Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 OKTOBER 1967. - Wet houdende bepalingen van artikel 4, geldend als overgangsmaatregelen, van de wet houdende het Gerechtelijk Wetboek.
Titre
10 OCTOBRE 1967. - Loi portant les dispositions prises à titre transitoire formant l'article 4 de la loi contenant le Code judiciaire.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (52)
Texte (52)
Artikel 1. De zaken die aanhangig zijn bij gerechten die krachtens de bepalingen van artikel 2 van deze wet zijn opgeheven, worden ambtshalve en zonder kosten ingeschreven op de algemene rol van de nieuwe gerechten, te weten:
  1° op de rol van de rechtbanken van koophandel ingesteld bij deze wet, de zaken die aanhangig zijn bij de rechtbanken van koophandel ingesteld bij de vroegere wetgeving en bij de rechtbanken van eerste aanleg zetelend in handelszaken;
  2° op de rol van de arbeidsrechtbanken, de zaken die aanhangig zijn voor de werkrechtersraden en voor de rechtsprekende administratieve commissies die in eerste aanleg uitspraak doen;
  3° op de rol van de arbeidshoven, de zaken die aanhangig zijn voor de werkrechtersraden van beroep en voor de administratieve rechtsprekende commissies die uitspraak doen in hoger beroep, daarin onder andere begrepen, de vorderingen betreffende uitkeringen aan gebrekkigen, verminkten, congenitaal gebrekkigen, blinden, doven en stommen, en de vorderingen in zake pensioenen voor mijnwerkers.
  De opgeheven gerechten blijven evenwel in werking voor de zaken waarvoor de debatten aan gang zijn, of die in beraad zijn, tenzij het college niet kan samengesteld blijven, in welk geval er wordt gehandeld voor het nieuwe gerecht, zoals hiervoor is gezegd.
  Indien de beslissing van een opgeheven gerecht vernietigd wordt door de Raad van State en er aanleiding tot verzending bestaat, wordt de zaak naar het bevoegde nieuwe gerecht verzonden.
  De bevoegdheid van de nieuwe gerechten voor de zaken die aanhangig waren vóór de opgeheven gerechten, wordt bepaald volgens de regels die de bevoegdheid bepaalden van de opgeheven gerechten vóór de inwerkingtreding van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
  De dossiers worden aan de griffier van het nieuwe gerecht toegezonden, door de griffier, of in voorkomend geval de secretaris, van het opgeheven gerecht.
Article 1. Les affaires dont sont saisies les juridictions supprimées en vertu des dispositions de l'article 2 de la présente loi sont portées d'office et sans frais au rôle général des juridictions nouvelles, à savoir:
  1° au rôle des tribunaux de commerce institués par la présente loi, les affaires dont sont saisis les tribunaux de commerce institués par la législation antérieure et par les tribunaux de première instance siégeant consulairement;
  2° au rôle des tribunaux du travail, les affaires dont sont saisis les conseils de prud'hommes et les commissions juridictionnelles administratives statuant au premier degré de juridiction;
  3° au rôle des cours du travail, les affaires dont sont saisis les conseils de prud'hommes d'appel et les commissions juridictionnelles administratives statuant en degré d'appel, y compris notamment les demandes relatives aux allocations d'estropiés, mutilés, infirmes congénitaux, aveugles, sourds et muets et les demandes de pension des ouvriers mineurs.
  Cependant les juridictions supprimées resteront en fonction pour les affaires dont les débats sont en cours ou qui sont en délibéré à moins que le siège ne puisse pas demeurer composé, auquel cas il sera procédé devant la juridiction nouvelle, comme il est dit ci-dessus.
  Si une décision d'une juridiction supprimée est annulée par le Conseil d'Etat et qu'il y ait lieu à renvoi, l'affaire est renvoyée devant la juridiction nouvelle compétente.
  La compétence des juridictions nouvelles pour les affaires dont étaient saisies les juridictions supprimées est déterminée selon les règles qui avant la date d'entrée en vigueur des dispositions du Code judiciaire déterminaient la compétence des juridictions supprimées.
  Les dossiers sont transmis au greffier de la juridiction nouvelle, par le greffier ou, le cas échéant, par le secrétaire de la juridiction supprimée.
Art. 2. De Koning bepaalt de vredegerechten en de politierechtbanken waaraan respectievelijk de zaken worden opgedragen van de vredegerechten en de politierechtbanken waarvan de zetel is opgeheven of verplaatst overeenkomstig de bepalingen van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek.
  Artikel 1, leden 2 (...) en 5, van de overgangsbepalingen is van toepassing op de hiervoren bedoelde gevallen. <W 15-07-1970, art. 52>
Art. 2. Le Roi détermine les justices de paix et les tribunaux de police auxquels sont attribués les affaires respectivement des justices de paix et des tribunaux de police dont les sièges sont supprimés ou déplacés en vertu des dispositions de l'annexe au Code judiciaire.
  Les alinéas 2 (...), et 5 de l'article 1 des dispositions transitoires sont applicables aux cas prévus ci-dessus. <L 15-07-1970, art. 52>
Art. 3. Voor de gerechten waarvan het rechtsgebied wordt gewijzigd door het Gerechtelijk Wetboek, blijven alle zaken aanhangig die er aangebracht zijn, zelfs indien de plaats waardoor hun territoriale bevoegdheid was bepaald voortaan tot het rechtsgebied van een ander gerecht behoort.
Art. 3. Les juridictions dont le Code judiciaire modifie le ressort territorial restent saisies de toutes les affaires portées devant elles même si le lieu qui a déterminé leur compétence territoriale appartient désormais au ressort d'une autre juridiction.
Art. 4. Hoger beroep tegen beslissingen van een opgeheven gerecht wordt ingediend voor het gerecht dat in hoger beroep kennis neemt van de beslissingen van de nieuwe gerechten van hetzelfde niveau als het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
  Verzet tegen de beslissingen van het opgeheven gerecht wordt ingediend voor het nieuwe gerecht van hetzelfde niveau als het opgeheven gerecht.
  De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek over de aanleg, vinden toepassing op de zaken die zijn ingeleid vóór de inwerkingtreding van deze bepalingen.
Art. 4. L'appel des décisions rendues par une juridiction supprimée est porté devant la juridiction qui connaît de l'appel des décisions de la juridiction nouvelle de niveau égal à celui de la juridiction qui avait prononcé la décision.
  L'opposition contre les décisions rendues par la juridiction supprimée est portée devant la juridiction nouvelle de niveau égal à celui de la juridiction supprimée.
  Les dispositions du Code judiciaire sur le ressort s'appliquent aux affaires introduites avant la mise en vigueur de ces dispositions.
Art. 5. Hoger beroep tegen de beslissingen van de raden der Orde van advocaten, voor het hof van beroep gebracht en niet berecht wanneer de bepalingen van de artikelen 472 tot 477 van het Gerechtelijk Wetboek in werking treden, wordt ambtshalve voor de tuchtraad van beroep gebracht.
  Voor het hof van beroep blijven evenwel de zaken aanhangig waarvoor de debatten aan gang zijn en die welke in beraad zijn.
Art. 5. Les appels contre les décisions des conseils de l'Ordre des avocats portés devant la cour d'appel et sur lesquels celle-ci n'a pas statué lors de l'entrée en vigueur des articles 472 à 477 du Code judiciaire sont portés d'office devant le Conseil de discipline d'appel.
  Néanmoins, la cour d'appel reste saisie des affaires dont les débats sont en cours et de celles qui sont en délibéré.
Art. 6. De bepalingen betreffende de rechtspleging, gesteld in het Gerechtelijk Wetboek, zijn enkel van toepassing op de gedinghandelingen, de rechtsmiddelen, de bewarende beslagen en de middelen tot tenuitvoerlegging, na de datum van inwerkingtreding van deze bepalingen; de handelingen die geldig voordien zijn verricht, blijven geldig, hoewel zij volgens de nieuwe wet onregelmatig of laattijdig zouden zijn.
Art. 6. Les dispositions de procédure prévues par le Code judiciaire s'appliquent aux actes de l'instance, des voies de recours, des saisies conservatoires et des voies d'exécution postérieurs à la date de l'entrée en vigueur de ces dispositions; les actes valablement accomplis antérieurement restent valables, alors même qu'aux termes de la loi nouvelle ils seraient irréguliers ou tardifs.
Art. 7. De getuigenverhoren die werden veroorloofd of gelast vóór de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, boek I, hoofdstuk VIII, afdeling V, worden gehouden overeenkomstig de bepalingen van de opgeheven wetten.
Art. 7. Les enquêtes ordonnées ou autorisées avant la date de l'entrée en vigueur des dispositions de la section V du chapitre VIII, livre I de la quatrième partie du Code judiciaire sont tenues conformément aux dispositions des lois abrogées.
Art. 8. Gedurende een termijn van een maand na de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, legt iedere schuldeiser die beslag heeft gelegd op roerende goederen, op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van het beslag, de verklaring en de verantwoording neer van zijn schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, met zo nodig de vermelding van het voorrecht waarop hij aanspraak maakt. Die verklaring geldt als bericht van beslag, zoals bedoeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
  Gedurende die termijn zal er geen verdeling geschieden van de opbrengst van de verkoop na uitvoerend beslag op roerende goederen of beslag op gelden.
  Na het verstrijken van de genoemde termijn, gaat de optredende gerechtsdeurwaarder over tot de verdeling overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1627 tot 1638 van het Gerechtelijk Wetboek, onder de schuldeisers die de in het eerste lid bedoelde verklaring hebben gedaan en, in voorkomend geval, de verzetdoende schuldeisers die zich aan hem hebben bekendgemaakt.
Art. 8. Pendant un délai d'un mois à partir de la date d'entrée en vigueur des dispositions de la cinquième partie du Code judiciaire, tout créancier ayant pratiqué une saisie sur biens meubles, dépose au greffe du tribunal de première instance du lieu de la saisie la déclaration et la justification de sa créance en principal, intérêts et frais, avec la mention, s'il y a lieu, du privilège auquel il prétend. Cette déclaration tient lieu de l'avis de saisie prévu à l'article 1390 du Code judiciaire.
  Pendant ce délai il ne sera procédé à aucune distribution du produit de la vente sur saisie-exécution mobilière ou de la saisie de deniers.
  A l'expiration du délai précité, l'huissier de justice instrumentant procède à la distribution conformément aux dispositions des articles 1627 à 1638 du Code judiciaire entre les créanciers qui ont fait la déclaration prévue à l'alinéa premier et, le cas échéant, les créanciers opposants qui se seront fait connaître à lui.
Art. 9. De toepassing van de wet houdende het Gerechtelijk Wetboek kan geen afbreuk doen aan de wedden, weddeverhoging, weddebijslag en pensioenen van de leden van hoven en rechtbanken, griffiers en personeel van griffies en parketten die thans in functie zijn.
Art. 9. L'application de la loi contenant le Code judiciaire ne peut porter atteinte aux traitements, majorations et suppléments de traitement et pensions des membres des cours et tribunaux, greffiers et personnel des greffes et des parquets en fonction.
Art. 10. In afwijking van artikel 383 van het Gerechtelijk Wetboek en onverminderd de toepassing van artikel 392, worden de magistraten van het Hof van cassatie en van de hoven van beroep, die in dienst zijn op de dag van de inwerkingtreding van die bepalingen, eerst inrustgesteld op vijfenzeventig jaar bij het Hof van cassatie en op tweeënzeventig jaar bij de hoven van beroep, tenzij zij om vroegere inruststelling verzoeken en ten minste zeventig jaar oud zijn.
  Deze grensleeftijd van vijfenzeventig jaar voor het Hof van cassatie en van tweeënzeventig jaar voor de hoven van beroep wordt evenwel een jaar verlaagd aan het einde van het tweede jaar na de inwerkingtreding van voornoemd artikel 383 en daarna eveneens om de twee jaar, totdat de grensleeftijd van zeventig jaar is bereikt.
  Voor de toepassing van de twee voorgaande leden wordt het emeritaatspensioen of het pensioen berekend alsof de magistraat in dienst was gebleven zonder die wijziging van de grensleeftijd.
Art. 10. Par dérogation à l'article 383 du Code judiciaire, et sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 392, les magistrats en fonction à la Cour de cassation ou à la cour d'appel à la date de l'entrée en vigueur de ces dispositions ne sont mis à la retraite qu'à l'âge de soixante-quinze ans, à la Cour de cassation, et de soixante-douze ans, à la cour d'appel, sauf s'ils demandent leur mise à la retraite antérieurement après avoir atteint au moins l'âge de soixante-dix ans.
  Toutefois à la fin de la deuxième année écoulée depuis l'entrée en vigueur de l'article 383 précité, cette limite d'âge de soixante-quinze ans à la Cour de cassation et de soixante-douze ans à la cour d'appel est abaissée d'un an, et il en sera ainsi, de deux en deux ans, jusqu'à ce que la limite d'âge de soixante-dix ans soit atteinte.
  Pour l'application des deux alinéas précédents, le calcul de la pension de l'éméritat ou de la pension a lieu comme si la magistrat était resté en fonction sans que soit intervenue cette modification de la limite d'âge.
Art. 10bis. <W 30-03-1994, art. 1> De pleitbezorgers welke benoemd zijn na 1 januari 1959 en in dienst gebleven zijn tot de dag die, bij het koninklijk besluit van 20 december1968 tot uitvoering van de bepalingen van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, die aan sommige pleitbezorgers het recht op een pensioen, ten laste van de Openbare Schatkist toekennen, werd bepaald, namelijk 1 januari 1969, hebben recht op een forfaitaire schadevergoeding gelijk aan de helft van eenmaal het samengesteld bedrag der netto-bedrijfsinkomsten aan hun bediening verbonden en aangeslagen voor de vijf belastingjaren die aan de datum van voormeld koninklijk besluit van 20 december 1968 voorafgaan, en waarvan het nominaal bedrag bepaald wordt volgens de modaliteiten en regelen voorzien bij artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 20 december 1968.
  Deze bepaling is niet toepasselijk op de advocaten-pleitbezorgers.
Art. 10bis. Les avoués qui ont été nommé après le 1er janvier 1959 et qui sont restés en fonction jusqu'à la date fixée par l'arrêté royal du 20 décembre 1968 portant exécution des dispositions de la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire qui accordent à certains avoués le droit à une pension à charge du Trésor public, à savoir jusqu'au 1er janvier 1969 ont droit à une indemnité forfaitaire égale à la moitié du montant total des revenus professionnels nets afférents à l'exercice de leur ministère et imposés pour les cinq exercices fiscaux précédant la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 20 décembre 1968 précité, et dont le montant nominal est fixé selon les modalités et les règles prévues à l'article 2 dudit arrêté royal.
  Cette disposition n'est pas applicable aux avocats avoués.
Art. 11. (...) Opgeheven bij W 17-07-1984, art. 16
Art. 11. (Abrogé) <L 17-07-1984, art. 16; En vigueur : 01-09-1984>
Art. 12. § 1. Worden twee of meer kantons samengesmolten met handhaving van één gerecht, dan wordt de titularis daarvan de rechter van het kanton. Worden de gerechten door een ander vervangen, dan wordt de rechter in wiens kanton de zetel zich bevindt, de titularis van het kanton.
  Rechters die zonder ambt blijven, behouden hun wedde en weddeverhogingen; ingeval een zetel later openvalt, worden zij daarin benoemd naar orde van dienstouderdom en met hun instemming.
  § 2. Wanneer het gebied van een gemeente, zetel van een vredegerecht, voor de inwerkingtreding van de bepalingen van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek volledig gelegen was in één enkel kanton en die gemeente ingevolge de toepassing van vorengenoemde bepalingen in twee wordt gesplitst zodat ieder deel met andere gemeenten een nieuw kanton vormt, wordt de vrederechter die de zetel van het oude kanton bekleedde, titularis van het eerste kanton.
  § 3. Wanneer het gebied van een gemeente vóór de inwerkingtreding van de bepalingen van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek gedeeltelijk tot twee kantons behoorde en die kantons ingevolge de toepassing van genoemde bepalingen worden samengesmolten, wordt de vrederechter die het langst in die hoedanigheid is benoemd, titularis van het nieuw kanton.
  Wanneer het gemeentelijk grondgebied verdeeld was over verschillende kantons en die kantons onderling of met andere kantons of gedeelten van kantons worden samengesmolten of anders worden ingedeeld, worden de rechters die hun ambt uitoefenen in de kantons die bestaan bij de inwerkingtreding van de bepalingen van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek, respectievelijk titularis van de nieuwe samengestelde kantons met hetzelfde rangnummer als de kantons waarin zij hun ambt uitoefenen.
  § 4. Rechters die zonder ambt blijven, behouden hun wedde en weddeverhogingen; ingeval een zetel later openvalt, worden zij daarin benoemd naar orde van dienstouderdom en met hun instemming.
  § 5. De vrederechter van een opgeheven kanton, waarvan de gemeenten verdeeld worden over twee of meer kantons, wordt met zijn instemming benoemd tot rechter van datgene van die kantons dat geen titularis heeft op de datum van de inwerkingtreding van de bepalingen van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek.
  Indien meer dan één van de kantons geen titularis heeft, laat de rechter aan de minister van Justitie binnen zes maand na de bekendmaking van deze wet, weten welk kanton hij verkiest.
  Indien er geen enkele plaats in die kantons openstaat, wordt het tweede lid van § 1 toegepast.
  § 6. Indien twee kantons moeten bediend worden door een enkele rechter en beide kantons een titularis hebben, blijven de twee rechters hun ambt vervullen totdat een van beide zetels openvalt; in dit laatste geval wordt de rechter van het andere kanton rechtens de rechter van de twee kantons zonder nieuwe eedaflegging.
  § 7. De bepalingen van § 1, van het eerste lid van § 2 en van § 3 zijn van toepassing op de plaatsvervangende vrederechters.
Art. 12. § 1. Lorsque deux ou plusieurs cantons sont fusionnés avec maintien de l'un des sièges, le titulaire de celui-ci devient juge du canton. Si les sièges sont remplacés par un siège nouveau, le juge dans le canton duquel se trouve ce siège devient titulaire du canton.
  Les juges qui restent sans fonction conservent leurs traitements et majorations de traitements; en cas de vacance ultérieure ils sont, par ordre d'ancienneté, et de leur consentement, nommés à ce siège.
  § 2. Lorsque le territoire d'une commune, siège d'une justice de paix, était avant l'entrée en vigueur des dispositions de l'annexe au Code judiciaire, entièrement compris dans un seul canton et que par suite de l'application des dispositions précitées cette commune est divisée en deux parties, chaque partie formant avec d'autres communes un nouveau canton, le juge de paix qui occupait le siège de l'ancien canton devient titulaire du premier canton.
  § 3. Lorsque le territoire d'une commune était avant l'entrée en vigueur des dispositions de l'annexe au Code judiciaire divisé en deux cantons et que par suite de l'application desdites dispositions, ces cantons sont fusionnés, le juge de paix le plus ancien par ordre de nomination en cette qualité devient titulaire du nouveau canton.
  Lorsque le territoire communal était divisé en plusieurs cantons et que ces cantons sont fusionnés entre eux ou avec d'autres cantons ou parties de cantons ou sont autrement composés, les juges qui exercent leurs fonctions dans les cantons existant au moment de l'entrée en vigueur des dispositions de l'annexe au Code judiciaire, deviennent respectivement titulaires des cantons nouvellement constitués et qui portent les mêmes désignations ordinales que celles des cantons dans lesquels ils exerçaient leurs fonctions.
  § 4. Les juges qui restent sans fonctions conservent leurs traitements et majorations de traitements; en cas de vacance ultérieure ils sont, par ordre d'ancienneté, et de leur consentement, nommés à ce siège.
  § 5. Le juge de paix d'un canton supprimé, dont les communes sont partagées entre deux ou plusieurs cantons, est de son consentement nommé juge de celui de ces cantons qui serait sans titulaire à la date de l'entrée en vigueur des dispositions annexes au Code judiciaire.
  Au cas où plus d'un des cantons serait sans titulaire, ce juge fait connaître au ministre de la Justice, dans les six mois qui suivent la publication de la présente loi, celui des cantons dont il aura fait choix.
  Si aucune place n'est vacante dans ces cantons, il est fait application de l 'alinéa 2 du § 1er.
  § 6. Si deux cantons doivent être desservis par un seul juge alors qu'ils sont tous deux pourvus de titulaires, les deux juges restent en fonction jusqu'à ce que l'un de ces sièges devienne vacant: dans ce dernier cas, le juge de l'autre canton devient de plein droit juge des deux cantons sans nouvelle prestation de serment.
  § 7. Les dispositions du § 1er, du 1er alinéa du § 2 et du § 3 sont applicables aux juges de paix suppléants.
Art. 13. De griffier-hoofd van de griffie van een verdeeld kanton wordt verbonden aan datgene van de twee kantons dat de minister van Justitie hem toewijst. Indien twee of meer kantons bediend worden door een enkele rechter, wordt de oudste griffier-hoofd van de griffie titularis, de andere griffiers-hoofden van de griffie worden eraan verbonden.
  Indien twee of meer kantons worden samengesmolten met handhaving van één gerecht, blijft de griffier-hoofd van de griffie die aldaar titularis is, in functie en worden de griffiers-hoofden van de griffie van de opgeheven kantons eraan verbonden. De griffiers en de klerken-griffiers en het griffiepersoneel van de opgeheven kantons worden, zelfs in bovental, verbonden aan de griffie van het kanton dat de minister van Justitie bepaalt.
  Worden de verschillende gerechten vervangen door een of meer andere, dan worden de griffiershoofden van de griffie die het langst in die hoedanigheid zijn benoemd titularis; de andere griffiershoofden van de griffie, de griffiers en klerkengriffiers en het griffiepersoneel worden zelfs in bovental, verbonden aan de griffies van de kantons die de minister van Justitie bepaalt.
  De griffiers-hoofden van de griffie die verbonden worden aan een andere griffie krachtens de voorgaande leden, worden benoemd tot griffierstitularissen van dit kanton naar gelang van de vacatures en naar de orde van hun benoeming.
  In het geval van artikel 12, § (6), van de overgangsbepalingen blijven de griffier-hoofd van de griffie, de griffiers en het griffie-personeel dienst doen in die griffie tot op het ogenblik waarop de zetel van de rechter waaraan zij verbonden zijn, openvalt. <W 15-07-1970, art. 53>
Art. 13. Le greffier-chef de greffe d'un canton scindé est affecté à celui des deux cantons que le ministre de la Justice lui assigne. Si deux ou plusieurs cantons sont desservis par un seul juge, le greffier-chef de greffe le plus ancien devient titulaire, les autres greffiers-chefs de greffe lui sont attachés.
  Si deux ou plusieurs cantons sont fusionnés avec maintien d'un seul siège, le greffier-chef de greffe titulaire de celui-ci reste en fonction et les greffiers-chefs de greffe des cantons supprimés lui sont attachés. Les greffiers et les commis-greffiers et le personnel des greffes des cantons supprimés sont affectés même en surnombre au greffe du canton déterminé par le ministre de la Justice.
  Si les divers sièges sont remplacés par un ou plusieurs autres, les greffiers-chef de greffe les plus anciens par ordre de nomination en cette qualité en deviennent titulaires; les autres greffiers-chefs de greffe, les greffiers et commis-greffiers et les membres du personnel des divers greffes sont affectés même en surnombre aux greffes des cantons déterminés par le ministre de la Justice.
  Les greffiers-chefs de greffe qui ont été attachés à un autre greffe en vertu des alinéas précédents, seront nommés greffiers titulaires de ce canton au fur et à mesure des vacances et suivant l'ordre d'ancienneté de leur nomination.
  Dans le cas prévu au § (6) de l'article 12 des dispositions transitoires, le greffier-chef de greffe, les greffiers et le personnel du greffe restent en fonction, dans ce greffe, jusqu'au moment où le siège du juge auquel ils sont attachés devient vacant. <L 15-07-1970, art. 53; En vigueur : 09-08-1970>
Art. 14. Bij afwijking van artikel 306 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de vrederechters en de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers van de vredegerechten die krachtens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek een ander kanton bedienen dan datgene waarvan zij titularis waren bij de inwerkingtreding van voornoemde bepaling, verder verblijven in hun vroeger kanton, indien zij daar hun werkelijke verblijfplaats hadden.
Art. 14. Par dérogation à l'article 306 du Code judiciaire, les juges de paix et les greffiers en chef, les greffiers-chefs de greffe et greffiers de justice de paix qui, en vertu des dispositions du Code judiciaire desservent un autre canton que celui dont ils sont titulaires lors de l'entrée en vigueur de la disposition précitée, peuvent continuer à résider dans leur ancien canton s'ils y avaient leur résidence effective.
Art. 15. De vrederechters, de hoofdgriffiers en griffiers-hoofden van de griffie van de vredegerechten die krachtens de bepalingen van artikel 1, 3e en 5e lid, van de wet van 18 juni 1869 gedurende meer dan vijf jaar belast zijn met de dienst van een of meer andere kantons en daarvoor de wedde hebben ontvangen die wordt toegekend aan vrederechters, hoofdgriffiers en griffiers-hoofden van de griffie van kantons die een bevolking hebben gelijk aan die van de samengevoegde kantons, genieten verder die wedde, zelfs wanneer zij van de dienst in die andere kantons ontlast worden.
Art. 15. Les juges de paix, les greffiers en chef et les greffiers-chefs de greffe des justices de paix qui, en vertu des dispositions de l'article 1er, alinéas 3 et 5, de la loi du 18 juin 1869 ont été chargés de desservir pendant plus de cinq ans un ou plusieurs autres cantons et ont reçu de ce fait le traitement attribué aux juges de paix, aux greffiers en chef et aux greffiers-chefs de greffe des cantons ayant une population égale à celle des cantons réunis, continueront à bénéficier de ce traitement même s'ils sont déchargés du service de ces autres cantons.
Art. 16. De magistraten en de griffiers die, bij de inwerkingtreding van de wet van 14 juli 1951 betreffende de indeling van de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, een titel droegen en een wedde genoten toegekend in de gerechten waarvan het rechtsgebied ten minste 500.000 inwoners heeft, behouden onder persoonlijke titel die titel en die wedde.
Art. 16. Les magistrats et les greffiers qui, lors de l'entrée en vigueur de la loi du 14 juillet 1951 relative à la classification des tribunaux de première instance et des tribunaux de commerce, portaient un titre ou bénéficiaient d'un traitement attribués dans les juridictions dont le ressort compte au moins 500.000 habitants, conservent ce titre et ce traitement à titre personnel.
Art. 17. Onverminderd de toepassing, indien daartoe grond bestaat, van de bepalingen van de wetten betreffende het personeel van Afrika, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 21 mei 1964, wordt de dienst verricht door een lid van de rechterlijke orde krachtens een benoeming tot een openbaar of daarmee gelijkgesteld ambt in de Onafhankelijke Staat Kongo, in de kolonie Belgisch-Kongo, in het voogdijgebied Ruanda-Urundi, in de Staat Kongo, in Rwanda of Burundi, medegerekend bij de berekening van de periodieke verhogingen.
Art. 17. Sans préjudice, s'il y a lieu, de l'application des dispositions relatives au personnel d'Afrique, coordonnées par l'arrêté royal du 21 mai 1964, les services rendus par tout membre de l'ordre judiciaire en vertu d'une nomination à des fonctions publiques ou assimilées dans l'Etat indépendant du Congo, dans la Colonie du Congo belge, dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi, dans l'Etat du Congo, au Rwanda ou au Burundi, entrent en compte pour le calcul des augmentations périodiques.
Art. 18. Voor de toepassing van de artikelen 365, § 2, 368, 371 en 375 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt eveneens rekening gehouden met de tijd van inschrijving bij de balie in de Onafhankelijke Staat Kongo, in de kolonie Belgisch-Kongo, in het voogdijgebied Ruanda-Urundi, in de Staat Kongo, in Rwanda of Burundi, of met de jaren onderwijs van het recht aan de universiteit van Belgisch-Kongo, van de Staat Kongo, van Rwanda of van Burundi.
Art. 18. Pour l'application des articles 365, § 2, 368, 371 et 375 du Code judiciaire, il sera tenu compte également du temps d'inscription au barreau dans l'Etat indépendant du Congo, dans la colonie du Congo belge, dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi, dans l'Etat du Congo, au Rwanda ou au Burundi, ou des années consacrées à l'enseignement du droit dans une université de la Colonie du Congo belge, de l'Etat du Congo, du Rwanda ou du Burundi.
Art. 19. Voor de toepassing van de artikelen 196, 181 en 185 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt rekening gehouden met de dienst verricht als ambtenaar van de rechterlijke orde in de kolonie Belgisch-Kongo of in het voogdijgebied Ruanda-Urundi.
Art. 19. Pour l'application des articles 169, 181 et 185 du Code judiciaire, il sera tenu compte des services rendus comme agent de l'ordre judiciaire dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi.
Art. 20. Bij afwijking van artikel 363 van het Gerechtelijk Wetboek worden het stelsel ingevoerd bij artikel 4 van de wet van 30 juli 1928, gewijzigd bij artikel 9 van de wet van 13 juli 1930 en bij de besluitwet van 26 januari 1935 en de besluiten van 19 januari 1942 en 31 januari 1945, evenals de maandelijkse uitkering van 100 frank per kind, vervat in de mobiliteitsvergoeding, gehandhaafd voor de magistraten thans in functie die ten minste vijf kinderen hebben of gehad hebben. Deze laatste behouden hun rang.
  Aan de andere kant is de uitkering voor het derde kind steeds gelijk aan de som van de uitkeringen voor de eerste drie gerechtigde kinderen van de ambtenaren van de administratieve orde, en de uitkering vanaf het vierde kind is nooit lager dan de uitkeringen voor de kinderen van dezelfde rang van de in het eerste lid bedoelde magistraten.
Art. 20. Par dérogation à l'article 363 du Code judiciaire, le régime instauré par l'article 4 de la loi du 30 juillet 1928 modifié par l'article 9 de la loi du 13 juillet 1930 et par l'arrêté-loi du 26 janvier 1935 et les arrêtés des 19 janvier 1942 et 31 janvier 1945 ainsi que l'allocation mensuelle de 100 francs par enfant comprise dans l'indemnité de mobilité seront maintenus pour les magistrats actuellement en fonction et ayant ou ayant eu au moins cinq enfants. Ceux-ci conservent leur rang.
  D'autre part l'allocation octroyée au troisième enfant sera toujours égale à la somme des allocations octroyées aux trois premiers enfants bénéficiaires des fonctionnaires de l'ordre administratif et l'allocation octroyée à compter du quatrième enfant ne sera jamais inférieure aux allocations octroyées pour les enfants de même rang des magistrats visés à l'alinéa 1er.
Art. 21. De magistraten en griffiers benoemd vóór 1 juli 1952 voor wie er, krachtens artikel 3 van de wet van 1 juni 1949, rekening werd gehouden met de tijd van de rechtspraktijk, genieten verder dit voordeel.
  Ter interpretatie gelden voor de toepassing van deze bepaling als rechtspraktijk, de uitoefening van het ambt van pleitbezorger, van bestuurlijke ambten van de eerste kategorie en de eervolle uitoefening van gerechtelijke ambten gedurende de bezetting.
  De dienstjaren als boventallig griffier bij een rechtbank van eerste aanleg vóór 1 januari 1946, gelden niet voor de anciënniteitsbijslagen.
Art. 21. Les magistrats et greffiers nommés avant le 1er juillet 1952, pour lesquels, en vertu de l'article 3 de la loi du 1er juin 1949, il a été tenu compte du temps de la pratique du droit continueront à bénéficier de cet avantage.
  A titre interprétatif, vaudra pour l'application de cette disposition comme pratique du droit, l'exercice des fonctions d'avoué, de fonctions administratives de la première catégorie et l'exercice honorable de fonctions judiciaires pendant l'occupation.
  Les années de service en qualité de greffier surnuméraire dans un tribunal de première instance antérieures au 1er janvier 1946 ne comptent pas pour les majorations d'ancienneté.
Art. 22. Voor de toepassing van de artikelen 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 209, 254 en 258 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de inschrijving bij de balie in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi, gelijkgesteld met inschrijving bij de balie in België.
  Voor de toepassing van de artikelen 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 208, 209, 254 en 258 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de uitoefening van een gerechtelijk ambt in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi, gelijkgesteld met de uitoefening van een gerechtelijk ambt in België.
  Voor de toepassing van de artikelen 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 209, 254 en 258 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het onderwijs van het recht aan een universiteit van de kolonie Belgisch-Kongo gelijkgesteld met het onderwijs van het recht aan een universiteit in België.
  Voor de toepassing van de artikelen 191, 192 en 194 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de uitoefening van een juridisch ambt in een dienst van de kolonie Belgisch-Kongo of van de voogdijgebieden Ruanda-Urundi of van een openbaar lichaam dat bestond in die landen voor hun onafhankelijkheid, gelijkgesteld met de uitoefening van een juridisch ambt in België, in een Rijksdienst of in een van de organismen bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
Art. 22. Pour l'application des articles 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 209, 254 et 258 du Code judiciaire, l'inscription au barreau dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi est assimilée à l'inscription au barreau en Belgique.
  Pour l'application des articles 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 208, 209, 254 et 258 du Code judiciaire, l'exercice de fonctions judiciaires dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi est assimilé à l'exercice de fonctions judiciaires en Belgique.
  Pour l'application des articles 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 207, 209, 254 et 258 du Code judiciaire l'enseignement du droit dans une université de la Colonie du Congo belge est assimilé à l'enseignement du droit dans une université en Belgique..
  Pour l'application des articles 191, 192 et 194 du Code judiciaire, l'exercice de fonctions juridiques dans un service de la Colonie du Congo belge ou des territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi ou de l'un des organismes publics existants dans ces pays avant leur accession à l'indépendance est assimilé à l'exercice en Belgique de fonctions juridiques dans un service de l'Etat ou dans l'un des organismes prévus par la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
Art. 22bis. <INGEVOEGD bij W 07-11-1974, art. 1> De diensten verricht bij de administratieve rechtsprekende commissies en de werkrechtersraden welke een benoeming in de magistratuur bij de arbeidsgerechten hebben mogelijk gemaakt, worden, wat betreft benoemingen bij de arbeidsgerechten, gelijkgesteld met diensten gepresteerd in de magistratuur.
Art. 22bis. Les services prestés dans les commissions juridictionnelles administratives et les conseils de prud'hommes, et qui ont rendu possible une nomination au sein de la magistrature près les juridictions du travail sont, en ce qui concerne les nominations dans les juridiction du travail, assimilés aux services prestés dans la magistrature.
Art. 23. Voor de toepassing van de artikelen 263, 264, 267 en 269 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt de uitoefening van de functie van ambtenaar van de rechterlijke orde in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi gelijkgesteld met de uitoefening van het ambt van griffier bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank in België.
  Voor de toepassing van de artikelen 263, 265, 266, 268 en 269 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt met de vereiste stageperiode gelijkgesteld, de uitoefening, gedurende dezelfde tijd, van de functie van ambtenaar van de rechterlijke orde in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi.
Art. 23. Pour l'application des articles 263, 264, 267 et 269 du Code judiciaire, l'exercice des fonctions d'agent de l'ordre judiciaire dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi est assimilé à l'exercice des fonctions de greffier dans une cour, un tribunal, une justice de paix ou un tribunal de police en Belgique.
  Pour l'application des articles 263, 265, 266, 268 et 269 du Code judiciaire est assimilé à la période de stage requise, l'exercice pendant la même durée, de fonctions d'agent de l'Ordre judiciaire dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi.
Art. 24. Voor de toepassing van de artikelen 274, 275, 276, 277, 278 en 279 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de uitoefening van de functie van ambtenaar van de rechterlijke orde in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi gelijkgesteld met de uitoefening van het ambt van adjunct-secretaris of van klerk-secretaris bij een parket in België.
Art. 24. Pour l'application des articles 274, 275, 276, 277, 278 et 279 du Code judiciaire, l'exercice des fonctions d'agent de l'Ordre judiciaire dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi est assimilé à l'exercice des fonctions de secrétaire adjoint ou de commis secrétaire dans un parquet en Belgique.
Art. 25. (Het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsmede het getuigschrift van kandidaat-griffier, bedoeld in de artikelen 263, §§ 1 tot 3, 265, §§ 1 en 2, 267, § 2 en 269, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, en het maturiteitsexamen voorgeschreven bij artikel 269bis van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten voor een plaats van griffier-hoofd van griffie, griffier, klerk-griffier, indien ze, hetzij op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 260 tot 272 van het Gerechtelijk Wetboek het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie, tijdelijke beambte, beambte, eerstaanwezend beambte, opsteller of eerstaanwezend opsteller in een griffie, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.
  Het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, en het maturiteitsexamen, bedoeld in artikel 270 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten voor een plaats van opsteller bij de griffies, die, hetzij vóór 15 februari 1970 het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie, tijdelijk beambte, beambte of eerstaanwezend beambte bij een griffie, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgelegd in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.
  Het getuigschrift van lager middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, en het maturiteitsexamen, bedoeld in artikel 271 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten voor een plaats van beambte bij de griffies, die, hetzij op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie of tijdelijk beambte bij een griffie, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.) <W 26-07-1990, art. 1>
  Bij de berekening van de twaalf jaren dienst als klerk-griffier, opsteller, beambte of bode, vereist voor de benoeming als eerstaanwezend klerkgriffier, eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte of eerstaanwezend bode, kan er rekening gehouden worden met de prestaties van de tijdelijke of hulpbeambten of -boden met volle prestatie, die in dienst zijn op het ogenblik van de bekendmaking van deze wet.
Art. 25. (Le certificat d'études moyennes du degré supérieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi, ainsi que le certificat de candidat greffier, visés aux articles 263, §§ 1er à 3, 265, §§ 1er et 2, 267, § 2, et 269, § 2, du Code judiciaire, et l'examen de maturité prévu à l'article 269bis du Code judiciaire, ne sont pas requis des candidats à une fonction de greffier-chef de greffe, de greffier, de commis-greffier, qui, au moment de l'entrée en vigueur des articles 260 à 272 du Code judiciaire, exerçaient la fonction d'employé auxiliaire à prestations complètes, d'employé temporaire, d'employé, d'employé principal, de rédacteur ou de rédacteur principal dans un greffe, ou qui, au moment de leur entrée en service, ont bénéficié de l'application des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire pour avoir exercé des fonctions équivalentes auprès des conseils de prud'hommes ou d'une commission administration juridictionnelle.
  Le certificat d'études moyennes du degré supérieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi et l'examen de maturité visés à l'article 270 du Code judiciaire, ne sont pas requis des candidats à une fonction de rédacteur dans un greffe, qui exerçaient la fonction d'employé auxiliaire à prestations complètes, d'employé temporaire, d'employé ou d'employé principal dans un greffe avant le 15 février 1970, ou qui, lors de leur entrée en service, ont bénéficié de l'application des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire pour avoir exercé des fonctions équivalentes auprès des conseils de prud'hommes ou d'une commission administrative juridictionnelle.
  Le certificat d'études moyennes du degré inférieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi et l'examen de maturité visés à l'article 271 du Code judiciaire, ne sont pas requis des candidats à une fonction d'employé dans un greffe qui, au moment de l'entrée en vigueur de cette disposition, exerçaient la fonction d'employé auxiliaire à prestations complètes ou d'employé temporaire dans un greffe ou qui, au moment de leur entrée en service, ont bénéficié de l'application des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire pour avoir exercé des fonctions équivalentes auprès des conseils de prud'hommes ou d'une commission administrative juridictionnelle.) <L 26-07-1990, art. 1>
  Dans le calcul des douze années de fonctions de commis-greffier, de rédacteur, d'employé ou de messager exigées pour la nomination en qualité de commis-greffier principal, de rédacteur principal, d'employé principal ou de messager principal, il peut être tenu compte des prestations des employés ou messagers temporaires ou auxiliaires à prestations complètes en fonction lors de la publication de la présente loi.
Art. 26. De adjunct-secretarissen onder persoonlijke titel van de parketten worden, voor de toepassing van de artikelen (274,) 275, 276, 277, 278 en 280 van het Gerechtelijk Wetboek, geacht als hebbende gedurende vijf jaar het ambt van klerk-secretaris vervuld. <W 15-07-1970, art. 54>
  De eerstaanwezende beambten en eerstaanwezende opstellers, in dienst bij het parket op de datum van de inwerkingtreding van voornoemde artikelen, worden voor de toepassing van die artikelen geacht als hebbende gedurende vijf jaar het ambt van klerk-secretaris vervuld.
  De vertalers, opstellers en beambten van de parketten, die houder zijn van het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 277 en 279 van het Gerechtelijk Wetboek, sedert meer dan tien jaar hun ambt uitoefenen, worden, voor de toepassing van die artikelen, geacht gedurende de periode boven tien jaar het ambt van klerk-secretaris te hebben vervuld.
Art. 26. Les secrétaires adjoints à titre personnel des parquets sont, pour l'application des articles (274,) 275, 276, 277, 278 et 280 du Code judiciaire, censés avoir exercé pendant cinq ans les fonctions de commis-secrétaire. <L 15-07-1970, art. 54; En vigueur : 15-02-1970>
  Les employés principaux et les rédacteurs principaux en fonction au parquet à la date d'entrée en vigueur des articles précités sont, pour l'application de ces articles, censés avoir exercé pendant cinq ans les fonctions de commis-secrétaire.
  Les traducteurs, rédacteurs et employés des parquets, porteurs du certificat d'études moyennes du degré supérieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi, et ayant, au moment de l'entrée en vigueur des articles 277 et 279 du Code judiciaire, exercé leurs fonctions pendant plus de dix ans, sont, pour l'application desdits articles, censés avoir exercé les fonctions de commis-secrétaire pendant la période excédant ces dix ans.
Art. 27. (Het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, alsook het getuigschrift van kandidaat-secretaris bedoeld in de artikelen 274, 275 en 280 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten voor een plaats van secretaris of adjunct-secretaris in een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur of van klerk-secretaris in een parket, die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 273 tot 283 van het Gerechtelijk Wetboek hetzij het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie, tijdelijk beambte, opsteller, eerstaanwezend opsteller of adjunct-secretaris onder persoonlijke titel van een parket, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.
  Het getuigschrift van hoger middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs en het maturiteitsexamen bedoeld in artikel 282 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten voor een plaats van opsteller bij een parket indien ze, hetzij op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie, tijdelijk beambte, beambte of eerstaanwezend beambte in een parket, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.
  Het getuigschrift van lager middelbaar of door de Koning gelijkwaardig verklaard onderwijs, en het maturiteitsexamen, bedoeld in artikel 283 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn niet vereist voor de kandidaten van een plaats van beambte bij het parket die, hetzij op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze bepaling het ambt uitoefenden van hulpbeambte met volledige prestatie of tijdelijk beambte in een parket, hetzij bij hun indiensttreding hebben genoten van de overgangsmaatregelen vastgesteld in artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek ingevolge de uitoefening van een gelijkwaardig ambt bij de werkrechtersraden of een administratieve rechtsprekende commissie.) <W 26-07-1990, art. 2>
  Bij de berekening van de twaalf dienstjaren als klerk-secretaris, opsteller, beambte, bode, vereist voor de benoeming tot eerstaanwezend klerk-secretaris, eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte of eerstaanwezend bode kan er rekening gehouden worden met de prestaties van de tijdelijke of hulpbeambten of boden met volledige prestatie die op het ogenblik van de bekendmaking van deze wet in dienst zijn.
Art. 27. (Le certificat d'études moyennes du degré supérieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi et le certificat de candidat secrétaire prévu aux articles 274, 275 et 280 du Code judiciaire, ne sont pas requis des candidats à une place de secrétaire ou de secrétaire adjoint au parquet du procureur du Roi ou d'auditeur du travail ou de commis-secrétaire dans un parquet, qui, au moment de l'entrée en vigueur des articles 273 à 283 du Code judiciaire, exerçaient les fonctions d'employé auxiliaire à prestations complètes, d'employé temporaire, de rédacteur, de rédacteur principal ou de secrétaire adjoint à titre personnel dans un parquet ou qui, lors de leur entrée en service, ont bénéficié des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire par suite de l'exercice d'une fonction similaire dans les conseils de prud'hommes ou dans une commission administrative juridictionnelle.
  Le certificat d'études moyennes du degré supérieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi et l'examen de maturité prévus à l'article 282 du Code judiciaire ne sont pas requis des candidats à une place de rédacteur à un parquet qui, au moment de l'entrée en vigueur de cette disposition, exerçaient les fonctions d'employé auxiliaire à prestations complètes, d'employé temporaire, d'employé ou d'employé principal dans un parquet ou qui, lors de leur entrée en service, ont bénéficié des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire par suite de l'exercice d'une fonction similaire dans les conseils de prud'hommes ou dans une commission administrative juridictionnelle.
  Le certificat d'études moyennes du degré inférieur ou d'études déclarées équivalentes par le Roi et l'examen de maturité prévus à l'article 283 du Code judiciaire ne sont pas requis des candidats à une place d'employé au parquet qui, au moment de l'entrée en vigueur de cette disposition, exerçaient les fonctions d'employé auxiliaire à prestations complètes ou d'employé temporaire dans un parquet ou qui, lors de leur entrée en service, ont bénéficié des dispositions transitoires prévues à l'article 36 du Code judiciaire par suite de l'exercice d'une fonction similaire dans les conseils de prud'hommes ou dans une commission administrative juridictionnelle.) <L 26-07-1990, art. 2>
  Dans le calcul des douze années de fonctions de commis-secrétaire, de rédacteur, d'employé, de messager, exigées pour la nomination en qualité de commis-secrétaire principal, rédacteur principal, employé principal ou de messager principal, il peut être tenu compte des prestations des employés ou messagers temporaires auxiliaires à prestations complètes en fonction lors de la publication de la présente loi.
Art. 28. De dienstjaren van de personeelsleden ter beschikking gesteld van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de politierechtbank, die overgaan naar het parket van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg, worden beschouwd als zijnde verworven op het parket van de procureur des Konings.
  Deze personeelsleden genieten tevens het voordeel van de bepalingen van artikel 27.
  De Koning bepaalt de voorwaarden die zij moeten vervullen om als personeelslid ter beschikking gesteld van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de politierechtbank, te worden beschouwd.
Art. 28. Les années de service des membres du personnel mis à la disposition de l'officier du ministère public près le tribunal de police, qui sont incorporés au personnel du parquet du procureur du Roi près le tribunal de première instance, sont considérées comme ayant été accomplies au parquet du procureur du Roi.
  Ces agents bénéficient aussi des dispositions de l'article 27.
  Le Roi détermine les conditions qui doivent être remplies pour pouvoir être considéré comme membre du personnel mis à la disposition de l'officier du ministère public près le tribunal de police.
Art. 29. De titularissen van hoofdambten, opgeheven bij deze wet, blijven er de titel van dragen en er de wedde en de weddeverhogingen van ontvangen, doch onder persoonlijke titel, tot de dag van het einde van het ambt, bij benoeming tot een ander ambt, door ontslag, inruststelling, afzetting of overlijden.
  Geen benoeming kan de titularis van het opgeheven ambt worden opgelegd, indien het nieuwe ambt niet ten minste van dezelfde rang is en kan uitgeoefend worden in hetzelfde rechtsgebied van het hof van beroep.
Art. 29. Les titulaires de fonctions exercées à titre principal et supprimées par la présente loi continuent à en porter le titre et à en toucher les traitements et les majorations de traitement, mais à titre personnel, jusqu'au jour de la fin des fonctions, par nomination à une autre fonction, par démission, mise à la pension, révocation ou décès.
  Aucune nomination ne peut être imposée au titulaire de la fonction supprimée si la nouvelle fonction n'est d'un rang égal au moins à celle-ci et de nature à être exercée dans le même ressort de la cour d'appel.
Art. 30. Binnen zes maanden na de bekendmaking van deze wet delen de beambten die ter beschikking zijn gesteld van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de politierechtbanken, aan de minister van Justitie mede of zij hun inlijving bij de gerechtelijke diensten van de Staat verkiezen dan wel in dienst wensen te blijven bij de gemeenten die hen tewerkstelt.
  De minister van Justitie kan beslissen dat zij die verkozen hebben bij de gemeente in dienst te blijven, hun ambt bij het parket bij de politierechtbank verder zullen uitoefenen gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar na de inwerkingstelling van deze wet.
  In dit geval betaalt de Staat de bezoldiging van die beambten aan de gemeente terug volgens de modaliteiten bepaald in de artikelen 85 en volgende van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.
Art. 30. Dans les six mois à compter de la publication de la présente loi, les employés mis à la disposition de l'officier du ministère public près les tribunaux de police, font connaître au ministre de la Justice s'ils optent pour leur incorporation dans les services judiciaires de l'Etat ou pour leur maintien au service de la commune qui les emploie.
  Le ministre de la Justice peut décider que ceux qui ont choisi de rester au service de la commune, continueront à exercer leurs fonctions au parquet près le tribunal de police durant une période de cinq ans au maximum à partir de la mise en vigueur de la présente loi.
  En ce cas, l'Etat rembourse à la commune la rémunération de ces employés selon les modalités prévues aux articles 85 et suivants de la loi du 14 février 1961, d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier.
Art. 31. De koninklijke besluiten genomen bij toepassing van artikel 172 van de wet van 18 juni 1869 op de gerechtelijke organisatie en van de artikelen 1, 2, 4 en 5 van de wet van 22 juli 1927 tot wijziging van de wetten op de gerechtelijke organisatie blijven van kracht totdat zij worden vervangen door de koninklijke besluiten genomen tot toepassing van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 31. Les arrêtés royaux pris en application de l'article 172 de la loi du 18 juin 1869 d'organisation judiciaire et des articles 1, 2, 4 et 5 de la loi du 22 juillet 1927 modifiant les lois d'organisation judiciaire restent en vigueur jusqu'au jour où ils sont remplacés par des arrêtés royaux pris en exécution du Code judiciaire.
Art. 32. (§ 1. Binnen zes maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken, benoemt de Koning:
  1° in ieder arbeidshof: de eerste voorzitter, twee kamervoorzitters, één advokaat-generaal en één substituut-generaal, de hoofdgriffier en één griffier;
  2° in ieder arbeidsrechtbank: de voorzitter, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier en de secretaris van het parket.
  § 2. Binnen negen maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken, benoemt de Koning de andere leden van die hoven en rechtbanken.) <W 22-12-1969, art. 5>
  § 3. Binnen negen maanden vóór de inwerkingtreding van deze wet worden kandidaten voorgedragen voor drie plaatsen van raadsheer in het Hof van cassatie, en wordt één advocaat-generaal bij het Hof van cassatie benoemd, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 33 van de overgangsbepalingen.
  (§ 4. De benoemingen bedoeld bij de (§§ 1, 2 en 3) van dit artikel zullen slechts uitwerking hebben vanaf de datum die de Koning bepaalt en ten laatste zesendertig maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek.
  De leden van de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken, benoemd zoals bepaald bij de (§§ 1, 2 en 3) van dit artikel, moeten in afwijking van de voorschriften van artikel 290 van het Gerechtelijk Wetboek, de eed afleggen in de loop van de maand voorafgaande aan de datum gesteld voor hun indiensttreding.) <W 22-12-1969, art. 5> <W 27-03-1970, Enig artikel>
Art. 32. (§ 1er. Dans les six mois de la publication au Moniteur belge de la loi déterminant le cadre du personnel des cours et tribunaux du travail, le Roi nomme:
  1° dans chaque cour du travail: le premier président, deux présidents de chambre, un avocat général et un substitut général, le greffier en chef et un greffier;
  2° dans chaque tribunal du travail: le président, l'auditeur du travail, le greffier en chef et le secrétaire du parquet.
  § 2. Dans les neuf mois de la publication au Moniteur belge de la loi déterminant le cadre du personnel des cours et tribunaux du travail, le Roi nomme les autres membres de ces cours et tribunaux.) <L 22-12-1969, art. 5>
  § 3. Dans les neuf mois qui précèdent la mise en vigueur de la présente loi, il est procédé à la présentation de candidats à trois places de conseiller à la Cour de cassation et à la nomination d'un avocat général près la Cour de cassation, qui remplissent les conditions prévues à l'article 33 des dispositions transitoires.
  (§ 4. Les nominations prévues aux (§§ 1er, 2 et 3) du présent article n'auront d'effet qu'à partir de la date fixée par le Roi et au plus tard trente-six mois après la publication au Moniteur belge de la loi du 10 octobre 1967 contenant le Code judiciaire.
  Par dérogation à l'article 290 du Code judiciaire, les membres des cours et tribunaux du travail, nommés conformément aux dispositions des (§§ 1er, 2 et 3) du présent article, prêtent serment dans le mois précédant la date de leur entrée en fonction.) <L 22-12-1969, art. 5> <L 27-03-1970, art. unique>
Art. 33. Gedurende zeven jaar te rekenen van de bekendmaking van deze wet moet, voor de benoemingen tot het ambt van raadsheer in het Hof van cassatie, van advocaat-generaal bij dat Hof, bedoeld bij artikel 259 van het Gerechtelijk Wetboek, en van eerste voorzitter van een arbeidshof, de kandidaat:
  1° sedert ten minste twintig jaar houder zijn van het diploma van doctor in de rechten;
  2° het bewijs leveren van een voldoende praktijk in het sociaal recht sedert ten minste vijftien jaar;
  3° werkelijk het ambt van werkend of plaatsvervangend voorzitter van een werkrechtersraad van beroep of van een administratieve rechtsprekende commissie van beroep in sociale zaken hebben uitgeoefend, belast zijn met het onderwijs in het sociaal recht aan een Belgische universiteit, of aan een inrichting voor hoger onderwijs gelijkgesteld met een universiteit in België of in Belgisch Kongo, het ambt van secretaris-generaal, directeur-generaal, inspecteur-generaal, bestuursdirecteur of een gelijkwaardig ambt hebben uitgeoefend in het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, van Sociale Voorzorg of van Middenstand of in een openbare instelling die afhangt van die ministeries, of in België, in de kolonie Belgisch Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi gedurende ten minste tien jaar, werkelijk een gerechtelijk ambt of een ambt bij de Raad van State hebben uitgeoefend.
Art. 33. Pendant un délai de sept ans, à compter de la publication de la présente loi, le candidat aux places de conseiller à la Cour de cassation, d'avocat général près cette Cour prévues par l'article 259 du Code judiciaire, et de premier président d'une cour du travail doit:
  1° être porteur du diplôme de docteur en droit depuis vingt ans au moins;
  2° justifier d'une pratique suffisante du droit social depuis quinze ans au moins;
  3° soit avoir exercé effectivement des fonctions de président en qualité de titulaire ou de suppléant d'un conseil de prud'hommes d'appel ou d'une commission administrative juridictionnelle d'appel en matière sociale, soit avoir été chargé d'un enseignement de droit social dans une université belge ou dans un établissement d'enseignement supérieur assimilé à une université en Belgique ou au Congo belge, soit avoir exercé les fonctions de secrétaire général, de directeur général, d'inspecteur général ou de directeur d'administration ou des fonctions équivalentes au ministère de l'Emploi et du Travail, de la Prévoyance sociale ou des Classes moyennes ou dans un organisme public dépendant de ces ministères, soit avoir exercé en Belgique, dans la colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi et pendant dix ans au moins, à titre effectif, des fonctions judiciaires ou des fonctions au Conseil d'Etat.
Art. 34. Gedurende vijf jaar te rekenen van de bekendmaking van deze wet moet, voor de benoemingen tot het ambt van kamervoorzitter of raadsheer in het arbeidshof, advocaat-generaal en substituut-generaal bij het arbeidshof, de kandidaat:
  1° in het bezit zijn van het diploma van doctor in de rechten sedert ten minste vijftien jaar;
  2° het bewijs leveren van een voldoende praktijk in het sociaal recht sedert ten minste tien jaar;
  3° hetzij werkelijk het ambt hebben uitgeoefend van werkend of plaatsvervangend voorzitter van een werkrechtersraad van beroep of van voorzitter, lid, regeringscommissaris of griffier van een administratieve rechtsprekende commissie van beroep in sociale zaken, hetzij belast zijn met het onderwijs in het sociaal recht aan een Belgische universiteit of aan een inrichting voor hoger onderwijs gelijkgesteld met een universiteit, hetzij in België, in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi, gedurende ten minste vijf jaar, hetzij het ambt van secretaris-generaal, directeur-generaal, inspecteur-generaal, bestuursdirecteur of directeur of een gelijkwaardig ambt hebben uitgeoefend bij het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, van Sociale Voorzorg of van Middenstand of bij een openbare instelling die afhangt van die ministeries, hetzij in België, in de kolonie Belgisch Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi en gedurende ten minste vijf jaar, werkelijk een gerechtelijk ambt of een ambt bij de Raad van State hebben uitgeoefend of werkzaam geweest zijn aan de balie.
Art. 34. Pendant un délai de cinq ans, à compter de la publication de la présente loi, le candidat aux fonctions de président de chambre et de conseiller à la cour du travail, d'avocat général et de substitut général près la cour du travail doit:
  1° être porteur du diplôme de docteur en droit depuis quinze ans au moins;
  2° justifier d'une pratique suffisante du droit social depuis dix ans au moins;
  3° soit avoir exercé effectivement, en qualité de titulaire ou de suppléant, les fonctions de président d'un conseil de prud'hommes d'appel ou de président ou de membre d'une commission administrative juridictionnelle d'appel en matière sociale ou de commissaire du gouvernement ou de greffier près une telle commission, soit avoir été chargé d'un enseignement de droit social dans une université belge ou dans un établissement d'enseignement supérieur assimilé à une université en Belgique ou au Congo belge, ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi, soit avoir exercé les fonctions de secrétaire général, de directeur général, d'inspecteur général, de directeur d'administration ou de directeur ou des fonctions équivalentes au ministère de l'Emploi et du Travail, de la Prévoyance sociale ou des Classes moyennes ou dans un organisme public dépendant de ces ministères, soit avoir exercé, en Belgique, dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi, pendant cinq ans au moins à titre effectif, des fonctions judiciaires ou des fonctions au Conseil d'Etat ou suivi le barreau.
Art. 35. Gedurende vijf jaar te rekenen van de bekendmaking van deze wet moet, voor de benoemingen van de ambten van voorzitter, ondervoorzitter en rechter in de arbeidsrechtbank, arbeidsauditeur en substituut-arbeidsauditeur, de kandidaat:
  1° in het bezit zijn van een diploma van doctor in de rechten sedert ten minste vijf jaar;
  2° het bewijs leveren van een voldoende praktijk in het sociaal recht sedert ten minste vijf jaar;
  3° hetzij werkelijk het ambt hebben uitgeoefend van werkend of plaatsvervangend voorzitter van een werkrechtersraad van beroep of van juridisch assessor van een werkrechtersraad of van lid van een werkrechtersraad of van een werkrechtersraad van beroep of het ambt van voorzitter, lid, regeringscommissaris of griffier van een administratieve rechtsprekende commissie van eerste aanleg of van beroep in sociale zaken, hetzij belast zijn met het onderwijs in het sociaal recht aan een Belgische universiteit of in een inrichting voor hoger onderwijs gelijkgesteld met een universiteit in België of in Belgisch Kongo hetzij het ambt van secretaris-generaal, directeur-generaal, inspecteur-generaal, bestuursdirecteur, directeur of een gelijkwaardig ambt hebben uitgeoefend in het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, van Sociale Voorzorg of van Middenstand of in een openbare instelling die afhangt van die ministeries, hetzij in België, in de kolonie Belgisch-Kongo of in de voogdijgebieden Ruanda-Urundi, gedurende ten minste vijf jaar, werkelijk een gerechtelijk ambt of een ambt bij de Raad van State hebben uitgeoefend of werkzaam geweest zijn aan de balie.
Art. 35. Pendant un délai de cinq ans, à compter de la publication de la présente loi, le candidat aux fonctions de président, vice-président et juge au tribunal du travail, d'auditeur du travail et de substitut de l'auditeur du travail, doit:
  1° être porteur du diplôme de docteur en droit depuis cinq ans au moins;
  2° justifier d'une pratique suffisante du droit social depuis cinq ans au moins;
  3° soit avoir exercé effectivement, en qualité de titulaire ou de suppléant, les fonctions de président d'un conseil de prud'hommes d'appel ou d'assesseur juridique d'un conseil de prud'hommes ou de membre d'un conseil de prud'hommes ou d'un conseil de prud'hommes d'appel, ou les fonctions de président ou de membre d'une commission administrative juridictionnelle en matière sociale, de première instance ou d'appel, ou de commissaire du gouvernement ou de greffier près une telle commission, soit avoir été chargé d'un enseignement de droit social dans une université belge ou dans un établissement d'enseignement supérieur assimilé à une université, en Belgique ou au Congo belge, soit avoir exercé les fonctions de secrétaire général, de directeur général, d'inspecteur général, de directeur d'administration ou de directeur ou des fonctions équivalentes au ministère de l'Emploi et du Travail, de la Prévoyance sociale ou des Classes moyennes ou dans un organisme public dépendant de ces ministères, soit avoir en Belgique, dans la Colonie du Congo belge ou dans les territoires sous tutelle du Ruanda-Urundi, exercé pendant cinq ans au moins, à titre effectif, des fonctions judiciaires ou des fonctions au Conseil d'Etat ou suivi le barreau.
Art. 35bis. <INGEVOEGD bij W 22-12-1969, art. 6> Voor de eerste benoemingen in de arbeidsgerechten, en zo nodig bij afwijking van artikel 365 van het Gerechtelijk Wetboek komt bij de berekening van de anciënniteit in aanmerking de duur van de diensten respectievelijk verricht gedurende ten minste vijftien, tien of vijf jaar en die, voor de toepassing van de artikelen 33, 34 en 35 een voldoende praktijk van het sociaal recht uitmaken.
Art. 35bis. Lors des premières nominations dans les juridictions du travail, et pour autant que de besoin, par dérogation à l'article 365 du Code judiciaire, entre en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté la durée des services accomplis respectivement depuis au moins quinze ans, dix ans ou cinq ans et qui constituent, pour l'application des articles 33, 34 et 35, une pratique suffisante du droit social.
Art. 36. Voor de eerste benoemingen tot de ambten van hoofdgriffier, griffier, klerk-griffier, opsteller of beambte bij de griffie van een arbeidshof of een arbeidsrechtbank, van secretaris, adjunct-secretaris, klerk-secretaris, opsteller of beambte bij het arbeidsauditoraat of het arbeidsauditoraat-generaal, en gedurende een termijn van vijf jaar te rekenen van de bekendmaking van deze wet, kan de Koning de kandidaten kiezen onder de personen die gelijkwaardige ambten hebben uitgeoefend bij de griffies van de werkrechtersraden van beroep, de werkrechtersraden of bij administratieve rechtsprekende commissies, en die voldoen aan de vereisten inzake leeftijd gesteld in de artikelen 264 tot 284 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 36. Lors des premières nominations aux fonctions de greffier en chef, greffier, commis-greffier, rédacteur ou employé au greffe d'un tribunal ou d'une cour du travail, de secrétaire, secrétaire adjoint, commis-secrétaire, rédacteur ou employé à l'auditorat du travail ou à l'auditorat général du travail et pendant un délai de cinq ans à compter de la publication de la présente loi, le Roi peut choisir les candidats parmi les personnes qui ont exercé des fonctions équivalentes aux greffes des conseils de prud'hommes d'appel, des conseils de prud'hommes ou des commissions administratives juridictionnelles et qui satisfont aux conditions d'âge prévues par les articles 264 à 284 du Code judiciaire.
Art. 36bis. <INGEVOEGD bij W 22-12-1969, art. 7> Voor de eerste benoeming in de arbeidsgerechten en in afwijking van het laatste lid van § 2 van de artikelen 371 en 375 van het Gerechtelijk Wetboek, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit voor de ambten bepaald in gezegde artikelen, de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in één van de instellingen bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut.
Art. 36bis. Lors des premières nominations dans les juridictions du travail et par dérogation au dernier alinéa du § 2 des articles 371 et 375 du Code judiciaire, entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté relative aux fonctions prévues auxdits articles, les services rendus, à partir de l'âge de 21 ans, dans l'un des organismes prévus par la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
Art. 36ter. <INGEVOEGD bij W 15-07-1970, art. 56> Voor de eerste benoeming tot de ambten van griffier en klerk-griffier, adjunct-secretaris en klerk-secretaris in de arbeidsgerechten, kan van het bepaalde in de artikelen 262 en 273 worden afgeweken, voor zover de aldaar aangewezen overheden nog niet in functie zijn.
Art. 36ter. Lors des premières nominations dans les juridictions du travail aux fonctions de greffier et de commis-greffier, de secrétaire adjoint et de commis-secrétaire, il pourra être dérogé aux dispositions des articles 262 et 273, pour autant que les autorités qui y sont désignées ne sont pas encore en fonction.
Art. 36quater. <INGEVOEGD bij W 07-11-1974, art. 2> 1. Wat de benoemingen betreft in de griffies en de parketten van de arbeidsgerechten, worden de diensten verricht in de administratieve rechtsprekende commissies door hen die met toepassing van artikel 36 van de overgangsbepalingen van de wet van 10 oktober 1967 tot een gelijkwaardig ambt in een arbeidsgerecht zijn benoemd, gelijkgesteld met diensten verricht in een griffie of een parket.
  2. De leden van het personeel van de griffies en parketten bij de arbeidsgerechten, benoemd met toepassing van de overgangsbepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, worden, wat betreft de benoemingen bij de arbeidsgerechten geacht te voldoen aan alle benoemingsvoorwaarden van het ambt waarin zij zijn benoemd.
Art. 36quater. 1. En ce qui concerne les nominations dans les greffes et les parquets des juridictions du travail, les services prestés dans les commissions juridictionnelles administratives par les personnes qui ont été nommées en application de l'article 36 des dispositions transitoires de la loi du 10 octobre 1967 à une fonction équivalente dans une juridiction du travail, sont assimilés aux services prestés dans un greffe ou un parquet.
  2. Les membres du personnel des greffes et des parquets des juridictions du travail nommés en application des dispositions transitoires du Code judiciaire, sont, en ce qui concerne les nominations dans les juridictions du travail, censés satisfaire à toutes les conditions de nominations pour la fonction à laquelle ils ont été nommés.
Art. 37. De artikelen 293 en 300 van het Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing op de leden van hoven, rechtbanken, parketten en griffies, met inbegrip van de rechters- en raadsheren-assessoren in sociale zaken en van de rechters-assessoren in handelszaken, die bij de inwerkingtreding van dit wetboek een openbaar bij verkiezing toegekend mandaat uitoefenen.
Art. 37. Les articles 293 et 300 du Code judiciaire ne sont pas applicables aux membres des cours, tribunaux, parquets et greffes, y compris les juges et conseillers sociaux assesseurs et les juges consulaires assesseurs qui, lors de l'entrée en vigueur dudit code, exercent un mandat public conféré par élection.
Art. 38. De notarissen en de gerechtsdeurwaarders wier territoriale bevoegdheid gewijzigd wordt bij deze wet, kunnen onder persoonlijke titel blijven instrumenteren in de gemeenten van hun ambtsgebied zoals het bestond voor de datum van inwerkingtreding van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 38. Les notaires et les huissiers de justice dont la compétence territoriale est modifiée par la présente loi peuvent, à titre personnel, continuer à instrumenter dans les communes de leur ressort tel qu'il existait avant la date d'entrée en vigueur des dispositions de l'annexe au Code judiciaire.
Art. 39. Bij afwijking van artikel 50 van de wet van 5 juli 1963, tot regeling van het statuut der gerechtsdeurwaarders, en van artikel 510 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de kandidaten voor het ambt van gerechtsdeurwaarder die op 28 september 1963 geen volle vijfentwintig jaar oud waren, maar op die datum voldeden aan de voorwaarden van artikel 10, 2°, 3° en 4°, van het decreet van 14 juni 1813, vrijgesteld van de verplichtingen gesteld bij het Gerechtelijk Wetboek, voor zover zij hun stageboekje en hun bekwaamheidsdiploma binnen drie maanden na de dag van de inwerkingtreding van de overgangsbepalingen bij deze wet, laten bekrachtigen door de procureur des Konings van het arrondissement waar de kamer zetelt die het diploma heeft afgeleverd.
  De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, die betrekking hebben op de benoemingsprocedure, zijn echter op hen van toepassing.
Art. 39. Par dérogation à l'article 50 de la loi du 5 juillet 1963 réglant le statut des huissiers de justice, et à l'article 510 du Code judiciaire, les candidats aux fonctions d'huissiers de justice qui, le 28 septembre 1963 n'avaient pas vingt-cinq ans accomplis, mais remplissaient à cette date les conditions prévues aux 2°, 3° et 4° de l'article 10 du décret du 14 juin 1813, sont dispensés des obligations prescrites par le Code judiciaire pour autant qu'ils fassent, dans les trois mois de la date d'entrée en vigueur des mesures transitoires de la présente loi, homologuer leur carnet de stage et leur diplôme de capacité par le procureur du Roi de l'arrondissement où siège la chambre qui a délivré le diplôme.
  Les dispositions du Code judiciaire relatives à la procédure de nomination leur seront applicables.
Art. 40. Wanneer een magistraat van de gerechtelijke orde die opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen, erin is hersteld en gemachtigd is overeenkomstig artikel 12 van de wet van 30 april 1919 tot vaststelling van maatregelen om de geregelde werken van het gerecht te verzekeren, om op de ranglijsten voorgeschreven door de artikelen 189 en 190 van de wet van 18 juni 1869 de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd, worden de anciënniteitsverhogingen en het bedrag van het pensioen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
  Deze bepaling vindt toepassing op de magistraat die, bij zijn terugkeer in de gerechtelijke orde, benoemd is tot een gelijk of een hoger ambt.
Art. 40. Lorsqu'un magistrat de l'ordre judiciaire, qui, après avoir cessé ses fonctions, y a été réintégré et a été autorisé, conformément à l'article 12 de la loi du 30 avril 1919 contenant des mesures destinées à assurer le fonctionnement régulier de la justice, à reprendre sur les listes de rang prévues aux articles 189 et 190 de la loi du 18 juin 1869 la place qu'il aurait occupée s'il ne les avait pas quittées, les majorations d'ancienneté ainsi que le montant de la pension sont calculés comme si l'intéressé n'avait jamais quitté ses fonctions.
  Cette disposition s'applique au magistrat nommé, à son retour dans l'ordre judiciaire, à des fonctions égales ou supérieures.
Art. 41. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de archieven van de opgeheven gerechten worden toevertrouwd aan de gerechten die hij aanwijst, en die daarvan uitgiften, afschriften en uittreksels kunnen afleveren.
  De Koning bepaalt ook de wijze waarop, vanaf de inwerkingtreding van artikel 11 van de opheffingsbepalingen, de bewaring van industriële tekeningen en modellen zal geschieden.
Art. 41. Le Roi détermine les conditions auxquelles les archives des juridictions supprimées sont confiées aux juridictions qu'il détermine et par lesquelles il peut en être délivré des expéditions, copies ou extraits.
  Le Roi détermine aussi la manière dont sera assurée dès l'entrée en vigueur de l'article 11 des dispositions abrogatoires, la conservation des dessins et modèles industriels
Art. 42. Wanneer, bij de inwerkingtreding van artikel 213 van het Gerechtelijk Wetboek, het getal van de raadsheren in het hof van beroep op plaatsen waarvoor een provincieraad de voordrachten heeft gedaan niet gelijk is aan het getal van de voordrachten waartoe die provincieraad krachtens dat artikel gerechtigd is, kan er onmiddellijk, op voordracht van het hof van beroep en van die provincieraad, voorzien worden in de plaatsen die nodig zijn om dat getal te bereiken. Wordt dat getal door een nieuwe vacature verminderd, dan kan daarin worden voorzien onder dezelfde voorwaarden en zonder inachtneming van de totale bezetting van het hof bepaald in artikel 213 voornoemd.
  Wanneer het getal van de raadsheren in het hof van beroep op plaatsen waarvoor een provincieraad de voordrachten heeft gedaan, hoger is dan het getal van de voordrachten waartoe die provincieraad krachtens artikel 213 voornoemd gerechtigd is, kan die provincieraad slechts voordrachten doen voor een vacante plaats op twee, derwijze dat niet wordt voorgedragen voor de eerste plaats en wel voor de tweede plaats, en zo vervolgens totdat het getal bepaald in artikel 213 weer is bereikt.
Art. 42. Si, lors de l'entrée en vigueur de l'article 213 du Code judiciaire le nombre de conseillers à la cour d'appel occupant les places auxquelles les présentations ont été faites par un conseil provincial n'atteint pas le nombre des présentations à faire par ce conseil provincial en vertu dudit article, il peut être pourvu immédiatement, sur présentation de la cour d'appel et de ce conseil provincial aux places nécessaires pour atteindre ce nombre. Si ce nombre est réduit par une nouvelle vacance, il pourra être pourvu à celle-ci dans les mêmes conditions, sans avoir égard à l'effectif total de la cour prévu à l'article 213 precité.
  Si le nombre de conseillers à la cour d'appel occupant les places auxquelles les présentations ont été faites par un conseil provincial dépasse le nombre des présentations à faire par ce conseil provincial en vertu de l'article 213 précité, ce conseil provincial ne pourra présenter qu'à une place sur deux places devenant vacantes, en ce sens qu'il ne sera pas présenté à la première place qu'il sera presenté à la deuxième place, et ainsi de suite jusqu'à ce que l'on revienne au nombre prévu à l'article 213.
Art. 43. In afwijking van de artikelen 43, 43bis, 43ter en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals zij is gewijzigd door de bepalingen van deze wet, kunnen de houders van een diploma van doctor in de rechten, afgegeven door een Belgische universiteit, tot de aldaar genoemde ambten worden benoemd, indien zij bewijzen voor de inwerkingtreding van bedoelde artikelen geslaagd te zijn voor het examen ingesteld bij de vroegere paragrafen 4 en 9 van artikel 43 van vorengenoemde wet van 15 juni 1935, betreffende de grondige kennis van respectievelijk het Nederlands of het Frans, of indien zij hun diploma van doctor in de rechten behaald hebben onder de voorwaarden bepaald in artikel 60, § 1, van dezelfde wet. Deze kandidaten worden bij hun benoeming gelijkgesteld met de magistraten die de examens van het doctoraat in de rechten hebben afgelegd in het Frans, hetzij in het Nederlands, naar gelang van het geval.
Art. 43. Par dérogation aux articles 43, 43bis43ter et 43quater de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, telle que celle-ci a été modifiée par les dispositions de la présente loi, les titulaires d'un diplôme de docteur en droit, délivré par une université belge, peuvent être nommés aux fonctions qui y sont prévues, s'ils justifient qu'avant la date de l'entrée en vigueur desdits articles, ils avaient réussi l'examen prévu par l'article 43, §§ 4 et 9 anciens, de la loi précitée du 15 juin 1935, portant sur la connaissance approfondie, selon le cas, du français ou du néerlandais, ou s'ils ont obtenu leur diplôme de docteur en droit dans les conditions déterminées à l'article 60, § 1er, de la même loi. Ces candidats sont assimilés, au moment de leur nomination, aux magistrats qui ont subi les épreuves du doctorat en droit, selon le cas, en français ou en néerlandais.
Art. 44. De magistraten die, op de dag van de inwerkingtreding van de artikelen 43, 43bis, 43ter en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals zij is gewijzigd bij de bepalingen van deze wet, hetzij gelijkgesteld zijn met de magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het doctoraat in de rechten in de andere landstaal hebben afgelegd, hetzij hun diploma van doctor in de rechten hebben behaald onder de voorwaarden bepaald in artikel 60, § 1, van de vorengenoemde wet, hetzij geslaagd zijn voor het examen over de grondige of voldoende kennis van de tweede landstaal, worden voor de toepassing van genoemde wet geacht tweetalig te zijn, in de zin van de nieuwe artikelen 43, 43bis, 43ter en 43quater.
  Deze bepaling is mede van toepassing op de later benoemde magistraten die bij hun benoeming het voorwerp zijn van de gelijkstellingsmaatregel overeenkomstig artikel 43 van de overgangsbepalingen van deze wet.
Art. 44. Les magistrats qui, à la date de l'entrée en vigueur des articles 43, 43bis, 43ter et 43quater de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, telle que celle-ci a été modifiée par les dispositions de la présente loi, ont soit été assimilés aux magistrats qui justifient par leur diplôme qu'ils ont subi les examens du doctorat en droit dans l'autre langue nationale, soit obtenu leur diplôme de docteur en droit dans les conditions déterminées à l'article 60, § 1er, de la loi précitée, soit réussi l'examen portant sur la connaissance approfondie ou suffisante de la seconde langue nationale, sont pour l'application de ladite loi considérés comme bilingues, au sens des articles 43, 43bis, 43ter et 43quater nouveaux.
  Cette disposition est pareillement applicable aux magistrats qui sont nommés ultérieurement et font l'objet, au moment de leur nomination, d'une mesure d'assimilation conformément aux dispositions de l'article 43 des dispositions transitoires de la présente loi.
Art. 45. Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van artikel 451 van het Gerechtelijk Wetboek, doen de advokaten ingeschreven op het tableau van de Orde van de balie te Brussel de keuze bedoeld in voormeld artikel; hebben zij na verloop van die tijd hun keuze niet gedaan, dan worden ze door de stafhouder ambtshalve op een van de twee verkiezingslijsten ingeschreven volgens de taal waarin zij de examens van doctor in de rechten hebben afgelegd.
Art. 45. Dans les trois mois qui suivent l'entrée en vigueur de l'article 451 du Code judiciaire, les avocats inscrits au tableau de l'Ordre du barreau de Bruxelles exercent le choix prévu à l'article précité; si, à l'expiration de ce délai, ils n'ont pas fait ce choix, ils sont inscrits d'office par le bâtonnier sur l'une des deux listes électorales, d'après la langue dans laquelle ils ont subi les examens du doctorat en droit.
Art. 46. In afwijking van artikel 516 van het Gerechtelijk Wetboek, mogen de deurwaarders van de belastingen, in dienst op 1 mei 1967, exploten betekenen overeenkomstig de bepalingen van artikel 208 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen en van de besluiten genomen ter uitvoering van gezegd artikel.
  Die bepaling is van toepassing, inzake gemeentebelastingen, op de brengers van dwangbevelen, die op voormelde datum in funktie zijn.
Art. 46. Par dérogation à l'article 516 du Code judiciaire, les huissiers des contributions en fonction le 1er mai 1967, peuvent signifier des exploits conformément aux dispositions de l'article 208 du Code des impôts sur les revenus et aux dispositions des arrêtés pris en exécution dudit article.
  Cette disposition est applicable en matière d'impôts communaux aux porteurs de contraintes, en fonction à la même date.