Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
24 DECEMBER 1976. - Wet betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-07-1986 en tekstbijwerking tot 04-12-2025)
Titre
24 DECEMBRE 1976. - Loi relative aux propositions budgétaires 1976-1977. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-07-1986 et mise à jour au 04-12-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. _ Fiscale maatregelen.
Eerste afdeling. _ (.....)
Afdeling 2. _ Maatregelen om de invordering van...
Afdeling 3. _ Aanpassing van de fiscale bepalin...
Afdeling 4. _ Aanpassing van het tarief van de ...
Afdeling 5. _ Wijziging in de budgettaire aanwe...
Afdeling 6. _ Wijziging van het Wetboek van de ...
Afdeling 7. _ Slotbepalingen.
HOOFDSTUK II. _ Radio- en televiesietaks.
HOOFDSTUK III. _ Sociale maatregelen.
Eerste afdeling. _ Bepalingen betreffende het h...
Afdeling 2. _ Aanpassing sociale uitkeringen
Afdeling 3. _ Kredieturen en beroepsvorming.
Afdelingen 4 en 5. _ (.....) .
Afdeling 6. _ Wijzigingen aan de arbeidsongeval...
Afdeling 7. _ Sociaal statuut van de zelfstandi...
HOOFDSTUK IV. _ Openbaar ambt.
Eerste afdeling. _ Verjaring van schuldvorderin...
Afdeling 2. _ Cumulatie pensioenen in de overhe...
Afdeling 3. _ Berekeningen van de herziening va...
Afdeling 4. _ Maatregelen betreffende de pensio...
Afdeling 5. _ Maatregelen betreffende de emerit...
Afdeling 6. _ Supplementen kinderbijslag.
Afdeling 7. _ Cumulatie in het onderwijs.
Afdeling 8. _ Verscherpte gezondheidscontrole.
HOOFDSTUK V. _ Ziekenhuiswet.
HOOFDSTUK VI. _ (Verplichte bijdragen en retrib...
Eerste afdeling. _ (Oprichting van een Begrotin...
Afdeling 2. - Stijving van het Interventiefonds...
Afdeling 3. - Speciaal Fonds tot dekking van de...
Afdeling 4. - Terugvorderbare voorschotten voor...
Afdeling 5. - Slotbepalingen.
HOOFDSTUK VII. _ Diverse financiële beschikkingen.
Eerste afdeling. _ Leningsmachtigingen aan het ...
Afdeling 2. _ Financiering van de Controlediens...
Afdeling 3. _ Bepaling tot interpretatie van ar...
Table des matières
CHAPITRE IER. _ Mesures fiscales
Section 1ère. _ (.....)
Section 2. _ Mesures destinées à hâter le recou...
Section 3. _ Aménagement des dispositions fisca...
Section 4. _ Aménagement du tarif de la taxe su...
Section 5. _ Modification de l'affectation budg...
Section 6. _ Modification du Code de la taxe su...
Section 7. _ Dispositions finales
CHAPITRE II. _ Redevances radio-télévision.
CHAPITRE III. _ Mesures sociales.
Section 1ère. _ Dispositions relatives à la rép...
Section 2. _ Adaptation prestations sociales.
Section 3. _ Crédits d'heures et formation prof...
Sections 4 et 5. _ (.....) .
Section 6. _ Modifications à la loi du 10 avril...
Section 7. _ Statut social des travailleurs ind...
CHAPITRE IV. _ Fonction publique.
Section 1ère. _ Prescription des créances résul...
Section 2. _ Cumul de pensions dans le secteur ...
Section 3. _ Méthode de calcul de la révision d...
Section 4. _ Mesures relatives à l'âge de la mi...
Section 5. _ Mesures relatives aux pensions d'é...
Section 6. _ Suppléments d'allocations familiales.
Section 7. _ Cumuls de l'enseignement.
Section 8. _ Contrôle de santé renforcé.
CHAPITRE V. _ Loi sur les hôpitaux.
CHAPITRE VI. _ (Cotisationsobligatoires et rétr...
Section 1ère. _ (Création d'un Fonds budgétaire...
Section 2. - Alimentation du Fonds d'interventi...
Section 3. - Fonds spécial destiné à couvrir le...
Section 4. _ Avances récupérables pour prototyp...
Section 5. _ Dispositions finales.
CHAPITRE VII. _ Dispositions financières diverses.
Section 1ère. _ Autorisations d'emprunt pour le...
Section 2. _ Financement de l'Office de Contrôl...
Section 3. _ Disposition interprétant l'article...
Tekst (136)
Texte (136)
HOOFDSTUK I. _ Fiscale maatregelen.
CHAPITRE IER. _ Mesures fiscales
Eerste afdeling. _ (.....)
Section 1ère. _ (.....)
Artikel 1. (Impliciet opgeheven) <W 22-12-1977, art. 2>
Art. 1. (Abrogé implicitement) <L 22-12-1977, art. 2>
Afdeling 2. _ Maatregelen om de invordering van de belasting te versnellen.
Section 2. _ Mesures destinées à hâter le recouvrement de l'impôt.
Art. 2. <Wijzigingsbepaling>
Art. 2.
Art. 3. <Wijzigingsbepaling>
Art. 3.
Afdeling 3. _ Aanpassing van de fiscale bepalingen ingevolge het uitstellen van de inwerkingtreding van de resultaten van de algemene perekwatie van de kadastrale inkomens.
Section 3. _ Aménagement des dispositions fiscales compte tenu du report de l'entrée en vigueur des résultats de la péréquation générale des revenus cadastraux.
Art. 4. <Wijzigingsbepaling>
Art. 4.
Afdeling 4. _ Aanpassing van het tarief van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen.
Section 4. _ Aménagement du tarif de la taxe sur les appareils automatiques de divertissement
Art. 5. <Wijzigingsbepaling>
Art. 5.
Art. 6. <Wijzigingsbepaling>
Art. 6.
Art. 7. <Wijzigingsbepaling>
Art. 7.
Art. 8. <Wijzigingsbepaling>
Art. 8.
Art. 9. <Wijzigingsbepaling>
Art. 9.
Afdeling 5. _ Wijziging in de budgettaire aanwending van de bepaalde belastingsontvangsten.
Section 5. _ Modification de l'affectation budgétaire de certaines recettes fiscales.
Art. 10. <Wijzigingsbepaling>
Art. 10.
Art. 11. <Wijzigingsbepaling>
Art. 11.
Afdeling 6. _ Wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Section 6. _ Modification du Code de la taxe sur la valeur ajoutée.
Art. 12. <Wijzigingsbepaling>
Art. 12.
Art. 13. <Wijzigingsbepaling>en>
Art. 13.
Afdeling 7. _ Slotbepalingen.
Section 7. _ Dispositions finales
Art. 14. De beschikking van :
1° de artikelen 1, 5, 6, 7, 8 en 9 zijn van toepassing van het aanslagjaar 1977 af;
2° de artikelen 2 en 3, vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
3° de artikelen 4, 10, 11 en 12 van 1 januari 1977 af;
4° artikelen 13 van 1 oktober 1976 af.
1° de artikelen 1, 5, 6, 7, 8 en 9 zijn van toepassing van het aanslagjaar 1977 af;
2° de artikelen 2 en 3, vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
3° de artikelen 4, 10, 11 en 12 van 1 januari 1977 af;
4° artikelen 13 van 1 oktober 1976 af.
Art. 14. Les dispositions :
1° des articles 1er, 5, 6, 7, 8 et 9 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1977;
2° des articles 2 et 3, à partir du premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
3° des articles 4, 10, 11 et 12 à partir du 1er janvier 1977;
4° l'article 13 à partir du 1er octobre 1976.
1° des articles 1er, 5, 6, 7, 8 et 9 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1977;
2° des articles 2 et 3, à partir du premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
3° des articles 4, 10, 11 et 12 à partir du 1er janvier 1977;
4° l'article 13 à partir du 1er octobre 1976.
HOOFDSTUK II. _ Radio- en televiesietaks.
CHAPITRE II. _ Redevances radio-télévision.
Art. 15 <Wijzigingsbepaling>
Art. 15.
Art. 16. <Wijzigingsbepaling>
Art. 16.
Art. 17. <Wijzigingsbepaling>
Art. 17.
Art. 18. <Wijzigingsbepaling>
Art. 18.
Art. 19. <Wijzigingsbepaling>
Art. 19.
Art. 20. <Wijzigingsbepaling>
Art. 20.
Art. 21 <Wijzigingsbepaling>
Art. 21.
Art. 22. <Wijzigingsbepaling>
Art. 22.
Art. 23. <Wijzigingsbepaling>
Art. 23.
Art. 24. <Wijzigingsbepaling>
Art. 24.
Art. 25. <Wijzigingsbepaling>
Art. 25.
Art. 26. De Koning is belast met de samenschakeling van de wet van 26 januari 1960 betreffende de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen, de wet van 7 augustus 1961, houdende wijziging van artikel 13 van de wet van 26 januari 1960, de wet van 24 juni 1963, de wet van 10 oktober 1967, bijvoegsels bij het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 14 januari 1968 houdende wijziging van artikel 12 van de wet van 26 januari 1960, de wet van 25 juli 1972 houdende wijziging van de taksen op de toestellen voor het ontvangen van radio-omroepuitzendingen, de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van 26 januari 1960 dat wil zeggen de besluiten van 29 januari 1960, 26 mei 1964, 8 september 1964, 24 december 1966, 9 september 1967, 2 mei 1968, 1 februari 1974 alsmede van de huidige wet.
Art. 26. Le Roi est chargé de coordonner la loi du 26 janvier 1960 relative aux redevances sur les appareils récepteurs de radiodiffusion, la loi du 7 août 1961 portant modification de l'article 13 de la loi du 26 janvier 1960, la loi du 24 juin 1963, la loi du 10 octobre 1967 annexe au Code judiciaire, la loi du 14 janvier 1968 portant modification de l'article 12 de la loi du 26 janvier 1960, la loi du 25 juillet 1972 modifiant les redevances sur les appareils récepteurs de radiodiffusion, les arrêtés royaux pris en exécution de la loi du 26 janvier 1960 c'est-à-dire les arrêtés du 29 janvier 1960, 26 mai 1964, 8 septembre 1964, 24 décembre 1966, 9 septembre 1967, 2 mai 1968, 1er février 1974, ainsi que la présente loi.
Art. 27. De artikelen 21, 22, 23, 24, en 25 van deze wet treden in werking op 1 januari 1977.
De artikelen 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 26 treden in werking op 1 januari 1978 met dien verstande dat het gedeelte van de taksen dat proportioneel overeenstemt met het aantal maanden begrepen tussen 1 januari 1978 en de datum waarop die taksen krachtens artikel 20 van deze wet in 1978 verschuldigd zijn, moet betaald worden tussen 1 oktober en 15 december 1977, op de data en volgens de modaliteiten te bepalen door de Koning.
De artikelen 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 26 treden in werking op 1 januari 1978 met dien verstande dat het gedeelte van de taksen dat proportioneel overeenstemt met het aantal maanden begrepen tussen 1 januari 1978 en de datum waarop die taksen krachtens artikel 20 van deze wet in 1978 verschuldigd zijn, moet betaald worden tussen 1 oktober en 15 december 1977, op de data en volgens de modaliteiten te bepalen door de Koning.
Art. 27. Les articles 21, 22, 23, 24, et 25 de la présente loi entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
Les articles 15, 16, 17, 18, 19 et 20 et 26 entrent en vigueur le 1er janvier 1978, étant entendu que la partie des redevances se rapportant proportionnellement au nombre de mois compris entre le 1er janvier 1978 et la date où ces redevances sont dues en 1978 en vertu de l'article 20 de la présente loi, est à payer entre le 1er octobre et le 15 décembre 1977 aux dates et suivant les modalités fixées par le Roi.
Les articles 15, 16, 17, 18, 19 et 20 et 26 entrent en vigueur le 1er janvier 1978, étant entendu que la partie des redevances se rapportant proportionnellement au nombre de mois compris entre le 1er janvier 1978 et la date où ces redevances sont dues en 1978 en vertu de l'article 20 de la présente loi, est à payer entre le 1er octobre et le 15 décembre 1977 aux dates et suivant les modalités fixées par le Roi.
HOOFDSTUK III. _ Sociale maatregelen.
CHAPITRE III. _ Mesures sociales.
Eerste afdeling. _ Bepalingen betreffende het herstel van schade veroorzaakt in de land- en tuinbouw door de droogte van 1976
Section 1ère. _ Dispositions relatives à la réparation aux dégâts causés par la sécheresse de 1976 dans les secteurs de l'agriculture et de l'horticulture.
Art. 28. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, stelt de voorwaarden vast aan een financiële Staatstussenkomst voor de schade geleden op het grondgebied van België ten gevolge van de droogte van 1976 door sommige landbouw- en tuinbouwbedrijven. Die tussenkomst bestaat enerzijds in een rentetoelage en een Staatswaarborg bij de toekenning van en krediet en anderzijds in een vergoeding.
Dit besluit kan bepalen :
1. dat in afwijking van de wet van 15 februari 1961 houdende oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1971, 20 juli 1973 en 15 maart 1976 de rentetoelage 7,5 % bedraagt voor leningen toegestaan vooreen maximum duur van zes jaar en dat de Staatswaarborg op 75 % van het geheel van de verrichtingen van die leningen wordt vastgesteld;
2. dat de vergoeding enkel kan verleend worden aan personen die een lening hebben bekomen die voldoet aan de onder 1 gestelde voorwaarden.
Het bepaalt onder meer de rechtspleging en de modaliteiten van de verlenging van die tussenkomst evenals de bepalingen van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, die van toepassing zijn.
Dit besluit kan bepalen :
1. dat in afwijking van de wet van 15 februari 1961 houdende oprichting van een Landbouwinvesteringsfonds gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1971, 20 juli 1973 en 15 maart 1976 de rentetoelage 7,5 % bedraagt voor leningen toegestaan vooreen maximum duur van zes jaar en dat de Staatswaarborg op 75 % van het geheel van de verrichtingen van die leningen wordt vastgesteld;
2. dat de vergoeding enkel kan verleend worden aan personen die een lening hebben bekomen die voldoet aan de onder 1 gestelde voorwaarden.
Het bepaalt onder meer de rechtspleging en de modaliteiten van de verlenging van die tussenkomst evenals de bepalingen van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen, die van toepassing zijn.
Art. 28. Un arrêté délibéré en Conseil des Ministres fixe les conditions d'une intervention financière de l'Etat dans les dommages subis sur le territoire de la Belgique par la sécheresse de 1976 par certaines exploitations agricoles et horticoles. Cette intervention consiste d'une part en une subvention-intérêt et une garantie de l'Etat à l'occasion de l'octroi d'un crédit et d'autre part en une indemnité.
Cet arrêté peut déterminer :
1. que, par dérogation à la loi du 15 février 1961, portant création d'un Fonds d'investissement agricole, modifiée par les lois des 29 juin 1971, 20 juillet 1973 et 15 mars 1976, la subvention-intérêt est de 7,5 % pour des crédits accordés pour un terme maximal de six ans et que la garantie de l'Etat est fixée à 75 % pour la totalité des opérations de ces crédits;
2. que l'indemnité ne peut être accordée qu'aux personnes qui ont obtenu un crédit dans les conditions visées sous 1.
Il détermine notamment la procédure et les modalités d'octroi de cette intervention ainsi que les dispositions de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles qui sont d'application.
Cet arrêté peut déterminer :
1. que, par dérogation à la loi du 15 février 1961, portant création d'un Fonds d'investissement agricole, modifiée par les lois des 29 juin 1971, 20 juillet 1973 et 15 mars 1976, la subvention-intérêt est de 7,5 % pour des crédits accordés pour un terme maximal de six ans et que la garantie de l'Etat est fixée à 75 % pour la totalité des opérations de ces crédits;
2. que l'indemnité ne peut être accordée qu'aux personnes qui ont obtenu un crédit dans les conditions visées sous 1.
Il détermine notamment la procédure et les modalités d'octroi de cette intervention ainsi que les dispositions de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles qui sont d'application.
Art. 29. Artikel 28 treedt in werking op 1 juli 1976.
Art. 29. L'article 28 entre en vigueur le 1er juillet 1976.
Afdeling 2. _ Aanpassing sociale uitkeringen
Section 2. _ Adaptation prestations sociales.
Art. 30. § 1. Dit artikel is toepasselijk op de sociale uitkeringen en bedragen welke bij toepassing van de wet van 2 augustus 1971 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen zijn gekoppeld of overeenkomstig die wet worden aangepast, als zij verleend worden of vermeld zijn in de volgende wettelijke of reglementaire regelingen betreffende :
1° de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit (sector uitkeringen);
2° de gezinsbijslagen voor werknemers;
3° de gezinsbijslagen voor zelfstandigen;
4° de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
5° de rust- en overlevinspensioenen voor zelfstandigen;
6° de sociale uitkeringen voor gerechtigden op de overzeese sociale zekerheid;
7° de invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
8° de arbeidsongevallen;
9° de beroepsziekten;
10° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
11° de tegemoetkomingen voor minder-validen;
12° de arbeidsvoorziening en werkloosheid;
13° de pool van de zeelieden ter koopvaardij;
14° het bestaansminimum.
De aanpassing van de in het eerste lid bedoelde sociale uitkeringen en bedragen welke overeenkomstig de voormelde wet van 2 augustus 1971 op 1 november 1976 moest gebeuren, wordt met één maand vervroegd.
§ 2. De maatregelen voorzien in § 1 zijn eveneens toepasselijk op de minimabedragen bedoeld in de wet van 27 juli 1962 tot vaststelling van het minimumbedrag van zekere rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
1° de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit (sector uitkeringen);
2° de gezinsbijslagen voor werknemers;
3° de gezinsbijslagen voor zelfstandigen;
4° de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers;
5° de rust- en overlevinspensioenen voor zelfstandigen;
6° de sociale uitkeringen voor gerechtigden op de overzeese sociale zekerheid;
7° de invaliditeitspensioenen voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
8° de arbeidsongevallen;
9° de beroepsziekten;
10° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
11° de tegemoetkomingen voor minder-validen;
12° de arbeidsvoorziening en werkloosheid;
13° de pool van de zeelieden ter koopvaardij;
14° het bestaansminimum.
De aanpassing van de in het eerste lid bedoelde sociale uitkeringen en bedragen welke overeenkomstig de voormelde wet van 2 augustus 1971 op 1 november 1976 moest gebeuren, wordt met één maand vervroegd.
§ 2. De maatregelen voorzien in § 1 zijn eveneens toepasselijk op de minimabedragen bedoeld in de wet van 27 juli 1962 tot vaststelling van het minimumbedrag van zekere rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Art. 30. § 1er. Le présent article s'applique aux prestations sociales et aux montants, liés à l'indice des prix à la consommation en vertu de la loi du 2 août 1971 ou adaptés conformément à cette loi, lorsqu'ils sont accordés par ou mentionnés dans les régimes légaux ou réglementaires ci-après concernant :
1° l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité (secteur des indemnités);
2° les prestations familiales pour travailleur salariés;
3° les prestations familiales pour indépendants;
4° les pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés;
5° les pensions de retraite et de survie pour les indépendants;
6° les prestations sociales accordées aux bénéficiaires de la sécurité sociale d'outre-mer;
7° les pensions d'invalidité pour ouvriers mineurs et assimilés;
8° les accidents de travail;
9° les maladies professionnelles;
10° le revenu garanti aux personnes âgées;
11° les allocations aux handicapés;
12° l'emploi et le chômage;
13° le pool des marins de la marine marchande;
14° le minimum de moyens d'existence.
L'adaptation des prestations sociales et des montants visés à l'alinéa 1er, qui devait avoir lieu au 1er novembre 1976, en vertu de la loi précitée du 2 août 1971, est avancée d'un mois.
§ 2. Les mesures prévues au § 1er sont également applicables aux montants minima prévus par la loi du 27 juillet 1962 établissant le taux minimum de certaines pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.
1° l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité (secteur des indemnités);
2° les prestations familiales pour travailleur salariés;
3° les prestations familiales pour indépendants;
4° les pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés;
5° les pensions de retraite et de survie pour les indépendants;
6° les prestations sociales accordées aux bénéficiaires de la sécurité sociale d'outre-mer;
7° les pensions d'invalidité pour ouvriers mineurs et assimilés;
8° les accidents de travail;
9° les maladies professionnelles;
10° le revenu garanti aux personnes âgées;
11° les allocations aux handicapés;
12° l'emploi et le chômage;
13° le pool des marins de la marine marchande;
14° le minimum de moyens d'existence.
L'adaptation des prestations sociales et des montants visés à l'alinéa 1er, qui devait avoir lieu au 1er novembre 1976, en vertu de la loi précitée du 2 août 1971, est avancée d'un mois.
§ 2. Les mesures prévues au § 1er sont également applicables aux montants minima prévus par la loi du 27 juillet 1962 établissant le taux minimum de certaines pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.
Afdeling 3. _ Kredieturen en beroepsvorming.
Section 3. _ Crédits d'heures et formation professionnelle
Art. 31. <Wijzigingsbepaling>
Art. 31.
Art. 32. <Wijzigingsbepaling>
Art. 32.
Afdelingen 4 en 5. _ (.....) .
Sections 4 et 5. _ (.....) .
Art. 33.
Art. 33.
Art. 34.
Art. 34.
Art. 35.
Art. 35.
Art. 36.
Art. 36.
Afdeling 6. _ Wijzigingen aan de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
Section 6. _ Modifications à la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
Art. 37. <Wijzigingsbepaling>
Art. 37.
Art. 38. <Wijzigingsbepaling>
Art. 38.
Art. 39. <Wijzigingsbepaling>
Art. 39.
Art. 40. <Wijzigingsbepaling>
Art. 40.
Art. 41. <Wijzigingsbepaling>
Art. 41.
Art. 42. <Wijzigingsbepaling>
Art. 42.
Art. 43. <Wijzigingsbepaling>
Art. 43.
Art. 44. <Wijzigingsbepaling>
Art. 44.
Art. 45. <Wijzigingsbepaling>
Art. 45.
Art. 46. <Wijzigingsbepaling>
Art. 46.
Art. 47. In artikel 191 van dezelfde wet wordt een 1°bis ingevoegd, luidend als volgt :
" 1°bis. Het eerste lid van de bepaling onder 4°ter wordt aangevuld als volgt :
" en aan het Fonds voor arbeidsongevallen. ". "
" 1°bis. Het eerste lid van de bepaling onder 4°ter wordt aangevuld als volgt :
" en aan het Fonds voor arbeidsongevallen. ". "
Art. 47. Dans l'article 101 de la même loi, il est inséré un 1°bis, rédigé comme suit :
" 1°bis. L'alinéa 1er de la disposition sous 4°ter est complété comme suit :
" et au Fonds des accidents du travail. ". "
" 1°bis. L'alinéa 1er de la disposition sous 4°ter est complété comme suit :
" et au Fonds des accidents du travail. ". "
Art. 48. De datum van inwerkingtreding van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt vastgesteld op 1 januari 1976 wat betreft de organen, voorzien bij artikel 36 van het koninklijk besluit van 13 april 1959 en artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 februari 1971 betreffende de beroepsopleiding en de beroepsvolmaking in de ambachten en neringen, die vóór 1 januari 1976 de bij artikel 49 van voormelde arbeidsongevallenwet voorziene arbeidsongevallenverzekering niet hadden aangegaan.
Art. 48. La date d'entrée en vigueur de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail est fixée au 1er janvier 1976 en ce qui concerne les organismes, prévus par l'article 36 de l'arrêté royal du 13 avril 1959 et l'article 6 de l'arrêté royal du 25 février 1971 relatifs à la formation et au perfectionnement professionnels dans les métiers et négoces, qui n'avaient pas contracté l'assurance contre les accidents du travail prévu par l'article 49 de la loi sur les accidents du travail précitée avant le 1er janvier 1976.
Art. 49. De bepalingen van afdeling 6 treden in werking op 1 januari 1977.
Art. 49. Les dispositions de la section 6 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
Afdeling 7. _ Sociaal statuut van de zelfstandigen.
Section 7. _ Statut social des travailleurs indépendants.
Art. 50. <Wijzigingsbepaling>
Art. 50.
Art. 51. <Wijzigingsbepaling>
Art. 51.
Art. 52. <Wijzigingsbepaling>
Art. 52.
Art. 53. <Wijzigingsbepaling>
Art. 53.
Art. 54. <Wijzigingsbepaling>
Art. 54. (A fait l'objet d'un erratum publié le 14-01-1977, p. 683.)
Art. 55. <Wijzigingsbepaling>
Art. 55.
Art. 56. <Wijzigingsbepaling>
Art. 56.
Art. 57. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 1977, met uitzondering van :
1) artikel 53, §§ 1 en 2 en 3, dat uitwerking heeft op 1 juli 1970;
2) de artikelen 52 en 53, § 4, die uitwerking hebben op 1 januari 1976.
1) artikel 53, §§ 1 en 2 en 3, dat uitwerking heeft op 1 juli 1970;
2) de artikelen 52 en 53, § 4, die uitwerking hebben op 1 januari 1976.
Art. 57. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er janvier 1977, à l'exception de :
1) l'article 53, §§ 1, 2 et 3, qui produit ses effets le 1er juillet 1970;
2) les articles 52 et 53, § 4, qui produisent leurs effets au 1er janvier 1976.
1) l'article 53, §§ 1, 2 et 3, qui produit ses effets le 1er juillet 1970;
2) les articles 52 et 53, § 4, qui produisent leurs effets au 1er janvier 1976.
HOOFDSTUK IV. _ Openbaar ambt.
CHAPITRE IV. _ Fonction publique.
Eerste afdeling. _ Verjaring van schuldvorderingen voortvloeiend uit bedragen die inzake pensioenen onverschuldigd werden uitbetaald aan gewezen personeelsleden van de overheidssector alsmede aan hun rechthebbenden.
Section 1ère. _ Prescription des créances résultant de montants payés indûment à titre de pension à d'anciens membres du personnel du secteur public,ainsi qu'à leurs ayants cause.
Art. 58. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de schuldvorderingen die voortvloeien uit sommen die inzake pensioenen onverschuldigd uitbetaald werden door :
a) de Openbare Schatkist;
b) de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties en de federaties, van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de verenigingen van gemeenten of de aan de provinciën en aan de gemeenten ondergeschikte organismen;
c) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandigen openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
d) [1 bpost]1;
e) de Regie voor Maritiem Transport;
f) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden toepasselijk is verklaard;
g) de Nationale Kas voor Oorlogspensioenen.
(h) het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie.) <W 2002-05-06/31, art. 29, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(i) het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels.) <W 2004-03-04/36, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
[2 j) het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2
Onder pensioenen in de zin van deze wet moet worden verstaan : de pensioenen, de voorschotten daarop, de vergoedingen, renten of uitkeringen die een toebehoren vormen van de pensioenen of ermee gelijkstelden, alsmede de vergoedingen toegekend krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
a) de Openbare Schatkist;
b) de provinciën, de gemeenten, de agglomeraties en de federaties, van gemeenten, de commissies voor de cultuur, de verenigingen van gemeenten of de aan de provinciën en aan de gemeenten ondergeschikte organismen;
c) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandigen openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, toepasselijk is;
d) [1 bpost]1;
e) de Regie voor Maritiem Transport;
f) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden toepasselijk is verklaard;
g) de Nationale Kas voor Oorlogspensioenen.
(h) het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie.) <W 2002-05-06/31, art. 29, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(i) het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels.) <W 2004-03-04/36, art. 10, 013; Inwerkingtreding : 01-05-2004>
[2 j) het gesolidariseerd pensioenfonds van de RSZPPO]2
Onder pensioenen in de zin van deze wet moet worden verstaan : de pensioenen, de voorschotten daarop, de vergoedingen, renten of uitkeringen die een toebehoren vormen van de pensioenen of ermee gelijkstelden, alsmede de vergoedingen toegekend krachtens de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
Art. 58. Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux créances résultant de sommes payées indûment en matière de pensions, par :
a) le Trésor public;
b) les provinces, les communes, les agglomérations et les fédérations de communes, les commissions culturelles, les associations de communes ou les organismes subordonnés aux provinces ou aux communes;
c) les établissements auxquels l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, est applicable;
d) [1 bpost]1;
e) la Régie des Transports maritimes;
f) les établissements auxquels la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, est déclarée applicable;
g) la Caisse nationale des pensions de la guerre.
(h) le Fonds des pensions de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 29, 010; En vigueur : 01-01-2003>
(i) le Fonds pour l'équilibre des régimes de pension.) <L 2004-03-04/36, art. 10, 013; En vigueur : 01-05-2004>
[2 j) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL]2
Les pensions au sens de la présente loi comprennent : les pensions, les avances sur celles-ci, les indemnités, rentes ou allocations qui sont accessoires ou similaires aux pensions, ainsi que les indemnités octroyées en vertu de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public.
a) le Trésor public;
b) les provinces, les communes, les agglomérations et les fédérations de communes, les commissions culturelles, les associations de communes ou les organismes subordonnés aux provinces ou aux communes;
c) les établissements auxquels l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, est applicable;
d) [1 bpost]1;
e) la Régie des Transports maritimes;
f) les établissements auxquels la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit, est déclarée applicable;
g) la Caisse nationale des pensions de la guerre.
(h) le Fonds des pensions de la police intégrée.) <L 2002-05-06/31, art. 29, 010; En vigueur : 01-01-2003>
(i) le Fonds pour l'équilibre des régimes de pension.) <L 2004-03-04/36, art. 10, 013; En vigueur : 01-05-2004>
[2 j) le Fonds de pension solidarisé de l'ONSSAPL]2
Les pensions au sens de la présente loi comprennent : les pensions, les avances sur celles-ci, les indemnités, rentes ou allocations qui sont accessoires ou similaires aux pensions, ainsi que les indemnités octroyées en vertu de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public.
Art. 59. § 1. (De sommen die inzake pensioenen ten onrechte uitbetaald werden door de in artikel 58 vermelde machten en organismen, blijven verworven door hen die ze hebben ontvangen, als de terugbetaling niet gevraagd werd binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand gedurende welke de uitbetaling is geschied.
In afwijking van het eerste lid kunnen de ten onrechte uitbetaalde bedragen waarvan de terugbetaling niet gevorderd werd binnen de in het eerste lid of in § 2 van dit artikel vastgestelde termijn, evenwel ten voordele van de schuldeiser afgehouden worden van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen die inzake pensioenen verschuldigd zijn door die machten en organismen evenals van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen die verschuldigd zijn door de organismen bedoeld in artikel 1410, § 4, eerste lid, van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.
De afhouding is beperkt tot de op de datum van de afgifte van de in artikel 60 voorziene opvordering vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen. Zij gebeurt op schriftelijke aanvraag van de schuldeiser aan de schuldenaar van de voormelde bedragen. Zij wordt door middel van een ter post aangetekende brief betekend door de schuldeiser aan de persoon die de ten onrechte uitbetaalde bedragen ontvangen heeft.
De terugvordering mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte uitbetaald werden meer dan tien jaar vóór de eerste januari van het jaar dat volgt op de datum van de afgifte van de in artikel 60 voorziene opvordering.)
§ 2. (De in § 1 vastgestelde termijn wordt tot (drie jaar) opgevoerd indien de onverschuldigde sommen werden verkregen : <KB 2007-01-21/32, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
1° door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen;
2° als gevolg van het niet afleggen, door de schuldenaar, van de verklaring van wijziging van burgerlijke stand die is voorgeschreven door een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis;
3° als gevolg van het feit dat het werkelijke bedrag van de in de artikelen 123, 125, § 2, 1°, of 137bis, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, bedoelde inkomsten verschillend is van het bedrag dat in aanmerking werd genomen op basis van de door betrokkene afgelegde verklaringen.) <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Behalve wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in arglist of bedrog, gaat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde teniet bij het overlijden van de schuldenaar indien, op de dag van het overlijden, de opvordering waarvan sprake is in artikel 58 hem niet was betekend.
De bepalingen van deze paragraaf vormen evenwel geen beletsel voor het verhalen van het onverschuldigd uitbetaalde op de achterstallen, die op de dag van het overlijden vervallen en niet uitbetaald waren.
§ 4. Geen terugbetaling wordt gevorderd van sommen die inzake pensioenen onverschuldigd werden uitbetaald en waarvan het totale bedrag (75,50 EUR) niet overschrijdt. <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(et in het eerste lid bepaalde bedrag is gekoppeld aan het op 1 januari 2003 toepasselijk indexcijfer van de consumptieprijzen. Het wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.) <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 5. Geen verhaal kan worden genomen op de ordonnateur of op de rekenplichtige, die verantwoordelijk zijn voor een ten onrechte uitgevoerde betaling waarvan de terugvordering onmogelijk is geworden krachtens de voorafgaande bepalingen.
In afwijking van het eerste lid kunnen de ten onrechte uitbetaalde bedragen waarvan de terugbetaling niet gevorderd werd binnen de in het eerste lid of in § 2 van dit artikel vastgestelde termijn, evenwel ten voordele van de schuldeiser afgehouden worden van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen die inzake pensioenen verschuldigd zijn door die machten en organismen evenals van de vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen die verschuldigd zijn door de organismen bedoeld in artikel 1410, § 4, eerste lid, van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.
De afhouding is beperkt tot de op de datum van de afgifte van de in artikel 60 voorziene opvordering vervallen en nog niet uitbetaalde bedragen. Zij gebeurt op schriftelijke aanvraag van de schuldeiser aan de schuldenaar van de voormelde bedragen. Zij wordt door middel van een ter post aangetekende brief betekend door de schuldeiser aan de persoon die de ten onrechte uitbetaalde bedragen ontvangen heeft.
De terugvordering mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte uitbetaald werden meer dan tien jaar vóór de eerste januari van het jaar dat volgt op de datum van de afgifte van de in artikel 60 voorziene opvordering.)
§ 2. (De in § 1 vastgestelde termijn wordt tot (drie jaar) opgevoerd indien de onverschuldigde sommen werden verkregen : <KB 2007-01-21/32, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
1° door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen;
2° als gevolg van het niet afleggen, door de schuldenaar, van de verklaring van wijziging van burgerlijke stand die is voorgeschreven door een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis;
3° als gevolg van het feit dat het werkelijke bedrag van de in de artikelen 123, 125, § 2, 1°, of 137bis, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, bedoelde inkomsten verschillend is van het bedrag dat in aanmerking werd genomen op basis van de door betrokkene afgelegde verklaringen.) <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Behalve wanneer de onverschuldigde betaling haar oorsprong vindt in arglist of bedrog, gaat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde teniet bij het overlijden van de schuldenaar indien, op de dag van het overlijden, de opvordering waarvan sprake is in artikel 58 hem niet was betekend.
De bepalingen van deze paragraaf vormen evenwel geen beletsel voor het verhalen van het onverschuldigd uitbetaalde op de achterstallen, die op de dag van het overlijden vervallen en niet uitbetaald waren.
§ 4. Geen terugbetaling wordt gevorderd van sommen die inzake pensioenen onverschuldigd werden uitbetaald en waarvan het totale bedrag (75,50 EUR) niet overschrijdt. <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(et in het eerste lid bepaalde bedrag is gekoppeld aan het op 1 januari 2003 toepasselijk indexcijfer van de consumptieprijzen. Het wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.) <W 2003-02-03/41, art. 54, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 5. Geen verhaal kan worden genomen op de ordonnateur of op de rekenplichtige, die verantwoordelijk zijn voor een ten onrechte uitgevoerde betaling waarvan de terugvordering onmogelijk is geworden krachtens de voorafgaande bepalingen.
Art. 59. § 1er. (Demeurent acquises à ceux qui les ont recues, les sommes payées indûment à titre de pension par les pouvoirs et organismes cités à l'article 58 lorsque le remboursement n'en a pas été réclamé dans un délai de six mois à partir du premier jour du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
Toutefois, par dérogation à l'alinéa 1er, les montants payés indûment dont le remboursement n'a pas été réclamé dans le délai fixé par l'alinéa 1er ou par le § 2 du présent article, peuvent être déduits, au profit du créancier, des sommes échues et non encore payées dues en matière de pension par ces pouvoirs et organismes ainsi que des sommes échues et non encore payées dues par les organismes visés à l'article 1410, § 4, alinéa 1er, de la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire.
La déduction ne porte que sur les sommes échues et non encore payées à la date du dépôt de la réclamation prévue à l'article 60. Elle s'opère sur demande écrite adressée par le créancier au débiteur des sommes précitées. Elle est notifiée par lettre recommandée adressée par le créancier à la personne qui a percu les sommes payées indûment.
La récupération ne peut, en aucun cas, porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant le 1er janvier de l'année qui suit la date du dépôt de la réclamation prévue à l'article 60.)
§ 2. (Le délai fixé au § 1er est porté à (trois ans) lorsque les sommes indues ont été obtenues : <AR 2007-01-21/32, art. 1, 016; En vigueur : 01-01-2006>
1° suite à des manoeuvres frauduleuses ou des déclarations fausses ou sciemment incomplètes;
2° suite à l'abstention par le débiteur d'effectuer la déclaration de changement d'état civil prescrite par une disposition légale ou réglementaire ou résultant d'un engagement souscrit antérieurement;
3° suite au fait que le montant réel des revenus visés aux articles 123, 125, § 2, 1°, ou 137bis, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, est différent de celui qui a été pris en compte sur la base des déclarations effectuées par l'intéressé.) <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Sauf lorsque le paiement indu résulte de dol ou de fraude, l'action en répétition de l'indu s'éteint au décès du débiteur si, au jour du décès, la réclamation dont question à l'article 58 ne lui a pas été notifiée.
Les dispositions du présent paragraphe ne font toutefois pas obstacle à la récupération de l'indu sur les arriérages qui étaient échus et non payés à la date du décès.
§ 4. Les sommes payées indûment à titre de pension dont le montant total n'excède pas (75,00 EUR), ne sont pas récupérées. <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Le montant prévu à l'alinéa 1er est lié à l'indice des prix à la consommation en vigueur au 1er janvier 2003. Il est adapté, au 1er janvier de chaque année, à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de la même manière que les pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.) <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 5. Aucun recours n'est ouvert ni contre l'ordonnateur, ni contre le comptable responsables d'un paiement indu dont le recouvrement est devenu impossible en vertu des dispositions qui précèdent.
Toutefois, par dérogation à l'alinéa 1er, les montants payés indûment dont le remboursement n'a pas été réclamé dans le délai fixé par l'alinéa 1er ou par le § 2 du présent article, peuvent être déduits, au profit du créancier, des sommes échues et non encore payées dues en matière de pension par ces pouvoirs et organismes ainsi que des sommes échues et non encore payées dues par les organismes visés à l'article 1410, § 4, alinéa 1er, de la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire.
La déduction ne porte que sur les sommes échues et non encore payées à la date du dépôt de la réclamation prévue à l'article 60. Elle s'opère sur demande écrite adressée par le créancier au débiteur des sommes précitées. Elle est notifiée par lettre recommandée adressée par le créancier à la personne qui a percu les sommes payées indûment.
La récupération ne peut, en aucun cas, porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant le 1er janvier de l'année qui suit la date du dépôt de la réclamation prévue à l'article 60.)
§ 2. (Le délai fixé au § 1er est porté à (trois ans) lorsque les sommes indues ont été obtenues : <AR 2007-01-21/32, art. 1, 016; En vigueur : 01-01-2006>
1° suite à des manoeuvres frauduleuses ou des déclarations fausses ou sciemment incomplètes;
2° suite à l'abstention par le débiteur d'effectuer la déclaration de changement d'état civil prescrite par une disposition légale ou réglementaire ou résultant d'un engagement souscrit antérieurement;
3° suite au fait que le montant réel des revenus visés aux articles 123, 125, § 2, 1°, ou 137bis, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses, est différent de celui qui a été pris en compte sur la base des déclarations effectuées par l'intéressé.) <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Sauf lorsque le paiement indu résulte de dol ou de fraude, l'action en répétition de l'indu s'éteint au décès du débiteur si, au jour du décès, la réclamation dont question à l'article 58 ne lui a pas été notifiée.
Les dispositions du présent paragraphe ne font toutefois pas obstacle à la récupération de l'indu sur les arriérages qui étaient échus et non payés à la date du décès.
§ 4. Les sommes payées indûment à titre de pension dont le montant total n'excède pas (75,00 EUR), ne sont pas récupérées. <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Le montant prévu à l'alinéa 1er est lié à l'indice des prix à la consommation en vigueur au 1er janvier 2003. Il est adapté, au 1er janvier de chaque année, à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de la même manière que les pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.) <L 2003-02-03/41, art. 54, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 5. Aucun recours n'est ouvert ni contre l'ordonnateur, ni contre le comptable responsables d'un paiement indu dont le recouvrement est devenu impossible en vertu des dispositions qui précèdent.
Art. 60. Benevens de stuitingsdaden waarin het Burgerlijk Wetboek, voorziet, wordt de verjaring gestuit door een opvordering, aan de schuldenaar betekend door middel van en ter post aangetekende brief met vermelding van :
1° het nieuwe jaarlijkse brutobedrag;
2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan de terugvordering gedurende vijf jaar worden vervolgd.
1° het nieuwe jaarlijkse brutobedrag;
2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan de terugvordering gedurende vijf jaar worden vervolgd.
Art. 60. Outre les modes d'interruption prévus par le Code civil, la prescription est interrompue par une réclamation notifiée au débiteur par lettre recommandée à la poste et contenant;
1° le nouveau montant annuel brut;
2° la mention des dispositions en violation desquelles les paiements ont été faits.
A dater du dépôt de la lettre recommandée, la récupération peut être poursuivie pendant cinq ans.
1° le nouveau montant annuel brut;
2° la mention des dispositions en violation desquelles les paiements ont été faits.
A dater du dépôt de la lettre recommandée, la récupération peut être poursuivie pendant cinq ans.
Art. 61. <Wijzigingsbepaling>
Art. 61. (A fait l'objet d'un erratum publié le 14-01-1977, p. 376.)
Art. 62. De artikelen 58 tot 61 treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.
Art. 62. Les articles 58 à 61 entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit leur publication au Moniteur belge.
Afdeling 2. _ Cumulatie pensioenen in de overheidssector en beroepsactiviteit.
Section 2. _ Cumul de pensions dans le secteur public et d'activité professionnelle.
Art. 63. <Wijzigingsbepaling>
Art. 63.
Art. 64. <Wijzigingsbepaling>
Art. 64.
Art. 65. <Wijzigingsbepaling>
Art. 65.
Art. 66. <Wijzigingsbepaling>
Art. 66.
Art. 67. De artikelen 63 tot 66 treden in werking op 1 januari 1977.
Art. 67. Les articles 63 à 66 produisent leurs effets le 1er janvier 1977.
Afdeling 3. _ Berekeningen van de herziening van de pensioenen.
Section 3. _ Méthode de calcul de la révision des pensions.
Art. 68. <Wijzigingsbepaling>
Art. 68.
Art. 69. Wat de op de datum van in werking treden van deze wet lopende pensioenen betreft, worden de maximumwedden, met inbegrip van die van toepassing op de genoemde datum, alsmede het voor de herziening van de voormelde pensioenen dienende percentage, aangepast met inachtneming van de in artikel 68 vervatte wijzigingsbepaling.
Art. 69. En ce qui concerne les pensions en cours au moment de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les traitements maxima, y compris ceux applicables à la date citée, ainsi que le pourcentage servant à la révision des pensions précitées, sont adaptés en tenant compte de la dispositions modificative énoncée à l'article 68.
Art. 70. De artikelen 68 en 69 treden in werking op 1 januari 1977.
Art. 70. Les article 68 et 69 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
Afdeling 4. _ Maatregelen betreffende de pensioengerechtigde leeftijd van sommige leden van het onderwijs.
Section 4. _ Mesures relatives à l'âge de la mise à la retraite de certains membres de l'enseignement.
Art. 71. De leden van het kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, normaal-, technisch, kunst- of zeevaartonderwijs wier pensioen ten laste van de Staatskas komt, en die behoren tot een onderwijsinrichting waarvan het statuut gewijzigd is tengevolge van een overname door een andere inrichtende macht of tengevolge van een wijziging van het onderwijstype, kunnen het rustpensioen bekomen op de leeftijd vastgesteld door de bepalingen die op hen van toepassing waren op het ogenblik van de bedoelde wijziging.
Hetzelfde geldt voor de leden van het onderwijzend personeel die aan een andere onderwijsinrichting werden verbonden ingevolge maatregelen die door de inrichtende machten werden getroffen.
(De voorgaande bepalingen zijn slechts van toepassing indien de diensten verricht vóór de bedoelde wijziging op 31 december 1991 rechten konden verlenen op een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist overeenkomstig de op die datum van kracht zijnde regeling.) <W 1991-07-20/31, art. 90, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
Hetzelfde geldt voor de leden van het onderwijzend personeel die aan een andere onderwijsinrichting werden verbonden ingevolge maatregelen die door de inrichtende machten werden getroffen.
(De voorgaande bepalingen zijn slechts van toepassing indien de diensten verricht vóór de bedoelde wijziging op 31 december 1991 rechten konden verlenen op een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist overeenkomstig de op die datum van kracht zijnde regeling.) <W 1991-07-20/31, art. 90, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1992>
Art. 71. Les membres de l'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, normal, technique, artistique ou maritime, dont la pension est à charge du Trésor public, et appartenant à un établissement d'enseignement dont le statut est modifié en raison d'une reprise par un autre pouvoir organisateur ou à la suite d'un changement de type d'enseignement, peuvent obtenir leur mise à la retraite à l'âge prévu par les dispositions qui leur étaient applicables au moment de la modification en cause.
Il en est de même en ce qui concerne les membres du personnel enseignant qui ont été affectés à un autre établissement d'enseignement à la suite de mesures prises par les pouvoirs organisateurs.
(Les dispositions qui précèdent ne s'appliquent que si les services rendus avant la modification en cause étaient, au 31 décembre 1991, susceptibles de conférer des droits à une pension à charge du Trésor public selon les règles en vigueur à cette date.) <L 1991-07-20/31, art. 90, 004; En vigueur : 01-01-1992>
Il en est de même en ce qui concerne les membres du personnel enseignant qui ont été affectés à un autre établissement d'enseignement à la suite de mesures prises par les pouvoirs organisateurs.
(Les dispositions qui précèdent ne s'appliquent que si les services rendus avant la modification en cause étaient, au 31 décembre 1991, susceptibles de conférer des droits à une pension à charge du Trésor public selon les règles en vigueur à cette date.) <L 1991-07-20/31, art. 90, 004; En vigueur : 01-01-1992>
Art. 72. Artikel 71 treedt in werking op 1 juli 1975.
Art. 72. L'article 71 produit ses effets le 1er juillet 1975.
Afdeling 5. _ Maatregelen betreffende de emeritaatspensioenen.
Section 5. _ Mesures relatives aux pensions d'éméritat.
Art. 73. Onverminderd de bepalingen van artikel 10 van de overgangsbepalingen van de wet van 10 oktober 1967 op het Gerechtelijk Wetboek, mag vanaf 1 januari 1977 het nominaal bedrag der pensioenen die behoren tot een regime dat in het emeritaat voorziet, niet hoger liggen dan het maximum van de weddeschaal die verbonden is aan de functie die de betrokkenen het laatst uitoefenden; dit maximum blijft echter, zoals de activiteitswedden, onderworpen aan de afhoudingen ten bate van het Fonds voor de overlevingspensioenen.
Het in het voorgaande lid vastgestelde maximumbedrag is vanaf 1 januari 1977 eveneens van toepassing op de op 31 december 1976 lopende pensioenen, die behoren tot een regime dat in het emeritaat voorziet.
Het in het voorgaande lid vastgestelde maximumbedrag is vanaf 1 januari 1977 eveneens van toepassing op de op 31 december 1976 lopende pensioenen, die behoren tot een regime dat in het emeritaat voorziet.
Art. 73. Sans préjudice des dispositions de l'article 10 des dispositions transitoires de la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire, le montant nominal des pensions relevant d'un régime prévoyant l'éméritat ne peut, à partir du 1er janvier 1977, excéder le maximum de l'échelle barémique attachée à la fonction exercée en dernier lieu par les intéressés, ce maximum restant toutefois soumis, comme le traitement d'activité, aux prélèvements au profit du Fonds des pensions de survie.
Le montant maximum fixé à l'alinéa qui précède est également applicable à partir du 1er janvier 1977 aux pensions relevant d'un régime prévoyant l'éméritat en cours au 31 décembre 1976.
Le montant maximum fixé à l'alinéa qui précède est également applicable à partir du 1er janvier 1977 aux pensions relevant d'un régime prévoyant l'éméritat en cours au 31 décembre 1976.
Afdeling 6. _ Supplementen kinderbijslag.
Section 6. _ Suppléments d'allocations familiales.
Art. 74. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 september 1973 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel wordt ontheven van de nietigheid die het aantast.
Het heeft volkomen uitwerking vanaf de datum die er door werd vastgesteld.
Het heeft volkomen uitwerking vanaf de datum die er door werd vastgesteld.
Art. 74. L'article 2 de l'arrêté royal du 17 septembre 1973 modifiant l'arrêté royal du 26 mars 1965 relatif aux allocations familiales allouées à certaines catégories du personnel rétribué par l'Etat est relevé de la nullité qui l'affecte.
Il produit ses pleins et entiers effets à partir de la date qu'il a fixée.
Il produit ses pleins et entiers effets à partir de la date qu'il a fixée.
Art. 75. Artikel 74 heeft uitwerking vanaf 1 maart 1973.
Art. 75. L'article 74 produit ses effets au 1er mars 1973.
Afdeling 7. _ Cumulatie in het onderwijs.
Section 7. _ Cumuls de l'enseignement.
Art. 76. In het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, wordt noch wedde, noch weddetoelage toegekend voor prestaties geleverd :
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3°; na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben;
3° door personeelsleden die tijdens het schooljaar 1958-1959 in dienst waren en op 1 september 1958 meer dan 45 jaar oud waren : na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij, ouder dan 65 jaar, hun rechten op een rustpensioen ten laste van de openbare overheid kunnen doen gelden.
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3°; na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben;
3° door personeelsleden die tijdens het schooljaar 1958-1959 in dienst waren en op 1 september 1958 meer dan 45 jaar oud waren : na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij, ouder dan 65 jaar, hun rechten op een rustpensioen ten laste van de openbare overheid kunnen doen gelden.
Art. 76. Dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies :
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : au-delà de la fin de l'année scolaire au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 65 ans;
3° par les membres du personnel qui, en service pendant l'année scolaire 1958-1959, étaient âgés de plus de 45 ans au 1er septembre 1958 : au-delà de la fin de l'année scolaire pendant laquelle, étant âgés de plus de 65 ans, ils peuvent faire valoir leurs droits à une pension de retraite à charge des pouvoirs publics.
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : au-delà de la fin de l'année scolaire au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 65 ans;
3° par les membres du personnel qui, en service pendant l'année scolaire 1958-1959, étaient âgés de plus de 45 ans au 1er septembre 1958 : au-delà de la fin de l'année scolaire pendant laquelle, étant âgés de plus de 65 ans, ils peuvent faire valoir leurs droits à une pension de retraite à charge des pouvoirs publics.
Art.76_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, wordt noch wedde, noch weddetoelage toegekend voor prestaties geleverd :
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3° [1 , na het einde van het schooljaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, tenzij het personeelslid met toepassing van hoofdstuk II van het decreet van 25 juni 2001 over bijzondere maatregelen in verband met de lerarenambten en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling, na zijn pensionering tijdelijk teruggeroepen wordt]1;
3° door personeelsleden die tijdens het schooljaar 1958-1959 in dienst waren en op 1 september 1958 meer dan 45 jaar oud waren : na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij, ouder dan 65 jaar, hun rechten op een rustpensioen ten laste van de openbare overheid kunnen doen gelden.
[1 In afwijking van het eerste lid kan aan een personeelslid dat na zijn pensionering wegens tijdelijke afwezigheid van de houder van een selectie- of bevorderingsambt als diens vervanger wordt aangewezen, de wedde of weddetoelage worden toegekend die verbonden is aan de uitoefening van het betreffende ambt.]1
In het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, wordt noch wedde, noch weddetoelage toegekend voor prestaties geleverd :
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3° [1 , na het einde van het schooljaar waarin het personeelslid de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, tenzij het personeelslid met toepassing van hoofdstuk II van het decreet van 25 juni 2001 over bijzondere maatregelen in verband met de lerarenambten en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling, na zijn pensionering tijdelijk teruggeroepen wordt]1;
3° door personeelsleden die tijdens het schooljaar 1958-1959 in dienst waren en op 1 september 1958 meer dan 45 jaar oud waren : na het einde van het schooljaar tijdens hetwelk zij, ouder dan 65 jaar, hun rechten op een rustpensioen ten laste van de openbare overheid kunnen doen gelden.
[1 In afwijking van het eerste lid kan aan een personeelslid dat na zijn pensionering wegens tijdelijke afwezigheid van de houder van een selectie- of bevorderingsambt als diens vervanger wordt aangewezen, de wedde of weddetoelage worden toegekend die verbonden is aan de uitoefening van het betreffende ambt.]1
Modifications
Art.76_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies :
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : [1 à l'issue de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a atteint l'âge légal de la pension, sauf si ce dernier, en application du chapitre II du décret du 25 juin 2001 contenant des mesures spéciales quant aux fonctions d'enseignant et portant adaptation du statut pécuniaire, est rappelé temporairement au service après sa mise à la retraite]1;
3° par les membres du personnel qui, en service pendant l'année scolaire 1958-1959, étaient âgés de plus de 45 ans au 1er septembre 1958 : au-delà de la fin de l'année scolaire pendant laquelle, étant âgés de plus de 65 ans, ils peuvent faire valoir leurs droits à une pension de retraite à charge des pouvoirs publics.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, il est permis d'attribuer le traitement ou la subvention-traitement liés à l'exercice de la fonction en question à un membre du personnel qui, après sa mise à la retraite, est désigné pour assurer un remplacement dans une fonction de sélection ou de promotion en raison de l'absence temporaire du titulaire du poste.]1
Dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies :
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : [1 à l'issue de l'année scolaire au cours de laquelle le membre du personnel a atteint l'âge légal de la pension, sauf si ce dernier, en application du chapitre II du décret du 25 juin 2001 contenant des mesures spéciales quant aux fonctions d'enseignant et portant adaptation du statut pécuniaire, est rappelé temporairement au service après sa mise à la retraite]1;
3° par les membres du personnel qui, en service pendant l'année scolaire 1958-1959, étaient âgés de plus de 45 ans au 1er septembre 1958 : au-delà de la fin de l'année scolaire pendant laquelle, étant âgés de plus de 65 ans, ils peuvent faire valoir leurs droits à une pension de retraite à charge des pouvoirs publics.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, il est permis d'attribuer le traitement ou la subvention-traitement liés à l'exercice de la fonction en question à un membre du personnel qui, après sa mise à la retraite, est désigné pour assurer un remplacement dans une fonction de sélection ou de promotion en raison de l'absence temporaire du titulaire du poste.]1
Modifications
Art. 76 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
In het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, wordt noch wedde, noch weddetoelage toegekend voor prestaties geleverd :
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3°; [10 voorbij het einde van het schooljaar]10 tijdens hetwelk zij [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 bereikt hebben;
3° [1 door personeelsleden van de Hogescholen, de Hogere Kunstscholen en de Hogere Instituten voor architectuur : na 31 augustus van het academiejaar tijdens hetwelk ze [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 bereikt hebben.]1
[3 In afwijking van 2° van het vorige lid, kunnen de in dat lid bedoelde leden van het onderwijspersoneel die een rustpensioen genieten :
1° [12 aangesteld of aangeworven op hun verzoek en met instemming van de inrichtende macht op tijdelijke basis in geval van een tekort, blijkend uit het ontbreken van een geldige kandidatuur]12;
2° worden aangesteld of aangeworven in het onderwijs voor sociale promotie, als deskundigen in de zin van de artikelen 87 bis en 118 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie. Die tijdelijke aanstelling kan niet plaatsvinden na het einde van het schooljaar waarin ze de leeftijd van 67 jaar hebben bereikt.]3
[4 In afwijking van het punt 3° van het eerste lid van dit artikel, wat betreft de hogere kunstscholen, kan elke persoon die [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 heeft bereikt, om met redenen omklede pedagogische doelstellingen, een mandaat van lector toevertrouwd worden in de zin van de artikelen 69 en 75 van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten), met een maximale opdracht van 120/600ste. Deze tijdelijke aanwijzing kan niet meer plaatsvinden na het einde van het academiejaar gedurende hetwelk ze de grensleeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
In afwijking van het punt 3° van het eerste lid van dit artikel, wat betreft de hogescholen, kan elke persoon die [11 ]de wettelijke pensioenleeftijd-11 heeft bereikt, om met redenen omklede pedagogische doelstellingen, een mandaat van gasthoogleraar toevertrouwd worden in de zin van de artikelen 30 en 31 van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen. Deze tijdelijke aanwijzing kan niet meer plaatsvinden na het einde van het academiejaar gedurende hetwelk ze de grensleeftijd van 70 jaar heeft bereikt.]4
[5 In afwijking van 3° van het eerste lid van dit artikel, kan de dienstactiviteit van de personeelsleden van het onderwijs, bedoeld in dat lid, die de wettelijke leeftijd van het rustpensioen hebben bereikt, op hun verzoek, en als de pedagogische beheersraad of de raad van bestuur dit toelaat, worden voortgezet. De periode waarin de dienstactiviteit wordt voortgezet, wordt op hoogstens één jaar vastgesteld. Ze kan, volgens dezelfde nadere regels, worden hernieuwd voor één enkele nieuwe periode van hoogstens één jaar. De pedagogische beheersraad of de raad van bestuur stelt de procedure voor de toelating tot voortzetting van de dienstactiviteit vast.]5
[7 In afwijking van punt 2° van het eerste lid van dit artikel kunnen de in dat lid bedoelde leden van het onderwijzend personeel [9 ...]9 en die de wettelijke rustpensioenleeftijd hebben bereikt, op hun verzoek en met toestemming van de inrichtende macht, in dienstactiviteit worden gehandhaafd. De periode van voortgezette ambtsbekleding wordt vastgesteld voor een periode van één jaar. Zij kan worden verlengd [8 tot de laatste dag van de maand die het lopende schooljaar afsluit]8. Deze voortzetting van de dienst kan, onder dezelfde voorwaarden, eenmaal voor een jaar worden verlengd. Deze periode van één jaar kan worden verlengd tot het einde van het lopende schooljaar.]7
In het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, wordt noch wedde, noch weddetoelage toegekend voor prestaties geleverd :
1° door de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs : na het einde van het academiejaar tijdens hetwelk zij de leeftijd van 70 jaar bereikt hebben;
2° door andere personeelsleden, behalve die bedoeld onder 3°; [10 voorbij het einde van het schooljaar]10 tijdens hetwelk zij [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 bereikt hebben;
3° [1 door personeelsleden van de Hogescholen, de Hogere Kunstscholen en de Hogere Instituten voor architectuur : na 31 augustus van het academiejaar tijdens hetwelk ze [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 bereikt hebben.]1
[3 In afwijking van 2° van het vorige lid, kunnen de in dat lid bedoelde leden van het onderwijspersoneel die een rustpensioen genieten :
1° [12 aangesteld of aangeworven op hun verzoek en met instemming van de inrichtende macht op tijdelijke basis in geval van een tekort, blijkend uit het ontbreken van een geldige kandidatuur]12;
2° worden aangesteld of aangeworven in het onderwijs voor sociale promotie, als deskundigen in de zin van de artikelen 87 bis en 118 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie. Die tijdelijke aanstelling kan niet plaatsvinden na het einde van het schooljaar waarin ze de leeftijd van 67 jaar hebben bereikt.]3
[4 In afwijking van het punt 3° van het eerste lid van dit artikel, wat betreft de hogere kunstscholen, kan elke persoon die [11 de wettelijke pensioenleeftijd]11 heeft bereikt, om met redenen omklede pedagogische doelstellingen, een mandaat van lector toevertrouwd worden in de zin van de artikelen 69 en 75 van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten), met een maximale opdracht van 120/600ste. Deze tijdelijke aanwijzing kan niet meer plaatsvinden na het einde van het academiejaar gedurende hetwelk ze de grensleeftijd van 70 jaar heeft bereikt.
In afwijking van het punt 3° van het eerste lid van dit artikel, wat betreft de hogescholen, kan elke persoon die [11 ]de wettelijke pensioenleeftijd-11 heeft bereikt, om met redenen omklede pedagogische doelstellingen, een mandaat van gasthoogleraar toevertrouwd worden in de zin van de artikelen 30 en 31 van het decreet van 9 september 1996 betreffende de financiering van de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen. Deze tijdelijke aanwijzing kan niet meer plaatsvinden na het einde van het academiejaar gedurende hetwelk ze de grensleeftijd van 70 jaar heeft bereikt.]4
[5 In afwijking van 3° van het eerste lid van dit artikel, kan de dienstactiviteit van de personeelsleden van het onderwijs, bedoeld in dat lid, die de wettelijke leeftijd van het rustpensioen hebben bereikt, op hun verzoek, en als de pedagogische beheersraad of de raad van bestuur dit toelaat, worden voortgezet. De periode waarin de dienstactiviteit wordt voortgezet, wordt op hoogstens één jaar vastgesteld. Ze kan, volgens dezelfde nadere regels, worden hernieuwd voor één enkele nieuwe periode van hoogstens één jaar. De pedagogische beheersraad of de raad van bestuur stelt de procedure voor de toelating tot voortzetting van de dienstactiviteit vast.]5
[7 In afwijking van punt 2° van het eerste lid van dit artikel kunnen de in dat lid bedoelde leden van het onderwijzend personeel [9 ...]9 en die de wettelijke rustpensioenleeftijd hebben bereikt, op hun verzoek en met toestemming van de inrichtende macht, in dienstactiviteit worden gehandhaafd. De periode van voortgezette ambtsbekleding wordt vastgesteld voor een periode van één jaar. Zij kan worden verlengd [8 tot de laatste dag van de maand die het lopende schooljaar afsluit]8. Deze voortzetting van de dienst kan, onder dezelfde voorwaarden, eenmaal voor een jaar worden verlengd. Deze periode van één jaar kan worden verlengd tot het einde van het lopende schooljaar.]7
Modifications
Art. 76 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
Dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies :
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : [10 au-delà de la fin de l'année scolaire]10 au cours de laquelle ils ont atteint [11 l'âge légal de la pension]11;
3° [1 par les membres du personnel des Hautes Ecoles, Ecoles supérieures des Arts et Instituts supérieurs d'Architecture : au-delà du 31 août de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint [11 l'âge légal de la pension]11.]1
[3 Par dérogation au 2° de l'alinéa précédent, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa et bénéficiant d'une pension de retraite peuvent être :
1° [12 désignés ou engagés, en cas de pénurie attestée par l'absence de toute candidature valable, à leur demande et en cas d'accord du pouvoir organisateur, à titre temporaire]12;
2° désignés ou engagés dans l'enseignement de promotion sociale, comme experts au sens des articles 87bis et 118 du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année scolaire au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans.]3
[4 Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, en ce qui concerne les Ecoles supérieures des Arts, toute personne ayant atteint [11 l'âge légal de la pension ]11 peut se voir confier, pour des raisons pédagogiques motivées, un mandat de conférencier au sens des articles 69 et 75 du décret du 20 décembre 2001 fixant les règles spécifiques à l'Enseignement supérieur artistique organisé en Ecoles supérieures des Arts (organisation, financement, encadrement, statut des personnels, droits et devoirs des étudiants), pour une charge de 120/600e maximum. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle elle a atteint l'âge de 70 ans.
Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, en ce qui concerne les Hautes Ecoles, toute personne ayant atteint [11 l'âge légal de la pension ]11 peut être désignée, pour des raisons pédagogiques motivées, en qualité de professeur invité au sens des articles 30 et 31 du décret du 9 septembre 1996 relatif au financement des Hautes Ecoles. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle elle a atteint l'âge de 70 ans.]4
[5 Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa ayant atteint l'âge légal de la pension de retraite peuvent être, à leur demande et en cas d'autorisation du Conseil de gestion pédagogique ou du Conseil d'administration, maintenus en activité de service. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année. Le Conseil de gestion pédagogique ou le Conseil d'administration fixe la procédure d'autorisation du maintien en activité de service.]5
[7 Par dérogation au 2° de l'alinéa 1er du présent article, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa [9 ...]9 et ayant atteint l'âge légal de la pension de retraite peuvent être, à leur demande et en cas d'autorisation du Pouvoir organisateur, maintenus en activité de service. La période du maintien en activité est fixée pour une durée d'une année. Elle peut être prolongée [8 jusqu'au dernier jour du mois terminant l'année scolaire en cours]8. Ce maintien en fonction est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule période d'une durée d'une année. Cette période d'une année peut être prolongée jusqu'à la fin de l'année scolaire en cours.]7
Dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies :
1° par les membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire : au delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans;
2° par les autres membres du personnel, excepté ceux visés sous le n° 3 : [10 au-delà de la fin de l'année scolaire]10 au cours de laquelle ils ont atteint [11 l'âge légal de la pension]11;
3° [1 par les membres du personnel des Hautes Ecoles, Ecoles supérieures des Arts et Instituts supérieurs d'Architecture : au-delà du 31 août de l'année académique au cours de laquelle ils ont atteint [11 l'âge légal de la pension]11.]1
[3 Par dérogation au 2° de l'alinéa précédent, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa et bénéficiant d'une pension de retraite peuvent être :
1° [12 désignés ou engagés, en cas de pénurie attestée par l'absence de toute candidature valable, à leur demande et en cas d'accord du pouvoir organisateur, à titre temporaire]12;
2° désignés ou engagés dans l'enseignement de promotion sociale, comme experts au sens des articles 87bis et 118 du décret du 16 avril 1991 organisant l'enseignement de promotion sociale. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année scolaire au cours de laquelle ils ont atteint l'âge de 70 ans.]3
[4 Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, en ce qui concerne les Ecoles supérieures des Arts, toute personne ayant atteint [11 l'âge légal de la pension ]11 peut se voir confier, pour des raisons pédagogiques motivées, un mandat de conférencier au sens des articles 69 et 75 du décret du 20 décembre 2001 fixant les règles spécifiques à l'Enseignement supérieur artistique organisé en Ecoles supérieures des Arts (organisation, financement, encadrement, statut des personnels, droits et devoirs des étudiants), pour une charge de 120/600e maximum. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle elle a atteint l'âge de 70 ans.
Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, en ce qui concerne les Hautes Ecoles, toute personne ayant atteint [11 l'âge légal de la pension ]11 peut être désignée, pour des raisons pédagogiques motivées, en qualité de professeur invité au sens des articles 30 et 31 du décret du 9 septembre 1996 relatif au financement des Hautes Ecoles. Cette désignation à titre temporaire ne peut intervenir au-delà de la fin de l'année académique au cours de laquelle elle a atteint l'âge de 70 ans.]4
[5 Par dérogation au 3° de l'alinéa 1er du présent article, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa ayant atteint l'âge légal de la pension de retraite peuvent être, à leur demande et en cas d'autorisation du Conseil de gestion pédagogique ou du Conseil d'administration, maintenus en activité de service. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année. Le Conseil de gestion pédagogique ou le Conseil d'administration fixe la procédure d'autorisation du maintien en activité de service.]5
[7 Par dérogation au 2° de l'alinéa 1er du présent article, les membres du personnel de l'enseignement visés audit alinéa [9 ...]9 et ayant atteint l'âge légal de la pension de retraite peuvent être, à leur demande et en cas d'autorisation du Pouvoir organisateur, maintenus en activité de service. La période du maintien en activité est fixée pour une durée d'une année. Elle peut être prolongée [8 jusqu'au dernier jour du mois terminant l'année scolaire en cours]8. Ce maintien en fonction est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule période d'une durée d'une année. Cette période d'une année peut être prolongée jusqu'à la fin de l'année scolaire en cours.]7
Modifications
Art. 76 _VLAAMSE_GEMEENSCHAP.
[1 In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs wordt geen salaris of salaristoelage toegekend voor prestaties die een personeelslid levert na het einde van het schooljaar tijdens hetwelke het de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij de aanstelling van dat personeelslid na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar op zijn aanvraag en mits instemming van de inrichtende macht telkens met maximum één schooljaar wordt verlengd.
Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder aan een definitief gepensioneerde die na de leeftijd van 65 jaar tijdelijk en voor een bepaalde duur prestaties levert, wel een salaris of salaristoelage toegekend wordt.]1
[1 In het door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs wordt geen salaris of salaristoelage toegekend voor prestaties die een personeelslid levert na het einde van het schooljaar tijdens hetwelke het de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, tenzij de aanstelling van dat personeelslid na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar op zijn aanvraag en mits instemming van de inrichtende macht telkens met maximum één schooljaar wordt verlengd.
Om tegemoet te komen aan een tekort op de arbeidsmarkt kan de Vlaamse Regering de voorwaarden bepalen waaronder aan een definitief gepensioneerde die na de leeftijd van 65 jaar tijdelijk en voor een bepaalde duur prestaties levert, wel een salaris of salaristoelage toegekend wordt.]1
Art. 76 _COMMUNAUTE_FLAMANDE.
[1 Dans l'enseignement financé ou subventionné par la Communauté flamande, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies par un membre du personnel après la fin de l'année scolaire au cours de laquelle il a atteint l'âge de 65 ans, à moins que la désignation de ce membre du personnel ne soit prolongée chaque fois d'une année scolaire au maximum après qu'il a atteint l'âge de 65 ans, et ce à sa demande et moyennant le consentement du pouvoir organisateur.
Afin de remédier à une pénurie sur le marché de l'emploi, le Gouvernement flamand peut fixer les conditions auxquelles un membre du personnel définitivement mis à la retraite qui, après avoir atteint l'âge de 65 ans, effectue temporairement et pour une durée déterminée des prestations, a droit à un traitement ou une subvention-traitement.]1
[1 Dans l'enseignement financé ou subventionné par la Communauté flamande, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour des prestations fournies par un membre du personnel après la fin de l'année scolaire au cours de laquelle il a atteint l'âge de 65 ans, à moins que la désignation de ce membre du personnel ne soit prolongée chaque fois d'une année scolaire au maximum après qu'il a atteint l'âge de 65 ans, et ce à sa demande et moyennant le consentement du pouvoir organisateur.
Afin de remédier à une pénurie sur le marché de l'emploi, le Gouvernement flamand peut fixer les conditions auxquelles un membre du personnel définitivement mis à la retraite qui, après avoir atteint l'âge de 65 ans, effectue temporairement et pour une durée déterminée des prestations, a droit à un traitement ou une subvention-traitement.]1
Modifications
Art. 77. § 1. Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die reeds een hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs of prestaties levert in het onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de functies die overeenkomen met deze prestaties.
Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan.
Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor de berekening der wedden.
§ 2. De beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van toepassing :
a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige prestaties uitoefenen.
b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum.
§ 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2 overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten tot het einde van de academiejaar of schooljaar 1980-1981 binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren bedoeld bij § 1.
§ 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1 tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere eenheid en tot ten minstens 3 uren.
§ 5. Onder hoofdberoep moet worden verstaan de betrekking uitgeoefend zowel in de privé-sector als in de overheidssector, waarvan de normale uurregeling van die aard is dat zij een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wat moet worden verstaan door een hoofdberoep door een zelfstandige uitgeoefend.
Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan.
Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor de berekening der wedden.
§ 2. De beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van toepassing :
a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige prestaties uitoefenen.
b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum.
§ 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2 overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten tot het einde van de academiejaar of schooljaar 1980-1981 binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren bedoeld bij § 1.
§ 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1 tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere eenheid en tot ten minstens 3 uren.
§ 5. Onder hoofdberoep moet worden verstaan de betrekking uitgeoefend zowel in de privé-sector als in de overheidssector, waarvan de normale uurregeling van die aard is dat zij een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wat moet worden verstaan door een hoofdberoep door een zelfstandige uitgeoefend.
Art. 77. § 1er. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales plus restrictives, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour le prestations fournies dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, par une personne qui exerce déjà une profession principale en dehors de l'enseignement ou des prestations dans l'enseignement qui dépasse un tiers du nombre minimum d'heures requis, pour un emploi à prestations complètes dans la ou les fonctions correspondant à ces prestations.
Si la notion d'emploi à prestations complètes dans l'enseignement n'est pas définie, elle est déterminée par le Roi par comparaison avec un enseignement de plein exercice correspondant.
Lorsque les prestations se rapportent à différentes fonctions pour lesquelles les minima requis pour un emploi à prestations complètes sont différents, la règle de la pondération valable pour le calcul des traitements sera appliquée.
§ 2. La limitation au tiers des prestations donnant lieu aux rétributions comme prévu au § 1er du présent article n'est pas applicable :
a) lorsque l'intéressé exerce sa profession principale en dehors de l'enseignement et exerce uniquement des prestations complémentaires, dans un seul établissement universitaire ou dans un seul établissement d'enseignement supérieur du type long; dans ce cas, le nombre d'heures par semaine, ne peut dépasser cinq; toutefois, la rétribution de ces prestations ne pourra jamais dépasser un tiers de la rétribution maximum dont l'intéressé bénéficierait s'il exercait ces prestations à titre d'emploi principal à prestations complètes;
b) lorsque l'intéressé n'exerce, en dehors de sa profession principale, que des prestations complémentaires dans un seul établissement d'enseignement et qu'il se trouve dans un cas exceptionnel fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; dans ces cas, le nombre d'heures ne peut dépasser le double du maximum prévu au § 1er.
§ 3. Pour les personnes visées au § 1er qui, au 1er novembre 1976 étaient chargées de prestations complémentaires au-delà des maxima prévus aux §§ 1er et 2, l'attribution d'une rémunération ou d'une subvention-traitement est autorisée jusqu'à la fin de l'année académique ou scolaire 1980-1981 dans les limites de 50 p.c. du nombre minimum d'heures requis visé au § 1er.
§ 4. Pour le calcul du maximum autorisé, comme prévu aux §§ 1er à 3, les résultats obtenus sont toujours arrondis à l'unité supérieure et à 3 heures minimum.
§ 5. Par profession principale, il faut entendre la profession tant dans le secteur privé que public dont l'horaire normal est tel qu'il absorbe totalement une activité professionnelle normale.
Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il y a lieu d'entendre par une profession principale exercée par un travailleur indépendant.
Si la notion d'emploi à prestations complètes dans l'enseignement n'est pas définie, elle est déterminée par le Roi par comparaison avec un enseignement de plein exercice correspondant.
Lorsque les prestations se rapportent à différentes fonctions pour lesquelles les minima requis pour un emploi à prestations complètes sont différents, la règle de la pondération valable pour le calcul des traitements sera appliquée.
§ 2. La limitation au tiers des prestations donnant lieu aux rétributions comme prévu au § 1er du présent article n'est pas applicable :
a) lorsque l'intéressé exerce sa profession principale en dehors de l'enseignement et exerce uniquement des prestations complémentaires, dans un seul établissement universitaire ou dans un seul établissement d'enseignement supérieur du type long; dans ce cas, le nombre d'heures par semaine, ne peut dépasser cinq; toutefois, la rétribution de ces prestations ne pourra jamais dépasser un tiers de la rétribution maximum dont l'intéressé bénéficierait s'il exercait ces prestations à titre d'emploi principal à prestations complètes;
b) lorsque l'intéressé n'exerce, en dehors de sa profession principale, que des prestations complémentaires dans un seul établissement d'enseignement et qu'il se trouve dans un cas exceptionnel fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; dans ces cas, le nombre d'heures ne peut dépasser le double du maximum prévu au § 1er.
§ 3. Pour les personnes visées au § 1er qui, au 1er novembre 1976 étaient chargées de prestations complémentaires au-delà des maxima prévus aux §§ 1er et 2, l'attribution d'une rémunération ou d'une subvention-traitement est autorisée jusqu'à la fin de l'année académique ou scolaire 1980-1981 dans les limites de 50 p.c. du nombre minimum d'heures requis visé au § 1er.
§ 4. Pour le calcul du maximum autorisé, comme prévu aux §§ 1er à 3, les résultats obtenus sont toujours arrondis à l'unité supérieure et à 3 heures minimum.
§ 5. Par profession principale, il faut entendre la profession tant dans le secteur privé que public dont l'horaire normal est tel qu'il absorbe totalement une activité professionnelle normale.
Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il y a lieu d'entendre par une profession principale exercée par un travailleur indépendant.
Art. 77 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die [...] prestaties levert in het onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de functies die overeenkomen met deze prestaties.
Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan.
Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor de berekening der wedden.
§ 2. de beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van toepassing :
a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige prestaties uitoefenen.
b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum.
[Deze paragraaf is niet van toepassing op de hogere kunstscholen.]
§ 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2 overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten tot het einde van de academiejaar of schooljaar 1980-1981 binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren bedoeld bij § 1.
§ 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1 tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere eenheid en tot ten minstens 3 uren.
§ 5. [...]
§ 1. Onverminderd de toepassing van andere meer beperkende wettelijke bepalingen, wordt noch wedde, noch weddetoelage, toegekend voor prestaties geleverd in het door de Staat ingericht of gesubsidieerd onderwijs, met inbegrip van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, door een persoon die [...] prestaties levert in het onderwijs die ten minste gelijk zijn aan een ambt met volledige prestaties, voor de gezamenlijke bijkomende prestaties in het onderwijs, die een derde overschrijden van het minimum vereiste aantal uren voor een ambt met volledige prestaties in deze functie of in de functies die overeenkomen met deze prestaties.
Indien het begrip ambt met volledige prestaties in het onderwijs niet bepaald is, wordt het door de Koning vastgelegd in vergelijking met een overeenstemmend onderwijs met volledig leerplan.
Wanneer de prestaties betrekking hebben op verschillende ambten waarvoor de vereiste minima voor een ambt met volledige prestaties verschillend zijn, dan wordt de ponderatieregel toegepast zoals voor de berekening der wedden.
§ 2. de beperking tot beloop van een derde van de prestaties die recht geven op een bezoldiging zoals bepaald onder § 1 is niet van toepassing :
a) indien de betrokkene zijn hoofdberoep uitoefent buiten het onderwijs en slechts bijkomende prestaties uitoefent in één universitaire instelling of in één instelling voor hoger onderwijs van het lange type; in dat geval mag het aantal uren per week niet meer dan vijf bedragen; nochtans zal de bezoldiging voor deze prestaties nooit meer mogen bedragen dan een derde van de maximumbezoldiging die hij zou genieten mocht hij deze prestaties als hoofdambt met volledige prestaties uitoefenen.
b) indien de betrokkene buiten zijn hoofdberoep slechts bijkomende prestaties uitoefent in één instelling en zich in een uitzonderlijke toestand bevindt als bepaald in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; in deze gevallen mag het aantal uren niet meer bedragen dan het dubbel van het in § 1 bepaalde maximum.
[Deze paragraaf is niet van toepassing op de hogere kunstscholen.]
§ 3. Voor de personen bedoeld in § 1 die, op 1 november 1976, belast waren met bijkomende prestaties die de maxima bepaald bij de §§ 1 en 2 overtreffen, is de toekenning van een wedde of weddetoelage toegelaten tot het einde van de academiejaar of schooljaar 1980-1981 binnen de grenzen van 50 pct. van het vereiste minimum aantal uren bedoeld bij § 1.
§ 4. Voor de berekening van het toegelaten maximum bedoeld bij de §§ 1 tot 3, worden de bekomen resultaten steeds afgerond tot de hogere eenheid en tot ten minstens 3 uren.
§ 5. [...]
Art. 77 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
§ 1er. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales plus restrictives, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour le prestations fournies dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, par une personne qui exerce [...] des prestations dans l'enseignement qui dépasse un tiers du nombre minimum d'heures requis, pour un emploi à prestations complètes dans la ou les fonctions correspondant à ces prestations.
Si la notion d'emploi à prestations complètes dans l'enseignement n'est pas définie, elle est déterminée par le Roi par comparaison avec un enseignement de plein exercice correspondant.
Lorsque les prestations se rapportent à différentes fonctions pour lesquelles les minima requis pour un emploi à prestations complètes sont différents, la règle de la pondération valable pour le calcul des traitements sera appliquée.
§ 2. La limitation au tiers des prestations donnant lieu aux rétributions comme prévu au § 1er du présent article n'est pas applicable :
a) lorsque l'intéressé exerce sa profession principale en dehors de l'enseignement et exerce uniquement des prestations complémentaires, dans un seul établissement universitaire ou dans un seul établissement d'enseignement supérieur du type long; dans ce cas, le nombre d'heures par semaine, ne peut dépasser cinq; toutefois, la rétribution de ces prestations ne pourra jamais dépasser un tiers de la rétribution maximum dont l'intéressé bénéficierait s'il exercait ces prestations à titre d'emploi principal à prestations complètes;
b) lorsque l'intéressé n'exerce, en dehors de sa profession principale, que des prestations complémentaires dans un seul établissement d'enseignement et qu'il se trouve dans un cas exceptionnel fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; dans ces cas, le nombre d'heures ne peut dépasser le double du maximum prévu au § 1er.
[Le présent paragraphe n'est pas applicable aux Ecoles supérieures des Arts.]
§ 3. Pour les personnes visées au § 1er qui, au 1er novembre 1976 étaient chargées de prestations complémentaires au-delà des maxima prévus aux §§ 1er et 2, l'attribution d'une rémunération ou d'une subvention-traitement est autorisée jusqu'à la fin de l'année académique ou scolaire 1980-1981 dans les limites de 50 p.c. du nombre minimum d'heures requis visé au § 1er.
§ 4. Pour le calcul du maximum autorisé, comme prévu aux §§ 1er à 3, les résultats obtenus sont toujours arrondis à l'unité supérieure et à 3 heures minimum.
§ 5. [...]
§ 1er. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales plus restrictives, il ne peut être attribué ni rémunération, ni subvention-traitement pour le prestations fournies dans l'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat, en cela compris l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, par une personne qui exerce [...] des prestations dans l'enseignement qui dépasse un tiers du nombre minimum d'heures requis, pour un emploi à prestations complètes dans la ou les fonctions correspondant à ces prestations.
Si la notion d'emploi à prestations complètes dans l'enseignement n'est pas définie, elle est déterminée par le Roi par comparaison avec un enseignement de plein exercice correspondant.
Lorsque les prestations se rapportent à différentes fonctions pour lesquelles les minima requis pour un emploi à prestations complètes sont différents, la règle de la pondération valable pour le calcul des traitements sera appliquée.
§ 2. La limitation au tiers des prestations donnant lieu aux rétributions comme prévu au § 1er du présent article n'est pas applicable :
a) lorsque l'intéressé exerce sa profession principale en dehors de l'enseignement et exerce uniquement des prestations complémentaires, dans un seul établissement universitaire ou dans un seul établissement d'enseignement supérieur du type long; dans ce cas, le nombre d'heures par semaine, ne peut dépasser cinq; toutefois, la rétribution de ces prestations ne pourra jamais dépasser un tiers de la rétribution maximum dont l'intéressé bénéficierait s'il exercait ces prestations à titre d'emploi principal à prestations complètes;
b) lorsque l'intéressé n'exerce, en dehors de sa profession principale, que des prestations complémentaires dans un seul établissement d'enseignement et qu'il se trouve dans un cas exceptionnel fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; dans ces cas, le nombre d'heures ne peut dépasser le double du maximum prévu au § 1er.
[Le présent paragraphe n'est pas applicable aux Ecoles supérieures des Arts.]
§ 3. Pour les personnes visées au § 1er qui, au 1er novembre 1976 étaient chargées de prestations complémentaires au-delà des maxima prévus aux §§ 1er et 2, l'attribution d'une rémunération ou d'une subvention-traitement est autorisée jusqu'à la fin de l'année académique ou scolaire 1980-1981 dans les limites de 50 p.c. du nombre minimum d'heures requis visé au § 1er.
§ 4. Pour le calcul du maximum autorisé, comme prévu aux §§ 1er à 3, les résultats obtenus sont toujours arrondis à l'unité supérieure et à 3 heures minimum.
§ 5. [...]
Art. 77 _VLAAMSE_GEMEENSCHAP.
[1 opgeheven voor wat betreft de bevoegdheden van de Vlaamse Overheid]1
[1 opgeheven voor wat betreft de bevoegdheden van de Vlaamse Overheid]1
Modifications
Art. 77 _COMMUNAUTE_FLAMANDE.
[1 abrogé en ce qui concerne les compétences de l'Autorité flamande]1
[1 abrogé en ce qui concerne les compétences de l'Autorité flamande]1
Modifications
Art. 77bis _FRANSE_GEMEENSCHAP.
<INGEVOEGD voor de Franse Gemeenschap bij DFG 2004-03-03/44, art. 27, Inwerkingtreding : 01-09-2002.
NOTA : deze invoeging werd vernietigd bij het Arbitragehof; zie onder art. 27 van DCFR 2004-03-03/44>
De leden van het onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen die buiten het onderwijs een beroep van artistieke aard ofwel als zelfstandige ofwel onder een arbeidsovereenkomst uitoefenen, kunnen geen bezoldiging ontvangen voor prestaties in het onderwijs die meer bedragen dan een ambt met volledige prestaties.
<INGEVOEGD voor de Franse Gemeenschap bij DFG 2004-03-03/44, art. 27, Inwerkingtreding : 01-09-2002.
NOTA : deze invoeging werd vernietigd bij het Arbitragehof; zie onder art. 27 van DCFR 2004-03-03/44>
De leden van het onderwijzend personeel van de hogere kunstscholen die buiten het onderwijs een beroep van artistieke aard ofwel als zelfstandige ofwel onder een arbeidsovereenkomst uitoefenen, kunnen geen bezoldiging ontvangen voor prestaties in het onderwijs die meer bedragen dan een ambt met volledige prestaties.
Art. 77bis _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
NOTE : cette insertion a été annulée par la Cour d'arbitrage; voir sous l'art. 27 du DCFR 2004-03-03/44>
Les membres du personnel enseignant des Ecoles supérieures des Arts qui exercent en dehors de l'enseignement une profession à caractère artistique soit comme indépendant, soit sous contrat d'emploi, ne peuvent bénéficier d'aucune rémunération pour des prestations dans l'enseignement qui dépassent une fonction à prestations complètes.
NOTE : cette insertion a été annulée par la Cour d'arbitrage; voir sous l'art. 27 du DCFR 2004-03-03/44>
Les membres du personnel enseignant des Ecoles supérieures des Arts qui exercent en dehors de l'enseignement une profession à caractère artistique soit comme indépendant, soit sous contrat d'emploi, ne peuvent bénéficier d'aucune rémunération pour des prestations dans l'enseignement qui dépassent une fonction à prestations complètes.
Art. 78. De artikelen 76 en 77 treden in werking :
a) op 1 oktober 1977 in het universitaire onderwijs;
b) op 1 september 1977 in de nadere niveaus van onderwijs.
a) op 1 oktober 1977 in het universitaire onderwijs;
b) op 1 september 1977 in de nadere niveaus van onderwijs.
Art. 78. Les articles 76 et 77 entrent en vigueur :
a) le 1er octobre 1977 dans l'enseignement universitaire;
b) le 1er septembre 1977 dans les autres niveaux d'enseignement.
a) le 1er octobre 1977 dans l'enseignement universitaire;
b) le 1er septembre 1977 dans les autres niveaux d'enseignement.
Afdeling 8. _ Verscherpte gezondheidscontrole.
Section 8. _ Contrôle de santé renforcé.
Art. 79. De Koning kan eenenzeventig personeelsleden van de verschillende fondsen voor schoolgebouwen overplaatsen naar de Sociaal-medische Rijksdienst voor de Bestuursafdeling voor de sociale geneeskunde van het Ministerie van Volksgezondheid en van het gezin.
De overgeplaatste personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun graad alsook hun administratieve en geldelijke anciënniteit.
Voor de toepassing van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen worden de diensten die de vastbenoemde of stagedoende ambtenaar bij het fonds heeft verricht, vóór zijn overplaatsing naar het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, geacht bij een rijksbestuur te zijn gepresteerd.
De overgeplaatste personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun graad alsook hun administratieve en geldelijke anciënniteit.
Voor de toepassing van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen worden de diensten die de vastbenoemde of stagedoende ambtenaar bij het fonds heeft verricht, vóór zijn overplaatsing naar het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, geacht bij een rijksbestuur te zijn gepresteerd.
Art. 79. Le Roi peut transférer septante et un agents des différents fonds de bâtiments scolaire à l'office médico-social de l'Etat de l'Administration pour la médecine sociale du Ministère de la Santé publique et de la Famille.
Les agents transférés conservent leur qualité et leur grade, ainsi que leur ancienneté administrative et pécuniaire.
Pour l'application de la législation en matière de pensions de retraite et de survie, les services accomplis auprès du fonds, avant son transfert au Ministère de la Santé publique et de la Famille, par le fonctionnaire nommé à titre définitif ou stagiaire, sont considérés comme ayant été prestés dans une administration de l'Etat.
Les agents transférés conservent leur qualité et leur grade, ainsi que leur ancienneté administrative et pécuniaire.
Pour l'application de la législation en matière de pensions de retraite et de survie, les services accomplis auprès du fonds, avant son transfert au Ministère de la Santé publique et de la Famille, par le fonctionnaire nommé à titre définitif ou stagiaire, sont considérés comme ayant été prestés dans une administration de l'Etat.
HOOFDSTUK V. _ Ziekenhuiswet.
CHAPITRE V. _ Loi sur les hôpitaux.
Art. 80. <Wijzigingsbepaling>
Art. 80.
Art. 81. De bepalingen van artikel 80 treden in werking op 1 januari 1977.
Art. 81. Les dispositions de l'article 80 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
HOOFDSTUK VI. _ (Verplichte bijdragen en retributies.)
CHAPITRE VI. _ (Cotisationsobligatoires et rétributions).
Eerste afdeling. _ (Oprichting van een Begrotingsfonds voor de grondstoffen).
Section 1ère. _ (Création d'un Fonds budgétaire des matières premières.)
Art. 82. <W 1994-12-21/31, art. 187, 005; Inwerkingtreding : 02-01-1995> De Koning kan een verplichte bijdrage opleggen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die (biociden en gewasbeschermingsmiddelen), grondstoffen of gemedicineerde diervoerders voortbrengen of verhandelen. <W 2003-03-28/42, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 09-05-2003>
Hij kan eveneens een retributie opleggen voor elke verrichting van de administratie in verband met :
- de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;
- de toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten;
- de toepassing van de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders.
De geldsommen, als retributie of verplichte bijdrage verschuldigd, zijn bestemd voor de financiering van de opdrachten die voortvloeien uit de drie bovenvermelde wetten en het desbetreffend wetenschappelijk onderzoek.
De Koning bepaalt de opdrachten en de samenstelling van de Raad van het Fonds voor de grondstoffen (en de producten). <W 2003-03-28/42, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 09-05-2003>
Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid wordt opgeheven wanneer het door de werkgever niet wordt bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
[1 Om de taak van de administratie inzake aanmelding zoals bedoeld in artikel 20 van Verordening (EU) 2019/1009 van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 te financieren, kan de Koning een retributie vragen per aan te melden module.]1
Hij kan eveneens een retributie opleggen voor elke verrichting van de administratie in verband met :
- de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;
- de toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten;
- de toepassing van de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders.
De geldsommen, als retributie of verplichte bijdrage verschuldigd, zijn bestemd voor de financiering van de opdrachten die voortvloeien uit de drie bovenvermelde wetten en het desbetreffend wetenschappelijk onderzoek.
De Koning bepaalt de opdrachten en de samenstelling van de Raad van het Fonds voor de grondstoffen (en de producten). <W 2003-03-28/42, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 09-05-2003>
Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid wordt opgeheven wanneer het door de werkgever niet wordt bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
[1 Om de taak van de administratie inzake aanmelding zoals bedoeld in artikel 20 van Verordening (EU) 2019/1009 van 5 juni 2019 tot vaststelling van voorschriften inzake het op de markt aanbieden van EU-bemestingsproducten en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1069/2009 en (EG) nr. 1107/2009 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2003/2003 te financieren, kan de Koning een retributie vragen per aan te melden module.]1
Modifications
Art. 82. <L 1994-12-21/31, art. 187, 005; En vigueur : 02-01-1995> Le Roi peut imposer une cotisation obligatoire à charge des personnes physiques ou morales qui produisent ou commercialisent des (biocides et des produits phytopharmaceutiques), des matières premières ou des aliments médicamenteux pour animaux. <L 2003-03-28/42, art. 20, 011; En vigueur : 09-05-2003>
Il peut également imposer une rétribution pour chaque intervention de l'administration concernant :
- l'application de la loi du 11 juillet 1969 relative aux pesticides et aux matières premières pour l'agriculture, l'horticulture, la sylviculture et l'élevage;
- l'application de la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime;
- l'application de la loi du 21 juin 1983 relative aux aliments médicamenteux pour animaux.
Les sommes qui sont dues à titre de rétribution ou de cotisation obligatoire sont destinées à financer les missions résultant des trois lois précitées ainsi que la recherche scientifique y afférente.
Le Roi détermine les missions et la composition du Conseil du Fonds des matières premières (et des produits). <L 2003-03-28/42, art. 20, 011; En vigueur : 09-05-2003>
L'arrêté royal pris en vertu de l'alinéa 1 est abrogé lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
[1 En vue de financer la mission de notification de l'administration visée à l'article 20 du Règlement (UE) 2019/1009 du 5 juin 2019 établissant les règles relatives à la mise à disposition sur le marché des fertilisants UE et modifiant les Règlements (CE) n° 1069/2009 et (CE) n° 1107/2009 et abrogeant le Règlement (CE) n° 2003/2003, le Roi peut demander une rétribution par module à notifier.]1
Il peut également imposer une rétribution pour chaque intervention de l'administration concernant :
- l'application de la loi du 11 juillet 1969 relative aux pesticides et aux matières premières pour l'agriculture, l'horticulture, la sylviculture et l'élevage;
- l'application de la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime;
- l'application de la loi du 21 juin 1983 relative aux aliments médicamenteux pour animaux.
Les sommes qui sont dues à titre de rétribution ou de cotisation obligatoire sont destinées à financer les missions résultant des trois lois précitées ainsi que la recherche scientifique y afférente.
Le Roi détermine les missions et la composition du Conseil du Fonds des matières premières (et des produits). <L 2003-03-28/42, art. 20, 011; En vigueur : 09-05-2003>
L'arrêté royal pris en vertu de l'alinéa 1 est abrogé lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
[1 En vue de financer la mission de notification de l'administration visée à l'article 20 du Règlement (UE) 2019/1009 du 5 juin 2019 établissant les règles relatives à la mise à disposition sur le marché des fertilisants UE et modifiant les Règlements (CE) n° 1069/2009 et (CE) n° 1107/2009 et abrogeant le Règlement (CE) n° 2003/2003, le Roi peut demander une rétribution par module à notifier.]1
Modifications
Art. 83. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, oefenen de daartoe door de Koning aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Landbouw toezicht uit op de toepassing van artikel 82 en van de uitvoeringsbesluiten van deze wet.
Zij stellen de overtreding vast in processen-verbaal die kracht van bewijs hebben behoudens tegenbewijs. Een afschrift van die processen-verbaal wordt de overtreders toegezonden binnen acht dagen na de vaststelling van de overtreding.
Zij stellen de overtreding vast in processen-verbaal die kracht van bewijs hebben behoudens tegenbewijs. Een afschrift van die processen-verbaal wordt de overtreders toegezonden binnen acht dagen na de vaststelling van de overtreding.
Art. 83. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires du Ministère de l'Agriculture désignés à cette fin par le Roi, surveillent l'application de l'article 82 ainsi que des arrêtés pris en exécution de la présente loi.
Ils constatent les infractions par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ces procès-verbaux est transmise au contrevenant dans les huit jours de la constatation de l'infraction.
Ils constatent les infractions par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie de ces procès-verbaux est transmise au contrevenant dans les huit jours de la constatation de l'infraction.
Art. 84. Wordt gestraft met een geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank, voor elke overtreding, diegenen die de bepalingen overtreedt bedoeld bij artikel 82 of bij de uitvoeringsbesluiten ervan.
De bedragen en vergoedingen verschuldigd krachtens de besluiten getroffen in uitvoering van artikel 82 van deze wet, kunnen worden vervijfvoudigd.
De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de overtredingen van artikel 82 van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
De bedragen en vergoedingen verschuldigd krachtens de besluiten getroffen in uitvoering van artikel 82 van deze wet, kunnen worden vervijfvoudigd.
De bepalingen van Boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de overtredingen van artikel 82 van deze wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
Art. 84. Est puni d'une amende de cent à cinq cents francs pour chaque infraction celui qui contrevient aux dispositions prévue à l'article 82 ou aux arrêtés pris en execution de cet article.
Les redevances et taxes dues en vertu des dispositions prises en application de l'article 82 peuvent être quintuplées.
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont d'application aux infractions à l'article 82 de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution.
Les redevances et taxes dues en vertu des dispositions prises en application de l'article 82 peuvent être quintuplées.
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont d'application aux infractions à l'article 82 de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution.
Afdeling 2. - Stijving van het Interventiefonds van de civiele bescherming.
Section 2. - Alimentation du Fonds d'intervention de la protection civile.
Art. 85. (opgeheven) <W 2004-12-27/30, art. 457, 014; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
Art. 85. (abrogé) <L 2004-12-27/30, art. 457, 014; En vigueur : 10-01-2005>
Afdeling 3. - Speciaal Fonds tot dekking van de werkingskosten van het Centrum voor Informatieverwerking.
Section 3. - Fonds spécial destiné à couvrir les frais de fonctionnement du Centre de Traitement de l'Information.
Art. 86. De ontvangsten verkregen uit de door het Centrum voor Informatieverwerking - Dienst voor Studiën en Documentatie - verrichte prestaties voor rekening van derden, worden gestort op artikel 66.05 A "Speciaal Fonds bestemd tot dekking van allerhande werkingskosten voor het Centrum voor Informatieverwerking - Dienst voor Studiën en Documentatie" van hoofdstuk III van Sectie I van Sector I van Titel IV van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken om er aangewend te worden tot de dekking van allerhande werkingskosten van het hierbovenvermelde Centrum.
Art. 86. Les recettes réalisées par le Centre de Traitement de l'Information _ Service des Etudes et de la Documentation _ pour prestations effectuées pour compte de tiers sont versées à l'article 66.05.A "Fonds spécial destiné à couvrir les frais de fonctionnement généralement quelconque du Centre de Traitement de l'Information _ Service des Etudes et de la Documentation" du chapitre III de la Section I du Secteur I du Titre IV du budget du Ministère des Affaires économiques pour y être utilisées en couverture des frais de fonctionnement généralement quelconques du Centre précité.
Afdeling 4. - Terugvorderbare voorschotten voor prototypes en navorsingen inzake gevorderd technologisch onderzoek.
Section 4. _ Avances récupérables pour prototypes et pour les recherches de technologie avancée.
Art. 87. De terugstortingen van de terugvorderbare voorschotten die verleend werden op het stuk van prototypes en voor de navorsingen inzake gevorderd technologisch onderzoek worden gedaan op artikel 66.02 A "Fonds bestemd tot het toekennen van terugvorderbare voorschotten voor de vervaardiging van prototypes en voor navorsingen inzake gevorderd technologisch onderzoek" van hoofdstuk III, sectie I - sector II van Titel IV van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, met het oog op de dekking van uitgaven van dezelfde aard.
Art. 87. Le remboursements des avances récupérables octroyées en matiere de prototypes et pour les recherches de technologie avancée sont effectués à l'article 66.02.A "Fonds destiné à l'octroi d'avances récupérables pour la fabrication de prototypes et pour les recherches de technologie avancée" du chapitre III _ Section I _ Secteur II du Titre IV du budget du Ministère des Affaires économiques, en vue de couvrir les dépenses de même nature.
Afdeling 5. - Slotbepalingen.
Section 5. _ Dispositions finales.
Art. 88. De bepalingen van de artikelen 82 tot 87 treden in werking op 1 januari 1977.
Art. 88. Les dispositions des articles 82 à 87 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
HOOFDSTUK VII. _ Diverse financiële beschikkingen.
CHAPITRE VII. _ Dispositions financières diverses.
Eerste afdeling. _ Leningsmachtigingen aan het Fonds voorvergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingenontslagen werknemers.
Section 1ère. _ Autorisations d'emprunt pour le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises.
Art. 89. <Wijzigingsbepaling>
Art. 89.
Art. 90. <Wijzigingsbepaling>
Art. 90.
Art. 91. <Wijzigingsbepaling>
Art. 91.
Afdeling 2. _ Financiering van de Controledienst voor de Verzekeringen.
Section 2. _ Financement de l'Office de Contrôle des Assurances
Art. 92. <Wijzigingsbepaling>
Art. 92.
Afdeling 3. _ Bepaling tot interpretatie van artikel 2bis, § 2, van de besluitwet van 27 december 1944, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 juni 1957 en bij het koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967, houdende oprichting van een Instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw "I.W.O.N.L.".
Section 3. _ Disposition interprétant l'article 2bis, § 2 de l'arrêté-loi du 27 décembre 1944 modifié par l'arrêté royal du 5 juin 1957 et par l'arrêté royal n° 86 du 11 novembre 1967, portant création de l'Institut pour l'Encouragement de la Recherche scientifique dans l'Industrie et l'Agriculture "I.R.S.I.A."
Art. 93. Het woord "beurs" dekt eveneens het jaarlijks verlof van de begunstigde. Onverminderd de voorafgaande bepaling wordt het geheel van de beurs gelijkgesteld met een bezoldiging voor de toepassing van artikel 14 van de wet van 27 juni 1969.
Art. 93. Le mot "bourses" est interprété comme couvrant les vacances annuelles du bénéficiaire. Sans préjudice à la disposition qui précède, la totalité de la bourse est assimilée à une rémunération pour l'application de l'article 14 de la loi du 27 juin 1969.