Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
12 JULI 1973. - Wet op het natuurbehoud : Vlaamse Gewest (NOTA : Deze versie, geldig voor het Vlaamse Gewest, werd gecreërd ter gelegenheid van de wijziging bij DVR2002-01-18/36, gepubliceerd op 13-02-2002. Voor de vorige versies, zie de federale vorm W1973-07-12/30en de archieven ervan.) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-06-2006 en tekstbijwerking tot 21-12-2015)
Titre
12 JUILLET 1973. - Loi sur la conservation de la nature : Région flamande (NOTE : cette version, valable pour la Région flamande, a été créée à l'occasion de la modification par DCFL2002-01-18/36, publié le 13-02-2002. Pour les versions antérieures, voir la forme fédérale L1973-07-12/30et ses archives.) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 07-06-2006 et mise à jour au 21-12-2015)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. _ Bescherming van plante- en dier...
HOOFDSTUK III. _ Bescherming van de natuurlijke...
Eerste Afdeling. _ Natuurreservaten.
Afdeling 2. _ Bosreservaten.
Afdeling 3. _ Natuurparken.
HOOFDSTUK IV. _ De Hoge Raad voor natuurbehoud.
HOOFDSTUK V. _ Bescherming van de bossen en van...
HOOFDSTUK VI. _ Algemene maatregelen.
HOOFDSTUK VII. - [1 Handhaving]1
HOOFDSTUK VIII. _ Slot- en opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK IX. - Specifieke bepalingen voor de m...
Bijlagen.
Table des matières
CHAPITRE I. _ Dispositions générales.
CHAPITRE II. _ Protection des espèces végétales...
CHAPITRE III. _ Protection des milieux naturels.
Section 1ère. _ Des réserves naturelles.
Section 2. _ Des réserves forestières.
Section 3. _ Des parcs naturels.
CHAPITRE IV. _ Du Conseil supérieur de la conse...
CHAPITRE V. _ Protection des forêts et de l'esp...
CHAPITRE VI. _ Mesures générales.
CHAPITRE VII. - [1 Maintien]1
CHAPITRE VIII. _ Dispositions finales et abroga...
CHAPITRE IX. - Dispositions spécifiques pour la...
Annexes.
Tekst (76)
Texte (76)
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. _ Dispositions générales.
Artikel 1.
Article 1.
HOOFDSTUK II. _ Bescherming van plante- en diersoorten.
CHAPITRE II. _ Protection des espèces végétales et animales.
Art. 2.
Art. 2.
Art. 3.
Art. 3.
Art. 4.
Art. 4.
Art. 5. [1 [2 § 1.]2 Onverminderd de bepalingen van de wetgevingen op de jacht, op de diergeneeskundige politie en op de plantenbescherming en onverminderd de verplichtingen voortvloeiend uit internationale verdragen, kan de Koning maatregelen nemen om :
1° de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen te regelen, op te schorten of te verbieden;
2° de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen afhankelijk te maken van een voorafgaande homologatie, toelating, registratie of kennisgeving, alsook de voorwaarden te bepalen waaronder toelatingen of registraties kunnen worden verleend, opgeschort en ingetrokken;
3° het vrijlaten van uitheemse diersoorten en het onderbrengen ervan in wildparken te regelen.]1
[2 § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure en de voorwaarden om tijdelijk of definitief een toelating tot invoer, uitvoer of doorvoer toe te kennen, op te schorten of in te trekken voor invasieve uitheemse soorten die zorgwekkend zijn voor de Unie overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.]2
1° de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen te regelen, op te schorten of te verbieden;
2° de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen afhankelijk te maken van een voorafgaande homologatie, toelating, registratie of kennisgeving, alsook de voorwaarden te bepalen waaronder toelatingen of registraties kunnen worden verleend, opgeschort en ingetrokken;
3° het vrijlaten van uitheemse diersoorten en het onderbrengen ervan in wildparken te regelen.]1
[2 § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure en de voorwaarden om tijdelijk of definitief een toelating tot invoer, uitvoer of doorvoer toe te kennen, op te schorten of in te trekken voor invasieve uitheemse soorten die zorgwekkend zijn voor de Unie overeenkomstig artikel 8 van de Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.]2
Art. 5. [1 [2 § 1er.]2 Sans préjudice des dispositions des législations sur la chasse, sur la police sanitaire des animaux domestiques et sur la protection des végétaux et sans préjudice des obligations résultant de conventions internationales, le Roi peut prendre des mesures en vue de :
1° réglementer, suspendre ou interdire l'importation, l'exportation ainsi que le transit des espèces végétales non indigènes ainsi que des espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles;
2° de soumettre l'importation, l'exportation ainsi que le transit des espèces végétales non indigènes ainsi que des espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles à une homologation, une autorisation, un enregistrement ou une notification préalables, ainsi que de fixer les conditions dans lesquelles les autorisations ou enregistrements peuvent être accordés, suspendus et retirés;
3° de réglementer la mise en liberté des espèces animales non indigènes et leur introduction dans les parcs à gibier.]1
[2 § 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la procédure et les conditions pour autoriser, suspendre ou retirer à titre temporaire ou définitif un permis d'importation, d'exportation ou de transit d'espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union conformément à l'article 8 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes.]2
1° réglementer, suspendre ou interdire l'importation, l'exportation ainsi que le transit des espèces végétales non indigènes ainsi que des espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles;
2° de soumettre l'importation, l'exportation ainsi que le transit des espèces végétales non indigènes ainsi que des espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles à une homologation, une autorisation, un enregistrement ou une notification préalables, ainsi que de fixer les conditions dans lesquelles les autorisations ou enregistrements peuvent être accordés, suspendus et retirés;
3° de réglementer la mise en liberté des espèces animales non indigènes et leur introduction dans les parcs à gibier.]1
[2 § 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la procédure et les conditions pour autoriser, suspendre ou retirer à titre temporaire ou définitif un permis d'importation, d'exportation ou de transit d'espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union conformément à l'article 8 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes.]2
Art. 5bis. [1 De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een Federale Adviesraad oprichten die advies uitbrengt over elke vraag betreffende de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen.]1
Art.5bis. [1 Le Roi peut établir par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres un Conseil consultatif fédéral qui donne son avis sur toute question concernant l'importation, l'exportation ainsi que le transit des espèces végétales non indigènes ainsi que des espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles.]1
Modifications
Art. 5ter. [1 § 1. De Staat kan sectorale overeenkomsten sluiten betreffende de in-, uit- en doorvoer van uitheemse invasieve planten- of diersoorten met ondernemingen die betrokken zijn bij de verspreiding van deze soorten, of met organisaties van dergelijke ondernemingen.
De in het eerste lid bedoelde organisaties moeten aantonen dat zij :
1° representatief zijn voor ondernemingen die tot eenzelfde sector behoren; en
2° statutair de bevoegdheid hebben om een dergelijke overeenkomst te sluiten of door minstens drie vierden van hun leden gemandateerd zijn om met de Staat een sectorale overeenkomst te sluiten en hen hierdoor te verbinden zoals bepaald in § 4, 1°.
§ 2. Voor zover een onderneming of organisatie voldoet aan de in § 1 bepaalde voorwaarden en mits toestemming van de Staat, kan zij toetreden tot een bestaande sectorale overeenkomst.
§ 3. Een sectorale overeenkomst kan de vigerende wetgeving of reglementering noch vervangen, noch in minder strenge zin ervan afwijken.
§ 4. Sectorale overeenkomsten moeten voldoen aan de volgende minimumvoorwaarden :
1° een sectorale overeenkomst is bindend voor de partijen vanaf de ondertekening ervan door alle betrokken partijen.
Naargelang hetgeen bepaald is in de sectorale overeenkomst, is zij tevens bindend voor al de leden van de organisatie of voor een in het algemeen omschreven groep leden ervan.
De ondernemingen die na het sluiten van de sectorale overeenkomst tot de organisatie toetreden en, in voorkomend geval, deel uitmaken van de in een sectorale overeenkomst in het algemeen omschreven groep leden ervan, worden van rechtswege verbonden.
De leden van de door de sectorale overeenkomst verbonden organisatie kunnen zich niet aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen onttrekken door uit de organisatie te treden;
2° een sectorale overeenkomst wordt gesloten voor een bepaalde termijn die in geen geval langer mag zijn dan tien jaar. Elke langere termijn wordt van rechtswege herleid tot tien jaar.
Een sectorale overeenkomst kan niet stilzwijgend verlengd worden. De Staat en een of meer aangesloten organisaties kunnen overeenkomen een sectorale overeenkomst ongewijzigd te verlengen;
3° een sectorale overeenkomst kan worden beëindigd :
a) door het verstrijken van de geldingsduur;
b) door de opzegging ervan door één van de partijen; behoudens andersluidende bepaling in de overeenkomst bedraagt de opzeggingstermijn zes maanden;
c) door een akkoord tussen partijen.
§ 5. De bepalingen van dit artikel zijn van openbare orde. Zij zijn van toepassing op de sectorale overeenkomsten die gesloten zullen worden na de inwerkingtreding van de wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
§ 6. Elke in uitvoering van deze wet gesloten sectorale overeenkomst, evenals elke wijziging aan, verlenging of opzegging van of toetreding tot een in uitvoering van deze wet gesloten sectorale overeenkomst, moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit is tevens het geval bij een voortijdige beëindiging van de sectorale overeenkomst door middel van een akkoord tussen partijen. ]1
De in het eerste lid bedoelde organisaties moeten aantonen dat zij :
1° representatief zijn voor ondernemingen die tot eenzelfde sector behoren; en
2° statutair de bevoegdheid hebben om een dergelijke overeenkomst te sluiten of door minstens drie vierden van hun leden gemandateerd zijn om met de Staat een sectorale overeenkomst te sluiten en hen hierdoor te verbinden zoals bepaald in § 4, 1°.
§ 2. Voor zover een onderneming of organisatie voldoet aan de in § 1 bepaalde voorwaarden en mits toestemming van de Staat, kan zij toetreden tot een bestaande sectorale overeenkomst.
§ 3. Een sectorale overeenkomst kan de vigerende wetgeving of reglementering noch vervangen, noch in minder strenge zin ervan afwijken.
§ 4. Sectorale overeenkomsten moeten voldoen aan de volgende minimumvoorwaarden :
1° een sectorale overeenkomst is bindend voor de partijen vanaf de ondertekening ervan door alle betrokken partijen.
Naargelang hetgeen bepaald is in de sectorale overeenkomst, is zij tevens bindend voor al de leden van de organisatie of voor een in het algemeen omschreven groep leden ervan.
De ondernemingen die na het sluiten van de sectorale overeenkomst tot de organisatie toetreden en, in voorkomend geval, deel uitmaken van de in een sectorale overeenkomst in het algemeen omschreven groep leden ervan, worden van rechtswege verbonden.
De leden van de door de sectorale overeenkomst verbonden organisatie kunnen zich niet aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen onttrekken door uit de organisatie te treden;
2° een sectorale overeenkomst wordt gesloten voor een bepaalde termijn die in geen geval langer mag zijn dan tien jaar. Elke langere termijn wordt van rechtswege herleid tot tien jaar.
Een sectorale overeenkomst kan niet stilzwijgend verlengd worden. De Staat en een of meer aangesloten organisaties kunnen overeenkomen een sectorale overeenkomst ongewijzigd te verlengen;
3° een sectorale overeenkomst kan worden beëindigd :
a) door het verstrijken van de geldingsduur;
b) door de opzegging ervan door één van de partijen; behoudens andersluidende bepaling in de overeenkomst bedraagt de opzeggingstermijn zes maanden;
c) door een akkoord tussen partijen.
§ 5. De bepalingen van dit artikel zijn van openbare orde. Zij zijn van toepassing op de sectorale overeenkomsten die gesloten zullen worden na de inwerkingtreding van de wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
§ 6. Elke in uitvoering van deze wet gesloten sectorale overeenkomst, evenals elke wijziging aan, verlenging of opzegging van of toetreding tot een in uitvoering van deze wet gesloten sectorale overeenkomst, moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Dit is tevens het geval bij een voortijdige beëindiging van de sectorale overeenkomst door middel van een akkoord tussen partijen. ]1
Art.5ter. [1 § 1er. L'Etat peut conclure des accords sectoriels relatifs à l'importation, l'exportation et le transit d'espèces animales ou végétales non indigènes envahissantes avec des entreprises qui participent à la dispersion de ces espèces ou des organisations regroupant de telles entreprises.
Les organisations visées au premier alinéa doivent démontrer qu'elles :
1° sont représentatives des entreprises qui appartiennent au même secteur; et
2° disposent de la compétence statutaire requise pour conclure un tel accord ou sont mandatées par, au moins, les trois quarts de leurs membres pour conclure avec l'Etat un accord sectoriel qui les liera conformément au § 4, 1°.
§ 2. Dans la mesure où une entreprise ou une organisation remplit les conditions définies au § 1er et moyennant l'accord de l'Etat, elle peut adhérer à un accord sectoriel existant.
§ 3. Un accord sectoriel ne peut ni remplacer la législation ou la réglementation en vigueur, ni y déroger dans le sens de dispositions moins sévères.
§ 4. Les accords sectoriels doivent être conformes aux conditions minimales suivantes :
1° un accord sectoriel lie les parties, dès qu'il a été signé par toutes les parties concernées.
En fonction de ses dispositions, l'accord sectoriel lie, également, tous les membres de l'organisation ou un groupe de membres décrit de manière générale.
L'accord sectoriel lie, de plein droit, les entreprises qui adhèrent à l'organisation après la signature de l'accord et qui font partie, le cas échéant, du groupe de membres décrit de manière générale dans un accord sectoriel.
Les membres de l'organisation liée par l'accord sectoriel ne peuvent se soustraire aux obligations qui en découlent, en quittant l'organisation;
2° un accord sectoriel est conclu pour une durée déterminée qui ne peut, en aucun cas, être supérieure à dix ans. Toute durée plus longue est ramenée, de plein droit, à dix ans.
Un accord sectoriel ne peut être renouvelé tacitement. L'Etat et une ou plusieurs organisations affiliées peuvent prolonger l'accord sectoriel sans modification;
3° il peut être mis un terme à un accord sectoriel :
a) à l'échéance de la durée de validité;
b) par résiliation par l'une des parties; sauf disposition contraire dans l'accord, le délai de préavis est de six mois;
c) par une convention entre les parties.
§ 5. Les dispositions du présent article sont d'ordre public. Elles sont applicables aux accords sectoriels qui seront conclus après l'entrée en vigueur de la loi du 12 juillet 2012 modifiant la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
§ 6. Tout accord sectoriel conclu en exécution de la présente loi, ainsi que toute modification, reconduction ou résiliation de ou adhésion à un accord sectoriel conclue en exécution de la présente loi doivent être publiées au Moniteur belge. Tel est aussi le cas lorsqu'il est mis fin, anticipativement, à l'accord sectoriel par convention entre les parties.]1
Les organisations visées au premier alinéa doivent démontrer qu'elles :
1° sont représentatives des entreprises qui appartiennent au même secteur; et
2° disposent de la compétence statutaire requise pour conclure un tel accord ou sont mandatées par, au moins, les trois quarts de leurs membres pour conclure avec l'Etat un accord sectoriel qui les liera conformément au § 4, 1°.
§ 2. Dans la mesure où une entreprise ou une organisation remplit les conditions définies au § 1er et moyennant l'accord de l'Etat, elle peut adhérer à un accord sectoriel existant.
§ 3. Un accord sectoriel ne peut ni remplacer la législation ou la réglementation en vigueur, ni y déroger dans le sens de dispositions moins sévères.
§ 4. Les accords sectoriels doivent être conformes aux conditions minimales suivantes :
1° un accord sectoriel lie les parties, dès qu'il a été signé par toutes les parties concernées.
En fonction de ses dispositions, l'accord sectoriel lie, également, tous les membres de l'organisation ou un groupe de membres décrit de manière générale.
L'accord sectoriel lie, de plein droit, les entreprises qui adhèrent à l'organisation après la signature de l'accord et qui font partie, le cas échéant, du groupe de membres décrit de manière générale dans un accord sectoriel.
Les membres de l'organisation liée par l'accord sectoriel ne peuvent se soustraire aux obligations qui en découlent, en quittant l'organisation;
2° un accord sectoriel est conclu pour une durée déterminée qui ne peut, en aucun cas, être supérieure à dix ans. Toute durée plus longue est ramenée, de plein droit, à dix ans.
Un accord sectoriel ne peut être renouvelé tacitement. L'Etat et une ou plusieurs organisations affiliées peuvent prolonger l'accord sectoriel sans modification;
3° il peut être mis un terme à un accord sectoriel :
a) à l'échéance de la durée de validité;
b) par résiliation par l'une des parties; sauf disposition contraire dans l'accord, le délai de préavis est de six mois;
c) par une convention entre les parties.
§ 5. Les dispositions du présent article sont d'ordre public. Elles sont applicables aux accords sectoriels qui seront conclus après l'entrée en vigueur de la loi du 12 juillet 2012 modifiant la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
§ 6. Tout accord sectoriel conclu en exécution de la présente loi, ainsi que toute modification, reconduction ou résiliation de ou adhésion à un accord sectoriel conclue en exécution de la présente loi doivent être publiées au Moniteur belge. Tel est aussi le cas lorsqu'il est mis fin, anticipativement, à l'accord sectoriel par convention entre les parties.]1
Modifications
HOOFDSTUK III. _ Bescherming van de natuurlijke milieus.
CHAPITRE III. _ Protection des milieux naturels.
Art. 6.
Art. 6.
Eerste Afdeling. _ Natuurreservaten.
Section 1ère. _ Des réserves naturelles.
Art. 7.
Art. 7.
Art. 8.
Art. 8.
Art. 9.
Art. 9.
Art. 10.
Art. 10.
Art. 11.
Art. 11.
Art. 12.
Art. 12.
Art. 13.
Art. 13.
Art. 14.
Art. 14.
Art. 15.
Art. 15.
Art. 16.
Art. 16.
Art. 17.
Art. 17.
Art. 18.
Art. 18.
Art. 19.
Art. 19.
Afdeling 2. _ Bosreservaten.
Section 2. _ Des réserves forestières.
Art. 20.
Art. 20.
Art. 21.
Art. 21.
Art. 22.
Art. 22.
Art. 23.
Art. 23.
Art. 24.
Art. 24.
Afdeling 3. _ Natuurparken.
Section 3. _ Des parcs naturels.
Art. 25.
Art. 25.
Art. 26.
Art. 26.
Art. 27.
Art. 27.
Art. 28.
Art. 28.
Art. 29.
Art. 29.
Art. 30.
Art. 30.
Art. 31.
Art. 31.
HOOFDSTUK IV. _ De Hoge Raad voor natuurbehoud.
CHAPITRE IV. _ Du Conseil supérieur de la conservation de la nature.
Art. 32.
Art. 32.
Art. 33.
Art. 33.
Art. 34.
Art. 34.
Art. 35.
Art. 35.
HOOFDSTUK V. _ Bescherming van de bossen en van de landelijke ruimte.
CHAPITRE V. _ Protection des forêts et de l'espace rural.
Art. 36.
Art. 36.
Art. 37.
Art. 37.
Art. 37bis.
Art. 37bis.
Art. 38.
Art. 38.
Art. 39.
Art. 39.
HOOFDSTUK VI. _ Algemene maatregelen.
CHAPITRE VI. _ Mesures générales.
Art. 40. Het is verboden naaldbomen te planten of te herplanten of hun zaailingen te laten groeien op minder dan zes meter van de oevers der waterlopen.
De bomen die geplant worden of die men heeft laten groeien met overtreding van het eerste lid van dit artikel, moeten binnen een jaar na de vaststelling van hun aanwezigheid bij procesverbaal worden gerooid.
Onder waterlopen wordt verstaan de onbevaarbare waterlopen, zoals deze omschreven zijn bij de wet van 28 december 1967, alsook de bevaarbare waterwegen, die als dusdanig door de Regering gerangschikt zijn.
De bomen die geplant worden of die men heeft laten groeien met overtreding van het eerste lid van dit artikel, moeten binnen een jaar na de vaststelling van hun aanwezigheid bij procesverbaal worden gerooid.
Onder waterlopen wordt verstaan de onbevaarbare waterlopen, zoals deze omschreven zijn bij de wet van 28 december 1967, alsook de bevaarbare waterwegen, die als dusdanig door de Regering gerangschikt zijn.
Art. 40. Il est interdit de planter ou de replanter des résineux ou de laisser se développer leurs semis à moins de six mètres des berges de tout cours d'eau.
Les arbres plantés ou qu'on a laissé se développer en infraction à l'alinéa 1er du présent article doivent être enlevés dans le délai d'un an de la constatation par procès-verbal de leur présence.
On entend par cours d'eau les cours d'eau non navigables tels qu'ils sont définis par la loi du 28 décembre 1967 et les voies d'eau navigables qui sont classées comme telles par le Gouvernement.
Les arbres plantés ou qu'on a laissé se développer en infraction à l'alinéa 1er du présent article doivent être enlevés dans le délai d'un an de la constatation par procès-verbal de leur présence.
On entend par cours d'eau les cours d'eau non navigables tels qu'ils sont définis par la loi du 28 décembre 1967 et les voies d'eau navigables qui sont classées comme telles par le Gouvernement.
Art. 41.
Art. 41.
Art. 42.
Art. 42.
Art. 43.
Art. 43.
HOOFDSTUK VII. - [1 Handhaving]1
CHAPITRE VII. - [1 Maintien]1
Art. 44.
Art. 44.
Art. 44. (federaal)
[2 § 1. Wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaren en met geldboete van 26 euro tot 50.000 euro, of met één van deze straffen alleen, hij die hetgeen volgt, overtreedt :
1° de bepalingen betreffende de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen, met inbegrip van de bepalingen betreffende de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, genomen in uitvoering van artikel 5, § 2;
2° de bepalingen betreffende het opstellen van een nationale lijst, met inbegrip van de beperkingen die op deze soorten van toepassing zijn, van voor België zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, genomen in uitvoering van artikel 12 van Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, in de mate dat ze gaan over een invoer, een uitvoer of een doorvoer;
3° artikel 7.1, a) en d), artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 15, artikel 31 en artikel 32 van Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, in die mate dat ze gaan over een invoer, een uitvoer of een doorvoer; of
4° een beslissing van de Europese Commissie die slaat op de uitvoering van één van de onder punt 3° bedoelde bepalingen, in die mate dat ze gaat over een invoer, uitvoer of een doorvoer.]2
§ 2. Overtreding van de besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 27 en 28 wordt gestraft met de straffen gesteld bij de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw gewijzigd bij de wet van 22 december 1970.
§ 3. De bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 85 van het Strafwetboek zijn op de in dit artikel bepaalde overtredingen van toepassing.
[2 § 1. Wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaren en met geldboete van 26 euro tot 50.000 euro, of met één van deze straffen alleen, hij die hetgeen volgt, overtreedt :
1° de bepalingen betreffende de in-, uit- en doorvoer van uitheemse plantensoorten, evenals van uitheemse diersoorten en hun krengen, met inbegrip van de bepalingen betreffende de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, genomen in uitvoering van artikel 5, § 2;
2° de bepalingen betreffende het opstellen van een nationale lijst, met inbegrip van de beperkingen die op deze soorten van toepassing zijn, van voor België zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, genomen in uitvoering van artikel 12 van Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, in de mate dat ze gaan over een invoer, een uitvoer of een doorvoer;
3° artikel 7.1, a) en d), artikel 8, artikel 9, artikel 10, artikel 15, artikel 31 en artikel 32 van Verordening (EU) 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, in die mate dat ze gaan over een invoer, een uitvoer of een doorvoer; of
4° een beslissing van de Europese Commissie die slaat op de uitvoering van één van de onder punt 3° bedoelde bepalingen, in die mate dat ze gaat over een invoer, uitvoer of een doorvoer.]2
§ 2. Overtreding van de besluiten genomen ter uitvoering van de artikelen 27 en 28 wordt gestraft met de straffen gesteld bij de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw gewijzigd bij de wet van 22 december 1970.
§ 3. De bepalingen van hoofdstuk VII en artikel 85 van het Strafwetboek zijn op de in dit artikel bepaalde overtredingen van toepassing.
Art. 44. (portée nationale)
§ 1er. [2 Est puni d'un emprisonnement de six mois à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 50.000 euros, ou de l'une de ces peines seulement, celui qui enfreint :
1° les dispositions en matière d'importation, d'exportation et de transit d'espèces végétales non indigènes ainsi que d'espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles, en ce compris les dispositions relatives aux espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union, prises en exécution de l'article 5, § 2;
2° les dispositions relatives à l'établissement d'une liste nationale d'espèces préoccupantes pour la Belgique, en ce compris les restrictions qui sont applicables à ces espèces, prises en exécution de l'article 12 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes, dans la mesure où elles concernent une importation, une exportation ou un transit;
3° l'article 7.1, a) et d), l'article 8, l'article 9, l'article 10, l'article 15, l'article 31 et l'article 32 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes, dans la mesure où ils concernent une importation, exportation ou un transit; ou
4° une décision de la Commission européenne qui porte sur l'exécution d'une des dispositions visées au 3°, dans la mesure où elle concerne une importation, une exportation ou un transit.]2
§ 2. Les peines fixées par la loi du 29 mars 1962 organique de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, modifiée par la loi du 22 décembre 1970, sont applicables aux infractions aux arrêtés pris en exécution des articles 27 et 28.
§ 3. Les dispositions du chapitre VII et de l'article 85 du Code pénal sont applicables aux infractions prévues par le présent article.
§ 1er. [2 Est puni d'un emprisonnement de six mois à cinq ans et d'une amende de 26 euros à 50.000 euros, ou de l'une de ces peines seulement, celui qui enfreint :
1° les dispositions en matière d'importation, d'exportation et de transit d'espèces végétales non indigènes ainsi que d'espèces animales non indigènes et de leurs dépouilles, en ce compris les dispositions relatives aux espèces exotiques envahissantes préoccupantes pour l'Union, prises en exécution de l'article 5, § 2;
2° les dispositions relatives à l'établissement d'une liste nationale d'espèces préoccupantes pour la Belgique, en ce compris les restrictions qui sont applicables à ces espèces, prises en exécution de l'article 12 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes, dans la mesure où elles concernent une importation, une exportation ou un transit;
3° l'article 7.1, a) et d), l'article 8, l'article 9, l'article 10, l'article 15, l'article 31 et l'article 32 du Règlement (UE) n° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes, dans la mesure où ils concernent une importation, exportation ou un transit; ou
4° une décision de la Commission européenne qui porte sur l'exécution d'une des dispositions visées au 3°, dans la mesure où elle concerne une importation, une exportation ou un transit.]2
§ 2. Les peines fixées par la loi du 29 mars 1962 organique de l'aménagement du territoire et de l'urbanisme, modifiée par la loi du 22 décembre 1970, sont applicables aux infractions aux arrêtés pris en exécution des articles 27 et 28.
§ 3. Les dispositions du chapitre VII et de l'article 85 du Code pénal sont applicables aux infractions prévues par le présent article.
Art. 44bis. [1 § 1. [2 Zijn het voorwerp van strafrechtelijke vervolging of van een administratieve boete, de overtredingen op de in artikel 44, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde bepalingen.]2
§ 2. De in artikel 47, eerste lid, bedoelde verbaliserende personen, sturen het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt naar de procureur des Konings, alsook een afschrift ervan naar de door de Koning aangewezen ambtenaar, houder van een licentiaat of van een master in de rechten.
§ 3. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt. Strafvervolging sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar. Ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de nadere regels en voorwaarden die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen.
De strafvordering vervalt wanneer de procureur des Konings verzaakt aan strafrechtelijke vervolging of nalaat zijn beslissing binnen de vaststelde termijn te betekenen.
§ 4. Het bedrag van de administratieve geldboete mag niet lager zijn dan de helft van het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke bepaling, noch hoger dan een twintigste van het maximum van deze boete.
Deze bedragen worden vermeerderd met de op decimen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten.
§ 5. Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen zijn dan het maximumbedrag bedoeld in artikel 44, § 1.
§ 6. De betaling van de administratieve geldboete doet de strafvordering vervallen.
§ 7. Blijft de betrokkene in gebreke om de administratieve geldboete bepaald in § 3, tweede lid, binnen de gestelde termijn te betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete voor de bevoegde rechtbank.
Bij niet-betaling van de administratieve boete binnen de in § 3 bepaalde termijnen, maakt de door de Koning aangewezen ambtenaar de zaak aanhangig bij de rechtbank die bevoegd is om zich uit te spreken over de op te leggen boete.]1
§ 2. De in artikel 47, eerste lid, bedoelde verbaliserende personen, sturen het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt naar de procureur des Konings, alsook een afschrift ervan naar de door de Koning aangewezen ambtenaar, houder van een licentiaat of van een master in de rechten.
§ 3. De procureur des Konings beslist of hij al dan niet strafrechtelijk vervolgt. Strafvervolging sluit administratieve geldboete uit, ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid.
De procureur des Konings beschikt over een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om van zijn beslissing kennis te geven aan de door de Koning aangewezen ambtenaar. Ingeval de procureur des Konings van strafvervolging afziet of verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven, beslist de door de Koning aangewezen ambtenaar overeenkomstig de nadere regels en voorwaarden die Hij bepaalt, of wegens het misdrijf een administratieve geldboete moet worden voorgesteld, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden werd zijn verweermiddelen naar voor te brengen.
De strafvordering vervalt wanneer de procureur des Konings verzaakt aan strafrechtelijke vervolging of nalaat zijn beslissing binnen de vaststelde termijn te betekenen.
§ 4. Het bedrag van de administratieve geldboete mag niet lager zijn dan de helft van het minimum van de geldboete bepaald door de overtreden wettelijke bepaling, noch hoger dan een twintigste van het maximum van deze boete.
Deze bedragen worden vermeerderd met de op decimen vastgesteld voor de strafrechtelijke geldboeten.
§ 5. Bij samenloop van verschillende misdrijven worden de bedragen van de administratieve geldboeten samengevoegd, zonder dat deze samen hoger mogen zijn dan het maximumbedrag bedoeld in artikel 44, § 1.
§ 6. De betaling van de administratieve geldboete doet de strafvordering vervallen.
§ 7. Blijft de betrokkene in gebreke om de administratieve geldboete bepaald in § 3, tweede lid, binnen de gestelde termijn te betalen, dan vordert de ambtenaar de betaling van de geldboete voor de bevoegde rechtbank.
Bij niet-betaling van de administratieve boete binnen de in § 3 bepaalde termijnen, maakt de door de Koning aangewezen ambtenaar de zaak aanhangig bij de rechtbank die bevoegd is om zich uit te spreken over de op te leggen boete.]1
Art.44bis.[1 § 1er. [2 Font l'objet soit de poursuites pénales, soit d'une amende administrative, les infractions aux dispositions visées à l'article 44, § 1er, alinéa 1er, 1° à 4°.]2
§ 2. Les personnes verbalisantes, visées à l'article 47, alinéa 1er, envoient le procès-verbal qui constate l'infraction au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire, titulaire d'une licence ou d'un master en droit, désigné par le Roi.
§ 3. Le procureur du Roi décide s'il y a lieu ou non de poursuivre pénalement. Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné par le Roi. Dans le cas où le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé, le fonctionnaire désigné par le Roi, suivant les modalités et conditions qu'Il fixe, décide, après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu de proposer une amende administrative du chef de l'infraction.
L'action publique s'éteint lorsque le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé.
§ 4. Le montant de l'amende administrative ne peut être inférieur à la moitié du minimum de l'amende prévue par la disposition légale violée, ni supérieur à un vingtième du maximum de cette amende.
Ces montants sont majorés des décimes additionnels fixés pour les amendes pénales.
§ 5. En cas de concours d'infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans que leur total puisse excéder le maximum prévu à l'article 44, § 1er.
§ 6. Le paiement de l'amende administrative éteint l'action publique.
§ 7. Si l'intéressé demeure en défaut de payer l'amende administrative, mentionnée au § 3, alinéa 2, dans le délai fixé, le fonctionnaire poursuit le paiement de l'amende devant le tribunal compétent.
A défaut de paiement de l'amende administrative dans les délais fixés au § 3, le fonctionnaire désigné par le Roi saisit le tribunal compétent pour statuer sur l'imposition de l'amende.]1
§ 2. Les personnes verbalisantes, visées à l'article 47, alinéa 1er, envoient le procès-verbal qui constate l'infraction au procureur du Roi ainsi qu'une copie au fonctionnaire, titulaire d'une licence ou d'un master en droit, désigné par le Roi.
§ 3. Le procureur du Roi décide s'il y a lieu ou non de poursuivre pénalement. Les poursuites pénales excluent l'application d'une amende administrative, même si un acquittement les clôture.
Le procureur du Roi dispose d'un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal pour notifier sa décision au fonctionnaire désigné par le Roi. Dans le cas où le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé, le fonctionnaire désigné par le Roi, suivant les modalités et conditions qu'Il fixe, décide, après avoir mis l'intéressé en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu de proposer une amende administrative du chef de l'infraction.
L'action publique s'éteint lorsque le procureur du Roi renonce à intenter des poursuites pénales ou omet de notifier sa décision dans le délai fixé.
§ 4. Le montant de l'amende administrative ne peut être inférieur à la moitié du minimum de l'amende prévue par la disposition légale violée, ni supérieur à un vingtième du maximum de cette amende.
Ces montants sont majorés des décimes additionnels fixés pour les amendes pénales.
§ 5. En cas de concours d'infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés, sans que leur total puisse excéder le maximum prévu à l'article 44, § 1er.
§ 6. Le paiement de l'amende administrative éteint l'action publique.
§ 7. Si l'intéressé demeure en défaut de payer l'amende administrative, mentionnée au § 3, alinéa 2, dans le délai fixé, le fonctionnaire poursuit le paiement de l'amende devant le tribunal compétent.
A défaut de paiement de l'amende administrative dans les délais fixés au § 3, le fonctionnaire désigné par le Roi saisit le tribunal compétent pour statuer sur l'imposition de l'amende.]1
Art. 45.
Art. 45.
Art. 45bis. [1 § 1. [2 Onverminderd de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), en van de bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijziging van het Verdrag, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, zijn de in artikel 47 opgesomde ambtenaren bevoegd voor het opleggen van een administratieve inbeslagname op de specimen van uitheemse dier- of plantensoorten die het voorwerp uitmaken van een overtreding op de in artikel 44, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde bepalingen.]2
§ 2. De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Deze zendt ze, indien nodig, naar een bewaarcentrum of naar elke andere plaats die geschikt is.
§ 3. De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu is bevoegd voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de inbeslaggenomen specimen. Deze maatregelen kunnen onder andere zijn :
1° het geven van de volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon;
2° een bevel tot slachten;
3° een bevel tot vernietigen;
4° de openbare verkoop;
5° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen.
Deze bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De schriftelijke oplegging kan gebeuren door ofwel de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen ofwel de kennisgeving van het proces-verbaal. De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu behoudt het recht om ten allen tijde de bestuurlijke maatregelen op te heffen.
Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de in artikel 44bis gestelde bevoegdheid.
§ 4. In geval van veroordeling spreekt de rechtbank de verbeurdverklaring uit van de specimens die niet werden vernietigd en legt zij de veroordeelde de onkosten te laste die zouden gemaakt zijn, evenals de kosten van expertises, van het vervoer naar bewaarcentra, van het slachten, van het vernietigen en van de bewaring tot aan de datum van het vonnis.]1
§ 2. De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Deze zendt ze, indien nodig, naar een bewaarcentrum of naar elke andere plaats die geschikt is.
§ 3. De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu is bevoegd voor het nemen van bestuurlijke maatregelen omtrent de inbeslaggenomen specimen. Deze maatregelen kunnen onder andere zijn :
1° het geven van de volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon;
2° een bevel tot slachten;
3° een bevel tot vernietigen;
4° de openbare verkoop;
5° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen.
Deze bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De schriftelijke oplegging kan gebeuren door ofwel de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen ofwel de kennisgeving van het proces-verbaal. De FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu behoudt het recht om ten allen tijde de bestuurlijke maatregelen op te heffen.
Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de in artikel 44bis gestelde bevoegdheid.
§ 4. In geval van veroordeling spreekt de rechtbank de verbeurdverklaring uit van de specimens die niet werden vernietigd en legt zij de veroordeelde de onkosten te laste die zouden gemaakt zijn, evenals de kosten van expertises, van het vervoer naar bewaarcentra, van het slachten, van het vernietigen en van de bewaring tot aan de datum van het vonnis.]1
Art.45bis.[1 § 1er. [2 Sans préjudice de la loi du 28 juillet 1981 portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction, et de ses Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que de l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979, les agents cités à l'article 47 sont compétents pour l'imposition d'une saisie administrative sur les spécimens d'espèces animales ou végétales non indigènes qui font l'objet d'une infraction aux dispositions visées à l'article 44, § 1er, alinéa 1er, 1° à 4°.]2
§ 2. Les spécimens saisis sont confiés au SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement. Celui-ci les envoie, si nécessaire, à un centre de sauvegarde ou à tout autre endroit approprié.
§ 3. Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement est compétent pour prendre des mesures administratives au sujet des spécimens saisis. Ces mesures peuvent être entre autres :
1° l'attribution de l'entière propriété à la personne physique ou morale appropriée;
2° un ordre d'abattage;
3° un ordre de destruction;
4° la vente publique;
5° une combinaison des mesures, visées aux 1°, 2°, 3° et 4°.
Ces mesures administratives sont attestées par écrit. Cette attestation écrite peut consister en la notification de l'arrêté portant les mesures administratives ou la notification du procès-verbal. Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement se conserve le droit à tout moment de lever les mesures administratives.
Cette compétence ne porte pas préjudice à la compétence fixée à l'article 44bis.
§ 4. En cas de condamnation, le tribunal prononce la confiscation des spécimens qui n'ont pas été détruits et met à charge du condamné les frais qui auraient été effectués, ainsi que les frais d'expertises, de transport aux centres de sauvegarde, d'abattage, de destruction et ceux de garde jusqu'à la date du jugement.]1
§ 2. Les spécimens saisis sont confiés au SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement. Celui-ci les envoie, si nécessaire, à un centre de sauvegarde ou à tout autre endroit approprié.
§ 3. Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement est compétent pour prendre des mesures administratives au sujet des spécimens saisis. Ces mesures peuvent être entre autres :
1° l'attribution de l'entière propriété à la personne physique ou morale appropriée;
2° un ordre d'abattage;
3° un ordre de destruction;
4° la vente publique;
5° une combinaison des mesures, visées aux 1°, 2°, 3° et 4°.
Ces mesures administratives sont attestées par écrit. Cette attestation écrite peut consister en la notification de l'arrêté portant les mesures administratives ou la notification du procès-verbal. Le SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement se conserve le droit à tout moment de lever les mesures administratives.
Cette compétence ne porte pas préjudice à la compétence fixée à l'article 44bis.
§ 4. En cas de condamnation, le tribunal prononce la confiscation des spécimens qui n'ont pas été détruits et met à charge du condamné les frais qui auraient été effectués, ainsi que les frais d'expertises, de transport aux centres de sauvegarde, d'abattage, de destruction et ceux de garde jusqu'à la date du jugement.]1
Art. 46.
Art. 46.
Art. 47. [1 Voor deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk bestraffen van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen uitgevoerd volgens de regels in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]1
Art. 47. [1 En ce qui concerne cette loi et ses arrêtes d'exécution, la surveillance, l'imposition de mesures administratives, l'instruction de délits environnementaux, l'imposition de amendes administratives, la perception et le recouvrement des montants dus, la recherche de délits environnementaux, la sanction pénale de délits environnementaux et l'imposition de mesures de sécurité, sont exécutés suivant les règles visées aux titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]1
Art. 47. (federaal)
[3 Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, onderzoeken de leden van de federale en lokale politie, douaneagenten en de leden van het statutair of contractueel personeel van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu die daartoe door de Koning zijn aangewezen de overtredingen op de in artikel 44, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde bepalingen en stellen zij deze overtredingen vast.]3
De door deze overheidspersonen opgemaakte processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd; een afschrift daarvan wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders betekend.
In de uitoefening van hun opdracht mogen deze overheidspersonen fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven betreden.
Zij mogen de plaatsen die tot woning dienen slechts bezoeken met verlof van de rechter in de politierechtbank en dan enkel van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds. Dat verlof is eveneens vereist voor het bezoeken van de niet voor het publiek toegankelijke plaatsen vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds.
[3 Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, onderzoeken de leden van de federale en lokale politie, douaneagenten en de leden van het statutair of contractueel personeel van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu die daartoe door de Koning zijn aangewezen de overtredingen op de in artikel 44, § 1, eerste lid, 1° tot 4°, bedoelde bepalingen en stellen zij deze overtredingen vast.]3
De door deze overheidspersonen opgemaakte processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegenbewijs is geleverd; een afschrift daarvan wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling aan de overtreders betekend.
In de uitoefening van hun opdracht mogen deze overheidspersonen fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, burelen, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven betreden.
Zij mogen de plaatsen die tot woning dienen slechts bezoeken met verlof van de rechter in de politierechtbank en dan enkel van vijf uur 's morgens tot negen uur 's avonds. Dat verlof is eveneens vereist voor het bezoeken van de niet voor het publiek toegankelijke plaatsen vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds.
Art. 47. (portée nationale)
[3 Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les membres de la police fédérale et locale, les agents de la douane et les membres du personnel statutaire ou contractuel du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désignés à cet effet par le Roi recherchent et constatent les infractions aux dispositions visées à l'article 44, § 1er, alinéa 1er, 1° à 4°. ]3
Les procès-verbaux établis par ces agents de l'autorité font foi jusqu'à preuve du contraire; une copie en est signifiée, dans les quinze jours de la constatation, aux auteurs de l'infraction.
Ces agents de l'autorité ont, dans l'exercice de leurs fonctions, libre accès aux usines, magasins, dépôts, bureaux, bateaux, bâtiments d'entreprise, étables, entrepôts, gares, wagons, véhicules et aux entreprises situées en plein air.
Ils ne peuvent visiter les lieux servant à l'habitation qu'avec l'autorisation du juge du tribunal de police et uniquement de cinq heures du matin à neuf heures du soir. La même autorisation est requise pour la visite des lieux non accessibles au public avant cinq heures du matin et après neuf heures du soir.
[3 Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les membres de la police fédérale et locale, les agents de la douane et les membres du personnel statutaire ou contractuel du SPF Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement désignés à cet effet par le Roi recherchent et constatent les infractions aux dispositions visées à l'article 44, § 1er, alinéa 1er, 1° à 4°. ]3
Les procès-verbaux établis par ces agents de l'autorité font foi jusqu'à preuve du contraire; une copie en est signifiée, dans les quinze jours de la constatation, aux auteurs de l'infraction.
Ces agents de l'autorité ont, dans l'exercice de leurs fonctions, libre accès aux usines, magasins, dépôts, bureaux, bateaux, bâtiments d'entreprise, étables, entrepôts, gares, wagons, véhicules et aux entreprises situées en plein air.
Ils ne peuvent visiter les lieux servant à l'habitation qu'avec l'autorisation du juge du tribunal de police et uniquement de cinq heures du matin à neuf heures du soir. La même autorisation est requise pour la visite des lieux non accessibles au public avant cinq heures du matin et après neuf heures du soir.
HOOFDSTUK VIII. _ Slot- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE VIII. _ Dispositions finales et abrogatoires.
Art. 48. Artikel 35ter van het Veldwetboek wordt opgeheven een jaar na het in werking treden van deze wet.
De naaldbomen die geplant zijn in overtreding van het koninklijk besluit van 8 maart 1963 waarbij de waterlopen bepaald worden langs welke elke aanplanting van naaldbomen niet dan op een afstand van ten minste 6 meter van de oevers mag geschieden, en die nog geen 5 jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen het jaar worden uitgeroeid.
De natuurlijke zaailingen, die geen vijf jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen dezelfde termijn worden verwijderd.
De naaldbomen die geplant zijn in overtreding van het koninklijk besluit van 8 maart 1963 waarbij de waterlopen bepaald worden langs welke elke aanplanting van naaldbomen niet dan op een afstand van ten minste 6 meter van de oevers mag geschieden, en die nog geen 5 jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen het jaar worden uitgeroeid.
De natuurlijke zaailingen, die geen vijf jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen dezelfde termijn worden verwijderd.
Art. 48. L'article 35ter du Code rural est abrogé un an après l'entrée en vigueur de la présente loi.
Les résineux qui se trouvent plantés en infraction à l'arrêté royal du 8 mars 1963 déterminant les cours d'eau le long desquels toute plantation de résineux ne peut s'effectuer qu'à une distance de 6 mètres des bords, et qui n'ont pas atteint l'âge de 5 ans au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, doivent être enlevés dans un délai d'un an.
Les semis naturels, n'ayant pas atteint l'âge de 5 ans au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, doivent être enlevés dans le même délai.
Les résineux qui se trouvent plantés en infraction à l'arrêté royal du 8 mars 1963 déterminant les cours d'eau le long desquels toute plantation de résineux ne peut s'effectuer qu'à une distance de 6 mètres des bords, et qui n'ont pas atteint l'âge de 5 ans au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, doivent être enlevés dans un délai d'un an.
Les semis naturels, n'ayant pas atteint l'âge de 5 ans au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, doivent être enlevés dans le même délai.
Art. 49. Artikel 3, § 1, 3°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 wordt door de volgende bepaling vervangen : "....."
Art. 49. L'article 3, § 1er, 3°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée par arrêté royal du 16 mars 1968, est remplacé par la disposition suivante : "....."
Art. 50. Onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning, na raadpleging van de ondergeschikte besturen, vrijstelling verlenen van de onroerende voorheffing voor gronden die deel uitmaken van erkende natuurreservaten.
Art. 50. Le Roi peut, après consultation des pouvoirs subordonnés, accorder, aux conditions qu'Il détermine, l'exemption du précompte immobilier aux terrains faisant partie des réserves naturelles agréés.
HOOFDSTUK IX. - Specifieke bepalingen voor de maritieme duinstreek.
CHAPITRE IX. - Dispositions spécifiques pour la région des dunes maritimes.
Art. 51. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de maritieme duinstreek, zoals in bijlage in kaart gebracht.
Art. 51. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à la région des dunes maritimes, dont la carte figure à l'annexe.
Art. 52. § 1. [De Vlaamse Regering kan, in afwijking van de bepalingen van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu,] op voordracht van het [3 Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek]3, met het oog op de bescherming, de ontwikkeling en het beheer van de maritieme duinstreek, delen van de maritieme duinstreek als beschermd duingebied aanduiden. Landbouwgronden, die gelegen zijn in de agrarische gebieden [2 volgens de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening]2 en in de maritieme duinstreek, kunnen enkel worden beschermd als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. Hun landbouwkundige bestemming blijft onverminderd voortbestaan.
De aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt vanaf de publikatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens [2 de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de]2 verleende verkavelingsvergunningen. [Het bouwverbod heeft betrekking op alle werken die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig [4 artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4. Dit bouwverbod geldt niet voor zover het gaat om verbouwing, herbouw en uitbreiding van bestaande landbouwbedrijven en voor zover deze werken geen wijziging van de landbouwbestemming tot gevolg hebben. [1 Voor de werken, handelingen en wijzigingen in voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, die betrekking hebben op de bestaande openbare, al dan niet lokale, elektrische leidingen, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, zoals transformatorstations, transformatorcabines, installaties voor de productie van elektriciteit en dienstgebouwen, kan het bouwverbod - na advies van de administratieve dienst bevoegd voor het natuurbehoud en van het betreffende gemeentebestuur, en enkel in die gevallen dat er geen alternatieve oplossingen voor de bedoelde werken aanwezig zijn - worden opgeheven door een met redenen omkleed besluit van de Vlaamse regering. De bestaande installaties moeten daarenboven al in werking zijn vóór 10 september 1993.]1
[Het bouwverbod geldt niet voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In de beschermde duingebieden en in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden geldt het bouwverbod niet voor werken noodzakelijk voor een efficiënt natuurbeheer, natuurherstel, natuurontwikkeling, kustverdediging en voor slopingswerken van woningen of gebouwen.]
[4 De bepalingen van artikel 4.4.2, artikel 4.4.6, artikel 4.4.12, artikel 4.4.16, artikel 4.4.21 en artikel 4.4.22, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening inzake het verbouwen van een bestaande woning of constructie, inzake stabiliteitswerken ten behoeve van een bestaande constructie en inzake herstelwerken aan vernietigde of beschadigde woningen of constructies, zijn eveneens van toepassing op de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden.]4
§ 2. Bij de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt de Vlaamse Executieve rekening met :
- de mogelijke dreiging die op het gebied rust, in het bijzonder in het woongebied en in het gebied voor recreatie, en die het behoud ervan als duingebied onmogelijk zou maken of sterk verminderen;
- het belang van het gebied voor het natuurbehoud in het algemeen en voor het behoud van het globaal duinenareaal in het bijzonder :
- de reeds op het gebied rustende bescherming.
§ 3. De Vlaamse Executieve legt binnen drie maanden de besluiten die in uitvoering van dit artikel genomen zijn, ter bekrachtiging aan de Vlaamse Raad voor. De besluiten vervallen van rechtswege indien ze niet binnen zes maanden na de voorlegging bekrachtigd worden. Indien binnen zes maanden na het nemen van het besluit de Vlaamse Raad ontbonden wordt, wordt de termijn voor bekrachtiging met zes maanden verlengd.
De aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt vanaf de publikatie van het besluit een volledig bouwverbod in, ongeacht de bestemming van het goed volgens [2 de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening of volgens de]2 verleende verkavelingsvergunningen. [Het bouwverbod heeft betrekking op alle werken die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig [4 artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4. Dit bouwverbod geldt niet voor zover het gaat om verbouwing, herbouw en uitbreiding van bestaande landbouwbedrijven en voor zover deze werken geen wijziging van de landbouwbestemming tot gevolg hebben. [1 Voor de werken, handelingen en wijzigingen in voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, die betrekking hebben op de bestaande openbare, al dan niet lokale, elektrische leidingen, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur, zoals transformatorstations, transformatorcabines, installaties voor de productie van elektriciteit en dienstgebouwen, kan het bouwverbod - na advies van de administratieve dienst bevoegd voor het natuurbehoud en van het betreffende gemeentebestuur, en enkel in die gevallen dat er geen alternatieve oplossingen voor de bedoelde werken aanwezig zijn - worden opgeheven door een met redenen omkleed besluit van de Vlaamse regering. De bestaande installaties moeten daarenboven al in werking zijn vóór 10 september 1993.]1
[Het bouwverbod geldt niet voor instandhoudingswerken aan gebouwen of woningen in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In de beschermde duingebieden en in de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden geldt het bouwverbod niet voor werken noodzakelijk voor een efficiënt natuurbeheer, natuurherstel, natuurontwikkeling, kustverdediging en voor slopingswerken van woningen of gebouwen.]
[4 De bepalingen van artikel 4.4.2, artikel 4.4.6, artikel 4.4.12, artikel 4.4.16, artikel 4.4.21 en artikel 4.4.22, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening inzake het verbouwen van een bestaande woning of constructie, inzake stabiliteitswerken ten behoeve van een bestaande constructie en inzake herstelwerken aan vernietigde of beschadigde woningen of constructies, zijn eveneens van toepassing op de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden.]4
§ 2. Bij de aanduiding als beschermd duingebied of als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied houdt de Vlaamse Executieve rekening met :
- de mogelijke dreiging die op het gebied rust, in het bijzonder in het woongebied en in het gebied voor recreatie, en die het behoud ervan als duingebied onmogelijk zou maken of sterk verminderen;
- het belang van het gebied voor het natuurbehoud in het algemeen en voor het behoud van het globaal duinenareaal in het bijzonder :
- de reeds op het gebied rustende bescherming.
§ 3. De Vlaamse Executieve legt binnen drie maanden de besluiten die in uitvoering van dit artikel genomen zijn, ter bekrachtiging aan de Vlaamse Raad voor. De besluiten vervallen van rechtswege indien ze niet binnen zes maanden na de voorlegging bekrachtigd worden. Indien binnen zes maanden na het nemen van het besluit de Vlaamse Raad ontbonden wordt, wordt de termijn voor bekrachtiging met zes maanden verlengd.
Art. 52. § 1. [Par dérogation aux dispositions du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, le Gouvernement flamand peut,] sur la proposition de [3 l'Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (Institut de Recherche des Forêts et de la Nature)]3, désigner des parties des dunes maritimes comme zone de dunes protégée, en vue de la protection, du développement et de la gestion des dunes maritimes. Les terres destinées à l'agriculture, situées dans les zones agricoles [2 suivant les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire]2, et dans la zone des dunes maritimes, ne peuvent être protégées que comme zone agricole ayant une importance pour les dunes. Leur destination agricole ne subit aucune modification.
La désignation " zone de dunes protégée " ou " zone agricole ayant une importance pour les dunes " implique, dès la publication de l'arrêté, une interdiction totale de bâtir, quelle que soit la destination du bien suivant [2 les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ou ]2 suivant les permis de lotissement accordés. [L'interdiction de construire se rapporte à tous les travaux devant faire l'objet d'un permis conformément à [4 l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4. Cette interdiction de bâtir n'est pas d'application à la transformation, la reconstruction ou l'agrandissement d'exploitations agricoles existantes, pour autant que ces travaux ne modifient pas la destination agricole. [1 L'interdiction de construction peut, en ce qui concerne les travaux, les actes et modifications dans une zone agricole ayant une importance pour la zone dunaire qui ont trait à des conduites électriques publiques existantes, locales ou non, y compris leur infrastructure, telles que les stations de transformateurs, les cabines de transformateurs, les installations de production d'électricité et les bâtiments de service, - après avis du service administratif chargé de la conservation et de l'administration communale concernée et seulement dans les cas où il n'y a pas de solutions alternatives pour les travaux en question - être supprimée par un arrêté motivé du Gouvernement flamand. Les installations existantes doivent en outre être fonctionnelles avant le 10 septembre 1993.]1
[L'interdiction de bâtir ne s'applique pas aux travaux de conservation de bâtiments ou d'habitations dans les zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Dans les zones de dunes définitivement protégées et dans les zones agricoles ayant une importance pour les dunes, l'interdiction de bâtir ne s'applique pas aux travaux nécessaire à une gestion efficace de la nature, à la restauration de la nature, au développement de la nature, aux défenses côtières et aux travaux de démolition d'habitations ou de bâtiments.]
[4 Les dispositions des articles 4.4.2, 4.4.6, 4.4.12, 4.4.16, 4.4.21 et 4.4.22 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire en matière de la transformation d'une habitation ou construction existante, en matière de travaux de stabilité dans le cadre d'une nouvelle construction et en matière de travaux de réparation à des habitations ou construction démolies ou endommagées, s'appliquent également aux zones agricoles d'intérêt pour la zone dunaire.]4
§ 2. Lors de la désignation comme " zone de dunes protégée " ou " zone agricole ayant de l'importance pour les dunes ", l'Exécutif flamand tient compte :
- des menaces éventuelles pesant sur la zone, plus particulièrement dans la zone d'habitation et dans la zone de récréation, qui rendraient la conservation des dunes impossible ou la diminueraient fortement;
- de l'intérêt de la zone pour la conservation de la nature en général et pour la conservation de la superficie globale des dunes en particulier;
- de la protection dont la zone bénéficie déjà.
§ 3. Dans les trois mois, l'Exécutif flamand présente les arrêtés pris en exécution du présent article au Conseil flamand pour ratification. Les arrêtés sont caducs de plein droit s'ils ne sont pas ratifiés dans les six mois de leur présentation. Lorsque le Conseil flamand est dissous dans les six mois de la prise de l'arrêté, le délai de ratification est prolongé de six mois.
La désignation " zone de dunes protégée " ou " zone agricole ayant une importance pour les dunes " implique, dès la publication de l'arrêté, une interdiction totale de bâtir, quelle que soit la destination du bien suivant [2 les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur dans le cadre de l'aménagement du territoire ou ]2 suivant les permis de lotissement accordés. [L'interdiction de construire se rapporte à tous les travaux devant faire l'objet d'un permis conformément à [4 l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4. Cette interdiction de bâtir n'est pas d'application à la transformation, la reconstruction ou l'agrandissement d'exploitations agricoles existantes, pour autant que ces travaux ne modifient pas la destination agricole. [1 L'interdiction de construction peut, en ce qui concerne les travaux, les actes et modifications dans une zone agricole ayant une importance pour la zone dunaire qui ont trait à des conduites électriques publiques existantes, locales ou non, y compris leur infrastructure, telles que les stations de transformateurs, les cabines de transformateurs, les installations de production d'électricité et les bâtiments de service, - après avis du service administratif chargé de la conservation et de l'administration communale concernée et seulement dans les cas où il n'y a pas de solutions alternatives pour les travaux en question - être supprimée par un arrêté motivé du Gouvernement flamand. Les installations existantes doivent en outre être fonctionnelles avant le 10 septembre 1993.]1
[L'interdiction de bâtir ne s'applique pas aux travaux de conservation de bâtiments ou d'habitations dans les zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Dans les zones de dunes définitivement protégées et dans les zones agricoles ayant une importance pour les dunes, l'interdiction de bâtir ne s'applique pas aux travaux nécessaire à une gestion efficace de la nature, à la restauration de la nature, au développement de la nature, aux défenses côtières et aux travaux de démolition d'habitations ou de bâtiments.]
[4 Les dispositions des articles 4.4.2, 4.4.6, 4.4.12, 4.4.16, 4.4.21 et 4.4.22 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire en matière de la transformation d'une habitation ou construction existante, en matière de travaux de stabilité dans le cadre d'une nouvelle construction et en matière de travaux de réparation à des habitations ou construction démolies ou endommagées, s'appliquent également aux zones agricoles d'intérêt pour la zone dunaire.]4
§ 2. Lors de la désignation comme " zone de dunes protégée " ou " zone agricole ayant de l'importance pour les dunes ", l'Exécutif flamand tient compte :
- des menaces éventuelles pesant sur la zone, plus particulièrement dans la zone d'habitation et dans la zone de récréation, qui rendraient la conservation des dunes impossible ou la diminueraient fortement;
- de l'intérêt de la zone pour la conservation de la nature en général et pour la conservation de la superficie globale des dunes en particulier;
- de la protection dont la zone bénéficie déjà.
§ 3. Dans les trois mois, l'Exécutif flamand présente les arrêtés pris en exécution du présent article au Conseil flamand pour ratification. Les arrêtés sont caducs de plein droit s'ils ne sont pas ratifiés dans les six mois de leur présentation. Lorsque le Conseil flamand est dissous dans les six mois de la prise de l'arrêté, le délai de ratification est prolongé de six mois.
Art. 53. § 1. Uiterlijk op 31 december 1994 moet voor de Vlaamse kustgemeenten, voor het gedeelte van hun grondgebied gelegen binnen de maritieme duinstreek, een perceelsgewijze inventaris worden opgemaakt van de gebieden waar, met het oog op een maximaal behoud en optimaal beheer van de maritieme duinstreek, bestemmingswijzigingen of beperkende maatregelen wenselijk zijn. Voor deze percelen bevat de inventaris minstens de volgende gegevens :
a) de bestemmingszones volgens de heersende plannen van aanleg;
b) de eigendomsstructuur voor zover een bestemmingswijziging wordt voorgesteld;
c) de gemotiveerde voorstellen tot wijziging, eventueel met specifieke beperkingen;
d) voor wat de bouwzones betreft, opgave en beschrijving van de kadastrale percelen waarvan de niet-bebouwing wenselijk wordt geacht.
Deze inventaris wordt opgemaakt door de Vlaamse Executieve, in samenspraak met de betrokken gemeenten. De gemeenten stellen de nodige informatie ter beschikking.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de procedure van openbaar onderzoek bij het opmaken van deze inventaris.
a) de bestemmingszones volgens de heersende plannen van aanleg;
b) de eigendomsstructuur voor zover een bestemmingswijziging wordt voorgesteld;
c) de gemotiveerde voorstellen tot wijziging, eventueel met specifieke beperkingen;
d) voor wat de bouwzones betreft, opgave en beschrijving van de kadastrale percelen waarvan de niet-bebouwing wenselijk wordt geacht.
Deze inventaris wordt opgemaakt door de Vlaamse Executieve, in samenspraak met de betrokken gemeenten. De gemeenten stellen de nodige informatie ter beschikking.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de procedure van openbaar onderzoek bij het opmaken van deze inventaris.
Art. 53. § 1. Pour les communes du littoral flamand, en ce qui concerne la partie de leur territoire située dans les dunes maritimes, il y a lieu d'établir, au plus tard le 31 décembre 1994, un inventaire parcellaire des zones pour lesquelles des modifications de destination ou des mesures limitatives sont souhaitables en vue de la conservation maximale et de la gestion optimale de la zone des dunes maritimes. Pour ces parcelles, l'inventaire doit au moins comprendre les données suivantes :
a) les zones de destination suivant les plans d'aménagement en vigueur;
b) la structure des propriété pour autant qu'une modification de destination soit proposée;
c) les propositions de modification motivées, éventuellement avec limitations spécifiques;
d) en ce qui concerne les zones de bâtisse, mention et description des parcelles cadastrales dont on estime qu'il n'est pas souhaitable d'y bâtir.
Cet inventaire est rédigé par l'Exécutif flamand en concertation avec les communes concernées. Les communes fourniront toute information nécessaire.
§ 2. L'Exécutif flamand détermine la procédure de l'enquête publique lors de l'établissement de cet inventaire.
a) les zones de destination suivant les plans d'aménagement en vigueur;
b) la structure des propriété pour autant qu'une modification de destination soit proposée;
c) les propositions de modification motivées, éventuellement avec limitations spécifiques;
d) en ce qui concerne les zones de bâtisse, mention et description des parcelles cadastrales dont on estime qu'il n'est pas souhaitable d'y bâtir.
Cet inventaire est rédigé par l'Exécutif flamand en concertation avec les communes concernées. Les communes fourniront toute information nécessaire.
§ 2. L'Exécutif flamand détermine la procédure de l'enquête publique lors de l'établissement de cet inventaire.
Art. 54. (§ 1. Schadevergoeding is ingevolge het in artikel 52 bedoelde bouwverbod verschuldigd wanneer dit verbod, volgend uit een definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied, een einde maakt aan de bestemming volgens de geldende plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen die de grond had de dag voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit tot voorlopige aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied.
§ 2. [Het recht op schadevergoeding ontstaat bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. De vorderingen tot betaling van de schadevergoeding worden ingediend bij de Vlaamse regering. De vordering tot betaling van de schadevergoeding verjaart drie jaar na de dag dat het recht op vergoeding ontstaat.]
§ 3. De waardevermindering die voor de schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en andersdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding.
§ 4. Enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod komt in aanmerking voor schadevergoeding. De waardevermindering ten belope van twintig procent moet zonder vergoeding gedoogd worden. Voor de berekening van de schadevergoeding wordt geen rekening gehouden met de overdracht van de goederen die na 14 juli 1993 doorgang vond.)
§ 5. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in [artikel 35, tiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996].
§ 6. De Vlaamse Executieve bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, inzonderheid wat betreft de vaststelling van de waarde van het goed en de actualisering ervan. Wat de actualisering betreft, [dient deze te geschieden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen].
[§ 7. Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Vlaamse regering, en na advies door het Instituut voor Natuurbehoud, houdende opheffing van het in artikel 52 bedoelde bouwverbod voor het betrokken perceel.
§ 8. Indien een natuurlijk persoon slechts eigenaar is van één bouwperceel, waarvan de maximale oppervlakte wordt bepaald door de Vlaamse regering, gelegen in het beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied en indien dit perceel zijn enig onbebouwd bouwperceel is en hij voor het overige slechts eigenaar is van één onroerende eigendom op datum van 15 september 1993, kan hij de aankoop door het Vlaamse Gewest eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekend schrijven, te zenden binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en integraal betaald binnen vierentwintig maanden na de kennisgeving, op straffe van verval van rechtswege van het bouwverbod, bedoeld in artikel 52. De aankoop door het Vlaamse Gewest houdt in dat de betaalde koopprijs of, bij verwerving op een andere wijze dan door aankoop, de waarde waaraan het goed geschat werd voor de betaling van de rechten, geactualiseerd en verhoogd met de lasten en de kosten, de financieringskosten inbegrepen, terugbetaald worden. De Vlaamse regering bepaalt hoe deze paragraaf wordt toegepast.
§ 9. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in [artikel 35, tiende lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996].]
§ 2. [Het recht op schadevergoeding ontstaat bij overdracht van het goed, bij de afgifte van een weigering van bouwvergunning of bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, mits de overdracht of de afgifte geschiedt na de bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding als beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied. De vorderingen tot betaling van de schadevergoeding worden ingediend bij de Vlaamse regering. De vordering tot betaling van de schadevergoeding verjaart drie jaar na de dag dat het recht op vergoeding ontstaat.]
§ 3. De waardevermindering die voor de schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, zonder rekening te houden met het bouwverbod, en andersdeels de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding.
§ 4. Enkel de waardevermindering rechtstreeks voortvloeiende uit het in artikel 52 bedoelde bouwverbod komt in aanmerking voor schadevergoeding. De waardevermindering ten belope van twintig procent moet zonder vergoeding gedoogd worden. Voor de berekening van de schadevergoeding wordt geen rekening gehouden met de overdracht van de goederen die na 14 juli 1993 doorgang vond.)
§ 5. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in [artikel 35, tiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996].
§ 6. De Vlaamse Executieve bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, inzonderheid wat betreft de vaststelling van de waarde van het goed en de actualisering ervan. Wat de actualisering betreft, [dient deze te geschieden op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen].
[§ 7. Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Vlaamse regering, en na advies door het Instituut voor Natuurbehoud, houdende opheffing van het in artikel 52 bedoelde bouwverbod voor het betrokken perceel.
§ 8. Indien een natuurlijk persoon slechts eigenaar is van één bouwperceel, waarvan de maximale oppervlakte wordt bepaald door de Vlaamse regering, gelegen in het beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied en indien dit perceel zijn enig onbebouwd bouwperceel is en hij voor het overige slechts eigenaar is van één onroerende eigendom op datum van 15 september 1993, kan hij de aankoop door het Vlaamse Gewest eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekend schrijven, te zenden binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van het besluit tot definitieve aanduiding van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en integraal betaald binnen vierentwintig maanden na de kennisgeving, op straffe van verval van rechtswege van het bouwverbod, bedoeld in artikel 52. De aankoop door het Vlaamse Gewest houdt in dat de betaalde koopprijs of, bij verwerving op een andere wijze dan door aankoop, de waarde waaraan het goed geschat werd voor de betaling van de rechten, geactualiseerd en verhoogd met de lasten en de kosten, de financieringskosten inbegrepen, terugbetaald worden. De Vlaamse regering bepaalt hoe deze paragraaf wordt toegepast.
§ 9. Er is geen vergoeding verschuldigd in de gevallen bedoeld in [artikel 35, tiende lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996].]
Art. 54. [§ 1. L'indemnité est due suite à l'interdiction visée à l'article 52, lorsque cette interdiction, résultant d'une désignation définitive des dunes protégées et des zones agricoles ayant une importance pour les dunes, met un terme à la destination suivant les plans d'aménagement en vigueur ou les permis de lotir qui s'appliquaient au terrain au jour précédant la publication de l'arrêté portant désignation provisoire des zones de dunes protégées ou des zones agricoles ayant une importance pour les dunes.
§ 2. [Le droit d'indemnisation naît lors du transfert d'un bien, lors de la délivrance d'un refus d'un permis de bâtir ou lors d'une attestation urbanistique négative, à condition que le transfert ou la délivrance se font après la publication de l'arrêté de désignation définitive des zones de dunes protégées et des zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Les réclamations de paiement des indemnités sont introduites auprès du Gouvernement flamand. Les réclamations de paiement des indemnités se prescrivent trois années après le jour de l'ouverture du droit d'indemnisation.]
§ 3. La diminution de valeur pouvant faire l'objet d'une indemnité, doit être estimée comme la différence entre, d'une part, la valeur du bien au moment de l'acquisition, actualisée jusqu'au jour de la naissance du droit d'indemnité et majorée des charges et des frais, sans tenir compte de l'interdiction de bâtir, et d'autre part, la valeur du bien au moment de la naissance du droit d'indemnité.
§ 4. Seule la diminution de valeur résultant directement de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52, peut faire l'objet d'une indemnité. La diminution de valeur à concurrence de 20 % doit être acceptée sans indemnité. Pour le calcul de l'indemnité il ne sera pas tenu compte des transferts de biens ayant eu lieu après le 14 juillet 1993.]
§ 5. Aucun dédommagement n'est dû dans le cas visé à [l'article 35, dixième alinéa, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996].
§ 6. L'Exécutif flamand détermine les modalités d'exécution du présent article, en particulier en ce qui concerne la fixation de la valeur du bien et son actualisation. En ce qui concerne l'actualisation, [elle se fera sur base de l'évolution de l'indice des prix à la consommation].
[§ 7. Il peut être satisfait à l'obligation d'indemnité par un arrêté motivé du Gouvernement flamand, et après avis de l'Institut de la Conservation de la Nature, portant abrogation de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52 pour la parcelle concernée.
§ 8. Lorsqu'une personne physique est propriétaire d'une seule parcelle à bâtir, dont la superficie maximale est déterminée par le Gouvernement flamand, située dans des zones de dunes protégées ou dans des zones agricoles ayant une importance pour les dunes et lorsque cette parcelle constitue son unique parcelle à bâtir non-construite et que pour le reste il n'est propriétaire que d'une seule propriété immeuble à la date du 15 septembre 1993, elle peut exiger l'achat par la Région flamande, en faisant connaître sa volonté par lettre recommandée, à envoyer dans vingt-quatre mois de la publication de l'arrêté portant désignation provisoire des zones de dunes protégées ou des zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Dans ce cas, la parcelle doit être rachetée et intégralement payée dans les vingt-quatre mois après la notification, sous peine de déchéance du droit de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52. L'achat par la Région flamande implique que le prix d'achat payé ou que la valeur, en cas d'acquisition autre que par achat, à laquelle le bien a été estimé en vue du paiement des droits, majorée des charges et des frais y compris les frais de financement, soient remboursés. Le Gouvernement flamand détermine le mode d'application du présent paragraphe.
§ 9. Aucune indemnité n'est due dans les cas visés à [l'article 35, dixième alinéa, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996].]
§ 2. [Le droit d'indemnisation naît lors du transfert d'un bien, lors de la délivrance d'un refus d'un permis de bâtir ou lors d'une attestation urbanistique négative, à condition que le transfert ou la délivrance se font après la publication de l'arrêté de désignation définitive des zones de dunes protégées et des zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Les réclamations de paiement des indemnités sont introduites auprès du Gouvernement flamand. Les réclamations de paiement des indemnités se prescrivent trois années après le jour de l'ouverture du droit d'indemnisation.]
§ 3. La diminution de valeur pouvant faire l'objet d'une indemnité, doit être estimée comme la différence entre, d'une part, la valeur du bien au moment de l'acquisition, actualisée jusqu'au jour de la naissance du droit d'indemnité et majorée des charges et des frais, sans tenir compte de l'interdiction de bâtir, et d'autre part, la valeur du bien au moment de la naissance du droit d'indemnité.
§ 4. Seule la diminution de valeur résultant directement de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52, peut faire l'objet d'une indemnité. La diminution de valeur à concurrence de 20 % doit être acceptée sans indemnité. Pour le calcul de l'indemnité il ne sera pas tenu compte des transferts de biens ayant eu lieu après le 14 juillet 1993.]
§ 5. Aucun dédommagement n'est dû dans le cas visé à [l'article 35, dixième alinéa, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996].
§ 6. L'Exécutif flamand détermine les modalités d'exécution du présent article, en particulier en ce qui concerne la fixation de la valeur du bien et son actualisation. En ce qui concerne l'actualisation, [elle se fera sur base de l'évolution de l'indice des prix à la consommation].
[§ 7. Il peut être satisfait à l'obligation d'indemnité par un arrêté motivé du Gouvernement flamand, et après avis de l'Institut de la Conservation de la Nature, portant abrogation de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52 pour la parcelle concernée.
§ 8. Lorsqu'une personne physique est propriétaire d'une seule parcelle à bâtir, dont la superficie maximale est déterminée par le Gouvernement flamand, située dans des zones de dunes protégées ou dans des zones agricoles ayant une importance pour les dunes et lorsque cette parcelle constitue son unique parcelle à bâtir non-construite et que pour le reste il n'est propriétaire que d'une seule propriété immeuble à la date du 15 septembre 1993, elle peut exiger l'achat par la Région flamande, en faisant connaître sa volonté par lettre recommandée, à envoyer dans vingt-quatre mois de la publication de l'arrêté portant désignation provisoire des zones de dunes protégées ou des zones agricoles ayant une importance pour les dunes. Dans ce cas, la parcelle doit être rachetée et intégralement payée dans les vingt-quatre mois après la notification, sous peine de déchéance du droit de l'interdiction de bâtir visée à l'article 52. L'achat par la Région flamande implique que le prix d'achat payé ou que la valeur, en cas d'acquisition autre que par achat, à laquelle le bien a été estimé en vue du paiement des droits, majorée des charges et des frais y compris les frais de financement, soient remboursés. Le Gouvernement flamand détermine le mode d'application du présent paragraphe.
§ 9. Aucune indemnité n'est due dans les cas visés à [l'article 35, dixième alinéa, du décret relatif à l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996].]
Art. 55. De Vlaamse Executieve kan in overeenkomst met de eigenaars en de gebruikers van de betrokken gronden beheersovereenkomsten sluiten met het oog op een voor het natuurbehoud verantwoord beheer van de maritime duinstreek.
Art. 55. L'Exécutif flamand peut, en concertation avec les propriétaires et les usagers des terrains concernés, conclure des accords de gestion en vue d'une gestion raisonnée de la zone des dunes maritimes sur le plan de la conservation de la nature.
Art. 56. Onverminderd de bepalingen van [artikelen 58 tot en met 62 van het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu] en 47 van deze wet, worden met een geldboete van tweehonderd tot vijftigduizend frank gestraft, diegenen die handelen in strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk. Onverminderd deze straf beveelt de rechtbank zo nodig de plaats in zijn vroegere staat te herstellen.
Art. 56. Sans préjudice des dispositions [des articles 58 à 62 inclus du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel] et 47 de la présente loi, sont punis d'une amende de deux cents à cinquante mille francs, tous ceux qui agissent contrairement aux dispositions du présent chapitre. Sans préjudice de cette peine, le tribunal ordonne, si nécessaire, de restaurer les lieux en leur état antérieur.
Art. 57.
Art. 57.
Bijlagen.
Annexes.
Art. N1. Bijlage 1. - Plan van 1 tot 7 niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 31/08/1993, p. 19121 tot 19134>
Art. N1. Annexe 1. - Plan de 1 à 7 non repris pour des raisons techniques. Voir MB 31/08/1993, p. 19121 à 19134>