Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
5 SEPTEMBER 1952. - Wet betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1989 en tekstbijwerking tot 01-07-2010)
Titre
5 SEPTEMBRE 1952. - Loi relative à l'expertise et au commerce des viandes. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1989 et mise à jour au 01-07-2010)
Informations sur le document
Numac: 1952090501
Datum: 1952-09-05
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1952090501
Date: 1952-09-05
Moniteur: Voir
Tekst (42)
Texte (42)
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel.
CHAPITRE Ier. _ Dispositions générales concernant l'expertise et le commerce des viandes de boucherie.
Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1. Slachtdieren : runderen, schapen, geiten, varkens en eenhoevige dieren.
  2. (Openbaar slachthuis : het slachthuis geëxploiteerd door een overheidslichaam of door een vereniging van overheidslichamen.) <W 13-07-1981, art. 12>
  3. (Particulier slachthuis : het slachthuis geëxploiteerd door een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon.) <W 13-07-1981, art. 12>
  4. (slachthuis met geringe capaciteit: het slachthuis waar niet meer dan een door de Koning vastgesteld aantal slachtingen mogen plaats hebben en waarvan het vlees bestemd is voor het binnenland;) <W 1997-05-27/34, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  5. Noodslachtingen : het slachten van verongelukte of zieke dieren, het slachten van dieren die in onmiddellijk doodsgevaar verkeren ofwel een dreigend gevaar opleveren voor personen of goederen.
  Worden gelijkgesteld met in nood geslachte dieren, de dieren die afgemaakt werden, zonder dat de slachtingsaangifte, voorzien bij deze wet, gedaan werd.
  Voor de toepassing van de krachtens deze wet genomen reglementen is de Koning gemachtigd andere gevallen van slachting te bepalen, welke kunnen gelijkgesteld worden met noodslachtingen.
  6. (Vlees : het vlees (het spiervlees), het vet, de witte en rode slachtafval van een slachtdier, alsmede het bloed en de beenderen die niet ontvet en niet volledig van spierresten ontdaan zijn; het voor de dood gekeelde, gevilde; van ingewanden ontdane en voor de vleeshouwerij klaargemaakte dier.) <W 13-07-1981, art. 12>
  7. (opgeheven) <W 1997-05-27/34, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  8. (opgeheven) <W 1997-05-27/34, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
Article 1. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
  1. Animaux de boucherie : les animaux des espèces bovine, ovine, caprine, porcine et les solipèdes.
  2. (Abattoir public : l'abattoir exploité par un pouvoir public ou une association de pouvoirs publics.
  3. Abattoir privé : l'abattoir exploité par une personne physique ou une personne morale de droit privé.) <L 13-07-1981, art. 12>
  4. (abattoir de faible capacité: l'abattoir où il ne peut y avoir un nombre d'abattages supérieur à celui fixé par le Roi et dont les viandes sont destinées au marché national;) <L 1997-05-27/34, art. 2, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  5. Abattage de nécessité : l'abattage des animaux de boucherie accidentés ou malades; l'abattage des animaux qui se trouvent en danger de mort immédiat ou qui présentent un danger imminent pour les personnes et les biens.
  Sont assimilés aux animaux abattus pour cause de nécessité, les animaux qui ont été sacrifiés sans avoir fait l'objet de la déclaration d'abattage prévue par la présente loi.
  Le Roi est autorisé à déterminer d'autres cas d'abattage pouvant être assimilés aux abattages de nécessité pour l'application des règlements pris en vertu de la présente loi.
  6. (Viandes : la viande (la chair musculaire), la graisse et les abats blancs et rouges d'un animal de boucherie, ainsi que le sang et les os qui ne sont pas dégraissés ni complètement débarrassés des fragments musculaires; l'animal jugulé avant la mort, dépouillé, éviscéré et habillé pour la boucherie.) <L 13-07-1981, art. 12>
  7. (abrogé) <L 1997-05-27/34, art. 2, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  8. (abrogé) <L 1997-05-27/34, art. 2, 008; En vigueur : 29-06-1997>
Art. 2. Slachtvlees, afkomstig van dieren die binnen het rijk geslacht zijn, moet gekeurd worden na de slachting. Alleen vlees, afkomstig van door een particulier te zijnen huize geslachte varkens, schapen, geiten, geitjes en lammeren, en uitsluitend bestemd om in de behoeften van zijn huisgezin te voorzien, wordt van deze verplichting ontheven.
  Er mag slechts dan tot de keuring, voorzien in voorgaande lid, overgegaan worden, wanneer het dier onmiddellijk vóór de slachting aan een gezondheidsonderzoek onderworpen is. De Koning bepaalt de gevallen waarin mag afgeweken worden van deze verplichting.
Art. 2. Les viandes de boucherie provenant d'animaux abattus dans le royaume doivent être expertisées après l'abattage. Il n'est fait exception à cette obligation que pour les viandes provenant de porcs, moutons, chèvres, chevreaux, agneaux, abattus par un particulier, à son domicile, pour les besoins exclusifs de son ménage.
  Il ne peut être procédé à l'expertise prévue à l'alinéa précédent que si l'animal a fait l'objet d'un examen sanitaire immédiatement avant l'abattage. Le Roi détermine les cas où il pourra être dérogé à cette prescription.
Art. 3. De keuring moet inzonderheid het bloed en al de organen omvatten.
  De Koning bepaalt de gevallen waarin een aanvullend (laboratoriumonderzoek) vereist is. <W 13-07-1981, art. 13>
  Ten einde voldoende waarborgen te bekomen bij het keuren en de verkoop van in nood geslachte dieren kan hij het vlees, op kosten van de eigenaar, aan een tweede verplichte keuring doen onderwerpen (indien de dieren buiten het slachthuis worden geslacht.) <W 13-07-1981, art. 13>
  (Met het oog op de opsporing van residuen van stoffen met farmacologische werking, kan de keurder beslissen tot het uitsnijden of laten uitsnijden van karkassen. De Koning kan daaromtrent nadere regelen bepalen.) <W 1997-05-27/34, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
Art. 3. L'expertise doit porter notamment sur le sang et tous les organes.
  Le Roi détermine les cas où (une analyse de laboratoire) complémentaire est exigée. <L 13-07-1981, art. 13, 1°>
  Il peut entourer l'expertise et la vente des viandes provenant d'animaux abattus pour cause de nécessité, des garanties qu'il juge suffisantes, notamment soumettre ces viandes à une seconde expertise obligatoire aux frais du propriétaire (si les animaux sont abattus en dehors de l'abattoir.) <L 13-07-1981, art. 13, 2°>
  (En vue de la recherche de résidus dé substances à effet pharmacologique, l'expert peut décider de procéder ou faire procéder à la découpe de carcasses. Le Roi peut fixer des règles plus précises à ce sujet.) <L 1997-05-27/34, art. 3, 008; En vigueur : 29-06-1997>
Art. 4. Hij die een slachtdier wil slachten of doen slachten moet daar vooraf aangifte van doen.
  De eigenaar, houder of hoeder van een gestorven, doodgeboren of in extremis geslacht dier, moet aangifte doen van de dood of van de slachting. De aangifte is niet verplicht voor doodgeboren lammeren, geitjes en biggen.
  De modaliteiten en termijnen van aangifte zullen bij koninklijk besluit vastgesteld worden.
Art. 4. Quiconque veut abattre ou faire abattre un animal de boucherie doit faire, au préalable, la déclaration de cet abattage.
  Le propriétaire, détenteur ou gardien, d'un animal de boucherie mort, mort-né à terme, ou abattu in extremis, doit faire la déclaration de la mort ou de l'abattage. La déclaration n'est pas obligatoire pour les animaux mort-nés des espèces ovine, caprine et porcine.
  Les modalités et délais des déclarations susmentionnées seront déterminés par arrêté royal.
Art. 5. <W 1996-04-29/32, art. 180, 007; Inwerkingtreding : 10-05-1996> § 1. De keuring wordt verricht door dierenartsen, personeelsleden van het (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). <KB 2001-02-22/33, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. Om de ononderbroken uitvoering te waarborgen van de keurings- en controletaken die door of krachtens deze wet aan dierenartsen zijn voorbehouden, kan de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, onder de voorwaarden door de Koning bepaald, een beroep doen op de medewerking van andere dierenartsen.
  § 3. Bij de uitoefening van hun taak kunnen de dierenartsen bedoeld in dit artikel, bijgestaan worden door technische helpers, personeelsleden van het (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen). <KB 2001-02-22/33, art. 11, 013; Inwerkingtreding : onbepaald >
Art. 5. <L 1996-04-29/32, art. 180, 007; En vigueur : 10-05-1996> § 1. L'expertise est effectuée par des médecins vétérinaires membres du personnel de l'(Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire). <AR 2001-02-22/33, art. 11, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 2. En vue de garantir l'exécution continue des missions d'expertise et de contrôle qui sont réservées par ou en vertu de la présente loi à des médecins vétérinaires, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut, dans les conditions fixées par le Roi, faire appel à la collaboration d'autres médecins vétérinaires.
  § 3. Lors de l'exécution de leurs tâches, les médecins vétérinaires visés au présent article, peuvent être assistés par des aides techniques membres du personnel de l'(Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire). <AR 2001-02-22/33, art. 11, 013; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 6. (Ter financiering (van het toezicht en de keuringen door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) kunnen de volgende rechten worden geheven : <KB 2001-02-22/34, art. 2, 014; Inwerkingtreding : onbepaald >
  1° een recht lastens de exploitant van een slachthuis waarvan het bedrag wordt vastgesteld per geslacht dier, desgevallend rekening houdend met het slachtritme en met de vereisten van een kwaliteitsvolle keuring;
  2° een recht, waarvan het bedrag per kilogram wordt vastgesteld, lastens de natuurlijke of de rechtspersoon die vlees of voedingsmiddelen die vlees bevatten in de grensinspectiepost aanbiedt;
  3° een recht lastens de exploitant van een inrichting bedoeld in artikel 14, andere dan een slachthuis, waarvan het bedrag wordt vastgesteld rekening houdend met het gewicht van het binnenkomend product;
  (4° een recht ter financiering van de algemene kosten van het Instituut voor veterinaire keuring, waarvan het bedrag wordt vastgesteld per dier of als een percentage van het recht bedoeld bij 2° en 3°. Dit recht valt ten laste van de personen bedoeld in 1°, 2° en 3°.) <HERSTELD in zijn oude versie door W 2002-08-02/45, art. 79; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
  (Het vorige lid is niet van toepassing op de laboratoriumonderzoeken bedoeld in artikel 3, tweede lid, noch op de onderzoeken waarbij residuen van farmacologische stoffen worden aangetoond waarvan de toediening verboden is. De kosten van die laboratoriumonderzoeken zijn volledig ten laste van de eigenaar van het dier. Voor de laboratoriumonderzoeken waarbij residuen van farmacologische stoffen worden aangetoond waarvan de toediening verboden is, worden de kosten van de onderzoeken verhoogd met een forfaitair bedrag door de Koning bepaald.) <W 1997-05-27/34, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  (De Koning bepaalt, uiterlijk binnen het jaar na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van die rechten, alsmede de wijze van berekening, inning en koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen ervan. Hij bepaalt tevens de modaliteiten van betaling en doorrekening van de rechten, de gevolgen van het laattijdig verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor de facturatie van de rechten, alsmede van de laattijdige betaling ervan.
  Het koninklijk besluit genomen in uitvoering van dit artikel is van rechtswege opgeheven met terugwerkende kracht tot op de dag van zijn inwerkingtreding wanneer het door de wetgever niet werd bekrachtigd binnen het jaar volgend op dat van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  Het koninklijk besluit dat bij wet bekrachtigd is kan niet anders dan bij wet worden gewijzigd.) <W 1998-12-08/42, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1999>
  (derde lid opgeheven) <W 1995-12-20/32, art. 93, 006; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  (vierde lid opgeheven) <W 1995-12-20/32, art. 93, 006; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  (Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de minister bevoegd voor de Volkgezondheid, de uitvoering van de keuring, aangehaald in artikel 2, in het betrokken slachthuis opschorten en de erkenning van de inrichting opschorten vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend.
  De ingebrekestelling herneemt de tekst van de voorgaande alinea.
  De ministeriële beslissingen nemen van rechtswege een einde op de werkdag volgend op die waarop de verschuldigde rechten effectief op de rekening van het (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) werden gecrediteerd.) <W 1994-12-21/31, art. 56, 2°, 005; Inwerkingtreding : 02-01-1995> <KB 2001-02-22/34, art. 2, 014; Inwerkingtreding : onbepaald >
  (Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de erkenning of de registratie van de inrichting opschorten, vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval zijn de bepalingen van het zevende en het achtste lid van dit artikel van toepassing.) <W 2002-08-02/45, art. 80, 016 ; Inwerkingtreding : 29-08-2002>
Art. 6. (Pour le financement (des contrôles et expertises de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire), les droits suivants peuvent être percus : <AR 2001-02-22/34, art. 2, 014; En vigueur : indéterminée >
  1° un droit à charge de l'exploitant d'un abattoir dont le montant est fixé par animal abattu et, le cas échéant, en tenant compte du rythme d'abattage et des impératifs d'une expertise de qualité;
  2° un droit, dont le montant est fixé par kilogramme, à charge de la personne physique ou morale qui présente, au poste d'inspection frontalier, des viandes ou des denrées alimentaires qui contiennent des viandes;
  3° un droit à charge de l'exploitant d'un établissement visé à l'article 14, autre qu'un abattoir, dont le montant est fixé en tenant compte du poids de produits entrés;) <L 1998-12-08/42, art. 2, 012; En vigueur : 10-01-1999>
  4° (un droit pour le financement des frais généraux de l'Institut d'Expertise vétérinaire dont le montant est fixé par animal ou correspond à un pourcentage du droit visé aux 2° et 3°. Ce droit est à charge des personnes visées aux 1°, 2° et 3°.)
  (L'alinéa précédent n'est pas applicable aux analyses de laboratoire visées à l'article 3, alinéa 2, ni aux analyses faisant apparaître des résidus de substances pharmacologiques dont l'administration est interdite. Les frais de ces analyses de laboratoire sont entièrement à charge du propriétaire de l'animal. Pour les analyses de laboratoire faisant apparaître des résidus de substances pharmacologiques dont l'administration est interdite, les frais des analyses sont majorés d'un montant forfaitaire fixé par le Roi.) <L 1997-05-27/34, art. 4, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  (Au plus tard dans l'année qui suit celle de la publication de la présente loi au Moniteur belge, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de ces droits, ainsi que leurs modes de calcul, de perception et de liaison à l'indice des prix à la consommation. Il détermine aussi les modalités de paiement et de répercussion des droits, les conséquences de la fourniture tardive des données nécessaires pour la facturation des droits, ainsi que les conséquences de leur paiement tardif.
  L'arrêté royal pris en exécution du présent article est abrogé de plein droit avec effet rétroactif à la date de son entrée en vigueur lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
  L'arrêté royal confirmé par la loi ne peut être modifié que par une loi.) <L 1998-12-08/42, art. 2, 012; En vigueur : 10-01-1999>
  (alinéa 3 abrogé) <L 1995-12-20/32, art. 93, 006; En vigueur : 02-01-1996>
  (alinéa 4 abrogé) <L 1995-12-20/32, art. 93, 006; En vigueur : 02-01-1996>
  (En cas de non-paiement par l'exploitant d'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'exécution de l'expertise visée à l'article 2 dans l'abattoir concerné et suspendre l'agrément de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste.
  La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent.
  Les décisions ministérielles cessent leurs effets de plein droit le jour ouvrable qui suit celui où les droits dus ont été crédités effectivement au compte de (l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire).) <L 1994-12-21/31, art. 56, 2°, 005; En vigueur : 02-01-1995> <AR 2001-02-22/34, art. 2, 014; En vigueur : indéterminée >
  (En cas de non-paiement par l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'agrément ou l'enregistrement de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste. Dans ce cas, les dispositions des alinéas 7 et 8 du présent article sont applicables.) <L 2002-08-02/45, art. 80, 016; En vigueur : 29-08-2002>
Art. 6bis. <W 1997-05-27/34, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997> In het slachthuis brengt de exploitant het keurmerk aan overeenkomstig de beslissing van de dierenarts-keurder, tijdens zijn aanwezigheid in de inrichting.
  In de andere inrichtingen brengt de exploitant, zo nodig, het identificatiemerkteken aan overeenkomstig de erkenning en de toegelaten bestemming van het vlees of de voedingsmiddelen die vlees bevatten.
  De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot het merken.
Art. 6bis. <L 1997-05-27/34, art. 5, 008; En vigueur : 29-06-1997> Dans l'abattoir, l'exploitant appose la marque de salubrité conformément à la décision du vétérinaire expert et pendant sa présence à l'établissement.
  Dans les autres établissements, l'exploitant appose si nécessaire la marque d'identification, conformément à l'agrément et à la destination autorisée des viandes ou des denrées alimentaires qui contiennent des viandes.
  Le Roi précise les règles relatives au marquage.
Art. 7. (NOTA : Opgeheven door W 13-07-1981, art.24, en hersteld bij <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2001-12-30/30, art. 52, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2002&gt;</span></span>) Ter financiering van het laboratoriumonderzoek voor het opsporen bij slachtdieren van een door de Koning aangewezen overdraagbare ziekte, kan, bij één of meerdere operator(en) die Hij aanwijst een recht worden geïnd waarvan het bedrag, alsmede de wijze van berekening, inning en koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen door Hem, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden bepaald. Hij bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, tevens de nadere regels inzake betaling en doorrekening van het recht, alsmede de nadere regels inzake het verstrekken van een bankgarantie of een waarborg en de gevolgen van het niet of laattijdig betalen van het recht. (...). <W 2004-07-09/30, art. 211, 017; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  De bepalingen van artikel 6, zesde tot achtste lid zijn van toepassing bij niet betaling van de rechten bedoeld in dit artikel.
  Het koninklijk besluit genomen in uitvoering van dit artikel is van rechtswege opgeheven met terugwerkende kracht tot op de dag van zijn inwerkingtreding wanneer het door de wetgever niet werd bekrachtigd binnen het jaar volgend op dat van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 7. (NOTE : Abrogé par L 13-07-1981, art.24, et rétabli par L 2001-12-30/30, art. 52, 015; En vigueur : 01-01-2002>) En vue du financement de l'examen de laboratoire pour la recherche chez les animaux de boucherie d'une maladie transmissible désignée par le Roi, il peut être perçu auprès d'un ou plusieurs opérateur(s) qu'Il désigne, un droit dont le montant, ainsi que le mode de calcul, de perception et de liaison à l'indice des prix à la consommation sont fixés par Lui, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Il détermine également par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités de paiement et de répercussion du droit, de même que les modalités d'octroi d'une garantie bancaire ou d'une caution et les conséquences du non-paiement ou du paiement tardif du droit. (...). <L 2004-07-09/30, art. 211, 017; En vigueur : 25-07-2004>
  L'arrêté royal pris en exécution du présent article est abrogé de plein droit avec effet rétroactif à la date de son entrée en vigueur lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
Art. 8. Het slachtvlees mag niet verkocht, te koop gesteld, gesleten, bewaard of vervoerd worden tenzij het, ingevolge de keuring voorzien in artikel 2, eerste lid, geschikt verklaard werd voor de voeding.(...) <KB 1965-04-15, art. 17>
Art. 8. Les viandes de boucherie ne peuvent être vendues, exposées en vente, débitées, détenues ou transportées que si elles ont été reconnues propres à la consommation à la suite de l'expertise prescrite à l'article 2, alinéa 1er.
  (alinéa 2 abrogé) <AR 1965-04-15, art. 17>
  (alinéa 3 abrogé) <AR 1965-04-15, art. 17>
Art. 9. De eigenaar, houder of hoeder van een gestorven dier mag er zich niet van ontdoen, noch over het vlees beschikken, tenzij om het de (in artikel 33, § 1) omschreven bestemming te geven. <KB 1965-04-15, art. 18>
  De eigenaar, houder of hoeder van een in nood geslacht dier mag er zich niet van ontdoen, noch er over beschikken, tenzij het vlees aan de in artikel 2 voorziene keuring onderworpen werd. Deze moet gedaan worden in de gemeente waar de slachting plaats vond. Indien het vóór de dood gekeeld dier niet gevild werd, mag het vervoer er van naar een (slachthuis) toegelaten worden volgens de voorwaarden te bepalen bij koninklijk besluit. <W 13-07-1981, art. 17>
Art. 9. Le propriétaire, détenteur ou gardien d'un animal mort naturellement ne peut s'en dessaisir ni disposer de la viande qu'en vue de la destination prescrite (à l'article 33, § 1er) <AR 1965-04-15, art. 18>
  Le propriétaire, détenteur ou gardien d'un animal abattu par nécessité ne peut s'en dessaisir ni en disposer que lorsque la viande a été soumise à l'expertise prescrite à l'article 2. Celle-ci doit être pratiquée dans la commune où l'abattage a eu lieu. Si l'animal jugulé avant la mort n'a pas été dépouillé, le transport peut en être autorisé vers un (abattoir) aux conditions qui seront déterminées par arrêté royal. <L 1981-07-13, art. 17>
Art. 10. <W 1997-05-27/34, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997> De Koning kan de invoer van vlees en van voedingsmiddelen die vlees bevatten regelen.
  Bij invoer uit landen die niet tot de Europese Unie behoren is in elk geval een veterinaire controle vereist.
Art. 10. <L 1997-05-27/34, art. 6, 008; En vigueur : 29-06-1997> Le Roi peut réglementer l'importation des viandes et des denrées alimentaires qui contiennent des viandes.
  Lors de l'importation de pays qui n'appartiennent pas à l'Union européenne, un contrôle vétérinaire est en tout cas exige.
Art. 13. De Koning is gemachtigd, in het belang der openbare gezondheid of met het doel bedrog en vervalsing te beletten, de handel, de verkoop, het slijten, het bewaren en het vervoer van slachtvlees (...) te reglementeren en er toezicht op te houden. (...) <KB 1965-04-15, art. 20>
  [1 Om de gezondheid van de consumenten te beschermen kan de Koning de aanwezigheid van residuen van elke stof of van contaminanten in de door Hem bepaalde slachtdieren reglementeren, verbieden en beperken. Hij kan tevens voorwaarden vastleggen om bepaalde categorieën van dieren uit de voedselketen uit te sluiten.]1
  (Onverminderd de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten en de besluiten ter uitvoering ervan, kan Hij eveneens de voedingsmiddelen die vlees bevatten reglementeren.) <W 1997-05-27/34, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  Hij kan eveneens het gebruik verbieden van stoffen, gereedschappen of voorwerpen die schadelijk of gevaarlijk zijn.
  
Art. 13. Le Roi est autorisé, dans l'intérêt de la santé publique ou en vue d'empêcher les tromperies et les falsifications, à réglementer et à surveiller le commerce, la vente, le débit, la détention et le transport des viandes de boucherie.(...) <AR 1965-04-15, art. 20>
  [1 En vue de la protection de la santé des consommateurs, le Roi peut réglementer, interdire et limiter la présence de résidus de toute substance ou de contaminants dans les animaux de boucherie qu'il détermine. Il peut également déterminer des conditions d'exclusion de la chaîne alimentaire de certaines catégories d'animaux.]1
  (Sans préjudice de la loi du 24 janvier 1977 relative à la protection de la santé des consommateurs en ce qui concerne les denrées alimentaires et les autres produits et des arrêtés pris en exécution de celle-ci, Il peut également réglementer les denrées alimentaires qui contiennent des viandes.) <L 1997-05-27/34, art. 8, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  Il peut également interdire l'emploi de matières, ustensiles ou objets nuisibles ou dangereux.
  
Art. 14. De Koning is gemachtigd, om gezondheidsredenen en met het doe bedrog te voorkomen, de inrichting en de exploitatie van (openbare en particuliere slachthuizen), ((...)) vleeshouwerijen, spekslagerijen, vleeswarenfabrieken, koelinrichtingen en in 't algemeen van elke inrichting, bestemd voor de handel in, of de bereiding, de bewerking of de bewaring van vlees en vleeswaren, aan bijzondere voorwaarden te onderwerpen. <W 13-07-1981, art. 18> <KB 1992-01-09/32, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (Leden 2 tot 4 opgeheven) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 14. Le Roi est autorisé, du point de vue sanitaire et en vue de prévenir les fraudes, à subordonner à des conditions spéciales, l'aménagement et l'exploitation des abattoirs (publics et privés), ((...)), des boucheries, des charcuteries, des ateliers de préparation, des frigorifères et en général de tout établissement affecté au commerce, à la préparation, à la fabrication ou à la conservation des viandes et des préparations de viandes. <L 1981-07-13, art. 18> <AR 1992-01-09/32, art. 3, 004; En vigueur : 01-01-1993>
  (Alinéas 2 à 4 abrogés) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 15. De Koning kan, met het oog op de openbare gezondheid, de uitvoer van slachtvlees (en van voedingsmiddelen die vlees bevatten) regelen en de uitvoer verbieden bij niet-naleving der opgelegde voorwaarden. <W 1997-05-27/34, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
Art. 15. Le Roi est autorisé à réglementer, du point de vue sanitaire, l'exportation des viandes de boucherie (et des denrées alimentaires qui contiennent des viandes) et à interdire celle-ci en cas d'inobservation des conditions imposées. <L 1997-05-27/34, art. 9, 008; En vigueur : 29-06-1997>
Art. 18. Door de bepalingen van deze wet wordt geen afbreuk gedaan aan de rechten die de van kracht zijnde wetten aan de gemeenteoverheden toekennen om zich te verzekeren van de conformiteit van de verkoop en van de gaafheid van het vlees en de vleeswaren.
Art. 18. Il n'est en rien préjudicié par les dispositions prévues dans la présente loi aux droits que les lois en vigueur confèrent aux autorités communales en vue de s'assurer de la fidélité du débit et de la salubrité des viandes et des préparations de viandes.
Art. 19. Worden afgeschaft : artikel 1 van de wet van 31 Juli 1889 houdende herziening der gemeentereglementen waarbij de slachthuisrechten vastgesteld worden; de leden 5, 6, 7 en 8 van artikel 1 van de wet van 4 Augustus 1890 betreffende de vervalsing der levensmiddelen; de wet van 30 December 1895 houdende wijziging der bepalingen aangaande de vleeshandel; het laatste lid van artikel 1 van de wet van 18 Juni 1887 houdende instelling van een invoerrecht op het vee en het vlees; de wet van 30 Januari 1892 betreffende de invoer van vers schapenvlees; artikel 2 van de wet van 14 Juli 1919 aangevuld bij die van 1 Juli 1922 betreffende de invoer van vers runds- en varkensvlees.
  Wordt ingetrokken het koninklijk besluit van 14 Augustus 1933 houdende wijziging van het keuringsloon op ingevoerd vlees, getroffen krachtens de wet van 17 Mei 1933 waarbij aan de Regering de bevoegdheid wordt toegekend om haar toe te laten sommige maatregelen te treffen met het oog op het financieel herstel en het verwezenlijken van het begrotingsevenwicht.
Art. 19. Sont abrogés : l'article 1er de la loi du 31 juillet 1889 portant revision des règlements communaux établissant des droits d'abattoir; les alinéas 5, 6, 7 et 8 de l'article 1er de la loi du 4 août 1890 relative à la falsification des denrées alimentaires; la loi du 30 décembre 1895 apportant des modifications aux dispositions qui régissent le commerce des viandes; le dernier alinéa de l'article 1er de la loi du 18 juin 1887 établissant un droit d'entrée sur les bestiaux et les viandes; la loi du 30 janvier 1892 relative à l'importation des viandes fraîches de moutons; l'article 2 de la loi du 14 juillet 1919 complétée par la loi du 1er juillet 1922 concernant l'importation des viandes fraîches de bovidés et de porcs.
  Est rapporté l'arrêté royal du 14 août 1933 portant modification de la taxe pour l'expertise des viandes importées, pris en vertu de la loi du 17 mai 1933 attribuant compétence au Gouvernement pour lui permettre de prendre certaines mesures en vue du redressement financier et de la réalisation de l'équilibre budgétaire.
HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen betreffende de slachthuizen (...).
CHAPITRE II. - Dispositions spéciales concernant les abattoirs (...)
Art. 20. (§ 1. Het slachten van slachtdieren in de openbare en particuliere slachthuizen, met inbegrip van de slachthuizen met geringe capaciteit, is alleen toegestaan in zoverre deze categorieën van inrichtingen voldoen aan de inrichtings- en exploitatievoorwaarden vastgesteld door de Koning.
  (lid geschrapt) <W 1997-05-27/34, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  Geen enkele slachtverrichting is toegestaan in de slachthuizen bij afwezigheid van een keurder, behoudens in geval van noodslachting, en in de slachthuizen met geringe capaciteit onder de voorwaarden door de Koning bepaald.
  (De Koning kan de aanvoer van de dieren in de slachthuizen regelen, alsmede de voorwaarden vaststellen waaronder de noodslachtingen en de particuliere slachtingen in de slachthuizen zijn toegestaan. "
  De Koning kan de voorwaarden en de modaliteiten van een behandeling bepalen waaraan vlees van in nood geslachte dieren onderworpen moet worden ten einde het voor de menselijke consumptie geschikt te verklaren.) <W 1997-05-27/34, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  (§ 2. De Minister die de Volksgezondheid in zijn bevoegdheid heeft, kan aan niet voor export erkende slachthuizen in werking op 1 augustus 1991 en onder de voorwaarden door de Koning bepaald, tijdelijke en beperkte afwijkingen toestaan. Het voordeel van deze afwijkingen mag niet verder reiken dan tot 31 december 1995.) <KB 1992-01-09/32, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 05-02-1992>
  (§ 3. Vanaf 1 januari 1993 is het slachten verboden in de inrichtingen die niet conform zijn aan de inrichtings- en exploitatievoorwaarden bedoeld in § 1.
  Dit verbod geldt eveneens voor de inrichtingen die niet genieten van afwijkingen bedoeld in § 2 of waarvan een dergelijke afwijking is verstreken, zonder dat in beide gevallen aan de voorwaarden van § 1 zou zijn voldaan.) <KB 1992-01-09/32, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 20. (§ 1. L'abattage d'animaux de boucherie dans les abattoirs publics et privés, y compris les abattoirs de faible capacité, n'est autorisé que pour autant que ces catégories d'établissements répondent aux conditions d'installation et d'exploitation fixées par le Roi.
  (alinéa abrogé) <L 1997-05-27/34, art. 13, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  Aucune opération d'abattage n'est admise dans les abattoirs en l'absence d'un expert, sauf dans les cas d'abattage de nécessité, et dans les abattoirs de faible capacité aux conditions fixées par le Roi.
  (Le Roi peut régler l'apport des animaux dans les abattoirs, ainsi que fixer les conditions dans lesquelles les abattages de nécessité et les abattages privés sont autorisés dans les abattoirs.
  Le Roi peut fixer les conditions et les modalités d'un traitement auxquelles les viandes d'animaux abattus pour cause de nécessité doivent être soumises en vue d'être déclarées propres à la consommation humaine.) <L 1997-05-27/34, art. 13, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  (§ 2. Le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut accorder aux abattoirs non agréés pour l'exportation et en activité le 1er août 1991, dans les conditions fixées par le Roi, des dérogations temporaires et limitées. Le bénéfice de ces dérogations ne peut s'étendre au-delà du 31 décembre 1995 au plus tard.) <AR 1992-01-09/32, art. 2, 004; En vigueur : 05-02-1992>
  (§ 3. A partir du 1er janvier 1993, l'abattage est interdit dans les établissements qui ne sont pas en conformité avec les conditions d'installation et d'exploitation des abattoirs visés au § 1er.
  Cette interdiction s'applique également aux établissements qui ne bénéficient pas des dérogations visées au § 2 ou pour lesquels une telle dérogation est arrivée à expiration, sans que dans ces deux cas les conditions visées au § 1er soient rencontrées.) <AR 1992-01-09/32, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-1993>
Art. 21. (opgeheven) <W 13-07-1981, art. 24>
Art. 21. (abrogé) <L 1981-07-13, art. 24>
Art. 23. De bovenstaande bepalingen zijn onafhankelijk van die, toepasselijk op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijk geachte inrichtingen.
Art. 23. Les dispositions qui précèdent sont indépendantes de celles qui régissent les établissements réputés dangereux, insalubres ou incommodes.
Art. 23bis. [§ 1. Behoudens de noodslachtingen, is het slachten in de slachthuizen verboden :
  1° [alle dagen tussen 20 uur en 5 uur;] <W 2005-12-23/31, art. 75, 018; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  2° de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.
  De Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, kan evenwel aan bepaalde slachthuizen afwijkingen toestaan om rekening te houden met lokale omstandigheden, voor rituele slachtingen, voor bijzondere slachtprocessen, voor slachtingen in het kader van de dierengezondheidswetgeving of, wat 2° betreft, om de geregelde bevoorrading te waarborgen.] <W 1997-05-27/34, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
  § 2. [1 Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van het Sociaal Strafwetboek.]1
  
Art. 23bis. [§ 1er A l'exception des abattages de nécessité, l'abattage est interdit dans les abattoirs:
  1° [tous les jours entre 20 heures et 5 heures;] <L 2005-12-23/31, art. 75, 018; En vigueur : 09-01-2006>
  2° les samedis, les dimanches et les jours fériés légaux.
  Toutefois, le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions peut accorder à certains abattoirs des dérogations pour tenir compte de circonstances locales, pour des abattages rituels, des processus spécifiques d'abattages, des abattages dans le cadre de la législation relative à la santé des animaux ou, en ce qui concerne le 2°, pour assurer l'approvisionnement régulier.] <L 1997-05-27/34, art. 14, 008; En vigueur : 29-06-1997>
  § 2. [1 Ces fonctionnaires exercent cette surveillance conformément aux dispositions du Code pénal social.]1
  
Art. 24. <W 1997-05-27/34, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997> Het slachten buiten de slachthuizen is verboden, behoudens indien het dier niet onderworpen is aan de keuring die krachtens artikel 2 van deze wet is opgelegd of indien een wettelijke of reglementaire bepaling het slachten op rituele wijze buiten een slachthuis toestaat.
  Dieren die niet levend in het slachthuis worden binnengebracht mogen slechts voor menselijke consumptie geschikt worden verklaard indien door een dierenarts een vervoerdocument werd afgeleverd waarin hij verklaart een gezondheidsonderzoek voor de keling te hebben uitgevoerd en waarop de aanduidingen voorkomen die vereist zijn voor de keuring in het slachthuis.
Art. 24. <L 1997-05-27/34, art. 15, 008; En vigueur : 29-06-1997> L'abattage en dehors des abattoirs est interdit sauf dans le cas où l'animal n'est pas obligatoirement soumis à l'expertise en vertu de l'article 2 de la présente loi ou si une disposition légale ou réglementaire autorise l'abattage selon un rite religieux en dehors d'un abattoir.
  Des animaux qui ne sont pas vivants au moment de leur arrivée à l'abattoir ne peuvent être déclarés propres à la consommation humaine qu'à condition qu'un document de transport ait été délivré par un médecin vétérinaire dans lequel il déclare avoir fait un examen sanitaire avant la jugulation et donne les indications requises pour l'expertise à l'abattoir.
Art. 25. (opgeheven) <W 13-07-1981, art. 24>
Art. 25. (abrogé) <L 13-07-1981, art. 24>
Art. 26. (opgeheven) <W 13-07-1981, art. 24>
Art. 26. (abrogé) <L 13-07-1981, art. 24>
HOOFDSTUK III. - Strafbepalingen.
CHAPITRE III. _ Dispositions pénales.
Art. 27. <W 1965-04-15, art. 21> Wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van zesentwintig tot driehonderd frank, of met één van die straffen alleen, hij die, zonder bedrieglijk opzet, bedorven, ontaard, schadelijk of door een reglement van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur schadelijk verklaard vlees of vleeswaren verkoopt, afzet, te koop stelt of aanbiedt of overdraagt onder niet bezwarende titel.
Art. 27. <L 1965-04-15, art. 21> Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de vingt-six francs à trois cents francs ou de l'une de ces peines seulement, celui qui, sans intention frauduleuse, vend, débite, expose ou offre en vente ou cède à titre gratuit des viandes, ou des viandes préparées qui sont gâtées, corrompues, nuisibles ou qui sont déclarées nuisibles par un règlement d'administration générale, provinciale ou communale.
Art. 28. <W 1965-04-15, art. 21> Wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van zesentwintig tot duizend frank of met één van die straffen alleen :
  "1° hij die buiten de gevallen bepaald door de artikelen 2, eerste lid, 8, 9, 20 tot 26, en door besluiten tot uitvoering van deze bepalingen, vlees of vleeswaren invoert, uitvoert, vervoert, tot handelsdoeleinden voorhanden houdt, bewaart, te koop stelt of aanbiedt, verkoopt, overdraagt onder al dan niet bezwarende titel, verdeelt of afzet, zonder zich te schikken naar de bepalingen van deze wet en van de besluiten tot uitvoering van deze wet;
  2° hij die slachtdieren slacht, zonder zich te schikken naar de bepalingen van de artikelen 20 tot 26 van deze wet en van de besluiten tot uitvoering van die bepalingen.
  (3° hij die de maatregelen overtreedt die zijn opgelegd in het raam van een verhoogd veterinair toezicht ter uitvoering van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.) <KB 2001-02-22/33, art. 11, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 28. <L 1965-04-15, art. 21> Est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de vingt-six francs à mille francs ou de l'une de ces peines seulement :
  1° celui qui hormis les cas visés par les articles 2, alinéa 1er, 8, 9, 20 à 26, et par les arrêtés pris en exécution de ces dispositions importe, exporte, transporte, détient à des fins commerciales, conserve, expose ou offre en vente, vend, cède à titre onéreux ou gratuit, distribue ou débite des viandes ou des viandes préparées sans s'être conformé aux dispositions de la présente loi et des arrêtés pris en exécution de celle-ci;
  2° celui qui procède à l'abattage des animaux de boucherie, sans s'être conformé aux dispositions des articles 20 à 26 de la présente loi, et des arrêtés pris en exécution de ces dispositions.
  (3° celui qui enfreint les mesures imposées dans le cadre d'un contrôle vétérinaire renforcé en exécution de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales.) <AR 2001-02-22/33, art. 11, 013; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 29. <W 1965-04-15, art. 21> Wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot een jaar met een geldboete van honderd tot vijfduizend frank of met één van die straffen alleen :
  1° hij die in enigerlei hoedanigheid voor consumptie door de mens bestemd vlees in de handel brengt dat na de slachting niet werd gekeurd;
  2° hij die te koop stelt of aanbiedt, verkoopt, afzet, voorhanden houdt of vervoert voor consumptie door de mens bestemd vlees, dat voor de consumptie ongeschikt werd bevonden ingevolge de in artikel 2, eerste lid opgelegde keuring;
  3° hij die slachtdieren of ervan voortkomend vlees, bestemd voor consumptie door de mens in de handel brengt of onder niet bezwarende titel overdraagt, wanneer die dieren een natuurlijke dood gestorven zijn;
  4° onverminderd de toepassing van de bij artikel 184 van het Strafwetboek gestelde straffen, hij die, zonder daartoe wettelijke bevoegdheid te bezitten een van overheidswege voorgeschreven keurmerk voorhanden houdt of gebruikt of hij die een nagemaakt keurmerk voorhanden houdt.
  (5° hij die vlees of voedingsmiddelen die vlees bevatten voorhanden houdt of verhandelt waarvan hij weet of moet weten dat zij bedorven, ontaard, schadelijk of schadelijk verklaard zijn;
  6° hij die vlees of voedingsmiddelen die vlees bevatten voorhanden houdt of verhandelt terwijl hij weet of moet weten dat :
  - deze activiteiten wegens de beperkingen die voortvloeien uit het keurmerk of het identificatiemerkteken niet zijn toegestaan;
  - het veterinair certificaat onjuiste vermeldingen bevat.) <W 1998-11-17/37, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 29. <L 1965-04-15, art. 21> Est puni d'un emprisonnement d'un mois à un an et d'une amende de cent francs à cinq mille francs ou de l'une de ces peines seulement :
  1° celui qui introduit dans le commerce à quelque titre que ce soit, des viandes destinées à la consommation humaine, qui n'ont pas été expertisées après l'abattage;
  2° celui qui expose ou offre en vente, vend, débite, détient ou transporte des viandes destinées à la consommation humaine qui ont été reconnues impropres à cette consommation à la suite de l'expertise prescrite à l'article 2, alinéa 1er;
  3° celui qui introduit dans le commerce ou cède à titre gratuit des animaux de boucherie ou des viandes en provenant, destinés à la consommation humaine, alors que ces animaux sont morts naturellement;
  4° sans préjudice de l'application des peines comminées par l'article 184 du Code pénal, celui qui, non légalement habilité, détient ou fait usage d'une marque d'expertise prescrite par l'autorité ou celui qui détient une marque contrefaite.
  (5° celui qui détient ou commercialise des viandes ou des denrées alimentaires qui contiennent des viandes, alors qu'il sait ou devrait savoir qu'elles sont gâtées, corrompues, nuisibles ou déclarées nuisibles;
  6° celui qui détient ou commercialise des viandes ou des denrées alimentaires qui contiennent des viandes, alors qu'il sait ou devrait savoir que :
  - ces activités ne sont pas autorisées en raison des restrictions découlant de la marque d'expertise ou d'identification;
  - le certificat vétérinaire comporte des mentions inexactes.) <L 1998-11-17/37, art. 4, 011; En vigueur : 01-01-1999>
Art. 30. <W 1965-04-15, art. 21> De overtreding van artikel 23bis wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van vijftig tot vijfhonderd frank of met één van die straffen alleen.
  De rechtbank kan bovendien de sluiting van de inrichting bevelen voor een termijn van acht dagen tot een maand.
Art. 30. <L 1965-04-15, art. 21> L'infraction à l'article 23bis est punie d'une peine de huit jours à un an d'emprisonnement et d'une amende de cinquante francs à cinq cents francs ou d'une de ces peines seulement.
  En outre, le tribunal peut ordonner la fermeture de l'établissement pour une période de huit jours à un mois.
Art. 31. <W 1965-04-15, art. 21> Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met geldboete van zesentwintig frank tot tweehonderd frank, of met één van die straffen alleen, hij die niet toestemt in of zich verzet tegen de bezoeken, de inspecties of de monsternemingen verricht door de ambtenaren die gemachtigd zijn om overtredingen van deze wet en van de bij de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten, op te sporen en vast te stellen.
  Verzet tegen het toezicht op de toepassing van artikel 23bis wordt echter gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van tweehonderd tot vijfhonderd frank of met één van die straffen alleen.
Art. 31. <L 1965-04-15, art. 21> Sans préjudice de l'application des peines comminées par les articles 269 à 274 du Code pénal, est puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de vingt-six francs à deux cents francs ou de l'une de ces peines seulement, celui qui se refuse ou s'oppose aux visites, aux inspections ou à la prise d'échantillons par les agents habilités à rechercher et à constater les infractions à la présente loi et aux arrêtés pris en exécution de celle-ci.
  L'opposition à la surveillance de l'application de l'article 23bis est toutefois punie d'une peine d'emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de deux cents francs à cinq cents francs ou d'une de ces peines seulement.
Art. 32. <W 1965-04-15, art. 21> In geval van een in de artikelen 28, 29, 30 en 31, tweede lid, bedoelde overtredingen, kan de rechter bevelen dat het vonnis, op door hem aangewezen plaatsen en volgens door hem bepaalde regelen, wordt aangeplakt en in door hem aangewezen dagbladen in zijn geheel of bij uittreksel wordt ingelast, een en ander op kosten van de veroordeelde.
  In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling wegens een misdrijf omschreven bij deze wet of bij de besluiten tot uitvoering van deze wet kan de straf verdubbeld worden. Bovendien kan de rechter, ten laste van de veroordeelde, het tijdelijk of definitief verbod uitspreken een van de in de bepalingen van deze wet genoemde bedrijvigheden uit te oefenen. De overtreding van dit verbod wordt met gevangenisstraf van één tot zes maanden gestraft.
  In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling wegens een in artikel 30 of 31, tweede lid, bedoeld misdrijf, wordt de geldboete verdubbeld, de gevangenisstraf wordt steeds uitgesproken, de sluiting van de inrichting wordt voor een duur van vijftien dagen tot twee maanden bevolen en de rechtbank kan de definitieve sluiting van de inrichting bevelen.
  (In geval van veroordeling wegens een overtreding bedoeld in artikel 29, 1°, 4°, 5° of 6°, kan de rechter de veroordeelde het verbod opleggen om rechtstreeks of onrechtstreeks één of meer van de in deze wet bedoelde activiteiten uit te oefenen gedurende een periode van een week tot drie maanden. Overtreding van dit verbod wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
  In geval van herhaling binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens een overtreding bedoeld in artikel 29, 1°, 4°, 5° of 6°, worden de straffen verdubbeld en spreekt de rechter steeds een verbod uit van minstens een maand om één of meer van de in deze wet bedoelde activiteiten uit te oefenen.) <W 1998-11-17/37, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 32. <L 1965-04-15, art. 21> En cas d'infractions visées aux articles 28, 29, 30 et 31, alinéa 2, le juge peut ordonner que le jugement soit affiché dans les lieux et suivant les modalités qu'il désigne et inséré en entier ou par extrait, dans les journaux qu'il indique, le tout au frais du condamné.
  En cas de récidive dans un délai de trois ans après une condamnation du chef d'une infraction à la présente loi et aux arrêtés pris en exécution de celle-ci, la peine peut être élevée au double. En outre, le juge peut prononcer à charge du condamné l'interdiction temporaire ou définitive du droit d'exercer une activité visée par les dispositions de la présente loi. L'infraction à cette défense est punie d'un emprisonnement d'un mois à six mois.
  En cas de récidive dans un délai de trois ans après une condamnation du chef d'une infraction visée à l'article 30 ou 31, alinéa 2, l'amende est portée au double, la peine d'emprisonnement est toujours prononcée, la fermeture de l'établissement est ordonnée pour une durée de quinze jours à deux mois et le tribunal peut ordonner la fermeture définitive de l'établissement.
  (En cas de condamnation du chef d'une infraction visée à l'article 29, 1°, 4°, 5° ou 6°, le juge peut interdire au condamné d'exercer directement ou indirectement une ou plusieurs des activités visées par la présente loi durant une période d'une semaine à trois mois. Toute infraction à cette interdiction sera punie d'un emprisonnement d'un mois à un an.
  En cas de récidive dans le délai de cinq ans après une condamnation du chef d'une infraction visée à l'article 29, 1°, 4°, 5° ou 6°, les peines sont portées au double et le juge prononce toujours une interdiction d'au moins un mois d'exercer une ou plusieurs des activités visées par la présente loi.) <L 1998-11-17/37, art. 5, 011; En vigueur : 01-01-1999>
Art. 33. <W 1965-04-15, art. 21>
  § 1. Vlees dat voor consumptie door de mens ongeschikt werd bevonden of verklaard, wordt gedenatureerd; het wordt verzonden naar het vildersbedrijf dat erkend is door de Minister van Landbouw.
  Het vervoer ervan mag alleen geschieden door het personeel van het vildersbedrijf. In uitzonderlijke gevallen kan van de bepalingen van § 1 van dit artikel worden afgeweken behoudens de waarborgen die door de Koning worden bepaald.
  § 2. (...) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 3. (...) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 4. (...) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 5. (...) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 6. (...) <KB 2001-02-22/33, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 7. (Vlees en voedingsmiddelen die vlees bevatten waarvan bij invoer wordt vastgesteld dat zij niet in overeenstemming zijn met de reglementaire bepalingen inzake invoer of die voor consumptie door de mens ongeschikt worden bevonden, worden teruggezonden.
  Indien het terugzenden niet mogelijk is, worden het vlees en de voedingsmiddelen die vlees bevatten voor consumptie door de mens onbruikbaar gemaakt overeenkomstig § 1.
  § 8. Het onbruikbaar maken voor de menselijke consumptie en het vernietigen van vlees of voedingsmiddelen die vlees bevatten worden uitgevoerd op kosten van de eigenaar.) <W 1997-05-27/34, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 29-06-1997>
Art. 33. <L 1965-04-15, art. 21>
  § 1er. Les viandes reconnues ou déclarées impropres à la consommation humaine sont dénaturées; elles sont remises au clos d'équarrissage agréé par le Ministre de l'Agriculture.
  Le transport n'en est autorisé que par les préposés au clos. Dans des cas exceptionnels, il peut être dérogé aux prescriptions de l'alinéa 1er du présent article, moyennant les garanties qui sont déterminées par le Roi.
  § 2. (...) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 3. (...) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 4. (...) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 5. (...) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 6. (...) <AR 2001-02-22/33, art. 25, 013; En vigueur : 01-01-2003>
  § 7. (Les viandes et les denrées alimentaires qui contiennent des viandes dont il est constaté lors de l'importation qu'elles ne sont pas conformes aux dispositions réglementaires relatives à l'importation ou qui sont reconnues impropres à la consommation humaine, sont refoulées.
  S'il ne peut être procédé au refoulement, les viandes et les denrées alimentaires qui contiennent des viandes sont mises hors d'usage pour la consommation humaine conformément au §1er.
  § 8. La mise hors d'usage pour la consommation humaine et la destruction des viandes ou des denrées alimentaires qui contiennent des viandes sont effectuées aux frais du propriétaire.) <L 1997-05-27/34, art. 17, 008; En vigueur : 29-06-1997>
Art. 34. <W 1998-02-13/32, art. 88, 010; Inwerkingtreding : 01-03-1998> § 1. Onverminderd het bepaalde in § 2 zijn alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, toepasselijk op de misdrijven omschreven bij de artikelen 27, 28, 29 en 31.
  § 2. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op het bij artikel 30 van deze wet bepaalde misdrijf. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op het in artikel 30 van deze wet bepaalde misdrijf zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij artikel 30 bepaalde minimumbedrag.
Art. 34. <L 1998-02-13/32, art. 88, 010; En vigueur : 01-03-1998> § 1er. Sans préjudice des dispositions du § 2, toutes les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions visées aux articles 27, 28, 29 et 31.
  § 2. Toutes les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII, sont applicables à l'infraction visée à l'article 30 de la présente loi. L'article 85 du Code précité est applicable à l'infraction visée à l'article 30 de la présente loi sans que le montant de l'amende puisse être inférieur à 40 % du montant minimum visé à l'article 30.