Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
23 AUGUSTUS 1948. - Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de [afdeling bestuursrechtspraak] van de Raad van State. <Opschrift gewijzigd door KB2007-04-25/32, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-08-2000 en tekstbijwerking tot 21-01-2026)
Titre
23 AOUT 1948. - Arrêté du Régent déterminant la procédure devant la [section du contentieux administratif] du Conseil d'Etat. <Intitulé modifié par AR2007-04-25/32, art. 1, 007; En vigueur : 01-06-2007> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-08-2000 et mise à jour au 21-01-2026)
Informations sur le document
Numac: 1948082309
Datum: 1948-08-23
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1948082309
Date: 1948-08-23
Moniteur: Voir
Tekst (157)
Texte (157)
PROCEDURE-REGELING.
REGLEMENT DE PROCEDURE.
TITEL I. - VERZOEKSCHRIFT EN ONDERZOEK.
TITRE I. - DE LA REQUETE ET DE L'INSTRUCTION.
Hoofdstuk I. - Het verzoekschrift.
Chapitre I. - De la requête.
Sectie I. - Het indienen van het verzoekschrift.
Section 1. - De la présentation de la requête.
Artikel 1. <KB 2007-04-25/32, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De zaak wordt bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, [1 vierde lid]1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hierna " gecoördineerde wetten " genoemd.
  
Article 1. <AR 2007-04-25/32, art. 2, 007; En vigueur : 01-06-2007> La section du contentieux administratif du Conseil d'Etat est saisie par une requête signée par la partie ou par un avocat satisfaisant aux conditions que fixe l'article 19, [1 alinéa 4]1, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, ci-après dénommées " lois coordonnées ".
  
Art. 2. <KB 2007-04-25/32, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
  1° het opschrift " verzoekschrift tot nietigverklaring " in de gevallen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten, als het niet eveneens een vordering tot schorsing bevat;
  2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij en overeenkomstig artikel 84, § 2, eerste lid, de gekozen woonplaats;
  3° het voorwerp van de eis, aanvraag of beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen;
  4° de naam en het adres van de verwerende partij.
  [1 Het middel bestaat uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending aangevoerd wordt en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn.
   Als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is, bevat het verzoekschrift een samenvatting van de aangevoerde grief. De ontstentenis van de samenvatting van de grief kan niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het middel.
   De bewoording van het middel en, in voorkomend geval, de samenvatting van de grief worden ongewijzigd overgenomen in het verslag van de auditeur en in het arrest.]1

  § 2. Het verzoekschrift bevat bovendien :
  A. In het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten, één van de volgende vermeldingen, in de opgegeven volgorde :
  1° het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
  2° de taalrol waartoe hij behoort;
  3° de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd;
  4° de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen;
  B. In het geval bedoeld in artikel 55 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van het taalstatuut van de verzoekende magistraat;
  C. In het geval bedoeld in artikel 56 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van de taal waarvan de verzoekende officier een grondige kennis bezit;
  D. In het geval bedoeld in artikel 57 van de gecoördineerde wetten, de taal van het diploma of getuigschrift dat de verzoeker heeft overgelegd met het oog op zijn aanvaarding als aspirant-hulpofficier of aspirant-hulponderofficier van de luchtmacht;
  E. In het geval bedoeld in artikel 58 van de gecoördineerde wetten, de taal waarin de verzoeker de opleidingscyclus heeft gevolgd die voorafging aan zijn benoeming tot de graad van reserve-onderluitenant bij de strijdkrachten;
  F. In het geval bedoeld in artikel 59 van de gecoördineerde wetten, de taal waarvan de verzoekende onderofficier de werkelijke kennis bezit.
  
Art. 2. <AR 2007-04-25/32, art. 3, 007; En vigueur : 01-06-2007> § 1er. La requête est datée et contient :
  1° l'intitulé " requête en annulation " dans les cas prévus à l'article 14, §§ 1er et 3, des lois coordonnées, si celle-ci ne contient pas en outre une demande de suspension;
  2° les nom, qualité et domicile ou siège de la partie requérante ainsi que le domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er;
  3° l'objet de la demande ou du recours et un exposé des faits et des moyens;
  4° les nom et adresse de la partie adverse.
  [1 Le moyen consiste en l'indication de la règle de droit dont la violation est invoquée et de la manière dont elle aurait été concrètement enfreinte.
   Si le moyen nécessite des développements, la requête comprend un résumé du grief allégué. L'absence de résumé du grief ne peut conduire à l'irrecevabilité du moyen.
   L' énoncé du moyen et, le cas échéant, le résumé du grief sont reproduits tels quels dans le rapport de l'auditeur et dans l'arrêt.]1

  § 2. La requête contient en plus :
  A. Dans le cas prévu à l'article 54 des lois coordonnées, une des indications ci-après, par ordre de priorité :
  1° la région unilingue dans laquelle le fonctionnaire exerce ses fonctions;
  2° le rôle linguistique auquel il appartient;
  3° la langue dans laquelle il a présenté son épreuve d'admission;
  4° la langue du diplôme ou du certificat qu'il a dû produire en vue de sa nomination.
  B. Dans le cas prévu à l'article 55 des lois coordonnées, l'indication du statut linguistique du magistrat requérant.
  C. Dans le cas prévu à l'article 56 des lois coordonnées, l'indication de la langue dont l'officier requérant possède la connaissance approfondie.
  D. Dans le cas prévu à l'article 57 des lois coordonnées, la langue du diplôme ou du certificat que le requérant a produit en vue de son admission en qualité de candidat officier auxiliaire ou de candidat sous-officier auxiliaire de la force aérienne.
  E. Dans le cas prévu à l'article 58 des lois coordonnées, la langue dans laquelle le requérant a suivi le cycle de formation préalable à sa nomination au grade de sous-lieutenant de réserve dans les forces armées;
  F. Dans le cas prévu à l'article 59 des lois coordonnées, la langue dont le sous-officier requérant possède la connaissance effective.
  
Art. 3. <KB 2007-04-25/32, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift :
  1° in het geval bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten, de beslissing waarbij de bevoegde overheid eventueel de eis heeft verworpen;
  2° in het geval bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten, een afschrift van de aanmaning;
  3° in de overige gevallen, een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen;
  4° [1 indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden.]1
  
Art. 3. <AR 2007-04-25/32, art. 4, 007; En vigueur : 01-06-2007> La partie requérante joint à sa requête :
  1° dans le cas prévu à l'article 11 des lois coordonnées, la décision éventuelle de rejet de l'autorité compétente;
  2° dans le cas visé à l'article 14, § 3, des lois coordonnées, une copie de la mise en demeure;
  3° dans les autres cas, une copie des actes, dispositions réglementaires ou décisions critiquées;
  4° [1 dans les cas où la partie requérante est une personne morale, une copie de ses statuts publiés et de ses statuts coordonnés en vigueur et, si cette personne morale n'est pas représentée par un avocat, de l'acte de désignation de ses organes ainsi que la preuve que l'organe habilité a décidé d'agir en justice.]1
  
Art. 3bis. Het verzoekschrift wordt niet op de rol ingeschreven indien :
  1° uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°;
  2° het niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften;
  3° het geen woonplaatskeuze bevat, wanneer deze vereist is;
  4° (...) <KB 2007-07-19/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  5° het niet vergezeld gaat van een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen, tenzij de verzoekende partij verklaart dat ze niet in het bezit is van een zodanig afschrift;
  6° er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn.
  In geval van toepassing van het eerste lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
  De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
  Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.
Art. 3bis. La requête n'est pas enrôlée lorsque :
  1° émanant d'une personne morale, elle n'est pas accompagnée des documents énumérés à l'article 3, 4°;
  2° elle n'est pas signée ou n'est pas accompagnée du nombre requis de copies certifiées conformes;
  3° elle ne comporte pas d'élection de domicile lorsque celle-ci est requise;
  4° (...) <AR 2007-07-19/32, art. 1, 009; En vigueur : 11-08-2007>
  5° elle n'est pas accompagnée d'une copie des actes, dispositions réglementaires ou décisions critiquées, sauf si la partie requérante déclare ne pas être en possession d'une telle copie;
  6° à la requête, n'est pas joint un inventaire des pièces, lesquelles doivent toutes être numérotées conformément à cet inventaire.
  En cas d'application de l'alinéa 1er, le greffier en chef adresse un courrier à la partie requérante précisant la cause du non-enrôlement et l'invitant à régulariser sa requête dans les quinze jours.
  La partie requérante qui régularise sa requête dans les quinze jours de la réception de l'invitation visée à l'alinéa 2 est censée l'avoir introduite à la date de son premier envoi.
  Une requête non régularisée ou régularisée de manière incomplète ou tardive est réputée non introduite.
Art. 3ter. (vroeger artikel 3bis) <INGEVOEGD bij KB 07-01-1991, art. 1> Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de (verwerende partij). De overheid die deze kopie ontvangt, bezorgt ze desgevallend aan de bevoegde overheid. <KB 2007-04-25/32, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het toesturen van een kopie van het verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de (verwerende partij) in. Het stelt niet de termijnen in werking die de tegenpartij moet in acht nemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 3ter. (ancien art. 3bis) <AR 07-01-1991, art. 1er> En même temps qu'elle introduit sa requête, la partie requérante envoie une copie de celle-ci à la partie adverse pour son information. L'autorité qui la reçoit la transmet, le cas échéant, à l'autorité compétente. <AR 2007-04-25/32, art. 5, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  L'envoi d'une copie de la requête visé à l'alinéa 1er n'implique pas la désignation définitive de la partie adverse. Il ne fait pas courir les délais que la partie adverse doit prendre en considération.
Art. 3quater. <INGEVOEGD bij KB 2007-04-25/32, art. 7; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Wanneer bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een reglementaire akte aanhangig wordt gemaakt, laat de hoofdgriffier in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken dat de identiteit van de verzoekende partij aangeeft, alsmede de akte waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt.
Art. 3quater. Lorsque le Conseil d'Etat est saisi d'un recours en annulation d'un règlement, le greffier en chef fait publier au Moniteur belge en français, néerlandais, et allemand, un avis indiquant l'identité de la partie requérante ainsi que le règlement dont l'annulation est demandée.
Sectie 2. - Termijnen voor het indienen van het verzoekschrift.
Section 2. - Des délais pour l'introduction de la requête.
Art. 4. [1 § 1.]1 (De eisen bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing houdende afwijzing van het verzoekschrift tot vergoeding. Indien de administratieve overheid verzuimt een beslissing te nemen, bedraagt de termijn van verjaring drie jaar te rekenen van de datum van dat verzoekschrift.) <KB 2007-04-25/32, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer een rechtsvordering strekkende tot hetzelfde voorwerp is ingesteld binnen de termijnen voorzien bij de eerste alinea, gaan de termijnen van zestig dagen en van drie jaar slechts in met het einde van de rechtsgedingen.
  De beroepen bedoeld (in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten) verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. <KB 2007-04-25/32, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De overige aanvragen en beroepen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de termijnen door de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen vastgesteld.
  [1 § 2. Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij aangetekende brief met ontvangstmelding, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
   Indien de geadresseerde de brief weigert, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de dag van weigering van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
   Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.
   Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.]1

  
Art. 4. [1 § 1er.]1 (Les demandes visées à l'article 11 des lois coordonnées sont prescrites soixante jours après la notification du rejet de la requête en indemnité. Si l'autorité administrative néglige de statuer, le délai de prescription est de trois ans à dater de cette requête.) <AR 2007-04-25/32, art. 8, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  En cas d'action judiciaire portant sur le même objet et intentée dans les délais prévus à l'alinéa premier, les délais de soixante jours et de trois ans ne commencent à courir qu'à la fin des instances judiciaires.
  Les recours visés (à l'article 14, §§ 1er et 3 des lois coordonnées) sont prescrits soixante jours après que les actes, règlements ou décision incriminés ont été publiés ou notifiés. S'ils ne doivent être ni publiés ni notifiés, le délai court à dater du jour où le requérant en aura eu connaissance. <AR 2007-04-25/32, art. 8, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Les autres demandes et recours doivent, à peine de nullité, être introduits dans les délais déterminés par les dispositions légales et réglementaires qui les concernent.
  [1 § 2. Lorsque la notification visée au paragraphe 1er est faite par recommandé avec accusé de réception, le premier jour du délai pour l'introduction de la requête est celui qui suit le jour de la réception du pli et il est compris dans le délai.
   Si le destinataire refuse le pli, le premier jour du délai pour l'introduction de la requête est celui qui suit le jour du refus du pli et il est compris dans le délai.
   Lorsque la notification visée au paragraphe 1er est faite par recommandé simple, le premier jour du délai pour l'introduction de la requête est le troisième jour ouvrable qui suit l'envoi du pli, sauf preuve contraire du destinataire, et ce jour est compris dans le délai.
   La date de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.]1

  
Hoofdstuk II. - Het onderzoek.
Chapitre II. - De l'instruction.
Sectie I. - De voorafgaande maatregelen.
Section 1. - Des mesures préalables.
Art. 5. (De korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) wijst de zaak aan de bevoegde kamer toe. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Hij maakt kopie van het verzoekschrift over aan de auditeur-generaal die waakt over de uitvoering van de maatregelen die het onderzoek voorafgaan. De auditeur-generaal stelt te dien einde een lid van het auditoraat aan.
Art. 5. (Le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif) distribue l'affaire à la chambre compétente. <AR 2007-04-25/32, art. 57, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Il transmet copie de la requête à l'auditeur général, qui veille à l'accomplissement des mesures préalables à l'instruction. L'auditeur général désigne à cette fin un membre de l'auditorat.
Art. 6. <KB 2007-04-25/32, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. [2 Zodra het mogelijk is en nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, stuurt de hoofdgriffier een kopie van het verzoekschrift aan de verwerende partij.]2
  § 2. Indien het administratief dossier in het bezit is van de verwerende partij, beschikt deze over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledige administratief dossier toe te zenden.
  [3 Als voor het antwoord op de middelen een verdere uiteenzetting nodig is, bevat de memorie van antwoord een samenvatting van de argumenten van de verwerende partij.]3
  § 3. Indien het administratief dossier niet in het bezit is van de verwerende partij, geeft deze de griffie daarvan onverwijld en schriftelijk kennis en geeft ze aan waar het zich bij haar weten bevindt. De hoofdgriffier vordert op verzoek van de auditeur-verslaggever de mededeling ervan aan de overheid die het onder zich heeft. Zonder verwijl zendt deze het gevorderde dossier naar de griffie.
  In dit geval gaat de termijn van zestig dagen voor het toezenden van de memorie van antwoord in met de dag waarop de verwerende partij ervan in kennis is gesteld dat het dossier ter griffie is neergelegd.
  § 4. [2 Zodra het mogelijk is en nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, brengt de hoofdgriffier, op basis van de aanwijzingen van de auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het auditoraat, het verzoekschrift ter kennis van de personen die belang hebben bij het oplossen van de zaak, voor zover deze geïdentificeerd kunnen worden.]2
  
Art. 6. <AR 2007-04-25/32, art. 9, 007; En vigueur : 01-06-2007> § 1er. [2 Dès que possible, et après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71, le greffier en chef envoie une copie de la requête à la partie adverse.]2
  § 2. Si le dossier administratif est en la possession de la partie adverse, celle-ci a soixante jours pour transmettre au greffe un mémoire en réponse ainsi que le dossier administratif complet.
  [3 Si la réponse aux moyens de la requête nécessite des développements, le mémoire en réponse comprend un résumé des arguments de la partie adverse.]3
  § 3. Si le dossier administratif ne se trouve pas en la possession de la partie adverse, celle-ci en fait immédiatement la déclaration écrite au greffe en indiquant où à sa connaissance il se trouve. A la requête de l'auditeur rapporteur, le greffier en chef en réclame la communication à l'autorité qui le détient. Celle-ci transmet sans délai au greffe le dossier réclamé.
  Dans ce cas, le délai de soixante jours pour la transmission du mémoire en réponse commence à courir à dater du jour où la partie adverse a été avisée du dépôt du dossier au greffe.
  § 4. [2 Dès que possible, et après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71, le greffier en chef notifie la requête, sur la base des indications de l'auditeur général ou du membre de l'auditorat qu'il désigne, aux personnes qui ont intérêt à la solution de l'affaire, pour autant qu'elles puissent être déterminées.]2
  
Art. 7. Een afschrift van de memorie van antwoord wordt aan de verzoekende partij overgemaakt door de griffier, die haar tevens van de neerlegging van het dossier ter griffie in kennis stelt. De verzoekende partij beschikt over (zestig dagen) om aan de griffie een memorie van wederantwoord te laten geworden. <KB 07-01-1991, art. 3>
  Een afschrift ervan wordt door de griffier aan de (verwerende partij) overgemaakt. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 7. Le greffier transmet une copie du mémoire en réponse à la partie requérante et l'avise du dépôt du dossier au greffe. La partie requérante a (soixante jours) pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique. <AR 07-01-1991, art. 3>
  Une copie de celui-ci est transmise par le greffier à la partie adverse.
Art. 8. Zo de (verwerende partij) verzuimt, binnen de bepaalde termijn een memorie van antwoord te laten geworden, wordt de verzoekende partij hiervan door de griffier in kennis gesteld en mag zij de memorie van wederantwoord door een toelichtende memorie vervangen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 8. Si la partie adverse s'abstient d'envoyer un mémoire en réponse dans le délai, la partie requérante en est avisée par le greffe et peut remplacer le mémoire en réplique par un mémoire ampliatif de la requête.
Art. 9. (...) <KB 07-01-1991, art. 4>.
Art. 9. (...) <AR 07-01-1991, art. 4>.
Art. 10. (...) <KB II 15-07-1956, art. 13>.
Art. 10. (...) <AR II 15-07-1956, art. 13>.
Art. 11. De kamer bij dewelke de zaak aanhangig is kan (...), uitspraak doen bij verstek ten opzichte van de partijen die zich van alle verweer hebben onthouden. <KB 2007-04-25/32, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zo de zaak vervolgd wordt tegen meerdere partijen waarvan de ene haar verweermiddelen hebben voorgebracht en waarvan de andere verzuimden zulks te doen, doet de kamer uitspraak bij dezelfde beslissing ten opzichte van al de partijen.
Art. 11. La chambre saisie peut, (...), se prononcer par défaut à l'égard des parties qui se sont abstenues de toute défense. <AR 2007-04-25/32, art. 10, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Lorsque l'affaire est poursuivie contre plusieurs parties dont les unes ont fourni leur défense et les autres se sont abstenues de le faire, la chambre se prononce par la même décision à l'égard de toutes les parties.
Sectie I/1. [1 - Bijzondere regels van toepassing op de procedure tot nietigverklaring ingeval van vordering tot schorsing.]1
Section Ire/1. [1 - Des règles particulières applicables à la procédure en annulation en cas de demande de suspension.]1
Art. 11/1. [1 Het toesturen van een vordering tot schorsing stuit de termijnen waarin de artikelen 6 en 7 voorzien.
   Indien de schorsing bevolen wordt of de voorlopige schorsing bevestigd, loopt de onderbroken termijn opnieuw vanaf de kennisgeving van het arrest aan de verwerende partij en worden de in de artikelen 6 en 7 bedoelde termijnen die niet helemaal verlopen zijn, vastgesteld op dertig dagen. In dit geval, wordt het verslag over de zaak of de mededeling bedoeld bij artikel 11/4 aan de griffie overgemaakt die een afschrift naar de kamer stuurt, of, naargelang het geval, naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, binnen de dertig dagen na de ontvangst van de memorie van wederantwoord en het volledige dossier van de zaak.
   Wanneer het arrest de vordering tot schorsing verwerpt, begint de onderbroken termijn slechts te lopen vanaf de kennisgeving door de griffie van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging dat door de verzoekende partij wordt ingediend.]1

  
Art. 11/1. [1 L'envoi d'une demande de suspension interrompt les délais prévus aux articles 6 et 7.
   Si la suspension est ordonnée ou la suspension provisoire confirmée, le délai interrompu recommence à courir à partir de la notification de l'arrêt à la partie adverse et les délais visés aux articles 6 et 7 qui ne sont pas entièrement écoulés sont fixés à trente jours. Dans ce cas, le rapport sur l'affaire, ou la communication visée à l'article 11/4, est transmis au greffe qui en envoie une copie à la chambre ou, selon le cas, à l'assemblée générale de la section du contentieux administratif, dans les trente jours de la réception du mémoire en réplique et du dossier complet de l'affaire.
   Au cas où l'arrêt rejette la demande de suspension, le délai interrompu ne commence à courir qu'à compter de la notification par le greffe de la demande de poursuite de la procédure introduite par la partie requérante.]1

  
Art. 11/2. [1 § 1. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement is bevolen of de voorlopige schorsing is bevestigd, de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak, niet binnen de termijn bepaald in artikel 17, [3 § 9]3, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, geeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan kennis dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen. De partijen beschikken over een termijn van vijftien dagen, met ingang van de kennisgeving, om te vragen te worden gehoord. [2 Zij voegen een schriftelijke verantwoording bij hun vraag om te worden gehoord.]2
   Indien geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer, in hun afwezigheid, de akte of het reglement vernietigen.
   Indien een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat ze de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de vernietiging.
   De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen van het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
   § 2. Wanneer de hoofdgriffier de partijen ervan kennis geeft dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen, maakt hij melding van de tekst van artikel 17, [3 § 9]3, van de gecoördineerde wetten, alsmede van paragraaf 1 van dit artikel.]1

  
Art. 11/2. [1 § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant ordonné la suspension ou ayant confirmé la suspension provisoire de l'exécution d'un acte ou d'un règlement, la partie adverse ou celui qui a intérêt à la solution de l'affaire n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, [3 § 9]3, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée. Les parties disposent d'un délai de quinze jours, à partir de la notification, pour demander à être entendues. [2 Elles joignent une justification écrite à leur demande d'être entendues.]2
   Si aucune des parties ne demande à être entendue, la chambre peut, en leur absence, annuler l'acte ou le règlement.
   Si une partie demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur l'annulation.
   Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
   § 2. Lorsque le greffier en chef notifie aux parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement dont la suspension a été ordonnée, il fait mention du texte de l'article 17, [3 § 9]3, des lois coordonnées ainsi que du paragraphe 1er du présent article.]1

  
Art. 11/3. [1 § 1. Wanneer de verzoekende partij naar aanleiding van een arrest waarin een vordering tot schorsing van een akte of reglement is afgewezen, niet binnen de termijn vastgesteld in artikel 17, [3 § 10]3, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord. [2 Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.]2
   Indien de verzoekende partij niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
   Indien de verzoekende partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
   De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen in het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
   Indien verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen wordt ingediend, worden de overigen geacht afstand te doen van geding en wordt in het arrest dat wordt gewezen over de vordering tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van degenen die verzuimen een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen.
   § 2. Wanneer de hoofdgriffier de verzoekende partij ervan in kennis stelt dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij deze partij vraagt te worden gehoord, maakt hij melding van artikel 17, [3 § 10]3, van de gecoördineerde wetten alsmede van § 1 van dit artikel.]1

  
Art. 11/3. [1 § 1er. Lorsqu'à la suite d'un arrêt ayant rejeté une demande de suspension d'un acte ou d'un règlement, la partie requérante n'introduit pas une demande de poursuite de la procédure dans le délai prévu par l'article 17, [3 § 10]3, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance, à moins que dans un délai de quinze jours, elle ne demande à être entendue. [2 Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.]2
   Si la partie requérante ne demande pas à être entendue, la chambre décrète le désistement d'instance.
   Si la partie requérante demande à être entendue, le président convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le désistement d'instance.
   Les parties et leur avocat peuvent consulter le dossier au greffe pendant le temps fixé dans l'ordonnance du président.
   Au cas où plusieurs requérants ont déposé une demande de suspension et une requête en annulation qui leur sont communes et où une demande de poursuite de la procédure n'est introduite que par certains d'entre eux, les autres sont présumés se désister de l'instance et l'arrêt rendu sur la demande en annulation statue également sur le désistement de ceux qui omettent d'introduire une demande de poursuite de la procédure.
   § 2. Lorsqu'il notifie à la partie requérante que la chambre va décréter le désistement d'instance à moins que cette partie ne demande à être entendue, le greffier en chef fait mention de l'article 17, [3 § 10]3, des lois coordonnées ainsi que du § 1er du présent article.]1

  
Art. 11/4. [1 Wanneer na de uitspraak van een arrest over de vordering tot schorsing en na de uitwisseling van de memories van antwoord en van wederantwoord of van de toelichtende memorie, de auditeurverslaggever vaststelt dat de partijen geen enkel nieuw gegeven aanvoeren sedert het arrest waarbij de tenuitvoerlegging van de akte of het reglement is geschorst, of waarin alle middelen als niet ernstig werden verworpen of waarin de vordering tot schorsing werd verworpen wegens niet ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen nieuw verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.
   In de kennisgeving wordt gepreciseerd of wordt voorgesteld het beroep tot nietigverklaring te verwerpen dan wel de akte of het reglement te vernietigen, overeenkomstig het arrest waarbij uitspraak werd gedaan over de vordering tot schorsing.
   De artikelen 13, 14, 14quater tot 14sexies van de algemene procedureregeling zijn van toepassing.]1

  
Art. 11/4. [1 Lorsqu'après la prononciation d'un arrêt ayant statué sur la demande de suspension et après l'échange des mémoires en réponse et en réplique ou du mémoire ampliatif, l'auditeur rapporteur constate que les parties n'invoquent aucun élément nouveau depuis l'arrêt qui a suspendu l'exécution de l'acte ou du règlement, ou qui a déclaré tous les moyens non sérieux ou qui a rejeté la demande de suspension pour irrecevabilité du recours, il peut communiquer le dossier au greffe en indiquant qu'il ne déposera pas de nouveau rapport sur le recours en annulation.
   La communication précise s'il est proposé, conformément à l'arrêt ayant statué sur la demande de suspension, de rejeter le recours en annulation ou d'annuler l'acte ou le règlement.
   Les articles 13, 14, 14quater à 14sexies du règlement général de procédure sont applicables.]1

  
Sectie I/2. [1 - Bijzondere procedureregels ingeval van afstand van het geding door de verzoekende partij of de intrekking, door de verwerende partij, van de bestreden akte of het bestreden reglement.]1
Section Ire/2. [1 - Des règles de procédure particulières en cas de désistement de la partie requérante ou de retrait, par la partie adverse, de l'acte ou du règlement attaqué.]1
Art.11/5... [1 Wanneer de verzoekende partij afstand doet van het geding, en er volgens de auditeur-verslaggever geen redenen zijn die zich verzetten tegen deze afstand, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.
   Wanneer de verwerende partij de bestreden akte of het bestreden reglement intrekt, en er volgens de auditeur-verslaggever geen redenen zijn die zich verzetten tegen de verwerping van het beroep, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.]1

  
Art. 11/5. [1 Lorsque la partie requérante se désiste de l'instance, et que, selon l'auditeur-rapporteur, aucun motif ne s'oppose à ce désistement, ce dernier peut communiquer le dossier au greffe en indiquant qu'il ne déposera pas de rapport sur le recours en annulation.
   Lorsque la partie adverse retire l'acte ou le règlement attaqué et que, selon l'auditeur-rapporteur, aucun motif ne s'oppose au rejet du recours, ce dernier peut communiquer le dossier au greffe en indiquant qu'il ne déposera pas de rapport sur le recours en annulation.]1

  
Sectie II. - (Het onderzoek door de afdeling bestuursrechtspraak.)
Section 2. - (De l'instruction par la section du contentieux administratif).
Art. 12. <KB 2007-04-25/32, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt het met toepassing van artikel 5 aangewezen lid van het auditoraat verslag op over de zaak.
  Met het oog op het opmaken van dat verslag voert de auditeur rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en besturen en kan hij zowel aan hen als aan de partijen alle dienstige inlichtingen en documenten vragen. [2 Wanneer de verwerende partij gebruikmaakt van de procedure bedoeld in artikel 85bis, bezorgt zij een niet-elektronische versie van het administratief dossier of van bepaalde stukken ervan wanneer de auditeur haar daartoe verzoekt.]2
  Hij kan de partijen een termijn opleggen voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en documenten. Indien deze niet binnen de gestelde termijn zijn meegedeeld, stelt hij, hiermee rekening houdende, zijn verslag op.
  [1 Hij vermeldt in de conclusies van zijn verslag de volgorde waarin dit ter kennis wordt gebracht van de partijen.]1
  Het gedagtekende en ondertekende verslag wordt aan de griffie toegezonden.
  
Art. 12. <AR 2007-04-25/32, art. 12, 007; En vigueur : 01-06-2007> Après l'accomplissement des mesures préalables, le membre de l'auditorat désigné en application de l'article 5 rédige un rapport sur l'affaire.
  En vue de rédiger son rapport, l'auditeur correspond directement avec toutes les autorités et administrations et il peut leur demander, ainsi qu'aux parties, tous renseignements et documents utiles. [2 Lorsque la partie adverse fait usage de la procédure visée à l'article 85bis, elle communique une version non électronique du dossier administratif ou de certaines pièces de celui-ci lorsque l'auditeur lui en fait la demande.]2
  Il peut imposer aux parties un délai pour fournir les renseignements et documents demandés. A défaut de communication de ceux-ci dans ce délai, il rédige son rapport en l'état.
  [1 Il mentionne, dans la conclusion de son rapport, l'ordre dans lequel celui-ci est notifié aux parties.]1
  Le rapport, daté et signé, est transmis au greffe.
  
Art. 13. (Is de kamer van oordeel dat nieuwe verrichtingen moeten worden bevolen, dan wijst zij ter uitvoering daarvan een (staatsraad) of een lid van het auditoraat aan, die een aanvullend verslag opmaakt. Dit verslag wordt gedagtekend, ondertekend en (aan de griffie) bezorgd). <KB I 15-07-1956, art. 2> <KB 2007-04-25/32, art. 13 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 13. <AR I 15-07-1956, art. 2> Si la chambre estime qu'il y a lieu d'ordonner des devoirs nouveaux, elle désigne, pour y procéder, un conseiller ou un membre de l'auditorat qui rédige un rapport complémentaire. Ce rapport est daté, signé et (transmis au greffe)>. <AR 2007-04-25/32, art. 13, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 14. [1 De griffie brengt de mededelingen of verslagen bedoeld in de artikelen 11/4, 12 en 13 overeenkomstig de door de auditeur in zijn mededeling of verslag vermelde volgorde ter kennis van de partijen en deelt een exemplaar ervan mee aan de kamer belast met de zaak.
   Elk van de partijen beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen met, in voorkomend geval, het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging. [2 Behalve wanneer nieuwe elementen meegedeeld moeten worden, en met uitzondering van de verzoeken geformuleerd met toepassing van de artikelen 14ter, 35/1, 36, § 1, eerste lid, eerste zin of derde lid, en 38, § 1, van de gecoördineerde wetten, wordt in de laatste memories louter op synthetische wijze gereageerd op de argumenten uiteengezet in het verslag van de auditeur of in de laatste memorie van de andere partijen.]2
   De vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte of het bestreden reglement, in toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd en moet gemotiveerd worden. Wanneer de vordering voor de eerste keer in een laatste memorie ingediend wordt, kunnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen doen gelden binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze laatste memorie. [2 Het aangewezen lid van het auditoraat stelt met betrekking tot dit onderwerp een geschreven advies op dat ten minste zeven werkdagen voor de terechtzitting aan de partijen en de kamer waarbij de zaak aanhangig is, wordt meegedeeld.]2
  [2 Het verzoek van de verwerende partij om met toepassing van artikel 38, § 1, van de gecoördineerde wetten in de gelegenheid te worden gesteld een beslissing tot herstel te nemen, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd. Wanneer het verzoek voor de eerste keer in een laatste memorie wordt gedaan, kunnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen doen gelden binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze laatste memorie. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt met betrekking tot dit onderwerp een geschreven advies op dat ten minste zeven werkdagen voor de terechtzitting aan de partijen en de kamer waarbij de zaak aanhangig is, wordt meegedeeld.]2
   De vordering waarbij de afdeling bestuursrechtspraak wordt gevraagd de overheid te bevelen een beslissing te nemen binnen een bepaalde termijn, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten, of de vordering waarbij ze wordt gevraagd de overheid te verbieden een beslissing te nemen, bedoeld in artikel 36, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd.
   Bij het verstrijken van de in het tweede [2 tot het vierde]2 lid bedoelde termijnen bepaalt de kamervoorzitter de datum waarop de zaak behandeld zal worden.]1

  
Art. 14. [1 Conformément à l'ordre mentionné par l'auditeur dans sa communication ou son rapport, le greffe notifie aux parties les communications ou rapports prévus par les articles 11/4, 12 et 13 et il en communique un exemplaire à la chambre saisie de l'affaire.
   Chacune des parties a trente jours pour déposer un dernier mémoire avec, le cas échéant, la demande de poursuite de la procédure. [2 Sauf si des éléments nouveaux doivent être communiqués et à l'exception des demandes formulées en application des articles 14ter, 35/1, 36, § 1er, alinéa 1er, première phrase ou alinéa 3, et 38, § 1er, des lois coordonnées, les derniers mémoires se limitent à réagir synthétiquement aux arguments développés dans le rapport de l'auditeur ou dans le dernier mémoire des autres parties.]2
   La demande visant au maintien des effets de l'acte ou du règlement attaqué, en application de l'article 14ter des lois coordonnées, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire. Cette demande doit être motivée. Lorsqu'elle est introduite pour la première fois dans un dernier mémoire, les autres parties peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de trente jours à dater de la notification de ce dernier mémoire. [2 Le membre de l'auditorat désigné rédige un avis écrit limité à cet objet qui est communiqué au moins sept jours ouvrables avant l'audience aux parties et à la chambre saisie.]2
  [2 La demande de la partie adverse visant à être autorisée à prendre une décision réparatrice en application de l'article 38, § 1er, des lois coordonnées est formulée au plus tard dans le dernier mémoire. Lorsque la demande est formulée pour la première fois dans un dernier mémoire, les autres parties peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de trente jours à dater de la notification de ce dernier mémoire. Le membre de l'auditorat désigné rédige un avis écrit limité à cet objet qui est communiqué au moins sept jours ouvrables avant l'audience aux parties et à la chambre saisie.]2
   La demande visant à ce que la section contentieux administratif ordonne à l'autorité de prendre une décision dans un délai déterminé, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 1ère phrase, des lois coordonnées, ou la demande visant à ce qu'elle lui interdise de prendre une décision, visée à l'article 36, § 1er, alinéa 3, des mêmes lois, est formulée au plus tard dans le dernier mémoire.
   A l'expiration des délais visés aux [2 alinéas 2 à 4]2, le président de la chambre fixe la date à laquelle l'affaire sera appelée.]1

  
Art. 14bis. <KB 2000-06-20/38, art. 1, Inwerkingtreding : 01-08-2000> § 1. Voor de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan in kennis dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. [1 Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.]1
  Indien geen van de partijen vraagt om te worden gehoord, doet de kamer uitspraak onder aanvoering dat het vereiste belang ontbreekt.
  Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over het ontbreken van het vereiste belang.
  § 2. Bij de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij of wanneer hij haar ervan in kennis stelt dat zo'n memorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsmede van de eerste paragraaf van dit artikel.
  
Art. 14bis. <AR 2000-06-26/38, art. 1, En vigueur : 01-08-2000> § 1er. Pour l'application de l'article 21, alinéa 2, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie aux parties que la chambre va statuer en constatant l'absence de l'intérêt requis à moins que dans un délai de quinze jours, l'une des parties ne demande à être entendue. [1 Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.]1
  Si aucune des parties ne demande à être entendue, la chambre statue en constatant l'absence de l'intérêt requis.
  Si une partie demande à être entendue, le président ou le conseiller désigné convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur l'absence de l'intérêt requis.
  § 2. Lors de la notification du mémoire en réponse à la partie requérante ou lorsqu'il lui notifie qu'un tel mémoire n'a pas été déposé dans le délai prescrit, le greffier en chef fait mention de l'article 21, alinéa 2, des lois coordonnées ainsi que du paragraphe premier du présent article.
  
Art. 14ter. <INGEVOEGD bij KB 07-01-1991, art. 7> Bij het versturen van een kopie van het verzoekschrift aan de (verwerende partij) maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, derde tot vijfde lid, van de gecoördineerde wetten. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 14ter. Lors de l'envoi d'une copie de la requête à la partie adverse, le greffier en chef fait mention de l'article 21, alinéa 3 à 5, des lois coordonnées.
Art. 14quater. <KB 2000-06-26/38, art. 2, Inwerkingtreding : 01-08-2000> (...) Het verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, wordt bij ter post aangetekende brief ingediend. <KB 2007-04-25/32, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer binnen de termijn bepaald in artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, geen verzoek wordt ingediend, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. [2 Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.]2
  Indien de verzoekende partij niet vraagt om te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
  Indien de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
  (...) <KB 2007-04-25/32, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 14quater. <AR 2000-06-26/38, art. 2, 01-08-2000> (...) La demande de poursuite de la procédure visée à l'article 21, [1 alinéa 7]1, des lois coordonnées, est introduite par lettre recommandée à la poste. <AR 2007-04-25/32, art. 15, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Lorsqu'aucune demande n'est introduite dans le délai prévu par l'article 21, [1 alinéa 7]1, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie requérante que la chambre va statuer en décrétant le désistement d'instance, à moins que dans un délai de quinze jours la partie requérante ne demande à être entendue. [2 Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.]2
  Si la partie requérante ne demande pas à être entendue, la chambre décrète le désistement d'instance.
  Si la partie requérante demande à être entendue, le président ou le conseiller désigné convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le désistement d'instance.
  (...) <AR 2007-04-25/32, art. 15, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 14quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2007-04-25/32, art. 16; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bedoeld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief.
  Indien geen enkel verzoek is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, deelt de hoofdgriffier op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat aan de verwerende partij en aan de tussenkomende partij mee dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de bestreden akte, tenzij één van hen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. [1 Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.]1
  Indien geen enkele partij vraagt om te worden gehoord, kan de kamer de bestreden akte nietig verklaren.
  Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. De kamer doet onverwijld uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, de partijen en het aangewezen lid van het auditoraat in zijn advies gehoord.
  
Art. 14quinquies. La demande de poursuite de la procédure visée à l'article 30, § 3, des lois coordonnées, est introduite par une lettre recommandée à la poste.
  Lorsqu'aucune demande n'est introduite dans le délai prévu par l'article 30, § 3, des lois coordonnées, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, notifie à la partie adverse et à la partie intervenante que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte attaqué, à moins que dans un délai de quinze jours, l'une d'elles ne demande à être entendue. [1 Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.]1
  Si aucune partie ne demande à être entendue, la chambre peut annuler l'acte attaqué.
  Si un partie demande à être entendue, le président ou le conseiller désigné convoque les parties à comparaître à bref délai. Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai sur le recours en annulation.
  
Art. 14sexies. <INGEVOEGD bij KB 2007-04-25/32, art. 17; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Bij de kennisgeving van het verslag aan de partijen maakt de hoofdgriffier melding van :
  - artikel 14;
  - artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quater ;
  - artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quinquies.
  
Art. 14sexies. Lors de la notification du rapport aux parties, le greffier en chef fait mention :
  - de l'article 14;
  - de l'article 21, [1 alinéa 7]1, des lois coordonnées ainsi que de l'article 14quater ;
  - de l'article 30, § 3, des lois coordonnées ainsi que de l'article 14quinquies.
  
Art. 14septies. [1 In het geval bedoeld in artikel 17, § 1, [2 vierde lid]2, van de gecoördineerde wetten, wordt, indien de termijn die bij artikel 14 van de algemene procedureregeling wordt toegekend om een laatste memorie in te dienen niet is verstreken, in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag de termijn vastgesteld waarbinnen de partij die nog geen laatste memorie heeft ingediend, zulks moet doen.]1
  
Art. 14septies. [1 Dans le cas visé à l'article 17, § 1er, [2 alinéa 4]2, des lois coordonnées, si le délai imparti par l'article 14 du règlement général de procédure pour le dépôt d'un dernier mémoire n'est pas écoulé, l'ordonnance de fixation détermine le délai dans lequel la partie qui n'a pas encore déposé de dernier mémoire doit le faire.]1
  
Art. 15. <KB 07-01-1991, art. 6> Het arrest moet worden uitgesproken binnen twaalf maanden na de dag waarop met toepassing van artikel 12 of eventueel van artikel 13, verslag over de zaak werd uitgebracht.
Art. 15. <AR 07-01-1991, art. 6> L'arrêt doit être prononcé dans les douze mois du jour où, en application de l'article 12 ou éventuellement de l'article 13, rapport aura été fait sur l'affaire.
Sectie III. - De maatregelen van onderzoek.
Section 3. - Des mesures d'instruction.
Art. 16. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) rechtstreeks briefwisseling voeren met alle overheden en haar alle dienstige inlichtingen vragen. <KB 2007-04-25/32, art. 18 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zij zijn er toe gerechtigd zich alle bescheiden te laten overleggen door de administratieve overheden.
  Zij kunnen (van de partijen en van hun advocaten) alle aanvullende ophelderingen vorderen. <KB 2007-04-25/32, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 16. (Le conseiller, l'auditeur-général ou le membre de l'auditorat désigné peut) correspondre directement avec toutes les autorités et leur demander tous renseignements utiles. <AR 2007-04-25/32, art. 18, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Ils ont le droit de se faire communiquer tous documents par les autorités administratives.
  Ils peuvent réclamer (aux parties et à leurs avocats) toutes explications complémentaires. <AR 2007-04-25/32, art. 18, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 17. <KB 2007-04-25/32, art. 19 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kunnen de partijen en alle andere personen horen.
  De partijen en hun advocaten worden opgeroepen.
  Het proces-verbaal van verhoor wordt ondertekend door de Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat, alsmede door de griffier en de gehoorde persoon.
Art. 17. <AR 2007-04-25/32, art. 19, 007; En vigueur : 01-06-2007> Le conseiller, l'auditeur général ou le membre de l'auditorat désigné peut entendre les parties et toutes autres personnes.
  Les parties et leurs avocats sont convoqués.
  Le procès-verbal de l'audition est signé par le conseiller ou l'auditeur général ou le membre de l'auditorat désigné ainsi que par le greffier et la personne entendue.
Art. 19. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) ter plaatse overgaan tot alle vaststellingen. <KB 2007-04-25/32, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De partijen en hun advocaten worden opgeroepen (...). <KB 2007-04-25/32, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 19. (Le conseiller, l'auditeur général ou le membre de l'auditorat désigné peut) procéder sur les lieux à toutes constatations. <AR 2007-04-25/32, art. 21, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Les parties et leurs avocats sont convoqués (...). <AR 2007-04-25/32, art. 21, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 20. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) deskundigen aanstellen en hun opdracht bepalen. <KB 2007-04-25/32, art. 22 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.
  Binnen acht dagen na deze betekening, stellen de deskundigen per ter post aangetekend schrijven, elke partij (...) in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen. <KB 2007-04-25/32, art. 22, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 20. (Le conseiller, l'auditeur général ou le membre de l'auditorat désigné peut) commettre des experts et déterminer leur mission. <AR 2007-04-25/32, art. 22, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
  Dans les huit jours qui suivent cette notification, les experts avisent par lettre recommandée à la poste chacune des parties, (...), des lieu, jour et heure où ils commenceront leurs opérations. <AR 2007-04-25/32, art. 22, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 21. De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij het goedvinden; melding er van wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevenen ter kennis worden gebracht van de partijen.
Art. 21. Les pièces nécessaires sont remises aux experts; les parties peuvent faire tels dires et réquisitions qu'elles jugent convenables; il en est fait mention dans le rapport, dont les préliminaires sont portés à la connaissance des parties.
Art. 22. Behoudens belet, dat door de griffier op het ogenblik van het verslag wordt vastgesteld, wordt het verslag getekend door al de deskundigen.
  (De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
  " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. "
  of
  " Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité. "
  of
  " Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfüllt habe. ") <KB 2007-04-25/32, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
Art. 22. Le rapport est signé par tous les experts, sauf empêchement constaté par le greffier au moment du dépôt de ce rapport.
  (La signature des experts est précédée du serment :
  " Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité. "
  ou
  " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. "
  ou
  " Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfüllt habe. ") <AR 2007-04-25/32, art. 23, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  La minute du rapport est déposée au greffe. Le greffier en avise les parties.
Art. 23. De kamer kan in de loop van de debatten en op de terechtzitting de deskundigen ter informatie horen. De deskundigen worden door de griffier opgeroepen.
Art. 23. La chambre peut, au cours des débats, entendre les experts à l'audience, à titre de renseignements. Les experts sont convoqués par le greffier.
Art. 24. De kamer kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de zending van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord.
  De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.
Art. 24. La chambre peut, pour des motifs graves et par une décision motivée, mettre fin à la mission des experts et pourvoir à leur remplacement, après les avoir entendus.
  Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
Art. 25. In geval van verhoor der getuigen ter terechtzitting worden de partijen en hun advokaten (...) opgeroepen. <KB 2007-04-25/32, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het proces-verbaal van verhoor wordt getekend door de voorzitter van de kamer, de griffier en de gehoorde persoon.
Art. 25. En cas d'audition des témoins à l'audience, les parties et leurs avocats, (...) sont convoqués. <AR 2007-04-25/32, art. 24, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  (Alinéa 2 abrogé) <AR 2007-04-25/32, art. 24, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Le procès-verbal de l'audition est signé par le président de la chambre, le greffier et la personne entendue.
Hoofdstuk III. [1 - De schadevergoeding tot herstel.]1
Chapitre III. [1 - De l'indemnité réparatrice.]1
Art. 25/1. [1 Het in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan geformuleerd worden:
   1° gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring;
   2° of tijdens de procedure tot nietigverklaring;
   3° of ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid [3 of het herstel ervan door een beslissing tot herstel]3 [2 ...]2 werd vastgesteld.]1

  
Art. 25/1. [1 La demande d'indemnité réparatrice visée à l'article 11bis des lois coordonnées peut être formée:
   1° en même temps que le recours en annulation;
   2° ou au cours de la procédure en annulation;
   3° ou, au plus tard, dans les soixante jours qui suivent la notification de l'arrêt ayant constaté l'illégalité [3 ou sa réparation par une décision réparatrice]3 [2 ...]2.]1

  
Art. 25/2. [1 § 1. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt in dezelfde akte als het beroep tot nietigverklaring, bevat de titel van het verzoekschrift bovendien de vermelding "verzoek tot schadevergoeding tot herstel". Het verzoekschrift bevat het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing.
   § 2. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt bij een afzonderlijke akte van het verzoekschrift tot nietigverklaring, wordt deze akte gedateerd en ondertekend door de partij of een advocaat die beantwoordt aan de in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten vastgelegde bepalingen.
   In dit geval bevat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel bovendien:
   1° de titel "verzoek tot schadevergoeding tot herstel";
   2° het kenmerk van het beroep tot nietigverklaring of van het desbetreffende arrest;
   3° de naam, hoedanigheid en woonplaats of zetel van de partij die de schadevergoeding aanvraagt, evenals de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid;
   4° het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing.
   § 3. De stukken die het verzoek staven worden bijgevoegd bij het verzoekschrift, samen met een inventaris. Ze zijn alle overeenkomstig die inventaris genummerd.
   § 4. De artikelen 2, § 2, en 3, 4°, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel.
   Bovendien, onverminderd de toepassing van artikel 3bis, wordt dit verzoekschrift niet op de rol ingeschreven indien de vermeldingen bedoeld in paragrafen 1 en 2 er niet hernomen worden of indien er geen inventaris bedoeld in paragraaf 3 is bijgevoegd.
   In geval van toepassing van het tweede lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
   De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het derde lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
   Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.]1

  
Art. 25/2. [1 § 1er. Lorsque la demande d'indemnité réparatrice est formée dans le même acte que le recours en annulation, l'intitulé de la requête porte, en outre, la mention " demande d'indemnité réparatrice ". La requête contient le montant de l'indemnité demandée et un exposé qui établit le préjudice subi du fait de l'illégalité de l'acte, du règlement ou de la décision implicite de rejet.
   § 2. Lorsque la demande d'indemnité réparatrice est formée par un acte distinct de la requête en annulation, cet acte est daté et signé par la partie ou par un avocat satisfaisant aux conditions que fixe l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
   Dans ce cas, la requête en indemnité réparatrice contient en outre :
   1° l'intitulé " demande d'indemnité réparatrice ";
   2° la référence du recours en annulation ou de l'arrêt auquel elle se rapporte;
   3° les nom, qualité et domicile ou siège de la partie demanderesse d'indemnité ainsi que le domicile élu visé à l'article 84, § 2, alinéa 1er;
   4° le montant de l'indemnité demandée et un exposé qui établit le préjudice subi du fait de l'illégalité de l'acte, du règlement ou de la décision implicite de rejet.
   § 3. Les pièces étayant la demande sont jointes à la requête, accompagnées d'un inventaire. Elles sont toutes numérotées conformément à cet inventaire.
   § 4. Les articles 2, § 2, et 3, 4° sont applicables à la requête en indemnité réparatrice.
   En outre, sans préjudice de l'article 3bis, cette requête n'est pas enrôlée lorsque les mentions visées aux paragraphes 1er et 2 n'y sont pas reprises ou lorsque l'inventaire visé au paragraphe 3 n'y est pas joint.
   En cas d'application de l'alinéa 2, le greffier en chef adresse un courrier à la partie requérante précisant la cause du non-enrôlement et l'invitant à régulariser sa requête dans les quinze jours.
   La partie requérante qui régularise sa requête dans les quinze jours de la réception de l'invitation visée à l'alinéa 3 est censée l'avoir introduite à la date de son premier envoi.
   Une requête non régularisée ou régularisée de manière incomplète ou tardive est réputée non introduite.]1

  
Art. 25/3. [1 § 1. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt op hetzelfde moment als het beroep tot nietigverklaring, kan dit verzoek gelijktijdig met het beroep onderzocht en beoordeeld worden als het aangewezen lid van het auditoraat van mening is dat hij over alle hiertoe nuttige gegevens beschikt.
   Als dit niet het geval is, wordt het onderzoek van dat verzoek uitgesteld tot aan het arrest waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over dat beroep tot nietigverklaring. Indien het arrest een onwettigheid vaststelt, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 4.
   § 2. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt tijdens de procedure tot nietigverklaring, wordt het onderzoek ervan uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring.
   § 3. Indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af.
   § 4. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid [2 ...]2 [3 of het herstel ervan door een beslissing tot herstel]3 werd vastgesteld, of als het onderzoek van dat verzoek uitgesteld is en het verzoek niet afgewezen is overeenkomstig paragraaf 3, stuurt de hoofdgriffier [2 , nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald,]2 een kopie van het verzoek naar de verwerende partij. De verwerende partij heeft zestig dagen om een memorie van antwoord te sturen naar de griffie. De hoofdgriffier stuurt een kopie van de memorie van antwoord naar de partij die de vergoeding aanvraagt of deelt mee dat er geen memorie van antwoord is. De partij die de vergoeding aanvraagt heeft zestig dagen om een memorie van wederantwoord of een toelichtende memorie aan de griffie te bezorgen. Een kopie hiervan zal door de hoofdgriffier naar de verwerende partij gestuurd worden.
   Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de artikelen 11, 12 tot 14bis, 14sexies, eerste en tweede streepje, 16, 17 en 19 tot 25. Het verslag over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel wordt doorgestuurd naar de griffie binnen de maand van de dag waarop het aangewezen lid van het auditoraat in het bezit is van de memories en van het volledige dossier van de zaak. Het verzoek tot voortzetting van de procedure bedoeld in artikel 14 is niet van toepassing op de procedure van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. De laatste memorie die na de termijn van dertig dagen wordt ingediend wordt ambtshalve uit de debatten geweerd.]1

  
Art. 25/3. [1 § 1er. Lorsque la demande d'indemnité réparatrice est formée concomitamment avec le recours en annulation, elle peut être instruite et jugée en même temps que ce recours si le membre de l'auditorat désigné s'estime en possession de toutes les données utiles à cette fin.
   Si ce n'est pas le cas, l'examen de cette demande est tenu en suspens jusqu'à l'arrêt qui statue définitivement sur le recours en annulation. Si cet arrêt constate une illégalité, il est procédé conformément au paragraphe 4.
   § 2. Lorsque la demande d'indemnité réparatrice est formée au cours de la procédure en annulation, l'examen de cette demande est tenu en suspens jusqu'à l'arrêt qui statue définitivement sur le recours en annulation.
   § 3. Si aucune illégalité n'est constatée, l'arrêt qui clôt la procédure en annulation rejette aussi la demande d'indemnité réparatrice.
   § 4. Lorsque la demande d'indemnité réparatrice est formée dans les soixante jours qui suivent la notification de l'arrêt ayant constaté l'illégalité [2 ...]2 [3 ou sa réparation par une décision réparatrice]3, ou si cette demande a été tenue en suspens et n'a pas été rejetée conformément au paragraphe 3, le greffier en chef [2 , après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71,]2 envoie une copie de la demande à la partie adverse. La partie adverse a soixante jours pour transmettre au greffe un mémoire en réponse. Le greffier en chef transmet une copie du mémoire en réponse à la partie demanderesse d'indemnité ou l'informe de l'absence de mémoire en réponse. La partie demanderesse d'indemnité a soixante jours pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique ou ampliatif. Une copie de celui-ci est transmise par le greffier en chef à la partie adverse.
   Il est ensuite procédé conformément aux articles 11, 12 à 14bis, 14sexies, premier et deuxième tirets, 16, 17 et 19 à 25. Le rapport sur la demande d'indemnité réparatrice est transmis au greffe dans le mois du jour où le membre de l'auditorat désigné est en possession des mémoires et du dossier complet de l'affaire. La demande de poursuite de la procédure visée à l'article 14 n'est pas applicable à la procédure de demande d'indemnité réparatrice. Le dernier mémoire déposé après le délai de trente jours est écarté d'office des débats.]1

  
TITEL II. - DE TERECHTZITTING EN DE VERWIJZING NAAR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING.
TITRE II. - DE L'AUDIENCE ET DES RENVOIS A L'ASSEMBLEE GENERALE DE LA SECTION.
Hoofdstuk I. - De terechtzitting.
Chapitre I. - De l'audience.
Art. 26. <KB 2007-04-25/32, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> [1 § 1.]1 Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de laatste memories kunnen de partijen, wanneer geen enkele laatste memorie werd ingediend, in een gezamenlijke verklaring, beslissen dat de zaak niet op een terechtzitting dient te worden behandeld, indien in het beroep tot nietigverklaring het verslag zonder voorbehoud tot verwerping of tot nietigverklaring besluit en indien in dat verslag evenmin verzocht wordt om nadere inlichtingen of uitleg.
  De kamer kan om mondelinge uitleg verzoeken omtrent de punten die ze aangeeft. Te dien einde stelt ze bij een beschikking, die de hoofdgriffier ter kennis brengt van de partijen en van de auditeur, de datum vast waarop de partijen en de auditeur zullen worden gehoord.
  [1 § 2. De kamer kan bij de ingereedheidbrenging van de zaak en behoudens bezwaar van het aangewezen lid van het auditoraat bij een beschikking aan de partijen voorstellen dat de zaak die in staat van wijzen is niet op een terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen om een behandeling op een terechtzitting verzoekt. Behoudens zulk verzoek wordt het debat gesloten en wordt de zaak in beraad genomen op de datum die de kamer in die beschikking bepaalt. Als binnen de gestelde termijn ten minste één van de partijen daarom verzoekt, worden de partijen gehoord op de terechtzitting. Een partij die geen verzoek daartoe indient, wordt verondersteld akkoord te gaan met het voorstel.
   De beschikking maakt melding van dit artikel en wijst uitdrukkelijk op de gevolgen bij stilzitten van de partijen.
   De kamer beslist ambtshalve, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of van één van de partijen, dat de zaak toch ter terechtzitting wordt opgeroepen wanneer een nieuw en ter zake dienend gegeven een tegensprekelijk mondeling debat verantwoordt.]1

  
Art. 26. <AR 2007-04-25/32, art. 25, 007; En vigueur : 01-06-2007> [1 § 1er.]1 Dans les quinze jours de l'expiration du délai prescrit pour les derniers mémoires, les parties peuvent décider d'introduire une déclaration commune selon laquelle la cause ne sera pas appelée à l'audience relative au recours en annulation dans les cas où, à la fois, le rapport conclut soit au rejet soit à l'annulation, sans réserve ni demande de renseignements ou d'explications et qu'aucun dernier mémoire n'est déposé.
  La chambre peut demander des explications orales sur les points qu'elle indique. A cette fin, par une ordonnance que le greffier en chef notifie aux parties et à l'auditeur, elle fixe une date à laquelle les parties et l'auditeur seront entendus.
  [1 § 2. La chambre peut, lors de la mise en état de l'affaire, et sauf objection du membre désigné de l'auditorat, proposer par ordonnance aux parties que l'affaire qui est en état ne sera pas appelée à l'audience, à moins qu'une des parties ne demande dans un délai de quinze jours qu'elle soit traitée lors d'une audience. Sauf pareille demande, les débats sont clos et l'affaire est prise en délibéré à la date fixée par la chambre dans cette ordonnance. Si l'une des parties au moins le demande dans le délai imparti, les parties sont entendues à l'audience. Une partie qui n'introduit pas de demande à cette fin est supposée marquer son accord sur la proposition.
   L'ordonnance fait mention du présent article et attire expressément l'attention sur les conséquences liées à l'inaction des parties.
   La chambre décide d'office, à la demande du membre désigné de l'auditorat ou d'une des parties que l'affaire sera malgré tout appelée à l'audience si un élément nouveau et pertinent en l'espèce justifie un débat oral contradictoire.]1

  
Art. 27. De aanwezigen wonen de zitting bij met onbedekt hoofd, eerbiedig en in stilte; hetgeen de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
  Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar, hetzij de (staatsraden), hetzij de leden van het auditoraat de functies van hun ambt waarnemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 27. Ceux qui assistent aux audiences se tiennent découverts, dans le respect et le silence; tout ce que le président ordonne pour le maintien de l'ordre est exécuté ponctuellement et à l'instant.
  La même disposition est observée dans les lieux où, soit les conseillers, soit les membres de l'auditorat exercent des fonctions de leur état.
Art. 28. <KB 2007-04-25/32, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De partijen en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.
Art. 28. <AR 2007-04-25/32, art. 26, 007; En vigueur : 01-06-2007> Les parties et leurs avocats sont avisés de la date de l'audience quinze jours d'avance.
Art. 29. <KB I 15-07-1956, art. 5> Een andere (staatsraad) dan degene die eventueel het aanvullend verslag over de onderzoeksverrichtingen heeft opgemaakt, (zet de stand van de zaak uiteen). <KB 2007-04-25/32, art. 27 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (...), de partijen en hun advocaten kunnen mondelinge opmerkingen naar voren brengen. <KB 2007-04-25/32, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet.
  Aan het einde van de debatten, geeft het lid van het auditoraat (verslaggever) zijn advies over de zaak. <KB 2007-04-25/32, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De voorzitter van de kamer verklaart daarna de debatten voor gesloten en houdt de zaak in beraad.
Art. 29. <AR I 15-07-1956, art. 5> Un conseiller, autre que celui qui a éventuellement rédigé le rapport complémentaire sur les devoirs d'instruction, (expose l'état de l'affaire). <AR 2007-04-25/32, art. 27, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  (...), les parties et leurs avocats peuvent présenter des observations orales. <AR 2007-04-25/32, art. 27, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Il ne peut être produit d'autres moyens que les moyens développés dans la requête ou les mémoires.
  A la fin des débats, le membre de l'auditorat (...) donne son avis sur l'affaire. <AR 2007-04-25/32, art. 27, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Le président de la chambre prononce ensuite la clôture des débats et met la cause en délibéré.
Hoofdstuk II. - De verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling.
Chapitre II. - Des renvois à l'assemblée générale de la section.
Art. 30. Zo er grond bestaat tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling, wordt (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) hiervan door de kamer in kennis gesteld. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 30. S'il y a lieu à renvoi devant l'assemblée générale de la section, la chambre en avise (le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif). <AR 2007-04-25/32, art. 57, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 31. Bij bevel gelast (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) een (staatsraad) verslag uit te brengen over de stand van de zaak. De aangewezen (staatsraad) kan zich door de leden van het auditoraat laten bijstaan. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 31. (Le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif) charge par ordonnance un conseiller de faire rapport sur l'état de l'affaire. Le conseiller désigné peut se faire assister par les membres de l'auditorat. <AR 2007-04-25/32, art. 57, 007; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 32. Door (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) wordt de algemene vergadering van de afdeling bijeengeroepen en voor het overige wordt gehandeld in overeenstemming met het bepaalde bij de artikelen 13 tot 29. De bij artikel 15 voorziene termijnen gaan evenwel slechts in met de dag waarop (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) een verslaggever heeft aangewezen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 32. (Le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif) convoque l'assemblée générale de la section et il est procédé pour le surplus, conformément aux articles 13 à 29. Toutefois, les délais prévus à l'article 15 ne prennent cours qu'à dater du jour où (le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif) a désigné un rapporteur. <AR 2007-04-25/32, art. 57, 007; En vigueur : 01-06-2007>
TITEL III. - DE (...) ARRESTEN
TITRE III. - DES (...) ARRETS.
Art. 34. <KB I 15-07-1956, art. 6> (Het arrest) bevat de gronden en het beschikkend gedeelte en vermeldt : <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  1) (de namen, de woonplaats of de zetel van de partijen, de door hen gekozen woonplaats en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die deze vertegenwoordigt;) <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) de bepalingen op het gebruik der talen, die zijn toegepast;
  3) de oproeping van partijen, van hun advocaten (...), alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting; <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  4) (het feit dat het advies van het lid van het auditoraat al dan niet overeenstemt met het arrest;) <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  5) de uitspraak [1 ...]1, de datum daarvan en de namen der (staatsraden) die er over hebben beraadslaagd. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 34. <AR I 15-07-1956, art. 6> (L'arrêt) contient les motifs et le dispositif et porte mention: <AR 2007-04-25/32, art. 30, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  1) (les noms, domicile ou siège des parties, leur domicile élu et, le cas échéant, les nom et qualité de la personne qui les représente;) <AR 2007-04-25/32, art. 30, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  2) des dispositions sur l'emploi des langues dont il est fait application;
  3) de la convocation des parties, de leurs avocats (...), ainsi que de leur présence éventuelle à l'audience; <AR 2007-04-25/32, art. 30, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  4) (de l'indication que l'avis du membre de l'auditorat est ou non conforme à l'arrêt;) <AR 2007-04-25/32, art. 30, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  5) du prononcé [1 ...]1 de la date de celui-ci et du nom des conseillers qui en ont délibéré.
  
Art. 35. De (...) arresten worden door de voorzitter en de griffier getekend. <KB 2007-04-25/32, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 35. Les (...) arrêts sont signés par le président et le greffier. <AR 2007-04-25/32, art. 31, 007; En vigueur : 01-06-2007>
TITEL IV. - BETEKENING EN UITVOERING.
TITRE IV. - DE LA NOTIFICATION ET DE L'EXECUTION.
Art. 36. <KB 2007-04-25/32, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De arresten worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen.
  Evenwel wordt bij gewone brief een ongezegeld afschrift toegezonden van de arresten die besluiten tot uitdrukkelijke afstand of tot een vermoeden van afstand of die de afwezigheid van het vereiste belang vaststellen, met toepassing van de artikelen [1 17, § 7]1, en 21, [1 tweede en zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, van de arresten waarin een zaak van de rol wordt geschrapt, alsmede van de arresten waarin besloten wordt dat het beroep doelloos is.
  
Art. 36. <AR 2007-04-25/32, art. 32, 007; En vigueur : 01-06-2007> Les arrêts sont notifiés aux parties par les soins du greffier.
  Toutefois, les arrêts qui décrètent le désistement exprès ou présumé ou qui constatent l'absence de l'intérêt requis, par application des articles [1 17, § 7]1, et 21, [1 alinéas 2 et 7]1, des lois coordonnées, qui rayent une affaire du rôle ainsi que les arrêts qui décident qu'il n'y a plus lieu de statuer font l'objet d'un envoi en copie libre sous pli ordinaire.es ou présumé ou qui constatent l'absence de l'intérêt requis, par application des articles 17, § 4ter et 21, alinéas 2 et 6, des lois coordonnées, ainsi que les arrêts qui décident qu'il n'y a plus lieu à statuer font l'objet d'un envoi en copie libre sous pli ordinaire) <AR 1997-02-17/36, art. 1er, En vigueur : 01-04-1997>
  
Art. 37. <KB 29-04-1959, art. 1> De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning verzekert hun uitvoering. De griffier brengt op de uitgiften, na het beschikkend gedeelte, en naar gelang van het geval, een der hiernavolgende uitvoeringsformulieren aan :
  "De ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte (gerechtsdeurwaarders) zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. <W 05-07-1963, art. 48>
  Les ministres et les autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir à l'exécution du présent arrêt. Les (huissiers de justice) à ce requis ont à y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. <W 05-07-1963, art. 48>
  Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangsmittel ihren Beistand zu leisten".
  De uitgiften worden afgegeven door de griffier, die ze tekent en ze met het zegel van de Raad van State bekleedt.
Art. 37. <AR 29 avril 1959, art. 1er> Les arrêts sont exécutoires de plein droit. Le Roi en assure l'exécution. Le greffier appose sur les expéditions, à la suite du dispositif, et suivant le cas, l'une des formules exécutoires ci-après :
  "Les Ministres et autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir à l'exécution du présent arrêt. Les (huissiers de justice) à ce requis ont à y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. <L 05-07-1963, art. 48>
  De Ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte (gerechtsdeurwaarders) zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. <L 05-07-1963, art. 48>
  Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangsmittel ihren Beistrand zu leisten."
  Les expéditions sont délivrées par le greffier, qui les signe et les revêt du sceau du Conseil d'Etat.
Art. 39. In geval van vernietiging of van wijziging worden de arresten bekendgemaakt in dezelfde vormen als de akten, reglementen of beslissingen die vernietigd werden.
  De Raad van State beslist of het arrest geheel of gedeeltelijk dient bekendgemaakt.
  (Deze bekendmaking wordt onverwijld gedaan door de verwerende partij, op verzoek van de hoofdgriffier.) <KB 2007-04-25/32, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 39. En cas d'annulation ou de réformation, les arrêts sont publiés dans les mêmes formes que les actes, règlements ou décisions annulés ou réformés.
  Le Conseil d'Etat détermine si l'arrêt doit être publié en entier ou par extrait.
  (Cette publication est faite sans délai par la partie adverse à la requête du greffier en chef.) <AR 2007-04-25/32, art. 33, 007; En vigueur : 01-06-2007>
TITEL V. - (VERZET, DERDEN-VERZET EN BEROEP TOT HERZIENING).
TITRE V. - (DES OPPOSITIONS, TIERCES OPPOSITIONS ET RECOURS EN REVISION).
Hoofdstuk I. - Het verzet.
Chapitre Ier- Des oppositions.
Art. 40. Zijn alleen vatbaar voor verzet, de arresten gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB II 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het verzet schorst de uitvoering niet, terzij er anders over beslist wordt, hetzij in het arrest, hetzij bij een later bevelschrift.
  [1 Het verzet wordt ambtshalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het verzet gericht is.]1
  
Art. 40. Sont seuls susceptibles d'opposition, les arrêts rendus en application des (articles [1 11bis,]1 14, §§ 1er et 3, et 16, des lois coordonnées) (...). <AR II 15-07-1956, art. 13> <AR 2007-04-25/32, art. 34, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  L'opposition n'est point suspensive, à moins qu'il n'en soit autrement décidé, soit dans l'arrêt, soit par une ordonnance ultérieure.
  [1 L'opposition est étendue de plein droit à l'arrêt condamnant la partie adverse au paiement d'une indemnité réparatrice, si cet arrêt se fonde sur l'illégalité constatée dans l'arrêt contre lequel l'opposition est dirigée.]1
  
Art. 41. Wordt geacht verstek te hebben laten gaan, de partij die zich (voor de afdeling bestuursrechtspraak) van alle verdediging onthield. <KB 2007-04-25/32, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het verzet is slechts ontvankelijk zo de eiser in verzet in de onmogelijkheid verkeerde zich te verdedigen.
  Het verzet tegen een arrest dat een eerste verzet heeft afgewezen, is onontvankelijk.
  Het verzet van de verzoekende of tussenkomende partij zal steeds onontvankelijk zijn.
Art. 41. Est réputée défaillante, la partie qui s'est abstenue de toute défense (devant la section du contentieux administratif). <AR 2007-04-25/32, art. 35, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  L'opposition n'est recevable que si l'opposant s'est trouvé dans l'impossibilité de se défendre.
  Elle ne peut être reçue contre un arrêt qui aurait débouté d'une première opposition.
  La partie requérante ou intervenante n'est jamais recevable à faire opposition.
Art. 42. Het verzet is slechts ontvankelijk binnen dertig dagen na de betekening van het arrest.
Art. 42. L'opposition n'est recevable que dans les trente jours de la notification de l'arrêt.
Art. 43. Het verzet wordt gedaan bij verzoekschrift, gesteld overeenkomstig de artikelen 1 en 2.
  In het verzoekschrift worden bovendien de omstandigheden uiteengezet waardoor hij die verzet doet in de onmogelijkheid werd gesteld zich te verdedigen.
Art. 43. L'opposition est formée par requête rédigée conformément aux articles 1er et 2.
  La requête indique, en outre, les circonstances qui ont mis l'opposant dans l'impossibilité de se défendre.
Art. 44. [1 Nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, verzendt de hoofdgriffier een kopie van het verzoekschrift aan de verwerende partij.]1
  
Art. 44. [1 Après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71, le greffier en chef envoie une copie de la requête à la partie adverse.]1
  
Art. 45. Binnen vijftien dagen, kan de (verwerende partij) ter griffie een memorie van antwoord laten geworden. Deze termijn kan niet verlengd worden. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Een afschrift van de memorie wordt door de griffier aan de eiser in verzet overgemaakt.
Art. 45. Dans les quinze jours, la partie adverse peut transmettre au greffe un mémoire en réponse. Ce délai ne peut être prorogé.
  Le greffier transmet une copie du mémoire de l'opposant.
Art. 46. Bij het verstrijken van de termijn voorgeschreven voor het overmaken van de memorie van antwoord, dient gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 12 en volgende.
Art. 46. A l'expiration du délai imposé pour la transmission du mémoire en réponse, il est procédé conformément aux articles 12 et suivants.
Hoofdstuk II. - Het derden-verzet.
Chapitre II. - Des tierces oppositions.
Art. 47. Zijn alleen vatbaar voor derden-verzet de arresten gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB II 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 36, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het derden-verzet schorst de uitvoering niet tenzij anders beslist wordt bij bevel van de voorzitter der kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  [1 Het derden-verzet wordt ambtshalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het derden-verzet gericht is.]1
  
Art. 47. Sont seuls susceptibles de tierce opposition, les arrêts rendus en application des (articles [1 11bis,]1 14, §§ 1er et 3, et 16, des lois coordonnées) (...). <AR II 15-07-1956, art. 13> <AR 2007-04-25/32, art. 36, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  La tierce opposition n'est point suspensive, à moins qu'il en soit autrement décidé par ordonnance du président de la chambre saisie.
  [1 La tierce opposition est étendue de plein droit à l'arrêt condamnant la partie adverse au paiement d'une indemnité réparatrice, si cet arrêt se fonde sur l'illégalité constatée dans l'arrêt contre lequel la tierce opposition est dirigée.]1
  
Art. 48. Kan derden-verzet doen om het even wie zich wil verzetten tegen een arrest dat zijn rechten benadeelt en waarbij noch hij, noch degenen die hij vertegenwoordigt, partij zijn geweest.
  Is niet ontvankelijk het derden-verzet van hem die verzuimd heeft vrijwillig tussen te komen in de zaak, wanneer hij er nochtans kennis van had.
Art. 48. Peut former tierce opposition quiconque veut s'opposer à un arrêt qui préjudicie à ses droits et auquel ni lui ni ceux qu'il représente n'ont été parties.
  N'est pas recevable à former tierce opposition celui qui s'est abstenu d'intervenir volontairement dans l'affaire, alors qu'il en avait connaissance.
Art. 49. Het derden-verzet is slechts ontvankelijk binnen dertig dagen na de bekendmaking van het arrest en bij ontstentenis hiervan, binnen dertig dagen na de uitvoering.
Art. 49. La tierce opposition n'est recevable que dans les trente jours de la publication de l'arrêt et, à défaut de celle-ci, dans les trente jours de son exécution.
Art. 50. Het derden-verzet wordt gedaan bij verzoekschrift gesteld overeenkomstig de artikelen 1 en 2. Een afschrift er van wordt door de griffier aan de (verwerende partijen) overgemaakt [1 nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald]1. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het derden-verzet wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen.
  
Art. 50. La tierce opposition est formée par requête rédigée conformément aux articles 1er et 2. Le Greffier en transmet une copie aux parties adverses [1 , après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71]1.
  La tierce opposition est portée devant la chambre qui a rendu l'arrêt attaqué.
  
Hoofdstuk III. - (De beroepen tot herziening.)
Chapitre III. - (Des recours en révision.) .
Art. 50bis. <KB 17-11-1955, art. 1> Zijn alleen vatbaar voor beroep tot herziening de arresten op tegenspraak gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB I 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 37, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij er anders wordt over beschikt bij bevel van de voorzitter van de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  [1 Het beroep tot herziening wordt ambsthalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het beroep tot herziening gericht is.]1
  
Art. 50bis. Sont seuls susceptibles de recours en révision les arrêts contradictoires rendus en application des (articles [1 11bis,]1 14, §§ 1er et 3, et 16, des lois coordonnées) (...). <AR I 15-07-1956, art. 13> <AR 2007-04-25/32, art. 37, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Le recours en révision n'est pas suspensif, à moins qu'il n'en soit décidé autrement par ordonnance du président de la chambre saisie.
  [1 Le recours en révision est étendu de plein droit à l'arrêt condamnant la partie adverse au paiement d'une indemnité réparatrice, si cet arrêt se fonde sur l'illégalité constatée dans l'arrêt contre lequel le recours en révision est dirigé.]1
  
Art. 50ter. <KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening kan alleen worden ingesteld door degenen die bij het bestreden arrest partij waren.
Art. 50ter. Le recours en révision ne peut être formé que par ceux qui ont été parties à l'arrêt attaqué.
Art. 50quater. <KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening is slechts ontvankelijk wanneer het ingesteld wordt binnen zestig dagen nadat ontdekt werd dat het stuk vals is of dat het achtergehouden stuk bestaat.
Art. 50quater. Le recours en révision n'est recevable que s'il n'est formé dans les soixante jours de la découverte de la fausseté de la pièce ou de l'existence de la pièce retenue.
Art. 50quinquies. <KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening wordt gedaan bij een overeenkomstig de artikelen 1 en 2 gesteld verzoekschrift. [1 Nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, wordt een afschrift van het verzoekschrift door de hoofdgriffier gestuurd aan de andere partijen in het bestreden arrest.]1
  Het beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen.
  
Art. 50quinquies. Le recours en révision est formé par requête rédigée conformément aux articles 1er et 2. [1 Après que le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, ont été acquittés conformément à l'article 71, une copie de la requête est envoyée par le greffier en chef aux autres parties à l'arrêt attaqué.]1
  Le recours en révision est porté devant la chambre qui a rendu l'arrêt attaqué.
  
Art. 50sexies. <KB 17-11-1955, art. 1> Geen beroep tot herziening kan ingesteld worden tegen het arrest dat een zodanig beroep heeft verworpen, of tegen het arrest dat, na het beroep te hebben aangenomen, ten principale uitspraak zal hebben gedaan.
  Een zelfde partij mag geen tweede beroep tot herziening instellen tegen een arrest, waartegen zij reeds dat rechtsmiddel heeft aangewend.
Art. 50sexies. Il ne peut être formé de recours en révision ni contre l'arrêt qui aura rejeté un tel recours, ni contre l'arrêt qui, l'ayant admis, aura statué sur le rescisoire.
  Un second recours en révision ne peut être formé par une même partie contre un arrêt qui aura déjà été attaqué par elle par cette voie.
TITEL VI. - DE TUSSENGESCHILLEN.
TITRE VI. - DES INCIDENTS.
Hoofdstuk I. - Inschrijving van valsheid.
Chapitre I. - De l'inscription de faux.
Art. 51. Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de (staatsraad) of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
  Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden.
  Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.
Art. 51. Dans le cas où une partie s'inscrit en faux contre une pièce produite, le conseiller ou le membre de l'auditorat chargé de l'instruction, ou la chambre saisie, invite la partie qui l'a produite à déclarer sans délai si elle persiste dans son intention de s'en servir.
  Si la partie ne satisfait pas à cette demande ou si elle déclare qu'elle n'entend pas se servir de la pièce, celle-ci sera rejetée.
  Si elle déclare vouloir s'en servir, rapport en sera fait sans délai à la chambre saisie.
  Lorsque celle-ci estime que la pièce arguée de faux est sans influence pour sa décision définitive, il est passé outre.
  Si, par contre, elle estime que la pièce est essentielle pour la solution du litige, elle sursoit à statuer jusqu'après le jugement par la juridiction compétente.
Hoofdstuk II. - (De tussenkomst.)
Chapitre II. - (De l'intervention.)
Art. 52 ,[1 § 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ingediend uiterlijk binnen een termijn van [2 zestig]2 dagen na de ontvangst van de zending bedoeld in artikel 6, § 4, of de bekendmaking van het bericht bedoeld in artikel 3quater.
   Bij ontstentenis van kennisgeving of bekendmaking kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt.
   § 2. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
   § 3. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
   1° het opschrift " verzoekschrift tot tussenkomst ";
   2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker tot tussenkomst en de gekozen woonplaats;
   3° de vermelding van de zaak waarin tot tussenkomst verzocht wordt en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
   4° een uiteenzetting van het belang dat de verzoeker tot tussenkomst heeft bij de beslechting van de zaak.
  [2 Als voor het verzoekschrift tot tussenkomst een verdere uiteenzetting nodig is, bevat het een samenvatting van de argumenten van de tussenkomende partij.]2
   § 4. Artikel 2, § 2, artikel 3, 4°, en artikel 84, § 2, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
   § 5. Elk verzoekschrift tot tussenkomst geldt zowel voor het beroep tot nietigverklaring als voor de eventuele vorderingen die er een accessorium van zijn.]1

  
Art. 52. [1 § 1er. La requête en intervention est introduite dans un délai de [2 soixante]2 jours au plus tard après la réception de l'envoi visé à l'article 6, § 4, ou la publication de l'avis visé à l'article 3quater.
   En l'absence de notification ou de publication, la chambre saisie de l'affaire peut permettre une intervention ultérieure pour autant qu'elle ne retarde pas la procédure.
   § 2. La requête en intervention est signée par le demandeur en intervention ou par un avocat satisfaisant aux conditions que fixe l'article 19, alinéa 4, des lois coordonnées.
   § 3. La requête est datée et contient :
   1° l'intitulé " requête en intervention ";
   2° les nom, qualité, domicile ou siège du demandeur en intervention et le domicile élu;
   3° l'indication de l'affaire dans laquelle il demande à intervenir ainsi que le numéro de rôle sous lequel l'affaire est inscrite, s'il est connu;
   4° un exposé de l'intérêt qu'a le demandeur en intervention à la solution de l'affaire.
  [2 Si la requête en intervention nécessite des développements, elle comprend un résumé des arguments de la partie intervenante.]2
   § 4. L'article 2, § 2, l'article 3, 4°, et l'article 84, § 2, sont applicables à la requête en intervention.
   § 5. Toute demande d'intervention vaut tant pour la procédure au fond que pour d'éventuelles procédures qui lui sont accessoires.]1

  
Art. 53. [1 [2 ...]2
   Indien de tussenkomst werd toegelaten in de procedure in kort geding, zijn de termijnen waarover de tussenkomende partij beschikt om een memorie in te dienen, dezelfde als de termijnen voor de verwerende partij.]1

  
Art. 53. [1 [2 ...]2
   Si l'intervention a été accueillie dans la procédure en référé, les délais dont dispose la partie intervenante pour déposer un mémoire sont les mêmes que ceux dont dispose la partie adverse.]1

  
Hoofdstuk III. - De hervatting van het rechtsgeding.
Chapitre III. - De la reprise d'instance.
Art. 55. Zo, vóór de sluiting der debatten, een der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het rechtsgeding.
  Behoudens spoedeisend geval, wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris op te maken en te beraadslagen.
Art. 55. Si, avant la clôture des débats, l'une des parties vient à décéder, il y a lieu à reprise d'instance.
  Hormis le cas d'urgence, la procédure est suspendue pendant le délai accordé aux héritiers pour faire inventaire et délibérer.
Art. 56. De rechthebbenden van de overledene hervatten het recht sgeding bij een verzoekschrift dat, gesteld overeenkomstig artikel 1, ter griffie wordt ingediend.
  De griffier maakt een kopie van dit verzoekschrift over aan de partijen.
Art. 56. Les ayants droit du défunt reprennent l'instance par requête adressée au greffe, rédigée conformément à l'article 1er.
  Le greffier transmet une copie de cette requête aux parties.
Art. 57. Bij het verstrijken der termijnen voor het opmaken van inventaris en voor beraad wordt de rechtspleging geldig hervat tegen de rechthebbenden van de overledene, bij verzoekschrift gesteld overeenkomstig artikel 1.
Art. 57. Après l'expiration des délais pour faire inventaire et délibérer, la procédure est valablement reprise contre les ayants droit du défunt, par requête rédigée conformément à l'article 1er.
Art. 58. In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie.
Art. 58. Dans les autres cas où il y a lieu à reprise d'instance, celle-ci se fait par déclaration au greffe.
Hoofdstuk IV. - De afstand van het geding.
Chapitre IV. - Du désistement.
Art. 59. Wanneer uitdrukkelijk wordt afgezien van de vraag, doet de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, zonder verwijl over de afstand uitspraak.
Art. 59. Lorsqu'il y a renonciation expresse à la demande, la chambre saisie se prononce sans délai sur le désistement.
Hoofdstuk V. - De verknochtheid.
Chapitre V. - De la connexité.
Art. 60. Zo er grond toe bestaat door eenzelfde arrest uitspraak te doen over meerdere zaken, die bij verschillende kamers aanhangig zijn, kan (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt), hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de auditeur-generaal, hetzij op verzoek van de partijen, bij bevel de kamer aanwijzen die van de zaken zal kennis nemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Dit bevelschrift wordt door de griffier aan de partijen betekend.
  Geldt het zaken die bij dezelfde kamer aanhangig zijn, kan de samenvoeging er van door deze kamer bevolen worden.
Art. 60. S'il y a lieu de statuer par un seul et même arrêt sur plusieurs affaires pendantes devant des chambres différentes, (le chef de corps qui dirige la section du contentieux administratif) peut désigner par ordonnance, soit d'office, soit à la demande de l'auditeur général, soit à la demande des parties, la chambre qui en connaîtra. <AR 2007-04-25/32, art. 57, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  Le greffier notifie cette ordonnance aux parties.
  Lorsqu'il s'agit d'affaires pendantes devant la même chambre, la jonction peut en être ordonnée par la chambre saisie.
Hoofdstuk VI. - De wraking.
Chapitre VI. - De la récusation.
Art. 62. (De leden van de afdeling bestuursrechtspraak en van het auditoraat) kunnen gewraakt worden in het geval voorzien bij voorgaand artikel alsmede om de redenen die (luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek) tot wraking aanleiding geven. <KB 31-12-1968, art. 2> <KB 2007-04-25/32, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Ieder lid van de afdeling bestuursrechtspraak of van het auditoraat dat weet dat hem een grond van wraking treft, moet, naargelang van het geval de kamer of de auditeur-generaal daarvan verwittigen, die beslist of het lid van de bedoelde afdeling of van het auditoraat zich al dan niet moet onthouden.) <KB 2007-04-25/32, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 62. (Les membres de la section du contentieux administratif et de l'auditorat) peuvent être récusés dans le cas prévu à l'article précédent et pour les causes qui donnent lieu à récusation (aux termes des articles 828 et 830 du Code judiciaire). <AR 31-12-1968, art. 2> <AR 2007-04-25/32, art. 41, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  (Tout membre de la section du contentieux administratif ou de l'auditorat qui sait cause de récusation en sa personne est tenu de le déclarer selon le cas à la chambre ou à l'auditeur général, qui décide s'il doit s'abstenir.) <AR 2007-04-25/32, art. 41, 008; En vigueur : 01-06-2007>
Art. 63. Hij die wil wraken moet het doen zodra hij van de wrakingsgrond heeft kennis gehad.
Art. 63. Celui qui veut récuser doit le faire dès qu'il a eu connaissance de la cause de récusation.
Art. 64. De wraking wordt, overeenkomstig artikel 1, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd.
Art. 64. La récusation est proposée par requête motivée, conformément à l'article 1er.
Art. 65. Nadat de wrakende partij en het gewraakte lid zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.
Art. 65. Il est statué sans délai sur la récusation, le récusant et le membre récusé entendus.
Hoofdstuk VII. [1 - De beslissing tot herstel.]1
Chapitre VII. [1 - La décision réparatrice.]1
Art. 65/1. [1 Ter uitvoering van artikel 38, § 10, van de gecoördineerde wetten worden specifiek aangewezen, de geschillen:
   1° inzake de akten en reglementen genomen met toepassing van het decreet van het Vlaamse Gewest van 25 april 2014 `betreffende complexe projecten';
   2° inzake de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen bedoeld in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, titel II, hoofdstuk II, afdeling 2;
   3° inzake de besluiten van de Waalse Regering tot herziening van een gewestplan als bedoeld in boek II, titel II van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ontwikkeling;
   4° inzake de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van een gewestelijk bestemmingsplan als bedoeld in titel II, hoofdstuk III, van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening.]1

  
Art. 65/1. [1 Les contentieux visés à l'article 38, § 10, des lois coordonnées sont :
   1° les actes et règlements pris en application du décret flamand du 25 avril 2014 relatif aux projets complexes ;
   2° les arrêtés du Gouvernement flamand opérant une révision d'un plan régional d'exécution spatial visé à la section 2 du chapitre II du titre II du Code flamand de l'aménagement du territoire ;
   3° les arrêtés du Gouvernement wallon opérant une révision d'un plan de secteur visé au titre II du livre II du Code wallon du développement territorial ;
   4° les arrêtés du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale opérant une modification du plan régional d'affectation du sol visé au chapitre III du titre II du Code bruxellois de l'aménagement du territoire.]1

  
Art. 65/2. [1 § 1. De kamervoorzitter beslist over de verlenging van de termijn waarbinnen de in artikel 38 van de gecoördineerde wetten bedoelde beslissing tot herstel kan worden genomen.
   § 2. De verwerende partij voegt aan de beslissing tot herstel die zij aan de afdeling bestuursrechtspraak bezorgt, het betrokken administratief dossier toe.
   De hoofdgriffier brengt de beslissing tot herstel ter kennis van de andere partijen en stelt hen in kennis van de neerlegging van het administratief dossier ter griffie. Zij beschikken over dertig dagen om schriftelijk hun opmerkingen te geven over de wijze en de wettigheid van het herstel van het gebrek dat in het tussenarrest werd vastgesteld.
   De verwerende partij beschikt over dertig dagen om op de schriftelijke opmerkingen te antwoorden, te rekenen van de kennisgeving ervan door de hoofdgriffier.
   Het aangewezen lid van het auditoraat stelt over het herstel in de beslissing tot herstel een verslag op, waarna de kamervoorzitter een zittingsdag bepaalt.
   § 3. Indien de afdeling bestuursrechtspraak niet binnen de gestelde termijn van een beslissing tot herstel in kennis is gesteld, brengt de hoofdgriffier op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat de partijen ter kennis dat de kamer uitspraak doet over de nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement, tenzij een van die partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.
   Indien geen enkele partij vraagt om te worden gehoord, verklaart de kamer de bestreden akte of het bestreden reglement nietig.
   Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen.
   Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over het beroep tot nietigverklaring.]1

  
Art. 65/2. [1 § 1er. Le président de chambre statue sur la prolongation du délai dans lequel la décision réparatrice visée à l'article 38 des lois coordonnées peut être prise.
   § 2. La partie adverse joint le dossier administratif concerné à la décision réparatrice qu'elle communique à la section du contentieux administratif.
   Le greffier en chef notifie la décision réparatrice aux autres parties et les informe du dépôt du dossier administratif au greffe. Celles-ci disposent d'un délai de trente jours pour communiquer leurs observations écrites sur les modalités et la légalité de la réparation du vice constaté dans l'arrêt interlocutoire.
   La partie adverse dispose d'un délai de trente jours pour répondre aux observations écrites, à dater de la notification de ceux-ci par le greffier en chef.
   Le membre de l'auditorat désigné rédige un rapport concernant la réparation dans la décision réparatrice, après quoi le président de chambre fixe une date d'audience.
   § 3. Si la section du contentieux administratif n'est pas informée, dans le délai prescrit, d'une décision réparatrice, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, informe les parties que la chambre va statuer sur l'annulation de l'acte ou du règlement attaqué, à moins qu'une de ces parties demande, dans un délai de quinze jours, à être entendue. Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.
   Si aucune partie ne demande à être entendue, la chambre annule l'acte ou le règlement attaqué.
   Si une partie demande à être entendue, le président ou le conseiller d'Etat désigné convoque les parties à comparaître à bref délai.
   Après avoir entendu les parties et l'avis du membre de l'auditorat désigné, la chambre statue sans délai sur le recours en annulation.]1

  
TITEL VII. - KOSTEN EN [1 rechtsbijstand]1.
TITRE VII. - DES DEPENS ET [1 de l'assistance judiciaire]1.
Hoofdstuk I. - Kosten.
Chapitre I. - Des dépens .
Art. 66. <KB I 15-07-1956, art. 8> De kosten omvatten :
  1) de [1 in artikel 70 bedoelde]1 rechten; <KB 2007-04-25/32, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) de honoraria en verschotten van de deskundigen;
  3) het getuigengeld.
  [1 4° de verblijf- en de reiskosten veroorzaakt door onderzoeksdaden;]1
  [2 5° de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 67.]2
  [3 6° de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand."
   De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.]3

  
Art. 66. <AR I 15-07-1956, art. 8> Les dépens comprennent :
  1° les [1 droits visés à l'article 70]1); <AR 2007-04-25/32, art. 42, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  2° les honoraires et déboursés des experts;
  3° les taxes des témoins.
  [1 4° les frais de séjour et de déplacement occasionnés par des mesures d'instruction;]1
  [2 5° l'indemnité de procédure visée à l'article 67.]2
  [3 6° la contribution visée à l'article 4, § 4, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne."
   La disposition insérée par l'alinéa précédent peut être abrogée, complétée, modifiée ou remplacée par le Roi.]3

  
Art. 67. [1 § 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.
   In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het maximumbedrag 2.800 euro voor de geschillen betreffende de regelgeving inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.
   § 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring.
   De bedragen van deze verhogingen worden gecumuleerd, maar de zo verhoogde rechtsplegingvergoeding mag niet meer bedragen dan 140 procent van het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1.
   Er is geen verhoging verschuldigd, met name als de afdeling bestuursrechtspraak beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, of als de artikelen 11/2 tot 11/4 van dit besluit van toepassing zijn.
   § 3. De basis-, minimum- en maximumbedragen zijn verbonden aan de consumptieprijsindex die overeenstemt met 100,66 punten (basis 2013). Elke wijziging naar boven of naar beneden van 10 punten zal een vermeerdering of vermindering van 10 % van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde bedragen met zich meebrengen.
   De nieuwe bedragen die voortvloeien uit die wijzigingen zijn van toepassing op de 1ste dag van de maand die volgt op de dag waarop de drempel van 10 % wordt bereikt.
   De minister van Binnenlandse Zaken is gemachtigd tot het aanpassen van de bedragen van dit besluit overeenkomstig de formule van het eerste lid.]1

  
Art. 67. [1 § 1. Le montant de base de l'indemnité de procédure est de 700 euros, le montant minimum de 140 euros et le montant maximum de 1.400 euros.
   Par dérogation à l'alinéa qui précède, le montant maximum est porté à 2.800 euros pour les litiges relatifs à la réglementation sur les marchés publics et certains marchés de travaux, de services et de fournitures.
   § 2. Le montant de base, minimum ou maximum visé au paragraphe 1er est majoré d'une somme correspondant à 20 pourcents de ce montant si le recours en annulation est assorti d'une demande de suspension ou de mesures provisoires, ou si la demande de suspension ou de mesure provisoire est introduite sous le bénéfice de l'extrême urgence et est accompagnée d'un recours en annulation.
   Les montants de ces majorations sont cumulés, sans que le montant total de l'indemnité de procédure ainsi majorée ne puisse dépasser un montant supérieur à 140 pourcents du montant de base, minimum ou maximum visé au paragraphe 1er.
   Aucune majoration n'est due notamment si la section du contentieux administratif décide que le recours en annulation est sans objet, qu'il n'appelle que des débats succincts, ou s'il est fait application des articles 11/2 à 11/4 du présent arrêté.
   § 3. Les montants de base, minima et maxima sont liés à l'indice des prix à la consommation correspondant à 100,66 points (base 2013). Toute modification en plus ou en moins de 10 points entraînera une augmentation ou une diminution de 10 p.c. des sommes visées au paragraphe 1er du présent article.
   Les nouveaux montants résultant de ces modifications sont d'application le 1er jour du mois qui suit celui où le seuil de 10 p.c. a été a atteint.
   Le ministre de l'Intérieur est habilité à adapter les montants du présent arrêté conformément à la formule de l'alinéa 1er.]1

  
Art. 68. ((Wanneer de Raad van State bij arrest uitspraak doet, worden de honoraria en voorschotten van de deskundigen evenals het getuigengeld door de verzoeker voorgeschoten; de Raad kan de consignatie van een voorschot gelasten.) <KB 2007-07-19/32, art. 2, 1°, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  (Is de aanvraag of het beroep door een publiekrechtelijke rechtspersoon ingediend, dan worden de rechten bedoeld [1 in artikel 70 bedoelde ]1 [2 en de in artikel 66, 6°, bedoelde bijdrage]2 door de griffier van de Raad van State in debet begroot, en worden de honoraria en voorschotten der deskundigen alsmede het getuigengeld voorgeschoten door de Federale Overheidsdienst Financiën en als uitgaven in de rekeningen ten bezware der begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.) <KB 2007-04-25/32, art. 43, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 De Raad van State begroot de in artikel 66 bedoelde uitgaven en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan.]1
  (Wanneer verzocht wordt om de schorsing van de uitvoering van de akte of het reglement van een administratieve overheid, worden in het arrest van de Raad van State terzelfdertijd de kosten van de vordering tot schorsing en deze van het verzoekschrift tot nietigverklaring begroot en wordt uitspraak gedaan over de bijdrage in de betaling ervan op het moment dat daarin uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  In ieder geval wordt het geheel van de kosten die zowel verband houden met de vordering tot schorsing als met het verzoekschrift tot nietigverklaring, ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.
  Wanneer de vordering ot schorsing echter niet vergezeld of gevolgd wordt door een verzoekschrift tot nietigverklaring, worden in het arrest dat de schorsing opheft, de kosten begroot, waarbij zij ten laste gelegd worden [3 van de partij die geacht wordt in het ongelijk te zijn gesteld]3).
  
Art. 68. ((Lorsque le Conseil d'Etat statue par voie d'arrêt, les honoraires et déboursés des experts ainsi que les taxes des témoins sont avancés par le requérant; la consignation d'une provision peut être ordonnée par le Conseil.) <AR 2007-07-19/32, art. 1, 1°, 009; En vigueur : 11-08-2007>
  (Lorsque la demande ou le recours est introduit par une personne de droit public, les [1 droits visés à l'article 70]1 [2 et la contribution visée à l'article 66, 6°, ]2 sont [3 liquidés]3 en débet par le greffier du Conseil d'Etat et les honoraires et déboursés des experts, ainsi que les taxes des témoins sont avancés par le Service public fédéral Finances et portés en dépenses dans les comptes à charge du Service public fédéral Intérieur.) <AR 2007-04-25/32, art. 43, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  [1 Le Conseil d'Etat liquide les dépens visés à l'article 66 et se prononce sur la contribution au paiement de ceux-ci.]1
  (Lorsque la suspension de l'exécution de l'acte ou du règlement d'une autorité administrative est demandée, l'arrêt du Conseil d'Etat liquide à la fois les dépens de la demande de suspension et ceux de la requête en annulation et se prononce sur la contribution au paiement de ceux-ci au moment où il statue sur la requête en annulation.
  En tout état de cause, l'ensemble des dépens, liés tant à la demande de suspension qu'à la requête en annulation, sont mis à charge de la partie qui succombe au fond.
  Toutefois, lorsque la demande de suspension n'est pas accompagnée ou suivie d'une requête en annulation, l'arrêt qui lève la suspension liquide les dépens en les mettant à charge [3 de la partie qui est réputée avoir succombé]3.) <AR 1997-02-17/36, art. 3, En vigueur : 01-04-1997>
  
Art. 69. <KB I 15-07-1956, art. 10> (De Federale Overheidsdienst Financiën doet invordering van de door de Raad van State in debet begrote rechten [1 , de in debet begrote bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°,]1 en van de andere kosten die dit bestuur heeft voorgeschoten.) <KB 2007-07-19/32, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  Te dien einde doet [1 de hoofdgriffier]1 aan [1 de bevoegde dienst van de FOD Financiën]1 een afschrift van (...) het eindarrest toekomen, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen. <KB 2007-04-25/32, art. 44, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 69. <AR I 15-07-1956, art. 10> (Le Service public fédéral Finances poursuit le recouvrement des [1 droits [2 et de la contribution visée à l'article 66, 6°,]2 liquidés en débet]1 par le Conseil d'Etat et des autres dépens dont cette administration a fait l'avance.) <AR 2007-07-19/32, art. 3, 009; En vigueur : 11-08-2007>
  A cette fin, [2 le greffier en chef]2 transmet [2 au service compétent du SPF Finances]2 une copie (...) de l'arrêt définitif, accompagnée d'un relevé détaillé des sommes à recouvrer. <AR 2007-04-25/32, art. 44, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 70. [1 § 1. Geven aanleiding tot de betaling van een recht van 200 euro :
   1° de verzoekschriften die een aanvraag inleiden tot vergoeding voor een buitengewone schade veroorzaakt door een administratieve overheid;
   2° [3 de verzoekschriften waarbij een beroep tot nietigverklaring van akten of reglementen ingesteld wordt en de vorderingen tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen, onder de voorwaarden bepaald in het tweede lid, alsook de verzoekschriften waarbij een cassatieberoep ingesteld wordt en de verzoeken tot schadevergoeding tot herstel;]3
   3° de verzoekschriften tot verzet, tot derden-verzet of tot herziening.
   [3 Wanneer een administratief kort geding wordt ingesteld samen met een beroep tot nietigverklaring worden het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2°, en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, enkel onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing of voor de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.]3 In dit geval is het recht voor het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij [4 artikel 17, § 9 of § 10]4, van de gecoördineerde wetten, en wordt het, naargelang van het geval, in debet ingeschreven of gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 2.
   Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de afdeling bestuursrechtspraak, en wanneer deze afdeling met toepassing van artikel 93 van dit besluit van mening is dat de vordering doelloos is of slechts korte debatten vereist, geeft het verzoekschrift tot nietigverklaring geen aanleiding tot de betaling van het recht.
   In het geval van een collectief verzoekschrift tot nietigverklaring moeten de verzoekers die de schorsing niet gevorderd hebben, op straffe van niet-ontvankelijkheid, onmiddellijk het recht kwijten dat verschuldigd is voor het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  [2 Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak het verzoek tot schadevergoeding tot herstel verwerpt bij een arrest dat wordt gewezen in toepassing van artikel 25/3, § 3, [3 zijn het daaraan verbonden recht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, niet verschuldigd]3.]2
   § 2. De verzoekschriften tot tussenkomst die ingediend worden ter zake van de geschillen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, geven aanleiding tot de betaling van een recht van 150 euro.
   Indien een persoon die belang heeft bij de oplossing van het geschil in het raam van de schorsingsprocedure werd toegelaten als tussenkomende partij in de vordering tot schorsing, dan geeft het indienen door deze partij van een verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in [4 artikel 17, § 9 of § 10]4, geen aanleiding tot het kwijten van een recht.
  [2 Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak het verzoek tot schadevergoeding tot herstel verwerpt bij een arrest dat wordt gewezen in toepassing van artikel 25/3, § 3, [3 is het aan die tussenkomst verbonden recht niet verschuldigd]3.]2
   § 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers zijn.
   § 4. Behoudens de kennisgevingen gedaan aan de partijen, geeft de afgifte door de griffier van een uitgifte, van een afschrift of van een uittreksel, ondertekend of niet, aanleiding tot de betaling van een recht van 50 cent per bladzijde, te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 273 en 274 van het Wetboek der registratie-, griffie- en hypotheekrechten.]1

  
Art. 70. [1 § 1er. Donnent lieu au paiement d'un droit de 200 euros :
   1° les requêtes introductives d'une demande d'indemnité relative à la réparation d'un dommage exceptionnel occasionné par une autorité administrative;
   2° [3 les requêtes introductives d'un recours en annulation contre les actes et règlements et les demandes de suspension ou de mesures provisoires, dans les conditions fixées par l'alinéa 2, ainsi que les requêtes introductives d'un recours en cassation et les demandes d'indemnité réparatrice;]3;
   3° les requêtes en opposition, en tierce opposition ou en révision.
   [3 Lorsqu'un référé administratif est introduit en même temps que la requête en annulation, le droit fixé à l'alinéa 1er, 2°, et la contribution visée à l'article 66, 6°, ne sont payés immédiatement que pour la demande de suspension ou la demande de mesures provisoires.]3 Dans ce cas, le droit pour la requête en annulation n'est dû que lors de l'introduction d'une demande de poursuite de la procédure visée par [4 l'article 17, § 9 ou § 10]4, des lois coordonnées et est, selon le cas, taxé en débet ou est acquitté par la ou les personnes qui demandent la poursuite de la procédure, sans préjudice du § 2.
   Lorsque la section du contentieux administratif est saisie d'une demande de suspension et d'une requête en annulation et qu'en application de l'article 93 du présent arrêté, elle estime que la demande est sans objet ou n'appelle que des débats succincts, la requête en annulation ne donne pas lieu au paiement du droit.
   En cas de requête collective en annulation, ceux des requérants qui n'ont pas demandé la suspension doivent, sous peine d'irrecevabilité, acquitter immédiatement le droit dû pour la requête en annulation.
  [2 Lorsque la section du contentieux administratif rejette la demande d'indemnité réparatrice par un arrêt rendu en application de l'article 25/3, § 3, [3 le droit et la contribution visée à l'article 66, 6°, qui y sont attachés ne sont pas dus]3.]2
   § 2. Donnent lieu au paiement d'un droit de 150 euros, les requêtes en intervention introduites dans les litiges visés au § 1er, alinéa 1er, 2°.
   Si une personne ayant intérêt à la solution du litige dans le cadre de la procédure en suspension a été admise en tant que partie intervenante dans la demande de suspension, l'introduction par cette partie d'une demande de poursuite de la procédure visée à [4 l'article 17, § 9 ou § 10]4, ne donne pas lieu au paiement d'un droit.
  [2 Lorsque la section du contentieux administratif rejette la demande d'indemnité réparatrice par un arrêt rendu en application de l'article 25/3, § 3, [3 le droit qui est attaché à l'introduction de la requête en intervention n'est pas dû]3.]2
   § 3. Les requêtes collectives donnent lieu au paiement du droit autant de fois qu'il y a de requérants.
   § 4. Sauf les notifications faites aux parties, la délivrance par le greffier d'une expédition, d'une copie ou d'un extrait signé ou non signé, donne lieu au paiement d'un droit de 50 cents par page, à calculer conformément aux dispositions des articles 273 et 274 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.]1

  
Art. 71. [1 [2 De rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°,]2 worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting [3 op de financiële rekening van de bevoegde dienst van de Federale Overheidsdienst van Financiën]3.
   Zodra een recht [2 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, verschuldigd zijn]2, zendt de hoofdgriffier aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft.
   Wanneer een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld, wordt het overschrijvingsformulier bij de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag gevoegd. Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd, wordt op de terechtzitting overgelegd. [2 Indien dat bewijs niet is geleverd voor de sluiting van het debat, wordt de vordering verworpen.]2
   [2 Indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. [4 Zij voegt een schriftelijke verantwoording bij haar vraag om te worden gehoord.]4
   Indien de betrokken partij niet vraagt te worden gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak waarbij ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht beschouwt of van de rol schrapt.
   Indien de betrokken partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter of de door hem aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Aan de verwerende partij en desgevallend de partij die is tussengekomen, wordt daarbij het verzoek om te worden gehoord meegedeeld.
   Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak en beslist ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht te beschouwen of van de rol te schrappen, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen.]2

   De Raad van State kan op elk ogenblik de in het 1ste lid beoogde rekening raadplegen.]1

  
Art. 71. [1 [2 Les droits visés à l'article 70 et la contribution visée à l'article 66, 6°,]2 sont acquittés par un virement ou un versement [3 sur le compte financier du service compétent du Service public fédéral Finances]3.
   Dès qu'un droit [2 et la contribution visée à l'article 66, 6°, sont dus]2, le greffier en chef adresse au débiteur une formule de virement portant une communication structurée permettant d'imputer le paiement à effectuer à l'acte de procédure auquel il se rapporte.
   Lorsqu'une demande de suspension ou de mesures provisoires est introduite selon la procédure d'extrême urgence, la formule de virement est jointe à l'ordonnance de fixation. La preuve qu'un ordre de virement a été donné ou qu'un versement a été effectué est déposée à l'audience. [2 Si cette preuve n'a pas été apportée avant la clôture des débats, la demande est rejetée.]2
   [2 Si le compte visé à l'alinéa 1er n'a pas été crédité dans le délai de trente jours suivant la réception de la formule de virement, le greffier en chef, à la demande du membre de l'auditorat désigné, informe la partie concernée que la chambre va, selon cas, réputer non accompli ou rayer du rôle la demande ou le recours introduit, à moins que la partie concernée ne demande à être entendue dans un délai de quinze jours. [4 Elle joint une justification écrite à sa demande d'être entendue.]4
   Si la partie concernée ne demande pas à être entendue, la chambre statue sans délai en réputant non accompli ou en rayant du rôle la demande ou le recours introduit.
   Si la partie concernée demande à être entendue, le président ou le conseiller d'Etat désigné par lui convoque les parties à comparaître à bref délai. A cet égard, la demande d'audition est communiquée à la partie adverse et, le cas échéant, à la partie qui est intervenue.
   Entendu les parties et le membre de l'auditorat désigné en son avis, la chambre statue sans délai et décide de réputer non accompli ou de rayer du rôle la demande ou le recours introduit, sauf si la force majeure ou l'erreur invincible est établie.]2

   Le Conseil d'Etat peut consulter à tout moment le compte visé à l'alinéa 1er. ]1

  
Art. 72. [2 In toepassing van artikel 70, §§ 1, vijfde lid, en 2, derde lid, verzoekt de auteur van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel of van het verzoek tot tussenkomst in dit geschil, van de aangeduide dienst binnen de Federale Overheidsdienst Financiën, de terugbetaling van het verschuldigde recht op basis van de indiening van deze aanvraag of van dit verzoek.
   De hoofdgriffier informeert de betrokken partijen over de modaliteiten van de terugbetaling van dit recht bij de kennisgeving van het in het vorige lid bedoelde arrest.
   Elke aanvraag tot terugbetaling die gericht wordt aan de aangeduide dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën bevat de vereiste gestructureerde mededeling bij de betaling van het recht.]2

  
Art. 72. [2 En application de l'article 70, §§ 1er, alinéa 5, et 2, alinéa 3, l'auteur de la demande en indemnité réparatrice ou de la requête en intervention dans ce litige sollicite du service désigné au sein du Service public fédéral des Finances, le remboursement du droit dû au titre de l'introduction de cette demande ou de cette requête.
   Le greffier en chef informe les parties concernées des modalités de remboursement du droit lors de la notification de l'arrêt visé à l'alinéa qui précède.
   Toute demande de remboursement adressée au service désigné au sein du Service public fédéral des Finances reprend la communication structurée requise lors du paiement du droit.]2

  
Art. 73. De personen die als deskundigen opgeroepen worden, hebben recht op de waarde van de verstrekte arbeid; zij maken, naar geweten, de staat op van hun ereloon.
  Het loon van hun medewerkers en de prijs van de werken en nodige leveringen worden door hen voorgeschoten.
Art. 73. Les personnes requises à titre d'experts ont droit à la valeur du travail fourni; elles établissent en conscience l'état de leurs honoraires.
  Elles font l'avance des salaires des aides et du prix des travaux et fournitures nécessaires.
Art. 74. De deskundigen maken een staat op die, volgens datum, en voor elk van hen, de vervulde opdrachten, de verschotten en de afgelegde reizen vermeldt.
  Deze staat, die, in geval er meerdere deskundigen zijn voor één en dezelfde zaak, gemeenschappelijk is, duidt het globaal bedrag aan van het ereloon door elk van hen gevraagd alsmede het totaal der kosten van het deskundig onderzoek.
Art. 74. Les experts dressent un état détaillant, par ordre de date et pour chacun des experts, les devoirs accomplis, les déboursés et les voyages effectués.
  Cet état, qui est collectif, s'il y a plusieurs experts pour une même affaire, indique le montant global des honoraires réclamés par chacun d'eux et le coût total de l'expertise.
Art. 75. De staat van de erelonen, verschotten en reiskosten wordt in tweevoud opgemaakt en samen met het verslag ter griffie neergelegd; hij wordt begroot door een lid van de kamer.
Art. 75. L'Etat des honoraires, déboursés et frais de voyage est dressé en double exemplaire et déposé au greffe en même temps que le rapport; il est taxé par un des membres de la chambre.
Art. 76. De deskundigen kunnen, zowel als de partijen, tegen deze begroting verzet doen. Dit verzet wordt aangetekend door middel van een verzoekschrift, binnen vijftien dagen na de kennisgeving door de griffier aan de belanghebbenden. Het wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die de deskundigen heeft aangesteld.
  De kamer verzoekt de deskundigen om schriftelijke ophelderingen; zo zij dit dienstig acht, hoort ze de deskundigen en de partijen in hun mondelinge verklaringen en stelt in laatste aanleg het bedrag der begroting vast.
Art. 76. L'opposition contre la décision contenant taxation est ouverte tant aux experts qu'aux parties. Elle est formée par requête dans les quinze jours de la notification qui leur est faite par le greffier et soumise à la chambre devant laquelle les frais ont été exposés.
  La chambre provoque les explications écrites de l'expert; elle entend l'expert et les parties en leurs explications orales, si elle le juge utile, et arrête souverainement le montant de la taxe.
Art. 77. (De griffier vraagt aan iedere getuige, zelfs al verschijnt hij vrijwillig, of hij getuigengeld verlangt.
  De kosten voor het vervoer op de voordeligste wijze moeten in het getuigengeld begrepen zijn). <KB 31-12-1968, art. 5>
  Het getuigengeld wordt onderaan de oproepingsbrief begroot door een lid van de Raad van State dat van de zaak heeft kennis genomen; deze vaststelling geldt als executoirverklaring. Hiervan wordt in het proces-verbaal van het getuigenverhoor melding gemaakt.
  Zo de getuige zonder oproeping verschenen is, kan hij zich, ter zitting, kosteloos door de griffier een uittreksel laten afleveren van het proces-verbaal dat het getuigengeld vaststelt. Dit uittreksel geldt als executoirverklaring.
Art. 77. (Il est demandé par le greffier à chaque témoin s'il requiert taxe, même s'il comparaît volontairement.
  La taxe allouée doit comprendre les frais de transport par la voie la moins onéreuse). <AR 31-12-1968, art. 5>
  La taxe est faite, au bas de la convocation, par un des membres du Conseil d'Etat qui a connu de l'affaire; elle vaut exécutoire. Il en est fait mention sur le procès-verbal d'audition.
  Si le témoin a comparu sans convocation, il peut se faire délivrer séance tenante et sans frais par le greffier, un extrait du procès-verbal constatant la taxe. Cet extrait vaut exécutoire.
Hoofdstuk II. - [1 Rechtsbijstand]1.
Chapitre II. - [1 De l'assistance judiciaire]1.
Art. 78. <KB 31-12-1968, art. 7> De artikelen 667, 668 en 669 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de aanvragen en beroepen bedoeld ((in de artikelen 11, [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, 17 en 18) van de gecoördineerde wetten en op de vorderingen tot tussenkomst), behoudens hetgeen hierna is bepaald. <KB 1997-02-17/36, art. 6, Inwerkingtreding : 01-04-1997>. <KB 2007-04-25/32, art. 48, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 78. <AR 31-12-1968, art. 7>. Les articles 667, 668 et 669 du Code judiciaire sont applicables aux demandes et recours prévus ((aux articles 11, [1 11bis,]1 14, §§ 1er et 3, 17 et 18) des lois coordonnées, ainsi qu'aux demandes en intervention), sous réserve des dispositions suivantes. <AR 1997-02-17/36, art. 6, En vigueur : 01-04-1997> <AR 2007-04-25/32, art. 47, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 79. <KB 31-12-1968, art. 8> Hij die rechtsbijstand vraagt, voegt bij zijn verzoekschrift de bescheiden voorgeschreven in de artikelen 676 en 677 van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 79. <AR 31-12-1968, art. 8> La personne qui demande l'assistance judiciaire joint à sa requête les documents prévus par les articles 676 et 677 du Code judiciaire.
Art. 80. De voorzitter van de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, doet zonder rechtspleging uitspraak over [1 het verzoek tot rechtsbijstand]1.
  Zo daartoe grond bestaat hoort hij de partijen.
  Zijn beslissing is niet vatbaar voor beroep.
  
Art. 80. Le président de la chambre saisie statue sur la demande [1 d'assistance judiciaire]1 sans procédure.
  Il entend les parties, s'il échet.
  Sa décision n'est susceptible d'aucun recours.
  
Art. 81. [1 [2 Indien de rechtsbijstand geweigerd wordt]2, zijn de artikelen 66 tot 77 van toepassing.]1
  
Art. 81. [1 [2 Si l'assistance judiciaire est refusée]2, les articles 66 à 77 sont d'application.]1
  
Art. 82. De voorzitter van de kamer bij wie de zaak aanhangig is, kan in de loop van het geding de [1 rechtsbijstand]1 toestaan voor al de door hem te bepalen akten en verrichtingen.
  
Art. 82. En cours d'instance, le président de la chambre saisie peut accorder [1 l'assistance judiciaire]1 pour les actes et les devoirs qu'il détermine.
  
Art. 83. [1 Indien de rechtsbijstand toegestaan wordt, worden de rechten waarvan sprake is in artikel 66, 1°, door de hoofdgriffier in debet begroot en de kosten waarvan sprake is in artikel 66, 2° tot 4°, worden ten voordele van de aanvrager door de Federale Overheidsdienst Financiën voorgeschoten en als uitgaven in de rekeningen ten bezware van de begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.
   De beschikking waarbij de rechtsbijstand wordt toegestaan, geldt als betaling van het recht bedoeld in artikel 70, §§ 1 tot 3, wat betreft het verrichten van de proceshandelingen voor de Raad van State.
   Ingeval het verzoek tot rechtsbijstand afgewezen wordt, beschikt de aanvrager daarvan over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de beschikking die het verzoek tot rechtsbijstand afwijst om het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71, te betalen, tenzij in het geval van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, waarbij artikel 71, derde lid, van toepassing is.]1

  
Art. 83. [1 Si l'assistance judiciaire est accordée, les droits visés à l'article 66, 1°, sont liquidés en débet par le greffier en chef et les dépens visés à l'article 66, 2° à 4°, sont avancés à la décharge de l'assisté par le Service public fédéral Finances et portés en dépenses dans les comptes à charge du budget du Service public fédéral Intérieur.
   L'ordonnance par laquelle l'assistance judiciaire est accordée vaut paiement du droit mentionné à l'article 70, §§ 1er à 3, en ce qui concerne l'accomplissement des actes de procédure devant le Conseil d'Etat.
   En cas de rejet de la demande d'assistance judiciaire, le demandeur dispose d'un délai de trente jours à dater de la réception de l'ordonnance rejetant la demande d'assistance judiciaire pour acquitter le droit de rôle et la contribution visée à l'article 66, 6°, conformément à l'article 71, sauf dans le cas d'une demande de suspension d'extrême urgence où l'article 71, alinéa 3, est d'application.]1

  
Art. 83bis. <INGEVOEGD bij KB I 15-07-1956, art. 12> Met het oog op de invordering van de in debet begrote rechten en van de andere kosten, doet (de hoofdgriffier) aan [1 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet fiscale schuldvorderingen]1 een afschrift van (...) het eindarrest toekomen, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen. <KB 2007-04-25/32, art. 50, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 83bis. <AR I 15-07-1956, art. 12> Aux fins de recouvrement des [1 droits liquidés]1 en débet et des autres dépens, (le greffier en chef) transmet [1 à l'administration du SPF Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances non fiscales]1 une copie (...) de l'arrêt définitif, accompagnée d'un relevé détaillé des sommes à recouvrer. <AR 2007-04-25/32, art. 50, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  
TITEL VIII. - ALGEMENE BEPALINGEN.
TITRE VIII. - DISPOSITIONS GENERALES.
Art. 84. (§ 1.) (Alle processtukken worden aan de Raad van State toegezonden bij ter post aangetekende brief. <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, worden door de Raad van State verzonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding; behoudens andersluidende bepaling van de wet mogen deze verzendingen echter bij gewone brief [1 of per elektronisch bericht]1 worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan). <KB 28-07-1987, art. 1>
  De termijn waarover de partijen beschikken gaat in met de dag van ontvangst van het schrijven.
  Zo de geadresseerde het schrijven weigert gaat de termijn in met de dag van de weigering.
  De datum van het postmerk heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.
  Zo de geadresseerde langs de post niet werd bereikt maakt de auditeur-generaal het schrijven over langs administratieve weg. De aangezochte burgemeester (...) treft de nodige maatregelen om het schrijven aan de geadresseerde te doen geworden en stelt de auditeur-generaal hiervan in kennis. <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 2. Met uitzondering van de Belgische administratieve overheden, kiest elke partij in een procedure in haar eerste processtuk woonplaats in België.
  Alle kennisgevingen, mededelingen en opmerkingen door de griffie worden rechtsgeldig op de gekozen woonplaats gedaan.
  Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende processtukken.
  Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt uitdrukkelijk geformuleerd en voor elk beroep afzonderlijk en bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de hoofdgriffier, met vermelding van het volledige rolnummer van het beroep waarop de wijziging betrekking heeft.
  Bij overlijden van een partij, en behalve bij hervatting van het geding, worden alle mededelingen en kennisgevingen van de Raad van State rechtsgeldig gedaan op de gekozen woonplaats van de overledene ter attentie van de gezamenlijke rechtverkrijgenden, zonder vermelding van de namen en hoedanigheden.) <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  
Art. 84. (§ 1er.) (L'envoi au Conseil d'Etat de toutes pièces de procédure se fait sous pli recommandé à la poste. <AR 2007-04-25/32, art. 51, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  L'envoi des pièces de procédure par le Conseil d'Etat ainsi que les notifications, avis et convocations se font sous pli recommandé à la poste avec accusé de réception; toutefois, sauf disposition contraire de la loi, ces envois peuvent se faire par pli ordinaire [1 ou par courrier électronique]1 lorsque leur réception ne fait courir aucun délai). <AR 28-07-1987, art. 1er>
  Le délai accordé aux parties prend cours à dater de la réception du pli.
  Si le destinataire refuse le pli, le délai prend cours à dater du refus.
  La date de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.
  Si le destinataire n'a pas été atteint par la voie postale, l'auditeur général transmet le pli par la voie administrative. Le bourgmestre (...) requis prend les mesures utiles pour que le pli parvienne au destinataire et il en informe l'auditeur général. <AR 2007-04-25/32, art. 51, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  (§ 2. A l'exception des autorités administratives belges, toute partie à une procédure élit domicile en Belgique dans le premier acte de procédure qu'elle accomplit.
  Toutes notifications, communications et convocations du greffe, sont valablement faites au domicile élu.
  Cette élection de domicile vaut pour tout acte de procédure subséquent.
  Toute modification de domicile élu doit être expressément formulée et communiquée séparément pour chaque recours par pli recommandé au greffier en chef, en indiquant la référence complète du numéro de rôle du recours concerné par la modification.
  En cas de décès d'une partie, et sauf reprise d'instance, toutes communications et notifications émanant du Conseil d'Etat sont valablement faites au domicile élu du défunt aux ayants droit collectivement, et sans désignation des noms et qualités.) <AR 2007-04-25/32, art. 51, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  
Art. 84/1. [1 Elk processtuk of elke nota tot vereffening van de kosten ingediend door tussenkomst van een advocaat, vermeldt het gevraagde bedrag van de in de artikelen 66 en 67 van dit besluit bedoelde rechtsplegingvergoeding. Dit bedrag mag gewijzigd worden door elk later processtuk of elke latere vereffeningsnota, in te dienen ten laatste vijf dagen vóór de zitting [2 of vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 26, § 2, eerste lid]2, behalve in het geval van de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregel, ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarbij de rechtsplegingsvergoeding gevraagd kan worden tot aan de sluiting van de debatten.]1
  
Art. 84/1. [1 Tout acte de procédure ou note de liquidation des dépens déposés à l'intervention d'un avocat indiquent le montant sollicité de l'indemnité de procédure visée aux articles 66 et 67 du présent arrêté. Ce montant peut être modifié par tout acte de procédure ou note de liquidation ultérieurs à déposer au plus tard cinq jours avant l'audience, [2 ou avant la date visée à l'article 26, § 2, alinéa 1er,]2 sauf le cas de la demande de suspension ou de mesure provisoire introduite sous le bénéfice de l'extrême urgence où l'indemnité de procédure peut être demandée jusqu'à la clôture des débats.]1
  
Art. 85. Bij ieder verzoekschrift of memorie dienen drie afschriften gevoegd voor eensluidend door de ondertekende gewaarmerkt. Dit getal wordt met zoveel exemplaren vermeerderd (als er andere bij de zaak betrokken partijen zijn). <KB 2007-04-25/32, art. 52, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 ...]1
  De neerlegging van bijkomende afschriften kan bevolen worden.
  
Art. 85. A toute requête ou mémoire sont jointes trois copies certifiées conformes par le signataire. Ce nombre est augmenté d'autant d'exemplaires (qu'il y a d'autres parties en cause). <AR 2007-04-25/32, art. 52, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  [1 ...]1
  La remise de copies supplémentaires peut être ordonnée.
  
Art. 85bis. [1 Ї 1. In afwijking van de artikelen 14quater en 14quinquies, 84, 85, 86 en 87, wordt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te werk gegaan wanneer gebruik gemaakt wordt van de elektronische procesvoering.
   Ї 2. Voor de toepassing van dit besluit, wordt verstaan onder:
   1А gebruiker: iedere persoon die gebruikmaakt van een elektronische procesvoering en over beheerrechten betreffende die toegang beschikt;
   2А elektronisch dossier: alle processtukken, stukken, kennisgevingen, berichten, mededelingen en oproepingen die zichtbaar zijn voor een gebruiker in een bepaalde zaak.
   Ї 3. De toegang tot het elektronische platform van de Raad van State en de elektronische procesvoering vereisen dat de gebruiker zich voorafgaandelijk registreert op het elektronische platform van de Raad van State. Deze registratie is kosteloos.
   Voor de registratie en het gebruik van elektronische procesvoering dient men zich kenbaar te maken door middel van een persoonlijk beveiligde verbinding. Bij zijn eerste aanmelding, nadat hij de algemene gebruiksvoorwaarden heeft gelezen, vult de gebruiker zijn profiel aan via het daartoe bestemde onlineformulier en geeft hij zijn e-mailadres op, welke gegevens hij indien nodig actualiseert.
   Een gebruiker kan de toegang tot zaken waarin hij via digitale procesvoering optreedt delen met derden. Dit kan aan de hand van een specifieke toegang tot welbepaalde zaken of een globale toegang tot alle zaken van zijn profiel. De gebruiker die een globale toegang heeft gekregen mag op dezelfde manier enkel zijn eigen dossiers delen en de dossiers waarvoor hij een specifieke gedeelde toegang kreeg. Een gebruiker kan te allen tijde de gedeelde toegangen in een zaak wijzigen of intrekken.
   Als de gebruiker verbonden aan een dossier niet zelf kan zorgen voor het delen van de toegang tot het dossier, of als hij weigert om daarvoor te zorgen, dan kan de griffie toegang verlenen na ontvangst van een gemotiveerde aanvraag; in geval van betwisting, doet de voorzitter van de desbetreffende kamer een uitspraak bij beschikking.
   Ї 4. De keuze voor elektronische procesvoering is in het kader van de betrokken zaak definitief voor een partij van zodra die een processtuk langs elektronische weg heeft neergelegd. Deze partij kan de overige proceshandelingen dan alleen nog op diezelfde manier stellen.
   Ї 5. Elk processtuk dat op het elektronische platform van de Raad van State wordt neergelegd, wordt geacht het origineel van dat stuk te zijn.
   Elk processtuk wordt geacht ondertekend te zijn overeenkomstig artikel 1 door de gebruiker die het heeft neergelegd. Indien de gebruiker niet bevoegd is om het stuk zelf te tekenen of wanneer de handtekening van verscheidene fysieke personen noodzakelijk is, worden de vereiste handtekeningen elektronisch aangebracht op het processtuk zelf.
   Elke memorie of elk stuk betreffende een op de rol ingeschreven zaak kan neergelegd worden in het elektronisch dossier voor de verzoekende, verwerende en tussenkomende partijen, met vermelding van het rolnummer van de zaak.
   Ї 6. Het tijdstip waarop een processtuk als ingediend wordt beschouwd, is het ogenblik waarop het wordt neergelegd op het elektronische platform. De datum van de neerlegging wordt in het elektronisch dossier vermeld.
   Ї 7. Om een elektronisch beroep in te stellen, maakt de gebruiker verbinding met het elektronische platform en volgt hij de daar gegeven instructies. Hij vult in de daarvoor bestemde velden onder meer de aard en de taal van het hoofdberoep in en voegt het verzoekschrift en de eventuele bijlagen toe, dit alles in een van de formaten die het platform vermeldt.
   Het verzoekschrift wordt ingediend door het neer te leggen op het elektronische platform. Een tijdelijke identificatiecode wordt automatisch toegewezen en meegedeeld aan de gebruiker die het verzoekschrift heeft neergelegd.
   Zolang de zaak geen rolnummer heeft, kunnen het verzoekschrift en de bijlagen worden verwijderd.
   Ї 8. Indien het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven, wordt de brief vermeld in artikel 3bis, tweede lid, door de griffie in het elektronisch dossier van de betrokken zaak neergelegd.
   Ї 9. Na onderzoek van de voorwaarden bepaald in artikel 3bis, kent de griffie aan de zaak het rolnummer toe waarmee de zaak in het vervolg wordt aangeduid.
   Ї 10. Wanneer de griffie per aangetekende brief kennis geeft van het verzoekschrift aan de verwerende partijen en derden-belanghebbenden, deelt zij eveneens een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel en tijdelijke identificatiecode mee die toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Wanneer de griffie kennis geeft van de memorie van antwoord per aangetekende brief aan een verzoekende partij die haar verzoekschrift niet elektronisch heeft neergelegd, deelt zij eveneens een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel mee die toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Derden-belanghebbenden die niet door de griffie werden aangeschreven en die wensen tussen te komen in een zaak, melden zich aan bij de griffie, die hen een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel meedeelt die toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Deze eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel kan enkel worden gebruikt door een persoon die zich op voorhand overeenkomstig ЇЇ 3 en 4 geregistreerd heeft.
   Ї 11. De processtukken en stukken zijn volledig en voldoende leesbaar en worden door de partijen neergelegd in een door de andere partijen en de Raad van State herbruikbaar formaat.
   De stukken worden afzonderlijk neergelegd in het elektronisch dossier, onder het daarmee overeenstemmende nummer volgens de bij deze stukken gevoegde inventaris.
   In afwijking van het tweede lid, worden de stukken die niet gemakkelijk in een van de op het platform vermelde formaten converteerbaar zijn, bij ter post aangetekende brief verstuurd binnen drie werkdagen na de neerlegging van het betrokken processtuk.
   De inventaris van de genummerde stukken vermeldt of deze stukken bij het elektronisch dossier op het platform zijn gevoegd dan wel in een andere vorm aan de griffie zijn toegezonden.
   Ї 12. Ten aanzien van de partijen voor wie geen gebruik is gemaakt van elektronische procesvoering alsook voor de stukken die niet gemakkelijk in een elektronisch formaat converteerbaar zijn, geldt de regeling van artikel 84; bij de processtukken dienen geen afschriften te worden gevoegd.
   Deze stukken krijgen de datum van de verzending van de aangetekende zending.
   Ї 13. De partijen hebben toegang tot alle stukken die hen via het elektronisch dossier ter kennis zijn gebracht. Deze kennisgeving betreft niet de stukken waarvoor met toepassing van artikel 87, Ї 2, de vertrouwelijke behandeling is gevraagd.
   Deze stukken kunnen alleen worden geraadpleegd door de partij die ze heeft neergelegd of die om de vertrouwelijke behandeling ervan heeft verzocht. Indien het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt verworpen, wordt het stuk ter kennis gebracht aan de andere partijen.
   De stukken waarvan de vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd, kunnen desgevallend naar de griffie worden verstuurd in een niet-elektronisch formaat.
   Ї 14. De mededeling van processtukken, evenals de kennisgevingen, berichten en oproepingen door de Raad van State gebeuren via neerlegging in het elektronisch dossier. Ten aanzien van de partijen die geen gebruik maken van de elektronische procesvoering, heeft de mededeling plaats overeenkomstig artikel 84.
   Gebruikers worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht.
   Een elektronisch afschrift van de aan hen toegezonden berichten wordt op het elektronische platform bewaard.
   De termijnen die deze neerleggingen doen ingaan, vangen aan wanneer een gebruiker met toegang tot het dossier voor de geadresseerde partij het processtuk voor het eerst raadpleegt. Elke gebruiker die aan de geadresseerde partij verbonden is in een bepaald dossier kan een termijn doen ingaan. Wanneer een processtuk niet is geraadpleegd binnen vijf werkdagen na neerlegging door de griffie in het elektronisch dossier, wordt het stuk geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de vijfde werkdag na de neerlegging door de griffie in het elektronisch dossier.
   De arresten worden voorzien van een elektronische handtekening van de kamervoorzitter en de griffier en worden ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 36. De partijen kunnen de uitgiften ervan aanvragen bij de griffie overeenkomstig artikel 37.
   Ї 15. In het geval dat het elektronische platform van de Raad van State tijdelijk gedurende meer dan een uur onbeschikbaar is, wordt elke termijn die vervalt op de dag dat deze onbeschikbaarheid zich voordoet, van rechtswege verlengd tot het verstrijken van de werkdag volgend op de dag waarop een einde is gekomen aan de onbeschikbaarheid.
   De periodes waarin het elektronische platform niet beschikbaar was, staan vermeld op de website.
   In het geval dat de informaticamiddelen van een partij die gebruik maakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn, kan elk stuk met de post overeenkomstig artikel 84 of per elektronisch bericht naar de Raad van State worden gestuurd; de verzoekschriften en memories dienen slechts in щщn exemplaar te worden neergelegd. In deze zending wordt melding gemaakt van de onbeschikbaarheid. De betreffende partij voert de inhoud van de zending in op het platform zodra dat mogelijk is.
   Ї 16. De elektronische dossiers zijn niet meer toegankelijk wanneer het dossier langer dan zes maanden afgesloten en gearchiveerd is.
   Ї 17. De Raad van State kan op zijn website een verklarende nota publiceren met betrekking tot het gebruik van zijn elektronisch platform. Deze nota geeft, in voorkomend geval, in detail aan welke stappen moeten worden gevolgd om zich te registreren, om het delen van dossiers te beheren en om een profiel te actualiseren. Ze kan ook richtlijnen bevatten met betrekking tot het herbruikbaar formaat zoals bepaald in paragraaf 11 en de maximale grootte van neergelegde bestanden, alsook andere technische eisen van toepassing op de neergelegde bestanden.
   Ї 18. De verwerkingsverantwoordelijke maakt gebruik van informaticatechnieken die:
   - zekerheid bieden omtrent de oorsprong van het ingediende stuk en de inhoud van de ingediende stukken ongewijzigd handhaven met behulp van passende beveiligingstechnieken;
   - garanderen dat de inhoud van de ingediende stukken vertrouwelijk wordt behandeld;
   - in het systeem de identiteit van de gebruikers registreren of loggen, alsook de tijdstippen waarop zij processtukken of stukken indienen, ontvangen en openen;
   - in het systeem de identiteit van de gebruikers registreren of loggen, alsook het tijdstip waarop zij kladversies voor het indienen van stukken aanmaken of wijzigen;
   - in het systeem de identiteit van de gebruikers registreren of loggen, alsook het tijdstip waarop zij een delen van dossiers of profiel aanmaken of intrekken;
   - in het systeem de identiteit van de gebruikers registreren of loggen, alsook het tijdstip waarop zij hun profiel wijzigen;
   - in het systeem de identiteit van de gebruikers registreren of loggen, alsook het precieze tijdstip waarop zij op het elektronische platform inloggen;
   - defecten van het systeem melden, registreren op welke tijdstippen defecten de indiening of de ontvangst van stukken verhinderen, en de gebruikers daarvan op de hoogte brengen.
   Het elektronische platform voorziet in een strikt en passend beheer van de gebruikers en van de toegang, zodat de gebruikers kunnen worden geяdentificeerd en geauthenticeerd en zodat hun kenmerken of hun hoedanigheid alsook hun toegangsmachtigingen kunnen worden gecontroleerd.
   Met uitzondering van het geval waarin deze elementen noodzakelijk zijn ter ondersteuning van een ander beroep, is het elke gebruiker verboden processtukken, stukken en elk persoonsgegeven waarvan hij in het kader van een bepaalde zaak kennis heeft genomen, buiten het onderzoek van die zaak te verwerken.]1

  
Art. 85bis. [1 § 1er. Lorsque la procédure par la voie électronique est utilisée, par dérogation aux articles 14quater et 14quinquies, 84, 85, 86 et 87, il est procédé conformément aux dispositions du présent article.
   § 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
   1° utilisateur : toute personne qui intervient dans une procédure par la voie électronique et qui dispose des droits de gestion liés à cet accès ;
   2° dossier électronique : tous les actes de procédure, pièces, notifications, avis, communications et convocations visibles pour un utilisateur dans une affaire déterminée.
   § 3. L'accès à la plate-forme électronique du Conseil d'Etat et le recours à la procédure par la voie électronique requièrent de l'utilisateur qu'il s'enregistre au préalable sur la plate-forme électronique du Conseil d'Etat. Cet enregistrement est gratuit.
   L'enregistrement et l'utilisation de la procédure par la voie électronique nécessitent de s'identifier au moyen d'une connexion personnelle sécurisée. Lors de la première connexion, après avoir pris connaissance des conditions générales d'utilisation, l'utilisateur complète son profil en remplissant en ligne le formulaire ad hoc et en fournissant son adresse de courrier électronique, données qu'il actualise si nécessaire.
   Chaque utilisateur peut donner à des tiers accès aux affaires électroniques dans lesquelles il intervient en leur accordant soit un partage spécifique à une ou plusieurs affaire(s) déterminée(s) soit un partage global à toutes les affaires de son profil. Toutefois, l'utilisateur bénéficiaire d'un partage global ne peut partager de la même manière que ses propres dossiers et les dossiers pour lesquels il aurait reçu un partage spécifique. Chaque utilisateur peut modifier ou révoquer à tout moment les partages effectués dans une affaire.
   Si un utilisateur lié à un dossier n'est pas à même d'opérer le partage de celui-ci à une autre personne, ou refuse indûment de le faire, le greffe, saisi d'une demande motivée en ce sens, peut y suppléer ; en cas de contestation, le président de la chambre saisie tranche par ordonnance.
   § 4. Le choix de la procédure par la voie électronique est, dans le cadre de l'affaire concernée, définitif pour une partie qui l'a fait dès le dépôt d'un acte de procédure sous cette forme et celle-ci ne pourra valablement accomplir les autres actes de la procédure que selon le même mode.
   § 5. Tout acte de procédure déposé sur la plate-forme électronique du Conseil d'Etat est réputé être l'original de cet acte.
   Tout acte de procédure est réputé signé conformément à l'article 1er par l'utilisateur qui l'a déposé. Si l'utilisateur n'est pas compétent pour signer lui-même l'acte de procédure concerné ou si la signature de plusieurs personnes physiques est requise, les signatures requises doivent être apposées électroniquement sur l'acte de procédure.
   Tout mémoire ou pièce relatif à une affaire enrôlée peut être déposé dans le dossier électronique pour les parties requérantes, adverses et intervenantes, en mentionnant le numéro de rôle de l'affaire.
   § 6. Le moment auquel un acte de procédure est considéré comme introduit est celui de son dépôt sur la plate-forme électronique. La date de dépôt est mentionnée dans le dossier électronique.
   § 7. Pour introduire un recours électronique, l'utilisateur se connecte à la plate-forme électronique et suit les indications données par celle-ci. Il mentionne notamment la nature et la langue du recours principal dans les emplacements prévus à cet effet et ajoute la requête et ses annexes éventuelles, le tout dans un des formats mentionnés sur la plate-forme.
   L'introduction de la requête se réalise par son dépôt sur la plate-forme électronique. Un code d'identification temporaire est automatiquement attribué et communiqué à l'utilisateur qui a déposé la requête.
   Tant qu'une affaire est en attente d'un numéro de rôle, la requête et ses annexes peuvent être supprimées.
   § 8. Si la requête n'est pas enrôlée, le courrier mentionné à l'article 3bis, alinéa 2, est déposé par le greffe dans le dossier électronique de l'affaire concernée.
   § 9. Après vérification des conditions fixées par l'article 3bis, le greffe attribue à l'affaire le numéro de rôle par lequel elle sera dorénavant identifiée.
   § 10. Lors de la notification par pli recommandé de la requête aux parties adverses et aux tiers intéressés, le greffe leur communique une clé alphanumérique à usage unique leur permettant d'accéder au dossier électronique de l'affaire.
   Lors de la notification par pli recommandé du mémoire en réponse à une partie requérante qui n'a pas déposé sa requête sous forme électronique, le greffe lui communique une clé alphanumérique à usage unique lui permettant d'accéder au dossier électronique de l'affaire.
   Les tiers intéressés qui n'ont pas été avertis par le greffe et qui demandent à intervenir dans une affaire, se font connaître du greffe, qui leur communique une clé alphanumérique à usage unique leur permettant d'accéder au dossier électronique de cette affaire.
   Cette clé alphanumérique à usage unique ne peut être utilisée que par une personne qui s'est préalablement enregistrée conformément aux §§ 3 et 4.
   § 11. Les parties déposent des actes de procédure et des pièces d'une lisibilité suffisante et complets, dans un format exploitable par les autres parties et le Conseil d'Etat.
   Les pièces sont déposées séparément dans le dossier électronique, sous le numéro correspondant à celui de l'inventaire joint à ces actes.
   Par dérogation à l'alinéa 2, les pièces qui ne sont pas aisément convertibles en un des formats mentionnés sur la plate-forme sont envoyées par pli recommandé à la poste dans les trois jours ouvrables du dépôt de l'acte de procédure concerné.
   L'inventaire des pièces numérotées mentionne si ces pièces sont déposées dans le dossier électronique sur la plate-forme ou si elles sont envoyées au greffe sous une autre forme.
   § 12. A l'égard des parties pour lesquelles il n'est pas recouru à la procédure par la voie électronique, ainsi que pour les pièces qui ne sont pas aisément convertibles en un format électronique, il est procédé conformément à l'article 84 ; les actes de procédure ne doivent pas être accompagnés de copies.
   Leur date est celle de l'envoi par pli recommandé.
   § 13. Les parties ont accès à toutes les pièces qui leur ont été notifiées dans leur dossier électronique. Cette notification ne concerne pas les pièces pour lesquelles une demande de confidentialité a été formulée en application de l'article 87, § 2.
   Ces pièces ne sont consultables que par la partie qui les a déposées ou par celle qui a demandé la confidentialité. Si la demande de confidentialité est rejetée par un arrêt, la pièce est notifiée aux autres parties.
   Les pièces pour lesquelles une demande de confidentialité est formulée peuvent, le cas échéant, être envoyées au greffe sous une forme non électronique.
   § 14. La communication des actes de procédure par le Conseil d'Etat ainsi que les notifications, avis et convocations se font par un dépôt dans le dossier électronique. Elles se font conformément à l'article 84 à l'égard des parties qui n'utilisent pas la procédure par la voie électronique.
   Les utilisateurs sont avisés de ce dépôt par un courrier électronique.
   Une copie électronique des envois qui leur sont adressés est conservée sur la plate-forme électronique.
   Les délais que ces dépôts font courir prennent cours lors de la première consultation de l'acte de procédure par un utilisateur de la partie destinataire lié au dossier concerné. Chaque utilisateur lié à cette partie destinataire dans un dossier déterminé peut faire courir un délai. Lorsqu'un acte de procédure n'a pas été consulté dans les cinq jours ouvrables du dépôt effectué par le greffe dans le dossier électronique, celui-ci est réputé avoir été notifié à l'expiration du cinquième jour ouvrable qui suit le jour du dépôt effectué par le greffe dans le dossier électronique concerné.
   Les arrêts sont revêtus de la signature électronique du président de chambre et du greffier et sont notifiés conformément à l'article 36. Les parties peuvent en lever une expédition au greffe conformément à l'article 37.
   § 15. Au cas où la plate-forme électronique du Conseil d'Etat est temporairement indisponible pendant plus d'une heure, tout délai qui arrive à échéance le jour où cette indisponibilité survient est de plein droit prorogé jusqu'à la fin du jour ouvrable suivant le jour au cours duquel l'indisponibilité a pris fin.
   Les périodes pendant lesquelles la plate-forme électronique a été indisponible sont mentionnées sur le site.
   Au cas où le service informatique d'une partie utilisant la procédure par la voie électronique est temporairement indisponible, tout envoi peut être adressé au Conseil d'Etat par un courrier envoyé conformément à l'article 84 ou par un courrier électronique ; les requêtes et mémoires ne doivent être envoyés qu'en un seul exemplaire. L'envoi fait mention de l'indisponibilité. La partie concernée dépose le contenu de l'envoi sur la plate-forme dès que possible.
   § 16. Les dossiers électroniques cessent d'être accessibles lorsque le dossier est clôturé et archivé depuis plus de six mois.
   § 17. Le Conseil d'Etat peut publier sur son site internet une note explicative relative à l'utilisation de sa plate-forme électronique. Celle-ci précise, le cas échéant, la marche à suivre pour s'enregistrer, gérer les partages des dossiers et mettre le profil à jour. Elle peut également contenir des directives concernant le format exploitable visé au paragraphe 11 et la taille maximale des documents déposés, ainsi que les autres exigences techniques applicables aux documents déposés.
   § 18. Le responsable du traitement utilise les techniques informatiques qui :
   - préservent l'origine et l'intégrité du contenu du dépôt au moyen de techniques de sécurisation appropriées ;
   - garantissent la confidentialité du contenu du dépôt ;
   - enregistrent ou journalisent dans le système l'identité de l'utilisateur, le moment du dépôt, de la réception et de l'ouverture d'actes de procédure ou de pièces ;
   - enregistrent ou journalisent dans le système l'identité des utilisateurs et le moment où ceux-ci procèdent à des créations ou modifications de brouillon de dépôts ;
   - enregistrent ou journalisent dans le système l'identité des utilisateurs et le moment où ceux-ci procèdent à des créations ou des révocations de partages de dossiers ou de profil ;
   - enregistrent ou journalisent dans le système l'identité des utilisateurs et le moment où ceux-ci procèdent à des modifications de leur profil ;
   - enregistrent ou journalisent dans le système l'identité des utilisateurs et le moment exact des connexions à la plate-forme électronique ;
   - signalent les défaillances du système, enregistrent les moments où les erreurs empêchent le dépôt ou la réception et en informent les utilisateurs.
   La plate-forme électronique prévoit une gestion stricte et adéquate des utilisateurs et des accès qui permet d'identifier les utilisateurs, de les authentifier et de contrôler leurs caractéristiques ou qualités et autorisations d'accès.
   Sauf le cas où ces éléments sont nécessaires à l'appui d'un autre recours, il est interdit à tout utilisateur de traiter les actes de procédure, pièces et toute donnée à caractère personnel dont il a pris connaissance dans le cadre d'une affaire déterminée en dehors de l'instruction de celle-ci. ]1

  
Art. 86. De tot de Raad van State gerichte verzoekschriften en memories bevatten een inventaris van de ter staving ingeroepen stukken.
  Het administratief dossier wordt overgemaakt met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is. [1 Het kan verstuurd worden per drager tegen ontvangstmelding.]1
  
Art. 86. Les requêtes et mémoires transmis au Conseil d'Etat contiennent un inventaire des pièces à l'appui.
  Le dossier administratif est transmis avec un inventaire des pièces qui le composent. [1 Il peut être envoyé par porteur contre accusé de réception.]1
  
Art. 87. [1 § 1. De partijen en hun raadslieden kunnen ter griffie van het dossier van de zaak kennis nemen.
   § 2. Wanneer een partij een stuk indient en vraagt het niet ter kennis te brengen van de overige partijen, moet ze dat afzonderlijk neerleggen. Ze moet de vertrouwelijkheid ervan uitdrukkelijk aangeven, de motieven van haar verzoek uiteenzetten in het processtuk waarbij het bewuste stuk wordt gevoegd en een inventaris opmaken waarin het stuk wordt vermeld waarvoor vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd.
   Wanneer een partij of een verzoeker in tussenkomst om vertrouwelijke behandeling verzoekt van een stuk gevoegd bij het dossier ingediend door een andere partij of een andere verzoeker in tussenkomst, bezorgt diegene die om vertrouwelijke behandeling verzoekt aan de griffie een specifiek verzoek in die zin waarin duidelijk het stuk wordt vermeld waarvoor vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd en de motieven van dat verzoek worden uiteengezet.
   Wanneer in toepassing van artikel 23 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een stuk door een overheid wordt neergelegd, kan deze vragen dat het niet ter kennis wordt gebracht aan de partijen overeenkomstig het eerste en het tweede lid van deze paragraaf.
   Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden van deze paragraaf, wordt het stuk niet vertrouwelijk behandeld.
   § 3. Wanneer het verzoek wordt ingediend overeenkomstig § 2, wordt het stuk waarvoor om vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, voorlopig afzonderlijk in het dossier van de zaak opgenomen en mag het niet worden ingezien door de partijen behalve door die welke de vertrouwelijke behandeling heeft gevraagd of het genoemde stuk heeft ingediend.
   § 4. Als het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt afgewezen, mogen de overige partijen van het stuk kennis nemen.]1

  
Art. 87. [1 § 1er. Les parties et leurs conseils peuvent prendre connaissance au greffe du dossier de l'affaire.
   § 2. Lorsqu'une partie dépose une pièce pour laquelle elle demande qu'elle ne soit pas communiquée aux autres parties, elle doit la déposer de manière distincte. Elle doit en mentionner le caractère confidentiel de manière expresse et exposer les motifs à sa demande dans l'acte de procédure auquel est jointe ladite pièce et en établir un inventaire dans lequel est précisée la pièce dont la confidentialité est requise.
   Lorsqu'une partie ou un requérant en intervention requiert la confidentialité d'une pièce versée au dossier ou déposée par une autre partie ou un autre requérant en intervention, le demandeur de confidentialité notifie au greffe une requête spécifique en ce sens en mentionnant avec précision la pièce pour laquelle la confidentialité est demandée et en exposant les motifs de sa demande.
   Lorsqu'en application de l'article 23 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, une pièce est déposée par une autorité, celle-ci peut demander qu'elle ne soit pas communiquée aux parties, conformément aux alinéas 1er et 2 du présent paragraphe.
   A défaut du respect des conditions du présent paragraphe, la pièce ne bénéficie pas de la confidentialité.
   § 3. Lorsque la demande est introduite conformément au § 2, la pièce qui fait l'objet d'une demande de confidentialité est provisoirement classée de manière distincte dans le dossier de l'affaire et ne peut pas être consultée par les parties autres que celle qui a demandé la confidentialité ou qui a déposé ladite pièce.
   § 4. Si la demande de confidentialité est rejetée par arrêt, les autres parties peuvent prendre connaissance de la pièce.]1

  
Art. 88. De dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet in begrepen.
  De vervaldag wordt in de termijn gerekend.
  (Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag). <KB 31-12-1968, art. 9>
  [1 De werkdag is de dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is.]1
  
Art. 88. Le jour de l'acte qui est le point de départ d'un délai n'y est pas compris.
  Le jour de l'échéance est compté dans le délai.
  (Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable). <AR 31-12-1968, art. 9>
  [1 Le jour ouvrable est celui qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal.]1
  
Art. 89. De bij dit besluit bedoelde termijnen worden met dertig dagen verlengd ten behoeve van de personen die hun woonplaats hebben in een Europees land dat niet aan België grenst en met negentig dagen ten behoeve van hen die hun woonplaats buiten Europa hebben .
  (...) <KB II 15-07-1956, art. 13>.
Art. 89. Les délais visés au présent arrêté sont augmentés de trente jours en faveur des personnes demeurant dans un pays d'Europe qui n'est pas limitrophe de la Belgique et de nonante jours en faveur de celles qui demeurent hors d'Europe.
  (...) <AR II 15-07-1956, art. 13>
Art. 90. De bij dit besluit bedoelde termijnen lopen tegen de minderjarigen, de ontzette personen en andere onbekwamen. De Raad van State kan dezen nochtans van hun verval ontheffen wanneer het vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet tijdig was verzekerd vóór het verstrijken der termijnen.
Art. 90. Les délais visés au présent arrêté courent contre les mineurs, interdits et autres incapables. Toutefois, le Conseil d'Etat peut relever ceux-ci de la déchéance, lorsqu'il est établi que leur représentation n'était pas assurée, en temps voulu, avant l'expiration des délais.
Art. 91. In spoedeisende gevallen kan de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, na advies van de auditeur-generaal, de inkorting bevelen van de termijnen voorzien voor de akten van de rechtspleging.
  (...) .
  [1 De voor de proceshandelingen voorgeschreven termijnen, gelijk aan of korter dan dertig dagen, worden verhoogd met vijftien dagen wanneer ze, ten gevolge van de berekening uitgevoerd met toepassing van artikel 88, ingaan en verstrijken tussen 1 juli en 31 augustus.]1
  
Art. 91. En cas d'urgence, la chambre saisie peut, après avis de l'auditeur général, ordonner la réduction des délais prescrits pour les actes de la procédure.
  (...)
  [1 Les délais prescrits pour les actes de la procédure, égaux ou inférieurs à trente jours, sont augmentés de quinze jours lorsque, à la suite de la computation effectuée en application de l'article 88, ils prennent cours et arrivent à échéance entre le 1er juillet et le 31 août.]1
  
Art. 92. [1 De arresten, beschikkingen, processen-verbaal, verslagen en andere stukken van de Raad van State worden ondertekend met een handgeschreven of elektronische handtekening.]1
  
Art. 92. [1 Les arrêts, les ordonnances, les procès-verbaux, les rapports et les autres documents émanant du Conseil d'Etat sont signés de manière manuscrite ou électronique.]1
  
TITEL IX. (VORDERINGEN DIE DOELLOOS ZIJN OF DIE SLECHTS KORTE DEBATTEN VEREISEN).
TITRE IX. (DES DEMANDES SANS OBJET OU QUI N'APPELLENT QUE DES DEBATS SUCCINCTS)
Art. 93. [1 Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt het lid van het auditoraat daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. Zijn verslag wordt ter kennis van de partijen gebracht.
   Wanneer het aangewezen lid van het auditoraat, in zijn verslag, adviseert tot de nietigverklaring, kan de verwerende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift, binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dit verslag, vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten toe te passen. Deze aanvraag wordt ter kennis van de andere partijen gebracht, die hun schriftelijke opmerkingen kunnen doen gelden binnen een termijn van vijftien dagen. [2 Het aangewezen lid van het auditoraat stelt met betrekking tot dit onderwerp een geschreven advies op dat ten minste zeven werkdagen voor de terechtzitting aan de partijen en de kamer waarbij de zaak aanhangig is, wordt meegedeeld.]2
  [2 Wanneer het aangewezen lid van het auditoraat, in zijn verslag tot de nietigverklaring besluit, kan de verwerende partij binnen vijftien dagen na de kennisgeving van dit verslag vragen om met toepassing van artikel 38, § 1, van de gecoördineerde wetten in de gelegenheid te worden gesteld een beslissing tot herstel te nemen. Deze aanvraag wordt ter kennis van de andere partijen gebracht, die hun schriftelijke opmerkingen kunnen doen gelden binnen een termijn van vijftien dagen. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt met betrekking tot dit onderwerp een geschreven advies op dat ten minste zeven werkdagen voor de terechtzitting aan de partijen en de kamer waarbij de zaak aanhangig is, wordt meegedeeld.]2
   Binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het in lid 1 bedoelde verslag, kan de verzoekende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift vragen om artikel 35/1, artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, of artikel 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, toe te passen. Deze aanvraag wordt bij de oproeping gevoegd.
   Indien de kamervoorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht.
   Indien hij van oordeel is dat de zaak niet gereed is om definitief te worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging.]1

  
Art. 93. [1 Lorsqu'il apparaît que le recours en annulation est sans objet ou qu'il n'appelle que des débats succincts, le membre de l'auditorat désigné fait immédiatement rapport au président de la chambre saisie de l'affaire. Son rapport est notifié aux parties sans délai.
   Lorsque, dans son rapport, l'auditeur désigné conclut à l'annulation, la partie adverse ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, dans les quinze jours de la notification de ce rapport, demander l'application de l'article 14ter des lois coordonnées. Cette demande est notifiée aux autres parties. Celles-ci peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de quinze jours. [2 Le membre de l'auditorat désigné rédige un avis écrit limité à cet objet qui est communiqué au moins sept jours ouvrables avant l'audience aux parties et à la chambre saisie.]2
  [2 Lorsque, dans son rapport, le membre de l'auditorat désigné conclut à l'annulation, la partie adverse peut, dans les quinze jours de la notification de ce rapport, demander à ce que, en application de l'article 38, § 1er, des lois coordonnées, elle soit autorisée à prendre une décision réparatrice. Cette demande est notifiée aux autres parties, qui peuvent faire valoir leurs observations écrites dans un délai de quinze jours. Le membre de l'auditorat désigné rédige un avis écrit limité à cet objet qui est communiqué au moins sept jours ouvrables avant l'audience aux parties et à la chambre saisie.]2
   Dans les quinze jours de la notification du rapport visé à l'alinéa 1er, la partie requérante ou une partie intervenante peut, par une requête motivée, demander l'application de l'article 35/1, de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, première phrase, ou de l'article 36, § 1, alinéa 3, des lois coordonnées. Cette demande est jointe à la convocation.
   Si le président de la chambre partage les conclusions du rapport, l'affaire est définitivement tranchée.
   S'il estime que l'affaire n'est pas en état d'être tranchée définitivement, il renvoie celle-ci à la procédure ordinaire.]1

  
TITEL X. - (SLOTBEPALING.)
TITRE X. - (DISPOSITION FINALE).
Art. 95. <KB 07-01-1991, art. 10> In aangelegenheden als bedoeld bij :
  1) (...) <KB 2007-04-25/32, art. 56, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) (de artikelen 68bis en 76bis van de gemeentekieswet en artikel 37/4 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen); <KB 1994-10/28/30, art. 12, Inwerkingtreding : 09-12-1994>
  3) de artikelen 23 en 25ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  4) de artikelen 69 en 70 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  (5) artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringen); <KB 1992-09-30/39, art. 9, Inwerkingtreding : 20-11-1992>
  (6) artikel 68 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen); <KB 1992-09-30/39, art. 9, Inwerkingtreding : 20-11-1992>
  (7° artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;) <KB 2003-05-15/60, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  [1 artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.]1
  wordt de rechtspleging geregeld door de desbetreffende bijzondere bepalingen.
  
Art. 95. <AR 07-01-1991, art. 10> Dans les matières prévues par :
  1) (...) <AR 2007-04-25/32, art. 56, 008; En vigueur : 01-06-2007>
  2) (les articles 68bis, 76 et 76bis de la loi électorale communale et l'article 37/4 de la loi du 19 octobre 1921 organique des élections provinciales); <AR 1994-10-28/30, art. 12, En vigueur : 09-11-1994>
  3) les articles 23 et 25ter de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
  4) les articles 69 et 70 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le sejour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  (5) l'article 7, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance; <AR 1992-09-30/32, art. 9, En vigueur : 20-11-1992>
  (6) l'article 68 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités); <AR 1992-09-30/39, art. 9, En vigueur : 20-11-1992>
  (7° l'article 122 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;) <AR 2003-05-15/60, art. 5, 003; En vigueur : 01-06-2003>
  [1 l'article 36/22 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique.]1
  la procédure est réglée par les dispositions particulières qui le concernent.