelle.
Art. 9. De sociaal verzekerden hebben bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op een rustpensioen.
Art. 9. Lorsqu'ils ont atteint l'âge de la pension, les assurés sociaux ont droit à une pension de retraite.
Art. 10. § 1. Bij overlijden van de sociaal verzekerde werknemer, heeft de overlevende echtgenoot recht op een overlevingsuitkering.
§ 2. Wanneer het overlijden van de sociaal verzekerde het gevolg is van arbeidsongeval of een beroepsziekte, hebben de leden van het gezin recht op een levenslange of tijdelijke rente.
§ 3. Bij overlijden van de sociaal verzekerde wordt een uitkering voor begrafeniskosten uitbetaald.
Art. 10. § 1er. En cas de décès du travailleur assuré social, le conjoint survivant a droit à une prestation de survie.
§ 2. Lorsque l'assuré social est décédé à la suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, les membres de la famille ont droit à une rente viagère ou temporaire.
§ 3. Si l'assuré social décède, une indemnité de frais funéraires est accordée.
Art. 11. De sociaal verzekerde werknemers hebben uit hoofde van de jaarlijkse vakantie recht op een vakantiegeld.
Art. 11. Les travailleurs assurés sociaux ont droit, au titre des vacances annuelles, à un pécule de vacances.
Art. 12. De vervangingsinkomens bedoeld in de artikelen 7 tot en met 11 worden berekend op basis van het werkelijke loon of van het forfaitair dan wel fictief loon.
Art. 12. Les revenus de remplacement visés aux 7 à 11 sont calculés sur la base de la rémunération réelle ou de la rémunération forfaitaire ou fictive.
Art. 13. De sociale prestaties kunnen gedifferentieerd worden volgens de gezinstoestand van de sociaal verzekerden.
Art. 13. Les prestations sociales peuvent être différenciées compte tenu de la situation de la famille des assurés sociaux.
Art. 14. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voorzien in een regeling waarbij de sociaal verzekerden die om grondige redenen tijdelijk hun arbeid onderbreken, hun sociale-zekerheidsrechten behouden, mits zij de bijdragen betalen, of die rechten na de onderbreking terugvinden.
Art. 14. Le Roi peut, dans les conditions qu'il détermine, prévoir un régime permettant aux assurés sociaux interrompant temporairement leur travail pour des motifs fondamentaux, de conserver leurs droits de sécurité sociale moyennant le paiement de cotisations ou de retrouver ces droits après l'interruption.
Art. 14bis. De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad en bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wetgeving en reglementering inzake sociale zekerheid wijzigen, teneinde de rechten en de plichten te harmoniseren van de werkgevers en de werknemers zowel wat de (deeltijdse werknemers betreft) als wat de (voltijdse werknemers betreft) en ongeacht de wijze waarop de arbeidsprestaties over de verscheidene dagen van de week zijn gespreid. Hij mag inzonderheid wijzigingen brengen in de bepalingen betreffende :
1° de bijdrageplicht van werkgevers en werknemers;
2° de wijze van aangifte van (tewerkstelling van voltijdse werknemers), van (tewerkstelling van deeltijdse werknemers) of van arbeid die ongelijk gespreid is over de verscheidene dagen van de week;
3° de wijze waarop de duur van dergelijke tewerkstelling wordt bepaald voor de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen;
4° de duur van de wachttijden en de toekenningsvoorwaarden van sociale prestaties, indien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde duur van arbeid of aan een bepaald bedrag van het loon.
Art. 14bis. Le Roi peut, après avis du Conseil national du travail, et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier la législation et la réglementation en matière de sécurité sociale, afin d'harmoniser les droits et les obligations des employeurs et des travailleurs, tant pour les travailleurs à temps partiel que pour les travailleurs à temps plein et nonobstant la manière dont les prestations de travail sont réparties sur les différents jours de la semaine. Il peut notamment apporter des modifications aux dispositions concernant :
1° l'obligation de cotisation des employeurs et travailleurs;
2° le mode de déclaration du (travail effectué par des travailleurs à temps plein), du (travail effectué par des travailleurs à temps partiel) ou du travail qui est réparti d'une manière inégale sur les divers jours de la semaine;
3° la manière dont la durée dudit travail à temps partiel est déterminée pour l'application des régimes de sécurité sociale;
4° la durée des stages et des conditions d'octroi des prestations sociales lorsqu'elles sont liées à une certaine durée du travail ou à un certain montant de revenu.
Art. 15. Bij cumulatie van een vervangingsinkomen met een of meer andere door de sociale-zekerheidsregelingen ingestelde vervangingsinkomens, met andere sociale prestaties of met een arbeidsinkomen, kunnen door de Koning regels worden vastgesteld ter beperking van die samenvoeging.
Art. 15. En cas de cumul d'un revenu de remplacement avec un ou plusieurs autres revenus de remplacement instaurés par les régimes de sécurité sociale, avec d'autres prestations sociales ou avec un revenu professionnel, des règles limitant ce cumul peuvent être établies par le Roi.
Art. 16. § 1. Bij het vaststellen van de sociale prestaties en de toekenningsvoorwaarden ervan, mag tussen de sociaal verzekerden die zich in dezelfde toestand bevinden, geen onderscheid gemaakt worden.
§ 2. De sociale prestaties worden toegekend zonder verwijzing naar de staat van behoefte en onverminderd de voorwaarden tot het verkrijgen en toekennen van de prestaties.
§ 3. De bedragen der sociale prestaties zijn gekoppeld aan de schommelingen van het algemeen indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk overeenkomstig de regelen vastgesteld bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
§ 4. De Koning kan de bedragen der sociale prestaties elk jaar aanpassen aan het welvaartspeil.
Art. 16. § 1er. Lors de la fixation des prestations sociales et des conditions d'octroi, aucune distinction ne peut être faite entre assurés sociaux se trouvant dans la même situation.
§ 2. Les prestations sociales sont accordées sans référence à l'état de besoin et sans préjudice des conditions d'accès et d'octroi des prestations.
§ 3. Les montants des prestations sociales sont liés aux fluctuations de l'indice général des prix à la consommation du Royaume, conformément aux règles établies par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière de sécurité sociale aux travailleurs indépendants.
§ 4. Le Roi peut adapter annuellement les montants des prestations sociales au niveau du bien-être.
(NOTE : L'article 16, § 3, ne s'applique pas, en ce qui concerne le dépassement de l'indice-pivot qui suit celui de mai 2016, aux prestations en matière d'allocation familiale qui sont octroyées par la Communauté flamande. Voir DCFL 2016-12-23/02, art. 16)
Art. 17. § 1. Maatregelen van organisatorische aard moeten worden getroffen om de voorlichting te waarborgen waarop de sociaal verzekerden recht hebben.
§ 2. De Koning treft maatregelen met het oog op:
- de vereenvoudiging van de administratieve formaliteiten;
- de invoering van polyvalente aanvragen, inzonderheid ten behoeve van de sociaal verzekerden die onder meer dan één regeling ressorteren of die van de ene op de andere regeling overstappen;
- de vermindering van het aandeel van de sociaal verzekerden in het verstrekken van de vereiste bewijzen.
Art. 17. § 1er. Des mesures d'organisation doivent être prises pour assurer l'information à laquelle les assurés sociaux ont droit.
§ 2. Le Roi prend des mesures en vue de:
- la simplification des formalités administratives;
- l'instauration des demandes polyvalentes, notamment en faveur des assurés sociaux qui ressortissent à plus d'un régime ou qui passent d'un régime à l'autre;
- la réduction de la part d'intervention des assurés sociaux dans la production des preuves requises.
Art. 18. (opgeheven)
Art. 18. (abrogé)
Art. 19. In het raam van het sociaal overleg geschiedt de voorbereiding van de sociale zekerheidsregelingen in overleg tussen de Regering en de in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, alsmede in de instellingen met paritair beheer.
Wat de ziekteverzekering betreft, wordt het overleg uitgebreid tot de ziekenfondsen en de beroepsorganisaties van de verstrekkers van geneeskundige verzorging en van de ziekenhuizen.
Art. 19. La préparation des régimes de sécurité sociale se fait dans le cadre de la concertation sociale entre le Gouvernement et les organisations représentatives des employeurs et des travailleurs, représentées au Conseil national du Travail, ainsi que dans les institutions à gestion paritaire.
En ce qui concerne l'assurance maladie-invalidité, la concertation est étendue aux mutualités et aux organisations professionnelles des dispensateurs de soins médicaux et des hôpitaux.
Art. 20. (opgeheven)
Art. 20. (abrogé)
HOOFDSTUK III. - Regelingen en geldmiddelen.
CHAPITRE III. - Régimes et moyens financiers.
Art. 21. § 1. De sociale zekerheid der werknemers omvat (de hierna volgende takken) :
1° de uitkeringen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
2° de werkloosheidsuitkeringen;
3° de rust- en overlevingspensioenen;
4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen en beroepsziekten;
5° de geneeskundige verstrekkingen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
6° de gezinsbijslag;
7° de jaarlijkse vakantie-uitkeringen.
§ 2. Het Globaal Beheer betreft de hierna vermelde regelingen en takken :
1° de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
- tak geneeskundige verzorging;
- tak uitkeringen;
[2 de werkloosheidsuitkeringen, inclusief de uitkeringen voor het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, de onderbrekingsuitkeringen voor het algemeen stelsel van tijdskrediet en de onderbrekingsuitkeringen voor thematische verloven voor de werknemers uit de private sector]2;
3° de rust- en overlevingspensioenen (...);
4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen, beheerd door [3 Fedris]3, met uitsluiting van het kapitalisatiestelsel;
5° de uitkeringen uit hoofde van beroepsziekten, behalve voor het personeel van de plaatselijke en provinciale overheidsbesturen;
[1 ...]1;
7° de invaliditeitspensioenen ten voordele van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden.
(8° de tak geneeskundige verzorging en de tak uitkeringen van het stelsel der zeelieden ter koopvaardij;
9° de tak werkloosheid van het stelsel der zeelieden ter koopvaardij;
[4 10° de terugbetaling van inschakelingsvergoedingen, zoals bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, z), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]4
Art. 21. § 1er. La sécurité sociale des travailleurs comprend les (branches suivantes) :
1° les indemnités dues en exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités;
2° les allocations de chômage;
3° les pensions de retraite et de survie;
4° les allocations du chef d'accidents de travail et de maladie professionnelles;
5° les prestations de santé dues en exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités;
6° les prestations familiales;
7° les allocations de vacances annuelles.
§ 2. La Gestion globale concerne les régimes et les branches suivants :
1° l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités :
- secteur des soins de santé;
- secteur des indemnités;
[2 les allocations de chômage, en ce compris les allocations pour le régime du chômage avec complément d'entreprise, les allocations d'interruption pour le régime général du crédit-temps et les allocations d'interruption pour les congés thématiques des travailleurs du secteur privé]2;
3° les pensions de retraite et de survie (...);
4° les indemnités du chef d'accidents du travail, gérées par [3 Fedris]3, à l'exclusion du système de capitalisation;
5° les indemnités du chef de maladies professionnelles, hormis pour le personnel des administrations provinciales et locales;
[1 ...]1;
7° les pensions d'invalidité au profit des ouvriers mineurs et assimilés.
(8° le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités du régime des marins de la marine marchande;
9° le secteur du chômage du régime des marins de la marine marchande;
[4 10° le remboursement des indemnités de reclassement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, z), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]4
Art. 21 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De sociale zekerheid der werknemers omvat (de hierna volgende takken) :
1° de uitkeringen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
2° de werkloosheidsuitkeringen;
3° de rust- en overlevingspensioenen;
4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen en beroepsziekten;
5° de geneeskundige verstrekkingen verschuldigd in uitvoering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;
[4 ...]4
7° de jaarlijkse vakantie-uitkeringen.
§ 2. Het Globaal Beheer betreft de hierna vermelde regelingen en takken :
1° de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen
- tak geneeskundige verzorging;
- tak uitkeringen;
[2 de werkloosheidsuitkeringen, inclusief de uitkeringen voor het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, de onderbrekingsuitkeringen voor het algemeen stelsel van tijdskrediet en de onderbrekingsuitkeringen voor thematische verloven voor de werknemers uit de private sector]2;
3° de rust- en overlevingspensioenen (...);
4° de uitkeringen uit hoofde van arbeidsongevallen, beheerd door [3 Fedris]3, met uitsluiting van het kapitalisatiestelsel;
5° de uitkeringen uit hoofde van beroepsziekten, behalve voor het personeel van de plaatselijke en provinciale overheidsbesturen;
[1 ...]1;
7° de invaliditeitspensioenen ten voordele van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden.
(8° de tak geneeskundige verzorging en de tak uitkeringen van het stelsel der zeelieden ter koopvaardij;
9° de tak werkloosheid van het stelsel der zeelieden ter koopvaardij.)
Art. 21 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. La sécurité sociale des travailleurs comprend les (branches suivantes) :
1° les indemnités dues en exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités;
2° les allocations de chômage;
3° les pensions de retraite et de survie;
4° les allocations du chef d'accidents de travail et de maladie professionnelles;
5° les prestations de santé dues en exécution de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités;
[4 ...]4
7° les allocations de vacances annuelles.
§ 2. La Gestion globale concerne les régimes et les branches suivants :
1° l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités :
- secteur des soins de santé;
- secteur des indemnités;
[2 les allocations de chômage, en ce compris les allocations pour le régime du chômage avec complément d'entreprise, les allocations d'interruption pour le régime général du crédit-temps et les allocations d'interruption pour les congés thématiques des travailleurs du secteur privé]2;
3° les pensions de retraite et de survie (...);
4° les indemnités du chef d'accidents du travail, gérées par [3 Fedris]3, à l'exclusion du système de capitalisation;
5° les indemnités du chef de maladies professionnelles, hormis pour le personnel des administrations provinciales et locales;
[1 ...]1;
7° les pensions d'invalidité au profit des ouvriers mineurs et assimilés.
(8° le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités du régime des marins de la marine marchande;
9° le secteur du chômage du régime des marins de la marine marchande.)
Art. 22. § 1. De geldmiddelen van de sociale zekerheid komen voort uit :
- de solidariteit van de werkgevers en de werknemers in de vorm van sociale zekerheidsbijdragen;
- de nationale solidariteit in de vorm van rijkstoelagen;
- de inkomsten te bepalen door of krachtens de wet;
- de legaten, leningen, interesten van kapitalen.
Onverminderd een solidariteitsbijdrage, gelden bijzondere wetten voor arbeidsongevallen en beroepsziekten.
§ 2. De geldmiddelen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2 komen voort van :
a) inkomsten van het Globaal Beheer, die geglobaliseerd worden :
- de opbrengst van de globale bijdrage bedoeld in artikel 23, [3 negende lid]3, in artikel 1, § 5 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen [...] en in artikel 3, § 6 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden der koopvaardij;
- de opbrengst van de bijdrage, bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9°, [...] en in artikel 3, § 3, eerste lid, 7°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden der koopvaardij;
- de opbrengst van de loonmatigingsbijdrage, bedoeld in artikel 38, § 3bis [...];
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 38, § 3ter, [...] en in artikel 3, § 3ter van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden der koopvaardij;
- de opbrengst van de inhouding op het dubbel vakantiegeld, bedoeld in artikel 39;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid, bedoeld in de artikelen 106 tot 112 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
- de opbrengst van de bijzondere werkgeversbijdrage op het conventioneel brugpensioen, bedoeld in artikel 141 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
- de opbrengst van de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage, bedoeld in artikel 11 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, in toepassing van artikel 3, § 1, 4° van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
- de opbrengst van de alternatieve financiering bedoeld in artikel 89 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
- de opbrengst van de solidariteitsbijdrage voor het persoonlijk gebruik van een voertuig ter beschikking gesteld door de werkgever, bedoeld in artikel 38, § 3quater;
- de opbrengst van de solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van de studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten, die niet onderworpen zijn aan het stelsel van de sociale zekerheid van de werknemers;
- de opbrengst van de rijkstoelagen, gestort aan de RSZ.-Globaal Beheer;
[1 - 100 % van het totaal [2 van de door de Belgische instanties geïnde bedragen van de administratieve financiële sancties en van de administratieve geldboeten]2 die, in toepassing van het Sociaal Strafwetboek, aan de Schatkist werden overgemaakt;]1
- de opbrengst van andere stortingen aan de RSZ.-Globaal Beheer, gedaan op grond van wettelijke en reglementaire beschikkingen;
- de opbrengst van beleggingen van de RSZ-Globaal Beheer;
- de opbrengst van leningen afgesloten door de RSZ-Globaal Beheer;
- de opbrengst van legaten en schenkingen aan de RSZ-Globaal Beheer;
[ de opbrengst van de inhouding, bedoeld in artikel 39ter;]
[4 - de opbrengst van de solidariteitsbijdrage voor de tewerkstelling van werknemers die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers, krachtens artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bedoeld in artikel 13 van de wet van xxx tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.]4
b) eigen inkomsten van de regelingen en takken, bedoeld in artikel 21, § 2, die niet geglobaliseerd worden :
- de opbrengst van bijdragen rechtstreeks geïnd door één van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2;
- de opbrengst van de specifieke rijkstoelagen rechtstreeks gestort aan één van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2;
- de opbrengst van de tegoeden op rekening afkomstig van stortingen die het bedrag van de dagelijks te financieren thesauriebehoeften van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2, overschrijden;
- de opbrengst van andere stortingen gedaan op grond van wettelijke en reglementaire beschikkingen aan één van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2;
- de opbrengst van terugvorderingen en boetes van één van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2;
- de opbrengst van legaten en schenkingen aan één van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.
Art. 22. § 1er. Les moyens financiers de la sécurité sociale proviennent :
- de la solidarité des travailleurs et des employeurs sous forme de cotisations de sécurité sociale;
- de la solidarité nationale sous forme de subventions de l'Etat;
- des recettes à déterminer par ou en vertu de la loi;
- des legs, emprunts, intérêts de capitaux.
Sans préjudice d'une cotisation de solidarité, des lois particulières s'appliquent aux accidents du travail et aux maladies professionnelles.
§ 2. Les moyens financiers de la Gestion globale, visée à l'article 21, § 2 proviennent de :
a) recettes de la Gestion globale qui sont globalisées :
- le produit de la cotisation globale, visée à l'article 23, [3 alinéa 9]3, à l'article 1er, § 5 de la loi du 1 août 1985 portant des dispositions sociales [...] et à l'article 3, § 6 de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la cotisation, visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 9°, [...] et à l'article 3, § 3, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la cotisation de modération salariale, visée à l'article 38, § 3bis [...];
- le produit de la cotisation spéciale, visée à l'article 38, § 3ter, [...] et à l'article 3, § 3ter de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la retenue sur le double pécule de vacances, visée à l'article 39;
- le produit de la cotisation spéciale pour la sécurité sociale, visée aux articles 106 à 112 inclus de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales;
- le produit de la cotisation spéciale à charge de l'employeur sur la prépension conventionnelle, visée à l'article 141 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
- le produit de la cotisation patronale mensuelle compensatoire particulière, visée à l'article 11 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi;
- le produit de la cotisation particulière, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 27 novembre 1996 instaurant une cotisation patronale particulière en vue de financer le régime du chômage temporaire et du complément d'ancienneté pour les chômeurs âgés, en application de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
- le produit du financement alternatif visé à l'article 89 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses;
- le produit de la cotisation de solidarité pour l'utilisation personnelle d'un véhicule mis à la disposition par l'employeur, visée à l'article 38, § 3quater;
- le produit de la cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant des mesures en vue de l'introduction d'une cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
- le produit des interventions de l'Etat versées à l'ONSS-Gestion globale;
[1 - 100 % du total [2 des montants des sanctions administratives pécuniaires et des amendes administratives perçus par les instances belges]2 qui, en application du Code pénal social, ont été transférés au Trésor;]1
- le produit d'autres versements effectués à l'ONSS-Gestion globale sur base de dispositions légales et réglementaires;
- le produit des placements de l'ONSS-Gestion globale;
- le produit d'emprunts conclus par l'ONSS-Gestion globale;
- le produit de legs et de dons à l'ONSS-Gestion globale;
[ le produit de la retenue visée à l'article 39ter;]
[4 - le produit de la cotisation de solidarité pour l'occupation des travailleurs non assujettis à la sécurité sociale des travailleurs salariés, en application de l'article 17sexies de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs telle que visée à l'article 13 de la loi du xxx portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.]4
b) recettes propres des régimes et des branches, visés à l'article 21, § 2, qui ne sont pas globalisées :
- le produit des cotisations perçues directement par un des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2;
- le produit des interventions particulières de l'Etat versées directement à un des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2;
- le produit des avoirs sur compte provenant des versements qui dépassent le montant des besoins de trésorerie journaliers à financer, des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2;
- le produit d'autres versements effectués sur base de dispositions légales et réglementaires à un des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2;
- le produit de recouvrements et d'amendes d'un des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2;
- le produit de legs et de dons à un des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2.
Art. 23. De sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op basis van het loon van de werknemer.
Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip, bij een in Ministerraad overlegd besluit, verruimen of beperken. (De voordelen zoals bedoeld in hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en in Titel XIII, Enig Hoofdstuk " Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven " van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I) zijn uitgesloten uit het loonbegrip ten belope van het in artikel 38, § 3novies, bepaalde bedrag.)
[3 Het flexiloon als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken, het flexivakantiegeld als bedoeld in artikel 3, 6°, van dezelfde wet en de netto-vergoedingen voor de overuren in de horecasector, zoals omschreven in artikel 3, 5°, van dezelfde wet, zijn uitgesloten uit het loonbegrip.]3
[4 De bedragen die toegekend worden als mobiliteitsvergoeding overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding zijn uitgesloten uit het loonbegrip.]4
[5 Het saldo van het mobiliteitsbudget dat overeenkomstig artikel 8, § 3, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget ter beschikking wordt gesteld van de werknemer, wordt uitgesloten uit het loonbegrip.]5
[1 Bij betwisting van de realiteit van de kosten ten laste van de werkgever, dient de werkgever de realiteit van deze kosten aan te tonen door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens aangeleverd door de werkgever, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op voorstel van de bevoegde inspectiediensten die de werkgever gehoord hebben, ambtshalve een bijkomende aangifte uitvoeren, rekening houdende met alle nuttige inlichtingen waarover hij beschikt.]1

Bij wet kan het loon echter voor het geheel van de sociale zekerheid of voor één of meer regelingen ervan of voor bepaalde categorieën van werknemers worden aangepast door toepassing van een coëfficiënt, die rekening houdt met het belang van de factor arbeid in het geheel van de produktiekosten. Het loon kan ook geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een andere basis van berekening op grond van de aangewende produktiefaktoren in de onderneming of de resultaten ervan.
(De bijdragen bedoeld in artikel 38, § 2, 1° tot 4° en [2 § 3, 1° of 2° of 3°]2 worden met het oog op de verdeling onder de regelingen en takken bedoeld in artikel 21, § 2 samengevoegd tot een globale bijdrage, met uitzondering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen [6 , met uitzondering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen, berekend op het tweede deel van de vergoeding bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]6. (...).)
Art. 23. Les cotisations de sécurité sociale sont calculées sur base de la rémunération du travailleur.
La notion de rémunération est déterminée par l'article 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs. Toutefois, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, élargir ou restreindre la notion ainsi déterminée. (Les avantages visés au chapitre II de la loi du 21 décembre 2007 relative à l'exécution de l'accord interprofessionnel 2007-2008 ainsi qu'au Titre XIII, Chapitre unique " Mise en place d'un système d'avantages non récurrents liés aux résultats pour les entreprises publiques autonomes " de la loi du 24 juillet 2008 portant des dispositions diverses (I) sont exclus de la notion de rémunération à concurrence du montant déterminé à l'article 38, § 3novies.)
[3 Le flexisalaire visé à l'article 3, 2°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale, le flexipécule de vacances visé à l'article 3, 6°, de la même loi et les rémunérations nettes pour les heures supplémentaires dans le secteur de l'horeca, telles que définies à l'article 3, 5°, de la même loi, sont exclues de la notion de rémunération.]3
[4 Les montants octroyés en tant qu'allocation de mobilité conformément aux dispositions de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité sont exclus de la notion de rémunération.]4
[5 Le solde du budget mobilité mis à disposition du travailleur conformément à l'article 8, § 3, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité est exclu de la notion de rémunération.]5
[1 En cas de contestation quant au caractère réel des frais à charge de l'employeur, l'employeur doit démontrer la réalité de ces frais au moyen de documents probants ou, quand cela n'est pas possible, par tous autres moyens de preuve admis par le droit commun, sauf le serment.
En l'absence d'éléments probants fournis par l'employeur, l'Office national de sécurité sociale peut, sur proposition des services d'inspection compétents qui ont auditionné l'employeur, effectuer d'office une déclaration supplémentaire, compte tenu de toutes les informations utiles dont il dispose.]1

Toutefois, la loi peut pour l'ensemble de la sécurité sociale, pour un ou plusieurs de ses régimes, ou pour certaines catégories de travailleurs, affecter la rémunération d'un coefficient qui tient compte de l'importance du facteur travail dans l'ensemble des frais de production. La rémunération peut également être remplacée en tout ou en partie par une autre base de calcul, établie à partir des facteurs de production utilisés dans l'entreprise ou de ses résultats.
(Les cotisations visées à l'article 38, § 2, 1° à 4° et [2 § 3, 1° ou 2° ou 3°]2 sont rassemblées en une cotisation globale en vue de la répartition entre les régimes et branches visés à l'article 21, § 2 [6 , à l'exception des cotisations patronales de sécurité sociale, calculées sur la deuxième partie de l'indemnité visée à l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail]6.(...).)
Art. 23bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder :
1° bediende : de hoofdarbeider bedoeld in artikel 9 van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971;
2° vertrekvakantiegeld : het vakantiegeld betaald aan een bediende in uitvoering van artikel 46 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers;
3° enkel vertrekvakantiegeld : het gedeelte van het vertrekvakantiegeld dat overeenstemt met 7,67 pct. van de bedragen en voordelen die de wedden vormen bedoeld bij artikel 46 van het voornoemd koninklijk besluit van 30 maart 1967;
4° dubbel vertrekvakantiegeld : het deel van het vertrekvakantiegeld dat overeenstemt met 7,67 pct. van de bedragen en voordelen die wedden zijn bedoeld bij artikel 46 van voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967.
§ 2. In afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, is het enkel vertrekvakantiegeld betaald aan een bediende loon in de zin van artikel 23 van deze wet op het moment dat het wordt uitbetaald, met uitzondering van het enkel vertrekvakantiegeld uitbetaald aan [1 1° de bedienden tewerkgesteld in het kader van een overeenkomst bedoeld bij de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° de bedienden tewerkgesteld als gesubsidieerde contractuele onder de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel III van de programmawet van 30 december 1988;
3° de bedienden tewerkgesteld ter vervanging van de ambtenaren die de loopbaanonderbreking genieten, ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
4° de bedienden bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
5° de bedienden tewerkgesteld ter vervanging van de personeelsleden bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;
6° de gesubsidieerde contractuelen tewerkgesteld onder de voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen;
7° de werknemers tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn onder de voorwaarden van het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid.]1

[1 Wanneer de bediende die valt onder de uitzonderingen bedoeld in het eerste lid, vakantie neemt, wordt het normale loon betreffende de vakantiedagen dat door het enkel vertrekvakantiegeld is gedekt, evenwel beschouwd als loon.]1
§ 3. Het enkel vertrekvakantiegeld betaald aan de bediende moet aangegeven worden zowel door de werkgever die het betaalt alsook door de werkgever die de bediende tewerkstelt op het ogenblik van de opname van alle of een gedeelte van de vakantiedagen gedekt door het vertrekvakantiegeld, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 21 van wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de toepassing van artikel 2, eerste lid, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, wat de bedienden betreft voor wie de aftrek werd verricht bedoeld bij de artikelen 48 of 49 van het voornoemd koninklijk besluit van 30 maart 1967, zijn de bijdragen verschuldigd op het bedrag van het normaal loon voor de vakantiedagen, verminderd met :
1° het bedrag van het enkel vertrekvakantiegeld dat hierop in mindering werd gebracht;
2° het bedrag waarop reeds bijdragen zijn betaald bij toepassing van artikel 19, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van het vorig lid zijn niet van toepassing op werknemers [1 die vallen onder de uitzonderingen vermeld in paragraaf 2]1.
§ 5. De in artikel 39 bedoelde inhouding is eveneens van toepassing op het in § 1, 4°, bedoelde deel van het vakantiegeld, met uitzondering van het deel dat overeenstemt met het dubbel vertrekvakantiegeld vanaf de derde dag van de vierde week.
§ 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de bepalingen van dit artikel wijzigen, aanvullen en opheffen.
Art. 23bis. § 1er. Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par :
1° employé : le travailleur intellectuel visé à l'article 9 des lois coordonnées du 28 juin 1971 relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés;
2° pécule de sortie : le pécule de vacances payé à un employé en exécution de l'article 46 de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés;
3° pécule simple de sortie : la partie du pécule de sortie qui correspond à 7,67 p.c. des sommes et avantages constituant les rémunérations visées par l'article 46 de l'arrêté royal précité du 30 mars 1967;
4° double pécule de sortie : la partie du pécule de sortie qui correspond à 7,67 p.c. des sommes et avantages constituant les rémunérations visées par l'article 46 de l'arrêté royal précité du 30 mars 1967.
§ 2. Par dérogation à l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, le pécule simple de sortie payé à un employé constitue de la rémunération au sens de l'article 23 de la présente loi au moment de son versement, à l'exception du pécule simple de sortie versé [1 1° aux employés occupés dans le cadre d'un contrat visé par la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
2° aux employés occupés comme contractuels subventionnés sous les conditions du chapitre 2 du titre III de la loi-programme du 30 décembre 1988;
3° aux employés occupés en remplacement des fonctionnaires qui bénéficient de l'interruption de carrière introduite par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales;
4° aux employés visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
5° aux employés occupés en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public;
6° aux contractuels subventionnés occupés sous les conditions de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux;
7° aux travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, sous les conditions de l'arrêté royal du 2 avril 1998 portant exécution de l'article 33 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi.]1

[1 Toutefois, lorsque l'employé qui tombe sous les exceptions visées à l'alinéa 1er, prend ses vacances, la rémunération normale afférente aux jours de vacances couverte par le pécule simple de sortie est considérée comme rémunération.]1
§ 3. Le pécule simple de sortie payé à l'employé doit être déclaré, tant par l'employeur qui le paye que par l'employeur qui occupe l'employé au moment de la prise de tout ou partie des jours de congés couverts par le pécule de sortie, dans les conditions visées à l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
§ 4. Sans préjudice de l'application de l'article 2, alinéa 1er, des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, en ce qui concerne les employés pour lesquels la déduction visée aux articles 48 ou 49 de l'arrêté royal précité du 30 mars 1967 est effectuée, les cotisations sont dues sur le montant de la rémunération normale pour les jours de vacances diminué :
1° du montant du simple pécule de sortie qui en a été déduit;
2° du montant pour lequel des cotisations ont déjà été payées en application de l'article 19, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions de l'alinéa précédent ne s'appliquent pas aux travailleurs [1 qui tombent sous les exceptions visées au paragraphe 2]1.
§ 5. La retenue visée à l'article 39 est également d'application pour la partie du pécule de vacances visé au § 1er, 4°, à l'exception de la partie correspondant au double pécule de sortie à partir du troisième jour de la quatrième semaine.
§ 6. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Conseil National du Travail, le Roi peut modifier, compléter et abroger les dispositions du présent article.
Art. 24. § 1. De opbrengst van de geglobaliseerde geldmiddelen, bedoeld in artikel 22, § 2, a) wordt, na voorafneming van de bestuurskosten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met inbegrip van de leningslasten, verdeeld onder de regelingen en takken van het Globaal Beheer, opgesomd in artikel 21, § 2. Deze verdeling gebeurt op basis van de te financieren thesauriebehoeften van de hiervoor bedoelde regelingen en takken. Het bedrag van de te financieren thesauriebehoeften van deze regelingen en takken is gelijk aan het verschil op thesauriebasis tussen de uitgaven - lopende en kapitaalsverrichtingen met uitsluiting van de beleggingsverrichtingen - en de eigen inkomsten, bedoeld in artikel 22, § 2, b).
[2 Wanneer een deel of het geheel van een tak wordt onttrokken aan het toepassingsgebied van het globaal beheer, worden de te financieren behoeften overeenkomend met de rechten waarvan de betaling op vervaldag komt na de datum van de onttrekking, maar die krachtens de geldende boekhoudregels geboekt worden in de resultatenrekening van het jaar dat de onttrekking voorafgaat, in rekening gebracht om de te financieren behoeften van het jaar dat de onttrekking voorafgaat te bepalen.]2
(§ 1bis. Vanaf het boekjaar 2008, in afwijking van de bepalingen van § 1, onverminderd de dekking van de behoeften van de dagelijkse thesaurie, is het gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen verschuldigd voor de financiering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voor het boekjaar, beperkt overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf.
Het bedrag verschuldigd voor een boekjaar N krachtens deze beperking is gelijk aan het bedrag verschuldigd, overeenkomstig deze paragraaf, voor het voorgaande boekjaar N-1, waarop het percentage van de stijging van de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen tussen het boekjaar N-1 en het boekjaar N-2 wordt toegepast. Het boekjaar N is het lopende boekjaar, het boekjaar N-1 is het voorgaande boekjaar en het boekjaar N-2 is het boekjaar dat aan N-1 voorafgaat.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een gedeelte van het bedrag verschuldigd krachtens het vorige lid neutraliseren. De neutralisatie heeft tot doel de weerslag op het stijgingspercentage van de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen van beslissingen genomen door de federale overheid en die hogere inkomsten uit bijdragen voor de financiering van nieuwe initiatieven beogen, teniet te doen.
De Koning kan ook bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het stijgingspercentage van de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen voor de berekening van het in het tweede lid bedoelde bedrag corrigeren, en dit enkel met als doel de negatieve weerslag van een beleidswijziging op voormeld stijgingspercentage van de sociale bijdragen te beperken of te neutraliseren. Deze correctie kan bovendien slechts worden toegepast indien de weerslag van de beleidswijziging op de financiering van het globaal beheer volledig en bruto gecompenseerd werd.
Voor de toepassing van deze paragraaf zijn de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen van een boekjaar de som van de volgende beschikbare effectieve opbrengsten van bijdragen :
- de opbrengst van de globale bijdrage bedoeld in artikel 23, vierde lid, en in artikel 1, § 5 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, en in artikel 3, § 6 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
- de opbrengst van de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9° en in artikel 3, § 3, eerste lid, 7°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
- de opbrengst van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3ter en in artikel 3, § 3ter van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid, bedoeld in artikel 106 tot en met 112 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage ten laste van de werkgever op het conventioneel brugpensioen, bedoeld in artikel 141 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
- de opbrengst van de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdrage, bedoeld in artikel 11 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling;
- de opbrengst van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 november 1996 tot instelling van een bijzondere werkgeversbijdrage ter financiering van het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, in toepassing van artikel 3, § 1, 4° van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;
- de opbrengst van de solidariteitsbijdrage voor het persoonlijk gebruik van een door de werkgever ter beschikking gesteld voertuig, bedoeld in artikel 38, § 3quater;
- de opbrengst van de solidariteitsbijdrage voor de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers;
[15 - de opbrengst van de solidariteitsbijdrage voor de tewerkstelling van werknemers die niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers, krachtens artikel 17sexies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, bedoeld in artikel 13 van de wet van xxx tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.]15
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, deze lijst van bijdragen wijzigen.
Worden bedoeld onder effectieve opbrengsten, de opbrengsten van de werkelijk geïnde bijdragen, namelijk na aftrek van de verminderingen van sociale-zekerheidsbijdragen toegekend krachtens deze wet evenals de programmawet (I) van 24 december 2002. Worden bedoeld onder beschikbare opbrengsten van bijdragen, het saldo van de bijdragen na aftrek van de volgende toewijzingen :
- de toewijzingen bedoeld in artikel 35.
De Koning kan deze de lijst van toewijzingen wijzigen.
Deze beschikbare effectieve ontvangsten zullen worden geïsoleerd en het totaal ervan zal apart vermeld worden in een bijlage bij de rekeningen van begrotingsuitvoering. Het percentage van de stijging van de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen tussen het boekjaar N-1 en het boekjaar N-2 wordt vastgelegd bij de goedkeuring van deze rekeningen. De in deze paragraaf bedoelde rekeningen van begrotingsuitvoering zijn de rekeningen die voor ieder boekjaar worden opgemaakt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid bij toepassing van artikel 11 a) van het koninklijk besluit van 22 juni 2001 tot vaststelling van de regelen inzake de begroting, de boekhouding en de rekeningen van de openbare instellingen van sociale zekerheid die zijn onderworpen aan het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid.
Indien de in het eerste lid bedoelde beperking aanleiding geeft tot marges worden deze toegewezen voor de dekking van de thesauriebehoeften en, voor het overige, voor de reserves van de regeling. Deze marges worden niet gebruikt ter financiering van nieuwe initiatieven in andere takken van de sociale zekerheid dan de geneeskundige verzorging.
Voor het boekjaar 2008 zal het percentage van de stijging van de beschikbare effectieve inkomsten uit bijdragen tussen het boekjaar N-1 en het boekjaar N-2 worden toegepast op het gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen toegewezen in 2007 voor de financiering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging krachtens § 1, verminderd met de bedragen inherent aan de betaling van de overschrijdingen van de begrotingsdoelstellingen van de geneeskundige verzorging van de vorige jaren.
[1 Voor het boekjaar 2015 wordt het op grond van voorgaande leden vastgestelde bedrag [3 verminderd met 1.446.551 duizend euro]3.]1
[4 Voor het boekjaar 2016 wordt, in afwijking van de voorgaande leden, het bedrag [5 vastgesteld op 19 821 516 duizend euro]5.]4
[9 In afwijking van de bepalingen van de vorige leden wordt, voor het boekjaar 2017, het bedrag vastgesteld op 19 362 830 duizend euro.
Voor de boekjaren 2018 tot en met 2021 wordt het in het voorgaande lid vastgestelde bedrag telkens jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar.
[14 Voor het boekjaar 2021 wordt het op grond van de vorige leden verkregen bedrag verminderd met 361 798 duizend euro.]14
Vanaf het boekjaar 2022 wordt het bedrag opnieuw vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid.]9
[14 Bovendien kan het overeenkomstig deze bepalingen vastgesteld bedrag bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aangepast worden, met de bedoeling hierop de wijzigingen van de Rijkstoelage, bedoeld in artikel 191, eerste lid, 1° quater, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, door te rekenen.]14
§ 1ter. Ingeval voor een boekjaar, de uitgaven in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging hoger zijn dan de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling vastgelegd overeenkomstig artikel 40, § 1, van voormelde wet van 14 juli 1994, wordt het gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen verschuldigd voor de financiering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voor het boekjaar, zoals voorzien in de vorige paragraaf, aangevuld met een bedrag dat overeenstemt met een percentage van de overschrijding rekening houdend met artikel 198, § 3 van dezelfde wet.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Beheerscomité van de sociale zekerheid, het percentage van de overschrijding dat ten laste gelegd wordt van de RSZ-Globaal beheer alsook de voorwaarden en modaliteiten van de storting van deze bijkomende tegemoetkoming. De Staat draagt niet bij tot deze bijkomende tegemoetkoming.
Dit besluit is gemeenschappelijk met het in § 1ter van artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bedoeld besluit. Het in de vorige zin bedoeld gemeenschappelijke besluit zal een verdeelsleutel van dit in het eerste lid bedoeld bijkomende bedrag overnemen. Deze verdeelsleutel zal voor elk globaal beheer overeenstemmen met hun in § 1quater van respectievelijk artikel 24 van deze wet en artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bedoeld percentage.
§ 1quater. Vanaf het boekjaar 2008, worden per boekjaar, onverminderd §§ 1bis en 1ter, bijkomende geldmiddelen voor de financiering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging toegewezen.
Deze bijkomende geldmiddelen zijn gelijk aan het percentage van een bedrag. Dit bedrag is gelijk aan de uitgaven vermeld in de begroting van de verzekering voor geneeskundige verzorging vastgelegd bij toepassing van artikel 16, § 1, 3°, van voormelde wet van 14 juli 1994, voor dat boekjaar, verminderd met :
a) een bedrag overeenstemmend met het gedeelte van de geglobaliseerde financiële middelen verschuldigd krachtens § 1bis voor dat boekjaar;
b) een bedrag overeenstemmend met het gedeelte van de ontvangsten van het globaal financieel beheer van het sociaal statuut, verschuldigd krachtens § 1bis van artikel 6 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, voor dat boekjaar;
c) een bedrag overeenstemmend met de som van de eigen inkomsten bestemd voor de regeling voor geneeskundige verzorging, bedoeld in artikel 22, § 2, b ), voor dat boekjaar, en opgenomen in de voorlopige afsluiting zoals opgemaakt krachtens artikel 202, § 2, van voormelde wet van 14 juli 1994.
Het in het vorig lid bedoeld percentage is gelijk aan de deling van het in a) van vorig lid bedoeld bedrag door de som van de in a) en b) van hetzelfde lid bedoelde bedragen.)
§ 1quinquies. [10 ...]10
§ 2. [12 In afwijking van de bepalingen van § 1, wordt, aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen, bedoeld in art 22, § 2, a), toegekend voor de financiering van de werknemers die in ziekenhuizen zijn tewerkgesteld overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 5, van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet commerciële sector.]12
[8 § 2bis. In afwijking van de bepalingen van § 1, wordt een gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen, bedoeld in artikel 22, § 2, a), toegewezen aan de Federale Pensioendienst voor de financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden die aangesloten zijn bij het gesolidariseerd pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.
Dit bedrag van 47 000 000 euro op jaarbasis (basis 2015 = 100) wordt jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.]8

[11 § 2ter. In afwijking van de bepalingen van § 1 en onverminderd § 2bis, wordt een bijkomend gedeelte van de geglobaliseerde geldmiddelen, bedoeld in artikel 22, § 2, a), toegewezen aan de Federale Pensioendienst voor de financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden die aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.
Dit bedrag wordt bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan het groeipercentage van de gemiddelde gezondheidsindex van het jaar.]11

§ 3. De regelingen die niet behoren tot het Globaal Beheer ontvangen (...), na aftrek van de bestuurskosten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de opbrengst van de bijdragen van de desbetreffende regeling.
[7 In afwijking van het voorgaande lid stort de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, na voorafneming van de bestuurskosten, [13 aan Fedris]13 het deel van de in artikel 38, § 3, 5° bedoelde bijdrage dat bestemd is voor de regeling van de beroepsziekten op basis van de te financieren thesauriebehoeften van deze regeling. Het deel van de in artikel 38, § 3, 5° bedoelde bijdrage dat niet gestort is [13 aan Fedris]13 wordt toegewezen aan het Fonds voor de amortisatie van de verhoging van de pensioenbijdragevoeten bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake Sociale Zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen.]7
Art. 24. § 1er. Le produit des moyens financiers globalisés, visés à l'article 22, § 2, a), est réparti entre les régimes et les branches de la Gestion globale énumérés à l'article 21, § 2, après prélèvement des frais d'administration de l'Office national de la Sécurité sociale, en ce compris les charges d'emprunts. Cette répartition s'opère sur base des besoins de trésorerie à financer des régimes et branches visés ci-dessus. Le montant des besoins de trésorerie à financer de ces régimes et de ces branches est égal à la différence sur base de trésorerie entre les dépenses - courantes et de capital, à l'exception des opérations de placements - et les recettes propres visées à l'article 22, § 2, b).
[2 Lorsqu'une partie ou la totalité d'une branche est retirée du champ d'application de la gestion globale, les besoins à financer correspondant aux droits dont le paiement vient à échéance après la date du retrait mais qui, en vertu des règles comptables en vigueur, sont comptabilisés dans le compte de résultat de l'année précédant le retrait, sont pris en considération pour déterminer les besoins à financer de l'année précédant le retrait.]2
(§ 1erbis. Dès l'exercice 2008, par dérogation aux dispositions du § 1er, sans préjudice de la couverture des besoins de trésorerie journalière, la partie des moyens financiers globalisés due au financement de l'assurance obligatoire soins de santé, au titre de l'exercice, est limitée conformément aux dispositions du présent paragraphe.
Le montant dû pour un exercice N en vertu de cette limitation est équivalent au montant dû, au titre du présent paragraphe, pour l'exercice précédent N-1 auquel est appliqué le taux de croissance des recettes effectives disponibles de cotisations entre l'exercice N-1 et l'exercice N-2. L'exercice N désigne l'exercice en cours, l'exercice N-1 désigne l'exercice précédent et l'exercice N-2 celui précédant le N-1.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, neutraliser une partie du montant dû au titre de l'alinéa précédent. La neutralisation a pour but d'annuler l'impact, sur le taux de croissance des recettes effectives disponibles de cotisations, de décisions prises par l'autorité fédérale et ayant pour objet d'augmenter les recettes de cotisations en vue de financer des initiatives nouvelles.
Le Roi peut aussi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, corriger le taux de croissance des recettes effectives disponibles de cotisations pour le calcul du montant visé à l'alinéa 2 et ce, seulement pour limiter ou neutraliser l'impact négatif d'un changement de politique sur le taux de croissance des cotisations sociales précité. De plus, cette correction ne peut être appliquée que si l'impact du changement de politique sur le financement de la gestion globale a été complètement compensé et ce de manière brute.
Pour l'application du présent paragraphe, les recettes effectives disponibles de cotisations, d'un exercice, sont la somme des différents produits effectifs disponibles des cotisations suivants :
- le produit de la cotisation globale, visée à l'article 23, alinéa 4 et à l'article 1er, § 5 de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales et à l'article 3, § 6 de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la cotisation, visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 9° et à l'article 3, § 3, alinéa 1er, 7° de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la cotisation de modération salariale, visée à l'article 38, § 3bis;
- le produit de la cotisation spéciale, visée à l'article 38, § 3ter et à l'article 3, § 3ter de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande;
- le produit de la cotisation spéciale pour la sécurité sociale, visée aux articles 106 à 112 inclus de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales;
- le produit de la cotisation spéciale à charge de l'employeur sur la prépension conventionnelle, visée à l'article 141 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
- le produit de la cotisation patronale mensuelle compensatoire particulière, visée à l'article 11 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi;
- le produit de la cotisation particulière, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 27 novembre 1996 instaurant une cotisation patronale particulière en vue de financer le régime du chômage temporaire et du complément d'ancienneté pour les chômeurs âgés, en application de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;
- le produit de la cotisation de solidarité pour l'utilisation personnelle d'un véhicule mis à la disposition par l'employeur, visée à l'article 38, § 3quater;
- le produit de la cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant des mesures en vue de l'introduction d'une cotisation de solidarité pour l'occupation d'étudiants non assujettis au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
[15 - le produit de la cotisation de solidarité pour l'occupation des travailleurs non assujettis à la sécurité sociale des travailleurs salariés, en application de l'article 17sexies de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs telle que visée à l'article 13 de la loi du xxx portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.]15
Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, peut modifier cette liste de cotisations.
Par produits effectifs sont visés les produits des cotisations réellement perçues, à savoir après déduction des réductions de cotisations de sécurité sociale octroyées en vertu de la présente loi ainsi que de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. Par produits disponibles des cotisations sont visés le solde des cotisations après déduction des affectations suivantes :
- les affectations visées à l'article 35.
Le Roi peut modifier cette liste d'affectations.
Ces recettes effectives disponibles seront isolées et leur total indiqué séparément dans une annexe aux comptes d'exécution du budget. Le taux de croissance des recettes effectives disponibles de cotisations entre l'exercice N-1 et l'exercice N-2 est déterminé au moment de l'approbation desdits comptes. Les comptes d'exécution du budget visés dans le présent paragraphe sont ceux établis, pour chaque exercice, par l'Office national de sécurité sociale en application de l'article 11 a) de l'arrêté royal du 22 juin 2001 fixant les règles en matière de budget, de comptabilité et de comptes des institutions publiques de sécurité sociale soumises à l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale.
Si la limitation visée à l'alinéa 1er est à l'origine de marges, celles-ci sont affectées à la couverture des besoins de trésorerie et, pour le surplus, aux réserves du système. Ces marges ne sont pas affectées au financement de nouvelles initiatives dans les branches de la sécurité sociale autres que les soins de santé.
Pour l'exercice 2008 le taux de croissance des recettes effectives disponibles de cotisations entre l'exercice N-1 et l'exercice N-2 sera appliqué à la partie des moyens financiers globalisés affectée en 2007 au financement de l'assurance obligatoire soins de santé en vertu du § 1er, diminués des montants inhérents au paiement des dépassements de l'objectif budgétaire des soins de santé des années antérieures.
[1 Pour l'exercice 2015, le montant défini en vertu des alinéas précédents est [3 diminués de 1.446.551 milliers d'euros]3.]1
[4 Pour l'exercice 2016, par dérogation aux alinéas précédents, le montant est [5 fixé à 19 821 516 milliers d'euros]5.]4
[9 Par dérogation aux dispositions des alinéas précédents, pour l'exercice 2017, le montant est fixé à 19 362 830 milliers d'euros.
Pour les exercices 2018 jusqu'à 2021 y compris, le montant fixé à l'alinéa précédent est adapté chaque année au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année.
[14 Pour l'exercice 2021, le montant obtenu en application des alinéas précédents est diminué de 361 798 milliers d'euros.]14
A partir de l'exercice 2022, le montant est de nouveau fixé selon les modalités de l'alinéa 2.]9
[14 En outre, le montant obtenu selon ces modalités peut être adapté, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, dans le but de répercuter sur celui-ci les adaptations de la dotation de l'Etat visée à l'article 191, alinéa 1er, 1° quater, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.]14
§ 1erter. Lorsque pour un exercice, les dépenses dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé sont supérieures à l'objectif budgétaire annuel global fixé en application de l'article 40, § 1er, de la loi du 14 juillet 1994 précitée, la partie des moyens financiers globalisés due au financement de l'assurance obligatoire soins de santé, au titre de l'exercice, telle que prévue au paragraphe précédent, est complétée d'un montant correspondant à un pourcentage du dépassement tenant compte, notamment, de l'article 198, § 3 de la même loi.
Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de la sécurité sociale, fixe le pourcentage de dépassement mis à charge de l'ONSS-Gestion globale ainsi que les conditions et modalités de versement de cette intervention complémentaire. L'Etat ne contribue pas à ladite intervention complémentaire.
Cet arrêté est commun avec l'arrêté prévu au §1erter de l'article 6 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre premier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions. L'arrêté commun prévu à la phrase précédente reprendra une clé de répartition du montant complémentaire visé au premier alinéa. Cette clé de répartition sera pour chaque gestion globale égale à leur pourcentage défini au § 1erquater respectivement de l'article 24 de la présente loi et de l'article 6 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre premier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions.
§ 1erquater. Dès l'exercice 2008, par exercice, sans préjudice des §§ 1erbis et 1erter, des moyens financiers additionnels sont affectés au financement de l'assurance obligatoire soins de santé.
Ces moyens financiers additionnels correspondent au pourcentage d'un montant. Ce montant correspond aux dépenses reprises au budget de l'assurance soins de santé fixé en application de l'article 16, § 1er, 3°, de la loi du 14 juillet 1994 précitée, pour cet exercice, diminué de :
a) un montant correspondant à la partie des moyens financiers globalisés due en vertu du § 1erbis pour cet exercice;
b) un montant correspondant à la partie des recettes de la gestion financière globale du statut social due en vertu du § 1erbis de l'article 6 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre premier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions pour cet exercice;
c) un montant correspondant à la somme des recettes propres, destinées au régime de soins de santé, visées à l'article 22, § 2, b ), pour cet exercice, et reprise dans la clôture provisoire telle qu'établie en vertu de l'article 202, § 2, de la loi du 14 juillet 1994 précitée.
Le pourcentage visé à l'alinéa précédent correspond à la division du montant visé au a) de l'alinéa précédent par la somme des montants visés au a) et b) du même alinéa.)
§ 1erquinquies. [10 ...]10
§ 2. [12 Par dérogation aux dispositions du § 1er, une partie des moyens financiers globalisés, visés à l'article 22, § 2, a), est affectée à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité pour le financement des travailleurs mis au travail dans des hôpitaux, conformément aux dispositions du chapitre II, section 5, de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand.]12
[8 § 2bis. Par dérogation aux dispositions du § 1er, une partie des moyens financiers globalisés, visés à l'article 22, § 2, a), est affectée au Service fédéral des pensions pour le financement des pensions des membres du personnel statutaires affiliés au fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales.
Ce montant de 47 000 000 d'euros sur base annuelle (base 2015 = 100) est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation.]8

[11 § 2ter. Par dérogation aux dispositions du § 1er et sans préjudice du § 2bis, une partie supplémentaire des moyens financiers globalisés, visés à l'article 22, § 2, a), est affectée au Service fédéral des Pensions pour le financement des pensions des membres du personnel statutaires affiliés au Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales.
Ce montant est fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Ce montant est adapté annuellement au taux de croissance de l'indice-santé moyen de l'année.]11

§ 3. Les régimes qui n'appartiennent pas à la Gestion globale reçoivent, (...) après prélèvement des frais d'administration de l'Office national de Sécurité sociale, le produit des cotisations du régime concerné.
[7 Par dérogation à l'alinéa précédent, l'Office national de sécurité sociale verse [13 à Fedris]13 la part de la cotisation visée à l'article 38, § 3, 5° destinée au régime des maladies professionnelles sur la base des besoins de trésorerie à financer de ce régime. La part de la cotisation visée à l'article 38, § 3, 5° qui n'est pas versée [13 à Fedris]13 est affectée au fonds d'amortissement de l'augmentation des taux de cotisations de pension visé à l'article 4, § 3 de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives.]7
Art. 25. De Rijksdienst voor sociale zekerheid kan met de invordering van andere dan de in artikel 23 bedoelde bijdragen enkel worden belast voor zover deze vastgesteld worden in verhouding tot het loon en volgens de bestaande loongrenzen.
Art. 25. L'Office national de sécurité sociale ne peut être chargé de la perception de cotisations autres que celles visées à l'article 23 que pour autant que ces cotisations soient fixées au prorata du salaire et suivant les plafonds salariaux en vigueur.
Art. 26. Het geheel van de jaarlijkse rijkstoelagen ten gunste van de verschillende sociale-zekerheidsregelingen voor werknemers [2 ...]2 wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.
[2 ...]2.
[3 ...]3
Art. 26. L'ensemble des subventions annuelles de l'Etat en faveur des différents régimes de sécurité sociale des travailleurs salariés [2 ...]2 est affecté au financement des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2.
[2 ...]2.
[3 ...]3
Art. 27. De Koning kan voor ieder van de regelingen van de sociale zekerheid een maximum- en een minimumbedrag van de sociale prestaties vaststellen.
Art. 27. Le Roi peut fixer pour chacun des régimes de la sécurité sociale un montant maximum et un montant minimum des prestations sociales.
Art. 28. De Koning past binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet de sociale zekerheidswetgeving aan, ten behoeve van de (deeltijdse werknemers).
Art. 28. Le Roi adapte dans l'année après l'entrée en vigueur de la présente loi, la législation en matière de sécurité sociale en faveur des travailleurs à temps partiel.
Art. 29. (Opgeheven)
Art. 29. (Abrogé)
Art. 30. § 1. De terugvordering van de ten onrechte betaalde sociale prestaties verjaart na drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven.
De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt verlengd tot vijf jaar indien ten onrechte werd betaald in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene.
§ 2. Van de beslissing tot terugvordering wordt, op straffe van nietigheid, kennis gegeven aan de schuldenaren bij ter post aangetekend schrijven.
Hierin worden, op straffe van nietigheid, vermeld:
- de vaststelling van het onverschuldigde;
- het totale bedrag van het onverschuldigde, evenals de berekeningswijze ervan;
- de bepalingen in strijd waarmede de betalingen werden verricht;
- de in aanmerking genomen verjaringstermijn en de motivering ervan;
- de mogelijkheid om, op straffe van verval, binnen de dertig dagen na de aanbieding aan de belanghebbende, van het aangetekend schrijven beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank.
Het ter post neerleggen van het aangetekend schrijven stuit de verjaring.
§ 3. Het beheerscomité van de betrokken instelling kan in een verordening bepalen in welke gevallen van terugvordering wordt afgezien omdat het om behartigenswaardige gevallen gaat of omdat het onverschuldigd betaalde beneden een te bepalen bedrag ligt of buiten verhouding staat tot de vermoedelijke proceskosten. De verordening wordt voorgelegd aan de goedkeuring van de Minister onder wie de instelling ressorteert en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Art. 30. § 1er. La répétition des prestations sociales versées indûment se prescrit par trois ans à compter de la date à laquelle le paiement a été effectué.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est ramené à six mois lorsque le paiement résulte uniquement d'une erreur de l'organisme ou du service, dont l'intéressé ne pouvait normalement se rendre compte.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est porté à cinq ans lorsque le paiement indu a été effectué en cas de fraude, de dol ou de manuvres frauduleuses de l'intéressé.
§ 2. La décision de répétition est, sous peine de nullité, portée à la connaissance des débiteurs par lettre recommandée à la poste.
A peine de nullité, cette lettre mentionne:
- la constatation de l'indu;
- le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
- les dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
- le délai de prescription pris en considération et sa justification;
- la possibilité d'introduire un recours auprès du tribunal du travail compétent dans les trente jours de la présentation du pli recommandé à l'intéressé, et ce à peine de forclusion.
Le dépôt du pli recommandé à la poste interrompt la prescription.
§ 3. Le comité de gestion de l'organisme intéressé peut déterminer par voie de règlement les cas dans lesquels il est renoncé à la répétition parce qu'il s'agit de cas dignes d'intérêt ou que la somme payée indûment est inférieure à un montant à déterminer ou est hors de proportion avec les frais de procédure présumés. Le règlement est soumis à l'approbation du Ministre dont l'organisme dépend et est publié au Moniteur belge.
Art. 30/1. [1 Elk rechtsgeding met betrekking tot de invordering van ten onrechte ontvangen uitkeringen dat wordt ingesteld door de betrokken instelling, door de schuldenaar die deze prestaties moet terugbetalen of door gelijk welke andere persoon die ze moet terugbetalen krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen, schorst de verjaring.
De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.]1

Art. 30/1. [1 Toute instance en justice relative au recouvrement d'allocations indûment perçues qui est introduite par l'organisme intéressé, par le redevable tenu au remboursement de ces allocations ou par toute autre personne tenue au remboursement en vertu de dispositions légales ou réglementaires, suspend la prescription.
La suspension débute avec l'acte introductif d'instance et se termine lorsque la décision judiciaire est coulée en force de chose jugée.]1

Art. 30/2. [1 De termijn voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen gaat in op de dag waarop de instelling kennis heeft van het bedrog, de arglist of de bedrieglijke handelingen.]1
Art. 30/2. [1 Le délai applicable en matière de recouvrement de prestations sociales versées indûment commence à courir le jour où l'institution a connaissance de la fraude, du dol ou des manoeuvres frauduleuses.]1
Art. 31.
Art. 31.
Art. 31bis. § 1. Met toepassing van artikel 1675/10 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de organen die belast zijn met het innen van de bijdragen voor de sociale zekerheid en de instellingen die de sociale uitkeringen toekennen gemachtigd een gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van de bedragen die hen verschuldigd zijn te aanvaarden wanneer deze kwijtschelding is voorgesteld door de schuldbemiddelaar, in het kader van een in de bepalingen van titel V van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde minnelijke aanzuiveringsregeling, voorzover aan de voorwaarden die door de Koning vastgesteld zijn, is voldaan op het ogenblik dat de schuldbemiddelaar zich wendt tot de voornoemde instellingen.
§ 2. De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, en uiterlijk tegen [1 1 juli 2010]1 :
1° de volgende begrippen : " organen die belast zijn met het innen van de bijdragen ", " instellingen die de sociale uitkeringen toekennen ", " bijdragen voor de sociale zekerheid " en " bedragen ";
2° de instantie die, onder de in 1° bedoelde organen, bevoegd is om het in § 1 bedoelde voorstel tot kwijtschelding te aanvaarden;
3° de in § 1 bedoelde voorwaarden.
Art. 31bis. § 1er. En application de l'article 1675/10 du Code judiciaire, les organismes de perception des cotisations sociales et les organismes octroyant des prestations sociales sont autorisés à accepter une remise totale ou partielle des montants qui leur sont dus lorsque cette remise est proposée par un médiateur de dettes dans un plan de règlement amiable de dettes, prévu par les dispositions du titre V de la cinquième partie du Code judiciaire, pour autant que les conditions fixées par le Roi soient réunies au moment où le médiateur de dettes saisit les organismes précités.
§ 2. Le Roi détermine, après avis du Conseil national du travail, et au plus tard pour le [1 1er juillet 2010]1 :
1° les notions suivantes : " organismes de perception des cotisations sociales ", " organismes octroyant des prestations sociales ", " cotisations sociales " et " montants ";
2° l'instance compétente, au sein des organismes visés au 1°, pour accepter la proposition de la renonciation visée au § 1er;
3° les conditions visées au § 1er.
Art. 31ter. [1 § 1. Werkgevers kunnen een mandataris aanstellen in het kader van hun sociale administratie.
§ 2. Er bestaan twee types mandatarissen :
1° Sociale dienstverrichters zijn mandatarissen die in naam en voor rekening van werkgevers formaliteiten inzake sociale zekerheid, waartoe deze werkgevers zijn gehouden ten aanzien van de instellingen van sociale zekerheid, in een rechtstreekse relatie met deze instellingen vervullen.
Binnen de grenzen van het met de werkgever gesloten mandaat nemen zij de opdracht op zich de werkgevers te begeleiden in hun betrekkingen met de instellingen, zoals ze zijn opgesomd in artikel 2, eerste alinea, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, en hen in die context te informeren;
2° erkende sociale secretariaten, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
§ 3. De mandataris krijgt voor het uitvoeren van de formaliteiten inzake sociale zekerheid voor zijn aangesloten werkgevers een toegang tot het elektronische netwerk van de sociale zekerheid voor zover :
1° hij zich behoorlijk identificeert bij de diensten van de Rijksdienst voor sociale zekerheid [3 ...]3;
2° hij zich schikt naar de onderrichtingen van de betrokken administraties;
3° hij op aanvraag van de bevoegde administraties alle inlichtingen verschaft of alle documenten voor het toezicht op de toepassing van de sociale wetten doorgeeft, overeenkomstig [2 het Sociaal Strafwetboek]2, voor zover die inlichtingen of documenten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opdrachten van de mandataris;
4° hij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [3 ...]3 [4 ...]4 binnen vijftien dagen na de gebeurtenis kennis geeft van de opzegging of van de schrapping van een werkgever.]1
Art. 31ter. [1 § 1er. Les employeurs ont la possibilité de désigner un mandataire dans le cadre de leur administration sociale.
§ 2. Il existe deux types de mandataires :
1° les prestataires de services sociaux sont des mandataires qui, au nom et pour le compte d'employeurs, remplissent en relation directe avec les institutions de sécurité sociale, des formalités prévues en matière de sécurité sociale auxquelles les employeurs sont tenus à l'égard desdites institutions.
Dans les limites du mandat conclu avec l'employeur, ils se chargent d'accompagner les employeurs dans leurs relations avec les institutions telles que définies à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, et de les informer dans ce contexte;
2° les secrétariats sociaux agréés, tels que visés à l'article 27 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
§ 3. Pour remplir les formalités prévues en matière de sécurité sociale pour ses employeurs affiliés, le mandataire reçoit un accès au réseau électronique de la sécurité sociale, pour autant qu' :
1° il s'identifie dûment auprès des services de l'Office national de sécurité sociale [3 ...]3;
2° il se conforme aux instructions des administrations concernées;
3° à la demande des administrations compétentes, il fournisse tous les renseignements ou transmette tout document pour la surveillance de l'application des lois sociales, conformément [2 au Code pénal social]2, pour autant que ces renseignements ou ces documents soient nécessaires pour l'exécution des missions du mandataire;
4° il informe l'Office national de Sécurité sociale [3 ...]3 [4 ...]4 endéans les 15 jours suivant l'événement, de la dénonciation ou de la suppression d'un employeur.]1

Art. 31quater. [1 § 1. Tussen de werkgever en zijn mandataris wordt een schriftelijke overeenkomst gesloten die onder meer de inhoud regelt van het mandaat, met naleving van de hiernavolgende voorwaarden.
Het mandaat kan gelden voor de totaliteit van de verplichtingen inzake sociale zekerheid of een gedeelte ervan.
De Koning kan verplichtingen inzake sociale zekerheid vastleggen waarvoor een enkele mandataris bevoegd moet zijn.
§ 2. Het mandaat wordt vóór de aanvang ervan aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid [3 ...]3 kenbaar gemaakt door middel van de verzending van een procuratie.
De door de werkgever aangeduide mandataris is het eerste aanspreekpunt voor de instellingen van sociale zekerheid in de betrekkingen met de werkgever.
§ 3. Een mandaat kan slechts op het ogenblik van de overgang naar een nieuw kwartaal worden overgedragen op een nieuwe mandataris.
De Koning bepaalt de modaliteiten die moeten in acht genomen worden bij de overgang van het mandaat van een mandataris naar een andere mandataris.
§ 4. Onverminderd de toepassing van paragraaf 5, neemt de nieuwe mandataris van zijn voorganger het beheer over van de elektronische toepassingen die met het oog op het vervullen van de verplichtingen inzake sociale zekerheid door de instellingen van sociale zekerheid ter beschikking worden gesteld en is daarbij belast met het beheer van het verleden, het heden en de toekomst. Vanaf de overname van het mandaat is de nieuwe mandataris het eerste aanspreekpunt voor de instellingen van sociale zekerheid in de betrekkingen met de werkgever.
Op de oude mandataris rust een informatieplicht naar de nieuwe mandataris betreffende de kwartalen waarvoor de oude mandataris aangiften of formaliteiten heeft verricht, en dit gedurende de termijn dat de kwartalen waarop de informatie betrekking heeft nog niet zijn verjaard.
In geval van stuiting of schorsing van de verjaring loopt de informatieplicht onverminderd door.
De informatieplicht houdt in dat de oude mandataris op verzoek van de nieuwe mandataris alle beschikbare inlichtingen, nodig voor de technische transacties, dient te verschaffen over kwartalen die onder zijn beheer vielen.
§ 5. Een overeenkomst tussen de werkgever en de nieuwe mandataris moet verplicht bepalen in welke mate de vorige mandataris de opdracht behoudt om voor de kwartalen en voor de verplichtingen van sociale zekerheid die onder zijn mandaat vielen nog effectief technische transacties te verrichten.]1

[2 § 6. In geval van overdracht van het klantenbestand van een erkend sociaal secretariaat, zoals gedefinieerd in artikel 31ter, § 2, 2°, met bijhorende rechten en plichten aan een ander erkend sociaal secretariaat, kunnen de procuraties tussen de aangesloten werkgevers en het oud sociaal secretariaat automatisch worden overgedragen en overgenomen door het nieuw sociaal secretariaat, in afwijking van de procedure waarin § 2 voorziet.
Indien een erkend sociaal secretariaat kiest voor dit systeem van automatische overdracht, dienen de procuraties niet doorgestuurd te worden naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [3 ...]3 zoals voorgeschreven bij § 2.
Een automatische overdracht is slechts mogelijk mits de volgende voorwaarden worden vervuld :
1° het nieuwe sociaal secretariaat en het oude sociaal secretariaat maken, ten laatste voor aanvang van het tweede kwartaal voorafgaand aan de effectieve overdracht, samen de beslissing betreffende de overdracht van het klantenbestand kenbaar aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [3 ...]3;
2° ten laatste voor aanvang van het tweede kwartaal voorafgaand aan de effectieve overdracht, informeren het nieuwe en het oude sociaal secretariaat samen bij aangetekend schrijven de werkgevers die aangesloten zijn bij het oude sociaal secretariaat over de volgende aspecten :
a) de vastgelegde of voorgestelde datum van overdracht;
b) het feit dat de inhoud en de voorwaarden van het mandaat en het contract met het oude sociaal secretariaat integraal worden overgenomen door het nieuwe sociaal secretariaat.
c) de principes van de overdracht, onder andere wat de betalingen en andere afspraken met betrekking tot het verleden betreft;
d) de mogelijkheid voor de werkgever, indien hij niet wenst aan te sluiten bij het nieuwe sociaal secretariaat, om zich tegen de automatische overdracht van zijn mandaat te verzetten door middel van een uitdrukkelijke notificatie aan het oude sociaal secretariaat voor het einde van de tweede maand van het tweede kwartaal voorafgaand aan de overdracht;
e) de verantwoordelijkheid van de werkgever inzake het bewijs van verzending van de in d) bedoelde notificatie en inzake de continuïteit van de sociale administratie.
3° vóór aanvang van het kwartaal voorafgaand aan de effectieve overdracht geeft het nieuwe sociaal secretariaat de lijst met de RSZ-werkgeversnummers van de werkgevers die naar hem overgedragen worden door aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [3 ...]3, in de vorm van een ondertekende verklaring;
4° vóór aanvang van het kwartaal voorafgaand aan de effectieve overdracht geeft het oude sociaal secretariaat de lijst met de RSZ-werkgeversnummers van de werkgevers die de overdracht naar het nieuwe sociaal secretariaat geweigerd hebben in de vorm van een ondertekende verklaring door aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid [3 ...]3;
5° Het nieuwe sociaal secretariaat houdt voor elke werkgever die hij in het kader van de voormelde procedure heeft aangeschreven een dossier bij waarin alle communicatie omtrent de overdracht, zoals aangegeven in de punten 1° tot 4°, wordt genoteerd.
Dit dossier wordt op het eerste verzoek van de in punt 1° vermelde instellingen voor raadpleging aangeboden.]2

Art. 31quater. [1 § 1er. Entre l'employeur et son mandataire, un contrat écrit est conclu qui détermine, entre autres, l'objet du mandat, tout en respectant les conditions énoncées ci-après.
Le mandat peut s'appliquer à la totalité des obligations en matière de sécurité sociale ou à une partie de celles-ci.
Le Roi peut fixer les obligations en matière de sécurité sociale pour lesquelles un seul mandataire doit être compétent.
§ 2. Avant que celui-ci ne prenne cours, le mandat est notifié à l'Office national de Sécurité sociale [3 ...]3 au moyen de l'envoi d'une procuration.
Le mandataire désigné par l'employeur constitue le premier point de contact pour les institutions de sécurité sociale dans leurs relations avec l'employeur.
§ 3. Un mandat ne peut être transféré à un nouveau mandataire que lors du passage à un nouveau trimestre.
Le Roi fixe les modalités à prendre en considération lors du transfert du mandat d'un mandataire à un autre.
§ 4. Sans préjudice du § 5, le nouveau mandataire reprend de son prédécesseur la gestion des applications électroniques mises à la disposition par les institutions de sécurité sociale en vue de remplir les obligations en matière de droit de la sécurité sociale et est ainsi également chargé de la gestion pour le passé, le présent et l'avenir. Dès la reprise du mandat, le nouveau mandataire constitue le premier point de contact pour les institutions de sécurité sociale dans leurs relations avec l'employeur.
L'ancien mandataire est soumis à une obligation d'information vis-à-vis du nouveau mandataire en ce qui concerne les trimestres pour lesquels l'ancien mandataire a effectué des déclarations ou rempli des formalités, et cela tout au long du délai durant lequel les trimestres auxquels l'information se rapporte ne sont pas encore prescrits.
En cas d'interruption ou de suspension de la prescription, l'obligation d'information reste intacte.
L'obligation d'information implique que l'ancien mandataire est tenu de fournir au nouveau mandataire à sa demande tous les renseignements disponibles, nécessaires aux transactions techniques, portant sur des trimestres ayant relevé de sa gestion.
§ 5. Un contrat conclu entre l'employeur et le nouveau mandataire doit obligatoirement préciser dans quelle mesure le mandataire précédent garde le mandat de procéder encore effectivement à des transactions techniques liées aux trimestres et aux obligations en matière de droit de la sécurité sociale ayant relevé de son mandat.]1

[2 § 6. En cas de transfert de la clientèle d'un secrétariat social agréé, tel que défini à l'article 31ter, § 2, 2°, ainsi que des droits et obligations y liés, à un autre secrétariat social agréé, les procurations liant les employeurs affiliés à l'ancien secrétariat social peuvent être automatiquement transférées et reprises par le nouveau secrétariat social, par dérogation à la procédure prévue au § 2.
Si un secrétariat social agréé opte pour ce système de transfert automatique, les procurations ne doivent pas être envoyées à l'Office national de sécurité sociale [3 ...]3 comme prescrit par le § 2.
Un transfert automatique n'est possible que pour autant que les conditions décrites ci-dessous soient remplies :
1° le nouveau et l'ancien secrétariat social informent ensemble l'Office national de sécurité sociale [3 ...]3 de la décision relative au transfert de la clientèle et ce, au plus tard avant le début du deuxième trimestre précédent le transfert effectif;
2° au plus tard avant le début du deuxième trimestre précédent le transfert effectif, le nouveau et l'ancien secrétariat social informent ensemble par lettre recommandée les employeurs affiliés à l'ancien secrétariat social au sujet des éléments suivants :
a) la date fixée ou proposée du transfert;
b) le fait que le contenu et les conditions du mandat et du contrat avec l'ancien secrétariat social sont repris intégralement par le nouveau secrétariat social;
c) les principes du transfert, notamment en ce qui concerne les paiements et autres accords concernant le passé;
d) la possibilité pour l'employeur, s'il ne souhaite pas s'affilier au nouveau secrétariat social, de s'opposer au transfert automatique de son mandat au moyen d'une notification expresse à l'ancien secrétariat social avant la fin du deuxième mois du deuxième trimestre précédent le transfert;
e) la responsabilité de l'employeur en matière de preuve de l'envoi de la notification visée au point d) et en matière de la continuité de l'administration sociale.
3° avant le début du trimestre précédent le transfert effectif, le nouveau secrétariat social notifie à l'Office national de Sécurité sociale[3 ...]3, sous la forme d'une déclaration signée, la liste des numéros ONSS des employeurs qui lui sont transférés, sous la forme d'une déclaration signée;
4° avant le début du trimestre précédent le transfert effectif, l'ancien secrétariat social notifie à l'Office national de Sécurité sociale [3 ...]3, sous la forme d'une déclaration signée, la liste des numéros ONSS des employeurs qui ont refusé le transfert vers le nouveau secrétariat social;
5° le nouveau secrétariat social tient à jour pour chaque employeur auquel il s'est adressé dans le cadre de la procédure mentionnée ci-dessus un dossier, dans lequel toute communication au sujet du transfert, comme indiqué dans les points précités 1° à 4°, est notée.
Ce dossier est à la première demande des institutions mentionnées au point 1° soumis pour consultation.]2

HOOFDSTUK IV. - Slot- en overgangsbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales et transitoires
Art. 32. De Koning is ermee belast de betrokken wetsbepalingen te wijzigen of op te heffen om ze in overeenstemming te brengen met het bepaalde in de artikelen 1 en 2 en de bepalingen van hoofdstuk III van deze wet.
Art. 32. Le Roi est chargé d'apporter aux dispositions légales concernées, les modifications et abrogations nécessaires afin de les mettre en concordance avec les dispositions des articles 1er et 2 et du chapitre III de la présente loi.
Art. 33. De beginselen vastgelegd in de artikelen 5 tot 13 van deze wet worden bij wet uitgewerkt.
Art. 33. Les principes définis aux articles 5 à 13 de la présente loi sont mis en oeuvre par voie légale.
Art. 34. § 1. De Koning voert deze wet uit bij in Ministerraad overlegde besluiten en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen.
Wordt dit advies niet binnen twee maanden uitgebracht, dan is het niet meer vereist.
§ 2. De koninklijke besluiten houdende uitvoering van de artikelen 2, 15, 17 en 27 tot 30 van deze wet worden voor advies voorgelegd aan de bevoegde parlementaire commissies.
Art. 34. 1er. Le Roi exécute la présente loi par des arrêtés délibérés en Conseil des Ministres et après avoir recueilli l'avis du Conseil national du Travail.
Si cet avis n'est pas donné dans les deux mois, celui-ci n'est plus requis.
§ 2. Les arrêtés royaux portant exécution des articles 2, 15, 17 et 27 à 30 de la présente loi sont soumis à l'avis des commissions parlementaires compétentes.
Art. 35. § 1. [...]
§ 2. [...]
§ 3. [...]
§ 4. [...]
[§ 5. A. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een forfaitaire vermindering van de werkgeversbijdrage toekennen aan de werkgevers van de social profit sector, voor het bedrag die Hij bepaalt, per werknemer, per kwartaal :
1° voor de werknemers onderworpen aan het geheel van de stelsels beoogd in artikel 21 van deze wet;
2° voor de werknemers die de Staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de aan de provincies ondergeschikte instellingen, de gemeenten, de aan de gemeenten ondergeschikte instellingen, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut tewerkstellen.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de forfaitaire vermindering aanpassen ingeval de werkgever die onder de toepassing van deze paragraaf valt, andere verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen geniet.
De opbrengst van de vermindering werkgeversbijdragen wordt besteed aan het creëren van tewerkstelling.
B. De Koning bepaalt de regelen met betrekking tot de cumulatie van de in de punt A. bedoelde forfaitaire vermindering met andere verminderingen der bijdragen. De Koning bepaalt ook de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis waarop deze forfaitaire vermindering van toepassing is.
C. Voor de toepassing van deze paragraaf :
1° wordt per paritair comité of paritair subcomité dat onder de toepassing van deze paragraaf valt, een sectoraal fonds opgericht overeenkomstig de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid.
De Koning kan evenwel in een specifieke bepaling voorzien wanneer een paritair comité of paritair subcomité in herstructurering is.
In de boekhouding van elk Fonds worden de volgende rubrieken voorzien :
a) rubriek voor betaling van de werkingskosten;
b) rubriek voor de financiering van de personeelskosten;
c) rubriek voor de financiering van bijkomende tewerkstelling;
2° (a) wordt bij de [7 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]7 een Fonds Sociale Maribel ingesteld, dat bevoegd is voor alle in punt A van dit artikel bedoelde werkgevers van de overheidssector.
Dit Fonds wordt beheerd door een beheerscomité dat, overeenkomstig de regelen bepaald door de Koning, paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van de werknemers en vertegenwoordigers van de in het vorige lid bedoelde werkgevers.
[7 Dit Fonds wordt gespijsd met de door de Rijksdienst voor sociale zekerheid gestorte opbrengst van de in dit artikel bedoelde werkgeversbijdrageverminderingen van sociale zekerheid, waarop de werkgevers van de overheidssector aanspraak kunnen maken.]7
Overeenkomstig de regelen bepaald door de Koning beslist het beheerscomité over de aanwending van het gedeelte van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, dat beschikbaar is voor de financiering van bijkomende tewerkstelling.
[7 De boekhouding van het Fonds bevat de volgende rubrieken :
1. rubriek voor de betaling van de werkingskosten;
2. rubriek voor de financiering van de administratie- en personeelskosten;
3. rubriek voor de financiering van bijkomende tewerkstelling, met de volgende subrubrieken :
- de bijdrageverminderingen waarop de ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen bedoeld bij artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aanspraak kunnen maken;
- de bijdrageverminderingen waarop de andere dan in het vorige streepje bedoelde ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen van de overheidssector aanspraak kunnen maken;
- de bijdrageverminderingen waarop de andere dan in het eerste streepje bedoelde provinciale en plaatselijke besturen aanspraak kunnen maken;
- de bijdrageverminderingen waarop de andere dan in het de vorige streepjes bedoelde werkgevers van de overheidssector aanspraak kunnen maken;
- de bedragen die de minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid onder de niet-recurrente middelen van het Fonds toewijzen voor de financiering van opleidingsprojecten.]7

b) wordt bij de[7 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]7 een terugvorderingsfonds ingesteld.
[7 De boekhouding van dit Fonds bevat de volgende rubrieken :
1. rubriek voor de terugvordering ten laste van de overheidswerkgevers bedoeld bij artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2. rubriek voor de terugvordering ten laste van de andere dan in het vorig streepje bedoelde overheidswerkge-vers.]7

c) De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bijkomende voorwaarden en de nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf.]
3° [...]
D. de Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regelen voor de bepaling van de opbrengst van de forfaitaire vermindering bedoeld in deze paragraaf, alsook de regelen voor de verdeling van de opbrengst.
[7 Op de opbrengst die aan ieder sectoraal fonds en aan het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor de werkgevers van de overheidssector toekomt, wordt 0,10 % van deze opbrengst door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gestort aan het globaal beheer van de sociale zekerheid. De sectorale fondsen en het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor de werkgevers van de overheidssector zijn gemachtigd om maximum 1,20 % van de hun toegekende bedragen aan te wenden ter dekking van administratie- en personeelskosten.]7
Uiterlijk op 30 [juni] van ieder jaar, moeten de [7 sectorale fondsen en het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor de werkgevers van de overheidssector]7 [het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor alle werkgevers van de overheidssector], aan de minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en voor de sectoren die onder zijn bevoegdheid vallen, de minister bevoegd voor Volksgezondheid een afschrift overzenden van hun jaarrekening met betrekking tot het afgelopen jaar alsook hun kastoestand op 31 december van het afgelopen jaar; die documenten moeten door een revisor, lid van het Instituut voor de bedrijfsrevisoren, [...] of door de revisor aangeduid door het beheerscomité van [7 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]7, naar gelang van het geval, voor echt verklaard zijn. [Hij kan twee regeringscommissarissen aanstellen bij het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor alle werkgevers van de overheidssector.]
De Koning kan eveneens een regeringscommissaris aanstellen [bij elk sectoraal fonds] [...].
E. [De volgende middelen worden jaarlijks ter beschikking gesteld van het globaal beheer van de sociale zekerheid :
a) het bedrag dat op de rekening van elk sectoraal fonds Sociale Maribel [7 en van het Fonds Sociale Maribel bevoegd voor de werkgevers van de overheidssector]7 staat op 31 december met inbegrip van de intresten, verminderd met :
- 5 percent van de voormelde opbrengst van het lopende jaar en
- het bedrag ((aangewend voor de betalingen uitgevoerd sedert 1 januari van het lopende jaar en betreffende tegemoetkomingen die aan de werkgevers voor het voorbije jaar verschuldigd zijn] en
- de niet-recurrente bedragen die de minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid hebben toegewezen voor de financiering van opleidingsprojecten.
[Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de opbrengst van de forfaitaire vermindering die ter beschikking gesteld wordt bij elk sectoraal fonds voor het tweede jaar dat volgt op het jaar waarop dit bedrag betrekking heeft.]
[8 Deze bepaling is niet van toepassing voor het bedrag op de rekening van elk Fonds sociale Maribel op 31 december 2021.
Bij de berekening van het bedrag op de rekening op 31 december 2022 en volgende jaren tot en met 31 december 2025 wordt het corona-reservekapitaal bis, bedoeld in de bepaling onder J, in mindering gebracht.]8

b) het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het controlemechanisme dat door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wordt bepaald.]
F. De bepalingen van het algemeen stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, met name wat de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid betreft, zijn van toepassing.
Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.
[5 Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.]5
G. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bijkomende voorwaarden en nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf.]
[H. De Koning kan, in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, per sectoraal Fonds een compensatiebedrag vastleggen voor de jaren 2006, 2007 en 2008. De Koning bepaalt de toekenningsvoorwaarden en de berekeningsmodaliteiten van deze compensatie.]
I. [7 De sectorale fondsen bedoeld in de bepaling onder C, 1°, evenals het Fonds Sociale Maribel bedoeld in C, 2°, a) worden, naast de taken die hen zijn toevertrouwd met toepassing van artikel 1 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid, belast met het beheer van de arbeidsplaatsen voor jongeren in het kader van globale projecten op federaal en deelentiteit niveau in de non-profitsector, die voortvloeien uit artikel 82, § 3, en 83 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.]7
[9 J. per Fonds sociale Maribel wordt een corona-reservekapitaal bis berekend door het bedrag op de rekening op 31 december 2021 te verminderen met het bedrag op de rekening op 31 december 2020.
Het bedrag op de rekening op 31 december wordt berekend volgens de bepaling onder E, a), eerste lid, met uitzondering van de vermindering met 5 percent van de opbrengst.
Indien wordt vastgesteld dat bij een Fonds sociale Maribel de dotatie 2023, berekend op basis van de opbrengst van de forfaitaire vermindering, bedoeld in deze paragraaf, lager ligt dan de gestorte dotatie van 2021, wordt het corona-reservekapitaal bis verminderd met een bedrag nodig om dit verschil op te heffen.]9

[1 § 6. A. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die hij bepaalt, aan de fondsen bedoeld in § 5, C, 1°, een gedeelte toekennen van het niet door te storten gedeelte van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in het vierde lid van artikel 275/7 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
B. De bepalingen van titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn van toepassing op het deel van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, bedoeld in het vierde lid van artikel 275/7, toegewezen aan de financiering van het Sociale Maribelfonds.
C. In afwijking van punt E. van § 5, wordt het bedrag van het niet doorgestort gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat op 31 december op de rekening van elk fonds staat, met inbegrip van de interesten, verminderd met het bedrag van het niet doorgestort gedeelte van de bedrijfsvoorheffing ontvangen in het lopende jaar, jaarlijks ter beschikking gesteld van het globaal beheer van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Dit bedrag wordt ingehouden van de opbrengst van de forfaitaire bijdragevermindering die ter beschikking wordt gesteld van elk sectoraal fonds voor het tweede jaar dat volgt op het jaar waarop dit bedrag betrekking heeft.
[10 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor het bedrag op de rekening van elk Fonds sociale Maribel op 31 december 2021.]1
0
D. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze paragraaf en de uitvoeringsbesluiten ervan.
[6 Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.]6
E. De koning bepaalt de bijkomende voorwaarden en nadere regelen voor de toepassing van deze paragraaf.]1
[3 § 7. In geval van toekenning van een deel van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de vorige paragraaf, kan de Koning vanaf het jaar 2010 in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een compensatiebedrag vastleggen voor het Fonds als bedoeld in § 5, C, 2°. De Koning bepaalt de toekenningsvoorwaarden en de berekeningsmodaliteiten van deze compensatie.]3
Art. 35. § 1er. [...]
§ 2. [...]
§ 3. [...]
§ 4. [...]
[§ 5. A. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, aux conditions qu'Il détermine, accorder aux employeurs du secteur non marchand, une réduction forfaitaire de la cotisation patronale à concurrence d'un montant qu'Il détermine, par travailleur et par trimestre :
1° pour les travailleurs soumis à l'ensemble des régimes visés à l'article 21 de la présente loi;
2° pour les travailleurs occupés par l'Etat, les communautés, les régions, les provinces, les établissements subordonnés aux provinces, les communes, les établissements subordonnés aux communes, les associations de communes et les organismes d'intérêt public.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le montant de la réduction forfaitaire, dans le cas où l'employeur qui tombe sous l'application du présent paragraphe, bénéficie d'autres réductions de cotisations de sécurité sociale.
Le produit de la réduction des cotisations patronales de sécurité sociale est affecté à la création d'emploi.
B. Le Roi détermine les modalités relatives au cumul de la réduction forfaitaire visée au point A avec les autres réductions de cotisations. Le Roi détermine également les cotisations visées à l'article 38, §§ 3 et 3bis sur lesquelles cette réduction forfaitaire est d'application.
C. Pour l'application du présent paragraphe :
1° il est créé, pour chaque commission paritaire ou sous-commission paritaire relevant du champ d'application du présent paragraphe, un fonds sectoriel, constitué conformément à la loi du 7 janvier 1958 sur les Fonds de sécurité d'existence.
Le Roi peut toutefois déterminer dans une disposition spécifique quand une commission paritaire ou une sous-commission paritaire se trouve en restructuration.
Dans la comptabilité de chaque Fonds, il est prévu les rubriques suivantes :
a) rubrique pour le paiement des frais de fonctionnement;
b) rubrique pour le financement des frais de personnel;
c) rubrique pour le financement des emplois supplémentaires.
2° (a) il est créé au sein de [7 l'Office national de Sécurité sociale]7 un Fonds Maribel social qui est compétent pour tous les employeurs du secteur public visés au point A du présent article.
Ce Fonds est géré par un comité de gestion qui, conformément aux règles déterminées par le Roi, est composé de manière paritaire de représentants des travailleurs et de représentants des employeurs visés à l'alinéa précédent.
[7 Ce Fonds est alimenté par le produit versé par l'Office national de sécurité sociale des réductions de cotisations patronales de sécurité sociale visées au présent article auxquelles les employeurs du secteur public peuvent prétendre.]7
Conformément aux règles déterminées par le Roi, le comité de gestion décide de l'affectation de la part du produit de la réduction forfaitaire qui est disponible pour le financement d'emplois supplémentaires.
[7 La comptabilité du Fonds contient les rubriques suivantes :
1. rubrique relative au paiement des frais de fonctionnement;
2. rubrique relative au financement des frais administratifs et de personnel;
3. rubrique relative au financement de l'emploi supplémentaire, avec les sous-rubriques suivantes :
- les réductions de charges auxquelles les hôpitaux et les maisons de soins psychiatriques visées à l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs peuvent prétendre;
- les réductions de charges auxquelles les hôpitaux et les maisons de soins psychiatriques du secteur public autres que ceux visés au tiret précédent peuvent prétendre;
- les réductions de charges auxquelles les administrations provinciales et locales autres que celles visées au premier tiret peuvent prétendre;
- les réductions de charges auxquelles les employeurs du secteur public autres que ceux visés au tiret précédent peuvent prétendre;
- les montants que le ministre compétent pour l'Emploi, le ministre compétent pour les Affaires sociales et le ministre compétent pour la Santé publique attribuent au titre de moyens non-récurrents du Fonds au financement de projets de formation.]7

b) il est créé au sein de [7 l'Office national de Sécurité sociale]7 un fonds de récupération.
[7 La comptabilité de ce fonds contient les rubriques suivantes :
1. rubrique relative à la récupération à charge des employeurs publics visés à l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2. rubrique relative à la récupération à charge des employeurs publics autres que ceux visés au tiret précédent.]7

c) Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres les conditions supplémentaires et les dispositions plus précises pour l'application du présent paragraphe.]
3° [...]
D. le Roi détermine les conditions et les modalités de fixation du produit de la réduction forfaitaire visée au présent paragraphe ainsi que les règles de répartition de ce produit.
[7 Sur le produit revenant à chaque fonds sectoriel et au Fonds Maribel social compétent pour tous les employeurs du secteur public 0,10 % de ce produit est versé par l'Office national de sécurité sociale à la gestion globale de la sécurité sociale. Les fonds sectoriels ainsi que le Fonds Maribel social compétent pour tous les travailleurs du secteur public sont autorisés à affecter 1,20 % maximum des montants leur revenant à la couverture des frais d'administration et de personnel.]7
Au plus tard le 30 [juin] de chaque année, les [7 fonds sectoriels et le Fonds Maribel social compétent pour les employeurs du secteur public]7 [le Fonds Maribel social compétent pour tous les travailleurs du secteur public], doivent transmettre au ministre compétent pour l'Emploi, au ministre compétent pour les Affaires sociales et pour les secteurs qui relèvent de sa compétence et au ministre compétent pour la Santé publique, une copie du compte annuel relatif à l'année écoulée et leur état de caisse au 31 décembre de l'année écoulée; ces documents doivent être certifiés, selon le cas, par un réviseur, membre de l'Institut des réviseurs d'entreprise [...] ou par le réviseur désigné par le comité de gestion de [7 l'Office national de sécurité sociale]7.
Le Roi peut également désigner un commissaire du gouvernement [auprès de chaque fonds sectoriel] [...]. [Il peut désigner deux commissaires du gouvernement auprès du Fonds Maribel social compétent pour tous les travailleurs du secteur public.]
E. [Les moyens suivants sont mis, annuellement, à la disposition de la gestion globale de l'Office national de sécurité sociale :
a) le montant qui se trouve au 31 décembre sur le compte de chaque fonds sectoriel Maribel social, [7 et du Fonds Maribel social compétent pour tous les employeurs du secteur public]7 y compris les intérêts, diminué :
- de 5 % du produit précité pour l'année en cours et
- du montant [affecté aux paiements effectués depuis le 1er janvier de l'année en cours et relatifs aux interventions dues aux employeurs pour l'année précédente] et
- des montants non récurrents que le ministre compétent pour l'Emploi, le ministre compétent pour les Affaires sociales et le ministre compétent pour la Santé publique ont affectés au financement de projets de formation.
[Ce montant est déduit du produit de la réduction forfaitaire qui est mis à la disposition de chaque Fonds sectoriel pour la deuxième année qui suit l'année à laquelle se rapporte ce montant.]
[8 La présente disposition n'est pas d'application pour le montant qui se trouve sur le compte de chaque Fonds Maribel social au 31 décembre 2021.
Pour le calcul du montant sur le compte au 31 décembre 2022 et les années suivantes jusqu'au 31 décembre 2025 inclus, le capital de réserve corona bis visé à la disposition J est déduit.]8

b) le montant qui découle de l'application du mécanisme de contrôle fixé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]
F. Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège et la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.
Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi surveillent le respect du présent paragraphe et de ses arrêtés d'exécution.
[5 Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions du Code pénal social.]5
G. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions et modalités complémentaires pour l'application du présent paragraphe.]
[H. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour chaque Fonds sectoriel, un montant de compensation pour les années 2006, 2007 et 2008. Le Roi fixe les conditions d'attribution et les modalités de calcul de cette compensation.]
I. [7 Les Fonds sectoriels visés au C, 1°, ainsi que le Fonds Maribel Social visé au 2°, a), outre les missions qui leurs sont dévolues en application de l'article 1er de la loi du 7 janvier 1958 concernant les Fonds de sécurité d'existence, sont chargés d'assurer la gestion des emplois des jeunes dans le cadre des projets globaux au niveau fédéral et fédéré dans le secteur non marchand résultant des articles 82, § 3, et 83 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre générations.]7
[9 J. par Fonds Maribel social, un capital de réserve corona bis est calculé en déduisant le montant qui se trouve sur le compte au 31 décembre 2021 du montant qui se trouve sur le compte au 31 décembre 2020.
Le montant sur le compte au 31 décembre est calculé selon le E, a), premier alinéa, à l'exception de la réduction de 5 % du produit.
S'il est constaté, sur un Fonds Maribel, que la dotation pour 2023, calculée sur la base du produit de la réduction forfaitaire visée au présent paragraphe, est plus basse que la dotation versée pour 2021, le capital de réserve corona bis sera diminué du montant nécessaire pour supprimer cette différence.]9

[1 § 6. A. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, aux conditions qu'Il détermine, affecter aux fonds visés au § 5, C, 1°, une partie de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'alinéa 4 de l'article 275/7 du Code des impôts sur les revenus 1992.
B. Les dispositions du titre VII du Code des impôts sur les revenus 1992 sont applicables à la partie de la dispense de versement de précompte professionnel visée à l'alinéa 4 de l'article 275/7, affectée au financement des fonds du Maribel social.
C. Par dérogation au point E. du § 5, le montant provenant des dispenses de versement de précompte professionnel qui se trouve au 31 décembre sur le compte de chacun de ces fonds, y compris les intérêts, diminué du montant des dispenses de versement de précompte professionnel perçu au cours de l'année en cours est mis, annuellement, à la disposition de la gestion globale de l'Office national de Sécurité sociale.
Ce montant est déduit du produit de la réduction forfaitaire qui est mis à la disposition de chaque Fonds sectoriel pour la deuxième année qui suit l'année à laquelle se rapporte ce montant.
[10 Les alinéas 1er et 2 ne sont pas d'application pour le montant qui se trouve sur le compte de chaque Fonds Maribel social au 31 décembre 2021.]1
0
D. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi surveillent le respect du présent paragraphe et de ses arrêtés d'exécution.
[6 Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions du Code pénal social.]6
E. Le Roi détermine les conditions et modalités complémentaires pour l'application du présent paragraphe.]1
[3 § 7. En cas d'affectation d'une partie de la dispense de versement de précompte professionnel tel que visé au paragraphe précédent, le Roi peut, à partir de l'année 2010, déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, un montant de compensation pour le Fonds visé au § 5, C, 2°. Le Roi fixe les conditions d'attribution et les modalités de calcul de cette compensation.]3
Art. 35bis. De vermindering van de werkgeversbijdragen ten belope van 4 250 frank per kwartaal, zoals voorzien in artikel 35 van deze wet, wordt toegekend voor de periode van 1 januari 1983 tot 31 december 1988 aan de werkgevers die werknemers hebben tewerkgesteld die onderworpen zijn aan het stelsel bepaald bij de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en daarmee gelijkgestelden, voor zover deze werknemers per maand minstens 51 pct. van het aantal (uren of dagen, bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders) presteren voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst die op hen van toepassing is.
De werkgevers evenwel die in de loop van de periode van 1 januari 1983 tot 31 december 1988 de vermindering van de werkgeversbijdragen, voorgeschreven bij artikel 35, § 1, eerste lid, dat op hen toepasselijk werd gemaakt bij koninklijk besluit van 18 februari 1983, hebben genoten, kunnen geen aanspraak maken op de vermindering van de werkgeversbijdragen bepaald bij het eerste lid, en dat voor de hele periode waarin dit artikel 35, § 1, eerste lid, op hen van toepassing was.
Art. 35bis. La réduction des cotisations patronales de 4 250 francs par trimestre, prévue à l'article 35 de la présente loi, est accordée pour la période comprise entre le 1er janvier 1983 et le 31 décembre 1988 aux employeurs ayant occupé des travailleurs assujettis au régime prévu par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, pour autant que ces travailleurs manuels aient travaillé, par mois, au moins 51 p.c. du nombre (heures ou journées visées à l'article 24 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs) prévues dans la convention collective qui leur est applicable.
Toutefois, les employeurs ayant bénéficié, au cours de la période comprise entre le 1er janvier 1983 et le 31 décembre 1988, de la réduction des cotisations patronales prévue par l'article 35, § 1er, alinéa premier, qui leur a été rendu applicable par l'arrêté royal du 18 février 1983, ne peuvent prétendre à la réduction des cotisations patronales visée à l'alinéa premier, et ce, pour toute la période pendant laquelle ledit article 35, § 1er, alinéa premier, leur était applicable.
Art. 36. § 1. (Een som gelijk aan de tegenwaarde van het verlies aan inkomsten wegens de vermindering van de werkgeversbijdragen voor de tewerkstelling van de handarbeiders wordt ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Sociale Voorzorg. Dit bedrag wordt gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid.)
(Het totaal uit te keren bedrag voor 1991 wordt vastgesteld op 13.425 miljoen frank.)
(Het totaal uit te keren bedrag voor 1992 wordt vastgesteld op 11 862 miljoen frank.)
(Het totaal uit te keren bedrag voor 1993 wordt vastgesteld op 3 862,9 miljoen frank.)
§ 2. (Vanaf 1991 zal de uitbetaling van dit bedrag geschieden in vier driemaandelijkse schijven waarvan het bedrag wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.
Elke schijf wordt uitbetaald in de maand die volgt op het kwartaal waarop zij betrekking heeft.)
§ 3. (Onverminderd de bepalingen van § 1, tweede lid, wordt de wijze van de jaarlijkse regularisering van het verschil tussen de ingevolge § 2 bepaalde driemaandelijkse bedragen en het bedrag van de vermindering van de werkgeversbijdragen bepaald bij artikel 35, bij koninklijk besluit vastgelegd.)
§ 4. De aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid gestorte bedragen, ter compensering van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor de tewerkstelling van handarbeiders, worden gelijkgesteld met sociale-zekerheidsbijdragen.
Art. 36. § 1er. (Une somme égale à la contrevaleur du manque de recettes provenant de la réduction de la cotisation des employeurs pour l'occupation de travailleurs manuels est inscrite au budget du Ministère de la Prévoyance sociale. Ce montant est versé à l'Office national de sécurité sociale.)
(Le montant total à liquider pour 1991 est fixé à 13.425 millions de francs.)
(Le montant total à liquider pour 1992 est fixé à 11 862 millions de francs.)
(Le montant total à liquider pour 1993 est fixé à 3 862,9 millions de francs.)
§ 2. (A partir de 1991, le paiement de ce montant s'effectuera en quatre tranches trimestrielles dont le montant est fixé par arrêté royal.
Chaque tranche est liquidée au cours du mois qui suit le trimestre auquel elle se rapporte.)
§ 3. (Sans préjudice des dispositions du § 1er, alinéa 2, le mode de régularisation annuelle de la différence entre les montants trimestriels, fixés conformément au § 2, et le montant de la diminution des cotisations patronales fixées par l'article 35, est déterminé par arrêté royal.)
§ 4. Les montants versés à l'Office national de sécurité sociale en contrepartie de la réduction des cotisations patronales pour l'occupation de travailleurs manuels sont assimilés à des cotisations de sécurité sociale.
Art. 37. De Koning kan voor de werknemers die onderworpen zijn aan het stelsel bepaald bij de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en daarmee gelijkgestelden, en voor de handarbeiders die onderworpen zijn aan het stelsel bepaald bij de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, vanaf 1 juli 1981 voorzien in een vermindering van de werkgeversbijdrage ten belope van hetzelfde (bedrag) als bepaald in artikel 35, § 1, alsook in een storting van een bedrag dat overeenstemt met het verlies aan inkomsten ingevolge die vermindering.(...) (Dit bedrag wordt ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Sociale Voorzorg.)
Art. 37. Le Roi peut, pour les travailleurs soumis au régime prévu par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et pour les travailleurs manuels soumis au régime prévu par l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, prévoir, à partir du 1er juillet 1981, une diminution de la cotisation patronale d'un même (montant) que celui prévu à l'article 35, § 1er, et un versement d'un montant égal au manque de recettes provenant de cette réduction.(...) (Ce montant est inscrit au budget du Ministère de la Prévoyance sociale.)
Art. 37bis. § 1. Voor de toepassing van dit artikel, wordt verstaan onder:
Gewone Maribel: de forfaitaire vermindering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen voor de tewerkstelling van handarbeiders op kwartaalbasis, ten belope van 2 825 Belgische frank of 1 875 Belgische frank per werknemer voor de periode van 1 januari 1993 tot 30 juni 1993, en van 3 000 Belgische frank of 1 875 Belgische frank voor de periode van 1 juli 1993 tot 30 juni 1997, bedoeld in het koninklijk besluit van 12 februari 1993 tot uitvoering van artikel 35, § 1, laatste lid van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
Maribel bis: de forfaitaire vermindering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen op kwartaalbasis ten belope van 7200 Belgische frank of 6 250 Belgische frank per handarbeider voor de periode van 1 juli 1993 tot 31 december 1993, bedoeld in het genoemde besluit van 12 februari 1993;
Maribel ter: de forfaitaire vermindering van de patronale sociale zekerheidsbijdragen op kwartaalbasis ten belope van 9 300 Belgische frank en van 8 437 Belgische frank per handarbeider voor de periode van 1 januari 1994 tot 30 juni 1997 en ten belope van dezelfde bedragen per handarbeider in de tuinbouwsector voor de periode van 1 juli 1994 tot 31 december 1995, bedoeld in het genoemde koninklijk besluit van 12 februari 1993;
Werkgevers: de werkgevers die tijdens de periode die een aanvang neemt bij het derde kwartaal 1993 en eindigend bij het 28 kwartaal 1997 een vermindering van de bijdragen Maribel bis of ter hebben genoten voor een gemiddelde tewerkstelling van meer dan 50 handarbeiders gedurende de periode tijdens dewelke zij bovenvermelde verminderingen hebben genoten.
§ 2. De werkgevers die een vermindering van de bijdragen Maribel bis en/of ter hebben genoten, waarbij het verschil met de vermindering van de gewone Maribel meer dan 4 033 990 Belgische frank (100 000 euro) bedraagt indien ze gedurende maximum 12 kwartalen de voornoemde vermindering hebben genoten, en meer dan 4 033 990 Belgische frank (100 000 euro) vermenigvuldigd met het aantal kwartalen tijdens dewelke ze Maribel bis en/of ter gedeeld door 12 hebben genoten, indien ze gedurende meer dan 12 kwartalen de vermindering van Maribel bis en/of ter hebben genoten, zijn verplicht tot terugbetaling van een deel van de bovenvermelde bijdragevermindering.
Het bedrag van de terugbetaling wordt bepaald als volgt:
Het bedrag van het verschil tussen Maribel bis en/of ter en de gewone Maribel die de werkgever had moeten genieten, wordt in aanmerking genomen ten belope van 59,83 %.
Van dat bedrag wordt een som ten belope van 4 033 990 Belgische frank (100 000 euro) afgetrokken voor de werkgevers die gedurende maximum 12 kwartalen de vermindering van Maribel bis en/of ter hebben genoten, en van 4 033 990 Belgische frank (100 000 euros) vermenigvuldigd met het aantal kwartalen tijdens dewelke ze Maribel bis enig ter gedeeld door 12 hebben genoten, voor de werkgevers die gedurende meer dan 12 kwartalen de vermindering van Maribel bis en/of ter hebben genoten.
Het verschuldigd bedrag is geactualiseerd op 1 april 2000 met een jaarlijkse verwijlinterest van 6,37 % die loopt vanaf het kwartaal van de toekenning van de Maribel steun.
De terugvordering bij fusie, splitsing, omschakeling of een inbreng van activiteit in de zin van titel IX van het Wetboek van Koophandel in het algemeen geschiedt bij de nieuwe werkgever. De terugvordering bij deze laatste is in verhouding tot het percentage van het geheel van de door hem overgenomen schulden.
§ 3. In afwijking van artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de verjaringstermijn met betrekking tot de inning van het in § 2 beoogde bedrag verhoogd tot 8 jaar.
§ 4. De terugbetalingen zullen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigd zijn op april 2000. De werkgever kan kiezen tussen een eenmalige terugbetaling van het totaal bedrag op 1 april 2000 en een driemaandelijkse terugbetaling van het verschuldigd bedrag in 12 schijven.
Elke schijf vertegenwoordigt één twaalfde van het totaal bedrag verhoogd met een bijkomende verwijlinterest van 6,37 % per jaar vanaf 1 april 2000 tot op het ogenblik waarop de betaling van de schijf is verschuldigd.
Voor iedere in § 1 bedoelde werkgever deelt de Rijksdienst voor sociale zekerheid, op basis van de informatie waarover hij beschikt, het eenmalig terug te betalen bedrag mee, alsook het bedrag van de 12 terug te betalen schijven, ingeval de werkgever voor deze betalingswijze zou opteren.
De werkgever beschikt over een termijn van 30 dagen om zijn keuze van betalingswijze aan te geven. Bij ontstentenis van mededeling van zijn keuze binnen deze termijn, wordt ervan uitgegaan dat de terugbetaling per kwartaal in 12 schijven zal worden uitgevoerd.
(De bovenvermelde bedragen worden gelijkgesteld met de socialezekerheidsbijdragen wat de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van geschil betreft, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
(In de mate dat tot 31 december 2001, in uitvoering van de §§ 1 tot 4, de terugbetaalde bedragen in mindering zijn gebracht van positieve belastbare basissen in de vennootschapsbelasting, moet 40,17 % van het aldus in mindering gebrachte bedrag uiterlijk op 31 december 2002 worden gestort op de thesaurierekening. In de mate dat zulks niet het geval was en in de mate dat het daardoor ontstane verlies nog niet in mindering is gebracht van latere belastbare winsten, dient het fiscaal resultaat van het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2003 te worden verhoogd met het bedrag van de terugbetaalde en in kosten gebrachte sommen. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inningswijze alsmede het bedrag van de administratieve sancties vaststellen in geval van niet-betaling, binnen de vastgestelde termijn, van de hierboven vermelde som.
De verwijlinterest wordt berekend tegen een jaarrentevoet van 6,37 %. De termijn waarover de verwijlinterest verschuldigd is, wordt als volgt bepaald :
- voor de in 2000 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2001 tot op het ogenblik van de terugbetaling;
- voor de in 2001 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2002 tot op het ogenblik van de terugbetaling.)
De aldus terugbetaalde bedragen zijn geen aftrekbare beroepslasten in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De terugbetalingen die zullen verricht worden vanaf 1 januari 2002 zijn geen aftrekbare beroepslasten in de zin van artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.)
De Koning kan bij een in de Ministerraad overlegd besluit bijzondere regelen voor de terugbetaling bepalen.
Hij kan ook, voor de ondernemingen die door de terugbetaling in moeilijkheden zouden geraken of tot herstructurering zouden worden verplicht, bij een in de Ministerraad overlegd besluit bijzondere regelen vaststellen voor de terugbetaling van de verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen van Maribel bis en/of ter bedoeld in § 2, of hen vrijstellen van deze terugbetaling.
Art. 37bis. § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par:
Maribel ordinaire: la réduction forfaitaire des cotisations patronales de sécurité sociale, sur une base trimestrielle, pour l'occupation de travailleurs manuels, d'un montant de 2 825 francs belges ou 1 875 francs belges par travailleur pour la période du 1er janvier 1993 au 30 juin 1993 et de 3 000 francs belges ou 1 875 francs belges pour la période du 1er juillet 1993 au 30 juin 1997, visée dans l'arrêté royal du 12 février 1993 portant exécution de l'article 35, § 1er, dernier alinéa, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
Maribel bis: la réduction forfaitaire des cotisations patronales de sécurité sociale, sur une base trimestrielle, de 7 200 francs belges ou 6 250 francs belges par travailleur manuel, pour la période du 1er juillet 1993 au 31 décembre 1993, visée dans l'arrête royal du 12 février 1993;
Maribel ter: la réduction forfaitaire des cotisations patronales de sécurité sociale, sur une base trimestrielle, de 9 300 francs belges et de 8 437 francs belges par travailleur manuel pour la période du 1° janvier 1994 au 30 juin 1997 et à concurrence de ces mêmes montants par travailleur manuel dans le secteur horticole pour la période du 1er juillet 1994 au 31 décembre 1995, visée dans l'arrêté royal du 12 février 1993;
employeurs: les employeurs qui pendant la période allant du 3e trimestre 1993, jusque et y compris le 2e trimestre 1997 ont bénéficié d'une réduction de cotisations Maribel bis ou ter pour une moyenne de plus de 50 ouvriers pour la période durant laquelle ils ont bénéficié des réductions précitées.
§ 2. Les employeurs qui ont bénéficié d'une réduction des cotisations Maribel bis et/ou ter, dont la différence avec la réduction Maribel ordinaire est supérieure à 4 033 990 francs belges (100 000 euro), s'ils ont bénéficié de la réduction précitée pendant maximum 12 trimestres et à 4 033 990 francs belges (100 000 euros) multipliés par le nombre de trimestres pendant lequel ils ont bénéficié du Maribel bis et/ou ter divise par 12, s'ils ont benéficié pendant plus de 12 trimestres de la réduction Maribel bis et/ou ter, sont tenus de rembourser une partie de la réduction des cotisations susmentionnée.
Le montant du remboursement est déterminé de la façon suivante:
Le montant de la différence entre le Maribel bis et/ou ter et le Maribel ordinaire dont aurait dû bénéficier l'employeur, est pris en compte à concurrence de 59,83 %.
Une somme de 4 033 990 francs belges (100 000 euros) est déduite de ce montant pour les employeurs qui ont bénéficié de la réduction Maribel bis et/ou ter pendant maximum 12 trimestres et de 4 033 990 francs belges (100 000 euros) multipliés par le nombre de trimestres pendant lesquels ils ont bénéficié du Maribel bis et/ou 1er divisé par 12, pour les employeurs qui ont bénéficié pendant plus de 12 trimestres de la réduction Maribel et/ou ter.
Le montant dû est actualisé au 1er avril 2000 avec un intérêt de retard de 6,37 % l'an qui court depuis le trimestre concerné par l'octroi de l'aide Maribel.
La récupération en cas de fusion, de scission, de transformation ou d'un apport d'activité au sens du titre IX du Code de commerce en général est faite auprès du nouvel employeur. La récupération auprès de ce dernier se fait en proportion du pourcentage de l'ensemble des dettes reprises par celui-ci.
§ 3. Par dérogation à l'article 42 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurite sociale des travailleurs, le délai de prescription en ce qui concerne la perception du montant visé au § 2 est porté à 8 ans.
§ 4. Les remboursements seront dus à l'Office national de sécurité sociale à partir du 1er avril 2000. L'employeur a le choix entre le remboursement du montant total en une seule fois au 1er avril 2000 et le remboursement trimestriel en 12 tranches.
Chaque tranche représente un douzième du montant total augmenté d'un intérêt de retard de 6,37 % l'an qui court à partir du 1er avril 2000 jusqu'au moment auquel le paiement de la tranche est dû.
Pour chaque employeur visé au § 1er, l'Office national de sécurité sociale communique sur la base des informations dont il dispose, le montant à rembourser en une seule fois ainsi que le montant des 12 tranches à rembourser, dans l'hypothèse où l'employeur opterait pour ce mode de remboursement.
L'employeur dispose d'un délai de 30 jours pour opter pour un des deux modes de remboursement. A défaut de notification de son choix dans ce délai, il sera considéré que le remboursement s'effectuera trimestriellement en 12 tranches.
(Les montants susvisés sont assimilés à des cotisations de sécurité sociale en ce qui concerne la désignation du juge compétent en cas de litige, le privilège et la communication du montant de la créance des organismes chargés de la perception et du recouvrement des cotisations.
(Dans la mesure où, en exécution des §§ 1er à 4, les montants remboursés ont été déduits, dans le cadre de l'impôt des sociétés, des bases imposables positives jusqu'au 31 décembre 2001, une somme correspondant à 40,17 % du montant ainsi déduit doit être payé au compte de trésorerie au plus tard le 31 décembre 2002. Si tel n'est pas le cas et si la perte ainsi générale n'a pas encore été déduite de bénéfices imposables ultérieurs, le résultat fiscal de la période imposable liée à l'exercice d'imposition 2003 doit être majoré du montant des sommes remboursées et portées en frais. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer les modalités de perception ainsi que le montant des sanctions administratives applicables en cas de non-paiement de la somme susvisée dans le délai fixé.
L'intérêt de retard est calculé au taux annuel de 6,37 %. La période pour laquelle l'intérêt de retard est dû est déterminée de la manière suivante :
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2000 : à partir du 1er juillet 2001 jusqu'au moment du remboursement;
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2001 : à partir du 1er juillet 2002 jusqu'au moment du remboursement.)
Les montants ainsi remboursés ne constituent pas une charge professionnelle déductible au sens de l' article 49 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Les remboursements qui sont effectués à partir du 1er janvier 2002 ne constituent pas des charges professionnelles déductibles au sens de l'article 49 du Code des impôts sur le revenu 1992.)
Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des ministres déterminer les modalités de remboursement.
Il peut également par arrêté délibéré en Conseil des ministres fixer des modalités particulières pour le remboursement des réductions de cotisations de sécurité sociale Maribel bis et/ou ter visé au § 2 ou exonérer dudit remboursement, les entreprises qui rencontrent des difficultés ou qui sont tenues de procéder à des opérations de restructuration suite à l'obligation de remboursement.
Art. 37ter. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en onder de door Hem bepaalde voorwaarden en nadere regels, de werkgevers van de baggervaartsector vrijstellen van de verplichting om de werkgeversbijdragen te betalen, bedoeld in artikel 38, §§ 3, [2 1° of 2° of 3°]2 en 9°, en 3bis, van deze wet. Hij kan ook deze werkgevers toelaten de werknemersbijdragen, berekend op het loon, begrensd tot het bedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, te betalen aan de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen, en het bedrag overeenstemmend met de persoonlijke bijdragen berekend op het verschil van het bovenvermeld begrensd loon en het brutoloon te behouden.
§ 2. a) Voor het zeevervoergedeelte van baggerwerkzaamheden (zeevervoer van baggerspecie) mogen de werkgevers van de baggervaartsector de in § 1 bedoelde maatregelen enkel toepassen op de lonen van de communautaire zeelieden, die zij tewerkstellen aan boord van in een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde zeewaardige baggerschepen met eigen voortstuwing, die ingericht zijn voor het vervoer van een lading over zee, waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd en die minstens 50 % van hun bedrijfstijd [1 vervoer op zee]1 verrichten.
b) Onder communautaire zeelieden moet worden verstaan, alle zeelieden die in een lidstaat belasting en/of sociale zekerheidsbijdragen betalen.
Art. 37ter. § 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et dans les conditions et modalités qu'Il détermine, le Roi peut exempter les employeurs du secteur du dragage de l'obligation de payer les cotisations patronales prévues à l'article 38, §§ 3, [1 1° ou 2° ou 3°]1° et 9°, et 3bis, de la présente loi. Il peut également autoriser ces employeurs à payer, à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations, les cotisations des travailleurs calculées sur le salaire plafonné au montant visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, tout en conservant le montant correspondant aux cotisations personnelles calculées sur la différence entre la rémunération plafonnée précitée et la rémunération brute.
§ 2. a) Pour la partie transport maritime des activités de dragage (transport maritime de produits de dragages), les employeurs du secteur du dragage ne peuvent appliquer les mesures visées au § 1er qu'aux rémunérations des marins communautaires qu'ils occupent à bord de dragues de mer automotrices immatriculées dans un Etat membre de l'Espace économique européen, qui sont équipées pour le transport d'un chargement en mer, pour lesquelles une lettre de mer est produite et dont 50 % au moins des activités opérationnelles constituent des transports maritimes en mer.
b) Par marins communautaires, il faut entendre tous les marins assujettis dans un Etat membre à l'impôt et/ou aux cotisations de sécurité sociale.
Art. 37ter_WAALS_GEWEST. § 1. [3 ...]3 Hij kan ook deze werkgevers toelaten de werknemersbijdragen, berekend op het loon, begrensd tot het bedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, te betalen aan de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen, en het bedrag overeenstemmend met de persoonlijke bijdragen berekend op het verschil van het bovenvermeld begrensd loon en het brutoloon te behouden.
§ 2. a) Voor het zeevervoergedeelte van baggerwerkzaamheden (zeevervoer van baggerspecie) mogen de werkgevers van de baggervaartsector de in § 1 bedoelde maatregelen enkel toepassen op de lonen van de communautaire zeelieden, die zij tewerkstellen aan boord van in een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde zeewaardige baggerschepen met eigen voortstuwing, die ingericht zijn voor het vervoer van een lading over zee, waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd en die minstens 50 % van hun bedrijfstijd [1 vervoer op zee]1 verrichten.
b) Onder communautaire zeelieden moet worden verstaan, alle zeelieden die in een lidstaat belasting en/of sociale zekerheidsbijdragen betalen.
Art. 37ter _REGION_WALLONNE.
§ 1er. [2 ...]2 Il peut également autoriser ces employeurs à payer, à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations, les cotisations des travailleurs calculées sur le salaire plafonné au montant visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, tout en conservant le montant correspondant aux cotisations personnelles calculées sur la différence entre la rémunération plafonnée précitée et la rémunération brute.
§ 2. a) Pour la partie transport maritime des activités de dragage (transport maritime de produits de dragages), les employeurs du secteur du dragage ne peuvent appliquer les mesures visées au § 1er qu'aux rémunérations des marins communautaires qu'ils occupent à bord de dragues de mer automotrices immatriculées dans un Etat membre de l'Espace économique européen, qui sont équipées pour le transport d'un chargement en mer, pour lesquelles une lettre de mer est produite et dont 50 % au moins des activités opérationnelles constituent des transports maritimes en mer.
b) Par marins communautaires, il faut entendre tous les marins assujettis dans un Etat membre à l'impôt et/ou aux cotisations de sécurité sociale.
Art. 37ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. [2 ...]2 Hij kan ook deze werkgevers toelaten de werknemersbijdragen, berekend op het loon, begrensd tot het bedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, te betalen aan de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen, en het bedrag overeenstemmend met de persoonlijke bijdragen berekend op het verschil van het bovenvermeld begrensd loon en het brutoloon te behouden.
§ 2. a) Voor het zeevervoergedeelte van baggerwerkzaamheden (zeevervoer van baggerspecie) mogen de werkgevers van de baggervaartsector de in § 1 bedoelde maatregelen enkel toepassen op de lonen van de communautaire zeelieden, die zij tewerkstellen aan boord van in een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde zeewaardige baggerschepen met eigen voortstuwing, die ingericht zijn voor het vervoer van een lading over zee, waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd en die minstens 50 % van hun bedrijfstijd [1 vervoer op zee]1 verrichten.
b) Onder communautaire zeelieden moet worden verstaan, alle zeelieden die in een lidstaat belasting en/of sociale zekerheidsbijdragen betalen.
Art. 37ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. [1 ...]1 Il peut également autoriser ces employeurs à payer, à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations, les cotisations des travailleurs calculées sur le salaire plafonné au montant visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, tout en conservant le montant correspondant aux cotisations personnelles calculées sur la différence entre la rémunération plafonnée précitée et la rémunération brute.
§ 2. a) Pour la partie transport maritime des activités de dragage (transport maritime de produits de dragages), les employeurs du secteur du dragage ne peuvent appliquer les mesures visées au § 1er qu'aux rémunérations des marins communautaires qu'ils occupent à bord de dragues de mer automotrices immatriculées dans un Etat membre de l'Espace économique européen, qui sont équipées pour le transport d'un chargement en mer, pour lesquelles une lettre de mer est produite et dont 50 % au moins des activités opérationnelles constituent des transports maritimes en mer.
b) Par marins communautaires, il faut entendre tous les marins assujettis dans un Etat membre à l'impôt et/ou aux cotisations de sécurité sociale.
Art. 37ter _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. [2 ...]2 Hij kan ook deze werkgevers toelaten de werknemersbijdragen, berekend op het loon, begrensd tot het bedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, te betalen aan de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen, en het bedrag overeenstemmend met de persoonlijke bijdragen berekend op het verschil van het bovenvermeld begrensd loon en het brutoloon te behouden.
§ 2. a) Voor het zeevervoergedeelte van baggerwerkzaamheden (zeevervoer van baggerspecie) mogen de werkgevers van de baggervaartsector de in § 1 bedoelde maatregelen enkel toepassen op de lonen van de communautaire zeelieden, die zij tewerkstellen aan boord van in een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte geregistreerde zeewaardige baggerschepen met eigen voortstuwing, die ingericht zijn voor het vervoer van een lading over zee, waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd en die minstens 50 % van hun bedrijfstijd [1 vervoer op zee]1 verrichten.
b) Onder communautaire zeelieden moet worden verstaan, alle zeelieden die in een lidstaat belasting en/of sociale zekerheidsbijdragen betalen.
Art. 37ter _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [1 ...]1 Il peut également autoriser ces employeurs à payer, à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations, les cotisations des travailleurs calculées sur le salaire plafonné au montant visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, tout en conservant le montant correspondant aux cotisations personnelles calculées sur la différence entre la rémunération plafonnée précitée et la rémunération brute.
§ 2. a) Pour la partie transport maritime des activités de dragage (transport maritime de produits de dragages), les employeurs du secteur du dragage ne peuvent appliquer les mesures visées au § 1er qu'aux rémunérations des marins communautaires qu'ils occupent à bord de dragues de mer automotrices immatriculées dans un Etat membre de l'Espace économique européen, qui sont équipées pour le transport d'un chargement en mer, pour lesquelles une lettre de mer est produite et dont 50 % au moins des activités opérationnelles constituent des transports maritimes en mer.
b) Par marins communautaires, il faut entendre tous les marins assujettis dans un Etat membre à l'impôt et/ou aux cotisations de sécurité sociale.
Art. 37quater. § 1. Indien de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een ocmw-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 of hun vervangers niet onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandige, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden zij door de gemeente, het OCMW, de provincie, de vereniging van gemeenten of de ocmw-vereniging onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij artikel 5, 1°, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.
§ 2. Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een ocmw-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 of hun vervangers onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen.
§ 3. De werknemers- en werkgeversbijdragen bedoeld bij artikel 38, § 2, 2°, 3°, 4°, en [2 § 3, 3°]2, van deze wet [2 ...]2 berekend op het bedrag van hun volledige wedde, worden aangegeven en [3 betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3.
[1 § 4. Indien de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of hun vervangers alsook de gewezen voorzitters van een OCMW en hun vervangers na de beëindiging van hun mandaat slechts met toepassing van het artikel 32, 15°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verstrekkingen krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging kunnen genieten, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de persoonlijke bijdragen ten laste die verschuldigd zijn krachtens die bepaling.]1
[1 § 5.]1 (oude § 4)De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels ter uitvoering van deze bepaling.
Art. 37quater. § 1er. Si les personnes qui perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif auprès d'une commune, d'un centre public d'action sociale (cpas), d'une province, d'une association de communes ou d'une association de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976, ou leurs remplaçants ne sont pas assujetties à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour leur activité de travailleur, ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, et que sans l'application de la présente disposition, elles ne bénéficieraient des prestations en matière de soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires, elles sont assujetties par la commune, le cpas, la province, l'association de communes ou l'association de cpas aux régime assurance obligatoire soins de santé et indemnités, allocations de chômage et allocations familiales visé à l'article 5, 1°, a), b), e) et f), de la loi du 27 juin 1969 précitée.
§ 2. Sont également assujetties aux régimes susvisés, les personnes qui perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif auprès d'une commune, d'un centre public d'action sociale (cpas), d'une province, d'une association de communes ou d'une association de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976, ou leurs remplaçants assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui sans l'application de la présente disposition ne bénéficieraient des prestations en matière d'assurance obligatoire soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires.
§ 3. Les cotisations du travailleur et de l'employeur visées à l'article 38, § 2, 2°, 3°, 4° et [2 § 3, 3°]2, de la présente loi [2 ...]2, calculées sur le montant de leur traitement complet, sont déclarées et [3 payés à l'Office national de sécurité sociale]3.
[1 § 4. Si, après la fin de leur mandat, les présidents des centres publics d'aide sociale ou leurs remplaçants ainsi que les anciens présidents de CPAS et leurs remplaçants ne peuvent bénéficier des prestations relatives à l'assurance obligatoire soins de santé qu'en application de l'article 32, 15°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les cotisations personnelles dues en vertu de cette disposition sont prises en charge par le centre public d'aide sociale.]1
[1 § 5.]1 (anc. § 4.) Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'exécution de la présente disposition.
Art. 37quater _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Indien de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een ocmw-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 of hun vervangers niet onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandige, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden zij door de gemeente, het OCMW, de provincie, de vereniging van gemeenten of de ocmw-vereniging onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen [4 ...]4 bedoeld bij artikel 5, 1°, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.
§ 2. Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de personen die een met een wedde bezoldigd, uitvoerend politiek mandaat uitoefenen bij een gemeente, een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW), een provincie, een vereniging van gemeenten of een ocmw-vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 of hun vervangers onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen.
§ 3. De werknemers- en werkgeversbijdragen bedoeld bij artikel 38, § 2, 2°, 3°, 4°, en [2 § 3, 3°]2, van deze wet [2 ...]2 berekend op het bedrag van hun volledige wedde, worden aangegeven en [3 betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3.
[1 § 4. Indien de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of hun vervangers alsook de gewezen voorzitters van een OCMW en hun vervangers na de beëindiging van hun mandaat slechts met toepassing van het artikel 32, 15°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, verstrekkingen krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging kunnen genieten, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de persoonlijke bijdragen ten laste die verschuldigd zijn krachtens die bepaling.]1
[1 § 5.]1 (oude § 4)De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels ter uitvoering van deze bepaling.
Art. 37quater _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Si les personnes qui perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif auprès d'une commune, d'un centre public d'action sociale (cpas), d'une province, d'une association de communes ou d'une association de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976, ou leurs remplaçants ne sont pas assujetties à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour leur activité de travailleur, ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, et que sans l'application de la présente disposition, elles ne bénéficieraient des prestations en matière de soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires, elles sont assujetties par la commune, le cpas, la province, l'association de communes ou l'association de cpas aux régime assurance obligatoire soins de santé et indemnités, allocations de chômage [4 ...]4 visé à l'article 5, 1°, a), b), e) et f), de la loi du 27 juin 1969 précitée.
§ 2. Sont également assujetties aux régimes susvisés, les personnes qui perçoivent une rémunération pour l'exercice d'un mandat politique exécutif auprès d'une commune, d'un centre public d'action sociale (cpas), d'une province, d'une association de communes ou d'une association de cpas visée au chapitre XII de la loi organique des centres publics d'action sociale du 8 juillet 1976, ou leurs remplaçants assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui sans l'application de la présente disposition ne bénéficieraient des prestations en matière d'assurance obligatoire soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires.
§ 3. Les cotisations du travailleur et de l'employeur visées à l'article 38, § 2, 2°, 3°, 4° et [2 § 3, 3°]2, de la présente loi [2 ...]2, calculées sur le montant de leur traitement complet, sont déclarées et [3 payés à l'Office national de sécurité sociale]3.
[1 § 4. Si, après la fin de leur mandat, les présidents des centres publics d'aide sociale ou leurs remplaçants ainsi que les anciens présidents de CPAS et leurs remplaçants ne peuvent bénéficier des prestations relatives à l'assurance obligatoire soins de santé qu'en application de l'article 32, 15°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les cotisations personnelles dues en vertu de cette disposition sont prises en charge par le centre public d'aide sociale.]1
[1 § 5.]1 (anc. § 4.) Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités d'exécution de la présente disposition.
Art. 37quinquies. (Abrogé)
Art. 37quinquies. (Abrogé)
Art. 37sexies. (Abrogé)
Art. 37sexies. (Abrogé)
Art. 38. § 1.
De sociale zekerheidsbijdragen worden berekend op grond van het volledig loon van de werknemer, bedoeld bij artikel 23.
[60 De bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, 1° of 2° of 3°, en § 3bis, zijn niet verschuldigd op het deel van het basisloon dat een grensbedrag per kwartaal overschrijdt. Dit grensbedrag wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus aan werknemers met lage lonen en van andere verminderingen van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat wordt begrepen onder het begrip basisloon en legt eveneens het grensbedrag vast.
In geval voornoemde overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, wordt het grensbedrag evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.]60

§ 2.
De bijdragevoeten van de werknemersbijdragen worden vastgesteld als volgt :
1° (7,5 pct.) van het bedrag van zijn loon, (voor de werknemers onderworpen aan de) rust- en overlevingspensioenregeling van de werknemers; (Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden tewerkgesteld in de ondergrond van de mijnen of steengroeven met ondergrondse winning wordt deze bijdragevoet op 8,50 pct. gebracht;)
2° 1,15 pct. van het bedrag van zijn loon, (voor de werknemers onderworpen aan de) regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen); (Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden wordt deze bijdragevoet op 0,15 pct. gebracht;)
3° 0,87 pct. van het bedrag van zijn loon, (voor de werknemers onderworpen aan de) regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid;
4° (3,55 pct.) van het bedrag van zijn loon, (voor de werknemers onderworpen aan de) regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging).
(5° 1,00 pct. van het bedrag van het loon van de werknemers onderworpen aan de regeling van de invaliditeitspensioenen voor de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;)
Art. 38. § 1er.
Les cotisations de sécurité sociale sont calculées sur base de la rémunération complète du travailleur, visée à l'article 23.
[60 Les cotisations visées à l'article 38, § 3, 1° ou 2° ou 3°, et § 3bis, ne sont pas dues sur la partie du salaire de base qui dépasse un montant limite trimestriel. Ce montant limite est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et d'autres réductions des cotisations personnelles de sécurité sociale, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'on entend par le concept de salaire de base et détermine également le montant limite.
Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation au cours du trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur au cours du trimestre.]60

§ 2.
Les taux de la cotisation du travailleur sont fixes comme suit :
1° (7,5 p.c.) du montant de sa rémunération, (pour les travailleurs soumis) au régime des pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés; (Pour l'ouvrier mineur et assimilé occupé au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine le taux est porté à 8,50 p.c.)
2° 1,15 p.c. du montant de sa rémunération (pour les travailleurs soumis) au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité (secteur des indemnités); (pour l'ouvrier mineur et assimilé le taux est porté à 0,15 p.c.;)
3° 0,87 p.c. du montant de sa rémunération (pour les travailleurs soumis) au régime relatif à l'emploi et au chômage;
4° (3,55 p.c.) du montant de sa rémunération (pour les travailleurs soumis) au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité (secteur des soins de santé).
(5° 1,00 p.c., du montant de la rémunération de l'ouvrier assujetti au régime des pensions d'invalidité pour des ouvriers mineurs et assimilés;)
§ 3.
De bijdragevoeten van de werkgeversbijdragen worden vastgesteld als volgt :
[22 Een basiswerkgeversbijdrage van 24,92 % is verschuldigd voor alle werknemers met uitzondering van de werknemers bedoeld in de bepalingen onder 2° en 3° hieronder.
Voor de categorieën van werknemers voor wie de toepassing van de wet beperkt is op basis van artikel 2, § 1, 2° van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de verschuldigde werkgeversbijdrage berekend door voor elke niet toepasselijke regeling de overeenkomstige bijdragevoet opgesomd in de bepaling onder 4° hieronder af te trekken.]22

[22 Voor de werknemers die tewerkgesteld zijn door een private persoon die een instelling voor onderwijs, een dienst voor school- en beroepsoriëntering of een psycho-medisch-sociaal centrum inricht en die niet met eigen middelen worden betaald, of die deel uitmaken van het academisch personeel van een universiteit, of die tewerkgesteld zijn door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, alsmede de instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven die er van afhangen, met uitzondering van de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, is een basiswerkgeversbijdrage van 24,82 % verschuldigd.
Indien zij evenwel vallen onder de toepassing van de artikelen 7, 8, 9 of 11 tot 14 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, en zij vastbenoemd zijn of in sta-tutair verband werken, is een basiswerkgeversbijdrage verschuldigd van 17,82 % .
Hetzelfde percentage is van toepassing voor de personen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Voor de categorieën van werknemers voor wie de toepassing van de wet beperkt is op basis van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de verschuldigde werkgeversbijdrage berekend door voor elke niet toepasselijke regeling de overeenkomstige bijdragevoet opgesomd in de bepaling onder 4° hieronder af te trekken;]22

[22 Voor de werknemers die tewerkgesteld zijn door de provinciale en plaatselijke besturen die [34 ...]34, is een ba-siswerkgeversbijdrage van 23,07 % verschuldigd.
Voor de categorieën van werknemers voor wie de toepassing van de wet beperkt is op basis van artikel 2, § 1, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt de verschuldigde werkgeversbijdrage berekend door voor elke niet toepasselijke regeling de overeenkomstige bijdragevoet opgesomd in de bepaling onder 4° hieronder af te trekken;]22

[22 Voor de toepassing van de bepalingen onder 1°, 2° en 3° in fine worden de overeenkomstige bijdragevoeten als volgt bepaald :
Pensioenen : 8,86 %
ZIV-uitkeringen : 2,35 %
Werkloosheid : 1,46 %
Gezondheidszorg : 3,80 %
Beroepsziekten : 1,00 %
Arbeidsongevallen : 0,30 %;]22

[34 0,17 % van het bedrag van het loon van de werknemer bestemd voor de regeling van de beroepsziekten in de overheidssector; deze bijdrage bedoeld bij artikel 56, 3°, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, is verschuldigd door elke werkgever bedoeld bij artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De door het eerste lid bedoelde werkgeversbijdrage is niet verschuldigd voor de personen, bedoeld bij de artikelen 17 en 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]34

[22 ...]22;
[22 ...]22;
8° wat de handarbeiders (en de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken) betreft, (16,27) pct. van hun loon, bestemd voor de (wettelijke vakantie) van de handarbeiders. Een gedeelte van (10,27) pct. begrepen in deze bijdrage wordt slechts jaarlijks gestort in de loop van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar op de datum vastgesteld door de Koning en volgens de modaliteiten die Hij bepaalt.
[26 Het bijdragepercentage van 16,27 pct., bedoeld in de eerste zin, wordt vervangen als volgt :
- 16,10 pct. vanaf het 2de kwartaal 2015;
- 15,92 pct. vanaf het 1ste kwartaal 2016;
- 15,88 pct. vanaf het 1ste kwartaal 2017;
- 15,84 pct. vanaf het 1ste kwartaal 2018.]26

[11 De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de in het eerste lid bedoelde bijdragevoet verminderen op de door Hem bepaalde wijze [49 mits aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
1° de totale nominale waarde van de maatregelen die zijn aangemeld als beperkt steunbedrag in de zin van de mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 betreffende de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak, laatstelijk gewijzigd op 28 januari 2021, onder het algemene plafond van 1,8 miljoen euro per onderneming blijft;
2° de onderneming is op 31 december 2019 geen "onderneming in moeilijkheden" in de zin van artikel 2, punt 18, van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.]49
.]11

[49 In afwijking van paragraaf 3, 2°, kan de vervanging van het bijdragepercentage worden toegekend aan micro- of kleine ondernemingen in de zin van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 die op 31 december 2019 reeds in moeilijkheden verkeerden, op voorwaarde dat zij niet het voorwerp uitmaken van een collectieve insolventieprocedure overeenkomstig boek XX van het Wetboek van economisch recht en geen reddingssteun hebben ontvangen waarvoor de lening niet is terugbetaald of de garantie niet is vrijgegeven tegen 15 juni 2021, noch herstructureringssteun waarvoor het plan niet is voltooid tegen 15 juni 2021.
Voor de werkgevers voor wie de toepassing van het derde lid leidt tot een vermindering van de bijdragen met een bedrag dat, opgeteld bij de bedragen van de maatregelen die reeds zijn aangemeld als beperkt steunbedrag in de zin van de mededeling van de Commissie van 19 maart 2020, gelijk is aan of groter is dan het algemene plafond bedoeld in het derde lid, 1°, worden de percentages van 5,57 p. c. en 0,00 p.c. verhoogd tot respectievelijk 15,84 p.c. en 10,27 p.c. voor de beloningen die, indien de in het eerste en tweede lid bedoelde bijdragepercentages waren toegepast, hoger zouden liggen dan de loonmassa waarvan is uitgegaan voor de berekening van het algemene maximum van 1,8 miljoen euro.
De krachtens het vorige lid verschuldigde bedragen worden aan de Rijksdienst betaald uiterlijk op de dertigste dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 23 november 2021 houdende wijziging van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voorvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 en tot wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]49

[12 1,60 procent van het bedrag van het loon van de werknemer; deze bijdrage is verschuldigd door elke werkgever met betrekking tot de werknemers voor wie hij onder de toepassing van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, valt [13 , met uitzondering van :
1° de gesubsidieerde contractuelen bedoeld in hoofdstuk II van titel III van de programmawet van 30 december 1988;
2° de gesubsidieerde contractuelen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen;
3° de contractuele werknemers ter vervanging van ambtenaren die genieten van de onderbreking van de beroepsloopbaan ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
4° de contractuele werknemers bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
5° de contractuele werknemers tewerkgesteld ter vervanging van de personeelsleden bedoeld in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector;
6° de werknemers tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]13

Van deze bijdrage zijn vrijgesteld de werkgevers die gemiddeld minder dan 10 werknemers tewerkstelden gedurende een te bepalen referteperiode
Deze referteperiode en de wijze waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend, worden bepaald door de Koning.
Evenmin is de bijdrage van 1,60 procent van het bedrag van het loon van de werknemers, verschuldigd door de Fondsen voor bestaanszekerheid die, vóór 30 september 1983, lonen uitbetaalden als derde betalers in toepassing van artikel 43 van de wet van 27 juni 1969 en die het voordeel, voorzien in artikel 35 van de wet van 29 juni 1981, niet genoten.
De opbrengst van de bijdrage van 1,60 procent wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.
Voor de toepassing van dit punt van het huidige lid, wordt onder werknemers verstaan de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst alsmede de erkende leerlingen en de werknemers die uitsluitend aan de sector der geneeskundige verzorging onderworpen zijn. Bij het bepalen van het aantal werknemers dienen ook begrepen te worden de werknemers wiens arbeid geschorst is om een wettige oorzaak overeenkomstig de bepalingen van titel I, hoofdstuk III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met uitzondering van de werknemers in volledige beroepsloopbaanonderbreking.
10° 1,00 procent van het bedrag van het loon van de werknemers onderworpen aan de regeling van de invaliditeitspensioenen voor de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
[22 11° 1,40 % van het bedrag van het loon van de werknemer; deze bijzondere bijdrage is verschuldigd door elke werkgever voor de werknemers die beantwoorden aan de criteria van de bepaling onder 2°, lid 2.]22
Met uitzondering van 9° bepaalt de Koning voor de toepassing van lid 1 wat onder " werknemers " wordt verstaan.]12

[18 ...]18
§ 3.
Les taux de la cotisation de l'employeur sont fixés comme suit :
[22 Une cotisation patronale de base de 24,92 % est due pour tous les travailleurs, à l'exception de ceux visés aux 2° et 3° ci-dessous.
Pour les catégories de travailleurs pour lesquels l'application de la loi est limitée sur la base de l'article 2, § 1er, 2° de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la cotisation patronale due est calculée en déduisant pour chaque régime non applicable le taux de cotisation correspondant. Les différents taux de cotisation sont repris au 4° ci-dessous;]22

[22 Pour les travailleurs occupés par une personne privée qui organise un établissement d'enseignement, un service d'orientation scolaire et professionnelle ou un centre psycho-médico-social et qui ne sont pas payés avec des moyens propres, ou sont membres du personnel académique d'une université, et pour ceux employés par l'Etat, les communautés, les régions, y compris les organismes d'intérêt public et les entreprises publiques autonomes qui en dépendent, à l'exception des entreprises publiques autonomes visées par l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, une cotisation patronale de base de 24,82 % est due.
Si toutefois ils sont soumis à l'application des articles 7, 8, 9 ou 11 à 14 inclus de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et qu'ils sont nommés ou qu'ils se trouvent dans un lien statutaire, une cotisation patronale de base de 17,82 % est due.
Le même pourcentage est d'application pour les personnes qui remplissent les conditions de l'article 4 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Pour les catégories de travailleurs pour lesquels l'application de la loi est limitée sur la base de l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la cotisation patronale due est calculée en déduisant pour chaque régime non applicable le taux de cotisation correspondant. Les différents taux de cotisation sont repris au 4° ci-dessous;]22

[22 Pour les travailleurs occupés par les administrations provinciales et locales [34 ...]34, une cotisation patronale de base de 23,07 % est due.
Pour les catégories de travailleurs pour lesquels l'application de la loi est limitée sur la base de l'article 2, § 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la cotisation patronale due est calculée en déduisant pour chaque régime non applicable le taux de cotisation correspondant. Les différents taux de cotisation sont repris au 4° ci-dessous;]22

[22 En ce qui concerne l'application in fine des 1°, 2° et 3°, les taux de cotisations sont fixés comme suit :
Pensions : 8,86 %
Indemnités AMI 2,35 %
Chômage : 1,46 %
Soins de santé : 3,80 %
Maladies professionnelles : 1,00 %
Accidents du travail : 0,30 %;]22

[34 0,17 % du montant de la rémunération du travailleur destiné au régime des maladies professionnelles dans le secteur public; cette cotisation visée à l'article 56, 3°, des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970, est due par chaque employeur visé à l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
La cotisation patronale visée à l'alinéa 1er n'est cependant pas due pour les personnes visées aux articles 17 et 17bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]34

[22 ...]22;
[22 ...]22;
8° en ce qui concerne les travailleurs manuels (et les personnes soumises au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison des prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent), (16,27) p.c. de leur rémunération, destinés au régime des (vacances légales) des travailleurs manuels. Une part de (10,27) p.c. comprise dans cette cotisation n'est versée qu'annuellement dans le court de l'année qui suit l'exercice de vacances, à la date fixée par le Roi et suivant les modalités qu'Il détermine.
[26 Le taux de cotisation de 16,27 p.c. visé à la première phrase est remplacé par les taux suivants :
- 16,10 p.c. à partir du 2nd trimestre 2015;
- 15,92 p.c. à partir du 1er trimestre 2016;
- 15,88 p.c. à partir du 1er trimestre 2017;
- 15,84 p.c. à partir du 1er trimestre 2018.]26

[11 Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres réduire le taux de la cotisation visée à l'alinéa 1er, selon les modalités qu'Il détermine [49 dans la mesure où les conditions cumulatives suivantes sont réunies:
1° la valeur nominale totale des mesures notifiées en tant que montant d'aide limité au sens de la communication de la Commission du 19 mars 2020 relative à l'encadrement temporaire des mesures d'aide d'Etat visant à soutenir l'économie dans le contexte actuel de la flambée de COVID-19, modifiée en dernier lieu le 28 janvier 2021, reste inférieure au plafond global de 1,8 million d'euros par entreprise;
2° l'entreprise n'est pas, au 31 décembre 2019, une "entreprise en difficulté" telle que définie à l'article 2, point 18, du règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité]49
.]11

[49 Par dérogation à l'alinéa 3, 2°, le remplacement du taux de cotisation peut être octroyé à des micro ou petites entreprises au sens de l'annexe I du règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 qui étaient déjà en difficulté au 31 décembre 2019, dès lors que celles-ci ne font pas l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité en vertu du Livre XX du Code de Droit économique et n'ont pas bénéficié d'une aide au sauvetage dont le prêt n'est pas remboursé ou la garantie n'est pas levée au 15 juin 2021 ou d'une aide à la restructuration dont le plan n'est pas achevé au 15 juin 2021.
Pour les employeurs pour lesquels l'application de l'alinéa 3 génère une diminution de cotisations d'un montant qui, cumulé aux montants des mesures déjà notifiées en tant que montant d'aide limité au sens de la communication de la Commission du 19 mars 2020, est égal ou supérieur au plafond global visé à l'alinéa 3, 1°, les taux de 5,57 p.c. et de 0,00 p.c. sont respectivement portés à 15,84 p.c. et 10,27 p.c. pour les rémunérations qui, si les taux de cotisation visés aux alinéas 1 et 2 avaient été d'application, excèdent la masse salariale prise en compte pour le calcul du plafond global de 1,8 million d'euros.
Les montants dus en application de l'alinéa précédent sont versés à l'Office national au plus tard le 30ème jour qui suit celui de la publication au Moniteur belge de la loi du 23 novembre 2021 modifiant les lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles-ci, coordonnées le 3 juin 1970 et modifiant la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]49

[12 1,60 p.c. du montant de la rémunération du travailleur; cette cotisation est due par chaque employeur en ce qui concerne les travailleurs pour lesquels il est soumis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés coordonnées le 28 juin 1971 [13 à l'exception :
1° des contractuels subventionnés visés au chapitre II du titre III de loi-programme du 30 décembre 1988.
2° des contractuels subventionnés visés à l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux;
3° des travailleurs contractuels en remplacement de statutaires qui bénéficient d'une interruption de la carrière professionnelle, instaurée par les articles 99 à 107 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales;
4° des travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
5° des travailleurs contractuels en remplacement des membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public;
6° des travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.]13

Sont dispensés de cette cotisation les employeurs qui occupaient en moyenne moins de 10 travailleurs durant une période de référence à déterminer.
Cette période de référence et les modalités du calcul de la moyenne des travailleurs occupés pendant cette période de référence sont à déterminer par le Roi.
La cotisation de 1,60 p.c. du montant de la rémunération des travailleurs, n'est également pas due par les Fonds de sécurité d'existence qui, avant le 30 septembre 1983, payaient des rémunérations en tant que tiers payant en application de l'article 43 de la loi du 27 juin 1969 et qui ne bénéficiaient pas de l'avantage prévu par l'article 35 de la loi du 29 juin 1981.
Le produit de la cotisation de 1,60 p.c. est affecté au financement des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2.
Pour l'application de ce point du présent alinéa, il faut entendre par travailleurs, ceux qui sont liés par un contrat de travail, ainsi que les apprentis agréés et les travailleurs assujettis exclusivement au secteur des soins de santé. Lors de la détermination du nombre de travailleurs, il convient également d'inclure ceux dont le travail est suspendu pour une cause légitime conformément aux dispositions du titre Ier, chapitre III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, à l'exception des travailleurs en interruption complète de la carrière professionnelle.
10° 1,00 p.c. du montant de la rémunération de l'ouvrier assujetti au régime des pensions d'invalidité pour les ouvriers mineurs et assimilés.
[22 11° 1,40 % du montant de la rémunération du travailleur; cette cotisation spéciale est due par chaque employeur pour les travailleurs qui répondent aux critères du 2°, alinéa 2.]22
A l'exception du 9°, le Roi détermine pour l'application de l'alinéa 1er, ce qu'il faut entendre par " travailleurs ".]12

[18 ...]18
(§ 3bis.
(Er wordt een loonmatigingsbijdrage ingevoerd die gelijk is aan de som van 5,67 % van het bedrag van het loon van de werknemer en 5,67 % van het bedrag van de [31 verschuldigde basiswerkgeversbijdrage]31.)
[31 Het percentage verkregen overeenkomstig het eerste lid wordt verhoogd met 0,40 pct. indien de werknemer [45 die niet valt onder categorie 1 of categorie 3 zoals bepaald bij artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002]45 onder de toepassing valt van de wetten op de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.]31
[45 Voor de categorieën 1 en 3 zoals bepaald in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt de loonmatigingsbijdrage vastgesteld op de som van 4,27 % van het bedrag van het loon van de werknemer en 4,27 % van het bedrag van de verschuldigde basiswerkgeversbijdrage vanaf 1 januari 2018.]45
(De loonmatigingsbijdrage is verschuldigd door elke werkgever met betrekking tot de werknemers op wie één van de onder § 2, 1° tot 4°, vermelde bijdragen van toepassing is, met uitsluiting evenwel van de werknemers of personeelsleden die rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting worden bezoldigd. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ook andere werknemers uitsluiten onder de voorwaarden die Hij bepaalt of in bijzondere berekeningsmodaliteiten voorzien van de bijdrage die door de werkgevers voor bepaalde werknemers verschuldigd is.)
(In afwijking van het [45 vierde]45 lid, is de loonmatigingsbijdrage eveneens verschuldigd door de universitaire instellingen bedoeld in artikel 25 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, en door de instellingen bedoeld in artikel 46 van dezelfde wet, voor al hun personeelsleden.
(De Koning stelt, bij in Ministerraad overlegd besluit en, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de bijzondere berekeningsmodaliteiten van de loonmatigingsbijdrage vast, verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor het personeel bedoeld in het vorige lid.))
De loonmatigingsbijdrage is eveneens verschuldigd door [20 HR Rail]20 voor haar personeelsleden die niet beoogd worden bij het vorige lid.
(De opbrengst van de loonmatigingsbijdrage wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.)
(Voor de aangeslotenen bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten worden onder de verschuldigde werkgeversbijdragen eveneens begrepen [23 ...]23 de bijdrage voor beroepsziekten, bedoeld bij artikel 18bis van [23 het koninklijk besluit van 25 oktober 1985, tot uitvoering van hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen]23.)
[31 Voor de toepassing van deze paragraaf worden de bijdrage als bedoeld in § 3, eerste lid, 9°, en de bijdrage voor de sluiting van ondernemingen toegevoegd aan de basiswerkgeversbijdrage.]31 [45 Het verminderde percentage als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op deze bijdragen.]45
[23 ...]23.
(...)
(§ 3bis.
(Il est instauré une cotisation de modération salariale égale à la somme de 5,67 % de la rémunération du travailleur et de 5,67 % du montant des [31 cotisation patronale de base due]31.)
[31 Le taux obtenu conformément à l'alinéa 1er est augmenté de 0,40 pct. si le travailleur [45 qui n'appartient pas à la catégorie 1 ou à la catégorie 3 telle que définie à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002,]45 tombe sous l'application des lois sur les vacances annuelles, coordonnées le 28 juin 1971.]31
[45 Pour les catégories 1 et 3 telle que définie à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, la cotisation de modération salariale est égale à la somme de 4,27 % du montant de la rémunération du travailleur et de 4,27 % du montant de la cotisation patronale de base due à partir du 1er janvier 2018.]45
(La cotisation de modération salariale est due par chaque employeur concernant les travailleurs auxquels une des cotisations mentionnées au § 2, 1° à 4°, est d'application, à l'exclusion cependant des travailleurs ou membres du personnel rémunérés directement à charge du budget de l'Etat. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office national de Sécurité sociale, exclure également d'autres travailleurs, dans les conditions qu'Il fixe ou prévoir des modalités particulières de calcul de la cotisation due par les employeurs pour certains travailleurs.)
(Par dérogation à l'[45 alinéa 4]45, la cotisation de modération salariale est due également par les institutions universitaires visées à l'article 25 de la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires, et par les institutions visées à l'article 46 de la même loi, pour tous leurs membres du personnel.
(Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de gestion de l'Office National de sécurité sociale, les modalités particulières de calcul de la cotisation de modération salariale due à l'Office National de sécurité sociale pour le personnel visé à l'alinéa précédent.)
La cotisation de modération salariale est également due par la [20 HR Rail]20 pour son personnel qui n'est pas visé par l'alinéa précédent.
(Le produit de la cotisation de modération salariale est utilisé pour le financement des régimes de la Gestion globale, vises à l'article 21, § 2.)
(Pour les affiliés de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales, sont également incluses dans la somme des cotisations patronales dues [23 ...]23 la cotisation pour les maladies professionnelles, visée par l'article 18bis de [23 l'arrêté royal du 25 octobre 1985, portant exécution du chapitre 1er, section 1re de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales]23.)
[31 Pour l'application du présent paragraphe, la cotisation visée au § 3, alinéa 1er, 9°, et la cotisation pour la fermeture d'entreprises sont ajoutées à la cotisation patronale de base.]31 [45 La diminution du taux visée à l'alinéa 3 n'est pas d'application à ces cotisations.]45
[23 ...]23.
(...)
(§ 3ter.
[16 A.]16 (Met ingang van 1 januari 1989 wordt een bijzondere bijdrage ingevoerd, die gelijk is aan (8,86) pct. en berekend wordt op alle stortingen die door de werkgevers worden verricht om aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgende(n) buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood te verlenen.
Worden van de inningsgrondslag van de bijzondere bijdrage van [17 8,86 pct]17 uitgesloten :
1° het persoonlijk aandeel dat door de werknemer wordt betaald voor de samenstelling van buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood;
2° de jaarlijkse belasting op de verzekeringscontracten beoogd in titel XII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;
3° de stortingen van de buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood die rechtstreeks door de werkgever aan de personeelsleden worden verricht, wanneer de genoemde stortingen betrekking hebben op dienstjaren die vóór 1 januari 1989 werden gepresteerd.
[15 4° de stortingen van de bovenwettelijke voordelen inzake pensioen of vroegtijdige dood bij een verzekeringsonderneming of een pensioeninstelling bedoeld in artikel 2, § 1, of § 3, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen of bij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, die overeenkomstig de artikelen 515septies en 515novies van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 worden verricht, in zoverre de stortingen betrekking hebben op dienstjaren die vóór 1 januari 1989 gepresteerd werden.]15
Wanneer de in het tweede lid, 3°[15 en 4°]15, bedoelde stortingen terzelfder tijd betrekking hebben op jaren die vóór 1 januari 1989 en op jaren die na 31 december 1988 zijn gelegen, bepaalt de Koning de berekeningsmodaliteiten van de bijdrage op het aandeel van de stortingen dat betrekking heeft op de na 31 december 1988 gepresteerde jaren.)
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt, overeenkomstig door de Koning te bepalen modaliteiten, met de inning en de invordering van deze bijdrage belast.
De schuldenaar van de bijzondere bijdrage wordt met betrekking tot deze bijdrage gelijkgesteld met de werkgever bedoeld in de sociale zekerheidsregeling voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de toepassing van burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering.
(De opbrengst van de bijzondere bijdrage wordt aangewend voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2).)
[16 B. In geval van een sectoraal aanvullend pensioenstelsel is de inrichter van dit pensioenstelsel de debiteur van de in A bedoelde bijzondere bijdrage van 8,86 %. Deze is door de inrichter verschuldigd op alle stortingen die door de werkgevers die tot de betrokken bedrijfstak behoren, verricht worden om aan hun personeelsleden die tot deze bedrijfstak behoren, of aan hun rechtverkrijgende(n), buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood te verlenen.
De inrichter van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel wordt, wat deze bijzondere bijdrage betreft, gelijkgesteld met de werkgever zoals bedoeld in de socialezekerheidsregeling die van toepassing is op de werknemer, in het bijzonder wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de toepassing van burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering.
De opbrengst van de bijzondere bijdrage wordt toegewezen aan de financiering van de regelingen van het globaal beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.
De inrichter van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel kiest voor een van de volgende twee inningswijzen van de bijzondere bijdrage :
1° na inning door hemzelf van het geheel van de betalingen van de werkgevers die deelnemen aan het sectoraal aanvullend pensioenstelsel, houdt hij de som van de bijzondere bijdrage op deze betalingen in en maakt deze over aan de inningsinstelling, overeenkomstig punt B, tweede lid, of;
2° hij sluit een overeenkomst af met de inningsinstelling waarin bepaald wordt dat de inningsinstelling namens de inrichter van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel bij de werkgevers die deelnemen aan dit pensioenstelsel het geheel van de betalingen int die zij moeten verrichten in het kader van dit pensioenstelsel, dat de inningsinstelling namens de inrichter van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel de bijzondere bijdrage op deze betalingen inhoudt en dat de inningsinstelling na inhouding van de bijzondere bijdrage het saldo doorstort aan de inrichter van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel.]16
(§ 3ter.
[16 A.]16 (A partir du 1er janvier 1989, il est instauré une cotisation spéciale égale à (8,86 p.c.), calculée sur tous les versements effectués par les employeurs en vue d'allouer aux membres de leur personnel ou à leur(s) ayant(s) droit des avantages extra-légaux en matière de retraite ou de décès prématuré.
Sont exclus de la base de perception de la cotisation spéciale de [17 8,86 p.c.]17:
1° la part personnelle payée par le travailleur pour la constitution d'avantages extra-légaux en matière de retraite ou de décès prématuré;
2° la taxe annuelle sur les contrats d'assurance prévue par le titre XII du code des taxes assimilées au timbre;
3° les versements d'avantages extra-légaux en matière de retraite ou de décès prématuré, effectués directement par l'employeur aux membres du personnel, lorsque lesdits versements sont relatifs aux années de service prestées avant le 1er janvier 1989.
[15 4° les versements d'avantages extra-légaux en matière de pension ou de décès prématuré auprès d'une entreprise d'assurance ou d'un organisme de pension visées à l'article 2, § 1er, ou § 3, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, ou à une institution de retraite professionnelle visée à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative à la surveillance des institutions de retraite professionnelle, qui ont été effectués conformément aux articles 515septies et 515novies du Code des impôts sur les revenus 1992, dans la mesure où les versements ont trait à des années de service qui ont été prestées avant le 1er janvier 1989.]15
Lorsque les versements visés à l'alinéa 2, 3° [15 et 4°]15, sont relatifs à la fois à des années situées avant le 1er janvier 1989 et à des années situées après le 31 décembre 1988, le Roi fixe les modalités de calcul de la cotisation sur la partie des versements relative aux années prestées après le 31 décembre 1988.)
L'Office national de sécurité sociale est chargé, selon des modalités à déterminer par le Roi, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Le débiteur de la cotisation spéciale est, pour ce qui est de cette cotisation, assimilé à l'employeur visé dans le régime de sécurité sociale applicable au travailleur, notamment en ce qui concerne les déclarations justificatives des cotisations, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, le juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège et la communication du montant de la créance.
(Le produit de la cotisation spéciale est affecté au financement des régimes de la gestion globale, visés à l'article 21, § 2).)
[16 B. Dans le cas d'un régime sectoriel de pension complémentaire, l'organisateur de ce régime de pension est le débiteur de la cotisation spéciale de 8,86 %, visée au A. Celle-ci est due par l'organisateur sur tous les versements effectués par les employeurs qui relèvent du secteur d'activité concerné, en vue d'allouer aux membres de leur personnel qui tombent dans ce secteur d'activité, ou à leur(s) ayant(s) droit, des avantages extra-légaux en matière de retraite ou de décès prématuré.
L'organisateur du régime sectoriel de pension complémentaire est, pour ce qui est de cette cotisation spéciale, assimilé à l'employeur visé dans le régime de sécurité sociale applicable au travailleur, notamment en ce qui concerne les déclarations justificatives des cotisations, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, le juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège et la communication du montant de la créance.
Le produit de la cotisation spéciale est affecté au financement des régimes de la gestion globale, visés à l'article 21, § 2.
L'organisateur du régime sectoriel de pension complémentaire choisit un des deux modes de perception de la cotisation spéciale suivants :
1° après la perception par lui-même de l'ensemble des paiements des employeurs qui participent au régime sectoriel de pension complémentaire, il prélève la somme de la cotisation spéciale sur ces paiements et la vire à l'organisme de perception, conformément au point B, alinéa 2, ou;
2° il conclut une convention avec l'organisme de perception laquelle stipule que celui-ci perçoit des employeurs qui participent à ce régime de pension, au nom de l'organisateur du régime sectoriel de pension complémentaire, l'ensemble des paiements qu'ils doivent effectuer dans le cadre de ce régime de pension, que l'organisme de perception prélève la cotisation spéciale sur ces paiements, au nom de l'organisateur du régime sectoriel de pension complémentaire, et que l'organisme de perception en reverse le solde, après avoir prélevé la cotisation spéciale, à l'organisateur du régime sectoriel de pension complémentaire.]16
§ 3quater.
(1° Een solidariteitsbijdrage is verschuldigd door de werkgever die een voertuig, dat ook voor andere dan beroepsdoeleinden is bestemd, rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking stelt van zijn werknemer, ongeacht elke financiële bijdrage van de werknemer in de financiering of het gebruik van dit voertuig.
(Wordt verondersteld ter beschikking van de werknemer te zijn gesteld voor andere dan louter beroepsdoeleinden, ieder voertuig dat op naam van de werkgever is ingeschreven of dat het voorwerp uitmaakt van een huur- of leasingcontract of van gelijk welk ander contract voor het gebruik van het voertuig, behalve indien de werkgever aantoont ofwel dat het gebruik voor ander dan louter beroepsdoeleinden uitsluitend gebeurt door een persoon die niet valt onder het toepassingsgebied van de sociale zekerheid voor werknemers, ofwel dat het voertuig voor louter beroepsdoeleinden wordt gebruikt.)
Onder " voertuig " dient te worden verstaan de [27 gewone]27 voertuigen die behoren tot de categorieën M1 en N1 zoals bepaald in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. [27 De zogenaamde utilitaire voertuigen die beantwoorden aan de definitie van lichte vrachtauto's in de zin van artikel 65, WIB 1992, vallen niet binnen de categorie gewone voertuigen.]27
Onder " andere dan loutere beroepsdoeleinden " dient onder andere te worden verstaan [27 het traject tussen de woonplaats en de vaste werkplaats dat]27 individueel afgelegd wordt, het privé gebruik en het collectief vervoer van werknemers [27 , met uitzondering van het traject tussen de woonplaats en de vaste werkplaats indien het wordt afgelegd met een zogenaamd utilitair voertuig. Onder vaste werkplaats wordt verstaan de plaats waar de werknemer effectief prestaties van een bepaalde omvang levert en waarnaar de werknemer zich ten minste 40 dagen per jaar begeeft, ongeacht of het opeenvolgende dagen zijn of niet. Het privégebruik van een zogenaamd utilitair voertuig wordt niet vermoed, maar kan wel worden vastgesteld door de bevoegde inspectiediensten.]27
Onder " werknemer " dient te worden verstaan elke persoon bedoeld bij de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die tewerkgesteld wordt door een werkgever, evenals alle uit de voornoemde wet uitgesloten personen die tewerkgesteld worden in het kader van een arbeidsovereenkomst of onder gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst.
2° In geval van ter beschikking stelling van een voertuig voor het collectief vervoer van werknemers is de bij dit artikel bepaalde solidariteitsbijdrage verschuldigd behalve indien het gaat om een systeem van vervoer van werknemers overeengekomen door de sociale partners waarin gebruikt wordt gemaakt :
a) ofwel van een voertuig, behorend tot de categorie N1, waarin, naast de chauffeur, minstens twee andere werknemers van de onderneming aanwezig zijn gedurende minstens 80 % van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur en voorzover de werkgever bovendien bewijst dat er geen ander privé-gebruik wordt gemaakt van dit voertuig; wanneer het gebruikte voertuig minder dan drie plaatsen bevat of wanneer de ruimte voorbehouden voor het vervoer van personen uit één enkele zitbank of slechts één rij zitplaatsen bestaat, volstaat het dat, naast de chauffeur, minstens een andere werknemer van de onderneming aanwezig is gedurende minstens 80 % van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur;
b) ofwel van een voertuig, behorend tot de categorie M1 met ten minste vijf plaatsen, de zetel van de chauffeur niet inbegrepen, en maximum acht plaatsen, de zetel van de chauffeur niet inbegrepen; in dit geval moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn :
i) naast de chauffeur zijn gewoonlijk minstens drie werknemers van de onderneming aanwezig gedurende minstens 80 % van het afgelegde traject van en naar de woonplaats van de chauffeur,
ii) het voertuig moet geïdentificeerd zijn overeenkomstig de door de Koning bepaalde procedure op voorstel van de Nationale Arbeidsraad of, bij gebrek aan een voorstel van de Nationale Arbeidsraad geformuleerd voor 15 februari 2006, op voorstel geformuleerd voor 1 april 2006 door het paritair comité waarvan de werkgever afhangt, op het niveau van de onderneming als dienend voor het collectief vervoer van werknemers van de onderneming en indien de werkgever daarenboven bewijst dat er geen ander privé-gebruik van dit voertuig is. Bij gebrek aan een voorstel geformuleerd door de Nationale Arbeidsraad en het paritair comité waarvan de werkgever afhangt binnen de termijnen bepaald in de vorige zin, kan de Koning, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de identificatieprocedure bepalen.
3° Het bedrag van deze bijdrage is afhankelijk van het CO2-uitstootgehalte van het voertuig, zoals vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 februari 1981 houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen.
Deze maandelijkse bijdrage, die niet minder dan 20,83 euro mag bedragen, wordt forfaitair vastgesteld als volgt :
Voor benzinevoertuigen : ((Y x 9 euro) - 768) : 12;
Voor dieselvoertuigen : ((Y x 9 euro) - 600) : 12;
waarbij Y het CO2-uitstootgehalte in gram per kilometer is, zoals vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het proces-verbaal van gelijkvormigheid van het voertuig, of in de gegevensbank van de dienst voor de inschrijving van de voertuigen.
[50 De maandelijkse bijdragen, zoals vastgesteld in de vorige leden, alsook in 4° en 7°, worden als volgt verhoogd:
a) de berekende bijdrage: vermenigvuldiging met factor 2,25 vanaf 1 juli 2023, met factor 2,75 vanaf 1 januari 2025, met factor 4,00 vanaf 1 januari 2026 en met factor 5,50 vanaf 1 januari 2027;
b) de minimumbijdrage: verhoging naar 23,41 vanaf 1 januari 2025, naar 25,99 vanaf 1 januari 2026, naar 28,57 vanaf 1 januari 2027 en naar 31,15 vanaf 1 januari 2028.
De in het vorige lid vermelde verhogingen gelden niet voor de voertuigen, aangekocht, gehuurd of geleased vóór 1 juli 2023.]50

4° De voertuigen met elektrische aandrijving zijn onderworpen aan de in 3° bedoelde maandelijkse minimumbijdrage.
5° De voertuigen waarvoor geen gegevens met betrekking tot de CO2-uitstootgehaltes beschikbaar zijn bij de dienst voor inschrijving van de voertuigen worden, indien ze aangedreven worden met een benzinemotor, gelijkgesteld met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 182 g/km, en, indien ze aangedreven worden met een dieselmotor, met de voertuigen met een CO2-uitstootgehalte van 165 g/km.
6° Het 5° is niet van toepassing in geval van omvorming van een voertuig behorend tot de categorie M1 in een voertuig behorend tot de categorie N1. In dat geval wordt de solidariteitsbijdrage berekend op basis van het CO2-uitstootgehalte van het voertuig behorend tot de categorie M1.
7° De werkgevers die voertuigen ter beschikking stellen uitgerust met een motor met elektrische ontsteking lopend op vloeibaar gemaakte petroleumgassen [50 , aardgassen of methaangassen]50, gemonteerd overeenkomstig de geldende wettelijke bepaling, zijn onderworpen aan de solidariteitsbijdrage die als volgt wordt vastgesteld :
((Y x 9 euro) - 990) : 12;
waarbij Y het CO2-uitstootgehalte in gram per kilometer is, zoals vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het proces-verbaal van gelijkvormigheid van het voertuig of in de gegevensbank van de dienst voor inschrijving van de voertuigen.
8° De Koning kan, bij een na overleg in de Ministerraad vastgelegd besluit, de bedragen verhogen of verminderen. Dit besluit moet bij wet bekrachtigd worden binnen een termijn van negen maanden te rekenen vanaf de publicatie van het besluit. Bij ontstentenis van bekrachtiging binnen voornoemde termijn houdt het besluit op van kracht te zijn vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op dit tijdens welk de bekrachtigingstermijn een einde neemt.
9° Het bedrag van de solidariteitsbijdrage bepaald bij het 3° [50 , het 7°]50 en het 8° is gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2004 (114,08). Op 1 januari van elk jaar wordt het bedrag aangepast overeenkomstig volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens welk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand september 2004.
10° Deze bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdrage wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid gestort aan de R.S.Z.-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van de algemene regeling van de sociale zekerheid voor werknemers, met name wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de bevoegde rechter ingeval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zijn van toepassing.
Onverminderd de toepassing van de andere burgerlijke sancties en de strafbepalingen, is de werkgever ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat hij één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage niet heeft aangegeven of ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat hij één of meerdere valse aangiften heeft gedaan om de betaling van de bijdrage of een deel ervan te ontduiken, een forfaitaire vergoeding verschuldigd waarvan het bedrag gelijk is aan het dubbel van de ontdoken bijdragen, en waarvan de opbrengst door de Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt gestort aan het R.S.Z.-globaal beheer.
Deze forfaitaire vergoeding is niet van toepassing voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 maart 2006, voor zover de werkgevers ten laatste op 30 juni 2006 de voertuigen aangegeven hebben en de desbetreffende solidariteitsbijdrage betaald hebben.
[16 De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder het inningorganisme van de socialezekerheidsbijdragen de werkgever vrijstelling of vermindering mag verlenen van de vaste vergoeding, voor zover de werkgever zich niet in een van de in artikel 38, § 3octies, eerste lid, beschreven situaties bevindt.]16 [28 Het beroep tegen de beslissing van het inningsorganisme van de socialezekerheidsbijdragen inzake vrijstelling of vermindering dient, op straffe van verval, te worden ingesteld binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing.]28
De administratie der directe belastingen, evenals de dienst voor inschrijving van de voertuigen dienen de personen belast met de toepassing van de sociale wetgeving de nodige informatie te verstrekken voor de correcte inning van deze bijdrage. De modaliteiten voor deze overdracht van informatie worden bepaald door de Koning.)
§ 3quater.
(1° Une cotisation de solidarité est due par l'employeur qui met à la disposition de son travailleur, de manière directe ou indirecte, un véhicule également destiné à un usage autre que strictement professionnel et ce, indépendamment de toute contribution financière du travailleur dans le financement ou l'utilisation de ce véhicule.
(Est présumé être mis à disposition du travailleur à un usage autre que strictement professionnel tout véhicule immatriculé au nom de l'employeur ou faisant l'objet d'un contrat de location ou de leasing ou de tout autre contrat d'utilisation de véhicule, sauf si l'employeur démontre soit que l'usage autre que strictement professionnel est exclusivement le fait d'une personne qui ne ressort pas au champ d'application de la sécurité sociale des travailleurs salaries, soit que l'usage du véhicule est strictement professionnel.)
Par " véhicule ", il faut entendre les véhicules [27 ordinaires]27 appartenant aux catégories M1 et N1 telles que définies dans l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles et leurs remorques, leurs éléments ainsi que les accessoires de sécurité. [27 N'entrent pas dans la catégorie des véhicules ordinaires les véhicules dits utilitaires correspondant à la qualification de camionnettes au sens de l'article 65 du CIR 1992.]27
Par " un usage autre que strictement professionnel ", il faut entendre notamment le trajet entre le domicile et le lieu [27 fixe]27 de travail qui est parcouru individuellement, l'usage privé et le transport collectif des travailleurs [27 , à l'exclusion du trajet entre le domicile et le lieu fixe de travail lorsqu'il est réalisé avec un véhicule dit utilitaire. Par lieu fixe de travail on entend l'endroit où le travailleur fournit effectivement des prestations d'une certaine ampleur et où le travailleur se rend au moins 40 jours par an, que ces jours soient consécutifs ou non. L'usage privé d'un véhicule dit utilitaire n'est pas présumé, mais peut toutefois être constaté par les services d'inspection compétents.]27
Par " travailleur ", il faut entendre toute personne visée par la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs occupée par un employeur, ainsi que les personnes exclues de la loi précitée mais occupées soit dans les liens d'un contrat de travail, soit selon des modalités similaires celles d'un contrat de travail.
2° En cas de mise à disposition d'un véhicule utilisé pour le transport collectif des travailleurs, la cotisation de solidarité fixée par le présent article est due sauf s'il s'agit d'un système de transport de travailleurs convenu entre partenaires sociaux dans lequel il est fait usage :
a) soit d'un véhicule appartenant la catégorie N1, dans lequel, outre le conducteur, au moins deux autres travailleurs de l'entreprise sont présents pendant au moins 80 % du trajet accompli de et jusqu'au domicile du conducteur et si en outre, l'employeur prouve qu'il n'y a aucun autre usage privé de ce véhicule; lorsque le véhicule utilisé comprend moins de trois places ou si l'espace réservé au transport de personnes est constitué d'une seule banquette ou d'une seule rangée de sièges, il suffit qu'outre le conducteur, au moins un autre travailleur de l'entreprise soit présent pendant au moins 80 % du trajet accompli de et jusqu'au domicile du conducteur;
b) soit d'un véhicule appartenant à la catégorie M1 comprenant au moins cinq places, non compris le siège du conducteur, et au maximum huit places, non compris le siège du conducteur; dans ce cas, les conditions suivantes doivent être remplies :
i) outre le conducteur, au moins trois travailleurs de l'entreprise sont habituellement présents pendant au moins 80 % du trajet accompli de et jusqu'au domicile du conducteur,
ii) le véhicule doit être identifié, conformément la procédure définie par le Roi sur proposition du Conseil national du travail ou, à défaut de proposition du Conseil national du Travail formulée avant le 15 février 2006, sur proposition formulée avant le 1er avril 2006 par la commission paritaire dont dépend l'employeur, au niveau de l'entreprise, comme étant affecté au transport collectif des travailleurs de l'entreprise et si en outre, l'employeur prouve qu'il n'y a aucun autre usage privé de ce véhicule. A défaut de proposition formulée par le Conseil national du Travail et la commission paritaire dont dépend l'employeur, dans les délais prévus par la phrase précédente, le Roi peut, après avis du Conseil national du Travail, définir la procédure d'identification.
3° Le montant de cette cotisation est fonction du taux d'émission de CO2 du véhicule tel que déterminé conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 26 février 1981 portant exécution des directives des Communautés européennes relatives à la réception des véhicules à moteur et de leurs remorques, des tracteurs agricoles ou forestiers à roues, leurs éléments ainsi que leurs accessoires de sécurité.
Cette cotisation mensuelle, qui ne peut être inférieure à 20,83 euros, est fixée forfaitairement comme suit :
Pour les véhicules à essence : ((Y x 9 euros) - 768) : 12;
Pour les véhicules au diesel : ((Y x 9 euros) - 600) : 12;
Y étant le taux d'émissions de CO2 en grammes par kilomètre tel que mentionné dans le certificat de conformité ou dans le procès-verbal de conformité du véhicule, ou dans la banque de données de la direction de l'immatriculation des véhicules.
[50 Les cotisations mensuelles, telles qu'établies dans les alinéas précédents, ainsi que dans le 4° et le 7°, sont augmentées comme suit :
a) la cotisation calculée : multipliée par un facteur de 2,25 à partir du 1er juillet 2023, par un facteur de 2,75 à partir du 1er janvier 2025, par un facteur de 4,00 à partir du 1er janvier 2026 et par un facteur de 5,50 à partir du 1er janvier 2027 ;
b) la cotisation minimale : passer à 23,41 à partir du 1er janvier 2025, à 25,99 à partir du 1er janvier 2026, à 28,57 à partir du 1er janvier 2027 et à 31,15 à partir du 1er janvier 2028.
Les augmentations visées à l'alinéa précédent ne s'appliquent pas aux véhicules achetés, pris en leasing ou en location avant le 1er juillet 2023.]50

4° Les véhicules à propulsion électrique sont soumis à la cotisation mensuelle minimale visée au 3°.
5° Les véhicules pour lesquels aucune donnée relative à l'émission de CO2 n'est disponible au sein de la direction de l'immatriculation des véhicules sont assimilés, s'ils sont propulsés par un moteur à essence, aux véhicules émettant un taux de CO2 de 182 gr/km et, s'ils sont propulsés par un moteur au diesel, aux véhicules émettant un taux de CO2 de 165 gr/km.
6° Le 5° ne s'applique pas en cas de transformation d'un véhicule appartenant à la catégorie M1 en véhicule de la catégorie N1. Dans ce cas, la cotisation de solidarité est calculée sur la base du taux d'émission de CO2 du véhicule comme s'il appartenait à la catégorie M1.
7° Les employeurs qui mettent à disposition des véhicules équipés d'un moteur à allumage commandé fonctionnant au gaz de pétrole liquéfié [50 , au gaz naturel ou méthane]50 installé conformément aux dispositions légales en vigueur sont soumis une cotisation de solidarité déterminée comme suit :
((Y x 9 euros) - 990) : 12;
Y étant le taux d'émission de CO2 en grammes par kilomètre tel que mentionné dans le certificat de conformité ou dans le procès-verbal de conformité du véhicule ou dans la banque de données de la direction de l'immatriculation des véhicules.
8° Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter ou diminuer ces montants. Cet arrêté doit être confirmé par une loi dans un délai de neuf mois à dater de la publication de l'arrêté. A défaut de confirmation dans le délai précité, l'arrêté cesse de produire ses effets le premier jour du trimestre suivant celui au cours duquel le délai de confirmation expire.
9° Le montant de la cotisation de solidarité déterminé sous 3° [50 , sous 7°]50 et sous 8° est rattaché à l'indice santé du mois de septembre 2004 (114,08). Le montant est adapté le 1er janvier de chaque année conformément la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de septembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de septembre 2004.
10° Cette cotisation est payée par l'employeur à l'Office national de Sécurité sociale, dans les mêmes délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Le produit de la cotisation est transmis par l'Office national de Sécurité sociale à l'O.N.S.S.-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège et la communication du montant de la créance de l'Office national de Sécurité sociale, sont applicables.
Sans préjudice de l'application des autres sanctions civiles et des dispositions pénales, l'employeur à l'égard duquel il est établi qu'il n'a pas déclaré un ou plusieurs véhicules soumis à la cotisation de solidarité ou qu'il a commis une ou plusieurs fausses déclarations visant à éluder le paiement de la cotisation ou partie de celui-ci, est redevable d'une indemnité forfaitaire dont le montant est égal au double des cotisations éludées, et dont le produit est transmis par l'Office national de Sécurité sociale à l'O.N.S.S.-gestion globale.
Cette indemnité forfaitaire n'est pas d'application pour la période du 1er janvier 2005 au 31 mars 2006, pour autant que les employeurs aient déclaré les véhicules et effectué le paiement de la cotisation de solidarité y afférente le 30 juin 2006 au plus tard.
[16 Le Roi détermine les conditions dans lesquelles l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale peut accorder à l'employeur l'exonération ou la réduction de l'indemnité forfaitaire, pour autant que l'employeur ne se trouve pas dans une des situations décrites à l'article 38, § 3octies, alinéa 1er.]16 [28 Le recours contre la décision de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale concernant l'exonération ou la réduction doit, à peine de déchéance, être introduit dans les trois mois de la notification de la décision.]28
L'administration des contributions directes ainsi que la direction de l'immatriculation des véhicules sont tenues de fournir aux personnes chargées de l'application de la législation sociale les renseignements nécessaires à la bonne perception de cette cotisation. Les modalités de cette transmission sont déterminées par le Roi.)
(§ 3quinquies.
Er wordt met ingang van 1 januari 1999 [24 voor een periode die afloopt op 31 december 2014]24 ten laste van de werkgever een bijdrage van 0,05 %, berekend op het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 23, ingevoerd.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
Deze bijdrage wordt toegewezen aan het Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten, ingesteld bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers bij toepassing van artikel 107, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met de sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invording van de bijdragen.)
(§ 3quinquies.
A partir du 1er janvier 1999 [24 pour une période qui expire au 31 décembre 2014]24, il est instauré une cotisation de 0,05 %, à charge de l'employeur, calculée sur base de la rémunération du travailleur, visée à l'article 23.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Cette cotisation est destinée au Fonds des équipements et services collectifs, institué auprès de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés en application de l'article 107, § 1er, des lois relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, coordonnées le 19 décembre 1939.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.)
§ 3sexies.
[De werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders toepasselijk is [17 ...]17, zijn, onder de hierna vermelde voorwaarden, een [33 kwartaalbijdrage]33 verschuldigd berekend op basis van een gedeelte van de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die zij voor hun handarbeiders en leerlingen onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 hebben aangegeven [33 , tijdens een periode van vier kwartalen, namelijk de drie kwartalen die het lopende kwartaal en dit laatste (T-3, T-2, T-1 en T) voorafgaan. Het eerste kwartaal waarin de betrokken kwartaalbijdrage verschuldigd kan zijn, is het eerste kwartaal 2017.]33
[19 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, voor voltijdse werknemers van wie de aangegeven arbeidsregeling minder dan 5 dagen per week bedraagt, de nadere regels bepalen op basis waarvan de aangegeven dagen worden aangerekend aan het equivalent dat overeenstemt met de normale voltijdse arbeidsduur.]19
De Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage [19 , die bestemd is voor het Globaal Beheer.]19.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.
Het bedrag van de bijdrage wordt berekend per handarbeider of leerling waarvoor de werkgever [33 in de loop van het kwartaal waarin de kwartaalbijdrage en de bijdrage voor de drie voorafgaande kwartalen meegedeeld wordt]33 aangifte verschuldigd was in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
[33 Het bedrag van de bijdrage wordt als volgt berekend :
Voor de som S = D0 + D1 + D2 + D3 is de verschuldigde kwartaalbijdrage gelijk aan D0 x Y, waarbij :
D0 = het aantal dagen tijdelijke werkloosheid zoals omschreven in het eerste lid, per handarbeider of leerling opgenomen in de kwartaalaangifte van het kwartaal T;
D1 = het aantal dagen tijdelijke werkloosheid zoals omschreven in het eerste lid, per handarbeider of leerling opgenomen in de kwartaalaangifte van het kwartaal T-1;
D2 = het aantal dagen tijdelijke werkloosheid zoals omschreven in het eerste lid, per handarbeider of leerling opgenomen in de kwartaalaangifte van het kwartaal T-2;
D3 = het aantal dagen tijdelijke werkloosheid zoals omschreven in het eerste lid, per handarbeider of leerling opgenomen in de kwartaalaangifte van het kwartaal T-3;
Y = 0, als S kleiner of gelijk is aan 110;
Y = 20, als S groter is dan 110 en kleiner of gelijk aan 130;
Y = 40, als S groter is dan 130 en kleiner of gelijk aan 150;
Y = 60, als S groter is dan 150 en kleiner of gelijk aan 170;
Y = 80, als S groter is dan 170 en kleiner of gelijk aan 200;
Y = 100, als S groter is dan 200.]33

[19 De Koning kan na de evaluatie bedoeld in het laatste lid, bij een besluit vastgesteld ne overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de parameters bedoeld in het zesde lid wijzigen. De besluiten genomen krachtens dit lid moeten bevestigd worden ten laatste twaalf maanden na hun publicatie.]19
[17 In afwijking van het [19 zesde]19 lid wordt het bedrag van de bijdrage voor de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité voor het bouwbedrijf, vastgesteld volgens volgende formule :]17
(A - B) maal F
waarbij
A = het totaal aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die door de werkgever voor elke handarbeider of leerling onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 die hij heeft tewerkgesteld in de loop van het voorgaande kalenderjaar werd aangegeven;
B = een aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die niet in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de bijdrage; dit aantal wordt bepaald door de Koning;
F = een forfaitair bedrag, bepaald door de Koning.
Het bedrag van de bijdrage wordt elk jaar door de RSZ berekend en aan de werkgever medegedeeld, op basis van de gegevens met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar die door de werkgever werden medegedeeld in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
In geval van laattijdige ontvangst van één of meer aangiften gebeurt de berekening na de ontvangst van de laatste.
[19 Op voorstel van het paritair comité voor het bouwbedrijf kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de berekeningswijze van de bijdrage bepaald in het zesde lid van toepassing verklaren op de werkgevers die ressorteren onder het voornoemde paritair comité.]19
De bijdrage is verschuldigd samen met en binnen dezelfde termijnen als de bijdragen voor sociale zekerheid die, op grond van voormelde wet van 27 juni 1969, betrekking hebben op het kwartaal waarbinnen het bedrag werd medegedeeld.
Wijzigingen aan de aangiften mogen geen vermindering van het verschuldigde bedrag met zich meebrengen. [19 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) is belast met de overdracht van de opbrengst ervan aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.]19]
[19 De Minister van Werk kan eventueel, na advies van de adviescommissie bedoeld in artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, over een erkenning als onderneming in moeilijkheden beslissen om, in het kader van een erkenning bedoeld in artikel 14 van ditzelfde besluit van 3 mei 2007, [33 de kwartaalbijdrage beoogd in het vijfde lid of de jaarlijkse bijdrage beoogd in het achtste lid, te halveren in het jaar van de erkenning waarin het kwartaal van de verschuldigde bijdrage zich situeert en eventueel in het er op volgende jaar]33. De algemene directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen deelt de beslissingen onmiddellijk mee aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en om de drie maanden aan de Nationale Arbeidsraad.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad aangenomen op voorstel of na advies van het bevoegde paritair comité, een tijdelijke vrijstelling [33 van de kwartaalbijdrage, beoogd in het vijfde lid, of van de jaarlijkse bijdrage, beoogd in het achtste lid, voorzien voor]33 één of meerdere sectoren die zich in een economische risicosituatie bevinden. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, wat dient verstaan te worden onder "economische risicosituatie", de procedure voor de toekenning van de vrijstelling tijdelijke afwijking en de controle erop.
De algemene directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen deelt de beslissingen onmiddellijk mee aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en om de drie maanden aan de Nationale Arbeidsraad.
De Koning kan in geval van uitzonderlijke economische omstandigheden, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad aangenomen op voorstel of na advies van de Nationale Arbeidsraad, in een tijdelijke afwijking voorzien die algemeen geldt.
[33 ...]33 ]19
§ 3sexies.
[Les employeurs auxquels est applicable la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés [17 ...]17 sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une [33 cotisation trimestrielle]33 calculée sur la base d'une partie des jours de chômage temporaire qu'ils ont déclarés pour leurs travailleurs manuels et apprentis assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 [33 , durant une période couvrant quatre trimestres, c'est-à-dire les trois trimestres qui précèdent celui en cours et ce dernier (T-3, T-2, T-1 et T). Le premier trimestre durant lequel la cotisation trimestrielle en question est susceptible d'être due est le 1er trimestre 2017.]33
[19 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du Travail, déterminer, pour les travailleurs à temps plein dont le régime de travail déclaré s'élève à moins de 5 jours par semaine, les modalités sur la base desquelles les jours déclarés sont pris en compte pour une durée équivalente correspondant à la durée normale de travail à temps plein.]19
L'Office national de sécurité sociale (ONSS) est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation [19 , qui est destinée à la Gestion globale]19.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Le montant de la cotisation est calculé par travailleur manuel ou apprenti pour lequel l'employeur était, [33 dans le courant du trimestre durant lequel la communication de la cotisation trimestrielle et de la cotisation des trois trimestres précédents se fait]33, tenu de faire parvenir une déclaration en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
[33 Le montant de la cotisation est calculé de la manière suivante :
Pour la somme S = D0 + D1 + D2 + D3, la cotisation trimestrielle due est égale à D0 x Y où :
D0 = le nombre de jours de chômage temporaire tel que défini à l'alinéa 1er, pour chaque ouvrier ou apprenti repris dans la déclaration trimestrielle du trimestre T;
D1 = le nombre de jours de chômage temporaire tel que défini à l'alinéa 1er, pour chaque ouvrier ou apprenti repris dans la déclaration trimestrielle du trimestre T-1;
D2 = le nombre de jours de chômage temporaire tel que défini à l'alinéa 1er, pour chaque ouvrier ou apprenti repris dans la déclaration trimestrielle du trimestre T-2;
D3 = le nombre de jours de chômage temporaire tel que défini à l'alinéa 1er, pour chaque ouvrier ou apprenti repris dans la déclaration trimestrielle du trimestre T-3;
Y = 0, si S est inférieur ou égal à 110;
Y = 20, si S est supérieur à 110 et inférieur ou égal à 130;
Y = 40, si S est supérieur à 130 et inférieur ou égal à 150;
Y = 60, si S est supérieur à 150 et inférieur ou égal à 170;
Y = 80, si S est supérieur à 170 et inférieur ou égal à 200;
Y = 100, si S est supérieur à 200.]33

[19 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après l'évaluation visée par le dernier alinéa et après avis du Conseil national du Travail, modifier les paramètres visés à l'alinéa 6. Les arrêtés pris en vertu de cet alinéa doivent être confirmés au plus tard douze mois après leur publication.]19
[17 En dérogation au [19 sixième]19 alinéa, le montant de la cotisation pour les employeurs qui ressortissent à la commission paritaire de l'industrie de la construction est calculé selon la formule suivante :]17
(A - B) fois F

A = le nombre total de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques que l'employeur a déclarés pour chaque travailleur manuel ou apprenti assujetti aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupé au cours de l'année civile précédente;
B = un nombre de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques qui ne sont pas pris en considération pour le calcul de la cotisation; ce nombre est fixé par le Roi;
F = un montant forfaitaire fixé par le Roi.
Le montant de la cotisation est calculé chaque année par l'ONSS et communiqué à l'employeur, sur la base des données relatives à l'année civile précédente qui ont été communiquées en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
En cas de réception tardive d'une ou plusieurs déclarations, le calcul se fait après la réception de la dernière.
[19 Sur la proposition de la commission paritaire pour la construction, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du Travail, déclarer d'application le système de calcul de la cotisation prévue à l'alinéa 6 aux employeurs qui ressortissent à la commission paritaire précitée.]19
La cotisation est due avec et dans les mêmes délais que les cotisations de sécurité sociale qui, sur la base de la loi précitée du 27 juin 1969, se rapportent au trimestre dans lequel le montant a été communiqué.
Des modifications à la déclaration ne peuvent diminuer le montant dû. [19 L'Office national de Sécurité sociale (ONSS) est chargé de la transmission de cette recette à l'Office national des Vacances annuelles.]19]
[19 Le Ministre de l'Emploi peut éventuellement, après avis de la commission consultative visée à l'article 18, § 1er, de l'arrêté royal du 3 mai 2007 réglementant le régime de chômage avec complément d'entreprise sur la reconnaissance d'une entreprise en difficultés, décider dans le cadre d'une reconnaissance visée dans l'article 14 du même arrêté du 3 mai 2007, de réduire de moitié [33 la cotisation trimestrielle visée à l'alinéa 5 ou la cotisation annuelle visée à l'alinéa 8 pour l'année de la reconnaissance dans laquelle se trouve le trimestre de débition de ladite cotisation et éventuellement pour l'année qui suit]33. La direction générale des Relations collectives de travail communique immédiatement les décisions à l'Office national de Sécurité sociale et tous les trois mois au Conseil national du Travail.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres pris sur proposition et après avis de la commission paritaire, prévoir une dispense temporaire [33 de la cotisation trimestrielle visée à l'alinéa 5 ou de la cotisation annuelle visée à l'alinéa 8 pour]33 pour un ou plusieurs secteurs qui se trouvent dans une situation économique à risque. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité du Gestion de l'Office national de l'Emploi, ce qu'il y a lieu d'entendre par "situation économique à risque", la procédure relative à l'octroi de la dispense dérogation temporaire et son contrôle.
La direction générale des Relations collectives de travail communique les décisions immédiatement à l'Office national de Sécurité sociale et tous les trois mois au Conseil national du Travail.
Le Roi peut, en cas de circonstances économiques exceptionnelles, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres pris sur la proposition ou après avis du Conseil national du Travail, prévoir une dérogation générale temporaire.
[33 ...]33 ]19
[§ 3septies.
[39 Een solidariteitsbijdrage wordt vastgesteld ten laste van de toegetreden werknemer in de zin van artikel 2, 19°, van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers. Zij is verschuldigd op de uitkering in speciën van de identieke winstpremie in de zin van artikel 2, 7/2°, en op de uitkering in speciën van de gecategoriseerde winstpremie in de zin van artikel 2, 7/3°, van dezelfde wet.]39
De bijdragevoet wordt vastgesteld op 13,07 % van het uitgekeerde bedrag.
Deze bijdrage wordt door de werkgever of de vennootschap in de zin van artikel 2, 1°, van dezelfde wet betaald, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdrage wordt gestort aan de R.S.Z.-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van de algemene regeling van de sociale zekerheid voor werknemers, met name wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de bevoegde rechter ingeval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale Zekerheid, zijn van toepassing.]
(§ 3septies.
[39 Une cotisation de solidarité est établie à charge du travailleur adhérent au sens de l'article 2, 19°, de la loi du 22 mai 2001 relative à la participation des travailleurs dans le capital des sociétés et à l'établissement d'une prime bénéficiaire pour les travailleurs. Elle est due sur le versement en espèces, de la prime identique au sens de l'article 2, 7/2°, et sur le versement en espèces de la prime catégorisée au sens de l'article 2, 7/3°, de la même loi.]39
Le taux de cette cotisation est fixé à 13,07 % du montant liquidé.
Cette cotisation est payée par l'employeur ou la société au sens de l'article 2,1°, de la même loi, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Le produit de la cotisation est transmis à l'O.N.S.S.-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège, la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.)
(§ 3octies.
Om aanspraak te kunnen maken op het voordeel van de totale of gedeeltelijke vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen bedoeld in §§ 3 en 3bis, van de totale of gedeeltelijke vrijstelling van storting van ingehouden bijdragen, van een vermindering van sociale zekerheidsbijdragen, bedoeld in §§ 2, 3 en 3bis, alsook van een stelsel van forfaitaire bijdragen bepaald door of krachtens deze wet, mag de werkgever zich niet in één van volgende situaties bevinden :
1. de aangifte van sociale zekerheid werd vastgesteld of rechtgezet in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of gelijkaardige bepalingen toepasbaar door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;
2. de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling gebeurde voor één of meer werknemers niet conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
3. één of meerdere werknemers tewerkstellen die geen onderdanen zijn van de Europese Economische Ruimte, die geen titularis zijn van een geldige verblijfsvergunning of van een arbeidsvergunning, in overtreding met de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
4. één of meer werknemers tewerkstellen onder voorwaarden die strijdig zijn met de menselijke waardigheid en aldus een overtreding begaan op het gebied van de mensenhandel, bedoeld bij artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
5. de werkgever doet of laat arbeid verrichten door een werknemer waarvoor geen verschuldigde bijdragen werden betaald aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
6. het voorwerp zijn van een verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon enig koopmansbedrijf uit te oefenen, krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
7. indien het om een rechtspersoon gaat, onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, personen tellen aan wie het uitoefenen van dergelijke functies verboden is krachtens het in 6 genoemd koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934;
8. indien het om een rechtspersoon gaat, onder de bestuurders, zaakvoerders of personen die bevoegd zijn om de vennootschap te verbinden, personen tellen die bij minstens twee faillissementen, vereffeningen of gelijkaardige operaties betrokken werden met schulden ten aanzien van een inningorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de periode voor dewelke de werkgever die zich in één van de situaties beschreven in het eerste lid bevindt, het voordeel van de totale of gedeeltelijke vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen bepaald door of krachtens deze wet, van de totale of gedeeltelijke vrijstelling van storting van ingehouden bijdragen, van een vermindering van sociale zekerheidsbijdragen krachtens deze wet alsook krachtens de programmawet (I) van 24 december 2002 alsook van een stelsel van forfaitaire bijdragen bepaald door of krachtens deze wet, verliest.
De Koning kan in dit besluit bepalen dat het verlies van het voordeel bedoeld in het eerste lid van toepassing is voor het trimester tijdens welk één van de situaties bedoeld in het eerste lid zich voordeed alsook voor de 4 trimesters die volgen.
De Koning kan in dit besluit ook bepalen dat het verlies van het voordeel bedoeld in het eerste lid zal worden toegepast voor het trimester tijdens welk één van de situaties bedoeld in het eerste lid zich voordeed, alsook voor de 8 trimesters die volgen wanneer één van deze situaties wordt vastgesteld bij dezelfde werkgever in de 24 maanden die volgen op de eerste situatie die aanleiding gaf tot toepassing van het verlies van het voordeel bedoeld in het eerste lid.
Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning bepalen dat de werkgever, om aanspraak te maken op het voordeel bedoeld in het eerste lid, zich niet mag bevinden in de situatie dat hij, zonder verantwoording, zijn verplichtingen niet nakomt inzake de betaling van sociale zekerheidsbijdragen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Nationale Arbeidsraad, nadere regels tot uitvoering van dit artikel bepalen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de werkbonus geregeld bij de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering noch op de vermindering bepaald bij artikel 35 van deze wet.)
(§ 3octies.
Pour pouvoir prétendre au bénéfice de la dispense totale ou partielle de cotisations de sécurité sociale visées aux §§ 3 et 3bis, de la dispense totale ou partielle de versement des cotisations retenues, d'une réduction de cotisations de sécurité sociale visées aux §§ 2, 3 et 3bis, ainsi que d'un régime de cotisations forfaitaires prévu par ou en vertu de la présente loi, l'employeur ne peut se trouver dans une des situations suivantes :
1. la déclaration de sécurité sociale a été établie ou rectifiée en application de l'article 22 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou des dispositions similaires applicables par l'Office national de Sécurité sociale des Administrations provinciales et locales;
2. la déclaration immédiate de l'emploi n'a pas été faite pour un ou plusieurs travailleurs conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
3. occuper un ou plusieurs travailleurs non ressortissants de l'Espace économique européen, non titulaires d'un titre de séjour valable et d'une autorisation de travail, en violation de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
4. occuper un ou plusieurs travailleurs dans des conditions contraires à la dignité humaine et commettre ainsi l'infraction en matière de traite des êtres humains visée à l'article 77bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
5. l'employeur fait prester du travail par un travailleur pour lequel aucune cotisation due n'a été payée à l'Office national de Sécurité sociale;
6. être l'objet d'une interdiction d'exercer, personnellement ou par interposition de personne, toute activité commerciale, en vertu de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités;
7. s'il s'agit d'une personne morale, compter parmi les administrateurs, les gérants ou les personnes ayant le pouvoir d'engager la société, des personnes à qui l'exercice de telles fonctions est défendu en vertu de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 cité au 6;
8. s'il s'agit d'une personne morale, compter parmi les administrateurs, les gérants ou les personnes ayant le pouvoir d'engager la société, des personnes qui ont été impliquées dans au moins deux faillites, liquidations ou opérations similaires entraînant des dettes à l'égard d'un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du Travail, la période pour laquelle l'employeur qui se trouve dans une des situations énoncées à l'alinéa 1er perd le bénéfice de la dispense totale ou partielle de cotisations de sécurité sociale prévue par ou en vertu de la présente loi, de la dispense totale ou partielle de versement des cotisations retenues, d'une réduction de cotisations de sécurité sociale en vertu de la présente loi ainsi que de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ainsi que d'un régime de cotisations forfaitaires prévu par ou en vertu de la présente loi.
Le Roi peut, dans cet arrêté, prévoir que la perte du bénéfice des avantages visée à l'alinéa 1er est applicable pour le trimestre au cours duquel une des situations visées à l'alinéa 1er s'est produite ainsi que pour les 4 trimestres qui suivent.
Le Roi peut également prévoir, dans cet arrêté, que la perte du bénéfice des avantages visée à l'alinéa 1er sera appliquée pour le trimestre au cours duquel une des situations visées à l'alinéa 1er s'est produite ainsi que pour les 8 trimestres qui suivent lorsqu'une de ces situations est constatée chez le même employeur dans les 24 mois qui suivent la première situation donnant lieu à application de la perte de l'avantage visée à l'alinéa 1er.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du Travail, disposer que, pour pouvoir bénéficier de l'avantage visé à l'alinéa 1er, l'employeur ne peut pas se trouver dans une situation de non-respect, sans justification, de ses obligations en matière de paiement des cotisations de sécurité sociale.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du Travail, déterminer les modalités d'application de cet article.
Les dispositions de ce paragraphe ne s'appliquent pas au bonus a l'emploi régi par la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration ni à la réduction prévue à l'article 35 de la présente loi.)
(§ 3novies.
[18 De werkgever is een bijzondere bijdrage van 33 % verschuldigd op het bedrag van de niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen die worden toegekend met toepassing van hoofdstuk II van de wet van 21 december 2007 betreffende de uitvoering van het interprofessioneel akkoord 2007-2008, en van Titel XIII, Enig Hoofdstuk " Invoering van een stelsel van niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen voor de autonome overheidsbedrijven " van de wet van 24 juli 2008 houdende diverse bepalingen (I), en dit ten belope van een plafond van [25 3.169 euro]25 per kalenderjaar, per werknemer bij elke werkgever die hem in dienst heeft.
Een solidariteitsbijdrage van 13,07 % is eveneens verschuldigd door de werknemer op het in het eerste lid bedoelde bedrag, en dit ten belope van hetzelfde plafond van [25 3.169 euro]25 per kalenderjaar, per werknemer bij elke werkgever die hem in dienst heeft.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen op unaniem en eensluidend advies van de Nationale Arbeidsraad, het in de vorige leden bedoelde bedrag van [25 3.169 euro]25 aanpassen.
Het bedrag van [25 3.169 euro]25 is gekoppeld aan de gezondheidsindex van de maand november 2012. Vanaf 1 januari 2013 wordt dit bedrag jaarlijks op 1 januari aangepast volgens de volgende formule : het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met de gezondheidsindex van de maand november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn, en gedeeld door de gezondheidsindex van de maand november 2012. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond.
De bijdragen worden door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdragen wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van het algemene stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zijn van toepassing.]18
(§ 3novies.
[18 Une cotisation spéciale de 33 % est due par l'employeur sur le montant des avantages non récurrents liés aux résultats accordés en application du chapitre II de la loi du 21 décembre 2007 relative à l'exécution de l'accord interprofessionnel 2007-2008, ainsi que du Titre XIII, Chapitre unique " Mise en place d'un système d'avantages non récurrents liés aux résultats pour les entreprises publiques autonomes " de la loi du 24 juillet 2008 portant des dispositions diverses (I) et cela à concurrence d'un plafond de [25 3.169 euros]25 par année calendrier par travailleur chez chaque employeur qui l'occupe.
Une cotisation de solidarité de 13,07 % est également due par le travailleur sur le montant visé à l'alinéa 1er et cela à concurrence du même plafond de [25 3.169 euros]25 par année calendrier par travailleur chez chaque employeur qui occupe ce travailleur.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres pris sur avis unanime et conforme du Conseil national du travail, adapter le montant du plafond de [25 3.169 euros]25 visé aux alinéas précédents.
Le montant de [25 3.169 euros]25 est rattaché à l'indice santé du mois de novembre 2012. A partir du 1er janvier 2013, ce montant est adapté le 1er janvier de chaque année conformément à la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de novembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de novembre 2012. Le montant ainsi obtenu est arrondi à l'euro supérieur.
Les cotisations sont payées par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Le produit des cotisations est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège, la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.]18
(§ 3decies.
[1 De werkgever is een solidariteitsbijdrage van 33 % verschuldigd op alle sommen die hij in plaats van zijn werknemer betaalt of aan zijn werknemer terugbetaalt, als betaling van een verkeersboete, een minnelijke schikking of een onmiddellijke inning met betrekking tot een verkeersboete, opgelopen door de werknemer tijdens de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst.]1
Onder de verkeersboete, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan :
1° verkeersboetes voortvloeiend uit een zware verkeersovertreding (overtredingen van de derde en vierde graad) en verkeersboetes van minimaal 150 euro voortvloeiend uit een snelheidsovertreding;
2° verkeersboetes voortvloeiend uit een lichte verkeersovertreding (overtredingen van de eerste en tweede graad) en verkeersboetes van minder dan 150 euro voortvloeiend uit een snelheidsovertreding. Een bedrag van 150 euro op jaarbasis wordt in dit geval vrijgesteld van de solidariteitsbijdrage.
Op verkeersboetes voortvloeiend uit de toestand van het rijdend materiaal en de conformiteit van de lading is de solidariteitsbijdrage niet verschuldigd.
De bijdrage wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van het algemene stelstel van de sociale zekerheid voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake de betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering, zijn van toepassing.)
(§ 3decies.
[1 L'employeur doit verser une cotisation de solidarité de 33 % sur toute somme qu'il paie en lieu et place de son travailleur ou rembourse à son travailleur, à titre de paiement d'une amende de roulage, d'une transaction ou d'une perception immédiate relative à une amende de roulage, encourue par le travailleur dans l'exercice de son contrat de travail.]1
On entend par amende de roulage, visée à l'alinéa premier :
1° les amendes de roulage découlant d'une infraction grave à la circulation (infractions du troisième et quatrième degré) et les amendes de roulage de minimum 150 euros venant d'une infraction de vitesse;
2° les amendes de roulage à la suite d'une infraction légère à la circulation (infractions du premier et deuxième degré) et les amendes de roulage de moins de 150 euros venant d'une infraction de vitesse. Un montant de 150 euros sur base annuelle est dans ce cas dispensé de la cotisation de solidarité.
La cotisation de solidarité n'est pas due sur les amendes de roulage venant du matériel roulant et de la conformité du chargement.
La cotisation est payée par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Le produit de cette cotisation est transféré à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, la détermination du juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'action en justice, le privilège et la communication du montant de la créance, sont applicables.)
[15 § 3undecies.
Een specifieke werkgeversbijdrage van 0,02 pct. is verschuldigd door de werkgevers die onder de toepassing vallen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. De opbrengst van deze bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De Rijksdienst voor sociale zekerheid is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage.
Deze bijdrage is gelijkgesteld aan een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafsancties, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen]15
[15 § 3undecies.
Une cotisation spécifique à charge des employeurs de 0,02 p.c. est due par les employeurs qui tombent sous l'application de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail. Le produit de cette cotisation est transféré à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
L'Office national de sécurité sociale est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.]15
[19 § 3duodecies.
[35 A. Voor iedere betrokken werknemer is de inrichter bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid in het vierde kwartaal van elk bijdragejaar een bijzondere bijdrage verschuldigd onder de volgende voorwaarden en binnen de volgende grenzen.
Een bijzondere bijdrage is verschuldigd voor een bepaalde werknemer wanneer, voor deze werknemer, het verschil tussen de als volgt vastgestelde bedragen X en Y positief is.
X stemt overeen met de som van de volgende bedragen :
1° de bedragen toegewezen aan de rekening(en) betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen van de werknemer tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, desgevallend verhoogd tot de bedragen gewaarborgd bij toepassing van artikel 24 van de voornoemde wet van 28 april 2003, op de tijdstippen bepaald bij dit artikel 24.
Met aanvullend rust- of overlevingspensioen wordt enkel bedoeld datgene waarvan de uitvoering toevertrouwd is aan een pensioeninstelling met uitzondering van datgene dat door provisies op de passiefzijde van de balans van de onderneming of door een bedrijfsleidersverzekering gefinancierd wordt.
Bij gebrek aan een rekening betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen voor bedoelde werknemer wordt het bedrag van de verandering van de verworven reserves betreffende het aanvullend rust- of overlevingspensioen in aanmerking genomen. Het bedrag van deze verandering stemt overeen met het verschil, wanneer dit positief is, tussen de verworven reserves berekend op 1 januari van het bijdragejaar en de verworven reserves berekend op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, behalve indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst in een andere datum voorzien voor de herberekening van de prestaties, in welk geval de hiervoor vermelde verworven reserves berekend worden respectievelijk op de meest dichtbijzijnde herberekeningsdatum tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar en tijdens het jaar dat voorafgaat aan dit jaar.
Als de verworven reserves niet kunnen worden berekend op de bij het vorige lid bepaalde tijdstippen omwille van een gebeurtenis die in de loop van de opbouw van het aanvullend rust- of overlevingspensioen van de werknemer plaatsvond, dan moeten ze als volgt berekend worden :
a) de verworven reserves die normaal berekend moeten worden op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, moeten berekend worden op het eerste tijdstip waarop ze kunnen worden berekend, dat volgt op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar (n-1) of dat volgt op de datum van herberekening van het jaar dat voorafgaat aan het jaar n-1, indien de datum van herberekening niet 1 januari is;
b) de verworven reserves die normaal berekend moeten worden op 1 januari van het bijdragejaar moeten berekend worden op het laatste tijdstip waarop ze kunnen worden berekend, dat 1 januari van het bijdragejaar voorafgaat of dat de datum van herberekening van het jaar n-1 voorafgaat, als de datum van herberekening niet 1 januari is.
Alvorens het hiervoor vermelde verschil vast te stellen, worden de verworven reserves die normaal berekend worden op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, vooraf gekapitaliseerd tegen een rentevoet van 6 %;
2° het bedrag van de premie of premies ter dekking van het risico overlijden van de werknemer, gevraagd tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat door de pensioeninstelling om dit risico te dekken, indien deze premies niet worden gefinancierd door de bedragen toegewezen aan de rekening(en) betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen of door de verandering van de verworven reserves.
Met de hiervoor vermelde overlijdensdekking wordt enkel diegene bedoeld waarvan de uitvoering aan een pensioeninstelling toevertrouwd wordt met uitzondering van diegene die door provisies op de passiefzijde van de balans van de onderneming of door een bedrijfsleidersverzekering gefinancierd wordt.
Indien de hiervoor vermelde overlijdenspremie of -premies niet individueel worden berekend per werknemer in functie van zijn leeftijd, wordt het in aanmerking te nemen bedrag bekomen door de normaal verschuldigde uitkering in geval van overlijden, berekend op 1 januari van het bijdragejaar of op de bij het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst bepaalde datum van herberekening in de loop van het jaar dat het bijdragejaar voorafgaat, indien deze datum niet 1 januari is, te vermenigvuldigen met de sterftekans die overeenstemt met de leeftijd bereikt door de werknemer in het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat. De sterftekans is die welke voortvloeit uit de sterftetafels bepaald bij artikel 24, § 6, 1°, van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, vermenigvuldigd met 0,6.
Y stemt overeen met 30.00 euro.
De bijzondere bijdrage verschuldigd door de inrichter bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, van de voornoemde wet van 28 april 2003 voor de betrokken werknemer is gelijk aan [37 3 %]37 van het resultaat van dit verschil. Dit resultaat is evenwel beperkt tot het aandeel in bedrag X, dat niet door de aangeslotene werd gedragen, indien dit aandeel kleiner is dan het resultaat van het verschil.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de berekeningswijze van de inningsgrondslag verder verduidelijken.
B. Het hiervoor vermelde bedrag Y wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende de inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, met uitzondering evenwel van artikel 6 van die wet. De verhoging of vermindering van het hiervoor vermelde bedrag Y wordt toegepast met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het indexcijfer van de consumptieprijzen de spilindex bereikt heeft die een wijziging rechtvaardigt. Indien het indexcijfer van de consumptieprijzen de spilindex verscheidene malen heeft bereikt tijdens het voorgaande jaar, wordt hiermee cumulatief rekening gehouden voor de bepaling van voormeld bedrag Y op 1 januari.
C. Worden van de inningsgrondslag van de bijzondere bijdrage uitgesloten:
1° de bedragen toegewezen aan de rekening(en) betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen of die bijdragen in de verandering van de verworven reserves en die overeenstemmen met de voorzieningen die worden overgedragen onder de voorwaarden bedoeld in artikel 515septies van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
2° de bedragen toegewezen aan de rekening(en) betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen of die bijdragen in de verandering van de verworven reserves en die overeenstemmen met de kapitalen en afkoopwaarden die worden overgedragen onder de voorwaarden bedoeld bij artikel 515novies van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
3° de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten bedoeld in Titel V van Boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen;
4° de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3ter.
D. De pensioeninstellingen delen aan de vzw SIGeDIS de gegevens mee op basis waarvan de inningsgrondslag voor de bijzondere bijdrage kan worden vastgesteld, overeenkomstig de richtlijnen gegeven krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, uiterlijk op 30 juni van elk bijdragejaar.
Opdat de pensioeninstellingen de hiervoor vermelde gegevens aan de vzw SIGeDIS zouden kunnen meede-len, bezorgen de inrichters bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, van de voornoemde wet van 28 april 2003 aan de pensioeninstellingen de lijst met de werknemers die waren aangesloten bij de pensioentoezegging tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat, de identificatienummers van de sociale zekerheid (INSZ) van de werknemers evenals het ondernemingsnummer van de Kruispuntbank van ondernemingen (KBO) van de inrichter bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, van de voornoemde wet van 28 april 2003, uiterlijk op 28 februari van elk bijdragejaar.
E. De vzw SIGeDIS deelt aan de inrichters bedoeld in artikel 3, § 1, 5°, van de voornoemde wet van 28 april 2003 de nodige gegevens mee voor de berekening en betaling van de bijzondere bijdrage uiterlijk op 30 september van elk bijdragejaar.
F. De vzw SIGeDIS stelt de gegevens die ze ontvangt ter beschikking van de inningsinstellingen op basis van de instructies die deze haar geven.
G. Deze bijzondere bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage in het bijzonder wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd bij betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
H. De opbrengst van deze bijdrage wordt overgedragen naar de RSZ-globaal beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
I. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de inning en de invordering van deze bijdrage bepalen.
J. Deze paragraaf treedt pas buiten werking wanneer § 3terdecies in werking treedt. Hij blijft evenwel ook van toepassing na deze datum voor wat de bijzondere bijdragen betreft die ingevolge die paragraaf nog verschuldigd zouden zijn op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin § 3terdecies in werking treedt.]35
[19 § 3duodecies.
[35 A. Pour chaque travailleur concerné, l'organisateur visé à l'article 3, § 1er, 5°, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale est redevable au quatrième trimestre de chaque année de cotisation d'une cotisation spéciale dans les conditions et limites suivantes.
Une cotisation spéciale est due pour un travailleur déterminé lorsque, pour ce travailleur, la différence entre les montants X et Y tels que déterminés comme suit est positive.
X correspond à la somme des montants suivants :
1° les montants attribués au(x) compte(s) relatif(s) à la constitution d'une pension complémentaire de re-traite ou de survie au profit du travailleur au cours de l'année qui précède l'année de cotisation, majorés, le cas échéant, jusqu'aux montants garantis en application de l'article 24 de la loi précitée du 28 avril 2003, aux moments prévus par cet article 24.
Par pension complémentaire de retraite ou de survie, l'on ne vise que celle dont l'exécution est confiée à un organisme de pension à l'exclusion de celle financée par des provisions au passif du bilan de l'entreprise ou par une assurance dirigeant d'entreprise.
A défaut d'un compte relatif à la constitution d'une pension complémentaire de retraite ou de survie au profit dudit travailleur, est pris en compte le montant de la variation des réserves acquises afférente à la pension complémentaire de retraite ou de survie. Le montant de cette variation correspond à la différence, lorsque celle-ci est positive, entre les réserves acquises calculées au 1er janvier de l'année de cotisation et les réserves acquises calculées au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation sauf si le règlement de pension ou la convention de pension prévoit une date différente pour le recalcul des prestations, auquel cas, les réserves acquises susmentionnées sont calculées respectivement à la plus proche date de recalcul au cours de l'année qui précède l'année de cotisation et au cours de l'année qui précède cette année.
Lorsque les réserves acquises ne sont pas calculables aux moments prévus à l'alinéa précédent en raison d'un évènement intervenu dans le cours de la constitution de la pension complémentaire de retraite ou de survie du travailleur, elles doivent être calculées comme suit :
a) les réserves acquises qui doivent normalement être calculées au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation doivent être calculées au premier moment où elles peuvent être calculées qui suit le 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation (n-1) ou qui suit la date de recalcul de l'année qui précède l'année n-1, si la date de recalcul n'est pas le 1er janvier;
b) les réserves acquises qui doivent normalement être calculées au 1er janvier de l'année de cotisation doivent être calculées au dernier moment où elles peuvent être calculées qui précède le 1er janvier de l'année de cotisation ou qui précède la date de recalcul de l'année n-1, si la date de recalcul n'est pas le 1er janvier.
Avant d'effectuer la différence précitée, les réserves acquises normalement calculables au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation sont préalablement capitalisées au taux de 6 %;
2° le montant de la ou des primes destinées à couvrir le risque de décès du travailleur, réclamée(s), au cours de l'année qui précède l'année de cotisation, par l'organisme de pension pour couvrir ce risque, dans le cas où ces primes ne sont pas financées par les montants attribués au(x) compte(s) relatif(s) à la constitution d'une pension complémentaire de retraite ou de survie ou par la variation des réserves acquises.
Par la couverture décès précitée, l'on ne vise que celle dont l'exécution est confiée à un organisme de pension à l'exclusion de celle financée par des provisions au passif du bilan de l'entreprise ou par une assurance dirigeant d'entreprise.
Si la ou les primes décès susmentionnées ne sont pas calculées de manière individuelle par travailleur en fonction de son âge, le montant pris en compte sera obtenu en multipliant par la probabilité de décès correspondant à l'âge atteint par le travailleur au cours de l'année précédant l'année de cotisation, la prestation normalement due en cas de décès calculée le 1er janvier de l'année de cotisation ou à la date de recalcul prévue par le règlement de pension ou la convention de pension au cours de l'année qui précède l'année de cotisation si cette date de recalcul n'est pas le 1er janvier. La probabilité de décès est celle qui résulte des tables de mortalité fixées à l'article 24, § 6, 1°, de l'arrêté royal du 14 novembre 2003 relatif à l'activité d'assurance sur la vie, multipliée par 0,6.
Y correspond à 30.000 euros.
La cotisation spéciale due par l'organisateur visé à l'article 3, § 1er, 5°, de la loi précitée du 28 avril 2003 pour le travailleur concerné est égale à [37 3 %]37 du résultat de cette différence. Ce résultat est toutefois limité à la quote-part dans le montant X, qui n'a pas été supportée par l'affilié, si cette quote-part est inférieure au résultat de la différence.
Le Roi peut préciser davantage, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la méthode de calcul de la base de perception.
B. Le montant Y susmentionné est indexé conformément à la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, à l'exception cependant de l'article 6 de cette loi. L'augmentation ou la diminution du montant Y susmentionné est appliquée avec effet le 1er janvier de l'année qui suit l'année où l'indice des prix à la consommation a atteint l'indice pivot qui justifie une modification. Si l'indice des prix à la consommation a atteint plusieurs fois l'indice pivot pendant l'année qui précède, l'on en tient compte cumulativement pour la détermination du montant Y précité au 1er janvier.
C. Sont exclus de la base de perception de la cotisation spéciale :
1° les montants attribués au(x) compte(s) relatif(s) à la constitution d'une pension complémentaire de retraite ou de survie ou qui participent à la variation des réserves acquises et qui correspondent aux provisions qui sont transférées dans les conditions visées à l'article 515septies du Code des impôts sur les revenus 1992;
2° les montants attribués au(x) compte(s) relatif(s) à la constitution d'une pension complémentaire de retraite ou de survie ou qui participent à la variation des réserves acquises et qui correspondent aux capitaux et valeurs de rachat transférés dans les conditions fixées par l'article 515novies du Code des impôts sur les re-venus 1992;
3° la taxe annuelle sur les contrats d'assurance visée au Titre V du Livre II du Code des droits et taxes divers;
4° la cotisation spéciale visée à l'article 38, § 3ter.
D. Les organismes de pension communiquent à l'ASBL SIGeDIS les données permettant de déterminer la base de perception de la cotisation spéciale conformément aux instructions émises en vertu de l'article 5 de l'arrêté royal du 25 avril 2007 portant exécution de l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, au plus tard le 30 juin de chaque année de cotisation.
Afin de permettre aux organismes de pension de communiquer les données susvisées à l'ASBL SIGeDIS, les organisateurs visés à l'article 3, § 1er, 5°, de la loi précitée du 28 avril 2003 communiquent aux organismes de pension la liste des travailleurs qui ont été affiliés à l'engagement de pension durant l'année précédant l'année de cotisation, les numéros d'identification de la sécurité sociale (NISS) des travailleurs ainsi que le numéro d'entreprise de la Banque-Carrefour des entreprises (BCE) de l'organisateur visé à l'article 3, § 1er, 5°, de la loi précitée du 28 avril 2003, au plus tard le 28 février de chaque année de cotisation.
E. L'ASBL SIGeDIS communique aux organisateurs visés à l'article 3, § 1er, 5°, de la loi précitée du 28 avril 2003 les données nécessaires au calcul et au paiement de la cotisation spéciale au plus tard le 30 septembre de chaque année de cotisation.
F. L'ASBL SIGeDIS met les données qu'elle reçoit à disposition des institutions de perception sur la base des instructions émises par ces dernières.
G. Cette cotisation spéciale est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.
H. Le produit de cette cotisation est transféré à l'ONSS-gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
I. Le Roi peut fixer par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités plus précises de perception et de recouvrement de cette cotisation.
J. Ce paragraphe cesse seulement d'être en vigueur lorsque le § 3terdecies entre en vigueur. Néanmoins, il reste aussi applicable après cette date pour les cotisations spéciales qui sont encore dues, suite à ce paragraphe, au 31 décembre de l'année précédant l'année où le § 3terdecies entre en vigueur.]35
[20 § 3terdecies.
[42 A. Wanneer op 1 januari van het jaar dat aan een bijdragejaar voorafgaat, de som van het wettelijk pensioen en van de verworven reserves of, bij gebrek aan verworven reserves, de reserves betreffende het aanvullend rust- of overlevingspensioen, gedeeld door de in het derde lid bedoelde omzettingscoëfficiënt, de pensioendoelstelling voor een werknemer overschrijdt, is de inrichter in het vierde kwartaal van elk bijdragejaar een bijzondere bijdrage verschuldigd.
Het in het eerste lid bedoeld aanvullend rust- of overlevingspensioen omvat elk aanvullend rust- of overlevingspensioen, ongeacht het statuut van de betrokken persoon wanneer het werd opgebouwd.
De verworven reserves of de reserves bedoeld in het eerste lid worden vooraf gedeeld door de coëfficiënt die voor een maandelijkse rente in hoofde van een 65-jarige wordt vastgesteld door de directie-generaal Beleidsondersteuning en -coördinatie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid op grond van prospectieve, geslachtsneutrale sterftetafels die worden vastgesteld op basis van de laatste demografische studies uitgevoerd door de algemene directie Statistiek en Economische Informatie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie en het Federaal Planbureau, op grond van een interestvoet die overeenstemt met de gemiddelde interestvoet over de laatste 6 jaar van de OLO's op 10 jaar, op grond van een jaarlijkse indexering van de maandelijkse rente met 2 % per jaar en op grond van een overdraagbaarheid van die maandelijkse rente ten belope van 80 % ten gunste van een andere persoon met dezelfde leeftijd. Telkens nieuwe prospectieve sterftetafels worden opgesteld, wordt de omzettingscoëfficiënt herberekend, rekening houdend met de op dat ogenblik geldende hiervoor vermelde gemiddelde interestvoet.
De bijzondere bijdrage die voor de werknemer door de inrichter verschuldigd is, bedraagt [61 12,50 %]61 op zijn aandeel in het bedrag van de verandering van de verworven reserves of, bij gebrek aan verworven reserves, van de reserves betreffende het aanvullend rust- of overlevingspensioen tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat.
Het bedrag van de verandering stemt overeen met het verschil, wanneer dit positief is, tussen de verworven reserves, of bij gebrek aan verworven reserves, de reserves op 1 januari van het bijdragejaar en de verworven reserves, of bij gebrek aan verworven reserves, de reserves op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar. De verworven reserves of de reserves van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar worden vooraf gekapitaliseerd tegen de rentevoet die overeenstemt met de gemiddelde interestvoet over de laatste zes kalenderjaren, voorafgaand aan het bijdragejaar, van de OLO's op 10 jaar.
Als de verworven reserves of de reserves niet kunnen worden berekend op 1 januari van het bijdragejaar of op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar omwille van een gebeurtenis die in de loop van de opbouw van het aanvullend rust- of overlevingspensioen plaatsvond, dan worden ze als volgt berekend :
a) de verworven reserves of de reserves die normaal gezien moeten worden berekend op 1 januari van het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat, moeten worden berekend op het eerste tijdstip dat ze kunnen worden berekend na 1 januari van het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat;
b) de verworven reserves of de reserves die normaal gezien moeten worden berekend op 1 januari van het bijdragejaar, moeten worden berekend op het laatste tijdstip dat ze kunnen worden berekend vóór 1 januari van het bijdragejaar.
Het bedrag van de verandering wordt desgevallend verhoogd tot de bedragen gewaarborgd met toepassing van artikel 24 van wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, op de tijdstippen bepaald in dit artikel 24.
B. Voor de toepassing van A dient te worden verstaan onder :
1° wettelijk pensioen: 50 % van het plafond bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, voor het betrokken jaar, vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk van toepassing voor de werknemers, en desgevallend vermeerderd met 25 % van het plafond bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, voor het betrokken jaar, vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk van toepassing voor de zelfstandigen;
2° aanvullend rust- of overlevingspensioen : zowel datgene dat op het niveau van een onderneming wordt opgebouwd als datgene dat desgevallend op het niveau van de bedrijfstak wordt opgebouwd.
Er worden zowel aanvullende rust- of overlevingspensioenen bedoeld waarvan de uitvoering wordt toevertrouwd aan een pensioeninstelling als diegene die door provisies op de passiefzijde van de balans van de onderneming of door een bedrijfsleidersverzekering worden gefinancierd.
Voor de aanvullende rust- of overlevingspensioenen die door provisies op de passiefzijde van de balans van de onderneming of door een bedrijfsleidersverzekering worden gefinancierd, worden met verworven reserves de bedragen bedoeld die aan de vzw SIGeDIS moeten worden meegedeeld overeenkomstig de instructies die voortvloeien uit artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006;
3° basisbedrag : het bedrag bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
4° loopbaanbreuk voor werknemers : het aantal reeds gepresteerde loopbaanjaren in het stelsel van de werknemers gedeeld door 45;
5° loopbaanbreuk voor zelfstandigen : het aantal reeds gepresteerde loopbaanjaren in het stelsel van de zelfstandigen gedeeld door 45;
6° pensioendoelstelling : het basisbedrag vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk die rekening houdt met de reeds gepresteerde loopbaan als werknemer en zelfstandige.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de term "loopbaanjaar" definiëren.
C. De pensioeninstellingen delen aan de vzw SIGeDIS de gegevens mee op basis waarvan de inningsgrondslag voor de bijzondere bijdrage kan worden vastgesteld krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot uitvoering van artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006, uiterlijk op 31 augustus van elk bijdragejaar.
Opdat de pensioeninstellingen de hiervoor vermelde gegevens aan de vzw SIGeDIS zouden kunnen meedelen, bezorgen de inrichters aan de pensioeninstellingen, uiterlijk op 28 februari van elk bijdragejaar de lijst met de werknemers die waren aangesloten bij de pensioentoezegging tijdens het jaar dat aan het bijdragejaar voorafgaat, de identificatienummers van de sociale zekerheid (INSZ) van de werknemers, evenals het ondernemingsnummer van de Kruispuntbank van ondernemingen (KBO) van de inrichter.
De referentiebedragen voor de bepaling van het basisbedrag en van het wettelijk pensioen worden voor elk bijdragejaar vastgesteld door de bevoegde pensioendiensten en door hen ten laatste op 31 augustus van elk bijdragejaar meegedeeld aan de vzw SIGeDIS.
De gegevens betreffende het aantal reeds gepresteerde loopbaanjaren en de verworven reserves of de reserves worden voor elk bijdragejaar vastgesteld door de vzw SIGeDIS.
De vzw SIGeDIS deelt, uiterlijk op 31 oktober van elk bijdragejaar, aan de inrichters de nodige gegevens mee voor de berekening en betaling van de bijzondere bijdrage.
De vzw SIGeDIS stelt de gegevens die ze ontvangt ter beschikking van de inningsinstellingen op basis van de instructies die deze haar geven.
D. Deze bijzondere bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage, in het bijzonder wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd bij betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instellingen belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
E. Deze bijzondere bijdrage wordt geïnd door de bevoegde inningsinstelling.
F. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels van de inning en de invordering van deze bijzondere bijdrage bepalen.
G. De opbrengst van de bijdrage wordt door de inningsinstelling gestort aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]42
[20 § 3terdecies.
[42 A. Lorsqu'au 1er janvier de l'année qui précède une année de cotisation, la somme de la pension légale et des réserves acquises, ou à défaut de réserves acquises, des réserves afférentes à la pension complémentaire de retraite ou de survie divisées par le coefficient de conversion visé à l'alinéa 3, dépasse pour un travailleur l'objectif de pension, l'organisateur est redevable au quatrième trimestre de chaque année de cotisation d'une cotisation spéciale.
La pension complémentaire de retraite ou de survie visée à l'alinéa 1er comprend toute pension complémentaire de retraite ou de survie quel que soit le statut de la personne concernée lorsqu'elle a été constituée.
Les réserves acquises ou les réserves visées à l'alinéa 1er sont préalablement divisées par le coefficient qui, pour une rente mensuelle dans le chef d'une personne de 65 ans, est fixé par la Direction générale Soutien et coordination politiques du Service public fédéral Sécurité sociale sur la base des tables de mortalité prospectives et neutres au niveau du genre, qui sont déterminées sur la base des dernières études démographiques réalisées par la Direction générale Statistiques et Information économique du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie et le Bureau fédéral du Plan, sur la base d'un taux d'intérêt correspondant au taux d'intérêt moyen des six dernières années des OLO sur dix ans, sur la base d'une indexation annuelle de la rente mensuelle de 2 % par an et d'une réversibilité de cette rente mensuelle à concurrence de 80 % en faveur d'une autre personne du même âge. A chaque fois que des nouvelles tables de mortalité prospectives sont réalisées, le coefficient de conversion est recalculé, en tenant compte du taux d'intérêt moyen précité applicable à ce moment-là.
La cotisation spéciale due par l'organisateur pour le travailleur concerné est égale à [61 12,50 %]61 de sa quote-part dans le montant de la variation des réserves acquises, ou à défaut de réserves acquises, des réserves afférentes à la pension complémentaire de retraite ou de survie au cours de l'année qui précède l'année de cotisation.
Le montant de la variation correspond à la différence, lorsque celle-ci est positive, entre les réserves acquises ou, à défaut de réserves acquises, les réserves au 1er janvier de l'année de cotisation et les réserves acquises, ou à défaut de réserves acquises, les réserves au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation. Les réserves acquises ou les réserves de l'année qui précède l'année de cotisation sont préalablement capitalisées au taux qui correspond au taux d'intérêt moyen des six dernières années calendrier précédant l'année de cotisation des OLO sur dix ans.
Lorsque les réserves acquises ou les réserves ne sont pas calculables au 1er janvier de l'année de cotisation ou au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation en raison d'un évènement intervenu dans le cours de la constitution de la pension complémentaire de retraite ou de survie, elles sont calculées comme suit :
a) les réserves acquises ou les réserves qui doivent normalement être calculées au 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation doivent être calculées au premier moment où elles peuvent être calculées qui suit le 1er janvier de l'année qui précède l'année de cotisation;
b) les réserves acquises ou les réserves qui doivent normalement être calculées au 1er janvier de l'année de cotisation, doivent être calculées au dernier moment où elles peuvent être calculées qui précède le 1er janvier de l'année de cotisation.
Le montant de cette variation est majoré, le cas échéant, jusqu'aux montants garantis en application de l'article 24 de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale, aux moments prévus par cet article 24.
B. Pour l'application de A, il faut entendre par :
1° pension légale: 50 % du plafond visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, pour l'année concernée, multiplié par la fraction de carrière applicable aux travailleurs salariés, et augmenté, le cas échéant, de 25 % du plafond visé à l'article 5, § 2, alinéa 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, pour l'année concernée, multiplié par la fraction de carrière applicable aux travailleurs indépendants;
2° pension complémentaire de retraite ou de survie : celle constituée tant au niveau d'une entreprise que celle afférente à une pension complémentaire de retraite ou de survie constituée, le cas échéant, au niveau d'un secteur d'activité.
Sont visées tant les pensions complémentaires de retraite ou de survie dont l'exécution est confiée à un organisme de pension que celles financées par des provisions au passif du bilan de l'entreprise ou par une assurance dirigeant d'entreprise.
Pour les pensions complémentaires de retraite ou de survie financées par des provisions au passif du bilan de l'entreprise ou par une assurance dirigeant d'entreprise, par réserves acquises, sont visés les montants qui doivent être communiqués à l'ASBL SIGeDIS conformément aux instructions émises en vertu de l'article 5 de l'arrêté royal du 25 avril 2007 portant exécution de l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006;
3° montant de base: le montant visé à l'article 39, alinéa 2, de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires;
4° fraction de carrière applicable aux travailleurs salariés: le nombre d'années de carrière déjà accomplies dans le régime des travailleurs salariés, divisé par 45;
5° fraction de carrière applicable aux travailleurs indépendants : le nombre d'années de carrière déjà accomplies dans le régime des travailleurs indépendants, divisé par 45;
6° objectif de pension : le montant de base multiplié par la fraction de carrière qui tient compte de la carrière déjà accomplie comme travailleur salarié et travailleur indépendant.
Le Roi peut définir les termes "année de carrière" par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
C. Les organismes de pension communiquent à l'ASBL SIGeDIS les données permettant de déterminer la base de perception de la cotisation spéciale en vertu de l'article 5 de l'arrêté royal du 25 avril 2007 portant exécution de l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, au plus tard le 31 août de chaque année de cotisation.
Afin de permettre aux organismes de pension de communiquer les données susvisées à l'ASBL SIGeDIS, les organisateurs communiquent aux organismes de pension, au plus tard le 28 février de chaque année de cotisation, la liste des travailleurs qui ont été affiliés à l'engagement de pension durant l'année précédant l'année de cotisation, les numéros d'identification de la sécurité sociale (NISS) des travailleurs ainsi que le numéro d'entreprise de la Banque- Carrefour des entreprises (BCE) de l'organisateur.
Les montants de référence pour la détermination du montant de base et de la pension légale sont fixés pour chaque année de cotisation par les services de pension compétents et communiqués par ces derniers à l'ASBL SIGeDIS au plus tard le 31 août de chaque année de cotisation.
Les données concernant le nombre d'années de carrière déjà accomplies et les réserves acquises ou les réserves sont fixées pour chaque année de cotisation par l'ASBL SIGeDIS.
L'ASBL SIGeDIS communique aux organisateurs, au plus tard le 31 octobre de chaque année de cotisation, les données nécessaires au calcul et au paiement de la cotisation spéciale.
L'ASBL SIGeDIS met les données qu'elle reçoit à disposition des institutions de perception sur la base des instructions émises par ces dernières.
D. Cette cotisation spéciale est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justificatif des cotisations, les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.
E. Cette cotisation spéciale est perçue par l'organisme de perception compétent.
F. Le Roi peut fixer, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de perception et de recouvrement de cette cotisation spéciale.
G. Le produit de la cotisation est versé par l'organisme de perception à l'ONSS-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]42
[21 § 3quaterdecies. [52 ...]52]21
[10 § 3quindecies.
De werkgever is een bijzondere compenserende bijdrage verschuldigd op de verbrekingsvergoeding van de werknemer, zoals bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, a) en d), van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders [29 ...]29. Enkel dit deel van de vergoeding wordt bedoeld dat is opgebouwd op basis van de geleverde prestaties vanaf 1 januari 2014.
Deze bijdrage bedraagt 1 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon tussen [51 50.166 euro en 61.436 euro]51.
Ze bedraagt 2 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon tussen [51 61.437 euro en 72.706 euro]51.
Ze bedraagt 3 % op de voormelde verbrekingsvergoeding ten laste van de werkgever voor werknemers met een jaarloon hoger dan [51 72.706 euro]51.
Het jaarloon wordt berekend op basis van de loon- en prestatiegegevens van het laatste kwartaal waarin prestaties werden aangegeven volgens de volgende formule :
Voor voltijdse werknemers :
(A/B)*260
Voor deeltijdse werknemers :
((A/C)*D/5)*260
Waarbij :
A = bedrag van het loon
B = aantal dagen
C = aantal uren
D = aantal uren van de maatpersoon/week.
Voor werknemers voor wie het vakantiegeld wordt uitbetaald door een vakantiekas wordt A vermenigvuldigd met 1,08.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder loon, dagen en uren, rekening houdend met de codificatie die wordt gebruikt door de instelling bevoegd voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen [51 ; Hij kan op dezelfde manier de bedragen van de jaarlonen opgenomen in deze paragraaf aanpassen, na advies van het Beheerscomité van het Fonds tot vergoeding van de in geval van Sluiting van Ondernemingen ontslagen werknemers (FSO)]51.
Deze bijzondere bijdrage wordt geïnd door de bevoegde inningsinstelling. De opbrengst van deze bijdrage is bestemd voor het Fonds voor sluiting van ondernemingen.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een socialezekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.]10
[21 § 3quaterdecies.[52 ...]52]21
[10 § 3quindecies.
Une cotisation spéciale de compensation à charge des employeurs est due sur l'indemnité de rupture du travailleur, telle que visée à l'article 19, § 2, 2°, a) et d), de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs [29 ...]29. Seule la partie de l'indemnité qui est constituée sur la base des prestations effectuées à partir du 1er janvier 2014, est visée.
Cette cotisation s'élève à 1 % sur l'indemnité de rupture précitée à charge de l'employeur pour les travailleurs qui ont un salaire annuel compris entre [51 50.166 euros et 61.436 euros]51.
Cette cotisation s'élève à 2 % sur l'indemnité de rupture précitée à charge de l'employeur pour les travailleurs qui ont un salaire annuel compris entre [51 61.437 euros et 72.706 euros]51.
Cette cotisation s'élève à 3 % sur l'indemnité de rupture précitée à charge de l'employeur pour les travailleurs qui ont un salaire annuel supérieur à [51 72.706 euros]51.
Le salaire annuel est calculé sur la base des données salariales et des prestations du dernier trimestre dans lequel des prestations ont été déclarées suivant la formule suivante :
Pour des travailleurs à temps plein :
(A/B)*260
Pour des travailleurs à temps partiel :
((A/C)*D/5)*260
Ou :
A = montant du salaire
B = nombre de jours
C = nombre d'heures
D = nombre d'heures de la personne de référence par semaine.
Pour les travailleurs pour lesquels le pécule de vacances est payé par une caisse de vacances, A est multiplié par 1,08.
Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qui doit être compris par salaire, jours et heures, tenant compte de la codification utilisée par l'organisme de perception des cotisations sociales [51 ; Il peut adapter de la même façon les montants des salaires annuels prévus au présent paragraphe, après avis du Comité de gestion du Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises (FFE)]51.
Cette cotisation spéciale est perçue par l'organisme de perception compétente. Le produit de cette cotisation est destiné au Fonds de fermeture des entreprises.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.]10
[30 § 3sexdecies.
De werkgever is een bijzondere bijdrage van [58 28 %]58 verschuldigd op het flexiloon als bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken en op het flexivakantiegeld als bedoeld in artikel 3,6°, van dezelfde wet.
De bijzondere bijdrage als bedoeld in het eerste lid wordt door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De bepalingen van het algemene stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, inzonderheid wat betreft [58 ...]58 de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn van toepassing.
[58 Wat betreft de aangifte met verantwoording van de bijdragen gelden de termijnen bepaald in artikel 21/1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]58
De opbrengst van de bijzondere bijdragen bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer als bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]30
[30 § 3sexdecies.
L'employeur est redevable d'une cotisation spéciale de [58 28 %]58 sur le flexisalaire visé à l'article 3, 2°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matière sociale et sur le flexipécule de vacances visé à l'article 3, 6°, de la même loi.
La cotisation spéciale visée à l'alinéa 1er est payée par l'employeur à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les mêmes délais et aux mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés sont d'application, notamment en ce qui concerne [58 ...]58 les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'Office national de sécurité sociale.
[58 En ce qui concerne la déclaration avec justification des cotisations, les délais prévus à l'article 21/1 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs sont d'application.]58
Le produit des cotisations spéciales visées à l'alinéa 1er est transféré à l'ONSS-Gestion globale visée à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]30
[40 § 3septdecies.
De werkgevers waarop de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités van toepassing is, en de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven zijn onder de hierna vermelde voorwaarden een bijzondere activeringsbijdrage verschuldigd, die bestemd is voor het Globaal Beheer, voor hun werknemers die [57 bij dezelfde werkgever tijdens een volledig kwartaal geen enkele prestatie leveren of prestaties leveren die overeenkomen met minder dan een derde van de wekelijkse arbeidstijd van de voltijdse werknemers van dezelfde categorie in het bedrijf]57, met uitzondering van de wettelijke volledige schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, en in het geval van vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging als bedoeld in artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
De bijdrage is niet verschuldigd voor de werknemers die in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties gestapt zijn voor 28 september 2017.
Deze is evenmin verschuldigd voor de werknemers die in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties stappen in toepassing van een collectieve arbeidsovereenkomst van bepaalde duur afgesloten en neergelegd op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg vóór 28 september 2017, of in het geval van de overheidsbedrijven in toepassing van een regeling afgesloten in het paritair comité in de zin van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven vóór 28 september 2017.
Het percentage van de toepasselijke bijdrage wordt bepaald in functie van de leeftijd van de werknemer op het ogenblik waarop zijn werkgever hem [57 voor meer dan 2/3 van zijn prestaties]57 vrijstelt, en deze wordt als volgt berekend :
- voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn vooraleer de leeftijd van 55 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage [57 50 pct.]57 van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
- voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 55 jaar en vooraleer de leeftijd van 58 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage [57 50 pct.]57. van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
- voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 58 jaar en vooraleer de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage [57 50 pct.]57 van het brutokwartaalloon, met een minimum van 300 euro;
- voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 60 jaar en vooraleer de leeftijd van 62 jaar te hebben bereikt, bedraagt de bijdrage [57 45 pct.]57 van het brutokwartaalloon, met een minimum van 225,60 euro;
- voor de werknemers die van prestaties vrijgesteld zijn na de leeftijd van 62 jaar, bedraagt de bijdrage [57 40 pct.]57 van het brutokwartaalloon, met een minimum van 225,60 euro.
In afwijking van het voorgaande lid, wordt, indien de werknemer gedurende de periode van vrijstelling van prestaties [57 de verplichting had om gedurende de vier eerste kwartalen een outplacementbegeleiding te volgen van 60 uur overeenkomend met de waarde van een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging voor het kalenderjaar voorafgaand aan de vrijstelling van prestaties en met een minimumwaarde van 1.800 euro en een maximumwaarde van 5.500 euro, en die beantwoordt aan de kwaliteitscriteria, bepaald in artikel 11/4 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers]57, het bijdragepercentage verminderd met 40 pct. gedurende de betreffende vier kwartalen.
De werkgever wordt vrijgesteld van de bijdrage bedoeld in het eerste en vierde lid, indien de werknemer gedurende de eerste vier kwartalen van vrijstelling van prestaties daadwerkelijk een opleiding georganiseerd door zijn werkgever, verplicht heeft gevolgd, waarvan de kostprijs tenminste 20 pct. bedraagt van het brutojaarloon waarop hij voor de vrijstelling van prestaties recht had.
Alle opleidingen worden in aanmerking genomen zoals bedoeld in de artikelen 9, a) en b), en 17 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, evenals de initiële beroepsopleiding.
De werkgever moet het bewijs leveren aan de Algemene Directie van het Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg dat de betreffende werknemer [57 de outplacementbegeleiding of de opleiding bedoeld in de vorige leden]57 daadwerkelijk heeft gevolgd. Een maal per jaar stelt deze dienst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hiervan in kennis overeenkomstig de modaliteiten te bepalen door de betrokken administraties.
[57 ...]57
[54 De bijzondere activeringsbijdragen bedoeld in deze paragraaf, worden verhoogd met 25 pct wanneer de werkgever, conform deze paragraaf, een bijzondere activeringsbijdrage voor minstens 10 pct van zijn werknemers verschuldigd is.]54
De bepalingen van de algemene regeling van de sociale zekerheid der werknemers als bedoeld in de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en in de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, met name wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafbepalingen, het toezicht, de bevoegde rechter ingeval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zijn van toepassing.]40

[41 § 3octdecies.
Op het bedrag van de mobiliteitsvergoeding, toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, is de werkgever een solidariteitsbijdrage verschuldigd.
Het bedrag van deze bijdrage is gelijk aan het bedrag van de solidariteitsbijdrage verschuldigd voor het voertuig, met toepassing van § 3quater,[44 dat de werknemer ter beschikking heeft of waarop de werknemer volgens het bedrijfswagenbeleid bij de werkgever aanspraak kan maken, voor de maand onmiddellijk voorafgaand aan de maand waarin de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend]44, en dit voor de volledige duur dat de mobiliteitsvergoeding wordt toegekend met toepassing van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding.
Indien aan de werknemer opeenvolgend meerdere voertuigen ter beschikking werden gesteld tijdens de maand onmiddellijk voorafgaand aan de maand waarin het voertuig vervangen werd door de mobiliteitsvergoeding, is het bedrag van de bijdrage gelijk aan de solidariteitsbijdrage, met toepassing van § 3quater, verschuldigd voor het voertuig dat het hoogste aantal dagen ter beschikking stond van de werknemer.
De bepalingen van § 3quater, 8°, 9° en 10°, zijn van toepassing op de solidariteitsbijdrage die verschuldigd is op de mobiliteitsvergoeding.]41
[40 § 3septdecies.
Les employeurs auxquels la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires s'applique et les entreprises publiques autonomes visées à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une cotisation spéciale d'activation, destinée à la Gestion Globale, pour leurs travailleurs [57 qui, auprès du même employeur, durant un trimestre complet, ne fournissent aucune prestation ou qui fournissent moins que des prestations équivalentes à un tiers de la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein de la même catégorie dans l'entreprise]57, à l'exception des suspensions totales légales de l'exécution du contrat de travail, et dans le cas de dispense de prestations durant la période de préavis visée à l'article 37 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
La cotisation n'est pas due pour les travailleurs qui sont entrés dans un mécanisme de dispense complète de prestations avant le 28 septembre 2017.
Elle n'est pas non plus due pour les travailleurs qui entrent dans un mécanisme de dispense complète de prestations en application d'une convention collective de travail à durée déterminée conclue et déposée au greffe de la Direction générale Relations collectives de travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale avant le 28 septembre 2017, ou, pour les entreprises publiques, en application d'un régime conclu dans la commission paritaire au sens de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, avant le 28 septembre 2017.
Le pourcentage de la cotisation applicable est déterminé en fonction de l'âge du travailleur au moment où son employeur le dispense [57 pour plus de 2/3 de ses prestations]57, et ce pourcentage est calculé de la manière suivante :
- pour les travailleurs qui sont dispensés de prestations avant d'avoir atteint l'âge de 55 ans, la cotisation est égale à [57 50 p.c.]57 du salaire trimestriel brut, avec un minimum de 300 euros;
- pour les travailleurs qui sont dispensés de prestations après l'âge de 55 ans et avant d'avoir atteint l'âge 58 ans, la cotisation est égale à [57 50 p.c.]57 du salaire trimestriel brut, avec un minimum de 300 euros;
- pour les travailleurs qui sont dispensés de prestations après l'âge de 58 ans et avant d'avoir atteint l'âge 60 ans, la cotisation est égale à [57 50 p.c.]57 du salaire trimestriel brut, avec un minimum de 300 euros;
- pour les travailleurs qui sont dispensés de prestations après l'âge de 60 ans et avant d'avoir atteint l'âge 62 ans, la cotisation est égale à [57 45 p.c.]57 du salaire trimestriel brut, avec un minimum de 225,60 euros;
- pour les travailleurs qui sont dispensés de prestations au-delà de 62 ans la cotisation est égale à [57 40 p.c.]57 du salaire trimestriel brut, avec un minimum de 225,60 euros.
Par dérogation à l'alinéa précédent, si durant la période de dispense de prestations, le travailleur [57 a eu l'obligation de suivre, pendant les quatre premiers trimestres, un reclassement professionnel de 60 heures correspondant à la valeur d'un douzième de la rémunération annuelle de l'année civile qui précède la dispense de prestations, avec une valeur minimale de 1.800 euros et une valeur maximale de 5.500 euros, et qui répond aux critères de qualité visés à l'article 11/4 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs]57, le taux de la cotisation est réduit de 40 p.c. pendant les quatre trimestres en question.
L'employeur est exonéré de la cotisation visée aux alinéas 1er et 4 si le travailleur a effectivement suivi, durant les quatre premiers trimestres de dispense de prestations, une formation obligatoire organisée par son employeur, dont le coût équivaut à au moins 20 p.c. du salaire brut annuel auquel il avait droit avant la dispense de prestations.
Entrent en ligne de compte toutes les formations telles que visées aux articles 9, a) et b), et 17 de la loi du 5 mars 2017 concernant le travail faisable et maniable ainsi que les formations professionnelles initiales.
L'employeur doit apporter la preuve, auprès de la Direction générale du contrôle des lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale, de ce que le travailleur concerné a effectivement suivi [57 le reclassement professionnel ou la formation visés aux alinéas précédents]57. Une fois par an ledit service en informe l'Office national de sécurité sociale suivant les modalités à déterminer par les administrations concernées.
[57 ...]57
[54 Les cotisations spéciales d'activation visées au présent paragraphe, sont augmentées de 25 p.c. lorsque l'employeur est redevable d'une cotisation spéciale d'activation pour au moins 10 p.c. de ses travailleurs, conformément au présent paragraphe.]54
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés visées par la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et par la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège et la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.]40

[41 § 3octdecies.
L'employeur est redevable d'une cotisation de solidarité sur le montant de l'allocation de mobilité octroyée conformément aux dispositions de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité.
Le montant de cette cotisation est égal au montant de la cotisation de solidarité due pour le véhicule, en application du § 3quater, [44 mis à disposition du travailleur ou auquel le travailleur peut prétendre selon la politique relative aux voitures de société applicable chez l'employeur, pour le mois immédiatement antérieur au cours duquel l'allocation de mobilité a été octroyée]44, et ce pour toute la durée de l'octroi de l'allocation de mobilité en application de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité.
Lorsque plusieurs véhicules ont été successivement mis à disposition du travailleur pendant le mois immédiatement antérieur au mois au cours duquel le véhicule a été remplacé par l'allocation de mobilité, le montant de la cotisation est égal à la cotisation de solidarité, en application du § 3quater, due pour le véhicule qui était à la disposition du travailleur durant le plus grand nombre de jours.
Les dispositions du § 3quater, 8°, 9° et 10°, sont applicables à la cotisation de solidarité due sur l'allocation de mobilité.]41
[43 § 3novodecies.
Op het saldo van het mobiliteitsbudget dat, overeenkomstig artikel 8, § 3, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, ter beschikking wordt gesteld van de werknemer en wordt uitbetaald in geld, is de werknemer een bijzondere bijdrage verschuldigd van 38,07 pct.
De bijdragen worden door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdragen wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van het algemene stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zijn van toepassing.]43
[43 § 3novodecies.
Sur le solde du budget mobilité qui, conformément à l'article 8, § 3, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité, est mis à la disposition du travailleur et est versé en espèces, une cotisation spéciale de 38,07 p.c. est due par le travailleur.
Les cotisations sont payées par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les mêmes délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Le produit des cotisations est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, la désignation du juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège, la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.]43
[46 § 3vicies.[56 ...]56]46
[53 § 3vicies semel. A. Vanaf 1 januari 2023 wordt een responsabiliseringsbijdrage ingesteld wanneer uitzendkrachten te vaak worden aangeworven via opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur.
Deze responsabiliseringsbijdrage is niet van toepassing op uitzendkrachten die een rustpensioen of overlevingspensioen genieten, op een flexi-job en op gelegenheidswerknemers bij een gebruiker die behoort tot het paritaire comité voor de landbouw (PC 144), voor het tuinbouwbedrijf (PC 145) en voor het hotelbedrijf (PC 302).
B. Voor de toepassing van de huidige bepaling wordt verstaan onder:
1° de wet van 24 juli 1987: de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur: de arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid bij eenzelfde gebruiker die elk een looptijd van 24 uur niet overschrijden en die elkaar onmiddellijk opvolgen;
3° gebruiker: de persoon bij wie een uitzendkracht in de zin van artikel 7, eerste lid, 3°, van de wet van 24 juli 1987 ter beschikking wordt gesteld in het kader van een contract voor uitzendarbeid zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, 2°, van de wet van 24 juli 1987;
4° uitzendbureau: het uitzendbureau bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van de wet van 24 juli 1987.
C. De responsabiliseringsbijdrage wordt per periode van zes maanden berekend op basis van de frequentie van de opeenvolgende contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur tussen dezelfde uitzendkracht en hetzelfde uitzendbureau voor tewerkstelling bij dezelfde gebruiker. Het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage wordt als volgt vastgesteld:
- 10 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 40 maar kleiner dan of gelijk aan 59 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 15 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 60 maar kleiner dan of gelijk aan 79 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 30 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 80 maar kleiner dan of gelijk aan 99 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid;
- 40 euro maal het totale aantal opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid, indien dit aantal gelijk is aan of groter dan 100 opeenvolgende dagcontracten voor uitzendarbeid.
D. De berekeningsperioden lopen van 1 januari tot en met 30 juni van het kalenderjaar, en van 1 juli tot en met 31 december van hetzelfde kalenderjaar.
E. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt het bedrag van de responsabiliseringsbijdrage vast en int deze bij de gebruikers.
De bepalingen van het algemeen socialezekerheidsstelsel voor werknemers, zoals deze betreffende de betalingstermijnen, de toepassing van burgerlijke en strafrechtelijke sancties, de controle, de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaringstermijn inzake rechtsvorderingen, de voorrechten en de mededeling van het bedrag van de schuld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zijn van toepassing.
De Koning kan andere voorwaarden en betaaltermijnen voor de betaling van de responsabiliseringsbijdrage door de gebruiker bepalen, met inbegrip van de vervaldag van de burgerlijke sancties.
F. De opbrengst van de bijdrage wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers.
G. De gebruiker kan een verzoek indienen tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de responsabiliseringsbijdrage en de bijbehorende burgerlijke sancties wanneer hij aantoont dat de opeenvolgende tijdelijke contracten voor uitzendarbeid van zeer korte duur, geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van uitzonderlijke omstandigheden die voldoende worden gemotiveerd.
Voorafgaand aan het verzoek tot terugbetaling dient hij, na informatie en raadpleging van de ondernemingsraad, en bij ontstentenis van een ondernemingsraad, na informatie en raadpleging van de vakbondsafvaardiging, in de ondernemingen waarbinnen deze organen bestaan, ter advies een dossier in bij de Commissie van Goede diensten, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 juli 1993 in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid.
Deze aanvraag moet eensdeels gepaard gaan met een bewijs dat de informatie en raadpleging heeft plaatsgevonden, en anderdeels, met een uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden en de redenen waarom de responsabiliseringsbijdrage niet verschuldigd is. Zonder die elementen zal de aanvraag als onvolledig worden beschouwd.
De gebruiker zal de gelegenheid krijgen om door de Commissie van Goede Diensten te worden gehoord.
De Commissie van Goede diensten maakt zijn gemotiveerd advies over aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit advies is bindend.
Het vermelde verzoek tot terugbetaling wordt gericht aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en wordt vergezeld van het advies van de Commissie van Goede diensten, samen met het dossier van de adviesaanvraag.
Bij gebrek aan de voorafgaande volledige betaling van de responsabiliseringsbijdrage en haar aanhorigheden, is de aanvraag niet ontvankelijk.]53

[52 § 3vicies bis. [59 Uit de opbrengst van de werkgeversbijdragen ter financiering van de inzetbaarheidsbevorderende maatregelen bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, maakt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning, het gedeelte over waarvan het bedrag overeenstemt met het product van:
1° het eenmalig forfaitair budget bedoeld in artikel 39ter, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978; en
2° het aantal werknemers voor wie tijdens de door de Koning te bepalen periode de eerste keer werkgeversbijdragen ter financiering van de inzetbaarheidsbevorderende maatregelen in artikel 39ter van de voormelde wet van 3 juli 1978 bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werden aangegeven.
Het gedeelte van de werkgeversbijdragen ter financiering van de inzetbaarheidsbevorderende maatregelen bedoeld in artikel 39ter van voormelde wet van 3 juli 1978 dat overblijft na de in het eerste lid bedoelde storting aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, wordt in voorkomend geval door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van de werknemers, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.
Het gedeelte van het aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gestorte bedrag dat niet voor zijn wettelijk doel wordt aangewend, wordt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, 2°, van de voormelde wet van 27 juni 1969, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.
De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid deelt bij iedere storting aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de volgende persoonsgegevens mee van iedere beëindigde arbeidsovereenkomst waarop de storting betrekking heeft:
1° het ondernemingsnummer van de werkgever;
2° het identificatienummer bedoeld in artikel 8, § 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid van de werknemer;
3° de naam en voornaam van de werknemer.]59
]52

[48 § 3unvicies. De werkgever is een bijzondere bijdrage van 16,5 % verschuldigd op het bedrag van de coronapremie bedoeld in artikel 19quinquies, § 4, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, toegekend vanaf 1 augustus 2021.
[55 De werkgever is een bijzondere bijdrage van 16,5 % verschuldigd op het bedrag van de koopkrachtpremie bedoeld in artikel 19quinquies, § 5, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]55
De bijdragen worden door de werkgever betaald aan de instelling belast met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, binnen dezelfde termijnen en onder dezelfde voorwaarden als de socialezekerheidsbijdragen voor de werknemers.
De opbrengst van de bijdragen wordt overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bepalingen van het algemene stelsel van de sociale zekerheid van werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verant-woording van de bijdragen, de termijnen inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, zijn van toepassing.]48
[46 § 3vicies.[56 ...]56]46
[53 § 3vicies semel. A. Une cotisation de responsabilisation est due à partir du 1er janvier 2023 lorsque des intérimaires sont engagés de manière trop fréquente dans des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif.
Cette cotisation de responsabilisation ne s'applique pas aux intérimaires bénéficiant d'une pension de retraite ou d'une pension de survie, aux flexi-jobs, et aux travailleurs occasionnels auprès d'utilisateurs appartenant à la commission paritaire de l'agriculture (CP 144), des entreprises horticoles (CP 145) et de l'industrie hôtelière (CP 302).
B. Pour l'application de la présente disposition, on entend par:
1° la loi du 24 juillet 1987: la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
2° contrat de travail intérimaire de très courte durée successif: les contrats de travail intérimaire auprès d'un même utilisateur, chacun conclus pour une période n'excédant pas 24 heures, qui se suivent immédiatement;
3° utilisateur: la personne auprès de qui un intérimaire au sens de l'article 7, alinéa 1er, 3°, de la loi du 24 juillet 1987 est mis à disposition dans le cadre d'un contrat de travail intérimaire tel que visé à l'article 7, alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 juillet 1987;
4° l'entreprise de travail intérimaire: l'entreprise de travail intérimaire telle que visée à l'article 7, alinéa 1er, 1°, de la loi du 24 juillet 1987.
C. La cotisation de responsabilisation est établie semestriellement en fonction de la fréquence de recours à des contrats de travail intérimaire de très courte durée successif entre le même intérimaire et la même entreprise de travail intérimaire pour une occupation auprès du même utilisateur. Le montant de la cotisation de responsabilisation est établi comme suit:
- 10 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 40 mais inférieur ou égal à 59 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 15 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 60 mais inférieur ou égal à 79 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 30 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 80 mais inférieur ou égal à 99 contrats de travail intérimaire journalier successif;
- 40 euros fois le nombre total de contrats de travail intérimaire journalier successifs lorsque ce nombre est supérieur ou égal à 100 contrats de travail intérimaire journalier successifs.
D. Les périodes de calcul s'étendent, d'une part, du 1er janvier au 30 juin inclus de l'année civile et, d'autre part, du 1er juillet au 31 décembre inclus de la même année civile.
E. L'Office national de sécurité sociale établit le montant de la cotisation de responsabilisation et procède au recouvrement à charge des utilisateurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, les privilèges et la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.
Le Roi peut déterminer d'autres modalités et les délais de paiement dont bénéficie l'utilisateur intérimaire pour s'acquitter de la cotisation de responsabilisation, en ce compris la date d'échéance imposant des sanctions civiles.
F. Le produit de la cotisation est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
G. L'utilisateur peut solliciter tout ou partie du remboursement de la cotisation de responsabilisation ainsi que les sanctions civiles associées à tout ou partie de cette cotisation lorsqu'il démontre que tout ou partie des contrats de travail intérimaire de très courte durée successifs ont été conclus en raison de circonstances exceptionnelles dûment motivées.
Préalablement à cette requête, il doit soumettre, après information et consultation du conseil d'entreprise, et à défaut de conseil d'entreprise, après information et consultation de la délégation syndicale dans les entreprises où ces organes sont installés, un dossier pour avis à la Commission des Bons Offices, créée par la convention collective de travail du 8 juillet 1993 au sein de la Commission paritaire pour le travail intérimaire.
Cette requête est accompagnée, d'une part, de la preuve que l'information et la consultation ont eu lieu, et, d'autre part, d'un exposé des circonstances exceptionnelles et motivant les raisons pour lesquelles la cotisation de responsabilisation n'est pas due. En l'absence de ces éléments, la requête ne sera pas considérée comme complet.
L'utilisateur aura la possibilité d'être entendu par la Commission des Bons Offices.
La Commission des Bons Offices transmet son avis motivé à l'Office national de sécurité sociale. Cet avis est contraignant.
Ladite requête de remboursement est adressée à l'Office national de sécurité sociale et est accompagnée de l'avis rendu par la Commission des Bons Offices, ainsi que le dossier de la demande d'avis.
A défaut du paiement préalable total de la cotisation de responsabilisation et de ses accessoires, la requête ne sera pas considérée comme recevable.]53

[52 § 3vicies bis. [59 Du produit des cotisations patronales destinées à financer les mesures d'employabilité visées à l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l'Office national de sécurité sociale transfère à l'Office national de l'emploi, selon les modalités déterminées par le Roi, la partie dont le montant correspondant au produit:
1° du budget forfaitaire unique visé à l'article 39ter, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 précitée; et
2° du nombre de travailleurs salariés pour lesquels, au cours de la période à déterminer par le Roi, des cotisations patronales destinées à financer les mesures d'employabilité visées à l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 précitée ont été déclarées pour la première fois auprès de l'Office national de sécurité sociale.
La partie des cotisations patronales destinée à financer les mesures d'employabilité visées à l'article 39ter de la loi précitée du 3 juillet 1978 qui subsiste après le versement à l'Office national de l'emploi visé à l'alinéa 1er, est, le cas échéant, transférée par l'Office national de sécurité sociale à l'ONSS-Gestion globale visée à l'article 5, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, selon les modalités déterminées par le Roi.
La partie du montant versé à l'Office national de l'emploi qui n'est pas utilisée pour son objectif légal statutaire est restitué par l'Office national de l'emploi à l'ONSS-Gestion globale visée à l'article 5, 2°, de la loi du 27 juin 1969 précité, selon les modalités déterminées par le Roi.
L'Office national de sécurité sociale communique lors de chaque transmission à l'Office national de l'emploi les données à caractère personnel suivantes de chaque contrat de travail qui a pris fin auxquels le montant transmis se rapporte:
1° le numéro d'entreprise de l'employeur;
2° le numéro d'identification visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale du travailleur salarié;
3° le nom et prénom du travailleur salarié]59
]52

[48 § 3unvicies. Une cotisation spéciale de 16,5 % est due par l'employeur sur le montant de la prime corona visée à l'article 19quinquies, § 4, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, octroyée à partir du 1er août 2021.
[55 Une cotisation spéciale de 16,5 % est due par l'employeur sur le montant de la prime pouvoir d'achat visée à l'article 19quinquies, § 5, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]55
Les cotisations sont payées par l'employeur à l'organisme chargé de la perception des cotisations de sécurité sociale, dans les délais et dans les mêmes conditions que les cotisations de sécurité sociale pour les travailleurs salariés.
Le produit des cotisations est transmis à l'ONSS-Gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les dispositions du régime général de la sécurité sociale des travailleurs salariés, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et les dispositions pénales, le contrôle, le juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège, la communication du montant de la créance de l'Office national de sécurité sociale, sont applicables.]48
(§ 4.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit dat ten vroegste uitwerking heeft met ingang van 1 april 1984, de bijdragen en de bijdragevoeten bedoeld in artikel 2 van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, en het artikel 3 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der zeelieden ter koopvaardij, wijzigen.)
(§ 4.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres qui produit ces effets au plus tôt le 1er avril 1984, modifier les cotisations et les taux de cotisations visés à l'article 2 de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et l'article 3 de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.)
(NOTA: bij arrest nr.152/2019 van 24-10-2019 (B.St. 14-11-2019, p.105647), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 38, § 3septdecies, tweede en derde lid, zoals aangevuld bij artikel 66 van de programmawet van 25 december 2017, in zoverre de vrijstellingen van de bijdrage die erin worden beoogd, niet van toepassing zijn op de werknemers die in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties zijn gestapt met toepassing van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst die tussen 28 september 2017 en 29 december 2017 is gesloten.
(NOTE : par son arrêt n°152/2019 du 24-10-2019 (M.B. 14-11-2019, p.105644), la cour constitutionnelle annule l'article 38,§3septdecies, alinéas 2 et 3, tel qu'il a été complété par l'article 66 de la loi-programme du 25 décembre 2017, en ce que les exemptions de cotisation qui y sont prévues ne sont pas applicables aux travailleurs qui sont entrés dans un mécanisme de dispense complète de prestations en application d'une convention individuelle ou collective de travail conclue entre le 28 septembre 2017 et le 29 décembre 2017.

Modifications

Modifications

Art. 38bis. (Opgeheven)
Art. 38bis. (Abrogé)
Art. 39. (§ 1. Op het gedeelte van het wettelijk vakantiegeld dat niet overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen met uitzondering van het dubbel vakantiegeld vanaf de derde dag van de vierde vakantieweek, wordt een inhouding verricht die gelijk is aan het totaal van de in artikel 38, § 2, vastgelegde bijdragevoeten van de werknemersbijdragen.)
§ 2. De in § 1 bedoelde inhouding wordt verricht door de debiteur van het vakantiegeld bij de betaling ervan.
§ 3. De debiteur maakt deze inhouding over aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen voor de werknemer die de in § 1 bedoelde voordelen heeft genoten.
Die overmaking gebeurt :
1° tijdens de maand volgend op de datum waarop de inhouding werd uitgevoerd, zo de debiteur een instelling is welke bij toepassing van de vakantiewetgeving belast is met de uitbetaling van het bedoelde vakantiegeld; voor de werkgevers onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders gebeurt de overmaking door tussenkomst van de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie;
2° binnen dezelfde termijnen als die welke gelden voor de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd over het kwartaal in de loop waarvan de inhouding is verricht, zo de debiteur van het bedoelde vakantiegeld de werkgever is.
§ 4. De debiteur van de inhouding wordt met betrekking tot deze inhouding gelijkgesteld met de werkgever bedoeld in de sociale zekerheidsregeling toepasselijk op de werknemer, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht, de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
§ 5. Het bedrag van het vakantiegeld waarop de inhouding is verricht, komt niet in aanmerking voor de vaststelling van het bedrag van de rust- en overlevingspensioenen, de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, het vakantiegeld en de werkloosheidsuitkeringen.
§ 6. (De opbrengst van deze inhouding is bestemd voor de financiering van de regelingen van het Globaal Beheer, bedoeld in artikel 21, § 2.)
Art. 39. (§ 1er. Une retenue égale au total des taux de cotisations des travailleurs salariés fixés à l'article 38, § 2, est opérée sur la partie du pécule de vacances légal qui ne correspond pas à la rémunération normale pour les jours de vacances, à l'exception du double pécule de vacances légal à partir du troisième jour de la quatrième semaine de vacances.)
§ 2. La retenue prévue au § 1er est opérée par le débiteur du pecule de vacances au moment de son paiement.
§ 3. Le débiteur transmet cette retenue à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale pour le travailleur qui a bénéficié des avantages visés au § 1er.
Cette transmission s'opère :
1° au cours du mois qui suit la date à laquelle la retenue a été effectuée si le débiteur est une institution qui, en application de la législation relative aux vacances annuelles, est chargée du paiement dudit pécule de vacances; pour les travailleurs assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la transmission s'opère par l'intermédiaire de l'Office national des vacances annuelles;
2° dans les mêmes délais que ceux applicables aux cotisations de sécurité sociale dues pour le trimestre au cours duquel la retenue a été effectuée, si le débiteur dudit pécule de vacances est l'employeur.
§ 4. Le débiteur de la retenue est, pour ce qui est de cette retenue, assimilé à l'employeur visé dans le régime de sécurite sociale applicable au travailleur, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justifications des cotisations, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, le juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions judiciaires, le privilège, la communication du montant de la créance de l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations.
§ 5. Le montant du pécule de vacances sur lequel la retenue a été effectuée, n'est pas pris en considération pour la fixation du montant des pensions de retraite et de survie, des indemnités de maladie et d'invalidité, du pécule de vacances et des allocations de chômage.
§ 6. (Le produit de cette retenue est affecté au financement des régimes de la Gestion globale, visés à l'article 21, § 2.)
Art. 39bis. § 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid is gemachtigd om ten behoeve van het Globaal Beheer en binnen de perken vereist om de opdracht van het Globaal Beheer uit te voeren, leningen aan te gaan waaraan de Staatswaarborg is gekoppeld.
§ 2. Het Beheerscomité van de sociale zekerheid stelt voor elke regeling en tak, bedoeld in artikel 21, § 2, het werkkapitaal, dat normaal vereist is, vast. Het werkkapitaal is het bedrag aan liquide middelen, dat deze regelingen en takken nodig hebben voor de dagelijkse werking.
Voormelde regelingen en takken stellen voor onbepaalde duur de eigen reserves op 31 december 1994 renteloos ter beschikking van het Globaal Beheer. Het bedrag van deze eigen reserves is gelijk aan het volume van hun beschikbare tegoeden op zicht, op korte en op lange termijn dat het bedrag van het werkkapitaal van deze regelingen en takken overstijgt, op de datum dat die reserves ter beschikking van het globaal beheer worden gesteld.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de reserves die ter beschikking worden gesteld van de RSZ-Globaal Beheer, alsook de nadere regelen voor het ter beschikking stellen van die reserves.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen die Hij bepaalt, de RSZ-Globaal Beheer opleggen om het geheel of een gedeelte van deze reserves opnieuw ter beschikking te stellen van voormelde regelingen en takken.
Art. 39bis. § 1er. L'Office national de Sécurité sociale est habilité à contracter des emprunts, auxquels est liée la garantie de l'Etat, au profit de la Gestion globale et dans les limites imposées pour l'exécution des missions de la Gestion globale.
§ 2. Le Comité de gestion de la sécurité sociale détermine pour chaque régime et chaque branche, tels que visés à l'article 21, § 2, le montant normalement nécessaire comme fonds de roulement. Le fonds de roulement est le montant de liquidités dont ces régimes et ces branches ont besoin pour l'accomplissement de leurs tâches journalières.
Les régimes et les branches précités mettent, pour une durée indéterminée, à la disposition de l'ONSS-Gestion globale les réserves propres sans intérêts à la date du 31 décembre 1994. Le montant de ces réserves propres est égal au volume de leurs avoirs disponibles à vue, à court et à long terme, au delà du montant nécessaire à titre de fonds de roulement pour ces régimes et ces branches, à la date de la mise à la disposition de la gestion globale des réserves.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant des réserves mises à la disposition de l'ONSS-Gestion globale, ainsi que les modalités pour la mise à la disposition de la gestion globale desdites réserves.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, selon les modalités qu'Il détermine, imposer à l'ONSS-Gestion globale de remettre la totalité ou une partie de ces réserves à la disposition des régimes et des branches précités.
Art. 39ter. Een inhouding die gelijk is aan het totaal van de in artikel 38, § 2, vastgelegde bijdragevoeten wordt verricht bij :
- de federale wetgevende vergaderingen;
- het administratief openbaar ambt zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;
- de diensten die instaan voor de betaling van de wedde van het personeel van de geïntegreerde politie en van het leger;
- de hiervoor nog niet bedoelde instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
- de hiervoor nog niet bedoelde federale instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is;
- de hiervoor nog niet bedoelde federale instellingen van openbaar nut waarop de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, van toepassing is;
- de hiervoor nog niet bedoelde autonome overheidsbedrijven;
- de andere federale instellingen waarin de openbare machten een doorslaggevende rol spelen, ongeacht de juridische vorm waarin zij werden opgericht;
- de Hoven en rechtbanken;
- het Rekenhof;
- de Raad van State;
- het [1 Grondwettelijk Hof]1;
Deze inhouding wordt geheven :
a) op het vakantiegeld toegekend aan de in het eerste lid bedoelde contractuele personeelsleden;
b) op de Copernicuspremie toegekend aan sommige contractuele personeelsleden bedoeld in het eerste lid;
c) op de herstructureringspremie toegekend aan sommige contractuele militairen bedoeld in het eerste lid.
Art. 39ter. Une retenue égale au total des taux de cotisations fixés à l'article 38, § 2, est opérée par :
- les Assemblées législatives fédérales;
- la fonction publique administrative telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique;
- les services qui assurent le paiement de la rémunération du personnel de la police intégrée et l'armée;
- les organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat non visés ci-avant;
- les organismes fédéraux auxquels s'applique la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit non visés ci-avant;
- les organismes d'intérêt public fédéraux auxquels s'applique la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public non visés ci-avant;
- les entreprises publiques autonomes non visées ci-avant;
- les autres organismes fédéraux, quelle que soit la forme juridique sous laquelle ils ont été institués, dans lesquels les pouvoirs publics assument un rôle prépondérant;
- les Cours et tribunaux;
- la Cour des Comptes;
- le Conseil d'Etat;
- la [1 Cour constitutionnelle]1;
Cette retenue est effectuée :
a) sur le pécule de vacances accordé aux membres du personnel contractuel visés à l'alinéa 1er;
b) sur la prime Copernic accordée à certains membres du personnel contractuel visés à l'alinéa 1er;
c) sur la prime de restructuration accordée aux militaires contractuels visés à l'alinéa 1er.
Art. 39quater. § 1. Een inhouding die gelijk is aan het totaal van de in artikel 38, § 2, vastgelegde bijdragevoeten wordt verricht voor de vastbenoemde personeelsleden van de in artikel 39ter bedoelde diensten en machten. Hetzelfde geldt voor de provinciegouverneurs, de burgemeesters, de schepenen, de voorzitters van de Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn en de bedienaars van de eredienst.
Deze inhouding wordt geheven :
a) op het vakantiegeld toegekend aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden;
b) op de Copernicuspremie toegekend aan sommige personeelsleden van de rijksbesturen bedoeld in het eerste lid;
c) op de herstructureringspremie toegekend aan sommige militairen bedoeld in het eerste lid.
§ 2. (De opbrengst van de inhouding bedoeld in § 1, wordt toegewezen aan [1 Federale Pensioendienst]1 en is bestemd voor de financiering van de pensioenen ten laste van de Staatskas).
[2 ...]2.
[2 ...]2
[2 ...]2
Art. 39quater. § 1er. Une retenue égale au total des taux de cotisations fixés à l'article 38, § 2, est opérée pour les membres du personnel nommés à titre définitif des organismes et pouvoirs visés à l'article 39ter. Il en est de même pour les gouverneurs des provinces, les bourgmestres, les échevins, les présidents des Centres publics d'aide sociale et les ministres du culte.
Cette retenue est effectuée :
a) sur le pécule de vacances accordé aux agents visés à l'alinéa 1er;
b) sur la prime Copernic accordée aux agents des administrations de l'Etat visés à l'article 1er;
c) sur la prime de restructuration accordée à certains militaires visés à l'alinéa 1er.
§ 2. (Le produit de la retenue visée au § 1er est affecté au [1 Service fédéral des Pensions]1 et est destiné au financement des pensions à charge du Trésor public).
[2 ...]2.
[2 ...]2.
[2 ...]2]1.
Art. 39quinquies. [1 § 1. De erkende sociale secretariaten, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, zijn een bijzondere bijdrage in 2012 verschuldigd aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Deze bijdrage is procentueel en wordt berekend op de som van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bijdragen voor het eerste kwartaal van 2012 door de bij het erkend sociaal secretariaat aangesloten werkgevers, die effectief door het erkend sociaal secretariaat zijn doorgestort aan de Rijksdienst, overeenkomstig de instructies van de Rijksdienst, in toepassing van artikel 48, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Het percentage van de bijzondere bijdrage bedraagt maximum 0.0325 %. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit percentage verminderen.
De RSZ stelt een debetbericht op en verstuurt het aan de sociale secretariaten in de loop van het derde of vierde kwartaal.
§ 2. Deze bijzondere bijdrage is gelijkgesteld aan een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en de strafsancties, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.]1

Art. 39quinquies. [1 § 1er. Les secrétariats sociaux agréés, visés à l'article 27 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sont redevables d'une cotisation spéciale pour 2012 à l'Office national de Sécurité sociale.
Cette cotisation est procentuelle et est calculée sur la somme des cotisations dues à l'Office national de Sécurité sociale pour le premier trimestre de l'année 2012 par les employeurs qui sont affiliés auprès du secrétariat social agréé, qui sont effectivement versées par le secrétariat social agréé à l'Office, conformément aux instructions de l'Office, en application de l'article 48, § 1er, 6°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Le pourcentage de la cotisation spéciale est de maximum 0.0325 %. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, diminuer ce pourcentage.
L'ONSS établit un avis de débit et l'envoie aux secrétariats sociaux dans le courant du troisième ou du quatrième trimestre.
§ 2. Cette cotisation spéciale est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.]1

Art. 40. In afwachting dat de in deze wet bedoelde bijzondere wetten en besluiten zijn uitgevaardigd, worden de thans geldende wetten en besluiten betreffendede betrokken materies toegepast.
Art. 40. En attendant la promulgation des lois et des arrêtés particuliers visés par la présente loi, les lois et arrêtés en vigueur, relatifs aux matières concernées, restent d'application.
Art. 41. De bepalingen van deze wet treden in werking op de data die de Koning bepaalt.
Art. 41. Les dispositions de la présente loi entrent en vigueur aux dates fixées par le Roi.
(NOTA: inwerkingtreding van :
(NOTE : entrée en vigueur :
- art. 26, 35, 36 et 37 vastgesteld op 01-07-1981 door KB 1981-06-30/01, art. 1
- art. 22 et 29 vastgesteld op 11-08-1996, door W 1996-07-26/31, art. 5, § 2 en 20, § 2)
- art. 26, 35, 36 et 37 fixée au 01-07-1981 par AR 1981-06-30/01, art. 1
- art. 22 et 29 fixée au 11-08-1996, par L 1996-07-26/31, art. 5, § 2 et 20, § 2)