Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan :
1° onder "wet" : de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen ;
2° onder "Minister" : de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft ;
3° onder "burgemeester" : de burgemeester of de door hem gemachtigde ambtenaar van het gemeentebestuur.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 NOVEMBER 1969. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-12-1981 en tekstbijwerking tot 22-01-2026)
Titre
17 NOVEMBRE 1969. - Arrêté royal portant règlement général relatif à l'octroi d'allocations aux handicapés (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-12-1981 et mise à jour au 22-01-2026)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK I. _ Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. _ De indiening van de aanvragen.
HOOFDSTUK III. _ Het onderzoek van de aanvragen.
Afdeling 1. _ Algemene bepalingen.
Afdeling 2. _ De onderscheidene hoedanigheden ...
Afdeling 3. - Raming van de bestaansmiddelen.
Onderafdeling 1. - De bestaansmiddelen van de w...
Onderafdeling 2. - De bestaansmiddelen van de n...
Onderafdeling 3. _ Vrijgestelde bestaansmiddelen.
Afdeling 4. _ Het geneeskundig onderzoek.
Afdeling 5. _ Ingang van het recht op de tegemo...
HOOFDSTUK IV. - Berekening van het bedrag van d...
HOOFDSTUK V. - De aanvullende tegemoetkoming.
HOOFDSTUK Vbis. - De tegemoetkoming ter aanvul...
HOOFDSTUK VI. _ De bijzondere tegemoetkomingen.
HOOFDSTUK VIbis. - Tegemoetkoming voor hulp va...
HOOFDSTUK VII. _ Koppeling aan het indexcijfer ...
HOOFDSTUK VIII. _ De beslissingen
HOOFDSTUK IX. _ De betaling van de tegemoetkomi...
HOOFDSTUK X. _ Herzieningen.
Afdeling 1. _ Herzieningen op aanvraag.
Afdeling 2. _ Ambtshalve herzieningen
Afdeling 3. _ Onderzoek van de herzieningen
Afdeling 4. _ Uitwerking van de herzieningen.
HOOFDSTUK XI. _ De Commissie voor sociaal hulpb...
HOOFDSTUK XII. _ Overgangs- en slotbepalingen.
Table des matières
CHAPITRE 1er. _ Dispositions liminaires.
CHAPITRE II. _ L'introduction des demandes.
CHAPITRE III. _ L'instruction des demandes.
Section 1. _ Dispositions générales.
Section 2. _ Des diverses qualités des handica...
Section 3. - De l'évaluation des ressources.
Sous-section 1. - Des ressources du handicapé-t...
Sous-section 2. - Des ressources du handicapé-n...
Sous-Section 3. _ Des immunisations de ressources.
Section 4. _ L'instruction médicale.
Section 5. _ Prise de cours du droit aux alloca...
CHAPITRE IV. - Calcul du montant de l'allocatio...
CHAPITRE V. - L'allocation complémentaire.
CHAPITRE Vbis. - L'allocation de complément du...
CHAPITRE VI. _ L'allocation spéciale.
CHAPITRE VIBis. - L'allocation pour l'aide d'un...
CHAPITRE VII. _ (Liaison à l'indice des prix à ...
CHAPITRE VIII. _ Les décisions.
CHAPITRE IX. _ Le paiement des allocations.
CHAPITRE X. _ Révisions.
Section 1. _ Révisions sur demande.
Section 2. _ Révisions d'office
Section 3. _ Instructions des révisions
Section 4. _ Effet des révisions.
CHAPITRE XI. _ La commission d'aide sociale aux...
CHAPITRE XII. _ Dispositions transitoires et fi...
Tekst (117)
Texte (117)
HOOFDSTUK I. _ Inleidende bepalingen.
CHAPITRE 1er. _ Dispositions liminaires.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il a lieu d'entendre :
1° par "loi": la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés;
2° par "Ministre": le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions ;
3° par "bourgmestre": le bourgmestre ou le fonctionnaire de l'administration communale délégué par lui.
1° par "loi": la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés;
2° par "Ministre": le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions ;
3° par "bourgmestre": le bourgmestre ou le fonctionnaire de l'administration communale délégué par lui.
HOOFDSTUK II. _ De indiening van de aanvragen.
CHAPITRE II. _ L'introduction des demandes.
Art. 2. (De in artikel 14 van de wet bedoelde aanvraag moet, onverminderd het laatste lid, worden ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de aanvrager werkelijk verblijft.)
De aanvrager kan zich, voor het vervullen van de bij dit hoofdstuk (en bij hoofdstuk III) vereiste formaliteiten, laten vertegenwoordigen door een persoon die hij daartoe speciaal machtigt.
De lasthebber moet meerderjarig zijn en drager van een volmacht.
Indien de aanvrager niet kan ondertekenen, zet hij een kruisje op de aanvraag : deze wordt mede-ondertekend door de burgemeester.
(Indien het in artikel 4, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag is bijgevoegd, geldt de in het eerste lid bedoelde aanvraag om tegemoetkoming (...) als aanvraag om tegemoetkoming voor hulp van derde.)
De aanvrager kan zich, voor het vervullen van de bij dit hoofdstuk (en bij hoofdstuk III) vereiste formaliteiten, laten vertegenwoordigen door een persoon die hij daartoe speciaal machtigt.
De lasthebber moet meerderjarig zijn en drager van een volmacht.
Indien de aanvrager niet kan ondertekenen, zet hij een kruisje op de aanvraag : deze wordt mede-ondertekend door de burgemeester.
(Indien het in artikel 4, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag is bijgevoegd, geldt de in het eerste lid bedoelde aanvraag om tegemoetkoming (...) als aanvraag om tegemoetkoming voor hulp van derde.)
Art. 2. (la demande visée à l'article 14 de la loi doit être introduite auprès du bourgmestre de la commune dans laquelle le demandeur a sa résidence effective, sans préjudice du dernier alinéa.)
Pour l'exécution des formalités requises par le présent chapitre (et par le chapitre III), le demandeur peut se faire représenter par une personne qu'il mandate spécialement à cette fin. .
Le mandataire doit être majeur et porteur d'une procuration.
Si le demandeur ne sait pas signer, il appose une croix sur la demande ; celle-ci est contresignée par le bourgmestre.
Lorsqu'elle est accompagnée du rapport motivé visé à l'article 4, alinéa 2, la demande d'allocation visée à l'alinéa 1er (...) vaut demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne. .
Pour l'exécution des formalités requises par le présent chapitre (et par le chapitre III), le demandeur peut se faire représenter par une personne qu'il mandate spécialement à cette fin. .
Le mandataire doit être majeur et porteur d'une procuration.
Si le demandeur ne sait pas signer, il appose une croix sur la demande ; celle-ci est contresignée par le bourgmestre.
Lorsqu'elle est accompagnée du rapport motivé visé à l'article 4, alinéa 2, la demande d'allocation visée à l'alinéa 1er (...) vaut demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne. .
Art. 2bis. (De in artikel 2, eerste lid, bedoelde aanvraag mag ten vroegste worden ingediend, de eerste dag van de zesde maand vóór deze tijdens welke de aanvrager :
a. de in artikel 4, 2°, van de wet bedoelde minimumleeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de gewone tegemoetkoming ;
b. de in artikel 10, 2°, van de wet bedoelde minimumleeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de bijzondere tegemoetkoming ;
c. de in artikel 6 van de wet bedoelde leeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de aanvullende tegemoetkoming. In dit geval, moet de aanvraag om de tegemoetkoming voor hulp van derde niet worden hernieuwd.)
d. (de in art. 2, § 3 bis, van de wet bedoelde leeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden)
a. de in artikel 4, 2°, van de wet bedoelde minimumleeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de gewone tegemoetkoming ;
b. de in artikel 10, 2°, van de wet bedoelde minimumleeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de bijzondere tegemoetkoming ;
c. de in artikel 6 van de wet bedoelde leeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de aanvullende tegemoetkoming. In dit geval, moet de aanvraag om de tegemoetkoming voor hulp van derde niet worden hernieuwd.)
d. (de in art. 2, § 3 bis, van de wet bedoelde leeftijd bereikt, wanneer het een aanvraag is om de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden)
Art. 2bis. La demande visée à l'article 2, alinéa 1er, peut être introduite au plus tôt le premier jour du sixième mois précédent celui au cours duquel le demandeur atteint :
a. l'âge minimum visé à l'article 4, 2°, de la loi lorsque la demande concerne l'allocation spéciale ;
b. l'âge minimum visé à l'article 10, 2°, de la loi lorsque la demande concerne l'allocation spéciale ;
c. l'âge visé à l'article 6 de la loi lorsque la demande concerne l'allocation complémentaire. Dans ce cas, la demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne ne doit pas être renouvelée.
d. (l'âge visé à l'article 2, § 3bis de la loi, lorsque la demande concerne l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées.) .
a. l'âge minimum visé à l'article 4, 2°, de la loi lorsque la demande concerne l'allocation spéciale ;
b. l'âge minimum visé à l'article 10, 2°, de la loi lorsque la demande concerne l'allocation spéciale ;
c. l'âge visé à l'article 6 de la loi lorsque la demande concerne l'allocation complémentaire. Dans ce cas, la demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne ne doit pas être renouvelée.
d. (l'âge visé à l'article 2, § 3bis de la loi, lorsque la demande concerne l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées.) .
Art. 3. De burgemeester noteert de aanvraag om tegemoetkoming op een formulier conform bijlage I;
daarop vermeldt hij alle inlichtingen met betrekking tot de burgerlijke stand, de nationaliteit en de woonplaats van de aanvrager en eventueel van de echtgenoot. Deze inlichtingen worden overgenomen volgens de aanduidingen die voorkomen op de identiteitskaart. De burgemeester reikt de aanvrager een bewijs van ontvangst uit dat de datum vermeldt waarop hij zich de eerste maal heeft aangemeld voor het indienen van zijn aanvraag, alsook de formulieren voor de geneeskundige getuigschriften, conform bijlage II, III en IV, die vereist zijn voor de volledige beschrijving van zijn invaliditeit.
(Bij de aanvraag om tegemoetkoming voor hulp van derde moet een gemotiveerd verslag worden gevoegd, opgemaakt door de in het artikel 4, eerste lid, bedoelde geneesheer ; uit dat gemotiveerd verslag moet de eventuele behoefte aan hulp van derde blijken, zich ondermeer steunend op de door de Minister bepaalde handleiding.)
daarop vermeldt hij alle inlichtingen met betrekking tot de burgerlijke stand, de nationaliteit en de woonplaats van de aanvrager en eventueel van de echtgenoot. Deze inlichtingen worden overgenomen volgens de aanduidingen die voorkomen op de identiteitskaart. De burgemeester reikt de aanvrager een bewijs van ontvangst uit dat de datum vermeldt waarop hij zich de eerste maal heeft aangemeld voor het indienen van zijn aanvraag, alsook de formulieren voor de geneeskundige getuigschriften, conform bijlage II, III en IV, die vereist zijn voor de volledige beschrijving van zijn invaliditeit.
(Bij de aanvraag om tegemoetkoming voor hulp van derde moet een gemotiveerd verslag worden gevoegd, opgemaakt door de in het artikel 4, eerste lid, bedoelde geneesheer ; uit dat gemotiveerd verslag moet de eventuele behoefte aan hulp van derde blijken, zich ondermeer steunend op de door de Minister bepaalde handleiding.)
Art. 3. Le bourgmestre prend note de la demande d'allocation sur une formule conforme à l'annexe I ; il y mentionne tous les renseignements relatifs à l'état civil, à la nationalité et au domicile du demandeur et, éventuellement, du conjoint. Ces renseignements sont transcrits d'après les indications figurant sur la carte d'identité.
Le bourgmestre remet au demandeur un accusé de réception portant la date à laquelle il s'est présenté la première fois en vue d'introduire sa demande ainsi que les formules de certificat médical conformes aux annexes II, III et IV nécessaires à la description complète de son invalidité.
(La demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne doit être accompagnée d'un rapport motivé établi par le médecin visé à l'article 4, alinéa 1er ; ce rapport motivé doit faire apparaître le besoin éventuel en aide d'une tierce personne, en se référant notamment au guide déterminé par le Ministre.)
Le bourgmestre remet au demandeur un accusé de réception portant la date à laquelle il s'est présenté la première fois en vue d'introduire sa demande ainsi que les formules de certificat médical conformes aux annexes II, III et IV nécessaires à la description complète de son invalidité.
(La demande d'allocation pour l'aide d'une tierce personne doit être accompagnée d'un rapport motivé établi par le médecin visé à l'article 4, alinéa 1er ; ce rapport motivé doit faire apparaître le besoin éventuel en aide d'une tierce personne, en se référant notamment au guide déterminé par le Ministre.)
Art. 4. De aanvrager is er toe gehouden de formulieren voor de geneeskundige getuigschriften te laten invullen en ondertekenen door een geneesheer van zijn keuze en ze terug te bezorgen aan de burgemeester binnen een termijn van vijftien dagen ingaande op de datum waarop deze ze hem uitreikte.
(Desgevallend, zal het in artikel 3, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag bij deze formulieren worden gevoegd.)
(Desgevallend, zal het in artikel 3, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag bij deze formulieren worden gevoegd.)
Art. 4. Le demandeur est tenu de faire remplir et signer les formules de certificat médical par un médecin choisi par lui et de les faire parvenir en retour au bourgmestre dans un délai de quinze jours à compter de la date de leur remise par celui-ci.
(Le cas échéant, le rapport motivé visé à l'article 3, alinéa 2, est joint à ces formules.)
(Le cas échéant, le rapport motivé visé à l'article 3, alinéa 2, est joint à ces formules.)
Art. 5. De burgemeester zendt aan de Minister onverwijld de aanvraag met de vereiste geneeskundige getuigschriften toe. Hij doet dit ook met de aanvraag waarvoor de geneeskundige getuigschriften hem binnen de vijftien dagen niet werden teruggezonden.
Art. 5. Le bourgmestre transmet sans délai au Ministre la demande accompagnée des certificats médicaux nécessaires ainsi que la demande pour laquelle les certificats médicaux ne lui ont pas été renvoyés dans le délai de quinze jours.
Art. 6. De Minister stelt de formulieren voor de aanvraag en geneeskundige getuigschriften ter beschikking van de burgemeester.
Art. 6. Le Ministre met à la disposition du bourgmestre les formules de demande et de certificat médical.
HOOFDSTUK III. _ Het onderzoek van de aanvragen.
CHAPITRE III. _ L'instruction des demandes.
Afdeling 1. _ Algemene bepalingen.
Section 1. _ Dispositions générales.
Art. 7. De Minister doet, bij voorkomend geval, overgaan tot een onderzoek naar de bestaansmiddelen ; te dien einde zendt hij aan de aanvrager, bij een ter post aangetekende brief, een formulier van aangifte van bestaansmiddelen.
De aanvrager is er toe gehouden het formulier van aangifte van bestaansmiddelen in te vullen ; hij moet bevestigen dat de inlichtingen die hij verstrekt heeft oprecht en volledig zijn en moet de verificatie ervan toelaten.
De aanvrager moet dat formulier terugzenden binnen dertig dagen na de ontvangst ervan. Indien hij niet voldoet aan deze verplichting, wordt hem een ter post aangetekend rappel gezonden ; indien hij aan dit rappel geen gevolg geeft binnen een termijn van vijftien dagen, kan de tegemoetkoming worden geweigerd.
De aanvrager is er toe gehouden het formulier van aangifte van bestaansmiddelen in te vullen ; hij moet bevestigen dat de inlichtingen die hij verstrekt heeft oprecht en volledig zijn en moet de verificatie ervan toelaten.
De aanvrager moet dat formulier terugzenden binnen dertig dagen na de ontvangst ervan. Indien hij niet voldoet aan deze verplichting, wordt hem een ter post aangetekend rappel gezonden ; indien hij aan dit rappel geen gevolg geeft binnen een termijn van vijftien dagen, kan de tegemoetkoming worden geweigerd.
Art. 7. Le Ministre fait, le cas échéant, procéder à une enquête sur les ressources ; à cet effet, il fait parvenir au demandeur, par lettre recommandée à la poste, une formule de déclaration de ressources.
Le demandeur est tenu de remplir la formule de déclaration de ressources, de certifier sincères et complets les renseignements qu'il a fourni et d'en autoriser la vérification.
Le demandeur doit renvoyer cette formule dans les trente jours de sa réception. S'il ne satisfait pas à cette obligation, il lui est adressé un rappel, par lettre recommandée à la poste ; s'il ne donne pas suite à ce rappel dans un délai de quinze jours, l'allocation peut être refusée.
Le demandeur est tenu de remplir la formule de déclaration de ressources, de certifier sincères et complets les renseignements qu'il a fourni et d'en autoriser la vérification.
Le demandeur doit renvoyer cette formule dans les trente jours de sa réception. S'il ne satisfait pas à cette obligation, il lui est adressé un rappel, par lettre recommandée à la poste ; s'il ne donne pas suite à ce rappel dans un délai de quinze jours, l'allocation peut être refusée.
Art. 7bis. Bij voorkomend geval zendt de Minister de bij artikel 7 beoogde aangifte van bestaansmiddelen voor verificatie naar de controleur der belastingen.
Art. 7bis. Le cas échéant, le Ministre fait parvenir au contrôleur des contributions, aux fins de vérification, la déclaration de ressources visée à l'article 7.
Art. 7ter. Door middel van een formulier, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld, is de controleur der belastingen ertoe gehouden aan de bevoegde ontvanger der registratie en domeinen alle inlichtingen te vragen betreffende de roerende en onroerende goederen waarvan de aanvrager, zijn echtgenoot en zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, eigenaar of vruchtgebruiker zijn of geweest zijn.
De ontvanger der registratie en domeinen moet, binnen acht dagen, aan de controleur der belastingen alle gegevens in zijn bezit mededelen, inzonderheid die betreffende de hypothecaire leningen en renten, alsmede de roerende waarden waarvan het in het bezit zijn van de aanvrager, de echtgenoot en de ouders, indien de minder-valide minderjarig is, werd bekendgemaakt door een aangifte van nalatenschap, een akte van verdeling of van vereffening, een akte bekendgemaakt in de Verzameling der akten van vennootschappen of door gelijk welke andere akte.
De ontvanger der registratie en domeinen is ertoe gehouden op het formulier de kantoren te vermelden in wier ambtsgebied de aanvrager, zijn echtgenoot en zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, bekend zijn ; de controleur zendt aan de titularis van elk dezer kantoren een aanvraag om inlichtingen.
Iedere ontvanger maakt de gegevens in zijn bezit bekend na zich, bij voorkomend geval, in betrekking te hebben gesteld met het Bestuur van het kadaster.
In de lokaliteiten waar de bevoegdheden verdeeld zijn onder verscheidene kantoren, is de bevoegde ontvanger die van de successierechten.
De ontvanger der registratie vermeldt op de steekkaart van de belanghebbende dat deze de tegemoetkoming aan de minder-validen heeft aangevraagd.
Hij is ertoe gehouden de Minister kennis te geven van elke wijziging die zich in de vermogenstoestand van de belanghebbende, van zijn echtgenoot en van zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, zou voordoen.
De ontvanger der registratie en domeinen moet, binnen acht dagen, aan de controleur der belastingen alle gegevens in zijn bezit mededelen, inzonderheid die betreffende de hypothecaire leningen en renten, alsmede de roerende waarden waarvan het in het bezit zijn van de aanvrager, de echtgenoot en de ouders, indien de minder-valide minderjarig is, werd bekendgemaakt door een aangifte van nalatenschap, een akte van verdeling of van vereffening, een akte bekendgemaakt in de Verzameling der akten van vennootschappen of door gelijk welke andere akte.
De ontvanger der registratie en domeinen is ertoe gehouden op het formulier de kantoren te vermelden in wier ambtsgebied de aanvrager, zijn echtgenoot en zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, bekend zijn ; de controleur zendt aan de titularis van elk dezer kantoren een aanvraag om inlichtingen.
Iedere ontvanger maakt de gegevens in zijn bezit bekend na zich, bij voorkomend geval, in betrekking te hebben gesteld met het Bestuur van het kadaster.
In de lokaliteiten waar de bevoegdheden verdeeld zijn onder verscheidene kantoren, is de bevoegde ontvanger die van de successierechten.
De ontvanger der registratie vermeldt op de steekkaart van de belanghebbende dat deze de tegemoetkoming aan de minder-validen heeft aangevraagd.
Hij is ertoe gehouden de Minister kennis te geven van elke wijziging die zich in de vermogenstoestand van de belanghebbende, van zijn echtgenoot en van zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, zou voordoen.
Art. 7ter. Au moyen d'une formule, dont le modèle est arrêté par le Ministre, le contrôleur des contributions est tenu de réclamer au receveur de l'enregistrement et des domaines compétent tous renseignements relatifs aux biens meubles et immeubles dont le demandeur, son conjoint et ses parents, si le handicapé est mineur, sont ou ont été propriétaires ou usufruitiers.
Le receveur de l'enregistrement et des domaines doit communiquer, dans les huit jours, au contrôleur des contributions tous éléments en sa possession, et notamment ceux relatifs aux prêts et rentes hypothécaires ainsi qu'aux valeurs mobilières, dont la possession, dans le chef du demandeur, du conjoint et des parents si le handicapé est mineur, a été révélée par une déclaration de succession, un acte de partage ou de liquidation, un acte publié au Recueil des actes de sociétés ou par tout autre acte généralement quelconque.
Le receveur de l'enregistrement et des domaines est tenu de signaler, sur la formule, les bureaux dans le ressort desquels le demandeur, son conjoint et ses parents, si le handicapé est mineur, sont connus ; le contrôleur adresse au titulaire de chacun de ces bureaux, une demande de renseignements.
Chaque receveur fournit les éléments en sa possession après avoir pris, le cas échéant, contact avec l'Administration du cadastre.
Dans les localités ou les attributions sont réparties entre plusieurs bureaux, le receveur compétent est celui des successions.
Le receveur de l'enregistrement porte à la fiche de l'intéressé une mention indiquant que celui-ci a demandé l'allocation de handicapé.
Il est tenu d'aviser le Ministre de toute modification qui surviendrait dans la situation de fortune de l'intéressé, de son conjoint et de ses parents, si le handicapé est mineur.
Le receveur de l'enregistrement et des domaines doit communiquer, dans les huit jours, au contrôleur des contributions tous éléments en sa possession, et notamment ceux relatifs aux prêts et rentes hypothécaires ainsi qu'aux valeurs mobilières, dont la possession, dans le chef du demandeur, du conjoint et des parents si le handicapé est mineur, a été révélée par une déclaration de succession, un acte de partage ou de liquidation, un acte publié au Recueil des actes de sociétés ou par tout autre acte généralement quelconque.
Le receveur de l'enregistrement et des domaines est tenu de signaler, sur la formule, les bureaux dans le ressort desquels le demandeur, son conjoint et ses parents, si le handicapé est mineur, sont connus ; le contrôleur adresse au titulaire de chacun de ces bureaux, une demande de renseignements.
Chaque receveur fournit les éléments en sa possession après avoir pris, le cas échéant, contact avec l'Administration du cadastre.
Dans les localités ou les attributions sont réparties entre plusieurs bureaux, le receveur compétent est celui des successions.
Le receveur de l'enregistrement porte à la fiche de l'intéressé une mention indiquant que celui-ci a demandé l'allocation de handicapé.
Il est tenu d'aviser le Ministre de toute modification qui surviendrait dans la situation de fortune de l'intéressé, de son conjoint et de ses parents, si le handicapé est mineur.
Art. 7quater. De controleur der belastingen treft iedere onderzoeksmaatregel die hij nuttig acht.
De controleur of zijn afgevaardigde kan de aanvrager oproepen; de bepalingen van artikel 7, tweede lid, zijn in dat geval toepasselijk.
Indien de aanvrager zich niet bij de controleur der belastingen aanmeldt binnen vijftien dagen na de oproeping zendt deze laatste hem een ter post aangetekend rappel. Indien dat rappel zonder gevolg blijft binnen acht dagen, zendt de controleur het formulier van aangifte binnen vijf dagen terug naar de Minister met vermelding, in de hem voorbehouden kolom, van de verklaringen van de aanvrager die het voorwerp uitmaakten van de oproeping. De tegemoetkoming aan minder-validen kan alsdan geweigerd worden.
De controleur of zijn afgevaardigde kan de aanvrager oproepen; de bepalingen van artikel 7, tweede lid, zijn in dat geval toepasselijk.
Indien de aanvrager zich niet bij de controleur der belastingen aanmeldt binnen vijftien dagen na de oproeping zendt deze laatste hem een ter post aangetekend rappel. Indien dat rappel zonder gevolg blijft binnen acht dagen, zendt de controleur het formulier van aangifte binnen vijf dagen terug naar de Minister met vermelding, in de hem voorbehouden kolom, van de verklaringen van de aanvrager die het voorwerp uitmaakten van de oproeping. De tegemoetkoming aan minder-validen kan alsdan geweigerd worden.
Art. 7quater. Le contrôleur des contributions procède à toute mesure d'instruction qu'il juge utile.
Le contrôleur ou son délégué peut convoquer le demandeur ; les dispositions de l'article 7, alinéa 2, sont applicables en l'occurrence.
Si le demandeur ne se présente pas devant le contrôleur des contributions dans les quinze jours de la convocation, ce dernier lui envoie un rappel par pli recommandé à la poste. Si, aprés huit jours, ce rappel est resté sans suite, le contrôleur renvoie, dans les cinq jours, la formule de déclaration au Ministre en mentionnant, dans la colonne qui lui est réservée, les déclarations du demandeur qui faisaient l'objet de la convocation. L'allocation de handicapé peut alors être refusée.
Le contrôleur ou son délégué peut convoquer le demandeur ; les dispositions de l'article 7, alinéa 2, sont applicables en l'occurrence.
Si le demandeur ne se présente pas devant le contrôleur des contributions dans les quinze jours de la convocation, ce dernier lui envoie un rappel par pli recommandé à la poste. Si, aprés huit jours, ce rappel est resté sans suite, le contrôleur renvoie, dans les cinq jours, la formule de déclaration au Ministre en mentionnant, dans la colonne qui lui est réservée, les déclarations du demandeur qui faisaient l'objet de la convocation. L'allocation de handicapé peut alors être refusée.
Art. 7quinquies. De controleur der belastingen verifieert het formulier van aangifte van inkomsten. Zijn bevindingen en bemerkingen worden in de daartoe voorbehouden kolom vermeld.
Art. 7quinquies. Le contrôleur des contributions vérifie la formule de déclaration de ressources. Ses constatations et observations sont mentionnées dans la colonne qui lui est réservée.
Art. 7sexies. De controleur der belastingen vermeldt in het fiscaal dossier van de belanghebbende dat een onderzoek naar de bestaansmiddelen werd ingesteld met het oog op de toekenning van de tegemoetkoming aan de minder-validen.
Hij is ertoe gehouden de Minister kennis te geven van elke wijziging die zich in de vermogenstoestand van de belanghebbende, van zijn echtgenoot en van zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, zou voordoen.
De controleur der belastingen zendt het bij artikel 7ter beoogde formulier naar de Minister en stuurt hem de bij artikel 7 beoogde aangifte van bestaansmiddelen terug.
Hij is ertoe gehouden de Minister kennis te geven van elke wijziging die zich in de vermogenstoestand van de belanghebbende, van zijn echtgenoot en van zijn ouders, indien de minder-valide minderjarig is, zou voordoen.
De controleur der belastingen zendt het bij artikel 7ter beoogde formulier naar de Minister en stuurt hem de bij artikel 7 beoogde aangifte van bestaansmiddelen terug.
Art. 7sexies. Le contrôleur des contributions porte au dossier fiscal de l'intéressé la mention qu'une enquête sur les ressources a été effectuée en vue de l'octroi de l'allocation de handicapé.
Il est tenu de communiquer au Ministre toute modification qui surviendrait dans la situation de fortune de l'intéressé, de son conjoint et de ses parents, si le handicapé est mineur.
Le contrôleur des contributions transmet au Ministre la formule visée à l'article 7ter et lui renvoie la déclaration de ressources visée à l'article 7.
Il est tenu de communiquer au Ministre toute modification qui surviendrait dans la situation de fortune de l'intéressé, de son conjoint et de ses parents, si le handicapé est mineur.
Le contrôleur des contributions transmet au Ministre la formule visée à l'article 7ter et lui renvoie la déclaration de ressources visée à l'article 7.
Art. 8. De voorwaarde van werkelijk verblijf in België bedoeld bij artikel 4, 1° van de wet is niet vereist :
1° van de minder-valide die minder dan drie maanden per jaar in het buitenland vertoeft;
2° van de minder-valide die in het buitenland vertoeft, zelfs langer dan drie maanden omdat hij ter verpleging in een ziekenhuis of een andere openbare of particuliere instelling voor ziekenverpleging is opgenomen ;
3° van de minder-valide die verblijft met een bloed- of aanverwant, die verplicht is of waarvan de echtgenoot verplicht is tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat.
De minder-valide die het land verlaat is verplicht, binnen de maand van zijn vertrek, de Minister in te lichten omtrent de vermoedelijke duur van zijn afwezigheid en over de reden van de verplaatsing, indien deze langer dan drie maanden duurt.
De Minister kan een minder-valide toelating verlenen tot een verblijf in het buitenland voor een periode die langer duurt dan drie maanden indien bijzondere omstandigheden zulks wettigen.
(De bepalingen van het eerste tot en met het derde lid zijn van toepassing op de tegemoetkoming voor hulp van derde.)
1° van de minder-valide die minder dan drie maanden per jaar in het buitenland vertoeft;
2° van de minder-valide die in het buitenland vertoeft, zelfs langer dan drie maanden omdat hij ter verpleging in een ziekenhuis of een andere openbare of particuliere instelling voor ziekenverpleging is opgenomen ;
3° van de minder-valide die verblijft met een bloed- of aanverwant, die verplicht is of waarvan de echtgenoot verplicht is tijdelijk in het buitenland te vertoeven om er een zending uit te voeren of functies uit te oefenen in dienst van de Belgische Staat.
De minder-valide die het land verlaat is verplicht, binnen de maand van zijn vertrek, de Minister in te lichten omtrent de vermoedelijke duur van zijn afwezigheid en over de reden van de verplaatsing, indien deze langer dan drie maanden duurt.
De Minister kan een minder-valide toelating verlenen tot een verblijf in het buitenland voor een periode die langer duurt dan drie maanden indien bijzondere omstandigheden zulks wettigen.
(De bepalingen van het eerste tot en met het derde lid zijn van toepassing op de tegemoetkoming voor hulp van derde.)
Art. 8. La condition de résidence réelle en Belgique visée à l'article 4, 1° de la loi n'est pas exigée :
1° du handicapé qui n'effectue à l'étranger que des séjours inférieurs à trois mois par an ;
2° du handicapé qui séjourne à l'étranger, même plus de trois mois, parce qu'il est admis en traitement dans un hôpital ou autre établissement public ou privé destiné à recevoir des malades ;
3° du handicapé qui réside avec un parent ou allié qui est tenu ou dont le conjoint est tenu à séjourner temporairement à l'étranger pour y effectuer une mission ou y exercer des fonctions pour le service de l'Etat belge.
Le handicapé qui s'absente du Royaume est tenu d'en aviser le Ministre dans le mois de son départ, en indiquant la durée prévue de son absence et, si celle-ci est supérieure à trois mois, le motif du déplacement.
Le Ministre peut autoriser un handicapé à séjourner à l'étranger pour une période supérieure à trois mois lorsque des circonstances particulières justifient un séjour d'une telle durée.
(Les dispositions des alinéas 1er à 3 sont applicables à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.) .
1° du handicapé qui n'effectue à l'étranger que des séjours inférieurs à trois mois par an ;
2° du handicapé qui séjourne à l'étranger, même plus de trois mois, parce qu'il est admis en traitement dans un hôpital ou autre établissement public ou privé destiné à recevoir des malades ;
3° du handicapé qui réside avec un parent ou allié qui est tenu ou dont le conjoint est tenu à séjourner temporairement à l'étranger pour y effectuer une mission ou y exercer des fonctions pour le service de l'Etat belge.
Le handicapé qui s'absente du Royaume est tenu d'en aviser le Ministre dans le mois de son départ, en indiquant la durée prévue de son absence et, si celle-ci est supérieure à trois mois, le motif du déplacement.
Le Ministre peut autoriser un handicapé à séjourner à l'étranger pour une période supérieure à trois mois lorsque des circonstances particulières justifient un séjour d'une telle durée.
(Les dispositions des alinéas 1er à 3 sont applicables à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.) .
Afdeling 2. _ De onderscheidene hoedanigheden van minder-validen.
Section 2. _ Des diverses qualités des handicapés.
Art. 9. Voor de toepassing van dit besluit heeft de aanvrager de hoedanigheid van hetzij :
1° werkende minder-valide ;
2° niet-werkende minder-valide ;
3° leerling minder-valide ;
4° leerjongen of leermeisje minder-valide;
1° werkende minder-valide ;
2° niet-werkende minder-valide ;
3° leerling minder-valide ;
4° leerjongen of leermeisje minder-valide;
Art. 9. Pour l'application du présent arrêté, le demandeur a la qualité soit:
1° de handicapé-travailleur;
2° de handicapé-non travailleur;
3° de handicapé-élève;
4° ou de handicapé-apprenti.
1° de handicapé-travailleur;
2° de handicapé-non travailleur;
3° de handicapé-élève;
4° ou de handicapé-apprenti.
Art. 10. De hoedanigheid van werkende minder-valide wordt toegekend aan de aanvrager die :
1° een beroepsbezigheid uitoefent die hem onderwerpt aan een Belgisch of buitenlands stelsel van sociale zekerheid of welke hem inkomsten verschaft, waarvan het bruto jaarbedrag niet lager is dan een vierde van het bedrag voor zijn categorie bepaald bij artikel 14 ;
2° werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid of ingeschreven is als werkzoekende bij de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of bij de Pool van de zeelieden ter koopvaardij ;
3° uitkeringen geniet voor arbeidsongeschiktheid krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor sociale zekerheid ;
4° ziekteuitkeringen geniet krachtens de wet van 23 juni 1894 houdende herziening der wet van 3 april 1851 op de maatschappijen van onderlinge bijstand ;
5° deel uitmaakt van een sociale verzekeringskas voor zelfstandige arbeiders bepaald bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 ;
6° een activiteit uitoefent als personeelslid van de openbare besturen, of die na stopzetting of onderbreking van die activiteit een pensioen geniet wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid ;
7° een wettelijke vergoeding geniet voor arbeidsongeval of beroepsziekte met een vergoede arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct.;
8° na stopzetting of onderbreking van zijn beroepsactiviteit een volledig of gedeeltelijk loon geniet krachtens zijn arbeidsovereenkomst of zijn statuut.
1° een beroepsbezigheid uitoefent die hem onderwerpt aan een Belgisch of buitenlands stelsel van sociale zekerheid of welke hem inkomsten verschaft, waarvan het bruto jaarbedrag niet lager is dan een vierde van het bedrag voor zijn categorie bepaald bij artikel 14 ;
2° werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid of ingeschreven is als werkzoekende bij de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of bij de Pool van de zeelieden ter koopvaardij ;
3° uitkeringen geniet voor arbeidsongeschiktheid krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor sociale zekerheid ;
4° ziekteuitkeringen geniet krachtens de wet van 23 juni 1894 houdende herziening der wet van 3 april 1851 op de maatschappijen van onderlinge bijstand ;
5° deel uitmaakt van een sociale verzekeringskas voor zelfstandige arbeiders bepaald bij het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 ;
6° een activiteit uitoefent als personeelslid van de openbare besturen, of die na stopzetting of onderbreking van die activiteit een pensioen geniet wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid ;
7° een wettelijke vergoeding geniet voor arbeidsongeval of beroepsziekte met een vergoede arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 pct.;
8° na stopzetting of onderbreking van zijn beroepsactiviteit een volledig of gedeeltelijk loon geniet krachtens zijn arbeidsovereenkomst of zijn statuut.
Art. 10. La qualité de handicapé-travailleur est reconnue au demandeur qui:
1° exerce une activité professionnelle qui l'assujettit à un régime belge ou étranger de sécurité sociale ou qui lui assure des revenus dont le montant brut annuel n'est pas inférieur au quart du montant prévu pour sa catégorie à l'article 14;
2° bénéficie d'indemnités de chômage prévues par l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage ou est inscrit comme demandeur d'emploi à l'Office national de l'emploi ou au Pool des marins de la marine marchande;
3° bénéficie d'indemnités ou d'une pension pour incapacité de travail en vertu d'un régime belge ou étranger de sécurité sociale;
4° bénéficie d'indemnités de maladie en vertu de la loi du 23 juin 1894 portant revision de la loi du 3 avril 1851 sur les sociétés mutualistes;
5° fait partie d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants prévue par l'arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967;
6° exerce une activité en qualité d'agent des services publics ou qui, après cessation ou interruption de cette activité, bénéficie d'une pension par suite de maladie ou d'invalidité;
7° bénéficie d'une réparation légale obtenue en qualité de victime d'un accident du travail ou de maladie professionnelle, pour autant que l'incapacité réparée atteigne 66 p.c. au moins;
8° après cessation ou interruption de son activité professionnelle bénéficie d'un salaire à taux plein ou réduit en vertu de son contrat de louage de travail ou de son statut.
1° exerce une activité professionnelle qui l'assujettit à un régime belge ou étranger de sécurité sociale ou qui lui assure des revenus dont le montant brut annuel n'est pas inférieur au quart du montant prévu pour sa catégorie à l'article 14;
2° bénéficie d'indemnités de chômage prévues par l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage ou est inscrit comme demandeur d'emploi à l'Office national de l'emploi ou au Pool des marins de la marine marchande;
3° bénéficie d'indemnités ou d'une pension pour incapacité de travail en vertu d'un régime belge ou étranger de sécurité sociale;
4° bénéficie d'indemnités de maladie en vertu de la loi du 23 juin 1894 portant revision de la loi du 3 avril 1851 sur les sociétés mutualistes;
5° fait partie d'une caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants prévue par l'arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967;
6° exerce une activité en qualité d'agent des services publics ou qui, après cessation ou interruption de cette activité, bénéficie d'une pension par suite de maladie ou d'invalidité;
7° bénéficie d'une réparation légale obtenue en qualité de victime d'un accident du travail ou de maladie professionnelle, pour autant que l'incapacité réparée atteigne 66 p.c. au moins;
8° après cessation ou interruption de son activité professionnelle bénéficie d'un salaire à taux plein ou réduit en vertu de son contrat de louage de travail ou de son statut.
Art. 11. De hoedanigheid van leerling minder-valide wordt toegekend aan de aanvrager die dagcursussen volgt in een bijzondere instelling, een beroepsschool of een andere inrichting.
Die hoedanigheid van leerling minder-valide kan, na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, door de Minister worden toegekend aan de aanvrager die andere dan de cursussen bedoeld bij het vorig lid volgt.
Die hoedanigheid kan niet worden toegekend aan de minder-valide die op die van werkende aanspraak kan maken.
Die hoedanigheid van leerling minder-valide kan, na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, door de Minister worden toegekend aan de aanvrager die andere dan de cursussen bedoeld bij het vorig lid volgt.
Die hoedanigheid kan niet worden toegekend aan de minder-valide die op die van werkende aanspraak kan maken.
Art. 11. La qualité de handicapé-élève est reconnue au demandeur qui suit des cours donnés pendant le jour dans un institut spécial, dans une école professionnelle ou tout autre établissement.
La qualité de handicapé-élève peut, sur avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés, être reconnue par le Ministre au demandeur qui suit des cours autres que ceux visés à l'alinéa précédent.
Cette qualité ne peut être reconnue au handicapé qui peut prétendre à celle de travailleur.
La qualité de handicapé-élève peut, sur avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés, être reconnue par le Ministre au demandeur qui suit des cours autres que ceux visés à l'alinéa précédent.
Cette qualité ne peut être reconnue au handicapé qui peut prétendre à celle de travailleur.
Art. 12. De hoedanigheid van leerjongen of leermeisje minder-valide wordt toegekend aan de aanvrager die :
1° een leerovereenkomst heeft aangegaan onder de voorwaarden waarin voorzien is bij de reglementen betreffende de beroepsopleiding en -volmaking in de ambachten en neringen ;
2° of een bijzondere leerovereenkomst voor omscholing van minder-validen heeft gesloten in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen.
1° een leerovereenkomst heeft aangegaan onder de voorwaarden waarin voorzien is bij de reglementen betreffende de beroepsopleiding en -volmaking in de ambachten en neringen ;
2° of een bijzondere leerovereenkomst voor omscholing van minder-validen heeft gesloten in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen.
Art. 12. La qualité de handicapé-apprenti est reconnue au demandeur qui a conclu:
1° un contrat d'apprentissage dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation et au perfectionnement professionnels dans les métiers et négoces;
2° ou un contrat d'apprentissage spécial pour la réadaptation professionnelle des handicapés, conclu dans les formes et conditions fixées par l'arrêté royal du 5 juillet 1963 relatif au reclassement social des handicapés.
1° un contrat d'apprentissage dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation et au perfectionnement professionnels dans les métiers et négoces;
2° ou un contrat d'apprentissage spécial pour la réadaptation professionnelle des handicapés, conclu dans les formes et conditions fixées par l'arrêté royal du 5 juillet 1963 relatif au reclassement social des handicapés.
Art. 13. De minder-valide aan wie geen van de drie bovengenoemde hoedanigheden is toegekend, wordt aangezien als niet-werkende minder-valide.
Art. 13. Le handicapé auquel aucune des trois qualités précitées n'est reconnue est considéré comme handicapé-non travailleur.
Afdeling 3. - Raming van de bestaansmiddelen.
Section 3. - De l'évaluation des ressources.
Onderafdeling 1. - De bestaansmiddelen van de werkende minder-valide.
Sous-section 1. - Des ressources du handicapé-travailleur.
Art. 14. De bestaansmiddelen van de aanvrager die de hoedanigheid van werkende minder-valide heeft, worden berekend met inachtneming van zijn bruto beroepsinkomen.
De perken van de bestaansmiddelen bedoeld bij artikel 4, 5° van de wet worden vastgesteld volgens de categorie waartoe de aanvrager behoort op de volgende bedragen, verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming dat overeenstemt met de graad van zijn blijvende arbeidsongeschiktheid :
1° voor de meerderjarigen en de gehuwde minderjarigen : (5 203,24 EUR);
2° voor de ongehuwden van 18 tot minder dan 21 jaar : (4 097,58 EUR);
3° voor de ongehuwden van minder dan 18 jaar : (2 601,62 EUR).
De perken van de bestaansmiddelen bedoeld bij artikel 4, 5° van de wet worden vastgesteld volgens de categorie waartoe de aanvrager behoort op de volgende bedragen, verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming dat overeenstemt met de graad van zijn blijvende arbeidsongeschiktheid :
1° voor de meerderjarigen en de gehuwde minderjarigen : (5 203,24 EUR);
2° voor de ongehuwden van 18 tot minder dan 21 jaar : (4 097,58 EUR);
3° voor de ongehuwden van minder dan 18 jaar : (2 601,62 EUR).
Art. 14. Les ressources du demandeur qui a la qualité de handicapé-travailleur sont établies compte tenu de ses revenus professionnels bruts.
Les limites de ressources visées par l'article 4, 5°, de la loi sont fixées, selon la catégorie à laquelle le demandeur appartient, aux montants suivants, majorés du montant de l'allocation qui correspond à son degré d'incapacité permanente de travail :
1° pour les majeurs et les mineurs d'âge mariés : (5 203,24 EUR);
2° pour les célibataires âgés de 18 à moins de 21 ans : (4 097,58 EUR);
3° pour les célibataires âgés de moins de 18 ans : (2 601,62 EUR).
Les limites de ressources visées par l'article 4, 5°, de la loi sont fixées, selon la catégorie à laquelle le demandeur appartient, aux montants suivants, majorés du montant de l'allocation qui correspond à son degré d'incapacité permanente de travail :
1° pour les majeurs et les mineurs d'âge mariés : (5 203,24 EUR);
2° pour les célibataires âgés de 18 à moins de 21 ans : (4 097,58 EUR);
3° pour les célibataires âgés de moins de 18 ans : (2 601,62 EUR).
Art. 15. Worden als beroepsinkomsten beschouwd de inkomsten in geld en in natura, voortkomende uit de uitoefening van een beroepsactiviteit, alsmede de tegemoetkomingen, uitkeringen, renten en pensioenen waarmede, bij toepassing van artikel 10, rekening wordt gehouden om na te gaan of de aanvrager de hoedanigheid van werkende minder-valide heeft.
Art. 15. Sont considérés comme revenus professionnels les revenus en espèces et en nature tirés de l'exercice d'une activité professionnelle, ainsi que les allocations, indemnités, rentes et pensions dont il est tenu compte, en application de l'article 10, pour déterminer si le demandeur a la qualité de handicapé-travailleur.
Art. 16. Voor de toepassing van artikel 15 wordt de waarde van de voordelen in natura geraamd overeenkomstig de bedragen bepaald voor de berekening van de bijdragen voor de sociale zekerheid.
Art. 16. Pour l'application de l'article 15, la valeur des avantages en nature est évaluée suivant les montants fixés pour le calcul des cotisations de sécurité sociale.
Art. 17. De bruto beroepsinkomsten van de werkende minder-valide die werknemer is, worden vastgesteld op 5/6 van de inkomsten van het jaar dat voorafgaat aan de dag van de indiening van de aanvraag.
Op die dag de aanvrager de hoedanigheid van werknemer sedert minder dan een jaar, dan worden de jaarinkomsten berekend door 5/6 van de inkomsten te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller 365 is en de noemer het aantal dagen van de periode gedurende dewelke hij die hoedanigheid bezat.
Op die dag de aanvrager de hoedanigheid van werknemer sedert minder dan een jaar, dan worden de jaarinkomsten berekend door 5/6 van de inkomsten te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller 365 is en de noemer het aantal dagen van de periode gedurende dewelke hij die hoedanigheid bezat.
Art. 17. Les revenus professionnels bruts du handicapé-travailleur salarié sont fixés aux 5/6 des revenus de l'année précédant le jour de l'introduction de la demande.
Si toutefois à ce jour, le demandeur a la qualité de travailleur salarié depuis moins d'un an, les revenus annuels sont calculés en multipliant les 5/6 des revenus par une fraction comportant au numérateur 365 et au dénominateur le nombre de jours de la période pendant laquelle il a eu cette qualité.
Si toutefois à ce jour, le demandeur a la qualité de travailleur salarié depuis moins d'un an, les revenus annuels sont calculés en multipliant les 5/6 des revenus par une fraction comportant au numérateur 365 et au dénominateur le nombre de jours de la période pendant laquelle il a eu cette qualité.
Art. 18. De bruto beroepsinkomsten van de werkende minder-validen die zelfstandige is, worden berekend op het beroepsinkomen, verminderd met de bedrijfsuitgaven of -lasten, zoals medegedeeld door de controleur van de belastingen en bepaald volgens de laatste aangifte van belanghebbende inzake personenbelasting op de datum van de aanvraag.
Wordt een zelfstandig beroep begonnen, waarvoor op de datum van de aanvraag nog een aangifte werd gedaan inzake personenbelasting, dan bepaalt de dienst voor tegemoetkomingen aan de minder-validen voorlopig de bruto beroepsinkomsten onder voorbehoud van een definitieve vaststelling bij ambtshalve herziening, bedoeld bij artikel 61 van dit besluit.
Indien het bedrag bekomen bij toepassing van het eerste of van het tweede lid van dit artikel betrekking heeft op een zelfstandig beroep dat niet werd uitgeoefend gedurende het ganse jaar waarvoor aangifte inzake personenbelasting werd gedaan, wordt het in een jaarbedrag omgezet bij toepassing van een breuk waarvan de teller 365 is en de noemer het aantal dagen van de periode gedurende dewelke dat beroep werd uitgeoefend.
De bruto beroepsinkomsten die in aanmerking komen voor de berekening van de bestaansmiddelen, worden vastgesteld door het bij het eerste of het tweede lid van dit artikel bedoelde bedrag te verhogen met het als bedrijfslasten aftrekbaar forfaitair bedrag dat door de administratie van de belastingen voor de werknemers is toegelaten, tenzij de werkende zelfstandige aan de hand van een getuigschrift van deze administratie lagere bedrijfsuitgaven of lasten bewijst.
Wordt een zelfstandig beroep begonnen, waarvoor op de datum van de aanvraag nog een aangifte werd gedaan inzake personenbelasting, dan bepaalt de dienst voor tegemoetkomingen aan de minder-validen voorlopig de bruto beroepsinkomsten onder voorbehoud van een definitieve vaststelling bij ambtshalve herziening, bedoeld bij artikel 61 van dit besluit.
Indien het bedrag bekomen bij toepassing van het eerste of van het tweede lid van dit artikel betrekking heeft op een zelfstandig beroep dat niet werd uitgeoefend gedurende het ganse jaar waarvoor aangifte inzake personenbelasting werd gedaan, wordt het in een jaarbedrag omgezet bij toepassing van een breuk waarvan de teller 365 is en de noemer het aantal dagen van de periode gedurende dewelke dat beroep werd uitgeoefend.
De bruto beroepsinkomsten die in aanmerking komen voor de berekening van de bestaansmiddelen, worden vastgesteld door het bij het eerste of het tweede lid van dit artikel bedoelde bedrag te verhogen met het als bedrijfslasten aftrekbaar forfaitair bedrag dat door de administratie van de belastingen voor de werknemers is toegelaten, tenzij de werkende zelfstandige aan de hand van een getuigschrift van deze administratie lagere bedrijfsuitgaven of lasten bewijst.
Art. 18. Les revenus professionnels bruts du handicapé-travailleur indépendant sont calculés sur la base des revenus professionnels diminués des dépenses ou charges professionnelles, communiqués par le contrôleur des contributions et déterminés d'après la dernière déclaration de l'intéressé en matière d'impôt des personnes physiques à la date de la demande.
En cas de début d'exercice d'une profession indépendante n'ayant pas encore fait l'objet d'une déclaration en matière d'impôt des personnes physiques à la date de la demande, le service des allocations pour handicapés détermine provisoirement les revenus professionnels bruts, sous réserve d'une fixation définitive par révision d'office visée par l'article 61 du présent arrêté.
Si le montant obtenu en application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 du présent article se rapporte à une profession indépendante qui n'a pas été exercée pendant l'année complète faisant l'objet de la déclaration en matière d'impôt des personnes physiques, il est converti en montant annuel par application d'une fraction comportant au numérateur 365 et au dénominateur le nombre de jours de la période pendant laquelle cette profession a été exercée.
Les revenus professionnels bruts entrant en ligne de compte pour l'évaluation des ressources sont déterminés en majorant le montant visé à l'alinéa 1er ou 2 du présent article du forfait déductible à titre de charges professionnelles autorisé par l'administration des contributions pour les salariés, à moins que le travailleur indépendant ne justifie par une attestation de cette administration de dépenses ou charges professionnelles inférieures.
En cas de début d'exercice d'une profession indépendante n'ayant pas encore fait l'objet d'une déclaration en matière d'impôt des personnes physiques à la date de la demande, le service des allocations pour handicapés détermine provisoirement les revenus professionnels bruts, sous réserve d'une fixation définitive par révision d'office visée par l'article 61 du présent arrêté.
Si le montant obtenu en application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 du présent article se rapporte à une profession indépendante qui n'a pas été exercée pendant l'année complète faisant l'objet de la déclaration en matière d'impôt des personnes physiques, il est converti en montant annuel par application d'une fraction comportant au numérateur 365 et au dénominateur le nombre de jours de la période pendant laquelle cette profession a été exercée.
Les revenus professionnels bruts entrant en ligne de compte pour l'évaluation des ressources sont déterminés en majorant le montant visé à l'alinéa 1er ou 2 du présent article du forfait déductible à titre de charges professionnelles autorisé par l'administration des contributions pour les salariés, à moins que le travailleur indépendant ne justifie par une attestation de cette administration de dépenses ou charges professionnelles inférieures.
Art. 19. De bepalingen van de artikelen 20 tot 22 betreffende de berekening van de bestaansmiddelen van de niet-werkende minder-valide zijn van toepassing op de werkende minder-valide indien hij er belang bij heeft.
Art. 19. Les dispositions des articles 20 à 22 concernant l'évaluation des ressources du handicapé - non travailleur sont applicables au handicapé-travailleur, lorsqu'il y a intérêt.
Onderafdeling 2. - De bestaansmiddelen van de niet-werkende minder-valide.
Sous-section 2. - Des ressources du handicapé-non travailleur.
Art. 20. De bestaansmiddelen van de aanvrager die de hoedanigheid van niet-werkende minder-valide heeft, worden vastgesteld met inachtneming van zijn bruto inkomsten van elke aard of oorsprong, eventueel verhoogd met die van zijn echtgenoot of van zijn ouders volgens het geval.
De perken van de bestaansmiddelen bedoeld bij artikel 4, 5° van de wet worden vastgesteld, volgens de categorie waartoe de aanvrager behoort, op de volgende bedragen verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming dat overeenstemt met de graad van zijn blijvende arbeidsongeschiktheid :
1° indien de aanvrager gehuwd is, niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden is of kinderen ten laste heeft :
a) (4 190,09 EUR) voor het gezinshoofd;
b) (1 288,30 EUR) voor de echtgenoot;
c) (919,36 EUR) per kind ten laste;
2° indien de aanvrager, zonder kinderen ten laste, ongehuwd en meerderjarig is, weduwnaar, uit de echt gescheiden, feitelijk of van tafel en bed gescheiden, minderjarige ongehuwde volle wees of door zijn ouders of door de overlevende ouder verlaten is :
(3 627,23 EUR);
3° indien de aanvrager ongehuwd en minderjarig is, voor zover hij niet bedoeld is sub 2° :
a) (919,36 EUR) voor de aanvrager;
b) (4 190,09 EUR) voor de vader of de moeder, gezinshoofd;
c) (1 288,30 EUR) voor de moeder die geen gezinshoofd is;
d) (919,36 EUR) per kind ten laste van het gezinshoofd.
(Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel worden gelijkgesteld :
1° met de gehuwde aanvrager, niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden : de aanvrager die een huishouden vormt;
2° met de echtgenoot van de aanvrager : de persoon met wie de aanvrager een huishouden vormt;
3° met één der ouders van de aanvrager : de persoon met wie de vader of de moeder een huishouden vormt.)
De perken van de bestaansmiddelen bedoeld bij artikel 4, 5° van de wet worden vastgesteld, volgens de categorie waartoe de aanvrager behoort, op de volgende bedragen verhoogd met het bedrag van de tegemoetkoming dat overeenstemt met de graad van zijn blijvende arbeidsongeschiktheid :
1° indien de aanvrager gehuwd is, niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden is of kinderen ten laste heeft :
a) (4 190,09 EUR) voor het gezinshoofd;
b) (1 288,30 EUR) voor de echtgenoot;
c) (919,36 EUR) per kind ten laste;
2° indien de aanvrager, zonder kinderen ten laste, ongehuwd en meerderjarig is, weduwnaar, uit de echt gescheiden, feitelijk of van tafel en bed gescheiden, minderjarige ongehuwde volle wees of door zijn ouders of door de overlevende ouder verlaten is :
(3 627,23 EUR);
3° indien de aanvrager ongehuwd en minderjarig is, voor zover hij niet bedoeld is sub 2° :
a) (919,36 EUR) voor de aanvrager;
b) (4 190,09 EUR) voor de vader of de moeder, gezinshoofd;
c) (1 288,30 EUR) voor de moeder die geen gezinshoofd is;
d) (919,36 EUR) per kind ten laste van het gezinshoofd.
(Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel worden gelijkgesteld :
1° met de gehuwde aanvrager, niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden : de aanvrager die een huishouden vormt;
2° met de echtgenoot van de aanvrager : de persoon met wie de aanvrager een huishouden vormt;
3° met één der ouders van de aanvrager : de persoon met wie de vader of de moeder een huishouden vormt.)
Art. 20. Les ressources du demandeur qui a la qualité de handicapé-non travailleur sont établies compte tenu de ses revenus bruts, quelle qu'en soit la nature ou l'origine, en y ajoutant éventuellement celles de son conjoint ou de ses parents selon le cas.
Les limites des ressources visées par l'article 4, 5° de la loi, sont fixées selon la catégorie à laquelle le demandeur appartient, aux montants suivants, majorés du montant de l'allocation qui correspond à son degré d'incapacité permanente de travail :
1° si le demandeur est marié, non séparé de fait ni de corps et de biens ou a des enfants à charge :
a) (4 190,09 EUR) pour le chef de famille;
b) (1 288,30 EUR) pour le conjoint;
c) (919,36 EUR) par enfant à charge;
2° si le demandeur, sans enfants à charge, est célibataire et majeur, veuf, divorcé, séparé de fait ou de corps et de biens, mineur d'âge et célibataire orphelin de père et de mère ou abandonné par ses parents ou par le parent survivant :
(3 627,23 EUR);
3° si le demandeur est célibataire et mineur d'àge pour autant qu'il ne soit pas visé au 2° :
a) (919,36 EUR) pour le demandeur;
b) (4 190,09 EUR) pour le père ou la mère, chef de famille;
c) (1 288,30 EUR) pour la mère qui n'est pas chef de famille;
d) (919,36 EUR) par enfant à charge du chef de famille.
Pour l'application des dispositions du présent article, sont assimilés :
1° au demandeur marié, non séparé de fait ni de corps et de biens : le demandeur établi en ménage;
2° au conjoint du demandeur : la personne avec laquelle le demandeur est établi en ménage;
3° à l'un des parents du demandeur : la personne avec laquelle le père ou la mère est établi en ménage.
Les limites des ressources visées par l'article 4, 5° de la loi, sont fixées selon la catégorie à laquelle le demandeur appartient, aux montants suivants, majorés du montant de l'allocation qui correspond à son degré d'incapacité permanente de travail :
1° si le demandeur est marié, non séparé de fait ni de corps et de biens ou a des enfants à charge :
a) (4 190,09 EUR) pour le chef de famille;
b) (1 288,30 EUR) pour le conjoint;
c) (919,36 EUR) par enfant à charge;
2° si le demandeur, sans enfants à charge, est célibataire et majeur, veuf, divorcé, séparé de fait ou de corps et de biens, mineur d'âge et célibataire orphelin de père et de mère ou abandonné par ses parents ou par le parent survivant :
(3 627,23 EUR);
3° si le demandeur est célibataire et mineur d'àge pour autant qu'il ne soit pas visé au 2° :
a) (919,36 EUR) pour le demandeur;
b) (4 190,09 EUR) pour le père ou la mère, chef de famille;
c) (1 288,30 EUR) pour la mère qui n'est pas chef de famille;
d) (919,36 EUR) par enfant à charge du chef de famille.
Pour l'application des dispositions du présent article, sont assimilés :
1° au demandeur marié, non séparé de fait ni de corps et de biens : le demandeur établi en ménage;
2° au conjoint du demandeur : la personne avec laquelle le demandeur est établi en ménage;
3° à l'un des parents du demandeur : la personne avec laquelle le père ou la mère est établi en ménage.
Art. 21. De bestaansmiddelen van de personen, bedoeld bij artikel 20, eerste lid, worden berekend als volgt :
1° het beroepsinkomen wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 16 tot 18 betreffende de bestaansmiddelen van de werkende minder-valide.
Gaat het echter om een werknemer, dan wordt de bij artikel 17 bedoelde breuk 5/6 vervangen door de breuk 9/10 ;
2° het inkomen uit gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in eigendom wordt vastgesteld op :
a) het kadastraal inkomen van het onroerend goed of deel van het onroerend goed dat niet wordt verhuurd, verminderd met de hypothecaire interesten ;
b) het bedrag van de huurinkomsten, verminderd met de hypothecaire interesten, van het onroerend goed of deel van het onroerend goed dat wordt verhuurd ;
3° het inkomen uit de roerende kapitalen wordt vastgesteld op het bedrag van het werkelijk bruto inkomen ;
4° het inkomen van elke andere aard wordt voor het werkelijk ontvangen bruto bedrag aangerekend.
1° het beroepsinkomen wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 16 tot 18 betreffende de bestaansmiddelen van de werkende minder-valide.
Gaat het echter om een werknemer, dan wordt de bij artikel 17 bedoelde breuk 5/6 vervangen door de breuk 9/10 ;
2° het inkomen uit gebouwde en ongebouwde onroerende goederen in eigendom wordt vastgesteld op :
a) het kadastraal inkomen van het onroerend goed of deel van het onroerend goed dat niet wordt verhuurd, verminderd met de hypothecaire interesten ;
b) het bedrag van de huurinkomsten, verminderd met de hypothecaire interesten, van het onroerend goed of deel van het onroerend goed dat wordt verhuurd ;
3° het inkomen uit de roerende kapitalen wordt vastgesteld op het bedrag van het werkelijk bruto inkomen ;
4° het inkomen van elke andere aard wordt voor het werkelijk ontvangen bruto bedrag aangerekend.
Art. 21. Les ressources des personnes dont il est question à l'article 20, alinéa 1er, sont calculées comme suit:
1° le revenu professionnel est déterminé suivant les dispositions des articles 16 à 18, relatives aux ressources du handicapé-travailleur.
Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un salarié la fraction 5/6 visée à l'article 17 est remplacée par la fraction 9/10;
2° le revenu des immeubles bâtis et non bâtis en propriété, est fixé:
a) au revenu cadastral de l'immeuble ou partie d'immeuble qui n'est pas donné en location, diminué des intérêts hypothécaires;
b) au montant des revenus locatifs diminué des intérêts hypothécaires de l'immeuble ou partie d'immeuble, donné en location;
3° le revenu des capitaux mobiliers est fixé au montant du revenu réel brut;
4° le revenu de toute autre nature est compté pour le montant brut, réellement perçu.
1° le revenu professionnel est déterminé suivant les dispositions des articles 16 à 18, relatives aux ressources du handicapé-travailleur.
Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un salarié la fraction 5/6 visée à l'article 17 est remplacée par la fraction 9/10;
2° le revenu des immeubles bâtis et non bâtis en propriété, est fixé:
a) au revenu cadastral de l'immeuble ou partie d'immeuble qui n'est pas donné en location, diminué des intérêts hypothécaires;
b) au montant des revenus locatifs diminué des intérêts hypothécaires de l'immeuble ou partie d'immeuble, donné en location;
3° le revenu des capitaux mobiliers est fixé au montant du revenu réel brut;
4° le revenu de toute autre nature est compté pour le montant brut, réellement perçu.
Art. 22. Worden als kinderen ten laste beschouwd :
1° de ongehuwde kinderen van minder dan 16 jaar ;
2° de ongehuwde kinderen van minder dan 21 jaar die :
a) een leerovereenkomst hebben aangegaan onder de voorwaarden waarin voorzien is bij de reglementen betreffende de beroepsopleiding en -volmaking in de ambachten en neringen ;
b) een bijzondere leerovereenkomst voor omscholing van minder-validen hebben gesloten in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen ;
3° de ongehuwde kinderen van minder dan 25 jaar die regelmatig cursussen van beroeps- of algemeen onderwijs volgen ;
4° de kinderen, welke ook hun leeftijd zij, die wegens hun lichaams- of geestestoestand niet geschikt zijn enig beroep uit te oefenen. Die ongeschiktheid wordt door de hoofdgeneesheer-directeur van de medico-sociale dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg vastgesteld op advies, ofwel van een aan deze dienst verbonden inspecteur-geneesheer, ofwel van een geneesheer van de dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ;
5° het meisje van minder dan 21 jaar dat als huishoudster de overleden moeder vervangt en geen andere dan huishoudelijke arbeid verricht.
Voor de toepassing van deze bepaling worden met de overleden moeder gelijkgesteld :
a) de uit de echt gescheiden moeder, de van tafel en bed gescheiden moeder, de in feite gescheiden moeder ;
b) de moeder die wegens een blijvende geestesziekte in een instelling is geplaatst ;
c) de moeder die wegens ernstige ziekte, blindheid, verlamming of gebrekkigheid volledig ongeschikt is haar huishouden te verzorgen gedurende ten minste zes maanden, op voorwaarde dat er in het gezin geen andere persoon dan het meisje is om de moeder in het huishouden te vervangen.
De leeftijd van 21 jaar wordt op 25 jaar gebracht indien in het gezin :
a) ten minste één kind is waarvoor kinderbijslag wordt verleend, dat de leeftijd van 14 jaar niet heeft bereikt of de leeftijd waarop de schoolplicht eindigt na de leeftijd van 14 jaar ;
b) ten minste één minder-valide kind van minder dan 25 jaar is dat recht geeft op kinderbijslag ;
6° het meisje van minder dan 21 jaar uit een gezin met ten minste vier kinderen, van wie er ten minste drie recht geven op kinderbijslag, en dat de moeder-huishoudster in haar taak bijstaat ; noch de moeder, noch het meisje mogen andere dan huishoudelijke arbeid verrichten.
Worden evenwel niet beschouwd als zijnde ten laste, de kinderen wier persoonlijk inkomen het bedrag overschrijdt dat bepaald is bij artikel 20, tweede lid, voor één kind ten laste.
1° de ongehuwde kinderen van minder dan 16 jaar ;
2° de ongehuwde kinderen van minder dan 21 jaar die :
a) een leerovereenkomst hebben aangegaan onder de voorwaarden waarin voorzien is bij de reglementen betreffende de beroepsopleiding en -volmaking in de ambachten en neringen ;
b) een bijzondere leerovereenkomst voor omscholing van minder-validen hebben gesloten in de vormen en onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen ;
3° de ongehuwde kinderen van minder dan 25 jaar die regelmatig cursussen van beroeps- of algemeen onderwijs volgen ;
4° de kinderen, welke ook hun leeftijd zij, die wegens hun lichaams- of geestestoestand niet geschikt zijn enig beroep uit te oefenen. Die ongeschiktheid wordt door de hoofdgeneesheer-directeur van de medico-sociale dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg vastgesteld op advies, ofwel van een aan deze dienst verbonden inspecteur-geneesheer, ofwel van een geneesheer van de dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ;
5° het meisje van minder dan 21 jaar dat als huishoudster de overleden moeder vervangt en geen andere dan huishoudelijke arbeid verricht.
Voor de toepassing van deze bepaling worden met de overleden moeder gelijkgesteld :
a) de uit de echt gescheiden moeder, de van tafel en bed gescheiden moeder, de in feite gescheiden moeder ;
b) de moeder die wegens een blijvende geestesziekte in een instelling is geplaatst ;
c) de moeder die wegens ernstige ziekte, blindheid, verlamming of gebrekkigheid volledig ongeschikt is haar huishouden te verzorgen gedurende ten minste zes maanden, op voorwaarde dat er in het gezin geen andere persoon dan het meisje is om de moeder in het huishouden te vervangen.
De leeftijd van 21 jaar wordt op 25 jaar gebracht indien in het gezin :
a) ten minste één kind is waarvoor kinderbijslag wordt verleend, dat de leeftijd van 14 jaar niet heeft bereikt of de leeftijd waarop de schoolplicht eindigt na de leeftijd van 14 jaar ;
b) ten minste één minder-valide kind van minder dan 25 jaar is dat recht geeft op kinderbijslag ;
6° het meisje van minder dan 21 jaar uit een gezin met ten minste vier kinderen, van wie er ten minste drie recht geven op kinderbijslag, en dat de moeder-huishoudster in haar taak bijstaat ; noch de moeder, noch het meisje mogen andere dan huishoudelijke arbeid verrichten.
Worden evenwel niet beschouwd als zijnde ten laste, de kinderen wier persoonlijk inkomen het bedrag overschrijdt dat bepaald is bij artikel 20, tweede lid, voor één kind ten laste.
Art. 22. Sont considérés comme enfants à charge:
1° les enfants célibataires de moins de 16 ans;
2° les enfants célibataires de moins de 21 ans qui ont conclu:
a) un contrat d'apprentissage dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation et au perfectionnement professionnels dans les métiers et négoces;
b) ou un contrat d'apprentissage spécial pour la réadaptation professionnelle des handicapés, conclu dans les formes et conditions fixées par l'arrêté royal du 5 juillet 1963 relatif au reclassement social des handicapés;
3° les enfants célibataires de moins de 25 ans qui suivent régulièrement des cours d'enseignement professionnel ou général;
4° les enfants, quel que soit leur âge, incapables d'exercer une profession quelconque en raison de leur état physique ou mental. Cette incapacité est constatée par le médecin en chef-directeur du service médico-social du Ministère de la Prévoyance sociale, sur avis soit d'un inspecteur-médecin, attaché à ce service, soit d'un médecin du service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
5° la jeune fille de moins de 21 ans qui remplace, comme ménagère, la mère décédée et n'exerce aucune activité autre que celle de ménagère;
Pour l'application de cette disposition sont assimilées à la mère décédée:
a) la mère divorcée, la mère séparée de corps et de biens, la mère séparée de fait;
b) la mère placée dans une institution pour cause de maladie mentale permanente;
c) la mère qui se trouve dans l'impossibilité absolue de vaquer à ses travaux ménagers pendant six mois au moins, par suite de maladie grave, cécité, paralysie ou impotence, à condition qu'il n'y ait dans le ménage aucune autre personne que la jeune fille, pour remplacer la mère dans l'accomplissement de ses travaux ménagers;
L'âge de 21 ans est porté à 25 ans, lorsqu'il y a dans le ménage:
a) au moins un enfant bénéficiaire d'allocations familiales, n'ayant pas atteint l'âge de 14 ans, ou l'âge auquel prend fin l'obligation scolaire lorsque celui-ci se situe après l'âge de 14 ans;
b) au moins un enfant handicapé de moins de 25 ans qui est bénéficiaire d'allocations familiales;
6° la jeune fille de moins de 21 ans d'un ménage d'au moins quatre enfants dont trois au moins sont bénéficiaires d'allocations familiales et qui assiste la mère ménagère dans sa tâche; ni la mère, ni la jeune fille ne peuvent exercer une activité autre que celle de ménagère.
Ne sont toutefois pas considérés comme étant à charge, les enfants dont les ressources personnelles dépassent le montant prévu à l'article 20, alinéa 2, pour un enfant à charge.
1° les enfants célibataires de moins de 16 ans;
2° les enfants célibataires de moins de 21 ans qui ont conclu:
a) un contrat d'apprentissage dans les conditions prévues par les règlements relatifs à la formation et au perfectionnement professionnels dans les métiers et négoces;
b) ou un contrat d'apprentissage spécial pour la réadaptation professionnelle des handicapés, conclu dans les formes et conditions fixées par l'arrêté royal du 5 juillet 1963 relatif au reclassement social des handicapés;
3° les enfants célibataires de moins de 25 ans qui suivent régulièrement des cours d'enseignement professionnel ou général;
4° les enfants, quel que soit leur âge, incapables d'exercer une profession quelconque en raison de leur état physique ou mental. Cette incapacité est constatée par le médecin en chef-directeur du service médico-social du Ministère de la Prévoyance sociale, sur avis soit d'un inspecteur-médecin, attaché à ce service, soit d'un médecin du service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
5° la jeune fille de moins de 21 ans qui remplace, comme ménagère, la mère décédée et n'exerce aucune activité autre que celle de ménagère;
Pour l'application de cette disposition sont assimilées à la mère décédée:
a) la mère divorcée, la mère séparée de corps et de biens, la mère séparée de fait;
b) la mère placée dans une institution pour cause de maladie mentale permanente;
c) la mère qui se trouve dans l'impossibilité absolue de vaquer à ses travaux ménagers pendant six mois au moins, par suite de maladie grave, cécité, paralysie ou impotence, à condition qu'il n'y ait dans le ménage aucune autre personne que la jeune fille, pour remplacer la mère dans l'accomplissement de ses travaux ménagers;
L'âge de 21 ans est porté à 25 ans, lorsqu'il y a dans le ménage:
a) au moins un enfant bénéficiaire d'allocations familiales, n'ayant pas atteint l'âge de 14 ans, ou l'âge auquel prend fin l'obligation scolaire lorsque celui-ci se situe après l'âge de 14 ans;
b) au moins un enfant handicapé de moins de 25 ans qui est bénéficiaire d'allocations familiales;
6° la jeune fille de moins de 21 ans d'un ménage d'au moins quatre enfants dont trois au moins sont bénéficiaires d'allocations familiales et qui assiste la mère ménagère dans sa tâche; ni la mère, ni la jeune fille ne peuvent exercer une activité autre que celle de ménagère.
Ne sont toutefois pas considérés comme étant à charge, les enfants dont les ressources personnelles dépassent le montant prévu à l'article 20, alinéa 2, pour un enfant à charge.
Onderafdeling 3. _ Vrijgestelde bestaansmiddelen.
Sous-Section 3. _ Des immunisations de ressources.
Art. 23. De leerlingen, leerjongens en leermeisjes zijn van de voorwaarde omtrent de bestaansmiddelen bepaald bij artikel 4, 5° van de wet, geheel ontslagen.
Art. 23. Les élèves et apprentis sont dispensés entièrement de la condition de ressources prévue à l'article 4, 5° de la loi.
Art. 24. Twee derde van de bestaansmiddelen zijn vrijgesteld :
1° voor de gehuwde minder-valide niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden, voor de minder-valide die een huishouden vormt en voor de minder-valide met gezinslast, die de hoedanigheid van niet-werkende hebben en getroffen zijn door een blijvende arbeidsongeschiktheid van :
a) ten minste 50 pct. voor een vrouw ;
b) ten minste 70 pct. voor een man.
Worden beschouwd gezinslast te vormen, de personen die geacht worden ten laste te zijn van de gerechtigde bij toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ;
2° voor de minderjarige niet werkende minder-valide die getroffen is door een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 65 pct ;
3° voor elke andere minder-valide die getroffen is door een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 80 pct.
1° voor de gehuwde minder-valide niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden, voor de minder-valide die een huishouden vormt en voor de minder-valide met gezinslast, die de hoedanigheid van niet-werkende hebben en getroffen zijn door een blijvende arbeidsongeschiktheid van :
a) ten minste 50 pct. voor een vrouw ;
b) ten minste 70 pct. voor een man.
Worden beschouwd gezinslast te vormen, de personen die geacht worden ten laste te zijn van de gerechtigde bij toepassing van de wetgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ;
2° voor de minderjarige niet werkende minder-valide die getroffen is door een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 65 pct ;
3° voor elke andere minder-valide die getroffen is door een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 80 pct.
Art. 24. Les deux tiers des ressources sont immunisées:
1° pour le handicapé marié, non séparé de fait ou de corps, pour le handicapé établi en ménage et pour le handicapé ayant charge de famille qui ont la qualité de non-travailleur et qui sont atteints d'une incapacité permanente de travail de:
a) 50 p.c. au moins s'il s'agit d'une femme;
b) 70 p.c. au moins s'il s'agit d'un homme.
Sont considérés comme constituant charge de famille les personnes qui sont réputées être à charge du titulaire par application de la législation sur l'assurance obligatoire en matière de maladie et d'invalidité;
2° pour le handicapé non-travailleur, mineur d'âge et atteint d'une incapacité permanente de travail de 65 p.c. au moins;
3° pour tout autre handicapé atteint d'une incapacité permanente de travail de 80 p.c. au moins.
1° pour le handicapé marié, non séparé de fait ou de corps, pour le handicapé établi en ménage et pour le handicapé ayant charge de famille qui ont la qualité de non-travailleur et qui sont atteints d'une incapacité permanente de travail de:
a) 50 p.c. au moins s'il s'agit d'une femme;
b) 70 p.c. au moins s'il s'agit d'un homme.
Sont considérés comme constituant charge de famille les personnes qui sont réputées être à charge du titulaire par application de la législation sur l'assurance obligatoire en matière de maladie et d'invalidité;
2° pour le handicapé non-travailleur, mineur d'âge et atteint d'une incapacité permanente de travail de 65 p.c. au moins;
3° pour tout autre handicapé atteint d'une incapacité permanente de travail de 80 p.c. au moins.
Art. 25. Voor de berekening van de bestaansmiddelen komen niet in aanmerking :
1° de kinderbijslag ;
2° de voordelen in geld of in natura, toegekend ofwel door commissies van openbare onderstand, ofwel door openbare weldadigheidsinstellingen of -groeperingen ;
3° de uitkeringen tot onderhoud die aan de aanvrager door zijn descendenten of ascendenten zijn verschuldigd ;
4° de opbrengst van een perceel grond of van een klein veebeslag, dat uitsluitend bestemd is voor de normale behoeften van het gezin van de aanvrager ;
5° het kadastraal inkomen van het huis, of gedeelte van het huis dat eigendom is van een van de personen die in aanmerking komen voor de vaststelling van de perken van de bestaansmiddelen en dat door de aanvrager wordt betrokken ;
6° de waarde van de kolen, die kosteloos aan de mijnwerkers en gewezen mijnwerkers worden verleend ;
7° de militievergoeding ;
8° de voordelen die de aanvrager door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen zijn toegekend gedurende de periode van zijn revalidatie en beroepsherscholing ;
9° de verdubbeling van het vakantiegeld en de gezinsvakantiebijslag toegekend krachtens een wettelijk of reglementair stelsel ;
10° de gratificatie aan de leerjongens of leermeisjes toegekend ten belope van het bedrag boven hetwelk de kinderbijslag niet meer verschuldigd is.
11° (de uitkering voor hulp van derde ten gunste van zwaar gehandicapten en de tegemoetkoming voor hulp van derde, toegekend aan de minder-valide, zijn ouders of zijn echtgenoot.)
1° de kinderbijslag ;
2° de voordelen in geld of in natura, toegekend ofwel door commissies van openbare onderstand, ofwel door openbare weldadigheidsinstellingen of -groeperingen ;
3° de uitkeringen tot onderhoud die aan de aanvrager door zijn descendenten of ascendenten zijn verschuldigd ;
4° de opbrengst van een perceel grond of van een klein veebeslag, dat uitsluitend bestemd is voor de normale behoeften van het gezin van de aanvrager ;
5° het kadastraal inkomen van het huis, of gedeelte van het huis dat eigendom is van een van de personen die in aanmerking komen voor de vaststelling van de perken van de bestaansmiddelen en dat door de aanvrager wordt betrokken ;
6° de waarde van de kolen, die kosteloos aan de mijnwerkers en gewezen mijnwerkers worden verleend ;
7° de militievergoeding ;
8° de voordelen die de aanvrager door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen zijn toegekend gedurende de periode van zijn revalidatie en beroepsherscholing ;
9° de verdubbeling van het vakantiegeld en de gezinsvakantiebijslag toegekend krachtens een wettelijk of reglementair stelsel ;
10° de gratificatie aan de leerjongens of leermeisjes toegekend ten belope van het bedrag boven hetwelk de kinderbijslag niet meer verschuldigd is.
11° (de uitkering voor hulp van derde ten gunste van zwaar gehandicapten en de tegemoetkoming voor hulp van derde, toegekend aan de minder-valide, zijn ouders of zijn echtgenoot.)
Art. 25. Pour l'évaluation des ressources, il n'est pas tenu compte:
1° des allocations familiales;
2° des avantages en espèces ou en nature, alloués, soit par des commissions d'assistance publique, soit par des oeuvres ou groupements de bienfaisance publique;
3° des rentes alimentaires dues au demandeur par ses descendants ou ses ascendants;
4° des produits provenant d'une parcelle de terre ou d'un petit cheptel exclusivement réservés aux besoins normaux du ménage du demandeur;
5° du revenu cadastral de la maison ou partie de maison, propriété d'une des personnes qui entrent en ligne de compte pour la fixation des limites de ressources et occupée par le demandeur;
6° de la valeur du charbon accordé, à titre gratuit, aux ouvriers et anciens ouvriers mineurs;
7° de l'allocation de milice;
8° des avantages octroyés au demandeur par le Fonds national de reclassement social des handicapés pendant la période de sa rééducation fonctionnelle et professionnelle;
9° du doublement du pécule de vacances et de l'allocation familiale de vacances octroyés en vertu d'un régime légal ou réglementaire;
10° de la gratification allouée aux apprentis jusqu'à concurrence du montant au-delà duquel les allocations familiales ne sont plus dues.
11° L'indemnité pour l'aide d'une tierce personne au profit des handicapés graves et l'allocation pour l'aide d'une tierce personne accordées au handicapé, à ses parents ou à son conjoint.
1° des allocations familiales;
2° des avantages en espèces ou en nature, alloués, soit par des commissions d'assistance publique, soit par des oeuvres ou groupements de bienfaisance publique;
3° des rentes alimentaires dues au demandeur par ses descendants ou ses ascendants;
4° des produits provenant d'une parcelle de terre ou d'un petit cheptel exclusivement réservés aux besoins normaux du ménage du demandeur;
5° du revenu cadastral de la maison ou partie de maison, propriété d'une des personnes qui entrent en ligne de compte pour la fixation des limites de ressources et occupée par le demandeur;
6° de la valeur du charbon accordé, à titre gratuit, aux ouvriers et anciens ouvriers mineurs;
7° de l'allocation de milice;
8° des avantages octroyés au demandeur par le Fonds national de reclassement social des handicapés pendant la période de sa rééducation fonctionnelle et professionnelle;
9° du doublement du pécule de vacances et de l'allocation familiale de vacances octroyés en vertu d'un régime légal ou réglementaire;
10° de la gratification allouée aux apprentis jusqu'à concurrence du montant au-delà duquel les allocations familiales ne sont plus dues.
11° L'indemnité pour l'aide d'une tierce personne au profit des handicapés graves et l'allocation pour l'aide d'une tierce personne accordées au handicapé, à ses parents ou à son conjoint.
Afdeling 4. _ Het geneeskundig onderzoek.
Section 4. _ L'instruction médicale.
Art. 26. De vaststelling van de ongeschiktheid voor de toekenning van het recht op tegemoetkomingen geschiedt door een geneesheer van de Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg of door een geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
De Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg is belast met de evaluatie en het toezicht op de activiteiten van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wat betreft de medische onderzoeken die deze laatste dienst verricht in het kader van de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan minder-validen.
De Minister, tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, mag aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering instructies geven met het oog op een eenvormige toepassing van de wet van 27 juni 1969 en van haar uitvoeringsbesluiten.
De Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg is belast met de evaluatie en het toezicht op de activiteiten van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wat betreft de medische onderzoeken die deze laatste dienst verricht in het kader van de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan minder-validen.
De Minister, tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, mag aan de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering instructies geven met het oog op een eenvormige toepassing van de wet van 27 juni 1969 en van haar uitvoeringsbesluiten.
Art. 26. La détermination de l'incapacité pour l'octroi du droit aux allocations est effectuée par un médecin du Service médical du Ministère de la Prévoyance sociale ou par un médecin-inspecteur du Service du contrôle médical de l'Institut National d'assurance maladie-invalidité.
Le Service médical du Ministère de la Prévoyance sociale est chargé de l'évaluation et de la surveillance des activités du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en ce qui concerne les examens médicaux effectués par ce dernier service dans le cadre de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
Le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions peut donner des instructions au service de contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en vue d'une application uniforme de la loi du 27 juin 1969 et de ses arrêtés d'exécution.
Le Service médical du Ministère de la Prévoyance sociale est chargé de l'évaluation et de la surveillance des activités du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en ce qui concerne les examens médicaux effectués par ce dernier service dans le cadre de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
Le Ministre qui a la Prévoyance sociale dans ses attributions peut donner des instructions au service de contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité en vue d'une application uniforme de la loi du 27 juin 1969 et de ses arrêtés d'exécution.
Art. 27. § 1. De in artikel 26 bedoelde vaststelling van de ongeschiktheid geschiedt op verzoek van de Dienst voor uitkeringen aan minder-validen van de Algemene Directie van de gezinsbijslag en uitkeringen aan minder-validen van het Ministerie van Sociale Voorzorg.
De vaststelling van de ongeschiktheid moet worden medegedeeld aan de in het eerste lid bedoelde Dienst binnen de drie maanden.
§ 2. De Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg of de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vordert van de aanvrager de geneeskundige getuigschriften die noodzakelijk geacht worden.
Indien de aanvrager die niet binnen de dertig dagen overmaakt, wordt hem een ter post aangetekende herinneringsbrief gezonden; geeft hij hieraan geen gevolg binnen een termijn van vijftien dagen, dan kan de tegemoetkoming worden geweigerd.
§ 3. Ten einde de in § 1 bedoelde vaststelling van de ongeschiktheid te kunnen verrichten wordt aan de aanvrager een oproeping gestuurd. Indien hij nalaat zich voor het geneeskundig onderzoek aan te melden, wordt hem bij een ter post aan getekende brief een tweede oproeping gestuurd. Indien hij er geen gevolg aan geeft wordt de tegemoetkoming geweigerd. De belanghebbende die in de onmogelijkheid verkeert zich te verplaatsen, wordt ter plaatse onderzocht.
De vaststelling van de ongeschiktheid moet worden medegedeeld aan de in het eerste lid bedoelde Dienst binnen de drie maanden.
§ 2. De Medische Dienst van het Ministerie van Sociale Voorzorg of de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vordert van de aanvrager de geneeskundige getuigschriften die noodzakelijk geacht worden.
Indien de aanvrager die niet binnen de dertig dagen overmaakt, wordt hem een ter post aangetekende herinneringsbrief gezonden; geeft hij hieraan geen gevolg binnen een termijn van vijftien dagen, dan kan de tegemoetkoming worden geweigerd.
§ 3. Ten einde de in § 1 bedoelde vaststelling van de ongeschiktheid te kunnen verrichten wordt aan de aanvrager een oproeping gestuurd. Indien hij nalaat zich voor het geneeskundig onderzoek aan te melden, wordt hem bij een ter post aan getekende brief een tweede oproeping gestuurd. Indien hij er geen gevolg aan geeft wordt de tegemoetkoming geweigerd. De belanghebbende die in de onmogelijkheid verkeert zich te verplaatsen, wordt ter plaatse onderzocht.
Art. 27. § 1er. La détermination de l'incapacité prévue à l'article 26 a lieu sur demande du Service des allocations aux handicapés de la Direction Générale des prestations familiales et des allocations aux handicapés du Ministère de la Prévoyance sociale.
La détermination de l'incapacité doit être communiquée au Service visé à l'alinéa 1er endéans les trois mois.
§ 2. Le Service médical du Ministère de la Prévoyance sociale ou le Service du contrôle médical de l'Institut National d'assurance-maladie-invalidité réclame au demandeur les certificats médicaux juges nécessaires.
Si le demandeur ne les fournit pas dans les trente jours, il lui est adressé un rappel par lettre recommandée à la poste; s'il n'y donne pas suite dans un délai de quinze jours, l'allocation peut être refusée.
§ 3. Afin de pouvoir réaliser la détermination de l'incapacité visée au § 1er, une convocation est envoyée au demandeur. S'il omet de se présenter à l'expertise médicale, une deuxième convocation lui est envoyée par lettre recommandée à la poste. S'il néglige d'y donner suite l'allocation est refusée. L'intéressé incapable de se déplacer est examiné sur place.
La détermination de l'incapacité doit être communiquée au Service visé à l'alinéa 1er endéans les trois mois.
§ 2. Le Service médical du Ministère de la Prévoyance sociale ou le Service du contrôle médical de l'Institut National d'assurance-maladie-invalidité réclame au demandeur les certificats médicaux juges nécessaires.
Si le demandeur ne les fournit pas dans les trente jours, il lui est adressé un rappel par lettre recommandée à la poste; s'il n'y donne pas suite dans un délai de quinze jours, l'allocation peut être refusée.
§ 3. Afin de pouvoir réaliser la détermination de l'incapacité visée au § 1er, une convocation est envoyée au demandeur. S'il omet de se présenter à l'expertise médicale, une deuxième convocation lui est envoyée par lettre recommandée à la poste. S'il néglige d'y donner suite l'allocation est refusée. L'intéressé incapable de se déplacer est examiné sur place.
Art. 28. De minder-validen hebben geen recht op de tegemoetkomingen uit hoofde van de blijvende arbeidsongeschiktheid voor dewelke zij genieten of kunnen genieten:
a) de wettelijke vergoeding als slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte;
b) een wettelijk pensioen als burgerlijk of militair oorlogsslachtoffer of militair slachtoffer in vredestijd.
a) de wettelijke vergoeding als slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte;
b) een wettelijk pensioen als burgerlijk of militair oorlogsslachtoffer of militair slachtoffer in vredestijd.
Art. 28. Les handicapés n'ont pas droit aux allocations en raison de l'incapacité permanente de travail pour laquelle il bénéficient ou peuvent bénéficier:
a) de la réparation légale en qualité de victime d'un accident du travail ou de maladie professionnelle;
b) d'une pension légale en qualité de victime civile ou militaire de la guerre ou de victime militaire du temps de paix.
a) de la réparation légale en qualité de victime d'un accident du travail ou de maladie professionnelle;
b) d'une pension légale en qualité de victime civile ou militaire de la guerre ou de victime militaire du temps de paix.
Art. 29. Indien een invaliditeit van de aanvrager voor een deel het voorwerp uitmaakt van een vergoeding als bedoeld bij artikel 28, is de in aanmerking te nemen graad van blijvende arbeidsongeschiktheid voor het vaststellen van het recht op de tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen de graad van ongeschiktheid voortspruitend uit de gehele invaliditeit en die van het gedeelte van de invaliditeit dat reeds werd vergoed.
Art. 29. Lorsqu'une invalidité du demandeur fait en partie l'objet d'une réparation prévue à l'article 28, le taux d'incapacité permanente de travail à retenir pour établir le droit à l'allocation est égal à la différence entre le taux d'incapacité résultant de l'invalidité totale et celui de la partie de cette invalidité déjà indemnisée.
Art. 30. Wanneer er zich meerdere ongeschiktheden voordoen die in aanmerking komen voor het recht op de tegemoetkoming, wordt de graad van arbeidsongeschiktheid volledig toegekend voor de zwaarste ongeschiktheid en voor ieder van de bijkomende ongeschiktheden, gerangschikt in dalende orde van hun normale graad van arbeidsongeschiktheid, wordt hij berekend op de overblijvende arbeidsgeschiktheid.
Art. 30. En cas d'invalidités multiples entrant en ligne de compte pour établir le droit à l'allocation, le taux d'incapacité de travail est attribué entièrement pour l'invalidité la plus grave et pour chacune des invalidités supplémentaires, rangées dans l'ordre décroissant de leur taux normal d'incapacité de travail, il est calculé sur la capacité de travail restante.
Art. 31. Het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid dat moet aangerekend worden om het recht op de tegemoetkoming vast te stellen, wordt op het onmiddellijk hogere veelvoud van vijf afgerond indien het zelf geen veelvoud van vijf is.
Art. 31. Le pourcentage d'incapacité permanente de travail à retenir pour établir le droit à l'allocation est arrondi au multiple de cinq immédiatement supérieur s'il n'est pas lui-même un multiple de cinq.
Afdeling 5. _ Ingang van het recht op de tegemoetkomingen.
Section 5. _ Prise de cours du droit aux allocations.
Art. 32. Het recht op de tegemoetkomingen gaat in de eerste dag van de maand volgend op die in de loop van dewelke de aanvrager voldoet aan de voorwaarden bepaald bij de wet en ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag (of die volgt op het feit dat het ambtshalve onderzoek van de rechten op tegemoetkomingen verantwoordt).
Art. 32. Le droit aux allocations prend cours à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le demandeur satisfait aux conditions prévues par la loi et au plus tôt le premier jour du mois qui suit la date d'introduction de la demande (ou qui suit l'événement justifiant l'examen d'office des droits aux allocations.)
HOOFDSTUK IV. - Berekening van het bedrag van de gewone tegemoetkoming.
CHAPITRE IV. - Calcul du montant de l'allocation ordinaire.
Art. 33. Het jaarlijks bedrag van de gewone tegemoetkoming wordt bepaald op :
(34,74 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 30 tot 55 pct. bedraagt;
(37,99 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 60 pct. bedraagt;
(40,21 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 65 pct. bedraagt;
(47,07 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 70 of 75 pct. bedraagt;
(52,81 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 80 pct. bedraagt;
(53,18 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 85 of 90 pct. bedraagt;
(58,46 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 95 pct. bedraagt;
(66,06 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 100 pct. bedraagt.
Gaat het evenwel om gehuwde mannen die niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden zijn, dan wordt het bedrag bepaald op :
(54,48 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 80 of 85 pct. bedraagt;
(55,78 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 90 pct. bedraagt;
(62,08 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 95 pct. bedraagt;
(67,17 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 100 pct. bedraagt.
(Het jaarlijks bedrag, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt verminderd met het gedeelte van het inkomen dat de bedragen overschrijdt bedoeld in artikel 14, tweede lid, 1°, 2° en 3° of bij artikel 20, tweede lid, 1°, 2° en 3°, volgens het geval)
(34,74 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 30 tot 55 pct. bedraagt;
(37,99 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 60 pct. bedraagt;
(40,21 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 65 pct. bedraagt;
(47,07 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 70 of 75 pct. bedraagt;
(52,81 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 80 pct. bedraagt;
(53,18 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 85 of 90 pct. bedraagt;
(58,46 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 95 pct. bedraagt;
(66,06 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 100 pct. bedraagt.
Gaat het evenwel om gehuwde mannen die niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden zijn, dan wordt het bedrag bepaald op :
(54,48 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 80 of 85 pct. bedraagt;
(55,78 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 90 pct. bedraagt;
(62,08 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 95 pct. bedraagt;
(67,17 EUR) voor elk percent blijvende arbeidsongeschiktheid indien deze 100 pct. bedraagt.
(Het jaarlijks bedrag, berekend overeenkomstig dit artikel, wordt verminderd met het gedeelte van het inkomen dat de bedragen overschrijdt bedoeld in artikel 14, tweede lid, 1°, 2° en 3° of bij artikel 20, tweede lid, 1°, 2° en 3°, volgens het geval)
Art. 33. Le montant annuel de l'allocation ordinaire est fixé à :
(34,74 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 30 à 55 p.c.;
(37,99 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 60 p.c.;
(40,21 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 65 p.c.;
(47,07 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 70 ou 75 p.c.;
(52,81 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 80 p.c.;
(53,18 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 85 ou 90 p.c.;
(58,46 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 95 p.c.;
(66,06 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 100 p.c.;
S'il s'agit toutefois d'hommes mariés non séparés de fait ni de corps et de biens, le montant est fixé à :
(54,48 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 80 ou 85 p.c.;
(55,78 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 90 p.c.;
(62,08 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 95 p.c.;
(67,17 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 100 p.c..
(Le montant annuel calculé suivant le présent article est réduit de la quotité des ressources dépassant les montants visés à l'article 14, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, ou à l'article 20, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, suivant le cas.)
(34,74 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 30 à 55 p.c.;
(37,99 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 60 p.c.;
(40,21 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 65 p.c.;
(47,07 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 70 ou 75 p.c.;
(52,81 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 80 p.c.;
(53,18 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 85 ou 90 p.c.;
(58,46 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 95 p.c.;
(66,06 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 100 p.c.;
S'il s'agit toutefois d'hommes mariés non séparés de fait ni de corps et de biens, le montant est fixé à :
(54,48 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 80 ou 85 p.c.;
(55,78 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 90 p.c.;
(62,08 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 95 p.c.;
(67,17 EUR) par pour-cent d'incapacité permanente de travail lorsque celle-ci est de 100 p.c..
(Le montant annuel calculé suivant le présent article est réduit de la quotité des ressources dépassant les montants visés à l'article 14, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, ou à l'article 20, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, suivant le cas.)
Art. 34. Indien de aanvrager een vergoeding geniet bij toepassing van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, wordt het jaarlijks bedrag van de tegemoetkoming, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 33, volgens het geval verminderd ofwel met het bedrag van de lijfrente die aan de aanvrager wordt toegekend tot vergoeding van de blijvende arbeidsongeschiktheid die uit zijn ongeval voortvloeit ofwel, indien de vergoeding hem bij wijze van kapitaal werd toegekend, met het bedrag van de hypothetische lijfrente geraamd bij toepassing van de artikelen 35 tot 38.
Art. 34. Si le demandeur bénéficie d'une indemnité en application des articles 1382 et suivants du Code civil, le montant annuel de l'allocation calculé conformément aux dispositions de l'article 33 est réduit suivant le cas, soit du montant de la rente viagère qui lui est allouée en réparation de l'incapacité permanente de travail résultant de son accident, soit, si l'indemnité lui a été allouée sous forme de capital, du montant de la rente viagère hypothétique évaluée par application des articles 35 à 38.
Art. 35. Het bedrag van het kapitaal als vergoeding aan de aanvrager toegekend bij toepassing van de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, in de mate waarin het overeenstemt met de vergoeding van de blijvende arbeidsongeschiktheid, wordt na afhouding van een bedrag gelijk aan 20 pct. in een hypothetische lijfrente omgezet volgens de onderstaande schaal, opgemaakt overeenkomstig de Belgische tabel H.F. 1904 en de rentevoet van 4 pct.
Art. 35. Le montant du capital-indemnité alloué au demandeur en application des articles 1382 et suivants du Code civil dans la mesure ou il correspond à l'indemnisation de l'incapacité permanente de travail est, après déduction d'un montant égal a 20 p.c., converti en rente viagère hypothétique d'après le barème ci-dessous, établi sur la base de la table belge H.F. 1904 et du taux d'intérêt de 4 p.c.
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
0 5,98
1 5,08
2 4,90
3 4,85
4 4,83
5 4,82
6 4,82
7 4,84
8 4,86
9 4,89
10 4,91
11 4,95
12 4,98
13 5,02
14 5,05
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
15 5,09
16 5,13
17 5,17
18 5,21
19 5,25
20 5,28
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
0 5,98
1 5,08
2 4,90
3 4,85
4 4,83
5 4,82
6 4,82
7 4,84
8 4,86
9 4,89
10 4,91
11 4,95
12 4,98
13 5,02
14 5,05
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
15 5,09
16 5,13
17 5,17
18 5,21
19 5,25
20 5,28
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
0 5,98
1 5,08
2 4,90
3 4,85
4 4,83
5 4,82
6 4,82
7 4,84
8 4,86
9 4,89
10 4,91
11 4,95
12 4,98
13 5,02
14 5,05
Age révolu Rente viagère
au moment immédiate hypothétique
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
15 5,09
16 5,13
17 5,17
18 5,21
19 5,25
20 5,28
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
0 5,98
1 5,08
2 4,90
3 4,85
4 4,83
5 4,82
6 4,82
7 4,84
8 4,86
9 4,89
10 4,91
11 4,95
12 4,98
13 5,02
14 5,05
Age révolu Rente viagère
au moment immédiate hypothétique
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
15 5,09
16 5,13
17 5,17
18 5,21
19 5,25
20 5,28
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
21 5,32
22 5,35
23 5,39
24 5,43
25 5,47
26 5,52
27 5,56
28 5,61
29 5,66
30 5,72
31 5,77
32 5,83
33 5,90
34 5,96
35 6,03
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
36 6,11
37 6,19
38 6,27
39 6,36
40 6,45
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
21 5,32
22 5,35
23 5,39
24 5,43
25 5,47
26 5,52
27 5,56
28 5,61
29 5,66
30 5,72
31 5,77
32 5,83
33 5,90
34 5,96
35 6,03
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
36 6,11
37 6,19
38 6,27
39 6,36
40 6,45
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
21 5,32
22 5,35
23 5,39
24 5,43
25 5,47
26 5,52
27 5,56
28 5,61
29 5,66
30 5,72
31 5,77
32 5,83
33 5,90
34 5,96
35 6,03
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
36 6,11
37 6,19
38 6,27
39 6,36
40 6,45
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
21 5,32
22 5,35
23 5,39
24 5,43
25 5,47
26 5,52
27 5,56
28 5,61
29 5,66
30 5,72
31 5,77
32 5,83
33 5,90
34 5,96
35 6,03
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
36 6,11
37 6,19
38 6,27
39 6,36
40 6,45
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
41 6,55
42 6,66
43 6,77
44 6,89
45 7,01
46 7,14
47 7,29
48 7,44
49 7,59
50 7,76
51 7,94
52 8,14
53 8,34
54 8,56
55 8,79
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
56 9,04
57 9,31
58 9,60
59 9,90
60 10,23
61 10,59
62 10,97
63 11,37
64 11,81
65 12,29
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
41 6,55
42 6,66
43 6,77
44 6,89
45 7,01
46 7,14
47 7,29
48 7,44
49 7,59
50 7,76
51 7,94
52 8,14
53 8,34
54 8,56
55 8,79
Volle leeftijd Onmiddelijke
op het ogenblik hypothetische
van het ongeval lijfrente door
100 frank gevestigd
kol. 1: kol. 2:
56 9,04
57 9,31
58 9,60
59 9,90
60 10,23
61 10,59
62 10,97
63 11,37
64 11,81
65 12,29
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
41 6,55
42 6,66
43 6,77
44 6,89
45 7,01
46 7,14
47 7,29
48 7,44
49 7,59
50 7,76
51 7,94
52 8,14
53 8,34
54 8,56
55 8,79
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
56 9,04
57 9,31
58 9,60
59 9,90
60 10,23
61 10,59
62 10,97
63 11,37
64 11,81
65 12,29
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
41 6,55
42 6,66
43 6,77
44 6,89
45 7,01
46 7,14
47 7,29
48 7,44
49 7,59
50 7,76
51 7,94
52 8,14
53 8,34
54 8,56
55 8,79
Age révolu Rente viagère
au moment hypothétique immédiate
de l'accident constituée par
100 francs
col. 1: col. 2:
56 9,04
57 9,31
58 9,60
59 9,90
60 10,23
61 10,59
62 10,97
63 11,37
64 11,81
65 12,29
Art. 36. Het bewijs van de lijfrente of van het kapitaal, als vergoeding toegekend, geschiedt door overlegging van een uitgifte van het gewezen vonnis of van de minnelijke schikking die tussen de partijen werd getroffen of, bij gebreke ervan, door het overleggen van elk ander bewijskrachtig stuk.
Art. 36. La justification de la rente viagère ou du capital-indemnité alloué est faite par la production d'une expédition du jugement rendu ou de l'accord à l'amiable intervenu entre parties ou, à défaut, par la production de tout autre document probant.
Art. 37. In de gevallen waarin het bij artikel 36 bedoelde vonnis of schikking het gedeelte van het kapitaal dat voor de vergoeding van de blijvende arbeidsongeschiktheid is bestemd niet nader bepaalt, geschiedt de omzetting in hypothetische lijfrente bedoeld bij artikel 35 op 70 pct, van het kapitaal dat als vergoeding aan de aanvrager werd toegekend.
Art. 37. Dans les cas ou le jugement ou l'accord visé à l'article 36 ne précise pas la partie du capital affectée à l'indemnisation de l'incapacité permanente de travail, la conversion en rente viagère hypothétique dont il est question à l'article 35 se fait sur la base de 70 p.c. du capital-indemnité alloué au demandeur.
Art. 38. De bij artikel 34 bedoelde vermindering wordt toegepast op de tegemoetkoming die overeenstemt met de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van de aansprakelijkheid van derden.
Art. 38. La réduction prévue à l'article 34 est appliquée à l'allocation qui correspond au degré d'incapacité permanente de travail résultant de la responsabilité d'un tiers.
HOOFDSTUK V. - De aanvullende tegemoetkoming.
CHAPITRE V. - L'allocation complémentaire.
Art. 39. § 1. Wordt niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet, het jaarbedrag van de prestaties, vastgesteld overeenkomstig de §§ 2 of 3, desgevallend rekening houdend met de bepalingen van § 4.
§ 2. Gaat het om een aan de echtgenoot van de minder-valide toegekende prestatie, dan is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk :
1° indien de minder-valide minder dan 65 jaar oud is :
a) aan 4/5 van het rustpensioen van (de gehuwde persoon) dat toegekend wordt krachtens een als werknemer uitgeoefende bezigheid of aan 4/5 van het rustpensioen dat toegekend wordt omwille van een in een openbare of hiermee gelijkgestelde dienst uitgeoefende activiteit;
b) aan 2/3 van het rustpensioen van (de gehuwde persoon) dat toegekend wordt krachtens een als zelfstandige uitgeoefende bezigheid of aan 2/3 van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden tegen het bedrag van (de gehuwde persoon).
(Evenwel wanneer de aanvullende tegemoetkoming wordt toegekend ter vervanging van een gewone of bijzondere tegemoetkoming, toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk aan (310 EUR) per jaar, verminderd met de bij toepassing van artikel 9 van hetzelfde besluit in aanmerking te nemen bestaansmiddelen;)
2° indien de minder-valide ten minste 65 jaar oud is: aan het in § 3 bedoeld bedrag.
§ 3. Gaat het om een aan de minder-valide toegekende prestatie, dan is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk aan (1 423,33 EUR).
(Wanneer de aanvullende tegemoetkoming evenwel wordt toegekend op basis van een gewone of een bijzondere tegemoetkoming krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, dan wordt het in het vorig lid bedoeld bedrag herleid tot nul, voor zover het om een gewaarborgd inkomen voor bejaarden gaat).
§ 4. In geval van feitelijke scheiding of scheiding van tafel en bed wordt, voor de toepassing van het artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet, het bedrag van de aan de echtgenoot van de minder-valide toegekende prestaties niet in aanmerking genomen.
(§ 5. Voor de toepassing van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet wordt geen rekening gehouden met de herwaarderingspremie toegekend in de pensioenregeling der werknemers en evenmin met de forfaitaire bijzondere verwarmingstoelage toegekend in het stelsel van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.)
§ 2. Gaat het om een aan de echtgenoot van de minder-valide toegekende prestatie, dan is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk :
1° indien de minder-valide minder dan 65 jaar oud is :
a) aan 4/5 van het rustpensioen van (de gehuwde persoon) dat toegekend wordt krachtens een als werknemer uitgeoefende bezigheid of aan 4/5 van het rustpensioen dat toegekend wordt omwille van een in een openbare of hiermee gelijkgestelde dienst uitgeoefende activiteit;
b) aan 2/3 van het rustpensioen van (de gehuwde persoon) dat toegekend wordt krachtens een als zelfstandige uitgeoefende bezigheid of aan 2/3 van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden tegen het bedrag van (de gehuwde persoon).
(Evenwel wanneer de aanvullende tegemoetkoming wordt toegekend ter vervanging van een gewone of bijzondere tegemoetkoming, toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk aan (310 EUR) per jaar, verminderd met de bij toepassing van artikel 9 van hetzelfde besluit in aanmerking te nemen bestaansmiddelen;)
2° indien de minder-valide ten minste 65 jaar oud is: aan het in § 3 bedoeld bedrag.
§ 3. Gaat het om een aan de minder-valide toegekende prestatie, dan is het in § 1 bedoeld bedrag gelijk aan (1 423,33 EUR).
(Wanneer de aanvullende tegemoetkoming evenwel wordt toegekend op basis van een gewone of een bijzondere tegemoetkoming krachtens het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, dan wordt het in het vorig lid bedoeld bedrag herleid tot nul, voor zover het om een gewaarborgd inkomen voor bejaarden gaat).
§ 4. In geval van feitelijke scheiding of scheiding van tafel en bed wordt, voor de toepassing van het artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet, het bedrag van de aan de echtgenoot van de minder-valide toegekende prestaties niet in aanmerking genomen.
(§ 5. Voor de toepassing van artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet wordt geen rekening gehouden met de herwaarderingspremie toegekend in de pensioenregeling der werknemers en evenmin met de forfaitaire bijzondere verwarmingstoelage toegekend in het stelsel van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.)
Art. 39. § 1er. Pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de la loi, n'est pas pris en considération le montant annuel des prestations établi conformément aux §§ 2 ou 3, compte tenu le cas échéant des dispositions du § 4.
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'une prestation accordée au conjoint du handicapé, le montant visé au § 1er est égal :
1° si le handicapé est âgé de moins de 65 ans :
a) aux 4/5 de la pension de retraite (de personne mariée) accordée en vertu d'une occupation exercée en qualité de travailleur salarié ou aux 4/5 de la pension de retraite accordée en raison d'une activité exercée dans un service public ou assimilé;
b) aux 2/3 de la pension de retraite (de personne mariée) accordée en vertu d'une occupation exercée en qualité de travailleur indépendant ou aux 2/3 du revenu garanti aux personnes âgées accordé au taux (de personne mariée).
(Toutefois lorsque l'allocation complémentaire est octroyée en remplacement d'une allocation ordinaire ou spéciale accordée en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés, le montant visé au § 1er est égal à (310 EUR) par an, diminué des ressources à prendre en considération en application de l'article 9 du même arrêté;)
2° si le handicapé est âgé d'au moins 65 ans : au montant visé au § 3.
§ 3. Lorsqu'il s'agit d'une prestation accordée au handicapé, le montant visé au § 1er est égal à (1 423,33 EUR).
Toutefois lorsque l'allocation complémentaire est accordée sur base d'une allocation ordinaire ou spéciale, en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales des handicapés, le montant visé à l'(alinéa) précédent est ramené à zéro pour autant qu'il s'agisse d'un revenu garanti aux personnes âgées.
§ 4. En cas de séparation de fait ou de corps, le montant des prestations accordées au conjoint du handicapé n'est pas pris en considération pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de la loi.
(§ 5. Pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de la loi il n'est pas tenu compte de la prime de revalorisation accordée dans le régime de pension pour travailleurs salariés, ni de l'allocation spéciale forfaitaire de chauffage accordée dans le régime du revenu garanti pour personnes âgées.)
§ 2. Lorsqu'il s'agit d'une prestation accordée au conjoint du handicapé, le montant visé au § 1er est égal :
1° si le handicapé est âgé de moins de 65 ans :
a) aux 4/5 de la pension de retraite (de personne mariée) accordée en vertu d'une occupation exercée en qualité de travailleur salarié ou aux 4/5 de la pension de retraite accordée en raison d'une activité exercée dans un service public ou assimilé;
b) aux 2/3 de la pension de retraite (de personne mariée) accordée en vertu d'une occupation exercée en qualité de travailleur indépendant ou aux 2/3 du revenu garanti aux personnes âgées accordé au taux (de personne mariée).
(Toutefois lorsque l'allocation complémentaire est octroyée en remplacement d'une allocation ordinaire ou spéciale accordée en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés, le montant visé au § 1er est égal à (310 EUR) par an, diminué des ressources à prendre en considération en application de l'article 9 du même arrêté;)
2° si le handicapé est âgé d'au moins 65 ans : au montant visé au § 3.
§ 3. Lorsqu'il s'agit d'une prestation accordée au handicapé, le montant visé au § 1er est égal à (1 423,33 EUR).
Toutefois lorsque l'allocation complémentaire est accordée sur base d'une allocation ordinaire ou spéciale, en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales des handicapés, le montant visé à l'(alinéa) précédent est ramené à zéro pour autant qu'il s'agisse d'un revenu garanti aux personnes âgées.
§ 4. En cas de séparation de fait ou de corps, le montant des prestations accordées au conjoint du handicapé n'est pas pris en considération pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de la loi.
(§ 5. Pour l'application de l'article 8, § 1er, alinéa 1er, de la loi il n'est pas tenu compte de la prime de revalorisation accordée dans le régime de pension pour travailleurs salariés, ni de l'allocation spéciale forfaitaire de chauffage accordée dans le régime du revenu garanti pour personnes âgées.)
Art. 40. Voor de toepassing van artikel 8, § 1, laatste lid van de wet, worden de rust- en overlevingsrenten toegekend krachtens een Belgisch stelsel voor rust- en overlevingspensioenen verwaarloosd.
Art. 40. Pour l'application de l'article 8, § 1er, dernier alinéa de la loi, les rentes de retraite et de survie allouées en vertu d'un régime de pension belge de retraite et de survie sont négligées.
Art. 41. (De dienst voor tegemoetkomingen aan de minder-validen onderzoekt ambtshalve de rechten op de aanvullende tegemoetkoming of desgevallend, op de tegemoetkoming voor hulp van derde, van de rechthebbenden op een gewone of bijzondere tegemoetkoming op de leeftijd bedoeld bij artikel 6 van de wet.)
De belanghebbenden dienen hun eventuele rechten op een rust- of overlevingspensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen (...) te doen gelden.
De belanghebbenden dienen hun eventuele rechten op een rust- of overlevingspensioen waarop zij aanspraak zouden kunnen maken krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen (...) te doen gelden.
Art. 41. (Le service des allocations aux handicapés procède d'office à l'examen des droits à l'allocation complémentaire ou, le cas échéant, à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, des bénéficiaires d'une allocation ordinaire ou spéciale à l'âge prévu à l'article 6 de la loi)
Les intéressés sont tenus de faire valoir leurs droits éventuels a une pension de retraite et de survie (...) à laquelle ils pourraient prétendre en vertu d'un régime de pension de retraite ou de survie belge ou étranger.
Les intéressés sont tenus de faire valoir leurs droits éventuels a une pension de retraite et de survie (...) à laquelle ils pourraient prétendre en vertu d'un régime de pension de retraite ou de survie belge ou étranger.
HOOFDSTUK Vbis. - De tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
CHAPITRE Vbis. - L'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées.
Art. 41bis. § 1. Het jaarlijks bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, is vastgesteld op (1 614,31 EUR).
Dit bedrag wordt toegekend :
- aan de aanvrager die het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, voorzien bij de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, kan genieten;
- aan de gehuwde aanvrager, die niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden is, wiens echtgenoot het gewaarborgd inkomen voor bejaarden kan genieten.
§ 2. Indien het gewaarborgd inkomen voor bejaarden niet toegekend of geschrapt wordt, dan wordt het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden bedoeld in § 1 verminderd met het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet.
Indien de aanvrager en zijn echtgenoot evenwel beiden op de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden kunnen aanspraak maken, wordt het bedrag van deze tegemoetkoming voor elk van hen verminderd met de helft van het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen en het bedrag van het gewaarborgd inkomen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet.
Dit bedrag wordt toegekend :
- aan de aanvrager die het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, voorzien bij de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden, kan genieten;
- aan de gehuwde aanvrager, die niet feitelijk noch van tafel en bed gescheiden is, wiens echtgenoot het gewaarborgd inkomen voor bejaarden kan genieten.
§ 2. Indien het gewaarborgd inkomen voor bejaarden niet toegekend of geschrapt wordt, dan wordt het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden bedoeld in § 1 verminderd met het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet.
Indien de aanvrager en zijn echtgenoot evenwel beiden op de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden kunnen aanspraak maken, wordt het bedrag van deze tegemoetkoming voor elk van hen verminderd met de helft van het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen en het bedrag van het gewaarborgd inkomen bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet.
Art. 41bis. § 1er. Le montant annuel de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées est fixé à (1 614,31 EUR).
Ce montant est accorde :
- au demandeur qui peut bénéficier du revenu garanti aux personnes âgées prévu par la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées;
- au demandeur marié, non séparé de fait ou de corps dont le conjoint peut bénéficier du revenu garanti aux personnes âgées.
§ 2. Lorsque le revenu garanti aux personnes âgées n'est pas accordé ou est supprimé, le montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visé au § 1er est diminué de la différence entre le montant global des ressources et des prestations prises en considération conformément aux articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi.
Toutefois, si le demandeur et son conjoint peuvent prétendre à l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées, le montant de cette allocation est diminue pour chacun d'eux de la moitié de la différence entre le montant total des ressources et des prestations prises en considération conformément aux articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi.)
Ce montant est accorde :
- au demandeur qui peut bénéficier du revenu garanti aux personnes âgées prévu par la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées;
- au demandeur marié, non séparé de fait ou de corps dont le conjoint peut bénéficier du revenu garanti aux personnes âgées.
§ 2. Lorsque le revenu garanti aux personnes âgées n'est pas accordé ou est supprimé, le montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visé au § 1er est diminué de la différence entre le montant global des ressources et des prestations prises en considération conformément aux articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi.
Toutefois, si le demandeur et son conjoint peuvent prétendre à l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées, le montant de cette allocation est diminue pour chacun d'eux de la moitié de la différence entre le montant total des ressources et des prestations prises en considération conformément aux articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi.)
HOOFDSTUK VI. _ De bijzondere tegemoetkomingen.
CHAPITRE VI. _ L'allocation spéciale.
Art. 42. Het jaarlijks bedrag van de bijzondere tegemoetkoming wordt verminderd met het bedrag van het inkomen dat de bedragen bedoeld bij artikel 14, tweede lid, 1°, 2° en 3°, of bij artikel 20, tweede lid, 1°, 2° en 3° overtreft, naargelang het geval.
Art. 42. Le montant annuel de l'allocation spéciale est diminué de la partie des ressources qui excède les montants visés à l'article 14, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, ou à l'article 20, alinéa 2, 1°, 2° et 3°, suivant le cas.
Art. 43. Het bedrag van de bijzondere tegemoetkoming waarop de minder-valide recht zou hebben wordt verminderd met het bedrag van de sociale uitkeringen die hem op grond van zijn eigen beroepsbedrijvigheid worden toegekend bij toepassing van een Belgische of een buitenlandse wetgeving betreffende de ziekte en invaliditeit, de werkloosheid, (de arbeidsongevallen of de beroepsziekten)
Art. 43. Le montant de l'allocation spéciale auquel le handicapé aurait droit est diminué du montant des prestations sociales qui, du fait de sa propre activité professionnelle, lui sont accordées en vertu d'une législation belge ou étrangère relative à la maladie et l'invalidité, le chômage, les accidents du travail ou les maladies professionnelles.
HOOFDSTUK VIbis. - Tegemoetkoming voor hulp van derde.
CHAPITRE VIBis. - L'allocation pour l'aide d'une tierce personne.
Art. 43bis. § 1. (Een tegemoetkoming voor hulp van derde kan worden toegekend aan de rechthebbenden op een gewone, een bijzondere, een aanvullende tegemoetkoming of op een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden onverminderd § 3, (eerste, derde en zesde lid.))
De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt niet toegekend :
1° wanneer de minder-valide of zijn echtgenoot een gelijkaardige prestatie geniet krachtens een andere wetgeving;
2° wanneer de minder-valide in een inrichting verblijft, belast met het verlenen van hulp of toezicht aan minder-validen.
§ 2. Het jaarbedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derde is gelijk aan (1 225,56 EUR), (1 838,53 EUR) of (2 451,32 EUR), onverminderd § 3, naargelang de minder-valide tot de categorie I, II of III behoort, zoals deze categorieën zijn bepaald in het tweede lid, op grond van het totaal aantal punten dat toegekend wordt in functie van de handleiding die gebruikt wordt voor het waarderen van de graad van behoefte aan hulp van derde.
De minder-valide behoort :
a) tot categorie I, zo hij ten minste 6 punten bekomt;
b) tot categorie II, zo hij ten minste 9 punten bekomt;
c) tot categorie III, zo hij ten minste 12 punten bekomt.
De minder-valide die een minder dan 6 punten groot totaal aantal bekomt, kan geen aanspraak maken op de tegemoetkoming voor hulp van derde.
§ 3. Wordt de aanvullende tegemoetkoming niet toegekend of geschrapt op grond van het artikel 8 van de wet, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval, wordt het bedrag van de tegemoetkoming, vastgesteld overeenkomstig § 2 en het artikel 44, verminderd met het verschil tussen het bedrag van de overeenkomstig het artikel 8 van de wet in aanmerking genomen prestaties en het bedrag van de gewone of bijzondere tegemoetkoming waarop de minder-valide recht zou hebben.
(Indien de in artikel 2, § 3 bis van de wet bedoelde tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden niet toegekend of geschrapt wordt in toepassing van artikel 41 bis, § 2, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval wordt het bedrag van de tegemoetkoming vastgesteld overeenkomstig § 2 en artikel 44, verminderd met het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet, vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 41 bis, § 1 en 44.
Indien de aanvrager en zijn echtgenoot evenwel beiden op de tegemoetkoming voor hulp van derde kunnen aanspraak maken, wordt het bedrag van deze tegemoetkoming voor elk van hen verminderd met de helft van het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet, vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 41 bis § 1 en 44.)
(Indien, in het raam van het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, de gewone of bijzondere tegemoetkoming niet toegekend of geschrapt wordt op grond respectievelijk van artikel 4, 5°, van de wet of van artikel 10, 1°, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1973 en voor zover artikel 4, 5°, bedoeld wordt, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval wordt het bedrag van de tegemoetkoming, vastgesteld overeenkomstig § 2 en artikel 44, verminderd met het verschil tussen het global bedrag van de bestaansmiddelen, in aanmerking genomen bij toepassing van het voornoemd besluit van 24 december 1974, en het bedrag van de gewone of bijzondere tegemoetkoming, waarvan vertrekkend het recht op deze laatste tegemoetkoming was berekend.)
§ 3bis (Wonen de echtelieden samen en kunnen zij beiden aanspraak maken op de tegemoetkoming voor hulp van derde, wordt het bedrag van de laagste tegemoetkoming voor de helft verminderd; zijn de twee tegemoetkomingen voor hulp van derde gelijk, wordt het bedrag van elk van hen met 25 pct. verminderd. Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt de uitkering die toegekend wordt krachtens het koninklijk besluit van 15 juni 1972 ter bepaling van de toekenningsmodaliteiten van een uitkering voor hulp van derde ten gunste van zwaar gehandicapten gelijkgesteld met de tegemoetkoming voor hulp van derde.)
§ 4. In afwijking op § 1, tweede lid, 2°, kan de rechthebbende op een (gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming of tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden) die in een in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde inrichting verblijft, onder de §§ 2 en 3 voorziene voorwaarden, een tegemoetkoming voor hulp van derde bekomen van de perioden tijdens welke hij niet in een dergelijke inrichting vertoeft, voor zoverre die perioden een totale duur van ten minste vijfenzeventig dagen tijdens een referteperiode gaande van 1 juli tot 30 juni van het volgende jaar bereiken; de eerste referteperiode loopt evenwel van 1 oktober 1972 tot 30 juni 1973.
De totale in het eerste lid bedoelde duur wordt verantwoord door een door de directie van die inrichting afgeleverd attest en door een verklaring hetzij van de in het artikel 18 van de wet bedoelde persoon, hetzij van de ouders, van de echtgenoot of van de meerderjarige kinderen van de minder-validen, hetzij van de personen bij wie de minder-valide verbleef tijdens die periode, hetzij van de burgemeester van de gemeente waar de minder-valide verbleef.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming voor hulp van derde is gelijk aan het bedrag vastgesteld overeenkomstig de § 2 en het artikel 44, desgevallend rekening houdend met de § 3, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 365 is en de teller gelijk is aan de totale duur, uitgedrukt in dagen, vastgesteld overeenkomstig het tweede lid; is deze totale duur geen veelvoud van 5, wordt hij afgerond op de naasthogere veelvoud van 5.
De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt niet toegekend :
1° wanneer de minder-valide of zijn echtgenoot een gelijkaardige prestatie geniet krachtens een andere wetgeving;
2° wanneer de minder-valide in een inrichting verblijft, belast met het verlenen van hulp of toezicht aan minder-validen.
§ 2. Het jaarbedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derde is gelijk aan (1 225,56 EUR), (1 838,53 EUR) of (2 451,32 EUR), onverminderd § 3, naargelang de minder-valide tot de categorie I, II of III behoort, zoals deze categorieën zijn bepaald in het tweede lid, op grond van het totaal aantal punten dat toegekend wordt in functie van de handleiding die gebruikt wordt voor het waarderen van de graad van behoefte aan hulp van derde.
De minder-valide behoort :
a) tot categorie I, zo hij ten minste 6 punten bekomt;
b) tot categorie II, zo hij ten minste 9 punten bekomt;
c) tot categorie III, zo hij ten minste 12 punten bekomt.
De minder-valide die een minder dan 6 punten groot totaal aantal bekomt, kan geen aanspraak maken op de tegemoetkoming voor hulp van derde.
§ 3. Wordt de aanvullende tegemoetkoming niet toegekend of geschrapt op grond van het artikel 8 van de wet, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval, wordt het bedrag van de tegemoetkoming, vastgesteld overeenkomstig § 2 en het artikel 44, verminderd met het verschil tussen het bedrag van de overeenkomstig het artikel 8 van de wet in aanmerking genomen prestaties en het bedrag van de gewone of bijzondere tegemoetkoming waarop de minder-valide recht zou hebben.
(Indien de in artikel 2, § 3 bis van de wet bedoelde tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden niet toegekend of geschrapt wordt in toepassing van artikel 41 bis, § 2, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval wordt het bedrag van de tegemoetkoming vastgesteld overeenkomstig § 2 en artikel 44, verminderd met het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet, vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 41 bis, § 1 en 44.
Indien de aanvrager en zijn echtgenoot evenwel beiden op de tegemoetkoming voor hulp van derde kunnen aanspraak maken, wordt het bedrag van deze tegemoetkoming voor elk van hen verminderd met de helft van het verschil tussen het globaal bedrag van de bestaansmiddelen en van de prestaties die in toepassing van de artikelen 4 en 10 van hogervermelde wet van 1 april 1969 in aanmerking worden genomen, en het bedrag van het gewaarborgd inkomen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van dezelfde wet, vermeerderd met het bedrag van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, vastgesteld overeenkomstig de artikelen 41 bis § 1 en 44.)
(Indien, in het raam van het koninklijk besluit van 24 december 1974 betreffende de gewone en de bijzondere tegemoetkomingen aan de minder-validen, de gewone of bijzondere tegemoetkoming niet toegekend of geschrapt wordt op grond respectievelijk van artikel 4, 5°, van de wet of van artikel 10, 1°, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1973 en voor zover artikel 4, 5°, bedoeld wordt, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde worden toegekend of behouden en haar bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het volgend lid.
In dat geval wordt het bedrag van de tegemoetkoming, vastgesteld overeenkomstig § 2 en artikel 44, verminderd met het verschil tussen het global bedrag van de bestaansmiddelen, in aanmerking genomen bij toepassing van het voornoemd besluit van 24 december 1974, en het bedrag van de gewone of bijzondere tegemoetkoming, waarvan vertrekkend het recht op deze laatste tegemoetkoming was berekend.)
§ 3bis (Wonen de echtelieden samen en kunnen zij beiden aanspraak maken op de tegemoetkoming voor hulp van derde, wordt het bedrag van de laagste tegemoetkoming voor de helft verminderd; zijn de twee tegemoetkomingen voor hulp van derde gelijk, wordt het bedrag van elk van hen met 25 pct. verminderd. Voor de toepassing van deze paragraaf, wordt de uitkering die toegekend wordt krachtens het koninklijk besluit van 15 juni 1972 ter bepaling van de toekenningsmodaliteiten van een uitkering voor hulp van derde ten gunste van zwaar gehandicapten gelijkgesteld met de tegemoetkoming voor hulp van derde.)
§ 4. In afwijking op § 1, tweede lid, 2°, kan de rechthebbende op een (gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming of tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden) die in een in § 1, tweede lid, 2°, bedoelde inrichting verblijft, onder de §§ 2 en 3 voorziene voorwaarden, een tegemoetkoming voor hulp van derde bekomen van de perioden tijdens welke hij niet in een dergelijke inrichting vertoeft, voor zoverre die perioden een totale duur van ten minste vijfenzeventig dagen tijdens een referteperiode gaande van 1 juli tot 30 juni van het volgende jaar bereiken; de eerste referteperiode loopt evenwel van 1 oktober 1972 tot 30 juni 1973.
De totale in het eerste lid bedoelde duur wordt verantwoord door een door de directie van die inrichting afgeleverd attest en door een verklaring hetzij van de in het artikel 18 van de wet bedoelde persoon, hetzij van de ouders, van de echtgenoot of van de meerderjarige kinderen van de minder-validen, hetzij van de personen bij wie de minder-valide verbleef tijdens die periode, hetzij van de burgemeester van de gemeente waar de minder-valide verbleef.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming voor hulp van derde is gelijk aan het bedrag vastgesteld overeenkomstig de § 2 en het artikel 44, desgevallend rekening houdend met de § 3, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 365 is en de teller gelijk is aan de totale duur, uitgedrukt in dagen, vastgesteld overeenkomstig het tweede lid; is deze totale duur geen veelvoud van 5, wordt hij afgerond op de naasthogere veelvoud van 5.
Art. 43bis. § 1er. (Une allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée aux bénéficiaires des allocations ordinaire, spéciale, complémentaire ou de complément du revenu garanti aux personnes âgées, sans préjudice du § 3, (alinéas 1er, 3 et 6.))
L'allocation pour l'aide d'une tierce personne n'est pas accordée :
1° lorsque le handicapé ou son conjoint bénéficie d'une prestation de même nature en vertu d'une autre législation;
2° lorsque le handicapé séjourne dans un établissement ayant pour mission de fournir l'aide ou la surveillance aux handicapés.
§ 2. Le montant annuel de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne est égal à (1 225,56 EUR), (1 838,53 EUR) ou (2 451,32 EUR), sans préjudice du § 3, selon que le handicapé appartient à la catégorie I, II ou III telles que ces catégories sont définies à l'alinéa 2, sur base du nombre total de points attribués en fonction du guide utilisé pour l'évaluation du degré de besoin en aide d'une tierce personne. >
Le handicapé appartient :
a) à la catégorie I, s'il obtient 6 points au moins;
b) à la catégorie II, s'il obtient 9 points au moins;
c) à la catégorie III, s'il obtient 12 points au moins.
Le handicapé qui obtient un nombre total inférieur à 6 points ne peut prétendre à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.
§ 3. Lorsque l'allocation complémentaire n'est pas accordée ou est supprimée sur base de l'article 8 de la loi, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation, établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant des prestations prises en considération conformément à l'article 8 de la loi et le montant de l'allocation ordinaire ou spéciale à laquelle le handicapé aurait droit.
(Lorsque l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visées à l'article 2, § 3bis de la loi n'est pas accordée ou est supprimée, en application de l'article 41bis, § 2, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation, établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant global des ressources et des prestations prises en considération en application des articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée, et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi, augmenté du montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées établi conformément aux articles 41bis, § 1er et 44.
Toutefois, si le demandeur et son conjoint, peuvent prétendre à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, le montant de cette allocation est diminué pour chacun d'eux de la moitié de la différence entre le montant global des ressources ou des prestations prises en considération en application des articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi, augmenté du montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées établi conformément aux articles 41bis, § 1er et 44.)
(Lorsque, dans le cadre de l'arrêté royal du 24 décembre 1974, relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés, l'allocation ordinaire ou spéciale n'est pas accordée ou est supprimée sur base respectivement de l'article 4, 5° de la loi ou de l'article 10, 1°, modifié par la loi du 6 juillet 1973 et pour autant que l'article 4, 5° est visé, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant global des ressources, prises en considération en application de l'arrêté du 24 décembre 1974 précité, et le montant de l'allocation ordinaire ou spéciale, à partir duquel le droit à cette dernière allocation a été calculé.)
§ 3bis. (Lorsque les conjoints habitent ensemble et peuvent obtenir tous deux l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, le montant de l'allocation la moins élevée est réduit de moitié; lorsque les deux allocations pour l'aide d'une tierce personne sont égales, le montant de chacune d'elles est réduit de 25 p.c. Pour l'application du présent paragraphe, l'indemnité accordée en vertu de l'arrêté royal du 15 juin 1972 déterminant les modalités d'octroi d'une indemnité pour l'aide d'une tierce personne au profit des handicapés graves, est assimilée à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.)
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le bénéficiaire d'une (allocation ordinaire, spéciale, complémentaire ou de complément de revenu garanti aux personnes âgées), séjournant dans un établissement visé au § 1er, alinéa 2, 2°, peut obtenir, dans les conditions prévues aux §§ 2 et 3, une allocation pour l'aide d'une tierce personne, afférente aux périodes pendant lesquelles il ne séjourne pas au sein d'un tel établissement, pour autant que ces périodes atteignent une durée totale d'au moins septante-cinq jours au cours d'une période de référence s'étendant du 1er juillet au 30 juin de l'année suivante ; la première période de référence s'étend toutefois du 1er octobre 1972 au 30 juin 1973.
La durée totale visée à l'alinéa 1er est justifiée par une attestation délivrée par la direction de cet établissement et par une déclaration soit de la personne visée à l'article 18 de la loi, soit des parents, du conjoint ou des enfants majeurs du handicapé soit de la personne au domicile de laquelle le handicapé a résidé pendant ces périodes, soit du bourgmestre de la commune de résidence du handicapé.
Le montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne visée à l'alinéa 1er est égal au montant établi conformément au § 2 et à l'article 44, compte tenu le cas échéant du § 3, multiplié par une fraction dont le dénominateur est 365 et dont le numérateur est égal à la durée totale, exprimée en jours, établie conformément à l'alinéa 2; lorsque cette durée totale n'est pas un multiple de 5, elle est arrondie au multiple de 5 immédiatement supérieur.
L'allocation pour l'aide d'une tierce personne n'est pas accordée :
1° lorsque le handicapé ou son conjoint bénéficie d'une prestation de même nature en vertu d'une autre législation;
2° lorsque le handicapé séjourne dans un établissement ayant pour mission de fournir l'aide ou la surveillance aux handicapés.
§ 2. Le montant annuel de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne est égal à (1 225,56 EUR), (1 838,53 EUR) ou (2 451,32 EUR), sans préjudice du § 3, selon que le handicapé appartient à la catégorie I, II ou III telles que ces catégories sont définies à l'alinéa 2, sur base du nombre total de points attribués en fonction du guide utilisé pour l'évaluation du degré de besoin en aide d'une tierce personne. >
Le handicapé appartient :
a) à la catégorie I, s'il obtient 6 points au moins;
b) à la catégorie II, s'il obtient 9 points au moins;
c) à la catégorie III, s'il obtient 12 points au moins.
Le handicapé qui obtient un nombre total inférieur à 6 points ne peut prétendre à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.
§ 3. Lorsque l'allocation complémentaire n'est pas accordée ou est supprimée sur base de l'article 8 de la loi, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation, établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant des prestations prises en considération conformément à l'article 8 de la loi et le montant de l'allocation ordinaire ou spéciale à laquelle le handicapé aurait droit.
(Lorsque l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visées à l'article 2, § 3bis de la loi n'est pas accordée ou est supprimée, en application de l'article 41bis, § 2, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation, établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant global des ressources et des prestations prises en considération en application des articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée, et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi, augmenté du montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées établi conformément aux articles 41bis, § 1er et 44.
Toutefois, si le demandeur et son conjoint, peuvent prétendre à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, le montant de cette allocation est diminué pour chacun d'eux de la moitié de la différence entre le montant global des ressources ou des prestations prises en considération en application des articles 4 et 10 de la loi du 1er avril 1969 précitée et le montant du revenu garanti visé aux articles 2 et 3 de la même loi, augmenté du montant de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées établi conformément aux articles 41bis, § 1er et 44.)
(Lorsque, dans le cadre de l'arrêté royal du 24 décembre 1974, relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés, l'allocation ordinaire ou spéciale n'est pas accordée ou est supprimée sur base respectivement de l'article 4, 5° de la loi ou de l'article 10, 1°, modifié par la loi du 6 juillet 1973 et pour autant que l'article 4, 5° est visé, l'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut être accordée ou maintenue et son montant est établi conformément à l'alinéa suivant.
Dans ce cas, le montant de l'allocation établi conformément au § 2 et à l'article 44, est diminué de la différence entre le montant global des ressources, prises en considération en application de l'arrêté du 24 décembre 1974 précité, et le montant de l'allocation ordinaire ou spéciale, à partir duquel le droit à cette dernière allocation a été calculé.)
§ 3bis. (Lorsque les conjoints habitent ensemble et peuvent obtenir tous deux l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, le montant de l'allocation la moins élevée est réduit de moitié; lorsque les deux allocations pour l'aide d'une tierce personne sont égales, le montant de chacune d'elles est réduit de 25 p.c. Pour l'application du présent paragraphe, l'indemnité accordée en vertu de l'arrêté royal du 15 juin 1972 déterminant les modalités d'octroi d'une indemnité pour l'aide d'une tierce personne au profit des handicapés graves, est assimilée à l'allocation pour l'aide d'une tierce personne.)
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, 2°, le bénéficiaire d'une (allocation ordinaire, spéciale, complémentaire ou de complément de revenu garanti aux personnes âgées), séjournant dans un établissement visé au § 1er, alinéa 2, 2°, peut obtenir, dans les conditions prévues aux §§ 2 et 3, une allocation pour l'aide d'une tierce personne, afférente aux périodes pendant lesquelles il ne séjourne pas au sein d'un tel établissement, pour autant que ces périodes atteignent une durée totale d'au moins septante-cinq jours au cours d'une période de référence s'étendant du 1er juillet au 30 juin de l'année suivante ; la première période de référence s'étend toutefois du 1er octobre 1972 au 30 juin 1973.
La durée totale visée à l'alinéa 1er est justifiée par une attestation délivrée par la direction de cet établissement et par une déclaration soit de la personne visée à l'article 18 de la loi, soit des parents, du conjoint ou des enfants majeurs du handicapé soit de la personne au domicile de laquelle le handicapé a résidé pendant ces périodes, soit du bourgmestre de la commune de résidence du handicapé.
Le montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne visée à l'alinéa 1er est égal au montant établi conformément au § 2 et à l'article 44, compte tenu le cas échéant du § 3, multiplié par une fraction dont le dénominateur est 365 et dont le numérateur est égal à la durée totale, exprimée en jours, établie conformément à l'alinéa 2; lorsque cette durée totale n'est pas un multiple de 5, elle est arrondie au multiple de 5 immédiatement supérieur.
HOOFDSTUK VII. _ Koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de evolutie van het algemeen welzijn.
CHAPITRE VII. _ (Liaison à l'indice des prix à la consommation et à l'évolution du bien-être général)
Art. 44. De bedragen bedoeld bij de artikelen 14, 20, 33, 39, § 3, (41 bis § 1) en 43 bis, § 2 worden (gekoppeld aan spilindexcijfer 103,20 (basis 1996 = 100)) van de consumptieprijzen.
De bedragen bedoeld bij de artikelen 33 (41 bis, § 1) en 43 bis, § 2 veranderen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De bedragen bedoeld bij de artikelen 14, 20 en 39, § 3 worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, 3°, van dezelfde wet.
De bedragen bedoeld bij de artikelen 33 (41 bis, § 1) en 43 bis, § 2 veranderen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De bedragen bedoeld bij de artikelen 14, 20 en 39, § 3 worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, 3°, van dezelfde wet.
Art. 44. Les montants visés aux articles 14, 20, 33, 39, § 3, (41 bis, § 1er) et 43 bis, § 2 sont (liés à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) des prix à la consommation.
Les montants visés aux articles 33 (41 bis, § 1er) et 43 bis, § 2 varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunérations à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Les montants (visés aux articles 14, 20 et 39, § 3 sont augmentés ou diminués conformément aux dispositions de l'article 6, 3°, de la même loi.) .
Les montants visés aux articles 33 (41 bis, § 1er) et 43 bis, § 2 varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunérations à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Les montants (visés aux articles 14, 20 et 39, § 3 sont augmentés ou diminués conformément aux dispositions de l'article 6, 3°, de la même loi.) .
Art. 44bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 44, wordt op de bedragen van de gewone tegemoetkoming de bijzondere tegemoetkoming voor hulp van derde, vanaf 1 januari 1975, op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door Ons bij een in Ministerraad overlegd besluit.
Voor het jaar 1975 is de coëfficiënt vastgesteld op 1,06.
Voor het jaar 1975 is de coëfficiënt vastgesteld op 1,06.
Art. 44bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 44, il est appliqué, sur les montants des allocations ordinaires, des allocations spéciales et des allocations pour l'aide d'une tierce personne, à partir du 1er janvier 1975, au 1er janvier de chaque année, un coefficient de réévaluation, fixé par Nous par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Pour l'année 1975, ce coefficient est fixé à 1,06.
Pour l'année 1975, ce coefficient est fixé à 1,06.
Art. 45. De frankgedeelten van de bedragen verhoogd of verminderd bij toepassing van de bepalingen van (artikelen 44 en 44 bis) worden verwaarloosd indien zij geen vijftig centiemen bereiken; zij worden voor één frank aangerekend indien zij vijftig centiemen of meer bedragen.
Art. 45. Les fractions de franc des montants augmentés ou diminués en application des dispositions des (articles 44 et 44 bis) sont négligées si elles n'atteignent pas cinquante centimes; elles sont comptées pour un franc, si elles atteignent ou dépassent cinquante centimes.
HOOFDSTUK VIII. _ De beslissingen
CHAPITRE VIII. _ Les décisions.
Art. 46. De beslissing wordt gedateerd, gemotiveerd en ondertekend. Zij wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager betekend.
Die betekening maakt melding van de mogelijkheid van beroep tegen de beslissing, van de termijn binnen welke dat beroep moet ingediend worden en van de zetel van de rechtsmacht waaraan dat beroep moet gericht worden.
Die betekening maakt melding van de mogelijkheid van beroep tegen de beslissing, van de termijn binnen welke dat beroep moet ingediend worden en van de zetel van de rechtsmacht waaraan dat beroep moet gericht worden.
Art. 46. La décision est datée, motivée et signée. Elle est notifiée au demandeur par lettre recommandée à la poste.
Cette notification fait mention de la possibilité de recours contre la décision, du délai dans lequel ce recours doit être introduit et du siège de la juridiction à laquelle ce recours doit être adressé.
Cette notification fait mention de la possibilité de recours contre la décision, du délai dans lequel ce recours doit être introduit et du siège de la juridiction à laquelle ce recours doit être adressé.
Art. 47. Wanneer artikel 15, derde lid van de wet werd toegepast, beslist de bij artikel 16 van de wet bedoelde overheid opnieuw over de aanvraag, rekening gehouden met al de gestelde voorwaarden en zich houdend aan de in kracht van gewijsde gegane beslissing die de ingeroepen reden van de afwijzing heeft verworpen.
Art. 47. Lorsqu'il a été fait application de l'article 15, alinéa 3 de la loi, l'autorité visée à l'article 16 de celle-ci statue à nouveau sur la demande compte tenu de toutes les conditions requises et en se conformant à la décision coulée en force de chose jugée qui a rejeté le motif du refus.
HOOFDSTUK IX. _ De betaling van de tegemoetkomingen.
CHAPITRE IX. _ Le paiement des allocations.
Art. 48. De tegemoetkomingen worden per maand en per twaalfde uitbetaald.
De betaling ervan wordt uitgevoerd door [1 circulaire cheques]1 waarvan het bedrag ten huize betaalbaar is, in handen van de gerechtigde.
De tegemoetkomingen waarvan het jaarlijks bedrag geen (30 EUR) bereikt, worden jaarlijks na vervallen termijn uitbetaald.
(De tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in artikel 2, § 3 bis van de wet, wordt uitbetaald door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen.)
(De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt uitbetaald :
a) door de dienst die de gewone, de bijzondere, de aanvullende tegemoetkoming of de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden betaalt, wanneer het gaat om een tegemoetkoming voor hulp van derde toegekend aan een in artikel 43 bis, § 1, eerste lid, of § 4 bedoelde rechthebbende ;
b) door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen wanneer het gaat om een tegemoetkoming voor hulp van derde toegekend aan een in artikel 43 bis, § 3, eerste en derde lid bedoelde rechthebbende.)
(De achterstallen van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en van de tegemoetkoming voor hulp van derde, beoogd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 februari 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de betaling van de achterstallen van tegemoetkomingen aan de gehandicapten wordt gespreid, worden evenwel door het Ministerie van Financiën uitbetaald.)
(lid 6 opgeheven)
In afwijking op het eerste lid, wordt het in artikel 43 bis, § 4, laatste lid, bedoeld bedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derde na het afgelopen jaar uitbetaald.
De betaling ervan wordt uitgevoerd door [1 circulaire cheques]1 waarvan het bedrag ten huize betaalbaar is, in handen van de gerechtigde.
De tegemoetkomingen waarvan het jaarlijks bedrag geen (30 EUR) bereikt, worden jaarlijks na vervallen termijn uitbetaald.
(De tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, bedoeld in artikel 2, § 3 bis van de wet, wordt uitbetaald door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen.)
(De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt uitbetaald :
a) door de dienst die de gewone, de bijzondere, de aanvullende tegemoetkoming of de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden betaalt, wanneer het gaat om een tegemoetkoming voor hulp van derde toegekend aan een in artikel 43 bis, § 1, eerste lid, of § 4 bedoelde rechthebbende ;
b) door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen wanneer het gaat om een tegemoetkoming voor hulp van derde toegekend aan een in artikel 43 bis, § 3, eerste en derde lid bedoelde rechthebbende.)
(De achterstallen van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en van de tegemoetkoming voor hulp van derde, beoogd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 februari 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de betaling van de achterstallen van tegemoetkomingen aan de gehandicapten wordt gespreid, worden evenwel door het Ministerie van Financiën uitbetaald.)
(lid 6 opgeheven)
In afwijking op het eerste lid, wordt het in artikel 43 bis, § 4, laatste lid, bedoeld bedrag van de tegemoetkoming voor hulp van derde na het afgelopen jaar uitbetaald.
Modifications
Art. 48. Les allocations sont payées par mois et par douzièmes.
Le paiement en est effectué au moyen [1 de chèques circulaires]1 dont le montant est payable à domicile, en mains du bénéficiaire.
Les allocations dont le montant annuel n'atteint pas (30 EUR) sont payées annuellement à terme échu.
(L'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visée à l'article 2, § 3bis de la loi est payée par la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie.)
(L'allocation pour l'aide d'une tierce personne est payée :
a) par le service qui paie l'allocation ordinaire, spéciale, complémentaire ou de complément du revenu garanti aux personnes âgées lorsqu'il s'agit d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne accordée à un bénéficiaire visé à l'article 43bis, §1er, alinéa 1er ou §4;
b) par la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie lorsqu'il s'agit d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne accordée à un bénéficiaire visé à l'article 43bis, § 3, alinéas 1er et 3.)
(alinéa 6 abrogé)
(Toutefois les arriérés de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées et de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, visés a l'article 1er de l'arrêté royal du 5 mars 1990 fixant les conditions dans lesquelles le paiement des arriérés des allocations aux handicapés est étalé, sont payés par le Ministère des Finances.)
(Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne visé à l'article 43 bis, § 4, dernier alinéa, est payé annuellement à terme échu).
Le paiement en est effectué au moyen [1 de chèques circulaires]1 dont le montant est payable à domicile, en mains du bénéficiaire.
Les allocations dont le montant annuel n'atteint pas (30 EUR) sont payées annuellement à terme échu.
(L'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées visée à l'article 2, § 3bis de la loi est payée par la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie.)
(L'allocation pour l'aide d'une tierce personne est payée :
a) par le service qui paie l'allocation ordinaire, spéciale, complémentaire ou de complément du revenu garanti aux personnes âgées lorsqu'il s'agit d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne accordée à un bénéficiaire visé à l'article 43bis, §1er, alinéa 1er ou §4;
b) par la Caisse nationale des pensions de retraite et de survie lorsqu'il s'agit d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne accordée à un bénéficiaire visé à l'article 43bis, § 3, alinéas 1er et 3.)
(alinéa 6 abrogé)
(Toutefois les arriérés de l'allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées et de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne, visés a l'article 1er de l'arrêté royal du 5 mars 1990 fixant les conditions dans lesquelles le paiement des arriérés des allocations aux handicapés est étalé, sont payés par le Ministère des Finances.)
(Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne visé à l'article 43 bis, § 4, dernier alinéa, est payé annuellement à terme échu).
Modifications
Art. 49. Het bedrag van de uit te betalen tegemoetkomingen wordt vastgesteld zonder rekening te houden met de frankgedeelten beneden vijftig centiemen.
De frankgedeelten van vijftig centiemen en meer worden voor één frank gerekend.
De afronding op de frank naar boven of naar beneden geschiedt op het uit te betalen totaal bedrag.
De frankgedeelten van vijftig centiemen en meer worden voor één frank gerekend.
De afronding op de frank naar boven of naar beneden geschiedt op het uit te betalen totaal bedrag.
Art. 49. Le montant des allocations à payer est fixé en négligeant les fractions de franc qui n'atteignent pas cinquante centimes.
Les fractions de franc qui atteignent ou dépassent cinquante centimes sont comptées pour un franc.
L'ajustement au franc supérieur ou inférieur s'opère sur le montant total à payer.
Les fractions de franc qui atteignent ou dépassent cinquante centimes sont comptées pour un franc.
L'ajustement au franc supérieur ou inférieur s'opère sur le montant total à payer.
Art. 50. Twee derden van de bedragen van de tegemoetkoming van minder-validen in een ziekenhuis opgenomen op kosten van de commissie van openbare onderstand of van het Speciaal Onderstandsfonds kan aan de instellingen worden overgedragen.
Art. 50. Les deux tiers des montants de l'allocation à laquelle peuvent prétendre les handicapés hospitalisés aux frais des commissions d'assistance publique ou du Fonds d'assistance peuvent être cédés à ces instructions.
Art. 51. Binnen de dertig dagen volgend op de dag van de beslissing tot toekenning van een gewone tegemoetkoming aan een minderjarige leerling, wordt op verzoek van de dienst voor tegemoetkomingen aan de minder-validen een depositoboekje op zijn naam geopend bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas.
Deze reikt jaarlijks aan de titularis een rekeningsuittreksel uit.
Deze reikt jaarlijks aan de titularis een rekeningsuittreksel uit.
Art. 51. Dans les trente jours de la décision d'octroi d'une allocation ordinaire à un élève mineur d'âge, il est ouvert au nom du bénéficiaire à la demande du service des allocations aux handicapés, un livret de dépôt auprès de la Caisse générale d'épargne et de retraite.
Celle-ci délivre annuellement au titulaire un extrait de compte.
Celle-ci délivre annuellement au titulaire un extrait de compte.
Art. 52. Een derde van de in artikel 51 bedoelde tegemoetkoming wordt op het depositoboekje gestort binnen dertig dagen nadat de twee derden ervan aan de gerechtigde zijn betaald.
Art. 52. Le tiers de l'allocation prévue à l'article 51 est verse sur le livret de dépôt dans les trente jours du paiement des deux tiers au bénéficiaire.
Art. 53. De leerling, zijn ouders of de persoon die de leerling ten laste heeft, kunnen de bedragen welke op zijn depositoboekje gestort zijn opvragen.
De aanvraag dient aan de voorzitter van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen gericht.
Zij dient te vermelden :
1° de naam, voornamen en woonplaats van de aanvrager ;
2° de aangevoerde redenen ;
3° het bedrag van de gewenste afneming.
De opvraging van de jaarlijkse interesten van het depositoboekje vereist geen aanvraag.
De Minister laat de afneming toe of weigert ze na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen.
De aanvraag dient aan de voorzitter van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen gericht.
Zij dient te vermelden :
1° de naam, voornamen en woonplaats van de aanvrager ;
2° de aangevoerde redenen ;
3° het bedrag van de gewenste afneming.
De opvraging van de jaarlijkse interesten van het depositoboekje vereist geen aanvraag.
De Minister laat de afneming toe of weigert ze na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen.
Art. 53. L'élève, ses parents ou la personne qui a l'élève à charge peuvent demander le retrait des sommes versées à son livret de dépôt.
La demande doit être adressée au président de la Commission d'aide sociale aux handicapés.
Elle doit indiquer :
1° les noms, prénoms et domicile du demandeur ;
2° les motifs invoqués ;
3° le montant du retrait sollicité.
Le retrait des intérêts annuels produits par le dépôt n'est pas subordonné à l'introduction d'une demande.
Le Ministre autorise ou refuse le retrait après avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés.
La demande doit être adressée au président de la Commission d'aide sociale aux handicapés.
Elle doit indiquer :
1° les noms, prénoms et domicile du demandeur ;
2° les motifs invoqués ;
3° le montant du retrait sollicité.
Le retrait des intérêts annuels produits par le dépôt n'est pas subordonné à l'introduction d'une demande.
Le Ministre autorise ou refuse le retrait après avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés.
Art. 54. De Minister kan, na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, beslissen een kapitaal te verlenen waarvan het maximum overeenkomt met :
1° twee jaar tegemoetkomingen om prothesis- en bewegingsapparaten aan te schaffen en het onderhoud ervan te verzekeren ;
2° drie jaar tegemoetkomingen, om de uitoefening van een beroep mogelijk te maken.
De Minister kan, na het verstrijken van de termijn waarvoor het kapitaal werd toegekend, de minder-valide toelaten een nieuwe aanvraag om kapitaal in te dienen.
(Wordt het eerste en het tweede lid toegepast, dan wordt er voor de toepassing van het artikel 43bis, § 1, eerste lid, verondersteld dat de rechthebbende de tegemoetkoming geniet gedurende het tijdvak bedoeld door deze leden.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde al dan niet, op advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, in aanmerking worden genomen.)
1° twee jaar tegemoetkomingen om prothesis- en bewegingsapparaten aan te schaffen en het onderhoud ervan te verzekeren ;
2° drie jaar tegemoetkomingen, om de uitoefening van een beroep mogelijk te maken.
De Minister kan, na het verstrijken van de termijn waarvoor het kapitaal werd toegekend, de minder-valide toelaten een nieuwe aanvraag om kapitaal in te dienen.
(Wordt het eerste en het tweede lid toegepast, dan wordt er voor de toepassing van het artikel 43bis, § 1, eerste lid, verondersteld dat de rechthebbende de tegemoetkoming geniet gedurende het tijdvak bedoeld door deze leden.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, kan de tegemoetkoming voor hulp van derde al dan niet, op advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, in aanmerking worden genomen.)
Art. 54. Le Ministre peut, sur avis de la Commission d'aides sociale aux handicapés, décider d'accorder un capital correspondant au maximum :
1° à deux années d'allocations pour acquérir des appareils de prothèse et de locomotion et en assurer l'entretien;
2° à trois années d'allocations pour permettre l'exercice d'une profession.
Le Ministre peut, après l'expiration de la période pour laquelle le capital a été octroyé, autoriser le handicapé à introduire une nouvelle demande de capital
(Lorsqu'il est fait application des alinéas 1er et 2, le bénéficiaire est, pour l'application de l'article 43bis, § 1er, alinéa 1er, censé bénéficier de l'allocation pendant la période visée par ces alinéas.
L'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut ou non, sur avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés, être prise en considération pour l'application des alinéas 1er et 2.)
1° à deux années d'allocations pour acquérir des appareils de prothèse et de locomotion et en assurer l'entretien;
2° à trois années d'allocations pour permettre l'exercice d'une profession.
Le Ministre peut, après l'expiration de la période pour laquelle le capital a été octroyé, autoriser le handicapé à introduire une nouvelle demande de capital
(Lorsqu'il est fait application des alinéas 1er et 2, le bénéficiaire est, pour l'application de l'article 43bis, § 1er, alinéa 1er, censé bénéficier de l'allocation pendant la période visée par ces alinéas.
L'allocation pour l'aide d'une tierce personne peut ou non, sur avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés, être prise en considération pour l'application des alinéas 1er et 2.)
Art. 55. Het bedrag van de gewone tegemoetkoming wordt verminderd met de toelage, door het Speciaal Onderstandsfonds uitbetaald voor een thuis gesekwestreerde.
Deze toelage wordt eveneens afgetrokken van de aanvullende tegemoetkoming of van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, in de mate waarin zij niet werd in aanmerking genomen bij het vaststellen van de rechten op het gewaarborgd inkomen.
Deze toelage wordt eveneens afgetrokken van de aanvullende tegemoetkoming of van de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, in de mate waarin zij niet werd in aanmerking genomen bij het vaststellen van de rechten op het gewaarborgd inkomen.
Art. 55. Le montant de l'allocation ordinaire est diminué de l'indemnité payée par le Fonds spécial d'assistance pour les séquestrés à domicile.
Cette indemnité est également déduite des allocations complémentaires ou de complément du revenu garanti aux personnes âgées dans la mesure ou elle n'a pas déjà été prise en considération pour la fixation des droits au revenu garanti.
Cette indemnité est également déduite des allocations complémentaires ou de complément du revenu garanti aux personnes âgées dans la mesure ou elle n'a pas déjà été prise en considération pour la fixation des droits au revenu garanti.
Art. 56. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald voor de duur van hun opneming, aan de minder-validen die uitsluitend ten laste van de openbare besturen geplaatst zijn in de afdeling voor krankzinnigen van een openbare of particuliere instelling die bestemd is om krankzinnigen of geesteszieken te ontvangen.
(De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt niet uitbetaald gedurende de perioden tijdens dewelke de rechthebbende in een verplegingsinstelling of in een rusthuis voor bejaarden verblijft.)
(De tegemoetkoming voor hulp van derde wordt niet uitbetaald gedurende de perioden tijdens dewelke de rechthebbende in een verplegingsinstelling of in een rusthuis voor bejaarden verblijft.)
Art. 56. L'allocation n'est pas payée, pendant la durée de leur placement, aux handicapés placés aux frais exclusifs des pouvoirs publics en section d'asile d'un établissement public ou privé destiné à recevoir des aliénés ou des malades mentaux.
(L'allocation pour l'aide d'une tierce personne n'est pas payée pendant les périodes au cours desquelles le bénéficiaire séjourne dans une institution de soins ou dans une maison de repos pour personnes âgées.)
(L'allocation pour l'aide d'une tierce personne n'est pas payée pendant les périodes au cours desquelles le bénéficiaire séjourne dans une institution de soins ou dans une maison de repos pour personnes âgées.)
Art. 57. De tegemoetkoming wordt niet uitbetaald voor de duur van hun gevangenschap of opsluiting aan de minder-validen die in gevangenissen zijn opgesloten of die in een gesticht tot bescherming van de maatschappij of in een bedelaarskolonie zijn opgenomen.
De belanghebbenden mogen evenwel aanspraak maken op de tegemoetkoming, (de tegemoetkoming voor hulp van derde uitgezonderd), die betrekking heeft op de periode van hun voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.
De belanghebbenden mogen evenwel aanspraak maken op de tegemoetkoming, (de tegemoetkoming voor hulp van derde uitgezonderd), die betrekking heeft op de periode van hun voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat zij van het misdrijf dat tot die hechtenis aanleiding heeft gegeven, bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing werden vrijgesproken. Hetzelfde geldt voor de gevallen van buitenvervolgingstelling of van buitenzaakstelling.
Art. 57. L'allocation n'est pas payée pendant la durée de leur détention ou de leur internement aux handicapés détenus dans les prisons ou internés dans un établissement de défense sociale ou un dépôt de mendicité.
Les intéressés peuvent toutefois prétendre a l'allocation, (à l'exception de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne), afférente à la période de leur détention préventive à condition pour eux d'établir qu'ils ont été acquittés par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette détention. Il en est de même dans les cas de non-lieu ou de mise hors cause.
Les intéressés peuvent toutefois prétendre a l'allocation, (à l'exception de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne), afférente à la période de leur détention préventive à condition pour eux d'établir qu'ils ont été acquittés par une décision de justice coulée en force de chose jugée du chef de l'infraction qui a donné lieu à cette détention. Il en est de même dans les cas de non-lieu ou de mise hors cause.
Art. 58. In geval van overlijden van de gerechtigde op de bij artikel 2 van de wet bedoelde tegemoetkomingen, worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen van ambtswege uitbetaald aan de echtgenoot (of de persoon) met wie de gerechtigde samenleefde op het ogenblik van zijn overlijden.
(Bij ontstentenis van de in het eerste lid bedoelde echtgenoot of persoon worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen, met inbegrip van de uitkering voor de maand van overlijden voor zover de gerechtigde niet overleden was op de uitgiftedatum van de [1 circulaire cheque]1 of, bij betaling op een bankrekening, op de in het nationaal compensatiesysteem geldende uitvoeringsdatum, uitbetaald in volgende orde : )
1. aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2. aan de vader en de moeder met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3. aan ieder persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4. aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;
5. aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde.
De vervallen en aan de overleden gerechtigde niet uitbetaalde termijnen worden van ambtswege aan de in het eerste lid beoogde rechthebbende en bij ontstentenis van deze, aan de in het tweede lid, 1°, beoogde rechthebbenden, en bij ontstentenis van deze aan de in het tweede lid, 2°, beoogde rechthebbenden uitbetaald.
De overige in het tweede lid vermelde rechthebbenden, die de vereffening van de vervallen en aan een overleden gerechtigde niet uitgekeerde termijnen te hunnen voordele verlangen, moeten een aanvraag tot de Minister richten, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming die door de Rijksdienst voor pensioenen uitbetaald wordt. In dat geval wordt de aanvraag aan deze instelling gericht.
(De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het tweede lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het tweede lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.)
Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd.
De aanvraag tot vereffening van de vervallen en niet uitbetaalde termijnen in geval van overlijden van een rechthebbende op een tegemoetkoming, geldt als aanvraag om toepassing van het artikel 59 van het koninklijk besluit van 29 april 1969 houdende algemeen reglement betreffende het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, wanneer een gewaarborgd inkomen voor bejaarden door deze laatste bepaling beoogd wordt.
Wanneer de kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene (zijn hoofdverblijfplaats had). De burgemeester bezorgt deze kennisgeving aan de persoon, die krachtens het eerste of tweede lid, voor de uitbetaling van de termijnen in aanmerking komt.
(Bij ontstentenis van de in het eerste lid bedoelde echtgenoot of persoon worden de vervallen en niet uitbetaalde termijnen, met inbegrip van de uitkering voor de maand van overlijden voor zover de gerechtigde niet overleden was op de uitgiftedatum van de [1 circulaire cheque]1 of, bij betaling op een bankrekening, op de in het nationaal compensatiesysteem geldende uitvoeringsdatum, uitbetaald in volgende orde : )
1. aan de kinderen met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
2. aan de vader en de moeder met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
3. aan ieder persoon met wie de gerechtigde leefde op het ogenblik van zijn overlijden;
4. aan de persoon die in de verplegingskosten tussenbeide kwam;
5. aan de persoon die de begrafeniskosten betaalde.
De vervallen en aan de overleden gerechtigde niet uitbetaalde termijnen worden van ambtswege aan de in het eerste lid beoogde rechthebbende en bij ontstentenis van deze, aan de in het tweede lid, 1°, beoogde rechthebbenden, en bij ontstentenis van deze aan de in het tweede lid, 2°, beoogde rechthebbenden uitbetaald.
De overige in het tweede lid vermelde rechthebbenden, die de vereffening van de vervallen en aan een overleden gerechtigde niet uitgekeerde termijnen te hunnen voordele verlangen, moeten een aanvraag tot de Minister richten, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming die door de Rijksdienst voor pensioenen uitbetaald wordt. In dat geval wordt de aanvraag aan deze instelling gericht.
(De gedagtekende en ondertekende aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten van het Ministerie van Sociale Voorzorg. De burgemeester van de gemeente waar de overledene zijn hoofdverblijfplaats had of de burgemeester van de gemeente waar de overledene samenleefde met één der in het tweede lid, 3°, bedoelde personen bevestigt de juistheid van de op dit formulier vermelde gegevens en ondertekent dit mede. De personen bedoeld in het tweede lid, 4° en 5°, kunnen de aanvraag laten ondertekenen door de burgemeester van hun hoofdverblijfplaats.)
Op straffe van verval moeten de aanvragen tot uitbetaling van termijnen ingediend worden binnen een termijn van zes maanden. Die termijn gaat in op de dag van het overlijden van de gerechtigde of op de dag van de verzending van de kennisgeving van de beslissing, indien deze na het overlijden verzonden werd.
De aanvraag tot vereffening van de vervallen en niet uitbetaalde termijnen in geval van overlijden van een rechthebbende op een tegemoetkoming, geldt als aanvraag om toepassing van het artikel 59 van het koninklijk besluit van 29 april 1969 houdende algemeen reglement betreffende het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, wanneer een gewaarborgd inkomen voor bejaarden door deze laatste bepaling beoogd wordt.
Wanneer de kennisgeving aan de afzender teruggezonden wordt wegens het overlijden van de gerechtigde, wordt een nieuwe kennisgeving gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de overledene (zijn hoofdverblijfplaats had). De burgemeester bezorgt deze kennisgeving aan de persoon, die krachtens het eerste of tweede lid, voor de uitbetaling van de termijnen in aanmerking komt.
Modifications
Art. 58. En cas de décès du bénéficiaire des allocations visées à l'article 2 de la loi, les arrérages échus et non payés sont versés d'office au conjoint (ou la personne) avec lequel le bénéficiaire cohabitait au moment de son décès.
(A defaut du conjoint ou de la personne visée à l'alinéa 1er, les termes échus et non payes, y compris la prestation du mois du décès pour autant que le bénéficiaire n'était pas décédé à la date d'émission [1 du chèque circulaire]1, ou en cas de paiement sur compte bancaire, à la date d'exécution du paiement auprès du système national de compensation, sont versés dans l'ordre ci-après : )
1. aux enfants avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
2. aux père et mère avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
3. à toute personne avec qui le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
4. à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation;
5. à la personne qui a acquitté les frais de funérailles.
Les arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé sont versés d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa premier, et à défaut de celui-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 1° et à défaut de ceux-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 2°.
Les autres ayants droit énumérés à l'alinéa 2, qui désirent obtenir la liquidation, à leur profit, des arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé, doivent adresser une demande au Ministre sauf lorsque la demande concerne une allocation payée par l'Office national des pensions. Dans ce cas, la demande est adressée à cet organisme.
(La demande datée et signée est introduite au moyen d'une formule dont le modèle est déterminé par le Service des allocations aux handicapés du Ministère de la Prévoyance sociale. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt vivait avec une des personnes visées à l'alinéa 2, 3°, certifie l'exactitude des renseignements qui sont mentionnés sur cette formule et la contresigne. Les personnes visées à l'alinéa 2, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.)
Sous peine de forclusion, les demandes de paiement d'arrérages doivent être introduites dans un délai de six mois. Ce délai prend cours le jour de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci a été envoyée après le décès.
La demande de liquidation d'arrérages échus et non payés en cas de décès d'un bénéficiaire d'une allocation vaut demande d'application de l'article 59 de l'arrêté royal du 29 avril 1969 portant règlement général en matière de revenu garanti aux personnes âgées, lorsqu'un revenu garanti aux personnes âgées est concerné par cette dernière disposition.
Lorsque la notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès du bénéficiaire, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt (avait sa résidence principale). Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu du premier ou du deuxième alinéa, entre en ligne de compte pour le paiement des arrérages.
(A defaut du conjoint ou de la personne visée à l'alinéa 1er, les termes échus et non payes, y compris la prestation du mois du décès pour autant que le bénéficiaire n'était pas décédé à la date d'émission [1 du chèque circulaire]1, ou en cas de paiement sur compte bancaire, à la date d'exécution du paiement auprès du système national de compensation, sont versés dans l'ordre ci-après : )
1. aux enfants avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
2. aux père et mère avec lesquels le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
3. à toute personne avec qui le bénéficiaire vivait au moment de son décès;
4. à la personne qui est intervenue dans les frais d'hospitalisation;
5. à la personne qui a acquitté les frais de funérailles.
Les arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé sont versés d'office à l'ayant droit visé à l'alinéa premier, et à défaut de celui-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 1° et à défaut de ceux-ci, aux ayants droit visés au deuxième alinéa, 2°.
Les autres ayants droit énumérés à l'alinéa 2, qui désirent obtenir la liquidation, à leur profit, des arrérages échus et non payés à un bénéficiaire décédé, doivent adresser une demande au Ministre sauf lorsque la demande concerne une allocation payée par l'Office national des pensions. Dans ce cas, la demande est adressée à cet organisme.
(La demande datée et signée est introduite au moyen d'une formule dont le modèle est déterminé par le Service des allocations aux handicapés du Ministère de la Prévoyance sociale. Le bourgmestre de la commune où le défunt avait sa résidence principale ou le bourgmestre de la commune où le défunt vivait avec une des personnes visées à l'alinéa 2, 3°, certifie l'exactitude des renseignements qui sont mentionnés sur cette formule et la contresigne. Les personnes visées à l'alinéa 2, 4° et 5°, peuvent faire signer la demande par le bourgmestre de leur résidence principale.)
Sous peine de forclusion, les demandes de paiement d'arrérages doivent être introduites dans un délai de six mois. Ce délai prend cours le jour de l'envoi de la notification de la décision, si celle-ci a été envoyée après le décès.
La demande de liquidation d'arrérages échus et non payés en cas de décès d'un bénéficiaire d'une allocation vaut demande d'application de l'article 59 de l'arrêté royal du 29 avril 1969 portant règlement général en matière de revenu garanti aux personnes âgées, lorsqu'un revenu garanti aux personnes âgées est concerné par cette dernière disposition.
Lorsque la notification est renvoyée à l'expéditeur en raison du décès du bénéficiaire, une nouvelle notification est envoyée au bourgmestre de la commune où le défunt (avait sa résidence principale). Le bourgmestre fait parvenir cette notification à la personne qui, en vertu du premier ou du deuxième alinéa, entre en ligne de compte pour le paiement des arrérages.
Modifications
Art. 59. De Minister kan, in belangwekkende gevallen en na advies van de Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen, afzien voor het geheel of voor een gedeelte van de terugvordering van de tegemoetkomingen die ten onrechte uitbetaald werden, ingeval de schuldenaar geen enkele fout of nalatigheid treft.
Art. 59. Le Ministre peut, dans des cas dignes d'intérêt et sur avis de la Commission d'aide sociale aux handicapés, renoncer en tout ou en partie à la récupération d'allocations payées indûment lorsque le débiteur n'a commis aucune faute ou négligence.
HOOFDSTUK X. _ Herzieningen.
CHAPITRE X. _ Révisions.
Afdeling 1. _ Herzieningen op aanvraag.
Section 1. _ Révisions sur demande.
Art. 60. De aanvragen om herziening worden ingediend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 2 tot 6.
Bij de aanvragen die niet strekken tot het bekomen van een herziening van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dient geen geneeskundig getuigschrift gevoegd.
(Bij de aanvragen om herziening van de tegemoetkoming voor hulp van derde die de overschakeling trachten te bekomen naar een hogere categorie voor de toepassing van het artikel 43bis, § 2, moet het in het artikel 3, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag worden gevoegd.)
Bij de aanvragen die niet strekken tot het bekomen van een herziening van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid dient geen geneeskundig getuigschrift gevoegd.
(Bij de aanvragen om herziening van de tegemoetkoming voor hulp van derde die de overschakeling trachten te bekomen naar een hogere categorie voor de toepassing van het artikel 43bis, § 2, moet het in het artikel 3, tweede lid, bedoeld gemotiveerd verslag worden gevoegd.)
Art. 60. Les demandes en révision sont introduites suivant les dispositions des articles 2 à 6.
Les demandes qui ne tendent pas à obtenir une révision du taux d'incapacité permanente de travail ne doivent pas être accompagnées d'un certificat médical.
(Les demandes en revision de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne qui tendent à obtenir le passage dans une catégorie supérieure pour l'application de l'article 43bis, § 2, doivent être accompagnées du rapport motivé visé à l'article 3, alinéa 2.)
Les demandes qui ne tendent pas à obtenir une révision du taux d'incapacité permanente de travail ne doivent pas être accompagnées d'un certificat médical.
(Les demandes en revision de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne qui tendent à obtenir le passage dans une catégorie supérieure pour l'application de l'article 43bis, § 2, doivent être accompagnées du rapport motivé visé à l'article 3, alinéa 2.)
Afdeling 2. _ Ambtshalve herzieningen
Section 2. _ Révisions d'office
Art. 61. Er wordt ambtshalve overgegaan tot een herziening van het recht op de tegemoetkoming:
1° wanneer er een wijziging wordt vastgesteld in de toestand van de gerechtigde, die de afschaffing, de vermindering of de niet betaling van de tegemoetkoming kan tot gevolg hebben;
2° wanneer de gerechtigde de aangifte doet als bedoeld bij artikel 14, derde lid van de wet.
Die aangifte geschiedt bij middel van een formulier conform bijlage VI dat de burgemeester van de gemeente der verblijfplaats van de gerechtigde tot zijn beschikking stelt;
3° wanneer de beslissing tot toekenning getroffen werd op grond van voorlopige of evoluërende elementen.
1° wanneer er een wijziging wordt vastgesteld in de toestand van de gerechtigde, die de afschaffing, de vermindering of de niet betaling van de tegemoetkoming kan tot gevolg hebben;
2° wanneer de gerechtigde de aangifte doet als bedoeld bij artikel 14, derde lid van de wet.
Die aangifte geschiedt bij middel van een formulier conform bijlage VI dat de burgemeester van de gemeente der verblijfplaats van de gerechtigde tot zijn beschikking stelt;
3° wanneer de beslissing tot toekenning getroffen werd op grond van voorlopige of evoluërende elementen.
Art. 61. Il est procédé d'office à une révision du droit à l'allocation :
1° lorsqu'une notification de nature à entraîner la suppression, la diminution ou le non paiement de l'allocation est constatée dans le chef du bénéficiaire;
2° lorsque le bénéficiaire fait la déclaration visée à l'article 14, alinéa 3 de la loi.
Cette déclaration se fait au moyen d'une formule conforme à l'annexe VI que le bourgmestre de la commune de résidence du bénéficiaire met à sa disposition ;
3° lorsque la décision d'octroi a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif.
1° lorsqu'une notification de nature à entraîner la suppression, la diminution ou le non paiement de l'allocation est constatée dans le chef du bénéficiaire;
2° lorsque le bénéficiaire fait la déclaration visée à l'article 14, alinéa 3 de la loi.
Cette déclaration se fait au moyen d'une formule conforme à l'annexe VI que le bourgmestre de la commune de résidence du bénéficiaire met à sa disposition ;
3° lorsque la décision d'octroi a été prise sur la base d'éléments à caractère provisoire ou évolutif.
Art. 61bis. Onverminderd de bepaling van artikel 61 moet van ambtswege worden overgegaan tot een herziening van het recht op de gewone of bijzondere tegemoetkoming vijf jaar na de eerste ingangsdatum van de laatste beslissing waarbij een gewone of bijzondere tegemoetkoming wordt toegekend.
Deze verplichting tot herziening heeft nochtans geen betrekking op de medische voorwaarden.
Deze verplichting tot herziening heeft nochtans geen betrekking op de medische voorwaarden.
Art. 61bis. Sans préjudice de la disposition de l'article 61 il doit être procédé d'office à une révision du droit à l'allocation ordinaire ou spéciale cinq ans après la première date d'effet de la dernière décision d'octroi d'une allocation ordinaire ou spéciale.
Toutefois, cette obligation de révision ne porte pas sur les conditions médicales.
Toutefois, cette obligation de révision ne porte pas sur les conditions médicales.
Afdeling 3. _ Onderzoek van de herzieningen
Section 3. _ Instructions des révisions
Art. 62. De herziening wordt onderzocht overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III.
De ambtshalve herziening heeft plaats:
1° op de datum waarop de bij artikel 61, 1°, bedoelde wijziging wordt vastgesteld;
2° op de datum van de ontvangst van de aangifte bedoeld bij artikel 61, 2°;
3° op de datum vastgesteld bij de beslissing, getroffen op grond van voorlopige of evoluërende elementen.
De ambtshalve herziening heeft plaats:
1° op de datum waarop de bij artikel 61, 1°, bedoelde wijziging wordt vastgesteld;
2° op de datum van de ontvangst van de aangifte bedoeld bij artikel 61, 2°;
3° op de datum vastgesteld bij de beslissing, getroffen op grond van voorlopige of evoluërende elementen.
Art. 62. La révision est instruite selon les dispositions du chapitre III.
La révision d'office a lieu:
1° à la date de la constatation de la modification visée à l'article 61, 1°;
2° à la date de la réception de la déclaration visée à l'article 61, 2°;
3° à la date fixée par la décision sur la base d'éléments à caractère provisoire ou evolutif.
La révision d'office a lieu:
1° à la date de la constatation de la modification visée à l'article 61, 1°;
2° à la date de la réception de la déclaration visée à l'article 61, 2°;
3° à la date fixée par la décision sur la base d'éléments à caractère provisoire ou evolutif.
Afdeling 4. _ Uitwerking van de herzieningen.
Section 4. _ Effet des révisions.
Art. 63. De herzieningen hebben uitwerking de eerste dag van de maand die volgt op de datum van de betekening van de beslissing.
In de onderstaande gevallen hebben ze evenwel uitwerking:
1° de eerste dag van de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag, of op de datum van de ambtshalve herziening indien de beslissing een toekenning of een verhoging van het bedrag der tegemoetkoming tot gevolg heeft;
2° de eerste dag van de maand volgend op de datum vanaf dewelke artikel 4, 1°, 2° en 3°, artikel 10, 2° van de wet en de artikelen 28, 55, 56 en 57 van dit besluit dienden toegepast;
3° de eerste dag van de maand vanaf dewelke de uitkeringen inzake rust- of overlevingspensioen, evenals inzake het gewaarborgd inkomen, voorzien bij artikel 8 van de wet gewijzigd zijn en hun weerslag hebben op het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming.
In de onderstaande gevallen hebben ze evenwel uitwerking:
1° de eerste dag van de maand die volgt op de datum van indiening van de aanvraag, of op de datum van de ambtshalve herziening indien de beslissing een toekenning of een verhoging van het bedrag der tegemoetkoming tot gevolg heeft;
2° de eerste dag van de maand volgend op de datum vanaf dewelke artikel 4, 1°, 2° en 3°, artikel 10, 2° van de wet en de artikelen 28, 55, 56 en 57 van dit besluit dienden toegepast;
3° de eerste dag van de maand vanaf dewelke de uitkeringen inzake rust- of overlevingspensioen, evenals inzake het gewaarborgd inkomen, voorzien bij artikel 8 van de wet gewijzigd zijn en hun weerslag hebben op het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming.
Art. 63. Les révisions sortent leurs effets le premier jour du mois qui suit la date de notification de la décision.
Dans les cas visés ci-dessous, elles sortent toutefois leurs effets:
1° le premier jour du mois suivant la date d'introduction de la demande ou la date de la révision d'office, lorsque la décision donne lieu à octroi ou majoration du montant de l'allocation ;
2° le premier jour du mois suivant la date à partir de laquelle l'article 4, 1°, 2° et 3°, l'article 10, 2° de la loi et les articles 28, 55, 56 et 57 du présent arrêté étaient applicables ;
3° le premier jour du mois à partir duquel une modification dans les prestations en matière de pension de retraite et de survie, ainsi que de revenu garanti prévues à l'article 8 de la loi est intervenue de nature à influencer le montant de l'allocation complémentaire.
Dans les cas visés ci-dessous, elles sortent toutefois leurs effets:
1° le premier jour du mois suivant la date d'introduction de la demande ou la date de la révision d'office, lorsque la décision donne lieu à octroi ou majoration du montant de l'allocation ;
2° le premier jour du mois suivant la date à partir de laquelle l'article 4, 1°, 2° et 3°, l'article 10, 2° de la loi et les articles 28, 55, 56 et 57 du présent arrêté étaient applicables ;
3° le premier jour du mois à partir duquel une modification dans les prestations en matière de pension de retraite et de survie, ainsi que de revenu garanti prévues à l'article 8 de la loi est intervenue de nature à influencer le montant de l'allocation complémentaire.
HOOFDSTUK XI. _ De Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen.
CHAPITRE XI. _ La commission d'aide sociale aux handicapés.
Art. 64. De Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de minder-validen omvat een franstalige en een nederlandstalige afdeling.
Elke afdeling is samengesteld uit een voorzitter en zeven leden die, uit hoofde van hun deelneming aan de activiteiten van instellingen die zich met minder-validenzorg bezig houden of wegens hun sociale activiteiten, daartoe bijzonder geschikt zijn.
De voorzitters en de leden worden door Ons benoemd voor een termijn van zes jaar. De voorzitter of het lid dat ter vervanging van een overleden of uittredend voorzitter of lid wordt benoemd, voleindigt diens mandaat.
Een ambtenaar, vertegenwoordiger van de Minister, woont de vergaderingen bij. Hij heeft raadgevende stem.
Het secretariaat van elke afdeling wordt waargenomen door een ambtenaar aangewezen door de Minister.
Elke afdeling is samengesteld uit een voorzitter en zeven leden die, uit hoofde van hun deelneming aan de activiteiten van instellingen die zich met minder-validenzorg bezig houden of wegens hun sociale activiteiten, daartoe bijzonder geschikt zijn.
De voorzitters en de leden worden door Ons benoemd voor een termijn van zes jaar. De voorzitter of het lid dat ter vervanging van een overleden of uittredend voorzitter of lid wordt benoemd, voleindigt diens mandaat.
Een ambtenaar, vertegenwoordiger van de Minister, woont de vergaderingen bij. Hij heeft raadgevende stem.
Het secretariaat van elke afdeling wordt waargenomen door een ambtenaar aangewezen door de Minister.
Art. 64. La Commission d'aide sociale aux handicapés comporte une section française et une section néerlandaise.
Chaque section comprend un président et sept membres spécialement qualifiés en raison de leur participation aux activités d'organisations s'intéressant aux handicapés ou en raison de leurs activités sociales.
Les présidents et les membres sont nommés par Nous pour un terme de six ans. Le président ou le membre nommé en remplacement d'un président ou d'un membre décédé ou démissionnaire achève le mandat de celui-ci.
Un fonctionnaire représentant le Ministre assiste aux réunions avec voix consultative.
Le secrétariat de chaque section est assumé par un fonctionnaire désigné par le Ministre.
Chaque section comprend un président et sept membres spécialement qualifiés en raison de leur participation aux activités d'organisations s'intéressant aux handicapés ou en raison de leurs activités sociales.
Les présidents et les membres sont nommés par Nous pour un terme de six ans. Le président ou le membre nommé en remplacement d'un président ou d'un membre décédé ou démissionnaire achève le mandat de celui-ci.
Un fonctionnaire représentant le Ministre assiste aux réunions avec voix consultative.
Le secrétariat de chaque section est assumé par un fonctionnaire désigné par le Ministre.
Art. 65. De commissie geeft haar advies binnen dertig dagen over alle aangelegenheden welke haar door de Minister voorgelegd worden. Zij mag aan hem elk nuttig geacht voorstel doen.
De afdelingen zijn bevoegd over elke aangelegenheid van individuele aard.
De aangelegenheden van algemene aard worden in plenovergadering onderzocht. Die vergadering staat onder het voorzitterschap van de oudste afdelingsvoorzitter of van het lid door de aanwezige leden aangewezen, ingeval beide afdelingsvoorzitters afwezig zijn.
Bij afwezigheid van de afdelingsvoorzitter wordt het voorzitterschap van de afdeling bekleed door een door de aanwezige leden aangeduid lid.
De afdelingen zijn bevoegd over elke aangelegenheid van individuele aard.
De aangelegenheden van algemene aard worden in plenovergadering onderzocht. Die vergadering staat onder het voorzitterschap van de oudste afdelingsvoorzitter of van het lid door de aanwezige leden aangewezen, ingeval beide afdelingsvoorzitters afwezig zijn.
Bij afwezigheid van de afdelingsvoorzitter wordt het voorzitterschap van de afdeling bekleed door een door de aanwezige leden aangeduid lid.
Art. 65. La commission donne son avis dans les trente jours sur toutes questions qui lui sont soumises par le Ministre. Elle peut aussi faire à celui-ci toutes dispositions qu'elle juge utiles.
Les sections sont compétentes pour toutes questions concernant des cas individuels.
Les questions d'ordre général sont examinées en assemblée plénière, celle-ci étant placée sous la présidence du plus âgé des présidents de section ou, en leur absence, d'un membre désigné par les membres présents.
En cas d'absence du président d'une section, la présidence de la section est assurée par un des membres désignés par les membres présents.
Les sections sont compétentes pour toutes questions concernant des cas individuels.
Les questions d'ordre général sont examinées en assemblée plénière, celle-ci étant placée sous la présidence du plus âgé des présidents de section ou, en leur absence, d'un membre désigné par les membres présents.
En cas d'absence du président d'une section, la présidence de la section est assurée par un des membres désignés par les membres présents.
Art. 66. De beslissingen van de pleno-vergadering en van de afdelingen worden genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
Art. 66. Les décisions de l'assemblée plénière et des sections sont prises à la majorité des voix des membres présents. En cas de parité des voix, celle du président est prépondérante.
Art. 67. De voorzitters, de leden en de ambtenaarvertegenwoordiger van de Minister hebben recht op een presentiegeld.
De secretarissen kunnen een vergoeding genieten. Het bedrag van het presentiegeld en van de vergoeding wordt door de Minister vastgesteld in akkoord met de Ministers die de Begroting en het Openbaar Ambt in hun bevoegdheid hebben.
De voorzitters en de leden van de commissie bekomen bij voorkomend geval verblijfsvergoedingen en de terugbetaling van de reiskosten overeenkomstig de reglementering die geldt voor de adviseurs van de ministeries.
De secretarissen kunnen een vergoeding genieten. Het bedrag van het presentiegeld en van de vergoeding wordt door de Minister vastgesteld in akkoord met de Ministers die de Begroting en het Openbaar Ambt in hun bevoegdheid hebben.
De voorzitters en de leden van de commissie bekomen bij voorkomend geval verblijfsvergoedingen en de terugbetaling van de reiskosten overeenkomstig de reglementering die geldt voor de adviseurs van de ministeries.
Art. 67. Les présidents, les membres de la commission et le fonctionnaire représentant le Ministre, ont droit à un jeton de présence.
Les secrétaires peuvent bénéficier d'une indemnité. Le montant du jeton de présence et de l'indemnité est déterminée par le Ministre, de l'accord des Ministres ayant le Budget et la Fonction publique dans leurs attributions.
Les présidents et les membres de la commission obtiennent, le cas échéant, des indemnités de séjour et le remboursement de leurs frais de déplacement, conformément à la réglementation applicable aux conseillers des départements ministériels.
Les secrétaires peuvent bénéficier d'une indemnité. Le montant du jeton de présence et de l'indemnité est déterminée par le Ministre, de l'accord des Ministres ayant le Budget et la Fonction publique dans leurs attributions.
Les présidents et les membres de la commission obtiennent, le cas échéant, des indemnités de séjour et le remboursement de leurs frais de déplacement, conformément à la réglementation applicable aux conseillers des départements ministériels.
HOOFDSTUK XII. _ Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE XII. _ Dispositions transitoires et finales.
Art. 68. Elke aanvraag om de bijzondere tegemoetkoming bedoeld bij artikel 9 van de wet, die ingediend is vóór 1 april 1970, heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1969.
Art. 68. Toute demande introduite avant le 1er avril 1970 en vue d'obtenir l'allocation spéciale prévue par l'article 9 de la loi sort ses effets le 1er octobre 1969.
Art. 68bis. De reglementaire bepalingen tot toekenning van toelagen aan de controleurs der belastingen, die in de ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden de bestaansmiddelen vaststellen en deze tot toekenning van toelagen aan de ontvangers der registratie en domeinen wegens de inlichtingen die zij in de ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden aan de controleurs der belastingen moeten verstrekken, zijn toepasselijk op de prestaties die zij verrichten in het kader van de wet.
Art. 68bis. Les dispositions réglementaires attribuant des allocations aux contrôleurs des contributions qui, dans le régime de pension de retraite et de survie au profit des assurés libres, établissent les ressources et celles attribuant des allocations aux receveurs de l'enregistrement et des domaines du chef des renseignements qu'ils doivent fournir aux contrôleurs des contributions dans le régime de pensions de retraite et de survie au profit des assurés libres sont applicables aux prestations qu'ils fournissent dans le cadre de la loi.
Art. 69. De wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van:
1° de bepalingen van artikel 24 die uitwerking hebben met ingang van 15 juli 1969;
2° de bepalingen van de artikelen 32 en 33 en de bepalingen betreffende de aanvullende tegemoetkoming die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1969;
3° de bepalingen van de wet betreffende de bijzondere tegemoetkoming die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1969;
4° de bepalingen van de artikelen 29 en 31 die in werking zullen treden samen met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de inrichting en de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken.
1° de bepalingen van artikel 24 die uitwerking hebben met ingang van 15 juli 1969;
2° de bepalingen van de artikelen 32 en 33 en de bepalingen betreffende de aanvullende tegemoetkoming die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 1969;
3° de bepalingen van de wet betreffende de bijzondere tegemoetkoming die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1969;
4° de bepalingen van de artikelen 29 en 31 die in werking zullen treden samen met de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de inrichting en de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken.
Art. 69. La loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le présent arrêté aura été publié au Moniteur belge, à l'exception :
1° des dispositions de l'article 24 qui produisent leurs effets le 15 juillet 1969 ;
2° des dispositions des articles 32 et 33 et des dispositions de cette loi concernant l'allocation complémentaire qui produisent leurs effets le 1er juillet 1969 ;
3° des dispositions de la loi concernant l'allocation spéciale qui produisent leurs effets le 1er octobre 1969 ;
4° des dispositions des articles 29 et 31 qui entreront en vigueur en même temps que les dispositions du Code judiciaire relatives à l'organisation et à la compétence des tribunaux du travail.
1° des dispositions de l'article 24 qui produisent leurs effets le 15 juillet 1969 ;
2° des dispositions des articles 32 et 33 et des dispositions de cette loi concernant l'allocation complémentaire qui produisent leurs effets le 1er juillet 1969 ;
3° des dispositions de la loi concernant l'allocation spéciale qui produisent leurs effets le 1er octobre 1969 ;
4° des dispositions des articles 29 et 31 qui entreront en vigueur en même temps que les dispositions du Code judiciaire relatives à l'organisation et à la compétence des tribunaux du travail.
Art. 70.
Art. 70..
Art. 71. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de bepalingen betreffende de bijzondere tegemoetkoming die uitwerking hebben met ingang van 1 oktober 1969.
Art. 71. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publie au Moniteur belge, à l'exception des dispositions concernant l'allocation spéciale, qui produisent leurs effets le 1er octobre 1969.
Art. 72. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 72. Notre Ministre de la Prévoyance sociale est charge de l'exécution du présent arrêté.
Art. N. BIJLAGEN.
Art. N. ANNEXES
Art. N1. FORMULIER 102 voor het indienen van eerste en herzieningsaanvragen om tegemoetkoming;
Art. N1. FORMULE 102 prescrite pour l'introduction des premières demandes d'allocation et des demandes en révision;
Art. N2. FORMULIER 103 voor het geneeskundig getuigschrift te voegen bij de aanvraag;
Art. N2. FORMULE 103 de certificat médical à joindre à la demande;
Art. N3. FORMULIER 113 voor het geneeskundig verslag dat de graad van behoefte aan hulp van derde verantwoordt;
Art. N3. FORMULE 113 de rapport médical justifiant le degré de besoin en aide d'une tierce personne;
Art. N4. GETUIGSCHRIFT van oogonderzoek 303;
Art. N4. CERTIFICAT d'examen oculaire 303;
Art. N5. GETUIGSCHRIFT betreffende gehooronderzoek 323 A;
Art. N5. CERTIFICAT d'examen auditif 323 A;
Art. N6. FORMULIER 191 voor het indienen van een aanvraag tot uitbetaling van achterstallige termijnen;
Art. N6. FORMULE 191 prescrite pour l'introduction d'une demande de paiement d'arrérages décès;
Art. N7. FORMULIER voor het indienen van een aangifte (inlichtingen die van aard zouden kunnen zijn het bedrag van de toegekende tegemoetkomingen te wijzigen).
Art. N7. FORMULE DE DECLARATION (renseignements qui sont de nature à modifier le montant de l'allocation).